Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 maart 2016
Tijdens het rondetafelgesprek over de Contourennota modernisering van het Wetboek
van Strafvordering (Kamerstuk 29 279, nr. 278) d.d. 10 februari jl., hebben de deelnemers aan die bijeenkomst zorgen geuit over
het voorgenomen hoge tempo van de totstandkoming van de wetsvoorstellen, de benodigde
tijd voor de implementatie en de structurele en incidentele effecten van de voorstellen
voor de uitvoeringsorganisaties. De noodzaak van de modernisering werd tijdens de
ronde tafel bijeenkomst breed onderschreven. Met het oog op het algemeen overleg van
aanstaande woensdag reageer ik op hetgeen hierover tijdens het rondetafelgesprek naar
voren is gebracht.
Van belang is het onderscheid tussen het proces dat moet leiden tot de afronding van
de wetsvoorstellen en de daarop volgende zorgvuldige implementatie van het wetboek
in de strafrechtspraktijk. Er zijn in totaal zes wetsvoorstellen ter vaststelling
van de eerste zes boeken van het nieuwe wetboek alsmede de daarbij behorende invoeringswet
in ontwikkeling. Deze wetsvoorstellen zien op de modernisering van het Nederlandse
strafproces1. Vanaf het begin van de modernisering wordt in nauwe samenspraak met strafrechtketenpartners,
advocatuur en wetenschap gesproken over de voorstellen.
In het overleg met de ketenpartners worden ook de effecten en consequenties in de
praktijk en de structurele en incidentele kosten en baten in kaart gebracht en besproken.
Volgens de huidige planning is indiening van het laatste wetsvoorstel bij uw Kamer
voorzien in 2018. De deelnemers aan het rondetafelgesprek gaven te kennen tevreden
te zijn over de kwaliteit van de voorstellen die zij in het kader van de brede raadpleging
kregen voorgelegd.
Uiteraard is de gekozen aanpak om in dialoog met de meest betrokken organisaties de
modernisering van het wetboek aan te pakken, zeer intensief en vergt veel van de ketenpartners
en de advocatuur. Maar de zeer betrokken inbreng vanuit de praktijk levert zonder
meer een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de in ontwikkeling zijnde wetsvoorstellen.
Dat hebben de afgelopen twee jaar al laten zien. Ik realiseer mij dat veel van de
betrokken partijen wordt gevraagd. Het belang van de modernisering vraagt daar ook
om. Dat alle voorstellen in een vroeg conceptstadium worden voorgelegd en besproken,
biedt evenwel ook voor de gesprekspartners een unieke gelegenheid bepaalde wensen
en verlangens die wezenlijk zijn voor de praktijk in een vroeg stadium in te brengen
en gerealiseerd te krijgen. Ik zal het ambitieuze tijdpad aanpassen, als dat gegeven
de benodigde kwaliteit noodzakelijk is, maar tot die conclusie kan ik nu nog niet
komen. Ik zal uw Kamer voor de zomer berichten over een aangepaste planning.
Naast zorgen over het tempo van de totstandkoming van de wetsvoorstellen werden tijdens
het rondetafelgesprek ook zorgen geuit over de implementatie van het nieuwe wetboek
en de tijd die daarvoor moet worden genomen. Die zorgen begrijp ik volledig. De implementatie
van het nieuwe wetboek wordt voor de organisaties in en om de keten zonder meer een
zeer grote opgave. De invoering zal dus ook goed moeten worden voorbereid en om die
reden ook meerdere jaren bestrijken. Ik denk dan aan een periode van 5 jaar na de
plaatsing in het Staatsblad van de laatste vaststellingswet. Als de praktijk er –
door een tijdige en goede voorbereiding – eerder klaar voor is, kan het nieuwe wetboek
natuurlijk ook eerder in werking treden.
Een zorgvuldig wetgevingsproces zal ook een goede en voortvarende aanpak van de implementatie
ten goede komen. Dit betekent dat de inspanningen ter implementatie van het nieuwe
wetboek bij het opstellen van de wetsvoorstellen in samenspraak met de ketenpartners
in kaart worden gebracht. Daarvoor geldt echter wel dat de implementatie inspanningen
pas volledig zijn te overzien als het gehele wetboek en de onderliggende besluiten
gereed zijn. Zij zullen dan ook pas bij de invoeringswet integraal inzichtelijk kunnen
worden gemaakt. Dit geldt ook voor de incidentele en mogelijk structurele financiële
consequenties van het nieuwe wetboek. Het wetboek zal pas in werking kunnen treden
als de implementatie voldoende is voorbereid en de benodigde middelen beschikbaar
zijn.
De implementatietermijn zal ik te zijner tijd nog bezien. Uiteraard wordt u daarover
dan ook geïnformeerd.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
G.A. van der Steur