nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 februari 2004
In het Algemeen Overleg over de kabinetsreactie op het WRR-rapport over
de toekomst van de nationale rechtsstaat (29 279 nr. 1) van 28 januari
jl. (29 279/29 349, nr. 2) heb ik toegezegd uw Kamer een overzicht
te bieden van de verschillende ontwikkelingen inzake de rechtspleging, waaronder
begrepen alternatieve geschillenbeslechting. Daartoe geef ik in deze brief
een samenvattend overzicht van de verschillende brieven en notities die uw
Kamer in de komende periode zullen bereiken en licht ik de samenhang tussen
die documenten toe.
De modernisering en de afronding daarvan
De centrale doelstelling van het kabinet ten aanzien van de rechtspleging
is een beter presterende rechtspraak. Uitgangspunt daarbij is dat verder ingrijpen
in de structuur van de rechterlijke organisatie niet nodig en niet gewenst
is. Met de modernisering van de rechterlijke organisatie (met ingang van 2002
gerealiseerd bij de wetten Organisatie en Bestuur Gerechten (Stb. 2001, 582)
en Raad voor de rechtspraak (Stb. 2001, 583)) en de besluitvorming van het
kabinet over de derde – afrondende – fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie is het langlopende proces van ingrijpende (stelsel-)herziening
van de rechterlijke organisatie afgerond. Nu is het tijd te bezien op welke
wijze het nu bestaande stelsel van rechtspleging verder kan worden geoptimaliseerd
en de rechtspleging met instandhouding van de bestaande structuur tot betere
prestaties kan komen, mede met het oog op de uitdagingen waarvoor huidige
en toekomstige ontwikkelingen in de samenleving de rechtspraak en de geschilbeslechting
stellen. Dit uitgangspunt van het kabinet wordt eveneens belicht in de dezer
dagen aan uw Kamer toe te zenden brief (van de minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijkrelaties en ondergetekende) over de derde fase van de herziening
van de rechterlijke organisatie en de toekomstige structuur van de Raad van
State. Daarbij wordt onder meer aangegeven dat de activiteiten van de rechterlijke
organisatie mede gericht moeten zijn op het voorkomen van onnodig (lange)
beroepsprocedures.
Andere onderwerpen die vanuit het hierboven toegelichte kader de werking
van de rechtspleging beïnvloeden en waarover uw Kamer in het komende
jaar nader wordt geinformeerd, zijn de volgende:
Stelselbrief Rechtspleging 2004
Met de inwerkingtreding van de wetten Organisatie en Bestuur Gerechten
en Raad voor de rechtspraak zijn de organisatie en het bestuur van de rechterlijke
organisatie ingrijpend gewijzigd. Uit deze moderniseringsoperatie resteert
nog een aantal onderwerpen die nadere uitwerking vereisen. In de stelselbrief
Rechtspleging 2004 wordt een overzicht gepresenteerd van de activiteiten die
hiermee samenhangen, te weten: de nieuwe bestuurlijke verhoudingen, de financieringsrelatie,
de toezichtsrelatie tussen de minister van Justitie en de Raad voor de rechtspraak
en de arbeidsvoorwaarden. Tevens zal ik uw Kamer daarbij informeren over de
wijze waarop ik mij voorstel de evaluatie van de modernisering rechtspleging
in te richten. Deze stelselbrief ontvangt uw Kamer samen met het jaarplan
2004 van de Raad voor de rechtspraak in maart 2004.
Slagvaardiger rechtspleging
Binnen het bestaande stelsel zullen komende jaren diverse initiatieven
worden ontplooid om de slagvaardigheid van de rechtspleging verder te versterken.
Zoals het kabinet heeft aangegeven in de reactie op het WRR-rapport «De
toekomst van de nationale rechtsstaat» wordt het uitgangspunt gevormd
door een beter presterende rechtspraak, zij het dat deze vaker in de tweede
linie zal dienen te opereren. Een gedifferentieerde benadering van de rechtspleging
is noodzakelijk, waarbij de individuele burger op de eigen verantwoordelijkheid
wordt aangesproken. Aansluitend bij mijn aankondiging in de Memorie van Toelichting
bij de begroting 2004 om te komen met een plan van aanpak voor de overbelasing
van de rechtspraak zal ik in dit kader onder de noemer «Naar een slagvaardiger
rechtspleging» een aantal maatregelen presenteren waaronder het herbezien
van de z.g. non-judiciële taken van de rechtspraak, een modernisering
van het griffierechtenstelsel en het bevorderen van de doelmatigheid van procedures
(werkprocessen en elementen van het procesrecht) en een meer flexibele verdeling
van rechtsmacht (w.o. concentratie en specialisatie). De nota waarbij uw Kamer
wordt geinformeerd over deze maatregelen kunt u begin mei 2004 tegemoet zien.
Mediation
Het kabinetsbeleid is erop gericht om alternatieven voor de rechtspraak
te bevorderen. Dit gebeurt primair vanuit de wenselijkheid om voor elk geschil
de meest passende confliktoplossing te hanteren. Neveneffect is dat aldus
ook een bijdrage kan worden geleverd aan de ambitie om tot een slagvaardiger
rechtspleging te komen. Onlangs zijn enkele evaluatiestudies inzake pilots
op het gebied van mediation naast rechtspraak gereed gekomen. Naar aanleiding
van deze rapporten zal ik – zoals eerder toegezegd – uw Kamer
begin maart 2004 mijn visie doen toekomen op de rol van mediation in het rechtsbestel
en de aan de bevordering van mediation te verbinden concrete acties. Na oplevering
van het WODC-onderzoek betreffende de z.g. «geschillendelta» zal
vervolgens ook worden bezien in hoeverre alternatieven als bindend advies
en arbitrage kunnen worden ontwikkeld.
Procesrecht
Vermeldenswaard is dat daarnaast op het terrein van het procesrecht thans
een aantal bij u bekende trajecten loopt die eveneens effect zullen hebben
op de slagvaardigheid van de rechtspleging. Ik doel op de herziening van het
wetboek van Strafvordering, de fundamentele herbezinning van het burgerlijk
procesrecht en het regeringsstandpunt inzake de evaluatie van de Algemene
wet bestuursrecht. Over het algemeen kader herziening wetboek van Strafvordering
(29 271) heeft op 4 februari jl. overleg met uw Kamer plaatsgevonden.
De tussenrapportage van de kerngroep fundamentele herbezinning burgerlijk
procesrecht is op 16 mei 2003 (kenmerk 5226253/03/6) aan uw Kamer gezonden.
Het kabinetsstandpunt inzake het rapport van de commissie evaluatie Awb II
zal binnenkort aan uw Kamer worden gezonden.
De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner