Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201429279 nr. 194

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 194 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 maart 2014

Mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bied ik u hierbij aan het rapport «De bestuursrechtelijke geldschuldenregeling. Titel 4.4 Awb geëvalueerd»1. Dit evaluatierapport is opgesteld door een onderzoeksteam van de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Doelstelling van het onderzoek was om de werking van titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake bestuursrechtelijke geldschulden in de praktijk te evalueren. Deze evaluatie vloeit mede voort uit een daartoe strekkende toezegging bij de behandeling van de Vierde tranche van de Awb en de Aanpassingswet Vierde tranche Awb in de Eerste Kamer (Handelingen I 2008/09, nr. 36, blz. 1619–1647). De Eerste Kamer heeft gevraagd om bij de evaluatie aandacht te besteden aan de vraag of de toename van het aantal beslismomenten dat de geldschuldentitel kent, een toename van de administratieve lasten van de burger betekent.

De onderzoekers concluderen ten aanzien van de administratieve lasten dat er voor burgers niet zoveel lijkt te zijn veranderd door de invoering van titel 4.4 Awb. De directe kosten die gepaard gaan met de afwikkeling van een betalingsbeschikking en het invorderingsproces zijn niet gewijzigd en titel 4.4 Awb heeft evenmin geleid tot een toe- of afname van informatieverplichtingen. Voor bestuursorganen concluderen de onderzoekers dat de verwachting van de regering dat de toename van het aantal beslismomenten niet tot noemenswaardige extra lastendruk zou leiden, lijkt te zijn uitgekomen. Ook van een verschuiving van lasten van deurwaarders naar bestuursorganen lijkt nauwelijks sprake te zijn geweest.

De onderzoekers wijzen erop dat de geldschuldentitel op lang niet alle bestuursrechtelijke geldschulden wordt toegepast; er bestaan nog steeds verschillende invorderingssystemen naast elkaar en daarnaast doen de afwijkingen in bijzondere wetten van titel 4.4 Awb naar het oordeel van de onderzoekers afbreuk aan de uniformiteit en de eenvoudige toepasbaarheid van de – op zichzelf als duidelijk ervaren – geldschuldentitel. Hoewel met de geldschuldentitel inderdaad naar uniformering werd gestreefd, wijzen wij erop dat dit uniformeringsstreven niet zover ging dat een algemeen toepasselijke regeling voor alle bestuursrechtelijke geldschulden werd beoogd. In dit verband kan worden gewezen op de totstandkoming van de Aanpassingswet Vierde tranche Awb. Bij deze wet is een groot aantal bijzondere wetten aangepast aan de geldschuldentitel. Daarbij is in de memorie van toelichting aangegeven dat afwijkingen van de Awb in bijzondere wetten in bepaalde gevallen werden aanvaard.

Uit het onderzoek blijkt dat de praktijk de bepalingen van titel 4.4 Awb op zichzelf duidelijk en goed toepasbaar vindt. Niettemin geven de onderzoekers aan dat de regeling op punten wat gedetailleerder had mogen zijn (bijv. in het geven van materiële normen over de uitoefening van invorderingsbevoegdheden en in het geven van regels over de fase die voorafgaat aan de betalingsbeschikking). Wij zijn voornemens de suggesties voor wijziging c.q. verbetering in overweging te nemen en bij gelegenheid te verwerken in titel 4.4 Awb.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer