29 270
Reclasseringsbeleid

nr. 14
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juli 2007

1. Inleiding

Hierbij doe ik u het rapport «Inzicht in Toezicht»1 toekomen. Het betreft een onderzoek dat het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) heeft laten verrichten naar de uitvoeringspraktijk van het reclasseringstoezicht.

Daarnaast informeer ik u over de uitkomsten van de doorlichting van alle in behandeling zijnde reclasseringstoezichten. In mijn brief van 14 juni 2007 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2006–2007, 29 270, nr. 13) heb ik uw Kamer dat toegezegd.

2. Resultaten WODC-onderzoek en doorlichting

Het WODC-onderzoek richt zich op het verkrijgen van inzicht in de wijze waarop de reclassering invulling geeft aan het toezicht en doet aanbevelingen voor het verbeteren van het reclasseringstoezicht. Allereerst geeft het rapport aan dat een éénduidig begrippenkader ontbreekt over wat toezicht is en wat er mee wordt beoogd. Het is volgens de onderzoekers van groot belang dat één definitie door alle betrokken organisaties wordt gebruikt.

Daarnaast is de theoretische onderbouwing van het reclasseringstoezicht onvoldoende uitgewerkt. Het verder ontwikkelen van een dergelijke theorie kan een samenhangend kader bieden voor de uitvoeringspraktijk van een meer resultaatgericht en minder divers toezicht.

Tot slot geeft het onderzoek een aantal onvolkomenheden in de uitvoeringspraktijk aan. Zo wordt de voorgeschreven contactfrequentie met justitiabelen in veel toezichttrajecten niet gehaald en wordt het plegen van strafbare feiten niet altijd gemeld aan het bevoegd gezag. Ook is vastgesteld dat het Openbaar Ministerie (OM) de reclassering niet altijd informeert over het vervolgtraject als het toezicht voortijdig wordt beëindigd. Als laatste beveelt het rapport aan dat het toezicht zo spoedig mogelijk een aanvang dient te nemen.

De bevindingen van het WODC-onderzoek zijn in overeenstemming met de uitkomsten van de doorlichting van alle reclasseringstoezichten. Deze doorlichting is uitgevoerd door de drie reclasseringsorganisaties en wordt op dit moment methodologisch getoetst door de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt). Voorzover dat nieuwe gezichtspunten oplevert, zal ik uw Kamer daar separaat over informeren.

Uit de doorlichting blijkt dat het reclasseringstoezicht in grote lijnen wordt uitgevoerd conform de richtlijnen. In een aantal gevallen daarentegen is niet volledig uitvoering gegeven aan het vonnis of is de voorgeschreven contact-frequentie met de justitiabele niet bereikt. Ook komt het voor dat overtreding van de voorwaarden niet aan de justitiële autoriteiten is gemeld. In 5% van de gevallen heeft de doorlichting aanleiding gegeven tot directe actie.

3. Beleidsreactie

Vanaf 2002 is in het kader van het vergroten van de maatschappelijke veiligheid een start gemaakt met de modernisering van de sanctietoepassing. Ook binnen het huidige kabinetsbeleid heeft veiligheid een hoge prioriteit en is de doelstelling van 25% criminaliteitsreductie nog steeds aan de orde. Om deze doelstelling te bereiken is een verhoogde effectiviteit van de sanctietoepassing en een beter functionerende strafrechtsketen onmisbaar.

De reclasseringsorganisaties maken van deze keten integraal onderdeel uit. Een omvangrijk en complex verandertraject is reeds in 2003 in gang gezet, gericht op een meer substantiële bijdrage van de reclasseringsorganisaties aan een consequente strafrechtelijke afdoening en het terugdringen van recidive. Ik verwijs u hiervoor naar de brief aan uw Kamer van de toenmalige minister van Justitie van 21 oktober 2003 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2003–2004, 29 270, nr. 1). Als sluitstuk van dit traject dient het vergroten van de slagvaardigheid en de kwaliteit van het reclasseringstoezicht. De toenmalige minister van Justitie heeft in het verlengde hiervan het WODC-onderzoek laten verrichten.

Ik onderschrijf ten volle de noodzaak tot het verbeteren van het reclasseringstoezicht. Een aantal recente onderzoeken van de ISt bevestigt dit. Het toezicht op de naleving van voorwaarden acht ik van essentieel belang voor een geloofwaardige strafrechtspleging. Het draagt niet alleen bij tot de reïntegratie van de justitiabele, maar dient met name als handhaving van strafrechtelijke beslissingen. Op basis van de aanbevelingen van het WODC-rapport en de uitkomsten van de doorlichting zal ik daarom een aantal maatregelen nemen om de uitvoering van het reclasseringstoezicht te verbeteren.

3.1 Een eenduidig begrippenkader

Allereerst is van belang een begrippenkader vast te stellen, dat alle organisaties toepassen. In overleg met alle ketenpartners ben ik daarom tot onderstaande definitie van het reclasseringstoezicht gekomen:

Reclasseringstoezicht is de controle op het nakomen van bijzondere voorwaarden, het signaleren van dreigende overtreding, en het stimuleren en motiveren van de veroordeelde om zich aan de bijzondere voorwaarden te houden.

De inhoud van de bijzondere voorwaarden wordt daarbij meer dan voorheen bepaald op basis van wetenschappelijk getoetste diagnose-instrumenten, waarbij de factoren die aan het criminele gedrag ten grondslag liggen worden geïdentificeerd. Door de bijzondere voorwaarden gespecificeerd op te nemen in het vonnis is voor alle betrokken organisaties helder aan welke voorwaarden de justitiabele dient te voldoen, wat hiermee wordt beoogd en wanneer sprake is van overtreding van deze voorwaarden.

Het reclasseringstoezicht op de bijzondere voorwaarden zal eveneens worden gedifferentieerd naar een aantal nader omschreven uitvoeringsvarianten van minder naar meer intensief. De vormgeving van het toezicht wordt dan afgestemd op het risico van overtreding van de voorwaarden. Justitiabelen waarvoor een strikte controle noodzakelijk is, kunnen dan intensiever worden gevolgd, zodat signalen van terugval en dreigende recidive tijdig worden gesignaleerd en zonodig kan worden ingegrepen.

Het reclasseringstoezicht is overigens alleen zinvol als de bijzondere voorwaarden naleefbaar zijn. Hiervoor is het noodzakelijk dat voldoende randvoorwaarden worden gecreëerd voor de justitiabele. Dit zijn het hebben van een inkomen, onderdak, identiteitsbewijs en mogelijk ook zorg. De reclassering zal derhalve ook ondersteuning moeten bieden om deze randvoorwaarden voorzover nodig te realiseren.

Ik ben van mening dat op deze wijze het reclasseringstoezicht éénduidig wordt vormgegeven. Ik heb de reclasseringsorganisaties gevraagd deze maatregelen in samenwerking met OM, ZM en DJI voortvarend uit te voeren in het traject «Redesign Toezicht», zodat in 2008 gestart kan worden met pilots om de hernieuwde werkwijze te beproeven.

3.2 Verder uitwerken van programmatheorie van het reclasseringstoezicht

Ik heb het WODC gevraagd onderzoek te verrichten naar de onderliggende theorie en de werkzaamheid van bestanddelen van het reclasseringstoezicht. De uitkomsten hiervan moeten meer richting geven aan het handelen van de reclasseringswerkers bij de uitvoering van het toezicht en de kwaliteit en slagvaardigheid vergroten. Daarnaast zal het toezicht worden aangepast naar gelang er nieuwe wetenschappelijke inzichten bekend zijn over werkzame bestanddelen. Alleen op deze wijze valt het reclasseringstoezicht in de toekomst blijvend te verbeteren.

3.3 Het aanscherpen van de uitvoering van het reclasseringstoezicht.

De geloofwaardigheid van het reclasseringstoezicht staat of valt met een snelle start van het toezicht, een consequente toepassing en een adequate reactie op het niet naleven van afspraken. Ik heb reeds diverse maatregelen genomen om de uitvoering van het toezicht op deze onderdelen te verbeteren. Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief van 14 juni 2007 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2006–2007, 29 270, nr. 13).

Zo wordt met de instelling van de reclasseringsbalies op 1 januari 2007 een justitiabele direct toegewezen aan een vaste reclasseringsbegeleider en kan een toezicht sneller worden gestart. Uit het WODC onderzoek blijkt overigens dat 12% van de opgelegde toezichten – ondanks inspanningen van betrokken instanties – niet ten uitvoer wordt gelegd. Ik ben daarom met het OM en de drie reclasseringsorganisaties in overleg over de manier waarop dit percentage maximaal kan worden teruggedrongen.

Daarnaast acht ik het zowel vanzelfsprekend als essentieel dat tijdens extramurale sancties overtreding van voorwaarden, het begaan van strafbare feiten of enkel het vermoeden daartoe te allen tijde worden gemeld aan het OM of DJI. Ik heb de reclasseringsorganisaties gevraagd dit te borgen en structureel te bewaken. Ook ben ik reeds in overleg met de ketenpartners hoe te reageren op afloopberichten van de reclassering en over het tijdig en volledig informeren van de reclassering door het OM over de vervolging en afhandeling van nieuwe delicten begaan tijdens extramurale sancties.

Naast een adequate reactie wil ik de recidive tijdens het toezicht verminderen. Ik streef er naar in deze kabinetsperiode het huidige aantal toezichten dat voortijdig moet worden beëindigd als gevolg van nieuwe strafbare feiten met 25% te reduceren.

4. Tot slot

Het huidige kabinet acht een vergaande verbetering van het reclasserings-toezicht noodzakelijk. Het rapport biedt duidelijke aanknopingspunten om dit te realiseren. Overigens zal reclasseringstoezicht alléén onvoldoende zijn om herhalingscriminaliteit terug te dringen. Adequate nazorg kan daarbij niet ontbreken. Ik wil daarom in deze kabinetsperiode ook een goede aansluiting op de nazorg realiseren door verdere samenwerking tussen de justitiële ketenpartners, lokale overheden en particuliere organisaties, waaronder de zorginstellingen. Het «Veiligheidshuis», zoals dat momenteel al in Tilburg en Heerlen gerealiseerd is, is daar een goed voorbeeld van. In het beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» van dit kabinet zijn het reclasseringstoezicht en de aansluiting nazorg als prioriteiten benoemd en zijn hiervoor middelen uitgetrokken.

De staatssecretaris van Justitie,

N. Albayrak


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven