nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 10 februari 2004
Algemeen
De Commissie voor de Werkwijze heeft met belangstelling kennis genomen
van de opmerkingen en vragen uit zes fracties.
Daarbij vragen de leden van de PvdA-fractie om bezinning op het karakter
van het vragenuur dat – zo zeggen zij – geen mini-interpellatie
moet worden. De Commissie voor de Werkwijze deelt die mening en de voorstellen
zijn er dan ook op gericht om, anders dan bij een interpellatie, een snelle
uitwisseling van vragen en antwoorden mogelijk te maken waarbij het bewaken
van de korte spreektijden zowel van de leden als van de bewindslieden wezenlijk
is.
Niet duidelijk is waar de genoemde leden aan denken als zij aan het vragenuur
het «oorspronkelijke karakter willen teruggeven». Het vragenuur
is pas in 1966 ingevoerd in de Tweede Kamer. De belangrijkste veranderingen
sindsdien zijn dat het mogelijk is ook vragen aan medeleden te stellen en
de bewindslieden te interrumperen. Deze veranderingen moeten naar de mening
van de Commissie voor de Werkwijze als verbeteringen worden beschouwd en dus
niet worden teruggedraaid.
Het spoeddebat dat bij aanvaarding van het desbetreffende voorstel wordt
gehouden als daarom gevraagd wordt door 30 leden, heeft een geheel ander karakter
dan het vragenuur. Het is niet gebonden aan een totale duur van één
uur, de leden zijn niet gebonden aan spreektijden van één of
twee minuten, het kan plaatsvinden op elke vergaderdag en er kunnen moties
worden ingediend. Waar het vragenuur vooral flitsend en levendig moet zijn,
zal het spoeddebat méér politieke zwaarte hebben.
Vragenuur en de minister-president
Op een vraag uit de CDA-fractie, antwoordt de Commissie voor de Werkwijze
dat het de Kamer is die bepaalt welke bewindslieden vragen moeten beantwoorden.
Dit betekent enerzijds dat de minister-president niet zal kunnen weigeren
om te verschijnen maar anderzijds dat de wens van een vragenstellend lid niet
de doorslag geeft. De Voorzitter zal slechts dan de minister-president
oproepen als hij ervan overtuigd is dat er een specifieke verantwoordelijkheid
bij die bewindspersoon ligt, gebaseerd op het Reglement van Orde van de ministerraad.
De reglementaire vermelding van een apart vragenuur met de minister-president
waar de leden van de fractie-D66 voor pleiten zou ofwel leiden tot een beperking
van de flexibiliteit bij het oproepen van die bewindspersoon ofwel het karakter
van dit vragenuur veranderen. Dit laatste geldt zeker indien het zou worden
gebruikt voor een vrije «gedachtewisseling over de uitkomsten van kabinetsberaad
en de politieke actualiteit» vergelijkbaar met de gedachtewisseling
met de media vrijdagmiddag zoals genoemde leden suggereren. Het eerste zal
het geval zijn omdat de minister-president dan logischerwijze niet meer voor
het gewone vragenuur zou kunnen worden opgeroepen om daar inlichtingen te
geven over de wijze waarop hij zijn specifieke bevoegdheden heeft uitgeoefend.
Artikel 136 tweede lid Aanmelden voor het vragenuur
De Commissie voor de Werkwijze wil in het Reglement niet verwijzen naar
de laatste Regeling van werkzaamheden als begin van de termijn van aanmelding –
zoals de leden van de fractie van de ChristenUnie voorstellen – omdat
tot op het moment van sluiting van de vergadering op donderdag een Regeling
van werkzaamheden kan worden ingelast. Het is dus nooit geheel zeker dat een
Regeling na de middagpauze de laatste van die dag is.
Artikel 136 derde lid Bepalen welke vragen worden toegelaten
tot het vragenuur
In antwoord op vragen uit de CDA-fractie deelt de Commissie voor de Werkwijze
mee dat de Voorzitter desgevraagd in het Presidium achteraf verantwoording
kan afleggen voor zijn afwegingen. Het behoort tot de standaardprocedure dat
via de griffier van de betrokken commissie(s) wordt nagegaan of een onderwerp
behandeld is dan wel op korte termijn geagendeerd wordt in een AO. Bij de
beoordeling vallen vragen af die op die manier al elders gesteld hadden kunnen
zijn of kunnen worden. Ook vallen vragen af die niet voldoen aan het criterium
van actualiteit of urgentie.
De Commissie ziet geen reden om deze criteria in het Reglement zelf te
vermelden omdat dit zou suggereren dat zij mechanisch kunnen worden toegepast.
Uit het grondwettelijk recht om inlichtingen te vragen – waar de
leden van de fractie van de ChristenUnie naar verwijzen – vloeit naar
de mening van de Commissie voor de Werkwijze geen recht voor om die inlichtingen
ook mondeling, plenair te vragen. Wel mogen leden niet belemmerd worden in
hun bevoegdheid om inlichtingen op andere wijze te krijgen, hetzij in AO's,
hetzij langs de weg van schriftelijke vragen. De beoordeling door de Voorzitter
van schriftelijke vragen verschilt dan ook wezenlijk van die van aangemelde
mondelinge vragen. Voor de desbetreffende criteria verwijst de Commissie naar
de nota naar aanleiding van het Verslag over stuk 29 266.
Volgorde van vragenstellers en spreektijden
De experimentele regeling die volgens het voorstel geformaliseerd wordt
houdt in dat de vragensteller moet kiezen tussen hetzij interrumperen bij
de beantwoording hetzij het stellen van nadere vragen. Zou de eerste vragensteller
beide bevoegdheden hebben dan zou diens beslag op het vragenuur
al gauw ten koste gaan van de andere vragenstellers en de andere vragenseries.
Om dezelfde reden wil de Commissie de vragensteller dwingen te kiezen
tussen het stellen van een vraag aan een bewindspersoon en het stellen van
een vraag aan een medelid. Anders ontstaat de noodzaak van twee antwoorden
op één vraag hetgeen ten koste gaat van de tijd voor andere
vragen. Uiteraard is de Voorzitter vrij om binnen de beschikbare tijd na de
beantwoording aan een ander lid – eventueel van dezelfde fractie –
de gelegenheid te geven de vraag te stellen die eerder vanwege de reglementaire
beperking niet gesteld kon worden.
Het voorstel van de leden van de SP-fractie om de mogelijkheid van interrumperen
na drie minuten in het Reglement op te nemen, is reeds verwerkt in onderdeel
V van het voorstel van het Presidium. Om het flitsende, levendige karakter
te bevorderen, is het nodig om vervolgvragen te binden aan een tijdslimiet
van één minuut. Zou er meer tijd worden gegeven dan vervloeit
het verschil tussen het vragenuur en een gewoon debat.
De Voorzitter van de Commissie,
F. W. Weisglas
De Griffier van de Commissie,
W. H. de Beaufort