29 240 Veiligheid op school

Nr. 42 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 26 mei 2010

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft op 20 april 2010 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

  • de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 december 2009 over de uitvoering van toezeggingen inzake veiligheid in en rond het onderwijs en incidentenregistratie (homo-)discriminatie (29 240, nr. 41).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van Bochove

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Kler

Voorzitter: Van Bochove

Griffier: De Kler

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Depla, Dezentjé Hamming-Bluemink, Jasper van Dijk, Uitslag en Van Bochove.

en staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Ik heet iedereen van harte welkom bij dit algemeen overleg van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Wij spreken vandaag met staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart. Ik stel vast dat mijn aanwezige collega's een spreektijd van vijf minuten hebben.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Ik begrijp dat ik een uur spreektijd heb, omdat wij maar met z'n tweeën zijn. Dat kunnen wij mooi verdelen.

De voorzitter: Nee, er geldt een spreektijd van vijf minuten.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik moet zeggen dat dit een wat teleurstellende opkomst is voor zo'n belangrijk onderwerp.

De voorzitter: Er zullen ongetwijfeld nog collega's binnenkomen die onderweg van de stemming naar hun kamer even zijn verdwaald.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Dat zou zomaar kunnen.

Voorzitter. Wij werden vandaag opgeschrikt door een artikel in De Telegraaf waaruit blijkt dat in Zeewolde een pedofiel zou rondlopen, waardoor ouders zich ernstig zorgen maken over de veiligheid van hun kinderen. Ik wil graag op deze actualiteit een reactie van de staatssecretaris.

Ik ga verder met de onderliggende agenda. Er is sprake van een toename van de loverboyproblematiek in het voortgezet speciaal onderwijs. Binnenkort vindt er in justitieverband nog een ander debat plaats over de loverboyproblematiek. Ik wil graag weten wat hiervan de oorzaken zijn. Hoe komt dit? Wat is volgens de staatssecretaris de rol van de overheid om daartegen krachtig te kunnen optreden? Er is ook sprake van confrontaties tussen groepen uit het mbo. Ook hierbij stel ik de vraag hoe dit komt en wat wij daaraan precies gaan doen.

De kwaliteit van de reboundvoorzieningen in het onderwijs is uitgebreid aan bod gekomen. In het verleden was de kwaliteit daarvan duidelijk onder de maat. Met name de kwaliteit van het onderwijs is een beetje een onderschoven kindje in allerlei instellingen. Daar hebben wij regelmatig debatten over gevoerd. Ik wil ook graag weten wat daaraan wordt gedaan. Vindt er een check plaats op de manier waarop het onderwijs in instellingen wordt gegeven? Ik meen dat de Kamer daarover een rapportage zou krijgen, maar die heb ik nog niet gezien. Ik hoor dat dus graag. In het bijzonder in het kader van de reboundvoorzieningen wil ik graag weten hoe het met het onderwijs is gesteld.

Er is summiere informatie over de bekwaamheid van docenten, terwijl juist zij met de veiligheid in en om het onderwijs moeten omgaan. Ik wil graag van de staatssecretaris weten hoe zij dat beziet. Komt daarvoor ruimte op de pabo's? Wordt daar meer aandacht aan gegeven? Hoe wordt op dit punt handelingsbekwaamheid gerealiseerd? Wij vragen altijd veel van docenten, maar ook dit onderwerp is belangrijk.

Er zou sprake zijn van meer agenten om de schoolveiligheid op orde te houden en af en toe checks te doen. Is dat ook echt zo? Heeft de politie genoeg capaciteit om aandacht te kunnen besteden aan de schoolveiligheid?

Ik kom op de besteding van de middelen. In het onderwijs is er een enorme potjescultuur. Er zijn heel veel potjes. De vraag is of die effectief zijn. Ik ben altijd kritisch geweest over de besteding van zorg- en veiligheidspotjes in het onderwijs. Ik heb ook wel eens een motie gesteund waarin werd gevraagd om een diepgaand accountantsonderzoek naar de daadwerkelijke besteding van zorggelden in het po, vo en mbo en op een aantal scholen in het regulier onderwijs. Dat is ontzettend belangrijk. Hoe worden die potjes ingezet en hebben die ook effect gehad?

De heer Depla (PvdA): Voorzitter. Veilig naar school en veilig op school. Dat is een voorwaarde voor een fijne schooltijd voor leerlingen en alle medewerkers op scholen. Dat is een voorwaarde voor een succesvolle schoolcarrière van leerlingen, want in een onveilige omgeving kun je niet goed leren. Het is ook een voorwaarde voor leraren om goed te kunnen lesgeven. Veiligheid is dus geen extra taak, maar een belangrijk onderdeel van de kwaliteit van het onderwijs op een school. Elke ouder wil niets liever dan dat kinderen zich veilig en thuis voelen op school. Helaas zijn er ook leraren, ouders en leerlingen die dat anders ervaren. Veiligheid op school is een kwestie van lange adem. Wij moeten dus niet elk jaar met nieuwe plannetjes komen of reageren op incidenten, maar zorgen dat wij de afgesproken maatregelen daadwerkelijk in de praktijk brengen. Daarom is het goed dat wij hierover elk jaar overleg voeren om te bekijken hoe het ermee staat.

Ik wil een aantal afgesproken punten langslopen, om te bekijken hoe het daarmee staat. Het eerste punt is het veiligheidsplan, dat elke school moet hebben. Dat moet niet alleen een papieren werkelijkheid zijn, maar dat moet ook worden nageleefd. Er bestaat geen uniform veiligheidsplan, want dat is een kwestie van maatwerk op scholen. Het lijkt mij namelijk dat een vmbo in Amsterdam-West echt een andere aanpak nodig heeft dan een gymnasium in Doetinchem. Het aantal scholen met een veiligheidsplan groeit, maar nog niet alle scholen hebben zo'n plan. Hoeveel scholen voldoen nog niet aan deze verplichting? Welke stappen zet de staatssecretaris om ervoor te zorgen dat ook deze scholen een up-to-date veiligheidsplan krijgen? Het gaat nadrukkelijk niet om een papieren plan, maar meer om een verhaal waarin zij ieder jaar afspreken hoe zij met elkaar omgaan en een en ander doen. Beoordeelt de inspectie ook de uitvoering van het veiligheidsplan, in plaats van alleen het bestaan ervan?

Dan een tweede punt waar wij elke keer op terugkomen: pesten. Dat bederft de schooltijd van een hele hoop kinderen. Je hoort hierover sowieso veel van schoolkinderen, maar je leest er ook veel over in de krant. Door pesten voelen kinderen zich niet veilig. Daarnaast staat pesten vaak aan het begin van geweldsincidenten. Voor een veilige school moet pesten dus worden aangepakt. Er worden nog steeds te veel kinderen geconfronteerd met foute e-mails, bedreigingen of schelden via msn, foute filmpjes op YouTube etc. Tijdens een hoorzitting in de Kamer zeiden schoolleiders dat dit probleem toeneemt en dat bleek laatst ook uit een onderzoek. Je weet vaak niet wie verantwoordelijk is voor digitaal pesten en dat maakt het vaak nog veel bedreigender. Telkens zegt het kabinet op verzoek van de Kamer toe in overleg te treden met de providers. Wat is er eigenlijk van dit overleg terechtgekomen? In een brief kondigt de staatssecretaris aan dat er door EZ een platform voor internetbeveiliging is opgericht. Wat betekent zo'n platform? Wij willen eigenlijk meer actie. Scholen kunnen bijvoorbeeld met YouTube afspreken om anonieme reacties te verwijderen. Is het niet mogelijk om dezelfde aanpak te kiezen als bij telefonisch pesten? Daarover zijn met KNP afspraken gemaakt. KPN treedt op en belt de beller terug met de boodschap dat het afgelopen moet zijn. Dat vraag ik nu al twee jaar. Graag een reactie van de staatssecretaris. Dat kan wat mij betreft met de providers worden afgesproken, zonder dat je je anonimiteit moet blootgeven.

Een ander belangrijk punt is het registreren van incidenten. Dat moet onderdeel zijn van het veiligheidsbeleid van een school. Wij hebben die discussie vaker gevoerd. Wij willen niks onder de pet houden, want daardoor neemt het veiligheidsgevoel alleen maar af. Dan hebben docenten het gevoel dat zij er alleen voorstaan. Wij onderkennen dat je iedereen moet registreren, want anders ontstaat het gevaar dat scholen die het goed doen, een slechte naam krijgen en lijken scholen die de andere kant opkijken en leraren alleen laten staan, een goede naam te hebben. Het is goed dat wij pilots starten om te bekijken of wij het goed doen. Wij willen graag weten wanneer de registratie landelijk is ingevoerd. Moeten de uitkomsten daarvan niet alleen aan de medezeggenschapsraad worden gemeld, maar ook aan de inspectie? Dan kan de inspectie dat in het toezicht meenemen, als daartoe aanleiding is.

Er is ook aan de orde gekomen dat iedereen van onze docenten moet afblijven. Daarom is vorig jaar afgesproken om de strafeis hoger te stellen bij geweld tegen docenten, parallel aan alle overheidsfunctionarissen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe vaak zo'n hogere strafeis is gesteld?

Ik ga verder met het punt dat slachtoffers niet van school moeten. Als er iets fout gaat met een leerling, moet de hulpverlening snel in actie komen. Bij ernstige incidenten kan een leerling soms niet terugkeren naar school. Iedereen moet een tweede kans krijgen, maar soms is dit lastig omdat er niet zomaar een alternatieve plek voorhanden is. Als dit niet lukt, dan zit een leerling thuis. Wij vinden dat samenwerkingsverbanden ervoor moeten zorgen dat er geen kind blijft thuiszitten. De andere kant van de medaille is dat soms het slachtoffer van geweld in plaats van de dader de school moet verlaten, omdat de ouders van de dader niet meewerken aan de overplaatsing naar een andere school. De PvdA-fractie vindt dat de veiligheid van de groep voorrang heeft op de vrije schoolkeuze van leerlingen die zich misdragen en hun ouders. In dergelijke gevallen mogen ouders overplaatsing niet weigeren. Graag een reactie van de staatssecretaris. Wij hebben dit namelijk eerder aan de orde gesteld en wij willen bekijken of daarover een heldere uitspraak valt te doen.

Het punt over de samenwerking met de politie heeft mijn collega van de VVD-fractie goed behandeld.

Dan kom ik op mijn laatste punt. Kennen en gekend worden is belangrijk binnen de gemeenschap van een school. Conciërges zijn belangrijk voor een veilige school. Zij zijn de ogen en oren van de schoolorganisatie en spelen een belangrijke rol in het voorkomen van agressie en geweld. De leerling moet centraal staan binnen het onderwijs. Dat geldt ook voor het vormgeven van een werkend veiligheidsbeleid binnen de school. Daarbij moeten leerlingen nadrukkelijk worden betrokken, want zonder de leerlingen slaan wij de plank mis.

Mevrouw Uitslag (CDA): Voorzitter. Allereerst wil ik mij aansluiten bij de woorden van mijn collega van de VVD-fractie over de actualiteit in Zeewolde. Graag een reactie van de staatssecretaris daarop.

De CDA-fractie is blij te mogen constateren dat omtrent veiligheid op scholen een aantal goede resultaten is geboekt. Ik wijs op de afname van fysiek geweld binnen het praktijkonderwijs en het vso. Bovendien heeft digitaal pesten zich niet voortgezet en heeft het veiligheidsbeleid op scholen meer vorm gekregen. Wij vinden het goed dat de staatssecretaris ook inzet op de regio's waar minder meldingen vandaan komen en zij daar eens de vinger aan de pols legt. Het betreft Zeeland en de noordelijke regio. Het is goed om te lezen dat steeds meer zeer moeilijk opvoedbare kinderen, zmok-jongeren, meedoen aan het programma Op de rails. Het is al helemaal goed om te lezen dat deze jongeren na het traject vaak doorstromen in het regulier onderwijs.

Helaas zijn er ook negatieve ontwikkelingen, zoals het vaker voorkomen van loverboys. De staatssecretaris heeft de Kamer een uitgebreid rapport beloofd in de zomer van 2010. Daar kijken wij zeer naar uit.

Uit onderzoeken blijktdat de meeste leerlingen en docenten zich veilig voelen op hun school. Ik zeg nadrukkelijk «hun school» omdat zij zich moeten realiseren dat zij samen de veiligheid in en rond het onderwijs op de school creëren. Zij zijn onderdeel van de veiligheid. Dit besef spreekt ieders verantwoordelijkheidsgevoel aan. Daarin ligt volgens het CDA de kracht van een veilige school. Er zijn natuurlijk kaders waarbinnen deze persoonlijke verantwoordelijkheid vorm krijgt. Daarin ligt een taak voor het bestuur van een school. Een van de kaders is een goede regionale samenwerking. Daar spraken mijn voorgangers al over. Een veilig klimaat in en rondom het onderwijs wordt immers gecreëerd door goede samenwerking tussen school, buurt, gemeente, politie en andere partners. Dit moet volgens het CDA dichtbij en in de buurt worden georganiseerd en geregeld.

Wij hebben de opdracht om de risico's tot een minimum te beperken. Ieder kind heeft het recht om in een veilige omgeving te kunnen leren, zich te ontwikkelen, te groeien enz. Let wel: ouders blijven verantwoordelijk voor hun kind, ook al zijn zij op school. De school moet de risico's beperken, maar laten wij ook realistisch zijn. Het CDA gelooft niet in de maakbare samenleving en helaas moeten wij dus accepteren dat elk risico uitbannen tegen elke prijs voor het CDA niet opgaat. De maatregelen mogen dan ook niet ten koste gaan van alles. Zo zijn wij tegen een enorme toename van administratieve lasten en regeldruk. Een veiligheidsgevoel kan echter ook een schijnveiligheidsgevoel zijn. Poortjes op een school kunnen immers juist het onveiligheidsgevoel bevorderen.

Laat duidelijk zijn dat het CDA geen lijstjes in de krant wil over veilige of onveilige scholen, gebaseerd op incidentenregistratie. Werken aan een veilige school is een kwestie van een cultuur waarin mensen in alle geborgenheid open kunnen zijn. Mijn collega Jan Jacob van Dijk heeft daarom vorig jaar al gepleit voor een registratie na afhandeling van het incident, om op deze wijze de angst bij scholen weg te nemen dat de registratie van incidenten hun goede naam zou verdoezelen. Dat gevaar bestaat helemaal als de computers van een school zo lek zijn als een mandje, waardoor er kan worden gesjoemeld met de lijstjes. Kan de staatssecretaris aangeven wat met deze opmerking is gedaan? Er zijn pilots gaande in het kader van incidentregistratie, met door het ITS uitgewerkte definities van incidenten. Hoe gaat het daar eigenlijk mee? Werken de categorieën? Hoe staat het met de administratieve lasten? Ook komt het geluid uit het veld dat vele docenten, leerkrachten, conciërges en ouders, niet op de hoogte zijn van het veiligheidsbeleid en wat dit voor hen kan betekenen. Is de staatssecretaris hiervan op de hoogte? Wat gaat zij hieraan doen?

De heer Depla (PvdA): Het is terecht dat mevrouw Uitslag spreekt over de registratie van incidenten. Zij maakt zich vooral zorgen over het feit dat lijstjes openbaar kunnen worden en over de administratieve lasten. Ik hoor haar echter niet over de reden voor registratie, namelijk dat docenten te vaak het gevoel hebben dat zij er alleen voor staan en dat de schoolleiding min of meer zegt: u moet uw mond houden. Hoe vangt mevrouw Uitslag dat op? Dat was de essentie om met de registratie te beginnen. Wij willen namelijk voorkomen dat incidenten onder de pet worden gehouden en docenten er alleen voorstaan. Hoe kijkt zij daar tegengaan?

Mevrouw Uitslag (CDA): Volgens mij streven wij dezelfde resultaten na. Wij willen namelijk allebei dat die incidenten goed worden opgelost. Ik ben ervan overtuigd dat, als je alleen maar de incidenten registreert, een school veel vaker de incidenten onder de pet zal houden, juist omdat die bang is om een goede naam te verliezen. Ik ben het met de heer Depla eens dat wij incidenten moeten registreren en moeten komen tot een positief resultaat, maar laten wij dan registreren op basis van de resultaten; het feit dat er daadwerkelijk iets mee is gedaan. Ik neem aan dat de PvdA dit resultaat ook wil.

De heer Depla (PvdA): Natuurlijk willen wij dat resultaat. Als mevrouw Uitslag alleen na afloop iets wil zien, dan is er een probleem met de scholen die wel registreren maar niks doen. Ik wil dat de inspectie ziet dat sommige scholen wel registreren, maar uiteindelijk geen resultaat boeken. Dat moet zichtbaar zijn. Anders bestaat de kans dat zich opnieuw het probleem voordoet dat docenten er alleen voorstaan als er sprake is van agressie in de klas. Het belang van de docent moet in dit geval vooropstaan en daarna komt pas het belang van de school en de bureaucratie.

Mevrouw Uitslag (CDA): Nogmaals, wij streven volgens mij hetzelfde resultaat na. Het CDA zegt dat de incidentregistratie zeker moet plaatsvinden, maar daarnaast moeten ook de resultaten worden geregistreerd. Die twee gaan hand in hand. Als namelijk alleen incidenten worden geregistreerd, dan zijn wij bang dat die registratie niet zal plaatsvinden. Dan hebben wij geen van beiden iets.

De heer Jasper van Dijk (SP): Even voor mijn begrip: is mevrouw Uitslag voor- of tegenstander van verplichte registratie?

Mevrouw Uitslag (CDA): Daar ben ik voorstander van.

Voorzitter. Pesten en discriminatie zijn de meest voorkomende vormen van psychisch en fysiek geweld. Uit onderzoek blijkt dat goede communicatie tussen leerkrachten, leerlingen en ouders die elkaar kennen en aanspreken op pesten, kenmerkend is voor een effectieve aanpak. Dit klinkt het CDA als muziek in de oren. De persoonlijke relatie met elkaar telt immers; de stereotype vooronderstellingen voorbij. Het kennen van de ander staat voorop.

Afgelopen weekend hoorde ik het verhaal van een jongen en een paar vriendjes die een leerkracht zat waren, omdat zij een slechte relatie met hem hadden. Daarom hebben zij hun leerkracht op Marktplaats.nl te koop gezet tegen elk aannemelijk bod. Daar kun je in eerste instantie enorm om lachen, maar eigenlijk is dit de meest kwetsende vorm van pesten en discriminatie. Ik kom straks terug op pesten via het internet. Graag een reactie van de staatssecretaris op de vraag hoe wij dit kunnen aanpakken.

De voorzitter: Mevrouw Uitslag, u zegt straks op pesten op het internet terug te komen, maar u bent al over uw tijd heen.

Mevrouw Uitslag (CDA): Dan maak ik snel mijn betoog af.

Welke antipestprogramma's zijn er eigenlijk? En welke zijn effectief gebleken? Is de staatssecretaris op de hoogte van Challenge Day, een beproefde methodiek uit de VS om pesten tegen te gaan? Dat initiatief is evidence based en al meer dan 22 jaar dé aanpak tegen pesten. Graag een reactie van de staatssecretaris op dit punt. Als de staatssecretaris deze aanpak niet kent, is zij bereid hier kennis van te nemen?

Vandaag staat in de Volkskrant een heel groot artikel over de aanpak van de Nederlandse Katholieke vereniging van Ouders (NKO): pesters tot kanjers maken. Graag ook een reactie van de staatssecretaris op deze methodiek.

Ik wil nog wel verdergaan, maar dat kan niet.

De voorzitter: Mevrouw Uitslag, uw spreektijd is inderdaad voorbij, inclusief interrupties. Daar heb ik goed op gelet.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Veiligheid op school is een primaire voorwaarde voor goed onderwijs. Gelukkig gaat het op veel scholen goed. 7% van de jongeren voelt zich echter niet veilig. Dat zijn nog altijd 100 000 leerlingen in het basisonderwijs en 66 000 in het voortgezet onderwijs. Ook recentelijk waren er weer heftige geweldsincidenten op scholen, inclusief steekpartijen. Dat is onaanvaardbaar. Het uitgangspunt van de SP-fractie is daarom dat veiligheid voorop moet staan en je tegelijkertijd probeert te voorkomen dat de school een burcht wordt. Kleinschaligheid is daarbij een elementaire voorwaarde, zodat je cohesie en sociale veiligheid verhoogt. Er moet ook voldoende ondersteuning zijn op de scholen, zodat men ook een soort sociale controle in en om de school kan organiseren. De conciërge speelt daarbij een grote rol en die moet er dus gewoon zijn.

Wij zijn voorstander van de verplichte registratie. De staatssecretaris schrijft dat zij daarvoor dit najaar met een wetsvoorstel komt. Dat is heel goed. De vraag is wel hoe dit gaat. Wie melden de incidenten en in hoeverre komt er openbaarheid? Daarover werd zojuist al gesproken. Je ziet nu soms dat een directeur geneigd is om niet alle incidenten te registreren die hem worden gemeld, bijvoorbeeld uit angst voor imagoschade. Wat vindt de staatssecretaris van het idee om ook docenten de mogelijkheid te geven om zelf incidenten te registreren? Bedenk daarbij dat de voorwaarde is dat dit niet langer dan drie minuten mag duren. Dat is dus te overzien. Het valt mij op dat de werkgeversorganisaties, de VO-raad en de MBO Raad, eigenlijk geen voorstander zijn van dit systeem. Gaat het werken als de werkgevers het niet zien zitten, terwijl de staatssecretaris het wel wil? Ik sta achter de staatssecretaris en ik vind dat wij hier serieus werk van moeten maken.

Scholen doen veel aan veiligheid. Er zijn ook veel mogelijkheden. Ik las een artikel over het feit dat de politie sinds 2004 af en toe grootschalige preventieve kluisjescontroles houdt. Dan komt er dus een politiemacht de school in die de kluisjes controleert. Dat schijnt heel weinig op te leveren, maar het is wel intensief. Wat is daarop de reactie van de staatssecretaris?

Er wordt heel veel onderzoek gedaan naar de manier waarop je veiligheid kunt verhogen en pesten, wat ook heel belangrijk is. Daarnaast zijn er projecten en pilots. Soms vraag je je wel eens af of alle pilots wel zin hebben. Op pagina 7 van de brief van de staatssecretaris wordt bijvoorbeeld melding gemaakt van «een campagne die gericht is op directie, bestuur en onderwijsmedewerkers», met als doel «het bewustzijn en de sense of urgency bij onderwijsinstellingen op het gebied van agressie en geweld verder te vergroten.» Weten die mensen dat niet allang? Je zou toch verwachten dat dit een primaire voorwaarde is? Misschien wil de staatssecretaris daarop ingaan.

De reboundvoorzieningen zijn heel belangrijk voor leerlingen met wie het op een gewone school niet langer gaat. Je ziet echter dat het verzuim bij 5% van die reboundvoorzieningen niet wordt geregistreerd. Waarom is dat zo? Graag een reactie. Je ziet ook een forse stijging van het aantal leerlingen dat gebruikmaakt van een reboundvoorziening of een voorziening in het kader van Op de rails. Het gaat om stijgingen van respectievelijk 11% en 40%. Wat kan de staatssecretaris zeggen over de toename van het aantal leerlingen dat daar naartoe gaat? Heeft dat ook te maken met de schaalgrootte en de leerlingenzorg op gewone scholen?

Dan kom ik op de pooierboys. Ik heb mij voorgenomen te spreken van pooierboys en niet van loverboys. Aan problemen met pooierboys wordt heel veel gedaan, maar je ziet ook een heel zorgwekkende stijging van problemen met pooierboys in het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs. Het betreft een stijging van 22% in het vso en zelfs 31% in het praktijkonderwijs. Het gaat om licht verstandelijk gehandicapte meisjes. Het is buitengewoon zorgelijk wat met hen gebeurt en hoe deze meisjes worden misbruikt, mishandeld in feite. Wat mij betreft kan de prioriteit daarvoor niet groot genoeg zijn. Ik ben geen voorstander van een vrijblijvende aanpak. Ik hoor graag of daar ook op de scholen in het vso en het praktijkonderwijs genoeg op wordt gelet.

Ik wil ook graag een reactie op het artikel in het blad School en Wet. Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris dit artikel niet bij de hand heeft, maar ik kan het haar overhandigen. Het betreft een artikel uit april 2010 waarin staat dat er een onrechtvaardig verschil in behandeling bestaat tussen personeel enerzijds en leerlingen anderzijds. Een school heeft de wettelijke plicht om de veiligheid van het personeel te garanderen, maar niet die van de leerlingen. Wat vindt de staatssecretaris daarvan? De schrijver van het stuk vindt dat je dit moet gelijktrekken. Dat kan heel veel implicaties hebben. Misschien kan de staatssecretaris daar wijze woorden over zeggen.

Op het punt van de wijkagenten sluit ik mij aan bij de voorgaande sprekers. Mijn laatste punt gaat over fysieke veiligheid. Ik heb hier een onderzoekje van het Keurmerk Veilige School waaruit blijkt dat de brandveiligheid niet overal goed is. 90% van de scholen voldoet niet volledig aan de eisen die in de vergunning staan beschreven. Graag een reactie.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. Dank voor de reacties in eerste termijn. Wij hebben de afgelopen jaren vaak gesproken over dit onderwerp. Alle inspanningen die wij gezamenlijk hebben ontwikkeld, vaak in interactie met de commissie, hebben in de loop der tijd een beter beeld opgeleverd. Er is meer zicht op de ontwikkeling van veiligheidsbeleid, maar er is ook sprake van een zichtbare toename van scholen die actiever bezig zijn met het veiligheidsbeleid. Ik zal daarover zo meteen ook nog wat percentages noemen, maar onze inzet is niet tevergeefs geweest.

Mijnheer Van Dijk, het is goed om te communiceren over veiligheidsbeleid en de sense of urgency. Gelet op het feit dat wij er al jaren mee bezig zijn, denk ik dat scholen zich hiervan steeds bewuster worden. Een ongeluk zit echter vaak in een klein hoekje en daarom is het goed dat mensen scherp en alert zijn.

Er zijn ontwikkelingen op de lerarenopleidingen. Daar vroeg mevrouw Dezentjé naar. Een van de zeven belangrijke competenties is omgaan met gedrag en agressie. Je moet zorgen dat je bruggen slaat naar jongeren die even niet met hun eigen energie uit de voeten kunnen. De aanscherping van de veiligheid is er in de loop der jaren beter ingekomen. Dat komt doordat erover is gecommuniceerd, maar het is goed om daar blijvend over te communiceren. Het gevaar bestaat namelijk dat de aandacht even wegzakt, naarmate het beter op orde komt. Het is goed om scholen, ouders en leerlingen scherp te houden, omdat je toch elke dag aan veiligheid moet werken. Het is een goede zaak dat dit gebeurt en ons allen scherp houdt, zeker op de scholen zelf.

Ik wil mijn beantwoording indelen in vier blokjes. Ik begin met de betrokkenheid met het beleid op de school. Dan behandel ik de samenwerking met externe partners voor veiligheid. Vervolgens kom ik op pesten en discriminatie. Tot slot wil ik een aantal overige zaken bespreken.

Het eerste blokje is de betrokkenheid met de school. Ik begin met de verplichte incidentenregistratie. Wij hebben anderhalf jaar geleden afgesproken dat wij dit zouden invoeren, gelukkig met breed draagvlak in deze commissie. Het ging mij echter niet snel genoeg. Ik heb daarover vaak gediscussieerd met mijn ambtenaren. Het moest echter zorgvuldig worden uitgewerkt, want het was zaak dat de goede aspecten zouden worden geregistreerd. Er moest namelijk ook goed worden bekeken hoe scholen dit zo simpel mogelijk konden doen. De wetgeving ligt nu nog bij de Raad van State. Ik ben ervan overtuigd dat de Raad van State zegt: moet dat er nou ook weer bij? Wij vinden het echter belangrijk dat het gebeurt, maar wel op een zo eenvoudig mogelijke manier en dan alleen de dingen die puur noodzakelijk zijn. Toen ik het lijstje zag, dacht ik: het is goed dat daarover in het veld is gesproken. De aspecten die worden geregistreerd, zijn volgens mij ook goed. Daarbij komen dingen terug die zojuist aan de orde zijn gekomen. Die worden ook bijgehouden. Dat is niet alleen maar in het belang van de leerlingen en de school, maar zeker ook in het belang van de docenten. Wij hebben te vaak gezien dat een school, misschien uit goede bedoelingen en vanwege de zorg over het imago, incidenten niet wilde erkennen. Dat is een slechte zaak. Daarom ben ik het van harte eens met de heer Depla en de heer Van Dijk die aangaven dat registratie een must is. Je moet wel goed bekijken hoe de pilots hebben gewerkt en daaruit punten meenemen, zoals mevrouw Uitslag zojuist aangaf. Die pilots lopen op dit moment en die zijn gestart in oktober 2009. Wij hebben in ieder geval goed in de gaten dat de punten die wij gaan registreren goed toepasbaar zijn. Dat is qua zichtbaarheid de winst uit de projecten. Het is wel duidelijk dat men nog even in het ritme van het registreren moet komen, als het systeem straks op de scholen wordt ingevoerd. Scholen moeten uiteindelijk zelf bepalen hoe zij dit systeem vorm en inhoud geven, maar er is een systeem beschikbaar dat het eenvoudig vorm en inhoud kan geven. Dan kan men gewoon allemaal aan de slag. Het is ook de kunst om met de scholen goed te bekijken hoe je daar beleidsinformatie uithaalt. De heer Depla vroeg of de informatie ook naar de inspectie gaat. Jazeker, de inspectie kan het inzien. Als de informatie bij de inspectie ligt, dan is het alweer van de overheid en is het «WOB-able». Dat willen wij niet, want het betreft ook privézaken. De informatie is bij de school inzichtelijk. De school kan dat inzichtelijk maken voor de inspectie en die kan daar vervolgens mee doen wat zij ermee moet doen. Dat geldt ook voor de informatie voor de politie en de medezeggenschapsraad. Daar kan de school echt beleid op voeren.

Dan de vraag of een docent of een leidinggevende moet registreren. Misschien kan een docent coördinerend worden. Het lijkt mij wel handig dat één persoon registreert om goede consistente informatie te kunnen hebben en niet iedereen in zo'n systeem gaat werken. Dat is echter aan de school. Wat gebeurt er als werkgevers niet willen meewerken? Het leven is simpel: wij stellen het gewoon wettelijk verplicht. Ik begrijp best dat de VO-raad het zelf wil doen. Dat zou ik ook even proberen, want het is toch weer een extra regeltje. Wij zeggen echter dat wij het willen doen en wij doen het dus ook gewoon. De inspectie zal er ook op toezien dat het gebeurt. Tot zover mijn opmerkingen over de incidentenregistratie.

De heer Jasper van Dijk (SP): In het geval dat een docent graag melding wil maken van een geweldsincident, bijvoorbeeld bij hem in de klas, kan de directie zeggen: laten wij dat maar even niet doen. Staat de staatssecretaris dan achter de docent? Moet de docent dan bijvoorbeeld naar de inspectie gaan, als hij wordt belemmerd door zijn directie?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ja, als het een reëel incident is. Dat is omschreven in het geval van discriminatie, geweld of de punten die in de voorregistratie naar voren zijn gekomen. Je krijgt dan misschien een onderlinge discussie, maar in de loop der tijd kristalliseert zich uit wat echt een incident is. Een docent die niet mag registreren, moet gewoon naar de vertrouwensinspecteur van de inspectie om dit te melden. Dat moet hij uiteindelijk zelf weten, maar wij hebben gezegd dat wij het willen melden. Wij willen overzicht houden om nationaal goed beleid te kunnen ontwikkelen. Bovendien kan de school zo ook scherp blijven. Ik ben het op dit punt dus zeer eens met de heer Van Dijk.

De fracties van de PvdA en het CDA vroegen erop te letten dat er betrokkenheid op de scholen bestaat. Mijn beeld is dat ouders en leerlingen nog onvoldoende worden betrokken. Dat moet echt beter. Dit is een van de punten die ik wil meegeven aan de veiligheidsteams. De inspectie moet daarop ook toezien. Papier is geduldig; je hebt snel een veiligheidspunt op papier gezet. Ik zeg overigens tegen de heer Depla dat veiligheidsplannen niet verplicht zijn. Dat is een uitwerking die een school eraan kan geven. Het is verplicht om het in de schoolgids te doen. Daar ziet de inspectie toe. De inspectie bekijkt ook of er een gedachte achter zit. Dat blijkt goed te zijn ontwikkeld in de afgelopen jaren. Dat heeft echt geholpen. Bijvoorbeeld in het voortgezet onderwijs bezoeken de rondgaande veiligheidsteams tot 1 januari nog zo'n 300 scholen. Het is dus de moeite waard en er gebeurt het nodige op dat vlak. Dat vertaalt zich echter niet altijd in veiligheidsplannen, want het kan ook gewoon beleid zijn dat in de schoolgids staat en vervolgens op allerlei andere manieren is verwerkt. De inspectie toetst wel of er sprake is van beleid; is dit reëel in de school aanwezig? Er mag echter nog het nodige gebeuren aan het bredere morele eigenaarschap van de schoolgemeenschap. Daarmee kwam zowel mevrouw Uitslag als de heer Depla. Dat is een van de punten die ik wil meegeven aan de inspectie en de veiligheidsteams.

De inspectie geeft aan dat op dit moment in het voortgezet onderwijs zo'n 98% van de scholen actief ermee bezig is. Hierbij gaat het om de meest kwetsbare groep van scholen. Daar gaat ook het meeste geld naar toe. Er is sprake geweest van groei, ook in de basisscholen. In het begin, in 2006, was 50% ermee bezig en inmiddels 84%. Er is dus echt een ontwikkeling gaande. Maar bij vo-scholen zie je dat men er op het mbo breed actief mee bezig is en zich ervan bewust is. Naarmate de problemen groter worden, worden de scholen ook scherper.

Over het basisonderwijs en de school in Zeewolde in het bijzonder, zal ik door de inspectie op de hoogte worden gesteld. Ik heb wel gezien dat de school al actief communiceert met ouders, dat de politie erbij is betrokken en dat er overleg is geweest. Al moet ik nog worden geïnformeerd door de inspectie, het is in beginsel een zaak van de school, het lokaal bestuur en de regionale politie. Die moeten daar goed in optreden. Ook is het een kwestie voor justitie, want er zal gewoon opgespoord moeten worden.

De vraag van mevrouw Uitslag van de CDA-fractie was of er voldoende gebruik wordt gemaakt van het centrum School en Veiligheid en de website. Die site wordt heel goed bezocht. Ik ben zelf heel blij met de site www.schoolenveiligheid.nl. Dat is voor ons de vergaarbak van alle initiatieven die er te vinden zijn. Zowel voor docenten, ouders als leidinggevenden in de school is het een heel nuttig site. Die site is het laatste jaar zo'n 100 000 keer bezocht. Mensen maken er dus goed gebruik van. Daarachter zit www.pestweb.nl, waar goed gebruik van wordt gemaakt. Ook van de site over seksuele intimidatie wordt behoorlijk fors gebruikgemaakt. Dat loopt ook in de tienduizenden. Ik meen dat daar zo'n 50 000 keer gebruik van is gemaakt. Je ziet dus dat het internet voor ouders het meest toegankelijk is. Mensen zullen eerder even op internet gaan surfen dan de schoolgids bekijken. Wij hebben het in ieder geval goed geordend. Dat wordt ook door ons gesubsidieerd. Ik ben het overigens van harte eens met wat mevrouw Uitslag zegt: het gaat ook om de cultuur op de school. Er moet een cultuur van veiligheid zijn waarin mensen en jongeren zich kunnen ontwikkelen. Docenten en studenten, die toch het meest kwetsbaar zijn in de school, moeten zich veilig kunnen voelen. Daar moet de school als gemeenschap ook aan werken.

De heer Van Dijk reikte mij een artikel uit School en Wet van mevrouw Sperling aan. Dank daarvoor, maar het was inmiddels al onder mijn aandacht gebracht. Docenten hebben inderdaad een andere positie. Zij hebben een arbeidsrechtelijke positie. Daarvoor geldt de arbowetgeving. Voor studenten zijn er in de WPO, WVO en de WEC afspraken dat de school hoort te communiceren met ouders over hoe het staat met de veiligheid, welke activiteiten de school onderneemt en welke reglementen er zijn over veiligheid. Ook moeten scholen activiteiten ondernemen om de veiligheid te vergroten, zoals bijvoorbeeld de wettelijke administratie. De school heeft dus wel degelijk een verantwoordelijkheid voor het bevorderen van een veilig klimaat op de school. Maar ook ouders hebben een verantwoordelijkheid voor hun kinderen. De relatie werkgever-werknemer zit heel scherp in de Arbowet. Dat klopt.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink(VVD): De VVD-fractie heeft pas vragen gesteld over de bestuursvoorzitter van de As Siddieqschool in Amsterdam. Hij gaf aan dat homoseksuele leraren niet zouden worden aangenomen op de As Siddieqschool. Dat verwachtte hij althans niet. Wij willen allemaal onder andere homodiscriminatie verplicht registreren, omdat dit zo vaak een oorzaak is van pesten. Je wilt namelijk de veiligheid op scholen vergroten, maar ondertussen kunnen homoseksuele sollicitanten wel als leraar worden geweigerd. Dat is een contradictie. Kan de staatssecretaris daar nog eens op reageren?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Wij kennen de enkelefeitconstructie: het enkele feit dat je homoseksueel bent, kan geen aanleiding zijn om je te weigeren op een school. Mevrouw Dezentjé weet echter ook dat daarover wetgeving ligt die controversieel is verklaard, in afwachting van een nieuw parlement dat die opnieuw zal oppakken. Dat zijn de feiten. Daarnaast is er de Commissie Gelijke Behandeling. Die toetst of een school zijn beleid op dit gebied goed vorm en inhoud geeft. Met de enkelefeitconstructie wordt aangegeven wat de grenzen zijn: het enkele feit dat iemand homoseksueel is, kan geen reden zijn om hem niet aan te nemen op een school.

Ik kom op de samenwerking rondom de school op het gebied van veiligheid. Er zijn de nodige vragen gesteld over politie op school. Daar hebben wij eerder van gedachten over gewisseld. Wij hebben toen vastgesteld dat het ministerie van BZK inzake de politieregio's het nodige zou regelen. Oud-minister Ter Horst heeft met de politieregio's en de gemeenten het volgende afgesproken over veiligheid op school. Eerst is de school zelf aan zet. Als een school iets niet goed kan handelen, dan moet de wijkagent beschikbaar zijn. Daar moet de regionale politieorganisatie voor garant staan. Gemeenten kennen veiligheidsplannen. Daar komen scholen vaak in voor om op die manier de samenwerking goed te beschrijven. Overwegend is de politiezorg rondom de school dus goed geregeld. Dat uit zich soms in afspraken tussen school en politie die de heer Van Dijk naar voren brengt, namelijk: kunt u eens in de zoveel tijd de kluisjes bij mij openen en daarin kijken? Ik denk dat daar zo weinig in te vinden is, omdat het buitengewoon goed preventief werkt. Dat is wat de school wil bewerkstelligen, namelijk dat je geen messen, geen pistolen en dat soort gekke dingen bij je hebt. Die horen niet op een school. In die zin helpt het; naarmate de politie er vaker in kijkt, zal de inhoud van die kluisjes steeds onschuldiger zijn. Als een school het op die manier wil organiseren, is dat de keus van de school. Op andere scholen zal men zeggen: ik vertrouw mijn leerlingen. Dat is op zich ook een mooie gedachte, maar wij weten dat het soms iets minder vriendelijk kan zijn in de wereld dan dat. Dat is dus een keus van de school.

Worden er meer agenten ingezet op scholen, vroeg mevrouw Dezentjé. Alleen als het nodig is. Dat vind ik een goede zaak. De politie hoort niet op een school te zijn. Laat zij daar ook alstublieft wegblijven. Dat is hetzelfde verhaal als bijvoorbeeld de poortjes. Het roept vaak meer ellende op dan ermee wordt verholpen. Zolang een school zelf de veiligheid goed onder controle heeft middels goede afspraken met de wijkagent, dan is het goed in evenwicht en vind ik het een goede zaak.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Wij zijn er volgens mij allemaal voor om die politiecontroles te laten doen, ik zeker, maar zijn er wel genoeg politieagenten? Dat aantal staat immers enorm onder druk.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Mevrouw Dezentjé weet ook dat wij proberen zo veel mogelijk blauw op straat neer te zetten in algemene zin. Het lijkt mij goed om dat hier samen vast te stellen. De politie moet ook continu bezig zijn om overhead terug te dringen en zaken meer op straat te situeren. Er zijn verkiezingsprogramma's waarin staat: centraliseer de overhead en zorg ervoor dat je de verdere inzet van politie decentraal doet. Dat is prima. Zo kan het ook. Mevrouw Dezentjé heeft ongetwijfeld ook allemaal ideeën.

Mevrouw Uitslag had het terecht over de samenwerking naar buiten toe tussen kwaliteitsteams. In de regio's waar het nu niet goed lukt, gaan wij er alert op zijn en dat waren wij al. Ik heb mailings uitgezonden naar scholen en regio's waar men achterblijft om ervoor te zorgen dat iedereen die dat nodig heeft – elke school kan goed advies hierover gebruiken – een en ander ook daadwerkelijk benut. Nogmaals, in het po worden komende maand 300 scholen bezocht, in het vo 200 – ik had het net even omgedraaid – in het mbo 60 en in het speciaal onderwijs 80. Wij zijn dus ontzettend actief bezig op dit vlak. Daarom ontstaat er meer rust rond het veiligheidsverhaal. Tot zover de inzet van betrokken partners buiten de school.

Ik kom bij pesten en discriminatie. Daar ging het terecht over, want dat is een heel vileine manier van geweld. Je mag het namelijk gewoon geweld noemen als je mensen discrimineert of pest. Laatst hebben wij nog gezien welke enorme impact pesten heeft bij een jongen die het uiteindelijk niet meer zag zitten. Kinderen kunnen zich er niet voldoende van bewust zijn hoe belangrijk dit thema is. Heel veel kinderen die pesten, zijn zich helemaal niet bewust van de enorme impact die dat heeft. Daarom vond ik het artikel vanochtend of gisterochtend in de krant waarop werd gedoeld, heel mooi, omdat ik denk dat je elk kind kunt aanspreken op het goede. Het is ook de bedoeling dat dat gebeurt. Daarom zijn bij een pestprotocol en een pestaanpak zowel slachtoffer als dader eigenlijk slachtoffer. De dader is immers op dat moment op een niet-menselijke manier bezig, al is het onbewust. Ook daders moeten wij heel goed in beeld hebben en waar nodig en waar mogelijk moet gezamenlijk worden opgetrokken. Zo kan er uiteindelijk voor worden gezorgd dat een slachtoffer assertiever en weerbaarder wordt en let op wat hij/zij uitstraalt. Sommige slachtoffers schijnen een en ander onbewust op te roepen. Die moeten zich bewust worden van hun gedrag. Daar worden heel veel kinderen gelukkig ook bij geholpen. Maar ook een dader moet zich van een en ander bewust worden. Ook die zal heel goed aangepakt moeten worden, want met een jong kind kan nog heel veel gebeuren om het op het goede spoor te krijgen. Er zijn verschillende aanpakken. Wij doen erg veel op het vlak van pestbeleid. Pestweb is een heel goed voorbeeld daarvan. Centrum School en Veiligheid biedt veel mogelijkheden. Kennisnet is actief. Bij het project Digivaardig & Digibewust gebeurt heel veel op dat vlak. Maar de afgelopen tijd heb ik ook Challenge Day onder de aandacht gekregen. Ik wil zeker nog eens goed bekijken welke mogelijkheden dit biedt. Het past een beetje bij de Amerikaanse aanpak. Aan dat soort projecten zit een soort Amerikaanse schwung vast. Wij kiezen een enigszins andere weg, maar ik wil het zeker onder de aandacht brengen van degenen die bezig zijn met deze problemen. Tot zover het pesten.

Ik kom op het digitaal pesten. Ik kan de Kamer het heuglijke feit melden dat het platform inmiddels is gevormd. De ministeries van EZ en Justitie hebben dat gedaan. Wij zitten daarbij via Kennisnet. Rond de zomer zal men met providers proberen afspraken te maken over digipesten, is mij verteld. Daar zijn wij op dit moment mee bezig.

De heer Depla (PvdA): Dat is goed om te horen, maar kunt u ons erover informeren of het heeft opgeleverd wat wij graag willen, namelijk dat bij het internet, net als bij de telefoon, de provider ingeschakeld kan worden zonder dat de namen worden doorgegeven maar dat die zelf optreedt tegen de plaatser?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: U bedoelt dat de provider dan gelijk gaat reageren? Zal ik dat doorgeven aan de ambtenaren die op dit moment bij de ministeries van EZ en Justitie hiermee bezig zijn, zodat zij dit punt mogelijkerwijs bij de afspraken kunnen betrekken?

De heer Depla (PvdA): Ja, dat was de bedoeling. Dat heb ik vaker gevraagd.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat was gewoon uw vraag eigenlijk?

De heer Depla (PvdA): Dat was mijn eerste vraag, die ik voorheen al had gesteld.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Als het goed is, is die ook doorgekomen.

De heer Depla (PvdA): Dan is mijn volgende vraag of dat ook gelukt is. Als dat namelijk niet gelukt is, moeten wij...

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Ze zijn er nog mee bezig.

De heer Depla (PvdA): Daarom was mijn vraag als volgt. Als het in de zomer tot afspraken leidt, krijgen wij dan te horen wat die afspraken geworden zijn? Dan kunnen wij hier namelijk beoordelen of wij daar heel tevreden mee moeten zijn en wij u daar alle credits voor moeten geven, dan wel of wij u langer achter de broek moeten zitten.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: De heer Depla zal het mij niet euvel duiden dat ik deze ene vraag niet meer wist, maar ik ga wel na of die geland is. Als die niet geland is, landt die alsnog de komende dagen bij de mensen die op dit moment het gesprek met de providers voeren. Voor de beweging erachter, namelijk om deze groep meer in beeld te krijgen en om daar afspraken mee te maken, is door de ministeries van EZ en Justitie het platform opgericht. De grondgedachte ligt er dus, de concrete vraag van de heer Depla zal ik meenemen en er wordt natuurlijk gerapporteerd over de vraag of het ook gebeurd is.

Voorzitter. Mevrouw Dezentjé maakte zich zorgen over de financiën. Komen de middelen goed terecht, vroeg zij zich af. Dat is altijd een punt van zorg bij de zorgmiddelen. Dat weten wij. Een deel van de zorgmiddelen komt heel concreet en goed terecht. De reboundvoorzieningen worden betaald per kind. Wat je betaalt, krijg je dus ook geleverd, om het even simpel te zeggen.

Dat geldt ook voor het zmok-project ofwel het Op de rails-project. Het klopt dat er een toename is, waar de heer Van Dijk het meen ik over had. Dat komt eveneens omdat aanbod ook toename creëert. Dat geldt in het bijzonder voor Op de rails, waarbij het gaat over 1000 plekken die er bijgekomen zijn. Maar ook de inspectie constateert dat er soms wel snel wordt doorverwezen. De vraag is altijd of bij het reboundgebeuren voldoende op de kwaliteit van het onderwijs wordt gelet. Ik ben even kwijt of mevrouw Dezentjé of de heer Van Dijk dat aangaf. Daar is de inspectie ook heel kritisch op. Die zit daarbovenop. De inspectie is echter net als ik van mening dat de terugplaatsing naar school zo snel mogelijk moet geschieden. Vandaar de kritische houding: is het echt nodig dat een kind wordt doorverwezen? Het is mooi dat wij de voorziening hebben, maar het moet niet te gemakkelijk de vluchtweg zijn om lastige kinderen de deur uit te helpen, want laten wij eerlijk zijn: het gewone onderwijs is veel effectiever. Op de rebound gebeurt ook heel veel om het onderwijs heen, zoals gesprekken, maar het reguliere onderwijs, waar gewoon lessen worden gegeven, is wat dat betreft natuurlijk beter.

Maar ik kom even terug op het geld, want daar ging het mij om. Naar leerlingbegeleiding in het vo gaat 44,5 mln., in het po 6 mln. Dat is onderdeel van de lumpsum. Dat vertaalt zich in de zorg rondom het kind, met de zorgadviesteams et cetera. Daar hebben wij geen kwantificeerbare resultaten van, want dat zit in de lumpsum van de scholen zelf. Dat kan ik dus niet hard maken.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik heb nog een vraagje over de financiën. De staatssecretaris schrijft in de brief dat zij het ondersteuningsarrangement rebound dat wordt uitgevoerd door het Nederlands Jeugdinstituut, wil continueren. Volgens het jaarverslag van 2008 houdt het arrangement in: een helpdesk, een webbased applicatie rebound online en de start van kenniskringen in vijf regio's. Hoeveel subsidie krijgt het NJi daarvoor? Wat is de toegevoegde waarde van het NJi op dit punt? Of – ik zeg het zwart-wit – is hier sprake van een dure subsidieslurper?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Dat laatste wil ik echt wegnemen, want het gaat om belangrijk werk. Het is heel goed dat er uitwisselingen zijn van best practices en dat men elkaar treft. Het NJi is veel breder bezig. Onder het NJi vallen ook onze veiligheidsteams. Daar valt ook een deel van het Binnenlandse Zakenproject onder, namelijk het deel over veiligheid en het aanspreken van leidinggevenden. Een aantal mensen is actief bezig om besturen van scholen bewust te maken van de vragen: wat is je taak en hoe pak je die op? Wij hebben een klein bedrag van ik meen 3 mln. voor projectsubsidies. Daar wordt het project van het NJi uit bekostigd. Maar ik benadruk dat zij echt relevant werk doet. Zij doet dat vanuit de ervaring van haar veiligheidsdiensten. Het gaat dus om integraal beleid.

Ik kom op de strafeis die wordt gesteld na incidenten tegen personeel. In het algemeen is in 86% van de gevallen een hogere strafeis gesteld. Die informatie hebben wij van Justitie. Ik hoop dat de heer Depla daar tevreden over is.

De heer Depla (PvdA): Ik ben nooit tevreden omdat het elke keer weer gebeurt en omdat dat van die strafeis moet, maar ik ben tevreden over het feit dat wij het wel doen.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: U bent tevreden dat de beweging wordt gemaakt zoals wij die hebben afgesproken? Prima.

De heer Jasper van Dijk had een vraag over het Keurmerk Veilige School. 90% voldoet niet aan de normen voor brandveiligheid. Dat is een zorg. Alle scholen moeten voldoen aan de voorschriften van de gebruikersvergunning soms tot leed van velen, want die gaan soms heel ver. Dat herinner ik mij nog van toen ik burgemeester was. De scholen worden getoetst en gecontroleerd door de brandweer. Dat gebeurt vanuit de gemeenten. Vanuit die hoek hebben wij geen signalen gekregen dat er heel grote problemen zijn. Ik kan er niet meer van maken, maar als hij daar andere signalen over heeft gekregen, hoor ik dat graag.

De heer Jasper van Dijk (SP): Er is een steekproef gedaan, waaruit blijkt dat 90% niet volledig voldoet aan de eisen die in de vergunning beschreven staan. Uit die steekproef blijkt bijvoorbeeld dat bij weinig scholen de automatische branddetectie, het logboek voor de brandweer en het brandflitslicht op orde waren. Dat zou het geval zijn bij twee derde van de scholen.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Uiteindelijk bepaalt de gemeente of de school een vergunning heeft om een gebouw te mogen gebruiken. Ik wil dat punt van zorg wel doorgeven aan de VNG zodat zij daar alert op is, maar het is de taak van de gemeente om de brandveiligheid te beoordelen.

Voorzitter. Ik eindig bij de loverboys of de pooierboys. Dat laatste vind ik een veel beter woord, gelet op de vreselijke dingen die zij overhoop halen. In het kader van de pooierboys is de problematiek van de seksuele weerbaarheid van meisjes onderzocht. Er is een rapport: Weerbaar en divers. Dat is naar de Kamer gestuurd. Zij heeft nog een beleidsreactie tegoed. Ik zorg ervoor dat die er komt. Overigens zullen wij in het Onderwijsverslag 2009–2010, dat de komende 24 uur de deur uitgaat, de ontwikkeling zien die zojuist werd geschetst. Die ontwikkeling gaat niet de goede kant op en behoeft dus aandacht en verbetering. De Kamer krijgt nog een reactie op het rapport waar ik zojuist melding van maakte.

De voorzitter: Wij gaan naar de tweede termijn.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Ik heb verder geen aanvullingen. Ik ben tevreden met de beantwoording van de staatssecretaris. Wij moeten vooral bovenop dit onderwerp blijven zitten. Dat lijkt mij erg belangrijk.

De heer Depla (PvdA): Voorzitter. Mijn inbreng lijkt een beetje op die van mevrouw Dezentjé Hamming. Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording. Wij moeten vasthouden aan de traditie om hier één keer per jaar over te spreken naar aanleiding van de voortgangsrapportage. Dan bestaat de kans dat er echt iets verandert in plaats van dat wij elke keer moeten uitrukken als er weer iets vreselijks gebeurt.

Mevrouw Uitslag (CDA): Voorzitter. De staatssecretaris had het over communiceren over veiligheid en elke dag daaraan werken. Daar ben ik het van harte mee eens. Wat gaat de staatssecretaris concreet doen aan het gebrek aan kennis over veiligheidsbeleid onder conciërges, leerlingen en ouders, zoals zij zelf ook zei?

Op het registreren van afhandelingen van incidenten is de staatssecretaris niet echt ingegaan. Ik wil vragen om niet alleen incidentregistratie maar ook afhandeling van het incident mee te nemen in de pilot.

Ik vind het fantastisch dat pestweb en de verschillende andere sites in de lucht zijn. Het is heel goed om die media te gebruiken om mensen te bereiken, maar 100 000 bezoeken zijn er niet heel veel op jaarbasis. Werkt het dus daadwerkelijk? De betrokkenheid van ouders en leerlingen is minimaal, zoals de staatssecretaris zei. Als wij het een aan het ander koppelen, kunnen wij dan niet constateren dat ouders en leerlingen toch niet met die websites worden bereikt? Graag een reactie daarop.

Ik ben ontzettend blij dat de staatssecretaris naar de Challenge Day gaat kijken.

Het digipesten. Omdat u mij het woord ontnam, voorzitter, had ik in eerste termijn geen tijd meer voor het digipesten, maar ik had dezelfde inbreng als mijn collega van de PvdA. Dus ik dank de staatssecretaris voor haar toezegging.

De voorzitter: Als uw tijd op is, dan is uw tijd op. Ik heb u er alleen maar op gewezen dat u zich aan de afspraak van vijf minuten spreektijd hebt te houden die u zelf heb gemaakt. Ik heb u dus niet het woord ontnomen in die zin dat u niets meer mocht zeggen. Dat wou ik even gezegd hebben.

De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris ervoor dat zij duidelijk zegt dat een docent zelf een incident moet kunnen registreren. Dat lijkt mij heel helder.

Het is ook goed dat zij nog even aan de VNG doorgeeft dat de brandveiligheid op orde moet zijn.

De pooierboys. De staatssecretaris zegt dat deze kwestie volop onder de aandacht moet zijn. Zij zinspeelt al op een zeker onderwijsverslag dat morgen wordt gepresenteerd waar nieuwe cijfers in zouden staan die niet goed zijn. Ik heb de nadruk gelegd op het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs. De staatssecretaris zegt met een reactie op een rapport te komen. Wanneer komt die reactie? Kan zij zeggen dat zij bij die twee onderwijssoorten de aandacht op de pooierboys gaat vestigen? Dank.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voorzitter. De doelgroepen die de heer Van Dijk noemt, namelijk het praktijkonderwijs en het speciaal onderwijs, herken ik ook uit de inspectie. In mijn reactie op het rapport zal ik ook op die specifieke doelgroepen ingaan.

De heer Jasper van Dijk (SP): Wanneer komt die reactie?

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Voor de zomer.

De heer Jasper van Dijk zei dat een docent ook zelf moet kunnen registreren. Wie er registreert op een school is aan de schoolorganisatie, maar een docent moet wel kunnen aangeven of hij iets een incident vindt. Als men er niet reëel uitkomt, dan is daar de vertrouwenspersoon bij de inspectie voor. Dat recht heeft een docent. Wij doen het voor een deel immers juist voor de docenten.

Kunnen wij de website beter verbinden aan ouders en leerlingen, was een vraag van mevrouw Uitslag. Op zich is dat niet eenvoudig. Wel probeert de Vereniging Openbaar Onderwijs ouders via de site www.cyberouders.nl te verbinden, maar ook de ouders zelf moeten interesse tonen. Het is waar dat er meer bekendheid kan zijn. Vandaar ook de campagne, waar de heer Van Dijk zich van afvroeg of die nog wel nodig was. Die is toch nog wel nodig voor betrokkenen bij veiligheid. Misschien is het juist voor ouders en studenten zelf relevant om ze bewust te maken van veiligheid.

Willen wij het afhandelen van incidenten ook in de pilot meenemen, werd gevraagd. Wij geven aan wat er geregistreerd moet worden. Dat willen wij weten om inzicht te hebben. Vervolgens moet de school zelf bezien hoe die een zaak afwikkelt als de school een incident erkent. Dat kan strafrechtelijk zijn. Er is een aantal zaken die je verplicht bij de politie moet melden. Als dat het geval is, zit het leven heel simpel in elkaar en moet het via die weg afgewikkeld worden. Maar wij moeten niet vanuit Den Haag aangeven op welke manier men incidenten moet afwikkelen. Dat is toch echt aan de school.

Mevrouw Uitslag (CDA): Dat bedoel ik niet. Het gaat erom dat het registreren van incidenten een negatieve lading heeft. Dat komt in de pers. Daarom zouden scholen kunnen zeggen: wij houden het liever onder de pet. Daar ging de discussie over die wij net voerden. Als je nu naast het registreren van incidenten ook de resultaten registreert om te laten zien dat je als school iets serieus hebt genomen en hebt opgepakt, dan kun je ook een positieve lading geven aan iets wat eigenlijk heel erg negatief is.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Even voor alle duidelijkheid: die registratie wordt geen openbare registratie. Dan krijg je namelijk precies waar iedereen zich zorgen over maakt. Dan gaan scholen juist niet registreren, omdat ze bang zijn voor hun imago. Dat moet je niet willen. Registratie vindt op de school plaats. Die wordt gewisseld met de medezeggenschapsraad, waar docenten, ouders en studenten in zitten. Daar hoort die informatie thuis, of in het bve, in de studentenraad en de ondernemingsraad. De politie heeft inzage erin alsook de inspectie. Dat is het. Ik wil niet meer regeldruk aan scholen opleggen in die zin dat ze ook de afwikkeling moeten gaan registreren. Dat zal ook veel ingewikkelder worden, want dan krijg je hele verslagen van hoe een en ander is gedaan. Als het om een incident gaat dat naar buiten optreedt, dan is de school er überhaupt veel aan gelegen om te vertellen op welke manier die een en ander uiteindelijk heeft afgewikkeld. Dat zal de omgeving ook willen weten. Maar de incidentenregistratie zelf wordt niet openbaar gemaakt. Elk incident dat is opgeschreven, wordt niet naar buiten gebracht, want dan weet ik het wel. Dan gaat het namelijk op die school niet gebeuren, omdat die zich er zorgen over maakt, in de zin van: jeetje, wat heeft het voor impact. Wij zijn tot een soort evenwicht gekomen, namelijk wel registreren, inzichtelijk maken voor politie, inspectie en medezeggenschapsraad en that's it.

Mevrouw Uitslag (CDA): Ik ben daar blij om. De staatssecretaris geeft daarmee aan dat er geen lijstjes komen met onveilige scholen/veilige scholen. Daar moeten wij te allen tijde voor waken. Ik zit te denken over de manier waarop fouten en incidenten in de gezondheidszorg worden geregistreerd. Daar is de klacht ook: wanneer wordt het nou ook opgelost? Het gaat er dus niet alleen om dat scholen de lijstjes aanleveren van wanneer zaken misgaan, maar dat docenten ook zien dat er een terugkoppeling is. Vandaar dat ik het heb over die terugkoppeling en het afhandelen van zaken. Dat is een andere manier van denken die wij moeten gaan inzetten. Het gaat niet alleen om het beperken van risico's, incidenten en negativiteit, maar ook om het daar neerleggen van de kracht als een en ander daadwerkelijk is opgelost.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart: Daarin heeft de medezeggenschapsraad een taak. Die moet vragen: hoe bent u met zaken omgegaan? Dat is de interactie tussen enerzijds de schoolgemeenschap, die wordt vertegenwoordigd door de medezeggenschapsraad, en anderzijds de directie, die uiteindelijk zegt op welke manier zij zaken heeft opgepakt. Soms worden zaken afgewikkeld door justitie of politie. Het is niet altijd aan de directie zelf. Als het gaat om een openbaar incident, zal de omgeving altijd vragen om een verantwoording en om een afwikkeling.

Ik ben het eens met de woorden van mevrouw Dezentjé en de heer Depla dat wij dit geregeld op de agenda moeten houden, want dat is de manier om scherp te blijven. Zo neem ik uit dit overleg ook weer een paar heldere punten mee. Dank daarvoor.

De voorzitter: Ik meld u de volgende toezeggingen.

  • Na de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de afspraken die het platform EZ/Justitie heeft gemaakt met de providers over digipesten en in het bijzonder over de wens van de Kamer van het rechtstreeks reageren door providers op digipesters.

  • De Kamer ontvangt voor het zomerreces een beleidsreactie op het rapport Weerbaar en divers, waarin ook wordt ingegaan op het beleid gericht op specifieke doelgroepen, zoals het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.

Ik dank de aanwezigen.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Depla (PvdA), Remkes (VVD), Van Bochove (CDA), voorzitter, Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Leerdam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), Ouwehand (PvdD), Dibi (GroenLinks), Anker (ChristenUnie) en Smits (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gill'ard (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Ferrier (CDA), Uitslag (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Jacobi (PvdA), Elias (VVD), Timmer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Van Bommel (SP), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Thieme (PvdD), Peters (GroenLinks), Ortega-Martijn (ChristenUnie) en Gerkens (SP).

Naar boven