nr. 50
VERSLAG OVER HET ADRES1 VAN P.M. EN R.J.
SMEDEMA TE KOMMERZIJL BETREFFENDE DE VASTSTELLING VAN EEN CANON
Vastgesteld 9 september 2004
De commissie2, gelet op de door de staatssecretaris
van Financiën verstrekte inlichtingen,
overwegende,
dat adressanten, broers en houders van een erfpachtcontract met de Staat
met betrekking tot landbouwgronden, zich erover beklagen dat de Staat (de
Directie Domeinen van het ministerie van Financiën) bij de verlenging
van (erf)pachtcontracten voor agrarische domeingronden een ongelijke behandeling
voortzet met name bij de vaststelling van de (nieuwe) canon, terwijl dit in
strijd is met beleidsuitspraken van de staatssecretaris,
dat adressanten, wier erfpachtcontract in december 2003 is geëxpireerd,
in juli 2002 een aanbod tot verlenging van het contract hebben ontvangen (zij
het dat de plaats van één van hen daarbij zal worden ingenomen
door zijn beide zoons), waarin een canon wordt bedongen van 2,5 procent van
de aankoopprijs van de grond in vrije staat,
dat adressanten van mening zijn dat dit aanbod in strijd is met het beleid
met betrekking tot de agrarische domeingronden, zoals dat in een brief van
de staatssecretaris van 16 oktober 2001 aan de Tweede Kamer (Kamerstuk
24 490 nr. 14) is uiteengezet, omdat daarin wordt gesteld dat de canon
zal worden bepaald op grond van het pachtnormenbesluit, hetgeen een lagere
canon zou betekenen voor adressanten,
dat adressanten echter een erfpachtcontract bezitten met betrekking tot
zogenoemde grondbankgronden, die weliswaar tot het areaal agrarische domeingronden
worden gerekend doch waarvoor van oudsher andere uitgiftevoorwaarden gelden,
waaronder een canon tegen erfpachtprijzen, dan voor zogenoemde domeingronden,
waarvoor van oudsher de canon tegen pachtprijzen wordt vastgesteld, omdat
het in het laatste geval doorgaans pacht betreft die op enig moment in erfpacht
is omgezet,
dat adressanten in zoverre in hun stelling kunnen worden gevolgd dat in
genoemde brief van de staatssecretaris niet duidelijk is of het daarin uiteengezette
beleid ook onverkort van toepassing zal zijn op grondbankgronden,
dat de staatssecretaris aanvoert dat het beleid met betrekking tot de
grondbankgronden uitvoerig is beschreven in de nota Grondbank uit 1998 en
dat dit beleid niet door de genoemde brief wordt herzien,
dat de brief inderdaad geen gewag maakt van genoemde nota, doch dat dit
niet dwingend tot de conclusie hoeft te leiden dat het in de nota verwoorde
beleid ongewijzigd is gebleven,
dat het thans echter duidelijk is dat de staatssecretaris zijn beleid
met betrekking tot de grondbankgronden niet beoogde of beoogt te wijzigen
en het enkele feit dat de brief op dit punt onduidelijk is hem niet kan dwingen
dat beleid alsnog te wijzigen,
dat, voorzover adressanten aanvoeren dat bij hen een verwachting is gewekt,
deze verwachting op zijn minst gematigd had moeten zijn, juist omdat er geen
duidelijkheid bestond,
dat, voorzover adressanten voorts wijzen op een grondbankerfpachter die
onlangs wel degelijk een contract heeft kunnen sluiten met een canon conform
het pachtnormenbesluit, zodat ook in dit opzicht sprake is van ongelijke behandeling,
dit zich inderdaad heeft voorgedaan doch uitdrukkelijk in strijd met het geldende
beleid,
dat een incidentele uitvoeringsfout echter evenmin tot beleidswijziging
kan dwingen;
van oordeel,
dat er voor de Kamer geen aanleiding is in deze aangelegenheid verder
te treden,
stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde
van de dag.
De voorzitter van de commissie,
Mosterd
De griffier van de commissie,
Van Dijk