nr. 47
VERSLAG OVER HET ADRES1 VAN A.V. TE H.2 BETREFFENDE VRUCHTGEBRUIK ALS REKENVERMOGEN VOOR HUURSUBSIDIE
Vastgesteld 9 september 2004
De commissie3, gelet op de door de minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de staatssecretaris
van Financiën verstrekte inlichtingen,
overwegende,
dat adressante zich erover beklaagt dat de waarde van het vruchtgebruik
van haar woonhuis, dat zij geniet sinds de blote eigendom van de woning is
verkocht aan haar kinderen, in de fiscale jaren 2001 en 2002 wordt gerekend
tot de rendementsgrondslag van het belaste vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting,
op grond van welk vermogen vervolgens het recht op huursubsidie in de jaren
2002/2003, respectievelijk 2003/2004 wordt vastgesteld,
dat adressante meent dat de waarde van het vruchtgebruik niet als werkelijk
vermogen kan worden beschouwd, terwijl zij bovendien in november 2002, dat
wil zeggen in het begin van de genoemde huursubsidietijdvakken, de woning
heeft verlaten om een huurhuis te gaan betrekken,
dat de wetgever de waarde van vruchtgebruik echter bewust heeft opgenomen
in de vermogensrendementsgrondslag, zodat adressante niet op grond van de
hardheidsclausule ex artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
tegemoet gekomen kan worden,
dat voorts de waarde van vruchtgebruik volgens vast beleid niet wordt
gerekend tot vermogensbestanddelen die op grond van de hardheidsclausule ex
artikel 26 van de Huursubsidiewet buiten beschouwing worden gelaten bij het
bepalen van het rekenvermogen, dat de aanvankelijk aan adressante toegekende
huursubsidie over genoemde tijdvakken is teruggevorderd, na vermogenscontrole
over de jaren 2001 en 2002, doch dat de tegen deze terugvordering ingediende
bezwaarschriften niet juist zijn afgehandeld, daar adressante slechts uitleg
heeft ontvangen en geen voor beroep vatbare beslissingen,
dat dit verzuim zal worden hersteld, waarna adressante tegen eventuele
afwijzende beschikkingen beroep kan instellen bij de bestuursrechter,
dat, zolang niet onherroepelijk is beslist, de invordering zal worden
opgeschort,
dat adressante, indien zij betalingsmoeilijkheden ondervindt, om een betalingsregeling
kan verzoeken;
van oordeel,
dat niet is gebleken dat ten aanzien van adressante een onjuist beleid
is gevoerd, doch dat zij op een onderdeel onzorgvuldig is behandeld, hetgeen
is hersteld,
stelt de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde
van de dag.
De voorzitter van de commissie,
Mosterd
De griffier van de commissie,
Van Dijk
XNoot
1Dit adres en de stukken welke de commissie bij haar onderzoek ten dienste
hebben gestaan, liggen op het commissiesecretariaat Verzoekschriften, Lange
Poten 4, Den Haag, ter inzage van de leden.
XNoot
2Naam en adres van verzoeker zijn de commissie bekend.
XNoot
3De commissie bestaat uit de leden: Kalsbeek (PvdA), Tichelaar (PvdA),
De Wit (SP), Van Gent (GL), Van der Staaij (SGP), Mosterd (CDA) (Voorzitter),
Van Fessem (CDA), Kraneveldt (LPF) en Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD)
en de plaatsvervangende leden Tonkens (GroenLinks), Slob (ChristenUnie), Van
Vroonhoven-Kok (CDA), Vietsch (CDA), Varela (LPF) en Van Miltenburg (VVD).