Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429231 nr. 19

29 231
Verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij ziekte (Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003)

nr. 19
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 20 januari 2004

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 dat inmiddels tot wet is verheven en in werking is getreden heb ik u toegezegd schriftelijk terug te komen op de loondoorbetalingsplicht van Nederlandse reders op grond van het Wetboek van Koophandel (WvK), dit mede naar aanleiding van een brief van de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders.

In het – nog niet in werking getreden – artikel VII van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 wordt de loondoorbetalingstermijn bij ziekte van 52 weken in de artikelen 415a, eerste lid, 415c, eerste tot en met derde lid, en 415d, eerste lid, van het WvK verlengd naar 104 weken. Hierdoor wordt de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte in het WvK aangepast overeenkomstig artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij nadere overweging en na overleg met mijn ambtgenoten van Verkeer en Waterstaat en Justitie sta ik niet langer op het standpunt dat deze aanpassing van de termijnen in het WvK wenselijk is. Ik wil dit als volgt toelichten.

Bij de totstandkoming van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in 1967 is er bewust voor gekozen om voor zeelieden die niet in Nederland wonen een afzonderlijk wettelijk regime te creëren, en deze categorie van zeelieden buiten de werkingssfeer te houden van de Ziektewet (ZW) en WAO. (Deze uitzondering geldt overigens ook voor de aan boord wonende zeelieden op wie niet een met de ZW overeenkomende wettelijke regeling van een lidstaat van de EU van toepassing is). In plaats daarvan werd besloten de toen bestaande regeling in het WvK voor deze categorie te continueren. Dit betekent dat deze zeelieden bij ziekte of arbeidsongeschiktheid thans gedurende maximaal 52 weken recht hebben op een uitkering van 80% van het loon. Is de ziekte of arbeidsongeschiktheid te wijten aan een ongeval in verband met zijn arbeidsovereenkomst, dan wordt de uitkering gedurende ten hoogste drie jaar voortgezet. Daarna bestaat bij een beroepsongeval eventueel recht op een uitkering ineens. In de praktijk heeft de regeling met name betekenis voor zeelieden uit landen als de Filippijnen, Rusland, Indonesië, etc. De regeling wordt uitgevoerd door de Vereniging Zee-Risico 1967, waarbij alle zeewerkgevers van rechtswege verplicht zijn aangesloten.

Bij nadere overweging ben ik van mening dat de doelstelling van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 geen grond biedt voor de uitbreiding van de loondoorbetalingstermijn voor deze groep zeelieden. Met de verlenging van de loondoorbetalingsplicht wordt immers beoogd de wederzijdse inspanningen van werkgever en werknemer gericht op beheersing van het langdurig verzuim en instroom in de WAO te versterken, met behulp van het instrumentarium van de Wet verbetering poortwachter. Werkgevers worden voorts op macroniveau gecompenseerd voor de extra lasten van loondoorbetaling via een lagere WAO-premie. Bij zeelieden die onder het WvK vallen is echter geen sprake van een relatie met de WAO, is het instrumentarium van de Wet verbetering poortwachter afwezig en is evenmin sprake van een lastenverschuiving. Uitbreiding van de loondoorbetalingstermijn tot twee jaar zou voorts de concurrentiepositie van de Nederlandse reders doen verslechteren en het «omvlaggen» van schepen naar de lage lonen landen in de hand werken. Dit zou in strijd komen met het beleid om de Nederlandse zeescheepvaart te bevorderen (nota Zeescheepvaartbeleid; Kamerstukken II 1995/96, 24 165, nr. 1).

Vanwege deze bezwaren acht ik het niet langer in de rede liggen om de termijn van de loondoorbetalingsverplichting op grond van het WvK te synchroniseren met die van het BW. Conform mijn brief van 18 november heb ik daarom artikel VII van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003, met gebruikmaking van artikel XV van die wet, niet in werking laten treden. Ik zal ter gelegener tijd via wetswijziging voorstellen artikel VII van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 te laten vervallen.

Voor de goede orde meld ik tot slot dat ik naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer ook heb besloten om, in afwachting van nader onderzoek, twee andere onderdelen van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 nog niet in werking te laten treden. Het betreft de ziekmelding nieuwe stijl, waarvoor ik inmiddels de stuurgroep Wet verbetering poortwachter om een oordeel heb gevraagd, en de verhaalsanctie van ziekengeld op ex-werkgevers van werknemers met een tijdelijk contract, dat betrokken wordt bij het antwoord op vragen van mevrouw Verburg over de loonsanctie.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus