nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 september 2003
Onder verwijzing naar artikel 2a, zesde lid van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening bied ik, als coördinerend Minister voor het Waddenzeebeleid,
u hierbij het kabinetsstandpunt (pkb deel 3) van de partiële herziening
PKB Nota Waddenzee 1993 ter instemming aan.
Aan het eind van dit jaar loopt de werkingsduur van de vigerende Planologische
Kernbeslissing (pkb) Nota Waddenzee uit 1993 (kamerstukken II 1992/1993, 22 605,
nr. 34), zoals die luidt na de partiële herziening uit 1994 (kamerstukken
II 1993/1994, 23 546, nr. 12) af. Omdat op dat moment nog geen nieuw
pkb-beleid voor de Waddenzee gereed is, heeft het kabinet besloten de vigerende
pkb partieel te herzien, uitsluitend gericht op de verlenging van de werkingsduur
van de pkb. Door deze werkwijze wordt het bestaande beleidskader voor de Waddenzee
gecontinueerd tot het moment van inwerkingtreding van het nieuwe pkb-beleid
voor de Waddenzee.
De tekst van de partiële herziening in de vorm van een toevoeging
aan paragraaf 1.1 «Status en planperiode» luidt als volgt:
f. De planperiode van deze pkb is verlengd tot de datum
van inwerkingtreding van het nieuwe pkb-beleid voor de Waddenzee.
Voor deze partiële herziening hanteert het kabinet de verkorte procedure
van de planologische kernbeslissing cf. artikel 2b, lid 3 van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening (WRO), met daarbij de mededeling dat artikel 2a, tweede,
derde, vierde en vijfde lid niet van toepassing is. Deze verkorte procedure
houdt in dat het kabinetsstandpunt van de partiële herziening (pkb deel
3) aan de Tweede Kamer ter instemming wordt aangeboden en dat afgezien wordt
van inspraak, advies en bestuurlijk overleg.
Bij dit besluit heeft het kabinet de volgende feiten en overwegingen gehanteerd:
• De PKB Nota Waddenzee uit 1993 had aanvankelijk een werkingsduur tot eind 1998, deze werkingsduur is bij wet (Wet rechtskracht diverse
planologische kernbeslissingen van 17 december 1998, Staatsblad 1998, 721)
met 5 jaar verlengd tot 30 december 2003.
• De herziening van die pkb is in februari 1999 gestart onder de
naam PKB Derde Nota Waddenzee, de verwachting was dat de nieuwe pkb vóór
eind 2003 in werking zou treden. Door onvoorziene omstandigheden is die procedure
echter ernstig vertraagd en kan inwerkingtreding van nieuw pkb-beleid voor
de Waddenzee niet voor eind 2003 formeel worden afgerond.
• De stand van zaken op dit moment is dat het kabinetsstandpunt van
de PKB Derde Nota Waddenzee (pkb deel 3) door de Tweede Kamer is behandeld
op 11 en 27 maart 2002 en dat stemming over moties heeft plaatsgevonden op
28 maart 2002. Als gevolg van de val van het kabinet Kok 2 in april 2002,
de korte zittingsduur van het kabinet Balkenende 1 en het meermalen controversieel
verklaren van dit dossier door uw Kamer, kon sindsdien geen voortgang meer
in de procedure worden gemaakt.
• Zeker is dat de formele afronding van nieuw pkb-beleid voor de
Waddenzee niet vóór eind 2003 plaats kan vinden. Daarom moet
een voorziening worden getroffen om te voorkomen dat – als gevolg van
het aflopen van de werkingsduur van de vigerende PKB Nota Waddenzee uit 1993 –
een onduidelijke situatie ontstaat omtrent het door het kabinet te voeren
Waddenzeebeleid.
• Deze partiële herziening betekent geen wijziging van het thans
bestaande beleidskader voor de Waddenzee, maar waarborgt juist een voortzetting
daarvan. Het bestaande beleidskader van het rijk voor de Waddenzee bestaat
uit 3 componenten, te weten de PKB Nota Waddenzee uit 1993, het kabinetsstandpunt
PKB Derde Nota Waddenzee uit 2001 en de van toepassing zijnde passages in
het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet. Dit beleidskader blijft van toepassing
tot het moment waarop het nieuwe pkb-beleid voor de Waddenzee formeel in werking
treedt. Formele inwerkingtreding vindt plaats na instemming door de Tweede
en de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
• Gegeven het feit dat dit besluit geen wijziging van de bestaande
situatie inhoudt, acht het kabinet het volgen van een verkorte pkb-procedure
cf. artikel 2b, lid 3 van de WRO, waarin geen inspraak, bestuurlijk overleg
en advies plaatsvindt, de geëigende weg.
• Op grond van het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet ben ik voornemens
om de PKB Derde Nota Waddenzee samen te voegen met de Nota Ruimte. Over de
exacte vormgeving daarvan en de daarbij behorende tijdplanning zal ik u op
een later tijdstip nader informeren.
• De verlenging van de werkingsduur geldt tot het moment waarop het
nieuwe pkb-beleid voor de Waddenzee in werking treedt.
Een afschrift van deze brief zend ik aan de Voorzitter van de Eerste Kamer
der Staten-Generaal en aan de Voorzitter van de Raad voor de Wadden.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
S. M. Dekker