Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429218 nr. 1;2

29 218
Wijziging en aanvulling van de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafrecht, de Algemene wet bestuursrecht, de Politiewet 1993 en enige andere wetten in verband met de invoering van een identificatieplicht van burgers ten opzichte van ambtenaren van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en van toezichthouders (Wet op de uitgebreide identificatieplicht)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging en aanvulling van de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafrecht, de Algemene wet bestuursrecht, de Politiewet 1993 en enige andere wetten in verband met de invoering van een identificatieplicht van burgers ten opzichte van ambtenaren van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en van toezichthouders (Wet op de uitgebreide identificatieplicht).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

24 september 2003

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is over te gaan tot de invoering van een identificatieplicht voor burgers ten opzichte van ambtenaren van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en daarmee gelijk te stellen ambtenaren alsmede van degenen die zijn belast met toezicht in de zin van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de identificatieplicht wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1, eerste lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 2° door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, die luiden:

3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;

4°. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is en dat geregistreerd is in het rijbewijzenregister bedoeld in artikel 126 van de Wegenverkeerswet 1994, zolang de bij registratie van dat rijbewijs in dat register vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.

B

Hoofdstuk II komt te luiden:

HOOFDSTUK II. TOONPLICHT

Artikel 2

Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet 1993, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden. Deze verplichting geldt ook indien de vordering wordt gedaan door een toezichthouder.

C

De hoofdstukken III tot en met XXII vervallen.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 435f vervalt.

B

Na artikel 447d wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 447e

Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

ARTIKEL III

In artikel 54, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering vervalt: of van het strafbare feit omschreven in artikel 435 onder 4°. van het Wetboek van Strafrecht, dan wel van het strafbare feit omschreven in artikel 34, eerste lid, onder b, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

ARTIKEL IV

Na artikel 8 van de Politiewet 1993 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 8a

1. Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak.

2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.

3. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de militair van de Koninklijke marechaussee, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn politietaak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en aan de militair van de Koninklijke marechaussee of van enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van artikel 58, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 59, eerste lid, bijstand verleent aan de politie.

ARTIKEL V

De Algemene wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:

Na artikel 5:16 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 5:16a

Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

ARTIKEL VI

In artikel 65, derde en vierde lid, van de Algemene bijstandswet wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

ARTIKEL VII

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 47 wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

3. Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden, indien dit van belang kan zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien.

B

Artikel 47b wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

2. In het tweede lid vervalt: of een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet dan wel een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994.

C

In artikel 68 wordt, onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, een lid ingevoegd, dat luidt:

3. Degene die niet voldoet aan de verplichting, hem opgelegd bij artikel 47, derde lid, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

D

In artikel 69, vijfde lid, wordt «Artikel 68, derde lid, » vervangen door: Artikel 68, vierde lid,.

ARTIKEL VIII

De Douanewet wordt gewijzigd als volgt:

A

In hoofdstuk 2, § 3, wordt voor artikel 11 een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 10a

Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is, indien dit voor de toepassing van wettelijke bepalingen te zijnen aanzien van belang kan zijn, verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.

B

Na artikel 49 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 49a

Degene die niet voldoet aan de hem bij artikel 10a opgelegde verplichting, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

ARTIKEL IX

Artikel 151a, tweede lid, van de Gemeentewet komt te luiden:

2. De in artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht bedoelde toonplicht geldt ook voor een persoon die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt. Deze toonplicht betreft een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, onderdelen 1° tot en met 3°, van die wet.

ARTIKEL X

De Invorderingswet 1990 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 58 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

2. Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden, indien dit van belang kan zijn voor de invordering.

B

Aan artikel 64 wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

3. Degene die niet voldoet aan de hem bij artikel 58, tweede lid, opgelegde verplichting, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

ARTIKEL XI

Artikel 111, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het woord «legitimeren» wordt vervangen door «identificeren».

2. Na «onder 2°» wordt ingevoegd «of 4°».

3. De zinsnede «hetzij nog geldig is hetzij» vervalt.

ARTIKEL XII

In artikel 15, eerste en vierde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

ARTIKEL XIII

In artikel 77, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens vervalt: (Stb. 1993, 660) of een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet dan wel een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994.

ARTIKEL XIV

In artikel 15, tweede lid, onderdeel e, en vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

ARTIKEL XV

In artikel 13, derde en vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

ARTIKEL XVI

In artikel 13, derde en vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

ARTIKEL XVII

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 28, onderdeel f, wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,» en vervalt: (Stb. 1993, 660).

B

In artikel 29, eerste lid, wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

C

In artikel 30, eerste lid, vervalt: of een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet dan wel een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994.

D

In artikel 35d, eerste lid, onderdeel b, wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

E

In artikel 35e, eerste lid, onderdeel f, wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

F

In artikel 35h, derde lid, onderdeel b, wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

G

In artikel 35k, onderdeel b, wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

H

In artikel 35l, eerste lid, onderdelen b en d, wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

I

In artikel 35m, onderdeel d, wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

ARTIKEL XVIII

In artikel 39, eerste lid, van de Wet op het notarisambtvervalt: of van een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet dan wel een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994.

ARTIKEL XIX

Artikel 92 van de Wet personenvervoer 2000 komt te luiden:

Artikel 92

De reiziger die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van de in artikelen 87 en 89 bedoelde ambtenaren en personen die hebben vastgesteld dat de reiziger heeft gehandeld in strijd met de artikelen 70 of 71, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.

ARTIKEL XX

Artikel 55 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste en derde lid wordt na «artikel 1» ingevoegd «, eerste lid, onder 1° of 2°,».

2. In het tweede lid vervalt: of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994.

ARTIKEL XXI

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

ARTIKEL XXII

Deze wet kan worden aangehaald als de Wet op de uitgebreide identificatieplicht.

De Minister van Justitie,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,