29 210
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

nr. 90
ZESDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 13 november 2003

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

I

In artikel I worden na onderdeel Rc, drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Rd. Artikel 6.20 wordt vervangen door:

Artikel 6.20. Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid

1. Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar en aannemelijk maakt dat hij door ziekte of gebreken niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar niet in staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar niet in staat zal zijn.

2. Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 757.

Artikel 6.20a. Uitgaven wegens chronische ziekte

1. Uitgaven wegens chronische ziekte worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar, niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 en hij in het kalenderjaar voor hem voor meer dan € 300 aan uitgaven heeft gedaan voor:

a. hulpmiddelen – uitgezonderd farmaceutische hulpmiddelen – als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;

b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;

c. extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b;

d. een dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c;

e. kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, of

f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die op grond van artikel 8 van die wet is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen.

2. Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 757.

Re. Artikel 6.22 wordt vervangen door:

Artikel 6.22. Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind

1. Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige voor een kind dat bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 27 jaar en dat door hem in belangrijke mate wordt onderhouden in het kalenderjaar voor meer dan € 300 aan uitgaven heeft gedaan voor:

a. hulpmiddelen – uitgezonderd farmaceutische hulpmiddelen – als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;

b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;

c. extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b;

d. een dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c;

e. kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, of

f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die op grond van artikel 8 van die wet is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen.

2. Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 757.

3. Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner uitgaven wegens chronische ziekte van het kind in aanmerking neemt, wordt het in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft van het bedrag genoemd in het tweede lid, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal.

Rf. Artikel 6.24 wordt vervangen door:

Artikel 6.24. Omvang in aanmerking te nemen uitgaven

1. Het bedrag aan uitgaven gedaan voor de in de tweede volzin genoemde posten wordt verhoogd met 60%, indien het verzamelinkomen van het kalenderjaar vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, niet te boven gaat het bedrag dat is genoemd in de tweede regel van de tweede kolom van de tabel in artikel 2.10. De in de eerste volzin bedoelde posten zijn:

a. hulpmiddelen – uitgezonderd farmaceutische hulpmiddelen – als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;

b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a;

c. extra gezinshulp als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b;

d. een dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel c;

e. kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, en

f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving in verband met het verblijf in een instelling die op grond van artikel 8 van die wet is toegelaten om zorg te verlenen tot een bedrag van 25% van die bijdragen.

2. Buitengewone uitgaven worden in aanmerking genomen voorzover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge het eerste lid, meer bedragen dan:

a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6643 niet te boven gaat: € 744;

b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6643 te boven gaat maar € 51 750 niet te boven gaat: 11,2% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek;

c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 51 750 te boven gaat: € 5796.

3. Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 6643 vervangen door € 13 286 en wordt in het tweede lid, onderdeel a, het bedrag van € 744 vervangen door € 1488.

4. Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij bij een verzoek om voorlopige teruggaaf of bij een aangifte een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het derde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad.

II

In artikel I, onderdeel BB, wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende: 1a. «6.20» wordt vervangen door: 6.20, 6.20a.

Toelichting

Inleiding

In aanvulling op de brief welke deze nota van wijziging begeleidt, wordt nog het volgende opgemerkt. Gelijk als onder de huidige buitengewone uitgavenregeling zijn binnen die regeling als gevolg van deze nota van wijziging drie forfaits opgenomen, te weten een forfait voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid, een forfait voor uitgaven wegens chronische ziekte (waaronder een forfait voor chronische ziekte van kinderen) en een forfait voor uitgaven wegens ouderdom. De toegang tot het ouderdomsforfait en het arbeidsongeschiktheidsforfait blijft ongewijzigd. De toegang tot het chronisch ziekenforfait wordt bij deze nota van wijziging meer toegespitst op de doelgroep van dit forfait. Anders dan bij de huidige afbakening is niet meer het in aftrek brengen van buitengewone uitgaven in voorgaande jaren relevant, maar het niveau van een aantal specifieke uitgaven in het kalenderjaar zelf. Deze specifieke uitgaven zijn: hulpmiddelen (met uitzondering van farmaceutische hulpmiddelen), vervoerskosten (niet zijnde kosten voor ziekenbezoek), dieetkosten, extra uitgaven voor gezinshulp, extra uitgaven voor kleding en beddengoed en de eigen bijdragen voor verblijf in een AWBZ-instelling. Er wordt verondersteld dat deze uitgaven samenhangen met het hebben van een handicap of een chronische ziekte. Wanneer de belastingplichtige in het kalenderjaar meer dan € 300 aan deze specifieke uitgaven heeft, mag hij bij het bepalen van de buitengewone uitgaven een forfaitair bedrag in aanmerking nemen voor kosten die wel de draagkracht aantasten maar niet benoembaar zijn (de zogenoemde verborgen kosten). Het bedrag dat in aanmerking mag worden genomen is gelijk aan het huidige bedrag van het chronisch ziekenforfait.

Ook de systematiek van de zogenoemde vermenigvuldigingsfactoren wordt bij deze nota van wijziging gewijzigd.

Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid

Het voorgestelde artikel 6.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001 komt voor wat betreft arbeidsongeschiktheidsuitgaven materieel overeen met het huidige artikel 6.20 van de wet.

Uitgaven wegens chronische ziekte

Het voorgestelde artikel 6.20a van de Wet inkomstenbelasting 2001 is wat de toegang betreft, niet vergelijkbaar met het huidige chronisch ziekenforfait in artikel 6.20 van de wet. Toegang tot dit forfait is, zoals hiervoor vermeld, voortaan gekoppeld aan het niveau van een aantal specifieke uitgaven in het kalenderjaar zelf.

Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind

Het voorgestelde artikel 6.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is wat de toegang betreft, niet vergelijkbaar met het huidige forfait in artikel 6.22 van de wet. Evenals bij het nieuwe artikel 6.20a is de toegang gekoppeld aan het niveau van een aantal specifieke uitgaven ten behoeve van een kind in het kalenderjaar zelf. De werking van het forfait wordt verruimd in die zin dat het forfait niet meer voor alle chronisch zieke kinderen tezamen geldt, maar voortaan per kind in aanmerking kan worden genomen.

Vermenigvuldigingsfactoren

Wat betreft de zogenoemde vermenigvuldigingsfactoren worden er drie systematische wijzigingen voorgesteld. In de eerste plaats worden de vermenigvuldigingsfactoren voortaan toegepast voordat de uitgaven zijn getoetst aan de algemene drempel. Hierdoor wordt de algemene drempel eerder overschreden. In de tweede plaats worden uitgaven die in aanmerking komen voor de vermenigvuldigingsfactoren beperkt, te weten van alle soorten buitengewone uitgaven naar de specifieke uitgaven die ook in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de toegang tot het chronisch ziekenforfait. Het niveau van de vermenigvuldigingsfactoren is niet meer afhankelijk van het feit of de belastingplichtige het afgelopen kalenderjaar, respectievelijk de afgelopen twee kalenderjaren, buitengewone uitgaven in aanmerking heeft genomen. Er is voortaan één factor; deze vermenigvuldigingsfactor wordt gesteld op 60% voor personen die in het kalenderjaar de hiervoor genoemde specifieke uitgaven hebben. De inkomensgrens waaronder de vermenigvuldigingsfactor van toepassing is, blijft ongewijzigd.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

Naar boven