29 210
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

nr. 34
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 november 2003

Hierbij doe ik u toekomen de antwoorden op enkele aanvullende vragen die de vaste commissie voor Financiën heeft gesteld inzake bovengenoemd voorstel.

De antwoorden op enkele vragen vormen (deels) een doublure met de nota naar aanleiding van het nader verslag. Dit komt doordat die nota en de aanvullende vragen elkaar hebben gekruist. Volledigheidshalve zijn die antwoorden ook hier, in één geval met een aanvulling, opgenomen.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

Belastingplan 2004 – Bosal reparatiewetgeving

Algemeen

1. Vraag: Meent de staatssecretaris met de voorgestelde reparatie een voldoende dam op te werpen tegen uitholling van de grondslag voor de vennootschapsbelasting? Antwoord: Het vervallen van de niet-aftrekbaarheid van kosten van buitenlandse deelnemingen zou er toe kunnen leiden dat buitenlandse deelnemingen meer dan thans het geval is worden gefinancierd met vreemd vermogen en dat meer buitenlandse dochtermaatschappijen onder winstgevende Nederlandse concernonderdelen worden geplaatst. Met deze «gedragseffecten» is rekening gehouden bij het ontwerp van de regeling. In welke mate dergelijke gedragseffecten daadwerkelijk op zullen treden is onzeker. De thin capitalisationregeling wordt mede voorgesteld om te grote verschuivingen op dit vlak tegen te gaan. Daarbij is gezocht naar een balans tussen de bescherming van de heffingsgrondslag enerzijds en het aantrekkelijk houden van het vestigingsklimaat anderzijds. Naar huidig inzicht werpt de voorgestelde thin capitalisationmaatregel – mede gezien het feit dat ons regime in veel opzichten vergelijkbaar is met dat in concurrerende landen – een voldoende dam op tegen ongewenste grondslagverschuiving als gevolg van het afschaffen van de niet-aftrekbaarheid van kosten van buitenlandse deelnemingen.

2. Vervallen

3. Vervallen

Artikel 10d

4. Vraag: In de Memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel tegengaan uitholling belastinggrondslag en versterking fiscale infrastructuur is de invoering van thin capitalisation regels destijds uitdrukkelijk afgewezen. In plaats daarvan werd gekozen voor een meer gerichte aanpak van enkele specifieke situaties met een misbruik-karakter. De CDA-fractie constateert echter dat in de voorgestelde regeling de artikelen 10a en 15ad blijven bestaan naast het nieuw in te voeren artikel 10d. Kan de staatssecretaris deze keuze motiveren? De CDA-fractie kan zich voorstellen dat in ieder geval de rentetemporisering van art. 15ad door de invoering van art. 10d overbodig wordt. Antwoord: De invoering van de thin-capitalisationmaatregel geeft geen aanleiding tot het afschaffen van de andere rente-aftrekbeperkende maatregelen. Het gebruik van hybride vermogensvormen of de gekunstelde constructies die worden bestreden door artikel 10a, kan zich immers ook voordoen bij vennootschappen die volgens de definitie van artikel 10d niet zijn ondergekapitaliseerd. Separate bestrijding van deze vormen van grondslaguitholling blijft daarom noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor de rentetemporiseringsmaatregel die is opgenomen in artikel 15ad. Deze bepaling is gericht tegen zogenaamde overnameholdingconstructies.

5. Vraag: In de toelichting bij de Nota van Wijziging wordt opgemerkt: «Voor de toetsing aan de 3:1-ratio gaat het om de verhouding tussen de rentedragende leningen enerzijds en het fiscale eigen vermogen anderzijds. De overige componenten van het vreemde vermogen, zoals bijvoorbeeld reserves en voorzieningen, blijven buiten beschouwing.» Kan de staatssecretaris bevestigen dat een transitorische passiefpost (bijvoorbeeld vooruitontvangen betalingen) ten behoeve van deze vergelijking ook buiten beschouwing kan blijven? Antwoord: Een passiefpost wegens vooruitontvangen rente op een uitstaande geldlening kan bij de bepaling van het vreemde vermogen voor de toetsing aan de 3:1-ratio buiten beschouwing blijven. Vooruitontvangen rente is immers geen lening van geld.

6. Vraag: Het zesde lid van het voorgestelde art. 10d bevat een voorziening voor het geval de belastingplichtige deel uitmaakt van meer dan één groep. Voor de afbakening van het groepsbegrip leggen de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving het criterium bij het feitelijk hebben van doorslaggevende zeggenschap. In dit licht bezien lijkt het moeilijk voorstelbaar dat meerdere partijen op hetzelfde moment doorslaggevende zeggenschap in een bepaald lichaam hebben. Kan de staatssecretaris een concreet voorbeeld geven van de situatie waarop de onderhavige bepaling ziet? Antwoord: De tweede volzin van het zesde lid van het voorgestelde artikel 10d ziet op situaties waarbij de belastingplichtige commercieel in meerdere consolidaties is opgenomen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een joint venture waarbij niet evident is wie de doorslaggevende zeggenschap bezit.

7. Vraag: Voor de concerntoets is het commerciële eigen en vreemd vermogen beslissend. Kan de staatssecretaris aangeven hoe in dit verband dient te worden omgegaan met eventuele minderheidsbelangen van derden? Antwoord: Bij de concerntoets wordt de commerciële vermogensverhouding bij de belastingplichtige vergeleken met die van het concern waar hij deel van uitmaakt. De vermogensverhouding bij eventuele derden, die een minderheidsbelang bezitten, speelt hierbij geen rol.

8. Vraag: In de toelichting wordt opgemerkt dat Nederland nog geen thin capitalisation wetgeving zou kennen. Feit is evenwel dat in de Nederlandse rulingpraktijk (tegenwoordig «ATR-praktijk») ten aanzien van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op buitenlandse participaties al sinds jaren de eis wordt gesteld dat deze participaties met ten minste 15% eigen vermogen worden gefinancierd. Kan de staatssecretaris bevestigen dat de invoering van het voorgestelde art. 10d deze «15%-eis» overbodig maakt? Zo nee, kan de staatssecretaris verklaren waarom het ATR-team zich in de praktijk op het standpunt stelt dat aan deze 15%-eis per afzonderlijke deelneming dient te worden voldaan in plaats dat een «overall» benadering wordt gevolgd zoals ook ten grondslag ligt aan het voorgestelde art. 10d? Antwoord: De achtergrond van de voorgestelde thincap-wetgeving is een andere dan die van de 15%-eis in het ATR beleid. De thincap-wetgeving heeft tot doel te voorkomen dat de Nederlandse heffingsgrondslag wordt uitgehold doordat verhoudingsgewijs teveel rentelasten ten laste van de Nederlandse winst worden gebracht. De eis, dat de kostprijs van de deelnemingen waarvoor een ATR wordt gevraagd, met tenminste 15% eigen vermogen zal worden gefinancierd, zoals ik die heb opgenomen in mijn besluit van 30 maart 2001 (IFZ2001/293M), wordt gesteld in de sfeer van het geven van zekerheid vooraf. Indien de deelnemingen met tenminste 15% eigen vermogen zijn gefinancierd wordt aangenomen dat de aanvrager van de ATR de deelnemingen voor eigen rekening en risico houdt. Invoering van thincap-wetgeving maakt deze 15%-eis daarom niet overbodig en uit de thincap-wetgeving kunnen geen conclusies worden getrokken ten aanzien van de vraag of de 15%-eis per deelneming gesteld kan worden.

9. Vraag: In het familiebedrijf vindt bedrijfsopvolging vaak in stappen plaats, waarbij de oorspronkelijk aandeelhouder zijn aandelen in tranches vervreemdt tegen schuldigerkenning van de koopsom door een houdstervennootschap van de opvolger. De hieruit voortvloeiende acquisitieschuld wordt bestreken door de thin capitalisation wetgeving, wat er toe kan leiden dat de betaalde rente voor de overnemer niet aftrekbaar is terwijl de rente bij de ontvanger wel belast is. In artikel 15ad, lid 5 Wet Vpb is een specifieke bepaling opgenomen om de nadelige gevolgen van de rente-temporisatie maatregel bij bedrijfsopvolging te beperken. Is de Staatssecretaris bereid een vergelijkbare regeling op te nemen in de thin capitalisation wetgeving ? Antwoord: In beginsel zullen bedrijfsoverdrachten in de familiesfeer niet bemoeilijkt worden door de thin capitalisationregels. De maatregel is slechts van toepassing indien de belastingplichtige deel uitmaakt van een concern en bovendien rente verschuldigd is aan een verbonden lichaam. De rente-aftrek op leningen van verbonden natuurlijke personen wordt niet door de maatregel beperkt. Als het voor de overname benodigde geld wordt geleend van een natuurlijke persoon, is de regeling dus niet van toepassing. Evenmin komt de toepassing van de regeling aan de orde als de overnemende houdstermaatschappij, waarvan de aandelen in handen zijn van de overnemende natuurlijke persoon – bijvoorbeeld een zoon van de uittreder – samen met de overgenomen werkmaatschappij een fiscale eenheid vormt. Niettemin is onderkend dat de regeling toch in zeer specifieke omstandigheden van toepassing zou kunnen zijn. In de praktijk zal men dit in veel gevallen kunnen vermijden door de keuze van de juiste structuur en financieringsverhoudingen. Mocht men desondanks toch tegen de werking van de regeling aanlopen, dan zullen de effecten hiervan worden verzacht door het feit dat deze niet wordt toegepast op de eerste € 500 000 bovenmatig vreemd vermogen. Dit laatste kan ook soelaas bieden bij een management buy-out waarbij de thincap-regeling ook in specifieke omstandigheden van toepassing zou kunnen zijn. Er is daarom naar mijn mening geen aanleiding om een aparte voorziening voor deze situaties op te nemen, zoals is gebeurd in artikel 15ad.

10. Vraag: Alhoewel de thin capitalisation wetgeving is ingevoerd als reactie op de Bosaluitspraak, is de aanwending van het vreemd vermogen irrelevant. In de praktijk wordt bij management buy outs of doorstarttransacties regelmatig een aandelenbelang in de verkochte groep genomen door een tot een grotere financiële groep behorende participatiemaatschappij. Indien dit belang een derde of meer bedraagt zijn de participatiemaatschappij en de overige vennootschappen deel uit makend van de financiële groep een verbonden lichaam. Tot deze groep behorende financieringsmaatschappijen gaan in de meeste gevallen ook voorzien in de financieringsbehoefte van de vennootschappen behorend tot de verkochte groep (denk aan werkkapitaalfinanciering en onroerend goed financiering). Deze financiering van de operationele activiteiten gaat nu bestreken worden door de thin capitalisation wetgeving. Is dit gevolg door de Staatssecretaris bedoeld? Antwoord: Ik onderken dat participatiemaatschappijen een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling en de financiering van het Nederlandse bedrijfsleven. Anderzijds moet worden vastgesteld dat zij zich ook in toenemende mate bezighouden met het verwerven van participaties in het buitenland. In het kader van deze groeiende internationalisatie moet worden bedacht dat ook zij profijt hebben van de door het onderhavige voorstel geboden mogelijkheid om financieringsrente voor buitenlandse deelnemingen ten laste van de winst te kunnen brengen. Verder is het zo dat de thincap-maatregel geen obstakel is voor kleinere participaties zoals start-ups in het MKB, omdat een vrijgesteld leenbedrag van € 500 000 is ingebouwd. Ten slotte is van belang dat de vraag of participatiemaatschappijen met deze maatregel worden geconfronteerd mede wordt beïnvloed door de financieringsstructuur die zij voor hun participaties kiezen.

Artikel 13

11. Vraag: In paragraaf 3.1 van haar commentaar op de Nota van wijziging constateert de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs dat valutaresultaten op leningen niet langer onder de deelnemingsvrijstelling vallen. De CDA-fractie heeft omtrent deze kwestie niets aangetroffen in de toelichting bij de nota van wijziging; is wellicht sprake van een omissie? Op basis van het huidige artikel 13, lid 1 Wet Vpb. vallen valutaresultaten op leningen ter financiering van een buitenlandse deelneming onder de deelnemingsvrijstelling. Deze bepaling is destijds in 1997 ingevoerd om een ongewenste discrepantie weg te nemen tussen valutaresultaten op de deelneming zelf en valutaresultaten op de daarmee verband houdende leningen. Blijkens de voorgestelde aanpassing van artikel 13, lid 1 Wet Vpb. zou deze discrepantie nu weer worden ingevoerd. Nu valutaresultaten naar hun aard onvoorspelbaar zijn en zich zowel ten nadele als ten voordele van de fiscus kunnen ontwikkelen, ziet de CDA-fractie niet in waarom de huidige regeling niet kan blijven gehandhaafd. Indien de wijziging wel uitdrukkelijk is beoogd, kan de staatssecretaris dan aangeven hoe een dergelijke fundamentele wijziging van de Nederlandse wet zich verhoudt tot het beginsel van rechtszekerheid en het streven naar een gunstig fiscaal vestigingsklimaat? De CDA-fractie zou ervoor willen pleiten om in ieder geval bestaande schulden te eerbiedigen. Antwoord: Kosten van een geldlening die is aangetrokken ter financiering van een deelneming, zijn voortaan aftrekbaar. Dit geldt voor alle kosten die op de geldlening betrekking hebben. Als de valutaresultaten op deze leningen niet tot het resultaat zouden worden gerekend, zou er een discrepantie ontstaan tussen de fiscale behandeling van de rente die betrekking heeft op de lening enerzijds en het valutaresultaat dat betrekking heeft op de lening anderzijds. Dit is ongewenst omdat de valuta waarin een lening wordt aangegaan, van invloed kan zijn op de hoogte van de rentevoet. Alle resultaten die betrekking hebben op een lening dienen daarom fiscaal op dezelfde wijze te worden behandeld.

12. Vraag: Hoewel rentekosten in verband met buitenlandse deelnemingen niet langer zullen worden getroffen door de aftrekbeperking van art. 13, lid 1 Wet Vpb. is het mogelijk dat zij van aftrek zijn uitgesloten door de werking van art. 10a Wet Vpb. (bijvoorbeeld omdat de lening verband houdt met een interne verhanging). In dit verband is nog steeds niet duidelijk in hoeverre deze bepaling uitwerkt op valutaresultaten. De CDA-fractie verzoekt de staatssecretaris van de gelegenheid gebruik te maken om te bevestigen dat toepassing van art. 10a Wet Vpb. enerzijds met zich brengt dat valutaverliezen en rentekosten niet-aftrekbaar zijn, maar anderzijds dat eventuele valutawinsten zijn vrijgesteld. Antwoord: Artikel 10a is een antimisbruikbepaling, gericht tegen uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag door kunstmatig gecreëerde geldleningen. Gelet op de strekking van deze bepaling ligt het niet voor de hand om positieve valutaresultaten van heffing vrij te stellen.

13. Vraag: De zogenoemde ruimterekening is een instrument ten dienste van de belastingplichtige om voor de toepassing van de tegenbewijsregeling van het huidige art. 13, lid 1 Wet Vpb. (op een indirecte wijze) aannemelijk te maken dat deelnemingen zijn gefinancierd met eigen vermogen. Kan de staatssecretaris toelichten hoe de ruimterekening in de periode tot en met 2003 naar zijn mening dient te worden toegepast voor het geval een belastingplichtige naast deelnemingen gevestigd in EU-lidstaten ook over niet-EU deelnemingen beschikt? Antwoord: De ruimterekening is een instrument waarmee belastingplichtigen kunnen bewijzen dat leningen zijn aangegaan voor een ander doel dan de verwerving van een buitenlandse deelneming. Daarmee kunnen zij voorkomen dat de kosten van die geldleningen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet Vpb van aftrek worden uitgesloten. Ook na de uitspraak in het Bosal-arrest ben ik van mening dat kosten met betrekking tot deelnemingen in landen buiten de EU/EER in de periode tot en met 2003 van aftrek uitgesloten zijn op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet. In gevallen waarin de ruimterekening tot de conclusie leidt dat buitenlandse deelnemingen zijn gefinancierd met eigen vermogen, geldt deze conclusie uiteraard onverkort voor de deelnemingen in niet EU/EER-landen. Voor die periode blijft de ruimteregeling dus van waarde

Artikel 20

14. Vraag: Op basis van jurisprudentie van het Hof van Justitie EG mag een nationale wetgever na een arrest van het Hof waarin een bepaalde wettelijke regeling onverenigbaar met het EG-Verdrag is verklaard, geen procedureregels invoeren waardoor de mogelijkheden tot het vorderen van terugbetaling van belastingen die ten onrechte krachtens die wettelijke regeling zijn geheven, specifiek worden bekort (zie bijvoorbeeld Weber's Wine World Handels-GmbH e.a. tegen Abgabenberufungskommission Wien, C-147/01, 2 oktober 2003). Op welke gronden is de staatssecretaris van mening dat de voorgestelde aanpassing van art. 20 Wet Vpb. niet in strijd komt met deze jurisprudentie? Antwoord: Vooropgesteld moet worden dat de houdstermaatregel zoals voorgesteld geen regel van procesrecht is, maar een maatregel behorende tot het materiële belastingrecht. Het arrest Weber's Wine World en de daarin genoemde jurisprudentie van het Hof hebben specifiek betrekking op regels van nationaal procesrecht. Het voorgestelde artikel 20 kan dus niet zonder meer worden getoetst aan deze jurisprudentie. Kenmerkend voor het nationale procesrecht is dat het in principe tot het nationale recht behoort dat nog niet door Europese regelgeving is geharmoniseerd, maar dat het Europese recht wel randvoorwaarden stelt aan dit nationale procesrecht. Deze randvoorwaarden zijn, zoals ook blijkt uit het arrest Weber's Wine World, dat regels van nationaal procesrecht die gelden voor vorderingen die zijn gebaseerd op Europees recht niet ongunstiger mogen zijn dan welke voor soortgelijke vorderingen gelden die op nationaal recht zijn gebaseerd; dat de uitoefening van door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag worden gemaakt; en dat een lidstaat na een uitspraak van het Hof waarin een bepaalde wettelijke regeling onverenigbaar met het Verdrag is verklaard geen procedureregels mag invoeren waardoor de mogelijkheden tot het vorderen van terugbetaling van belastingen die ten onrechte krachtens die wettelijke regeling zijn geheven, specifiek worden bekort. Min of meer vergelijkbaar met het nationale procesrecht geldt ook voor het belastingrecht dat het grotendeels niet geharmoniseerd is en nog behoort tot het nationale recht, maar dat het niet in strijd mag zijn met het Europese recht. Er is echter nog geen jurisprudentie waaruit blijkt dat de jurisprudentie waarin eisen worden gesteld aan het nationale procesrecht ook één op één gelden voor het materiële belastingrecht. Wel kan natuurlijk gesteld worden dat de lidstaten verplicht zijn om uitvoering te geven aan arresten van het Hof. Voorzover het Hof, bij zijn toetsing van het materiële belastingrecht aan het Europese recht, zich daarbij zou kunnen laten inspireren door de jurisprudentie met betrekking tot het nationale procesrecht kan het volgende gesteld worden. In de eerste plaats bekort het onderhavige wetsvoorstel op geen enkele wijze de rechten van belastingbetalers die teveel belasting hebben betaald. Zoals reeds is aangekondigd worden alle bezwaarschriften zo spoedig mogelijk afgehandeld, om zo tot terugbetaling over te gaan. Artikel 20 heeft alleen gevolgen voor de mogelijkheid om verliezen, die eventueel door de uitspraak in Bosal nog vergroot zijn, te compenseren. Artikel 20 maakt echter geen onderscheid naar de oorzaak van het ontstaan van de verliezen, maar heeft betrekking op alle verliezen van holding maatschappijen. Niet gezegd kan worden dat artikel 20 aanspraken voortvloeiend uit het Bosal arrest specifiek bekort, of op enigerlei wijze een onderscheid maakt naar Europese of nationaalrechtelijke oorsprong van deze verliezen. Evenmin kan gezegd worden dat artikel 20 het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om juist verliezen ontstaan door de Bosal-uitspraak te compenseren. Zij blijven compensabel, alleen de categorie winsten waarmee zij kunnen worden gecompenseerd wordt beperkt tot winsten uit jaren waarin de holding alleen houdsteractiviteiten uitoefent.

Belastingplan 2004 – Gedeeltelijke belastingplicht voor pensioenfondsen

Algemeen

15. Vraag: Kan de Minister de in het kader van de invoering van de belastingplicht voor commerciële activiteiten van pensioenfondsen gebudgetteerde opbrengst van € 105 miljoen nader onderbouwen ? Hoe verhoudt deze opbrengst zich tot de additionele kosten voor pensioenfondsen die voortvloeien uit de door VNO-NCW en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs gesignaleerde problemen met het Nederlands – Amerikaans belastingverdrag en het mogelijk verlies van het recht op vrijstelling van Amerikaanse dividendbelasting: deze kosten bedragen namelijk een veelvoud van de gebudgetteerde opbrengst en zullen via hogere premies danwel lagere aanspraken direct ten laste van pensioenverzekerden komen? Ter toelichting: Volgens de Pensioen- en Verzekerings Kamer («Financiële gegevens pensioenfondsen 2001» – te vinden op www.pvk.nl) is ultimo 2001 42% van alle beleggingen van NL pensioenfondsen belegd in aandelen. WM Company (www.wmcompany.nl) weet te melden dat dit ultimo 2002 is gedaald tot 36% en dat dit voor 27.5% is belegd in Noord Amerika. Op basis van de cijfers van WM Company 36% x 27.5% x 3% gemiddeld dividendrendement x 15% x € 450 000 000.000 = € 200 475 000 «schade» per jaar. Antwoord: Volgens het Strategisch akkoord en het Hoofdlijnenakkoord bedraagt de structurele budgettaire opbrengst van het belasten van commerciële activiteiten naar verwachting circa € 100 mln. De bandbreedte van deze raming is relatief ruim, en is mede afhankelijk van de nadere invulling van het begrip commerciële activiteiten, en het gedeelte dat uiteindelijk onder de belastingheffing zal kunnen vallen. Uitgangspunt is dat de nadere concretisering van commerciële activiteiten door pensioenfondsen aan de hand van de conclusies van de Commissie Staatsen zal plaatsvinden. Mogelijk kunnen commerciële activiteiten voor een deel al zijn ondergebracht in aparte dochterondernemingen (BV of NV), die belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting. Op grond van artikel 35, eerste lid, van het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag komen in Nederland gevestigde pensioenfondsen die uitsluitend werkzaam zijn in de sfeer van het beheren en verstrekken van pensioenen, in aanmerking voor een vrijstelling van de Amerikaanse bronheffing op dividend en rente. Daarbij geldt als voorwaarde dat het inkomen van een dergelijk pensioenfonds in Nederland algemeen («generally») is vrijgesteld van belastingheffing. Van belang daarbij is dat bij het «uitsluitend werkzaam zijn» met het beheren en verstrekken van pensioenen gekeken wordt naar de aanwending van de inkomsten en niet naar de bron van de inkomsten. Het behalen van inkomsten via bedrijfsmatige activiteiten leidt er op zichzelf bezien dus niet toe dat niet meer aan dit criterium wordt voldaan. Ingevolge de huidige Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn (inkomsten van) pensioenfondsen integraal vrijgesteld van belastingheffing. Het onderhavige voorstel leidt ertoe dat een beperkt deel van de inkomsten van pensioenfondsen – namelijk de inkomsten uit bedrijfsmatige, commerciële activiteiten – voortaan wel in de heffing van de vennootschapsbelasting wordt betrokken. Deze wijziging doet echter niet af aan het feit dat als uitgangspunt blijft gelden dat pensioenfondsen in zijn algemeenheid vrijgestelde entiteiten zijn omdat de inkomsten uit de kernactiviteiten van de pensioenfondsen vrijgesteld zijn en blijven van belastingheffing. In de Verenigde Staten geldt op dit punt een vergelijkbare benadering. In de Verenigde Staten kunnen entiteiten die zijn vrijgesteld van belastingheffing, zoals pensioenfondsen, ter zake van inkomsten uit «unrelated trade or business» al geruime tijd in de heffing worden betrokken. Ondanks deze «beperkte belastingplicht» worden deze entiteiten in de Verenigde Staten nog steeds als algemeen vrijgestelde entiteiten gekwalificeerd. Amerikaanse pensioenfondsen die belasting betalen over inkomsten uit «unrelated trade or business» worden door Nederland als algemeen vrijgesteld aangemerkt en kunnen derhalve in aanmerking komen voor een vrijstelling van dividendbelasting of dividenden die zijn vanuit Nederland ontvangen. Tegen deze achtergrond bezien, moeten Nederlandse pensioenfondsen, nu voor hen een algemene vrijstelling blijft gelden, ook na de introductie van de partiële belastingplicht voor inkomsten uit commerciële activiteiten, aanspraak kunnen blijven maken op de vrijstelling van bronheffing op dividenden en renten die vanuit de Verenigde Staten worden ontvangen. Voor de goede orde moet nog wel worden opgemerkt dat in het tweede lid van artikel 35 van het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag (onder meer) is vastgelegd dat de vrijstelling van bronheffing op dividend en rente niet geldt voor de inkomsten die een pensioenfonds uit bedrijfsmatige activiteiten verkrijgt.

Naar boven