Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429210 nr. 11

29 210
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

nr. 11
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 oktober 2003

Bijgaand ontvangt u de antwoorden op nog openstaande vragen die zijn gesteld tijdens de technische briefing op 24 september 2003 over het Belastingplan 2004 c.a. Met betrekking tot uw verzoek inzicht te geven in de economische effecten van het pakket van maatregelen rondom de eigen woning moet ik u helaas melden dat het onderzoek door het CPB nog loopt. De verwachting is dat de gevraagde effecten begin volgende week beschikbaar komen. Ik zal deze gegevens u dan zo snel mogelijk toesturen. (Kamerstuk 29 210, nr. 13)

Vraag

Kan voor verschillende inkomensniveaus een cijfervoorbeeld worden gegeven hoe de maatregelen met betrekking tot VUT en prepensioen uitwerken en kan inzicht worden gegeven hoeveel iemand nog extra kan sparen als hij in 2006 met VUT wil gaan?

Antwoord

Hierna wordt een aantal algemene voorbeelden gegeven. Per individu kunnen de gevolgen van de in het Belastingplan 2004 voorgestelde maatregelen verschillen. Deze verschillen zijn onder andere afhankelijk van afspraken in de betreffende CAO of pensioenregeling, leeftijd, en het aantal gewerkte jaren. In de onderstaande voorbeelden is als uitgangspunt genomen dat de regelingen zelf niet wijzigen als gevolg van de voorgestelde maatregelen. De uitwerking is in praktijk bovendien afhankelijk van de afspraken die na het invoeren van de voorgestelde maatregelen worden gemaakt tussen werkgevers en werknemers.

Gehanteerde veronderstellingen

In onderstaande voorbeelden wordt van de volgende regeling uitgegaan: In een bedrijfstak bestaat een prepensioenregeling. Deze houdt in dat werknemers in 37,5 jaar een prepensioen opbouwen dat bij uittreden op 61-jarige leeftijd recht geeft op 75% van het laatstverdiende salaris, uit te keren tot de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (65 jaar). Per jaar bouwt een werknemer dus 2% prepensioen op.

Er geldt een aanvullende overgangsregeling voor werknemers die:

• Op het moment van invoering ouder waren dan 30 jaar en

• tot aan de prepensioeningangsdatum ononderbroken deelnemer zullen blijven en

• voorafgaand aan de ingangsdatum van de prepensioenregeling tenminste 10 jaar in de bedrijfstak hebben gewerkt.

Bij uittreding op 61 jaar krijgen ze het door hen opgebouwde prepensioen aangevuld tot 75% van het laatstverdiende loon. Deze aanvulling wordt gefinancierd door middel van een premie over het loon van de actieven (omslagfinanciering, in fiscale zin gelijk aan een VUT-regeling).

De aangesloten werkgevers zijn over de loonsom een afzonderlijke premie verschuldigd voor de prepensioenregeling en de aanvullende overgangsregeling. De totale premie over de loonsom is 5%. Werkgevers en werknemers betalen ieder de helft van de premie.

Onderstaand wordt dit voorbeeld voor drie situaties uitgewerkt (een situatie waarin de prepensioenregeling pas is ingevoerd en dus nog volledig uit VUT bestaat, een situatie waarin men halverwege is met de omzetting van VUT in kapitaalgedekt prepensioen en een situatie waarin deze omzetting volledig is afgerond). In de situatie dat de prepensioenregelingen reeds 100% kapitaalgedekt zijn, is geen overgangsrecht meer van toepassing.

Voorbeeld 1

• Werknemer A is 35 jaar en verdient € 24 000 (ongeveer 150% WML). Zijn marginaal tarief is 40,35%.

• Werknemer B verdient eveneens € 24 000. Hij wordt op 1 januari 2005 61 jaar en treedt uit onder de prepensioenregeling. Werknemer B heeft de laatste 10 jaar in de bedrijfstak gewerkt.

Voorbeeld 2

• Werknemer A is 35 jaar en verdient € 30 000 (ongeveer modaal). Zijn marginaal tarief is 42%.

• Werknemer B verdient eveneens € 30 000. Hij wordt op 1 januari 2005 61 jaar en treedt uit onder de prepensioenregeling. Werknemer B heeft de laatste 10 jaar in de bedrijfstak gewerkt.

Voorbeeld 3

• Werknemer A is 35 jaar en verdient € 60 000 (ongeveer tweemaal modaal). Zijn marginaal tarief is 52%.

• Werknemer B verdient eveneens € 60 000. Hij wordt op 1 januari 2005 61 jaar en treedt uit onder de prepensioenregeling. Werknemer B heeft de laatste 10 jaar in de bedrijfstak gewerkt.

In de verschillende situaties wordt voor de bovenstaande drie voorbeelden steeds aangegeven wat de effecten zouden zijn als de regeling ongewijzigd wordt voortgezet na invoering van de maatregelen uit het BP04 en wat de effecten zouden zijn als de regeling niet wordt voortgezet als gevolg van de gewijzigde regelgeving. Daarbij is voor werknemer B (de uitkeringsgerechtigde) het inkomenseffect bij het niet voortzetten van de regeling niet van toepassing verklaard, omdat voor hem twee onvergelijkbare situaties ontstaan.

Tabel: Netto inkomensmutatie over 4 jaar in procenten ten opzichte van bestaande situatie

Bruto inkomenVUT/prepensioenregeling
 100% VUT 0% pp50% VUT 50% pp0% VUT 100% pp
24 000   
Na BP04 doorgaan met prepensioenregeling   
– werknemer A– 0,0%– 1,9%– 2,9%
– uitkeringsgerechtigde (wkn B)– 13,3%– 1,1%0,0%
– werkgever0%0%0%
Niet doorgaan met prepensioenregeling   
– werknemer A1,0%2,8%3,7%
– uitkeringsgerechtigde (wkn B)n.v.t.n.v.t.n.v.t.
– werkgever0%0%0%
30 000   
Na BP04 doorgaan met prepensioenregeling   
– werknemer A– 0,0%– 2,0%– 3,1%
– uitkeringsgerechtigde (wkn B)– 11,6%– 0,8%0,0%
– werkgever0%0%0%
Niet doorgaan met prepensioenregeling   
– werknemer A1,1%2,9%3,8%
– uitkeringsgerechtigde (wkn B)n.v.t.n.v.t.n.v.t.
– werkgever0%0%0%
60 000   
Na BP04 doorgaan met prepensioenregeling   
– werknemer A– 0,0%– 2,8%– 4,3%
– uitkeringsgerechtigde (wkn B)– 10,5%– 1,4%0,0%
– werkgever0%0%0%
Niet doorgaan met prepensioenregeling   
– werknemer A1,0%3,1%4,3%
– uitkeringsgerechtigde (wkn B)n.v.t.n.v.t.n.v.t.
– werkgever0%0%0%

Vraag

Kan inzicht worden gegeven in aantallen VUT/prepensioenregelingen c.q. aantal CAO's waarin dit voorkomt?

Antwoord

Op korte termijn zal door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Najaarsrapportage CAO afspraken 2003 worden aangeboden aan de Tweede Kamer. In deze rapportage wordt onder andere inzicht gegeven in de afspraken in CAO's met betrekking tot VUT en prepensioenregelingen.

Vraag

Kan inzicht worden gegeven hoeveel personen met ingang van 1–1-2005 met VUT zouden gaan. Met andere woorden hoeveel mensen zouden worden getroffen?

Antwoord

Op dit moment bestaat de groep VUT- en prepensioengerechtigden uit circa 120 000 VUT-ters en circa 110 000 mensen die met prepensioen zijn. Dit prepensioen is in veel gevallen voor een deel nog omslaggefinancierd. Bij een gemiddelde looptijd van 4 jaar van de uitkeringen, is de jaarlijkse in- en uitstroom ongeveer 25%. In 2005 zouden dus ongeveer 30 000 mensen met VUT gaan en ook bijna 30 000 met prepensioen. Van de 30 000 uittredende werknemers met prepensioen heeft een deel een volledig kapitaalgedekt prepensioen. Voor het overige deel, waarbij de uitkering gedeeltelijk op omslagbasis wordt gefinancierd, zullen de voorgestelde maatregelen voor het omslaggefinancierde deel dezelfde gevolgen hebben als voor VUT.

Vraag

Kan een onderverdeling van de lastenverlichting van 40 mln bij de autokostenfictie worden gegeven?

Antwoord

Bijgaand een onderverdeling van de budgettaire effecten van de maatregelen in de autokostenfictie.

GroepBudgettair (€ mln)
Van 10% of 15% naar 0%– 401
Van 10% naar 20%70
Van 15% naar 20%50
Van 20% naar 20%0
Van 25% naar 20%– 110
Vervallen bijtelling bestelauto's– 10
Totaal– 40

1 Opgemerkt kan worden dat deze 40 mln derving betrekking heeft de automobilisten die door het vervallen van de bijtelling voor woonwerk verkeer onder de 500 kilometers privé gebruik komen waardoor er geen bijtelling meer plaatsvindt. Voor andere automobilisten zal het wegvallen van de woonwerk verkeer kilometers geen effect hebben aangezien ze binnen de bijtelling blijven tegen het uniforme tarief van 20%.

Vraag

Kunnen de effecten van de uniforme kilometervergoeding worden gegeven?

Antwoord

Bijgevoegd treft u een inkomenseffectenmatrix van de uniforme reiskostenvergoeding. Hiermee kan per individuele verdeling voor woon-werkverkeer en zakelijk verkeer afgelezen worden wat de netto meer of minder te betalen belasting is uitgaande van een gemiddeld marginaal tarief van 41%. Hierbij is verondersteld dat de werknemer in 2003 en 2004 dezelfde vergoeding van zijn werkgever krijgt; 15 cent voor alle kilometers woon-werkverkeer en 28 cent voor alle zakelijke kilometers.

Tabel effecten uniform onbelaste kilometervergoeding (- = netto nadeel; + netto voordeel)

Woon-werkverkeer kilometersZakelijke kilometers
05 00010 00015 00020 00025 00030 000
  00– 226– 451– 677– 902– 1 128– 1 353
5 0000– 185– 410– 636– 861– 1 087– 1 312
10 0000– 144– 369– 595– 820– 1 046– 1 271
15 000283180– 45– 271– 496– 722– 947
20 00059052930378– 148– 373– 599
25 000898877652426201– 25– 250
30 0001 2051 2051 00077554932498

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn