Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200529210 nr. 100

29 210
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

nr. 1001
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 03 juni 2004

Middels een schrijven van 22 januari jl heeft de vaste commissie voor Financiën mij verzocht de Kamer ten behoeve van het algemeen overleg van 16 juni aanstaande te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de fiscale compensatie voor mensen met buitengewone uitgaven voor uitgaven voor ziekte of handicap. Met deze brief wil ik, vooruitlopend op de gedachtewisseling van 16 juni, hieraan gevolg geven.

Zoals ook tijdens het Kamerdebat afgelopen najaar is aangegeven zullen de eerste gegevens met betrekking tot de buitengewone uitgaven over het jaar 2004 pas eind 2005 binnenkomen op basis van de aangifte inkomstenbelasting over 2004. Een eerste indruk van de effecten van de maatregelen in de buitengewone uitgaven2, die na overleg met uw Kamer eind 2003 zijn genomen, is dan ook pas volgend jaar bekend. Wel bekend is de ontwikkelingen van de totale aftrekpost buitengewone uitgaven in de afgelopen jaren. Op basis van de meest recente aangifte/aanslaggegevens blijkt dat in 2002 circa 1,35 mln belastingplichtigen voor 2,26 mld aan buitengewone uitgaven afgetrokken hebben. In tabel 1 is het langjarige gebruik van de buitengewone uitgaven weergegeven.

Tabel 1 gebruik buitengewone uitgaven

 Aantal belastingplichtigen met buitengewone uitgaven Aftrekbaar bedrag in (€ mln)Groei bedrag in %
1998580 000800 
1999655 00095019%
2000830 0001 20026%
20011 048 0001 54229%
200211 350 0002 26047%

1 Voorlopige realisatie.

Zowel in aantallen als in bedragen heeft het gebruik van de buitengewone uitgaven een zeer hoge vlucht genomen. Naar verwachting zal dit de komende jaren nog verder doorgroeien.

2003

Met betrekking tot de tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven (TBU = verzilveringsregeling) kan ik u melden dat de Belastingdienst vanaf 1 juli 2004 beschikkingen TBU zal verzenden die gebaseerd zijn op de voorlopige aanslagen over 2003. Hierbij krijgen mensen die daar recht op hebben hun geld uitgekeerd. Eind juli begint de Belastingdienst met het opleggen van de definitieve aanslagen IB (en TBU) over 2003. Indien hierover in de komende tijd meer gegevens voorhanden komen zal ik u, in samenwerking met de minister van VWS, nader informeren.

2004

Tevens wil ik u via deze weg in kennis stellen van de acties die de Belastingdienst onderneemt om de burgers te wijzen op de mogelijkheden van de buitengewone uitgaven en in het verlengde daarvan de tegemoetkoming buitengewone uitgaven. Deze laatste regeling, ook wel verzilveringsregeling genoemd, houdt in dat personen die te weinig belasting betalen om voordeel van de buitengewone uitgaven te hebben deze toch automatisch kunnen verzilveren via een aparte tegemoetkoming. Afgelopen weken zijn er ruim 365 000 brieven verstuurd naar voornamelijk ouderen en Wajonggerechtigden die (nog) geen aangifte voor de IB gedaan hebben. Hierbij worden ze erop gewezen dat aangifte en meer specifiek de buitengewone uitgaven lonend kan zijn.

Vanaf mei 2004 is bij het VT-formulier over 2004 een bijlage gevoegd waarin stapsgewijs de aftrek voor buitengewone uitgaven inclusief de wijzigingen van de zesde nota van wijziging op het Belastingplan 2004 en de novelle van eind december verwerkt zijn. Personen met hoge zorgkosten in 2004 kunnen zo hun aftrekpost, vooruitlopend op de definitieve aangifte, effectueren. Het VT-formulier 2005 zal overigens automatisch worden verzonden naar personen die al deze al eens eerder invulde. Tevens zal de Belastingdienst meewerken aan een actie van het ministerie van VWS bij het ondersteunen van belangenorganisaties met bijvoorbeeld instructiemateriaal.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn


XNoot
1

I.v.m. een correctie in de titel.

XNoot
2

Zesde nota van wijziging belastingplan 2004 (29 210 nr. 90) en de «novelle» (29 367, nrs. 1–2).