Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429210 nr. 1;2

29 210
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

16 september 2003

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2004 wenselijk is maatregelen te treffen op het gebied van arbeidsmarkt- en inkomensbeleid, kennis en scholing, eigenwoningbezit, mobiliteit, vermindering van administratieve lasten, alsmede enkele overige maatregelen te treffen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1.7a, eerste lid, aanhef, wordt «8.14» vervangen door: 8.14, 8.14a.

B. Artikel 1.10 vervalt.

C. In artikel 2.6 wordt «onderdeel k» vervangen door: onderdeel j.

D. In artikel 2.10 wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan maar niet meer danbedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat
IIIIIIIV
€ 16 296 1,00%
€ 16 296€ 29 601€    162 7,95%
€ 29 601€ 50 751€   1 21942%
€ 50 751€ 10 10252%

E. In artikel 3.15, zesde lid, wordt «de tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde personenauto's als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting op personenauto's en motorrijwielen 1992» vervangen door: «een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel». Voorts wordt «€ 0,28» vervangen door: € 0,17.

F. Artikel 3.17, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b, wordt «tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde personenauto's als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting op personenauto's en motorrijwielen 1992» vervangen door: «tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel». Voorts wordt «€ 0,28» vervangen door: € 0,17.

2. In onderdeel c, wordt «personenauto's» vervangen door: vervoermiddelen.

G. Artikel 3.18 vervalt.

H. Artikel 3.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «25%» vervangen door: 20%.

2. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

3. Het vierde lid vervalt onder vernummering van het vijfde tot en met het negende lid tot respectievelijk derde tot en met zevende lid.

4. Het tot zevende lid vernummerde negende lid komt te luiden:

7. Voor de toepassing van dit artikel wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privé-doeleinden plaats te vinden.

I. De artikelen 3.48, 3.49 en 3.50 vervallen.

J. Artikel 3.51 wordt vervangen door:

Artikel 3.51 Toepasselijk regime investeringsaftrek

De investeringsaftrek en de desinvesteringsbijtelling vinden plaats volgens de regels voor het tijdvak waarin de investering heeft plaatsgevonden.

K. Artikel 3.52 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Wijziging willekeurige afschrijving en investeringsaftrek.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «, de in artikel 3.47a vermelde percentages voor de desinvesteringsbijtelling film en de in artikel 3.48, tweede tot en met vijfde lid, en tiende lid, vermelde percentages voor de scholingsaftrek worden» vervangen door: en de in artikel 3.47a vermelde percentages voor de desinvesteringsbijtelling film worden.

L. In artikel 3.77 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt vervangen door: € 11 000.

2. Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt vervangen door: € 5500.

M. Artikel 3.87 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot en met het tiende lid tot respectievelijk derde tot en met elfde lid, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

2. In dit artikel en daarop berustende bepalingen wordt onder reisafstand verstaan: de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van de werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

2. In het tot zesde lid vernummerde vijfde lid wordt «derde en vierde lid» vervangen door: vierde en vijfde lid.

3. In het tot elfde lid vernummerde tiende lid wordt «achtste lid» vervangen door: negende lid.

N. Na artikel 3.119 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

3.119a Eigenwoningschuld en eigenwoningreserve

1. Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning doch ten hoogste een bedrag gelijk aan de kosten ter verwerving van de woning verminderd met het bedrag van de eigenwoningreserve direct voorafgaande aan het moment waarop de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een eigen woning wordt aangemerkt.

2. Indien de eigenwoningschuld voor de vorige eigen woning die de belastingplichtige langer dan zes maanden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan direct voorafgaande aan de vervreemding van die woning groter is dan de op de voet van het eerste lid berekende eigenwoningschuld voor de nieuwe woning wordt, in zoverre in afwijking van het eerste lid, de eigenwoningschuld voor die woning gesteld op de eigenwoningschuld voor de vorige woning, dan wel, indien dat lager is, op het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de nieuwe woning.

3. De eigenwoningschuld wordt verhoogd met het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot de woning voorzover die schulden uitgaan boven het positieve bedrag van de eigenwoningreserve direct voorafgaande aan de verbetering, het onderhoud of de afkoop.

4. Bij de vervreemding van een eigen woning wordt het vervreemdingssaldo eigen woning toegevoegd aan een eigenwoningreserve. Onder vervreemdingssaldo eigen woning wordt verstaan de waarde van de tegenprestatie bij de vervreemding van een eigen woning, verminderd met de kosten ter zake van die vervreemding en verminderd met de eigenwoningschuld voor de woning. Voor de toepassing van dit lid worden tot de eigenwoningschuld mede gerekend het bedrag van de verlaging ingevolge het negende lid, de schulden ter zake waarvan de renten ingevolge artikel 3 120, vierde lid, onderdeel c, niet tot de aftrekbare kosten van een eigen woning worden gerekend alsmede de schulden, bedoeld in artikel 3 120, achtste lid.

5. Een eigenwoningreserve neemt af, doch niet verder dan tot nihil, met:

a. een bedrag gelijk aan de kosten ter verwerving van een eigen woning verminderd met het bedrag dat ingevolge het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid als eigenwoningschuld voor die woning in aanmerking wordt genomen;

b. – indien de eigenwoningschuld met toepassing van het tweede lid is vastgesteld – een bedrag gelijk aan de aflossingen op de eigenwoningschuld voorzover zij betrekking hebben op het gedeelte van de eigenwoningschuld dat uitgaat boven het bedrag dat op de voet van het eerste lid als eigenwoningschuld in aanmerking zou kunnen worden genomen;

c. – indien de eigenwoningschuld met toepassing van het tweede lid is vastgesteld – een bedrag gelijk aan de in een kalenderjaar gemaakte kosten voor verbetering of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht opstal of beklemming met betrekking tot de woning, indien het gezamenlijke bedrag van de kosten uitgaat boven € 5000.

6. De eigenwoningreserve vervalt voorzover die is toe te rekenen aan een vervreemdingssaldo eigen woning dat tien jaar geleden is toegevoegd.

7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder verwerving onderscheidenlijk vervreemding van een eigen woning verstaan een gebeurtenis waardoor de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een eigen woning wordt aangemerkt, onderscheidenlijk niet meer als zodanig wordt aangemerkt. Als verwerving wordt niet aangemerkt die krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk of wijziging van huwelijkse voorwaarden. Indien bij een verwerving of vervreemding een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de verwerving onderscheidenlijk de vervreemding in het economische verkeer aan de woning kan worden toegekend.

8. Indien ten aanzien van de belastingplichtige twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt en vervolgens één van die woningen wordt vervreemd, wordt direct daarna de eigenwoningschuld voor de andere woning opnieuw vastgesteld door hernieuwde toepassing van het eerste en tweede lid, waarbij de actuele stand van de eigenwoningreserve in de plaats komt van de stand direct voorafgaande aan het moment waarop de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een eigen woning is aangemerkt. Vervolgens wordt het vijfde lid, onderdeel a, opnieuw toegepast. Daarna wordt het derde lid opnieuw toegepast, waarbij de actuele stand van de eigenwoningreserve in de plaats komt van de stand direct voorafgaande aan de verbetering, het onderhoud of de afkoop. Ten slotte wordt het vijfde lid, onderdelen b en c, opnieuw toegepast.

9. Indien de belastingplichtige een eigen woning verwerft die bestemd is om hem en zijn partner of een persoon die samen met de belastingplichtige de keuze voor kwalificatie als partner kan maken anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan, wordt, indien hen voordien reeds tezamen een woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan, en die partner of persoon ten aanzien van die eerdere woning een vervreemdingssaldo heeft behaald, de op grond van het eerste lid berekende eigenwoningschuld van de belastingplichtige verlaagd, maar niet verder dan tot nihil, met de eigenwoningreserve van de bedoelde partner of persoon, waarbij indien de partner of persoon de woning mede heeft verworven, wordt uitgegaan van de eigenwoningreserve na toepassing dit artikel met betrekking tot die partner of persoon. De in de eerste volzin bedoelde verlaging van de eigenwoningschuld wordt toegepast tot het moment waarop de woning hen niet meer gezamenlijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.

3.119b Beschikking eigenwoningreserve

1. De eigenwoningreserve kan naar de stand van het einde van een kalenderjaar, al dan niet op verzoek, door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld.

2. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn gewezen partner kan de eigenwoningreserve aan elk van hen worden toegerekend naar de mate waarin zij feitelijk gerechtigd zijn tot het vervreemdingssaldo eigen woning. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.

3. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de eigenwoningreserve te laag is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking herzien. Herziening vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking.

4. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, levert geen grond voor herziening op, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

5. Artikel 16, tweede lid, onderdeel b, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op herziening.

O. Artikel 3.120 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:

a. de renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die behoren tot de eigenwoningschuld;

b. de periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming met betrekking tot de eigen woning.

2. In de aanhef van het tweede lid wordt «eerste lid, onderdelen a en c» telkens vervangen door «eerste lid, onderdeel a». Voorts wordt in onderdeel a «artikel 3.123» vervangen door: artikel 3.119a, derde lid, die behoren tot de eigenwoningschuld.

3. In het derde lid wordt «eerste lid, onderdelen a en c» vervangen door: eerste lid, onderdeel a.

4. In het vierde lid, onderdeel a, wordt «eerste lid, onderdelen a en c» vervangen door: eerste lid, onderdeel a.

5. In het zevende lid wordt «schulden die zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning» vervangen door: schulden die behoren tot de eigenwoningschuld.

6. In het achtste lid vervalt «en artikel 3.123».

P. In artikel 3.122, eerste lid, vervalt «en artikel 3 123,».

Q. Artikel 3.123 komt te luiden:

Artikel 3.123 Schulden voor verbetering of onderhoud eigen woning

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen worden kosten voor verbetering of onderhoud van de woning in aanmerking genomen voorzover de verbetering en het onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven.

R. Artikel 3.145 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «25%» vervangen door: 20%.

2. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

3. Het vierde lid vervalt onder vernummering van het vijfde tot en met het negende lid tot respectievelijk derde tot en met het zevende lid.

4. Het tot zevende lid vernummerde negende lid komt te luiden:

7. Voor de toepassing van dit artikel wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privé-doeleinden plaats te vinden.

5. Het tiende lid vervalt.

S. In artikel 8.2 wordt, onder verlettering van f tot en met l in g tot en met m, na onderdeel e een onderdeel ingevoegd, luidende:

f. de aanvullende combinatiekorting (artikel 8.14a);.

T. In artikel 8.9, eerste lid, wordt de zinsnede «en combinatiekorting» vervangen door: , combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting. Voorts wordt de zinsnede «en de combinatiekorting» vervangen door: , de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting.

U. Het in artikel 8.10, tweede lid, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 18.

V. Artikel 8.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, laatste volzin, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 30.

2. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 30.

3. Het in het derde lid, onderdeel b, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 30.

4. Het in het derde lid, onderdeel c, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 30.

W. Artikel 8.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt verhoogd met € 68.

2. Het vierde lid wordt vervangen door:

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner mede verstaan een in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 2° tot en met 5° bedoelde verbonden persoon.

X. Artikel 8.13, vierde lid, wordt vervangen door:

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner mede verstaan een in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 2° tot en met 5°, bedoelde verbonden persoon.

Y. Na artikel 8.14 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.14a Aanvullende combinatiekorting

1. De aanvullende combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien:

a. voor hem de combinatiekorting geldt, en

b. hij in het kalenderjaar geen partner heeft, danwel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar met tegenwoordige arbeid minder aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten dan zijn partner met tegenwoordige arbeid uit die bronnen heeft genoten.

2. De aanvullende combinatiekorting bedraagt € 290.

3. Indien het in het kalenderjaar uit de in het eerste lid bedoelde bronnen genoten inkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner, geldt de aanvullende combinatiekorting alleen voor de oudste belastingplichtige.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner mede verstaan een in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 2° tot en met 5°, bedoelde verbonden persoon.

Z. Het in artikel 8.17, tweede lid, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 63.

AA. In artikel 9.3, tweede lid, wordt, onder verlettering van de onderdelen e tot en met i in f tot en met j, na onderdeel d een onderdeel ingevoegd, luidende:

e. de aanvullende combinatiekorting;.

BB. Artikel 10.1, eerste volzin, wordt als volgt gewijzigd:

1. «3.47, 3.48, 3.68» wordt vervangen door: 3.47, 3.68.

2. «8.14» wordt vervangen door: 8.14, 8.14a.

3. «8.18, en 9.4» wordt vervangen door: 8.18, 9.4 en 10.7.

CC. Artikel 10.7 komt te luiden:

Artikel 10.7 Indexering inkomensgrens en percentage arbeidskorting

1. Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdelen a en b, en derde lid, vermelde percentages en het in artikel 8.11 tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere percentages en een ander bedrag.

2. Het percentage in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, wordt berekend door het in dat onderdeel genoemde bedrag na toepassing van artikel 10.1 te delen door het volgens het vierde lid berekende bedrag.

3. Het percentage in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt berekend door het verschil van het in artikel 8.11, tweede lid, derde volzin, genoemde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van:

a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en € 230, en

b. het volgens het vierde lid berekende bedrag.

4. Het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet.

5. Het percentage in artikel 8.11, derde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdelen b en c, wordt berekend door het verschil van het in dat onderdeel a, respectievelijk de onderdelen b en c, genoemde bedrag en het in dat artikel, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van

a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en € 230, en

b. het volgens het vierde lid berekende bedrag.

6. Indien volgens een van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het derde en vierde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet.

7. De volgens het tweede, derde en vijfde lid berekende percentages worden rekenkundig afgerond op drie decimalen.

ARTIKEL II

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2005 als volgt gewijzigd:

A. In artikel 2.10 worden in kolom IV van de tarieftabel de twee eerstvermelde percentages vervangen door 1,50%, respectievelijk 8,45%, en worden de in kolom III vermelde bedragen dienovereenkomstig aangepast.

B. Artikel 3.125 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, vervalt onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel c.

2. In het tot onderdeel c verletterde onderdeel d van het eerste lid vervalt «of het jaar waarin hij een pensioen als bedoeld in onderdeel c gaat genieten».

3. In het tweede lid wordt «onderdelen a, c en d» vervangen door: onderdelen a en c.

4. In het derde lid vervalt «, alsmede voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,».

C. Artikel 8.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, laatste volzin, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

2. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

3. Het in het derde lid, onderdeel b, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

4. Het in het derde lid, onderdeel c, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

D. Het in artikel 8.12, tweede lid, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 34.

E. In artikel 8.14a wordt het in het tweede lid genoemde bedrag verhoogd met € 93.

F. Artikel 10.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 77.

2. Het in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 77.

ARTIKEL III

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2006 als volgt gewijzigd:

A. In artikel 2.10 worden in kolom IV van de tarieftabel de twee eerstvermelde percentages vervangen door 1,25%, respectievelijk 8,20%, en worden de in kolom III vermelde bedragen dienovereenkomstig aangepast.

B. Artikel 8.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, laatste volzin, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

2. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

3. Het in het derde lid, onderdeel b, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

4. Het in het derde lid, onderdeel c, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

C. Artikel 10.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 77.

2. Het in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 77.

ARTIKEL IV

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 2007 als volgt gewijzigd:

A. In artikel 2.10 worden in kolom IV van de tarieftabel de twee eerstvermelde percentages vervangen door 0,85%, respectievelijk 7,80%, en worden de in kolom III vermelde bedragen dienovereenkomstig aangepast.

B. Artikel 8.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, laatste volzin, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

2. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

3. Het in het derde lid, onderdeel b, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

4. Het in het derde lid, onderdeel c, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

C. Artikel 10.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 77.

2. Het in het vijfde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 77.

ARTIKEL V

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Tot het loon behoren uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een tot het loon behorende aanspraak, voor zover de aanspraak in afwijking van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen.

B. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel d onder verlettering van de onderdelen e tot en met s tot onderdelen d tot en met r.

2. In het tot onderdeel e verletterde onderdeel f van het eerste lid wordt «onderdeel e» vervangen door: onderdeel d.

3. In het tot onderdeel h verletterde onderdeel i van het eerste lid wordt «onderdeel m» vervangen door: onderdeel l.

4. In het tot onderdeel i verletterde onderdeel j van het eerste lid wordt onder 1° « een regeling voor vervroegde uittreding» vervangen door: een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 13b, derde lid. Voorts wordt onder 3° «de onderdelen f en h» vervangen door: de onderdelen e en g.

5. In het vijfde lid vervalt «of een regeling voor vervroegde uittreding».

6. In het zesde lid wordt «onderdeel r» vervangen door: onderdeel q.

C. Artikel 11a, tweede lid, vervalt. Voorts vervalt de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

D. Na artikel 13a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 13b

1. In afwijking van artikel 13a wordt een aanspraak van een werknemer of gewezenwerknemer ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding geacht niet eerder te zijn genoten dan op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan dat waarop die werknemer op grond van die regeling voor de eerste maal een uitkering of verstrekking geniet. De waarde van de aanspraak wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de eerste volzin genoemde tijdstip.

2. Ingeval op enig tijdstip een aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet langer als zodanig is aan te merken dan wel wordt afgekocht of vervreemd, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer. De waarde van de aanspraak wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de eerste volzin genoemde tijdstip, met dien verstande dat de waarde ten minste wordt gesteld op het bedrag dat ter zake van de vervreemding of afkoop wordt genoten.

3. Onder regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt een regeling niet als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voor zover die regeling een toezegging omtrent pensioen omvat in de zin van het bepaalde bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet.

E. Artikel 15a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel h, onder 2°, wordt «onderdeel b» vervangen door: onderdeel a.

2. Onderdeel j vervalt onder verlettering van onderdeel k tot onderdeel j.

F. Artikel 15b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a vervalt, onder verlettering van de onderdelen b tot en met s tot respectievelijk a tot en met r.

2. Het tot onderdeel a verletterde onderdeel b wordt vervangen door:

a. vervoer, waar onder woon-werkverkeer, indien dat vervoer niet plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip of ter beschikking gesteld vervoermiddel, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 0,17 per kilometer;.

G. Artikel 16 vervalt.

H. Artikel 16a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «vrije vergoeding ter zake van regelmatig woon-werkverkeer waarbij de afstand geheel of gedeeltelijk per openbaar is afgelegd» vervangen door: vrije vergoeding ter zake van vervoer per openbaar vervoer.

2. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

3. Het eerste lid is slechts van toepassing indien de vergoeding niet als vrije vergoeding in de zin van artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking wordt genomen.

I. Artikel 16b vervalt.

J. Aan artikel 16c wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

4. In dit artikel wordt verstaan onder kinderopvang: opvang van kinderen en pleegkinderen die jonger zijn dan 13 jaar die voldoet aan de regels die krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit van de opvang, of die voldoet aan bij ministeriële regeling aan te wijzen buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening gestelde regels.

K. Artikel 17a wordt als volgt gewijzigd:

1. De bestaande tekst wordt aangeduid als eerste lid.

2. In het eerste lid wordt, onder verlettering van onderdeel b tot onderdeel c, een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende:

b. parkeergelegenheid bij de plaats van werkzaamheden, indien er geen sprake is van parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 15b, eerste lid, onderdeel r;.

3. Na het eerste lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

2. Onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige wordt verstaan:

1°. vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer;

2°. het reizen per openbaar vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen.

L. In de kop van hoofdstuk IIB vervalt «EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING»

M. In artikel 18, tweede lid, vervalt onderdeel a. Voorts vervallen de aanduidingen «:» in de aanhef en «b.» voor het andere onderdeel.

N. Artikel 18a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde en het zevende lid vervallen onder vernummering van het vierde, vijfde, achtste, negende en tiende lid tot respectievelijk vijfde, zesde, zevende, achtste en negende lid, en na het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

4. Een ouderdomspensioen gaat niet uit boven 70 percent van het pensioengevend loon op het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt. Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling genoemde vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.

2. In het tot vijfde lid vernummerde vierde lid vervalt onderdeel 3° onder vernummering van onderdeel 4° en onderdeel 5° tot onderdeel 3° respectievelijk onderdeel 4°. Voorts wordt in onderdeel 1° «onder 3°, 4° en 5°» vervangen door: onder 3° en 4°.

3. In het tot zevende lid vernummerde achtste lid wordt in onderdeel a «in dit hoofdstuk» vervangen door: in deze wet.

4. In het tot achtste lid vernummerde negende lid wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid. Voorts wordt «zevende lid» vervangen door: vierde lid.

5. In het tot negende lid vernummerde tiende lid wordt «het negende lid» vervangen door: het achtste lid.

O. In artikel 18b, achtste lid, wordt «negende lid» vervangen door: achtste lid.

P. In artikel 18c, zevende lid, wordt «negende lid» vervangen door: achtste lid.

Q. Artikel 18e vervalt.

R. Artikel 18g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt: dan wel diensttijd. Voorts wordt «de artikelen 18a, 18b, 18c, 18e, 18i en 38a» vervangen door: de artikelen 18a, 18b en 18c.

2. In het tweede lid wordt «de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d, 18e en 38a» vervangen door: de artikelen 18a, 18b, 18c en 18d.

S. Artikel 18i vervalt.

T. In artikel 19 vervalt «of op een regeling voor vervroegde uittreding». Tevens vervalt «, onderscheidenlijk onderdeel d».

U. Artikel 19a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «of een voorziening voor vervroegde uittreding als bedoeld in de artikelen 18 en 18i» vervangen door: als bedoeld in artikel 18.

2. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt «of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding».

3. In het eerste lid, onderdeel c, vervalt «of de voorziening voor vervroegde uittreding». Tevens vervalt «of een voorziening die».

4. In het eerste lid, onderdeel d, vervalt «of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding».

V. Artikel 19b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt «of een regeling voor vervroegde uittreding».

2. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt «of een regeling voor vervroegde uittreding».

3. In het tweede lid, eerste volzin, vervalt «of een regeling voor vervroegde uittreding». Voorts vervalt in de tweede volzin «of een regeling voor vervroegde uittreding».

4. In het derde lid vervalt «of een regeling voor vervroegde uittreding» en «of de aanspraak op een regeling voor vervroegde uittreding». Voorts wordt «van onderscheidenlijk de aanspraak op een pensioenregeling» vervangen door: van de aanspraak op een pensioenregeling.

5. In het vierde lid vervalt telkens «of een regeling voor vervroegde uittreding».

6. In het vijfde lid vervalt «of een regeling voor vervroegde uittreding».

W. Artikel 19c, derde lid, vervalt.

X. Artikel 19d wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef vervalt «onderscheidenlijk regeling voor vervroegde uittreding».

2. In onderdeel b vervalt «onderscheidenlijk een regeling voor vervroegde uittreding».

3. In onderdeel c vervalt telkens «of de voorziening voor vervroegde uittreding».

Y. In artikel 20a, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar loon van meer danMaar niet meer danbedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat
IIIIIIIV
€ 16 296 1,00%
€ 16 296€ 29 601€   162 7,95%
€ 29 601€ 50 751€  1 21942%
€ 50 751€ 10 10252%

Z. Het in artikel 22, tweede lid, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 18.

AA. Artikel 22a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, tweede volzin, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 30.

2. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 30.

3. Het in het derde lid, onderdeel b, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 30.

4. Het in het derde lid, onderdeel c, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 30.

BB. Het in artikel 22b, tweede lid, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 63.

CC. In artikel 36a, eerste lid, wordt «artikel 11, eerste lid, onderdeel t» vervangen door: artikel 11, eerste lid, onderdeel q.

DD. In artikel 36b wordt «artikel 18i, onderdeel c,» vervangen door: artikel 18i, onderdeel c, zoals dat luidde op 31 december 2003,.

EE. In artikel 37 wordt «artikel 11, eerste lid, onderdeel g» vervangen door: artikel 11, eerstel lid, onderdeel f.

FF. Artikel 38a vervalt.

GG. In artikel 38b vervalt «of artikel 38a» voort vervalt telkens «en artikel 38a».

HH. Na artikel 38b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38c

1. Voor een op 31 december 2003 bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, blijven tot en met 31 december 2004 de artikelen 11, 18g, 18i, 19, 19a, 19b, 19c en 19d, zoals die luidden op 31 december 2003, van toepassing en is artikel 13b niet van toepassing.

2. Artikel 13b is na 31 december 2004 ook van toepassing met betrekking tot aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding die voor 1 januari 2005 zijn ontstaan, behoudens indien de werknemer voor 1 januari 2005 reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze aanspraken genoot.

II. Na artikel 38c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38d

1. Voor een op 31 december 2003 bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, blijft artikel 38a zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, tot en met 31 december 2004 van toepassing.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid blijft artikel 38a, zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, van toepassing voor een op 31 december 2003 bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel toen luidde, indien ingevolge die prepensioenregeling na 31 december 2004 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan ingevolge aanspraken die voor 1 januari 2005 zijn opgebouwd.

3. In afwijking in zoverre van artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2004 bestaande aanspraak ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.

JJ. Na artikel 38d wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38e

Voor een op 31 december 2003 bestaande regeling voor ouderdomspensioen, als bedoeld in artikel 18a zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, blijven de artikelen 18a, 18b en 18c, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2003, tot en met 31 december 2004 van toepassing.

KK. Na artikel 38e wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38f

1. Voor een op 31 december 2003 bestaande regeling voor overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, blijven artikel 18, artikel 18e en artikel 18g, zoals deze luidden op 31 december 2003, tot en met 31 december 2004 van toepassing.

2. In afwijking in zoverre van artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2004 bestaande aanspraak ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.

ARTIKEL VI

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2005 als volgt gewijzigd:

A. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel f onder verlettering van de onderdelen g tot en met r tot onderdelen f tot en met q.

2. In het tot onderdeel g verletterde onderdeel h van het eerste lid wordt «onderdeel l» vervangen door: onderdeel k.

3. In het tot onderdeel h verletterde onderdeel i van het eerste lid wordt onder 3° «de onderdelen e en g» vervangen door: de onderdelen e en f.

4. In het zesde lid wordt «onderdeel q» vervangen door: onderdeel p.

B. In artikel 13a, tweede lid, wordt «geheel of voor een meer dan bijkomstig deel» vervangen door: geheel of gedeeltelijk. Voorts vervalt de tweede volzin.

C. Artikel 19b, zesde lid, vervalt.

D. In artikel 20a worden in kolom IV van de tarieftabel de twee eerstvermelde percentages vervangen door 1,50%, respectievelijk 8,45%, en worden de in kolom III vermelde bedragen dienovereenkomstig aangepast.

E. Artikel 22a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, tweede volzin, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

2. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

3. Het in het derde lid, onderdeel b, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

4. Het in het derde lid, onderdeel c, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

F. In artikel 36a, eerste lid, wordt «artikel 11, eerste lid, onderdeel q» vervangen door: artikel 11, eerste lid, onderdeel p.

G. Artikel 37 wordt vervangen door:

Artikel 37

1. Met betrekking tot een op 31 december 2004 bestaande aanspraak welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat op 31 december 2004 luidde, is aan te merken als een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon is artikel 19b van overeenkomstige toepassing.

2. Met betrekking tot een op 31 december 1994 bestaande aanspraak welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat op 31 december 1994 luidde, is aan te merken als een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon, zijn de in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, onder 1° en 2°, gestelde voorwaarden, zoals deze luidden op 31 december 2004, niet van toepassing. Met betrekking tot de in de eerste volzin genoemde aanspraken is artikel 19b van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VII

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2006 als volgt gewijzigd:

A. In artikel 20a worden in kolom IV van de tarieftabel de twee eerstvermelde percentages vervangen door 1,25%, respectievelijk 8,20%, en worden de in kolom III vermelde bedragen dienovereenkomstig aangepast.

B. Artikel 22a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, tweede volzin, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

2. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

3. Het in het derde lid, onderdeel b, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

4. Het in het derde lid, onderdeel c, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

ARTIKEL VIII

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2007 als volgt gewijzigd:

A. In artikel 20a worden in kolom IV van de tarieftabel de twee eerstvermelde percentages vervangen door 0,85%, respectievelijk 7,80%, en worden de in kolom III vermelde bedragen dienovereenkomstig aangepast.

B. Artikel 22a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, tweede volzin, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

2. Het in het derde lid, onderdeel a, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

3. Het in het derde lid, onderdeel b, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

4. Het in het derde lid, onderdeel c, genoemde bedrag wordt verhoogd met € 10.

ARTIKEL IX

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het eerste lid, onderdeel d, wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

e. kinderopvang: opvang van kinderen die jonger zijn dan 13 jaar welke voldoet aan de regels die krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit van de opvang, of welke voldoet aan bij ministeriële regeling aan te wijzen buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening gestelde regels;.

2. Het eerste lid, onderdeel f, vervalt.

B. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel d.

2. In het tweede lid, eerste volzin, wordt «de afdrachtvermindering scholing, de afdrachtvermindering kinderopvang» vervangen door: de afdrachtvermindering kinderopvang.

C. In artikel 5 vervalt het tweede lid.

D. Hoofdstuk VA vervalt in zijn geheel.

E. Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

1. De afdrachtvermindering kinderopvang is van toepassing met betrekking tot kosten van kinderopvang van kinderen en pleegkinderen van werknemers. De afdrachtvermindering beloopt 50 percent van het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van kinderopvang in het loontijdvak direct, dan wel indirect door middel van vergoedingen aan werknemers, heeft betaald voor kinderopvang, voorzover dat bedrag per kalenderjaar niet meer bedraagt dan € 21 400, en 30 percent van dat bedrag voorzover dat bedrag per kalenderjaar meer bedraagt dan € 21 400. Voorzover de kinderopvang bij de werknemer thuis plaatsvindt, wordt als bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van kinderopvang direct, dan wel indirect door middel van vergoedingen aan werknemers, heeft betaald voor kinderopvang, ten hoogste € 9400 per kind per kalenderjaar in aanmerking genomen. Het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van kinderopvang direct, dan wel indirect door middel van vergoedingen aan werknemers, heeft betaald voor kinderopvang wordt verminderd met de door de inhoudingsplichtige ter zake van de kinderopvang van derden ontvangen of nog te ontvangen bedragen, met het bedrag dat door de werknemers ter zake van de kinderopvang aan de inhoudingsplichtige is vergoed en met het bedrag dat op voorschotten is terugbetaald.

2. In het derde lid wordt «30 percent» vervangen door: 50 dan wel 30 percent.

3. In het zesde lid wordt «Het in het eerste lid vermelde bedrag» vervangen door: Het in het eerste lid, derde volzin, vermelde bedrag.

F. Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «40 percent» vervangen door: 42 percent en wordt «13 percent» vervangen door: 14 percent. Voorts wordt in het eerste lid «€ 90 756» telkens vervangen door: € 120 000.

2. In het tweede lid wordt de eerste volzin vervangen door: Het in het eerste lid vermelde percentage van 42 wordt vervangen door 60 indien de inhoudingsplichtige in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen inhoudingsplichtige was en voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven. Indien de voor rekening van de inhoudingsplichtige gedreven onderneming een voortzetting is van een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat direct of indirect is gedreven door een met hem verbonden vennootschap in de zin van artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel voor rekening van een natuurlijk persoon die op het moment van aanvraag een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 heeft in de inhoudingsplichtige, wordt voor de toepassing van de eerste volzin een ten aanzien van de verbonden vennootschap, onderscheidenlijk natuurlijk persoon, reeds voor de voortzetting afgegeven S&O-verklaring aangemerkt als een ten aanzien van de inhoudingsplichtige afgegeven verklaring.

G. In artikel 24, zevende lid, derde volzin, wordt «kan tevens worden ingetrokken« vervangen door: kan tevens worden gewijzigd of ingetrokken.

ARTIKEL X

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt met ingang van 1 januari 2005 als volgt gewijzigd:

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

1. De afdrachtvermindering kinderopvang is van toepassing met betrekking tot kosten van opvang van kinderen en pleegkinderen van werknemers. De afdrachtvermindering beloopt 30 percent van het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van kinderopvang in het loontijdvakdirect, dan wel indirect door middel van vergoedingen aan werknemers, heeft betaald voor kinderopvang. Voorzover de kinderopvang bij de werknemer thuis plaatsvindt, wordt het in de tweede volzin bedoelde bedrag tot ten hoogste € 9400 per kind per kalenderjaar in aanmerking genomen. Het in de tweede volzin bedoelde bedrag wordt verminderd met de door de inhoudingsplichtige ter zake van de kinderopvang van derden ontvangen of nog te ontvangen bedragen, met het bedrag dat door de werknemers ter zake van de kinderopvang aan de inhoudingsplichtige is vergoed en met het bedrag dat op voorschotten is terugbetaald.

2. In het derde lid wordt «50 dan wel 30 percent» vervangen door: 30 percent.

3. In het zesde lid wordt «Het in het eerste lid, derde volzin, vermelde bedrag» vervangen door: Het in het eerste lid vermelde bedrag.

ARTIKEL XI

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. De huidige tekst van artikel 5 wordt aangeduid als het eerste lid.

2. Het als eerste lid, onderdeel b, aangeduide onderdeel b komt te luiden:

b. lichamen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding, behoudens voorzover zij voordelen behalen uit werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van bedoelde regelingen.

3. In het als eerste lid, onderdeel d, aangeduide onderdeel d wordt na «door Onze Minister hiermede zijn gelijkgesteld» ingevoegd: , voorzover hun werkzaamheid bestaat uit de verkrijging, het bezit, het beheer en de vervreemding van anders dan tijdelijk door hen verhuurde woningen.

4. Na het eerste lid worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op:

a. naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld waarin een werknemer of gewezen werknemer, zijn echtgenoot of partner, een van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, dan wel een van hun pleegkinderen al dan niet tezamen voor ten minste tien percent van het nominaal gestorte kapitaal, onmiddellijk of middellijk, aandeelhouder is;

b. andere dan de onder a bedoelde lichamen waarvan de werkzaamheid hoofdzakelijk bestaat in de uitvoering van pensioenregelingen of van regelingen voor vervroegde uittreding van werknemers of gewezen werknemers van naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid of andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld waarin deze werknemers of gewezen werknemers, hun echtgenoten of partners, hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, dan wel hun pleegkinderen al dan niet tezamen voor ten minste tien percent van het nominaal gestorte kapitaal, onmiddellijk of middellijk, aandeelhouder zijn of op enig moment zijn geweest.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt onder een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding verstaan:

a. een zodanige regeling in de zin van de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting dan wel een buitenlandse regeling welke daarmee naar aard en strekking overeenkomt;

b. een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is gesteld op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds, de Wet op de kansspelen of de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling.

B. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het zesde tot en met twaalfde lid tot achtste tot en met veertiende lid worden na het vijfde lid twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:

6. Ingeval de belastingplichtige een lichaam is als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt voor de waardering van pensioenverplichtingen, in aanvulling op artikel 3.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat de verplichting niet hoger mag worden gewaardeerd dan volgens een stelsel dat correspondeert met een methode die bij verzekeraars als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een belangrijk deel van de pensioenovereenkomsten als uitgangspunt dient voor de bepaling van de premies ingevolge die overeenkomsten. Voorts geldt als aanvulling dat bij de waardering van de verplichting geen overlevingstafel kan worden gehanteerd waarin rekening is gehouden met verwachtingen omtrent toekomstige levensverwachtingen en kan een leeftijdsterugstelling alleen worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum.

7. Artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing ter zake van kosten en lasten in verband met een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 13b, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 ten behoeve van werknemers als bedoeld in artikel 12a van die wet. Een voorziening ter zake van een zodanige regeling voor vervroegde uittreding voor bedoelde werknemers is niet mogelijk tot het moment waarop de werknemer de aanspraak uit de regeling geniet ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

2. In het tot twaalfde lid vernummerde tiende lid wordt «zesde lid» vervangen door: achtste lid.

C. In artikel 18, eerste lid, wordt «artikel 8, eerste tot en met het zesde, achtste, tiende en twaalfde lid» vervangen door: artikel 8, eerste tot en met het achtste, tiende, twaalfde en veertiende lid.

D. Artikel 23a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 19b, eerste lid» vervangen door: artikel 19b, eerste lid, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, of artikel 13b, tweede lid.

2. In het tweede lid wordt «artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting» vervangen door: artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde.

E. Na artikel 31c wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31d

Indien de belastingplichtige ten gevolge van de wijziging met ingang van 1 januari 2004 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met ingang van die datum bij de waardering van pensioenverplichtingen moet overgaan op een ander waarderingsstelsel of op de hantering van een andere overlevingstafel of een andere leeftijdsterugstelling, wordt zolang de waarde van die verplichtingen ten gevolge daarvan uitkomt op een bedrag dat lager is dan de in aanmerking genomen waarde aan het einde van het laatste jaar waarin het oude stelsel of de eerder toegepaste overlevingstafel of leeftijdsterugstelling nog toepassing vond, de laatst genoemde waarde in aanmerking genomen.

ARTIKEL XII

Artikel 27 van de Wet op de accijns wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt de zinsnede die begint met «indien het gelode lichte olie betreft» en eindigt met «indien het laagzwavelige ongelode lichte olie betreft» vervangen door: indien het gelode lichte olie betreft. Voorts wordt de zinsnede «indien het andere ongelode lichte olie betreft» vervangen door: indien het ongelode lichte olie betreft.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt de zinsnede die begint met «per 1000 L bij een temperatuur van 15°C» en eindigt met «indien het laagzwavelige halfzware olie en gasolie betreft en» vervangen door: per 1000 L bij een temperatuur van 15°C. Voorts vervalt de zinsnede «indien het andere halfzware olie en gasolie betreft».

3. Het achtste en negende lid vervallen.

ARTIKEL XIII

Artikel 84a van de Wet op de accijns vindt geen toepassing op de in artikel XII bedoelde verhoging van de accijns.

ARTIKEL XIV

1. De accijns voor sigaretten wordt met ingang van 1 februari 2004 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse sigaretten € 18,40 per 1000 stuks hoger zal liggen dan het accijnsbedrag voor deze prijsklasse op 31 januari 2004. Indien met ingang van 1 februari 2004 het aldus berekende accijnsbedrag lager is dan het bedrag dat overeenkomt met 57 percent van de kleinhandelsprijs van de meest gevraagde prijsklasse sigaretten, berekend per 1000 stuks, geldt het laatstbedoelde bedrag.

2. De accijns van rooktabak wordt met ingang van 1 februari 2004 zodanig verhoogd dat de totale accijns voor de meest gevraagde prijsklasse rooktabak € 9,20 per kilogram hoger zal liggen dan het accijnsbedrag voor deze prijsklasse op 31 januari 2004.

3. Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 februari 2004 de tarieven van de accijns, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet op de accijns aangepast. De aanpassing geschiedt zodanig dat voor sigaretten en rooktabak van de meest gevraagde prijsklasse het specifieke gedeelte van de accijns 50% bedraagt van de som van de totale accijns en de omzetbelasting. Daarbij dient het bedrag van de totale accijns gelijk te blijven aan het bedrag van de totale accijns dat na de verhoging van de accijns verschuldigd zou zijn zonder de aanpassing. Bij de aanpassing vindt afronding plaats van het procentuele gedeelte van de accijns op honderdsten van een percent.

ARTIKEL XV

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A. In de in de kolommen A tot en met C van onderstaande tabel aangeduide bepalingen worden de in kolom D opgenomen bedragen telkens vervangen door de in kolom E opgenomen bedragen.

ABCDE
artikellid huidig bedragnieuw bedrag
2311e bedrag€  11,62€  11,92
2312e bedrag€  15,74€  16,15
2313e bedrag€  20€  20,52
2314e bedrag€  26,12€  26,80
2315e bedrag€  34,75€  35,65
2316e bedrag€  9,35€  9,59
2317e bedrag€ 256,47€ 263,14
2318e bedrag€  6,50€  6,67
2321e bedrag€  44,29€  45,44
2322e bedrag€  52,42€  53,78
2323e bedrag€  60,54€  62,11
2324e bedrag€  68,82€  70,61
2325e bedrag€  80,56€  82,65
2326e bedrag€  8,72€  8,95
2327e bedrag€  51,96€  53,31
2328e bedrag€  62,28€  63,90
2329e bedrag€  72,60€  74,49
23210e bedrag€  82,93€  85,09
23211e bedrag€  90,57€  92,92
23212e bedrag€  9,60€  9,85
2331e bedrag€  9,98€  10,24
2332e bedrag€  9,98€  10,24
24 1e bedrag€  8,35€  8,57
24 2e bedrag€  14,30€  14,67
24 3e bedrag€  4,17€  4,28
24 4e bedrag€  35,23€  36,15
24 5e bedrag€  4,48€  4,60
24 6e bedrag€  80,41€  82,50
24 7e bedrag€  4,82€  4,95
24 8e bedrag€ 112,36€ 115,28
24 9e bedrag€  1,11€  1,14
25  €  20,45€  20,98
25b 1e bedrag€  44,36€  45,51
25b 2e bedrag€  4,44€  4,56
37c11e bedrag€ 224€ 229,82
37c12e bedrag€ 224€ 229,82
4711e bedrag€  23,12€  23,72
4712e bedrag€  26,09€  26,77
4713e bedrag€  2,97€  3,05
4714e bedrag€  73,18€  75,08
4715e bedrag€  0,96€  0,98
5611e bedrag€  5,42€  5,56
5612e bedrag€  1,13€  1,16

B. Artikel 25a komt te luiden:

Artikel 25a Voor een vrachtauto bedraagt de belasting:

Bij een toegestane maximum massa in kilogrammen vanOver een tijdvak van drie maanden
 Zonder koppelinrichtingmet koppelinrichting
 Zonder luchtveringmet luchtveringzonder luchtveringmet luchtvering
 Met aantal assenmet aantal assen
 234 of meer234 of meer23 of meer23 of meer
minder dan 15 000€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53
15 000 tot 23 000€ 72,85€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53
23 000 tot 25 000€ 90,29€ 90,29€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53
25 000 tot 27 000€ 90,29€ 90,29€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 81,05€ 60,53€ 60,53€ 60,53
27 000 tot 29 000€ 95,42€ 95,42€ 95,42€ 60,53€ 60,53€ 60,53€ 81,05€ 60,53€ 60,53€ 60,53
29 000 tot 31 000€ 140,56€ 140,56€ 140,56€ 95,42€ 95,42€ 95,42€ 88,24€ 86,18€ 60,53€ 60,53
31 000 tot 33 000€ 140,56€ 140,56€ 140,56€ 95,42€ 95,42€ 95,42€ 122,09€ 86,18€ 88,24€ 60,53
33 000 tot 36 000€ 140,56€ 140,56€ 140,56€ 95,42€ 95,42€ 95,42€ 183,65€ 119,02€ 122,09€ 86,18
36 000 tot 38 000€ 140,56€ 140,56€ 140,56€ 95,42€ 95,42€ 95,42€ 183,65€ 119,02€ 122,09€ 86,18
38 000 tot 40 000€ 140,56€ 140,56€ 140,56€ 95,42€ 95,42€ 95,42€ 183,65€ 163,13€ 134,41€ 119,02
40 000 en meer€ 140,56€ 140,56€ 140,56€ 95,42€ 95,42€ 95,42€ 241,11€ 241,11€ 183,65€ 163,13

waarbij voor de luchtvering geldt dat deze zich bevindt op de aangedreven assen en onder luchtvering mede wordt verstaan daaraan als gelijkwaardig erkende vering als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn.

C. Na artikel 81 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 81a

De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 23, 24, 25, 25a, 25b, 37c, eerste lid, 47, eerste lid en 56 eerste lid, vermelde bedragen.

ARTIKEL XVI

De Wet belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A. Het in artikel 36i, zesde lid, genoemde bedrag wordt vervangen door: € 0,0506.

B. Het in artikel 36j, eerste lid, genoemde bedrag wordt vervangen door: € 181.

ARTIKEL XVII

De Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2005 als volgt gewijzigd:

A. Artikel 36i wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt «het eerste lid, onderdeel d, vierde en zevende lid» vervangen door: het eerste lid, onderdeel d, en vierde lid.

2. Het zesde, zevende en tiende lid vervallen onder vernummering van het achtste, negende, elfde, twaalfde, dertiende en veertiende lid tot respectievelijk het zesde, zevende, achtste, negende, tiende en elfde lid.

3. In het tot zevende lid vernummerde negende lid wordt «het eerste lid, onderdelen d en g, vierde, zesde en zevende lid» vervangen door: het eerste lid, onderdelen d en g, en vierde lid.

4. In het tot achtste lid vernummerde elfde lid wordt «het derde, vierde, zesde en zevende lid» vervangen door: het derde en vierde lid.

B. Het in artikel 36j, eerste lid, genoemde bedrag wordt vervangen door: € 194.

C. In artikel 37a wordt «36i, eerste lid, onderdelen a tot en met g, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid» vervangen door: 36i, eerste lid, onderdelen a tot en met g, derde, vierde en zesde lid.

ARTIKEL XVIII

In artikel 36j van de Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2006 het in het eerste lid genoemde bedrag vervangen door: € 197.

ARTIKEL XIX

In artikel 36j van de Wet belastingen op milieugrondslag wordt met ingang van 1 januari 2007 het in het eerste lid genoemde bedrag vervangen door: € 199.

ARTIKEL XX

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

A. In Artikel 8 wordt, onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid in derde tot en met vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald:

a. voor welke belastingen of groepen van belastingplichtigen of inhoudingsplichtigen het doen van aangifte uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden, en

b. onder welke voorwaarden hiervan door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking ontheffing kan worden verleend.

De in dit lid bedoelde belastingplichtigen kunnen uitsluitend betreffen administratieplichtigen in de zin van artikel 52, tweede lid.

B. Aan artikel 30f, vijfde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, toegevoegd: met dien verstande dat het aldus bepaalde percentage van de heffingsrente vervolgens wordt vermeerderd met 1,50 procentpunt.

ARTIKEL XXI

Aan artikel 29 van de Invorderingswet 1990 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, toegevoegd: met dien verstande dat het aldus bepaalde percentage van de invorderingsrente vervolgens wordt vermeerderd met 1,50 procentpunt.

ARTIKEL XXII

De Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt als volgt gewijzigd:

A. Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a

In afwijking van artikel 5 wordt een aanspraak van een werknemer of gewezen werknemer op grond van een regeling voor vervroegde uittreding geacht niet eerder te zijn genoten dan op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan dat waarop die werknemer op grond van die regeling voor de eerste maal een uitkering of verstrekking geniet. De waarde van de aanspraak wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de eerste volzin genoemde tijdstip.

B. Artikel 6, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b vervalt.

2. Onderdeel e vervalt.

C. Artikel 18e komt als volgt te luiden:

Artikel 18e

Met betrekking tot op 31 december 1994 bestaande aanspraken die naar of krachtens de tekst van artikel 6, zoals dat op 31 december 1994 luidde, zijn aan te merken als aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon, zijn de in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, onder 1° en 2°, gestelde voorwaarden, zoals deze luidden op 31 december 2004, niet van toepassing.

D. Voor artikel 19 wordt een artikel waarvan de nummering aansluit op het daaraan voorafgaande artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6, eerste lid, onderdeel b, zoals die bepaling luidde op 31 december 2003, blijft van toepassing en artikel 5a is niet van toepassing op een op 31 december 2003 bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals die bepaling toen luidde:

a. tot en met 31 december 2004; en

b. na 31 december 2004, indien op grond van die regeling na 31 december 2004 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers die voor 1 januari 2005 reeds een of meer uitkeringen op grond van die regeling ontvingen.

ARTIKEL XXIII

In artikel VI van de Wet van 12 december 2002, Stb. 615, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 deel I) vervallen de onderdelen B, C, D en N.

ARTIKEL XXIV

Artikel III, onderdeel B, van de Wet van 12 december 1991 tot wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en directiepensioenlichamen (Stb. 697) vervalt.

ARTIKEL XXV

De Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, hoofdstuk 2, artikel I, wordt als volgt gewijzigd:

A. In onderdeel AKac wordt in de aanhef «eerste lid, onderdelen a en c» vervangen door: eerste lid, onderdeel a.

B. In onderdeel ATa, tweede lid wordt «de combinatiekorting» vervangen door: de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting.

ARTIKEL XXVI

A. Overgangsrecht inkomstenbelasting

Artikel 3.51, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dat artikel luidde op 31 december 2003, blijft van toepassing met betrekking tot de scholingsbijtelling ingevolge artikel 3.50 van die wet zoals dat artikel luidde op 31 december 2003.

B. Overgangsrecht ter zake van vorming eigenwoningreserve

1. Voor de toepassing van artikel 3 119a van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt, indien ten aanzien van de belastingplichtige op 31 december 2003 twee woningen als eigen woning werden aangemerkt, ter zake van de eerste vervreemding geen eigenwoningreserve gevormd.

2. Indien de verwerving door de belastingplichtige van een eigen woning het gevolg is van een op 31 december 2003 reeds bestaande schriftelijke koopovereenkomst, wordt ter zake van de vervreemding van een woning die op 31 december 2003 ten aanzien van hem als een eigen woning werd aangemerkt geen eigenwoningreserve gevormd.

3. Indien de vervreemding door de belastingplichtige van een eigen woning het gevolg is van een op 31 december 2003 reeds bestaande schriftelijke verkoopovereenkomst, wordt ter zake van die vervreemding geen eigenwoningreserve gevormd.

C. Voorzover een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een voorziening samenhangt met een regeling voor vervroegde uittreding waarop artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing is, blijft artikel 8, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten toepassing.

ARTIKEL XXVII

Indien het bij koninklijke boodschap van 16 september 2003 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet op de accijns (implementatie richtlijn Energiebelastingen) tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

Artikel II, onderdeel E, eerste en tweede lid, wordt vervangen door:

1. Onderdeel a wordt vervangen door: lichte olie, per 1000 L bij een temperatuur van 15°C € 735,16 indien het gelode lichte olie betreft en € 660,17 indien het ongelode lichte olie betreft;.

2. Onderdeel b wordt vervangen door: halfzware olie en gasolie, per 1000 L bij een temperatuur van 15°C € 360,58;.

ARTIKEL XXVIII

In artikel 30i, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals dat luidt nadat het bij koninklijke boodschap van 4 september 2003 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van belastingwetten c.a. (Technische herstelwet 2003) (Kamerstukken II 2002/03, 29 026) tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt «artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door «artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of 37 van de Wet op de loonbelasting 1964» en wordt na «artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964» ingevoegd: , zoals die bepaling luidde op 31 december 2003.

ARTIKEL XXIX

In artikel 72p van de Elektriciteitswet 1998 wordt «ten minste 0 eurocent en ten hoogste 7 eurocent» vervangen door: ten minste 0 eurocent en ten hoogste 10 eurocent.

ARTIKEL XXX

Ingeval de samenloop van wetten die in 2003 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in één of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, herstelt Onze Minister van Financiën dat bij ministeriële regeling.

ARTIKEL XXXI

1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2004, met dien verstande dat:

a. artikel I, onderdelen D, L, U, V, W, Y, Z en CC, en artikel V, onderdelen Y, Z, AA en BB, toepassing vinden nadat artikel 10.1 Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2004 is toegepast;

b. de artikelen XI, onderdeel A, derde lid, en XXIV voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2004.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid treden de artikelen XV, onderdeel C, en artikel XXII, onderdeel B, tweede lid, en onderdeel C, in werking op 1 januari 2005.

3. In afwijking in zoverre van het eerste lid treedt artikel XVI, onderdeel A, in werking op 1 juli 2004.

ARTIKEL XXXII

Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2004.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,

De Minister van Financiën,