Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429200-XIII nr. 24

29 200 XIII
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2004

nr. 24
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 oktober 2003

Hierbij bied ik u de Kabinetsreactie aan op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, getiteld «Nederland Handelsland, het perspectief van de transactiekosten». De WRR heeft dit rapport in maart 2003 aan de regering aangeboden.

Het advies van de WRR is actueel in het licht van de huidige bezorgdheid van het Kabinet over de Nederlandse handelspositie. Het advies betreft het adequaat inspelen op een tweetal structurele ontwikkelingen, mondialisering en informatisering, die de Nederlandse handelspositie op lange termijn beïnvloeden. Het Kabinet onderschrijft de algemene conclusie van de WRR dat structurele aandacht voor de transactiekosten van de handel van belang is voor de toekomstige Nederlandse handelspositie en de groei van de Nederlandse economie. Het rapport biedt extra theoretische onderbouwing voor (voortzetting van) het huidige Kabinetsbeleid.

Het gros van de aanbevelingen sluit dan ook uitstekend aan bij lopende beleidstrajecten. Als goed voorbeeld van nieuwe activiteiten die ik actief ter hand neem, breng ik graag de Campagne Internationaal Ondernemen onder uw aandacht, die op 23 oktober a.s. van start gaat. In deze campagne ligt de focus op zakendoen in Europa door het (startende) MKB. Als onderdeel van deze campagne zullen alle nieuwe lidstaten van de EU bezocht worden.

Verder blijft nadere stroomlijning en transparantie van de rol van de overheid cruciaal bij ondersteuning en informatievoorziening op het gebied van internationaal ondernemen. In dit verband is de samenvoeging in 2004 van EVD en Senter Internationaal tot één agentschap voor internationaal ondernemen een belangrijke stap.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

C. E. G. van Gennip

REACTIE VAN HET KABINET OP HET WRR-RAPPORT «NEDERLAND HANDELSLAND: HET PERSPECTIEF VAN DE TRANSACTIEKOSTEN»

1. Inleiding

Het kabinet heeft met waardering kennisgenomen van het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) getiteld «NEDERLAND HANDELSLAND: het perspectief van de transactiekosten».

De WRR stelt in zijn rapport twee belangrijke ontwikkelingen centraal, die op lange termijn beide van grote invloed kunnen zijn op de Nederlandse handelspositie: mondialisering en informatisering. Tegen deze achtergrond stelt de WRR de vraag aan de orde of, en onder welke voorwaarden Nederland in een globaliserende en informatiserende wereld een vooraanstaande handelsnatie kan blijven.

Het rapport stelt terecht dat de ontwikkeling van de Nederlandse handelspositie van groot belang is voor de Nederlandse economie. Hoewel de WRR stelt dat globalisering en informatisering vooral betrekking hebben op de structurele ontwikkeling van de Nederlandse economie, hebben zij niettemin directe invloed op de ontwikkelingen in de handel. De huidige moeizame ontwikkeling van de Nederlandse economie en het grote belang dat het kabinet hecht aan herstel van de economische groei geven het rapport extra actualiteit. Het kabinet is dan ook van mening dat de WRR met dit rapport een belangrijk onderwerp aan de orde heeft gesteld.

Het kabinet ziet in het rapport van de WRR een belangrijke ondersteuning van zijn beleid. De aanbevelingen reflecteren in hoge mate het gevoerde en lopende beleid. Deels vormen zij een goede aanvulling erop.

Na een korte samenvatting van de inhoud in paragraaf 2 wordt in paragraaf drie door het kabinet in algemene zin ingegaan op het rapport. In paragraaf 4 volgt een meer specifieke reactie op de aanbevelingen uit het rapport. Paragraaf 5 besluit de reactie van het kabinet met enkele concluderende opmerkingen.

2. De inhoud van het WRR-rapport

In het rapport «Nederland Handelsland: het perspectief van de transactiekosten» is de centrale probleemstelling als volgt geformuleerd: «Op welke wijze kan Nederland de kansen die de mondialisering en de informatisering bieden, benutten voor een verdere bijdrage van de buitenlandse handel aan de welvaart, en hoe kan worden voorkomen dat de bedreigingen die van deze ontwikkelingen kunnen uitgaan, een ongunstige uitwerking hebben op de positie van Nederland als handelsnatie.»

Aanleiding voor deze probleemstelling is niet zozeer de huidige waargenomen afname van de Nederlandse export, maar twee structurele tendensen die op langere termijn de handelspositie van Nederland blijvend kunnen beïnvloeden, namelijk mondialisering en informatisering.

Mondialisering betreft de toenemende economische integratie van nationale economieën in de wereldeconomie als gevolg van meer en meer grensoverschrijdende transacties. Voor de handel biedt dit enerzijds kansen in de vorm van nieuwe markten voor export en importtransacties. Anderzijds kunnen nieuwe concurrenten tegelijkertijd een bedreiging gaan vormen.

Informatisering1 kan de kosten van communicatie over grote afstanden sterk verlagen. De mogelijke gevolgen van informatisering voor Nederland, en voor handelstransacties als zodanig, zijn nog niet uitgekristalliseerd. Enerzijds biedt informatisering mogelijkheden om handelsrelaties aan te gaan die nu nog worden verhinderd door hoge informatie- en communicatiekosten. Anderzijds kan het bepaalde activiteiten waarin Nederland een sterke positie heeft, zoals bemiddeling door intermediairs, overbodig maken. Adequaat inspelen op deze nieuwe ontwikkelingen vereist een hoge mate van alertheid.

Het rapport heeft zich bij de behandeling van het vraagstuk geconcentreerd op de transactiekosten van de handel. Dit als belangrijke aanvulling op de klassieke theorie van internationale handel1, die slechts in beperkte mate een verklaring biedt voor de wereldwijde handelsstromen en de specifieke kenmerken van de Nederlandse handel.

Naast productiekosten brengt ook het verhandelen van goederen en diensten kosten met zich mee. Deze transactiekosten, die veelal voortvloeien uit informatieproblemen, krijgen volgens de WRR te weinig aandacht in de klassieke handelstheorie. Het rapport stelt dat een sterke handelspositie, naast het kunnen voortbrengen van concurrerende goederen en diensten, evenzeer het vermogen vereist de transactiekosten van de handel dusdanig laag te houden dat het loont om een handelstransactie tot stand te brengen. Bovendien zijn juist mondialisering en informatisering – volgens het rapport – van invloed op de transactiekosten van de handel.

Het rapport beschrijft vervolgens de rol van organisaties, instituten en netwerken, zoals intermediairs en multinationals, bij het verlagen van transactiekosten. Ook wordt de gewenste rol van de overheid in kaart gebracht. De WRR stelt dat overheidsbeleid op basis van de transactiekostentheorie gevoerd moet worden onder het motto «laat de markten werken». Dat wil zeggen: het nastreven van liberalisering van de handel, met de overheid als goede marktmeester die waakt over de werking van markten. Immers, hoe beter de markten werken, des te lager zijn de transactiekosten op die markten.

Bij het formuleren van de aanbevelingen t.a.v. het overheidsbeleid geeft de WRR aan dat het transactiekostenperspectief niet zozeer nieuwe inzichten oplevert voor het huidige handelsbeleid van de overheid, maar accenten plaatst die aandacht behoeven. Verder geeft de WRR aan dat bij het behouden van de handelspositie de verantwoordelijkheid in de eerste plaats ligt bij de handelende partijen zelf, maar dat de overheid een belangrijke ondersteunende rol speelt. De aanbevelingen haken aan bij de huidige drie aspecten van het handelsbeleid van de overheid, (vrij)handelsbeleid, vestigings- en investeringsbeleid en informatie- verstrekking, bemiddeling en ondersteuning.

In de aanbevelingen komt o.a. naar voren dat – gezien het grote aandeel van multinationals in de (weder)uitvoer – niet alleen voor de fysieke infrastructuur en belastingklimaat aandacht moet zijn, maar ook voor de culturele aspecten die een rol spelen bij de keuze voor vestiging in Nederland. Verder moet er bij het handelsbeleid naast exportbevordering ook aandacht zijn voor import en wederuitvoer. Specifieke aanbevelingen volgen vervolgens op het terrein van voorlichting en informatie, juridisch gebied en onderwijs.

3. Reactie in algemene zin

Zoals in de inleiding gesteld, is het kabinet van mening dat de WRR met zijn rapport Nederland Handelsland een uitstekend initiatief heeft genomen. Het gehanteerde perspectief van de transactiekosten is eveneens waardevol. Niet eerder werd vanuit dit perspectief zo uitgebreid naar de Nederlandse handelspositie gekeken en dit levert voor het kabinet een aantal waardevolle en interessante uitkomsten op.

De thema's Mondialisering en Informatisering, die als een rode draad door het rapport heenlopen, zijn zeer terecht door de WRR naar voren gebracht. Mondialisering is een proces dat al vele jaren gaande is, gedreven door diverse factoren, waaronder informatisering. Het proces van mondialisering integreert in toenemende mate nationale economieën en verandert de aard van de mondiale concurrentie. Juist voor een middelgroot land als Nederland, met een open economie, is het van belang een optimale bijdrage te leveren in internationale organisaties en fora, met als doel deze in staat te stellen zo slagvaardig mogelijk te opereren. Het kabinet wenst in het midden van de discussies binnen de Europese Unie te staan en ziet het voorzitterschap van de Europese Unie in 2004 als een moment om hieraan een extra bijdrage te geven. Op economische terrein staan de volgende doelstellingen, die nauw aansluiten bij het WRR rapport, centraal:

1. het beleid in Europees en internationaal verband richten op het beter functioneren van de interne markt van de EU;

2. bijdragen aan en implementeren van de Lissabon-agenda;

3. liberalisering van het mondiale handels- en investeringsverkeer binnen de kaders van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en versterkte inzet op WTO-gebied;

4. bestrijden van internationale concurrentievervalsing en marktverstoringen.

De WRR geeft aan dat aanleiding van het rapport Nederland Handelsland nadrukkelijk ligt in de noodzaak om gevolgen en invloeden van mondialisering en informatisering op de lange termijn beter in te schatten en er op adequate wijze op in te spelen. De directe aanleiding van het rapport is dus niet de tegenvallende ontwikkeling van de Nederlandse export van de afgelopen periode. Met de WRR wenst ook het kabinet hier te benadrukken dat er alle reden is voor zorg over de actuele Nederlandse handelspositie; het achterblijven van de Nederlandse export ten opzichte van de ontwikkeling van de wereldhandel en de stijging van loonkosten ten opzichte van concurrenten. Voor het kabinet staat daarom het vergroten van het economisch groeivermogen en het welvaartscheppende vermogen van de Nederlandse economie, op zowel de korte als de langere termijn, voorop.

Met het oog daarop formuleert het kabinet beleid gericht op versterking van een aantal belangrijke pijlers van de economie: het innoverend vermogen van de Nederlandse economie, de kenniseconomie, mededinging, voldoende ruimte en dynamiek om te ondernemen en de handelspositie en daarmee het beleid op het gebied van internationaal ondernemen. Deze pijlers kunnen elkaar versterken; een goed voorbeeld daarvan is innovatie en internationaal ondernemen.

De analyse van de WRR toont aan dat de handelspositie slechts gedeeltelijk conjunctureel te verklaren is, wat impliceert dat zowel in tijden van recessie als van hoogconjunctuur een economisch buitenlands instrumentarium onverminderd van belang is. Het rapport agendeert bovendien het belang van de transactiekosten bij het totstandkomen van handelstransacties en onderschrijft daarmee het belang van economische diplomatie, d.w.z. informatievoorziening, voorlichting, netwerken, e.d. Het rapport levert daarmee een waardevolle wetenschappelijke verkenning die eerder op dit terrein nog niet in deze vorm voor handen was.

Het rapport merkt zeer terecht op dat kansen voor Nederland en de handelspositie niet alleen gelegen zijn in de export, d.w.z. potentiële afzetmarkten, maar ook liggen bij toeleveringsmarkten, dus de import. Als distributieland liggen er immers ook grote belangen voor Nederland omdat uitvoer van opkomende markten via ons land verloopt. Het kabinet herkent zich in deze notie en voegt hieraan toe dat import van grondstoffen, halffabrikaten, eindproducten, diensten, kennis, kapitaal en arbeid van belang is voor de Nederlandse innovatiekracht en het groeivermogen van bedrijven. Bovendien zijn import en export sterk aan elkaar gerelateerd. Binnen het beleid op het gebied van Internationaal Ondernemen is weliswaar traditioneel sprake van nadruk op export en buitenlandse investeringen, maar ook voor import komt steeds meer aandacht. Er is sprake van informatieverschaffing over invoerprocedures en tarieven, inkomende handelsmissies, etc. Ook het Centrum voor Bevordering van Import uit Derde Wereldlanden is een initiatief dat in dit verband niet onvermeld mag worden gelaten. Het kabinet zal echter, gesterkt door de conclusies van het WRR rapport – bezien in hoeverre de informatieverschaffing explicieter kan worden gemaakt dan wel uitgebreid kan worden, zodat het belang van importerende bedrijven in Nederland nog beter behartigd wordt.

Het rapport stelt verder dat nader onderzoek gewenst is naar de mate waarin wederuitvoer een eigen bijdrage aan de Nederlandse welvaart levert. De meetbaarheid hiervan is recent geagendeerd door het Centraal Planbureau en het CBS. Het kabinet denkt dat nieuwe feiten en onderbouwing inzake de effecten van wederuitvoer relevant zijn voor beleidsontwikkeling. De soms negatieve teneur in de recente discussies over wederuitvoer – als zou Nederland in een dozen schuivende natie dreigen te veranderen – wordt niet door het kabinet gedeeld. Zowel binnenlandse geproduceerde uitvoer als wederuitvoer zijn onmisbaar voor de Nederlandse economie. Het over de jaren heen sterk gestegen aandeel van de wederuitvoer geeft aan dat het belang van Nederland als overslag-, distributie en financieel centrum voor West-Europa de laatste jaren is toegenomen. Wederuitvoer is een belangrijke economische activiteit. De toegevoegde waarde per eenheid product is weliswaar relatief laag; de totale omvang van de wederuitvoer levert een bijdrage van ruim twee procent van het nationaal inkomen. Daarnaast heeft de groei van de wederuitvoer ook bijgedragen aan de groei van de dienstenexport, nog los van andere economische activiteiten die direct dan wel indirect gerelateerd zijn.

Het kabinet proeft in het rapport op sommige punten een zeker spanningsveld tussen de grens van de rol van de overheid en rol van marktpartijen. Hoewel de Raad zich uitspreekt voor het uitgangspunt «laat de markten werken», komt – als het ware tussen de regels door – een duidelijke scheidslijn toch enigszins in het geding. Dit is op zich niet verwonderlijk, aangezien bij beleidsaanpassingen steeds opnieuw de vraag aan de orde is hoe de grens precies ligt of getrokken moet worden. Dit betreft niet zozeer het kaderscheppend beleid, maar vooral het ondersteunende beleid (zowel financieel als niet-financieel). Zo moet specifiek op het gebied van handelsbevordering, de overheid voldoende terughoudend zijn bij het oppakken van activiteiten. Steeds wordt bezien of het bestaande netwerk van private handelsbevorderende organisaties zelf de activiteiten niet kan initiëren. De WRR illustreert in dit rapport dan ook impliciet, dat voor een optimale ondersteuning vanuit de overheid een heldere en transparante afweging en communicatie van de grenzen t.o.v. de rol van marktpartijen van groot belang is. Het kabinet onderstreept dit en geeft het in de huidige beleidsontwikkelingen reeds volop aandacht.

Dit gezegd hebbende, deelt het kabinet de conclusie van het rapport dat er aanleiding is voor versterkte structurele aandacht voor het handelsbevorderend beleid en verdere invulling en aanscherping hiervan. Publiek-private samenwerking gericht op verlaging van de transactiekosten is hiervan een belangrijk onderdeel en rechtvaardigt doeltreffende inzet van overheidsmiddelen.

4. Reactie op specifieke aanbevelingen

De WRR benadrukt in het rapport dat het aan de handelaren zelf is met wie en tegen welke prijs te handelen. Het is de taak van de overheid om de werking van de markten te bewaken en te bevorderen en het handelskapitaal met een publiekgoedkarakter te borgen. Het rapport signaleert daarbij dat de autonome tendensen van mondialisering en informatisering omstandigheden structureel doen veranderen en nieuwe eisen stellen aan het beleid. Naast de meer algemene overwegingen die hierboven al aan de orde kwamen komt de WRR in haar rapport dan ook tot een aantal specifieke aanbevelingen die gerangschikt kunnen worden in de categorieën voorlichting, informatie en kennis, regelgeving en onderwijs. Het kabinet gaat hieronder in op een aantal van de meer specifieke aanbevelingen, die – zoals de WRR zelf ook stelt – aanvullende accenten plaatsen bij bestaand beleid.

Het rapport stelt dat waar enerzijds mondialisering (mede) een gevolg is van verminderde transactiekosten, mondialisering ook weer van invloed zal zijn op de transactiekosten. Het kabinet deelt de conclusie van de Raad dat voortzetting van het beleid gericht op het wegnemen van formele handelsbarrières in internationaal verband van belang blijft met het oog op een toename van de internationale transacties. Het verder uitbreiden en versterken van het open multilaterale handels- en investeringssysteem blijft onverminderd een hoofddoelstelling binnen het handelsbeleid. Ook de Nederlandse landbouw heeft in het algemeen veel te winnen bij verdere liberalisering van internationale handel. Het kabinet zal zich dan ook in internationale fora als de EU en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) hard maken voor deze doelstellingen. Internationale markttoegang en marktwerking worden nog door tal van maatregelen belemmerd. Nederland zet zich hierbij zowel in voor verdere afbraak van handelsbelemmeringen in derde landen, als ook voor openstelling van de EU-markt. Verdere afbraak van handelsbelemmeringen ziet de regering in een bredere context. Handel dient evenwichtige economische groei te bevorderen als een basis voor duurzame ontwikkeling. Inderdaad is hierbij – zoals de WRR bepleit – extra aandacht voor ontwikkelingslanden nodig, waarbij het kabinet binnen het handelsbeleid o.a. kijkt naar handelsbelemmeringen die de integratie van ontwikkelingslanden in het wereldhandelsstelsel het meest tegenhouden, zoals tarieven en quota voor landbouwproducten, textiel, kleding. Daarnaast streeft het kabinet naar verbeterde participatie van ontwikkelingslanden in de Wereldhandelsorganisatie. Door het mislukken van de Ministers bijeenkomst in Cancun zal de doelstelling van Nederland, om de Doha-ronde in 2004 af te ronden, waarschijnlijk niet worden gehaald. Liberalisatie van de handel blijft echter voor het Nederlandse Kabinet een belangrijk middel om de welvaart te bevorderen. Nauw daaraan verbonden is de handelsgerelateerde technische assistentie aan ontwikkelingslanden. Nederland is donor aan het Doha Development Agenda Global Trust Fund. Dit fonds verzorgt technische assistentie aan ontwikkelingslanden op het terrein van de afspraken in de WTO.

De WRR pleit er terecht voor om aandacht te besteden aan de opbouw van de rechtsinfrastructuur in ontwikkelingslanden. Bij de besteding van Nederlandse ontwikkelingsgelden krijgt dit aandacht via «good governance» en in het bijzonder in het kader van activiteiten om ontwikkelingslanden beter in staat te stellen gebruik te maken van de kansen die de wereldmarkt hen biedt. En Nederland werkt daarbij ook samen met bilaterale en multilaterale partners. Zonder het belang van deze «juridische infrastructuur» te onderschatten wil het kabinet binnen deze activiteiten ook aandacht blijven besteden aan andere aspecten van de institutionele èn fysieke infrastructuur die van belang zijn voor de verlaging van de transactiekosten van handel van en met ontwikkelingslanden.

De WRR heeft onder de noemer Handelsmerk Nederland een aantal belangrijke aandachtspunten opgebracht. Het kabinet herkent hierin in grote mate het huidige beleid op het gebied van handels-, en investeringsbevordering en de aanscherpingen van dit beleid die zijn gestart. De WRR spreekt over het versterken van de Nederlandse bekendheid met, en het vertrouwen van Nederlandse partijen in het buitenland, versterking van de voorlichtingsfunctie van en ondersteuning door ambassades, versterkte kwaliteit van handelsmissies en het organiseren van handelsmissies naar nieuwe markten.

Bovenstaande activiteiten op dit gebied worden grotendeels uitgevoerd door de EVD als agentschap voor Internationaal Ondernemen. Precieze invulling van de programma's gericht op (diverse deelgebieden van) internationaal ondernemen wordt in nauw overleg met bedrijfsleven en brancheorganisaties bepaald. Er bestaat een breed scala aan activiteiten gericht op het vergroten van internationale oriëntatie. Een voorbeeld hiervan is het opstarten van de multimediale infolijn voor internationaal ondernemen: 0800–6080. Op het gebied van Economische Holland Promotie wordt gewerkt aan het Holland Imago (een breed internationaal relatienetwerk voorzien van informatie over de Nederlandse economie en industrie). Ook sectorale invalshoeken komen hierbij aan bod, net als ontsluiting van informatie via internet en directe contacten met buitenlandse opiniemakers. Zo gaat in oktober een Campagne Internationaal Ondernemen van start, waarbij de focus ligt op zakendoen in Europa door het (startende) MKB. Al deze activiteiten tezamen vormen een bindende factor tussen de activiteiten van de overheid en het handelsbevorderende netwerk om de beeldvorming over de Nederlandse economie en industrie in het buitenland in positieve zin te beïnvloeden.

Naast de EVD bezoekt ook LNV actief landen in Midden- en Oost-Europa en organiseert handelsmissies naar deze regio's.

De keuze voor de bestemming van handelsmissies is het resultaat van een zorgvuldige afweging. Naast het al genoemde overleg met brancheorganisaties, spelen daarbij ook de internationale kalender van belangrijke bedrijfsbeurzen, een zekere mate van spreiding en de doelgroep (concentratie MKB-bedrijven en starters) een rol. Zo ontstaat een gevarieerd aanbod. De WRR pleit voor het opnemen van missies naar «nieuwe» markten, zoals Midden- en Oost-Europa en andere opkomende markten. Het kabinet deelt de mening van de WRR dat deze bestemmingen voldoende aandacht moeten krijgen met het oog op de ontwikkeling van de Nederlandse handel. Hierin wordt ruimschoots voorzien. Sinds de start van de transitie in Midden- en Oost-Europa is sprake van een actief beleid gericht op economische samenwerking, met in de loop der tijd aanpassingen al naar gelang de politiek-economische ontwikkelingen dat aangaven. In de afgelopen jaren is – al dan niet onder leiding van de bewindspersonen – zeer veelvuldig met handelsmissies aandacht besteed aan kandidaat-lidstaten van de EU. Ook vele missies naar belangrijke opkomende markten hebben op de agenda gestaan en de bewindspersonen van EZ en OS hebben gezamenlijke missies ondernomen om ondernemers bekend te maken in en met ontwikkelingslanden. Het beleid op dit punt wordt zeker voortgezet. Daarnaast is het van belang voor het kleinere bedrijfsleven en voor bedrijven die starten met internationaal ondernemen om tijdig de kansen te grijpen die de groeiende Europese markt biedt. Het kabinet zal daarom in de komende periode aandacht besteden aan de ondersteuning van dit bedrijfsleven op het gebied van internationaal ondernemen in de landen van de uitgebreide Europese Unie. De huidige Staatssecretaris van EZ zal in het komende jaar de tien toetredende landen met handelsmissies bezoeken. Bij deze reizen staan bedrijfslevencontacten centraal. Om de handelsmissies optimaal in te kunnen zetten ter ondersteuning van het internationaal ondernemende bedrijfsleven, wordt – naast contacten vooraf – in toenemende mate gebruik gemaakt van evaluaties achteraf en van klanttevredenheidsmetingen van individuele bedrijven.

Ambassades en zgn. Netherlands Business Support Units (NBSO) hebben een belangrijke rol bij ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven op buitenlandse markten, zo stelt de WRR zeer terecht. Het kabinet heeft in de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan het professionaliseren en transparant maken van de dienstverlening die posten aan bedrijven kunnen en mogen bieden. Afhankelijk van het land en de bestaffing van de post, wordt er maatwerk in dienstverlening geleverd. Om hierin zoveel mogelijk transparantie aan te brengen is inmiddels een indeling van kracht die gebaseerd wordt op het economisch belang van dat land voor Nederland. Van de «hoogst ingedeelde» Ambassades en Consulaten kunnen bedrijven de meest uitgebreide dienstverlening verwachten. De dienstverlening, die bij de toegekende indeling hoort, is inmiddels op hoofdlijnen in kaart gebracht. Hierbij is rekening gehouden met het soort markt: d.w.z. moeilijk toegankelijk of juist relatief makkelijk. Aan de precieze uitvoering en uniformiteit bij de interpretatie van deze richtlijnen voor de posten, wordt momenteel nog verder gewerkt. Concreet betreft dit het opstellen van een duidelijk begrippenkader (zodat over geleverde diensten geen misverstanden kunnen ontstaan), het uniformeren van het niveau van dienstverlening1 binnen een land (indien er meerdere diplomatieke posten zijn) en het uniformeren van de aansturing van de diplomatieke posten op het gebied van handelsbevordering vanuit Den Haag (EVD). Aan alle partijen moet tenslotte duidelijk zijn waar de (zgn. eerstelijns) dienstverlening van de overheid – hier de posten – ophoudt en waar marktpartijen de gevraagde dienstverlening aanbieden. Tenslotte wordt gewerkt aan een betere ondersteuning van diplomaten door de communicatienetwerken te verbeteren en door het aanbieden van geautomatiseerde systemen voor handelsbemiddeling.

Het kabinet deelt de mening van de WRR dat voldoende aandacht voor handelsvaardigheden in het onderwijs van belang is. De WRR stipt in haar aanbevelingen verschillende aspecten aan. Het kabinet is van mening dat het oprichten van een internationaal opleidingsinstituut op het gebied van de handel op dit moment geen prioriteit heeft. In meer algemene zin is handelskennis op zich reeds voorhanden in diverse commercieel gerichte opleidingen. Wel is versterking van de internationale positionering van het hoger onderwijs wenselijk. Van belang daarbij is dat inzicht bestaat in waar Nederland sterk in is, zodat de focus niet slechts ligt op Nederland Handelsland maar er ook aandacht is voor Nederland Kennisland. Een verbetering in het samenspel tussen enerzijds onderwijsaanbieders en arbeidsmarkt en anderzijds een versterking van de internationale positionering van het Nederlandse onderwijs (op zowel HBO- als WO-niveau) juicht het kabinet dan ook zeer toe.

Dat zal zeker bijdragen tot algemene kennisversterking en versterking van het Handelsmerk Nederland, die de WRR met haar aanbeveling voor ogen heeft. Het kabinet ziet vooral meerwaarde in de versterking van handelskennis en kennis van vreemde talen en culturen binnen de curricula van het middelbaar (beroeps)onderwijs. Juist die opleidingen zullen de toekomstige werknemers van internationaal ondernemende bedrijven leveren, vooral daar waar het om MKB-bedrijven gaat. Het kabinet zal de precieze mogelijkheden en behoeften nagaan en zal zich op dit punt nader beraden. Daarnaast onderschrijft het kabinet het belang voor Nederland van voldoende aandacht in het middelbaar onderwijs voor goede kennis van vreemde talen en zal daarom aandacht vragen bij kenniscentra beroepsonderwijs en de onderwijsinstellingen.

De WRR pleit in haar rapport voor het verstrekken van informatie over de kredietwaardigheid en betrouwbaarheid van potentiële Nederlandse handelspartners aan buitenlandse partijen. Ook neemt de Raad als een van de aanbevelingen aan de overheid op dat aan Nederlandse bedrijven de mogelijkheid moet worden geboden onverzekerde financiële risico's eenvoudig af te dekken. Het kabinet ziet in beide aanbevelingen een spanningsveld in de voorgestelde rol van de overheid t.o.v. marktpartijen en is van mening dat het huidige beleid de juiste rol van de overheid weerspiegelt.

Informatieverstrekking door de overheid over internationaal ondernemen heeft een generiek karakter. Het is naar de mening van het kabinet niet aan de overheid om een waardeoordeel te verstrekken over specifieke bedrijven of aangelegenheden. Bovendien voorziet de particuliere sector reeds in deze vorm van informatieverstrekking. Een groot aantal financiële instellingen en gespecialiseerde bedrijven biedt specifieke informatie over internationaal ondernemen aan tegen betaling.

Een soortgelijke omstandigheid geldt voor het verzekeren van risico's verbonden aan internationaal ondernemen (politieke en commerciële risico's). Voor de particuliere markt is het (her)verzekeren van politieke en grote commerciële risico's moeilijk vanwege het beperkte aantal transacties en de lange krediettermijnen die vooral bij kapitaalgoederen en uitvoeringswerken veel voorkomen. Hier is dan ook sprake van samenwerking tussen markt en overheid: de meest voorkomende risico's (zowel politiek als commercieel) worden door de particuliere markt verzekerd. Alleen bepaalde politieke en commerciële risico's, die de markt niet kan dragen, worden door de overheid herverzekerd.

Het kabinet onderschrijft volledig het door de WRR benadrukte belang van multinationale ondernemingen voor het groeivermogen van de Nederlandse economie en de Nederlandse handelspositie. Binnen het Ministerie van Economische Zaken is het Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland, onderdeel van het DG Ondernemingsklimaat, verantwoordelijk voor het aantrekken van buitenlandse investeringen. Voor het aantrekken en behouden van multinationaal opererende ondernemingen is het inderdaad zaak dat Nederland kan beschikken over een aantrekkelijk vestigingsklimaat, ook waar het sociale en culturele aspecten van het investeringsklimaat in Nederland betreft. Hieraan wordt dan ook door het Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland binnen het Ministerie van Economische Zaken ruim aandacht besteed. Het kabinet herkent zich zeker in de door de WRR genoemde sociaal-culturele elementen van het vestigingsklimaat en ziet binnen het huidige beleid zeker ruimte voor verdere accenten. Inzake de door de WRR genoemde procedures voor toelating van hoogwaardige buitenlandse kenniswerkers merkt het kabinet op dat de procedures recent reeds zijn versoepeld. De hoogte van de leges voor de verblijfsvergunningen van buitenlandse kenniswerkers blijft een punt van aandacht, aangezien verlaging hiervan budgettaire consequenties heeft.

De WRR doet enkele aanbevelingen op juridisch gebied en het gebruik van de Engelse taal. Dit betreft onder meer het creëren van de mogelijkheid om in Nederland in het Engels te contracteren en te procederen.

Het kabinet merkt op dat de mogelijkheid al bestaat om te contracteren in het Engels. De keuze van de taal van het contract is immers aan de contracterende partijen zelf.

Dit geldt niet voor procederen. Het kabinet vindt de aanbeveling van de WRR om het in Nederland mogelijk te maken om in het Engels te procederen, interessant. Bij Nederlandse handelszaken is het uitgangspunt dat in de Nederlandse taal wordt geprocedeerd. Denkbaar is dat daardoor buitenlandse procespartijen onder omstandigheden bepaalde belemmeringen ondervinden. In de praktijk wordt bijvoorbeeld bij de rechtbanken Amsterdam en Rotterdam een praktische oplossing gevonden; bijvoorbeeld communicatie zonder tolkenbijstand of comparities en enquêtes in het Engels. Het Ministerie van Economische Zaken zal bij het bedrijfsleven peilen in hoeverre het belemmeringen ondervindt of verwacht als gevolg van de huidige omstandigheden. Aan de hand van de resultaten wordt vervolgens bezien of er aanleiding is voor nadere maatregelen.

De WRR formuleert eveneens specifieke aanbevelingen ten aanzien van ICT-ontwikkelingen en e-commerce. Het kabinet deelt de opvatting van de WRR dat het belangrijk is om alert in te spelen op de snelle ontwikkelingen die zich in deze sector voordoen. Omdat het relatief nieuwe ontwikkelingen betreft, is er met name aandacht voor het creëren van goede randvoorwaarden1. Ervaring leert dat de overheid, maar ook de private partijen tijd nodig hebben om de nieuwe ontwikkelingen voldoende te kunnen overzien. Online geschillenbeslechting bijvoorbeeld, iets wat het optimaliseren van e-commerce zou stimuleren, wordt door de overheid inmiddels ondersteund. Private initiatieven op dit terrein blijven vooralsnog achter. Een ander voorbeeld is het kwaliteitskeurmerk voor elektronische handel. Het kabinet beschouwt dit als iets wat in principe een taak voor marktpartijenmoet zijn. In andere landen zijn dergelijke initiatieven vooralsnog niet heel succesvol geweest. Overigens deelt het kabinet de mening van de WRR – dat, hoe belangrijk ook – het maximaal wegnemen van juridische belemmeringen en onvolkomenheden niet automatisch inhoudt dat de vertrouwensbasis voor het totstandkomen van een handelstransactie gewaarborgd is. Tenslotte is het hier relevant te vermelden dat het Ministerie van Economische Zaken op vele manieren ondersteuning geeft aan het bedrijfsleven daar waar het gaat om innovatie, kennisoverdracht en technologie. Ook ICT is– direct dan wel indirect – onderdeel van diverse regelingen. Deze regelingen zijn vanzelfsprekend aan reguliere evaluatie onderworpen en worden aan de hand van nieuw ontwikkelingen op dit terrein geactualiseerd.

Concluderend

Het kabinet onderschrijft de algemene conclusie van het WRR rapport dat structurele aandacht voor de transactiekosten van de handel van belang is voor de toekomstige Nederlandse handelspositie en de groei van de Nederlandse economie in het algemeen. Het kabinet concludeert daarom dat er in aanvulling op het huidige beleid, ruimte is voor verdere aanscherping van het handelsbevorderende beleid. Op grond van dit rapport en de geformuleerde aanbevelingen volgt hieruit voor het kabinet een aantal aandachtspunten dat actief ter hand zal worden genomen of reeds is genomen. In het bijzonder zijn de volgende acties daarbij relevant. Op 23 oktober gaat de Campagne Internationaal Ondernemen van start, waarbij de focus ligt op zakendoen in Europa door het (startende) MKB. Als onderdeel van deze campagne zal de Staatssecretaris van Economische Zaken alle toetredende nieuwe lidstaten bezoeken. Verder blijft nadere stroomlijning en transparantie van de rol van de overheid cruciaal bij ondersteuning en informatievoorziening op het gebied van internationaal ondernemen. In dit verband is de samenvoeging in 2004 van EVD en Senter Internationaal tot één agentschap voor internationaal ondernemen een belangrijke stap.

Het kabinet neemt verder notie van de door de WRR genoemde terreinen voor mogelijke vervolgonderzoeken. De WRR noemt hierbij nader onderzoek naar de bijdrage van wederuitvoer aan de Nederlandse welvaart, naar de precieze samenstelling van het exportpakket en naar de factoren die goed handelaarschap bepalen. Het kabinet neemt met graagte kennis van onderzoeksresultaten die een wetenschappelijke onderbouwing bieden voor verdere beleidsontwikkeling. Dit draagt bij aan het maken van scherpe en adequate beleidskeuzes.

Het kabinet dankt de WRR nogmaals voor het uitgevoerde onderzoek en de onderbouwing en aanbevelingen die dit rapport biedt aan het beleid op het gebied van Internationaal Ondernemen in het bijzonder.


XNoot
1

In het rapport gedefinieerd als de gevolgen van ICT voor de handel.

XNoot
1

Internationale handel als resultaat van specialisatie van landen op grond van comparatieve voordelen bij de productie van goederen.

XNoot
1

Evenals het belang dat er aan wordt gehecht.

XNoot
1

Wat overigens niet wil zeggen dat op dit gebied meer geregeld zou moeten worden dan op het gebied van de «traditionele» handel.