Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2003-2004
Kamerstuk 29200-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 25 september 2003



29 200 XIII
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2004

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel2
 Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)2
 Wetsartikel 2 (agentschappen)2
   
B.De begrotingstoelichting3
  1. Leeswijzer4
  2. Het beleid8
    2.1. Beleidsagenda8
    2.2. Beleidsartikelen26
    2.3. Niet-beleidsartikelen177
  3. Bedrijfsvoering180
  4. Agentschappen184
  5. Verdiepingsbijlage237
  6. Bijlage wettelijke grondslag voor subsidieverlening266
  7. Bijlage inzake ZBO's en RWT's269
  8. Bijlage moties en toezeggingen270
  9. Lijst van afkortingen285
 10. Trefwoordenregister 291

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken voor het jaar 2004 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2004. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2004.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2004 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (agentschappen)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en kapitaaluitgaven en ontvangsten van de agentschappen Senter, EVD, Bureau I.E., Telecom en het tijdelijk agentschap Novem voor het jaar 2004 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B van deze memorie van toelichting.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst

B. BEGROTINGSTOELICHTING

De toelichting bij de EZ-begroting 2004 kent de volgende opbouw.

1. Leeswijzer

2. Het beleid

2.1 De Beleidsagenda

2.2 Beleidsartikelen

1. Werking binnenlandse markten

2. Bevorderen van innovatiekracht

3. Bevorderen ondernemingsklimaat

4. Doelmatige en duurzame energiehuishouding

5. Buitenlandse economische betrekkingen

6. Vitale belangen ten tijde van crisis

7. Beheer bodemschatten

8. Economische analyses en prognoses

9. Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

10. Excellente informatie- en communicatienetwerken en -technologie

2.3 Niet-beleidsartikelen

21. Algemeen

22. Nominaal en onvoorzien

23. Afwikkeling oude verplichtingen

3. De bedrijfsvoering

4. Agentschappen

• Senter

• Economische Voorlichtingsdienst (EVD)

• Bureau voor het Industriële Eigendom (Bureau I.E.)

• Novem

• Telecom

5. Verdiepingsbijlage

6. Bijlage subsidies instituten

7. Bijlage inzake ZBO's en RWT's

8. Bijlage moties en toezeggingen

9. Lijst van afkortingen

10. Trefwoordenregister

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

1. Resultaatverantwoordelijkheid versus systeemverantwoordelijkheid

2. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

3. VBTB-paragrafen

4. Evaluatiebeleid

5. Aanpassing van operationele doelen

6. Toerekening van apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen

7. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

1. Resultaatverantwoordelijkheid versus systeemverantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het realiseren van duurzame economische groei. Voor een goede werking van de economie is het nodig dat private partijen binnen bepaalde randvoorwaarden hun gang kunnen gaan. EZ werkt als een katalysator die de (potentiële) economische groei moet voortstuwen. Op het gebied van marktwerking, kennis- en innovatiebeleid, ondernemingsklimaat en het economische buitenlandbeleid is EZ slechts één van de relevante partijen. Ook worden ontwikkelingen op die gebieden voortdurend door externe factoren beïnvloed. De eigen sturing op de mate van doelbereik is hierdoor beperkt. Gelet op het voorwaardenscheppende karakter van het beleid, is er sprake van een systeemverantwoordelijkheid voor de Minister van EZ. Dit betekent dat het accent bij de verantwoording komt te liggen op de wijze waarop EZ invulling heeft gegeven aan de inrichting van het «beleidssysteem». Uiteraard gebeurt dit nadrukkelijk in de context van de beleidsresultaten. Zoals bijvoorbeeld bij beleidsartikel 2 Bevordering van innovatiekracht, waar effectindicatoren zijn gedefinieerd. De ontwikkeling die in deze indicatoren optreedt, is van belang voor de inrichting van het Dynamisch innovatiesysteem, waarvan het beleidsinstrumentarium van EZ een onderdeel is.

2. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Bij de beleidsartikelen zijn de veronderstellingen ten aanzien van effectbereik verwerkt in de beleidscontext en niet in een aparte paragraaf. In de meeste gevallen zou bij het vermelden van de veronderstellingen in een aparte paragraaf de beleidscontext ontbreken die juist nodig is om de veronderstellingen goed te kunnen plaatsen en beoordelen.

In algemene zin geldt dat de mate van doelbereik ten aanzien van de centrale EZ-doelstelling, te weten de bevordering van duurzame economische groei, afhankelijk is van vele factoren. De internationale conjunctuur is één van die factoren die bij nagenoeg alle beleidsartikelen een belangrijke rol speelt. In de toelichting op de beleidsartikelen is op meer specifieke factoren ingegaan. Voorts zijn bij een aantal beleidsartikelen en in de paragrafen inzake de baten-lastendiensten gegevens opgenomen die indicatief zijn voor doelmatigheid en raming. Zo zijn per beleidsartikel de personele uitgaven gespecificeerd naar de «P en Q»-componenten. De programma-uitgaven zijn niet gespecificeerd naar «P en Q», omdat deze componenten van de raming geen stuurvariabelen zijn.

3. VBTB-paragrafen

In de EZ-begroting van vorig jaar (2003) waren in de VBTB-paragrafen bij de beleidsartikelen diverse elementen opgenomen waarbij een reëel perspectief bestond op verbeteringen in het kader van de VBTB-begroting. Bij de voorbereiding van de begroting 2004 is getracht deze verbeterpunten zo goed mogelijk in te vullen. Daar waar verbeterpunten zijn ingevuld, wordt dit in de beleidsartikelen aangegeven. Bij enkele verbeterpunten uit de begroting 2003 is in de begroting 2004 weliswaar sprake van voortgang, maar nog niet van volledige invulling. De voortgang op die punten wordt vermeld in de VBTB-paragrafen van deze begroting. In de VBTB-paragrafen worden uiteraard ook de nieuwe verbeterpunten gemeld die bij de voorbereiding van deze begroting naar voren zijn gekomen.

Niet alle beleidsdoelstellingen kunnen integraal volgens de VBTB-theorie worden uitgewerkt. Zo is de invloed van beleidsinstrumenten in termen van maatschappelijk effect in een aantal gevallen niet exact of soms moeilijk meetbaar. Ook komt het voor dat de maatschappelijke effecten van beleidsmaatregelen pas jaren na de implementatie van het beleid hun beslag krijgen. Een door EZ geïnitieerde internationale studie naar effectmeting op het gebied van het innovatiebeleid heeft een aantal van deze beperkingen ten aanzien van effectmeting duidelijk gemaakt. In de praktijk blijkt het vaak ook moeilijk om specifieke interventietaken geheel in VBTB-termen te gieten. Dit is bijvoorbeeld merkbaar bij de doelstelling gericht op de vervolmaking van de Europese interne markt (beleidsartikel 5). De eigen sturing op de mate van doelbereik is op dit gebied zeer beperkt.

De begroting 2004 is de laatste begroting die een VBTB-paragraaf heeft.

4. Aanpassing van operationele doelen

De begroting is een weerspiegeling van het beleid. Het beleid is dynamisch en wordt aangepast op grond van nieuwe inzichten en prioriteitstellingen en/of gewijzigde externe omstandigheden. In dat kader zijn in de begroting 2004 bij diverse beleidsartikelen operationele doelstellingen gewijzigd, samengevoegd of toegevoegd. Deze wijzigingen beogen het VBTB-gehalte van de EZ-begroting te vergroten, onder andere door operationele doelstellingen en het daaronder vallende beleid beter op elkaar te laten aansluiten. Het gaat om de volgende wijzigingen.

Beleidsartikel 1: EZ beoogt in haar marktwerkingsbeleid meer aandacht te geven aan de positie van de consument. Bovendien heeft het verlagen van de administratieve lasten een hogere prioriteit gekregen. De verdeling van de beleidsterreinen over de operationele doelen van artikel 1 is daarop afgestemd. Er zijn twee operationele doelen samengevoegd en er is een nieuw operationeel doel toegevoegd. De formulering van de operationele doelen is ook gewijzigd.

Beleidsartikel 2 en 10: Het ICT-beleid van beleidsartikel 2 (Innovatie) is overgeheveld naar beleidsartikel 10 (Excellente informatie- en communicatienetwerken en -technologie). Het doel hiervan is invulling te geven aan de wens tot meer samenhang in het ICT-beleid, hetgeen met de overheveling in 2002 van het DG Telecommunicatie- en postmarkt van VenW naar EZ werd beoogd.

Beleidsartikel 4: De publieke belangen ten aanzien van energie (met uitzondering van het beheer bodemschatten) zijn in één begrotingsartikel ondergebracht. Twee operationele doelen zijn toegevoegd: Voorzieningszekerheid en leveringszekerheid (operationeel doel 4.2.1) en Onderzoek en transitie (operationeel doel 4.2.5). De operationele doelen voor energie-efficiëntieverbetering en duurzame energie (waaronder nu ook groene markt) zijn gehandhaafd. Het operationele doel ten aanzien van CO2-reductie is aangescherpt.

Beleidsartikel 7: Dit beleidsartikel kent voortaan één operationeel doel in plaats van vier. De operationalisering van de algemene doelstelling sluit hierdoor beter aan bij het beleid. Aan de doelstelling zijn prestatie-indicatoren gekoppeld. Voorheen kende dit artikel deze niet.

In de verdiepingsbijlage wordt per artikel nader op alle wijzigingen ingegaan.

5. Evaluatiebeleid

De Ministeriële Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid (RPE) van het Ministerie van Financiën stelt een aantal eisen aan de inrichting van systemen van prestatiegegevens en evaluatieonderzoek. Binnen EZ is deze regeling geïmplementeerd, waarbij het evaluatiebeleid van EZ is vernieuwd in lijn met de RPE. In hoofdlijn bevat het EZ-evaluatiebeleid de volgende elementen:

• Er is een procedure voor de programmering, het beheer en de melding van resultaten van evaluatieonderzoeken.

• Aanvullend op de huidige evaluatie van individuele beleidsinstrumenten zullen de operationele beleidsdoelen periodiek worden geëvalueerd. Bezien zal worden in hoeverre aanvullende evaluaties van algemene doelen noodzakelijk zijn. Hiermee zijn de beleidsdoelen en instrumenten uit de begroting van EZ, conform de RPE, afgedekt met evaluatie-instrumenten.

• Er is een procedure voor de afweging ten aanzien van ex-ante evaluatieonderzoek bij nieuw beleid of wijziging van bestaande beleidsdoelen en/of beleidsinstrumenten.

• Er is een procedure opgesteld voor de uitvoering van ex-post evaluatieonderzoek.

• Ter waarborging van de kwaliteit van evaluatieonderzoek is een aantal checks and balances vastgesteld, zoals het hanteren van het instrument van de begeleidingscommissie en een jaarlijkse audit door de Auditdienst van (onderdelen van) de evaluatiefunctie.

• Alle opzetten van evaluatieonderzoek worden getoetst aan de criteria van de RPE.

• Er is een procedure waarmee de betrouwbaarheid, validiteit en bruikbaarheid van alle in de begroting opgenomen prestatiegegevens wordt geoptimaliseerd. Tevens zijn spelregels opgesteld voor zowel het beheer als de actualisatie van de huidige prestatiegegevens als het ontwikkelen van nieuwe prestatiegegevens.

• De implementatie en werking van de RPE binnen EZ zullen in 2004 worden geëvalueerd.

Bij de beleidsartikelen is de programmering van de evaluaties van de operationele doelen opgenomen in een aparte evaluatieparagraaf. De integrale evaluatieplanning van EZ (inclusief de evaluaties van individuele instrumenten) is opgenomen in het rijksbrede evaluatieoverzicht van het Ministerie van Financiën. Resultaten van afgeronde evaluatieonderzoeken zijn vermeld bij de desbetreffende beleidsartikelen.

6. Toerekening van apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen

De personele uitgaven van het kernministerie EZ die direct verband houden met beleidsuitgaven worden verbijzonderd naar de betreffende artikelen. De personele uitgaven voor de Directoraten-Generaal die onder het kernministerie vallen, zijn geraamd bij de beleidsartikelen 1 tot en met 7, alsmede beleidsartikel 10. De personele uitgaven zijn geraamd op basis van de formatieve sterkte en de gemiddelde loonsom. Als verdeelsleutel is het aantal fte's per beleidsartikel gehanteerd.

De in dit opzicht als indirect te beschouwen personele uitgaven van het kernministerie (algemene leiding, stafdirecties) worden geraamd op artikel 21 Algemeen. De materiële uitgaven van het kernministerie en de overige apparaatsuitgaven worden eveneens geraamd op artikel 21 Algemeen. Er heeft geen toerekening van deze uitgaven aan de beleidsartikelen plaatsgevonden.

Voor de diensten van EZ (NMa/DTe, SodM, CPB) geldt dat de integrale apparaatsuitgaven geraamd zijn op de betreffende beleidsartikelen (respectievelijk de artikelen 1, 7 en 8). Voor de ZBO's van EZ zijn de apparaatuitgaven geraamd op artikel 9 (CBS) en artikel 10 (OPTA).

Voor de baten-lastendiensten (Senter, Novem, EVD, Bureau I.E. en Telecom) geldt een ander regime. De vergoedingen van EZ aan deze baten-lastendiensten worden geraamd op de beleidsmatig daarvoor in aanmerking komende artikelen. De paragrafen inzake de batenlastendiensten geven inzicht in de apparaatsuitgaven van Senter, Novem, EVD, Bureau I.E. en Telecom.

7. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

In afwijking van de voorschriften specificeert EZ bij de beleidsartikelen de verplichtingenramingen in plaats van de uitgavenramingen, omdat de verplichtingenramingen op het niveau van de artikelen het meeste inzicht geven in het actuele beleid. Beleidsbeslissingen, zoals het introduceren of het beëindigen van subsidieregelingen zijn in de verplichtingenramingen immers direct traceerbaar. Vanwege de doorlooptijden en betalingsschema's van subsidies, bieden de uitgavenramingen in dat opzicht minder informatie. Overigens bevat de verdiepingsbijlage wel een specificatie van de uitgavenramingen naar operationeel doel.

Daarnaast zijn de bedragen in de budgettaire paragraaf van de beleidsartikelen uit oogpunt van presentatie uitgedrukt in miljoenen, in plaats van in duizenden.

2. HET BELEID

2.1 BELEIDSAGENDA

Inleiding

De huidige problemen van de Nederlandse economie zijn niet alleen conjunctureel, maar in belangrijke mate structureel van aard. Nog meer dan voorheen moet het beleid zich richten op die factoren die het groeivermogen van de Nederlandse economie versterken: innovatie, dynamiek en ondernemerschap. Maar dat is niet genoeg. Om de aansluiting bij de top van Europa te hervinden, moet er ook binnen deze prioriteiten gekozen worden. Daarbij wordt het (lange termijn) belang van de consument centraal gesteld. Tegelijkertijd moeten we nog meer dan voorheen oog hebben voor de internationale en duurzaamheidaspecten van het economisch beleid. De voortgaande Europese integratie, de aanstaande uitbreiding van de EU en de ambities van Lissabon dwingen ons hiertoe. Op deze manier kunnen we weer perspectief krijgen op een duurzame economische groei van 3%.

Conjuncturele ontwikkeling

Het kabinet begint de rit onder een somber economisch gesternte. Waren we aan het eind van de vorige eeuw gewend geraakt aan economische groeicijfers van 3 of zelfs 4%, momenteel verkeert Nederland duidelijk in een recessie. Daarnaast loopt de werkloosheid schrikbarend snel op (met 14 duizend personen per maand) en baren de overheidsfinanciën zorgen. We staan er slechter voor dan begin jaren '90 en wat betreft de snelle achteruitgang van de economische situatie roept het herinneringen op aan het begin van de jaren tachtig.

Vooral het bedrijfsleven heeft het zwaar te verduren. De industriële productie daalt sinds 2001 al acht achtereenvolgende kwartalen. De bedrijfsinvesteringen nemen inmiddels drie jaar op rij af met in totaal bijna 12%. De werkgelegenheid in de marktsector loopt dit jaar met 2% terug en voor komend jaar wordt een daling van nog eens 1¼% verwacht. Werkgevers zijn de afgelopen twee jaar relatief terughoudend geweest met het inkrimpen van personeelsbestanden, hetgeen resulteerde in een stagnerende ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. Tegelijkertijd zijn de loonkosten snel gestegen, waardoor de winsten onder druk zijn komen te staan. Nu het economisch herstel – en daardoor ook groei van productie en winst van bedrijven opnieuw vertraging lijkt op te lopen, zullen er naar verwachting in 2003 aanzienlijk meer banen verloren gaan dan in 2002. In de periode 2002–2004 gaan zo in totaal naar verwachting circa 180 duizend banen verloren.

Tot dusverre hebben zich nog maar weinig tekenen van spoedig herstel geopenbaard. Voor het tweede halfjaar van 2003 wordt verwacht dat de Nederlandse economie voorzichtig opkrabbelt.

Economisch structuur

Gedeeltelijk is de huidige economische malaise in Nederland het gevolg van een wereldwijde aanpassing na het economisch hoogtij van de late jaren '90. De haperende wereldhandel en de wereldwijde daling van de beurskoersen, hebben Nederland als kleine open economie zeker niet onberoerd gelaten.

Maar dat is niet het hele verhaal. Nederland doet het beduidend slechter dan andere landen die ook last hebben van de slechte wereldconjunctuur. De Nederlandse groei ligt dit jaar ruim 1%-punt onder het Europese gemiddelde. Met name de slechte concurrentiepositie speelt ons daarbij parten. In de afgelopen 5 jaar zijn de arbeidskosten per eenheid product in Nederland bijna 10% harder gestegen dan bij onze concurrenten. Dit had te maken met een zeer krappe arbeidsmarkt, een te trage reactie van de lonen op de sterke verslechtering van de economie en een achterblijvende productiviteitsgroei.

De problemen in Nederland zijn dus niet alleen conjunctureel van aard. De onderliggende structuur van de Nederlandse economie is zwakker dan we eind jaren negentig dachten. Achteraf gezien was het economische «wonder» van toen een combinatie van forse bestedingseffecten die gevoed werden door vermogensstijgingen op de aandelenbeurs en huizenmarkt, een sterke groei van het arbeidsaanbod en daaraan gekoppeld een tot 1997 volgehouden loonmatiging, en een «investeringshausse» die mede werd gevoed door de «ICT-boom». Met het wegvallen van de «bestedingsboom» en de appreciatie van de euro, komen de zwakheden van de Nederlandse economie nu duidelijk aan het licht. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat Nederland in internationale vergelijkingen in korte tijd is geduikeld van een land waar goed zaken te doen valt naar een middenmoter. In de Global Competitiveness Report van de World Economic Forum stond Nederland in 2000 nog op de derde plek. Dit jaar zijn we afgezakt tot de 15e plaats. Ook uit berekeningen van het CPB blijkt de verslechtering van het groeivermogen: terwijl in de jaren '90 de potentiële economische groei 2¾% bedroeg, is deze voor de huidige kabinetsperiode geschat op slechts 2%.

In de jaren '90 is er te lang door een «roze bril» naar de economische prestaties van Nederland gekeken, waardoor het leek alsof alles goed ging en ook vanzelf goed zou blijven gaan. Er was sprake van een zekere zelfgenoegzaamheid. Hierdoor zijn zwakheden over het hoofd gezien. Denk bijvoorbeeld aan de achterblijvende ouderenparticipatie, of aan het feit dat de overheid haar overschotten op de begroting te snel weer uitgaf. Die zelfgenoegzaamheid heeft zich niet beperkt tot de overheid, ook in het bedrijfsleven en bij investeerders was deze merkbaar. Rode cijfers leken haast geen belemmering te zijn voor hoge beurskoersen. Nu de roze bril is afgedaan, wordt de werkelijkheid zichtbaar. En deze werkelijkheid dwingt ons tot een mentaliteitsverandering: zelfgenoegzaamheid moet plaats maken voor snelheid en daadkracht. Het wegnemen van zelfgenoegzaamheid moet ertoe leiden dat niet alleen personen, maar ook ondernemingen, organisaties en ook de overheid een veel reëler beeld krijgen van hun rechten en plichten. Zonder overigens de roze bril weer in te wisselen voor zijn tegenhanger, namelijk zwartgalligheid. We moeten naar de feiten blijven kijken en naar de snelle veranderingen om ons heen. De overheid moet met duidelijke doelstellingen en een heldere prioriteitsstelling tot concrete acties overgaan.

Wat nu te doen?

De vraag dringt zich op wat de overheid aan deze verslechterende economische situatie kan doen. De economie kent een golfbeweging, waar de overheid slechts een beperkte invloed op heeft. Slechte ervaringen uit het verleden hebben ons geleerd om zeer bescheiden te zijn in het voeren van actief conjunctuurbeleid. Toch staat de overheid niet met lege handen. Weliswaar is het monetaire beleid gecentraliseerd met de totstandkoming van de EMU en de introductie van de euro en wordt het budgettaire beleid ingekaderd door de afspraken die in Europees verband zijn gemaakt in het Stabiliteits- en Groeipact, maar dat wil niet zeggen dat er geen beleid gevoerd kan worden om de economie meer schokbestendig te maken. Allereerst biedt het Stabiliteits- en Groeipact de ruimte om de automatische stabilisatoren te laten werken. Zeker wanneer in goede tijden in voldoende mate wordt gespaard, is het mogelijk om in laagconjunctuur de budgettaire teugels wat los te laten. Daarnaast wordt de economie schokbestendiger door structuurversterkende maatregelen te nemen, zoals het beter laten functioneren van markten. Op goed functionerende markten passen prijzen zich snel aan de gewijzigde situatie aan. Bij de productmarkten wordt dit bevorderd door de concurrentie en dynamiek te vergroten. De constatering dat de«remweg» van de lonen in Nederland minstens twee jaar duurde, wijst er echter op dat de Nederlandse arbeidsmarkt nog verre van flexibel is. Deze inflexibiliteit zorgt in het bedrijfsleven ervoor dat de lonen zich onvoldoende aanpassen en de werkloosheid meer dan nodig oploopt. Het vergt vervolgens een moeizame en langdurige aanpassing om deze nieuwe werklozen later weer aan een baan te helpen.

Terug naar de top

Het beleid van de overheid moet zich vooral richten op structuurversterkende maatregelen die het economische groeivermogen vergroten. Daarmee kan de welvaart groeien en blijft voldoende draagvlak bestaan voor de collectieve sector (bijv. veiligheid, zorg en onderwijs). Herstel van het groeivermogen vraagt om beleid gericht op het vergroten van zowel de arbeidsparticipatie als de productiviteitsgroei. Een toename van de arbeidsparticipatie kan worden bewerkstelligd door de lastendruk op arbeid te verlagen en door hervorming van sociale zekerheidsregelingen. De hogere groei van de productiviteit vraagt om een aantrekkelijker ondernemingsklimaat, zowel voor bestaande als nieuwe ondernemingen. De overheid vergroot de dynamiek in de private sector door innovatie te stimuleren, de administratieve lastendruk te verlagen, onnodige en tegenstrijdige regelgeving tegen te gaan, en andere knelpunten (zoals de slechte bereikbaarheid) te slechten.

Europa geldt daarbij als referentiekader. Zoals het Stabiliteits- en Groeipact momenteel het kader is voor het begrotingsbeleid, moeten de Globale Richtsnoeren en de landenspecifieke aanbevelingen dat nadrukkelijker zijn bij het economisch beleid. Tijdens de Europese top in Lissabon in 2000 heeft de Europese Unie zichzelf ten doel gesteld om in 2010 de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie ter wereld te worden, die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. We zitten inmiddels op eenderde van het tijdschema, maar met het huidige tempo waarin de EU structurele aanpassingen doorvoert lijkt het er niet op dat we deze ambitie gaan realiseren. Een nieuwe impuls is nodig. Dit betekent dat we in Europa hardere afspraken moeten maken over de implementatie en dat we die afspraken ook nauwgezet moeten naleven. Gezien het feit dat driekwart van de acties die nodig zijn om de Lissabon-doelstellingen te halen door de nationale overheden zelf gerealiseerd moeten worden, is «peer pressure» en monitoring belangrijk. Hier is een bijzondere rol voor de EU Raad voor het Concurrentievermogen weggelegd.

In eigen land moeten we ook werken aan ons groeivermogen. In het kennismakingsgesprek tussen het kabinet en de sociale partners is daarom afgesproken dat EZ een agenda zal opstellen om de economische groei en productiviteit van Nederland te versterken. Een gezamenlijke aanpak is hierbij nodig omdat het om een breed palet aan maatregelen gaat die zowel de verantwoordelijkheid van het gehele kabinet zijn, als op het terrein liggen van de sociale partners zelf. Daarnaast richt het kabinet op het gebied van onderzoek en innovatie een Innovatieplatform op waarin – onder leiding van de minister-president – gezaghebbende personen uit het bedrijfsleven en de publieke kennisinstellingen concrete plannen gaan uitwerken. Ten slotte heeft EZ als coördinerend ministerie voor ICT-beleid een bijzondere rol in het beleid om door middel van ICT de productiviteit te vergroten.

Maar er is meer nodig. Om echt iets te veranderen, om meer dynamiek en creativiteit los te maken en om de Nederlandse economische motor weer te laten draaien, is een breuk in het beleid nodig. Daarbij moet meer dan in het verleden gekòzen worden. Een relatief klein land als Nederland kan niet op elk gebied excelleren. Om zijn slagkracht en concurrentiekracht te vergroten moet Nederland strategische keuzes maken. Leidend hierbij is het streven naar vernieuwing, kwaliteit en excellentie. Alleen hierdoor kan de Nederlandse economie weer terug aan de top komen.

EZ kiest voor de volgende prioriteiten:

1. Kenniseconomie en innovatie

2. Concurrentie en dynamiek

3. Ruimte om te ondernemen

Ook binnen deze prioriteiten zal EZ nadrukkelijker gaan kiezen. Zo zal EZ zich concentreren op strategische onderzoeksgebieden die van groot belang zijn voor de innovatiekracht van Nederland, gaat EZ haar gebiedsgerichte instrumenten specifiek inzetten op economische perspectieven en kiest EZ bij het beleid gericht op internationaal ondernemen scherper voor die landen die Nederland het meest te bieden hebben in termen van exportkansen en innovatie. Deze scherpere keuzes weerspiegelen zich ook in de aanwending van de intensiveringen en de invulling van de ombuigingstaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord. Bij de invulling van de ombuigingen is er bewust voor gekozen om geen «kaasschaaf» toe te passen. Dit betekent dat er keuzes moesten worden gemaakt, die soms pijnlijk zijn. Bij het innovatiebeleid is ervoor gekozen om niet op de strategische onderzoeksgebieden te bezuinigen, maar om in 2007 het budget voor internationale ruimtevaart met circa een vijfde terug te brengen. In het ruimtelijk economisch beleid wordt bezuinigd op de centrale Investeringspremieregeling. Deze regeling is van kracht in de steungebieden in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland. Door te kiezen voor deze bezuiniging blijven het budget voor de stadseconomie en het budget voor bedrijventerreinen intact.

Duurzaamheid en de internationale dimensie krijgen in alle beleidsdossiers prominent aandacht. Het gaat hierbij niet zozeer om zelfstandige beleidsterreinen, maar om invalshoeken van waaruit ieder beleidsterrein bekeken moet worden. Het streven naar duurzame economische ontwikkeling vraagt om een zorgvuldige en transparante afweging tussen economische, sociale en milieudoelen. Deze afweging zal EZ nadrukkelijker in haar beleid naar voren brengen. Nederland kent van oudsher een relatief energie-intensieve industrie en kent daarmee een grote uitdaging op het terrein van duurzaamheid. Uitgangspunt van het beleid is om via generieke instrumenten (benchmark convenanten, REB, stimuleringsregelingen voor energiebesparing en energiebesparende technologieën, CO2-emissiehandel en de transitie naar een duurzame energiehuishouding) te bevorderen dat de Nederlandse industrie tot de meest duurzame van de Europese Unie wordt. In het in 2004 uit te brengen Energierapport zal hierop nader worden ingegaan. Zowel de wisselwerking tussen gehanteerde instrumenten als de afweging van de te bereiken doelen komen daarbij aan de orde. Tegelijkertijd is EZ verantwoordelijk voor een aantal beleidsterreinen waarin duurzaamheid centraal staat. Zo richt EZ zich op het stimuleren van maatschappelijk verantwoord ondernemen, de herstructurering en duurzame aanleg van bedrijventerreinen en een verbeterde integratie van ontwikkelingslanden binnen het wereldhandelstelsel. Daarnaast speelt duurzaamheid een belangrijke rol bij de keuze van sleuteltechnologieën in het innovatiebeleid.

De tweede invalshoek is de internationale dimensie en daarbinnen met name de Europese Unie. Europa heeft tot nu toe van de Nederlandse politiek niet de aandacht gekregen die het verdient. Door nog teveel mensen wordt de Unie gezien als iets technocratisch of zelfs een bedreiging, terwijl de kansen te weinig worden onderkend. Die kansen liggen zowel bij het gezamenlijk aanpakken van grensoverschrijdende problemen (veiligheid, migratie, klimaatverandering), als in het vergemakkelijken van het vrije verkeer van goederen, personen en diensten tussen de lidstaten, waardoor de welvaart en werkgelegenheid toenemen. Zeker voor een open economie als die van Nederland, die in hoge mate verstrengeld is met de economie van andere Europese landen, is het van belang om verdere stappen te zetten naar een vergroting van de concurrentiekracht en het groeivermogen van de EU. Maar liefst 80% van onze export en ruim de helft van onze directe investeringen in het buitenland vindt plaats in de (aanstaande) EU-landen. Een sterke en dynamische Europese economie is dus van groot belang voor Nederland. Hier ligt nog een groot verbeterpotentieel voor de EU. Hiertoe is een actievere inbreng van Nederland in de Europese politiek nodig, en dus ook van EZ. De noodzaak van een actieve inbreng zal komend jaar alleen maar groter worden aangezien Nederland in de tweede helft van 2004 voorzitter is van de EU. Dit voorzitterschap vormt de eerste test case voor de effectiviteit van een uitgebreide Unie en tegelijkertijd zal dan een besluit moeten worden genomen over het al of niet starten van de onderhandelingen met Turkije. De contouren van de Nederlandse prioriteiten voor het voorzitterschap zijn opgenomen in de Staat van de Europese Unie 2004. EZ zal specifiek thema's die belangrijk zijn voor een duurzame economische groei hoog op de EU-agenda plaatsen. Belangrijke thema's uit het Hoofdlijnenakkoord als innovatie en terugdringing van de administratieve lasten zijn daarbij leidend. Concreet kan gedacht worden aan het organiseren van de Information Societies Technology Programme Conferentie over het innovatievermogen van de EU, de informele Raad voor Concurrentievermogen met als thema kennis en innovatie, het ijveren voor het oprichten van een Europese Actal, het creëren van een echte interne markt voor duurzame energie en het stimuleren van maatschappelijk verantwoord ondernemen in Europees kader.

De Europese Unie is op het terrein van economisch beleid onvoldoende besluitvaardig. Dit gaat ten koste van haar economische kracht. Het gebeurt nog te vaak dat lidstaten nationale korte termijn belangen voorop stellen en daarmee een meer optimale, Europese aanpak blokkeren. Zeker met de toetreding van tien nieuwe lidstaten per 1 mei 2004 moet hier snel een oplossing voor komen. De Intergouvernementele Conferentie (start a.s. oktober) dient dan ook een Europese Grondwet vast te stellen die de slagvaardigheid en het democratisch karakter van de Unie vergroot en daarmee de lange termijn stabiliteit van de Unie verankert. Het kabinet acht het van belang verdergaande meerderheidsbesluitvorming op verantwoorde manier vorm te geven tijdens de IGC. De IGC onderhandelt op basis van het voorstel van de Conventie voor een Europese Grondwet.

Hieronder worden de genoemde prioriteiten voor EZ ingevuld met concrete en nieuwe acties.

1: Kenniseconomie en innovatie

Nederland hanteert het in Europees verband afgesproken streven naar een Europees R&D-gemiddelde van 3% BBP als baken. De huidige inspanningen op R&D terrein voor Nederland liggen daar ruim onder (ca. 2% BBP). Met name de omvang van de private R&D-uitgaven blijf achter bij andere landen. Ook de investeringen in de ICT-sector staan in Nederland onder druk. Tegelijkertijd nemen de ons omringende landen extra maatregelen om innovatie te stimuleren. Hoewel er nog geen systematische verplaatsingen van R&D naar het buitenland zijn, vinden extra investeringen (met name in veelbelovende technologieën) in toenemende mate daar plaats. En er ontstaat een groeiend aantal internationale samenwerkingsverbanden, waar Nederland niet de boot mag missen. Aansluiting bij de Europese Onderzoek en Innovatie Ruimte, in het bijzonder bij de nieuwe instrumenten van het 6e EU Kaderprogramma (deze richten zich op integratie van onderzoeksinspanningen) is daarbij noodzakelijk.

Nederland moet één van de aantrekkelijkste kenniseconomieën worden om in te innoveren. Het kabinet trekt daarom voor onderwijs en kennis, ondanks de moeilijke budgettaire situatie, een aanzienlijk bedrag uit. De enveloppe «kennis: onderwijs en onderzoek» wordt op de volgende manier ingevuld: € 100 mln is beschikbaar voor de WBSO, € 515 mln. wordt toegevoegd aan de OCenW-begroting. De resterende € 185 mln. zijn bestemd voor de prioriteiten op het gebied van onderzoek en innovatie, te weten: kenniswerkers (waaronder béta en techniek, technostarters, focus en massa in het onderzoek en samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. Deze € 185 mln. wordt op een aanvullende post op de begroting van het Ministerie van Financiën geplaatst. Het Innovatieplaform zal worden geconsulteerd over de toewijzing van middelen aan deze prioriteiten. Maar geld alleen is niet genoeg. Ook is de vraag aan de orde wat bedrijfsleven en kennisinstellingen zelf kunnen bijdragen aan een groter innovatievermogen. Er is kortom behoefte aan een coherente strategie en de inzet van alle betrokken partijen. Om een impuls te geven aan innovatie als motor van de productiviteitsgroei en economische ontwikkeling heeft het kabinet daarom een Innovatieplatform opgericht onder leiding van de minister-president, waarin naast de ministers van EZ en OC&W gezaghebbende personen uit het bedrijfsleven en de kennisinfrastructuur plaats nemen. Met de inzichten die uit dit platform voortkomen, kan het kabinet zijn voordeel doen bij de formulering èn uitvoering van beleid inzake wetenschap en technologie. De huidige situatie én onze ambities vragen om vernieuwing in het beleid met als doel een innovatieklimaat te creëren waarin innoveren mogelijk is en ook loont. Dat beleid moet zich wat EZ betreft richten op de volgende speerpunten:

• Concentratie op strategische onderzoeksgebieden: het streven naar excellentie betekent dat EZ focus gaat aanbrengen in het aantal onderzoeksgebieden. Deze focus is nodig om voldoende massa te creëren om internationaal gezien verschil te kunnen maken. EZ gaat zich concentreren op die gebieden die van grote potentie zijn voor Nederland, zoals ICT-onderzoek, biotechnologie en energiebesparende technologieën. Gebieden die juist door marktpartijen en kennisinstellingen als potentieel zijn aangewezen. Over Life Sciences en ICT zal de Tweede Kamer nog dit jaar een beleidsagenda ontvangen met concrete nieuwe acties. Op het gebied van de Life Sciences gaat het dan bijvoorbeeld om het wegnemen van belemmeringen voor private risicokapitaal bij de zogenaamde «early stage investment», moderniseren van de wetgeving, versterken en verspreiden van nieuwe kennis en verbeteren van het vestigingsklimaat voor bedrijven.

• Bevorderen van technostarters: jonge innovatieve bedrijven dragen in belangrijke mate bij aan de productiviteitsgroei. Voorjaar 2004 zal het nieuwe gestroomlijnde technostartersbeleid, onder de naam TechnoPartner, van start gaan. TechnoPartner zal zich gaan richten op het verhogen van het aantal en de kwaliteit van technostarters. Daarnaast wordt de toegang voor technostarters tot de kapitaalmarkt verbeterd.

• Oplossen tekort aan technici: om het tekort aan goed opgeleid technisch personeel en onderzoekers op te lossen zal de overheid in samenwerking met bedrijfsleven en onderwijs- en onderzoeksinstellingen een breed scala aan maatregelen moeten nemen. In de nota Kenniswerkers die najaar 2003 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd staan als mogelijke maatregelen ondermeer genoemd het slechten van belemmeringen voor bèta- en technische opleidingen (bijv. via een bètabrugjaar voor leerlingen zonder exact profiel), het vergroten van de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het onderwijs, het bevorderen van de mobiliteit tussen publieke kennisinstellingen en bedrijven (bijv. door duale promotieplaatsen en uitwisseling van onderzoekers) en het vergemakkelijken van de toegang van kenniswerkers uit het buitenland (bijv. door spoedafhandeling van immigratieaanvragen voor kenniswerkers). Uiteraard zijn zaken als arbeidsvoorwaarden, scholing en Human Resource Manangement ook van groot belang bij het oplossen van het tekort aan bèta's, technici en onderzoekers. Hier hebben duidelijk werkgevers en vakbonden hun eigen verantwoordelijkheid. Streven is de te nemen maatregelen en verantwoordelijkheden in 2004 vast te leggen in een convenant Deltaplan Bèta/Techniek.

• ICT agenda: om een impuls te geven aan herstel van de economie en vergroting van de productiviteitsgroei, gaat EZ in samenwerking met andere departementen een ICT-agenda opstellen en uitvoeren. Deze agenda zal een breed palet aan acties beschrijven op het gebied van ICT-netwerken, toepassingen en randvoorwaarden. Zo zal onder meer het actieplan breedband worden uitgevoerd, stappen worden genomen om tot digitalisering en flexibilisering van tv- en radiofrequenties te komen, elektronische communicatie worden gestimuleerd door uitvoering van het actieplan e-Europe en ICT-coalities worden gesloten voor het slimmer benutten van ICT bij het oplossen van maatschappelijke problemen op het gebied van onderwijs, veiligheid, zorg en verkeer en vervoer.

Naast deze nieuwe speerpunten moeten de randvoorwaarden en het generieke beleid goed op orde zijn om innovatie in de marktsector te bevorderen. EZ pakt die uitdaging aan en neemt daarom de volgende acties:

• Transparant en toegankelijk instrumentarium: EZ vernieuwt haar instrumentarium brengt het terug van bijna 30 regelingen tot een zestal blokken. Daarnaast wordt het budget voor de WBSO met € 100 mln verhoogd om R&D met name bij het MKB, waaronder starters, te ondersteunen.

• Publieke kennis beter gebruiken: om dit te bewerkstelligen zal, in het kader van de dynamisering van de eerste geldstroom, voor die wetenschapsgebieden die dicht tegen de innovatieketen in bedrijven operereren (zoals de technische wetenschappen) toepasbaarheid van resultaten van onderzoek één van de aspecten zijn waarop de kwaliteit van het onderzoek wordt beoordeeld. In het wetenschapsbudget zullen daarvoor voorstellen worden gedaan. Om het gebruik van publieke kennis nog verder te vergroten dient het gebruik van octrooien door universiteiten te worden gestimuleerd. Hiertoe zal EZ samen met OCW en VSNU een experiment opzetten om het octrooibeleid binnen universiteiten te professionaliseren en de octrooikosten voor universiteiten te verlagen. Daarnaast zal het kabinet zich inzetten om de octrooikosten in Nederland te verlagen. In vergelijking met andere Europese landen zijn Nederlandse octrooien erg duur. Hier heeft met name het MKB last van.

• Versterken synergie tussen innovatie en internationaal ondernemen: internationaal economisch verkeer is gunstig voor de innovatiekracht. Export, import, directe investeringen in het buitenland en internationale mobiliteit van personen gaan gepaard met internationale kennisoverdrachten. Om hiervan beter te profiteren zal EZ meer innovatieve buitenlandse bedrijven aantrekken en het belang van kennis en innovatie centraler stellen in het buitenlandinstrumentarium.

2: Concurrentie en dynamiek

Goed functionerende goederen- en dienstenmarkten zijn cruciaal voor duurzame economische groei. Vanaf de jaren tachtig kunnen verschillende fasen in het marktwerkings- en ordeningsbeleid worden onderscheiden. In eerste instantie was het beleid gericht op het afstoten van overheidstaken die beter en goedkoper door bedrijven konden worden uitgevoerd. Hierdoor werd ondernemerschap in (semi-) publieke sectoren geïntroduceerd en gestimuleerd. Vanaf de jaren negentig kwam daar een ander aspect bij, namelijk het verbeteren van de concurrentie tussen aanbieders en het slechten van toetredingsbarrières. De nieuwe Mededingingswet en de oprichting van de NMa en de OPTA zijn de meest tastbare resultaten van het beleid uit deze fase.

Beide fasen hebben ertoe geleid dat consumenten nu een grotere keuzevrijheid hebben. Maar dat is niet genoeg gebleken. Te gemakkelijk is er tot nu toe van uitgegaan dat de consument die keuzevrijheid ook kàn en wil gebruiken en dat de mondigheid van consumenten en hun wettelijke bescherming vanzelf zaken als voorzieningszekerheid en veiligheid zouden kunnen afdwingen. Er moet echter aan een aantal voorwaarden zijn voldaan voordat de consument deze rol in het marktproces kan spelen: de consument moet geprikkeld worden om zijn positie als volwaardige marktpartij op te eisen, hij moet kunnen beschikken over juiste, betrouwbare informatie en het moet duidelijk zijn waar de consument terecht kan met zijn klachten. Daartoe wordt in de komende kabinetsperiode onder andere de informatievoorziening aan de consument verbeterd door het uitbouwen van de consumentensite www.staiksterk.nl en wordt onderzocht waar lacunes zijn bij klachtenafhandeling en toezicht. Hier zal de SER ook om advies worden gevraagd.

Het gaat dus om een herijking van het ordeningsbeleid waarin zonder elementen uit de vorige twee fasen te verwaarlozen – het goed regelen van de vraagzijde centraal komt te staan.

Dit laatste speelt bijvoorbeeld bij de liberalisering van netwerksectoren. Netwerken voor energie en ICT zijn het fundament onder de economie. Zonder deze netwerken kan een moderne samenleving niet functioneren. De liberalisering van deze netwerksectoren moet daarom primair in dienst staan van de belangen van klanten. Naast transparantie en verlaging van de overstapkosten gaat het vooral om zaken als voorzieningzekerheid, leveringszekerheid en veiligheid. Dit moet door middel van regelgeving en toezicht goed gewaarborgd worden. Daar staat EZ voor. Concreet betekent dat:

• Bij de volledige marktopening van de energiemarkt op 1 juli 2004 neemt EZ een strakke regie. Na de zomer komt EZ met aanvullende wetgeving die de voorzieningzekerheid en de leveringszekerheid garandeert. Ook krijgt de Dte meer sanctiemiddelen voor de aanpak van netbeheerders die niet goed functioneren.

• Het komend jaar wordt in de gasmarkt het netwerkbedrijf van de Gasunie gesplitst van het handelsbedrijf, waardoor een onafhankelijke positie van het netbeheer bevorderd wordt. Daarnaast wordt gewerkt aan herziening van de eigendomsverhoudingen tussen de Staat en de betrokken oliemaatschappijen. Om ook de economisch gaswinning op lange termijn te garanderen is het bij de herstructurering zaak dat het kleineveldenbeleid gehandhaafd blijft. Bij de kleine velden is specifieke aandacht voor gaswinning onder gevoelige gebieden noodzakelijk. Voor de vertaling van het hoofdlijnenakkoord naar concreet beleid zal de minister van Economische Zaken (in nauwe afstemming met VROM en LNV) een kleine, onafhankelijke commissie opdracht geven te kijken naar de problematiek van de Waddenzee in breed perspectief.

• EZ is regisseur van de energietransitie. Dit beleid is er op gericht om op de langere termijn een duurzame energiehuishouding te realiseren. Er worden onder meer nieuwe coalities tussen bedrijven en kennisinstellingen georganiseerd. Een goede wisselwerking met het innovatiebeleid is van belang; de budgetten voor energie-innovatie blijven daarom op peil. Verder zal eenmalig extra € 35 mln budget (waarvan € 15 mln in 2004) vrijgespeeld worden om transitie-experimenten financieel te ondersteunen. Leerzame transitie-experimenten kunnen worden gefinancierd uit dit budget, in aanvulling op bijdragen van de maatschappelijke actoren zelf.

• In het komende jaar worden de Europese richtlijnen op het gebied van Open Network Provision geïmplementeerd via een herziening van de Telecommunicatiewet. Deze wetswijziging leidt niet alleen tot meer concurrentie en dynamiek, maar ook tot betere bescherming van consumenten. Dit wordt geregeld door commerciële aanbiedingen via e-mail en telefoon slechts toe te staan na toestemming vooraf door de consument. Ook worden aanbieders van elektronische communicatiediensten verplicht zich aan te sluiten bij een geschillencommissie en kunnen consumenten hun overeenkomst kosteloos opzeggen bij contract- of tariefwijzigingen. Daarnaast komen er meer mogelijkheden om kwaliteitsinformatie van aanbieders van elektronische communicatiediensten te vergaren en te publiceren.

• De Europese richtlijnen hebben ook betrekking op de kabel. EZ streeft naar meer keuzemogelijkheden voor consumenten bij het afnemen van radio- en televisiediensten. Met de nieuwe regelgeving kunnen ook kabelbedrijven – wanneer zij beschikken over aanmerkelijke marktmacht – verplicht worden om aanbieders van dergelijke diensten toegang te geven tot hun netwerken.

• Ook de volledige liberalisering van de Postmarkt gebeurt met het oog op het belang van de consument. De universele dienstverlening op de Postmarkt is nu wettelijk geregeld waardoor de kwaliteit en de prijs voor de consument zijn gegarandeerd. Alleen als deze garanties ook in een volledig vrije markt gegarandeerd zijn, vindt volledige liberalisering in 2007 plaats.

Het bevorderen van een goede werking van markten is geen zaak van EZ alleen. De Interdepartementale Commissie Marktordening (ICM) is daarom ingesteld om samenwerking tussen de ministeries op het terrein van marktordening, economische regulering en administratieve lastenverlichting te versterken. Bovenstaande acties zullen dan ook door deze Commissie worden gecoördineerd, waarbij actief de betrokkenheid van bedrijfsleven, consumenten en andere partijen zal worden gezocht. De ICM wordt bij haar werkzaamheden inhoudelijk ondersteund door het nieuwe Kenniscentrum voor Ordeningsvraagstukken. De ICM zal hierdoor in staat zijn om de kwaliteit en effectiviteit van regelgeving op het gebied van marktordening te waarborgen. Onder regie van de ICM zullen ook projecten worden uitgevoerd, gericht op het beter functioneren van markten en het vergroten van de ruimte voor ondernemers. In deze projecten worden knelpunten in kaart gebracht en aangepakt in samenwerking tussen ministeries, bedrijfsleven, consumenten en andere partijen. Het gaat daarbij om aanpassingen in wet- en regelgeving en verbeteringen in de uitvoering en handhaving. De volgende projecten zijn al gestart:

• Vergroten transparantie voor consumenten in energiemarkt, zorg, taxi en pensioenen;

• Wegnemen van belemmeringen voor het starten van een onderneming;

• Openingstijden en beschikbaarheid postkantoren, gemeentelijke loketten en zorginstellingen als huisartsen, apothekers;

• Verkorten van langdurige vergunning- en inspraakprocedures bij gaswinning en windenergie.

Verbetering van de werking van de markten is natuurlijk niet alleen een nationale, maar in belangrijke mate een internationale aangelegenheid. Om uit het slop te komen heeft de wereldeconomie impulsen nodig. Verdere vrijmaking van de wereldhandel is zo'n impuls. Het effect van die vrijmaking zou tussen de 200 en 650 miljard euro per jaar kunnen belopen. Ook Nederland is als open economie zeer gebaat bij een opleving van de wereldeconomie. Nederland zet daarom in op een succesvolle afronding van de huidige WTO-onderhandelingen (de «Doha Development Agenda»). Het streven is om internationale handel te laten bijdragen aan evenwichtige en duurzame groei van de wereldeconomie. De WTO-onderhandelingen moeten op 1 januari 2005 resulteren in een nieuw akkoord. Om hier aan bij te dragen zal Nederland als voorzitter van de EU een informele bijeenkomst van Europese handelsministers organiseren. Inzet is te komen tot een EU-bijdrage die leidt tot een succesvolle WTO-top. Het gaat daarbij om de verdere vrijmaking van de handel in industriegoederen, diensten en landbouwproducten, versterking van het WTO-stelsel (inclusief een betere integratie van ontwikkelingslanden) en uitwerking van de raakvlakken tussen handelsbeleid en beleid op terreinen van milieu en volksgezondheid.

Een betere werking van de Interne Markt behoort tot de topprioriteiten van Europa. Dit is immers het fundament waarop het Europese huis verder gebouwd kan worden. Het belang van een goed functionerende interne markt komt nadrukkelijker in beeld door de aanstaande uitbreiding van de Unie en de huidige groeivertraging. Commissaris Bolkestein heeft zijn strategie voor de interne markt onlangs bekendgemaakt1 en tien prioriteiten geselecteerd met bijbehorende acties. Verontrustend is echter de constatering dat verschillende Lidstaten een verbeterde werking van de Interne Markt blokkeren, door teveel hun eigen nationale belangen voorop te stellen. Versterking van de slagkracht van de Raad voor het Concurrentievermogen en een meer gemeenschappelijke visie op de koers van de noodzakelijke hervormingen is nodig. EZ wil een sterkere impuls geven aan de Interne Markt en focust daarbij vooral op het integreren van de dienstenmarkt, vereenvoudigen van de regelgeving en het creëren van de juiste randvoorwaarden op het gebied van corporate governance. Tijdens het Nederlands EU-Voorzitterschap zal EZ hierop inzetten. Een belangrijk aandachtspunt is verder het tijdig en adequaat implementeren van Europese richtlijnen. Het Nederlandse«implementatiedeficit» neemt toe: Nederland is gezakt van de 4e plaats in 2002 naar de 7e plaats in 2003.

3: Ruimte om te ondernemen

In de internationale ranglijsten van meest aantrekkelijke vestigingsplaatsen daalt Nederland op de lijst. (Startende) bedrijven hebben niet voldoende ruimte om te ondernemen. Ze zuchten onder administratieve lasten en bureaucratie, hebben last van slechte bereikbaarheid en criminaliteit en kampen met onvoldoende goede fysieke ruimte om te ondernemen. Na een toename van het aantal starters in de jaren tot 2001 (met als hoogtepunt 2000 met bijna 75 000 nieuwe bedrijven in één jaar) is de groei nu gestabiliseerd. Dit terwijl het belang van vooral nieuwe bedrijven voor de werkgelegenheid en de groei groot is: in 2001 werd 47% van de totale nieuwe banencreatie tot stand gebracht door starters. EZ wil Nederland als vestigingsplaats weer terug aan de top brengen. Hiervoor worden de volgende acties genomen:

• Aanpakken meest urgente knelpunten voor startende ondernemers en overige MKB-bedrijven: EZ gaat specifieke knelpunten aanpakken bij de start, groei en overdracht van een bedrijf. Wat betreft de start kan gedacht worden aan het vergroten van de aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs en het vergemakkelijken van het starten van een onderneming. Wat betreft de groei kan gedacht worden aan het aanpakken van tegenstrijdige regelgeving. Vanaf oktober 2003 zal EZ beginnen om de oogst van het meldpunt tegenstrijdige regelgeving binnen te halen en taskforces in te stellen om de geconstateerde knelpunten aan te pakken. Bij de overdracht worden onder meer acties uitgevoerd om de wettelijke regelingen daaromtrent te versoepelen en de voorlichting te verbeteren. In de beleidsbrief ondernemerschap, die najaar 2003 wordt verstuurd, zal het parlement hierover nader worden geïnformeerd. In deze brief zal eveneens worden ingegaan op de bijzondere positie die familiebedrijven innemen.

• Vermindering in 2008 van 20–25% van de criminaliteit waar het bedrijfsleven hinder van ondervindt: bedrijven zijn veelvuldig slachtoffer van criminaliteit en onveiligheid. Daarom slaan de overheid en het bedrijfsleven de handen ineen om een veilig ondernemingsklimaat te creëren. Er wordt een programma opgesteld, dat in het najaar van 2003 aan het parlement wordt aangeboden. Hierin worden urgente knelpunten aangepakt, zoals de winkelcriminaliteit in de detailhandel en de overvallen en ramkraken bij juweliers. Meer structurele samenwerking wordt daarnaast ondersteund met instrumenten zoals het Keurmerk Veilig Ondernemen voor een betere beveiliging van bedrijventerreinen en winkelgebieden en de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan voor uitgaansgebieden.

• Terugdringing administratieve lasten met 25% in 2007: in het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken om per ministerie een plafond vast te stellen aan de administratieve lasten. Financiën gaat hier in nauwe samenwerking met EZ op toezien en de departementen aan deze plafonds houden. Daarnaast is EZ verantwoordelijk voor uitvoering van het programma ICT en administratieve lasten. De omvang van administratieve lasten van EZ (incl. CBS) bedraagt € 641 mln. De Gemengde Commissie administratieve lastenreductie EZ is in het voorjaar van 2003 van start gegaan en heeft als opdracht om concrete voorstellen te genereren om de doelstelling van 25% reductie te halen en toe te zien op de uitvoering daarvan. EZ neemt de doelstelling zeer serieus en komt in de komende jaren met concrete maatregelen op alle EZ beleidsterreinen om haar eigen administratieve lasten fors terug te dringen. Waar zinvol worden ook acties richting Brussel gestart. Verder zal EZ bij nieuwe wetgeving en wijzigingen in bestaande wetgeving minimalisering van de administratieve lasten als uitgangspunt hanteren en alternatieven voor regelgeving nadrukkelijk overwegen.

• Vernieuwing regionaal beleid: momenteel is er onvoldoende samenhang en resultaatgerichtheid in de gebiedsgerichte economische agenda. Hierdoor worden de economische potenties van verschillende regio's en daarmee van de Nederlandse economie als geheel onvoldoende benut. In najaar 2003 wordt het parlement geïnformeerd over de nieuwe visie op het gebiedsgerichte economische beleid en de uitwerking daarvan bij de herstructurering en aanleg van bedrijventerreinen, toerisme en grote stedenbeleid. Deze visie zal ook gebruikt worden bij afwegingen rondom het aanpakken van urgente knelpunten in de infrastructuur. In 2004 zal EZ met de 30 grote steden prestatieafspraken «op maat» maken voor de periode tot 2010. De prestatieafspraken zullen gaan over onder meer (herstructurering van) bedrijventerreinen, gemeentelijke dienstverlening aan bedrijven, breedband en veilig ondernemen.

• Corporate governance: het kabinet zet zich in voor een goed ondernemingsbestuur met voldoende «checks and balances» tussen bestuurders, commissarissen en aandeelhouders. In dat kader ondersteunt het de aanbevelingen die de commissie-Tabaksblat heeft gedaan om de Nederlandse corporate governance te verbeteren. Een specifieke verantwoordelijkheid op het gebied van corporate governance heeft EZ als vertegenwoordiger van Nederland in de Europese Raad voor het Concurrentievermogen. In deze raad vindt besluitvorming plaats over de overnamebodrichtlijn en over het actieplan van Commissaris Bolkestein, dat tot doel heeft het Europese ondernemingsrecht te moderniseren. Dit actieplan zal uiteenvallen in een aantal richtlijnvoorstellen die tot doel hebben Europese knelpunten op te heffen.

• Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen: EZ wil de verdere doorbraak van MVO bevorderen. Concreet streeft EZ naar meer bedrijven die maatschappelijk verantwoord ondernemen, grotere bekendheid van MVO met name in het MKB en een toename in het afleggen van verantwoording op dit gebied door bedrijven. Dit wordt gerealiseerd door het operationeel worden van het Kenniscentrum MVO, het faciliteren van stakeholdersdialogen en het organiseren van een Ministeriele Conferentie over dit onderwerp tijdens het Europese Voorzitterschap.

• Internationaal Ondernemen: export is een belangrijke motor voor economische groei. Nu er voorzichtige signalen zijn dat de wereldhandel weer zal gaan aantrekken moeten we er voor zorg dragen dat het Nederlandse bedrijfsleven zijn internationale concurrentiepositie verder versterkt. Een aanzienlijk deel van het MKB is echter niet gericht op de kansen en mogelijkheden die er nog in het buitenland liggen. Volgens berekeningen zijn er in Nederland nog 50 000 bedrijven met een onbenut exportpotentieel. Daar moet verandering in komen. Daarom start EZ een campagne, die ondernemers moet aanzetten tot internationale activiteiten en de weg wijst naar het instrumentarium. Per 1 januari 2004 wordt één loket gevormd (een samenvoeging van de EVD en Senter Internationaal), waar ondernemers met al hun vragen over internationaal ondernemen terecht kunnen. Ook komt er een nog meer op de innovatieve ondernemer toegesneden instrumentarium. Er zal ook de nodige aandacht komen voor een betere positionering van de Nederlandse ondernemer op de Europese markt. De Staatssecretaris zal missies met bedrijven houden naar belangrijke buurlanden (zoals Duitsland) en daarnaast EU-toetreders aandoen.

Begroting op hoofdlijnen

De aansluitende tabellen bevatten per beleidsartikel een selectie van de belangrijkste wijzigingen (kasuitgaven en ontvangsten) die verwerkt zijn in de begroting 2004 ten opzichte van de begroting 2003. Een volledig overzicht van de majeure beleidsmatige mutaties is opgenomen in de verdiepingsbijlage. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de aansluitende tabellen ook de wijzigingen bevatten die reeds in de Voorjaarsnota 2003 zijn opgenomen (bij mutaties aangegeven).

Uitgaven (in € mln)200320042005200620072008
Stand ontwerpbegroting 20031 742,11 715,81 623,91 576,91 565,8 
Artikel 2 Innovatie      
Fes-middelen innovatie (VJN)31,37,07,02,0  
Wegvallen bijdrage OCenW voor EET – 2,7– 2,0– 3,2– 5,9 
Artikel 3 Ondernemingsklimaat      
Tijdelijke regeling scheepsbouw (deels VJN)24,030,06,0   
Artikel 4 Energiehuishouding      
CO2-reductiemiddelen (VJN)23,5     
Transitiemanagement 4,88,18,06,2 
Beperking budget JI (HGIS)– 2,5– 5,0– 7,5– 13,3– 25,0 
Actualisatie budget JI (HGIS)– 17,7– 10,9– 12,3– 17,420,3 
Artikel 5 Buitenlandse ec. betr.      
Bezuiniging HGIS – 6,3– 11,7– 17,1– 17,0 
Artikel 9 CBS      
Desaldering door lagere ontvangsten CBS – 10,5– 10,5– 10,5– 10,5 
Artikel 10 Informatie en communicatie      
Fes-middelen Kenniswijk2,02,01,4   
Omschakelkosten Zero Base (VJN)22,5     
Artikel 22 Nominaal en onvoorzien      
Fiscale invulling subsidietaakstelling 33,0105,9105,9120,0 
Loon- en prijsbijstelling (VJN)17,519,019,319,920,6 
Diverse artikelen      
Subsidietaakstellingen– 20,0– 159,5– 165,0– 165,0– 170,0 
Apparaattaakstellingen– 1,2– 8,4– 13,6– 16,1– 20,2 
PIA-taakstelling – 20,0– 30,0– 50,0– 50,0 
EU-voorzitterschap0,14,00,80,20,1 
Overige mutaties– 22,951,2– 21,5– 15,3– 13,7 
Stand ontwerpbegroting 20041 798,81 643,51 499,31 405,01 420,71 411,9
Ontvangsten (in € mln)200320042005200620072008
Stand ontwerpbegroting 20032 855,52 443,82 143,62 257,42 390,4 
Artikel 1 Marktwerking      
Ontvangst TenneT (VJN)– 11,3     
Ontvangst Holland Casino's (VJN)26,2     
Artikel 2 Innovatie      
Fes-middelen innovatie (VJN)31,37,07,02,0  
Wegvallen bijdrage OCenW voor EET – 2,7– 2,0– 3,2– 5,9 
TOP-ontvangsten17,4– 1,8– 5,0– 5,0– 5,0 
Artikel 4 Energiehuishouding      
UCN (VJN)34,0     
Artikel 7 Aardgasbaten      
Aardgasbaten (deels VJN)117,0117,0– 29,0– 176,0– 205,0 
Artikel 9 CBS      
Wijziging ontvangsten CBS – 10,5– 10,5– 10,5– 10,5 
Artikel 10 Informatie en communicatie      
Fes-middelen Kenniswijk2,02,01,4   
Ontvangsten frequenties (deels VJN)30,0     
Dividend KPN en TPG naar Financiën (VJN)– 129,8– 82,1– 82,1– 82,1– 82,1 
Artikel 23 Oude verplichtingen      
Nedcar 63,5    
Diverse artikelen      
Ontvangstentaakstelling (VJN)10,3     
Overige mutaties5,5– 0,21,8– 0,8– 0,8 
Stand ontwerpbegroting 20042 988,12 536,02 025,21 981,82 081,12 080,8

Achtereenvolgens wordt op intensiveringen, taakstellingen en overige mutaties ingegaan.

Intensiveringen

Als compensatie voor de steun die Koreaanse werven ontvangen bij scheepsbouworders, staat de Europese Commissie toe dat lidstaten tijdelijk ordersteun geven aan de scheepsbouwsector. Binnen de EZ-begroting is daarom in totaal € 60 mln vrijgemaakt voor de Tijdelijke Regeling Ordersteun Scheepsbouwsector (TROS).

Binnen de Nederlandse energiehuishouding is de komende decennia een transitie naar duurzaamheid nodig. Transitiemanagement begeleidt deze ontwikkeling. Het concept krijgt thans vorm binnen vier projecten: Nieuw Gas, Duurzaam Rijnmond, Modernisering Energieketens en Biomassa. Elk project werkt aan een visie en zogenaamde transitiepaden. Vervolgens worden concrete experimenten benoemd.

Binnen de EZ-begroting zijn middelen vrijgemaakt voor het EU-voorzitterschap. Drie ministeriële bijeenkomsten staan voor EZ centraal. De informele Raad voor concurrentievermogen, een bijeenkomst van handelsministers en de ASEM Economic Ministers. De eerste twee behoren standaard tot de agenda van een EU-voorzitterschap en sluiten aan bij de EZ-prioriteiten (Lissabon-strategie en WTO). Daarnaast organiseert EZ een aantal ministeriële en ambtelijke evenementen die voortvloeien uit de wens om een bepaald EZ-thema te accentueren en het EU-beleid te beïnvloeden.

Taakstellingen

In het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II en de daaropvolgende budgettaire besluitvorming zijn voor EZ omvangrijke subsidietaakstellingen en diverse apparaattaakstellingen opgenomen. In onderstaande tabel worden alle taakstellingen gepresenteerd (kasbedragen in € mln).

Taakstellingen Hoofdlijnenakkoord (in € mln)20042005200620072008
Subsidietaakstelling80,0150,0150,0170,0170,0
Incidentele verhoging subsidietaakstelling bedragen79,515,015,0  
Apparaattaakstelling8,413,616,120,220,2
Totaal167,9178,6181,1190,2190,2

Tevens is de rijksbrede taakstelling voor Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) op de EZ-begroting geparkeerd. Deze zal aan de hand van een nog vast te stellen verdelingsvoorstel over alle departementen worden verdeeld. Het gaat om bedragen van € 20 mln in 2004, € 30 mln in 2005 en € 50 mln structureel met ingang van 2006, die – in afwachting van toewijzing aan departementale begrotingen – zijn geparkeerd op de EZ-begroting.

Subsidietaakstelling

De subsidietaakstelling van € 170 mln structureel uit het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II komt bovenop de subsidietaakstelling van € 244 mln structureel uit het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende I. In het jaar 2004 is bovendien sprake van een forse incidentele verhoging van de kastaakstelling met het oog op de Rijksbrede problematiek 2004.

Subsidietaakstelling (in € mln)20042005200620072008
EZ-subsidietaakstelling Hoofdlijnenakkoord80,0150,0150,0170,0170,0
Incidentele verhoging subsidietaakstelling79,515,015,0  
In te vullen kastaakstelling159,5165,0165,0170,0170,0

In onderstaande tabel vindt u de invulling van de subsidietaakstelling in kasbedragen. Een toelichting op de afzonderlijke ombuigingen (in verplichtingenbedragen) is opgenomen in de verdiepingsbijlage bij de desbetreffende artikelen. Voor wat betreft de vooralsnog geparkeerde taakstellingen voor de jaren 2004, 2005 en 2006 zijn maatregelen in voorbereiding.

Invulling subsidietaakstelling (kasbedragen in € mln)20042005200620072008
Artikel 1Opdrachten en onderzoek marktwerking  0,60,81,0
       
Artikel 2Internationale ruimtevaart1,05,07,510,010,0
Artikel 2Herziening regionale presentatie 0,81,21,61,6
Artikel 2Beleidsexperimenten1,35,54,83,82,4
Artikel 2First Mover Faciliteit0,10,71,41,81,8
Artikel 2Subsidieregeling infrastructuur technostarters0,41,01,21,00,7
Artikel 2Adviezen door Europees octrooibureau0,30,80,81,01,0
Artikel 2Strategisch en beleidsagenderend onderzoek0,20,60,60,60,6
Artikel 2Scholingsimpuls en arbeidsradar0,10,20,10,10,1
Artikel 2Flankerend beleid0,10,30,40,30,3
Artikel 2Overig0,40,80,80,90,8
       
Artikel 3Regionaal beleid0,01,75,56,26,7
Artikel 3Suppletie-instrument 2,33,13,32,8
Artikel 3Toerisme1,12,23,34,45,5
Artikel 3Instituten EIM en Nederland Distributieland 1,02,43,53,5
Artikel 3Herziening regionale presentatie0,10,20,30,40,4
       
Artikel 4Fiscaal: Gefaseerde afschaffing REB 36i33,0105,9105,9120,0120,0
Artikel 4Borssele31,8    
Artikel 4Beleidsprogramma's Novem12,612,4   
Artikel 4Bijdrage aan Senter2,02,02,02,02,0
Artikel 4Bijdrage aan Novem2,43,03,03,03,0
Artikel 4Energiecentrum Nederland2,02,02,02,02,0
Artikel 4Duurzame energie0,20,71,61,72,0
       
Artikel 10Nationaal actieplan elektronische snelwegen0,41,11,61,82,0
       
Nog in te vullen70,015,015,0  
Totaal 159,5165,0165,0170,0170,0

Taakstelling Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

Ook in HGIS-verband bleek het noodzakelijk om ruimte vrij te maken. Een EZ-bijdrage aan deze taakstelling is geleverd met de onderstaande bezuinigingen op artikel 5 Buitenlandse economische betrekkingen.

Invulling HGIS-taakstelling EZ (bedragen in € mln)20042005200620072008
op artikel 5 Buitenlandse economische betrekkingen:     
– Opheffen budget exportfinanciering (BSE/ROF)3,63,96,15,15,1
– Beperking budget Technische assistentie opkomende markten 0,20,50,80,8
– Beperking budget Progr. Samenwerking Oost-Europa (PSO)0,11,22,22,52,5
– Beperking budget PSO – Pré-accessie0,22,03,64,34,3
– Opheffen budget Trustfunds2,33,63,73,23,2
– Opheffen budget Studie cum stage 0,81,01,01,0
Totaal6,311,717,117,017,0

Naast de bezuinigingen op artikel 5 is op beleidsartikel 4 (Doelmatige en duurzame energiehuishouding) de raming voor Joint Implementation verlaagd. Deze aanpassing is mogelijk omdat de uiteindelijk gemiddelde aankoopprijs van CO2-rechten naar de huidige inzichten substantieel lager zal zijn dan waar eerder mee is geregend, zodat EZ met een kleiner budget de aankopen kan financieren die nodig zijn voor het realiseren van de CO2-doelstelling.

Apparaattaakstellingen

De apparaattaakstellingen uit het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II van structureel € 20,2 mln komen bovenop de apparaattaakstellingen uit het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende I.

Apparaattaakstellingen (in € mln)20042005200620072008
Inhuur externen6,07,97,97,97,9
Efficiencytaakstelling Rijkspersoneel1,53,04,67,67,6
Efficiencytaakstelling ZBO's0,21,21,41,71,7
Volumetaakstelling uitvoerende diensten0,71,52,22,92,9
Doorwerking WW-maatregel naar overheid 0,00,10,10,1
Totaal8,413,716,120,220,2

• In het Hoofdlijnenakkoord is een taakstelling inhuur externen opgenomen van € 7,9 mln structureel.

• In het Hoofdlijnenakkoord is EZ een generieke efficiencytaakstelling van 5% opgelegd. De taakstelling loopt op met 1% per jaar in de periode 2004–2006 en 2% in 2007. In de grondslag voor de taakstelling zijn opgenomen de personele budgetten van de EZ-onderdelen en de apparaatbudgetten van de agentschappen.

• In navolging van de efficiencytaakstellingen voor het Rijkspersoneel, hebben de ZBO's aparte taakstellingen opgelegd gekregen vanaf 2004. Deze taakstellingen gelden voor het CBS, OPTA, TNO en het NMi.

• De volumetaakstelling betreft een inhaalslag met betrekking tot de door het kabinet Balkenende I van de volumetaakstelling uitgezonderde diensten. Dit zijn het CPB en de NMa. De volumetaakstelling loopt geleidelijk op van 0,5% in 2004 naar 2% in 2006.

• Betreft de doorwerking naar EZ van de WW-maatregelen die in de markt worden getroffen.

Met betrekking tot de efficiency- en volumetaakstelling is de eerste tranche (respectievelijk 1% en 0,5% in 2004) reeds ingevuld op de EZ-begroting. De additionele ZBO-efficiencytaakstelling is volledig ingevuld, evenals de WW-maatregel. Invulling van de resterende apparaattaakstellingen vergt, mede met het oog op de reeds omvangrijke apparaattaakstellingen van het kabinet Balkenende I, nauwkeurige voorbereiding en zorgvuldig overleg met de medezeggenschap voordat besluitvorming mogelijk is. Bij Voorjaarsnota 2004 zal naar verwachting meer inzicht bestaan in de invulling van de resterende apparaattaakstellingen.

Overige mutaties

Naast intensiveringen en ombuigingen hebben diverse andere mutaties plaatsgevonden. Voor met name de Fes-projecten Experimentele faciliteiten, EET (Economie, Ecologie en Technologie), Gigaport, Kenniswijk en de kennis- en innovatie-impuls is in 2002 minder gerealiseerd en uit het Fes opgevraagd. Deze middelen schuiven door naar 2003 en latere jaren. Daarnaast is sprake van een nieuwe Fes-toezegging voor de EET-regeling in 2003 van € 9 mln en heeft het Ministerie van OCenW in het kader van de ombuigingen op subsidies van het kabinet Balkenende I haar bijdrage aan de EET-regeling verlaagd.

De benodigde middelen voor het CO2-reductieplan worden afhankelijk van de budgettaire behoefte aan de EZ-begroting toegevoegd vanuit de aanvullende post van de Rijksbegroting. Hiervoor staan derhalve alleen voor het uitvoeringsjaar middelen op de EZ-begroting.

Omdat het CBS een ZBO wordt in 2004, zullen diverse ontvangsten voor werken voor derden niet meer via de EZ-begroting lopen, maar rechtstreeks via het CBS.

Als gevolg van de herindeling van AM/FM-frequenties moest de zendmastinfrastructuur worden aangepast. Deze kosten voor het omschakelen van de publieke omroep naar de nieuwe Zero Base frequenties worden door het Rijk vergoed.

De vraagstimulering in de REB, artikel 36i (faciliteit voor duurzaam opgewekte elektriciteit) van de Wet Belastingen op Milieugrondslag, zal in twee stappen verlaagd worden. Per 1 juli 2004 zal het fiscale voordeel voor afnemers van duurzame elektriciteit op 1,5 € ct/kWh vastgesteld worden. Vervolgens zal per 1 januari 2005 REB artikel 36i op nul gesteld worden. Door de verlaging van REB 36i te compenseren via de MEP, behouden binnenlandse producenten eenzelfde niveau van stimulering. Tegelijkertijd maakt deze verdere verschuiving van vraag- naar aanbodstimulering een efficiëntere inzet van overheidsgeld mogelijk. Het verschil in uitgaven voor REB 36i en de MEP wordt aangewend ter invulling van een deel van de subsidietaakstelling van EZ.

Als gevolg van de overdracht van het aandeelhouderschap en de dividendraming van TenneT, KPN en TPG aan het Ministerie van Financiën wordt de ontvangstenraming van de EZ-begroting verlaagd. Bij de aardgasbaten is, afgezien van de eerste jaren, sprake van lagere ontvangsten als gevolg van wijzigingen in olieprijs en dollarkoers.

Daarnaast is veelal sprake van verhogingen. De exploitatie van Holland Casino is winstgevender dan geraamd, onder meer door de grote hoeveelheid bezoekers.

De verhoging van de TOP-ontvangstenraming in 2003 wordt veroorzaakt door enkele meevallers. In latere jaren zal echter minder binnenkomen omdat de TOP-regeling is afgeschaft. In 2002 is door Urenco Ltd een lening terugbetaald aan UCN, die UCN vervolgens uitkeert aan de Staat als aandeelhouder.

Bovendien zijn in 2003 extra ontvangsten gerealiseerd vanwege de uitgifte van frequenties in het kader van het Zero-Base project. Tot slot is in 2004 door het in 2002 gewijzigde aflossingsschema van de lening aan Nedcar, sprake van een extra ontvangst.

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN

1 WERKING VAN DE BINNENLANDSE MARKTEN

 Onderdelen toelichting  
 1.0Grafieken 
 1.1Algemene doelstelling 
 1.2Operationele doelstellingen 
  1.2.1 Het bevorderen van concurrentie 
  1.2.2 Het versterken van de positie van de consument 
  1.2.3 Het bevorderen van concurrentiemechanismen in netwerksectoren 
  1.2.4 Het verlagen van administratieve lasten 
 1.3Budgettaire gevolgen van beleid 
 1.4Budgetflexibiliteit  
 1.5Evaluatieplanning 
 1.6VBTB-paragraaf 

1.0 Grafieken

Aandeel artikel 1 in totale EZ-uitgaven (x € 1 mln)

Onderverdeling uitgaven artikel 1 naar operationele doelen (uitgaven x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-1.gif

Verloop ramingen 2001–2008 (x € 1 mln)

Ontvangsten 2001–2008 (x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-2.gif

De incidentele hogere uitgaven in 2001 zijn voor € 1 mrd het gevolg van de aanschaf van TenneT en de tegemoetkoming aan Demkolec en stadsverwarmingsprojecten.

1.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bevorderen van een optimale ordening en werking van (binnenlandse) markten, zodat wordt bijgedragen aan een duurzame economische groei. De burger plukt daar als consument en als belastingbetaler de vruchten van.

De afgelopen jaren was het marktwerkingbeleid gericht op het stimuleren en introduceren van ondernemerschap in (semi-) publieke sectoren, het verbeteren van concurrentie tussen aanbieders en het slechten van toetredingsbarrières. Dit heeft er toe geleid dat consumenten nu meer keuzevrijheid hebben. Uitgangspunt hierbij was echter dat de consument deze keuzevrijheid ook kan gebruiken. De praktijk wijst uit dat dit niet altijd het geval is. Het marktwerkingbeleid zal zich daarom de komende periode meer richten op het goed regelen van de vraagzijde, zodat de burger als consument en belastingbetaler daar de vruchten van plukt. Ter ondersteuning van de algemene beleidsdoelstelling zullen projecten worden uitgevoerd onder regie van de Interdepartementale Commissie Marktordening (ICM) en zet EZ het Kenniscentrum voor Ordeningsvraagstukken (KCO) in.

Om de effecten van het marktwerkingbeleid te kunnen meten heeft EZ een prestatie-indicator, bestaande uit vier deelindicatoren ontwikkeld1, die inzicht geeft in de internationale positie van Nederland op het gebied van marktwerking. Zie tabel 1.1.

Tabel 1.1 Prestatie-indicator marktwerking
DeelindicatorStreefwaarde
Concurrentie en de mate waarin overheidsbeleid concurrentie versterkt of beperktTop 5 positie
Transparantie en klanttevredenheidTop 5 positie
Concurrentie op het gebied van netwerksectorenTop 5 positie
Administratieve lasten en bureaucratieTop 5 positie

De vier deelindicatoren omvatten de verschillende aspecten van het marktwerkingbeleid. Per indicator is te zien hoe Nederland scoort ten opzichte van een selectie van twaalf andere landen2. Elke deelindicator is opgebouwd uit een aantal variabelen, met gegevens uit openbare en betrouwbare (internationaal goed vergelijkbare) bronnen. In de indicatoren zijn zowel structuur- als prestatievariabelen meegenomen. Er zijn alleen variabelen opgenomen die (vrij) direct gerelateerd zijn aan het marktwerkingbeleid dat EZ voert. Zo is bijvoorbeeld in de eerste indicator een variabele opgenomen waarin ondernemers de effectiviteit van het mededingingsbeleid beoordelen.

Bij de indicator moeten echter wel een aantal kanttekeningen geplaatst worden. Zo wordt (het resultaat van) het EZ-beleid beïnvloed door technologische en economische ontwikkelingen, door het beleid van andere overheidsorganisaties en handhavings- en keuringsinstanties. EZ is daarom systeemverantwoordelijk en niet resultaatverantwoordelijk. Ook zijn niet alle aandachtsgebieden van EZ evenredig vertegenwoordigd. De zorgsector, het onderwijs en de vrije beroepen komen bijvoorbeeld als gevolg van gebrek aan data niet terug in de indicator.

Gegeven deze kanttekeningen is de indicator wel zo opgezet dat het totaal aan beleidsacties en -instrumenten die EZ inzet tot uitdrukking komen in de score en de positie van Nederland. EZ ambieert haar top vijf positie op elke deelindicator te behouden. Met andere woorden EZ wil op elke deelindicator tot de vijf best scorende landen behoren.

Projecten Interdepartementale Commissie Marktordening (ICM)

Het bevorderen van een goede werking van markten is geen zaak van EZ alleen. De Interdepartementale Commissie Marktordening (ICM) is daarom ingesteld om samenwerking tussen de ministeries op het terrein van marktordening en economische regulering te versterken. Onder regie van de ICM zullen projecten worden uitgevoerd, gericht op het beter functioneren van markten en het vergroten van de ruimte voor ondernemers. In de projecten worden knelpunten in kaart gebracht en aangepakt in samenwerking met ministeries, bedrijfsleven, consumenten en andere partijen. Het gaat daarbij om aanpassingen in wet- en regelgeving en verbeteringen in de uitvoering en handhaving.

De volgende projecten zijn reeds gestart:

• Versneld starten van een onderneming: wegnemen van belemmeringen voor het starten van een onderneming;

• Transparantie: vergroten transparantie voor consumenten in de sectoren zorg, energie, taxi's en pensioenen;

• Openingstijden: verbeteren openingstijden en beschikbaarheid van postkantoren, gemeentelijke loketten en zorginstellingen als huisartsen en apothekers;

• Knelpunten gaswinning en windenergie: doorlooptijd vergunning verkorten, rechtsbeschermingprocedures bundelen en verkorten.

In de loop van 2003–2004 worden binnen dit kader nieuwe projecten gestart.

Kenniscentrum Ordeningsvraagstukken (KCO)

Een ander instrument dat EZ inzet ter bevordering van een optimale werking van markten is het Kenniscentrum voor Ordeningsvraagstukken. Het Kenniscentrum stimuleert de uitwisseling en verdieping van kennis op het gebied van marktordening. Het Kenniscentrum ondersteunt de Interdepartementale Commissie Marktordening op inhoudelijk gebied. Het secretariaat van het Kenniscentrum is ondergebracht bij EZ en coördineert de werkzaamheden die voortvloeien uit het werkprogramma en rapporteert hierover aan de ICM. Daarnaast onderhoudt het secretariaat contacten met specialisten van buiten de rijksoverheid (andere overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, wetenschap, internationale organisaties) en betrekt deze bij de uitvoering van het werkprogramma. Over het definitieve werkprogramma voor 2004 wordt de Tweede Kamer in het najaar van 2003 door de minister van EZ geïnformeerd.

Om de link tussen wetenschap en beleid verder te versterken hebben EZ, de NMa en de OPTA het initiatief genomen om het Economics Network for Competition and Regulation (ENCoRe) op te richten, dat is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Het doel van dit netwerk is o.a. om strategisch en wetenschappelijk hoogwaardig onderzoek op het gebied van marktwerking en regulering te stimuleren en om de uitwisseling van kennis tussen academici, toezichthouders en beleidsmakers op het vakgebied Industriële Organisatie te bevorderen. Daarnaast versterkt EZ haar banden met de OESO door middel van een programma van kennisoverdracht en participatie in activiteiten van het Kenniscentrum en ENCoRe.

Operatie Marktwerking Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW)

Een aantal van de projecten uit de operatie MDW is nog niet afgerond. In 2004 zal verder gegaan worden met implementatie van die projecten (zie schema hieronder). Van projecten met «kaderstellend» karakter, die nieuwe instrumenten voor de overheid hebben opgeleverd (zoals de projecten Concessies & Aanbestedingen en Veilen), zal verdere implementatie via het Kenniscentrum Ordeningsvraagstukken lopen. Het betreft namelijk vooral het verspreiden en toepassen van kennis. Van de overige projecten zal de implementatie worden ondergebracht in al lopende (inter)departementale trajecten.

Tabel: prognose afronding MDW-projecten
Gereed per 1-1-2004Gereed na 1-1-2004
• Concurrentie en prijsvorming in de gezondheidszorg• Geluidhinder
• Concurrentiebeding• Loodsen
• Benzinemarkt• Markt en overheid II
• AWBZ• Vergunningsprocedures bedrijfsvestiging
• Benchmark gemeentelijke dienstverlening• Kinderopvang
• Concessies en aanbestedingen• Harmonisatie planprocedures
• Ketengarantiestelsels• Woningbouwcorporaties • Buisleidingconcessies
• PDV/GDV• Faillissementswet (ultimo 2005)
• Scholingsmarkt• Geneesmiddelen
• Toezicht op het bedrijfsleven• Intensief ruimtegebruik bedrijventerreinen
• Veilen en andere allocatie-mechanismen• Loonbegrip (2005)
• Verhandelbare rechten• Medische beroepen (2007)
 • Onteigeningswet (medio 2005)
 • Openbare inrichtingen (begin 2006)
 • Overstapkosten
 • Service Gerichte Overheid (2006)
 • Verpleegkundigen en verzorgenden in het ziekenhuis
 • Wet op de Kansspelen (begin 2005)
 • Zaaizaad en plantgoedwet (2005)
12 Projecten20 Projecten

1.2 Operationele beleidsdoelstellingen

Meer marktwerking betekent niet automatisch minder overheid. Marktwerking gaat hand in hand met marktordening. Regelgeving geldt daarom niet als substituut, maar als complement van marktwerking; markten functioneren niet goed zonder een adequaat institutioneel kader. Vanuit drie rollen streeft de overheid het bevorderen van een optimale ordening en werking van markten na:

• De overheid heeft ten eerste een rol bij het waarborgen van transparantie waardoor consumenten in staat zijn om op basis van voldoende informatie goede keuzes te kunnen maken.

• Daarnaast heeft de overheid een belangrijke rol bij het bepalen van het speelveld, oftewel in welke sectoren zijn er wel concurrentiemechanismen mogelijk en in welke sectoren niet. Dit onderdeel van het overheidsbeleid richt zich op optimale ordening en werking van markten. Hierbij horen het maken van de regels van het spel, het bepalen van de condities waaronder de spelers deelnemen en (waar nodig) het bepalen van de wijze waarop het publieke belang wordt gewaarborgd.

• Tenslotte heeft de overheid een rol bij het toezicht. De overheid wijst de scheidsrechter aan en bepaalt de wijze van toezicht. Het gaat hierbij om het waarborgen van eerlijk spel en het voorkomen van overtreding van regels en overschrijding van domeinen.

De algemene beleidsdoelstelling kan worden opgesplitst in vier operationele beleidsdoelstellingen, die samenhangen met bovenstaande rollen:

1.2.1 Het bevorderen van concurrentie.

1.2.2 Het versterken van de positie van de consument.

1.2.3 Het bevorderen van concurrentiemechanismen in netwerksectoren.

1.2.4 Het verlagen van administratieve lasten.

De indeling van dit artikel 1 verschilt daarmee ten opzichte van de vorige begroting. Dit komt met name door een veranderde beleidsfocus. Zo wil EZ in haar marktwerkingsbeleid meer aandacht voor de positie van de consument en heeft het verlagen van de administratieve lasten een hogere prioriteit gekregen. De onderverdeling van de beleidsterreinen over de operationele doelstellingen van artikel 1 is daarop afgestemd.

1.2.1 Het bevorderen van concurrentie

Een goed werkende markt bevordert de concurrentie. Producenten zullen dan inspelen op de wensen van de consument door middel van lage prijzen, hoge kwaliteit en/of goede service. De randvoorwaarden waaronder een markt werkt, dienen optimaal te zijn. Om de concurrentie op markten dus te bevorderen zullen deze optimale randvoorwaarden gecreëerd moeten worden. Een goed mededingingsbeleid, goede aanbestedingsregels, eerlijke concurrentie door (semi-) publieke instellingen en instrumenten zoals normalisatie, certificatie en metrologie dragen hieraan bij.

Mededinging

Een adequaat mededingingsbeleid wordt bewerkstelligd door een effectieve mededingingswet en effectief en daadkrachtig mededingingstoezicht.

De mededingingswet wordt uitgevoerd door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). Concreet voorziet de wet in de volgende instrumenten:

– karteltoezicht: het tegengaan van concurrentiebeperkende onderlinge afspraken en het aanpakken van misbruik van economische machtsposities;

– concentratietoezicht: het voorkomen van het ontstaan of de versterking van economische machtsposities als gevolg van fusies en overnames en

– sanctionerend optreden: opleggen van passende boetes en vaststelling lasten onder dwangsom ter redressering van ongewenst handelen.

EZ heeft in 2002 de Mededingingswet geëvalueerd. Uit de evaluatie kwamen positieve aspecten naar voren, maar ook blijkt dat de Mededingingswet op een aantal onderdelen versterkt kan worden. Daarnaast heeft de Europese Raad in november 2002 een verordening aangenomen over de modernisering van het handhavingsysteem voor het Europese mededingingsrecht. Een aantal van de artikelen uit deze verordening moet Nederland voor 1 mei 2004 in de nationale wet- en regelgeving implementeren. Belangrijk is immers dat de Europese Commissie, de nationale mededingingsautoriteiten en de nationale rechters een coherente toepassing van de Europese mededingingsregels waarborgen. Tevens is het wenselijk om enkele niet verplichte bepalingen van deze verordening ook in de Mededingingswet over te nemen voor nationale zaken zonder grensoverschrijdende effecten. Om de conclusies uit de evaluatie van de Mededingingswet en de gewenste bepalingen van de verordening op elkaar aan te laten sluiten, komt EZ met een voorstel tot wijziging van de Mededingingswet. Deze wordt naar verwachting begin 2004 naar de Tweede Kamer gestuurd. Belangrijke elementen daarin zijn: aanscherping sancties en onderzoeksbevoegdheden NMa, verhoging effectiviteit van het toezicht op misbruik economische machtsposities en aanpassing concentratiecontrole aan de geldende Europese regels.

Ook op het gebied van Europese concentratiecontrole is het mededingingsrecht aan verandering onderhevig. Het Europees mededingingsrecht heeft (net als het Nederlandse stelsel) mede tot doel om concentraties (fusies, overnames, joint ventures) vooraf te controleren om te zorgen dat de mededinging niet in gevaar gebracht wordt door een fusie of overname. Het Europese stelsel is vastgelegd in de reeds 10 jaar oude Europese Concentratieverordening. In 2004 wordt door de Europese Commissie de laatste hand gelegd aan de nieuwe concentratieverordening1.

Tot slot werkt EZ aan het project verzelfstandiging van de NMa. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel verzelfstandiging NMa aangenomen en doorgestuurd naar de Eerste Kamer (Kamerstukken I, 01/02, 27 639, nr. 228). De voorziene behandeling in de Eerste Kamer (september 2002) is aangehouden vanwege de relatie met de behandeling van de kaderwet zelfstandige bestuursorganen en het beschikbaar komen van het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de mededingingswet. Er is nog geen besluit genomen over verdere behandeling van het wetsvoorstel.

De Dienst uitvoering en Toezicht energie (DTe) is belast met de uitvoering van en het toezicht op de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. De DTe voert hiertoe verschillende werkzaamheden uit, waaronder het vaststellen van tarieven en voorwaarden voor het transport en de levering van gas en elektriciteit, het voorbereiden en verstrekken van leveringsvergunningen en het eventueel sanctionerend optreden bij het niet nakomen van verplichtingen.

Qua positionering van het toezicht op de energie- en gasmarkt is in 2004 in bestuurlijk opzicht vooral van belang dat de Tweede Kamer in het parlementaire debat over de verzelfstandiging van de NMa heeft aangegeven meer inzicht te willen hebben in het werkprogramma van de DTe en de wijze waarop de DTe haar wettelijke instrumenten in de praktijk in zal zetten. In dat kader is een wijzigingsvoorstel gedaan in de Overgangswet elektriciteitsproductiesector (OEPS) waarin wordt geregeld dat de DTe een handhavingsplan dient op te stellen. Het handhavingsplan informeert marktpartijen over de wijze waarop de verschillende handhavingsbevoegdheden door de DTe zullen worden toegepast en welke procedures daarbij worden gehanteerd. In het kader van de vereiste goedkeuring van dit handhavingsplan door de Minister, dient in 2004 te worden bezien of dit handhavingsplan al dan niet partieel wijzigingen behoeft en welke belangrijke aandachtsgebieden daarin dienen te worden geïdentificeerd.

Op beleidsmatig gebied heeft in 2003 de focus gelegen op een herziening van de tariefregulering als gevolg van uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) en op afspraken met de sector over het kader van de volgende reguleringsperiode. Deze reguleringsperiode voor de tarieven van netbeheerders beslaat een aantal jaren en loopt dus ook in 2004 nog door. Verder gaat veel aandacht uit naar de marktontwikkelingen in het kader van de geplande marktopening voor kleinverbruikers. Het jaar 2004 zal voor de DTe in het teken staan van het inzetten van zijn handhavingsinstrumentarium in het kader van de marktwerking en het gedrag van gereguleerde partijen en het verstrekken van leveringsvergunningen met het oog op de marktopening op 1 juli 2004. De DTe zal ook in deze volgende en belangrijke transitiefase naar een volledig geliberaliseerde markt optreden vanuit het uitgangspunt van de wetgever dat het toezicht op de energiemarkt gericht dient te zijn op outputsturing.

Op basis van de evaluatie van het functioneren van de DTe die in 2003 door EZ is uitgevoerd, de aanbevelingen van de commissie Van Rooy en het overleg met het parlement daarover, wordt in 2003–2004 verder vorm gegeven aan aanscherping van het toezichtsinstrumentarium en verbeteracties door DTe ten aanzien van toezichtsregulering en de interactie met marktpartijen.

Eerlijke concurrentie door (semi-) publieke instellingen

Overheidsorganisaties kunnen doordat ze een monopoliepositie bezitten, kruissubsidiëring uit collectieve middelen toepassen, publieke bevoegdheden hebben of publieke gegevensbestanden beheren op bepaalde gebieden een voorsprong hebben ten opzichte van marktpartijen. Hierdoor kan sprake zijn van ongelijke concurrentie. In 2001 is het wetsvoorstel Markt & Overheid ingediend (Kamerstukken II 2001 – 2002, 28 050, nr. 1–3). Dit wetsvoorstel beoogt oneerlijke concurrentie door deze overheidsorganisaties en ondernemingen met een uitsluitend of bijzonder recht tegen te gaan. Op 30 augustus 2002 heeft het kabinet de Tweede Kamer verzocht de behandeling van het wetsvoorstel Markt en Overheid aan te houden in verband met de heroverweging daarvan door de regering. Mede door de demissionaire status van het toenmalige kabinet heeft deze heroverweging nog niet plaatsgevonden.

Aanbesteden

In 2004 begint EZ met het opstellen van de nieuwe regelgeving voor overheidsaanbestedingen, nadat de startnotitie daarvoor begin 2004 gereed zal komen. De inhoud en vorm van de nieuwe regelgeving zullen de aanbevelingen van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid reflecteren, met name de aanbeveling om te komen tot een strakker en eenvormiger juridisch kader voor de opdrachtverlening op het gebied van Werken. Tevens zal de reikwijdte van de nieuwe regelgeving ten opzichte van de huidige raamwet worden uitgebreid. Een eerste reden hiervoor is de wens om een grondslag te creëren voor de implementatie van aanbestedingsregels die zijn opgenomen in het verdrag van de Wereld Handels Organisatie, maar niet zijn verwerkt in de Europese richtlijnen. Daarnaast is in de afgelopen jaren de behoefte gegroeid om de geringe ruimte voor nationale invulling die de richtlijnen laten, beter en anders te gaan benutten. EZ streeft ernaar de concept-regelgeving in het eerste kwartaal 2005 naar de Ministerraad te sturen.

Normalisatie/Certificatie

Technische normen (afspraken) zijn nodig om veiligheid, gezondheid en bijvoorbeeld milieuvriendelijkheid van producten en processen te garanderen. Europese en internationale normen spelen op dit terrein een belangrijke rol. Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) stelt zich ten doel om – in het belang van gezondheid, veiligheid en doelmatigheid – normen tot stand te brengen. EZ financiert het NEN projectgericht.

Het kabinetsbeleid op het terrein van normalisatie, certificatie en accreditatie berust op twee uitgangspunten:

1. Het benutten van het zelfregulerend vermogen in de markt, waarbij normalisatie en certificatie een alternatief kan zijn voor wet- en regelgeving;

2. Het bijdragen aan het opheffen van technische handelsbelemmeringen op de internationale en Europese markt met behoud van veiligheid, gezondheid en milieu.

Om zowel veiligheid, gezondheid en bijvoorbeeld milieuvriendelijkheid van producten en processen te garanderen als segmentering van markten en ondoorzichtige informatie over producten en diensten door verschillende specificaties per land te voorkomen, is het beleid gericht op:

• het instandhouden van een effectieve en efficiënte infrastructuur voor normalisatie (via het NEN);

• het initiëren van normalisatieprojecten die de markt laat liggen;

• het stimuleren dat de markt deze projecten overneemt. Het streven is dat marktpartijen 50% van de door EZ medegefinancierde projecten overnemen.

Het NEN heeft een Taskforce Business Development die de mogelijkheden onderzoekt van het inzetten van het instrument normalisatie bij nieuwe vakgebieden.

Metrologie: de IJkwet

De IJkwet regelt het toezicht op het correct meten en wegen met goede apparatuur. Het Nederlands Meet Instituut (NMi) en haar dochters dragen hieraan bij door:

• het beheren van standaarden;

• het houden van toezicht op de naleving van de IJkwet;

• het verlenen van metrologische en technische ondersteuning aan EZ bij het opstellen van wetgeving en vertegenwoordiging in internationale gremia.

Uit de evaluatie in 2002 van de financiering, sturing en uitvoering van de publieke taken die het NMi en haar dochters uitvoert, blijkt dat het NMi als privaat bedrijf effectief en efficiënt functioneert. In 2003 wordt de herziening van de sturingsrelatie afgerond. Met ingang van 2004 zal gewerkt worden met strategische meerjarenplannen waarin ook een nadere invulling is gegeven aan de ministeriële verantwoordelijkheid.

Naar verwachting wordt (met enige vertraging) eind 2003 de Europese richtlijn Meetinstrumenten vastgesteld en gepubliceerd. Deze richtlijn vervangt elf bestaande richtlijnen op het terrein van de metrologie. De nieuwe eisen in deze richtlijn zijn minder gedetailleerd en de richtlijn biedt de fabrikant meerdere mogelijkheden om overeenstemming met de nieuwe eisen aan te tonen. Onder meer via een herziening van de IJkwet zet EZ deze nieuwe richtlijn in 2004 om in nationaal recht.

1.2.2 Het versterken van de positie van de consument

Voor een effectieve marktwerking is het van belang dat de consument zijn rol op de markt kan spelen. EZ beoogt een evenwichtige positie van de consument ten opzichte van de aanbieders te bevorderen.

Het bestaande generieke instrumentarium zoals de basisbescherming en het generieke (mededingings)toezicht zorgen ervoor dat de consument zijn rol kan spelen. Om de positie van de consument te versterken heeft EZ een internetportaal (www.staiksterk.nl) ontwikkeld waar consumenten informatie vinden over hun rechten en plichten (basisbescherming). Dit consumentenportaal moet actueel worden gehouden en indien nodig verbeterd. Daarnaast beziet EZ in 2004, mede naar aanleiding van het Europese voorstel voor verbeterde administratieve samenwerking1, of de bestaande infrastructuur voor de afhandeling van klachten van consumenten moet worden versterkt en hoe dat dan het beste kan gebeuren.

Naast het generiek instrumentarium kijkt EZ specifiek wat consumenten op bijvoorbeeld markten in transitie nodig hebben om gebruik te kunnen maken van de keuzemogelijkheden. Dan kan het bijvoorbeeld gaan om het verminderen van onnodige overstapbelemmeringen of het vergroten van de transparantie op een markt. In het kader van de projecten die worden uitgevoerd onder regie van de Interdepartementale Commissie Marktordening wordt bezien of de transparantie vergroot kan worden op de markt voor taxi's, pensioenen en energie. Tevens wordt in dit verband gekeken of het mogelijk is meer transparantie te creëren in het presteren van de overheid. Mogelijk wordt in 2004 een website opgezet waarop verschillende gemeentes met elkaar vergeleken kunnen worden.

Daar waar nog weinig of geen keuzemogelijkheden bestaan, streeft EZ er naar die mogelijkheden te vergroten, onder meer door het invoeren van vraagsturing in semi-publieke sectoren zoals de zorg. Vraagsturing verruimt de keuzemogelijkheden voor burgers/patiënten, zowel ten aanzien van verzekeringsvoorwaarden als zorgverleners, zodat de zorg beter wordt afgestemd op de wensen van patiënten. Het Ministerie van VWS is primair verantwoordelijk voor dit beleidsterrein. EZ is hierbij echter nauw betrokken vanwege haar kennis over algemene vraagstukken inzake marktordening, vraagsturing en consumentenbeleid.

Naast de positie van de consument in de zorgsector is ook de positie van de consument bij vrije beroepen (anderen dan de vrije beroepen in de zorg) zoals notarissen, advocaten en assurantiebemiddelaars een aandachtspunt voor EZ. Op deze markten verkeren consumenten vaak in een positie van afhankelijkheid en ondeskundigheid jegens de aanbieders van financiële of juridische diensten. Hoewel EZ niet primair verantwoordelijk is voor de regulering van deze vrije beroepen zal zij de wijze van regulering voor deze beroepen kritisch onderzoeken op mogelijkheden om de prestaties te verhogen en tarieven te verlagen door bijvoorbeeld onnodige toetredingsdrempels weg te nemen en prestatieprikkels te versterken.

1.2.3 Het bevorderen van concurrentiemechanismen in netwerksectoren

De Nederlandse economie is gebaat bij netwerksectoren die hoge kwaliteit leveren, efficiënt en innovatief zijn. Tegelijkertijd dienen de publieke belangen goed gewaarborgd te zijn. Naast betrouwbaarheid en doelmatigheid (goede prijs/kwaliteitsverhouding) moeten er voldoende keuzemogelijkheden zijn voor de consument. In dit verband zijn twee aspecten van belang. Allereerst de bepaling wat de verantwoordelijkheid is van de overheid en ten tweede waar het ondernemerschap van private partijen kan worden geïntroduceerd. De post-, telecom en kabelmarkt komen in artikel 10 aan de orde. In dit artikel worden de energiemarkt en overige sectoren toegelicht.

1.2.3.1 Energie

EZ bevordert concurrentie in de netwerksectoren elektriciteit en gas. EZ streeft naar een goedwerkende markt voor elektriciteit en gas, waarbij afnemers keuzevrijheid hebben ten aanzien van hun leverancier en de kwaliteit van dienstverlening wordt vergroot. Om dit te realiseren is EZ zowel facilitator als regisseur in zowel de elektriciteits- als gasmarkt en is zij verantwoordelijk voor de liberalisering en privatisering van de energiemarkt. De voorzienings- en leveringszekerheid van energie, welke voor een groot deel bepalend zijn voor de kwaliteit van de dienstverlening, komen in artikel 4, paragraaf 4.2.1 aan de orde.

Liberalisering

EZ heeft het speelveld en de spelregels voor de liberalisering van de energiemarkten door middel van wetgeving bepaald. Dit traject is in 1998 in gang gezet met de totstandkoming van de Elektriciteitswet, in 2000 gevolgd door de Gaswet. Oogmerk van beide wetten was het vrijmaken van de markten door het gefaseerd openen hiervan. Met de vrijmaking van de kleinverbruikers op 1 juli 2004 zal de liberalisering van de energiemarkten zijn afgerond. Hiervoor is inmiddels een algemene maatregel van bestuur in procedure gebracht.

In 2004 zal een evaluatie worden uitgevoerd om te beoordelen of de liberalisering voor consumenten zonder grote problemen verloopt en of de afnemers inderdaad effectief gebruik kunnen maken van hun keuzevrijheid. In het kader van de discussie over de mogelijke privatisering van energiebedrijven dient een dergelijke evaluatie van de marktopening plaats te vinden. De resultaten van deze evaluatie zullen eind 2004 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Privatisering

Privatisering van regionale energiedistributiebedrijven is met het opschuiven van de datum van liberalisering verboden tot 1 januari 2005. Daarna is privatisering in beginsel mogelijk. De datum van 1 januari 2005 kan evenwel worden verschoven bij ministeriële regeling indien: 1) uit evaluatie van de opening van de markt op 1 juli 2004 blijkt dat de liberalisering voor consumenten grote problemen oplevert; of 2) de aangekondigde aanscherping van de wetgeving met betrekking tot het netbeheer nog niet gereed is. Indien een van beide situaties zich voordoet, wordt het privatiseringsverbod verlengd.

Internationaal level playing field

De verschillen tussen de lidstaten van de Europese Unie als het gaat om de mate van liberalisering van de energiemarkt, zowel kwantitatief als kwalitatief, blijven voorlopig nog bestaan. Nederland heeft het afgelopen jaar bijgedragen aan verdere liberalisering en het realiseren van een werkelijk Europees «level playing field». Dit heeft zij gedaan door ondersteuning van de voorstellen van de Europese Commissie voor de elektriciteitrichtlijn, de gasrichtlijn en de verordening met betrekking tot grensoverschrijdend transport van elektriciteit. Deze voorstellen zijn inmiddels door de Raad van het Europees Parlement behandeld en vastgelegd. Vooral ook op het gebied van milieu en fiscaliteit is een verdere Europese harmonisering van groot belang. EZ hoopt in 2004 verdere resultaten te kunnen presenteren aan de Tweede Kamer. Verder is Nederland actief in de Florence-(elektriciteit) en Madrid (gas)fora. Dit zijn informele fora waarbinnen de Europese Commissie, lidstaten, regelgevende instanties en toezichthouders (voor Nederland de DTe) en de beheerders van de landelijke elektriciteits- en gasnetten samenwerken aan het vormgeven van een interne markt voor gas en elektriciteit. Hierbij ligt de focus op het wegwerken van blokkades, zodat een werkelijk level playing field in Europa ontstaat. Nederland voert actief bilateraal overleg met België en Duitsland met als doel verbetering van samenwerking te realiseren tussen Tennet en de Belgische en Duitse TSO's (Transmission System Operators), respectievelijk Elia, RWE.net en Eon.Netz. Deze samenwerking is niet optimaal, waardoor de beschikbare capaciteit op de interconnectoren niet goed wordt benut. Tevens belemmert de bevoegdheid van lidstaten om de export te annuleren een goede werking van de interne Europese energiemarkt. Getracht wordt voor deze problemen een werkbare oplossing te vinden.

Tabel 1.2.3.1 Prestatie-indicator ordenen energiemarkten
Prestatie-indicatorStreefwaarde
Bekendheid met mogelijkheid switchen70%
% gebruikers dat heeft overwogen te switchen10%

Omdat de markt voor kleinverbruikers per 1 juli 2004 open gaat, richten deze indicatoren zich alleen op liberalisering. De ervaring in andere landen leert dat het enige tijd duurt alvorens de bekendheid over keuzevrijheid uiteindelijk leidt tot een verandering van leverancier. Bovendien is een bewuste keuze om niet te switchen, dat wil zeggen na kennisgenomen te hebben van het alternatieve aanbod, ook een belangrijk gegeven. Daarom wordt het percentage gebruikers dat heeft overwogen te switchen, nog los van de vraag of ze daadwerkelijk zijn geswitcht, als een relevante indicator beschouwd.

1.2.3.2 Overige netwerksectoren

In tegenstelling tot de markt voor energie, telecommunicatie, kabel en post geldt voor de overige netwerksectoren (bijvoorbeeld de spoor- en watersector) dat deze niet primair onder de verantwoordelijkheid van EZ vallen. Toch geeft EZ vanuit haar verantwoordelijkheid voor het nationale marktordeningsbeleid via interventies mede richting aan de ontwikkeling van een optimale werking van deze sectoren. In de praktijk betekent dit dat EZ deelneemt aan interdepartementale en internationale overleggen, waarbij zij zich inzet voor het ontwikkelen van een bij de netwerksector passende marktordening. Zo is EZ betrokken bij het IBO-waterbeheer dat zich buigt over de vormgeving van de bekostiging en financiering van het waterbeheer en de waterketen (drink- en afvalwater). Daarnaast is EZ op internationaal niveau betrokken bij de netwerkthema's van de OESO.

De overheidsverantwoordelijkheid voor publieke belangen als universele dienstverlening en bescherming van gebonden klanten is de basis voor de wijze waarop markten geordend worden. De overheid kan zelf de productie en distributie van de diensten voor haar rekening nemen, maar het is ook mogelijk dit op verschillende wijzen over te laten aan private partijen, waarbij de overheid de rol heeft van regelgever en toezichthouder. De gekozen ordeningsvorm moet maximale welvaart voor burgers en bedrijven genereren. Bij de analyse daarvoor wordt onder andere gebruik gemaakt van het Afwegingskader Regulering Netwerksectoren (ARN). De marktordening hangt af van de sectorspecifieke kenmerken en zal dan ook per sector verschillend worden vormgegeven. Desalniettemin spelen bij de verschillende sectoren vaak identieke problemen. Het is daarbij van belang om een zo consistent mogelijk overheidsbeleid te voeren en te leren van beleid zoals het gevoerd wordt op andere terreinen. Het kenniscentrum ordeningsvraagstukken organiseert bijeenkomsten waar met de betrokken departementen het ARN doorlopen wordt. In 2003 zijn onder andere de kabel- en watersector bekeken. Bij het ordenen van markten dient ook nagedacht te worden over toezichtstructuren. EZ is nauw betrokken bij het opzetten van sectorspecifieke toezichtstructuren zoals de vervoerskamer.

Het beleid met betrekking tot afval is neergelegd in het in 2003 in werking getreden Landelijk Afvalbeheer Plan (LAP). Het beleid is er op gericht om per 1 januari 2006 de landsgrenzen open te hebben voor brandbaar afval richting de overige EU-landen onder de voorwaarde van gelijkwaardig speelveld («level playing field») met de ons omringende landen. In 2003 is een interdepartementale werkgroep «level playing field» ingesteld waarin EZ ook deelneemt. Deze interdepartementale werkgroep onderzoekt de effecten die de openstelling van de landsgrenzen op de te waarborgen publieke belangen op afvalstoffengebied heeft. De uitkomsten worden in 2004 bekend.

1.2.4 Het verlagen van administratieve lasten

Administratieve lasten zijn de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. De talrijke administratieve verplichtingen waar bedrijven door de overheid mee worden geconfronteerd, leiden bij ondernemers tot aanzienlijke kosten en ergernissen.

In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken om per Ministerie een plafond vast te stellen aan de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. De coördinatie hiervan ligt bij de Minister van Financiën. Dit in nauw overleg met de Staatssecretaris van EZ. Dit laat onverlet dat elk Ministerie een eigen verantwoordelijkheid draagt.

EZ brengt hiernaast de tegenstrijdige regelgeving voor het bedrijfsleven in kaart en draagt via de ontwikkeling van een ICT infrastructuur, inclusief een basisbedrijvenregister, bij aan de reductie van administratieve lasten. Daarnaast is het Meldpunt voorgenomen regelgeving ondergebracht bij EZ.

Overkoepelende taken

Meldpunt voorgenomen regelgeving

Naast de aanpak van administratieve lasten voortvloeiend uit bestaande regelgeving, krijgt ontwerp-regelgeving aandacht door het Meldpunt Voorgenomen Regelgeving, een initiatief van de Ministeries van EZ, VROM en Justitie. Op basis van evaluaties van de bedrijfseffectentoets (waar administratieve lasten voor het bedrijfsleven een onderdeel van zijn) en de milieutoets heeft de Ministerraad in 2002 een nieuwe toetsingsstructuur ingesteld, die sinds 1 maart 2003 operationeel is. Daarnaast blijft de verplichting voor Ministeries bestaan om bij belastende regelgeving onder andere de eerder beschreven bedrijfseffecten helder in kaart te brengen. Ook dit laatste dient ter beoordeling aan het Meldpunt te worden voorgelegd.

Tevens is een adviesrol bij de toetsing van nieuwe wet- en regelgeving op de gevolgen voor de administratieve lasten weggelegd voor het onafhankelijke Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal).

Aanpak van administratieve lasten door de inzet van ICT

EZ coördineert en regisseert de uitvoering van het programma ICT en Administratieve Lasten 2003–2006. Doel van het programma is het de ondernemer makkelijker te maken om aan de informatievraag van de overheid te voldoen en de informatie die hij verschaft beter te benutten. Daarvoor wordt een hele keten van informatie- en gegevensuitwisseling tussen overheid en bedrijven infrastructurele ICT-voorzieningen ontwikkeld. Het gaat om voorzieningen met een collectief karakter:

• Het bedrijvenloket: één virtueel loket waar de ondernemer, op een overzichtelijke en samenhangende manier, informatie van de overheid kan krijgen en transacties kan verrichten.

• De Overheidstransactiepoort: één adres waar de ondernemer zijn gegevens elektronisch naar kan verzenden. De Overheidstransactiepoort zorgt ervoor dat die informatie op een intelligente en veilige manier bij verschillende overheidsinstanties terechtkomt.

• Het basisbedrijvenregister: één register waar de kerngegevens van alle bedrijven in vastliggen. In 2003 zijn eerste versies of releases van de drie voorzieningen gebouwd. In 2004 volgen de volgende versies, met «slimmere» functionaliteiten en meer informatieaanbod.

In het programma zijn ook afspraken gemaakt over de informatie en berichten die gebruik maken van de verschillende voorzieningen. Het programma richt zich in eerste instantie op de berichtenstromen in het sofi-domein, de informatieverplichtingen van het bedrijfsleven aan het CBS, en berichtenstromen op het gebied van goederenvervoer en landbouw. In 2004 zal het programma zich op deze aspecten verbreden.

Reductie administratieve lasten EZ

Net als elk ander ministerie heeft EZ de verplichting om de eigen administratieve lasten te beperken. Hiervoor stelt EZ een departementaal actieprogramma op.

Als basis heeft EZ een nulmeting laten uitvoeren van alle EZ-wetgeving per stand 31 december 2002. Op basis van dit onderzoek blijkt dat de totale administratieve lastendruk voortvloeiend uit EZ-regelgeving (inclusief CBS) per 31 december 2002 € 644,2 mln bedraagt1. Hiermee is inzichtelijk gemaakt waardoor de administratieve lasten worden veroorzaakt en waar in principe de reductiemogelijkheden zitten die in de periode tussen 2002 en 2006 kunnen worden bereikt.

Om te komen tot een reductiepotentieel optellend tot netto 25%-reductie van de administratieve lasten, heeft EZ in het voorjaar van 2003 een gemengde commissie ingesteld onder voorzitterschap van dhr. Smits, bestaande uit vertegenwoordigers van overheid en bedrijfsleven. Deze gemengde commissie heeft tot taak binnen de EZ-wetgeving reductiepotentieel te vinden en vervolgens de implementatie van de reductievoorstellen te begeleiden.

EZ neemt de doelstelling zeer serieus en komt in de komende jaren met concrete maatregelen op alle EZ beleidsterreinen om haar eigen administratieve lasten fors terug te dringen. Hierbij wordt zowel ingezet op afschaffen van overbodige informatieverplichtingen, alsmede op efficiënter maken van de uitvoering ervan, bijvoorbeeld via ICT. Tevens is de herkomst van regels (EU/nationaal) in kaart gebracht en worden waar zinvol ook acties richting Brussel gestart. Verder is ook bij nieuwe wetgeving en wijzigingen in bestaande wetgeving minimalisering van de administratieve lasten uitgangspunt en worden alternatieven voor regelgeving nadrukkelijk overwogen.

Tabel 1.2.4.1 Prestatie-indicator verlagen administratieve lasten
Prestatie-indicatorStreefwaarde
Reductie administratieve lasten EZReductie van netto 25% in 2007 t.o.v. 2002

1.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 1: Werking van de binnenlandse markten (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)91,593,090,990,185,585,185,1
Programma-uitgaven54,454,253,052,751,551,551,5
Operationeel doel 1.2.1: Bevorderen van concurrentie       
– Bijdrage aan het NMi16,016,216,215,115,115,115,1
– Bijdragen aan diverse instituten3,42,51,31,31,31,31,3
Operationeel doel 1.2.3: Bevorderen van concurrentiemechanismen       
in netwerksectoren       
– Tegemoetkoming Demkolec en stadsverwarmingsprojecten29,529,529,529,529,529,529,5
Operationeel doel 1.2.4: Verlagen van administratieve lasten       
– Bijdrage aan Actal0,30,7     
Algemeen       
– Opdrachten en onderzoek Marktordening/MDW5,25,36,06,85,65,65,6
        
Apparaatsuitgaven37,138,837,937,434,033,633,6
– Personeel Marktordening (DGM&E incl. Actal)6,56,66,16,16,05,65,6
– Apparaatsuitgaven NMa/DTe30,632,231,831,428,028,028,0
        
Uitgaven (totaal)89,3101,492,789,685,685,185,2
        
Ontvangsten (totaal)119,6138,5118,8118,1118,1118,1118,1
– Ontvangsten NMa/DTe4,66,34,74,74,74,74,7
– Ontvangsten TenneT       
– Opbrengsten casino's106,6128,8111,6111,6111,6111,6111,6
– Opbrengst uit vergunningen en keuringen speelautomaten7,51,61,61,61,61,61,6
– Ontvangsten NMi0,70,70,6    
– Diverse Ontvangsten0,21,10,20,20,20,20,2

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid bij het onderhavige beleidsartikel zijn bedragen aan subsidieverplichtingen opgenomen waarvoor in bijlage 6 extra informatie is opgenomen. Deze begrotingsvermelding vormt voor de betreffende subsidieverleningen de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 1: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2002Raming 2003Raming 2004 
 Gemiddelde bezettingGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijs
DG M&E-personeel93,363,596,963,197,362,7
NMa (incl. DTe)-personeel300,058,4303,064,2303,064,3
NMa (incl. DTe)-materieel300,043,8303,053,8303,052,5
Actal8,867,29,057,60,00,0

1.4 Budgetflexibiliteit

 2004 2005 2006 2007 2008 
1. Totaal geraamde kasuitgaven92 650 89 615 85 554 85 059 85 198 
2. Waarvan app.uitgaven37 964 37 430 33 981 33 560 33 560 
3. Dus programma uitgaven54 686 52 185 51 573 51 499 51 638 
4. Waarvan juridisch verplicht7 51814%1 3853%1960%00%00%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten45 20882%45 99988%45 87289%45 86989%45 86989%
6. Waarvan beleidsmatige reserveringen1 9604%4 8019%5 50511%5 63011%5 76911%
7. Totaal54 686100%52 185100%51 573100%51 499100%51 638100%

De raming bestaat in belangrijke mate uit apparaatsuitgaven voor de EZ-diensten NMa en DTe, voor het kernministerie en voor ACTAL. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts beperkt flexibel. Onder «bijdragen aan instellingen/instituten» zijn de werkzaamheden van het Nederlands Meetinstituut in het kader van de IJkwet en de wettelijk bepaalde tegemoetkoming aan elektriciteitsproducenten in verband met stadsverwarmingsprojecten opgenomen. Beide zijn als niet-flexibel te beschouwen.

1.5 Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 1
Operationeel doelEvaluatiemoment
1. Operationeel doel 1.2.12006
2. Operationeel doel 1.2.22006
3. Operationeel doel 1.2.32004/2005
4. Operationeel doel 1.2.42007

1.6 VBTB-paragraaf

Terugkoppeling acties groei-paragraaf 2003 en kwaliteit van de doelformulering

Zoals ook al uit de tekst van dit artikel is gebleken, zijn de doelstellingen en prestatie-indicatoren onder de loep genomen, zodat deze nu beter aansluiten bij het EZ-beleid. Daarbij is met de opname van de benchmarkindicator onder de algemene doelstelling ook invulling gegeven aan de groeiparagraaf uit de begroting 2003. Daarnaast zijn twee prestatieindicatoren voor de energiemarkten toegevoegd. Hiermee is het VBTB-gehalte van dit beleidsartikel vergroot. De prestatie-indicatoren zijn meetbaar en voorzien van een tijdshorizon.

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

In 2005 wordt als prestatie-indicator het percentage switchers van energieleverancier toegevoegd. In 2004 is dit nog niet mogelijk. De meerderheid van de consumenten switcht echter pas na verloop van tijd (omdat er een zekere incubatietijd is voordat men zo'n beslissing neemt) en omdat de marktopening pas op 1 juli 2004 een feit is zullen de effecten met name in 2005 te meten zijn.

2 BEVORDEREN VAN INNOVATIEKRACHT

 Onderdelen toelichting  
 2.0Grafieken 
 2.1Algemene doelstelling  
 2.2Operationele doelstellingen  
  2.2.1 Infrastructuur voor innovatie 
  2.2.2 Innovatie in de markt 
 2.3Budgettaire gevolgen van beleid 
 2.4Budgetflexibiliteit  
 2.5Programmering evaluatieonderzoek  
 2.6VBTB-paragraaf 

2.0 Grafieken

Aandeel artikel 2 in totale EZ-uitgaven (x € 1 mln)

Onderverdeling uitgaven artikel 2 naar operationele doelen (uitgaven x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-3.gif

Verloop ramingen 2001–2008 (x € 1 mln)

Ontvangsten 2001–2008 (x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-4.gif

2.1 Algemene beleidsdoelstelling

De instrumenten onder het artikel 2 dragen bij aan een duurzame economische groei door het versterken van de innovatiekracht van de Nederlandse economie op het gebied van kennis, technologie, arbeid en innovatieve starters. Daarbij worden onderscheiden de marktsector, de kennisinfrastructuur en de intermediaire organisaties. De uitdaging van het innovatiebeleid is om de innovatiekracht in 2005 ten minste te brengen op het niveau van het EU-gemiddelde en in 2010 op het niveau van de kopgroep van EU-landen.

Algemeen

Innovatie is een sleutelfactor voor het realiseren van een duurzame economische groei.

Mede hierom geeft het Hoofdlijnenakkoord van mei 2003 aan dat Nederland tot de Europese voorhoede moet behoren op het terrein van onderzoek en innovatie. Het economisch groeivermogen wordt immers in sterke mate bepaald door het vermogen om op basis van (nieuwe) kennis voortdurend nieuwe en kwalitatief betere producten, processen en diensten met succes op de markt te brengen. Demografische trends als ontgroening en vergrijzing en de toegenomen internationale concurrentie versterken de noodzaak tot meer innovatie.

Belemmeringen voor innovatie kunnen verschillen afhankelijk van het type markt, de soort technologie, het karakter van het netwerk en de aard van het innovatieproces. Voor het innovatiebeleid komt het er dus op aan met een evenwichtige mix van beleidsinstrumenten adequaat te reageren op mogelijk belemmerende factoren1.

De uitdaging in 2004

In het Hoofdlijnenakkoord van het nieuwe Kabinet wordt aangegeven waar het in Nederland op economisch terrein knelt. «De kern van het probleem wordt gevormd door te hoge loonkosten en te weinig innovatief vermogen». Dit probleem gekoppeld aan de hoge ambities betekent dat er sprake is van een flinke uitdaging voor het innovatiebeleid. De verwezenlijking van deze ambitie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en overheden. Het kabinet heeft daarom besloten tot de oprichting van een Innovatieplatform, waarin de bij onderwijs en innovatie betrokken ministers en gezaghebbende personen uit het bedrijfsleven en de publieke kennisinstellingen, onder leiding van de minister-president plannen uitwerken voor de te volgen strategie voor kennisontwikkeling en -exploitatie.

EZ heeft gewerkt aan een nieuwe innovatieagenda op hoofdlijnen voor de komende jaren. Deze Innovatiebrief – die najaar 2003 verschijnt – is de bijdrage van de Minister van Economische Zaken ten behoeve van de discussie in het Innovatieplatform hoe het innovatief vermogen van Nederland te verhogen. De Innovatiebrief vormt mede de invulling van de mededeling van de Europese Commissie «Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa» en enkele moties op het terrein van innovatie.

De uitwerking en implementatie van de Innovatiebrief vragen in 2004 veel aandacht. Een goede implementatie van de verschillende acties is een belangrijke stap op weg naar het realiseren van de Lissabon -doelstellingen en de opstap naar een meer innovatiegedreven groeipad van de Nederlandse economie. Over de hoofdlijnen en oplossingsrichtingen van deze brief wordt het Innovatieplatform geconsulteerd. De hoofdlijnen zijn:

1. Aanpakken van de verslechtering van het innovatieklimaat: zo is sprake van een daling van de R&D-intensiteit van bedrijven en is er sprake van een dreigend tekort aan kenniswerkers (in het bijzonder bèta's en technici). Om aan dit soort uitdagingen tegemoet te komen worden concrete acties ondernomen. Zo wordt de WBSO verhoogd (€ 100 mln structureel), vindt stroomlijning van het innovatie-instrumentarium naar 6 blokken plaats, zal actiever worden getracht R&D-intensieve bedrijven aan te trekken en zullen specifieke acties worden aangekondigd om de instroom in de Bèta en techniek te verhogen1.

2. Dynamiek: qua nieuwe innovatieve bedrijvigheid blijft Nederland achter. Daarom moet het klimaat voor bijvoorbeeld technostarters beter. EZ start in 2004 dan ook onder de noemer TechnoPartner met een verbeterd (en gestroomlijnd) pakket aan maatregelen voor technostarters.

3. Aanpakken van de Nederlandse paradox: De kennis uit de publieke infrastructuur slaat nog te beperkt neer bij de private sector en vice versa. Er is te weinig wisselwerking tussen het private en het publieke onderzoek. De Innovatiebrief komt met acties om de wisselwerking tussen publieke kennisinstellingen en bedrijven verder te verbeteren. Zo zal het nieuwe gestroomlijnde instrumentarium zich meer richten op de bevordering van wisselwerking2. Verder is sprake van acties om het octrooibeleid en het spin-off-beleid van kennisinstellingen te versterken.

4. Concentratie op sleuteltechnologieën: Het opbouwen van een portfolio van (sleutel-) technologiegebieden, gericht op het creëren van focus en massa én talent. De potentiële maatschappelijke baten van deze sleuteltechnologieën rechtvaardigen extra overheidsinspanning bovenop het grotendeels generieke beleid. Het gaat daarbij om het maken van strategische keuzes in samenspraak met de stakeholders. Niet door bij nul te beginnen, maar door uit te gaan van de potentie bij het bedrijfsleven en de kennisinfrastructuur. De aanpak van de gebieden kan verschillen naar aard van de technologie en de fase waarin de technologie zich bevindt. Nog voor het einde van 2003 zal het actieplan life sciences naar de Kamer worden gestuurd. Ook op andere gebieden, zoals nanotechnologie en katalyse, speelt EZ een aanjagende rol.

Nederland heeft de ambitie om in 2010 qua innovatiekracht tot de koplopers van Europa te behoren. De verwezenlijking van deze ambitie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en overheden. De Innovatiebrief is nadrukkelijk ook bedoeld als startschot voor een gezamenlijke aanpak. Daarnaast heeft het Kabinet besloten tot de oprichting van een Innovatieplatform, waarin gezaghebbende personen uit het bedrijfsleven en de publieke kennisinstellingen concrete plannen gaan uitwerken. Dit platform staat onder leiding van de minister-president.

Naar aanleiding van het verschijnen van de Innovatiebrief in de loop van 2003 zullen de huidige prestatie-indicatoren en streefwaarden nader worden bezien. Dit kan leiden tot aanpassingen van artikel 2 in de begroting 2005. In de begroting 2005 zal worden ingegaan op de huidige positie van Nederland binnen de EU-15 en de afstand tot de kopgroep.

Effectindicatoren

Omdat de innovatiekracht zich moeilijk met één indicator laat meten, is ervoor gekozen om op het niveau van de algemene doelstelling vier effectindicatoren te hanteren die een globale indruk geven van de innovatiekracht1. Aan de hand van de volgende indicatoren wordt het «Innovatieprofiel» van Nederland geschetst:

1. R&D-uitgaven van bedrijven als % van het bruto binnenlands product;

2. aandeel innovatieve bedrijven als % van het totaal aantal bedrijven;

3. aandeel innovatieve bedrijven met samenwerkingsverbanden als % van het totaal aantal innovatieve bedrijven;

4. omzetaandeel van nieuwe of verbeterde producten in de industrie als % van de totale omzet in de industrie.

1) Investeringen in R&D liggen aan de basis van het innovatieproces. R&D heeft daarbij een tweeledige functie. R&D is nodig om zelf kennis voor nieuwe producten, processen en diensten te kunnen ontwikkelen, maar ook om elders ontwikkelde kennis te kunnen toepassen. Nederlandse bedrijven investeren relatief minder in R&D dan bedrijven gemiddeld in de EU-landen.

2) De tweede indicator betreft het aandeel innovatieve bedrijven als percentage van het totaal aantal bedrijven. Innovatieve bedrijven zijn gedefinieerd als bedrijven die de laatste drie jaar vernieuwde producten en/of vernieuwde productieprocessen hebben gerealiseerd. In het Innovatieprofiel is een uitsplitsing gemaakt naar innovatieve bedrijven in de industrie (2.a) en in de diensten (2.b). Nederland telt in vergelijking met andere landen relatief veel innovatieve industriële bedrijven. Daarentegen heeft Nederland relatief weinig innovatieve bedrijven in de dienstverlening. Het percentage is lager dan het EU-gemiddelde.

3) De derde indicator, het aandeel innovatieve bedrijven met samenwerkingsverbanden, zegt iets over de mate waarin bedrijven samen of met publieke kennisinstellingen innoveren. Juist die samenwerking is bij innovatie vaak van groot belang. Uit het Innovatieprofiel blijkt dat het aandeel innovatieve bedrijven dat samenwerkt rond het EU-gemiddelde ligt.

4) Het omzetaandeel van innovatieve producten in de totale omzet brengt het belang van de vernieuwing voor bedrijven tot uitdrukking. In de Community Innovation Survey van Eurostat is dit gemeten voor de industrie. Hoewel het aandeel innovatieve bedrijven in de Nederlandse industrie goed is, blijkt de omzet behaald met nieuwe of verbeterde producten relatief laag te zijn (NL: 20% versus EU15: 32%)2. Het aandeel van de vernieuwing in het totaal van de activiteiten is dus relatief laag.

EffectindicatorStreefwaarden (gelijk voor alle indicatoren)Huidige situatie
R&D-uitgaven van bedrijven als % bruto binnenlands product  
Aandeel innovatieve bedrijven als % totaal aantal bedrijven• 2005: afhankelijk van huidige situatie realiseren EU15-gemiddelde of handhaven en uitbouwen positie boven EU15-gemiddelde• NL: 1,09% (2001) EU: 1,21% (2000)
 • A. Aandeel innovatieve bedrijven in de industrie• 2010: kopgroep van EU15-landen• A. NL: 58% (2000) EU: 51% (1996)
 • B. Aandeel innovatieve bedrijven in de diensten. • B. NL: 35% (2000) EU: 40% (1996)
Aandeel innovatieve bedrijven met samenwerkingsverbanden als % totaal aantal innovatieve bedrijven • NL: 24% (2000) EU: 25% (1996)
Omzetaandeel met nieuwe of verbeterde producten in de industrie als % totale omzet industrie • NL: 20% (2000)EU: 32% (1996)

R&D-indicator: NL-cijfer uit CBS (2002), Kleine groei R&D-uitgaven, Persbericht PB02–265, Voorburg en EU-cijfer uit OECD, Main Science and Technology Indicators 2002/2, Parijs; Overige indicatoren: NL-cijfer gegevens verstrekt door CBS (januari 2003) en EU-cijfers uit Eurostat (2000), Survey on innovation in EU enterprises, Second Community Innovation Survey, CD-rom, Luxemburg en CBS (2000), Kennis en economie 2000, Elsevier Bedrijfsinformatie, Den Haag.

De kwaliteit van de prestaties kan alleen goed worden beoordeeld door vergelijking met andere landen. De streefwaarden zijn daarom gerelateerd aan het EU-gemiddelde. Het beleid is er op gericht om in 2005 eventuele achterstanden ten opzichte van het EU-gemiddelde in te halen en in 2010, in lijn met de Lissabon-doelstelling en de daarop aanvullend geformuleerde nationale doelstelling voor alle indicatoren, een positie in de kopgroep van de EU15-landen te realiseren.1 Onderstaande figuur geeft een indruk van de innovatiekracht van een aantal grote en kleine landen binnen de EU-15.

kst-29200-XIII-2-5.gif

R&D-indicator: NL-cijfer uit CBS (2002), Kleine groei R&D-uitgaven, Persbericht PB02–265, Voorburg; cijfers voor EU-gemiddelde en andere landen uit OECD, Main Science and Technology Indicators 2002/2, Parijs. Overige indicatoren: NL-cijfers uit gegevens verstrekt door CBS (januari 2003); cijfers voor EU-gemiddelde en overige landen uit Eurostat (2000), Survey on innovation in EU enterprises, Second Community Innovation Survey, CD-rom, Luxemburg en CBS (2000), Kennis en economie 2000, Elsevier Bedrijfsinformatie, Den Haag. R&D-uitgaven van bedrijven: het cijfer voor Nederland is een voorlopig cijfer van het CBS voor 2001, de cijfers voor Duitsland en Frankrijk betreffen 2001, voor VK en het EU-gemiddelde 2000 en voor Denemarken en Zweden 1999. Overige indicatoren: de cijfers voor Nederland hebben betrekking op 2000, de cijfers voor de andere landen op 1996. Binnenkort (naar verwachting in augustus of september 2003) verschijnen cijfers over 2000 voor de andere landen. Deze waren bij het opstellen van deze begroting echter nog niet beschikbaar.

In de tabel zijn realisatiegegevens voor 2000 opgenomen. Dit zijn de meest recente gegevens van het CBS uit de laatste innovatie-enquête1. Internationaal vergelijkbare gegevens voor 2000 zijn nog niet beschikbaar, maar worden in de loop van 2003 verwacht. Indien deze cijfers voor de parlementaire behandeling van de EZ-begroting beschikbaar komen, zullen deze per brief worden nagestuurd. In de VBTB-paragraaf wordt verder op de beschikbaarheid van cijfers ingegaan.

Bij de verantwoording van het innovatiebeleid treedt een dubbele vertraging op. Ten eerste werkt het innovatiebeleid pas op middellange termijn door in de innovatiekracht. Ten tweede wordt de innovatiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven met een vertraging van enkele jaren gemeten. Internationale vergelijkingen zijn vaak nog later beschikbaar en bovendien niet met een jaarlijkse frequentie. Eén van de belangrijkste gegevensbronnen, de Community Innovation Survey van Eurostat, wordt eens in de vier jaar gehouden (zie ook de VBTB-paragraaf). Derhalve zijn de effecten van het huidige beleid pas na 5 tot 8 jaar in de statistieken terug te vinden.

Het meten van innovatiekracht is nog sterk in ontwikkeling. Hierbij gaat het om het verbeteren van de metingen, het verbeteren van de internationale vergelijkbaarheid en het ontwikkelen van betere indicatoren. Grote verschillen tussen landen en verschillen in scores in de tijd moeten dan ook voorzichtig worden geïnterpreteerd. De genoemde indicatoren geven vooral een indruk hoe het is gesteld met de innovatiekracht van een land.

Veronderstellingen over het doelbereik

De relatie tussen indicatoren en het innovatiebeleid is niet rechtstreeks te leggen. Het beleid is één van de factoren die de scores op deze indicatoren bepalen. Het gaat uiteindelijk om de beslissingen en de prestaties van bedrijven en hierop zijn tal van factoren van invloed. Het innovatiebeleid is er voor om goede randvoorwaarden en de juiste prikkels voor innovatie te creëren door het wegnemen van markt- en systeemimperfecties. Bedrijven nemen echter de beslissingen over de hoogte en richting van hun investeringen in innovatie. Of bedrijven succesvol innoveren is, behalve van de randvoorwaarden die de overheid creëert, afhankelijk van goed ondernemerschap, de stand van de (internationale) conjunctuur en het macro-economische klimaat.

2.2 Operationele doelstellingen

De algemene doelstelling kan worden onderverdeeld in twee operationele doelstellingen:

2.2.1 Een internationaal toonaangevende infrastructuur voor innovatie

2.2.2 Ontwikkeling van innovatie in de markt

2.2.1 Een internationaal toonaangevende infrastructuur voor innovatie

Het beleid richt zich op de voortdurende verbetering van de innovatieve infrastructuur, met als doel zich in alle opzichten aan het internationale niveau te kunnen meten. Binnen deze operationele doelstelling zijn de activiteiten gericht op:

A. Het verbeteren van de wisselwerking tussen de publieke kennisinfrastructuur en het bedrijfsleven;

B. Het verbeteren van de balans tussen kennisbescherming en kennisverspreiding;

C. Het versterken van de bijdrage van het menselijk kapitaal aan innovatie;

D. Het stimuleren van innovatieve starters.

A. Het verbeteren van de wisselwerking tussen de publieke kennisinfrastructuur en het bedrijfsleven

Het beleid richt zich op versterking van de interactie tussen de publieke kennisinfrastructuur en kennisvraag van het bedrijfsleven op strategische onderzoeksgebieden.

Het instrumentarium is dan ook primair gericht op (fundamenteel-) strategisch onderzoek. Kenmerk is de betrokkenheid van het bedrijfsleven, waarbij de vorm en de omvang van de financiële betrokkenheid afhangt van de ontwikkelingsfase van het onderzoeksterrein. Verankering van de samenwerking voor de lange termijn en kennisdiffusie spelen een belangrijke rol in de instrumenten.

Op de IOP's na gaat het bij deze instrumenten om institutionele financiering, welke beoogt de onderzoeksorganisaties in staat te stellen om hun missie op hun werkgebied(en) nu en in de toekomst te realiseren. Daarbij is veelal sprake van een bottom-up aanpak, waarin de project- en programmavoorstellen in samenwerking met bedrijven worden opgesteld.

In dit kader is in 2003 een traject gestart om de samenhang tussen de instrumenten voor het stimuleren van programmatische R&D-samenwerking te versterken. Het te ontwikkelen programmatische instrumentarium verbetert de aansluiting van publieke kennisontwikkeling op de kennisvraag van bedrijven. Hierbij kunnen de resultaten van het verkenningenproces een nuttige rol spelen bij het tot stand brengen van gezamenlijke strategische keuzes. Bij de vormgeving van dit instrumentarium kan door meer focus te geven kritische massa en talent worden ontwikkeld. Voor een effectieve en efficiënte inzet van het programmatische instrumentarium wordt gebruik gemaakt van de resultaten van het verkenningenproces naar potentiële sleuteltechnologieën. Dat proces gaat uit van bestaande potentie bij kennisinfrastructuur en bedrijfsleven en het in samenspraak met de stakeholders maken van strategische keuzes. Een voorbeeld van deze aanpak is de investering in genomics, via het Nationaal Regieorgaan Genomics. Bij de vormgeving van dit instrumentarium wordt gebruik gemaakt van ervaringen met de bestaande instrumenten, zoals STW, IOP's en TTI's.

Op dit moment wordt de brugfunctie van TNO en GTI's tussen het fundamentele onderzoek en toepassing geëvalueerd. Uiterlijk mei 2004 zijn de resultaten daarvan beschikbaar. In de loop van 2004 zal het kabinet zijn standpunt bepalen, waarbij onder meer ook de positionering, sturingsrelatie en (wijze van) financieirng van deze instituten aan de orde kan zijn.

De instrumenten die worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
Technologiestichting STWVia de Technologiestichting STW stimuleert EZ de ontwikkeling van vraaggericht excellent technisch-wetenschappelijk onderzoek aan de Nederlandse universitaire onderzoeksinstellingen. Drie aspecten spelen daarbij een essentiële rol: gebruikersbetrokkenheid bij het onderzoek, utilisatie en onderzoeksrendement. Op grond van de evaluatie in 2002 is de bijdrage aan STW verlengd tot en met 2006.
  
Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma's (IOP's)Het IOP beoogt via een programmatische aanpak het strategische onderzoek aan de Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstituten te versterken in de richting van de innovatiebehoefte van het bedrijfsleven. Er zijn IOP's voor de technologiegebieden beeldverwerking, genomics, industriële eiwitten, mens-machine-interactie, milieutechnologie/zware metalen, oppervlaktetechnologie, precisietechnologie en electromagnetische vermogenstechniek. De middelen worden per programma beschikbaar gesteld voor onderzoek en kennisdiffusie.
  
EZ-financiering aan Grote Technologische Instituten (GTI's)De vijf Grote Technologische Instituten (GTI's: Marin, WL, NLR, GeoDelft en ECN) hebben als doel wetenschappelijke kennis om te zetten in toepassingsgerichte kennis voor het bedrijfsleven en overheid. EZ geeft in combinatie met andere departementen financiering aan Marin, WL, NLR en ECN (voor ECN zie artikel 4). EZ geeft basis/missiefinanciering aan Marin en doelfinanciering aan Marin, NLR en WL. Via cofinanciering (doelfinanciering EZ is afhankelijk van bijdrage bedrijfsleven aan projecten) wordt bevorderd dat het onderzoek van de GTI's goed aansluit op de vraag uit het bedrijfsleven. In 2002 heeft evaluatie van het Waterloopkundig Laboratorium Delft (WL) plaatsgevonden. De meerwaarde van WL voor het bedrijfsleven wordt door alle partijen erkend. Om deze meerwaarde in de toekomst beter en nauwkeuriger te kunnen meten, heeft EZ een aantal prestatie-indicatoren met WL afgesproken, waarbij cofinanciering een van de belangrijkste is. De ontwikkeling en verspreiding van kennis naar het bedrijfsleven wordt daarmee bevorderd.
  
EZ-doelfinanciering TNOTNO heeft als doel wetenschappelijke kennis om te zetten in toepassingsgerichte kennis voor het bedrijfsleven en overheid. Met de doelfinanciering wordt de financiering van TNO door EZ afhankelijk gemaakt van de mate waarin TNO bedrijven bereid vindt om bij te dragen aan onderzoeksprojecten. Daarmee wordt beoogd de vraaggerichtheid van het strategisch en toegepast onderzoek te bevorderen.
  
Technologische Top Instituten (TTI's)Met de bijdrage aan de Technologische Top Instituten wil EZ op een aantal selecte gebieden het innovatievermogen en de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven vergroten. Dit gebeurt via bedrijfsrelevant fundamenteel-strategisch onderzoek van excellent internationaal niveau in een institutionele samenwerking tussen de publieke kennisinfrastructuur en bedrijfsleven. Het gaat om de volgende gebieden: telematica, voeding, polymeren en metalen.

Daarnaast is EZ primair verantwoordelijk voor het ICES/KIS 3 traject1. Eind 2003 zal op basis van de kwaliteit van de 67 ingediende projectvoorstellen besluitvorming plaatsvinden over het definitieve budget voor ICES/KIS 3 en de verdeling van het budget over de geprioriteerde kennisthema's en de projectvoorstellen. Vanaf begin 2004 zullen de gehonoreerde projectvoorstellen van start gaan.

Daarnaast wordt samen met het Ministerie van OCW, bezien hoe in het onderzoeksstelsel de wisselwerking tussen de publieke kennisinfrastructuur en de marktsector kan worden versterkt. Voor universitair onderzoek dicht tegen de innovatieketen wordt toepasbaarheid één van de aspecten van de kwaliteitsbeoordeling.

Tabel 2.2.1.A: Prestatiegegevens kennisontwikkeling en kennisvraag
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Aandeel innovatieve bedrijven dat innoveert in samenwerking met universiteiten en researchinstellingen als % van het totaal aantal innovatieve bedrijven2005: Realiseren EU 15-gemiddelde2010: Kopgroep EU 15 voor zowel samenwerking met universiteiten als samenwerking met researchinstellingen. Samenwerking met universiteiten:• NL: 6% (2000) EU: 8% (1996)Samenwerking met researchinstellingen: • NL: 7% (2000) EU: 8% (1996)

Bron: NL-cijfer: CBS (2003); EU-gemiddelde: Eurostat (2000), Survey on innovation in EU enterprises, Second Community Innovation Survey, CD-rom, Luxemburg.

B. Het verbeteren van de balans tussen kennisbescherming en kennisverspreiding

Een goed intellectueel eigendomsysteem draagt bij aan het bevorderen van de Nederlandse innovatiekracht. Hierbij staat het vinden van de juiste balans tussen kennisbescherming en vrij gebruik van kennis centraal. Het intellectueel eigendomsysteem wordt in sterke mate internationaal bepaald. Het beleid is dan ook voor een groot gedeelte gericht op het mede vormgeven van de wettelijke kaders die internationaal totstand komen. Daarnaast vormt de implementatie van de internationaal overeengekomen wettelijke kaders in nationale wet- en regelgeving onderdeel van het beleid.

Begin 2004 wordt naar verwachting de Rijksoctrooiwet 1910 ingetrokken. Onder de vigerende Rijksoctrooiwet 1995 (ROW 1995) zullen in Nederland alleen (ongetoetste) nationale registratieoctrooien kunnen worden afgegeven. De ROW 1995 vergroot de toegankelijkheid van het octrooisysteem voor het MKB. In 2003 worden bestaande knelpunten voor het MKB bij octrooiering in kaart gebracht. De daaruit voortvloeiende acties zullen in 2004 worden uitgewerkt, mede in navolging van de Innovatiebrief.

In maart 2003 heeft de EU een akkoord op hoofdlijnen bereikt rond het Gemeenschapsoctrooi. De afronding van de desbetreffende EG-verordening en de implementatie daarvan zullen in 2004 de nodige aandacht vergen. Andere onderwerpen die in 2004 in Brussel aan de orde zijn, zijn de wijziging van de verordening voor het Gemeenschapsmerk, de richtlijn voor handhaving van intellectuele eigendomsrechten (ter bestrijding van fraude en piraterij) en de richtlijn betreffende het software-octrooi. De beide richtlijnen zullen na de Brusselse besluitvorming moeten worden omgezet in Nederlandse wetgeving.

Octrooiering draagt bij aan een betere benutting van de in de publieke kennisinfrastructuur ontwikkelde kennis en aan betere afstemming van de publieke kennisontwikkeling op de kennisbehoeften in het bedrijfsleven. Het universitaire veld (met de VSNU en VNO-NCW) werkt in dat kader aan een Kennisexploitatiekaart.

InstrumentenOmschrijving
Internationale organisaties: WTO (World Trade Organisation) WIPO (World Intellectual Property Organisation) EG (Europese Gemeenschap) EOO (Europese Octrooi Organisatie) BeneluxIn deze organisaties komen de internationale afspraken (verdragen, verordeningen, richtlijnen) tot stand die het (wettelijke) kader vormen van het intellectuele eigendomsbeleid.
  
Infrastructuur: BIE (Bureau voor de Industriële Eigendom) BMB (Benelux Merken Bureau) BTMB (Benelux Tekeningen of Modellen Bureau) EOB (Europees Octrooi Bureau) OHIM (Bureau voor Harmonisatie van de Interne Markt)In alle organisaties van de infrastructuur vervult EZ bestuursfuncties. Het Bureau voor de Industriële Eigendom is de uitvoerende organisatie van het Nederlandse octrooisysteem. Het BIE stimuleert het gebruik van het octrooisysteem. Dat systeem is gericht op bescherming van technische kennis en op verspreiding en op het toegankelijk maken van deze kennis. Het budget voor het EOB wordt in de jaren tot 2007 geleidelijk afgebouwd, vanwege de trend naar een Europees en EU-octrooi.
  
Belangrijkste wetgeving: Rijksoctrooiwet 1995 (ROW 1995) Benelux Merken Wet (BMW) Benelux Tekeningen of Modellen Wet (BTMW) Europees Octrooi Verdrag (EOV) Verordeningen en richtlijnen (EG) voor merken, modellen en het auteursrechtAgreement on Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights (TRIPs) in het kader van de WTOEZ oefent invloed uit op de afspraken die in de Europese of ruimere internationale context worden gemaakt. Een directe verantwoordelijkheid is er voor de nationale wetgeving en de Benelux-wetten.
Tabel 2.2.1.B: Prestatiegegevens kennisbescherming en kennisverspreiding
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie (cijfers 2002)  
Aandeel van Nederlandse octrooi-aanvragen in totaal Europese octrooi-aanvragen in kader van het Europees Octrooi Verdrag (EOV)Handhaven positie in top 5 EOV-lidstaten• •NL: 9,4% (3e plaats); Top 5 EOV-lidstaten: Duitsland: 39,4% Frankrijk: 12,8% Ver. Koninkrijk: 8,8% Zwitserland: 7,3%

Bron: Europees Octrooi Bureau (EOB), Jaarverslag 2002.

C. Het versterken van de bijdrage van het menselijk kapitaal aan innovatie

Menselijk kapitaal, in de vorm van een goed opgeleide en breed inzetbare beroepsbevolking, is een essentiële voorwaarde voor innovatie in een kenniseconomie. Op basis van de toenemende vraag naar hoger opgeleiden, de afvlakkende stijging van het aanbod en de onderbenutting van hoger opgeleiden, wordt een tekort aan kenniswerkers verwacht. Nederland heeft met name een groot probleem met het aanbod van bèta's, technici en onderzoekers. Europees gezien bevindt Nederland zich in de achterhoede wat het betreft het aantal bèta's, technici en onderzoekers binnen de beroepsbevolking. Dit zijn zorgwekkende ontwikkelingen. Samen met de ministeries van OCW en SZW is daarom de nota Kenniswerkers opgesteld. Deze wordt naar verwachting in het najaar van 2003 naar de Tweede Kamer gestuurd.

In de kabinetsreactie op het SER-advies «Het Nieuwe Leren: een leven lang leren in de kenniseconomie»1 onderschrijft het kabinet de aanbeveling van de SER om de beleidsinspanningen op het terrein van leven lang leren te intensiveren en de interdepartementale coördinatie te verbeteren. Voor de verbetering van de kwaliteit (en daarmee de inzetbaarheid) van kenniswerkers, zet EZ in op een strategie voor een leven lang leren, in samenwerking met OCW en SZW, sociale partners en onderwijskoepels. Deze strategie zal worden gecoördineerd via het platform Leven Lang Leren. Doel van het platform is om beleid beter op elkaar af te stemmen en daarmee een grotere effectiviteit en meer doelmatige inzet van middelen te realiseren.

Momenteel wordt bezien hoe het gestroomlijnde instrumentarium «Menselijk kapitaal» zal worden vormgegeven. Bestaande instrumenten op het gebied van menselijk kapitaal (zoals hieronder aangegeven) worden hierin meegenomen.

InstrumentOmschrijving
Stichting AXISDe Stichting AXIS is gericht op het bevorderen van het aantal bèta en technische studenten. Hiertoe laat zij o.a. analyses uitvoeren en ondersteunt zij projecten. De subsidieperiode loopt tot en met juni 2004.
  
ScholingsimpulsDe Subsidieregeling scholingsimpuls voorziet in financiële ondersteuning van brancheorganisaties voor het ontwikkelen en testen van innovatieve opscholingstrajecten en de verspreiding van de in het project opgedane ervaringen en resultaten. De regeling is gestart in 2001 en loopt tot en met 2005.
  
Employability-adviesDoel van deze stimuleringactiviteit is om branche-organisaties en bedrijven (vooral MKB) te bewegen om een strategisch HRM-beleid te voeren dat is geënt op de innovatiedoelen van de onderneming. In het bijzonder gaat het hierbij om het driejarige programma Profijt van Mens en Kennis dat Syntens uitvoert en dat ca. 15 000 bedrijven zal bereiken. Dit programma wordt ondersteund door een monitoring-systeem aan de hand waarvan onder meer kan worden nagegaan of de inspanningen leiden tot meer innovatie.
  
Erkenning van Elders Verworven Competenties (EVC)EVC is gericht op het verhogen van employability door het vergroten van de erkenning en zichtbaarheid van reeds verworven competenties in en rond het werk. Hiertoe heeft EZ (in samenwerking met OCW en SZW) het kenniscentrum EVC opgericht. Doelen van het kenniscentrum zijn het bevorderen van kennisoverdracht, het bijdragen aan de ontwikkeling van EVC-systematieken en het stimuleren van het gebruik van EVC. Eind 2004 moet EVC een bekend en geaccepteerd instrument zijn binnen het HRM-beleid van bedrijven. Het kenniscentrum is in januari 2001 gestart. De subsidieperiode loopt tot en met eind 2004.
  
Investors in PeopleMet het keurmerk Investors in People wil de overheid employability vergroten door bedrijven en instellingen te stimuleren om te investeren in de employability van hun medewerkers. Hiertoe is het bureau Investors in People opgericht dat zorg draagt voor het in de markt zetten van het keurmerk. De subsidieperiode loopt tot 2008.
  
Experiment HBO-vouchersEZ participeert met het ministerie van OCW in een experiment met vouchers in het HBO. HBO-studenten krijgen vouchers waarmee ze de laatste twee jaar van hun opleiding kunnen samenstellen. Doel is om praktijkervaring op te doen met een vorm van vraagsturing en na te gaan wat de effecten ervan zijn op leerling, docent en omgeving.
Tabel 2.2.1.C: Prestatiegegevens Menselijk kapitaal
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie 
Aandeel kenniswerkers (HRST) als percentage van bevolking ouder dan 15 jaar*(Middel)lange termijn: handhaven positie in top 5 van Europa••NL: 29,8% (2001; 2e plaats)Top 5 EU:Finland: 32,2% (2001)Nederland: 29,8% (2001) Zweden: 29,8% (2000)Denemarken: 28,6 % (2001)Duitsland: 26,9% (2001)
      
Aandeel 25 tot 64-jarigen dat vier weken voorafgaand aan de enquête participeerde in enige vorm van scholing of training**(Middel)lange termijn: handhaven positie in top 5 van EuropaNL: 16,4% (2002; 5e plaats) Top 5 EU: Verenigd Koninkrijk: 22,3% (2002)Finland: 18,9% (2002)Denemarken: 18,4% (2002)Zweden: 18,4% (2002)Nederland: 16,4% (2002)

* Bron: CBS, Kennis en Economie (2002).

** Bron: Eurostat (2002).

D. Het stimuleren van innovatieve starters

Innovatieve starters dragen in belangrijke mate bij aan het vergroten van het innovatievermogen en de dynamiek van de Nederlandse economie. In het Hoofdlijnenakkoord wordt dan ook aangegeven dat het klimaat voor startende ondernemers in de technologiesector zal worden versterkt. Het beleid richt zich op het bevorderen van starters, met name technostarters en snelgroeiende ondernemingen. Doelen zijn het wegnemen van specifieke belemmeringen voor technostarters en snelle groeiers, het stimuleren van ondernemerschap (houding en vaardigheden) vanuit het onderwijs en het bijdragen aan een «ondernemende» cultuur. Uit de Global Entrepreneurship Monitor1 blijkt dat de overdracht van kennis via startende bedrijven als een van de grootste zwaktes van het Nederlandse ondernemerschapsklimaat wordt gezien. Uit onderzoek2 blijkt dat het aantal spin-offs vanuit kennisinstellingen in Nederland zo'n 30 tot 40 procent achterblijft bij het buitenland.

In 2004 zal gestreefd worden naar een geïntegreerde aanpak van de knelpunten van technostarters. Hiertoe zullen de komende jaren bestaande technostartersinitiatieven worden gestroomlijnd en onder de vlag van TechnoPartner worden samengebracht. TechnoPartner zal erop zijn gericht het starten en groeien van een technologiegebonden onderneming gemakkelijker te maken, waarbij EZ zich richt op de volgende actielijnen: netwerkvorming, financiering, coaching en bewustwording/stimulering.

Om de doorgroei van starters te stimuleren zal Syntens het programma Nieuw Ondernemerschap gaan uitvoeren. Dit programma is gericht op coaching en advisering van doorstarters en groeiers. Het programma sluit aan op de, voor het doorbreken van de glazen plafonds van snelgroeiende ondernemingen, geformuleerde actielijnen gericht op coaching, mentoring en advisering.

InstrumentOmschrijving
TechnoPartnerDoel van TechnoPartner is het verhogen van het aantal en de kwaliteit van technostarters. De actielijnen zijn gericht op het verbeteren van toegang tot risicokapitaal voor technostarters, het verschaffen van informatie en het kweken van bewustwording en het toegankelijk maken van coaching voor technostarters. In 2004 zal TechnoPartner van start gaan.
  
Programma Fast GrowthHet programma gericht op masterclasses «Fast Growth» voor snelle groeiers biedt de deelnemende bedrijven de kans om inzichten te delen en daarnaast vaardigheden en kennis te ontwikkelen op verschillende gebieden (internationalisering, financiering van snelle groei, HRM-beleid). Het programma stelt zich ten doel om zowel persoonlijke als organisatorische groei te bevorderen.
  
Nieuw OndernemerschapNieuw Ondernemerschap is een begeleidingsprogramma voor starters en jonge groeiers die kunnen en willen innoveren. Het programma wordt uitgevoerd door Syntens. Door een integrale aanpak (procesbegeleiding, coaching, netwerkontsluiting) kunnen de starters en jonge groeiers kennis en vaardigheden ontwikkelen om de stap naar een volgende levensfase te kunnen maken.
  
MKBalansMKBalans is een voor het MKB ontwikkeld, online en kostenloos analyse-instrument. De MKBalans geeft de ondernemer een beeld van de immateriële aspecten van zijn bedrijfsvoering door sterktes en zwaktes inzichtelijk te maken. Tevens krijgt de ondernemer adviezen aangereikt waarmee hij kan werken aan verbetering van de bedrijfsvoering.
Tabel 2.2.1.D: Prestatiegegevens Innovatieve starters
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie 
Aantal technostartersToename aantal technostarters met 50% in 2004 t.o.v. 19991999: 1100 technostarters
      
Aandeel snelle groeiers als % van het aantal middelgrote bedrijvenOp lange termijn op gemiddelde van benchmarklanden (VS, VK, Denemarken, België, Duitsland)1995–1998: NL: 10%, gemiddelde benchmarklanden: 17%

Bron:

Aantal Technostarters: Ernst & Young (2001), Internationale Benchmark Technostarters, Utrecht.

Aandeel snelle groeiers: EIM (2001), Internationale benchmark ondernemerschap 2001, Zoetermeer.

2.2.2 Ontwikkeling van innovatie in de markt

De ontwikkeling van innovatie in de markt behelst het versterken van de innovatiekracht van het bedrijfsleven. De doelstelling is er op gericht om het bedrijfsleven voortdurend te stimuleren tot het vernieuwen van productieprocessen en producten, zodat de Nederlandse bedrijven tot de internationale koplopers gaan c.q. blijven behoren. Binnen deze operationele doelstelling zijn de activiteiten gericht op:

A. Het vergroten van investeringen in kennisontwikkeling door individuele bedrijven en in samenwerkingsverbanden;

B. Het vergroten van de verspreiding van kennis naar bedrijven, met name het MKB;

C. Het stimuleren van kennisontwikkeling en -benutting op strategische gebieden.

Voor deze operationele doelstelling zijn, met uitzondering van het strategisch gebied ICT, geen specifieke prestatie-indicatoren geformuleerd. Het beleid gericht op deze doelstelling draagt direct bij aan prestaties van de marktsector en dus aan de vier prestatie-indicatoren zoals geformuleerd voor de algemene beleidsdoelstelling in paragraaf 2.1.

A. Het vergroten van investeringen in kennisontwikkeling door individuele bedrijven en in samenwerkingsverbanden.

Het beleid is er op gericht om de investeringen door bedrijven in kennisontwikkeling te vergroten en het rendement op deze investeringen te verhogen. EZ doet dit door het stimuleren van nationale en internationale samenwerking bij innovatieprojecten tussen bedrijven onderling en met kennisinstellingen.

Conform de kabinetsreactie op het IBO Technologiebeleid is gestart met de stroomlijning van het samenwerkingsinstrumentarium. Er is een nieuw generiek samenwerkingsinstrument (PSI) ontwikkeld waarin de volgende instrumenten zijn opgegaan: Economie, Ecologie en Technologie (EET), Technologische Samenwerking (TS), Technologische OntwikkelingsProjecten (TOP) en een deel van Bedrijven Samenwerking Energieprogramma's (BSE). Om ondoelmatige overlap te voorkomen, wordt met VROM gesproken over het verwijderen van de R&D-component uit het deelprogramma Milieu en Technologie (ProMT) van de Subsidieregeling Milieugerichte Technologie (SMT).

In lijn met de kabinetsreactie op het IBO Technologiebeleid zal per 1 januari 2004 de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO), na de eerste stap in 2003, verder worden aangescherpt. Hiertoe worden onder andere maatregelen genomen om oneigenlijk gebruik van de technostartersfaciliteit te voorkomen. Om met name het midden- en kleinbedrijf te stimuleren te investeren in onderzoek en ontwikkeling wordt het budget van de WBSO vanaf 1 januari 2004 gefaseerd verhoogd. In 2004 wordt het budget met € 50 mln verhoogd, in 2005 met € 75 mln en in 2006 en latere jaren met € 100 mln per jaar. Om hier invulling aan te geven worden de tarieven van de 1e en 2e schijf geleidelijk verhoogd en wordt de lengte van de eerste schijf geleidelijk verlengd. Tevens wordt de vaste aftrek voor (startende) zelfstandigen verhoogd.

Nederland wordt in de zomer van 2004 voorzitter van het technologieprogramma Eureka. Ter voorbereiding hierop werkt EZ al samen met de huidige (Denemarken) en de volgende voorzitter (Frankrijk). Nederland zet in op de volgende drie prioriteiten:

– Stroomlijning van de Eureka-organisatie en besluitvorming binnen Eureka (noodzakelijk gezien het snelgroeiende netwerk);

– Kwaliteitsverbetering van de projectenportefeuille;

– Samenwerking tussen Eureka en het Kaderprogramma van de EU (met name wordt gekeken naar de positie van Eureka binnen de European Research Area).

Naast deze prioriteiten zal Nederland aandacht besteden aan een inhoudelijk thema. Hierover vinden verkennende gesprekken plaats met andere ministeries.

In het zesde Kaderprogramma is een aantal nieuwe instrumenten geïntroduceerd: de geïntegreerde projecten en excellente netwerken. Deze zijn gericht op integratie en tegengaan van versnippering van onderzoeksinspanningen in de Europese Unie. Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004 zullen deze nieuwe instrumenten door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Verder zal tijdens een informele Raad voor het Concurrentievermogen het thema «kennis en innovatie» centraal staan.

De instrumenten die worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
Kennisontwikkeling individuele bedrijven 
Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)De WBSO is een generieke fiscale regeling, waarmee de overheid investeringen in speur- en ontwikkelingswerk door ondernemers wil bevorderen. Dit vindt enerzijds plaats via een vermindering van de afdracht van loonbelasting en premies volksverzekeringen van S&O-werknemers. De loonkosten van S&O werknemers worden hierdoor verlaagd. Anderzijds door een aftrek van de winst voor zelfstandigen met S&O-activiteiten. Voorwaarde om in aanmerking te komen voor de WBSO is dat het gaat om technologische S&O-activiteiten die nieuw zijn voor het bedrijf.
  
Kennisontwikkeling in samenwerking 
Projectmatige samenwerkingsinstrument (PSI)PSI heeft als doel bedrijven en publieke kennisinstellingen (door middel van een financiële maatregel) te stimuleren R&D-projecten uit te voeren in nationale en internationale samenwerkingsverbanden teneinde hun concurrentie- en kennispositie te verbeteren. Hoofdbestanddeel van dit nieuwe instrument is dat onderzoeks-, en ontwikkelingsprojecten, waarbij wordt samengewerkt, worden getenderd op basis van de criteria innovativiteit, samenwerking, economisch perspectief en duurzaamheid. De regeling bevat ook een faciliteit voor haalbaarheidsprojecten en treedt in werking op 1 januari 2004.
  
EUREKAEUREKA is een Europees intergouvernementeel technologienetwerk dat grensoverschrijdende technologische samenwerking bevordert die relatief dicht bij de markt ligt. EUREKA-projecten worden nationaal gefinancierd, in Nederland via het Projectmatige samenwerkingsinstrument.
  
EU KaderprogrammaHet Kaderprogramma (KP) is een programma van de Europese Unie om het onderzoeks- en innovatievermogen te verhogen via het bevorderen van grensoverschrijdende wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen uit de lidstaten. EZ adviseert over de werkprogramma's op een aantal (technologie-)thema's, waaronder life sciences, nanotechnologie, lucht- en ruimtevaart, duurzame transport, kenniswerkers, MKB en onderzoeksinfrastructuur. Ook stimuleert EZ, via Senter/EG Liaison, Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen tot deelname in het zesde KP om toegang te krijgen tot kennis en een rol van betekenis te spelen in de Europese onderzoeksruimte.
  
TWA-netwerkHet netwerk van Technisch-Wetenschappelijke Attachés (TWA-netwerk) is een onderdeel van EZ. De TWA's werken pro-actief aan het activeren en koppelen van de vraag naar en het aanbod van kennis over technisch-wetenschappelijke ontwikkelingen in Nederland en het buitenland. Het netwerk richt zich op bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties in Nederland en in het buitenland en concentreert zich op technologieën die voor de Nederlandse economie van belang zijn. De TWA's zijn gestationeerd in Duitsland, Frankrijk, Italië, de Verenigde Staten (Washington en Silicon Valley), Japan, het Verenigd Koninkrijk en Singapore.
  
 Het TWA-netwerk is in 2002 geëvalueerd. Het netwerk scoort goed waar het de tevredenheid, gebruik en impact van het netwerk betreft. Verbeterpunten zijn het komen tot een betere onderlinge afstemming van de TWA-media en een betere communicatiestrategie richting doelgroep én een expliciete missie en taakstelling voor het TWA-netwerk. Daarnaast werd als overweging gegeven om een TWA-post in het Verenigd Koninkrijk te openen.
  
 Op basis van de evaluatie is in 2003 een missie en taakstelling ontwikkeld die past bij de gewenste vernieuwing van het TWA-netwerk, is het producten- en dienstenaanbod gemoderniseerd, heeft uitbreiding van het netwerk plaatsgevonden (Verenigd Koninkrijk is geopend) en zijn organisatorische verbeteringen doorgevoerd binnen het netwerk en in relatie tot EZ.

B. Het vergroten van de verspreiding van kennis naar bedrijven, met name het MKB.

Het concurrentievermogen van het bedrijfsleven is, naast het vermogen om te innoveren door nieuwe kennis te ontwikkelen, ook afhankelijk van het vermogen nieuwe kennis slim toe te passen. Verspreiding van kennis is belangrijk om tot toepassing van nieuw ontwikkelde kennis te komen. Met name het MKB heeft moeite op eigen kracht nieuwe kennis in huis te halen. Naast de bedrijven en de kennisinstellingen zelf, spelen intermediairs een grote rol in het verspreiden van kennis.

In 2003 is de pilot Innovatienet gestart met een beperkt aantal deelmarkten. Via internet kunnen ondernemers bij Innovatienet terecht voor alle vragen met betrekking tot innovatieve bedrijfsvoering. Zij kunnen kennis opdoen en hun netwerk uitbreiden. In 2004 zullen meer deelmarkten en partijen worden betrokken. Eind 2004 wordt de pilot afgerond en wordt bezien of Innovatienet bestaansrecht heeft en zo ja, in welke vorm.

Het beleid om kennisverspreiding te vergroten is in 2003 tegen het licht gehouden. Daarbij is gekeken naar de plaats van het kennisverspreidingsbeleid binnen de totale beleidsmix en naar de focus en de uitvoering van dit beleid. Binnen dit kader wordt in de zomer van 2003 de evaluatie van de kennisoverdrachtsregelingen SKB en SKO afgerond. Op basis van onder meer deze evaluatie zal het kennisoverdrachtsbeleid nader vorm worden gegeven.

Syntens heeft mede tot doel het MKB dat in potentie kan innoveren aan te zetten tot investeringen in onderzoek en ontwikkeling en hen door te geleiden naar het innovatieondersteunende instrumentarium. De WBSO vormt daarbij de logische eerste stap. Naar aanleiding van de éénmeting Syntens worden in 2003 met Syntens afspraken gemaakt over aanpassingen in de strategie en de afbakening van de doelgroep.

EZ stelt zich als doel internationaal voorop te lopen in de toepassingen van ICT in bestaande economische activiteiten. Gerichte inzet van ICT in interne en externe bedrijfsprocessen kan een bijdrage leveren aan het verhogen van de productiviteit van bedrijven en vormt een draaggolf voor andere innovatieve processen. Het stimuleren van de verspreiding van ICT-toepassingen naar het MKB krijgt dan ook specifieke aandacht.

Vanuit de ambitie in 2010 tot de kopgroep van de EU-landen te behoren, zal komend jaar worden uitgewerkt welke rol de overheid heeft bij de ontwikkeling van het MKB tot «e-businesses» (een en ander binnen het kader van Nederland Gaat Digitaal en in aansluiting met andere beleidslijnen), en hoe die rol op efficiënte wijze kan worden ingevuld. Bovendien zal worden bezien hoe de indicator een beter beeld van het «gebruik» van ICT kan weergeven.

De instrumenten die worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
Kennisverspreiding 
SyntensSyntens is een landelijk netwerk, met 15 vestigingen verdeeld over 6 regio's, dat als doel heeft het versterken van het innovatief vermogen van het MKB door technologische en niet-technologische innovatiegerichte kennis toegankelijk en toepasbaar te maken voor het MKB. De éénmeting Syntens in 2002 heeft uitgewezen dat door Syntens de innovativiteit van bedrijven aanmerkelijk is toegenomen, evenals de samenwerking tussen bedrijven en de bedrijfsprestaties. De samenwerking met kennisinstellingen komt vooralsnog minder goed van de grond. \
In het kader van de subsidietaakstelling wordt het budget voor Syntens structureel met ruim € 1,6 mln verlaagd. Dit betreft circa 5% van het meerjarige budget. De verlaging is naar verwachting mogelijk zonder beleidsmatige gevolgen, aangezien een herziening van de regionale presentie van Syntens, ROM's en Kamers van Koophandel zal plaatsvinden waar synergie-effecten uit moeten voortvloeien. Aangezien de VBTB-prestatie-indicatoren op het niveau van het algemene beleidsdoel liggen, heeft de korting geen gevolgen voor de streefwaarden.  
  
Branchegericht kennisoverdracht instrument (SKB)De regeling beoogt via branches een actieve kennisoverdracht van praktisch toepasbare kennis en technologie naar het MKB te bereiken. Branches kunnen via deze regeling subsidie krijgen voor kennispositieprojecten en kennisoverdrachtprojecten.
  
Kennisoverdracht ondernemers MKB (SKO)De SKO stimuleert het technologievolgend MKB om bestaande, maar voor het bedrijf nieuwe technologieën in processen, producten of diensten toe te passen. Concreet kunnen MKB-bedrijven subsidie krijgen voor het m.b.v. een externe deskundige opstellen van een strategieplan, voor een haalbaarheidsproject of voor het in dienst nemen van een (pas) afgestudeerde die een technologische vernieuwing m.b.v. een vernieuwingsplan doorvoert in de onderneming van de aanvrager.
  
First Mover FaciliteitDe Onderlinge Verzekeringsmaatschappij «FMF» (op te richten door marktpartij) bevordert de marktintroductie van nieuwe milieutechnologieën door het afdekken van first mover risico's. EZ is voornemens een achtergestelde lening te verstrekken aan de Onderlinge. Het budget voor de FMF is met een derde verlaagd. Op basis van een recent advies van NIB Consult kan voor de FMF met een lager bedrag worden volstaan dan aanvankelijk was begroot. Aangezien op basis van het NIB-advies hetzelfde resultaat naar verwachting met minder middelen kan worden bereikt, heeft de korting geen gevolgen voor de streefwaarden.
  
Inzet van ICT 
Plan van Aanpak «Het MKB in De Digitale Delta»Het plan is bedoeld om gedurende 4 jaar (2002–2005) het MKB aan te zetten tot het toepassen van internet en e-commerce. Bij de uitvoering van het Plan van Aanpak speelt Syntens een centrale rol. Zij verzorgt o.a. grote aantallen regionale workshops, spreekuren en maatwerkadviezen voor het MKB. Verder organiseert Syntens het brancheprogramma «Nederland gaat digitaal», dat in nauw overleg met VNO-NCW en MKB Nederland is opgezet. Het Telematica Instituut levert daaraan een bijdrage rond de thema's «Elektronische Marktplaatsen» en «Application Service Providers». Het Electronic Commerce Platform Nederland draagt bij aan de inbreng van de gedragscode e-commerce in het brancheprogramma. Samen met de Hoofdbedrijfschappen Detailhandel en Ambachten voert Syntens het project «Over De Digitale Drempel» uit.
  
Spin off «Concurreren met ICT-competenties» (CIC) naar innovatief MKBIn samenwerking met Syntens, MediaPlaza en Senter worden MKB-ondernemers door middel van seminars en workshops geïnformeerd over baanbrekende ICT-mogelijkheden uit het selecte aantal CIC-toepassingsgebieden.
Tabel 2.2.2. A: Prestatiegegevens toepassing van internet en e-commerce door het MKB
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Percentage MKB-bedrijven dat zakelijke transacties via internet verrichtIn 2005 verricht tweederde van het MKB zakelijke transacties via internet (i.e. doet op elektronische wijze zaken met afnemers, toeleveranciers of andere zakelijke relaties)2003 1e kwartaal: 66%2001 4e kwartaal: 59%2001 1e kwartaal: 36%1999 4e kwartaal: 18%

Bron gegevens huidige situatie: NIPO 2003.

– De NIPO-meting in het eerste kwartaal van 2003 toont wederom een groei van het aantal bedrijven dat op elektronische wijze zakelijke transacties verricht. Hierbij moet worden opgemerkt dat het in een groot aantal gevallen uitsluitend nog maar gaat om telebankieren. In deze meting is ook gekeken naar het aantal bedrijven dat daadwerkelijk in- en/of verkoopt langs elektronische weg. Dit percentage ligt op 48%.

C. Het stimuleren van kennisontwikkeling en -benutting op strategische gebieden.

Excelleren in kennis kan naast goed en toegankelijk hoger onderwijs door concentratie van onderzoeksgebieden en -locaties. Naast de inzet van generieke instrumenten om knelpunten voor de marktsector in het dynamische innovatiesysteem aan te pakken, wordt aan een aantal technologiegebieden specifieke aandacht besteed. Het gaat om technologieën waarvan voor duurzame economische groei veel verwacht mag worden (ICT, life sciences). Deze technologieën hebben een (zekere mate van) «enabling» karakter, dat wil zeggen dat ze nieuwe innovatiekansen creëren op allerlei terreinen. Om focus en massa én talent op strategische gebieden te bewerkstelligen, wordt een portfolio opgebouwd van (sleutel-)technologiegebieden. Niet door bij nul te beginnen maar door uit te gaan van de potentie bij het bedrijfsleven en de kennisinfrastructuur en door in samenspraak met de stakeholders strategische keuzes te maken. Het Innovatieplatform kan hulpzaam zijn bij het identificeren van strategische gebieden.

Afhankelijk van de aard van de technologie en de fase van ontwikkeling, kan het innovatiesysteem binnen het betreffende onderzoeksgebied verschillen en op onderdelen falen. Afhankelijk van de knelpunten in het betreffende innovatiesysteem kunnen acties worden ingezet variërend van het stimuleren van het gebruik van het generieke instrumentarium, het aanzetten tot meer samenwerking en gezamenlijke acties door bedrijven en kennisinfrastructuur, tot het opnemen van een technologie als sleuteltechnologie in het nieuwe, gestroomlijnde programmatische instrumentarium.

Een belangrijke sleuteltechnologie is ICT. EZ stelt zich tot doel internationaal voorop te lopen in de creatie van nieuwe activiteiten en toepassingen van ICT in bestaande economische activiteiten.

In het actieplan «Concurreren met ICT-competenties» (CIC)1 is dan ook de ambitie neergelegd om een kennis- en innovatiepositie van hoog gehalte te realiseren, voor zowel ICT-technologie als ICT-toepassingen. De gehele kennisketen (van kennisopbouw tot en met baanbrekende toepassingen) staat hierin centraal. Het doel is sterke ICT-clusters te creëren, waarin aanbieders en gebruikers van ICT zorgen voor vernieuwende toepassing van deze kennis en een topkennisinfrastructuur voor ICT-onderzoekers en -deskundigen. De actielijnen van CIC en de instrumenten zullen steeds gerichter op die kennisketens worden ingezet. Daarnaast is inzet op de internationale dimensie noodzakelijk om aan te haken bij de European Research Area (ERA) én om het internationale R&D-bedrijfsleven en buitenlandse kenniswerkers voor de Nederlandse ICT-kennisomgeving te interesseren.

Begin 2004 zal het onderdeel «ICT-Kennis en innovatie» uit de Innovatiebrief en ICT-beleidsagenda verder worden uitgewerkt. Kernwoorden van deze nieuwe agenda zullen zijn a) verankering en rendement van kennisinvesteringen, b) daadwerkelijke versnelling van ICT-toepassing en c) internationale positionering (ERA, vestigingsklimaat).

In 2004 zal verder aandacht worden besteed aan:

• de verspreiding en verankering van de uitkomsten van de toekomstvisies (next generation scenario's) en ICT-doorbraakprojecten in diverse toepassingsgebieden.

• de implementatie van de projecten binnen de vijf ICT-hoofdthema's van ICES-KIS 3. Centraal hierbij staan de profilering en internationale positionering van deze kennisthema's.

• de Nederlandse inbreng in het grootschalige internationale Information Society Technologies (IST) congres, wat gehouden zal worden in Amsterdam. In 2004 zal dan ook geen separaat ICT-Kenniscongres plaatsvinden.

• het aansluiten van kennisconsortia op de te onderscheiden ICT-hoofdthema's binnen het zesde Kaderprogramma-IST en verdere verankering van kennisconsortia in «excellente netwerken» en «geïntegreerde projecten».

Een andere belangrijke sleuteltechnologie met een duidelijk enabling karakter is life sciences. Life sciences kan in grote delen van de economie een impuls geven aan innovatie en daarmee bijdragen aan «een duurzame economische groei». Het ambitieniveau hierbij is om het bedrijfsleven in Nederland tot de internationale kopgroep te laten behoren en om in Nederland een, in vergelijking tot het buitenland, uitstekend life sciences klimaat te scheppen. In het najaar 2003 ontvangt de Kamer, in aansluiting op de Innovatiebrief, een hierop gericht en nader uitgewerkt actieplan voor de periode 2003–2008.

De huidige portfolio van sleuteltechnologieën behelst naast ICT en life sciences ook nanotechnologie en katalyse. De portfolio is echter dynamisch en wordt gevuld via een verkenningenproces.

In de eerste helft van 2003 is een viertal verkenningen van potentiële sleuteltechnologieën afgerond, te weten: robotica, microsysteemtechnologie, scheidingstechnologie en functionele materialen. In het verkenningenproces is gekeken welke bijdrage deze technologiegebieden kunnen geven aan duurzame economische groei, of een basis in kennisinfrastructuur en bedrijfsleven aanwezig is, welke knelpunten zich bij de ontwikkeling en toepassing ervan kunnen voordoen, wat de mogelijke oplossingen daarvoor zijn en welke rol EZ daarbij kan spelen. Deze gebieden dragen potentie in zich, zij het dat die potenties verschillen in omvang. Per gebied zullen, afhankelijk van de resultaten van de verkenningen en in samenspraak met de stakeholders, waar relevant, passende beleidsacties uit het eerder genoemde scala van mogelijke acties worden geselecteerd.

In de tweede helft van 2003 worden enkele nieuwe verkenningen gestart, gebaseerd op de keuze van een externe adviescommissie naar aanleiding van een door EZ en TNO uitgevoerde analyse.

De uitgevoerde interim-evaluatie van het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart zal in combinatie met de evaluatie van het Regeringsstandpunt Luchtvaartcluster leiden tot een nieuw standpunt aangaande luchtvaart in de loop van 2004. De implementatie van de bevindingen zal in 2004 ter hand worden genomen.

In april 2004 maakt voor de tweede keer een Nederlandse astronaut een ruimtevlucht en voert diverse wetenschappelijke en industrieel/technologische experimenten uit.

De instrumenten die worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
Strategische Gebieden 
  
ICT 
Micro-electronica-stimuleringMiddels subsidies worden ontwikkelingen van nieuwe technologieën en nationale en internationale samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen in het micro-electronicacluster gestimuleerd. Verreweg de meeste steun vindt plaats in het kader van de Eureka-programma's ITEA (looptijd 1999 t/m 2007) en MEDEA+ (looptijd 2001 t/m 2008).
  
Actieplan Concurreren met ICT-Competenties (CIC)Met het Actieplan CIC bevordert de overheid de Nederlandse kennis- en innovatiepositie via kennisopbouw, strategische samenwerking in ICT-doorbraakprojecten en efficiënte inzet van ICT-deskundigheid. Doelgroep: bedrijven en kennisinstellingen aan ICT-vraagzijde en ICT-aanbodzijde. Looptijd: 2000 – 2005. Instrumenten betreffen het mobiliseren van stakeholders (onder meer door Next Generation scenario's, brokerage evenementen, ICT-Forum, ICT-Kenniscongres en -beurs, marktinitiatief voor Software Efficiency, www.cic-online.nl) en subsidies voor R&D-samenwerkingsprojecten (Progress formule, subsidieregeling Technologische Samenwerking, ICES/KIS).
  
 In 2004 zal naar aanleiding van de midterm review van het ICT-kennis en -innovatiebeleid het instrumentarium worden aangescherpt, met name met het oog op het realiseren van rendement op de investeringen in kennisontwikkeling (o.a. ICES/KIS). Met het ICT-Forum zal worden gewerkt aan de koppeling van toepassingsgebieden aan de ICT-onderzoekdomeinen (hoofdthema's ICES/KIS-3).
  
Life sciences 
BioPartnerBioPartner is gericht op het bevorderen van nieuw ondernemerschap in het life sciences-cluster. BioPartner bestaat uit verschillende actielijnen voor het verschaffen van informatie, risicokapitaal, facility sharing en incubator-faciliteiten voor starters. BioPartner zal aansluiten bij TechnoPartner, de vlag waaronder de technostartersinitiatieven zullen worden samengebracht.
  
Actieplan GenomicsHet kabinet heeft voor de periode 2001–2006 ca. € 190 mln. beschikbaar gesteld voor Genomics, dit is inclusief het reeds eerder gestarte IOP Genomics. Het bij NWO ondergebrachte Nationale Regie-orgaan Genomics (NROG) heeft in 2002 vier zwaartepunten voor genomics-onderzoek geselecteerd: biosystemen, industriële fermentatie, kankeronderzoek en medische biologische systemen. Daarnaast zijn landelijke centra voor maatschappelijk onderzoek, bio-informatica en proteomics tot stand gekomen. Naar verwachting zal in 2004 een aantal nieuwe vraaggestuurde onderzoeksconsortia van samenwerkende bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke groeperingen van start gaan op terreinen als infectieziekten, bodemdetectiesystemen en nutrigenomics.
  
Actieplan Life sciencesHet actieplan life sciences zal in het najaar 2003 in aansluiting op de Innovatiebrief verschijnen. In 2002 en 2003 zijn studies1 van de knelpunten in het innovatiesysteem van life sciences uitgevoerd. Op basis van deze analyse zullen samen met de stakeholders concrete acties worden overeengekomen om de belangrijkste knelpunten aan te pakken.
Katalyse 
KatalyseHet platform ACTS (Advanced Catalytic Technologies for Sustainability), opgezet door bedrijven, kennisinstellingen en overheid (EZ), is sinds de start begin 2002 actief om de internationale positie van Nederland op het gebied van katalyse te versterken. Katalyse kan met behulp van actieve stoffen, micro-organismen of enzymen nieuwe processen en producten mogelijk maken. Twee onderzoeksprogramma's lopen reeds, een derde start binnenkort: resp. «Integratie Biosynthese & Organische Synthese», «Duurzame Waterstof» en ASPECT (Advanced Sustainable Processes by Engaging Technologies). Binnen de EU speelt ACTS inmiddels een trekkersrol.
  
Nanotechnologie 
NanotechnologieNanotechnologie omvat een scala aan onderzoeksgebieden op het raakvlak van life sciences, ICT, materialen en procestechnologie. EZ geeft sinds 2002 ondersteuning aan NanoNed, een samenwerkingsverband van kennisinstellingen dat samen met het bedrijfsleven onderzoek uitvoert op een aantal prioritaire gebieden binnen de nanotechnologie. NanoNed speelt een actieve rol in het stimuleren van deelname aan het zesde Kaderprogramma van de EU en het verwerven van een positie in de Europese excellente netwerken. Ook heeft NanoNed een programmavoorstel ingediend voor ICES/KIS-3.
  
EMVT 
Elektromagnetische Vermogenstechniek (EMVT)EMVT, ook wel de nieuwe elektrotechniek genoemd, is de techniek die het steeds sneller schakelen van steeds hogere vermogensdichtheden met steeds kleinere halfgeleidercomponenten mogelijk maakt. In 2004 wordt ondersteuning gegeven aan apparatuurinvesteringen bij non-profit instellingen voor de uitvoering van fundamenteel onderzoek in projecten van de tweede tender van het IOP EMVT. Verder wordt een bijdrage gegeven aan gemeenschappelijke test- en onderzoeksfaciliteiten voor het opschalen van fundamenteel onderzoek naar de praktijksituatie van een groot net.
  
Lucht- en Ruimtevaart 
Civiele Vliegtuig Ontwikkeling (CVO)Met de door het NIVR uitgevoerde CVO-regeling bevordert de overheid de civiele vliegtuigontwikkeling in Nederland, door de deelname van Nederlandse bedrijven aan internationale vliegtuigontwikkelingsprogramma's te ondersteunen. Deze programma's betreffen industrieel onderzoek en preconcurrentiële ontwikkeling. Ondersteuning vindt plaats door middel van subsidies en kredieten. De CVO-regeling wordt in 2003 als onderdeel van de evaluatie van het regeringsstandpunt Luchtvaartcluster geëvalueerd.
  
Basisonderzoek luchtvaartHet basisonderzoek luchtvaart loopt via het NIVR en stelt de kennisinfrastructuur in staat om kennis te genereren, die op de middellange termijn nodig is voor behoud en versterking van de positie van het luchtvaartcluster in Nederland.
  
Nederlands Instituut voor Vliegtuig-ontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR)Het NIVR is een intermediaire organisatie die regelingen voor de overheid uitvoert en platforms organiseert op diverse terreinen van lucht- en ruimtevaart. Naast de uitvoerende taak heeft het NIVR ook een adviserende taak richting de overheid via de Raad van Advies. Dit jaar wordt via een interim-evaluatie bezien wat tot nu toe is gerealiseerd van de aanbevelingen uit de heroriëntatie van het NIVR in 1998. Over de uitkomsten zal de Kamer schriftelijk worden geïnformeerd.
  
Pré kwalificatie ESA programma's (PEP)De Pep-regeling zal volgens plan in 2003 worden gestart en vormt de voorzetting van het bestaande Nationale Ruimtevaart Technologieprogramma (NRT) in de vorm van een Algemene Maatregel van Bestuur. De Pep-regeling stelt de ruimtevaartindustrie en kennisinstellingen in staat technologische kennis te generen, die nodig is om te participeren in R&D-ruimtevaartprogramma's van ESA.
  
  
ESA-contributie en projectfinanciering Ruimtevaartbeleid1Met de ESA-contributie en de projectfinanciering Ruimtevaartbeleid draagt de overheid bij aan het zo goed mogelijk inzetten en benutten van de toegevoegde waarde van een mondiale ruimtevaartinfrastructuur voor maatschappelijke, economische en wetenschappelijke vooruitgang. Dimensies daarbij zijn: Nederland als partner in Europees verband, optimaal gebruik maken van het middel ruimtevaart ten behoeve van onderzoek en maatschappelijke vraagstukken, en ruimtevaart om bedrijfsleven en kennisinstellingen technologisch hoogwaardige kennis te laten ontwikkelen. In het kader van de subsidietaakstelling is het budget gekort met een bedrag oplopend van € 1 mln in 2004 tot € 10 mln in 2007. In 2007 betekent dit een reductie van het budget met circa 20%. Hiertoe zal Nederland in ESA-verband op de Ministersconferentie in 2005 aanzienlijk terughoudender op programma's inschrijven dan tot dusver gebruikelijk. De korting zal primair worden aangebracht op industriegerichte programma's. Dit vereist een duidelijk en scherp keuzeproces. Deze budgetverlaging heeft gevolgen voor de VBTB-streefwaarden van de voor ruimtevaart geldende prestatie-indicatoren, zoals deze aan de Kamer zijn gemeld met de statusbrief van 19 december 2002 (Tweede Kamer, 2002/2003, 24 446, nr. 17) over ruimtevaart. In de statusrapportage van ultimo 2003 zal nader op deze gevolgen worden ingegaan.

1 Betreft vier studies: «economische feiten en ontwikkelingen van de life sciences», «life sciences arbeidsmarkt», «evaluatie van de uitvoeringspraktijk van de belangrijkste wetgeving voor de biotechnologie» en «communicatiestrategie voor life sciences». De bevindingen zullen in een achtergronddocument bij de Innovatiebrief worden beschreven.

Tabel 2.2.2.B: Prestatiegegevens ontwikkelen ICT-kennispositie
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
R&D op het gebied van ICT (zowel de aanbod- als gebruikerskant) door bedrijven en researchinstellingen gemeten in arbeidsjaren en uitgavenEen hogere groei van de ICT-R&D door bedrijven en researchinstellingen in manjaren en uitgaven dan de groei van de R&D op andere technologiegebiedenIn 2001 bedroeg de ICT-R&D 21 861 manjaren en in uitgaven € 2 142 mln. Dit betekent een groei van respectievelijk 2 en 7 procent ten opzichte van 1999.De R&D op andere technologiegebieden bedroeg 38 914 manjaren en in uitgaven € 3 634 mln. Dit betekent een groei van respectievelijk 29 en 31 procent ten opzichte van 1999.

Bron: CBS (2001).

– Onder de ICT-R&D-cijfers (in termen van mensjaren/fte's of uitgaven) voor de huidige situatie wordt verstaan R&D besteed aan de technologiegebieden Elektronica, Fabricagetechnologie, Procestechnologie, Informatietechnologie en Logistieke systemen. Deze afbakening is nog niet de volledig gewenste afbakening van ICT-R&D, maar is momenteel het maximaal haalbare. Zo is de gebruikerskant in deze cijfers onderbelicht, wordt er door de gehanteerde indeling R&D meegeteld die deels ook niet-ICT-R&D betreft en is het ICT-onderzoek bij universiteiten niet meegenomen. Ook is het niet mogelijk om een internationale vergelijking te maken.

– De R&D-uitgaven (exploitatiekosten en investeringen) zijn gebaseerd op de verdeling van R&D-mensjaren (FTE's) over de verschillende technologiegebieden. Het gebruiken van de FTE's als verdeelsleutel voor de R&D-uitgaven impliceert dat binnen een bedrijf de uitgaven per FTE voor de verschillende technologiegebieden gelijk zijn. Dit hoeft in de werkelijkheid niet zo te zijn. De cijfers moeten dus met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.

Tabel 2.2.2.B laat zien dat de ontwikkeling van ICT-R&D in de periode 1999 t/m 2001 lager heeft gelegen dan de R&D op andere technologiegebieden. Dit kan met name worden verklaard uit de sterke teruggang van de ICT-markt, zeker aangezien dit met inbegrip van de Telecomsector is. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er desalniettemin sprake is geweest van enige groei van de ICT-R&D.

2.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 2: Bevorderen van innovatiekracht (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)651,1565,6418,5372,9366,7386,8384,8
Programma-uitgaven596,1511,8366,1320,7314,9335,3333,3
Operationeel doel 2.2.1: Infrastructuur voor innovatie       
– Bijdrage aan Stichting voor de Technische Wetenschappen19,219,419,219,018,918,918,9
– Innovatiegerichte onderzoeksprogramma's10,921,114,614,614,614,614,6
– Bijdrage aan TNO29,528,728,528,328,028,028,0
– Bijdrage aan Topinstituten29,529,229,028,728,528,528,5
– Bijdragen aan instituten lucht- en ruimtevaart10,86,010,46,66,66,66,6
– Bijdrage aan diverse instituten4,85,04,24,24,04,04,0
– Technologische vernieuwing64,328,412,82,46,412,412,4
– Technologie en Samenleving2,3      
– Innovatief ondernemerschap11,79,19,98,4   
Operationeel doel 2.2.2: Innovatie in de markt       
– Technologische Ontwikkelingsprojecten26,214,8     
– Technologische Samenwerkingsprojecten84,772,875,266,664,470,170,1
– BIT/Opkomende markten3,64,34,34,34,34,34,3
– Kennisoverdrachtinstrumenten11,812,012,012,07,07,07,0
– Programma Economie, Ecologie, Technologie35,255,719,820,419,018,315,6
– First Mover Faciliteit 6,83,83,83,8  
– Overige regelingen milieutechnologie2,40,5     
– Bijdrage aan Syntens32,933,432,431,931,331,331,3
– Internationale ruimtevaartprogramma's85,453,530,719,527,635,335,9
– Nationale ruimtevaartprogramma's7,9      
– Bevordering civiele luchtvaart4,34,41,81,81,85,05,0
– Micro-elektronica stimulering  45,436,336,336,336,3
– Overig ICT-beleid  2,81,01,21,21,2
Operationeel doel 2.2.3: Excellente basis voor ICT       
– Micro-elektronica stimulering48,145,4     
– Nationaal Actieplan Elektronische Snelwegen46,521,6     
– Overig ICT-beleid12,320,5     
Algemeen       
– Onderzoek DG Innovatie7,67,24,32,35,35,35,3
– NL voorzitterschap EU 2004 0,21,0    
– Eureka-voorzitterschap 0,21,62,6   
– Beleidsexperimenten DG Innovatie4,411,62,55,95,88,38,3
        
Apparaatsuitgaven54,953,852,452,251,851,551,5
– Personeel DG Innovatie11,011,49,99,89,79,79,7
– Bijdrage DG I aan BLD BIE14,714,914,914,914,914,914,9
– Bijdrage aan WIPO via BIE  0,30,30,30,30,3
– Bijdragen pensioenen EOB1,31,01,01,01,01,01,0
– Adviezen door EOB1,92,42,21,71,71,41,4
– Bijdrage DG Innovatie aan BLD Senter23,621,221,220,920,620,620,6
– Uitgaven TWA-netwerk2,12,12,12,82,82,82,8
– Diverse uitgaven (adviesraad en Eureka-secretariaat)0,20,80,80,80,80,80,8
        
Uitgaven (totaal)525,7494,3506,5484,4448,2468,6445,9
        
Ontvangsten (totaal)91,7162,7124,397,491,286,583,8
– Terugontvangst Senter1,0      
– Ontvangsten uit Rijksoctrooiwet23,525,425,425,425,425,425,4
– Diverse Ontvangsten BIE       
– Ontvangsten TOP27,264,034,531,331,331,331,3
– Ontvangsten uit het Fes38,360,235,930,925,923,923,9
– Ontvangsten EET-gelden (OC&W) 11,511,08,27,04,31,6
– Diverse Ontvangsten Innovatiekracht1,81,617,51,61,61,61,6

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid zijn bedragen aan subsidieverplichtingen opgenomen waarvoor in bijlage 6 extra informatie is opgenomen. Deze begrotingsvermelding vormt voor de betreffende subsidieverleningen de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 2: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2002Raming 2003 Raming 2004 
 Gemiddelde bezettingGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijs
DG Innovatie -personeel180,960,8182,162,7159,562,1
TWA's – personeel9,0151,38,0250,38,0252,8

Fiscale maatregelen

Naast het EZ-instrumentarium draagt met name de fiscale maatregel WBSO bij aan de bevordering van de innovatiekracht van Nederland. Voor een nadere toelichting op dit instrument wordt verwezen naar paragrafen 2.2.2. Voor een totaaloverzicht van alle belastinguitgaven en de meerjarig hiervoor geraamde bedragen wordt verwezen naar de Miljoenennota 2004, bijlage 5 Belastinguitgaven.

Fiscale maatregelen met betrekking tot Innovatiekrachtkracht (in € mln)
 2002200320042005200620072008
WBSO365364403428453453453

2.4 Budgetflexibiliteit

 2004 2005 2006 2007 2008 
1. Totaal geraamde kasuitgaven506 484 484 380 448 216 468 551 445 869 
2. Waarvan app.uitgaven59 083 50 697 50 307 49 777 54 055 
3. Dus programma uitgaven447 401 433 683 397 909 418 774 391 814 
4. Waarvan juridisch verplicht374 24484%217 33550%156 63739%131 55231%48 87212%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten10 2382%103 48424%106 06427%109 69626%123 37231%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden62 70314%55 00013%45 00011%32 0008%32 0008%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen00%57 62813%90 20823%145 52635%187 57048%
8. Totaal447 401100%433 683100%397 909100%418 774100%391 814100%

Uit de tabel blijkt dat 84% van de voor 2004 geraamde programma-uitgaven moet worden aangehouden ter financiering van verplichtingen die tot en met 2003 zijn aangegaan.

Voor de programma-uitgaven die geraamd worden voor de met ingang van 2004 aan te gane verplichtingen geldt dat voor een bedrag oplopend tot € 123 mln benodigd is voor bijdragen aan instellingen en instituten. De flexibiliteit daarvan is in bestuurlijk opzicht beperkt.

De raming van de complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden programma-uitgaven (€ 63 mln in 2004) is voor het merendeel bestemd voor het subsidie-instrumentarium ten behoeve van de verschillende operationele doelen van innovatiekracht en heeft een meerjarig karakter. Van deze programma-uitgaven is een groot deel bestuurlijk gebonden. Allereerst gaat het hierbij om de gelden uit de Kennis- en innovatieimpuls die het kabinet in de begroting 2001 extra heeft uitgetrokken voor het realiseren van de Lissabon-agenda. Daarnaast zijn de gelden voor de internationale lucht- en ruimtevaartprogramma's grotendeels bestuurlijk gebonden, aangezien daar internationale afspraken aan ten grondslag liggen. Bestuurlijk gebondenheid geldt tot slot tevens voor het Life Sciences-programma en de Innovatieve Onderzoeksprogramma's.

De reeks beleidsmatige reserveringen loopt in de tijd op. De budgetten voor de subsidieregelingen zijn in zoverre flexibel dat deze jaarlijks worden gepubliceerd. De regelingen betreffen echter meerjarig beleid.

2.5 Programmering Evaluatieonderzoek

Tabel Evaluatieonderzoek beleidsartikel 2 in 2003 en 2004
Operationeel doelEvaluatiemoment
2.2.1 Een toonaangevende infrastructuur voor innovatie2007/2008
ArbeidsradarLoopt in 2003
DreamstartLoopt in 2003
Stichting WeTenLoopt in 2003 (in samenwerking met OCW)
TNO/GTI's (NLR, WL, Marin, ECN, GeoDelft)2003/2004 (in samenwerking met OCW)
Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma's2004
Tussenevaluatie IOP Mens-Machine InteractieAfgerond in 2003
Tussenevaluatie IOP PrecisietechnologieAfgerond in 2003
Eindevaluatie IOP BeeldverwerkingLoopt in 2003
Eindevaluatie IOP Oppervlaktetechnologie2004
Tussenevaluatie Genomics2004
Ondernemerschap en Onderwijs2004
Stichting AXIS2004
Kenniscentrum EVC2004
Katalyse2004
Regioregisseurs2004
Experimenten HBO-vouchers2004
ICES/KIS 22004
IOC: Stichting Duurzame Energie2004
   
2.2.2 Ontwikkeling van innovatie in de markt2007/2008
NIVRAfgerond in 2003
KennisoverdrachtinstrumentenAfgerond in 2003
Bevordering Civiele LuchtvaartLoopt in 2003
BioPartner2004
   
2.2.3 Een Excellente ICT-basis2007/2008
Sp.OED/Nederland gaat DigitaalAfgerond in 2003
ITEA/MEDEA+ (mid term assessment)Loopt in 2003
GigaPort (jaarlijkse evaluatie)Loopt in 2003

De evaluatie van de algemene doelstelling van beleidsartikel 2 Bevorderen Innovatiekracht is ingevuld door middel van het IBO Technologiebeleid (mei 2002). Het IBO beslaat onder meer het gehele artikel 2 en geeft daarmee vorm aan het evalueren van de relevantie van de doelstellingen en van de doelmatigheid ervan. Naast deze evaluatie van het algemene doel blijft voor de komende jaren de programmering van de evaluaties van de onderliggende individuele instrumenten gehandhaafd. Hierin wordt een verband gelegd met de VBTB-doelstelling waar het instrument aan beoogt bij te dragen. Een nieuwe totale evaluatie van de VBTB-doelstellingen ten aanzien van het technologiebeleid is gepland voor 2007/2008.

2.6 VBTB-paragraaf

In deze paragraaf staan voor dit artikel de VBTB-verbeterpunten.

Terugkoppeling acties groeiparagraaf 2003

Verbeteren actualiteit gegevens: hierop wordt onderstaand nader ingegaan.

Verbeteren monitoren/evalueren van innovatie: mede naar aanleiding van de Rijksregeling voor Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek van het Ministerie van Financiën en het IBO Technologiebeleid zijn in 2003 stappen gezet naar een betere beoordeling van de effectiviteit van het innovatiebeleid. Hieronder vallen een hogere kwaliteit van ex-post evaluaties en een continue verbeterslag met betrekking tot de effectmetingen van Senter.

ICT: Dit verbeterpunt zal nader worden bezien in het kader van de Innovatiebrief.

Kwaliteit van de doelformulering

Mede naar aanleiding van de Innovatiebrief zullen ten behoeve van de begroting 2005 de doelstellingenboom, prestatie-indicatoren en streefwaarden van artikel 2 nader worden bezien en zonodig worden aangepast. In dit kader zal in de begroting 2005 tevens worden ingegaan op de huidige positie van Nederland qua innovatiekracht binnen de EU-15 en de afstand tot de kopgroep.

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

• Prestatie-indicator «Percentage MKB-bedrijven dat zakelijke transacties via Internet verricht»: De tot nu toe gebruikte prestatie-indicator voor elektronisch zakendoen in het MKB is, vanwege het meenemen van telebankieren in deze indicator, naar onze mening niet langer representatief voor de beoogde beleidsdoelstelling. Overwogen wordt om elektronisch zakendoen bij de volgende meting te definiëren als het daadwerkelijk langs elektronische weg doen van in- en/of verkooptransacties.

• Verbeteren beschikbaarheid en actualiteit van gegevens: De internationale gegevens voor de prestatie-indicatoren zijn niet actueel. In het najaar van 2003 zal daarom naar verwachting een ontwerp voor een Legal Base voor de Community Innovation Survey aan het Statistical Programme Committee van de NSI's worden voorgelegd. Het voorstel zal uitgaan van het uitvoeren eens in de vier jaar van een uitgebreide innovatie-enquête en eens per vier jaar, tussentijds, een verkorte innovatie-enquête. Nederland pleit bij de verkorte innovatie-enquête voor opname van de indicatoren uit de algemene doelstelling van artikel 2. Ook is EZ met het CBS in gesprek om te komen tot een snellere doorlooptijd van innovatiegegevens. Besluitvorming over een legal base voor de Community Innovation Survey zal overigens ook leiden tot snellere verwerking van de internationale gegevens.

Evaluatieprogrammering

In paragraaf 2.5 Programmering Evaluatieonderzoek zijn per operationeel doel de lopende en voorgenomen evaluaties opgenomen voor de jaren 2003–2004. EZ voorziet hierbij geen verbeterpunten.

3 BEVORDEREN ONDERNEMINGSKLIMAAT

 Onderdelen toelichting  
 3.0Grafieken
 3.1Algemene beleidsdoelstelling
  3.1.1 Doelbereik en rol van EZ 
  3.1.2 Algemene effectindicator 
 3.2Operationele doelstellingen
  3.2.1 Fysieke ruimte 
  3.2.2 Productiefactoren 
  3.2.3 EZ als partner voor andere overheden en het bedrijfsleven 
 3.3Budgettaire gevolgen van beleid  
 3.4Budgetflexibiliteit 
 3.5Programmering beleidsevaluaties 
 3.6VBTB-paragraaf 

3.0 Grafieken

Aandeel artikel 3 in totale EZ-uitgaven (x € 1 mln)

Onderverdeling uitgaven artikel 3 naar operationele doelen (uitgaven x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-6.gif

Verloop ramingen 2001–2008 (x € 1 mln)

Ontvangsten 2001–2008 x € 1 mln

kst-29200-XIII-2-7.gif

3.1 Algemene beleidsdoelstelling

Op nationaal en regionaal niveau voorwaarden scheppen voor een internationaal concurrerend ondernemingsklimaat in Nederland.

Bedrijvigheid en ondernemerschap zijn de drijfveer achter economische groei en welvaartsgroei. De overheid heeft primair de verantwoordelijkheid voor het scheppen van de juiste randvoorwaarden. De grote dynamiek, gedreven door onder meer liberalisering, internationalisering en informatisering van de economie, leidt ertoe dat bedrijven meer dan ooit worden geconfronteerd met intensieve (inter)nationale concurrentie. Bedrijven kunnen deze concurrentie alleen aan indien ze in de eerste plaats zelf concurrentie-krachtig zijn. Dit begint bij ondernemerschap, beschikbaarheid van bedrijfsruimte, (risico)kapitaal en goed geschoolde werknemers.

Het voorwaardenscheppende overheidsbeleid is daarbij nodig, een belangrijk onderdeel van deze onderhoudsfunctie van de overheid is gericht op het aanpakken van knelpunten en het wegwerken van relatieve achterstanden.

Inmiddels zit de Nederlandse economie in zwaar conjunctureel weer; voor het eerst sinds begin jaren tachtig krimpt de productie. Tevens neemt het aantal werklozen in hoog tempo toe. Parallel met de conjuncturele malaise is het vestigings- en investeringsklimaat sterk verslechterd. Zo zijn de winstgevendheid en rentabiliteit van het eigen vermogen, mede door de fors oplopende arbeidskosten, stevig teruggelopen1. Om de verzwakte concurrentiepositie te verbeteren is het noodzakelijk actuele knelpunten op te lossen en nieuwe uitdagingen op te pakken. Dit uit zich in de operationele doelstellingen van Artikel 3 die worden besproken in paragraaf 3.2.

3.1.1 Doelbereik en rol van EZ

Om de gestelde doelen met betrekking tot bevordering van het ondernemingsklimaat te bereiken, beschikt EZ over een aantal instrumenten. Tegelijkertijd werkt EZ sterk samen met andere overheidsinstanties en het bedrijfsleven. Samenwerking met andere overheidsinstanties, op centraal, regionaal en gemeentelijk niveau, is aan de orde omdat zij voor een aantal beleidsterreinen (eerste) verantwoordelijkheid dragen. Samenwerking met het bedrijfsleven is noodzakelijk, omdat bedrijven de inspanningen leveren binnen de door EZ te scheppen randvoorwaarden. Dit betekent dat de resultaten op de operationele doelen van Artikel 3 in hoge mate gevolg zijn van een gezamenlijke inspanning van actoren. EZ is hierbij het departement dat bij uitstek de samenhang bewaakt, onderhoudt en bevordert.

3.1.2 Algemene effectindicator

Zoals in eerdere begrotingen reeds is aangegeven, is het tegen bovenstaande achtergrond niet opportuun om een algemene prestatie-indicator voor Artikel 3 op te nemen. Wel kan een aantal effectindicatoren als graadmeter dienen van de stand van zaken van het ondernemingsklimaat in Nederland. Zo kan de ontwikkeling van de bedrijfsinvesteringen in Nederland, in de vorm van de investeringsquote bedrijven, worden gezien als graadmeter voor de bereidheid van ondernemers risico's te nemen en te anticiperen op toekomstige productie en afzet. Investeringen zijn in de praktijk de motor achter het realiseren van toegevoegde waarde en werkgelegenheidsgroei en nodig om de productiviteit van werknemers op peil te houden en te vergroten.

In het Centraal Economisch Plan 2001 geeft het CPB een analyse van de ontwikkeling van de investeringsquote vanaf 1971. Uit deze analyse blijkt dat in het begin van de jaren zeventig de investeringsquote op een relatief lager niveau is komen te liggen dan in de jaren vijftig en zestig, de tijd van de wederopbouw. Vanaf het midden van de jaren zeventig is een golfbeweging waar te nemen. Daarbij vallen de pieken en dalen vaak samen met respectievelijk perioden van economische groei en economische neergang. De na 1994 ingezette voorspoedige economische ontwikkeling heeft op haar beurt weer tot een gestage stijging van de investeringsquote geleid met een piek in 2000 die op krap 20% lag. Net als in 2001 en 2002 het geval was, voorziet het CPB voor dit jaar een forse teruggang. Daarmee bereikt de investeringsquote bijna hetzelfde lage niveau als dat van de vorige conjuncturele neergang (16% in 1994).

Op korte termijn is het streven om de investeringsquote niet verder te laten dalen. Op de langere termijn blijft de beleidsuitdaging erop gericht om de pieken en dalen in de investeringsquote af te vlakken en geleidelijk op een hoger niveau te brengen. De randvoorwaarden van het ondernemingsklimaat moeten zodanig worden ingericht dat bij economische vooruitgang het niveau van de investeringsquote kan doorgroeien en bij economische teruggang de teruggang relatief beperkt kan blijven.

Alhoewel één effectindicator voor de relatief brede algemene beleidsdoelstelling van Artikel 3 beperkt is, bleek uit recent onderzoek van de aan de Universiteit van Amsterdam gelieerde Stichting Economisch Onderzoek (SEO) dat de investeringsquote als een goede graadmeter voor het ondernemingsklimaat in Nederland kan worden beschouwd. De in de groeiparagraaf van de begroting 2003 aangekondigde barometer van het ondernemingsklimaat voegt hier niet veel aan toe. Deze barometer omvat bovendien al snel een breder beleidsterrein dan Artikel 3 en ook dan het Ministerie van Economische Zaken met zijn beleid kan omvatten.

Figuur 1: Investeringsquote bedrijven 1970–2003 (in %)

kst-29200-XIII-2-8.gif
Tabel 3.1.2: Effectindicator investeringsquote
EffectindicatorStreefwaarde
Investeringsquote van bedrijvenRelatieve toename van de investeringsquote ten opzichte van de afgelopen jaren. Het voorlopige dal van 1994 (ruim 16%) en de voorlopige piek van 2000 (bijna 20%) zijn hierbij ijkpunt.

3.2 Operationele doelstellingen

De algemene beleidsdoelstelling van Artikel 3 heeft drie operationele doelstellingen:

3.2.1 Fysieke ruimte: Het versterken van het ondernemingsklimaat door te zorgen voor ruimte om te ondernemen, een goede bereikbaarheid van economische centra en economisch vitale steden en regio's.

3.2.2 Productiefactoren: Creëren en bewaken door de overheid van de randvoorwaarden die een optimale inzet van productiefactoren mogelijk maakt.

3.2.3 EZ als partner voor andere overheden en het bedrijfsleven: EZ signaleert knelpunten in het ondernemingsklimaat en reageert daarop. Tevens treedt EZ op als zakelijke klant en partner in projecten, zowel richting andere overheden als richting het bedrijfsleven.

3.2.1 Fysieke ruimte

Deze operationele doelstelling wordt langs drie beleidslijnen ingevuld:

A. Zorgen voor voldoende fysieke ruimte van de juiste kwaliteit om te ondernemen.

B. Bereikbaarheid: goede bereikbaarheid van de economische centra, waaronder lucht- en zeehavens.

C. Regionaal economisch beleid: ontwikkeling van economisch vitale steden en regio's.

In 2002 is het discussierapport «Gebiedsgerichte Economische Perspectieven» uitgebracht. In dit rapport wordt de visie van EZ op het regionaal beleid uiteengezet. De doelstelling is meer samenhang, meer focus en meer resultaatgerichtheid in de nationale economische agenda aan te brengen. Dit betreft niet alleen de actualisering van de eigen EZ-instrumenten, maar ook het beleid dat primair de verantwoordelijkheid is van andere departementen. In 2003 heeft hierover met betrokken partijen discussie plaatsgevonden, met als doel het afstemmen en operationaliseren van de visie. Op basis van de ingebrachte zienswijzen van bestuurlijke partners en relevant bedrijfsleven zullen nadere conclusies worden getrokken. De concrete acties komen naar voren in het EZ-beleid op het gebied van regio's, steden, toerisme en herstructurering van bedrijventerreinen. Tenslotte zal de bijdrage van EZ aan de besluitvorming van grootschalige ruimtelijke investeringen, met name infrastructuur, aan de hand van die perspectieven worden uitgewerkt.

A. Zorgen voor voldoende fysieke ruimte van de juiste kwaliteit om te ondernemen.

De kwantitatieve en kwalitatieve opgave op het vlak van bedrijventerreinen is de komende jaren groot. De vraag naar bedrijventerreinen beloopt in de periode 1998–2020 ruim 32 000 hectare bruto. De laatste jaren is de voorraad snel teruggelopen. In diverse regio's zijn zelfs acute tekorten ontstaan. Bovendien blijkt uit de verouderingsmonitor die begin 2003 is opgeleverd dat van het in gebruik zijnde areaal ruim een vijfde (20 000 ha) is verouderd. Het opknappen van deze verouderde bedrijventerreinen is van groot belang om de vitaliteit in de betrokken (stedelijke) gebieden een extra impuls te geven, om de beschikbare ruimte voor bedrijven efficiënter te gebruiken en om nadelige milieu-effecten te verminderen en de leefomgeving positief te beïnvloeden. Hier is dus een flinke inhaalslag nodig.

Ambitie, strategie en effectiviteit van de beschikbare middelen worden om die reden opnieuw bezien.

Daarom zal EZ in het najaar van 2003 met een nieuw actieplan Bedrijventerreinen met aangepaste voorstellen komen waarmee het de beschikbare middelen op zodanige wijze inzet dat maximaal invulling wordt gegeven aan herstructurering van de nationale opgave. Een meer specifieke, gekwantificeerde streefwaarde bij de hier opgenomen prestatie-indicator is een onderdeel van dit plan.

Tabel 3.2.1.A: Prestatiegegevens bedrijventerreinen
EffectindicatorStreefwaarde
Tijdige realisatie door andere overheden van kwalitatief en kwantitatief voldoende ruimte voor economische activiteiten op de juiste plek.• Verrichten inhaalslag herstructurering verouderde bedrijventerreinen.• Nieuwe omvangrijke herstructureringsopgave wordt voorkomen.
InstrumentOmschrijving
Nieuw instrument Herstructurering BedrijventerreinenIn 2003 wordt een nieuw subsidie-instrument ontwikkeld ter vervanging van DBT en TIPP, dat zich volledig op herstructurering richt.
  
Convenant EZ-IPO-VNG-VROM-V&W Samenwerking in de regioIn het convenant zijn bestuurlijke afspraken gemaakt die een randvoorwaarde vormen voor samenwerking en afstemming, gericht op tijdige realisering en kwaliteit.

B. Bereikbaarheid: goede bereikbaarheid van de economische centra, waaronder lucht- en zeehavens

Een goede bereikbaarheid van economische centra vormt een sleutelfactor voor een internationaal concurrerend ondernemingsklimaat. Lucht- en zeehavens vormen essentiële schakels in de interne en externe bereikbaarheid van Nederland en zijn tevens een belangrijke bron van werkgelegenheid en welvaartsgroei. EZ-prioriteit ligt bij een goede bereikbaarheid van economische centra en mainports binnen Nederland, door een goede doorstroming op de internationale transportassen en voldoende ruimte voor duurzame economische ontwikkeling van de mainports.

EZ levert vanuit die invalshoek een bijdrage aan de voorbereiding en uitvoering van majeure landelijke en regionale beslissingen over mobiliteit en de ruimtelijke ontwikkeling (groei) van luchten zeehavens. Voorbeelden zijn het Nationaal Verkeer en Vervoer Plan (NVVP), de discussie over de ontwikkeling van Schiphol en de Rotterdamse haven op de langere termijn.

EZ adviseert het kabinet op deze gebieden over de uitvoering van maatschappelijke kosten-batenanalyses en over de economische consequenties van investerings- en mobiliteitsmaatregelen. Ook levert EZ kennis over marktordenings- en mededingingsaspecten van het beleid.

Interdepartementale Commissie voor de Ruimtelijke Economie

EZ voert sinds 1 juli 2003, samen met V&W, het secretariaat over de Interdepartementale Commissie voor de Ruimtelijke Economie (ICRE). De ICRE is de opvolger van de Interdepartementale Commissie voor de Economische Structuur (ICES) en hoort thuis in het nieuwe voorportalenstelsel onder de REA. De ICRE is het adviserend orgaan voor het kabinet op het gebied van ruimtelijk-economische investeringsvraagstukken, met name majeure investeringen in o.a. infrastructuur, mainports, grote steden en bedrijventerreinen. De invulling van overige investeringsaangelegenheden binnen het domein van de econmische structuur, bijvoorbeeld kennis en dienstverlening overheid, zullen voortaan in de inhoudelijk daartoe bestemde ambtelijke commissies aan de orde komen.

Het Fonds Economische Structuurversterking houdt de reikwijdte die het nu heeft, zijnde het volledige domein van de economische structuur. De toekomstige besteding van FES-middelen zal, in samenspraak met de andere betrokken departementen, vanuit de ICRE worden voorbereid.

C. Regionaal economisch beleid: Ontwikkeling van economisch vitale steden en regio's

Het regionaal economisch beleid bevordert de economische ontwikkeling van steden, regio's en landelijk gebied. Het is gericht op een evenwichtige spreiding van economische groei in Nederland. Bij de uitwerking van dit beleid gaat het om het stimuleren van provincies en grote steden tot het voeren van economisch beleid waarmee de eigen economische potenties zo goed mogelijk worden benut. Dit gebeurt onder andere via het versterken van het toerisme en het ondersteunen van regio's met economische achterstanden. Bij de ontwikkeling van economisch vitale steden en regio's gaat het niet alleen om de fysieke ruimte om te ondernemen en een goede bereikbaarheid, maar ook om de doorwerking van andere EZ-speerpunten, zoals ondernemerschap en innovatie.

Grotestedenbeleid

Het versterken van de economische structuur van de grote steden is één van de drie hoofddoelstellingen van het Grotestedenbeleid (GSB). Het gaat om beleid gericht op fysieke factoren (bijvoorbeeld ruimte voor bedrijventerreinen) en niet-fysieke factoren. Op basis van meerjarige ontwikkelingsprogramma's (MOP) zijn met dertig grote en middelgrote steden in 1999 convenanten gesloten voor de periode 2000–2004.

Bij de begrotingsbehandeling van 2003 heeft de Staatssecretaris van EZ reeds aangekondigd, mede op verzoek van de GSB-steden zelf, de relatie met de steden te willen intensiveren. Daartoe is in 2002 een start gemaakt door het voeren van gesprekken met de individuele steden over de voortgang van de uitvoering. Daarbij kwam naar voren dat vooral herstructurering en de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen voor een aantal steden knelpunten op te leveren.

Eind 2003 zullen opnieuw gesprekken met de steden worden gevoerd. Deze gesprekken vormen een opmaat naar de eindverantwoording in 2005 van de convenantperiode 2000–2004. De Benchmark Gemeentelijk Ondernemingsklimaat wordt in 2004 herhaald.

Het kabinet heeft in 2002 besloten dat stadseconomie in de nieuwe convenantperiode (2005–2009) een eigen pijler krijgt binnen het GSB-stelsel. Op dit moment is economie verdeeld over twee pijlers. De wijziging biedt mogelijkheden om economische structuur van steden integraler, en daarmee effectiever, te versterken. Uitgangspunten voor de volgende convenantperiode voor EZ zijn maatwerk, «partnership» en toegevoegde waarde.

EZ tracht zoveel mogelijk maatwerk in het GSB te brengen, en zo afspraken te maken die afgestemd zijn op de specifieke karakteristieken van de verschillende steden.

Daarbij wordt aangekoerst op prestatieafspraken op een niet te gedetailleerd, maar wel concreet «afrekenbaar» niveau. Daarnaast wil EZ als convenantspartner van steden nadrukkelijker betrokken zijn bij de totstandkoming van de stedelijke programma's en later bij de uitvoering daarvan. Natuurlijk blijven de steden zelf verantwoordelijk voor hun eigen programma en de uitvoering. EZ wil daarbij meer dan in het verleden als gelijkwaardige partner inbreng leveren. Tot slot is het de bedoeling om versnippering van de middelen te voorkomen en per stad in te zetten op de thema's waar echt resultaat is te bereiken.

Op basis van het nieuwe beleidskader stadseconomie en de indicatieve verdeling van de EZ-middelen over de GSB-steden die eind van de zomer van 2003 worden gepresenteerd, ontwikkelen de steden hun nieuwe Meerjarige Ontwikkelingsprogramma's voor de periode 2005–2009. Op basis van deze MOP's worden eind 2004 de convenanten gesloten. Daarin zal EZ met de 30 grote steden prestatieafspraken op maat maken voor de periode 2005–2009. De prestatieafspraken zullen gaan over onder meer herstructurering van bedrijventerreinen, gemeentelijke dienstverlening aan bedrijven, breedband en veilig ondernemen.

Regionale structuurversterking

Voor de versterking van de economische structuur van het Noorden heeft het Samenwerkingsverband Noord Nederland (SNN) een operationeel ontwikkelingsprogramma 2000–2006 uitgewerkt, geheten «Kompas voor het Noorden». Naast EZ dragen ook andere departementen en de EU bij aan de uitvoering van dit plan.

De EZ-bijdrage aan Kompas voor het Noorden bestaat uit een decentrale component, die door het SNN wordt uitgevoerd en waarvoor EZ jaarlijks budget ter beschikking stelt, en uit een centrale component, de centrale Investeringspremieregeling (IPR). Deze richt zich op financiële ondersteuning van bedrijfsinvesteringen in onder meer de aangemerkte economische kernzones van Noord-Nederland en daarnaast enkele gemeenten in Overijssel en Zuid-Limburg. Van de uit het Hoofdlijnenakkoord Balkenende II voortvloeiende bezuiniging op subsidies is een deel ingevuld met de middelen voor regionale structuurversterking. Daarbij is er voor gekozen de ombuiging volledig bij de centrale IPR te leggen. Dit is gedaan om de bestuurlijke flexibiliteit voor de noordelijke provincies bij de uitvoering van Kompas tot en met 2006 zo veel mogelijk intact te laten. Als gevolg van de ombuiging op de centrale IPR zijn de streefwaarden van EZ-Kompas m.b.t. werkgelegenheid en uitgelokte investeringen naar beneden bijgesteld. Vanaf 2007 zal nog € 3 mln extra worden omgebogen op de middelen voor regionale structuurversterking.

Om te zien of Kompas en het EPD (Enig Programmerings Document) voor het Noorden aan de verwachtingen voldoen, is recent een midterm review (MTR) gehouden. De evaluatie gaat expliciet in op de (verwachte) effecten van uitvoering van deze (overlappende) programma's, zoals met name de uitgelokte investeringen en additionele werkgelegenheid. De belangrijkste resultaten van de in 2003 opgemaakte midterm review (3 van de 7 jaar beschouwend) geven aan dat:

• De strategie van Kompas op hoofdlijnen (bundelen geldstromen, 3 deelprogramma's en kernzones voor het deelprogramma Markt) nog altijd relevant is;

• De programmatische aanpak goed aanslaat en dat daarmee het faseverschil tussen het Noorden en de rest van Nederland wordt ingelopen (voor de delen van het Kompas waar zowel EZ als de EU aan bijdragen);

• De realisatie van de met (vaak langlopende) projecten gemoeide effecten voor het grootste deel plaatsvindt na 2006;

• De uitvoering van het Kompasprogramma redelijk effectief en efficiënt is.

De conclusie van de MTR luidt dat, hoewel de economische structuur van het Noorden verbetert, de hoofddoelstelling in termen van additionele arbeidsplaatsen als gevolg van de huidige economische tegenwind niet geheel zal worden gehaald. Koerswijzigingen als gevolg van de MTR-resultaten zullen neerslaan in Kompas-Jaarprogramma 2004.

Het onder A) genoemde convenant Samenwerking in de regio speelt ook een rol in het nastreven van een gunstiger regionaal economisch klimaat. Daarmee beperkt het zich niet tot bedrijventerreinen. De convenantpartners hebben daartoe tevens afspraken gemaakt over het regionaal investeringsklimaat in brede zin, lokaal economisch beleid, innovatiebeleid en het verbeteren van de marktwerking en efficiëntie.

Toerisme

Tijdens de begrotingsbehandeling 2003 heeft de Staatssecretaris van EZ bij de bespreking van het Toeristisch-Recreatief ActieProgramma (TRAP) een Vernieuwde Toeristische Agenda (VTA) aangekondigd. In deze VTA, die in het najaar van 2003 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, wordt onder meer een nieuwe prestatie-indicator aangekondigd.

De EZ-inspanningen met betrekking tot het toeristisch beleid komen nu nog tot uitdrukking in de effectindicator «belang toerisme».

Door de noodzakelijke ombuigingen in het kader van het Hoofdlijnenakkoord Balkenende II zal de EZ-bijdrage aan TRN worden gekort met een percentage dat stapsgewijs oploopt tot 25% in 2008. Met deze korting wordt gestreefd naar een doelmatiger organisatie van TRN om de promotieactiviteiten zelf zoveel mogelijk te ontzien. Daarnaast zal in de VTA een gerichte koers worden uitgezet op de promotie ten behoeve van inkomend toerisme. De beleidsopgave voor EZ in 2004 is vooral gericht op het actief stimuleren van de bestedingen in Nederland die voortvloeien uit toeristisch en zakelijk inkomend reisverkeer.

Tabel 3.2.1.C: Prestatiegegevens regionaal economisch beleid
EffectindicatorStreefwaarde
Steden 
Oppervlakte gerevitaliseerde bedrijfsruimte in grote steden Ontwikkeling werkgelegenheid individuele steden t.o.v. landelijk gemiddelde Verbetering gemeentelijk ondernemingsklimaat volgens benchmark EZ-Kompas Additionele werkgelegenheid Noord Nederland als gevolg van Kompas-programma Uitgelokte investeringen Ontwikkeling in beschikbare bedrijventerreinen en kantoorruimte Toerisme: Belang toerismeOntwikkeling conform streefcijfers 2004 aangegeven in individuele stedelijke ontwikkelingsplannen. Stijging 2003 t.o.v. 2000. Middelgrote steden (G21) boven het landelijk gemiddelde, grootste vier steden dicht bij landelijk gemiddelde. Hogere scores in herhalingsmeting 2004 op aangegeven verbeterpunten van elk van de G25-steden. Bereiken 2004 van door elk van de G25-steden begin 2000 aangegeven prestaties. Gemiddeld 1 990 fte additionele werkgelegenheid per jaar in de periode 2000–2006. Uitgelokte investeringen gemiddeld € 395 mln per jaar in de periode 2000–2006. Bedrijventerreinen: • Nieuwe terreinen 1 000 ha netto in de periode 2000 t/m 2006; • Revitalisatie: 1 100 ha bruto in de periode 2000 t/m 2006. Stationsgebieden: • Nieuwe kantoorruimte: 200 000 m2 bruto in de periode 2000 t/m 2006; • Revitalisatie kantoorruimte: 200 000 m2 bruto in de periode 2000 t/m 2006. Marktaandeel van het inkomend toerisme tenminste gelijk aan het NW-Europese gemiddelde (gasten/overnachtingen).

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
Convenant EZ-IPO-VNG-VROM-V&W Samenwerking in de regioIn het convenant zijn bestuurlijke afspraken gemaakt die een randvoorwaarde vormen voor samenwerking en afstemming, gericht op het realiseren van een gunstiger regionaal economisch klimaat.
Kompas voor het NoordenProgramma financiering via het Samenwerkingsverband Noord Nederland op basis van het rapport Langman. In de jaren 2000 t/m 2006 wordt € 0,5 mld door EZ geïnvesteerd in de economische ontwikkeling van het noorden.
Investeringspremieregeling (IPR)Subsidieregeling voor grote investeringen ten behoeve van vestiging en strategische uitbreidingen voor steungebieden in het noord, oost Nederland en Zuid Limburg.
Fysieke StadseconomieOnderdeel van het Grotestedenbeleid (GSB). Het EZ-deel wordt via de wet Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing van VROM ingezet. Het budget bedraagt € 113,9 mln (voor de periode 1999–2004). Het wordt verdeeld over de 30 grootste steden voor onder meer het stimuleren van (ver)bouw van kleinschalige bedrijfsruimten voor diverse doelgroepen in renovatiegebieden, de herstructurering van verouderde bedrijventerreinen, functiemenging (wonen/werken) en verbetering van bereikbaarheid van werklocaties.
Niet-fysieke stadseconomieMaakt ook deel uit van het GSB. Het budget bedraagt € 51,4 mln voor de periode 2000–2003. Het is gericht op de organisatorische en «zachte» componenten van economische structuurversterking. De twee prioriteiten zijn «ondernemerschap» en «kansrijke sectoren en clusters».
EFRO co-financieringCo-financiering van projecten die door de Europese Commissie worden ondersteund uit hoofde van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). In de beleidsperiode 2000–2006 worden in Nederland regio's ondersteund via doelstelling 1 (uitfasering, Flevoland), Doelstelling 2 (ondersteuning van de economische en sociale omschakeling van in structurele moeilijkheden verkerende zones in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland) en Interreg (grensregio's).
ROM'sDe Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's) initiëren in samenwerking met het bedrijfsleven nieuwe economische investeringen in hun provincies teneinde bij te dragen in versterking van de economische structuur. EZ draagt bij in de apparaatskosten van de ROM's. In het kader van stroomlijning van de regionale presentatie (KvK's, ROM's en Syntens) is een structurele besparing van € 0,4 mln ingeboekt op de bijdragen aan de ROM's.
TRNActiviteiten ter bevordering van het toerisme worden gestimuleerd via een bijdrage aan Toerisme en Recreatie Nederland (TRN), de intermediaire marketingorganisatie voor inkomend en binnenlands toerisme alsmede voor de congressector.

3.2.2 Productiefactoren

De operationele doelstelling die is gericht op de randvoorwaarden voor een optimale inzet van de productiefactoren, wordt langs twee beleidslijnen ingevuld:

A. Bevorderen van ondernemerschap;

B. Bevorderen van duurzaamheid.

A. Bevorderen van ondernemerschap

Ondernemerschap is een essentiële bron voor dynamiek en economische activiteit en moet vanuit die optiek ook volop de ruimte krijgen. Ondernemerschap is van groot belang voor het duurzaam groeivermogen van de Nederlandse economie.

Ondernemerschap wordt op vele manieren bevorderd. Daarbij kan worden gedacht aan:

• Terugdringen van administratieve lasten;

• Terugdringen van tegenstrijdige regelgeving;

• Wegnemen van startbelemmeringen;

• Meer aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs;

• Bevorderen van de aanwezigheid van voldoende kwantitatief en kwalitatief personeel;

• Bevorderen van veiligheid;

• Bevorderen van technostarters en snelle groeiers.

Diverse van de hierboven genoemde manieren om ondernemerschap te bevorderen, worden in andere delen van de EZ-begroting beschreven.

EZ brengt in het najaar van 2003 een beleidsbrief Ondernemerschap uit. Hierin wordt een concreet overzicht van het beleid om het ondernemerschap te bevorderen opgenomen. EZ baseert zich daarbij op ondermeer uit onderzoek kenpunten alsmede op het Groenboek van de Europese Commissie. EZ gaat specifieke kenlpunten aanpakken bij de start, groei en overdracht van en bedrijf. Daarnaast kan EZ vanaf oktober 2003 beginnen om de oogst van het meldpunt tegenstrijdige regelegeving binnen te halen.

Belangrijk element is vermindering van 20–25% van de criminaliteit waarvan het bedrijfsleven hinder ondervindt: bedrijven zijn veelvuldig slachtoffer van criminaliteit en onveiligheid. Deze daling wordt verwacht in 2008 te zijn bereikt, maar zal reeds in 2006 in het vizier moeten komen. Daarom slaan de overheid en het bedrijfsleven de handen ineen om een veilig ondernemingsklimaat te creëren. Er wordt een programma opgesteld, dat in het najaar van 2003 aan het parlement wordt aangeboden. Hierin worden urgente knelpunten aangepakt, zoals de winkelcriminaliteit in de detailhandel en de overvallen en ramkraken bij juweliers. Meer structurele samenwerking wordt daarnaast ondersteund met instrumenten zoals het Keurmerk Veilig Ondernemen voor een betere beveiliging van bedrijventerreinen en winkelgebieden en de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan voor uitgaansgebieden.

Als overall effect-indicator voor ondernemerschap wordt «het aantal ondernemers als % van de beroepsbevolking» gehanteerd.

Tabel 3.2.2.A. Prestatiegegevens bevorderen ondernemerschap

Tabel 3.2.2.A: Prestatiegegevens bevorderen ondernemerschap
EffectindicatorStreefwaarde
Aantal ondernemers als % van de beroepsbevolkingMinimaal 10% en 0,5%-punt hoger dan het gemiddelde van de EU-15.
Aantal volwassenen dat actief bezig is met opzetten eigen bedrijfTenminste op het Europees gemiddelde.
Instrument-indicatorStreefwaarde
Gebruik van de BBMKB-regeling€ 370 mln garanties in 2500 kredieten, waarvan 60% starters.

Het is duidelijk dat het doelbereik van de genoemde effect-indicatoren slechts in beperkte mate door de overheid is te beïnvloeden. Ten eerste omdat het aantal ondernemers (gemeten als percentage van de beroepsbevolking) niet alleen de resultante van beleid is, maar ook van andere factoren zoals de conjunctuur en sociaal-culturele factoren. Ten tweede is de indicator gerelateerd aan de ontwikkelingen in de andere Europese landen. Momenteel bedraagt het percentage ondernemers van de beroepsbevolking in Nederland 10,9%, dat is iets boven het EU-gemiddelde. Het percentage volwassenen dat actief bezig is met het opzetten van een eigen bedrijf is in Nederland nu slechts 2,6%, tegenover 3% in de gehele EU en meer dan het dubbele in de VS.

Naast ondernemerschap in algemene zin is ondernemerschap onder bepaalde doelgroepen aandachtspunt van het EZ-beleid. Vergroting van het ondernemerschap onder bijvoorbeeld vrouwen en allochtonen heeft een positieve invloed op de participatie en integratie van deze groepen.

Tabel 3.2.2.B. Instrumenten bevorderen ondernemerschap
InstrumentOmschrijving
BBMKBDe borgstellingsregeling vergroot de toegang van bedrijven in het MKB tot het bankkrediet. Voor bedrijven die over onvoldoende zekerheden beschikken staat de overheid borg voor een deel van de nieuwe kredietverstrekking.
Meldpunt Tegenstrijdige RegelgevingIn 2003 is het meldpunt tegenstrijdige regels opgericht, waar ondernemers hun klachten kunnen melden. Op basis van deze klachten worden taskforces ingesteld die gericht problemen aanpakken.
Versneld starten Er worden interdepartementaal voorstellen ontwikkeld om het versneld starten van een onderneming mogelijk te maken.
Moderniseren FaillissementswetImplementatie van de in 2001 door het kabinet overgenomen aanbevelingen van de MDW-werkgroep Faillissementswet.
Voorlichting en adviesVoorlichting en advies wordt momenteel uitgevoerd door een veelheid van organisaties zoals de ROM's, Syntens, gemeentes, brancheverenigingen en de Kamers van Koophandel.
Wet- en regelgeving Bedrijfsoverdrachten (fiscaal)Middels het aanpassen van de wet- en regelgeving wegnemen van organisatorische, juridische en fiscale drempels voor bedrijfsoverdrachten.
Convenant Veiligheid en criminaliteitEZ geeft samen met Justitie en BZK en het bedrijfsleven invulling aan een actieprogramma gericht op het vergroten van de veiligheid voor ondernemers. Een eerste invulling hiervan is het convenant met de detailhandel.
Kamers van KoophandelDe Kamers voeren een aantal verplichte taken en een aantal facultatieve taken uit.
Stichting Koning Willem IDe stichting verzorgt de jaarlijkse uitreiking van de aanmoedigingsprijs voor het meest belovende nieuwe bedrijf. In 2004 is hiervoor € 0,85 mln gereserveerd.
Vereniging Nederland Distributieland (NDL)EZ subsidieert samen met LNV en V&W een jaarlijks programma om knelpunten in de distributiesector binnen Nederland op te lossen. In 2004 is hiervoor € 0,5 mln gereserveerd.
Programma-onderzoek MKB en ondernemerschapEZ subsidieert het programma-onderzoek MKB en ondernemerschap van het EIM. Deze subsidie is bestemd voor het verzamelen, bijhouden en bewerken van basisinformatie. De subsidie in 2004 bedraagt € 4,0 mln.
Moderniseren BV-rechtIn 2003 is in samenwerking met het ministerie van Justitie aangevangen met een onderzoek naar de knelpunten in het BV-recht, dat naar verwachting in het voorjaar van 2005 uitmondt in een wetsvoorstel.
  
FISCAAL INSTRUMENTARIUM: 
ZelfstandigenaftrekEen ondernemer die voldoet aan het urencriterium (per jaar ten minste 1225 uur en ten minste 50% van de totale werktijd werkzaam in de onderneming) en nog geen 65 jaar is, heeft recht op een fiscale aftrek van de winst.
Fiscale oudedagsreserve, niet omgezet in een lijfrente (FOR)Ondernemers in de inkomstenbelasting kunnen een oudedagsreserve vormen. Een ondernemer die voldoet aan het urencriterium en nog geen 65 jaar is, kan 12% van de winst per kalenderjaar aan de oudedagsreserve toevoegen. De FOR kan bij het staken van de onderneming belastingvrij worden omgezet in een lijfrentepolis.
MeewerkaftrekIndien de partner van een ondernemer die zelf aan het urencriterium van de zelfstandigenaftrek voldoet (zie de beschrijving van de zelfstandigenaftrek), meewerkt in diens onderneming zonder hiervoor een vergoeding te ontvangen, heeft de ondernemer recht op meewerkaftrek.
Kleinschaligheids-investeringsaftrekDe investeringsaftrek is een extra aftrek op de fiscale winst. Deze aftrek is een percentage van het totale investeringsbedrag in een kalenderjaar. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is specifiek gericht op het stimuleren van investeringen in bedrijfsmiddelen.
Willekeurige afschrijving startersSinds 1 januari 1996 kunnen startende ondernemers in een jaar dat ze startersaftrek genieten willekeurig afschrijven op bedrijfsmiddelen die zij in hun onderneming hebben aangeschaft of voortgebracht.
Extra zelfstandigenaftrek startersStartende ondernemers hebben bovenop de zelfstandigenaftrek recht op een extra zelfstandigenaftrek.
Diverse instrumenten met betrekking op durfkapitaalBelastingplichtigen die direct of indirect geld ter beschikking stellen aan een beginnende ondernemer hebben recht op een gemaximeerde vrijstelling voor de vermogensrendementsheffing en een extra heffingskorting. Daarnaast geldt dat verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal tot een gemaximeerd bedrag in aftrek komen op het inkomen uit werk en woning van de belastingplichtige.

Specifieke toelichting

Faillissementswet

Op het terrein van de Faillissementswet zullen de in 2001 door het kabinet overgenomen aanbevelingen van de MDW-werkgroep moeten worden geïmplementeerd. Deze aanbevelingen richten zich op verbetering van de werking van surséance van betaling en vermindering van de stigmatisering ten gevolge van faillissement. Instrumenten hierbij zijn wetgeving, inrichting van het gerechtelijk apparaat en flankerende maatregelen.

Samen met het Ministerie van Justitie zullen begin 2004 de onderzoeksresultaten van onderzoek naar de knelpunten van de huidige wetgeving t.a.v. besloten vennootschappen en voorstellen voor het aanpakken daarvan, worden gepresenteerd aan beleidsmakers, belanghebbenden en experts. Het kabinet zal op basis daarvan een wetsontwerp maken dat naar verwachting in 2004 aan het parlement wordt voorgelegd.

Kapitaalmarkt

Door middel van het Besluit borgstelling MKB-kredieten (BBMKB) wordt de toegang van bedrijven in het midden- en kleinbedrijf tot het bankkrediet vergroot. Regelmatig vindt aanpassing van de borgstellingsregeling plaats, zowel als reactie op ontwikkelingen in de financieringsmarkt als vanwege wijzigingen in het EZ-beleid.

Zo zal het kredietverleningsproces van de banken in de komende jaren aan veranderingen onderhevig zijn als gevolg van de introductie van «Basel II» (solvabiliteitseisen). Dit zal waarschijnlijk ook bij de BBMKB tot wijzigingen leiden. Hierover vindt verkennend overleg met de banken plaats.

Verder zijn er signalen dat de toegang tot kleine kredieten een knelpunt is. Onderzocht zal worden of hier beleidsinspanningen nodig zijn.

Wat betreft het aanbod van risicokapitaal blijkt uit onderzoek dat hier knelpunten bestaan:

• aan de onderkant van de kapitaalmarkt is een «gat» gesignaleerd tussen het aanbod en de vraag van kapitaal (equity gap). Aanbieders aan de onderkant zijn o.a. informal investors. Om het gat te dichten zal beleid gemaakt worden om informal investors te stimuleren tot meer investeringen en rijke particulieren te stimuleren om informal investor te worden.

• de vragers aan de onderkant van de kapitaalmarkt zijn starters, veelal innovatieve bedrijven. Hun financieringsknelpunt komt o.a. voort uit hun onbekendheid met aanbieders in de risicokapitaalmarkt en onduidelijkheid hoe de financiers te benaderen. EZ werkt beleid uit op het gebied van informatievoorziening, coaching en matching.

• daarnaast blijkt uit onderzoek dat ook middelgrote bedrijven knelpunten ervaren bij het aantrekken van risicokapitaal. Dit zou groter kunnen worden bij een aantrekkende economie omdat de bedrijven dan weer meer willen gaan investeren. Wat voor deze groep meespeelt is dat de beurs steeds minder interessant wordt voor middelgrote bedrijven als financieringsbron waardoor er een exit mogelijkheid wegvalt voor de venture capital markt. Voor venture capitalists wordt het daarom moeilijker om te investeren. Op dit knelpunt gerichte beleidsmaatregelen worden onderzocht.

Corporate Governance

Het kabinet streeft naar verbetering van het ondernemingsklimaat, vergroten van de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland en herstel van het vertrouwen in Nederlandse ondernemingen en ondernemingsbesturen. Juist in moeilijke economische tijden moet Nederland zich profileren als vestigings- en ondernemingsland waarin grote en kleine ondernemingen goed en transparant bestuurd worden, er vertrouwen bestaat in de kracht en betrouwbaarheid van de financiële markt, het fiscale klimaat gunstig is en geprofiteerd kan worden van een goed aanbod van hooggekwalificeerde werknemers.

Het vertrouwen in de hier gevestigde ondernemingen is van groot maatschappelijk belang. Vertrouwen vereist onder meer een evenwichtige bevoegdheids- en verantwoordingsstructuur, betrouwbare financiële informatie en een effectief toezicht op die informatie. Boekhoudschandalen, beroering rond financiële beloningen en vertrekpremies en mislukte fusies laten zien dat de verantwoording van en controle op degenen die het beleid bepalen verbetering behoeft. Met erkenning en nadruk op de keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid van ondernemingen moet de overheid ondersteunend zijn aan het herstel van het vertrouwen in het ondernemingsbestuur en het toezicht daarop, ook wel aangeduid als «corporate governance». Het kabinet zal daartoe een aantal kaders stellen.

In het ondernemingsbestuur moet de onafhankelijkheid van de toezichthouders (commissarissen) worden verbeterd. De aandeelhouders moeten over het gevoerde beleid en over de kwaliteit van het toezicht kunnen oordelen. Indien de aandeelhouders ontevreden zijn over het toezicht, moeten zij de raad van commissarissen kunnen ontslaan.

Ook het gedrag van bestuurders en commissarissen behoeft verbetering. In de concept-code van de commissie Tabaksblat zijn zowel principes als concrete bepalingen geformuleerd die de bij een vennootschap betrokken personen (onder andere bestuurders en commissarissen) en partijen (onder andere institutionele beleggers) tegenover elkaar in acht zouden moeten nemen.

Het kabinet heeft veel waardering voor het werk van de commissie. De commissie illustreert het zelfregulerend vermogen van de samenleving. Het kabinet stelt met een Nota van Wijziging op het wetsvoorstel aanpassing structuurregime wetgeving voor waarmee zelfregulering in de vorm van een corporate governance code ondersteund kan worden door introductie van de «pas toe of leg uit»-regel.

De commissie heeft zich, overeenkomstig haar taakopdracht, niet uitgelaten over de structuurregeling als zodanig. Zij beschouwde het bestaande wettelijke kader alsmede de in ontwikkeling zijnde wetgeving als gegeven. Dat neemt niet weg dat een kabinetsstandpunt over de code haar weerslag kan hebben op structuurvennootschappen en op de structuurregeling zelf. Dat kan langs de weg van de code, maar ook door nieuwe wetgeving.

Belangrijke onderwerpen voor 2004, waaraan samen met andere departementen gewerkt wordt zijn:

• Vanuit de Europese Raad voor het Concurrentievermogen, waarin EZ voor Nederland participeert, zal het actieplan «modernisering ondernemingsrecht en verbetering van corporate governance» van de Europese Commissie aan de orde zijn;

• Behandeling wetsvoorstel herziening structuurregeling en nieuwe rechten voor aandeelhouders;

• Wettelijke regeling vaststelling bezoldigingsbeleid en goedkeuring aandelen- en optieregelingen door aandeelhouders (in wetsvoorstel aanpassing structuurregeling);

• Wettelijke verankering van een corporate governance code (in wetsvoorstel aanpassing structuurregeling);

• Wettelijke regeling toezicht en handhaving jaarrekeningsvoorschriften.

Modernisering van het ondernemingsrecht

Tot de factoren die bij de keuze van een vestigingsplaats door ondernemingen worden gewogen, behoort de juridische infrastructuur. De rechtspersoon, en daarbinnen de kapitaalvennootschap, wordt beschouwd als instrument voor die ondernemers. Het vennootschapsrecht moet dan ook tegemoetkomen aan de gerechtvaardigde wensen van die ondernemers. Dat vereist een modernisering en vooral flexibilisering van het rechtspersonenrecht waarbij ook aandacht behoort te zijn voor het midden- en kleinbedrijf, waarop onze economie voor een belangrijk deel draait. Het kabinet zal daartoe onder meer de regels voor de personenvennootschap en de besloten vennootschap grondig moderniseren.

De versterking van de positie van aandeelhouders zal slechts vruchten afwerpen indien alle aandeelhouders ook daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld de algemene vergadering bij te wonen, kennis te nemen van de noodzakelijke informatie en hun stem uit te brengen in de algemene vergadering. Wettelijke maatregelen op het gebied van elektronische informatievoorziening en stemmen op afstand zijn dan ook noodzakelijk. Het kabinet bereidt wetgeving voor om het gebruik van moderne communicatietechnieken mogelijk te maken. Ook de mogelijkheden voor communicatie tussen aandeelhouders kunnen worden verbeterd. In Europees verband zal het kabinet zich actief inzetten voor het ontwerpen van een richtlijn betreffende grensoverschrijdend stemmen door aandeelhouders, mede met het oog op mogelijke onderhandelingen tijdens het Nederlandse voorzitterschap in de tweede helft van 2004.

Belangrijke onderwerpen voor 2004, waaraan samen met andere departementen gewerkt wordt zijn:

• Wettelijke regeling flexibilisering ondernemingsrecht;

• Indiening wetsvoorstel vereenvoudiging bv-recht;

• Indiening wetsvoorstel stemmen op afstand;

• Indiening wetsvoorstel elektronische communicatiemiddelen.

Kamers van Koophandel

Momenteel wordt met de KvK's gesproken over de centralisatie van taken bij de VVK in Woerden. Het Handelsregister zal in de toekomst een centraal register worden in plaats van een gedeeltelijk regionaal en een gedeeltelijk landelijk register. Dienstverlening van de KvK zal meer centraal ontwikkeld dienen te worden. De website is het meest in het oog springend voorbeeld. Voorts beziet EZ momenteel of er efficiency-voordelen te behalen zijn door stroomlijning in de regionale presentatie (ROM's, Syntens en KvK's). Tenslotte stimuleert EZ het opzetten van een basisbedrijvenregister en een virtueel bedrijvenloket dat door de VVK en de KvK's uitgevoerd zal moeten worden.

Programma onderzoek EIM

Vanaf 2005 zal, mede als gevolg van de ombuigingstaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord Balkenende II, het structurele programma-onderzoek worden afgebouwd in een driejaarsperiode. Het in stand houden van de basisinformatie draagt in het huidige informatietijdperk onvoldoende aantoonbaar bij aan de operationele doelstelling.

Fiscale regelingen

Verschillende fiscale instrumenten dragen bij aan de bevordering van ondernemerschap in Nederland. De belangrijkste hiervan zijn in bovenstaande tabel opgenomen en het financieel belang in paragraaf 3.3, Budgettaire gevolgen van beleid. Een totaaloverzicht (inclusief toelichting) is opgenomen in bijlage 5 van de Miljoenennota 2004.

B. Bevorderen van duurzaamheid

Het streven naar duurzame economische groei impliceert dat bij het benutten van de groeipotenties van vandaag de groeipotenties van toekomstige generaties niet uit het oog worden verloren. Duurzaamheid is daarmee een begrip dat zowel economische, ecologische als ook maatschappelijke kenmerken reflecteert. Niet alleen in de nationale context, maar ook in de Europese en mondiale context. Door duurzaamheid expliciet als prioriteit op te nemen, geeft EZ aan naast economische ook maatschappelijke en ecologische kenmerken van de samenleving als integraal onderdeel van de vervulling van zijn missie te zien. Het bijdragen aan duurzame economische groei staat of valt immers met het bewerkstelligen van een economisch groeipad dat de randvoorwaarden op het gebied van milieu, mensenrechten, volksgezondheid en sociale cohesie scherp in het vizier houdt.

EZ probeert op verschillende wijzen concreet invulling te geven aan duurzaamheid. In de eerste plaats wordt duurzame ontwikkeling toepasbaar gemaakt voor de individuele beleidsmaker en deze te stimuleren de duurzaamheidsinvalshoek in de beleidsvorming te betrekkken. In 2004 krijgt dit verder vorm via een aantal pilotprojecten, die zijn bedoeld om hiermee leerervaringen op te doen. Een hulpmiddel daarbij is de zogenaamde duurzaamheidsladder. Deze is ontwikkeld om beleidsmakers via een aantal processtappen te helpen om belangen en afwegingen inzichtelijk te maken en vervolgens ook het afwegingsproces te faciliteren, is daarbij een hulpmiddel.

In het kader van het streven naar duurzaamheid heeft EZ daarnaast ook een aantal meer inhoudelijke beleidsdoelen. Daarbij gaat het om:

• Een verbetering van de synergie tussen veiligheid van de leefomgeving en economie. Het oogmerk daarbij is dat bij besluitvorming op het terrein van veiligheid, milieu en ruimte de economische belangen expliciet worden meegenomen in de afweging. Voor dat doel is binnen EZ een samenhangend afwegingskader ontwikkeld. Verder zal EZ via deelname in de interdepartementale ketenstudies zorgdragen voor een juiste positionering van economische belangen bij het formuleren van structurele oplossingen voor de veiligheidsproblematiek rond chloor, ammoniak en LPG en input leveren voor de herziening van het groepsrisicobeleid en de nota externe veiligheid.

• Het verhogen van de kosteneffectiviteit van het milieubeleid en het verbeteren van de synergie van milieu en economie. In de Milieubalans wordt jaarlijks gerapporteerd over de ontkoppeling tussen economische groei en de milieudruk aan de Tweede Kamer. Deze (ontkoppelingsindicator) geeft inzicht in de ontwikkelingen van de milieudruk in relatie tot de economische groei. Daarmee kan de ontkoppelings-indicator ook worden gebruikt om te meten of economische groei samen gaat met vermindering van de milieudruk. Een aparte prestatie-indicator in de EZ-begroting is derhalve niet zinvol.

• Het stimuleren van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

Instrument Omschrijving
ParticipatieParticipatie bij het tot stand brengen van het milieubeleid van het kabinet. Hiervoor participeert EZ o.a. in interdepartementaal overleg (o.a. RMC).
Pilotprojecten duurzame ontwikkelingProjecten bedoeld om leerervaring op te doen met het invulling geven aan duurzame ontwikkeling binnen het departement.
Implementatie afwegingskader externe veiligheidToepassen afwegingskader om in concrete gevallen veiligheidsrisico's en economische belangen af te wegen.
Herziening groepsrisicobeleidZorgdragen voor helder en werkbaar instrument voor bedrijf en bestuur bij het omgaan met groepsrisico's van gevaarlijke stoffen.
Deelname EZ in ketenstudiesFormuleren van kosteneffectieve structurele oplossingen voor veiligheidsproblematiek rond chloor, ammoniak en LPG.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

De ontwikkeling van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) in Nederland is de laatste jaren in een stroomversnelling geraakt. Consumenten, NGO's en vakbonden leggen steeds meer druk op bedrijven. Om rekening te houden met de maatschappelijke effecten van hun handelen horen bedrijven daar verantwoording over af te leggen.

MVO is in Nederland niet meer weg te denken. Het kan worden gezien als een van de trends van het nieuwe consumeren en het nieuwe ondernemen. Het bedrijfsleven beseft dat zelf ook in toenemende mate en onderneemt allerlei activiteiten. De overheid heeft hierbij vooral een faciliterende rol. De basis voor het MVO-beleid is gelegd in de kabinetsreactie op het SER-advies «De winst van waarden» (april 2001).

Een belangrijk instrument om MVO te bevorderen, is het Kenniscentrum MVO. Het Kenniscentrum heeft een tweeledig doel:

• Het bevorderen van kennis- en informatieoverdracht over MVO, zowel in de nationale als in de internationale context;

• Het bevorderen en faciliteren van de onderlinge dialoog over MVO tussen ondernemers, maatschappelijke organisaties, (lokale) overheden en burgers.

Op korte termijn zal de Tweede Kamer nader over de opzet van het kenniscentrum worden geïnformeerd.

De maatschappelijke jaarverslaggeving staat, in relatie tot financiële jaarverslaggeving, nog in de kinderschoenen. Inzet van het beleid is daarom vooralsnog gericht op de kwalitatieve ontwikkeling van maatschappelijke jaarverslaggeving. In mei 2003 is hierover een definitieve richtlijn geaccordeerd door de Raad voor de Jaarverslaggeving. Daarnaast zal de Raad voor de Jaarverslaggeving, in oktober 2003 met een meer uitgebreid advies komen: de ontwerp-handreiking voor maatschappelijke jaarverslaggeving. In 2004 zal de ontwerp-handreiking, na een consultatieronde, worden omgezet in een definitieve handreiking.

Tabel 3.2.2.B: Prestatiegegevens maatschappelijk verantwoord ondernemen
EffectindicatorenStreefwaarde Waarde jaarverslag 2002
Het aantal bedrijven dat zelf aangeeft aan MVO te doen. Gemiddeld 80% 72%

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
CoördinatieCoördinatie bij het tot stand brengen van het MVO-beleid van de overheid. Hiervoor organiseert EZ o.a. een maandelijks interdepartementaal overleg.
Onderzoeksprogramma MVOTweejarig universitair onderzoeksprogramma 2003–2004: Het onderzoek biedt steun aan ondernemers bij de invulling van hun maatschappelijk ondernemersschap.
Kenniscentrum MVOBevorderen van kennis- en informatieoverdracht over MVO, zowel in de nationale als de internationale context.

In 2004 zal in het kader van het voorzitterschap van de EU door Nederland een tweedaags congres over MVO worden georganiseerd.

3.2.3 EZ als partner voor andere overheden en het bedrijfsleven

Een goede relatie met het bedrijfsleven is essentieel om te kunnen werken aan de randvoorwaarden voor een internationaal concurrerend ondernemingsklimaat in Nederland. Daarmee kan de beschikbare kennis van het bedrijfsleven over ontwikkelingen in het ondernemingsklimaat worden ontsloten voor de EZ-beleidsontwikkeling en kan het bedrijfsleven worden gewezen op specifieke kansen en beleidsontwikkelingen. EZ geeft dit vorm door middel van een fysiek aanspreekpunt voor het bedrijfsleven.

Gerichte monitoring en signalering van relevante trends in binnen- en buitenland stellen EZ in staat de strategie op het gebied van het ondernemingsklimaat op (middel)lange termijn te bepalen en te concretiseren. Het actief kennismanagement in deze wordt onder andere vormgegeven door het beheer van een intern bedrijfscontactensysteem en interne rapportages.

Naast de algemene rol van EZ als aanspreekpunt en monitor van factoren die het ondernemingsklimaat beïnvloeden, is EZ samenwerkingspartner van andere overheden en buitenlandse bedrijven bij het bevorderen van de buitenlandse investeringen in Nederland. Voorts bevordert EZ de rol van de overheid als zakelijke klant via het Project Innovatief Aanbesteden (PIA).

Aan deze operationele doelstelling wordt langs drie beleidslijnen invulling gegeven:

A) Bevorderen level playing field bedrijfsleven.

B) Stimulering van buitenlandse investeringen in Nederland.

C) De overheid stelt zich op als zakelijke klant en partner.

A) Bevorderen level playing field bedrijfsleven

Het speelveld voor bedrijven wordt in toenemende mate internationaal bepaald. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de Europese Unie. EZ stelt zich pro-actief op bij de ontwikkeling van nieuw beleid door actief te participeren in Europese beleidsgremia. Doelstelling is het bewerkstelligen van internationaal gelijke concurrentieverhoudingen (level playing field) voor het Nederlandse bedrijfsleven. Als er in sectoren factoren zijn, die een level playing field onmogelijk maken wordt er door EZ ingegrepen. Momenteel is deze situatie in twee markten aan de orde:

1. De markt voor zeescheepsnieuwbouw.

Met ingang van 1 januari 2001 was de ordersteun voor zeescheepsnieuwbouw niet meer toegestaan. Sinds 1 oktober 2002 is een tijdelijk defensief steunmechanisme voor de Europese industrie van kracht als gevolg van een conflict met Zuid-Korea. Tot 1 april 2004 is voor bepaalde typen schepen ordersteun weer toegestaan. Evenals in het verleden is het aan de individuele lidstaten om hier invulling aan te geven. Nederland heeft daartoe de TROS (Tijdelijke Regeling Ordersteun Scheepsnieuwbouw) ingesteld.

2. De markt voor defensiematerieel

Een terrein waar zowel de klantenrol van de overheid als het streven naar een level playing field van EZ aandacht krijgt, is de defensiemarkt. De omvangrijke aanschaffingen van het Ministerie van Defensie hebben vaak een technologisch hoogwaardig karakter dat kansen kan bieden voor innovatie. Daarnaast kent de internationale defensiemarkt slechts een beperkte marktwerking. Veel landen passen specifieke beschermingsmaatregelen toe. De binnenlandse industrie heeft daarmee een betere uitgangspositie om opdrachten te verwerven dan de buitenlandse. Het Nederlandse beleid in internationaal verband is gericht op het creëren van vrije concurrentie op de defensiemarkt. Om de uitgangspositie van Nederlandse bedrijven voor een concurrerende positie op deze markt te versterken, past Nederland op militaire aanschaffingen door het Ministerie van Defensie het compensatiebeleid toe. Met buitenlandse leveranciers van materieel worden contracten gesloten, waarin de Nederlandse productie wordt afgesproken. Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de Nederlandse inbreng in aanschaffingen die in internationaal verband worden gedaan. EZ heeft hierbij een adviserende rol. Daarnaast wordt de uitgangspositie versterkt door de technologiestimuleringsregeling JSF. Deelname aan de ontwikkeling en productie van dit megaproject is van strategisch belang voor de Nederlandse defensiegerelateerde industrie. Door het Ministerie van Defensie wordt over het JSF-project regelmatig gerapporteerd aan het Parlement.

Tabel 3.2.3.A: Prestatiegegevens level playing field bedrijfsleven
EffectindicatorStreefwaarde
Inschakeling defensiegerelateerde bedrijven Aandeel Nederlandse bedrijven in Nederlandse defensie-aanschaffingen Gerealiseerde invulling compensatie-verplichtingen Minimaal 60% (5-jaarlijks voortschrijdend gemiddelde) Gemiddeld € 350 mln per jaar

Voorgesteld wordt de prestatie-indicator in de begroting te wijzigen van een streefwaarde van 70% naar een voortschrijdend 5-jaarsgemiddelde van 60% minimaal.

De in de begroting 2003 als streefwaarde gehanteerde 70% is gebaseerd op een oplopende reeks in de 2e helft jaren negentig. Het streven is erop gericht om het klimaat voor Nederlandse bedrijven om zaken te doen met Defensie optimaal te houden. Het maximum van deze reeks leek daarbij een goede streefwaarde. Het cijfer blijkt echter sterk beïnvloed te worden door grote individuele projecten waarvoor contracten in het buitenland worden geplaatst. In 2002 is dat de deelname aan de ontwikkelingsfase van de JSF.

Om de schommelingen die deze individuele projecten hebben niet het beeld te laten vertroebelen, wil EZ toe naar het voortschrijdend 5-jaars gemiddelde. Als daar een neergaande lijn inzit wordt of het inkoopklimaat bij Defensie voor Nederlandse bedrijven slechter, of Nederlandse bedrijven worden minder gericht op de wensen van Defensie. In deze relatie speelt EZ een rol.

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
TROSMet deze tijdelijke regeling wordt invulling gegeven aan het tijdelijk defensief steunmechanisme. De regeling is van kracht tot 1 april 2004 en heeft een budget van € 60 miljoen.
Deelname aan internationaal overlegZowel op het gebied van scheepsbouw als van defensiematerieel neemt EZ intensief deel aan internationaal overleg. De inzet is om steeds een stap verder te komen naar liberalisering van de markt en het ontstaan van een level playing field waarop Nederlandse bedrijven op basis van gelijkwaardige omstandigheden kunnen concurreren met buitenlandse ondernemingen.
CompensatiebeleidHet compensatiebeleid is gericht op het maken en effectueren van afspraken met buitenlandse industrieën en overheden over de inschakeling van Nederlandse bedrijven bij de ontwikkeling en productie van defensiematerieel.
Deelname JSF-SDD faseNederland participeert in de ontwikkelingsfase voor de JSF. EZ betaalt een deel van de voorfinanciering van de bijdrage van de Nederlandse industrie. EZ bevordert de optimale inschakeling van de Nederlandse industrie bij de ontwikkeling van de JSF.

B. Stimulering van buitenlandse investeringen in Nederland

Buitenlandse investeringen dragen bij aan de economische ontwikkeling van Nederland op nationaal en regionaal niveau. Deze leveren – direct en indirect – nieuwe arbeidsplaatsen en investeringen op. Bovendien bevorderen ze de concurrentie en versterken ze de kennisbasis van de Nederlandse economie1. Het vermogen om buitenlandse investeringen aan te trekken wordt – op macroniveau – naast de kwaliteit van het Nederlandse ondernemingsklimaat bepaald door de mondiale conjuncturele ontwikkeling.

Vanuit de buitenlandkantoren worden de bedrijven met Europese investeringsplannen opgespoord, benaderd en van professionele zakelijke informatie over het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat voorzien. Tevens wordt, in samenwerking met de thuisbasis in Nederland, assistentie geboden bij de voorbereidingen die een investeerder moet treffen alvorens zich in Nederland te kunnen vestigen. In dit verband wordt ook intensief samengewerkt met andere, met name regionale, overheidsinstanties.

Tabel 3.2.3.B: Prestatiegegevens buitenlandse investeringen in Nederland
EffectindicatorStreefwaarde
Omvang van de aangetrokken investeringen Hiermee gemoeide werkgelegenheid Percentage investeringen in hightech sectoren Aantal schriftelijk bevestigde verzoeken tot ondersteuning CBIN€ 200 miljoen in 80 projecten 2 500 arbeidsplaatsen circa 50% 240

De streefwaarde voor buitenlandse investeringen in Nederland is t.o.v. de begroting 2003 met respectievelijk € 125 miljoen en 900 arbeidsplaatsen naar beneden bijgesteld. Deze bijstelling is het gevolg van de economische neergang in het belangrijkste wervingsgebied Noord-Amerika in 2002. Door de ombuigingstaakstelling in het kader van het Hoofdlijnenakkoord wordt het subsidiedeel van het suppletie-instrument afgeschaft. Het suppletie-instrument is in de afgelopen jaren vooral van belang is geweest voor het kunnen accommoderen van m.n. kapitaalintensieve projecten; dit geldt enerzijds voor de projecten met omvangrijke investeringen in gebouwen en machines in IPR-gebieden (IPR-suppletie) en anderzijds voor m.n. chemie-projecten in de Nederlandse havens. De realisatie van dergelijke projecten is gelet op het geringe budget nauwelijks meer mogelijk. De neerwaartse effecten van het afschaffen van het suppletie-instrument op de buitenlandse investeringen worden naar verwachting gecompenseerd door de positieve effecten van de licht aantrekkende Amerikaanse economie in de eerste helft van 2003. Daarnaast is de kwaliteit van het vestigingsklimaat veel meer een doorslaggevende factor bij het uiteindelijk wel of niet vestigen van buitenlandse bedrijven. Nederland ondervindt hierbij in toenemende mate hinder van een zich – in relatieve zin – verslechterend vestigingsklimaat. Knelpunten doen zich met name voor op het gebied van arbeidskosten, fiscaliteit en de beschikbaarheid van bedrijfsterreinen. Tot slot doet ook de toegenomen concurrentie vanuit m.n. Midden- en Oost-Europa zich steeds meer voelen, met name voor de grotere, meer arbeidsintensieve investeringsprojecten.

Voorts is een prestatie-indicator toegevoegd: het aantal schriftelijk bevestigde wensen van buitenlandse bedrijven tot ondersteuning door CBIN. Met deze intake-letter geeft de klant (i.e. de potentiële buitenlandse investeerder) te kennen gebruik te willen maken van de diensten van CBIN. Deze prestatie-indicator is toegevoegd omdat deze een scherp beeld geeft van het aantal projecten waarbij Nederland op de «short list» van vestigingslocaties komt. Het is dus een goede indicator voor de aantrekkelijkheid van het vestigingsklimaat.

Op grond van een aantal ontwikkelingen (o.a. het belang van innovatie in het kader van de productiviteitsagenda, veranderende karakter van investeringsprojecten, het feit dat Nederland niet echt meer competitief is voor grootschalige arbeidsintensieve operaties en bijdrage aan verankering) zal het CBIN zich gaan bewegen in de richting van een meer gerichte acquisitie van kennisintensieve activiteiten van buitenlandse bedrijven. Ten eerste door meer specifieke marketing te plegen op voor Nederland kansrijke technologiegebieden (bijv. ICT, Life Sciences, voeding, katalyse). Ten tweede door de dienstverlening naar buitenlandse bedrijven uit te breiden door bedrijven ook te ondersteunen bij het vinden van technologische partners in Nederland. Deze accentverschuiving dwingt wel tot een heroriëntatie op de wijze van resultaatmeting. In 2003 zal ervaring worden opgedaan met dit nieuwe instrument van partnersearch oftewel matchmaking. In de loop van 2004 zal worden bezien of een prestatieindicator op dit vlak kan worden toegevoegd.

C. De overheid stelt zich op als klant en zakelijke partner

In de periode van 2001 tot april 2004 voert de Rijksoverheid het project Professioneel Inkopen en Aanbesteden uit. Zoals het zich nu laat aanzien zal het project worden verlengd tot 31 december 2005. In de eerste fase van dit project is veel voorbereidend werk verzet om de inkooporganisaties binnen de Rijksoverheid te professionaliseren. De verwachting is dat in de komende kabinetsperiode de vruchten daarvan te plukken zijn. Die zullen met name voortvloeien uit efficiencybesparingen door:

• Gezamenlijk inkopen en aanbesteden;

• Verbreding en striktere toepassing van raamcontracten;

• Inzet van ICT ter ondersteuning van het inkoop- en aanbestedingsproces;

• «Lessons learned» te delen.

Daarnaast kan de kwaliteit van het inkoop- en aanbestedingsbeleid van de overheid in de komende jaren naar een hoger niveau worden gebracht door:

• Beschikbaarheid van betere inkoopinformatie realiseren, als basis voor benchmarking en verbeterplannen;

• Betere verankering van het inkoopproces in de bedrijfsvoerings- en auditcycli op de ministeries;

• Betere naleving van de Europese aanbestedingsregels;

• Gezamenlijk inkopen en aanbesteden versterken, zowel binnen ministeries en hun diensten als tussen departementen.

In 2004 ligt de nadruk op de volgende acties:

• Beschikbaarheid van betere inkoopinformatie;

• Betere verankering van het inkoopproces;

• Betere naleving Europese aanbestedingsregels;

• Gezamenlijk inkopen en aanbesteden.

In het nieuwe Regeerakkoord van het kabinet Balkenende II is een rijksbrede inkoop-taakstelling opgenomen van € 50 miljoen structureel. Deze zal bij Voorjaarsnota 2004 over alle departementen worden verdeeld.

Tabel 3.2.3.C.: Prestatiegegevens Overheid als klant en zakelijke partner
IndicatorStreefwaarde
Meer gezamenlijk inkopen en aanbesteden door departementenInkoopverbeterprorgramma's uitvoerenStijging van 25% eind 2005 t.o.v. 2002 35 publieke instellingen in 2004 in 1ste fase

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
PIADe projectorganisatie Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) heeft als doel nu en in de toekomst professioneel inkopen en aanbesteden bij de Nederlandse rijksoverheid te stimuleren.

3.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 3: Bevorderen ondernemingsklimaat (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)623,2704,8556,0559,7564,1582,7586,9
Programma-uitgaven602,5684,7537,5543,3547,8566, 4570,6
Operationeel doel 3.2.1: Fysieke ruimte       
– Bedrijventerreinen (waaronder TIPP)81,723,922,922,923,122,922,9
– REON – Kompas voor het Noorden60,060,761,161,161,158,158,1
– Centraal deel IPR30,921,116,113,013,013,013,0
– Suppletie-instrument Infra- & Kennisbasis9,07,02,42,42,42,47,4
– Cofinanciering EZ in EFRO-projecten2,3   1,211,011,0
– Bijdrage aan TRN26,323,121,720,519,318,117,0
– Bijdrage aan World Tourism Organisation (WTO)0,20,20,20,20,20,20,2
– Bijdragen aan apparaat ROM's7,07,57,37,27,06,96,9
– Bijdragen aan financiering ROM's 6,8     
– Stadseconomie   11,319,032,932,9
Operationeel doel 3.2.2: Productiefactoren       
– Borgstellingen MKB (jaarlijks garantieplafond)356,2452,5384,5384,5384,5384,5384,5
– Bijdragen aan diverse instituten4,66,05,84,83,32,22,2
– Bijdragen aan bedrijven bij calamiteiten 0,20,30,30,30,30,3
– Duurzaamheid2,5      
Operationeel doel 3.2.3: Partner voor overheden en bedrijf       
– Uitgaven CBIN-netwerk6,76,76,76,76,76,76,7
– Bijdrage scheepsbouwindustrie2,460,0     
– Codema-regeling5,6      
Algemeen       
– Opdrachten & onderzoek Ondernemingsklimaat2,77,66,46,34,34,44,4
– NL voorzitterschap EU 2004  0,2    
– Vernieuwingsprogramma's4,21,41,92,12,42,83,1
        
Apparaatsuitgaven20,720,118,516,416,316,316,3
– Personeel DG Ondernemingsklimaat15,215,115,014,314,214,214,2
– Bijdrage PIA1,72,91,4    
– Bijdrage DG Ondernemingsklimaat aan BLD Senter1,82,12,12,12,12,12,1
– Bijdrage DG Ondernemingsklimaat aan BLD Novem2,0      
        
Uitgaven (totaal)274,7337,3318,9260,8223,2223,2227,1
        
Ontvangsten (totaal)23,035,127,924,319,615,718,1
– Terugontvangsten Senter0,1      
– Ontvangsten ruimtelijk economisch beleid0,28,20,90,90,90,90,9
– Ontvangsten BBMKB15,912,512,512,412,412,412,4
– Ontvangsten Fes6,313,413,49,84,8  
– Diverse Ontvangsten Ondernemingsklimaat0,51,01,11,21,52,44,8
Artikel 3: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2002Raming 2003Raming 2004
 Gemiddelde bezettingGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijs
DG O-personeel223,465,0235,761,9236,161,3
PIA – personeel5,2126,78,061,08,061,0
Budgettair belang fiscale maatregelen (in € mln)
 20032004200520062007
Zelfstandigenaftrek9771 0031 0291 0431 062
Extra zelfstandigenaftrek starters5051535354
Fiscale oudedagsreserve, niet omgezet in lijfrente (FOR)221221227230234
Meewerkaftrek1516161616
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek272276283290297
Willekeurige afschrijving nieuwe gebouwen in aangewezen gebieden374– 14– 14– 14
Willekeurige afschrijving starters1610101111
Vrijstelling durfkapitaal forfaitair rendement4343444546
Heffingskorting durfkapitaal1111111112
Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal55555

3.4 Budgetflexibiliteit

 2004 2005 2006 2007 2008 
1. Totaal geraamde kasuitgaven318 898 260 764 223 196 223 224 227 071 
2. Waarvan app.uitgaven18 902 17 349 17 018 16 485 18 384 
3. Dus programma uitgaven299 996 243 415 206 178 213 439 208 687 
4. Waarvan juridisch verplicht236 97179%148 31161%80 98839%58 67527%55 20025%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten38 40313%38 88716%36 42918%34 03416%33 09216%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden22 7638%36 39015%50 21024%57 79327%63 93731%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen1 8591%19 8278%38 56019%62 93729%56 45828%
8. Totaal299 996100%243 415100%206 178100%213 439100%208 687100%

Uit de tabel blijkt dat 79% van de voor 2004 geraamde programma-uitgaven is bestemd voor de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2003 zijn aangegaan. Dit deel van de kasraming is daardoor vanuit juridische en administratief-technische invalshoek niet flexibel. Daarnaast is in 2004 € 44 mln (oplopend tot € 84 mln in 2008) complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden, met als gevolg een beperkte flexibiliteit. Hiervan is € 38 mln (aflopend naar € 33 mln als gevolg van de ombuigingen) gereserveerd voor bijdragen aan instellingen en instituten (o.a. TRN en ROM's). Verder zijn hierin begrepen de middelen voor Kompas voor het Noorden (€ 5 mln in 2004 oplopend tot € 50 mln in 2008), PIA (€ 0,5) en de bijdrage aan bedrijven bij calamiteiten (€ 0,3 mln).

De beleidsmatige reserveringen bestaan in 2004 met name uit kasuitgaven die zijn geraamd voor onderzoek en vernieuwingsprogramma's op het terrein van het bevorderen van het ondernemingsklimaat. De oploop bestaat voor een belangrijk deel uit de kasuitgaven die staan gereserveerd voor herstructurering van bedrijventerreinen, regionaal beleid en het volgende convenant in het kader van de stadseconomie.

3.5 Programmering beleidsevaluaties

In 2003 wordt gestart met de evaluatie van het operationeel doel «fysieke ruimte», gecombineerd met een IBO-onderzoek naar regionaal economisch beleid. De resultaten hiervan zullen waarschijnlijk in de eerste helft van 2004 beschikbaar komen. In 2004 zal onder meer het beleid van de ROM's worden geëvalueerd. Tevens zal de evaluatie plaatsvinden van het fiscaal instrumentarium gericht op ondernemerschap. Het gaat daarbij in ieder geval om de in 1998 gezamenlijk geëvalueerde instrumenten (rapport: Een duwtje in de rug, Rapportage van de werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkomingen en faciliteiten voor ondernemers, juli 1998). Om een integraal beeld te krijgen van de werking van de fiscale instrumenten gericht op ondernemerschap bestaat het voornemen om bij evaluatie alle in dit artikel genoemde fiscale maatregelen te betrekken.

Tabel Evaluatieonderzoek beleidsArtikel 3Evaluatiemoment
Operationeel doelEvaluatiemoment
3.2.1 Fysieke ruimte2003
– TIPP2003
– DBT2003/2004
– Convenant IPO-VNG-V&W-EZ2002/2003
– Kompas voor het NoordenMidterm: 2003
– TRN2003
– EFRO-cofinanciering: KONVER2003
– ROM's2004
– IPR2003
3.2.2 Productiefactoren2005
– Programma-onderzoek MKB (EIM)2004
– Fiscaal Instrumentarium Ondernemerschap2004
3.2.3 EZ als zakelijk partner2007
– Film2003
– JSF-subsidieregeling2003

3.6 VBTB-paragraaf

In deze paragraaf staan voor dit artikel de VBTB-verbeterpunten.

Terugkoppeling acties groei-paragraaf 2003

In de groeiparagraaf van de begroting 2003 zijn nieuwe indicatoren aangekondigd voor het ondernemingsklimaat in brede zin (de ondernemingsklimaat barometer) en voor het milieubeleid (kosteneffectiviteit). In paragraaf 3.1 van dit artikel is aangegeven, waarom daarvan is afgezien.

Kwaliteit van de doelformulering

De operationele doelstelling «fysieke ruimte», zoals nu geformuleerd in de begroting, is erg groot qua omvang en reikwijdte. Mede naar aanleiding van de in het najaar 2003 te starten evaluatie en het IBO-onderzoek zal worden bezien hoe eventuele differentiatie kan plaatsvinden.

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

• Inmiddels is de aard en omvang van de indicatoren op een aanvaardbaar niveau gebracht.

• Met name de streefwaardes voor herstructurering bedrijventerreinen en belang toerisme zullen in de begroting 2005 nog nader worden ingevuld.

• Voor veiligheid is met de detailhandel een convenant gesloten voor 50 tot 100 projecten tot 2006. Bij de voorbereiding van de begroting van 2005 wordt bezien of hiervoor in de EZ-begroting een prestatie-indicator kan worden opgenomen. De doelstelling van het veiligheidsprogramma van dit kabinet is de criminaliteit bij winkels en op bedrijventerreinen in 2008 met 20–25% terug te dringen.

• Verder zal in 2004 getracht worden de betrouwbaarheidsrisico's van de prestatie-indicatoren verder te verminderen. Met name evaluaties op operationeel doelniveau kunnen reden zijn tot verdere aanscherping van indicatoren.

Evaluatieprogrammering

Geen verbeterpunten.

4 DOELMATIGE EN DUURZAME ENERGIEHUISHOUDING

 Onderdelen toelichting  
 4.0Grafieken 
 4.1Algemene doelstelling  
 4.2Operationele doelstellingen 
  4.2.1 Voorzieningszekerheid 
  4.2.2 Energie-efficiëntie 
  4.2.3 Duurzame energie 
  4.2.4 CO2-reductie 
  4.2.5 Onderzoek en transitie 
 4.3Budgettaire gevolgen van beleid 
 4.4Budgetflexibiliteit  
 4.5Evaluatieplanning 
 4.6VBTB-paragraaf 

4.0 Grafieken

Aandeel artikel 4 in totale EZ-uitgaven (x € 1 mln)

Onderverdeling uitgaven artikel 4 naar operationele doelen (uitgaven x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-9.gif

Verloop ramingen 2001–2008 (x € 1 mln)

Ontvangsten 2001–2008 (x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-10.gif

4.1 Algemene beleidsdoelstelling

Bevorderen van een doelmatige en duurzame energiehuishouding

Het streven naar een doelmatige en duurzame energiehuishouding blijft ook binnen de randvoorwaarden van een liberaliserende markt onverkort van kracht. Het Energierapport 2002 (Kamerstukken II 2001/02, 28 241, nr 1) geeft aan dat dit streven zich richt op een energiehuishouding die goed scoort op de thema's voorzieningszekerheid, economische efficiëntie en milieukwaliteit.

De langere termijn

In het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (Kamerstukken 2001–2002/2002–2003, 27 801, nr 21) schrijft het kabinet dat voor het realiseren van een duurzame energiehuishouding op de langere termijn (2050) meer nodig is dan het reguliere beleid. Hiervoor is een systeemverandering (transitie) nodig, dat wil zeggen een verandering op economisch, sociaal-cultureel, technologisch en bestuurlijk gebied. Deze systeemverandering zal enige tijd vergen, maar kan nu wel al gestart worden. De lijnen die nu uitgezet worden hebben ook invloed op de lopende beleidsdossiers. Voor de langere termijn spelen het RD&D beleid (research, development en demonstratie) en transitiemanagement een doorslaggevende rol in het bevorderen van een duurzame energiehuishouding. Het beleid hiervoor wordt verder toegelicht onder operationeel doel 4.2.5. Ook kan de invoering van EU-emissiehandel van invloed zijn op energiebesparing bij bedrijven en op de productie en consumptie van duurzame energie in Nederland.

Besparing, duurzame energie en klimaat

Energiebeleid draagt in substantiële mate bij aan het realiseren van de Nederlandse reductieverplichting in het kader van het Kyoto-protocol. De reductie van broeikasgassen wordt voor de helft gerealiseerd via het energiebesparings- en duurzame energiebeleid in het binnenland. Hierin draagt het energiebesparingsbeleid ongeveer voor de helft bij aan de reductie van broeikasgassen en het duurzame energiebeleid voor ongeveer een kwart. Het resterende kwart wordt geleverd vanuit beleid voor de overige broeikasgassen. In de toekomst zullen ook klimaatneutrale fossiele energiedragers een belangrijke bijdrage moeten leveren. De andere helft van de Kyoto-verplichting wordt in het buitenland gerealiseerd via de inzet van flexibele instrumenten, waarbij EZ verantwoordelijk is voor de helft van deze reductie.

De effectiviteit van de instrumenten voor de financiële ondersteuning van duurzame energie, warmtekrachtkoppeling (WKK) en klimaatneutrale fossiele energiedragers is toegenomen. De fiscale stimulering via de Regulerende Energiebelasting (REB) door middel van de producentenvergoedingen voor duurzame elektriciteit, elektriciteit opgewekt door middel van bijstook van biomassa in elektriciteitscentrales en elektriciteit opgewekt in afvalverbrandingsinstallaties is per 1 juli 2003 vervangen door de Wet Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie MEP (Kamerstukken II, 2002–2003, 28 665). In 2004 zal de MEP haar effectiviteit moeten gaan bewijzen in het ondersteunen van initiatieven voor (duurzame) energieprojecten op Nederlands grondgebied.

De randvoorwaarden

De realisatie van beleidsdoelstellingen van dit artikel is niet alleen afhankelijk van de inzet van de beschreven instrumenten. Naast het beleid van andere departementen en medeoverheden zijn met name de inspanningen van marktpartijen zelf onontbeerlijk. Verder is de mate en het tempo van realisatie van de beleidsdoelstellingen afhankelijk van een aantal externe factoren zoals de ontwikkeling van de economische groei, de energieprijzen, het beleid van de EU en het aanbod van nieuwe technologie in het buitenland.

Europa

De invloed van de Europese Unie (EU) neemt gestaag toe. Daarbij is van belang dat het energie- en milieubeleid, dat in verschillende raden wordt voorbereid, beter onderling wordt afgestemd. Een eerste aanzet werd gegeven tijdens de informele bijeenkomst van EU-ministers voor energie en milieu in Montecatini (18–20 juli 2003), waar volstrekte overeenstemming bestond over het feit dat de integratie van milieu (klimaat) beleid en energiebeleid – onder de juiste randvoorwaarden – alleen maar kan leiden tot een win/win situatie, niet in de laatste plaats vanwege marktgerichte instrumenten als Joint Implementation (JI), Clean Development Mechanism (CDM) en emissiehandel.

De komende tijd zal de Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie zich buigen over wetgevingsvoorstellen op het gebied van energiebesparing en verdere completering van de liberalisering van elektriciteit en gas. In 2004 zal de Commissie een verslag uitbrengen over de implementatie van de richtlijn duurzame energie bij de elektriciteitsopwekking. Naar verwachting zal dit verslag een belangrijk onderdeel vormen van de agenda van het Nederlands voorzitterschap. In artikel 1, paragraaf 1.2.3.1 wordt nader ingegaan op de liberalisering van de energiemarkt en het Europese «level playing field».

In maart 2004 moet het allocatieplan voor emissiehandel bij de Europese Commissie zijn ingeleverd. Naar verwachting zal emissiehandel een dermate grote invloed op de energiemarkt kunnen krijgen, dat dit een belangrijk thema zal worden in het in 2004 uit te brengen Energierapport. Nader bezien zal worden of het Energierapport in zal gaan op de onderwerpen welke onder het Nederlandse voorzitterschap van de EU in Europees beleid moeten worden vertaald of dat het verstandiger is juist de consequenties van het voorzitterschap hierin te verwerken.

Wijzigingen ten opzichte van de begroting 2003

Ten opzichte van de begroting 2003 is een aantal wijzigingen doorgevoerd. Met deze wijzigingen zijn de publieke belangen ten aanzien van energie (met uitzondering van het beheer bodemschatten, zie artikel 7) ondergebracht in dit begrotingsartikel. Onder de algemene doelstelling van dit artikel zijn per 2004 operationele doelen toegevoegd ten aanzien van voorzieningszekerheid en leveringszekerheid (operationeel doel 4.2.1) en RD&D (operationeel doel 4.2.5). De operationele doelen voor energie-efficiëntieverbetering en duurzame energie (waaronder nu ook groene markt) zijn gehandhaafd. Het operationele doel ten aanzien van CO2-reductie is aangescherpt.

De operationele doelen zijn zoveel mogelijk gekwantificeerd en daarmee tevens te beschouwen als prestatie-indicatoren voorzien van streefwaarden. Vrijwel alle individuele instrumentindicatoren zijn hiermee komen te vervallen, omdat deze onvoldoende antwoord gaven op de vraag in hoeverre de instrumenten bijdroegen aan de realisering van de doelstelling. De inzet van de instrumentenmix ten behoeve van de operationele doelen wordt conform de evaluatieplanning (zie paragraaf 4.5) geëvalueerd.

4.2 Operationele beleidsdoelstellingen

De algemene beleidsdoelstelling wordt uitgewerkt in vijf operationele doelstellingen, te weten:

4.2.1 Handhaving van het niveau van voorzieningszekerheid van energie.

4.2.2 Een verbetering van de energie-efficiëntie met 1,3% per jaar.

4.2.3 Aandeel duurzame energie in het energieverbruik naar 10% in 2020 en 9% duurzame elektriciteit in 2010.

4.2.4 Bereiken van een jaarlijkse reductie van 9,4 Mton CO2-equivalent in de periode 2008–2012.

4.2.5 Effectiever en efficiënter inzetten van RD&D middelen gericht op het realiseren van een duurzame energiehuishouding op de langere termijn.

4.2.1 Handhaving van het niveau van voorzieningszekerheid van energie

Om de voorzienings- en leveringszekerheid op zowel de korte als de lange termijn te waarborgen, is de keuze gemaakt voor een integraal beleid ten aanzien van deze twee aspecten. Voorzienings- en leveringszekerheid van energie blijft in de belangstelling staan. Het gaat hierbij dan om:

• Voorzieningszekerheid en de beschikbaarheid van energiebronnen op langere termijn in geval van internationale crises;

• De ontwikkeling van de leveringszekerheid in Nederland mede onder invloed van de liberalisering van de gas- en elektriciteitsmarkt.

In deze paragraaf worden enkele belangrijke aandachtspunten beschreven.

Voorzieningszekerheid en lange termijn beschikbaarheid van energiebronnen

Bij grotere beleidswijzigingen zal de methodiek van de maatschappelijke kosten-batenanalyse worden gebruikt om te komen tot betere afweging en onderbouwing van beleidsbeslissingen. Deze methodiek is in ontwikkeling bij het Centraal Planbureau (CPB).

Nederland is in 2004 gastheer van het International Energy Forum (IEF), een tweejaarlijkse conferentie van energieministers uit energieproducerende en -consumerende landen. Deze producenten-consumentendialoog, is van belang voor het ontwikkelen van stabiele verhoudingen tussen de landen en voor een evenwichtige ontwikkeling van energiemarkten. Dit is de basis onder een goed klimaat voor investeringen in energie in productie- en transportinfrastructuur en nieuwe, duurzame technieken. In het 9e IEF in Amsterdam zullen investeringen centraal staan. Namelijk investeringen om een groter deel van de wereldbevolking toegang te geven tot energiebronnen en investeringen in productie-, transport- en energietechnologie.

Richtlijnen van de Europese Commissie over voorzieningszekerheid olie en gas

Sinds begin 2003 is in Brussel overleg over de voorstellen voor een richtlijn met betrekking tot het aanhouden van olievoorraden en de beschikbaarheid en opslag van gas tussen de Commissie en de lidstaten en tussen de Commissie en het Parlement. Wat olie betreft lijkt het uiteindelijke resultaat uit te monden in een modernisering van de eerdere oliecrisisrichtlijn. Er komen geen extra voorraden en de voorraden mogen ook niet worden ingezet bij prijsstijgingen. Wel worden extra voorzieningen getroffen om ervoor te zorgen dat de verplichte voorraden ook daadwerkelijk aanwezig en snel inzetbaar zijn. Voor de Europese lidstaten blijft het International Energy Agency (IEA) in Parijs de spil van het oliecrisisbeleid. Zie voor een nadere toelichting artikel 6. Ten aanzien van de voorzieningszekerheidsrichtlijn voor gas heeft Nederland steeds betoogd dat de richtlijn overbodig is na de aanvaarding van de tweede gasrichtlijn in november 2002. Het meest gevoelige punt uit de richtlijn was dat de Commissie zou kunnen ingrijpen in de Nederlandse gasopslag en gasproductie. Dit was en is voor Nederland volstrekt onaanvaardbaar.

Maatschappelijke kosten- en batenanalyse

In het Energierapport is aangekondigd dat er een kosten-/batenanalyse zal worden ontwikkeld. Inmiddels werkt het CPB samen met een aantal onderzoeksinstituten aan een methodiek om de maatschappelijke kosten en baten van voorzieningszekerheidsbeleid te bepalen teneinde een betere afweging te kunnen maken tussen verschillende beleidsopties om voorzieningszekerheid te vergroten, dan wel om een betere afweging te maken tussen voorzieningszekerheidbeleid en andere onderdelen van energiebeleid als milieukwaliteit en economische efficiëntie.

Natuur, ruimtelijke inpassing en milieu

De realisatie van energieprojecten in Nederland stuit steeds meer op problemen (met name gas en windenergieprojecten). Dit heeft te maken met de groeiende spanning bij het afwegen van enerzijds het belang van de economie en de voorzieningszekerheid en anderzijds het belang van natuur, milieu en ruimtelijke inpassing. In het kader van de projecten die uitgevoerd worden onder de regie van de Interdepartementale Commissie Marktordening (zie ook artikel 1) wordt een aantal voorstellen gedaan om deze knelpunten adequaat op te lossen.

Monitoring ontwikkeling van elektriciteitsproductiecapaciteit

De capaciteit van de elektriciteitsproductie bepaalt voor een belangrijk deel de leveringszekerheid van elektriciteit. EZ heeft aan TenneT de opdracht gegeven om een systematiek op te zetten en uit te voeren om de ontwikkeling van de productiecapaciteit van elektriciteit te monitoren. De uitkomsten geven de overheid de mogelijkheid om vanuit haar verantwoordelijkheid voor de leveringszekerheid de capaciteitsontwikkeling te volgen. Door publicatie van bepaalde gegevens krijgen marktpartijen daarnaast inzicht in de ruimte die er is voor investeringen in nieuwe productiecapaciteit. De wijze waarop deze bedrijfsvertrouwelijke gegevens in de markt ter beschikking zullen komen, wordt in overleg met DTe en de productiebedrijven nader bepaald. Naar verwachting kan de wettelijke verankering begin 2004 een feit zijn. Daarnaast vindt op dit moment samen met DTe nader onderzoek plaats naar de ontwikkeling van vraag en aanbod van elektriciteit op middellange en lange termijn en naar de prikkels die nodig zijn om het evenwicht tussen vraag en aanbod te waarborgen. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zullen in 2004 concrete voorstellen worden gedaan voor de borging van de leveringszekerheid op de lange termijn.

Waarborging netkwaliteit

Naast productie wordt ook de betrouwbaarheid van de netten nader bezien. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair op de schouders van de netbeheerders. Teneinde te verzekeren dat de betrouwbaarheid van de infrastructuren ook op de langere termijn behouden blijft, worden de volgende maatregelen voorbereid, waarbij waar nodig een wettelijke grondslag wordt uitgewerkt (interventiewet):

• Aanpassing van de tariefregulering, waarbij netbeheerders in geval van een relatief hoge betrouwbaarheid een bonus ontvangen en vice versa. De voorbereidingen zijn eind 2002 reeds gestart. De daadwerkelijke invoering is voorzien in 2005.

• Waarborging van de kwaliteitsbeheersing door netbeheerders ter zake van de betrouwbaarheid en van de transparantie daarvan, waar mogelijk via certificatie van het netbeheer.

• Verbetering en versnelling van de storingsregistratie en -rapportage door middel van wettelijke eisen en waar mogelijk via certificatie van het storingsregistratieproces en verkorting van de rapportagetermijn van november naar februari.

• Daarnaast komt er een centraal landelijk meldpunt voor storingen.

• Vermindering van het aantal storingen in de energielevering dat wordt veroorzaakt door graafwerkzaamheden. Interdepartementaal worden beleidsvoorstellen uitgewerkt om te komen tot de beschikbaarheid en het gebruik van goede informatie over de ligging van leidingen.

4.2.2 Verbetering van de energie-efficiëntie met 1,3% per jaar

Tabel 4.2.2.1 Effectenindicatoren verbetering energie-efficiëntie
EffectenindicatorStreefwaarde
Jaarlijkse verbetering energie-efficiëntie1,3%

Coördinatiesecretariaat

Het sectorspecifieke energiebesparingsbeleid is geïnternaliseerd naar de sectordepartementen. Dit betekent dat departementen die primair verantwoordelijk zijn voor de integrale afweging per beleidsterrein ook primair verantwoordelijk zijn voor het energiebesparingsaspect op deze beleidsterreinen. EZ is verantwoordelijk voor energiebesparing in industrie, de diensten- en energiesector (en apparaten) en voor de ontwikkeling van energiebesparingsbeleid op hoofdlijnen, generieke regelingen, energiebesparingsonderzoek, internationale aangelegenheden (notificatie van regelingen, reacties op richtlijnen, contacten met de IEA) en de monitoring op macroniveau. Tevens heeft EZ een coördinerende rol met betrekking tot het energiebesparingsbeleid.

Om het beleid rondom energiebesparing en klimaat beter te coördineren is een interdepartementaal coördinatiesecretariaat opgezet. Dit secretariaat zal op nationaal niveau het volgende monitoren:

– de ontwikkeling van de energie-efficiëntie en CO2-uitstoot,

– de uitvoering van de relevante actiepunten uit het Energierapport 2002 en de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel I (UK I),

– de (kosten)effectiviteit van het instrumentarium.

Jaarlijks zullen de monitoringgegevens worden gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

Het secretariaat zal de afstemming tussen sectoraal beleid en generiek beleid, voor zover van belang voor het realiseren van de doelstellingen van het energie-efficiëntie- en klimaatbeleid, bewaken.

Tevens wordt samen met andere departementen, die betrokken zijn bij het klimaat- en energiebesparingsbeleid, jaarlijks een sector doorgelicht op de vraag wat in die sector het energiebesparingsbeleid heeft opgeleverd. Voor 2004 is dat Verkeer en Vervoer.

Energiebesparingsinstrumentarium

Het energiebesparingsbeleid is zoveel mogelijk generiek, marktconform en vraaggericht. Aanbodgericht beleid wordt alleen gevoerd als hiervoor een specifieke reden bestaat. De kern van het instrumentarium bestaat uit:

A. Regulerende energiebelasting

B. Fiscale en financiële instrumenten

C. Regelgeving

D. Afspraken met marktpartijen

A. Regulerende energiebelasting

De Regulerende energiebelasting (REB) is een belasting op onder meer gas en elektriciteit. De REB leidt tot een verhoging van de energieprijs voor de eindverbruiker waarbij tevens externe kosten van energieverbruik in de prijzen worden verdisconteerd. De hogere eindprijs heeft een regulerend effect op het energieverbruik. Hogere prijzen leiden tot minder verbruik als gevolg van efficiëntere apparaten en zuiniger gedrag. Op deze wijze draagt de REB bij aan het behalen van de doelstelling ten aanzien van energiebesparing.

Conform het Strategisch Akkoord van het vorige kabinet is een aantal wijzigingen in de REB doorgevoerd. De voornaamste wijzigingen hangen samen met het wetsvoorstel MEP. Deze worden in paragraaf 4.2.3 toegelicht. In het Hoofdlijnenakkoord van Balkenende II is een verhoging van de REB opgenomen van 10% met ingang van 2005. Implementatie van de voorgenomen Europese richtlijn energiebelastingen zal leiden tot verdere aanpassing van de REB.

B. Fiscale en financiële instrumenten

a. Besluit subsidies energieprogramma's

Op basis van het Besluit subsidies energieprogramma's (BSE) geeft EZ subsidie aan projecten op het gebied van onder meer energiebesparing (en voor duurzame energie, zie operationele doelstelling 4.2.3). Deze programma's worden uitgevoerd door Novem en Senter via één- of meerjarige programmaovereenkomsten. Het BSE kent energieprogramma's die gericht zijn op energiebesparing in de industrie en dienstverlening, in huishoudens en bij energieconversie. De scope van deze programma's gaat van haalbaarheidsstudies en onderzoek tot marktintroductie.

b. Stimulering warmtekrachtkoppeling

Het toepassen van warmtekrachtkoppeling (WKK; gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte) bespaart energie en reduceert dus ook de uitstoot van CO2. De afdrachtskorting (art 36 t van de Wbm) is per 1 juli 2003 vervangen door de wet MEP. In deze wet zal per 1 januari 2004 de stimulering gekoppeld worden aan de daadwerkelijke CO2-reductie, gebaseerd op een CO2-index. Hiermee wordt een prikkel gegeven om zowel de techniek als de bedrijfsvoering op CO2 te optimaliseren. Op de MEP wordt meer in detail ingegaan in paragraaf 4.2.3.

c. Energie-investeringsaftrek

De Energie-investeringsaftrek (EIA) is een fiscaal beleidsinstrument gericht op ondersteuning van investeringen in energiezuinige bedrijfsmiddelen en duurzame energie. Ondernemers kunnen een percentage van hun investeringen in duurzame energie aftrekken van hun fiscale winst.

d. Overige regelingen

Naast de in deze paragraaf genoemde regelingen, is tevens een aantal andere regelingen, zoals Energiepremieregeling, EET en CO2-reductieplan, van toepassing op energiebesparing.

C. Regelgeving

Via de Wet Energiebesparing Toestellen worden EU-richtlijnen ten aanzien van energie-etikettering en minimum-efficiëntienormering van toestellen in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Doel van verplichte energie-etikettering is consumenten bewust te maken van het energiegebruik van apparaten zodat zij dit bewust meenemen in hun aanschafbeslissing. Voor koel- en vriesapparatuur, wasmachines, wasdrogers, wasdroogcombinaties, vaatwassers en lampen is energie-etikettering verplicht gesteld. Voor CV-ketels en warmwatertoestellen zijn energie-etiketten in voorbereiding. Voor koel- en vriesapparatuur worden aanscherpingen van de energielabels voorzien. Met ingang van 1 juli 2003 is ook een energielabel voor elektrische ovens verplicht. In Nederland wordt het energie-etiket (A-label) ook gebruikt in de Energiepremieregeling.

Daarnaast gelden er minimumefficiëntie-eisen voor CV-ketels, koel- en vriesapparatuur en starters (voor TL-verlichting) die in de EU op de markt gebracht worden.

D. Afspraken met marktpartijen

a. Convenant Benchmarking energie-efficiëntie

Op 6 juli 1999 sloot de Nederlandse overheid met de energie-intensieve industrie het Convenant Benchmarking energie-efficiëntie. Doel is de uitstoot van CO2 te verminderen door efficiënter om te gaan met energie. De industrie heeft toegezegd zo snel mogelijk, maar uiterlijk in 2012 tot de wereldtop te behoren op het gebied van energie-efficiëntie voor procesinstallaties. In ruil daarvoor zal de overheid de deelnemende ondernemingen geen extra specifieke nationale maatregelen gericht op energiebesparing of CO2-reductie opleggen.

Bijna alle van de 232 inrichtingen hebben een energie-efficiëntieplan ingediend. Uit de monitoring rapporten over 2002 blijkt dat de industrie haar afspraken in het algemeen goed nakomt. De verwachte energie efficiëntieverbetering wordt wel negatief beïnvloed door de teruglopende conjunctuur. Op basis van de efficiëntieplannen en de voorgenomen maatregelen blijft echter een gemiddelde jaarlijkse verbetering van de energie-efficiëntie met 1,3% binnen bereik.

b. Meerjarenafspraken energie-efficiëntie 2 (MJA2)

Op 6 december 2001 ondertekenden de Ministers van EZ, LNV en VROM, het IPO en de VNG, en zestien brancheorganisaties de MJA2. Deze afspraak is bedoeld voor bedrijven met een energieverbruik van minder dan 0,5 PJ per jaar en heeft een looptijd tot 2012. Bedrijven treden tot de MJA toe middels een toetredingsbrief.

Met de ondertekening van de MJA2 hebben de overheden en het bedrijfsleven afspraken gemaakt over een vergaande gezamenlijke inspanning om de energie-efficiëntie in de industrie verder te verbeteren en zo de uitstoot van CO2 te beperken. Als tegenprestatie verplicht de rijksoverheid te bevorderen dat ondernemingen geen aanvullende specifieke nationale maatregelen krijgen opgelegd op het gebied van energiebesparing of CO2-reductie.

Voor de deelnemende bedrijven betekent dit dat zij alle zekere energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd tot vijf jaar voor 2005 moeten nemen. Deze maatregelen worden vastgelegd in een energiebesparingsplan (EBP). Ook zijn zij verplicht systematische energiezorg te implementeren. Daarnaast moeten zij zich inspannen om energiebesparing te realiseren door middel van verbredingsthema's als energiezuinig productontwerp, optimalisatie van transport en logistiek, duurzame bedrijventerreinen en de inzet van duurzame energie. Per branche wordt een Meerjarenplan (MJP) opgesteld.

In april 2003 waren al 17 brancheorganisaties en 500 bedrijven toegetreden tot de MJA2 (inclusief de LNV sectoren zijn dit er ruim 700). Naar verwachting zullen in totaal ruim 900 bedrijven toetreden tot de MJA2. Inmiddels zijn er 14 Meerjarenplannen ingediend. Op basis van deze plannen wordt in de periode tot 2005 een energie-efficiëntieverbetering van 1,9% per jaar verwacht. Hiervan is 0,5% toe te schrijven aan de verbredingsthema's.

De bestaande MJA's met het CBL (supermarkten), wetenschappelijk onderwijs, banken en verzekeraars lopen nog tot na 2004. De MJA met de intramurale gezondheidszorg is afgelopen en niet verlengd. Inmiddels zijn de academische ziekenhuizen toegetreden tot MJA2. De MJA met het HBO is onderdeel geworden van het (bredere) Handvest Duurzaamheid HBO en inhoudelijk op het niveau van MJA2 gebracht. De verplichtingen op energiegebied voor de deelnemers aan het milieuconvenant Grote Sportaccommodaties zijn ook op het niveau van MJA2 gebracht. De banken, de supermarkten en de verzekeraars bekijken in hoeverre toetreding tot MJA2 haalbaar is.

c. Europese convenanten

Aanbieders van een aantal apparaten en installaties hebben in het verleden onderling afspraken gemaakt over de verbetering van de energie-efficiëntie van hun producten voor de Europese markt. Deze afspraken zijn goedgekeurd door de Europese Commissie. Er zal in 2004 ingezet worden op nieuwe afspraken (convenanten) voor die apparaten waar nog een efficiëntiewinst te behalen valt en waarvoor nog geen regelgeving bestaat, en op een aanscherping van bestaande afspraken.

4.2.3 Aandeel duurzame energie in het energieverbruik naar 10% in 2020 en 9% duurzame elektriciteit in 2010

Tabel 4.2.3.1 Effectenindicatoren duurzame energie
EffectenindicatorStreefwaarde
Aandeel duurzame energie in het energieverbruik Aandeel duurzame elektriciteit in het elektriciteitsverbruik10% in 2020 9% in 2010

Duurzame energie sinds het Energierapport 2002

In de Derde Energienota (december 1995) heeft de overheid zich ten doel gesteld dat in 2020 het aandeel duurzame energie in het energieverbruik minimaal 10% zal bedragen. Als tussendoelstelling is hiervoor in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (UK I) een aandeel van 5% in 2010 genoemd. Door de EU-richtlijn duurzame energie is Nederland gehouden aan een aandeel duurzame elektriciteit in het elektriciteitsverbruik van 9% in 2010. Als tussendoelstelling hiervoor geldt een aandeel van 6% in 2005.

Duurzaam energiebeleid in 2004 bouwt voort op de nieuwe strategie voor het bereiken van de doelstelling van 10% duurzame energie in 2020, zoals in de EZ-begroting van 2002 is gepresenteerd. Biomassa en wind zijn cruciaal voor de realisatie van de doelstelling. In het Energierapport 2002 is aangekondigd dat beleid op het gebied van duurzame energie de komende jaren in het teken zal staan van de stimulering en ontwikkeling van het aanbod van duurzame energie in Nederland, met name van de opties wind en biomassa. De reden is dat de productiecapaciteit achterblijft bij de groeiende vraag. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn enerzijds problemen in de sfeer van de ruimtelijke ordening met betrekking tot windenergie en anderzijds een onvoldoende stabiel investeringsklimaat. Wat betreft de stabiliteit van het investeringsklimaat zal de MEP hiervoor een oplossing bieden (zie ook 4.2.3 onder B. Fiscale en financiële instrumenten).

Als onderdeel van de 10% duurzame energie in 2020 wordt gestreefd naar de realisatie van 6000 MW windenergie op zee in 2020 (Energierapport 2002). De mogelijkheden van windenergie op zee zullen worden gedemonstreerd in het Near Shore Windpark van circa 100 MW binnen de 12-mijlszone voor de kust van Egmond. In 2003 heeft de Raad van State een beroep en bezwaar afgewezen waarmee formeel de Planologische KernBeslissing (PKB) een feit is geworden. In 2004 vindt verdere voorbereiding en gedeeltelijke uitvoering van de bouwactiviteiten plaats. Ingebruikname wordt voorzien voor 2005.

Voor beleid op het gebied van duurzame energie achter de meter (DEAM: fotovoltaïsche en thermische energie, benutting omgevingsenergie via warmtepompen) zijn met het Ministerie van VROM afspraken gemaakt om beleid en programma's nog beter op elkaar af te stemmen waardoor synergie wordt bereikt. In 2003 is het laatste convenant (warmtepompen) beëindigd.

Instrumentarium duurzame energie

Het duurzame energiebeleid is zoveel mogelijk generiek, marktconform en vraaggericht. Aanbodgericht beleid wordt alleen gevoerd als hiervoor een specifieke reden bestaat. De kern van het instrumentarium bestaat uit:

A. Wet- en regelgeving

B. Fiscale en financiële instrumenten

C. Afspraken met belanghebbenden

D. Voorlichting

A. Wet- en regelgeving

a. Groene markt

De markt voor duurzame elektriciteit is enorm gegroeid. Op 1 mei 2003 waren er naar schatting 1,4 miljoen huishoudens overgestapt op groene stroom. Met de liberalisering van de groene markt wordt beoogd een bijdrage te leveren aan het bereiken van de duurzame energiedoelstellingen die in Europees verband zijn afgesproken. De vrije markt wordt ondersteund door een systeem van groencertificaten en financiële stimulering (MEP, REB), waardoor de prijs nauwelijks afwijkt van die van grijze stroom. Met een groencertificaat wordt aangetoond dat een producent een bepaalde hoeveelheid elektriciteit op duurzame wijze heeft geproduceerd en op het elektriciteitsnet heeft ingevoerd. De groencertificaten zijn, gescheiden van de elektriciteit, vrij verhandelbaar.

Sinds 1 januari 2002 komen ook buitenlandse producenten van duurzame elektriciteit in aanmerking voor een Nederlands groencertificaat, maar na implementatie van de richtlijn duurzame elektriciteit zal dit groencertificatensysteem zijn omgezet in een systeem van garanties van oorsprong. Deze verplichting vloeit voort uit de EU Richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (2001/77/EG). Vanaf dat moment zullen landen hun eigen systeem van garanties van oorsprong moeten hebben. Deze garanties van oorsprong dienen als bewijs dat de betreffende elektriciteit inderdaad op duurzame wijze is opgewekt. De Richtlijn beoogt de productie en het verbruik van duurzame elektriciteit verder te stimuleren en een Europese groene markt te bewerkstelligen.

b. Concessiestelsel Wind op Zee

Gestreefd wordt naar de realisatie van 6000 MW windenergie op zee in 2020. Voor de uitgifte van locaties wordt een toelatingssysteem ontworpen op basis van de Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken (Wbr). Dit systeem zal in 2004 gereed zijn en wordt voorafgegaan door een nog in 2003 in te voeren interimregeling. In principe kunnen windparken gebouwd worden binnen de gehele Exclusieve Economische Zone behalve daar waar uitsluitingen (o.m. scheepvaart, defensiegebieden e.d.) bestaan.

B. Fiscale en financiële instrumenten

a. Wet Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie

Door de grote kostenverschillen tussen de verschillende manieren om duurzame energie op te wekken, leidde de bestaande generieke stimulering via de Regulerende Energiebelasting (REB) voor sommige duurzame energieproductie tot relatieve overstimulering. Bovendien bood het bestaande stimuleringsinstrumentarium onvoldoende investeringszekerheid voor de producent. Om hieraan het hoofd te bieden is sinds 1 juli 2003 de regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie van kracht (MEP; Kamerstukken II, 2002–2003, 28 665) in combinatie met een met 2,9 € ct/kWh verlaagd tarief voor duurzame elektriciteit binnen de REB (Wbm, art. 36i).

Voor binnenlandse vormen van duurzame elektriciteitsopwekking waarvoor het voordeel van Wbm art. 36i onvoldoende is om het kostenverschil met fossiele energie te overbruggen, wordt een aanvullende stimulering van het nationale aanbod van duurzame elektriciteit bewerkstelligd via de MEP. De MEP vervangt de voormalige producentenvergoedingen voor duurzame energie en WKK binnen de REB. Uitgangspunt van de MEP is dat in het bijzonder het nationale potentieel van biomassa en wind (land én zee) wordt benut.

De wet MEP behelst een tegemoetkoming voor producenten van duurzame elektriciteit, elektriciteit uit WKK en klimaatneutrale fossiele energiedragers. Zij kunnen een subsidie krijgen die bedoeld is om de meerkosten ten opzichte van gewone «grijze» stroom te overbruggen. Aantrekkelijk daarbij is, dat de vastgestelde subsidiehoogte voor producenten van duurzame elektriciteit gegarandeerd voor (maximaal) 10 jaar verstrekt wordt. Dit biedt zekerheid voor investeerders en verbetert het investeringsklimaat voor deze vormen van elektriciteitsopwekking. Voor warmtekrachtinstallaties wordt de subsidiehoogte jaarlijks vastgesteld en vanaf 2004 gekoppeld aan de feitelijke CO2-reductie. Hiermee wordt een prikkel gegeven om zowel de techniek als de bedrijfsvoering op CO2 te optimaliseren. De MEP draagt tevens bij aan de voorzieningszekerheid van nationale elektriciteitsproductie.

De tegemoetkomingen worden gefinancierd uit een verhoging van de aansluittarieven die de beheerders van het elektriciteitsnet in rekening brengen. Het uitgangspunt van deze operatie is dat de lasten voor afnemers gelijk blijven. Daarom wordt de voorgestelde verhoging van de aansluittarieven volledig gecompenseerd in de REB. Daartoe is het bedrag van de bestaande belastingvermindering per elektriciteitsaansluiting in de REB (art. 36j Wbm) verhoogd. De MEP is van kracht geworden via een wijziging van de Elektriciteitswet 1998.

b. Regulerende energiebelasting artikel 36i

De vraagstimulering in de REB, artikel 36i (faciliteit voor duurzaam opgewekte elektriciteit) van de Wet Belastingen op Milieugrondslag, zal in twee stappen verlaagd worden. Per 1 juli 2004 zal het fiscale voordeel voor afnemers van duurzame elektriciteit op 1,5 €ct/kWh vastgesteld worden. Vervolgens zal per 1 januari 2005 REB artikel 36i op nul gesteld worden.

De tussenstap is ingebouwd om te voorkomen dat tijdelijk het aanbod van binnenlands geproduceerde duurzame elektriciteit onvoldoende zou zijn om aan de vraag te voldoen. Daarnaast zijn betrokken marktpartijen veelal gebonden aan langlopende contracten, waardoor het risico van prijsstijgingen voor de consument ontstaat. Met deze tussenstap wordt de flexibiliteit voor deze marktpartijen vergroot.

Overeenkomstig artikel 72o, derde lid van de Elektriciteitswet 1998 worden de MEP subsidiebedragen aangepast naar aanleiding van wijzigingen in REB 36i. Door de verlaging van REB 36i te compenseren in de MEP bedragen, behouden binnenlandse producenten éénzelfde niveau van stimulering. Het uitgangspunt voor de MEP bedragen – de onrendabele top – blijft aldus behouden. Tegelijkertijd maakt deze verdere verschuiving van vraag- naar aanbodstimulering een efficiëntere inzet van overheidsgeld mogelijk. De operationele doelstelling 4.2.3 blijft onveranderd.

c. Besluit subsidies energieprogramma's en Novem-programma duurzame energie

Ook in 2004 geeft EZ aan Novem een programma op het gebied van duurzame energie in opdracht. Bij het programma hoort een subsidieregeling op basis van het Besluit subsidies energieprogramma's. De subsidiëring gebeurt grotendeels via het uitschrijven van tenders.

In het kader van de bezuinigingstaakstelling van het kabinet Balkenende II, zal met ingang van 1 januari 2004 een korting van € 2 mln worden aangebracht op het Novem-programma duurzame energie. Deze korting wordt onder meer bij het facilitaire, adviserende en beleidsondersteunende onderdeel van de programma's gevonden. Daarvan is het beleidsmatig effect beperkt.

d. Energie Investeringsaftrek

Voor investeringen in duurzame energie gelden vergelijkbare stimulansen als voor energiebesparingsmaatregelen. Ondernemers kunnen een percentage van hun investeringen in duurzame energie aftrekken van hun fiscale winst.

e. Overige regelingen

Naast de in deze paragraaf genoemde regelingen, is tevens een aantal andere regelingen, zoals Energiepremieregeling, EET en CO2-reductieplan, van toepassing op duurzame energie. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van de regeling groenprojecten. Deze fiscale regeling, bedoeld voor beleggers en investeerders, heeft als doel het stimuleren van milieuvriendelijke projecten. Dit gebeurt door beleggers geld te laten inleggen in een groenfonds van waaruit goedkope leningen aan investeerders worden verstrekt. Het lagere rendement voor de belegger in een groenfonds wordt gecompenseerd door de fiscus.

C. Afspraken met belanghebbenden

a. Elektriciteitsnet op zee

In juli 2003 is gestart met een project dat een visie moet opleveren over verantwoordelijkheden, bevoegdheden en taakverdeling met betrekking tot de aansluiting van windparken op het elektriciteitsnet (op zee), de daarmee gemoeide verdeling van de kosten alsmede over de wenselijkheid en mogelijkheid tot bundeling van aanleg van kabels. Omdat nog weinig bekend is over de toekomstige ontwikkeling van windparken op zee (regelgeving, economisch, technisch, natuur- en milieueffecten) wordt de visie ontwikkeld op basis van verschillende scenario's voor het tempo en de omvang van de groei van windparken op zee. Het project moet eind 2003 zijn afgerond.

b. Bestuursovereenkomst windenergie BLOW

De Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW) is op 10 juli 2001 gesloten tussen Rijk, IPO en VNG en beoogt de daadwerkelijke realisatie van ten minste 1500 MW windvermogen op land in 2010. Alle provincies zijn inmiddels volop bezig met de uitvoering van de plannen van aanpak. Binnen de BLOW zijn belangrijke thema's als stroomlijning wet- en regelgeving en geluidshinder van windturbines op bedrijventerreinen aan de orde gesteld. Het Ministerie van VROM bereidt een standpunt voor inzake de versoepeling van de toepassing van geluidsregels met betrekking tot windturbines op bedrijventerreinen. Een belangrijk ijkpunt in de overeenkomst is 31 december 2005. Vóór die datum moet finale planologische besluitvorming op gemeentelijk niveau hebben plaatsgevonden over voldoende plaatsingsruimte. Daarnaast vindt intensieve interdepartementale afstemming van beleidsontwikkeling en -uitvoering binnen het Rijk plaats. Belangrijk aandachtspunt voor 2003 en 2004 zal de realisatie van mogelijke windlocaties op terreinen van de overheid zijn.

c. Actieplan biomassa

Voor energiewinning uit biomassa ontvangt de Tweede Kamer het actieplan Biomassa. Dit actieplan is opgesteld door de overheid in overleg met marktpartijen. Initiatiefnemers van bio-energieprojecten komen diverse knelpunten tegen op het gebied van de financiën, de vergunningverlening, de communicatie, de beschikbaarheid van biomassa als brandstof, de technologie en het Europese «level playing Field». In het plan worden acties benoemd ter opheffing van de ondervonden knelpunten om zo op korte termijn een versnelling in de biomassa-inzet te realiseren. Via de Bio-Energie Koepel (BERK) zal de uitvoering van de acties worden aangestuurd.

D. Voorlichting

In 2003 wordt een evaluatie uitgevoerd naar de rol en het functioneren van Projectbureau Duurzame Energie (PDE) en het Informatiecentrum Duurzame Energie (IDE). Naar aanleiding van deze evaluatie zal worden bekeken op welke wijze de voorlichtingsfunctie van PDE en IDE in 2004 zal worden ingevuld.

4.2.4 Bereiken van een jaarlijkse reductie van 9,4 Mton CO2-equivalent in de periode 2008–2012

In het Protocol van Kyoto heeft Nederland een reductie van de emissie van broeikasgassen van 6% voor de budgetperiode 2008–2012 op zich genomen. Dit betekent een reductie van de uitstoot van 200 Mton CO2-equivalent in de periode 2008–2012. Dit is 40 Mton per jaar. Aan het halen van de binnenlandse klimaatdoelstelling dragen uiteraard ook de maatregelen genoemd bij de operationele doelstellingen 4.2.2 en 4.2.3 voor energiebesparing en duurzame energie voor een belangrijk deel bij. Ook het beleid van het Ministerie van VROM en andere departementen draagt hier uiteraard aan bij.

EZ streeft ernaar een reductie van 9,4 Mton CO2 (per jaar in de periode 2008–2012) te realiseren via het CO2-reductieplan en Joint Implementation.

In het project «CO2-streefwaarden» van het Ministerie van VROM zijn in 2003 streefwaarden voor de reductie van uitstoot van (schadelijke) CO2 vastgesteld voor de sectoren industrie (waaronder de energiesector), verkeer, landbouw en de gebouwde omgeving (diensten en huishoudens). Voor het behalen van de streefwaarde voor de industrie is EZ verantwoordelijk, zoals de andere departementen dat ook voor «hun» sectorale doel zijn. In feite zijn hiermee de CO2-doelen geïnternaliseerd door de betrokken departementen.

a. CO2-reductieplan

Het CO2-reductieplan is een samenwerkingsverband van de Ministeries van LNV, VROM, VenW en EZ en bestaat uit een aantal subsidieregelingen, waaronder als belangrijkste de EZ-regeling «Besluit subsidies CO2-reductieplan». Daarnaast omvat het samenwerkingsverband een aantal losse projecten die niet op basis van een dergelijke regeling zijn geselecteerd, zoals bijvoorbeeld de «eerste tranche» projecten, het Near Shore Wind project en de ondergrondse opslag van CO2 (CRUST). De Tweede Kamer wordt regelmatig over de voortgang van het CO2-reductieplan geïnformeerd (Kamerstukken II 2002–2003, 25 026).

In het voorjaar van 2002 is de regeling geëvalueerd. Naar aanleiding van deze evaluatie is besloten om de regeling zodanig aan te passen dat subsidieaanvragen voortaan worden beoordeeld op basis van «overheidskosteneffectiviteit».

Dit nieuwe rangschikkingcriterium zal als eerste worden toegepast bij de beoordeling van de aanvragen van de zesde tender, waarbij de minimale overheidskosteneffectiviteit wordt bepaald op € 45 per ton CO2 reductie.

b. Joint Implementation

Het Kyoto Protocol staat landen toe gebruik te maken van Joint Implementation (JI). JI biedt de mogelijkheid om projectgebonden broeikasgasreducties, die worden gerealiseerd in zogenaamde Annex-I landen (dit zijn landen die een Kyoto doelstelling hebben), aan te wenden voor het bereiken van de eigen doelstelling. Nederland heeft het voornemen via JI in totaal 34 miljoen ton CO2-reductie te kopen.

Nederland heeft vier verschillende manieren ontwikkeld om CO2-reducties via Joint Implementation te kopen.

1. De Emission Reduction Unit Procurement Tender (ERUPT) is een Europese aanbestedingsprocedure waarmee Nederland op een kosteneffectieve manier CO2-reducties van bedrijven in betreffende landen aankoopt. Inmiddels heeft EZ contracten gesloten met bedrijven die de reducties in Centraal- en Oost-Europa realiseren, voor de aankoop van maximaal 9 Mton CO2. EZ beoogt in 2004 nieuwe contracten te tekenen voor projecten in de derde tender.

2. Nederland neemt deel aan het Prototype Carbon Fund (PCF) van de Wereldbank om samen met andere overheden en bedrijven ervaring op te doen met JI en het Clean Development Mechanism (CDM). Het PCF maakt goede voortgang in de ontwikkeling van de projecten.

3. Naar verwachting wordt met de European Bank of Reconstruction and Development (EBRD) een contract getekend voor samenwerking op het gebied van JI. Met de Wereldbank wordt een soortgelijke samenwerking voorbereid.

4. Tevens wordt voor dit doel een tender voorbereid voor de private banken. De banken tekenen dan een raamcontract met een inspanningsverplichting om een bepaalde hoeveelheid Mton CO2- reductie te leveren aan de Nederlandse overheid.

Om het gestelde doel van 34 miljoen ton CO2-reductie te kunnen behalen is het minimumbedrag dat beschikbaar moet zijn voor JI € 340 mln. De beoogde bezuinigingen op de HGIS-gelden uit het Hoofdlijnenakkoord zijn daarom voor JI gemaximaliseerd op € 181 mln. Er resteert dan € 295 mln HGIS-gelden en € 45 mln op de post «Algemeen» van de begroting van het Ministerie van Financiën. Tezamen vormen deze bedragen € 340 mln, waarmee 34 miljoen ton CO2-reductie á € 10 per ton kan worden aangekocht.

Tabel 4.2.4.1 Prestatie-indicatoren bijdrage aan realisatie van doelstellingen van klimaatbeleid
InstrumentIndicator Streefwaarde
Besluit subsidies CO2-reductieplan, 6e tenderHoeveelheid voor broeikasgasreducties (committering)0,5 Mton CO2 per jaar [2008–2012]
ERUPT, derde tenderHoeveelheid aangekochte claims op CO2-credits1, 2 Mton CO2 per jaar [2008–2012]
Prototype Carbon FundHoeveelheid aangekochte CO2-credits0,6 Mton CO2 per jaar1 [2008–2012]
EBRDHoeveelheid aangekochte claims op CO2-credits0,4 Mton CO2 per jaar1 [2008–2012]
BankentenderHoeveelheid aangekochte claims op CO2-credits0,3 Mton CO2 per jaar1 [2008–2012]

1 Het betreft hier gesloten contracten met resultaatsverplichting.

c. Internationale CO2 -emissiehandel

Eind 2002 hebben de Europese milieuministers afgesproken om vanaf 2005 te beginnen met een Europees systeem van CO2-emissiehandel. Hierbij krijgen ongeveer 5000 bedrijven in Europa een absoluut CO2-plafond opgelegd, waarna ze kunnen gaan handelen. Doel van het handelssysteem is om zo efficiënt en kosteneffectief mogelijk aan een belangrijk deel van de Nederlandse en Europese klimaatdoelstelling te voldoen. Ongeveer de helft van alle Nederlandse CO2-uitstoot valt onder het systeem. De Ministers van VROM en EZ zijn samen verantwoordelijk voor emissiehandel. EZ heeft het voortouw bij de allocatie van de rechten. Doel van het allocatieplan is om op transparante, eenvoudige en rechtvaardige manier plafonds vast te stellen en emissierechten te verdelen. EZ gaat de allocatieplannen in samenwerking met de bedrijven realiseren om verzekerd te zijn van voldoende draagvlak bij de deelnemers van het handelssysteem.

4.2.5 Effectiever en efficiënter inzetten van RD&D middelen gericht op het realiseren van een transitie naar duurzame energiehuishouding op de langere termijn.

EZ heeft innovatie en duurzaamheid als hoofdthema op de beleidsagenda. Met het beleid voor de transitie naar een duurzame energiehuishouding en energie-innovatie geeft EZ hieraan invulling op het gebied van energie. Daartoe zal EZ er voor zorgdragen dat initiatieven die plaatsvinden op het terrein van de energietransitie geïntegreerd worden met de implementatie van het energie R&D beleid. Pas dan kan sprake zijn van een geïntegreerde en effectieve benadering van de innovatie – en duurzaamheidsopdracht waarvoor EZ zich gesteld ziet. Hiertoe zal uiteraard ook goede afstemming met het algemene innovatiebeleid plaatsvinden. De structurele budgetten voor energie-innovatie worden, ondanks de taakstellingen, gehandhaafd en er wordt een eenmalig budget van € 35 mln toegevoegd voor leerzame transitie-experimenten.

Energietransitie

EZ is regisseur van de energietransitie. Dit beleid is er op gericht om op de langere termijn een duurzame energiehuishouding te realiseren: een energiehuishouding die ecologisch houdbaar, kostenefficiënt en betrouwbaar is. Deze lange termijn ambitie is vastgelegd in het Energierapport 2002 (Kamerstukken II 2001/02, 28 241, nr 1). Voor het realiseren van dit lange termijn doel is een transitie noodzakelijk: een systeeminnovatie op technologisch, sociaal-cultureel, economisch en bestuurlijk gebied. Dit proces duurt enkele decennia. Voor het op gang brengen van de energietransitie zijn op de korte termijn gerichte acties nodig (specifieke veelbelovende deelprojecten), maar ook acties met een op een langere termijn gerichte tijdshorizon (R&D), die alle in één type «transitiepaden» passen.

De Minister heeft een aantal concrete deelprojecten gestart. Hierbij gaat het om «Modernisering Energieketens», «Biomassa Internationaal», «Nieuw Gas» en «Duurzaam Rijnmond». Maatschappelijke actoren zijn bereid om mee te doen, mits de overheid een aantal randvoorwaarden vervult (zie rapport «Energietransitie uit de startblokken»).

In 2003 is in overleg met de betrokken maatschappelijke actoren gewerkt aan de invulling van deze randvoorwaarden. In 2003 moet bij elk van eerdergenoemde deeltrajecten een strategische visie op tafel komen voor 2025. Daarnaast zullen de wegen worden geformuleerd, die kunnen leiden tot de realisatie van deze visies. Deze wegen noemen we transitiepaden. In 2004 zullen als eerste stap voor deze transitiepaden concrete experimenten gestart worden.

Energie-innovatie

Voor het realiseren van de overgang naar een duurzame energiehuishouding en de daaraan gekoppelde experimenten is energie-innovatie essentieel. De nota Energieonderzoeksstrategie (Kamerstukken II 2001/02, 28 108, nr. 1) is in 2002 uitgewerkt tot een energie R&D-portfolio die in samenwerking met de markt is opgesteld, en een eerste opzet van de instrumentenmix voor energie-innovatie op hoofdlijnen.

R&D-portfolio

De R&D-portfolio wordt gevisualiseerd in een matrix. Daarbij is de volgende indeling geïntroduceerd: speerpunten, kennisimportthema's, kennisexportthema's en niet relevante thema's. In 2002 is deze portfolio vastgesteld na een uitgebreide consultatie van marktpartijen. Dit heeft geresulteerd in de vaststelling van de prioriteiten (zie tabel 4.2.5.1). De gedetailleerde uitkomsten van dit onderzoek zijn terug te vinden op www.energieonderzoek.ez.nl.

Tabel 4.2.5.1Overzicht prioriteitenBijdrage duurzame energiehuishouding
  HoogLaag
Kennispositie NederlandHoog17 speerpunten (+3)6 kennisexport thema's
 Laag11 kennisimport thema's (+9)13 geen R&D thema (+4)

Matrix: R&D portfolio publiek gefinancierd onderzoek.

De speerpunten zijn geclusterd in een vijftal aandachtsgebieden:

• (industriële) efficiëntieverbetering

• nieuw gas/schoon fossiel

• biomassa

• gebouwde omgeving

• opwekking en netten

In 2003 is het lange termijn onderzoek verder ingevuld door middel van onderzoeksprogrammering. Dit is gebeurd in nauwe samenhang met de activiteiten voor de energietransitie en met als uitgangspunt de hierboven beschreven R&D portfolio. De verdere uitwerking van de hierboven genoemde aandachtsgebieden zal in overleg met betrokkenen in het veld gebeuren. De programmering moet resulteren in de vaststelling van meerjarige onderzoeksprogramma's. Met de nieuwe prioriteiten voor energie-innovatie is een belangrijke stap gezet in de uitvoering van de nieuwe energieonderzoeksstrategie.

Instrumentenschets

In de eerdergenoemde nota Energieonderzoeksstrategie is aangegeven dat er in de komende jaren voldoende ruimte moet zijn voor het voeren van een specifiek energie-innovatiebeleid naast het algemene innovatiebeleid. Ook de Algemene Energieraad (AER) heeft dit geadviseerd. De nieuwe energieonderzoeksstrategie kan alleen succesvol uitgevoerd worden als het huidige instrumentarium vernieuwd wordt.

Zoals hiervoor aangegeven worden de energie-innovatie en de energietransitie geïntegreerd. De instrumenten van het energieonderzoek ondersteunen de energietransitie. De overheidsinterventie richt zich met name op die fasen in het RD&D proces die de markt laat liggen, maar die wel essentieel zijn voor het realiseren van een duurzame energiehuishouding op langere termijn. Daarom verschuift het accent van energie-innovatie naar de lange termijn en naar demonstratie. Voor de ondersteuning van transitie-experimenten is een budget van € 35 mln beschikbaar, in aanvulling op de bijdragen van de maatschappelijke actoren zelf.

De ondersteuning van het korte en middellange termijn onderzoek gaat plaatsvinden via de nieuwe projectmatige samenwerkingsregeling van het innovatie instrumentarium. Het programma Nieuw Energie-Onderzoek (NEO) is een relatief klein programma dat dient als broedkamer voor nieuwe potentiële speerpunten. Het instituut ECN/NRG krijgt een instrumentele functie in het stimuleren van onderzoek door marktpartijen. Voorts staan in de schets de ondersteunende activiteiten (niet-financiële instrumenten). Dan gaat het om de programmering van het lange termijn onderzoek, het stimuleren van internationale samenwerking door ondersteuning van deelname aan het Zesde Kaderprogramma (KP6) en deelname aan de Implementing Agreements (IA's) van het International Energy Agency (IEA).

Beschikbare middelen

De structurele budgetten voor energie-innovatie worden gehandhaafd op € 82,7 mln. Deze budgetten zijn afgesplitst van de operationele doelen 4.2.2 energieefficiëntieverbetering en 4.2.3 duurzame energie. Verder is er een eenmalig extra budget van € 35 mln (waarvan € 15 mln in 2004) om leerzame transitie-experimenten financieel te ondersteunen. Transitie-experimenten kunnen worden (mede)gefinancierd uit dit budget, in aanvulling op bijdragen vanuit de maatschappelijke actoren zelf. In 2003 en 2004 werkt EZ aan de daadwerkelijke uitwerking en uitvoering van dit instrumentarium, zodat in het najaar van 2004 het volledige nieuwe instrumentarium voor energie-innovatie in werking is. In relatie tot deze uitwerking staat ook het nog nader bezien van de plaats van het nucleair onderzoek in de R&D portfolio, mede in relatie tot de afspraken die inzake kernenergie in het regeerakkoord zijn gemaakt.

Om de voortgang van deze nieuwe strategie te bewaken zijn de volgende indicatoren ontwikkeld.

Tabel 4.2.5.2 Prestatie-indicatoren energietransitie en energie-innovatie
IndicatorStreefwaarde
1 Concentratie RD&D activiteiten op een beperkt aantal thema's5 thema's: biomassa, nieuw gas, industriële (efficiëntieverbetering), gebouwde omgeving, opwekking en netten.
2 Verhogen van het aandeel voor lange termijn onderzoek en demonstratie in het bestaande budgetHet budget voor lange termijn onderzoek loopt op van € 22 mln in 2004, € 32 mln in 2005 naar € 42 mln in 2006. Budget voor demonstratie € 17 mln.
3 Verlagen van het budget voor korte en middellange termijn onderzoekHet budget voor middellang en korte termijn onderzoek wordt € 47 mln in 2004, € 37 mln in 2005 en € 27 mln in 2006.
4 Handhaven van de EU bijdrage aan Nederlands energieonderzoekHet handhaven van het huidige niveau van 7–8%.

4.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 4: Doelmatige en duurzame energiehuishouding (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)290,3379,2331,0153,5132,9135,6170,0
Programma-uitgaven260,2350,6308,2131,1110,9113,9146,3
Operationeel doel 4.2.2: Verbetering Energie-efficiëntie       
– Programma's Energie-efficiëntie30,948,911,511,411,411,411,4
– EINP32,0      
Operationeel doel 4.2.3: Duurzame Energie       
– Programma's Duurzame Energie37,327,49,49,49,412,412,4
– EINP – Wind10,4      
– Projectbureau Duurzame Energie2,02,32,32,32,32,32,3
Operationeel doel 4.2.4: CO2-reductieregelingen       
– CO2-reductieplan67,975,5     
– Joint Implementation37,9155,6150,31,01,01,01,0
Operationeel doel 4.2.5: Onderzoek en transitie       
– Lange Termijn Onderzoek  52,452,452,452,452,4
– Energietransitie  15,020,0   
– Bijdrage aan ECN  30,330,029,929,929,9
Algemeen       
– Bijdrage Algemene Energie Raad0,70,10,10,10,10,10,1
– Bijdrage aan diverse instituten0,11,11,11,11,11,11,1
– Bijdrage aan ECN36,333,4     
– Diverse Programma Uitgaven Energie0,0 32,4   32,4
– Opdrachten en onderzoek Energie4,76,32,53,43,33,33,3
– NL voorzitterschap EU 2004  0,9    
        
Apparaatsuitgaven30,128,722,822,422,021,721,7
– Personeel Energie (DG M&E)5,24,74,64,64,54,54,5
– Bijdrage DG M&E aan Novem13,016,413,613,513,513,513,5
– Bijdrage DG M&E aan BLD Senter11,56,94,64,34,03,73,7
– Bijdrage JI DG M&E aan Senter0,40,7     
        
Uitgaven (totaal)141,9245,7212,0179,8190,9185,1194,8
        
Ontvangsten (totaal)37,845,911,511,511,511,511,5
– Terugontvangsten Senter0,1      
– Dividend Ontvangsten UCN37,645,311,311,311,311,311,3
– Diverse Ontvangsten Energie0,00,60,20,20,20,20,2

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid bij het onderhavige beleidsartikel zijn bedragen aan subsidieverplichtingen opgenomen waarvoor in bijlage 6 extra informatie is opgenomen. Deze begrotingsvermelding vormt voor de betreffende subsidieverleningen de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 4: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2002Raming 2003Raming 2004
 Gemiddelde bezettingGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijs
DG M&E – personeel*80,363,577,863,177,862,7

* Dit is exclusief de FTE's van DGO mbt Convenanten en MJA's. Die zijn geraamd op beleidsartikel 3.

Fiscale maatregelen

De Energie-investeringsaftrek (EIA) is een fiscaal beleidsinstrument dat ondernemers stimuleert bij het investeren in energiezuinige (en duurzame) apparaten en voorzieningen die voldoen aan een generiek besparingscriterium. Deze komen voor de aftrek in aanmerking (budget 2004: € 169 mln). Het gebruik van groene stroom wordt in 2004 nog gestimuleerd via een verlaagd tarief in de Regulerende Energiebelasting (REB). Hiervoor is € 208 mln beschikbaar. Voor een totaal overzicht van alle belastinguitgaven en de meerjarig hiervoor geraamde bedragen wordt verwezen naar de Miljoenennota 2004.

4.4 Budgetflexibiliteit

 2004 2005 2006 2007 2008 
1. Totaal geraamde kasuitgaven211 989 179 831 190 916 185 148 194 836 
2. Waarvan app.uitgaven23 177 22 196 21 855 21 379 21 745 
3. Dus programma uitgaven188 812 157 635 169 061 163 769 173 091 
4. Waarvan juridisch verplicht109 97758%81 34052%56 04433%41 76526%9 8176%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten30 14016%3202020%33 35420%33 30520%34 14420%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden43 28323%34 11822%68 63341%79 33548%121 66870%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen5 4123%10 1576%11 0306%9 3646%7 4624%
8. Totaal188 812100%157 635100%169 061100%163 769100%173 091100%

Uit de tabel blijkt dat 58% van de voor 2004 geraamde programma-uitgaven aangehouden wordt ter financiering van verplichtingen die tot en met 2003 zijn aangegaan. Dit deel van de kasraming is derhalve niet flexibel. De uitgaven die geraamd worden voor de met ingang van 2004 aan te gane verplichtingen, zijn in structureel opzicht voor ruim € 50 mln benodigd voor apparaatsuitgaven en instellingen en instituten (onder meer ECN).

Gezien de verplichtingen die voortvloeien uit het Kyoto-protocol en uit Europese doelstellingen, kan het leeuwendeel van de nog resterende kasbudgetten als «bestuurlijk gebonden» worden beschouwd. Wat betreft Kyoto: de budgetten van Joint Implementation zijn nodig om de benodigde buitenlandse emissiereducties te verwerven. Aan de noodzakelijke binnenlandse reductie van broeikasgassen draagt het energie-efficiëntiebeleid voor ongeveer de helft bij. Hierbij hoort een jaarlijks besparingstempo van 1,3%. Met de huidige beleidsvoornemens is dat volgens ECN en RIVM haalbaar. Bij die voornemens horen de bestaande budgetten.

Europees is vastgelegd dat duurzame elektriciteit in 2005 6% en in 2010 9% van het elektriciteitsverbruik moet uitmaken. De geraamde budgetten zijn nodig voor de realisatie van BLOW (bestuurlijke afspraak met provincies over windenergie) en de uitvoering van het actieplan biomassa (afspraak met VROM en marktpartijen). Ook is in Europees verband afgesproken dat Nederland streeft naar een besteding van 3% van haar BNP aan innovatie. Energie-innovatie is onderdeel van het algemene innovatiebeleid.

4.5 Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 4
Operationeel doelEvaluatiemoment
1. Operationeel doel 4.2.12006
2. Operationeel doel 4.2.22006
3. Operationeel doel 4.2.32005
4. MEP2004
5. Operationeel doel 4.2.42005
6. Operationeel doel 4.2.52006

4.6 VBTB-paragraaf

Terugkoppeling acties groei-paragraaf 2003

Zoals ook aan het begin van dit artikel is genoemd zijn de operationele doelen en prestatie-indicatoren van dit artikel aangescherpt.

Kwaliteit van de doelformulering

• In 2004 wordt voor operationeel doel 4.2.1 de definitie van het niveau van voorzieningszekerheid (integraal) verder uitgewerkt. De verwachting is dat in de begroting van 2005 dit als integrale indicator kan worden opgenomen.

• In 2004 zullen de mogelijkheden worden verkend om een adequate prestatie-indicator te ontwikkelen voor de leveringszekerheid van gas. Het ligt voor de hand om, analoog aan de prestatie-indicator voor elektriciteit, daarvoor de storingsduur te nemen. Een probleem dat zich hierbij voordoet is dat de storingsduur voor gas momenteel nog niet op objectieve en eenduidige wijze wordt gemeten. Daarvoor zal volgend jaar een methode worden ontwikkeld.

• De prestatie-indicator voor energietransitie wordt voor de begroting van 2005 vastgesteld.

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

Met bovengenoemde acties zijn alle doelen, al dan niet via prestatie-indicatoren meetbaar en voorzien van een tijdshorizon.

5 BUITENLANDSE ECONOMISCHE BETREKKINGEN

 Onderdelen toelichting
 5.0Grafieken 
 5.1Algemene beleidsdoelstelling  
 5.2Operationele doelstellingen  
  5.2.1 Verdieping en verbreding van de economische integratie van de Europese Unie 
  5.2.2 Multilaterale handels- en investeringssysteem 
  5.2.3 Nederlandse participatie en presentie 
 5.3Budgettaire gevolgen van beleid  
 5.4Budgetflexibiliteit 
 5.5Evaluatieplanning  
 5.6VBTB-paragraaf 

5.0 Grafieken

Aandeel artikel 5 in totale EZ-uitgaven (x € 1 mln)

Onderverdeling uitgaven artikel 5 naar operationele doelen (uitgaven x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-11.gif

Verloop ramingen 2001–2008 (x € 1 mln)

Ontvangsten 2001–2008 (x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-12.gif

5.1 Algemene beleidsdoelstelling

De missie van EZ is het bevorderen van duurzame economische groei. In het verlengde hiervan luidt de algemene beleidsdoelstelling voor het buitenlands economisch beleid:

Het scheppen van gunstige voorwaarden voor en het geven van nieuwe impulsen aan de internationale economische activiteiten van burgers en bedrijven zodat zij bijdragen aan de duurzame groei van de Nederlandse economie.

De economische groei in Nederland is teruggevallen. In het laatste kwartaal van 2002 en het eerste van 2003 was er zelfs sprake van krimp. De economische vooruitzichten op korte termijn zijn onzeker. Voor een open economie als de Nederlandse is het zaak dat juist nu kansen op internationale markten worden benut en dat de openheid van die markten wordt verzekerd. Dit is op termijn ook belangrijk voor een versterking van het economisch herstel. Dit betekent dat verder moet worden gewerkt aan vrijmaking van internationale handel en investeringen, dat de economische integratie in de Europese Unie (EU) moet worden gestimuleerd en dat internationaal ondernemen een impuls moet krijgen door onder meer het vergroten van de exportkansen van het bedrijfsleven. De activiteiten zijn erop gericht om via de buitenlandsector tot meer groei- en innovatievermogen van de Nederlandse economie te komen.

Het buitenlands economisch beleid zal in 2004 in het bijzonder gericht zijn op:

• uitvoering van de Lissabonstrategie1;

• afronding van de lopende WTO-ronde eind 2004;

• versterking van de positie van Nederlandse bedrijven op buitenlandse markten;

• het Nederlandse voorzitterschap van de EU in de tweede helft van 2004.

Hierbij zullen uiteraard de in relevante internationale conferenties gemaakte afspraken, onder meer Finance for Development (FFD, Monterrey, april 2002) en de World Summit on Sustainable Development (WSSD, Johannesburg, september 2002), een leidraad zijn.

5.2 Operationele doelstellingen

De bovengenoemde algemene beleidsdoelstelling van het buitenlands economisch beleid wordt hieronder uitgewerkt in drie operationele doelstellingen:

5.2.1. Verdieping en verbreding van de economische integratie van de Europese Unie.

5.2.2. Het verder uitbreiden en versterken van het open multilaterale handels- en investeringssysteem.

5.2.3. Het bevorderen van een zo groot mogelijke participatie en presentie van Nederlandse bedrijven en producten op buitenlandse markten, zowel nabije als veraf gelegen.

Doelstellingen van buitenlands economisch beleid dienen vaak te worden verwezenlijkt door internationaal overleg en onderhandelingen, vooral met de straks 24 andere EU-partners en de bijna 150 landen van de WTO. Invloed en overtuigingskracht zijn hierbij belangrijke instrumenten. Het is daarom nodig dat Nederland met één stem spreekt. Goede afstemming met bedrijven en andere departementen is daartoe noodzakelijk. Om een maximaal resultaat te behalen is het ook nodig coalities te smeden en rekening te houden met de soms afwijkende belangen en doelstellingen van andere departementen en landen. De EZ-inzet is dus niet alleen bepalend voor de realisatie van bovengenoemde doelstellingen. De verwezenlijking is ook afhankelijk van onder meer de wisselende internationale omstandigheden en context en de posities die de verschillende spelers innemen. Omdat de Nederlandse invloed en die van EZ beperkt zijn, worden ook keuzes gemaakt bij de inzet daarvan.

5.2.1 Verdieping en verbreding van de economische integratie van de Europese Unie

Binnen deze doelstelling zijn de activiteiten primair gericht op:

A. Goed voorbereiden en goed laten verlopen van het Nederlandse voorzitterschap van de EU in de tweede helft van 2004.

B. Vergroten van het groei- en concurrentievermogen in de EU.

C. Realiseren van een economisch verantwoorde (verdere) uitbreiding van de EU.

D. Hervorming van het structuurfondsenbeleid, vaststelling van de financiële perspectieven voor de periode na 2006 en blijvende aandacht voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in verband met de komende WTO-ronde.

E. Institutionele hervorming van de EU.

A. Goed voorbereiden en goed laten verlopen van het Nederlandse voorzitterschap van de EU in de tweede helft van 2004

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

Het voorzitterschap biedt mogelijkheden om vooruitgang te boeken met de EU-prioriteiten van EZ. Gezien de omgevingsfactoren in 2004 zal dit niet eenvoudig zijn. Immers, op 1 mei 2004 zullen tien nieuwe lidstaten formeel toetreden tot de EU, in juni 2004 vinden er verkiezingen plaats voor het Europees Parlement en op 1 november 2004 zal een nieuwe Europese Commissie aantreden.

Een andere uitdaging voor het Nederlands voorzitterschap wordt gevormd door de beslissing van de Europese Raad (Kopenhagen, december 2002) om in december 2004 te beslissen over de vraag of Turkije voldoet aan de zogenoemde politieke Kopenhagen-criteria. Ook zal de Doha-ronde (WTO) worden afgerond tijdens het Nederlands Voorzitterschap. Daarnaast is niet uitgesloten dat de intergouvernementele conferentie (IGC) over een nieuw EU-verdrag in 2004 zal worden afgerond.

In termen van activiteiten en output betekent dit het volgende:

• Uitwerken van voorstellen voor de EZ-prioriteiten voor het Nederlandse voorzitterschap van de EU en op basis daarvan een inbreng leveren bij het opstellen van de agenda voor het voorzitterschap.

• Het voorzitten van Brusselse zittingen van de Raad voor het Concurrentievermogen. Het voorzitten van de Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie ten aanzien van de onderdelen Telecommunicatie en Energie.

• Organiseren en leiden van een in Nederland te houden informele Raad voor het Concurrentievermogen, een informele ministeriële bijeenkomst over handelspolitiek en andere bijeenkomsten op hoogambtelijk niveau (onder andere Comité 133 en CREST).

• Het voorzitten van ambtelijke Raadswerkgroepen gewijd aan onderwerpen waar EZ verantwoordelijk voor is.

• Het opbouwen en onderhouden van netwerken met personen en instanties die kunnen bijdragen aan een succesvol Nederlands voorzitterschap.

B. Vergroten van het groei- en concurrentievermogen in de EU

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

Er zal meer werk gemaakt moeten worden van de uitvoering van de Lissabonstrategie. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is dat de tijdens de Europese voorjaarstop (maart 2003) gedane toezeggingen over het doorvoeren van structurele economische hervormingen daadwerkelijk worden nagekomen. Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de door EZ gecoördineerde Raad voor het Concurrentievermogen. Concrete uitdagingen zijn:

– Het wegwerken van belemmeringen bij grensoverschrijdend verkeer van diensten.

– Een goede coördinatie van het op economische hervormingen gerichte economisch beleid zodat beter geprofiteerd kan worden van de interne markt (onderlinge vergelijking van het economisch beleid van de lidstaten en uitwisseling van best practices).

– Het creëren van eerlijke concurrentieverhoudingen door middel van het goed naleven van de staatssteunregels van de EU.

– Het wegnemen van resterende handelsbelemmeringen tussen de lidstaten.

– Het creëren van optimale randvoorwaarden voor een goed innovatief klimaat in Nederland en de EU (onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven) door te werken aan de totstandkoming van de Europese Onderzoeks- en Innovatieruimte (ERIA)

In termen van activiteiten en output betekent dit het volgende:

• Wat de Lissabonstrategie betreft zal onder leiding van de Centrale Economische Commissie (CEC) een economische analyse ten behoeve van de standpuntbepaling van de volgende EU-voorjaarstop ter hand worden genomen.

• Het versterken van de positie van de Raad voor het Concurrentievermogen door een adequate voorbereiding en participatie en deze Raad een grotere rol geven bij het uitvoeren van de Lissabonstrategie.

• In de Raad voor het Concurrentievermogen activiteiten ontplooien om te komen tot een verdere vermindering dan wel eliminering van nog bestaande handelsbelemmeringen op de interne markt.

• In het kader van de Cardiff-procedure een nota opstellen over de werking van de Nederlandse product- en kapitaalmarkt en in samenwerking met een andere lidstaat een rapport opstellen over de stand van zaken ten aanzien van een nader te bepalen horizontaal thema.

• Het goed laten functioneren van het klachtenloket Europese markt, het contactpunt dat Nederlandse bedrijven bijstaat bij het verhelpen van problemen op de interne markt.

• Uitbouwen en versterken van het EZ-kenniscentrum staatssteun waar de staatssteundossiers van EZ worden behandeld.

• In het kader van de uitvoering van het actieplan 3%: het versterken van de wisselwerking tussen het publieke kennisbestel en het bedrijfsleven, het realiseren van een passende Open Methode van Coördinatie en het totstandbrengen van Europese Technology Platforms.

Tabel 5.2.1 a: Effectindicator verdieping van de economische integratie in de Europese Unie
IndicatorStreefwaarde
Interne Markt Index1 (bron: Scorebord van de interne markt, halfjaarlijkse publicatie van de Europese Commissie, november 2002)145

1 Deze index is in de periode 1992–2002 gestegen van 100 naar ruim 140. In 2001 heeft de Europese Commissie voor het eerst een interne markt index (IM index) berekend, maar daarbij aangetekend dat de index in 2002 nader zou worden getoetst en in het licht daarvan herzien. De in 2002 gepubliceerde IM index is op een andere wijze berekend dan de eerdere versie. De Commissie heeft bovendien IM indexen voor de afzonderlijke lidstaten berekend. Nederland blijkt tot de groep landen te behoren waar de IM index ongeveer even snel is gestegen als die van de EU als geheel (ca. 132).

C. Realiseren van een economisch verantwoorde (verdere) uitbreiding van de EU

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

Als de tien nieuwe lidstaten die per 1 mei 2004 formeel toetreden het acquis communautaire daadwerkelijk implementeren zal dat leiden tot een verdere verbetering van het economisch klimaat voor ondernemers. Het gaat hier om dynamische markten met in totaal ongeveer 75 miljoen inwoners die een groot groeipotentieel hebben en dus interessante handels- en investeringsmogelijkheden bieden voor het Nederlandse bedrijfsleven. De verdere uitbreiding wordt derhalve positief tegemoet getreden. Om ten volle te kunnen profiteren van de voordelen van de uitbreiding, zullen de nieuwe lidstaten zich moeten houden aan de verplichtingen zoals opgenomen in het toetredingsverdrag. Bevorderd zal worden dat de toetredende landen de door hen aangegane verplichtingen ook kunnen nakomen. Concrete uitdagingen zijn:

– Het verder ontwikkelen van de EZ-relatie met de «nieuwe buren» van de EU en in dit kader streven naar afronding van de onderhandelingen met kandidaat-lidstaten zoals Roemenië en Bulgarije (zo mogelijk in 2004). Bij de voorbereiding van de besluitvorming zal met name gelet moeten worden op de consequenties voor de werking van de interne markt (nagaan of deze landen voldoen aan de economische Kopenhagencriteria).

– Voorbereiding van een besluit over het openen van toetredingsonderhandelingen met Turkije. Aan het eind van 2004 zal de EU beslissen of de onderhandelingen met Turkije geopend zullen worden.

– Effectieve inzet van het financieel accessie-instrument (thans het Programma Samenwerking Oost-Europa Pre-Accessie, PSO PA). De toetreding van tien nieuwe lidstaten zal het karakter van het pre-accessieprogramma veranderen aangezien pre-accessiesteun, dat is gericht op het versterken van de economische instituties in die landen, per definitie ophoudt in toegetreden landen. Bedoelde landen zullen evenwel behoefte blijven hebben aan enigerlei vorm van assistentie bij het implementeren van EU-regelgeving, terwijl pre-accessiesteun nodig blijft voor latere en toekomstige toetreders in de westelijke Balkan.

In termen van activiteiten en output betekent dit het volgende:

• Monitoring van het nakomen van verplichtingen van de nieuwe lidstaten, op voor EZ relevante terreinen zoals mededinging, energie en certificering, met als uiterste consequentie het inroepen van speciale vrijwaringsmaatregelen.

• Het voortzetten en zo spoedig mogelijk afronden van de onderhandelingen met Roemenië en Bulgarije.

• Beoordeling van de ontwikkelingen in Turkije vanuit economisch perspectief.

• Aanpassing van het huidige pre-accessieprogramma om zowel de huidige, als de latere en toekomstige toetreders op adequate wijze steun te kunnen verlenen (het programma zal dan «Accessie Fonds» gaan heten).

• Het PSO PA zal zich vanaf 2004 vooral richten op de latere toetreders Roemenië, Bulgarije en Turkije. In de landen die in 2004 toetreden wordt het programma uitgefaseerd over een periode van drie jaar. Dit betekent dat in deze landen geen nieuwe lange projecten worden gestart en dat lopende projecten worden afgerond. Wel wordt daarbij de mogelijkheid open gehouden voor het verrichten van kortdurende projecten, vergelijkbaar met het huidige PSO PA kort. De reikwijdte en schaal van deze projecten zijn echter beperkt. Het vrijgekomen budget kan deels worden ingezet in Roemenië, Bulgarije en Turkije. Het totale budget voor PSO PA wordt daarom met ingang van 2004 verlaagd.

Tabel 5.2.1 b: Effectindicator uitbreiding van de EU
IndicatorStreefwaarde
– Feitelijke toetreding tien nieuwe lidstaten;   – Stand van zaken toetredingsonderhandelingen met Roemenië en Bulgarije (aantal afgesloten hoofdstukken);   – Ontwikkelingen in Turkije.– Begin 2004: ratificatie toetredingsverdrag met tien nieuwe lidstaten; – Eind 2004: 31 afgesloten hoofdstukken met Roemenië en Bulgarije; – Besluit over opening onderhandelingen met Turkije.

D. Hervorming van het structuurfondsenbeleid, vaststelling van de financiële perspectieven voor de periode na 2006 en blijvende aandacht voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in verband met de komende WTO-ronde

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

Voor het structuur- en cohesiebeleid zal de Europese Commissie medio 2004 met onderhandelingsvoorstellen komen voor de invulling van de periode na 2006. Op basis van deze voorstellen zullen de formele onderhandelingen starten. Er is nog geen einddatum vastgesteld maar gemikt wordt op eind 2005. Eind 2003 zal de Commissie haar eerste ideeën over deze voorstellen presenteren. Dit tijdpad betekent dat Nederland van begin (en daarvoor al) tot eind 2004 in een onderhandelingsproces zit.

Nederland zet voor de hervorming van het structuur- en cohesiebeleid in op een concentratie van de middelen op de EU landen met het laagste BBP per hoofd (in casu de nieuwe lidstaten) zodat de beschikbare middelen (zo'n 35% van de EU-begroting) effectiever en efficiënter worden ingezet.

Parallel aan het debat over de structuurfondsen zal de Commissie voorstellen doen voor de Financiële Perspectieven voor de periode na 2006. Hierin worden meerjarige uitgavenplafonds voor alle EU-uitgaven vastgelegd. Het gaat hierbij onder meer om het vaststellen van voor EZ relevante uitgaven als innovatie. Tevens zal worden onderhandeld over de wijze waarop de EU haar inkomsten verkrijgt. Naar verwachting zal de afronding van de onderhandelingen over structuurfondsen direct gekoppeld zijn aan de afronding van de onderhandelingen over de Financiële Perspectieven.

Een ander belangrijk beleidsterrein van de EU waar het ministerie van EZ bij betrokken is, is het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Met de afronding van de Mid Term Review (MTR) in 2003 is een belangrijke stap gezet in de richting van meer marktconformiteit en duurzaamheid. Voor de toekomst van het GLB is met name het verloop van de onderhandelingen over handelsliberalisatie in het kader van de Doha-agenda (WTO) van belang.

In termen van activiteiten en output betekent dit het volgende:

• In het kader van het door EZ gecoördineerde interdepartementale overleg een positie formuleren gericht op het effectiever en efficiënter maken van het Europese structuur- en cohesiebeleid.

• Het ontwikkelen van een standpunt over de Financiële Perspectieven, met speciale aandacht voor beleidsterreinen zoals innovatie. De Lissabonstrategie zal bij de discussie een belangrijke leidraad zijn.

• De inzet van EZ zal zijn dat ook na 2006 aandacht geschonken zal worden aan verdere herziening van het GLB.

E. Institutionele hervorming van de EU

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

De belangrijkste uitdaging voor EZ is de EU te versterken en de economische slagkracht van de EU, die binnenkort met tien lidstaten is uitgebreid, te vergroten. Dit betekent dat institutionele hervorming van de EU noodzakelijk is. Daarbij is de insteek om de communautaire methode te intensiveren en het evenwicht tussen de instellingen en de gelijkwaardigheid van de lidstaten te behouden.

In termen van activiteiten en output betekent dit het volgende:

• Actief bijdragen aan de inzet van Nederland om, in de intergouvernementele conferentie die in 2003 van start gaat, overeenstemming te bereiken over een nieuwe institutionele inrichting van de EU uitmondend in een nieuw EU-verdrag (Europese grondwet). De onderhandelingen over dit verdrag zullen vermoedelijk eind 2003 worden afgerond. Inzet is te komen tot een institutionele inrichting van en toedeling van bevoegdheden aan de EU die leiden tot een vergroting van de economische slagkracht.

5.2.2. Het verder uitbreiden en versterken van het open multilaterale handels- en investeringssysteem

Binnen deze doelstelling, welke ook in WSSD-kader wordt onderschreven, zijn de activiteiten primair gericht op:

A. Handhaving, uitbreiding en versterking van het multilaterale handelsstelsel en bevordering van een doorzichtig, stabiel en vrij investeringsklimaat.

B. Bevordering van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen over de grenzen.

A. Handhaving, uitbreiding en versterking van het multilaterale handelsstelsel en bevordering van een doorzichtig, stabiel en vrij investeringsklimaat

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

• Verdere vrijmaking van de wereldhandel door afronding van de Doha Development Agenda (DDA). Afronding van de DDA wordt ook gesteund tijdens de WSSD. In de DDA is de inzet gericht op het verwezenlijken van duurzame ontwikkeling door alle WTO-leden herbevestigd. Het gaat bij de DDA onder meer om het afbouwen van allerlei (non-)tarifaire belemmeringen voor (landbouw)producten en diensten. Bijzondere aandacht zal daarbij worden gegeven aan het wegnemen van markttoegangsbelemmeringen en handelsverstorende maatregelen voor ontwikkelingslanden. De WSSD heeft het belang en de inhoud van de in Doha vastgestelde agenda van de lopende WTO-ronde onderstreept en daarmee een extra impuls gegeven aan de succesvolle behandeling van deze agenda.

• De Nederlandse economie laten profiteren van verdere vrijmaking van de wereldmarkt. Recente studies wijzen uit dat het slagen van de lopende WTO-onderhandelingsronde Nederland jaarlijks tussen de € 2 mrd en € 4 mrd zal opleveren bij gedeeltelijke liberalisering. Bij volledige liberalisering kunnen de baten voor Nederland zelfs tot € 7,5 mrd per jaar oplopen.

• Zowel de participatie van ontwikkelingslanden in de WTO, als hun integratie in het wereldhandelsstelsel, schiet tekort. De toetredingsprocedures blijken een moeilijk te nemen horde voor een aantal Minst Ontwikkelde Landen (MOL's). Verder hebben vele van met name de armste ontwikkelingslanden geen eigen permanente vertegenwoordiging bij de WTO in Genève. Dit bemoeilijkt hun deelname aan de WTO-werkzaamheden ernstig.

• Veel ontwikkelingslanden hebben moeite met de implementatie van WTO-verplichtingen en profiteren nog onvoldoende van WTO-lidmaatschap. Daarom bestaat behoefte aan concrete activiteiten op het gebied van technische assistentie en capaciteitsopbouw. Deze activiteiten dragen bij aan verbeterde participatie van ontwikkelingslanden die reeds lid zijn en aan versnelling van toetreding van de ontwikkelingslanden die nog geen lid zijn, met name van de MOL's. Ook is verdere uitwerking van de WTO-bepalingen voor speciale en gedifferentieerde behandeling van ontwikkelingslanden nodig zoals ook is neergelegd in de Doha-verklaring.

• Het ontbreken van afdwingbare multilaterale spelregels op een aantal economisch relevante terreinen doet afbreuk aan markttoegang en rechtszekerheid. Het streven is om tot nieuwe WTO-regels te komen die een betere markttoegang en marktwerking bevorderen (bijvoorbeeld op terreinen als mededinging, investeringen, douaneprocedures en overheidsaanschaffingen). Daarvoor zijn meer kennis, inzicht en consensus nodig over de te volgen weg. Daarnaast dient via verheldering van de bestaande WTO-regels te worden gestreefd naar een betere nakoming van WTO-verplichtingen en de voorkoming van handelsgeschillen.

• De noodzaak van verduidelijking van de relaties en interacties tussen WTO-regels en Multilaterale Milieuakkoorden. WTO-regels en Multilaterale Milieuakkoorden verschillen, maar zijn gelijkwaardige rechtssystemen die elkaar wederzijds versterken. Daarbij is geen sprake is van hiërarchie tussen beide. Verder wordt bij de WTO-leden aandacht gevraagd en het draagvlak vergroot voor de zogeheten «non trade concerns» als dierenwelzijn, voedselveiligheid en plattelandsontwikkeling.

• De transparantie van de WTO-onderhandelingen en de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld moeten verder worden vergroot.

• Effectieve exportcontrole zien te verzoenen met eerbiediging van rechtszekerheid en het vermijden van onnodige lasten en handelsbeperkingen.

In termen van activiteiten en output betekent dit voor EZ het volgende:

• De activiteiten zullen in 2004 in het teken staan van het samenvallen van én het Nederlands EU-voorzitterschap én de beoogde afronding van de WTO-ronde eind 2004. De gebruikelijke interdepartementale afstemming door EZ en de beïnvloeding van EU-standpunten vanuit Nederlandse invalshoek, via overleg, interventies, indiening position papers en dergelijke, zal blijven plaatsvinden. Daarnaast zal vanuit het voorzitterschap een inspanning moeten worden geleverd om (dan 25) lidstaten en Commissie bijeen te brengen en/of houden. Dit rond een geloofwaardig geheel van standpunten dat perspectief biedt op succesvolle afsluiting van deze WTO-ronde waarin het accent ligt op ontwikkelingsaspecten. Goede netwerken en inhoudelijke creativiteit zullen hierbij des te noodzakelijker zijn.

• Een maximale inzet voor verdere afbraak van handelsbelemmeringen in derde landen en voor openstelling van de EU-markt. Bijzondere aandacht zal worden gegeven aan het wegnemen van markttoegangsbelemmeringen en handelsverstorende maatregelen voor ontwikkelingslanden.

• Optimaal gebruik maken van de speelruimte die als gevolg van de MTR is ontstaan in de WTO-onderhandelingen. In het bijzonder richt deze speelruimte zich op de landbouwonderhandelingen en de Europese inzet op onder meer non-trade concerns.

• Voortzetting van de Nederlandse bijdrage aan technische ondersteuning van ontwikkelingslanden en aan de verdere integratie van ontwikkelingslanden in het wereldhandelsstelsel.

• De Tweede Kamer zal tenminste tweemaal een voortgangsrapportage over inspanningen betreffende de WTO-ronde ontvangen, evenals de instructie voor de Nederlandse delegatie naar de (afsluitende) zesde ministeriële WTO-conferentie. Er zal regelmatig overleg gehouden worden met maatschappelijke organisaties en (bijdrage aan) voorlichting worden gegeven over de WTO en WTO-regels en -processen.

• Het bedrijfsleven zal rechtstreeks worden ingelicht over relevante en concrete maatregelen en uitspraken die voortvloeien uit handelspolitieke beslissingen van de WTO en de EU.

• Zorgen voor transparantie van exportcontrolebeleid en internationale afstemming van gerichte en effectieve exportcontrole, waarbij de administratieve lasten voor het bedrijfsleven beheersbaar worden gehouden. Elk jaar wordt in mei en oktober een rapportage over beleid en uitvoering/handhaving van de exportcontrole naar de Kamer gestuurd.

• Aansturing van diensten (Douane, FIOD-ECD, CDIU, AIVD) belast met uitvoering, toezicht, opsporing en inlichtingen op het terrein van exportcontrole en het defensieve handelsinstrumentarium van de EG (antidumping, vrijwaring, invoercontingenten en dergelijke).

B. Bevordering van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen over de grenzen

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

De aandacht van het maatschappelijk middenveld (waaronder bonden en NGO's) voor het gedrag van Nederlandse ondernemingen in het buitenland is in 2003 groot geweest. Naar verwachting zal de aandacht voor vraagstukken als kinderarbeid, milieu, corruptie, ketenverantwoordelijkheid en verslaglegging hoog blijven.

De overheid stimuleert maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) van Nederlandse bedrijven over de grens zoveel mogelijk. De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (zie www.oesorichtijnen.nl) zijn het normatieve kader voor het gedrag van internationaal investerende bedrijven. De Nederlandse overheid heeft de verplichting om de OESO-richtlijnen bekend te stellen en een Nationaal Contactpunt (NCP) op te zetten. Het NCP heeft onder meer als taak werkgevers, werknemers en ander maatschappelijke organisaties te helpen een gezamenlijk antwoord te vinden in het geval een vraag wordt ingediend over het toepassen van de OESO-Richtlijnen.

In de afgelopen twee jaar is ervaring opgedaan met vragen die gesteld werden aan het NCP. Uit het maatschappelijk veld is in 2002/2003 ongenoegen geuit over het gebrek aan duidelijkheid van het verloop van de procedure en de duur ervan. Verduidelijking van de procedure zal de bekendheid en bruikbaarheid van de OESO-richtlijnen en het NCP als instrument voor MVO bevorderen. In mei 2003 heeft het NCP in overleg met sociale partners en NGO's een aantal stappen vastgelegd om het verloop van de procedure beter aan te laten sluiten bij de vraag van het maatschappelijk veld. In 2004 moet daarom een verbetering hierin worden bereikt. De termijnen die behaald dienen te worden, zijn opgenomen in tabel 5.2.2.

De OESO-richtlijnen worden ook bekend gesteld en toepassing bevordert door middel van de voorwaarden verbonden aan het gebruik van het export- en investeringsinstrumentarium. Zo dienen gebruikers van dit instrumentarium te verklaren de OESO-Richtlijnen te kennen en deze naar vermogen toe te passen. Tevens wordt bij de aanvraagprocedure aandacht besteed aan omkoping, milieu en sociale arbeidsnormen.

In termen van activiteiten en output betekent dit het volgende:

• Inbreng van activiteiten in OESO-kader (onder meer «peer review») om te bevorderen dat steeds meer bedrijven de richtlijnen kennen en juist toepassen.

• Het onderhouden van een netwerk met sociale partners en non-gouvernementele organisaties (NGO's) om een draagvlak te creëren voor het MVO-beleid en tevens contact te houden met de vraagstukken die bij deze partijen leven.

• Tenminste één keer per jaar zal een rapportage over de door het NCP verrichte activiteiten alsmede over andere relevante ontwikkelingen naar de Kamer worden gestuurd.

• In het kader van het EU-voorzitterschap zal tevens aandacht besteed worden aan MVO.

• De Kamer wordt geïnformeerd over de voortgang van de implementatie van de MVO-criteria in het export- en investeringsinstrumentarium.

Tabel 5.2.2: Effectindicator Procedure NCP
IndicatorStreefwaarde
1. Binnen één week na ontvangst van de vraag bij het NCP een ontvangstbevestiging.100% afhandeling vragen volgens procedure.
2. Binnen één maand na ontvangst van een volledige vraag de uitslag van de eerste beoordeling. 
3. Het NCP maakt afspraken met betrokken partijen. Binnen één week na een contact wordt een (nieuwe) datum voor (vervolg)gesprek vastgelegd. Het NCP stelt alle betrokken partijen binnen één week op de hoogte van de afspraak.  
4. Binnen twee weken ontvangen de gesprekspartners ter goedkeuring een conceptverslag van een overleg. 

5.2.3 Het bevorderen van een zo groot mogelijke participatie en presentie van Nederlandse bedrijven en producten op buitenlandse markten, zowel nabije als veraf gelegen

Internationaal ondernemen is een bepalende factor voor (het herstel van) de structurele economische groei van Nederland. Met name de verdere internationalisering van het MKB vormt de sleutel daartoe. Het groeipotentieel van verderaf gelegen markten biedt vooral mogelijkheden voor meer ervaren exporteurs.

Voor een gezonde groei van de Nederlandse economie is het dus van belang dat Nederlandse bedrijven hun weg naar het buitenland goed weten te vinden. Daarbij zijn de transactiekosten (in diverse vormen) mede bepalend voor de concurrentiepositie van het bedrijfsleven. Dit speelt temeer daar de concurrentiepositie van het Nederlands bedrijfsleven is verslechterd door de sterk gestegen arbeidskosten én de appreciatie van de euro. Tegelijkertijd is duidelijk dat internationaal ondernemen ook onlosmakelijk verbonden is met de innovatiekracht van het Nederlands bedrijfsleven.

Het bedrijfsleven is uiteraard zelf primair verantwoordelijkheid voor haar internationale activiteiten. De overheid speelt ten aanzien van de transactiekosten vooral een kaderscheppende rol gericht op versterking van het nationale en internationale ondernemersklimaat (marktwerking en internationale rechtsorde). Toch zijn er een aantal redenen om het Nederlandse bedrijfsleven, dat actief is op buitenlandse markten of dat zou moeten zijn, te ondersteunen. Accent bij deze ondersteuning ligt op een verlaging van de transactiekosten, door onder andere goede informatievoorzieningen, voorlichting en netwerken. Daarnaast gaat het om de aanpak van specifieke marktimperfecties of marktverstoringen. Zo wordt het Nederlandse bedrijfsleven op buitenlandse markten nog steeds geconfronteerd met (handels)belemmeringen. Deze belemmeringen kunnen worden onderscheiden in drie categorieën:

a) Belemmeringen op het gebied van kennis, informatie en contacten;

b) Belemmeringen op het gebied van rendement;

c) Belemmeringen ten aanzien van risico's.

EZ heeft per categorie een financieel en non-financieel instrumentarium beschikbaar om de belemmeringen te bestrijden. Bij gebruik van het financieel instrumentarium worden individuele transacties getoetst op duurzame ontwikkeling (milieu en meer in het algemeen MVO-aspecten). De insteek daarbij is om negatieve gevolgen van de transactie te vermijden.

a. Belemmeringen op het gebied van kennis, informatie en contacten

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

Informatie over marktkansen en bedreigingen, lokale eisen (wet- en regelgeving) met betrekking tot bedrijfsvoering en relevante counterparts vormen essentiële factoren voor het bedrijfsleven. De toegankelijkheid van deze informatie op buitenlandse markten kan beperkt zijn, zodat ondernemers niet kunnen beschikken over export- en investeringsrelevante kennis. Ook kan de buitenlandse markt dermate moeilijk toegankelijk zijn dat verdere assistentie van (individuele) bedrijven bij het positioneren op deze markten noodzakelijk is. Daarnaast kan door kennisachterstand in het ontvangende land, de lokaal aanwezige «ontvangststructuur» de participatie van Nederlandse bedrijven bemoeilijken. Met name in voormalig centraal geleide economieën is bevordering van de transitie naar een markteconomie dan ook nadrukkelijk een gerelateerde doelstelling1.

In termen van activiteit en output betekent dit voor EZ het volgende:

EZ ondersteunt het bedrijfsleven door het geven van informatie en assistentie bij marktoriëntatie en marktbewerking. Ook heeft EZ enkele financiële instrumenten waarop bedrijven een beroep kunnen doen in met name deze beide fases van internationaal ondernemen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de instrumenten die EZ inzet voor het beperken van de belemmeringen op het gebied van kennis, informatie en contacten.

In het kader van de afspraken in het hoofdlijnenakkoord vinden de volgende ombuigingen plaats:

– Met ingang van 2004 worden de budgetten voor het (regulier) PSO en de TA-OM licht neerwaarts bijgesteld en wordt de bijdrage aan het Studie cum Stage programma stopgezet. Dit laatste onderdeel draagt niet direct bij aan de versterking van het groeivermogen van de Nederlandse economie en is te gering van omvang om te passen binnen een gestroomlijnd instrumentarium.

– Bij nota van Wijziging 2003 is vanaf 2005 reeds € 4,5 mln bezuinigd op de Trustfunds bij de EBRD en de IFC, als gevolg van tegenvallende resultaten. Met de nog resterende middelen op de begroting van EZ wordt een deel van de HGIS-taakstelling ingevuld.

InstrumentOmschrijving
Informatie en promotieOm het bedrijfsleven te faciliteren bij problemen op het gebied van kennis, informatie en contacten zet EZ zich in voor het informeren van het bedrijfsleven over interessante marktkansen en ontwikkelingen. De Economische Voorlichtings Dienst (EVD), als agentschap van EZ, speelt een belangrijke rol bij het vervullen van deze taken. De EVD informeert Nederlandse bedrijven over buitenlandse markten en ondersteunt deze bedrijven bij het selecteren en bewerken van die markten. De EVD organiseert tevens, samen met EZ, promotionele activiteiten waarbij zij het Nederlandse bedrijfsleven in contact brengt met buitenlandse zakenpartners. Dit varieert van handelsmissies, al dan niet onder leiding van een bewindspersoon, tot deelname aan beurzen. Met name in landen en binnen sectoren waar de (lokale) overheid een bepalende of minstens invloedrijke factor bij transacties is, blijkt de inzet van de Nederlandse overheid bij het assisteren van bedrijven een grote toegevoegde waarde te hebben (de zogenaamde economische diplomatie).
Postennetwerk en assistentieOok het postennetwerk is ingericht om netwerken te onderhouden. Ambassades, consulaten generaal en economische steunpunten spelen hierbij een belangrijke rol bij het vergaren en verstrekken van informatie, alsook bij het verlenen van assistentie aan het Nederlandse bedrijfsleven ter plekke. Samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal de EVD de dienstverlening van ambassades en consulaten generaal aan individuele bedrijven op geselecteerde markten gefaseerd verder intensiveren.
PSBHet Programma Starters Buitenlandse Markten (PSB) verlaagt de exportdrempel voor MKB-bedrijven met weinig of geen ervaring op buitenlandse markten.
PESPHet Programma Economische Samenwerking Projecten (PESP) is een geïntegreerd haalbaarheidsinstrument ter voorbereiding van export en investeringen naar niet OESO-markten.
PSOHet Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) bevordert kennisoverdracht via projecten ten einde de positie van Nederlandse bedrijven in Midden- en Oost-Europese (transitie)markten te versterken. Voor de wederopbouw van Irak is een apart luik in het PSO-programma opgezet.
TA-OMDe Technische Assistentie-Opkomende Markten regeling (TA-OM) draagt met managementondersteunings- en scholingsprojecten bij aan Nederlandse investeringen door MKB-bedrijven in opkomende markten.
Trustfunds bij IFC en EBRDVia de EZ-trustfunds bij de International Finance Corporation (IFC) en de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) wordt Nederlandse technische assistentie gefinancierd ter ondersteuning van (zo mogelijk Nederlandse) investeringen en andere activiteiten van IFC en EBRD.
PUMHet bieden van assistentie en kennisoverdracht aan Midden- en Oost-Europese bedrijven door uitzending van Nederlandse gepensioneerde managers en experts (Programma Uitzending Managers).

b. Belemmeringen op het gebied van rendement

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

Vele met name opkomende markten kenmerken zich door imperfecties ten aanzien van markttoegang, financiële infrastructuur waardoor moeilijk of geen ondernemingsfinanciering is te krijgen en rendementsbeperkende wet- en regelgeving.

Daarnaast is op buitenlandse markten voor het Nederlandse bedrijfsleven niet altijd sprake van een eerlijke concurrentieverhouding en/of een «level playing field».

In termen van activiteit en output betekent dit voor EZ het volgende:

EZ ondersteunt het bedrijfsleven op buitenlandse markten wanneer de barrières voor markttoegang op commerciële basis niet, of tegen prohibitief hoge kosten, door het bedrijfsleven kunnen worden aangepakt. Voor het handhaven van een «level playing field» ondersteunt EZ het exporterend én investerend bedrijfsleven met name in multilateraal kader (EU/OESO/WTO). Daarbij zet EZ zich in voor verdere vergroting van discipline en regels gericht op het verminderen van buitenlandse overheidssteun aan eigen exporteurs en op toename van de transparantie van de toegestane overheidssteun. Het financiële instrumentarium omvat het onderstaande instrument.

InstrumentOmschrijving
IFOMVoor het slechten van financiële barrières op buitenlandse markten stelt EZ de Investeringsfaciliteit Opkomende Markten (IFOM) ter beschikking aan het Nederlandse bedrijfsleven ter ondersteuning van Nederlandse investeringen in ontwikkelingslanden en opkomende markten1. Bij de IFOM staat de Nederlandse overheid borg voor de achtergestelde leningen aan joint ventures van Nederlandse bedrijven met lokale bedrijven. In 2004 is de IFOM naar verwachting geïncorporeerd in de door de FMO op te zetten Faciliteit Opkomende Markten (FOM).

1 Er bestaat geen algemeen aanvaarde definitie van opkomende markt. De term doelt op de groep ontwikkelingslanden met behoorlijke groeiperspectieven. EZ rekent landen met een BBP groter dan USD 40 mmrld USD, een groei boven het OESO gemiddelde (2,8%), een aandeel in de wereldimport van tenminste 0,3% en een redelijk aandeel in de stroom buitenlandse investeringen tot de opkomende markten (zie de EZ-nota «Opkomende Markten, Ontwikkelingen en Perspectieven» (verschijnt jaarlijks)).

Aanvullend hieraan ondersteunt EZ samen met OS het bedrijfsleven door middel van de ORET/MILIEV-regeling voor gebonden hulp.

In het kader van de afspraken in het hoofdlijnenakkoord en de daaruit voortvloeiende ombuigingen wordt de renteoverbruggingsfaciliteit (ROF) opgeheven1. Er is momenteel weinig te overbruggen aan renteverschillen, waardoor het beroep door het bedrijfsleven op deze faciliteit practisch nihil is.

c. Belemmeringen ten aanzien van risico's

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

Export naar en investeringen in bepaalde markten kunnen gepaard gaan met dermate grote commerciële en politieke risico's dat deze niet op de commerciële markt kunnen worden verzekerd. De transactiekosten worden hierdoor voor het bedrijfsleven te hoog om een reële concurrentiepositie te verwerven.

In termen van activiteit en output betekent dit voor EZ het volgende:

In multilateraal kader (EU/OESO/WTO) bevordert EZ het level playing field voor het Nederlandse bedrijfsleven door zich in te zetten voor verdere vergroting van discipline en regels gericht op het verminderen van buitenlandse overheidssteun aan eigen exporteurs en op toename van de transparantie van de toegestane overheidssteun.

Binnen Nederland zet EZ zich in om het Nederlandse bedrijfsleven zoveel mogelijk dezelfde ondersteuningsmogelijkheden te bieden als buitenlandse concurrenten kunnen krijgen van hun overheid. Aanvullend aan de reguliere exportkredietverzekering en de regeling herverzekering investeringen (beiden samen met Financiën) biedt EZ de onderstaande instrumenten aan ten gunste van het Nederlandse bedrijfsleven.

InstrumentOmschrijving
SENODe SENO-faciliteit van EZ is bedoeld om betalingsrisico's verbonden aan leveranties aan Oost-Europese dan wel Indonesische afnemers en waarvoor geen reguliere exportkredietverzekering beschikbaar is af te kunnen dekken.
GOMDe Garantiefaciliteit Opkomende Markten (GOM) van EZ biedt herverzekering aan voor het commercieel gefinancierde deel dat is verbonden aan een ORET/MILIEV-transactie en waarvoor geen reguliere exportkredietverzekering beschikbaar is.

Om de risico's van de herverzekeringsfaciliteit SENO/GOM af te dekken wordt sinds mei 1999 een interne begrotingsreserve aangehouden zoals bedoeld in artikel 5, lid 4 van de CW. Hier is begin 1999 toestemming voor verkregen van het Ministerie van Financiën. De interne reserve bedraagt € 307 mln en is daarmee van voldoende niveau om de herverzekeringsrisico's af te dekken en de voortgang van de faciliteit te waarborgen. Er vinden dan ook geen afstortingen meer plaats in de reserve.

Effectindicatoren en streefwaarden

Voor de hierboven onder a), b) en c) beschreven instrumenten zijn inmiddels de volgende effectindicatoren en (veelal) streefwaarden ontwikkeld:

Tabel 5.2.3: Effectindicatoren Nederlandse participatie en presentie
IndicatorStreefwaarde
Positie van Nederland op de wereldranglijst van belangrijkste handels- en investeringsnaties1Nederland handhaaft zich als exporteur van goederen en diensten én als buitenlandse investeerder in de mondiale top-10
   
Toenemend aandeel van MKB bedrijven dat exporteert213% van alle MKB bedrijven in Nederland
   
IndicatorRealisatie (2002)Streefwaarde (2004)
EVD3:  
Bereik423%29%
   
1. DP Oriëntatie  
– klanttevredenheid53,33
– bijdrage aan internationalisatie52,73
   
2. DP Participatie  
– klanttevredenheid53,33
– bijdrage aan internationalisatie52,73
   
Financieel instrumentarium:   
   
1. PESP   
– bereik (totaal MKB bedrijven)371500
– waarvan starters647%40%
– bijdrage aan internationalisatie50%50%9
   
2. PESP  
– succesratio736%33%
– export-multiplier82925

1 Vergelijking NL Nederlandse handel- en investeringscijfers met mondiale ontwikkeling. In 2000 was Nederland mondiaal de achtste exporteur van goederen, de zevende exporteur van diensten en de vierde buitenlandse investeerder. Bron: WTO, Trade Statistics (handelscijfers);, UNCTAD, World Investment Report (investeringscijfers).

2 In 2002 exporteerde 12% van alle Nederlandse MKB-bedrijven (bedrijven < 100 werknemers) (bron: EVD Business Monitor).

3 Voor de deelprogramma's Oriëntatie (voorheen Informatie) en Participatie (voorheen Collectieve Marktbewerking) zijn effectindicatoren en streefwaarden berekend. Voor de overige deelprogramma's zijn deze nog in ontwikkeling.

4 Het aandeel van de EVD-klanten in een jaar gerelateerd aan het aantal exporterende bedrijven (80 000).

5 De klanttevredenheid en bijdrage aan internationalisatie wordt geïllustreerd aan de hand van het ongewogen gemiddelde van de scores van de producten uit de deelprogramma's Oriëntatie en Participatie waarvoor reeds een nulmeting is gehouden. Dit betreft bij oriëntatie vraagbeantwoording, zakelijk gebruik van de website, voorlichtingsprojecten, de publicaties milieu in de markt en energie in de markt. Bij participatie betreft dit: missies onder leiding van bewindspersonen/hoge ambtenaren, matchmaking missies, collectieve beursinzendingen en uitnodiging decisionmakers. Voor de overige producten van deze deelprogramma's worden in 2003 nulmetingen gehouden. De scores voor klanttevredenheid vallen in een schaal van 1–4: 1 = slecht, 2 = matig, 3 = voldoende, 4 = goed. De scores voor bijdrage aan internationalisatie vallen in een schaal van 1-4: 1 = niet, 2 = beperkt, 3 = redelijk, 4 = in hoge mate.

6 Gezien de verslechterde economische omstandigheden is de streefwaarde lager dan de realisatie in 2002 die exceptioneel hoog was.

7 Het aandeel van de projecten dat leidt tot een daadwerkelijke exportorder of investering. De streefwaarde is gebaseerd op een meerjarig gemiddelde en lager dan de realisatie in 2002 die exceptioneel hoog was.

8 De gerealiseerde export in euro op basis van een investering in het PESP-project van 1. De streefwaarde is gebaseerd op een meerjarig gemiddelde en lager dan de realisatie in 2002 die exceptioneel hoog was.

9 Percentage plannen dat heeft geleid tot export.

5.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 5: Buitenlandse economische betrekkingen (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)260,3180,0151,3140,6140,7140,7140,7
Programma-uitgaven220,9137,9109,699,099,299,299,2
Operationeel doel 5.2.1: Europese interne markt       
– Bijdrage aan Benelux2,83,1     
Operationeel doel 5.2.1: Multilaterale handelsinvesteringssysteem       
– Bijdragen aan diverse organisaties (o.a. WTO)5,34,43,93,83,83,83,8
Operationeel doel 5.2.3: Nederlandse presentie op buitenlandse markten       
– Exportbevordering Exportfinanciering33,810,7     
– Exportbevordering Herverzekering70,812,712,712,712,712,712,7
– Exportbevordering – PESP10,811,111,111,111,111,111,1
– Exportbevordering – PSB4,78,27,37,37,37,37,3
– Instr.uitgaven EVD2,92,92,92,92,92,92,9
– Exportfin ODA0,6      
– Invest.bevordering – TA-regeling12,66,86,85,55,55,55,5
– Investeringsbevordering financiering5,24,54,50,00,00,00,0
– Economische samenwerking PSO57,660,052,052,052,252,252,2
– Economische samenwerking Trustfunds10,37,72,0    
– Econ. samenwerking Managementondersteuning2,54,52,42,42,42,42,4
Algemeen       
– Beleidsondersteuning DG BEB1,01,31,31,21,21,21,2
– NL voorzitterschap EU 2004  2,7    
        
Apparaatsuitgaven39,442,141,741,641,541,541,5
– Personeel DG BEB8,79,69,59,49,39,39,3
– Bijdrage DG BEB aan BLD EVD21,523,823,623,723,723,723,7
– Bijdrage DG BEB aan BLD Senter9,28,78,68,58,58,58,5
        
Uitgaven (totaal)222,0176,8147,9134,1128,2126,5127,1
        
Ontvangsten (totaal)11,41,81,81,81,81,81,8
– Terugontvangsten Senter0,2      
– Ontvangsten kredieten en garanties7,70,70,70,70,70,70,7
– Diverse Ontvangsten BEB3,51,11,11,11,11,11,1
Artikel 5: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2002Raming 2003Raming 2004
 Gemiddelde bezettingGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijs
DG BEB – personeel143,660,8148,864,7148,863,5

5.4 Budgetflexibiliteit

 2004 2005 2006 2007 2008 
1. Totaal geraamde kasuitgaven147 899 134 089 128 222 126 453 127 114 
2. Waarvan app.uitgaven41 715 41 570 41 488 41 479 41 491 
3. Dus programma uitgaven106 184 92 519 86 734 84 974 85 623 
4. Waarvan juridisch verplicht97 35892%53 82459%24 71129%17 89622%12 35015%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten4 9544%4 9285%4 7035%4 7035%4 7035%
6. Waarvan beleidsmatige reserveringen3 8724%33 76736%57 32066%62 37573%68 58280%
7. Totaal106 184100%92 519100%86 734100%84 974100%85 623100%

Juridisch verplicht zijn de uitgaven (meerjarig) die horen bij alle tot 2003 vastgelegde verplichtingen. Bijdragen aan instituten omvatten de contributies aan internationale organisaties als de WTO, OESO en Internationale grondstoffen- en overige Internationale organisaties. Deze zijn in hoge mate als inflexibel te beschouwen.

Bij de beleidsmatige reserveringen kunnen de volgende kanttekeningen worden geplaatst: het gaat om een aantal al dan niet gepubliceerde subsidieregelingen en opdrachtenprogramma's. De meeste regelingen worden uitgevoerd door externe uitvoeringsorganisaties, waarbij de relatie niet zomaar door EZ kan worden opgezegd. Uit het voorgaande blijkt dat de budgetflexibiliteit bij gelijkblijvend beleid gering is.

5.5 Evaluatieplanning

Conform de Ministeriële Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid dienen de in de begroting opgenomen doelen periodiek (om de vijf jaar) te worden geëvalueerd. In onderstaande tabel is voor artikel 5 de programmering van evaluatieonderzoek opgenomen. Het betreft alle in 2003 afgeronde, lopende en geplande evaluaties met betrekking tot de beleidsdoelen van artikel 5 (zie ook de leeswijzer voor een algemene toelichting op het evaluatiebeleid van EZ).

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 5 in 2003 en 2004
Operationeel doelEvaluatiemoment
5.2.1 Verdieping en verbreding van de economische integratie van de Europese Unie2007
– PSO PAafgerond in 2003
  
5.2.2 Uitbreiden en versterken van multilaterale handels- en investeringssystemen2006
  
5.2.3 Nederlandse participatie en presentie2007
– TA-regeling2003
– PSO2003
– IFOM2003

5.6 VBTB-paragraaf

In deze paragraaf staan voor dit artikel de VBTB-verbeterpunten.

Terugkoppeling acties groei-paragraaf 2003

Conform de groeiparagraaf 2003 is de Interne Markt Index verbeterd en is een streefwaarde opgenomen (zie verder tabel 5.2.1 a en bijbehorende voetnoot).

In de begroting 2003 is melding gemaakt van effectindicatoren waarvoor 2002 als proefjaar gold. Inmiddels zijn daarvan de volgende effectindicatoren opgenomen in de begroting 2004:

1. non-financiële instrumenten

Voor de EVD is een effectindicator opgenomen voor het klantbereik. Daarnaast zijn voor de deelprogramma's Oriëntatie en Participatie indicatoren opgenomen die een indicatie geven voor de klanttevredenheid en de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de internationalisatie van een bedrijf.

2. financiële instrumenten

Voor de PESP zijn indicatoren opgenomen voor het bereik, de bijdrage aan de internationalisatie, de succesratio (percentage van de ondersteuning dat daadwerkelijk tot een financieel resultaat leidt) en export-multiplier (spin-off gedeeld door de financiële bijdrage).

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar tabel 5.2.3 en bijbehorende voetnoten.

Voor enkele instrumenten wordt in 2003 een indicator ontwikkeld of dient 2003 als proefjaar. Hiervoor wordt verwezen naar de onderstaande paragraaf volledigheid van de prestatie- en effectgegevens.

Kwaliteit van de doelformulering

Doelstelling 5.2.1. wordt in 2003 aangepast van «het vervolmaken en uitbreiden van de Europese interne markt» in «verdieping en verbreding van de economische integratie van de Europese Unie». Deze nieuwe operationele doelstelling is breder geformuleerd en sluit beter aan bij de actualiteit. Immers, het EZ-beleid ten aanzien van de EU omvat meer dan alleen het vervolmaken van de interne markt, hoe belangrijk dat op zichzelf bezien ook is en blijft. De nieuwe operationele doelstelling is een betere kapstok voor een aantal activiteiten die EZ in het kader van de EU ontplooit. Denk bijvoorbeeld aan het Nederlandse voorzitterschap, de uitvoering van de Lissabonstrategie, de totstandkoming van een Europese grondwet, de hervorming van de structuurfondsen en de vaststelling van de financiële perspectieven voor de EU-uitgaven in de periode na 2006.

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

• De tweede doelstelling op het beleidsterrein buitenlandse economische betrekkingen wordt in 2006 geëvalueerd. Mede op basis van deze evaluatie wordt de mogelijkheid onderzocht om een effectindiactor voor de WTO te ontwikkelen.

• Ten aanzien van de doelstelling 5.2.3. «het bevorderen van een zo groot mogelijke participatie en presentie van Nederlandse bedrijven en producten op buitenlandse markten, zowel nabije als veraf gelegen» is afgelopen jaar een verdere slag gemaakt bij de meting van de effecten:

1. non-financiële instrumenten

Individuele marktbewerking: In 2003 is bekeken hoe de doeltreffendheid van de individuele marktbewerking door de EVD én Posten gemeten kan worden. Effectindicatoren zijn ontwikkeld waarmee het bereik, de klanttevredenheid en de mate waarin de activiteit bijdraagt aan internationalisatie van een bedrijf gemeten wordt. In 2003 zal een nulmeting plaatsvinden, op grond waarvan streefwaarden ontwikkeld worden.

2. financiële instrumenten

• Bij PSO wordt in 2003 een zo eenduidig mogelijke set effectindicatoren ontwikkeld. Daarbij wordt bezien in hoeverre de transitiedoelstelling meetbaar kan worden gemaakt.

• Op basis van de in 2002 uitgevoerde evaluatie van de PUM én in 2003 uit te voeren evaluatie IFOM wordt in 2003 onderzocht in hoeverre effectindicatoren kunnen worden ontwikkeld voor deze door de Stichting PUM en FMO uitgevoerde instrumenten.

• Bij SENO en GOM wordt in 2003 een effectindicator ontwikkeld. Deze betreft vooralsnog de succesratio.

Evaluatieprogrammering

Geen verbeterpunten.

6 VITALE BELANGEN TEN TIJDE VAN CRISES

 Onderdelen toelichting
 6.0Grafieken 
 6.1Algemene doelstelling  
 6.2Operationele doelstellingen  
  6.2.1 Algemene crisisbeheersing 
  6.2.2 Oliecrisisbeleid 
  6.2.3 Crisisbeleid telecom en post 
 6.3Budgettaire gevolgen van beleid 
 6.4Budgetflexibiliteit  
 6.5Evaluatieplanning 
 6.6VBTB-paragraaf 

6.0 Grafieken

Aandeel artikel 6 in totale EZ-uitgaven (x € 1 mln)

Onderverdeling uitgaven artikel 6 naar operationele doelen (uitgaven x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-13.gif

Verloop ramingen 2001–2008 (x € 1 mln)

Ontvangsten 2001–2008 (x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-14.gif

6.1 Algemene beleidsdoelstelling

In geval van een omvangrijke en/of langdurige crisis waarbij één of meerdere vitale belangen in het geding komen, kan het sociaal en maatschappelijk leven ontwricht raken. De veiligheid omvat in het kader van het crisisbeheersingsbeleid vier vitale belangen, te weten: de nationale rechtsorde, de internationale rechtsorde, de openbare en de economische veiligheid. Dit laatste belang betreft de bescherming van de economie, de allocatie van schaarse middelen ten behoeve van de vitale belangen. De algemene beleidsdoelstelling van EZ inzake het crisisbeheersingsbeleid luidt:

Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de ontwrichting van het sociaal en maatschappelijk leven door het scheppen van voorwaarden die de economische veiligheid waarborgen.

6.2 Operationele doelstellingen

EZ geeft langs drie beleidslijnen inhoud aan crisisbeheersing:

6.2.1 Algemene crisisbeheersing: het scheppen van voorwaarden voor het instandhouden van de vitale functies van het economisch proces tijdens crises.

6.2.2 Oliecrisisbeleid: het zodanig voorbereid zijn op een onderbreking in de olieaanvoer dat de nadelige gevolgen daarvan kunnen worden voorkomen of tenminste zoveel mogelijk beperkt.

6.2.3 Crisismanagement telecommunicatie en post: EZ schept zodanige randvoorwaarden dat aanbieders van vitale telecommunicatie- en postvoorzieningen preventieve maatregelen nemen om in crisisomstandigheden ernstige verstoringen snel en zo zelfstandig mogelijk op te lossen.

6.2.1 Algemene crisisbeheersing: het scheppen van voorwaarden voor het instandhouden van de vitale functies van het economisch proces tijdens crises.

Rijksbreed is het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming vastgesteld. Dit handboek dient binnen ieder Ministerie te worden geïmplementeerd. Tweejaarlijks wordt hierover een rijksbrede rapportage aan de Tweede Kamer opgesteld.

De departementale implementatie vindt plaats aan de hand van een met alle Ministeries afgestemd referentiekader, bedoeld als checklist met minimumeisen voor iedere departementale crisisorganisatie (bijlage 1 van de Voortgangsrapportage crisisbeheersing door de overheid op rijksniveau 1999–2002).

Het Programma Crisisbeheersing geeft aan deze implementatie vorm onder meer door het deelnemen/organiseren van (inter)departementale oefeningen, het actueel houden van een Handboek Crisisbeheersing en het op peil houden van het crisiscentrum inclusief telecomvoorzieningen.

Tabel 6.2.1: Prestatie-indicator Algemeen crisisbeleid
Prestatie-indicatorStreefwaarde
Voldoen aan de minimumeisen voor de departementale crisisorganisatie*Een ruim voldoende audit resultaat

* Deze eisen zijn vastgelegd in bijlage 1 van de tweejaarlijkse tussenrapportage en middels auditing zal jaarlijks getoetst worden of hieraan wordt voldaan.

6.2.2 Oliecrisisbeleid: het zodanig voorbereid zijn op een onderbreking in de olieaanvoer dat de nadelige gevolgen daarvan kunnen worden voorkomen of tenminste zoveel mogelijk beperkt.

Een ongestoorde energievoorziening is essentieel voor een goed functioneren van de Nederlandse economie. Dit geldt zeker ook voor de olievoorziening. Ongeveer eenderde van de Nederlandse energiebehoefte wordt gedekt door olieproducten. Tevens vervult de Nederlandse oliesector een essentiële rol in de olievoorziening van Noordwest-Europa.

Aanpak en instrumenten

Het oliecrisisbeleid is gericht op een eenvoudige en marktgeoriënteerde wijze invulling geven aan het Nederlandse pakket van maatregelen (Zie ook brief TK 1999/2000, nr. 23 531).

A. Algemene maatregelen en werkzaamheden

a. Nationale crisisorganisatie: In de Internationale Energie Overeenkomst (IEP) is vastgelegd dat de IEA landen een National Emergency Sharing Organisation (NESO) opzetten. NESO is in Nederland ondergebracht bij EZ. Het is een flexibele organisatie binnen het Ministerie, die snel geactiveerd kan worden. De NESO bereidt het specifieke beleid t.a.v. een oliecrisis voor en verzorgt de coördinatie met andere beleidsterreinen.

b. Participatie internationale fora: Er zijn internationaal diverse overleggroepen voor de internationale oliecrisisvoorbereiding waarin Nederland participeert, zoals IEA, EU, en Benelux.

c. International Energy Forum: Nederland is in 2004 gastheer van het 9e International Energy Forum (IEF). Het IEF is een twee jaarlijks forum waar de energieministers uit zowel energieproducerende als -consumerende landen aan tafel zitten in informeel overleg. Het initiatief tot deze dialoog is genomen in 1991 met als doel wederzijds begrip en samenwerking te vergroten. Hierin is het forum tot nog toe redelijk succesvol gebleken. Tijdens het vorige IEF in september 2002 is op voorstel van Saoedi-Arabië besloten dat er een permanent Secretariaat voor dit forum zal worden gevestigd in Riyad. Als gastland is Nederland 2 jaar voorzitter van het bestuur van dat secretariaat en heeft daarmee een bijzondere verantwoordelijkheid dit secretariaat van de grond te trekken. Nederland is dan eveneens voortrekker bij het opstellen van de inhoudelijke agenda. Dit gebeurt in samenwerking met de medegastlanden Noorwegen en Iran. Op het 9e IEF in Amsterdam staat ondermeer op de agenda, de investeringen om een groter deel van de wereldbevolking toegang te geven tot energiebronnen en investeringen in productie-, transport- en energietechnologie.

d. Energie-informatiesysteem: EZ beschikt over een adequaat informatiesysteem ten behoeve van eigen beleidsinformatie en om te kunnen voldoen aan de internationale rapportageverplichtingen.

B. Maatregelen aan de aanbod- en vraagzijde

De Wet voorraadvorming aardolieproducten (Stbl. 2001 nr 155) regelt de manier waarop Nederland de internationale voorraadverplichtingen invult. De voorraadverplichtingen rusten voor een deel op het oliebedrijfsleven (producenten en handelaren), maar voor het grootste deel op de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA). Artikel 8, lid 3 van de Wva biedt de mogelijkheid nadere regels te stellen om speculatie in olie ten tijde van crises tegen te gaan. Ook de Europese Unie heeft dit onderwerp in haar werkprogramma opgenomen. In 2004 wordt duidelijk of Nederland op dit punt Europese maatregelen in haar wetgeving moet opnemen. Vooralsnog is daarom afgezien van het eigenstandig ontwikkelen van regelgeving. Onderzoek (NERA 2003) toont voorts aan dat ook ten tijde van crises op de normale werking van de oliemarkt mag worden vertrouwd.

In Wva-2001-kader lopen ook onderhandelingen met enige andere EU-lidstaten over wederzijdse erkenningovereenkomsten voor het aanhouden van in internationaal verband verplichte olievoorraden.

Het onlangs geactualiseerde oliecrisishandboek bevat alle procedures, relevante partijen en besluitvormingsstructuren die in tijden van een dreigende of daadwerkelijke oliecrisis van belang kunnen zijn. Ook bevat het handboek een beschrijving van een aantal mogelijk te treffen maatregelen en hoe deze geactiveerd kunnen worden. Tot welk pakket maatregelen (voorraadinzet en/of vraagbeperkende maatregelen) in een specifieke crisissituatie zal worden besloten, hangt ook af van de internationale besluitvorming en, vanzelfsprekend, van de aard van de crisis. Het handboek heeft dus niet het karakter van een blauwdruk of draaiboek, omdat niet verwacht mag worden dat een crisis zich volgens een voorspelbaar scenario zal ontwikkelen.

Tabel 6.2.2: Prestatie-indicatoren oliecrisisbeleid
Prestatie-indicatorenStreefwaarden
AanbodzijdeOp elk moment van het jaar voldoen aan de voorraadverplichtingen zoals geregeld in de Wva 2001

6.2.3 Crisismanagement telecommunicatie en post: EZ schept zodanige randvoorwaarden dat aanbieders van vitale telecommunicatie- en postvoorzieningen preventieve maatregelen nemen om in crisisomstandigheden ernstige verstoringen snel en zo zelfstandig mogelijk op te lossen.

EZ streeft ernaar dat alle aanbieders van vitale telecommunicatie- en postvoorzieningen op bijzondere omstandigheden voorbereid zijn. Hierdoor moeten aanbieders in staat zijn om adequaat op te treden en verstoringen in de beschikbaarheid van telecommunicatie en postdiensten zo snel mogelijk te verhelpen. Onder bijzondere omstandigheden worden verstaan vredescalamiteiten en nationale crisisomstandigheden. Het streven is er ook op gericht dat bij het zo snel mogelijk herstellen van ernstige verstoringen, de sector onderling samenwerkt en de problemen zo veel mogelijk zelf oplost. Om dit te bereiken stelt EZ eisen aan de aanbieders van telecommunicatie en postvoorzieningen die zijn vastgelegd in de betreffende wetgeving.

InstrumentOmschrijving
Afspraken aanbieders-overheid m.b.t. crisismanagement in de vorm van jaarrapportages, oefeningen en incidentmeldingenAfspraken met aanbieders van vitale telecommunicatie- en postvoorzieningen over invulling van de eisen op basis van de artikelen 14.6 Telecomwet en art. 23 Postwet en samenwerking in het kader van crisismanagement binnen de sector. De invulling van de eisen betreffen voorbereidingsmaatregelen ten aanzien van te realiseren beschikbaarheid in buitengewone omstandigheden.

6.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Artikel 6: Vitale belangen ten tijde van crises (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)85,782,582,582,582,582,582,5
Programma-uitgaven85,582,282,282,282,282,282,2
Operationeel doel 6.2.1: Algemene crisisbeheersing       
– Algemene crisisbeheersing0,60,20,20,20,20,20,2
Operationeel doel 6.2.2: Oliecrisisbeheersing       
– Oliecrisisbeheersing – doorsluis COVA84,882,082,082,082,082,082,0
        
Apparaatsuitgaven0,30,30,30,30,30,30,3
– Personeel Energie (DG M&E)0,30,30,30,30,30,30,3
        
Uitgaven (totaal)85,482,882,482,582,582,582,5
        
Ontvangsten (totaal)84,982,082,082,082,082,082,0
– Ontvangsten doorsluis COVA84,982,082,082,082,082,082,0
Artikel 6: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2002Raming 2003Raming 2004
 Gemiddelde bezettingGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijs
DG M&E – personeel*4,063,53,963,13,962,7

* Exclusief FTE's van DGO (algemeen crisisbeleid), geraamd op artikel 3 en FTE's van DGTP (crisisbeleid telecom en post), geraamd op artikel 10.

6.4 Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit beleidsartikel 6 (in € 1 000)
 2004 2005 2006 2007 2008 
1. Totaal geraamde kasuitgaven82 426 82 458 82 458 82 458 82 458 
2. Waarvan app.uitgaven260 260 260 260 260 
3. Dus programma uitgaven82 166 82 198 82 198 82 198 82 198 
4. Waarvan juridisch verplicht00%00%00%00%00%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten00%00%00%00%00%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden82 166100%82 198100%82 198100%82 198100%82 198100%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen00%00%00%00%00%
8. Totaal82 166100%82 198100%82 198100%82 198100%82 198100%

De uitgavenraming heeft nagenoeg volledig betrekking op het aanhouden van een voorraad aardolieprodukten, krachtens de Wet voorraadvorming aardolieprodukten 2001 (Wva 2001). De raming is derhalve als niet-flexibel te beschouwen.

6.5 Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 6
Operationeel doelEvaluatiemoment
1. Operationele doelstelling 6.2.22007
2. Wet voorraadvorming aardolieprodukten2007

6.6 VBTB-paragraaf

Terugkoppeling acties groei-paragraaf 2003 en kwaliteit van de doelformulering

Voor artikel 6 waren geen verbeteracties voorzien.

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

De prestatie- en effectgegevens hebben betrekking op de beschikbaarheid van het aanbod van olie in een crisissituatie. Hierbij zijn voor wat betreft het oliecrisisbeleid de belangrijkste prestatie-indicatoren benoemd.

Voor het operationeel doel 6.2.3. crisismanagement telecommunicatie en post zal in 2004 een prestatie-indicator worden ontwikkeld.

7 BEHEER BODEMSCHATTEN

 Onderdelen toelichting
 7.0Grafieken 
 7.1Algemene doelstelling  
 7.2Operationele doelstelling  
  7.2.1 Beheer bodemschatten 
 7.3Budgettaire gevolgen van beleid 
 7.4Budgetflexibiliteit  
 7.5Evaluatieplanning 
 7.6VBTB-paragraaf 

7.0 Grafieken

Aandeel artikel 7 in totale EZ-uitgaven (x € 1 mln)

Onderverdeling uitgaven artikel 7 naar operationele doelen (uitgaven x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-15.gif

Verloop ramingen 2001–2008 (x € 1 mln)

Ontvangsten 2001–2008 (x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-16.gif

De incidentele hogere uitgaven in 2001 zijn voor € 1,2 mrd het gevolg van de verkoop door DSM N.V. van de certificaten EBN B.V. aan de Staat.

7.1 Algemene doelstelling

Het duurzaam en verantwoord beheer van de nationale bodemschatten (olie, gas, zout) met optimale opbrengsten voor de samenleving.

7.2 Operationele doelstelling

De algemene doelstelling wordt geconcretiseerd middels de volgende operationele doelstelling:

7.2.1 Het scheppen van zodanige voorwaarden voor mijnbouwactiviteiten in Nederland dat deze activiteiten een stabiel niveau hebben, opdat in lange termijn perspectief uiteindelijk zoveel mogelijk aardgas gewonnen wordt.

De Staat schept met wet- en regelgeving de kaders waarbinnen exploratie en exploitatie van onze nationale bodemschatten doelmatig, zorgvuldig en verantwoord kan plaatsvinden. Die wet- en regelgeving moet een bijdrage leveren aan een goed mijnbouwklimaat. Echter, de waarde van de bodemschatten voor de samenleving komt pas echt tot uitdrukking als mijnbouwondernemingen daadwerkelijk tot opsporing en winning overgaan (mijnbouwactiviteiten). Waarborgen van een stabiel niveau van mijnbouwactiviteiten is het primaire doel van dit begrotingsartikel.

Mijnbouwklimaat

Het mijnbouwklimaat omvat het totaal aan factoren dat van invloed is op de investeringsbeslissingen van mijnbouwmaatschappijen. Deze liggen deels buiten de invloedssfeer van de Minister van EZ (zoals geologische condities, historische resultaten van exploratieboringen, verwachte veldgroottes, infrastructuur), deels daarbinnen (de voorwaarden waaronder mijnbouwactiviteiten kunnen worden verricht). Het is zaak deze voorwaarden, het beleid, zodanig vorm te geven dat een stabiel niveau van mijnbouwactiviteiten resulteert.

Het beleid inzake het mijnbouwklimaat omvat het planmatig beheer van de ondergrond, de financiële aspecten rond mijnbouw en het voorkómen van nadelige gevolgen van exploratie en exploitatie. Hieronder wordt op deze onderdelen nader ingegaan.

Planmatig beheer van de ondergrond

a. Depletiebeleid en kleineveldenbeleid

Uitgangspunt van het depletiebeleid is dat alle economisch winbare voorkomens, ook de kleinere, daadwerkelijk tot ontwikkeling gebracht moeten kunnen worden, voor zover dit kan gebeuren zonder onherstelbare schade toe te brengen aan het milieu. Het is ongewenst dat winbaar gas ongebruikt in de bodem achterblijft. Het winnen van gas is van belang voor de betrokken sector en de economie, voor de gasvoorziening en de voorzieningszekerheid, voor de aanzienlijke gasbaten voor de samenleving én voor het milieu, want er is geen schonere fossiele energie denkbaar dan verantwoord gewonnen gas. Om dit te bereiken is in de Mijnbouwwet het instrument van het winningsplan geïntroduceerd, waarmee onder andere bereikt kan worden dat geen winbaar gas achterblijft in een veld waarvoor een winningsvergunning is aangevraagd.

Voor de kleinere gasvelden geldt dat de kans op rendabele ontwikkeling de komende jaren nog relatief gunstig is, zolang de fysieke infrastructuur met name in de vorm van buisleidingen op het continentaal plat nog beschikbaar is én zolang het Groningenveld nog voldoende flexibiliteit heeft om de inpassing van het kleineveldengas te accommoderen. Immers, de kern van het kleineveldenbeleid is dat de verplichting van Gasunie om gas uit kleine velden tegen redelijke voorwaarden en een marktconforme prijs in te kopen mogelijk wordt gemaakt doordat het Groningenveld de fluctuaties in de productie van de andere velden die zich van jaar tot jaar voordoen kan opvangen (balansfunctie). Het kleineveldenbeleid leidt er zodoende toe dat een zo groot mogelijk aantal kleine velden in productie wordt gebracht. Voortzetting van het kleineveldenbeleid is een belangrijk aandachtspunt bij de herziening van het gasgebouw1.

Om optimaal gebruik te maken van de bestaande infrastructuur en de balansfunctie van het Groningenveld zal exploratie en ontwikkeling dus zo spoedig mogelijk moeten plaatsvinden, gegeven ook de lange doorlooptijd waarmee het opsporen en ontwikkelen van nieuwe velden gepaard gaat. De realiteit is echter dat de productie uit kleine velden de komende jaren naar verwachting afneemt.

b. Onafhankelijke deskundigen

Bij het nemen van beslissingen inzake het beheer van de ondergrond laat de Minister van EZ zich bijstaan, informeren en adviseren door onafhankelijke deskundigen.

Mijnraad

De Mijnraad is de adviseur voor opsporing en winning van delfstoffen. De leden geven de Minister van EZ een onafhankelijk oordeel over mijnbouwaangelegenheden op grond van hun specifieke deskundigheid.

Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (TNO-NITG)

TNO-NITG heeft op grond van een overeenkomst met de Minister van EZ van 1997 een taak inzake het verwerven, kwaliteitsborgen, verwerken, interpreteren en beschikbaar stellen van gegevens inzake de ondergrond. TNO-NITG adviseert daarnaast EZ inzake mijnwettelijke taken. De uitvoering in het kader van deze taak vindt plaats in het DINO-programma (Data en Informatie Nederlandse Ondergrond), dat op de begroting van het ministerie van OCW is opgenomen onder de TNO-financiering en verleend via een groot aantal afzonderlijke opdrachten, waarvoor hier de uitgaven zijn begroot.

Energiebeheer Nederland B.V. (EBN)

EBN behartigt de belangen van de Staat bij de winning van koolwaterstoffen, in het bijzonder door:

– deelname in winningsactiviteiten,

– deelname in samenwerkingsverbanden voor transport,

– beheer van de EBN-deelname in Gasunie (40%), van de EBN-deelname in de concessie Groningen (40%) en van het 50%-aandeel in beheer en bestuur in het College van Beheer Maatschap Groningen,

– adviseren van EZ bij het verlenen van winningsvergunningen,

– advies en ondersteuning van EZ in algemene zin bij het gasbeleid.

Financieel beleid

Uitgangspunt van het financiële beleid is dat de samenleving moet delen in de opbrengsten van de winning. Kerngedachte is dat de Staat niet bereid is de bodemschatten over te dragen aan derden met het oog op winning zonder daarvoor een optimale vergoeding te verkrijgen. Bij de uitwerking hiervan moet uiteraard zorgvuldig rekening worden gehouden met de eisen die een goed mijnbouwklimaat stelt. Als het afdrachtenstelsel mijnbouwondernemingen zou doen afzien van concrete activiteiten is de samenleving daar immers niet mee gebaat.

a. Koolwaterstoffen (aardgas)

Bij de winning van koolwaterstoffen gaat het in het bijzonder om de winning van aardgas. De Staat deelt mee in de opbrengst hiervan, hetgeen de belangrijkste (maar niet de enige) manier is waarop de samenleving profiteert van de nationale bodemschatten.

De aardgasbaten worden gevormd door opbrengsten uit de Meeropbrengstregeling (MOR) Groningen, de participaties die de Staat via Energiebeheer Nederland B.V. (EBN) houdt, opbrengsten op grond van de Mijnbouwwet en het dividend van de N.V. Nederlandse Gasunie.

Met de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet per 1 januari 2003 is de verantwoordelijkheid voor de vaststelling en invordering van op grond van de Mijnbouwwet verschuldigde afdrachten (oppervlakterecht, cijns, winstaandeel) overgegaan naar de Rijksbelastingdienst. Samen met het gelijktrekken van de grondslagen voor de vennootschapsbelasting en het winstaandeel betekent dit een administratieve lastenverlichting voor zowel overheid als bedrijfsleven. De verantwoordelijkheid voor het beleid ter zake blijft berusten bij de Minister van EZ.

De hoogte van de aardgasbaten is géén beleidsdoel (deze worden immers in hoge mate bepaald door externe factoren, zoals de prijs van aardolie en de koers van de euro ten opzichte van de dollar). Hiervoor is dan ook geen prestatie-indicator in de begroting opgenomen. Wél is in de onderstaande tabel aangegeven wat de bepalende factoren voor het ramen van de aardgasbaten zijn en welke kengetallen daarvoor in de begroting worden gehanteerd. De bepalende factoren zijn de geproduceerde hoeveelheid m3 aardgas, de prijs van aardolie (in dollars) en de koers van de euro ten opzichte van de dollar.

Tabel 7.2.1.1 Kengetallen aardgasraming
 200220032004200520062007
Hoeveelheidgegevens      
Productie in (mrd m3)726970697275
Prijsgegevens (bron: CPB)      
Euro/dollarkoers (€/$)0,941,131,151,171,181,20
Olieprijs ($/vat)25,027,124,123,824,224,5

b. Zout

Op grond van een overeenkomst van 13 juli 1918 (laatstelijk gewijzigd per machtiging bij wet van 7 juli 1988, Stb. 372), behorende bij de mijnbouwconcessies voor de winning van zout, draagt Akzo Nobel Salt B.V. jaarlijks een bedrag aan de Staat af.

Tegengaan nadelige gevolgen van de exploratie en exploitatie van bodemschatten

a. Veiligheid, gezondheid en milieu

Bij de uitoefening van mijnbouwactiviteiten zetten zowel de overheid als mijnbouwondernemingen zich ervoor in om onveilige situaties bij mijnbouwactiviteiten en schade aan het milieu te voorkomen. Naast het stellen van regels en het maken van afspraken, onder andere in het Milieuconvenant olie- en gasindustrie, vindt er toezicht op de naleving plaats. Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) houdt toezicht op het verrichten van verkenningsonderzoeken en op het opsporen en het winnen van delfstoffen. Het gaat daarbij om aardgas, aardolie en zout in Nederland en het Nederlandse deel van het continentaal plat. Daarnaast geeft SodM adequate advisering en deskundige inbreng bij maatschappelijke discussies. SodM rapporteert jaarlijks aan de Tweede Kamer over haar functioneren middels de waarden van een aantal prestatienormen en de eventuele afwijking ten opzichte van de bijbehorende streefcijfers.

b. Bodembeweging

De overheid wil het ontstaan en de gevolgen van schade door bodembewegingen als gevolg van delfstoffenwinning zoveel mogelijk beperken. Bij het nemen van beslissingen in deze laat zij zich bijstaan, informeren en adviseren door onafhankelijke deskundigen, waaronder de Technische commissie bodembeweging (Tcbb). Deze onafhankelijke commissie geeft de Minister van EZ advies over de nadelige gevolgen van bodembewegingen als gevolg van delfstoffenwinning. Op grond van de taakuitbreiding van de Tcbb, die is opgenomen in paragraaf 2 van het Instellingsbesluit Technische commissie bodembeweging en artikel 114 van de Mijnbouwwet, kan ook degene die zaakschade heeft geleden onder voorwaarden bij de commissie aankloppen met de vraag of zijn schade veroorzaakt is door mijnbouwactiviteiten. De Tcbb kan dan op basis van eigen onafhankelijk onderzoek aangeven of dat inderdaad het geval is en hoe hoog het schadebedrag is. Het advies van de Tcbb is niet juridisch bindend, maar de verwachting bestaat dat partijen op grond van dit onafhankelijke advies tot een schikking zullen komen.

Het Waarborgfonds mijnbouwschade keert in bepaalde gevallen (faillissement van de mijnbouwonderneming die schade heeft veroorzaakt, of bij wijze van voorschot op een definitieve schadevergoeding) uit aan natuurlijke personen die zaakschade hebben geleden door bodembeweging die is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Het fonds wordt gevoed met bijdragen van mijnbouwondernemingen. Omdat het fonds rechtspersoonlijkheid heeft, zijn de middelen van het fonds juridisch-technisch gescheiden van de algemene middelen van het Rijk en geen onderdeel van de rijksbegroting.

Prestatie-indicator

De indicator voor het mijnbouwklimaat is de aantrekkelijkheid van Nederland voor mijnbouwondernemingen om te investeren in offshore exploratie en productie van gas, in relatie tot de aantrekkelijkheid van de (de offshore gebieden van) het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Duitsland en Denemarken. Bij de bepaling hiervan worden alle aspecten die van invloed zijn bij de evaluatie van een potentieel investeringsproject meegenomen, zoals geologische omstandigheden, kosten van exploratie en winning, aanwezige infrastructuur, wetgeving, benodigde vergunningen en daarmee samenhangende eisen en procedures, belastingen/afdrachten.

Deze indicator komt voort uit het gegeven dat mijnbouwmaatschappijen alternatieve investeringsprojecten tegen elkaar afwegen. Deze afweging is internationaal, dat wil zeggen dat mondiaal opererende bedrijven ook met die scope naar hun investeringen kijken, terwijl kleinere, lokaal opererende bedrijven investeringen in Nederland zullen vergelijken met nabijgelegen alternatieven. In deze afweging moet Nederland niet het onderspit delven, maar anderzijds hoeft het klimaat ook niet zodanig aantrekkelijk te zijn dat er onnodig wordt ingeboet aan opbrengsten voor de samenleving.

Op verzoek van de Minister van EZ heeft EBN voorjaar/zomer 2003 de consultant Gaffney, Cline & Associates (GCA) een vergelijkende studie laten uitvoeren. In deze analyse is de belangrijkste parameter om landen kwantitatief met elkaar te vergelijken de «EMV (Expected Monetary Value) per risk $», die uitdrukt hoeveel winst naar verwachting gerealiseerd wordt per dollar geïnvesteerd in een exploratieboring. Die boring kan een negatief resultaat hebben, in welk geval de ermee gemoeide kosten verloren zijn, of gas aantonen, in welk geval verdere evaluatie en ontwikkeling tot productie en inkomsten kunnen leiden. Als EMV/Risk$ gelijk is aan 0 wegen deze precies tegen elkaar op.

Uit de studie van GCA is gebleken dat momenteel het klimaat voor investeringen in exploratie op de Noordzee overal onaantrekkelijk is, uitgezonderd Denemarken. In vergelijking met de andere landen rond de Noordzee neemt Nederland een middenpositie in, vergelijkbaar met het Verenigd Koninkrijk, iets beter dan Duitsland en Noorwegen, maar beduidend slechter dan Denemarken. Niet alleen uit de studie maar ook uit actuele gegevens blijkt dat het klimaat momenteel onvoldoende aantrekkelijk is. Het Verenigd Koninkrijk zint momenteel op mogelijkheden verbetering in de situatie te brengen. GCA constateert dat gunstige aspecten in Nederland onder meer de ligging, de infrastructuur en het kleineveldenbeleid zijn, maar dat de fiscale omstandigheden relatief ongunstig zijn. De afschaffing van de willekeurige afschrijving per 1-1-2003 heeft in deze een duidelijk negatieve impact gehad, blijkens de analyse van GCA.

Als streefwaarde voor de parameter EMV/Risk$ in 2004 wordt beoogd dat deze zowel voor een belastingefficiënte als niet-belastingefficiënte onderneming tussen de 0 en +3 ligt. De ondergrens is 0 omdat daaronder investeren onaantrekkelijk is, de bovengrens is +3 omdat Nederland niet aantrekkelijker hoeft te zijn dan het beste alternatief, zijnde Denemarken blijkens de GCA-studie.

Aangezien de actuele waarde beneden de ondergrens voor deze prestatie-indicator ligt is het zaak de ontwikkelingen in mijnbouwklimaat en -activiteiten scherp te volgen (hier ligt een relatie met de monitoring en evaluatie van de afschaffing willekeurige afschrijving, alsook met de herstructurering van het Gasgebouw), en zonodig maatregelen te nemen.

Het vergelijkende onderzoek zal zo vaak worden uitgevoerd als noodzakelijk om actuele belangrijke ontwikkelingen te verwerken, doch minimaal eenmaal per 4 jaar. Signalen om het onderzoek eerder uit te voeren zijn met name ongewenste ontwikkelingen van de onder mijnbouwactiviteiten genoemde effectindicatoren.

Mijnbouwactiviteiten

Zoals eerder aangegeven is het primaire doel van Beheer Bodemschatten dat er voldoende mijnbouwactiviteiten plaatsvinden. Hierbij gaat het niet om korte termijn maximalisatie, noch van productie, noch van baten. Wel is het doel dat in lange termijn perspectief zoveel mogelijk aardgasvoorkomens tot ontwikkeling worden gebracht. Het kleineveldenbeleid is daarbij van wezenlijk belang.

Effectindicatoren

Omdat het niveau van mijnbouwactiviteiten slechts in indirecte zin (via het mijnbouwklimaat, en dan nog ten dele) afhankelijk is van overheidsoptreden, wordt hier niet over prestatie- maar over effectindicatoren gesproken.

Voor de exploratie en exploitatie van aardgas wordt een drietal indicatoren zinvol geacht, die informatie geven over verschillende stadia in de voortbrengingsketen. Gezamenlijk geven deze een goed beeld van de ontwikkeling van de bodemschatten en herbergen voldoende signalen die tot beleidswijzigingen aanleiding kunnen geven.

Onderstaande waarden zijn gebaseerd op een visie op de toekomst van de exploratie en productie van aardgas in Nederland. Onder meer op basis van schattingen over resterende reserves en nog te ontdekken aanvullende reserves, inzichten in de eindigheid van de balansfunctie van Groningen en de relatie met het kleineveldenbeleid, de eindigheid van de aanwezige infrastructuur (met name offshore), wordt het wenselijk geacht dat de exploratie en productie van kleine velden, zowel op land als zee, nog minimaal 15 jaar op een stabiel niveau blijven. Onderstaande waarden zijn richtinggevend voor de hoogte van dat niveau, voor de verschillende indicatoren.

Aantal boringen

Het betreft hier het aantal exploratie- en productieboringen, gedifferentieerd naar territoir (exclusief Groningen) en continentaal plat.

Tabel 7.2.1.2 Effectindicator aantal boringen
Streefwaarde 2004ExploratieProductie
Territoir64
Continentaal plat1412

Gewonnen volume aardgas uit kleine velden

De Groningen productie wordt hier buiten gehouden omdat die direct of indirect door de minister van EZ aan een maximum wordt gebonden en daarom niet bruikbaar is als prestatie-indicator. Het kleine velden volume is dat des te meer, als resultante van het kleineveldenbeleid, en vanuit de optiek van duurzaam en verantwoord beheer.

Streefwaarden 2004:

Territoir: 14 mld.m3

Continentaal plat: 28 mld.m3

Investeringsniveau

Bij de inschatting van het niveau van investeringen in mijnbouwactiviteiten in Nederland worden zowel investeringen naar land en naar zee onderscheiden – exclusief de investeringen in het Groningenveld.

Tabel 7.2.1.3 Effectindicator investeringsniveau
Streefwaarde 2004 (in € mln)ExploratieProductieTotaal
Territoir50125175
Continentaal plat150600750
Totaal200725925

Naast rapportage aan het parlement via de begroting van EZ wordt jaarlijks het jaarboek Olie en Gas uitgebracht, waarin verslag wordt gedaan van de mijnbouwactiviteiten. Voorts is in de Mijnbouwwet in artikel 125 vastgelegd dat tweejaarlijks een overzicht wordt verstrekt van opsporings- en winningsvergunningen, opgespoorde aardgasvoorkomens, omvang aardgasreserves, 10-jaars raming van de winning, ondergrondse opslagfaciliteiten, goedgekeurde winningsplannen. Met ingang van 2004 worden beide rapportages geïntegreerd tot één (jaarlijks) document.

7.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 7: Beheer bodemschatten (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)32,77,87,77,67,57,47,4
Programma-uitgaven27,42,52,52,52,52,62,6
Operationeel doel 7.2.1: Beheer bodemschatten       
– Dividenduitkering aandelen EBN22,0      
– Aankoop certificaten EBN       
– Beheer mijnschadestichtingen0,00,10,10,10,10,10,1
– Opdrachten en onderzoek Bodembeheer5,42,42,42,42,42,52,5
        
Apparaatsuitgaven5,35,35,25,15,04,84,8
– Personeel Energie (DG M&E)1,31,21,21,21,21,21,2
– Apparaatsuitgaven SodM4,04,14,04,03,83,63,6
        
Uitgaven (totaal)30,710,68,37,67,57,47,4
        
Ontvangsten (totaal)2 367,72 340,42017,41 666,41 636,41 753,41 753,4
– Aardgasbaten3 973,73 950,03 400,02 800,02 750,02 950,02 950,0
– Bijdrage aan het Fes– 1 629,8– 1 611,0– 1 384,0– 1 135,0– 1 115,0– 1 198,0– 1 198,0
– Dividend EBN/Aardgas BV22,0      
– Ontvangsten zoutwinning1,81,41,41,41,41,41,4

Conform de instellingswet van het Fonds economische structuurversterking (Fes) komt 41,5% van de jaarlijkse gasbaten ten gunste van de begroting van dit fonds. De bijdrage aan het Fes wordt hier verwerkt als een minpost van het totaal van de gasbaten niet-belastingmiddelen.

Artikel 7: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2002Raming 2003Raming 2004
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG M&E – personeel20,163,519,563,119,562,7
SodM – personeel41,468,545,566,945,564,8
SodM – materieel41,428,645,523,845,522,6

7.4 Budgetflexibiliteit

 2004 2005 2006 2007 2008 
1. Totaal geraamde kasuitgaven8 316 7 626 7 468 7 436 7 436 
2. Waarvan app.uitgaven5 198 5 164 5 006 4 879 4 879 
3. Dus programma uitgaven3 118 2 462 2 462 2 557 2 557 
4. Waarvan juridisch verplicht65621%00%00%00%00%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten913%914%914%914%914%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden2 37176%2 37196%2 37196%2 46696%2 46696%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen00%00%00%00%00%
8. Totaal3 118100%2 462100%2 462100%2 557100%2 557100%

De uitgaven van dit artikel bestaan voor circa tweederde uit apparaatsuitgaven voor SodM en kernministerie en bijdragen ten behoeve van opdrachten en onderzoek. De apparaatsuitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts in beperkte mate flexibel. De opdrachtgelden zijn met name bestemd voor advisering van EZ inzake mijnwettelijke taken door het NITG. Gezien dit wettelijke aspect zijn de uitgaven op de regel «complementair noodzakelijk» opgenomen en worden ze als niet-flexibel beschouwd.

7.5 Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 7
Operationeel doelEvaluatiemoment
Operationeel doel 7.2.12006/7

7.6 VBTB-paragraaf

Terugkoppeling acties groei-paragraaf 2003 en kwaliteit van de doelformulering

Tot 2003 kende dit artikel geen prestatie-indicatoren. Deze zijn nu conform de toezegging in de groeiparagraaf 2003 wel opgenomen. Daarnaast zijn de operationele doelen gewijzigd. Deze sluiten nu beter aan bij het beleid. Hierbij is het VBTB gehalte van dit beleidsartikel vergroot. De prestatie-indicatoren zijn meetbaar en voorzien van een tijdshorizon.

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

De opgenomen prestatie-indicatoren zijn een goede weergave van het beleid.

8 ECONOMISCHE ANALYSES EN PROGNOSES

8.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bevorderen van een samenhangend economisch beleid van het kabinet door het maken van onafhankelijke analyses en prognoses.

Om invulling te geven aan de hierboven geformuleerde algemene doelstelling is het Centraal Planbureau (CPB) opgericht. De algemene beleidsdoelstelling wordt door het CPB als volgt geoperationaliseerd: «Het maken van onafhankelijke economische analyses en prognoses die wetenschappelijk verantwoord en up-to-date zijn en die relevant zijn voor het beleid van de regering, het parlement en andere maatschappelijke organisaties, zoals politieke partijen en bedrijfsleven.»

8.2 Operationele doelstelling

In onderstaand overzicht is dit vertaald in operationele doelstellingen en daaraan verbonden streefwaarden en prestatie-indicatoren. De Minister van Economische Zaken is systeemverantwoordelijk ten aanzien van het CPB. Op inhoudelijk gebied is het CPB onafhankelijk. Deze positie is geregeld in het Protocol voor de planbureaufunctie van CPB, RIVM, RPD en SCP.

Tabel 8.2a: Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingPrestatie-indicator1.1.1 Norm
1. Een goede beoordeling van de kwaliteit van het CPB1.a Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een visitatiecommissie1.a Elke 5 à 6 jaar onderzoek door (internationale) visitatiecommissie. De eerstkomende visitatie vindt plaats in 2003
 1.b Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een toetsgroep van beleidsmakers1.b Elke 5 à 6 jaar onderzoek door toetsgroep van beleidsmakers. De vorige toets heeft plaatsgevonden in 2001
   
2. Een goede beoordeling van CPB-producten2.a Projectevaluatie van elk project > 3 maanden2.a Oordeel goed, evenwicht tussen inzet en resultaat
 2.b Aantallen publicaties die aan wetenschappelijke standaarden voldoen2.b 10 Discussion papers en 9 wetenschappelijke artikelen
   
3. Zowel specifieke klanten als het brede publiek bedienen met voor hen relevante ramingen en analyses3.a Mate van tevredenheid van CPC en CEC1 over het CPB-werkplan en de CPB-jaarrapportage3.a Goedkeuring werkplan en jaarrapportage op hoofdlijnen
 3.b Percentage persberichten bij CPB-publicaties3.b Persberichten bij 90% van de CPB-publicaties
 3.c Aandacht in de landelijke pers n.a.v. CPB-persberichten3.c Artikelen in tenminste twee landelijke dagbladen bij tenminste 75% van de CPB-persberichten
 3.d Aandacht in de landelijke pers3.d Tenminste 1x per maand expertrol van CPB terugzien in publiciteit
 3.e Leesbaarheid van publicaties en persberichten voor klanten door middel van onderzoek onder journalisten3.e Oordeel goed
 3.f Jaarlijkse groei aantal bezoekers Internetsite3.f Minimaal gelijk aan jaarlijkse groei Internetgebruik in Nederland

1Centrale Plancommissie en Centraal Economische Commissie.

Ook laat de taak van het CPB zich vertalen naar de volgende activiteiten met de daaraan gekoppelde inzet van FTE's, aantallen en daarmee gemoeide apparaatskosten.

Tabel 8.2b: Overzicht activiteiten apparaatskosten in € 1000)Realisatie 2002Raming 2003Raming 2004
(i) Activiteiten   
1. Centraal Economisch Plan (aantal)111
– apparaatskosten1 009864860
– aantal FTE's11,910,610,6
2. Macro Economische verkenning (aantal)111
– apparaatskosten641533530
– aantal FTE's7,56,56,5
3. CPB Report (aantal)444
– apparaatskosten315239238
– aantal FTE's3,72,92,9
4. Onderzoeksprojecten (aantal)353535
– apparaatskosten4 0994 2324 209
– aantal FTE's49,951,951,9
5. Aanvullende projecten (aantal)202222
– apparaatskosten1 5801 8361 836
– aantal FTE's17,017,017,0
6. Notities i.h.k.v. beleidsondersteuning (aantal)806060
– apparaatskosten991650646
– aantal FTE's11,78,08,0
7. Overige publicaties   
* CPB documents (aantal)111515
* Discussion papers (aantal)131010
* Speciale publicaties (aantal)1277
* Wetenschappelijke artikelen (aantal)1399
– apparaatskosten4 5615 3514 908
– aantal FTE's53,758,758,7
    
Totaal   
– apparaatskosten13 19613 70513 227
– aantal FTE's155,4155,6*155,6*

*rekening is gehouden met 17 FTE voor aanvullende projecten (projecten in opdracht van andere overheidsorganisaties).

8.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Artikel 8: Economische analyses en prognoses (bedragen in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)13,212,811,411,411,311,311,3
Apparaatsuitgaven CPB13,212,811,411,411,311,311,3
        
Uitgaven (totaal)13,013,111,411,411,311,311,3
        
Ontvangsten (totaal)1,30,9     
Artikel 8: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2002raming 2003raming 2004
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatie*gemiddelde prijs
CPB – personeel155,466,4155,665,5138,666,1
CPB – materieel155,418,6155,616,8138,616,4

* excl. personeel werkzaam voor aanvullende projecten.

8.4 Budgetflexibiliteit

De raming bestaat uitsluitend uit apparaatsuitgaven van het CPB. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts in beperkte mate flexibel.

8.5 VBTB-paragraaf

In deze paragraaf staan voor dit artikel de VBTB-verbeterpunten.

Terugkoppeling acties groei-paragraaf 2003

Geen opmerkingen

Kwaliteit van de doelformulering

Geen verbeterpunten

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

Geen verbeterpunten

Evaluatieprogrammering

Geen verbeterpunten

9 VOORZIEN IN MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTE AAN STATISTIEKEN

9.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is verantwoordelijk voor de statistische beschrijving van relevante maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland. De taak van het CBS is vastgelegd als «het verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken» (CBS/CCS-wet 1996, art. 3).

– De externe verzelfstandiging van het CBS tot zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid (zie het wetsontwerp in Kamerstukken II, 28 277) wordt per 1 januari 2004 doorgevoerd. In de formulering van de hoofdtaak van het CBS brengt artikel 3 van het wetsontwerp geen verandering. Aan de traditionele nationale hoofdtaak wordt toegevoegd dat het CBS op nationaal niveau belast is met de productie van communautaire statistieken (wetsontwerp, art. 4). Daarmee is het CBS een nationale instantie als bedoeld in de Europese statistical law1.

– De werkzaamheden die het CBS op hoofdlijnen uitvoert, worden eens in de vier jaar omschreven in een Meerjarenprogramma. Dat wordt jaarlijks ingevuld in een meer gedetailleerd werkprogramma (CBS/CCS-wet 1996, art. 5–6). Het lopende Meerjarenprogramma, goedgekeurd door de Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS), betreft de periode 2002–2005.

– Met de externe verzelfstandiging veranderen de reikwijdte, status en looptijd van het meerjarenprogramma. Er wordt dan ook inmiddels een nieuw meerjarenprogramma voorbereid. Dit meerjarenprogramma wordt vastgesteld door de CCS (art. 16). De Minister brengt het kabinetsstandpunt met betrekking tot de financiële en organisatorische voorwaarden waaronder dit meerjarenprogramma vervuld moet worden, ter kennis van de Tweede Kamer der Staten-generaal (art. 17).

Nieuwe besturing van het CBS

– Met de externe verzelfstandiging worden de taken en bevoegdheden van de bij het CBS betrokken bestuursorganen opnieuw vastgelegd: de Directeur-Generaal is belast met de dagelijkse leiding en de CCS met de vaststelling van het programma en het toezicht op de taakvervulling. De methodologie en de publicaties van het CBS vallen onder de professionele verantwoordelijkheid van de Directeur-Generaal van het CBS. De Minister van EZ is verantwoordelijk voor het in stand houden van de voorwaarden voor een onafhankelijke en publieke productie van kwalitatief goede en betrouwbare statistieken en voor de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de publieke gelden die daarmee gemoeid zijn.

– Het CBS verkrijgt rechtspersoonlijkheid. De DG wordt werkgever voor het personeel van het CBS. Op de CBS medewerkers blijven de arbeidsvoorwaarden van de rijksoverheid van toepassing.

– De toenemende vraag naar nieuwe statistische informatie brengt met zich mee dat CBS en CCS steeds kritischer naar de bestaande productie dienen te kijken.

Operationele doelstellingen

De algemene beleidsdoelstelling wordt geoperationaliseerd in een viertal clusters van operationele doelstellingen:

1. het hebben van een modern produktieproces

2. het zijn van een toonaangevend kennisinstituut

3. het in kunnen spelen op de vraag naar beleidsinformatie

4. het op orde zijn van de bedrijfsvoering

De operationele doelstellingen zijn vervolgens uitgewerkt in sturingsvariabelen.

1. Het hebben van een modern productieproces

Onder meer met het oog op de reductie van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven, waarvoor een taakstelling van 15 procent voor de komende vier jaar staat, is het van belang het statistisch gebruik van gegevens uit registraties te vergroten. Het wetsontwerp creëert daarvoor de nodige instrumenten. Voor de algehele kwaliteit van de geproduceerde informatie is het van belang dat de respons op de eigen enquêtering door het CBS toeneemt.

Een bijzonder gebruiksaspect is de tijdigheid van de informatie, blijkens onder meer de wensen van de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank, waaraan speciaal aandacht besteed wordt.

2. Het zijn van een toonaangevend kennisinstituut

Het CBS streeft een positie na als toonaangevend kennisinstituut. Het zijn van een innovatieve organisatie is daarbij essentieel. Zowel het gebruik van ICT als de inzet van personeel vergen onderhoud en investering in een kennisintensieve organisatie als het CBS. De financiering daarvan is verzekerd door een overbruggingsfinanciering door het Ministerie van EZ. Daarmee wordt onder meer een duaal carrièrestelsel geïntroduceerd om het behoud en aantrekken van hoogwaardige en specialistische inhoudelijk expertise zonder directe managementtaken mogelijk te maken.

3. Het in kunnen spelen op de vraag naar beleidsinformatie

Een Centrum voor Beleidsstatistiek is opgericht om speciaal aan de (departementale) behoeften aan beleidsstatistiek tegemoet te kunnen komen. Het CBS streeft ernaar de succesvol afgeronde pilot met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te verbreden.

Voor een maximaal gebruik van de statistieken worden verschillende media zoals het Internet en persberichten ingezet.

4. Het op orde zijn van de bedrijfsvoering

Dit betreft het streven naar een maximale doelmatigheid en een optimale kwaliteitszorg.

Kwaliteitsmeting en -borging krijgen over de volle breedte van het programma de nodige aandacht. De doelstellingen van de primaire processen hebben hun weerslag op de organisatie De statistisch inhoudelijke doelstellingen van het CBS zijn neergelegd in het in 9.1 genoemde meerjarenprogramma respectievelijk het jaarlijkse werkprogramma ten behoeve van de CCS. Deze programma's komen tot stand na overleg met een twintigtal onderwerpgebonden commissies van advies en de strategische relaties van het CBS, waaronder de departementen, planbureaus, het bedrijfsleven en de wetenschap.

Tabel 9.2: Overzicht prestatiegegevens
Op. DoelSturingsvariabelenIndicatorStreefwaarde 2004
1.1Vermindering van administratieve lastendruk1a Totale lasten bedrijfsleven15% verlaging in 2007
1.2Een voldoende respons1b % respons bij bedrijfsenquêtes1c % respons personenenquêtes65%58%
1.3Toenemend gebruik van registers1d Groei van aantal processen met gebruik van registers. 5% per jaar
1.4Een tijdige aanlevering van statistieken1f % tijdige leveringen aan Eurostat 1g % tijdige persberichten 1h % tijdige publicaties in StatlineGroei van 1% per jaar uitgaande van 80% in 2003 Groei van 1% per jaar uitgaande van 75% in 2003 100%
1.5Een hoge mate van validiteit1i Afwijking van voorlopige t.o.v. definitieve cijfersCPI: In minder dan 5% een afwijking van meer dan +/- 0,2
   Economische groei: in minder dan 20% een afwijking van meer dan +/- 0,5
2.1Een innovatie organisatie2a Aantal publicaties in gezaghebbende wetenschappelijke tijdschriften 1% groei (per jaar)
3.1Mate van gebruik van eindproducten3a Dekkingspercentage van persberichtenGroei van 1% per jaar, uitgaande van 80% in 2003
3.2Een hoge mate van klanttevredenheid3b GebruikersonderzoekPositief oordeel CCS op basis van raadpleging Commissies van advies
4.1Doelmatigheid4a Exploitatie resultaat0
4.2Een optimale kwaliteitszorg4b % geborgde subprocessen100% eind 2005

Toelichting

(1.1) Dit is afgeleid uit het Regeerakkoord. Een belangrijke beïnvloedende factor is de ontwikkeling van de verplichtende EU voorschriften tot het opleveren van statistische informatie.

(1.2) De responsbereidheid in Nederland neemt sterk af. De wettelijke mogelijkheden voor het CBS tot het afdwingen van respons nemen toe op grond van de ontwerp CBS wet die in juni 2003 bij de Eerste Kamer is aangemeld. Het gaat hier om prestaties bij een aantal geselecteerde representatieve statistieken. Als maatgevend voor de respons zowel bij bedrijfs- als personenenquêtes zijn genomen: het responspercentage van de statistiek buitenlandse handel (in waarde) en de enquête beroepsbevolking.

(1.3) De beschikbaarheid en tijdigheid van registraties nemen toe. Dit betekent dat in een toenemend aantal processen deze registerinformatie als (deels) vervangende informatie gebruikt kan worden. De basisstand voor deze streefwaarde zal in de 2e helft van 2003 worden vastgesteld en meegenomen in de verantwoording over 2004.

(1.4) De tijdigheid hoort de norm van 100% te benaderen. Gelet op de vele organisatorische ingrepen ter invulling van taakstellingen is deze norm onhaalbaar. De genoemde streefwaarde is al ambitieus.

(4.1) In de bijdrage voor 2004 is rekening gehouden met de taakstellingen die voortvloeien uit het Strategisch Akkoord. Gezien deze taakstellingen komt de efficiëntie van het CBS tot uitdrukking in het realiseren van een exploitatieresultaat van 0 in 2004 bij een onveranderde uitvoering van het werkprogramma.

9.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 9: Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken (bedragen in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)172,5180,9180,3156,3155,5154,9154,4
Bijdrage aan CBS172,5180,9180,3156,3155,5154,9154,4
        
Uitgaven (totaal)172,5180,9180,3156,3155,5154,9154,4
        
Ontvangsten (totaal)11,610,5     

9.5 Budgetflexibiliteit

De raming bestaat uitsluitend uit apparaatsuitgaven van het CBS. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts in zeer beperkte mate flexibel.

9.6 VBTB-paragraaf

In deze paragraaf staan voor dit artikel de VBTB-verbeterpunten.

Terugkoppeling acties groei-paragraaf 2003

Geen opmerkingen

Kwaliteit van de doelformulering

De weergegeven streefwaarden bij de prestatie indicatoren ter meting van de stuurvariabelen zijn ontwikkeld tijdens de voorbereiding van de ZBO status.

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

In 2003 zal een aantal stuurvariabelen en prestatie-indicatoren verder worden ontwikkeld en geoperationaliseerd. De stuurvariabelen waarvoor een verdere uitwerking van de prestatiemeting zal plaatsvinden zijn: validiteit, mate van gebruik, innovatie en doelmatigheid. Ten aanzien van de doelmatigheid worden in het najaar van 2003 meer verfijnde indicatoren ontwikkeld met daarbij streefwaarden. Deze worden in een ontvlechtingconvenant tussen EZ en CBS opgenomen. Voorts wordt een nulmeting uitgevoerd. In het jaarverslag 2004 van EZ en de ontwerpbegroting 2005 zullen de streefwaarden en uitkomsten worden opgenomen.

Ook de intern CBS aanvullend nog te hanteren stuurvariabelen (gericht op een bedrijfsvoering die leidt tot «in control zijn»), zullen voortdurend verder ontwikkeld worden op basis van ervaringen en toekomstige wensen. De streefwaarden zullen jaarlijks worden bezien. Vooral de diverse efficiency taakstellingen leiden tot ingrepen in de processen van het CBS. De streefwaarden zullen daarop worden afgestemd.

Evaluatieprogrammering

Geen verbeterpunten

10 EXCELLENTE INFORMATIE- EN COMMUNICATIENETWERKEN EN -TECHNOLOGIE

 10.0Grafieken  
 10.1Algemene doelstelling 
 10.2Operationele doelstellingen 
  10.2.1 Infrastructuur en diensten 
  10.2.2 Waarborgen publieke belangen 
  10.2.3 Optimale marktcondities 
  10.2.4 Benutting en toepassing van ICT 
 10.3Budgettaire gevolgen van beleid 
 10.4Budgetflexibiliteit  
 10.5Evaluatieplanning 
 10.6VBTB-paragraaf 

10.0 Grafieken

Aandeel artikel 10 in totale EZ-uitgaven (x € 1 mln)

Onderverdeling uitgaven artikel 10 naar operationele doelen (uitgaven x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-17.gif

Verloop ramingen 2001–2008 (x € 1 mln)

Ontvangsten 2001–2008 (x € 1 mln)

kst-29200-XIII-2-18.gif

10.1 Algemene beleidsdoelstelling

EZ schept voorwaarden voor hoogwaardige informatie- en communicatienetwerken, -technologie en diensten, en wil daarmee bereiken dat het aanbod van deze voorzieningen blijvend tegemoet komt aan de vraag van burgers, bedrijven en overheidsdiensten en dat de concurrentiepositie op dit terrein internationaal wordt bestendigd.

EZ is belast met de coördinatie van het ICT-beleid. Dit moet leiden tot een geïntegreerde beleidsaanpak die effectief bijdraagt aan grotere productiviteit van het bedrijfsleven, aan duurzame economische groei, een efficiënte publieke dienstverlening en een sterke internationale concurrentiepositie. EZ richt zich daartoe vooral op continu beschikbare, hoogwaardige, veilige, betrouwbare en toegankelijke communicatienetwerken, op goede ICT-voorzieningen die voorzien in de vraag vanuit de markt en op toepassing van deze voorzieningen en benutting van netwerken door het bedrijfsleven en in domeinen van publieke zorg. Het ontwikkelen en leveren van ICT-voorzieningen is een zaak van de markt, maar met het bieden van randvoorwaarden in termen van beleidskaders, regelgeving en stimulering zorgt EZ voor ordening, richting en ruimte. EZ heeft derhalve een systeem-verantwoordelijkheid.

De ontwikkelingen in de sectoren communicatienetwerken en post worden sinds 1999 jaarlijks gemonitord door een onafhankelijk bureau (TNO) en vervat in de publicatie Netwerken in Cijfers. Deze monitor, die naar de Tweede Kamer is gestuurd, beschrijft in ongeveer 90 indicatoren voor de verschillende gebruikersgroepen (zakelijk en consumenten) per deelmarkt (vaste/mobiele telefonie, internet, huurlijnen en radio/tv) in veelal tienjarige overzichten, de ontwikkelingen.

Vastgesteld kan worden dat de tarieven voor met name vaste- en mobiele telefonie en internet stabiel zijn op een redelijk laag niveau. Het gebruik van de netwerken en de diensten is internationaal gezien hoog. In het algemeen zijn de ontwikkelingen in de communicatiesector, in termen van concurrentie, tarief en kwaliteitsontwikkeling, bevredigend te noemen.

Op ICT-gebied wil EZ Nederland beter laten presteren ten opzichte van andere EU-landen. Bij de laatste meting van e-Europe 2002 scoorde Nederland een achtste positie op een totaal van 15 landen. Nederland kent een toenemende verspreiding van het gebruik van ICT, maar meer nog een verdere intensivering van het bestaande gebruik van ICT zoals pc's en internet. Dit gaat gepaard met jaarlijks toenemende uitgaven aan ICT-goederen en -diensten. De uitgaven zijn echter niet meer van een omvang zoals in de tweede helft van de jaren negentig. Mede onder invloed van deze teruglopende groei van de uitgaven neemt ook de jaarlijkse groei van de binnenlandse ICT-sector af. (Bron: CBS, De digitale economie 2003) Dit blijft voor EZ een belangrijk punt van aandacht.

10.2 Operationele doelstellingen

Om nadere invulling te geven aan de hierboven geformuleerde algemene beleidsdoelstelling onderscheidt EZ vier operationele doelstellingen:

10.2.1 Infrastructuur en diensten: een aanbod van eerste klas communicatie-infrastructuur en -diensten.

10.2.2 Waarborgen publieke belangen: het behartigen van publieke belangen die verbonden zijn met de toegang tot, het gebruik en de inpassing van communicatie voorzieningen.

10.2.3 Optimale marktcondities: een zo groot mogelijke keuzevrijheid voor consumenten en bedrijven tegen een veelzijdig aanbod van redelijke en doorzichtige tarieven en kwaliteiten.

10.2.4 Benutting en toepassing van ICT: toepassing van ICT en het gebruik van de hoogwaardige netwerken.

10.2.1 Infrastructuur en diensten: een aanbod van eerste klas communicatie-infrastructuur en -diensten.

Binnen deze operationele doelstelling zijn de activiteiten gericht op:

A. Een effectief en efficiënt beheer van de frequentieruimte.

B. De toepassing van nieuwe technologieën in de vaste netwerken.

A. Een effectief en efficiënt beheer van de frequentieruimte

EZ zorgt voor een effectieve verdeling van de beschikbare frequentieruimte over de verschillende categorieën van gebruik om zo goed mogelijk recht te doen aan de economische, maatschappelijke en culturele belangen van de verschillende gebruikerscategorieën. Daar waar schaarste is in de beschikbare frequenties wordt deze zo transparant en eerlijk mogelijk verdeeld, waarbij niet alleen met economische maar ook met maatschappelijke en culturele belangen rekening wordt gehouden. Het bevorderen van efficiënt gebruik van toegewezen frequentieruimte en adequaat toezicht daarop is daarbij van groot belang.

Om te bereiken dat netwerken kwalitatief hoogwaardig zijn en tevens de internationale concurrentiepositie van Nederland wordt verstevigd, is het noodzakelijk dat de nieuwste technologieën in een vroeg stadium in Nederland kunnen worden gebruikt. Hiertoe, en om snel op een veranderende marktbehoefte te kunnen inspelen, is een flexibele inrichting van de frequentieruimte nodig.

Hier worden de volgende instrumenten voor ingezet:

– Onderzoek naar aanpassing van wet- en regelgeving voor meer flexibiliteit in zowel de bestemming van frequenties als de toewijzing daarvan;

– Aanpassen wet- en regelgeving en het Nationaal Frequentieplan om eenvoudiger en meer vergunningvrij toegang tot het frequentiespectrum te kunnen bieden;

– Toezicht op efficiënt frequentiegebruik en monitoring van het gebruik van het frequentiespectrum.

Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Mate van vergunningvrij gebruik20% meer frequentieruimte beschikbaar voor vergunningvrij gebruik in 2005De in 2001 beschikbare frequentieruimte voor vergunningvrij gebruik wordt als referentiepunt gebruikt.
Gedeeld gebruik van frequenties10% meer gedeeld gebruik van frequentiebanden in 2005 t.o.v. 2001. Het in 2001 gedeeld gebruik van frequentiebanden wordt als referentiepunt gebruikt.
Vergunningverlening voor nieuwe digitale omroepsystemenVergunningen voor commerciële digitale radio-omroep zijn uiterlijk eind 2004 verleendBegin 2003 één verleende vergunning voor publieke digitale radio.

B. De toepassing van nieuwe technologieën in de vaste netwerken

EZ schept kaders die vergemakkelijken dat aanbieders van infrastructuur de komende jaren voor een geleidelijke uitrol van breedband (first mile) naar burgers, bedrijven en overheidsinstellingen zorgen. Het kabinet heeft in reactie op het advies van de expertgroep op 13 december 2002 het kabinetsstandpunt breedband vastgesteld.

Op basis hiervan is een Actieprogramma Breedband vorm gegeven, waarin de volgende randvoorwaarden aan de orde zijn: kennisdiffusie, wet- en regelgeving, experimenten, ontsluiting van publieke instellingen, financiële arrangementen en coördinatie van overheidsinitiatieven.

EZ zorgt bovendien voor de condities die bedrijven en overheidsdiensten zowel met draadgebonden als met draadloze infrastructuur laten experimenteren en nieuwe diensten kunnen ontwikkelen en testen in Kenniswijk en andere pilots.

Hier worden de volgende instrumenten voor ingezet:

– Aanpassen wet- en regelgeving;

– Het oprichten van een Breedband Expertise Centrum voor het verspreiden van bestaande kennis over breedband internet;

– De experimenteer omgeving Kenniswijk.

Effect-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Positie Nederland ten opzichte van een aantal benchmarklanden m.b.t. toegang tot internet via kabel, adsl en wireless.Nederland handhaaft positie ten opzichte van deze benchmarklandenBegin 2003 op tweede plaats in benchmark EU.
Aantal actieve breedbandaansluitingen (minimaal 10mb/s symmetrisch) en diensten in Kenniswijk5 000 actieve breedbandaansluitingen in Kenniswijk en 40 nieuwe diensten in 2004130 actieve breedbandaansluitingen (minimaal 10 mb/s) en 3 actieve diensten in Kenniswijk op 1–1-2003

10.2.2 Waarborgen publieke belangen: het behartigen van publieke belangen die verbonden zijn met de toegang tot, het gebruik en de inpassing van communicatie voorzieningen.

Binnen deze operationele doelstelling zijn de activiteiten gericht op:

A. Continuïteit van vitale openbare telecommunicatievoorzieningen.

B. Basisvoorzieningen op het gebied van veiligheid t.b.v. burgers en bedrijven.

C. Voorzieningen ten behoeve van nationale veiligheid.

D. Waarborgen van de universele diensten (telecommunicatie en post)

E. Maatschappelijk verantwoord gebruik van informatie en communicatievoorzieningen.

A. Continuïteit, van vitale openbare communicatievoorzieningen

Het beleid van EZ zorgt ervoor dat de aanbieders van vitale telecommunicatievoorzieningen preventieve maatregelen nemen ter bevordering van de continuïteit van hun vitale diensten in normale en bijzondere omstandigheden, of om zo snel mogelijk herstel plaats te laten vinden van ernstige verstoringen van telecommunicatievoorzieningen, waardoor schade aan vitale maatschappelijke belangen zo veel mogelijk kan worden voorkomen. Reeds voor normale omstandigheden genomen maatregelen moeten een zo breed mogelijke basis vormen voor de maatregelen die nodig zijn voor bijzondere omstandigheden, die worden uitgewerkt onder artikel 6 (vitale belangen ten tijde van crisis).

Bovendien schept EZ zodanige randvoorwaarden dat consumenten en bedrijven gewaarborgd zijn van continuïteit van de dienstverlening (telecommunicatie en post), waarbij marktpartijen zodanig investeren dat het aanbod van infrastructuurcapaciteit de vraag kan verwerken.

Hier worden de volgende instrumenten voor ingezet:

– Het uitvoeren van een risico-analyse die inzicht verschaft in de gevolgen van discontinuïteiten in de telecommunicatievoorzieningen welke worden veroorzaakt door bedrijfseconomische oorzaken.

– Een Nationaal Continuïteitsplan Telecommunicatie (NACOTEL) ter structurering van het continuïteitsbeleid en crisismanagement in de telecommunicatiesector.

Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Aantal continuïteitsplannenAlle aanbieders van vitale openbare telecommunicatievoorzieningen beschikken eind 2004 over een continuïteitsplanBegin 2003: convenant met 7 aanbieders om afspraken uit NACOTEL uit te werken.

B. Basisvoorziening op het gebied van veiligheid t.b.v. burgers en bedrijven

EZ creëert voorzieningen zodat relevante informatie over bedreigingen op internet, die bij de overheid beschikbaar is, ook beschikbaar is voor burgers en bedrijven.

Het streven dient erop gericht te zijn, dat burger en MKB zich bewust worden van maatregelen die zij kunnen en moeten nemen om veilig gebruik te kunnen maken van internet. Door de structuur van het internet ligt een grote verantwoordelijkheid voor veilig gebruik (voorkomen van fraude, computercriminaliteit, virussen, verstoring van dienstverlening etc.) bij de eindgebruiker. Bij deze eindgebruiker zal uiteindelijk een cultuur van veiligheid dienen te groeien. Dit wordt gestimuleerd door informatie te verstrekken over actuele incidenten via een website en de mogelijkheid te bieden om als lid op een mailinglist te worden opgenomen, zodat alle beschikbare informatie direct wordt toegezonden.

Hier wordt het volgende instrument voor ingezet:

– Communicatie door middel van een website en malinglist.

Effect-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Het aantal bezoekers van de websiteGemiddeld 10 000 pageviews per maand in 2004Begin 2003: waarschuwingsdienst geopend
Het aantal leden van de mailinglist35 000 leden van de mailinglist eind 2004Begin 2003: waarschuwingsdienst geopend

C. Voorzieningen ten behoeve van nationale veiligheid

EZ regelt dat opsporings- en inlichtingendiensten over een volwaardig opsporingsmiddel aftappen van telecommunicatie kunnen beschikken. Het instrument gericht aftappen van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten is belangrijk bij onderzoeken in het kader van nationale en justitiële veiligheid. Regelgeving bepaalt hoe de aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten hiertoe moeten bijdragen. Voor het goed functioneren van dit instrument is het daarom van belang dat de regelgeving op dit terrein op orde komt.

Hier worden de volgende instrumenten voor ingezet:

– Wetgeving op het gebied van aftappen;

– Toezicht door het Agentschap Telecom op het naleven van de aftapverplichting.

Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Het aantal aanbieders dat aan de aftapverplichting voldoetAlle aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten voldoen aan de aftapverplichting uiterlijk eind 2005.Begin 2003: de 5 telefonie aanbieders en 6 (grote) internetserviceproviders voldoen aan de verplichting.

D. Waarborgen van de universele diensten in telecommunicatie en post

Het beleid is gericht op het waarborgen van maatschappelijke belangen bij toegang tot, het gebruik van en betaalbaarheid van telecommunicatie- en postvoorzieningen door vastgestelde diensten. Bij telecommunicatie gaat het om – de (witte) telefoongids, – de telefooninlichtingendiensten, – de openbare telefooncellen, – het belbudget abonnement (of bereikbaarheidspakket), – het aansluitrecht op het vaste telefoonnet. Bij Post gaat het om brieven tot 2 kg en pakjes tot 10 kg, bij internationaal vervoer is dat 20 kg. Daarbij zijn eisen gesteld aan de kwaliteit en de hoogte van de tarieven.

Hier wordt het volgende instrument voor ingezet:

– Toezicht door de OPTA op naleving van de wettelijke maatregelen.

Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Overkomstduur brievenPer kalenderjaar ten minste gemiddeld 95% van de brieven binnen 24 uur bezorgd. Er wordt voldaan aan de wettelijke norm.
Aantal postkantoren in relatie tot wettelijke margesWoonkern met meer dan 5 000 inwoners 1 postkantoor binnen straal van 5 km; in stedelijke gebieden met meer dan 50 000 inwoners per elk 50 000 inwonertal een postkantoor extra. Daarnaast zijn er regels voor gebieden buiten de woonkernen. Er wordt voldaan aan de wettelijke norm.
Openbare telefooncellenWoonkernen groter dan 5000 inwoners hebben ten minste 1 telefooncel, en per 5 000 inwoners meer een telefooncel erbij. Er wordt voldaan aan de wettelijke norm.

E. Maatschappelijk verantwoord gebruik van informatie en communicatievoorzieningen

EZ ziet toe op ordelijk gebruik van communicatievoorzieningen en de via deze voorzieningen toegankelijke informatie die transacties via de netwerken betrouwbaar maken. Door de snelle technologische en maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van ICT is de overheid voortdurend bezig bestaande wetgeving te toetsen aan de nieuw ontstane situatie. Hierbij kan worden gedacht aan wetgeving inzake privacy en grensoverschrijdende geschillenbeslechting in het internationale elektronische handelsverkeer. De ontwikkelingen op dit terrein zijn internationaal. Internationale samenwerking bij het opstellen van juridische randvoorwaarden is dan ook een voorwaarde. Daarnaast stimuleert EZ zelfregulering in de markt door middel van het laten ontwikkelen van gedragscodes en voorlichting over elektronische handel. EZ draagt bij aan de beleidsvorming en wet- en regelgevingstrajecten op bovenstaande terreinen, zowel nationaal als internationaal, waarbij speciale aandacht uitgaat naar de Europese richtlijnen op dit terrein.

Hier wordt het volgende instrument voor ingezet:

– Regelgeving op het gebied van privacy, elektronische handel, elektronische handtekeningen en Trusted Third Parties (TTP).

10.2.3 Optimale marktcondities: een zo groot mogelijke keuzevrijheid voor consumenten en bedrijven tegen een veelzijdig aanbod van redelijke en doorzichtige tarieven en kwaliteiten

Binnen deze operationele doelstelling zijn de activiteiten gericht op:

A. Keuzevrijheid voor consumenten en bedrijven.

B. Voldoende innovatief vermogen in de sectoren communicatienetwerken en post.

A. Keuzevrijheid voor consumenten en bedrijven

EZ schept randvoorwaarden zodat consumenten en bedrijven een zo groot mogelijke keuzevrijheid hebben tegen een veelzijdig aanbod van redelijke – en voor gebruikers doorzichtige – tarieven en kwaliteiten. Liberalisering en aangescherpte regelgeving in de elektronische communicatiesector hebben voor de verschillende diensten, vaste/mobiele telefonie, huurlijnen en internet een aanzienlijke verbetering laten zien op het punt van concurrentie en een betere prijs-kwaliteitsverhoudingen. Ook consumentenbescherming wordt verbeterd door onder andere verplichte aansluiting van aanbieders van alle elektronische communicatiediensten bij geschillencommissies en aanscherping van bepalingen rond transparantie van prijs en kwaliteit van de dienstverlening. De postmarkt wordt gradueel geliberaliseerd. Herziening van de Postwet is hiervoor noodzakelijk. Toezicht op deze sector wordt efficiënter en effectiever gemaakt door de toezichthouders OPTA en NMa samen te voegen.

Belangrijke zorg is wel de vergelijkbaarheid van tarieven en kwaliteiten van de aangeboden communicatiediensten voor de gebruiker. De aanbieders en gebruikers in de mobiele telecommunicatiesector hadden een samenwerkingsverband om meer transparantie te bieden voor de eindgebruiker. Dit samenwerkingsverband is na een eerste publicatie alweer beëindigd. Onderzocht wordt de mogelijkheid om met een kwaliteitsmonitor voor de hele sector te komen, waarbij over tarieven en kwaliteit wordt gerapporteerd. De gebruikersorganisaties vervullen voor deze kwaliteitsmonitor een voortrekkersrol.

Hier worden de volgende instrumenten voor ingezet:

– Herziening regelgeving op het gebied van Telecommunicatie en post;

– Toezicht door OPTA en NMa.

Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Wetswijziging m.b.t. herziening boetesysteem OPTA (naar analogie NMa.)Wetswijziging gereed in 2004.Situatie begin 2003: boetesysteem is niet aangepast naar analogie NMa.
Regelgeving m.b.t. uitbreiding verplichting tot aansluitingbij geschillencommissie voor meer vormen van elektronische communicatie. Regelgeving gereed in 2004Situatie begin 2003: verplichte aansluiting geschillencommissie alleen voor telefonie.

B. Voldoende innovatief vermogen communicatie- en postsector

EZ zorgt voor dusdanige randvoorwaarden en voorzieningen dat innovatie plaats vindt waardoor de gebruikers blijvend over hoogwaardige netwerkdiensten kunnen beschikken. Nadrukkelijk onderdeel van de geliberaliseerde markt is dat, naast concurrentie op prijs en kwaliteit van een product, vooral het vermarkten van nieuwe vormen van dienstverlening plaatsvindt. De veelheid aan nieuwe vormen van dienstverlening in vooral de communicatiesector is daarbij aansprekend.

Hier worden de volgende instrumenten voor ingezet:

– Subsidie Elektronische Communicatie voor innovatieve toepassingen van nieuwe technologieën op het gebied van elektronische communicatie;

– Herziening Telecommunicatiewet.

Effect-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
ICT-uitgaven als percentage van het BBP8% in 20057,82% in 2002

10.2.4. Benutting en toepassing van ICT: toepassing van ICT en het gebruik van de hoogwaardige netwerken.

EZ draagt zorg voor de ontwikkeling en toepassing van informatiecommunicatietechnologie en voor het gebruik daarvan binnen bedrijven. De inzet van EZ ten aanzien van het MKB is beschreven in artikel 2 «Bevorderen van innovatiekracht» operationeel doel 2.2.2 van deze begroting.

Daarnaast draagt EZ bij aan effectief gebruik van communicatienetwerken, -diensten en -technologie door burgers en bedrijven in publieke domeinen. EZ heeft hierin een coördinerende rol en schept in samenwerking met andere departementen de mogelijkheden om vooruitstrevende en sectoroverstijgende ICT-oplossingen te ontwikkelen. In dit kader worden de middelen van het Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelwegen (NAP), waarin de ministeries van VWS, OCW, SZW, BZK, Financiën en Justitie mede participeren, aangewend. Een nationale ICT-agenda biedt zicht op het integrale ICT-beleid en de concrete initiatieven die daaruit voortkomen.

EZ stimuleert bovendien de versnelde invoering en gebruik van vernieuwende ICT-oplossingen in sectoren met een dringende maatschappelijke problematiek. Centraal staat de toegevoegde waarde van de toepassing van ICT voor gebruikers (burgers, instellingen en bedrijven), nieuwe vormen van ICT-dienstverlening en het stroomlijnen van (informatie-)ketens. EZ initieert demonstratieprojecten in sectoren als de zorg, de veiligheid en verkeer en vervoer, waarin gebruikers, ICT-aanbieders en (semi-)publieke instellingen vernieuwende ICT-oplossingen voor maatschappelijke knelpunten realiseren. De projecten worden gerealiseerd door vraagbundeling, het ontwikkelen van nieuwe rollen (launching customer, service provider), het gebruik maken van van innovatieve exploitatie-/organisatievormen en het benutten van de mogelijkheden van elektronische communicatiemiddelen. EZ werkt door middel van convenanten in deze projecten samen met vakdepartementen zoals V&W en VWS.

Hier worden de volgende instrumenten voor ingezet:

– Nationale ICT-agenda;

– Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelwegen;

– Demonstratieprojecten.

Prestatiegegevens
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Aantal representatieve ontwikkelingsprojectenDrie representatieve ontwikkelingsprojecten met nieuwe diensten opgestart in 2004Geen ontwikkelingsprojecten

Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 10: Excellente informatie- en communicatienetwerken en -technologie (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)77,258,757,445,043,743,443,4
Programma-uitgaven61,944,643,731,630,830,530,5
Operationeel doel 10.2.1: Infrastructuur en diensten       
– Bijdragen Internationale organisaties0,20,20,20,20,20,20,2
– Kenniswijk32,95,54,01,00,2  
– Bijdrage inspectie V&W2,1      
Operationeel doel 10.2.2: Waarborgen publieke belangen       
– Subsidie kerktelefonie0,60,10,1    
Operationeel doel 10.2.3: Optimale marktcondities       
– Bijdrage aan OPTA10,67,01,51,51,51,51,5
Operationeel doel 10.2.4: Benutting en toepassing van ICT       
– Nationaal Actieplan Electr. snelweg  20,120,120,120,1 20,1
– ICT- flankerend beleid en adm.  11,12,62,82,82,8
Deel HGIS       
– Bijdragen aan Internationale organisaties0,12,11,62,12,12,12,1
– NL voorzitterschap EU 2004  0,5    
Algemeen       
– Beleidsvoorbereiding en evaluaties15,429,64,54,13,93,83,8
        
Apparaatsuitgaven15,314,113,713,412,912,912,9
– Personeel DG Telecommunicatie en Post12,48,99,79,48,98,98,9
– Transitiekosten DG Telecommunicatie en Post 1,1     
– Bijdrage DG Telecommunicatie en Post aan agentschap Telecom2,94,14,04,04,04,04,0
        
Uitgaven (totaal)47,164,339,246,549,040,843,0
        
Ontvangsten (totaal)160,643,612,811,910,21,01,0
– Ontvangsten Personeel en materieel1,41,10,90,90,90,90,9
– Ontvangsten agentschap Telecom0,60,60,60,30,00,00,0
– Ontvangsten Fes3,711,211,110,59,1  
– Ontvangsten OPTA0,20,20,20,20,20,20,2
– Overige ontvangsten154,739,5     
Artikel 10: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2002raming 2003raming 2004
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG TP – personeel132,593,6118,774,6141,368,3

Budgetflexibiliteit

 2004 2005 2006 2007 2008 
1. Totaal geraamde kasuitgaven39 236 46 548 49 024 40 790 42 985 
2. Waarvan app.uitgaven13 691 13 374 12 871 12 871 12 871 
3. Dus programma uitgaven25 545 33 174 36 153 27 919 30 114 
4. Waarvan juridisch verplicht12 71250%15 04245%14 42640%5 49820%5 49818%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten2271%2271%2271%2271%2271%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden9 70038%9 70029%9 70027%7803%7803%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen2 90611%8 20525%11 80032%21 41477%23 60978%
8. Totaal25 545100%33 174100%36 153100%27 919100%30 114100%

In de regel «juridisch verplicht» zijn de overlopende verplichtingen opgenomen en de bijdrage aan OPTA en agentschap Telecom. EZ is verplicht om de kosten van bezwaar en beroep en de kosten van advisering van de minister te financieren. Deze kosten mogen niet aan de marktpartijen worden doorberekend.

In de regel «complementaire/bestuurlijk gebonden» uitgaven zijn de uitgaven, voor het project Kenniswijk opgenomen. Daarnaast zijn hier de uitgaven voor de waarschuwingsfunctie op het gebied van internetveiligheid opgenomen.

Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 10
Operationeel doelEvaluatiemoment
10.2.1.Infrastructuur en diensten2004
– Kenniswijk2003/04
– Nationaal Antenne Beleid2004
– Frequentiebeleid2003/04
  
10.2.2.Waarborgen publieke belangen2005
– Aftapbeleid2004
– TTP-beleid2004
  
10.2.3.Optimale marktcondities2006
  
10.2.4. Benutting en toepassing van ICT2007

Het project Kenniswijk is het onderwerp van een tussen-evaluatie. Deze evaluatie zal beginnen in 2003 en loopt door in 2004.

Het Nationaal Antenne Beleid, zoals vastgelegd in de betreffende kabinetsnota, wordt volledig geëvalueerd. Twee onderdelen van het beleid zijn echter hiervan uitgezonderd omdat die reeds worden geëvalueerd (resultaat in september 2003). Het betreft het convenant en het Bureau nationaal Antennebeleid.

Het aftapbeleid kent een eerste evaluatie. In deze evaluatie, die dus geen eind-evaluatie is, worden de effecten van het tot nu toe gevoerde beleid onderzocht.

Het beleid rond Trusted Third Parties (TTPs) is een relatief nieuw. In de beleidsevaluatie TTP wordt geanalyseerd of de (met name wetgevings-)instrumenten hebben geleid tot voldoende en goed functionerende TTPs.

Tevens worden, conform de toezegging in de kabinetsnota's «De Digitale Delta» en «Netwerken in de Delta», periodiek benchmarkstudies verricht naar de stand van zaken van onze telecominfrastructuur en -diensten. Voor 2004 is een benchmarkstudie gepland om een goed inzicht te krijgen van de marktontwikkelingen in relatie tot succes en faalfactoren van beleid in diverse landen.

Afgeronde evaluaties

BeleidsevaluatieConclusies, aanbevelingen en follow-up
nvtnvt

10.6 VBTB-paragraaf

In deze paragraaf staan voor dit artikel de VBTB-verbeterpunten.

Terugkoppeling acties groei-paragraaf 2003

In september 2002 is een volledige herziening van artikel 10 aangevangen. Dit heeft geresulteerd in een artikel met een sterk verbeterde kwaliteit van de doelformulering en meer samenhang in de budgettaire gevolgen van beleid. Ook is er veel aandacht geschonken aan de samenhang van prestatie- en effectgegevens door enerzijds een beperkt aantal indicatoren op te nemen die anderzijds een goed beeld geven van de ambities en de plaats van DGTP in haar beleidsveld. Bij het formuleren van de indicatoren is gestreefd naar het formuleren van prestaties in termen van outcome. Dit bleek niet overal goed mogelijk. Niet alleen omdat er slechts een beperkte invloed is op resultaten in de samenleving, maar ook omdat de resultaten soms moeilijk meetbaar of herleidbaar zijn. Waar er geen indicatoren in termen van outcome mogelijk waren, zijn de prestatie-indicatoren gebleven bij output. Voor de komende jaren blijft DGTP streven naar concrete effectindicatoren waar mogelijk.

Kwaliteit van de doelformulering

De operationele doelstellingen zijn gehandhaafd. Wel is de naam van de 4e operationele doelstelling gewijzigd in «benutting en toepassing van ICT», dat was «telematica». Door de overgang van V&W naar EZ en de overgang van ICT van artikel 2 naar artikel 10 is de reikwijdte van operationele doelstelling 4 groter geworden. De nieuwe naam past dus beter bij de inhoud van de 4e operationele doelstelling.

Volledigheid van de prestatie- en effectgegevens

Het meten van de prestatie- en effectgegevens is van een constante hoge kwaliteit door de permanente monitoring door TNO, waarvan jaarlijks een overzicht wordt openbaar gemaakt. Voor de komende jaren wordt onderzocht hoe het meten nog beter en efficiënter kan, door enerzijds samenwerking met DG ME en anderzijds samenwerking tussen TNO en het CBS.

Aandachtspunten voor de komende jaren blijven de continuïteit van de prestatie-indicatoren. Afgezien van het feit dat door reorganisaties een aantal indicatoren aan veranderingen onderhevig kunnen zijn, is de administratie van de indicatoren onvoldoende ontwikkeld. Voor de indicatoren van de begroting 2004 zal echter een administratie worden aangelegd, welke zal worden onderworpen aan audits om de kwaliteit te waarborgen.

Evaluatieprogrammering

Aandachtspunt voor de periode tot 2006 is de aanwezigheid van een dekkende evaluatieprogrammering. Evaluatie gebeurt uiteraard wel, maar er is nog onvoldoende VBTB-structuur neergezet om de coördinatie van evaluaties structureel te noemen. Ook aan dit punt wordt gewerkt en zal vanaf het najaar van 2003 aandacht krijgen.

2.3 DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

21 ALGEMEEN

Op dit niet-beleidsartikel worden de apparaatsuitgaven geraamd die niet zijn toegerekend aan de beleidsartikelen. Het betreft de personele en materiële uitgaven van de stafdiensten (inclusief algemene leiding), de centrale personeelsuitgaven en de facilitaire overhead van het kernministerie. Naar hun aard hebben deze uitgaven een slechts indirecte relatie met de activiteiten en uitgaven zoals geraamd op de beleidsartikelen. Om deze reden wordt de voorkeur gegeven aan raming op dit niet-beleidsartikel. Niet minder belangrijk is dat daarmee de aansluiting wordt behouden met de interne sturing en beheersing van deze uitgaven.

In onderstaande tabel volgt een opsomming.

Budgettair overzicht

Artikel 21: Algemeen (bedragen in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)110,1108,3101,396,897,199,297,8
Personeel Algemeen       
– Personeel stafdiensten32,334,633,633,132,732,732,7
– Centraal personeelsbudget12,411,312,310,810,912,210,9
– Personeel Buitenland2,72,62,52,52,52,52,5
– Wachtgeld1,12,02,01,91,91,91,9
– Post actief Personeel3,92,72,62,32,32,32,3
– Personeel adviescolleges0,00,10,10,10,10,10,1
– Afwikkeling oude verplichtingen0,00,20,20,20,20,20,2
Materieel Algemeen       
– ICT16,210,39,88,410,012,912,6
– Materieel diversen4,11,11,01,01,31,01,0
– Voorlichting3,610,94,94,94,94,84,8
– Materieel kernministerie (incl. huisvesting)33,833,631,631,131,029,429,4
– Huisvesting (t.b.v. investeringen) 0,31,01,01,01,01,0
– Parkeerpost – 1,2– 0,2– 0,5– 1,8– 1,8– 1,8
        
Uitgaven (totaal)98,9109,3102,996,797,099,597,8
        
Ontvangsten (totaal)14,46,95,96,67,47,47,4
– Diverse ontvangsten algemeen10,84,55,05,45,95,95,9
– Afdracht Senter3,62,40,91,21,51,51,5
Artikel 21: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2002raming 2003raming 2004
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
Stafdiensten personeel1 2535,160,3629,654,9621,654,0
Kerndepartement – materieel3 41 429,040,41 526,336,01 509,931,8

1 Algemene Leiding, AEP, AD, FEZ, IZ, DiVo, BSG, WJZ, POI, Herijkingsdienst.

2 Betreft decentrale personeelsuitgaven.

3 Stafdirecties én DG I, M&E, BEB, O en TP.

4 Betreft materiële uitgaven die betrekking hebben op kerndepartement: ICT, materieel diversen, voorlichting, materieel kerndepartement.

22 NOMINAAL EN ONVOORZIEN

Op dit niet-beleidsartikel zijn ramingen opgenomen voor de volgende typen uitgaven:

Loonbijstelling

Prijsbijstelling

Onvoorzien

Nog te verdelen posten

De loonbijstelling en prijsbijstelling betreffen middelen die meestal bij Voorjaarsnota worden toegedeeld aan de EZ-begroting voor de jaarlijkse ophoging van alle loongevoelige en prijsgevoelige budgetten op de EZ-begroting. De loonbijstelling en prijsbijstelling worden vervolgens verdeeld binnen de EZ-begroting. Tezamen dienen loonbijstelling en prijsbijstelling ter compensatie van de uitholling van de reële EZ-uitgaven door inflatie.

De post onvoorzien wordt aangehouden voor relatief bescheiden onvoorziene uitgaven die niet elders op de EZ-begroting kunnen of mogen worden ingepast.

De nog te verdelen posten betreffen (positieve of negatieve) reeksen die reeds aan de EZ-begroting zijn toegevoegd, maar waarvan nog niet duidelijk is op welke beleidsartikelen zij uiteindelijk zullen worden verwerkt. In dit geval gaat het om het restant van de volumetaakstelling van het kabinet Balkenende I en de nieuwe taakstellingen van het kabinet Balkenende II.

Budgettair overzicht

Artikel 22: Nominaal en onvoorzien (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal) 7,0– 93,8– 39,8– 62,7– 68,0– 68,0
– Loonbijstelling 6,73,32,92,22,42,4
– Prijsbijstelling 2,22,63,13,73,63,6
– Budget onvoorzien 0,50,50,50,50,50,5
– Nog te verdelen posten – 2,4– 100,2– 46,2– 69,0– 74,5– 74,3
        
Uitgaven (totaal) – 23,0– 63,8– 54,8– 77,7– 68,0– 68,0

23 AFWIKKELING OUDE VERPLICHTINGEN

Op dit niet-beleidsartikel worden de uitgaven en ontvangsten geraamd van met name in het verleden aangegane verplichtingen betreffende NedCar, de regeling Bedrijfsbeëindigingshulp en de garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen.

NedCar

Na het tekenen van de overeenkomsten tussen Volvo, NedCar en de Staat bestaat de financiële relatie nog uit de volgende twee elementen (in de ontvangstenraming):

• Terugbetaling door NedCar van de in het verleden verstrekte renteloze lening.

• Het recht van de Staat op betalingen uit hoofde van de verkoop van onderdelen voor de Volvo-400-serie door Volvo tot en met 2016.

Regeling Bedrijfsbeëindigingshulp

Met de inwerkingtreding van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) per 1 juli 1987, is de regeling Bedrijfsbeëindigingshulp (BBH) gesloten voor nieuwe toetreders. Derhalve is sprake van bestandsafbouw, waardoor de raming een trendmatige daling vertoont.

Garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen

Op dit onderdeel vinden alleen nog betalingen plaats voortvloeiende uit verleende garanties uit hoofde van het Besluit Garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen (PPM) (Stb. 1994, 318). De regeling is met ingang van 1996 beëindigd.

Budgettair overzicht

Artikel 23: Afwikkeling oude verplichtingen (in € mln)
 2002200320042005200620072008
Verplichtingen (totaal)4,44,94,64,23,83,83,5
– Afwikkeling BBH-regeling4,44,94,64,23,83,83,5
        
Uitgaven (totaal)4,85,34,84,33,83,83,5
        
Ontvangsten (totaal)13,3119,8133,75,13,63,63,6
– Ontvangsten Nedcar13,3119,8133,75,13,63,63,6
– Ontvangsten garantieregeling PPM'810,0      

3. DE BEDRIJFSVOERING

Inleiding

Op het terrein van de bedrijfsvoering zal het jaar 2004 vooral in het teken staan van de invulling van de opeenvolgende taakstellingen, voortvloeiend uit het Strategisch Akkoord (Balkenende I) en het Hoofdlijnen Akkoord (Balkenende II). Een andere belangrijke ontwikkeling in 2004 is de voorbereiding van de oprichting van het Rijksbrede shared service center HRM per 1 januari 2005. Tenslotte zal de afronding c.q. in werking treding van een tweetal verzelfstandigingen de nodige aandacht vragen.

Taakstellingen Strategisch Akkoord (SA)

Het SA bevatte naast taakstellingen op het terrein van de subsidies ook forse taakstellingen op het gebied van de bedrijfsvoering: volume, efficiency en inhuur externen. In 2002 zijn verschillende maatregelen en initiatieven genomen om deze taakstellingen in te vullen. Sommige hebben reeds met ingang van 2003 hun effect op de bedrijfsvoering, andere zullen eerst in 2004 hun effect krijgen.

De efficiency- en de inhuur taakstelling zijn ingevuld door kortingen op de beschikbare apparaatsbudgetten van de onderdelen van het departement. Langs deze weg zijn alle organisatieonderdelen gehouden om de bedrijfsvoering zodanig aan te passen dat hun activiteiten met minder mensen en minder inhuur c.q. lagere daarmee samenhangende kosten kunnen worden uitgevoerd.

Naast deze generieke invulling van de efficiency- en de inhuurtaakstelling, is ter invulling van de volumetaakstelling een drietal specifieke trajecten gestart:

Doorwerking subsidietaakstelling

De subsidietaakstelling is ingevuld door een aantal subsidieregelingen te beëindigen of budgettair te beperken. Deze maatregelen leiden tevens tot beperking van de daarmee gepaard gaande apparaatskosten. Gezien het feit dat het merendeel van deze kosten uitvoeringskosten betreft, leidt dat vooral tot besparingen bij de agentschappen die de betreffende regelingen uitvoeren. De met dit oogmerk aangehouden flexibiliteit in de personele bezetting van de agentschappen van EZ maakt het mogelijk deze besparingen met beperkte aanvullende kosten op te vangen.

Stroomlijning agentschappen

Met de toevoeging van Novem als (vooralsnog tijdelijk) agentschap aan het Ministerie van Economische Zaken, kent het ministerie een viertal agentschappen met ten dele dezelfde doelgroepen en op onderdelen vergelijkbare processen (Senter, EVD, tijdelijk agentschap Novem en Bureau I.E.). De volume taakstelling is aangegrepen als moment om te onderzoeken of stroomlijning van deze organisaties tot grotere efficiency en gelijktijdige kwaliteitsverbetering zou kunnen leiden.

In nauw overleg met een brede vertegenwoordiging van de stakeholders is een voorstel uitgewerkt om, eerst nadat Novem is omgevormd tot definitief agentschap, te komen tot een thematische herschikking van de activiteiten van de agentschappen Senter, EVD en Novem. Deze herschikking leidt dan tot twee entiteiten, één gericht op» internationaal ondernemen» en één op «duurzame en innovatieve ontwikkeling».

Daarmee, evenals door het vormgeven van een gezamenlijke front-office, zal kwaliteit van de dienstverlening verder vergroot worden. De efficiency kan bovendien verder vergroot worden door de staftaken van de betrokken agentschappen (voor zover mogelijk inclusief Bureau I.E.) onder te brengen in een gezamenlijk shared service center.

In de komende tijd zal dit voorstel nader worden uitgewerkt en zal hierover overleg met de medezeggenschap plaatsvinden. Uiteraard zal ook de Tweede Kamer daarna zo spoedig mogelijk uitgebreid over de concrete voornemens geïnformeerd worden.

Bestaffing kerndepartement

De volumetaakstelling uit het SA is aangegrepen om de inrichting en de werkwijze van de verschillende centrale en decentrale stafdiensten van het kerndepartement tegen het licht te houden. Een hiertoe ingerichte werkgroep heeft op verschillende terreinen meer of minder ingrijpende voorstellen gedaan. Deze voorstellen worden verder uitgewerkt in vervolgwerkgroepen waarna overleg met de medezeggenschapsorganen zal plaatsvinden, gevolgd door besluitvorming in het najaar 2003. De effectuering van de voorstellen zal dientengevolge niet eerder dan met ingang van 2004 zijn volledige beslag krijgen.

Taakstellingen Hoofdlijnen Akkoord (HA)

In aanvulling op het SA, bevat het HA wederom taakstellingen op het terrein van de bedrijfsvoering. Naast een nieuwe subsidietaakstelling, wordt EZ geconfronteerd met forse aanvullende taakstellingen op het gebied van efficiency, volume en inhuur externen. Daarnaast wordt de prijsbijstelling slechts gedeeltelijk gecompenseerd en leidt de doorwerking van de WW-maatregel tot een taakstelling voor EZ.

Waar mogelijk zijn voor deze taakstellingen reeds (verdelings)maatregelen getroffen. Dat geldt voor de efficiencytaakstelling van de ZBO's, de beperking van de prijsbijstelling en de doorwerking van de WW-maatregel.

Invulling van de overige taakstellingen vergt nadere analyse en nieuwe aanvullende maatregelen. Op dit moment worden daartoe binnen het departement voorstellen ontwikkeld. Parallel daaraan wordt ook door het SG-beraad bezien welke (interdepartementale) mogelijkheden bestaan om de efficiency van de Rijksoverheid te vergroten. Vooruitlopend op de uitkomsten hiervan zijn de eerste tranches van de efficiency-, inhuur- en volumetaakstelling binnen EZ nader verdeeld. Eerst na afronding van deze departementale en interdepartementale gedachtevorming zal besluitvorming over de structureel te treffen maatregelen plaatsvinden.

Shared Service Center HRM

Het kabinet heeft op 4 juli 2003 besloten tot oprichting van een Shared Service Center HRM (SSC HRM) voor de personeelsregistraties en salarisadministraties van de departementen. Met het SSC HRM wordt beoogd enerzijds de kwaliteit van het functioneren van de personele functie te verbeteren, anderzijds efficiencywinst te bereiken door de invoering van meer (ICT)-ondersteuning van de HRM-processen en schaalvergroting bij de uitvoering van processen. Naast een Rijksbreed plan van aanpak zal ieder departement vóór medio 2004 zelf een plan van aanpak opstellen voor de realisatie- en productiefase.

Dat plan van aanpak zal de activiteiten bevatten die nodig zijn voor het overnemen van de salarisadministratie, (gedigitaliseerde) personeelsdossiers, verlofregistratie, ziekteverzuimregistratie en de overige financiële vergoedingen aan personeel en formatie- en organisatiegegevens door het SSC. Ook zal het de aanpak bevatten voor de invoering van een nieuw concept van «self service» voor medewerkers, managers en HRM-professionals om een aantal administratieve en registratieve werkzaamheden op eenvoudige wijze geautomatiseerd af te handelen.

Voor EZ geldt dat al eerder een dergelijke digitale toepassing voor «medewerkers zelfbediening» was vormgegeven. Door dit verder uit te bouwen kan EZ betrekkelijk eenvoudig voldoen aan het nieuwe Rijksbrede concept. Wat betreft de salarisverwerking zal EZ in een samenwerkingsverband met de ministeries van Financiën, V&W en OCW uiterlijk 1 januari 2005 gebruik gaan maken van het salarissysteem SAP-Payroll, zoals dat per 1 januari 2004 bij het ministerie van Financiën wordt geïmplementeerd. Dit samenwerkingsverband zal zodanig worden vormgegeven en uitgroeien dat het naadloos past in het SSC HRM.

Verzelfstandigingen

De afgelopen jaren zijn de voorbereidende werkzaamheden verricht om het CBS met ingang van 1 januari 2004 om te vormen tot zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Medio 2003 is het daartoe ingediende wetsvoorstel door de Tweede Kamer aangenomen.

Per 1 januari 2002 is Novem B.V. omgevormd tot tijdelijk agentschap. Sindsdien zijn de benodigde inspanningen verricht om Novem gereed te maken voor het verkrijgen van de definitieve agentschapstatus. Onlangs heeft de Tweede Kamer, vanwege de tekortkomingen in het financieel beheer, besloten vooralsnog niet in te stemmen met het voorstel Novem per 1 januari a.s. om te vormen tot definitief agentschap. Dat betekent dat de tijdelijke agentschapstatus met een jaar is verlengd.

Om te voldoen aan de regelgeving op het terrein van financieel beheer zoals deze binnen de Rijksoverheid geldt, is door Novem een «plan van aanpak verbetering financieel beheer» opgesteld. Dit plan voorziet in het oplossen van alle geconstateerde knelpunten en zal nog in 2003 worden uitgevoerd. Deze uitvoering vindt plaats met intensieve betrokkenheid c.q. monitoring van de directie FEZ, de departementale Auditdienst en de Algemene Rekenkamer.

Mededeling over de bedrijfsvoering

In 2002 is binnen EZ een rapport geschreven waarin is aangegeven op welke wijze EZ invulling zal geven aan de Mededeling over de Bedrijfsvoering. Dit rapport is ook als basis gehanteerd voor de Mededeling zoals opgenomen in het jaarverslag 2002.

Het rapport bevat een aantal aspecten die in 2003 nadere uitwerking behoeven, dan wel in op te stellen deel-producten zullen resulteren. De belangrijkste daarvan zijn het bedrijfsvoeringsplan; de risico-analyse en de uitwerking van de bedrijfsvoeringsaspecten die geen onderdeel uitmaken van de baseline financieel en materieel beheer.

Tegelijkertijd wordt, voortvloeiend uit de notitie van het SG-beraad «meer eenvoud, meer focus», bezien waar mogelijkheden liggen om de regelgeving binnen het Rijk te vereenvoudigen. In dat licht wordt momenteel ook de Mededeling over de bedrijfsvoering opnieuw bezien.

Hoewel EZ met het eerder genoemde rapport al voor een zo pragmatisch mogelijke aanpak heeft gekozen, zal in de komende periode zal het eerder genoemde rapport tegen de achtergrond van de notitie «meer eenvoud, meer focus» worden uitgewerkt.

4. AGENTSCHAPPEN

SENTER

1. Missie

Senter is een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) dat overheidsbeleid uitvoert op het terrein van technologie, energie, milieu, export en internationale samenwerking. Doelstelling hierbij is het duurzaam versterken van de positie van bedrijfsleven en kennisinstellingen in ons land.

2. Strategie en doelstellingen op hoofdlijnen

Om deze doelstelling te bereiken heeft Senter de volgende vier strategische (middellange termijn) doelstellingen geformuleerd vanuit het perspectief van de bedrijven en kennisinstellingen, de opdrachtgevers, de eigenaar (EZ) en de interne organisatie:

1. Het verbeteren van de dienstverlening aan de doelgroep;

2. Het kunnen inspelen op de wensen en doelstellingen van de opdrachtgevers;

3. Het kunnen inspelen op de wensen en doelstellingen van de eigenaar;

4. Het verbeteren van de interne kwaliteit van de primaire processen.

Aan deze doelstellingen heeft Senter een aantal Kritische Succes Factoren (KSF'n) gekoppeld, waarvan een selectie is opgenomen in tabel 1. De KSF'n worden getoetst aan de hand van meetbare prestatie-indicatoren (PI's). Naast interne sturing worden deze PI's gebruikt ter toetsing van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het agentschap.

3. Producten en diensten Senter

Senter verzorgt voor diverse ministeries en de EU de uitvoering van stimuleringsregelingen en -programma's, zoals subsidie-, krediet- en fiscale regelingen1. De uitvoering van een regeling en/of programma kan bestaan uit juridische vormgeving, communicatie, inhoudelijke beoordeling van subsidie- en kredietaanvragen, rapportages inzake monitoring van effecten, administratie, financiën en controle. Ondernemers kunnen bij Senter terecht met verzoeken om een partner in binnen- of buitenland te zoeken (match-making) of om samen te werken bij de realisatie van innovatieve projecten.

Daarnaast kan Senter haar opdrachtgevers adviseren over de wijze waarop zij hun beleidsdoelen kunnen vertalen in regelingen en/of programma's. Ook wordt aan opdrachtgevers assistentie verleend om kengetallen te definiëren die, in het kader van VBTB, de beleidseffecten kunnen meten.

4. Belangrijkste ontwikkelingen en prioriteiten in 2004

In het kader van het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende-I is Senter geconfronteerd met diverse taakstellingen die een ingrijpende invloed hebben op de bedrijfsvoering van Senter.

Per taakstelling wordt hierna aangegeven wat de gevolgen zijn voor de begroting 2004–2008:

Taakstelling efficiency en inhuur externen:

Deze taakstelling moet leiden tot lagere kosten voor de opdrachtgevers, waarbij het activiteiten niveau gelijk blijft. Senter moet dit zien te bereiken door efficiënter te werken en de inhuur van externen te verminderen. In de afgelopen jaren heeft Senter reeds een aanzienlijke efficiencyverbetering bereikt (zie ook tabel 1). Daardoor kunnen de opgelegde taakstellingen niet volledig evenredig worden verwerkt in lagere kosten. De taakstelling efficiency en inhuur is daarom als volgt verwerkt:

• Voor het jaar 2003 wordt de taakstelling van € 0,6 mln (€ 0,31 mln efficiency en € 0,29 mln inhuur externen) betaald aan EZ via de resultaatbestemming 2002.

• Voor de structurele verwerking van de taakstelling over 2003 (€ 0,6 mln) in de jaren vanaf 2004 is het tarief met een gering percentage verhoogd.

• Het restant van de taakstellingen komt vanaf 2004 volledig tot uitdrukking in lagere personele- en materiële kosten hetgeen moet leiden tot een zodanig resultaat dat daaruit de efficiencytaakstelling kan worden afgedragen aan EZ.

De taakstelling efficiency en inhuur externen is dus niet volledig verwerkt via lagere tarieven.

Volume-effecten subsidietaakstelling:

Door inkrimping en vermindering van het subsidie-instrumentarium van EZ zijn vanaf 2003 minder FTE's nodig. Voor Senter betekent dit op termijn (2007) een uiteindelijke vermindering van 44 FTE en bijna € 4 mln aan omzet (uitvoeringskosten). Bijna de helft daarvan (20 FTE, € 1,8 mln omzet) wordt in 2003 gerealiseerd als gevolg van het stoppen van de regelingen TOP en EINP. Deze taakstelling leidt tot evenredig lagere personele kosten, wat mogelijk is gezien het flexibele karakter van het personeelsbestand. Echter een evenredige verlaging van de materiële kosten is (op korte termijn) niet mogelijk. Dit gezien de reeds noodzakelijke verlaging door de taakstelling efficiency en het gegeven dat een groot deel van de materiële kosten een vast karakter heeft (bijvoorbeeld huisvesting).

Stroomlijning van de uitvoering agentschappen EZ

Gezien het streven naar een meer herkenbare, transparante en efficiënte uitvoering van het EZ-beleid en ter nadere invulling van de volumetaakstelling EZ is door een werkgroep onderzocht op welke wijze de vier agentschappen Senter, Novem, EVD en Bureau I.E. kunnen worden gestroomlijnd. Het advies van de werkgroep is om de activiteiten van Senter, Novem en EVD thematisch te herschikken naar twee entiteiten, één gericht op «internationaal ondernemen» en één op «duurzame en innovatieve ontwikkeling», daarbij gebruik te maken van een gezamenlijk front-office en een shared service centre voor de uitvoering van de staftaken (waar mogelijk inclusief Bureau I.E.).

In de komende periode zal dit voorstel worden uitgewerkt en zal hierover overleg met de medezeggenschapsorganen plaatsvinden. Uiteraard zal ook de Tweede Kamer daarna zo spoedig mogelijk uitgebreid over de concrete voornemens worden geïnformeerd.

Op dit moment zijn de gevolgen voor het activiteitenniveau van Senter nog niet duidelijk. Vandaar dat de gevolgen daarvan niet zijn meegenomen in de begroting.

Ten tijde van het opstellen van deze begroting zijn de gevolgen van de mogelijke taakstellingen van het Hoofdlijnenakkoord (Balkenende II) niet bekend. Daarnaast is bij EZ sprake van stroomlijning van regelingen op het gebied van innovatie. Hierdoor zullen diverse instrumenten (zoals Technologische Samenwerking (TS), Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP), Energiebesparing door Innovatie (EDI), Economie, Ecologie en Technologie (EET)) worden samengevoegd in één nieuw samenwerkingsinstrument. Deze twee ontwikkelingen zijn niet verwerkt in deze begroting.

5. Doelmatigheid en doeltreffendheid

De doelmatigheid en doeltreffendheid van Senter zijn zichtbaar door de ontwikkeling in de tijd van de volgende PI's (tabel 1).

Tabel 1 doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren
BedrijvenRealisatie 2002Streefwaarde 2004 
Klanttevredenheid1kwalificatie «goed» en hoger: 77%1> 80%
 2Netto doorlooptijd declaraties: 45 dagen2< 40 dagen
Toegankelijkheid184% (2001: 79%) 90% van de telefoontjes binnen 15 sec. opnemen.
 2Indienen van subsidie-aanvragen via internet bij 8 EZ-regelingen. Bij 100% van de lopende EZ-regelingen.
 3Beantwoorden van relevante vragen van ondernemers door Algemene Informatie en Advies (via website) 100% beantwoorden binnen 1 werkdag
   
OpdrachtgeversRealisatie 2002Streefwaarde 2004
Realiseren beleidsdoelstellingen1Bij 99% van de lopende EZ-regelingen vindt door Senter effectmeting plaats. Bij niet-EZ regelingen 50%.(percentage uitgedrukt in omvang beleidsbudget)1Effectmeting bij elke EZ-regeling. Bij niet-EZ voorzover door opdrachtgevers gewenst.
Lage uitvoeringskosten1Uitvoeringskosten als % beleidsgeld1 
 aTotaal: 3,0%a≤ 3,5%
 bExclusief WBSO/EIA: 6,2%b≤ 6,5%
   
Eigenaar (EZ)Realisatie 2002Streefwaarde 2004 
Efficiency1Gemiddeld gewogen tarief is t.o.v. 2001 gestegen met 2,6%. Na inflatie (3,5%) resteert een reële daling van 0,9%. 1Reëel gelijkblijvende tarieven, rekening houdend met efficiency-taakstelling.
 2Productiviteit (directe uren/totaal):56,8% (2001: 55,9%) > 56% (max haalbaar o.b.v. werkbare dagen is 67%)
Integriteit/kwaliteit1Financiële foutpercentage: 0,2%1≤ 0,5%
 2Formele foutpercentage: 7,4%2≤ 5,0%
 3% bezwaarschriften WBSO: 1,6%3< 2,0% (alle regelingen)
 4Inbreuken integriteitsbeleid: geen4geen
   
Interne organisatieRealisatie 2002Streefwaarde 2004 
Deskundig en gemotiveerd personeel1Verhouding Ambtenaar/Inhuur: 62/38170/30
 2Opleidingskosten als % loonsom: 1,9% 22,0%
 3Ziekteverzuim: 4,3%3< 4,6%

Een aantal indicatoren wordt hieronder kort toegelicht.

Klanttevredenheid

In het laatst gehouden onafhankelijke onderzoek (2002) naar de klanttevredenheid en het imago van Senter bleek de tevredenheid groot onder bedrijven en instellingen die wel eens een aanvraag hebben ingediend. Ruim driekwart gaf de beoordeling «goed», «zeer goed» of «uitstekend». De klanttevredenheid is ten opzichte van 1999 gemiddeld gelijk gebleven.

De netto-doorlooptijd van declaraties betreft het aantal dagen waarin Senter verzoeken tot betaling afhandelt. Het is de bedoeling de netto-doorlooptijd de komende jaren fors te verkorten tot uiteindelijk 30 dagen.

Realiseren beleidsdoelstellingen opdrachtgevers

De effectmeting van het beleidsinstrumentarium dat Senter uitvoert, wordt steeds actueler door ontwikkelingen als VBTB en de toenemende vraag naar beleidsinformatie. In overleg met de opdrachtgevers zijn per regeling relevante prestatie-indicatoren geformuleerd. In 2004 wordt gestreefd naar effectmeting bij alle lopende EZ-regelingen die Senter uitvoert mits de meting (technisch) haalbaar is.

Lage uitvoeringskosten

Een kengetal voor het streven naar lage uitvoeringskosten is de verhouding ervan ten opzichte van het beleidsbudget (bedrag beschikbaar voor verplichtingen). In 2002 maakten de uitvoeringskosten 3,0% uit van het totaalbedrag aan verplichtingen dat Senter heeft verricht. Exclusief de regelingen Fiscale stimulering van Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) en Energie Investeringsaftrek (EIA), waar sprake is van grote aantallen, bedroeg dit 6,2%. Ten opzichte van voorgaande jaren waren deze percentages in 2002 relatief gunstig doordat bij de EIA sprake was een eenmalige toename van het beleidsbudget, terwijl de uitvoeringskosten gelijk bleven. Vandaar dat de streefwaarden op het niveau liggen van het jaar 2001.

Efficiency

De efficiency is zichtbaar in de ontwikkeling van het tarief en de productiviteit. De ontwikkeling van het tarief over 2002 blijft achter bij de inflatie. Dezelfde positieve ontwikkeling was zichtbaar bij de productiviteit die ontwikkelde van 55,9% in 2001 naar 56,8% in 2002. Senter stuurt op het minimaliseren van de tijd, die besteed wordt aan indirecte activiteiten (overhead). Ook in de geactualiseerde begroting 2003 zijn doelstellingen opgenomen om te komen tot verdere verbetering van de efficiency.

Integriteit/Kwaliteit

Het financiële foutenpercentage is de verhouding tussen het gecorrigeerde bedrag gedeeld door het totaal gecontroleerde bedrag aan dossiers. De streefwaarde is in de afgelopen jaren ruimschoots gerealiseerd.

Het formele foutenpercentage is de verhouding tussen het aantal dossiers met formele correcties gedeeld door het totaal aantal gecontroleerde dossiers. De realisatie in de afgelopen jaren is gedaald en nadert nu de streefwaarde.

5. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Meerjarenbegroting (bedragen in € 1 000)
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd     
Baten        
Omzet moederdep.39 85339 37038 42039 91040 65041 42042 30043 810
Omzet overige depar10 44911 15010 86011 38011 79012 20012 63013 080
Omzet derden8138201 1201 1701 2101 2601 3001 350
Rentebaten34590505050505050
Buitengewone baten530000000
Totaal baten51 51351 43050 45052 51053 70054 93056 28058 290
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten38 34140 39039 23040 43041 43042 46043 84045 770
* materiële kosten8 3279 23011 53010 20010 24010 28010 38010 490
Rentelasten0130000000
Afschrijvingskosten        
* materieel9192 0601 6501 7701 7701 6101 6101 240
* immaterieel 00000000
Vrijval egalisatierekening0– 420– 590– 710– 710– 550– 550– 190
Dotaties voorzieningen2 1560– 1 37000000
Dekking interne projecten– 3530000000
Buitengewone lasten00000000
Totaal lasten49 39051 39050 45051 69052 73053 80055 28057 310
         
Saldo van baten en lasten2 1234008209701 1301 000980
         
Taakstelling efficiency + inhuur   – 910– 1 220– 1 529– 1 529– 1 529
         
Saldo van baten en lasten na taakstellingen2 123400– 90– 250– 399– 529– 549

Toelichting

Baten

Algemeen

De omzet wordt beïnvloed door de volgende drie ontwikkelingen:

1. Taakstellingen:

De volumetaakstelling leidt tot een lager niveau van de omzet. De taakstelling efficiency en inhuur externen is verwerkt via een resultaatsafdracht en leidt niet tot een lager tarief voor de opdrachtgevers.

2. Volumeontwikkeling:

Vanwege de onzekere situatie waarin Senter zich bevindt is, voor zowel de EZ als de niet-EZ opdrachten, voor 2004 vooralsnog uitgegaan van nulgroei ten aanzien van nieuwe opdrachten. Enerzijds omdat Senter afhankelijk is van de beleidsprioriteiten van het kabinet Balkenende II ten aanzien van door Senter uitgevoerde instrumenten voor de Rijksoverheid. Anderzijds worden in 2004 naar verwachting de effecten voor Senter merkbaar van de verdere stroomlijning van het subsidie instrumentarium van EZ.

3. Tariefontwikkeling

De tariefontwikkeling is een resultante van de gewogen stijging van de personele- en materiële kosten (CAO en inflatie). Daarnaast is het tarief met een gering percentage verhoogd als gevolg van de verwerking van het structurele effect van de taakstelling efficiency en inhuur externen over het jaar 2003 (€ 0,6 mln).

Omzet per productgroep

Senter voert subsidie-, krediet- en fiscale regelingen en programma's uit. De omzet die wordt gerealiseerd met de uitvoering van deze regelingen en programma's kan worden verdeeld naar de volgende productgroepen:

Tabel 3 Omzet per productgroep (bedragen in € 1 000)
 2002 Realisatie2003 Ontwerp begroting2003 Geactualiseerd20042005200620072008
Technologie16 35716 42016 12016 78017 17017 56017 99018 640
Internationale Samenwerking (incl. onderwijs)17 37917 46017 14017 84018 24018 66019 12019 800
Energie, Milieu en Samenleving (incl. transport)17 37917 46017 14017 84018 24018 66019 12019 800
Totaal producten51 11551 34050 40052 46053 65054 88056 23058 240

Omzet moederdepartement

Gezien de hierboven geschetste ontwikkeling wordt bij EZ voor de komende jaren een volumedaling verwacht van de omzet.

Omzet overige departementen en overige opdrachtgevers (derden)

De «omzet overige departementen» en de «omzet overig» betreft de uitvoering van opdrachten die passen binnen de doelstellingen en de werkgebieden van Senter (technologie, energie, milieu, export en internationale samenwerking). Bij deze opdrachten is geen rekening gehouden met een volumetaakstelling.

Onder de «omzet overige departementen» vallen de opdrachten die worden uitgevoerd voor het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (omzet 2004: € 5,5 mln), het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen (€ 1,4 mln), het Ministerie van Buitenlandse Zaken (inclusief Ontwikkelingssamenwerking, € 2,0 mln), het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (€ 0,2 mln), het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (€ 2,1 mln) en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (€ 0,2 mln).

De «omzet overig» betreft de omzet die buiten de Rijksoverheid wordt gerealiseerd. Deze heeft met name betrekking op opdrachten voor de Europese Unie (€ 0,7 mln).

Rentebaten

Door de realisatie van de nieuwe huisvesting zal het saldo aan liquide middelen dalen. Vandaar dat voor de komende jaren lagere rentebaten worden verwacht dan voorgaande jaren. Hierbij is een gemiddelde rentepercentage gehanteerd van circa 1,0%.

Lasten

Algemeen

Als gevolg van fluctuaties in de opdrachtenportefeuille heeft Senter een flexibele personeelsinzet. Om die reden wordt een deel van het personeelsbestand extern ingehuurd via een detacheringsbureau. In de meerjarenbegroting is de efficiencytaakstelling verwerkt in de personeelskosten en de materiële kosten. De volumetaakstelling alleen in de personeelskosten.

Personele kosten

De hoogte van de personeelskosten wordt bepaald door prijs- en volumeontwikkelingen. De prijsontwikkeling voor 2004 bedraagt voor Senter 4,5% en bestaat uit de CAO-verhoging (2,0%) en de reguliere beloningsronde (2,5%). De inschatting voor de CAO is afkomstig uit het Hoofdlijnenakkoord van Balkenende II. Het percentage voor de reguliere beloningsronde is gebaseerd op de werkelijke kostenstijging bij Senter van de afgelopen twee jaren. Als gevolg van het jonge personeelsbestand (nog niet in het einde van de schaal) zijn de gevolgen van een beloningsronde relatief omvangrijker dan het gemiddelde bij de rijksoverheid.

De volumeontwikkeling komt tot uitdrukking in een afname van het personeelsbestand als gevolg van de volumetaakstelling en anderzijds in een daling van de verwachte personeelsinzet als gevolg van de te realiseren efficiencytaakstelling. Deze dient Senter te realiseren via een productiviteitstijging en een reductie van de hoeveelheid (duurdere) inhuurkrachten tot de gewenste verhouding tussen ambtelijk en niet-ambtelijk personeel.

Daarnaast wordt gestreefd naar een zo laag mogelijk niveau van het aantal indirecte medewerkers. In de afgelopen jaren zijn daartoe een aantal maatregelen doorgevoerd die hebben geleid tot een niveau die, in vergelijking met andere agentschappen van EZ, relatief laag is. Daardoor is een verdere beperking van het aantal indirecte medewerkers niet goed mogelijk.

Voor 2004 wordt het aantal FTE's geraamd op 664 (423 ambtenaren, 241 inhuurkrachten). De gemiddelde loonkosten bedragen per FTE circa € 58 600 voor ambtenaren en € 59 700 voor inhuurkrachten.

Materiële kosten

Voor de prijsstijging (1,0%) van de materiële kosten in 2004 is uitgegaan van de verwachte ontwikkeling van de consumentenprijsindex van het CPB (CPI, alle huishoudens). Senter hanteert deze index van het CPB, omdat een aanzienlijk deel van de materiële kosten daardoor wordt beïnvloed en contractueel is vastgelegd (bijvoorbeeld huisvesting in Den Haag en Zwolle).

Naast de prijsstijging is nog sprake van de volume- en de efficiencytaakstelling. Senter tracht deze laatste zoveel mogelijk te realiseren, maar voor de volumetaakstelling is dit op korte termijn niet mogelijk. Dit mede gezien het vaste karakter van een groot deel van de materiële kosten, zoals de huisvesting.

De huisvestingskosten betreffen de grootste post binnen de totale materiële kosten. De huurkosten in 2004 van de panden in Den Haag en Zwolle bedragen circa € 4,5 mln per jaar.

Afschrijvingskosten

In 2004 bedragen de afschrijvingskosten € 1,8 mln. Deze bestaan uit afschrijvingen op de nieuwe huisvesting CentreCourt (€ 1,0 mln), meubilair (€ 0,1 mln), hardware (€ 0,6 mln) en overig (€ 0,1 mln). De afschrijvingstermijnen bedragen tien jaar voor bouwkundige zaken en installaties, vijf jaar voor meubilair/netwerk/overig en drie jaar voor hardware.

Een deel van de investeringen in CentreCourt wordt gefinancierd vanuit de in het verleden gevormde egalisatierekening. In de meerjarenbegroting is vanaf 2004 zichtbaar dat de hiermee gemoeide afschrijvingskosten worden gefinancierd door middel van een overeenkomstige vrijval van de egalisatierekening (€ 0,7 mln in 2004). De afschrijvingskosten van de investeringen in CentreCourt, die niet gefinancierd worden uit de egalisatierekening, komen ten laste van de reguliere exploitatie.

Saldo van baten en lasten

Het resultaat van baten en lasten na taakstellingen laat vanaf 2004 een negatief saldo zien. Dit komt doordat het realiseren van de volumetaakstelling bij de materiële kosten niet mogelijk is. Dit gezien het vaste karakter van deze kosten en de samenloop met de eveneens te realiseren efficiencytaakstelling, die overigens wel volledig is verwerkt. Bij de nadere uitwerking van de stroomlijning zal worden bezien wat de mogelijkheden zijn om alsnog een positief resultaat na te streven.

6. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling van Senter.

Tabel 4 Overzicht Vermogensontwikkeling (bedragen in € 1000)
 2002200320042005200620072008
1 Eigen vermogen per 1 januari*3 9424 3412 5042 4142 1641 7651 236
2 saldo van baten en lasten2 12308209701 1301 000980
3 directe mutaties in het eigen vermogen:       
3a uitkering aan moederdep.– 1 724– 1 837– 910– 1 220– 1 529– 1 529– 1 529
3b bijdrage moederdepartement ter versterking EV0000000
3c overige mutaties0000000
Eigen vermogen per 31/12*4 3412 5042 4142 1641 7651 236687

Senter stelt de jaarrekening op voor resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de Secretaris-Generaal van EZ goedgekeurde resultaatbestemming.

7. Kasstroomoverzicht

Tabel 5 Kasstroomoverzicht (bedragen in € 1000)
 2002200320042005200620072008
 Realisatie      
1. Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 1 januari16 07816 0396 5577 4027 5608 0797 943
        
2. Totaal operationele kasstroom5 883– 3 6392 4052 0282 6982 0431 993
3a. -/- totaal investeringen4 2014 006650650650650650
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen3000000
3. Totaal investeringskasstroom-4 198– 4 006– 650– 650– 650– 650– 650
        
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement1 7241 8379101 2201 5291 5291 529
4b. + eenmalige storting door moederdepartement0000000
4c. -/- aflossing op leningen0000000
4d. + mogelijk beroep op leenfaciliteit 0000000
4. Totaal financieringskasstroom– 1 724– 1 837– 910– 1 220– 1 529– 1 529– 1 529
5. Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 31 december16 0396 5577 4027 5608 0797 9437 757

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

De voor 2004 geraamde investeringen (€ 0,7 mln) hebben met name betrekking op vervangingsinvesteringen in meubilair, hardware en overige activa. Vanwege de investeringen in CentreCourt in 2002 en 2003 zijn de investeringen in 2004 en verder relatief laag. De uitkering in 2003 aan het moederdepartement heeft betrekking op de resultaatuitkering 2002.

Financieringskasstroom

Uitgaande van het geraamde saldo van baten en lasten en de maximale exploitatiereserve (5% van de gemiddelde omzet van drie jaren) is berekend dat in 2004 geen reguliere resultaatuitkering zal plaatsvinden aan het moederdepartement.

EVD

1. Missie

Het agentschap EVD stimuleert en faciliteert de internationale oriëntatie en participatie van het Nederlandse bedrijfsleven.

Organisatorische context

De EVD vult deze missie in op basis van opdrachten van het Ministerie van Economische Zaken en andere overheidsorganisaties. Om deze positie op het raakvlak tussen overheid en bedrijfsleven optimaal invulling te geven ontwikkelt de EVD zich steeds meer als kennis- en expertisecentrum op het gebied van internationaal ondernemen en het Nederlandse bedrijfsleven. Dit betekent enerzijds een inhoudelijke verdieping van de kennis over het Nederlandse, internationaal actieve bedrijfsleven en anderzijds een verbreding van de dienstverlening op dit terrein. Daartoe wordt onder meer samenwerking geëntameerd met aanverwante organisaties (Senter, CBI) en wordt getracht nieuwe opdrachten (taken) te verkrijgen.

2. Strategische doelstellingen

Om de internationalisering van het bedrijfsleven vanuit de overheid optimaal te ondersteunen is het van belang dat de EVD zich blijft ontwikkelen tot een sterke en bij zowel klanten als opdrachtgevers gewaardeerde organisatie. Uitgaande van de visie van de EVD ten opzichte van zijn omgeving en de geformuleerde missie is de centrale doelstelling van de EVD als volgt geformuleerd: De EVD wil zijn positie als de centrale overheidsorganisatie voor de internationalisering van het bedrijfsleven versterken. Teneinde dit te bereiken streeft de EVD onder andere naar een groter bereik binnen de doelgroep, een (meetbaar) grotere bijdrage aan de internationalisatie van het Nederlandse bedrijfsleven onder andere in de vorm van de tevredenheid over de EVD en meer kennis over activiteiten, gedrag en specifieke wensen van de doelgroepen. De EVD streeft naar een grotere bekendheid binnen de doelgroep.

3. Producten en diensten

De producten van de EVD staan ten dienste van de klant: het potentieel internationaal opererend bedrijfsleven. De producten zijn geclusterd in de volgende deelprogramma's1:

1. Internationale oriëntatie;

2. Internationale participatie;

3. Economische Holland promotie;

4. Starters op buitenlandse markten;

5. Postennetwerk en beleidsondersteuning en opdrachten van andere onderdelen van EZ.

De kosten van de producten worden in de regel gedragen door de opdrachtgever (een ministerie). Een deel van de kosten wordt echter gedekt door bijdragen van de klanten (het bedrijfsleven). De aan de klant in rekening gebrachte prijzen worden bepaald aan de hand van het EVD-prijsbeleid. De doelstelling van dat prijsbeleid is een prijsstelling voor de doelgroep te realiseren die recht doet aan de kerntaak van de EVD: bedrijven te stimuleren en de mogelijkheid te bieden goed voorbereid buitenlandse markten te betreden. Daartoe geldt voor sommige producten een drempelverlagende prijs, die echter wel zo hoog is dat alleen echt geïnteresseerde bedrijven het product afnemen.

Naast bovenstaande productiekosten kent de EVD uitgaven die wel betrekking hebben op een product, maar in feite doorsluisposten zijn. Het gaat hierbij om de Promotionele Projecten Posten (PPP) -middelen en de bijdrage aan de Stichting tot Bevordering van de Uitvoer (SBU).

4. Belangrijkste ontwikkelingen en prioriteiten in 2004

Stroomlijning van de uitvoering agentschappen EZ

Gezien het streven naar een meer herkenbare, transparante en efficiënte uitvoering van het EZ-beleid en ter nadere invulling van de volumetaakstelling EZ is door een werkgroep onderzocht op welke wijze de vier agentschappen Senter, Novem, EVD en Bureau I.E. kunnen worden gestroomlijnd. Het advies van de werkgroep is om de activiteiten van Senter, Novem en EVD thematisch te herschikken naar twee entiteiten, één gericht op «internationaal ondernemen» en één op «duurzame en innovatieve ontwikkeling», daarbij gebruik te maken van een gezamenlijk front-office en een shared service centre voor de uitvoering van de staftaken (waar mogelijk inclusief Bureau I.E.).

In de komende periode zal dit voorstel worden uitgewerkt en zal hierover overleg met de medezeggenschapsorganen plaatsvinden. Uiteraard zal ook de Tweede Kamer daarna zo spoedig mogelijk uitgebreid over de concrete voornemens worden geïnformeerd.

Op dit moment zijn de gevolgen voor het activiteitenniveau van EVD nog niet duidelijk. Vandaar dat de gevolgen daarvan niet zijn meegenomen in de begroting.

De missie van de EVD is om de internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven te faciliteren en stimuleren. Vanuit het concept internationaal ondernemen zal de EVD in 2004 de dienstverlening aan het Nederlandse bedrijfsleven verder inhoud geven. Dat betekent dat het agentschap ondersteuning wil bieden aan alle aspecten van het internationaal zakendoen, zowel op het terrein van de export als investeringen en import.

Om de effectiviteit van de EVD dienstverlening te optimaliseren (en meer bedrijven internationaal succesvol te laten zijn) is een op de doelgroep gerichte aanpak van groot belang. Het Customer Relations Management (CRM) systeem dat in 2003 operationeel is geworden, stelt de EVD in staat om zijn kennis van de doelgroep te vergroten en nog specifieker in te spelen op de behoeften van de klant. Een belangrijke doelstelling in 2004 is het aanboren van het zogenaamde onbenutte exportpotentieel om meer Nederlandse bedrijven op het internationale spoor te krijgen. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de dienstverlening aan de startende exporteur meer aandacht behoeft. Daarom zal de EVD dit en volgend jaar werken aan een meer omvattende exportstarters-aanpak, in overleg met de Kamers van Koophandel.

In algemene zin blijkt dat bedrijven meer behoefte hebben aan een op maat gesneden dienstverlening. In de verschillende producten en diensten van de EVD vindt daarom een vertaalslag plaats naar meer op doelgroepen, sectoren en individuele bedrijven gerichte dienstverlening. Zo worden in overleg met betrokken branches sectoraanpakken geformuleerd ten behoeve van een optimaal effect van de inzet van de EVD. Dit proces naar meer maatwerk zal ook in 2004 worden vervolgd.

Tenslotte zal de EVD in 2004 aandacht schenken aan de vertaalslag van nieuwe beleidsthema's naar concrete, op het bedrijfsleven gerichte, activiteiten, met name op het terrein van ondernemen tegen armoede, maatschappelijk verantwoord ondernemen en de toegang tot multilaterale fondsen zoals de Wereldbank.

5. Doelmatigheid en doeltreffendheid

Tabel 1 Doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren
 realisatie 2002doelstelling 2004
Vergroting van de spontane bekendheid13%15%
Vergroting van de geholpen bekendheid44%50%
Groter bereik van de doelgroep114%18%
waarvan bereik onder exporterende bedrijven23%29%
Vergroten aantal klantcontacten1 407 3211 600 000
Gelijk houden % effectieve klantcontacten (tevredenheid)90%90%
Vergroten aantal effectieve klantcontacten1 266 5891 440 000

1 Doelgroep = 80 000 exporterende bedrijven plus 50 000 bedrijven met exportpotentieel.

Toelichting

De vergroting van de spontane en geholpen bekendheid kan sterk beïnvloed worden door de plannen tot stroomlijning en/of herindeling van agentschappen binnen het Ministerie van Economische Zaken en hiermede verband houdende publiciteit.

De verwachte stijging van het bereik vindt zijn oorsprong vooral in de nog verder toenemende digitalisering, de verdergaande samenwerking met de kamers van koophandel en intensivering van de activiteiten gericht op mogelijke starters op het terrein van internationaal ondernemen.

De stijging van het aantal klantcontacten vindt vooral zijn oorsprong in de verdergaande digitalisering van zowel de doelgroep als het EVD-dienstenpakket. Ook de verbreding van het dienstenpakket met onder andere importonderwerpen draagt hieraan bij.

De tevredenheid wordt in 2004 net als in voorgaande jaren gerelateerd aan de tevredenheid over de vraagbeantwoording.

De EVD zal de komende jaren, mede in het kader van VBTB, in steeds directere mate de doeltreffendheid van de diverse instrumenten en producten meten. Dit houdt in dat buiten de tevredenheid bij de klant over de productafname/dienstverlening, ook de mate waarin deze heeft bijgedragen aan verdere internationalisatiestappen van het bedrijf wordt gemeten. Deze meting zal afhankelijk van het afgenomen product worden aangegeven in termen als «concrete belangstelling voor een nieuwe markt» tot «het vinden van een zakenpartner op een nieuwe markt».

6. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Meerjarenbegroting (bedragen in € 1 000)
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd  
Baten        
Omzet moederdep.21 26125 10825 10824 04424 05724 07024 07024 070
Omzet overige depar3 0833 0483 0483 6403 6273 6143 6143 614
Omzet derden9431 3991 399526526526526526
Rentebaten1631251256060606060
Buitengewone baten
Totaal baten25 45029 68029 68028 27028 27028 27028 27028 270
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten9 0649 5829 58210 51710 51710 51710 51710 517
* materiële kosten15 42618 94818 94816 11616 01815 92015 92015 920
Rentelasten135446148224193166142
Afschrijvingskosten        
* materieel304633577830969845769710
* immaterieel
Dotaties voorzieningen98273273302302302302302
Buitengewone lasten
Totaal lasten24 90529 49029 42627 91328 03027 77727 67427 591
         
Saldo van baten en lasten545190254357240493596679

Toelichting

Algemeen

De cijfers voor de begroting 2004 zijn gebaseerd op de opdrachten 2003, zoals die zijn overeengekomen met de opdrachtgevers, vermeerderd met de loon- en prijscorrectie. De kosten van die opdrachten liggen boven het niveau van 2002, maar onder het niveau dat was voorzien in de begroting 2003. Dit wordt met name veroorzaakt door de in 2003 bij de opdrachtgevers beschikbare budgetten. Voor een nadere analyse wordt verwezen naar de toelichting bij de omzet uit opdrachten van het moederdepartement.

De wijzigingen in de geactualiseerde begroting 2003 ten opzichte van de ontwerpbegroting 2003 houden verband met uitstel van de nieuwe huisvesting of verbouwing van de huidige huisvesting. Hierdoor vallen de afschrijvingslasten en rentelasten lager uit.

Evenals in de begroting 2003 is voor de meerjarenbegroting uitgegaan van uitkering aan het moederdepartement van de efficiency- en inhuurtaakstelling (Balkenende I).

Baten

Omzet moederdepartement

In overleg met de grootste opdrachtgever van de EVD, het DG BEB, is de indeling in deelprogramma's gewijzigd. De indeling is het gevolg van de behoefte aan meer inzicht in de soorten instrumenten die de EVD hanteert. Een en ander heeft geleid tot samenvoeging en een andere benaming van een aantal deelprogramma's.

De gegevens over 2002 en 2003 worden gepresenteerd conform de nieuwe indeling. De vergelijking van de verschillende jaren blijft goed mogelijk. De belangrijkste wijziging is de samenvoeging van de oude deelprogramma's «Collectieve Marktbewerking» en «Individuele Marktbewerking» tot het deelprogramma «Internationale participatie».

De omzet van het moederdepartement toegerekend naar de verschillende deelprogramma's geven het volgende beeld:

a. Internationale oriëntatie

Tabel 3 Deelprogramma Internationale oriëntatie
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd  
Totale kosten (€ 1 000)11 88812 86212 86213 14713 15413 16113 16113 161
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)161310310183183183183183
Kostprijs per product (€)106 606104 603104 603109 864109 928109 982109 982109 982
Kostprijs per klantcontact (€)8,310,710,79,29,29,29,29,2

Toelichting

Het deelprogramma Internationale oriëntatie heeft als doelstelling het vergroten van de internationale oriëntatie van het Nederlandse bedrijfsleven door het leveren van betrouwbare, actuele en relevante informatie over buitenlandse markten en de praktijk en kansen van het internationaal zakendoen.

In 2004 zal de in 2002 en 2003 ingezette verbreding van de dienstverlening tot alle aspecten van het internationaal ondernemen (w.o. importonderwerpen) verder vorm krijgen. Ook zal de dienstverlening aan de zogenoemde «startende exporteur» in samenwerking met de kamers van koophandel worden geïntensiveerd met als doel het onbenut exportpotentieel verder aan te boren.

Een en ander gaat hand in hand met een vanuit doelgroepsegmentatie meer op maatwerk gestoelde dienstverlening.

Ten opzichte van 2002 is er voor 2003 een stijging van de kostprijs per klantcontact en daarna weer een daling. Dit wordt met name veroorzaakt doordat het aantal producten dat wordt afgenomen in de raming 2003 achterblijft bij de realisatie in 2002. Vooral het product «Elektronische nieuwsbrief» werd veel door klanten afgenomen. Deze ontwikkeling was nog niet zichtbaar bij het opstellen van de begroting 2003.

De kostprijs per product daalt ten opzichte van 2002 en stijgt daarna weer. Dit wordt veroorzaakt doordat in 2002 minder «Marktverkenningen» uitgevoerd zijn, waardoor het totale aantal producten in 2002 lager is dan geraamd en de gemiddelde kostprijs dus hoger. Voorts wordt de stijging van de kostprijs per product in 2004 verklaard door de invoering van het product «Multi-media informatielijn voor internationaal ondernemen». Dit product is in de loop van 2003 ingevoerd.

b. Internationale participatie

Tabel 4 Deelprogramma Internationale participatie
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd  
Totale kosten (€ 1 000)7 0159 6169 6167 6387 6427 6467 6467 646
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)726907907343343343343343
Kostprijs per product (€)5 3758 1018 1013 7513 7533 7553 7553 755
Kostprijs per klantcontact (€)1 7002 7212 7211 4951 4961 4971 4971 497

Toelichting

Het doel van het deelprogramma Internationale participatie is het bevorderen van de presentie van Nederlandse bedrijven op buitenlandse markten. Op twee manieren tracht de EVD hieraan invulling te geven:

1. Door het aanbieden van assistentie gericht op het verkennen en bewerken van enige specifieke markten, met name op individuele basis (individuele marktbewerking).

2. Door bedrijven concreet te helpen bij het doen van marktverkenning en marktbewerking in collectief verband, al dan niet onder leiding van een bewindspersoon.

Ook dit deelprogramma zal meer en meer op maatwerk worden gestoeld, waarbij de inspanningen worden gericht op doelgroepsegment met eigen problematiek, zoals starters en kennisintensieve sectoren.

Ten opzichte van 2002 is er in 2003 een stijging van de kostprijs per product en per klantcontact en daarna weer een daling. Dit wordt enerzijds veroorzaakt doordat in de begroting 2003 ten onrechte is aangenomen dat alle (in Nederland gemaakte) kosten van het instrument «Netherlands Business Support Offices (NBSO's)» voor rekening van het DG BEB komen. Deze kosten komen in werkelijkheid voor een klein deel ten laste van het DG BEB en voor een groot deel ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Anderzijds leidt een intensivering van hetzelfde instrument tot grotere aantallen producten en klantcontacten, waardoor de kostprijs per product en de kostprijs per klantcontact afneemt.

c. Economische Holland promotie

Tabel 5 Deelprogramma Economische Holland promotie
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd     
Totale kosten (€ 1 000)1 7761 5331 5331 9681 9691 9701 9701 970
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)4418218200000
Kostprijs per product (€)247 403193 013193 01347 99948 02748 05148 05148 051
Kostprijs per klantcontact (€)0,30,30,377777

Toelichting

Het onderdeel Economische Holland promotie is gericht op een adequate informatievoorziening over de Nederlandse economie en industrie onder het buitenlandse relatiepatroon van het internationaal opererende Nederlandse bedrijfsleven. Daarmee wordt beoogd een gezonde voedingsbodem te creëren voor het leggen van internationale handelscontacten door het Nederlandse bedrijfsleven.

De kostprijs per product daalt ten opzichte van 2002. In 2002 leidde met name de nagenoeg wereldwijde stijging van posttarieven tot overschrijding van het budget. Dit was nog niet zichtbaar bij het opstellen van de begroting 2003. In de cijfers voor de begroting 2004 is rekening gehouden met een nieuw productenpakket voor dit deelprogramma. Hierin is onder andere de nieuwe aanpak van het instrument «Holland Imago projecten» verwerkt. Voor deze categorie van producten is budget overgeheveld vanuit het deelprogramma Internationale participatie. Dit leidt niet alleen tot hogere kosten binnen het deelprogramma Economische Holland promotie, maar ook tot meer producten. Daardoor daalt in 2004 de kostprijs per product ten opzichte van 2003.

De kostprijs per klantcontact stijgt in 2004. Belangrijkste oorzaak hiervan is de wijziging in meetmethodiek voor de internetsite. Tot en met 2003 werd het aantal hits op de site als indicator voor het aantal klantcontacten gehanteerd (in 2002 4,8 mln hits). In 2004 is deze indicator vervallen en wordt het aantal unieke bezoekers als indicator gehanteerd (voor 2004 een raming van 140 000 unieke bezoekers).

d. Starters op buitenlandse markten

Tabel 6 Deelprogramma Starters op buitenlandse markten
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd     
Totale kosten (€ 1 000)269912912641641642642642
Kostprijs per product (€)269 069912 500912 500641 437641 365641 678641 678641 678
Kostprijs per klantcontact (€)7371 8251 8251 2831 2831 2831 2831 283
Instrumentele uitgaven07 3007 3008 2238 2238 2238 2238 223

Toelichting

Het programma Starters op buitenlandse markten (PSB) beoogt ondernemers, die niet of in beperkte mate beschikken over exportervaring, te ondersteunen bij het betreden van een nieuwe buitenlandse markt. De ondersteuning bestaat voor een belangrijk deel uit een subsidie in de vorm van financiering van advies en begeleiding bij het opstellen van een exportplan. Daarnaast wordt een financiële tegemoetkoming geboden in de kosten van een aantal instrumenten voor de uitvoering van het plan.

Evaluatie van de subsidieregeling heeft geleid tot verbetering van dit instrument. Het PSB nieuwe stijl beoogt jaarlijks 500 ondernemers daadwerkelijk door middel van ondersteuning een exportdoelstelling te laten realiseren. Daarmee is de aandacht verschoven van kwantiteit (zo veel mogelijk ondernemers bereiken) naar kwaliteit (zo veel mogelijk daadwerkelijke exportgroei).

De evaluatie heeft, behalve de verbetering van de effectiviteit van dit instrument, ertoe geleid dat de EVD de gehele uitvoering ervan op zich neemt, waardoor de kosten die de EVD maakt voor dit programma stijgen, terwijl de kosten van Senter voor dit programma vervallen. De kostprijs per product en de kostprijs per klantcontact stijgen hierdoor echter. De kosten voor 2003 zijn naar verwachting te hoog ingeschat. Op basis van de opdracht voor 2003 zijn de kosten voor 2004 neerwaarts bijgesteld.

e. Postennetwerk en beleidsondersteuning en opdrachten van andere onderdelen van het Ministerie van Economische Zaken

Tabel 7 Deelprogramma Postennetwerk en beleidsondersteuning en opdrachten van andere onderdelen van het Ministerie van Economische Zaken
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd     
Totale kosten (€ 1 000)1 2441 5841 5841 1761 1771 1771 1771 177
Instrumentele uitgaven2 6502 9262 9262 7152 6342 6342 6342 634

Toelichting

Dit deelprogramma bevat het instrument «postennetwerk», zijnde de handelsbemiddeling door de Nederlandse Kamers van Koophandel in het buitenland, SBU, elektronische vierhoek en handelsbevorderende activiteiten door de posten van de dienst Buitenlandse Zaken. Tevens is het onderdeel beleidsondersteuning opgenomen. Tot slot zijn hierin (kleine) opdrachten van andere onderdelen van het Ministerie van Economische Zaken opgenomen, waaronder opdrachten van Senter voor pre-accessie projecten Phare Twinning Polen en Bulgarije.

Omzet overige departementen

Tabel 8 Omzet overige departementen (bedragen in € 1 000)
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd     
Opdrachten Buitenlandse Zaken        
NBSO's2 9952 8802 8803 5123 4993 4873 4873 487
HERMES (Elektronische vierhoek)52167167127127126126126
Brochure buitenlandse werknemers11
Opdracht Justitie         
Brochure buitenlandse werknemers12
Opdracht SZW         
Brochure buitenlandse werknemers12
Opdracht OC&W: Nuffic11111111
Eventuele nieuwe opdrachten   pmpmpmpmpm

Onder de omzet overige departementen vallen de opdrachten die worden uitgevoerd voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. In 2002 is eenmalig een brochure vervaardigd in een gezamenlijke opdracht van de Ministeries Van Buitenlandse Zaken, Justitie en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Omzet derden

De omzet derden betreft de omzet die buiten de rijksoverheid wordt gerealiseerd en heeft betrekking op bijdragen van bedrijven en instellingen aan promotionele en voorlichtingsactiviteiten en op de opbrengsten uit verkoop van voorlichtingsmateriaal. De daling in de omzet derden wordt met name veroorzaakt doordat de EVD meer werkzaamheden uitbesteedt binnen het deelprogramma Internationale participatie. De kosten die de EVD voorheen voorfinancierde behoeven niet meer door de EVD doorberekend te worden aan deelnemende bedrijven. Tevens blijven de advertentie-inkomsten achter als gevolg van een teruggang in de markt voor advertenties.

Rentebaten

Op basis van ervaringen in het verleden en de verwachte liquiditeitspositie worden de rentebaten uit hoofde van een positief saldo op de rekening courant RIC en op deposito uitgezette gelden geraamd op EUR 0,1 mln (gehanteerd rentepercentage betreft 2,5%).

Lasten

Personele kosten

De hoogte van de personele kosten wordt bepaald door prijs- en volumeontwikkelingen. Gerekend is met 2,75% prijsstijging. De volumeontwikkeling komt tot uitdrukking in een groei van het personeelsbestand naar aanleiding van de opdrachten voor 2003. Met name de uitvoering van de subsidieregeling van het programma «starters op buitenlandse markten» en de invoering van de «Multi-media informatielijn voor internationaal ondernemen» heeft tot uitbreiding van het personeelsbestand geleid.

Voor 2004 wordt het aantal FTE's op 184 geraamd, onderscheiden naar 142 ambtenaren en 42 inhuurkrachten. De gemiddelde loonkosten per ambtelijke FTE zijn begroot op € 54 600 en voor een inhuurkracht op € 55 500.

Materiële kosten

De materiële kosten zijn onder te verdelen in directe en indirecte materiële kosten. Directe materiële zijn de kosten ten behoeve van de uitvoering van de opdrachten en daaronder vallende producten. In 2004 worden deze kosten op € 12,8 mln geraamd. Hiertoe behoren onder andere kosten ten behoeve van de exploitatie van de NBSO's, kosten in verband met het bevragen van externe databanken, kosten van standbouw, drukkosten en dergelijke. Gerekend is met 0,75% prijsstijging.

Indirecte materiële kosten zijn kosten die niet direct aan een product zijn toe te rekenen. In 2004 worden deze kosten op € 3,3 mln geraamd. De grootste post betreft huisvestingskosten (€ 1,4 mln). De huurprijs van het pand bedraagt circa € 0,5 mln per jaar.

Rentekosten

De rentelasten vloeien voort uit rente- en aflossingsdragend vermogen. De EVD heeft de overname van de activa bij de start van het agentschap gefinancierd met een lening, gebruik makend van de regeling leen- en depositofaciliteit. Daarnaast heeft de EVD leningen aangevraagd voor de financiering van nieuwe huisvesting. Mogelijk valt de geplande verhuizing dan wel verbouwing samen met de «stroomlijning agentschappen». Tenslotte heeft de EVD leningen aangevraagd voor de financiering van de vervanging van de financiële systemen.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingstermijnen bedragen voor aanpassingen aan het gebouw tien jaar, voor inventaris vijf jaar en voor automatisering drie jaar.

In 2004 bedragen de afschrijvingskosten € 0,83 mln. Deze kosten bestaan uit afschrijvingen op inventaris (€ 0,07 mln), automatisering (€ 0,48 mln) en huisvesting (€ 0,28 mln). De stijging van de afschrijvingskosten houdt verband met de geplande investeringen voor nieuwe huisvesting en vervanging van de financiële systemen.

Dotaties voorzieningen

Geraamd is een jaarlijkse dotatie aan de voorziening voor personele kosten. Deze voorziening is bedoeld voor de opvang van personele risico's zoals wachtgeld.

Saldo van baten en lasten

De staat van baten en lasten in de meerjarenbegroting laat de komende jaren positieve resultaten zien. Dit is mede het gevolg van de efficiency- en inhuurtaakstelling die via een uitkering aan het moederdepartement verwerkt wordt.

De voorlopige bestemming van het overige verwachte resultaat is toevoeging aan de exploitatiereserve om de risico's te dekken, zoals aangegeven in het risicobeleid van de EVD. Het voorziene negatieve resultaat na de resultaatuitkering in 2005 is het gevolg van de stijging van afschrijvingskosten en rentelasten in verband met investeringen voor verhuizing/verbouwing, die mogelijk samen kunnen vallen met de stroomlijning agentschappen. De EVD kiest er voor, in verband met de onzekerheid hieromtrent, dit niet in de tarieven te verwerken om de tarieven zo laag mogelijk te houden. Een eventueel negatief resultaat wordt gedekt uit de exploitatiereserve. De EVD zal trachten het dreigende exploitatieresultaat af te wenden door extra efficiencybesparingen.

7. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling van de EVD.

Tabel 9 Overzicht Vermogensontwikkeling (bedragen in € 1 000)
 2002200320042005200620072008
1 Eigen vermogen per 1 januari*7081 2531 3171 3861 2401 2491 361
2 saldo van baten en lasten545254357240493596679
3 directe mutaties in het eigen vermogen:       
3a uitkering aan moederdep. – 190– 288– 386– 484– 484– 484
3b bijdrage moederdepartement ter versterking EV       
3c overige mutaties       
        
Eigen vermogen per 31/12*1 2531 3171 3861 2401 2491 3611 556

* inclusief onverdeeld resultaat.

De EVD stelt de jaarrekening op vóór resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de Secretaris-Generaal van EZ goedgekeurde resultaatbestemming. Het eigen vermogen per 1 januari bevat het onverdeelde resultaat van het voorgaande boekjaar en het eigen vermogen per 31 december bevat het onverdeelde resultaat van het huidige boekjaar.

In het risicobeleid van de EVD wordt aangeven welke risico's de EVD dekt uit de voorzieningen en welke risico's worden gedekt uit de exploitatiereserve.

8. Kasstroomoverzicht

Tabel 10 Kasstroomoverzicht (bedragen in € 1 000)
 2002200320042005200620072008
 Realisatie  
1. Rekening courant RIC en overige liquide middelen per 1 januari7 0133 7523 5753 6763 2763 0033 063
        
2. Totaal operationele kasstroom– 3 0105048899111 0401 3731 397
        
3a. -/- totaal investeringen1019794 624231231231231
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen0000000
3. Totaal investeringskasstroom–101– 979– 4 624– 231– 231– 231–231
        
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement0190288386484484484
4b. + eenmalige storting door moederdepartement0000000
4c. -/- aflossing op leningen150270270694598598480
4d. + mogelijk beroep op leenfaciliteit107584 3940000
4. Totaal financieringskasstroom– 1502983 836– 1 080– 1 082– 1 082– 964
5. Rekening courant RIC en overige liquide middelen per 31 december3 7523 5753 6763 2763 0033 0633 265

1 Het beroep op de leenfaciliteit voor 2004 is nog niet door het Ministerie van Financiën gehonoreerd.

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal. De realisatiecijfers 2002 bevatten tevens de mutaties in de balansposten kortlopende vorderingen en kortlopende schulden. De kortlopende vorderingen zijn in 2002 met € 3,2 mln toegenomen. Dit wordt met name veroorzaakt doordat de bevoorschotting van de belangrijkste opdrachtgever van de EVD, het DG BEB, is aangepast aan het uitgavenpatroon van de EVD. Daarnaast zijn de kortlopende schulden met € 0,6 mln afgenomen, met name tengevolge van de afname van het saldo crediteuren.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom is bepaald op basis van de geraamde vervangingsinvesteringen. Tevens is rekening gehouden met extra investeringen voor nieuwe huisvesting dan wel verbouwing. (€ 0,8 mln in 2003 en € 4,0 mln in 2004). Daarnaast is een incidentele investering voorzien in de vervanging van het financiële systeem in 2004 (€ 0,4 mln).

Financieringskasstroom

Reguliere investeringen worden gedekt uit de operationele kasstroom. De overname van activa ultimo 2000 en incidentele investeringen worden gefinancierd door een beroep op de leenfaciliteit. De hiermee verband houdende aflossingen zijn gelijk aan de omvang van de afschrijvingskosten van de met de lening gefinancierde investeringen. De uitkeringen aan het moederdepartement zijn resultaatuitkeringen en vloeien voort uit de efficiency en inhuurtaakstelling.

Bureau voor de Industriële Eigendom

1. Missie

Het Bureau I.E. is een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken (EZ), dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het octrooibeleid. Tot deze taak behoren het beschermen en verspreiden van octrooikennis en zorgdragen voor de Nederlandse inbreng in internationale organisaties, in opdracht van het DG Innovatie (DG I)1.

Het Bureau voor de Industriële Eigendom beoogt zijn wettelijke taken en informatieve dienstverlening zodanig uit te voeren dat het daarmee:

a. zijn huidige en toekomstige klanten optimaal bedient;

b. zorgdraagt voor een integere en doelmatige uitvoering van de opdracht van de opdrachtgever;

c. het gebruik van kennisbescherming en octrooi-informatie bevordert;

d. nationaal en internationaal een toonaangevende rol op het gebied van de industriële eigendom speelt;

e. zijn medewerkers een inspirerend en boeiend werkklimaat biedt.

2. Strategische doelstellingen

Strategie en doelen op hoofdlijnen

De missie van het Bureau I.E. is in relatie gebracht met de vier «stakeholders» van de organisatie, zijnde de afnemers van de door Bureau I.E. geboden diensten (Klanten), de opdrachtgever van de aan het Bureau I.E. opgedragen taken (DG Innovatie), de eigenaar (Secretaris-Generaal) en de organisatie zelf (Personeel).

Per missieonderdeel zijn Kritische Succes Factoren (KSF'n) geformuleerd die betrekking hebben op de verbetering van de huidige producten en/of het creëren van nieuwe producten. De KSF'n zijn vervolgens vertaald in doelen waarmee deze gerealiseerd gaan worden. Tenslotte is bij elke KSF de wijze van meten (prestatie-indicator) en de streefwaarde bepaald. Naast interne sturing worden deze prestatie-indicatoren gebruikt ter toetsing van de doelmatigheid en doeltreffendheid (zie paragraaf 5). Met DG I zal in de loop van het jaar kritisch worden gekeken of wijzigingen in de KSF'n aan de orde zijn.

3. Producten en diensten

– Het Bureau I.E. heeft de volgende taken:

de octrooiverlening conform de in de Rijksoctrooiwet geformuleerde voorwaarden;

– de voorlichting over het octrooisysteem alsmede de verspreiding en het toegankelijk maken van de in de octrooiliteratuur opgeslagen technische kennis;

– het medebesturen, tezamen met het DG Innovatie, van internationale organisaties op het gebied van de industriële eigendom.

Het Bureau I.E. onderscheidt de volgende productgroepen:

– De behandeling van octrooiaanvragen; activiteiten die worden uitgevoerd om te voldoen aan de wettelijke en verdragsrechtelijke verplichtingen ten aanzien van octrooiverlening.

– Het beheer van octrooien; activiteiten die worden uitgevoerd met het oog op een goed beheer van de verleende octrooien en de uitgegeven octrooidocumenten.

– Informatieverstrekking; geven van voorlichting over de betekenis en inhoud van de octrooiregelgeving aan de gebruikers van het octrooisysteem.

– Bevordering van het octrooibewustzijn; versterken van het octrooibewustzijn bij en het benutten van octrooi-informatie door kennisinfrastructuur, bedrijfsleven en overheid. De kennisverspreidende activiteiten zijn verwoord in een strategisch plan.

– Bijdragen aan beleidsvoorbereiding en overleg; de verschillende (nationale en internationale) gremia voor industriële en intellectuele eigendomsrechten.

Belangrijkste ontwikkelingen en prioriteiten in 2004

Invoering gemeenschapsoctrooi

Op 3 maart 2003 werd in de Ministerraad van de Europese Unie een voor alle landen aanvaardbaar politiek compromis bereikt over de hoofdlijnen van een Gemeenschapsoctrooi. Dit compromis vormt de basis voor de uiteindelijke Gemeenschapsoctrooi Verordening. Verwacht wordt dat vanaf 2010 het Gemeenschapsoctrooi voor alle lidstaten van kracht zal zijn.

Reorganisatie

De beschermingstaak neemt af door de per 15 maart 2003 van kracht zijnde Slotwet van de Rijksoctrooiwet 1910. Hierdoor zal zwaarder ingezet worden op de verspreidingstaak. Daartoe zal de Octrooiraad worden opgeheven en de huidige vier lijnafdelingen worden geclusterd tot twee: de afdeling Octrooiverlening en de afdeling Kennisontwikkeling en Voorlichting. Voor 2004 zijn 20 formatieplaatsen minder voorzien.

Afstoten octrooicollectie

De octrooicollectie bestaat uit de octrooipublicaties van circa 40 landen uit de hele wereld. De collectie is opgebouwd in de 20e eeuw. In het pre-elektronische tijdperk was deze collectie de basis voor de octrooiverlening. Nu de collectie daarvoor zijn betekenis heeft verloren, zoekt het Bureau I.E. naar mogelijkheden om de octrooicollectie af te stoten.

ICT

Het Bureau I.E. zal in 2004 wederom veel aandacht schenken aan ICT. Eind 2003 start een project om electronische octrooi-afhandeling mogelijk te maken. Daarnaast wordt in 2004 overgestapt van Windows NT naar Windows XP, wordt het aantal besturingsplatforms teruggebracht en komt er een nieuw online zoeksysteem voor octrooiliteratuur.

Stroomlijning van de uitvoering agentschappen EZ

Gezien het streven naar een meer herkenbare, transparante en efficiënte uitvoering van het EZ-beleid en ter nadere invulling van de volumetaakstelling EZ is door een werkgroep onderzocht op welke wijze de vier agentschappen Senter, Novem, EVD en Bureau I.E. kunnen worden gestroomlijnd. Het advies van de werkgroep is om de activiteiten van Senter, Novem en EVD thematisch te herschikken naar twee entiteiten, één gericht op «internationaal ondernemen» en één op «duurzame en innovatieve ontwikkeling», daarbij gebruik te maken van een gezamenlijk front-office en een shared service centre voor de uitvoering van de staftaken (waar mogelijk inclusief Bureau I.E.).

In de komende periode zal dit voorstel worden uitgewerkt en zal hierover overleg met de medezeggenschapsorganen plaatsvinden. Uiteraard zal ook de Tweede Kamer daarna zo spoedig mogelijk uitgebreid over de concrete voornemens worden geïnformeerd.

Op dit moment zijn de gevolgen voor het activiteitenniveau van Bureau I.E. nog niet duidelijk. Vandaar dat de gevolgen niet zijn meegenomen in de begroting.

5. Doelmatigheid en doeltreffendheid

Tabel 1 doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren
Kritische succesfactoren KlantenPrestatie-indicatorRealisatie 2002Doelstelling 2004
Goede kwaliteit van diensten1Percentage inschrijving van ROW '95-aanvragen in het Octrooi-register binnen 19 maanden vanaf indieningdatum99,9%100%
 2Foutenpercentage van mutaties in Octrooiregister0,6%Max. 1%
 3Behandeling nieuwheidsonderzoek binnen 10 maanden99%100%
Landelijk informatiepunt industriële eigendomsrechten1Percentage binnen tijdsperiode beschikbaar gestelde informatiebronnen en beantwoorde klantvragen99%100%
Optimale communicatie met klanten1Elektronisch octrooiaanvragen mogelijk maken in overleg met EOB Begin 2005 gereed
 2Elektronische taksbetalings-opdrachten voor betaalbureaus mogelijk makenMedio 2003 gereedN.v.t.
 
Kritische succesfactoren OpdrachtgeverPrestatie-indicatorRealisatie 2002Doelstelling 2004
Uitstekende uitvoerder van de Rijksoctrooiwet1Percentage van adviezen dat door de rechter wordt overgenomen95%100%
Efficiënte uitvoering1Percentueel reële tariefontwikkeling ten opzichte van het door SG vastgestelde tarief0%Reële daling 2%
Goede infrastructuur bij de doelgroepen van kennisverspreiding1Octrooiadviseurs detacheren bij vijf centraal gelegen Syntens-vestigingenGerealiseerdReorganisatie
 2Bureaubrede front- en backoffice-structuur opzettenWordt herbezien in het kader van EZ-brede operatie stroomlijning agentschappenN.v.t.
Bijdragen aan goed bestuur bij internationale I.E. -organisaties1Tevredenheid van de opdrachtgeverGoedGoed
 
Kritische succesfactoren EigenaarPrestatie-indicatorRealisatie 2002Doelstelling 2004
Hoogwaardig agentschap1Accountantsverklaring en positief toezichtverslag DFEZGerealiseerdGoedkeurend en positief advies
Efficiënte bedrijfsvoering1Efficiencywinst4,2%2%
 2Percentuele toename van het aantal directe uren ten opzichte van het totaal aantal uren2%Toename van 2% ten opzichte van 2003
Bijdragen leveren aan maatschappelijke vraagstukken1Behalen van ISO 14 001-certificering Implementatie eind 2004
 2Percentage vrouwelijke medewerkers36%Min 36%
 3Voldoen aan regionale norm volgens Wet Samen6,6%6,6%
 
Kritische succesfactoren PersoneelPrestatie-indicatorRealisatie 2002Doelstelling 2004
Aantrekkelijke en marktconcurrerende werkgever zijn door professioneel Human Resource Management en moderne middelen1Realisatiegraad flexibele inschalingsystematiek en functiereeksen 100%
 2Percentuele aanwas persoonlijke ontwikkelingsplannen voor alle medewerkers95%Realisatie in 2003
 3Vervanging van oude door actuele PC-systemen in procenten van alle werkplekken28%33%
 4Plan voor organisatorische aanpassingGerealiseerd in 2003Uitvoering reorganisatie
 5Aanwas van het percentueel aantal medewerkers dat het Europees PC-certificaat bezit15%Eind 2004 gerealiseerd

In 2003 en 2004 worden de bovengenoemde kritische succesfactoren in overleg met de opdrachtgever herbezien en eventueel aangepast.

6. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Meerjarenbegroting (bedragen in € 1 000)
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd     
Baten        
Omzet moederdepartement17 07118 08817 50516 35515 43415 52315 52315 523
Omzet overige departementen        
Omzet derden186198323314160160160160
Rentebaten80677070707070
Buitengewone baten204
Totaal baten17 54118 28617 89516 73915 66415 75315 75315 753
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten9 0079 6619 4298 6997 8877 8877 8877 887
* materiële kosten5 9137 0156 8936 7286 2066 2066 2066 206
Rentelasten9423171153
Afschrijvingskosten        
* materieel1 4561 1118799041 0481 0471 0161 053
* immaterieel        
Dotaties voorzieningen940600100100100100100
Mutatie Onderhanden werk– 49
Buitengewone lasten
Totaal lasten17 26717 88117 82416 44815 25215 24515 21215 246
         
Saldo van baten en lasten27440571291412508541507

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

Het Bureau I.E. verkrijgt zijn opbrengsten voornamelijk uit de opdrachten van DG Innovatie. De omzet is als volgt over de productgroepen verdeeld:

Tabel 3 Omzet per productgroep (bedragen in € 1 000)
 2002 realisatie2003 ontwerp2003 bijgesteld20042005200620072008
Activiteiten in verband met de behandeling van octrooiaanvragen7 6266 4406 7935 8185 6345 7235 7235 723
Activiteiten in verband met het beheer van octrooien3 7954 1343 5173 4372 8002 8002 8002 800
Activiteiten in verband met informatieve taken2 5132 5102 4082 1182 0602 0602 0602 060
Bevorderen octrooibewustzijn2 5104 3433 8234 3234 3004 3004 3004 300
Bijdragen aan beleidsvoorbereiding en overleg795859819819800800800800
Overige activiteiten5305
Totaal producten17 24418 28617 66516 51515 59415 68315 68315 683
Verrekening van de omzet van derden– 173– 198– 160– 160– 160– 160– 160– 160
Totaal17 07118 08817 50516 35515 43415 52315 52315 523

De lagere omzet in 2004 is voornamelijk het gevolg van het beëindigen van de werkzaamheden in het kader van de ROW 1910 (behandelen octrooiaanvragen) en het beëindigen van het project Elektronische octrooiafhandeling.

Omzet derden

Dit betreft voornamelijk aan klanten van het Bureau I.E. in rekening gebrachte diensten met betrekking tot fotokopieën, prints van octrooiliteratuur en abonnementsgelden op het Hoofden het Bijblad bij De Industriële Eigendom.

Rentebaten

De renteopbrengst is berekend op basis van het gemiddelde saldo op de rekening courant en het uitstaande depositosaldo bij het Rijksinformatiecentrum (RIC), tegen de rentepercentages en tarieven per 1 april 2003 van het Ministerie van Financiën.

Lasten

Personele kosten

De gemiddelde bezetting aan ambtelijk personeel in FTE is als volgt:

Tabel 4 Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel in FTE
 Realisatie2002200320042005200620072008
Aantal FTE ambtelijk personeel171176156140140140140
Tarief per ambtelijke FTE (€ 1 000)53555656565656

Door afname van de activiteiten zoals in tabel 2 onder «Omzet moederdepartement» is vermeld en als gevolg van de reorganisatie daalt de ambtelijke bezetting van het Bureau I.E. in 2004. Bij de berekening van de loonkosten is uitgegaan van een loonindexering van 2,75% ten opzichte van 2003.

Materiële kosten

Bij de berekening van de materiële kosten is uitgegaan van een indexatie van de prijzen van 0,75%.

De materiële kosten bestaan voor ongeveer 2/3 deel uit directe kosten ten behoeve van de opdracht aan DG Innovatie.

Het Bureau I.E. is gehuisvest in het pand van het Europees Octrooi Bureau (EOB) Voor het gebruik van het pand worden huuren servicekosten in rekening gebracht. Ten opzichte van 2003 dalen de kosten met ongeveer € 165 000 met name als gevolg van een verlaging van de huurprijs kantoorruimte. De huisvestingskosten in 2004 zijn als volgt gespecificeerd:

Tabel 5 Huisvestingskosten (bedragen in € 1 000)
Huur788
Servicekosten huisvesting EOB930
Overige huisvestingskosten100
Totaal1 818

Rentekosten

De rentekosten betreffen de rentelasten, die voortvloeien uit de in 2002 afgesloten leningen bij het Ministerie van Financiën ad € 660 000.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingstermijn van materiële vaste activa is gelijk aan de geschatte economische levensduur van de betreffende activa. Voor software is de economische levensduur geschat op max. 3 jaar, voor hardware is onderscheid gemaakt tussen een economische levensduur van 3 jaar (voor PC's, printers) en van 5 jaar (voor mainframes). Inventaris en technische installaties worden afgeschreven in 5 jaar.

Rekening is gehouden met de vervanging van informatiesystemen die de primaire taken van het Bureau I.E. ondersteunen.

Tabel 6 Afschrijvingskosten per groep materiële vaste activa (bedragen in € 1 000)
Inventaris en technische installaties162
Hardware512
Software223
Overige vaste activa7
Totaal904

Dotaties voorzieningen

De dotatie in 2004 ad. € 100 000 betreft een voorziening arbeidsongeschiktheidskosten als gevolg van op een balansdatum bestaande verplichting tot het doorbetalen van loonkosten aan medewerkers tot de mogelijke datum van ontslag.

Saldo van baten en lasten

Het positieve saldo van baten en lasten wordt toegevoegd aan de exploitatiereserve met een maximum van 5% van de omzet van het begrote jaar. Het saldo boven het maximum wordt uitgekeerd aan het moederdepartement.

7. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling van Bureau I.E.

Tabel 7 Overzicht vermogensontwikkeling (bedragen in € 1 000)
 2002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari*464738635663722788887
2. Saldo van baten en lasten27471291412508541507
3. Directe mutaties in het eigen vermogen:       
3a. Uitkering aan moederdepartement – 174– 263– 353– 442442– 530
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking EV -
3c. overige mutaties 
        
Eigen vermogen per 31/12*738635663722788887864

* Inclusief onverdeeld resultaat.

Toelichting

Het Bureau I.E. stelt de jaarrekening op vóór resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de Secretaris-Generaal van EZ goedgekeurde resultaatbestemming. Het eigen vermogen per 1 januari bevat het onverdeelde resultaat van het voorgaande boekjaar en het eigen vermogen per 31 december bevat het onverdeelde resultaat van het huidige boekjaar. De uitkering aan het moederdepartement heeft te maken met de efficiencytaakstelling uit het regeerakkoord van Balkenende I. In 2008 wordt daar bovenop nog een bedrag van € 88 000 uitgekeerd in verband met overschrijding van de 5%-norm in 2007.

In het risicobeleid van Bureau I.E. wordt aangeven welke risico's het Bureau dekt uit de voorzieningen en welke worden gedekt uit de exploitatiereserve.

Kasstroomoverzicht

Onderstaand kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling

Tabel 8 Kasstroomoverzicht (bedragen in € 1 000)
 2002200320042005200620072008
 Realisatie      
1. Rekening courant RIC en overige liquide middelen per 1 januari53 6682 255823577472369
        
2. Totaal operationele kasstroom3 2992781401 2811 4061 4081 456
        
3a. -/- totaal investeringen6161 3431 1351 0001 0001 0001 000
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen
3. Totaal investeringskasstroom– 616– 1 343– 1 135– 1 000– 1 000– 1 000– 1 000
        
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement174263353442442530
4b. + eenmalige storting door moederdepartement320
4c. -/- aflossing op leningen17417417469690
4d. + mogelijk beroep op leenfaciliteit660
4. Totaal financieringskasstroom980– 348– 437– 527– 511– 511– 530
5. Rekening courant RIC en overige liquide middelen per 31 december3 6682 255823577472369295

Toelichting

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

Deze wordt gesteld op een gemiddelde van € 1,0 mln per jaar.

De investeringen in 2004 hebben voornamelijk betrekking op de aankoop van hardware en (de ontwikkeling van) software (€ 0,8 mln), de herinrichting van werkplekken (€ 0,1 mln) en de vervanging van verouderde archief- en luchtverversingsinstallaties (€ 0,2 mln).

Financieringskasstroom

De leningen worden afgelost uit de afschrijvingscomponent en zijn ingecalculeerd in de ontvangen opdrachtsom van het moederdepartement. Voor de financiering van de investeringen in 2004 en volgende jaren wordt geen beroep gedaan op de leenfaciliteit.

De uitkeringen aan het moederdepartement zijn resultaatuitkeringen en vloeien voort uit de efficiency en inhuurtaakstelling.

Novem

Inleiding

Per 1 juli 2002 heeft het tijdelijk agentschap Novem nagenoeg alle taken en het personeel van Novem BV overgenomen. In de tweede suppletore begroting 2002 en de eerste suppletore begroting 2003 zijn de budgettaire gevolgen van het tijdelijk agentschap Novem voor 2002 respectievelijk 2003 verwerkt (Kamerstukken II, 28 708, nr 2 resp. 28 936, nr. 2).

1. Missie

Novem is een (tijdelijk) agentschap van het Ministerie van Economische Zaken dat overheidsbeleid uitvoert ter bevordering van een duurzame ontwikkeling van de samenleving, zowel in Nederland als daarbuiten. Bij de uitvoering van het overheidsbeleid streeft Novem naar een balans tussen de kwaliteit van de leefomgeving, de economie en het milieu.

Strategische doelstellingen

Om de missie in te vullen heeft Novem de volgende vier strategische middellange termijn doelstellingen geformuleerd:

1. De verbreding van het werkveld met thema's of onderwerpen in het perspectief van duurzame ontwikkeling die een relatie hebben met energie en milieu, zoals ruimtelijke ordening, infrastructuur, veiligheid, de kwaliteit van de leefomgeving, bereikbaarheid en gedrag.

2. Het verhogen van de transparantie van het dienstenpakket en de aanpak van Novem naar de doelgroepen en de opdrachtgevers.

3. Het verhogen van de flexibiliteit om snel op wensen van de opdrachtgevers in te kunnen spelen.

4. Het versterken van bestaande kwaliteiten als creativiteit, innovatiekracht, kennisgerichtheid en resultaatgericht programmeren.

Producten en diensten

De missie wordt gerealiseerd door producten en diensten aan te bieden (meestal in de vorm van programma's) die ondersteuning bieden aan de gehele beleidscyclus; van beleidsontwikkeling, via beleidsuitvoering en programmering tot en met monitoring1.

Opdrachtgevers van Novem kunnen zijn: de rijksoverheid, lagere overheden en nationale en internationale gouvernementele en non gouvernementele organisaties, voor zover deze organisaties zich richten op activiteiten die aansluiten op het overheidsbeleid inzake de duurzame ontwikkeling van de samenleving.

De kernactiviteiten van Novem betreffen voornamelijk het aanbieden van dienstverlening als een procesmanager. Door zijn onafhankelijke rol en positie, alsmede door opgebouwde vaardigheden en kennis van het beleidsproces, heeft Novem een unieke ervaring bij de uitvoering van overheidsbeleid. Het gaat daarbij vooral om het aanbieden van een combinatie van onderstaande producten met als doel het scheppen van synergie (betrekken van kennis en inzichten die door Novem zijn opgedaan in andere opdrachten), faciliteren (het ondersteunen van kennisuitwisseling en bij elkaar brengen van relevante partijen) en coördineren (vormgeven van de uitvoering van overheidsbeleid, door onafhankelijke rol en positie).

Novem biedt deze dienstverlening aan in de volgende clusters van producten:

– Analyseren van markt- en technisch potentieel.

– Advisering.

– Ontwikkelen van strategieën, methodieken en beleidsinstrumenten.

– (Subsidie-) regelingen voorbereiden en uitvoeren.

– Programma-ontwikkeling.

– Programma-uitvoering.

– Ondersteunen en faciliteren transitiemanagement.

– Projecten beoordelen en begeleiden.

– Stimuleren en coördineren van onderzoek en technologieontwikkeling.

– Netwerken opbouwen en onderhouden (nationaal en internationaal).

– Stimuleren, coördineren en faciliteren van samenwerking (makelen en schakelen).

– Kennisopbouw en kennisuitwisseling.

– Monitoren.

4. Belangrijkste ontwikkelingen en prioriteiten in 2004

Ontwikkelingen in opdrachtenpakket en bij opdrachtgevers

De bezuinigingsplannen van het kabinet houden kortingen in op subsidies bij de belangrijkste opdrachtgevers van Novem, de ministeries van EZ, VROM, V&W en LNV. Momenteel is nog niet bekend welke invloed deze kortingen hebben op het takenpakket van Novem.

Constateringen, zoals uit het recente OECD-rapport, dat Nederland ten opzichte van andere landen achterop begint te raken met de implementatie van milieubeleid, kan aanleiding zijn tot het ontwikkelen van meer specifiek beleid op dit gebied. Veel van deze internationale verplichtingen worden ingevuld door Novem-programma's. Continuering van deze programma's wordt essentieel om de doelstellingen van deze Nationale Strategie, zoals vastgelegd in het Actieplan Duurzame Ontwikkeling, te bereiken. Novem ziet het als een uitdaging voor 2004 de coördinatie van de beleidsuitvoering te ondersteunen. De markt ervaart een groeiend aantal regelingen, stichtingen en andere instrumenten bij de uitvoering van het beleid. Door samenhang in de instrumenten aan te brengen blijkt transitiemanagement, een instrument gericht op het realiseren van lange termijn doelen, een goed instrument om versnippering in het beleid tegen te gaan. Bij het Ministerie van EZ is daarmee al een belangrijke start gemaakt.

Stroomlijning van de uitvoering agentschappen EZ

Gezien het streven naar een meer herkenbare, transparante en efficiënte uitvoering van het EZ-beleid en ter nadere invulling van de volumetaakstelling EZ is door een werkgroep onderzocht op welke wijze de vier agentschappen Senter, Novem, EVD en Bureau I.E. kunnen worden gestroomlijnd. Het advies van de werkgroep is om de activiteiten van Senter, Novem en EVD thematisch te herschikken naar twee entiteiten, één gericht op «internationaal ondernemen» en één op «duurzame en innovatieve ontwikkeling», daarbij gebruik te maken van een gezamenlijk front-office en een shared service centre voor de uitvoering van de staftaken (waar mogelijk inclusief Bureau I.E.).

In de komende periode zal dit voorstel worden uitgewerkt en zal hierover overleg met de medezeggenschapsorganen plaatsvinden. Uiteraard zal ook de Tweede Kamer daarna zo spoedig mogelijk uitgebreid over de concrete voornemens worden geïnformeerd.

Op dit moment zijn de gevolgen voor het activiteitenniveau van Novem nog niet duidelijk. Vandaar dat de gevolgen daarvan niet zijn meegenomen in de begroting.

Prioriteiten

Op basis van de voor het agentschap geactualiseerde strategische doelstellingen, zal Novem in 2004 verder werken aan de voor 2003 geformuleerde prioriteiten en doelstellingen. Met de voor 2004 voorziene ontwikkelingen leidt dat tot de volgende prioriteiten:

– Implementatie en verankering van transitiemanagement.

– Versterking van de rol van Novem op het gebied van monitoring van beleidsprogramma's.

– Verbreding van de internationale rol van Novem op het gebied van duurzame ontwikkeling.

– Maatwerkadvies via professionele en transparante kennisontsluiting door middel van Open Balie en kennismanagement.

– Uitwerken en inrichten van de samen te voegen organisaties van Novem en Senter.

– Uitbouw van de Balanced Scorecard en de monitoring beheermatige kwaliteit.

– Versterken kwaliteiten personeel, onder meer door middel van competentiemanagement.

5. Doelmatigheid en doeltreffendheid

De ontwikkeling van de kostprijs is een belangrijke indicator van de doelmatigheidsontwikkeling van een agentschap. Deze doelmatigheidsontwikkeling komt tot uiting in een aantal verschillende kengetallen in de begroting (ontwikkeling van de kosten per FTE en van de materiële kosten).

Daarnaast geeft de ontwikkeling van prestatie-indicatoren uit de Balanced Scorecard inzicht in de doelmatigheid.

Vertrekpunt voor de (verdere) ontwikkeling van de doelmatigheid van Novem is de procesinrichting bij Novem BV waarvan het agentschap de voortzetting is. In deze bedrijfsmatige organisatie was al van nature een prikkel om bedrijfsprocessen zo effectief en efficiënt mogelijk in te richten. In 2003 is Novem gestart met de meting van de bedrijfsmatige prestaties volgens de Balanced Scorecard. Op onderdelen bevindt Novem zich derhalve op een groeipad, waardoor de streefwaarden 2003 nog een indicatief karakter hebben. Doel voor 2004 is een verdere verhoging en of concretisering van de streefwaarden. Dit geldt met name voor de streefwaarden die voor 2003 nog een indicatief karakter hebben en waarbij in 2003 nog onvoldoende resultaten bekend zijn.

Tabel 1 doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren
DoelgroepPrestatie-indicatorenStreefwaarde 2003Streefwaarde 2004
Klanttevredenheid1 Klanttevredenheidsonderzoek (ontwikkeling systematiek)2 Doorlooptijd subsidietraject3 Aantal gehonoreerde bezwaarschriftenNulmeting aan representatieve steekproef 95% binnen normtijd25% verminderingSubstantiële verbetering van zwakkere scores > 95% binnen normtijd< 20% aantal bezwaarschriften
Kennisverbreding4 Aantal hits Novem-website5 Gericht onderzoek bij doelgroepen:Bruikbaarheid van kennis Gelegde contacten Deelname aan samenwerkingsverbandenStijgend verloopMeenemen in klanttevredenheids-onderzoek5% hoger dan 2003Verhoging scores:Bruikbaarheid kennisGelegde contacten Deelname aan samenwerkingsverbanden
FinancieelPrestatie-indicatorenStreefwaarde 2003Streefwaarde 2004
Bedrijfsresultaat1 Bedrijfsresultaat1% van de omzet1,5% van de omzet
Uitvoeringskosten2 Beschrijving kosten standaard producten en diensten1 product beschreven (beheer subsidieregeling)Implementatie product
Arbeidsproductiviteit3 Declarabiliteit65%65%
Acquisitie4 Scoring offertes75%80% (urenvolume)
Interne organisatiePrestatie-indicatorenStreefwaarde 2003Streefwaarde 2004
Flexibiliteit bezetting1 Aandeel flexibele bezetting7% (ultimo jaar)9% (jaargemiddelde)
Deskundig personeel2 Opleidingskosten als % loonsom1,75%1,9%
Gemotiveerd personeel3 Ziekteverzuim 4 Tevredenheidsonderzoek< 5%Vervolg Cultuuronderzoek< 5%
OpdrachtgeverPrestatie-indicatorenStreefwaarde 2003Streefwaarde 2004
Klanttevredenheid1 KlanttevredenheidsonderzoekNulmetingSubstantiële verbetering van zwakkere scores
VBTB2 Aantal extra FTE's op monitoring 3 Programma's met prestatie-indicatoren/VBTB-proof 5 FTE 75%≥ streefwaarde 2003 80% (volume)
Kwaliteit offertes4 Kwaliteitstoets offertes > € 100 00020% verbetering20% verbetering t.o.v. 2003

Doelgroep

Voor de klanttevredenheid bij de doelgroepen wordt in 2003 een eerste (nul-)meting verricht. Aan de hand van de scores uit deze meting zullen de onderdelen bepaald worden die verbeterd moeten worden alsmede de bijbehorende streefwaarde. Voor de doorlooptijd subsidietraject wordt een evenaring van de streefwaarde 2003 gehanteerd, een score van minimaal 95% wordt voor dit proces als reële streefwaarde gezien.

De streefwaarde voor het percentage gehonoreerde bezwaarschriften is voor 2004 al geconcretiseerd. Een aandeel van 20% van het aantal bezwaarschriften geldt als een adequate score voor de kwaliteit van de beslissingen in het traject van subsidiebeschikkingen.

Financieel

Bij een verplichte resultaatsafdracht en/of versterking van de vermogenspositie is een strikte sturing op bedrijfsresultaat van belang. In 2003 en 2004 wordt gestuurd op een licht positief bedrijfsresultaat. Uit dit bedrijfsresultaat, dat wordt gegenereerd uit efficiencymaatregelen als kostenbesparing en overheadreductie, wordt de verplichte resultaatsafdracht uit hoofde van de efficiencytaakstelling voldaan (€ 0,5 mln). Daarnaast wordt gestreefd om de vermogenspositie te versterken tot het maximaal toegestane niveau.

Het sturen op de kostprijs van producten draagt bij aan de doelmatigheidsontwikkeling. Binnen de beperkte homogeniteit wil Novem deze mogelijkheid zo veel mogelijk benutten. In 2004 zal Novem het in 2003 beschreven product, waarvoor een kostprijsmethodiek gehanteerd gaat worden, in de praktijk gaan toepassen.

De declarabiliteit van de organisatie is een belangrijk stuurmiddel om omvang van de indirecte (ondersteunende) activiteiten ten opzichte van de directe (declarabele) activiteiten te beheersen. In de afweging tussen kwaliteit van de ondersteuning en het effect op de dienstverlening enerzijds en de kosten van ondersteuning en het effect op de tarieven anderzijds wordt de huidige streefwaarde als optimaal beschouwd.

Voor de doeltreffendheid van het acquisitietraject wordt een verdere verhoging van de scoringsgraad offertes van 75% naar 80% beoogd.

Interne organisatie

De flexibiliteit van de bezetting van de organisatie is een afweging tussen enerzijds de wenselijkheid om snel en met weinig kosten een teruggang van de opdrachtenportefeuille te kunnen opvangen en anderzijds de extra kosten (zowel qua directe loonkosten als management) van een flexibele vorm van capaciteitsinvulling. Voor de komende jaren wordt nog een beperkte verdere groei van de flexibiliteit nagestreefd.

De deskundigheid van het personeel is sterk bepalend voor de kwaliteit van de dienstverlening. Om deze deskundigheid te bevorderen is een toename van het opleidingsbudget voorzien, waarbij dit budget niet alleen als maximum geldt, maar ook als taakstelling werkt.

Naast deskundigheid, bepaalt ook gemotiveerd personeel de kwaliteit van de dienstverlening. Naast een tevredenheidsonderzoek, wordt het ziekteverzuim daarbij gezien als belangrijke indicator voor de motivatie. Ziekteverzuimbeperking is ook belangrijk vanuit het oogpunt van bewaking van het financiële bedrijfsresultaat Een ziekteverzuim van 5% wordt daarbij als maximumscore gezien, waarbij voor de komende jaren een verlaging van deze waarde wordt nagestreefd.

Opdrachtgever

Voor de tevredenheid van opdrachtgevers wordt in 2003 een eerste (nul-)meting verricht. In de eerste suppletore begroting 2004 zullen concrete doelen aan de hand van de scores uit deze meting worden opgenomen. Monitoring draagt bij aan een betere beleidsverantwoording. Voor 2004 wordt een handhaving van de omvang van opdrachten voor monitoring nagestreefd, naast een verhoging tot 80% van de programma's die werken met prestatie-indicatoren en daarmee VBTB-proof zijn.

Voor de kwaliteit van de offertes wordt een interne toets gehanteerd. In een traject van verhoging van de offertekwaliteit wordt voor 2004 opnieuw een 20% hogere gemiddelde score het doel.

Doelmatigheid en tariefsontwikkeling

Als organisatie die haar producten nagenoeg geheel op basis van urenbesteding offreert en afrekent is de ontwikkeling van het uurtarief een belangrijke maatstaf voor de doelmatigheidsontwikkeling. Novem heeft daarbij, ook voorheen als BV, de lijn dat de inflatie als bovengrens wordt beschouwd. In de begroting voor de komende jaren wordt een gemiddelde tariefsontwikkeling licht onder de inflatie voorzien en nagestreefd.

6. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Meerjarenbegroting (bedragen in € 1 000)1
 2002200320042005200620072008
 Realisatie 2e halfjaar1e suppl. begroting     
Baten       
Omzet ministerie EZ9 77518 04918 05018 20018 20018 00017 800
Omzet ministerie VROM8 01316 73416 75016 90016 90016 75016 550
Omzet overige departementen2 3095 5345 5505 6005 6005 5505 500
Omzet derden2661 5871 6001 6001 6001 6001 600
Rentebaten46
Overige baten722377400400400400400
Buitengewone baten1 080
Totaal baten22 21142 28142 35042 70042 70042 30041 850
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten14 92330 86431 57531 40031 60031 60031 600
* materiële kosten3 6327 1967 3157 3507 3507 3507 350
Rentelasten10300300200200150
Afschrijvingskosten       
* materieel8601 9071 4751 9501 8251 8001 600
* immaterieel4128479601 025750275175
Dotatie voorzieningen4351 065
Buitengewone lasten       
Totaal lasten20 27241 87941 62542 02541 72541 22540 875
        
Saldo van baten en lasten1 9394027256759751 075975

1 Bij de 1e suppletore begroting 2003 is recent aan de Kamer een actuele begroting voor 2003 aangeboden. Daarom vervalt hier de kolom '2003 geactualiseerd. Dit overzicht bevat, t.o.v. het jaarverslag 2002 en 1e suppletore begroting 2003, enkele administratief-technische wijzigingen in de presentatie van de cijfers:

– de onttrekkingen aan de voorziening ad 199 (2002) resp. 422 (2003) zijn verantwoord onder de personele kosten i.p.v. onder de dotatie (mutatie) voorzieningen

– de dotatie aan de voorziening ass e/r wachtgeld ad 1 065 (2003) is opgenomen als dotatie voorzieningen i.p.v. onder de personele kosten.

Toelichting

Algemeen

De omzet van Novem komt tot stand door acquisitie van een groot aantal opdrachten verspreid over de departementen met een zwaartepunt bij EZ en VROM. De opdrachtenportefeuille krijgt pas gedurende het lopende omzetjaar zijn definitieve omvang en samenstelling. Door aanpassing van zowel de kwantitatieve en kwalitatieve bezetting wordt enerzijds een hoge kwaliteit van uitvoering nagestreefd als anderzijds een zo volledig mogelijke uitvoering van de portefeuille.

Baten

Omzet

Het omzetverloop is de resultante van de omvang van de dienstverlening en van de tariefontwikkeling.

Vanwege de gevolgen van de taakstellingen uit de vorige en huidige kabinetsperiode en door het ontbreken van intensiveringen op het beleidsterrein voor duurzaamheid in het regeerakkoord zal Novem grote inspanningen moeten leveren om het omzetvolume op het huidige peil te houden. Voor de komende jaren is de prognose van stabilisatie van het omzetvolume dus met de nodige voorzichtigheid omgeven.

Voor de tariefontwikkeling in 2004 wordt een stijging onder de inflatie voorzien. Voor de jaren daarna zal de tariefstijging gemiddeld ook onder het inflatiepercentage liggen. Verdere flexibilisering van de bezetting en stijgende afschrijvingslasten op ICT-investeringen leiden, bij het ontbreken van groei, nog tot tariefdruk in de eerstkomende jaren.

In de verdeling van de omzet naar departementen wordt voor de komende jaren, binnen de huidige onzekerheid over de precieze invulling van de taakstelling, geen wezenlijke verschuivingen voorzien.

Overige baten

Deze betreffen niet uit de directe dienstverlening voorkomende baten zoals opbrengsten brochures en vergoedingen voor zaalhuur en werkplekken.

Lasten

Personele kosten

Verdere flexibilisering van de bezetting en bevordering van deskundigheid en sterk gemotiveerd personeel zijn de belangrijkste doelen op HRM-gebied. Uit dien hoofde wordt het opleidingsbudget in twee stappen opgevoerd van 1,75% in 2003 naar 2% in 2005.

Bij gelijkblijvende omzet wordt in 2005 een lichte daling van de totale bezetting verwacht omdat extra personeel om de verlofopname uit het door Novem BV overgedragen stuwmeer te compenseren dan niet meer nodig zal zijn. Ook het verhogen van het aandeel niet ambtelijk personeel en inhuur leidt bij gelijkblijvende omzet tot een teruggang in de ambtelijke bezetting.

Tabel 3 Ontwikkeling personeel (FTE's) en personele kosten (in € 1 000)
 2002200320042005200620072008
 Realisatie 2e halfjaar1e suppl. begroting     
Ambtelijk personeel459449435413403403403
Kosten per ambtelijke FTE63,664,766,366,366,466,466,4
Niet ambtelijk/inhuur25284245555555
Kosten per niet ambt. FTE118,5107,893,088,988,188,188,1
Prijsstijging per FTE 1,2%2,1%– 0,2%0,6%0%0%

Voor de ontwikkeling van de gemiddelde salariskosten wordt uitgegaan van CAO-verhogingen en reguliere periodieke verhogingen. De terugloop van de bezetting van ambtelijk personeel in combinatie met een terugloop van het natuurlijk verloop leidt tot een beperkte instroom van nieuw ambtelijk personeel. Een lage instroom bemoeilijkt het opvangen van de stijging van de gemiddelde salariskosten van het ambtelijk personeel die het gevolg is van de periodieke verhogingen.

Het percentage niet-ambtelijke medewerkers en inhuur, wordt verhoogd van 7% eind 2003 naar gemiddeld 9% in 2004. Door de groei van het aandeel juniore en mediore medewerkers binnen deze groep wordt een daling van de gemiddelde kosten per niet ambtelijke FTE voorzien.

De hogere gemiddelde kosten van niet ambtelijk personeel als gevolg van extra kosten, zoals BTW en bemiddelingskosten, betekenen een lastenverzwaring die tot uitdrukking komt in de prijsstijging per FTE.

Materiële kosten

Het streven is om de ontwikkeling van de materiele kosten niet sterker te laten stijgen dan de bedrijfsdrukte en inflatie. Bij gelijkblijvende omzet is de inflatie dus de maatstaf voor de kostenontwikkeling, voor 2004 is daarbij uitgegaan van circa 2%.

De begrote materiële kosten 2004 betreffen:

– overige personeelskosten zoals opleiding, werving, kinderopvang en dergelijke (€ 1,1 mln);

– facilitaire kosten zoals huisvesting, kantoorbehoeften, kopieer- en drukwerkkosten, -telefonie en kantine (€ 3,5 mln);

– automatisering en informatisering (€ 1,3 mln);

– communicatie (€ 0,3 mln);

– algemene beheerkosten (€ 0,3 mln);

– reiskosten (€ 0,8 mln).

Voor 2004 is voorzien dat Novem voor de huisvesting te Sittard en Utrecht twee kantoorpanden huurt via de RGD. De overdracht van het pand te Sittard (dat nu nog eigendom is van Novem BV) aan het Rijk wordt voorzien voor eind 2003.

Rentelasten

De rentelasten hebben geheel betrekking op de leenfaciliteit die bij de Minister van Financiën is aangevraagd voor de financiering van de (im)materiële activa op basis van een rente van circa 4%.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten op de materiele activa hebben betrekking op technische installaties ad € 0,160 mln (10 jaar), inrichting, inventaris en kantoormachines ad € 0,320 mln. (5 jaar) en computerapparatuur ad € 0,995 mln. (3 jaar). De afschrijvingskosten op de immateriële activa hebben betrekking op SAP-programmatuur (5 jaar) en overige software (3 jaar).

De afschrijvingskosten materiele activa dalen in 2004 eenmalig omdat de vervanging van PC's en laptops enige tijd na afloop van de afschrijvingsperiode zal plaatsvinden. De afschrijvingskosten immateriële activa dalen na 2005 fors omdat de basisinvestering in de SAP-programmatuur dan geheel is afgeschreven zonder dat vervanging op dat moment als noodzakelijk wordt voorzien.

Dotatie voorzieningen

De dotaties betreffen toevoegingen aan de voorziening assurantie eigen risico wachtgelden. Als agentschap draagt Novem zelf de lasten van (wachtgeld)uitkeringen na ontslag. In de B.V.-periode waren deze uitkeringen verzekerd via de Werkloosheidswet, de dotaties vervangen in feite de WW-premies die Novem als B.V. betaalde.

Saldo van baten en lasten

Mede op grond van de efficiencytaakstelling zijn en worden door Novem maatregelen, onder meer in de vorm van overheadbeperking en kostenreducties, doorgevoerd om het bedrijfsresultaat te verbeteren. Uit het voorziene extra bedrijfsresultaat wordt de verplichte resultaatsafdracht uit hoofde van de efficiencytaakstelling voldaan. Een resterende resultaat wordt aangewend voor aanvulling van de exploitatiereserve tot de maximale omvang van 5% van de gemiddelde omzet over de afgelopen drie jaren.

7. Indicatieve openingsbalans

De indicatieve openingsbalans per 1 januari 2004 is afgeleid van de balans per 31-12-2002 en de begroting van Novem voor 2003.

Tabel 4 Indicatieve openingsbalans (in € 1 000)
Activa1/1 20041/1 2003
Immateriële vaste activa2 1072 444
Materiële vaste activa2 3602 952
Onderhanden werk13 00026 692
Debiteuren2 5004 452
Nog te ontvangen1 5002 500
Rekening-courant Novem BV0619
Rekening-courant RIC/Liquide middelen8 00518 970
Totaal activa29 47258 629
   
Passiva  
Eigen vermogen  
* exploitatiereserve1 9391 939
* onverdeeld resultaat152 
Voorzieningen1 881435
Rekening courant EZ1 50027 179
Lening BPF Metaalnijverheid01 140
Crediteuren15 00015 583
Overige schulden20001 906
Overlopende posten7 00010 447
Totaal passiva29 47258 629

Algemeen

In de cijfers zijn de twee samenwerkingsverbanden met Senter die Novem beheert, te weten Economie, Ecologie en Technologie (EET) en het programmabureau voor mobiliteit MOVE, geheel meegenomen. De twee samenwerkingsverbanden met Senter die Senter beheert, te weten Infomil en het projectbureau CO2, zijn niet in de cijfers meegenomen.

Activa

Immateriële en materiele vaste activa

De immateriële en materiële vaste activa zijn gewaardeerd op historische aanschafwaarde onder aftrek van een lineaire afschrijving. De immateriële vaste activa betreft software. De materiële vaste activa betreft technische installaties, inrichting en inventaris en computerapparatuur.

 Software (immateriële v.a.)Technische installatieInrichting en inventarisComputer apparatuurTotaal materiële v.a.
Aanschaffingsprijs4 5571 4163 3716 39111 178
Cumulatieve afschrijvingen2 1137832 6174 8268 226
Boekwaarde 31-12-20022 4446337541 5652 952
      
Mutaties boekjaar     
Investeringen5102004157001 315
Afschrijvingen8471503371 4201 907
Totaal mutaties– 3375078– 720– 592
      
Aanschaffingsprijs5 0671 6163 7867 09112 493
Cumulatieve afschrijvingen2 9609332 9546 24610 133
Boekwaarde 31-12-20032 1076838328452 360
      
Afschrijvingspercentage33,33%20%10%20%33,33%

De waarden per 31-12-2003 zijn gebaseerd op de verwachte en gebudgetteerde investeringen en afschrijvingen in 2003.

Onderhanden werk

Het onderhanden werk betreft de kosten van de gemaakte en nog niet gefactureerde of verrekende uren (apparaatsgelden) en van betaalde en nog niet gefactureerde of verrekende programmamiddelen (beleidsgelden). Voor de waardering van de uren worden de met de opdrachtgever overeenkomen tarieven gehanteerd. Per opdracht wordt, voor zover noodzakelijk, rekening gehouden met de met de opdrachtgever overeengekomen maximaal declarabele uren of de maximale opdrachtvergoeding.

Onderhanden werk(bedragen in € 1 000)UrenProgr.middel31-12-200331-12-2002
Ministerie van Economische zaken05 0005 00018 959
Overige ministeries5 5001 0006 5006 171
Overige opdrachtgevers (incl. Senter)1 50001 5001 562
Totaal7 0006 00013 00026 692

Het onderhanden werk is sterk gedaald door de verrekening van de beleidsgelden bij EZ in de rekening courant beleidsgelden met het ministerie. Het onderhanden werk heeft betrekking op de nog te factureren laatste termijn over het jaar.

Debiteuren

De debiteuren betreffen met name vorderingen op opdrachtgevers en overige vorderingen. De vorderingen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde onder aftrek van een voorziening voor oninbaarheid. De overige vorderingen betreffen vorderingen inzake de door Senter beheerde samenwerkingsverbanden (Infomil en projectbureau CO2), inzake Omzetbelasting en inzake de verkoop van onder andere brochures. De verdere versnelling van de incasso van uitstaande facturen leidt tot een verdere teruggang van het debiteurensaldo.

Nog te ontvangen

Deze overlopende posten betreffen hoofdzakelijk vooruitbetaalde exploitatiekosten, waaronder een BTW-claim inzake het huurpand te Utrecht.

Rekening courant Novem BV

De rekening courant Novem BV is gestart als sluitpost bij de overdracht van activa en passiva naar het agentschap. Daarna verlopen via deze rekening courant de noodzakelijke verrekeningen tussen het agentschap Novem en Novem BV. Aangezien de BV in 2003 zijn activiteiten zal afbouwen, wordt voorzien dat deze post in de loop van 2003 op nul uitkomt.

Rekening courant RIC

Dit betreft de rekening-courant bij het Rijksinformatiecentrum (RIC) en geringe bedragen inzake kasgelden bij de vestigingen. De afname van het saldo heeft vooral betrekking op ontvangsten inzake beleidsgelden die verrekend zijn met de rekening courant EZ.

Passiva

Eigen vermogen

Het resultaat 2002 is, conform het door de Secretaris Generaal goedgekeurde resultaatsvoorstel toegevoegd aan de exploitatiereserve.

Voorzieningen
Voorzieningen(bedragen in € 1000)Ass e/r wachtgeld(des)IntegratieTotaal
Stand per 31-12-20024350435
Dotatie/ontvangen1 0658011 866
Onttrekkingen 420420
Stand per 31-12-20031 5003811 881

De voorziening assurantie eigen risico wachtgeld betreft de assurantie eigen risico inzake wachtgelden. Aan deze voorziening wordt op grond van verwachte wachtgeldlasten, mede gebaseerd op de uitstroom over de afgelopen vijf jaar, gedoteerd. Verschuldigde wachtgelden worden aan deze voorziening onttrokken.

In 2003 wordt de door Novem BV bij de overdacht van de onderneming gevormde voorziening (des)integratie voor de extra kosten die voortvloeien uit de herpositionering overgenomen. Ten laste van deze tot en met 2005 lopende voorziening komen de kosten van de extra capaciteit om de definitieve agentschapstatus te bereiken evenals de kosten van het extra (inhaal)ouderschapsverlof.

Lening BPF

De 10-jarige lening van het BPF voor de metaalnijverheid is door Novem BV in 1996 afgesloten ter financiering van de BTW-claim op het nieuwbouw-huurpand te Utrecht. Deze lening wordt in 2003 vervroegd afgelost.

Rekening courant EZ

De rekening courant EZ betreft de met het moederministerie verrekende bedragen inzake beleidsgelden. Het sterk dalende saldo is het gevolg van het verrekenen van programmamiddelen EZ uit het onderhanden werk en de verrekening van ontvangsten op de rekening courant met het ministerie van Financiën.

Crediteuren (kortlopende schulden)

De crediteuren betreffen schulden aan leveranciers (apparaatgelden) en uitvoerders van projecten (beleidsgelden), waarvan de factuur is goedgekeurd voor betaling.

Nog te betalen

Deze overige schulden betreffen met name nog te betalen apparaatskosten en de gelden die Novem beheert inzake enkele International Energy Agency (IEA)-implementing agreements.

Overlopende posten

De overlopende posten betreffen de van de BV ontvangen vergoeding inzake de overgenomen aanspraken op vakantiedagen van werknemers (verlofstuwmeer), de verplichtingen inzake EZ-verlof en de BTZR-regeling (Besluit Tegemoetkoming Ziektekosten Rijkspersoneel) en de van opdrachtgevers vooruit ontvangen bedragen.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Novem heeft uit hoofde van de uitvoering van opdrachten (programma's) voor opdrachtgevers verplichtingen aangegaan in de vorm van opdrachten en subsidies aan uitvoerders van projecten. Tegenover deze verplichtingen staan voor gelijke bedragen vorderingen op de opdrachtgevers. De omvang van deze verplichtingen en vorderingen bedraagt per ultimo 2002 € 327 mln.

De verplichtingen uithoofde van de huur van de panden te Sittard, Utrecht en Apeldoorn belopen jaarlijks circa € 1,6 mln, de jaarlijkse verplichtingen uit contracten op facilitair- en automatiseringsgebied belopen circa € 0,6 mln.

8. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling van Novem

Tabel 5 Overzicht Vermogensontwikkeling (bedragen in € 1000)
 2002200320042005200620072008
1 Eigen vermogen per 1 januari*1 9392 0902 1232 0482 0232 098
2 Saldo van baten en lasten1 9394027256759751 075975
3 Directe mutaties in het eigen vermogen:       
3a uitkering aan ministerie EZ 2505007501 0001 0001 000
3b bijdrage min. EZ ter versterking EV  192    
3c overige mutaties       
        
Eigen vermogen per 31 december*1 9392 0902 1232 0482 0232 0982 073

* Inclusief onverdeeld resultaat.

Novem stelt de jaarrekening op vóór resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de eigenaar goedgekeurde resultaatbestemming. Het eigen vermogen per 1 januari bevat het onverdeelde resultaat van het voorgaande boekjaar en het eigen vermogen per 31 december bevat het onverdeelde resultaat van het huidige boekjaar. Conform de regelgeving blijft het eigenvermogen beperkt tot 5% van de gemiddelde omzet over de laatste 3 jaren.

In het risicobeleid van Novem wordt aangeven welke risico's Novem dekt uit de voorzieningen en welke risico's worden gedekt uit de exploitatiereserve.

In het kader van het instellingstraject tot agentschap heeft Novem de risico's in de bedrijfsvoering in kaart gebracht. Met de eigenaar is overeenstemming over de risico's die het agentschap zelf moet en kan dragen en die waarvoor een beroep op de eigenaar mogelijk is. De maatschappelijke en politieke risico's zijn in beginsel voor de eigenaar, voor zover de risico's niet kunnen worden gedragen binnen de exploitatiereserve dan wel flexibiliseringsmaatregelen van Novem. De bedrijfsvoerings- en personele risico's zijn in beginsel voor Novem. Waar de schade de draagkracht van Novem te boven gaat, zal de eigenaar een bijdrage leveren aan het opvangen van deze schade. Voor de risico's die Novem draagt en reëel lasten te verwachten zijn, vindt binnen de regelgeving voor agentschappen, voorzieningvorming plaats.

9. Kasstroomoverzicht

Tabel 6 Kasstroomoverzicht (bedragen in € 1000)
 2002200320042005200620072008
 Realisatie      
1. Rekening courant RIC en overige liquide middelen per 1 januari18 9607 99512 13212 83212 38211 932
        
2. Totaal operationele kasstroom19 508– 8 890– 2793 6503 5503 1502 750
        
3a. -/- totaal investeringen5481 8254 0501 0501 2003 3501 200
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen
3. Totaal investeringskasstroom– 548– 1 825– 4 050– 1 050– 1 200– 3 350– 1 200
        
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement2506927501 0001 0001 000
4b. + eenmalige storting door moederdepartement
4c. -/- aflossing op leningen2 2003 0002 6002 300
4d. + mogelijk beroep op leenfaciliteit18 6001 0501 2003 3501 200
4. Totaal financieringskasstroom0– 2507 908– 1 900– 2 800– 250– 2 100
        
5. Rekening courant RIC en overige liquide middelen per 31 december18 9607 99512 13212 83212 38211 93211 382

1 Het beroep op de leenfaciliteit voor 2004 en verder is nog niet door het Ministerie van Financiën gehonoreerd.

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

De operationele kasstromen in 2003 en 2004 worden veroorzaakt door de verrekening van middelen tussen de rekening-courant EZ en de rekening-courant RIC.

Investeringskasstroom

De investeringen betreffen de vervangingsinvesteringen op het gebied van kantoorinrichting, – inventaris en -machines, hardware en software. Voor de jaren 2004 en 2007 zijn integrale vervangingen van de PC's en laptops voorzien.

Financieringskasstroom

De uitkeringen aan het moederdepartement betreffende verplichte resultaatsafdracht uit hoofde van de efficiencytaakstelling voor agentschappen en een eventueel resterend resultaat voor zover dat niet kan worden toegevoegd aan de exploitatiereserve door het bereiken van het plafond van 5% van de omzet.

Het beroep op de leenfaciliteit betreft de financiering van de bovengenoemde investeringen, de aflossingen worden betaald uit de afschrijvingen op de gefinancierde activa.

Telecom

1. Missie

Agentschap Telecom is sinds 22 juli 2002 onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. De missie van Agentschap Telecom is dan ook een verbijzondering van de missie van het Ministerie van Economische Zaken1. De missie van Agentschap Telecom luidt als volgt:

Het verruimen en optimaliseren van het elektronische communicatiedomein

Onder verruimen en optimaliseren van het elektronische communicatiedomein wordt primair het opheffen van schaarste verstaan en secundair het redelijk verdelen van de resterende schaarste.

Binnen dit kader vervult Agentschap Telecom de volgende hoofdtaken:

– het creëren van frequentieruimte;

– het toewijzen van frequentieruimte;

– het beschermen van frequentieruimte;

– uitvoering van het Nationaal Antennebeleid.

2. Strategische doelstellingen

Richtinggevend voor de wijze waarop Agentschap Telecom haar missie wil uitvoeren zijn de volgende doelen:

– het sturen naar compatibiliteit van technische systemen;

– het bevorderen van digitalisering;

– het stimuleren van bandbreedte en informatievermogen, en

– het streven naar maatschappelijke inpasbaarheid en acceptatie.

3. Producten en diensten

Het verlenen van vergunningen voor het gebruik van het frequentiespectrum en hiertoe behorende apparatuur

Tabel 1 Overzicht toewijzen frequentieruimte (vergunningverlening)
 2002200320042005200620072008
Aantal vaste verbindingen 27 7467 5207 5006 5006 0005 5005 000
Aantal mobiele communicatie 1,4274 644336 920286 170286 170286 170286 170336 920
Aantal openbare telefonie en semafonie30303030303030
Aantal radiodeterminaties 1, 410 40310 47010 40010 40010 40010 40010 470
Aantal radiozendamateurs 1, 413 78626 31014 13014 13014 13014 13026 310
Aantal omroepen 343920 10020 10020 10020 10020 10020 100
Aantal examens 513 20912 80012 80012 80012 80012 80012 800
Aantal verklaringen, keuringen en erkenningen6666666
Aantal randapparatuur (x 1 000)79 41486 00086 00086 00086 00086 00086 000

Toelichting

1) Recent is op basis van een risicoanalyse een toetsingskader ontwikkeld. Aan de hand van dit toetsingskader wordt onderzocht of voor sommige toepassingen een lichter regime van vergunningverlening kan gelden of zelfs tot vrijstelling kan worden overgegaan. Besluitvorming hierover moet nog plaatsvinden.

2) Het aantal Vaste verbindingen loopt terug. Dit komt onder andere doordat de operators minder gebruik gaan maken van straalverbindingen. Ook de uitrol van UMTS netwerken kan gevolgen hebben voor het aantal vaste verbindingen. Het moment van uitrollen van de UMTS netwerken is echter nog niet bekend. De consequenties hiervan zijn dan ook niet meegenomen in de prognose van de aantallen.

3) Voor Omroep wordt met ingang van 2003 een nieuwe verdeelsleutel gehanteerd, namelijk het aantal toegestane kilowatts zendvermogen. Dit verklaart de verwachte substantiële toename.

4) Recentelijk is de looptijd van de verschillende categorieën vergunningen vastgesteld op vijf jaar. Als gevolg hiervan, ontstaan voor Mobiele communicatie, Radiodeterminaties en Radiozendamateurs grote verschillen in 2003 en 2008 ten opzichte van de andere jaren.

Mogelijk loopt het aantal examens terug als gevolg van het afschaffen van morse examens. Besluitvorming hierover moet nog plaatsvinden.

Het houden van toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving

Tabel 2 Overzicht beschermen van frequentieruimte
 2002200320042005200620072008
Aantal goedgekeurde inspecties4 1493 0002 000500500500500
Aantal afgehandelde controles gebruiksvoorw.563300300300300300300
Aantal uren optreden tegen illegaal gebruik114 23613 0006 0006 0006 0006 0006 000
Aantal uren detectieactiviteiten1  6 7006 7006 7006 7006 700
Aantal afgehandelde storingsklachten497500500500500500500
Aantal controles EMC/R&TTE richtlijn261200200200200200200

1 Het aantal uren optreden detectieactiviteiten was in het verleden deels opgenomen in het aantal uren optreden tegen illegaal gebruik. Het andere gedeelte heeft betrekking op nieuwe activiteiten.

Toelichting

Op basis van risicomanagement wordt steeds gerichter gehandhaafd.

Een hoog nalevingniveau, effecten van bestuursrechtelijk optreden, daling van de klachten door intelligente apparatuur en meer kennis van radiocommunicatie bij gebruikers zijn positieve indicatoren voor dit beleid. Een aantal activiteiten wordt overgenomen door het vast meetnet (12 meetlocaties in Nederland).

In het kader van concentratie op de kerntaken wordt per 1 januari 2003 het toezicht op de veiligheid aan boord van schepen ten behoeve van de Inspectie Verkeer en Waterstaat niet meer uitgevoerd. De medewerkers belast met en de middelen behorende bij dit toezicht zijn dan ook overgegaan naar de Inspectie. Het toezicht op de Telecommunicatiewet blijft bij Agentschap Telecom.

4. Belangrijkste ontwikkelingen en prioriteiten in 2004

Waarborgen financiële continuïteit

Vanuit markt en sector is de roep om een heldere toerekening van financiële lasten tengevolge van toezicht en diensten reeds meerdere jaren een feit. Vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid van Agentschap Telecom moet een heldere kostenallocatie en een deugdelijke financiering hiermee rekening houden. Daarnaast noodzaken toekomstige ontwikkelingen ook tot aanvullende dan wel vervangende financieringsvormen. Hiertoe zal in Agentschap Telecom in 2003 een onderzoek instellen.

Beschikbaarheid: continu en veilig

De beschikbaarheid van telecommunicatievoorzieningen en diensten is een belangrijke basis binnen de Nederlandse samenleving. Uitval van deze voorzieningen zal een maatschappelijke en economische ramp veroorzaken. Alhoewel -in het algemeen- rampen niet zijn te voorkomen, kunnen de gevolgen wel worden geminimaliseerd. Agentschap Telecom zal onderzoeken of de huidige waarborgen voldoen en zo niet, hoe deze kunnen worden verbeterd.

Flexibilisering van frequentiebeleid

In de huidige frequentiebanden is bijna geen ruimte en kunnen nieuwe toepassingen niet snel op de Nederlandse markt worden geïntroduceerd. Flexibilisering van het frequentiebeleid is dan ook noodzakelijk. Flexibilisering maakt het mogelijk integraal over alle frequentiebanden heen te kijken en een afweging te maken op basis van werkelijk gebruik van frequenties.

Verbetering interne organisatie

Om de effectiviteit van beleid en uitvoeringsmaatregelen te beoordelen ontwikkelt Agentschap Telecom instrumenten. De resultaten van onderzoek worden gebruikt voor verbetering van beleid en uitvoering. Daarnaast zal in 2004 gestreefd worden naar het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van de informatievoorziening. Tenslotte zal een krachtige impuls worden gegeven aan ontwikkeling en implementatie van een adequaat Human Resource-beleid

5. Tarieven en prestatie-indicatoren

Tarieven

Agentschap Telecom opereert in zijn totaliteit kostendekkend. Speerpunt van het tarievenbeleid is, naast een kostendekking in totalen, een kostendekking van 100% per productgroep in meerjarig perspectief. Concreet betekent dit dat het resultaat van bijvoorbeeld 2002 in 2003 wordt vastgesteld en 2004 in het tarief wordt verwerkt.

Daarnaast is het uitgangspunt dat de baathebber betaalt voor de uitvoering van telecommunicatiebeleid, dat wil zeggen de kosten van Agentschap Telecom. De basis voor de doorberekening van kosten is verankerd in de Telecommunicatiewet. De nadere uitwerking van de regels die daarbij in acht genomen moeten worden is vastgelegd in het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet. Kosten die wettelijk niet in de tarieven doorberekend mogen worden of waarvoor de wettelijke basis voor doorberekening ontbreekt, worden gefinancierd uit de algemene middelen. In het bijzonder gaat het daarbij om de kosten van bezwaar en beroep, repressieve handhaving, bevoegd aftappen, telecomfraude (convenant met Ministerie van Justitie) en vooralsnog het Nationaal Antennebureau (NaBu). Daarnaast worden de rentelasten naar aanleiding van de verplichte conversie van het agentschapvermogen in vreemd vermogen per 1 januari 2000 gecompenseerd door een bijdrage uit de algemene middelen en derhalve ook niet doorberekend in de tarieven.

Prestatie-indicatoren

Ten aanzien van het toewijzen van frequentieruimte gelden de volgende doelstellingen:

Tabel 3 Doelstellingen toewijzen van frequentieruimte
Doorlooptijden vergunningaanvragenNorm (wet of afspraak)Interne streefwaarde
1. elektronische aanvragen 8 weken95% binnen 10 dagen
2. zonder internationale coördinatie binnen vastgestelde frequentiebanden vaste verbindingen8 weken 8 weken95% binnen 8 weken 95% binnen 5*24 uur
3. met internationale coördinatie omroep FM 88–104 MHz100 dagen (uitstel mogelijk)95% binnen 100 dagen
landmobiel/maritiem VV45 dagen (uitstel < 20 dagen)95% in 45 dagennetwerken 180 dagen
TV en Omroepgeengeen
Satellietverbindingen4 maanden95% binnen 4 maanden
T-DAB1n.v.t.95% binnen projectplan
DVB2n.v.t.95% binnen projectplan
   
Doorlooptijd buitenlandse coördinatie verzoeken
omroep FM 88–104 MHz100 dgn (uitstel mogelijk)95% binnen 100 dagen
landmobiel/maritiem VV45 dagen (uitstel < 20 dagen)95% in 45 dagennetwerken 180 dagen
TV en Omroepgeengeen
Satellietverbindingen4 maanden95% binnen 4 maanden
T-DABn.v.t.95% binnen projectplan
DVBn.v.t.95% binnen projectplan

1 Terrestrial Digital Audio Broadcasting.

2 Digital Video Broadcasting.

Ten aanzien van de bescherming van frequentieruimte gelden de volgende doelstellingen:

Tabel 4 Doelstellingen beschermen van frequentieruimte
OnderwerpNorm
Doorlooptijd storingsklachten van levensbelang100% binnen 4 uur
Doorlooptijd storingsklachten van maatschappelijk/economisch belang100% binnen 12 uur
Doorlooptijd storingsklachten van individueel belang85% binnen 72 uur

Ten aanzien van het uitvoeren van het nationaal antennebeleid gelden de volgende doelstellingen:

Tabel 5 Doelstellingen uitvoering nationaal antennebeleid
OnderwerpNorm
Totaal aantal calls (telefonisch en internet)> 1 000
Complexiteit van de calls: ratio 1e lijn/2e lijn80/20
Percentage calls afgehandeld binnen 3 werkdagen≥ 90%
Percentage calls afgehandeld binnen 5 werkdagen≥ 95%
Aantal regionale voorlichtingsbijeenkomsten voor gemeenten> 8
Aantal voorlichtingsbijeenkomsten bij overigen> 15
Aantal bezoekers internet> 15 000
Aantal werkbezoeken aan gemeenten> 20
Aantal werkbezoeken aan overigen> 25

Toelichting

Deze doelstellingen kunnen wijzigen indien de evaluatie van het Nationaal Antennebureau daar aanleiding toe geeft.

6. Begroting van baten en lasten

Tabel 6 Meerjarenbegroting (bedragen in € 1 000)
 20022003200320042005200620072008
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactualiseerd  
Baten        
Opbrengst productgroepen22 31525 33325 86026 63626 90927 52327 46727 881
Opbrengst moederdepartement4 6343 2893 9874 2534 2534 2534 2534 253
Rentebaten357227227227227227227227
Diversen870113113113113113113113
Overige opbrengsten 1 928      
Totaal baten28 17630 89030 18731 22931 50232 11632 06032 474
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten19 01519 53019 14418 54318 00018 00018 00018 000
* materiële kosten11 4119 73110 0318 8288 5698 5698 5698 569
Rentelasten451577608718764730672469
Afschrijvingskosten        
* materieel2 3892 9502 3773 3483 3483 3483 3483 348
* immaterieel881 1 0231 0821 0821 0821 0821 082
Dotaties voorzieningen192272200200200200200200
Buitengewone lasten00000000
Totaal lasten34 33933 06033 38332 72031 96331 92931 87131 668
         
Saldo van baten en lasten– 6 163– 2 170– 3 196– 1 491– 461187189806

Toelichting

Baten

Opbrengst productgroepen

De opbrengst is als volgt onderverdeeld naar productgroepen:

Tabel 7 Omzet naar productgroep (bedragen in € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Vaste verbindingen2 6472 4912 7542 4392 3192 1361 988
Mobiele communicatie10 22111 82511 50111 78412 13712 19812 455
Mobiele openbare telefonie1 6201 7131 8941 940199820082 056
Radiodeterminatie425509560574591594609
Radiozendamateurs543947670686707710719
Omroep4 1335 4376 0106 1586 3436 3756 527
Examens227274303310320321329
Afgifte verklaringen, keuringen en erkenningen196170188193198199204
Randapparatuur2 3032 4942 7572 8252 9102 9242 994
        
Totaal22 31525 86026 63626 90927 52327 46727 881

In de gepresenteerde opbrengsten van de productgroepen wordt uitgegaan van het huidige vergunningen- en tarievenbeleid. Financiële gevolgen van mogelijke vrijstellingen van vergunningencategorieën zijn niet doorberekend. Voorzien wordt dat in geval van vrijstelling een gedeelte van de lasten niet meer kan worden gefinancierd uit de opbrengsten van de huidige productgroepen. In dat geval zal Agentschap Telecom samen met DGTP en FEZ (Ministerie van EZ) zoeken naar alternatieve financiering.

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement bestaat uit een bijdrage in de kosten van bezwaar en beroep, repressieve handhaving, bevoegd aftappen, het Nationaal Antennebureau (NaBu) en compensatie van de rente die moet worden betaald voor het beroep op de leenfaciliteit. Verrekening van bezwaar en beroep en repressieve handhaving vindt plaats aan het eind van het jaar op basis van werkelijke kosten.

Rentebaten

Over het saldo van Agentschap Telecom op de rekening courant bij het Ministerie van Financiën wordt rente ontvangen. In deze begroting is uitgegaan van een rentepercentage van circa 2,5%.

Diversen

Onder de post diversen zijn de incidentele baten opgenomen die niet het directe resultaat zijn van de bedrijfsvoering van Agentschap Telecom.

Overige opbrengsten

Bij de ontwerpbegroting 2003 werd nog rekening gehouden met opbrengsten voor het NaBu en voor projecten uitgevoerd ten behoeve van de beleidskern. Deze opbrengsten zijn met ingang van 2002 in de bijdrage moederdepartement opgenomen.

Lasten

Personele kosten

Voor 2004 wordt een verlaging van de personele lasten voorzien als gevolg van de verlaging van de gemiddelde bezetting en reductie van de inhuur van personeel van derden.

De verwachte bezetting voor 2004 is geraamd op 341 FTE ten opzichte van 345 FTE in 2003. De personele kosten per FTE zullen in 2004 stijgen als gevolg van CAO-afspraken. Agentschap Telecom wil echter door middel van efficiencymaatregelen (reductie van personeel van derden) de totale stijging beperken. Hierdoor zullen de personele kosten stijgen van € 55 300 per FTE in 2003 naar € 56 000 per FTE in 2004.

Materiële kosten

De materiële lasten hebben betrekking op de huisvesting en andere algemene kosten die Agentschap Telecom maakt voor de uitvoering van het beleid. Deze kosten zullen lager uitvallen door onder andere een verlaging van de diensten uitgevoerd door derden.

De huisvestingslasten zullen in 2004 circa € 2,6 mln bedragen en daarna jaarlijks stijgen als gevolg van indexering van de huurkosten. De huisvestingslasten per FTE zullen stijgen van € 7 700 naar € 8 500 doordat de bezetting in FTE's omlaag gaat, terwijl de huisvestingslasten als gevolg van langlopende huurcontracten pas op langere termijn kunnen worden afgebouwd.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de vergoeding die Agentschap Telecom betaalt voor leningen bij het Ministerie van Financiën om de investeringen in vaste activa te financieren. In deze begroting is uitgegaan van een rentepercentage van circa 4%.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten worden onderverdeeld in materiële en immateriële afschrijvingskosten. Het immateriële gedeelte heeft betrekking op software. De afschrijvingstermijnen zijn:

Inrichtingen en verbouwingen 10 jaar

Apparatuur 4 tot 10 jaar

Kantoorinventaris 5 tot 10 jaar

Hard- en software 3 tot 4 jaar

Vervoermiddelen 5 jaar

Dotaties voorzieningen

De dotaties voorzieningen bestaan uit voorzieningen garantieverplichtingen, dubieuze debiteuren en assurantie eigen risico.

Saldo van baten en lasten

Over de komende jaren worden negatieve resultaten voorzien. De negatieve resultaten worden ten laste van het agentschapvermogen gebracht. Daarmee wordt invulling gegeven aan het beleid van het Ministerie van Financiën het agentschapvermogen af te bouwen tot een maximum van 5% over de gemiddelde omzet van de laatste drie jaren.

7. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in het begrote verloop van het vermogen van Agentschap Telecom.

Tabel 8 Overzicht Vermogensontwikkeling (bedragen in € 1 000)
 2002200320042005200620072008
1 Agentschapvermogen per 1 januari*11 7675 6042 408917456643831
2 saldo van baten en lasten– 6 163– 3 196– 1 491– 461187189806
3 directe mutaties in het agentschapvermogen:       
3a uitkering aan moederdepartement       
3b bijdrage moederdepartement ter versterking EV       
3c overige mutaties       
        
Agentschapvermogen per 31 december*5 6042 4089174566438311 637

* Inclusief het onverdeeld resultaat.

Tabel 9 Normering vermogen (bedragen in € 1 000)
 200020012002200320042005200620072008
Gerealiseerde omzet (excl. Rentebaten en diversen)29 93729 41926 949      
Geprognosticeerde omzet (idem)   29 84730 88931 16231 77631 72232 134
          
Normering Agentschapvermogen *1 4311 4601 4381 4371 4611 5321 5641 5781 594

* 5% van de gemiddelde omzet van de laatste drie jaren.

Toelichting

Overeenkomstig de norm van het Ministerie van Financiën zal Agentschap Telecom haar vermogen afbouwen naar 5% van de gemiddelde omzet over de laatste drie jaren. Na afbouw van het agentschapvermogen zullen de tarieven weer op een kostendekkend niveau worden gebracht.

8. Kasstroomoverzicht

Tabel 10 Kasstroomoverzicht (bedragen in € 1 000)
 2002200320042005200620072008
1. Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 1 januari13 0357 9842 8723 3612 9773 1372 923
        
2. Totaal operationele kasstroom-2 646– 7463 4893 5194 6674 6695 286
        
3a. -/- totaal investeringen3 9585 0035 1857 7573 5083 3383 338
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen
3. Totaal investeringskasstroom– 3 958– 5 003– 5 185– 7 757– 3 508– 3 338– 3 338
        
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement
4b. + eenmalige storting door moederdepartement
4c. -/- aflossing op leningen2 4062 5443 0003 9034 5074 8835 397
4d. + mogelijk beroep op leenfaciliteit13 9593 1815 1857 7573 5083 3383 338
4. Totaal financieringskasstroom1 5536372 1853 854– 999– 1 545– 2 059
5. Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 31 december7 9842 8723 3612 9773 1372 9232 812

1 Het beroep op de leenfaciliteit voor 2004 en verder is nog niet door het Ministerie van Financiën gehonoreerd.

Toelichting

De operationele kasstroom bestaat grotendeels uit het resultaat van baten en lasten, mutaties in de balans en uit de afschrijvingen.

In 2004 zal naar verwachting circa € 5,2 mln worden geïnvesteerd in materiële vaste activa. De investeringen hebben vooral betrekking op hard- en software, apparatuur en vervoermiddelen. Voor hard- en software geldt dat het grootste deel besteed wordt aan de vervanging van specifieke automatiseringssystemen.

In de begroting is ervan uitgegaan dat de opbrengst van de productgroepen in de komende jaren zal stijgen. Het is mogelijk dat deze stijging niet gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld als gevolg van het vrijstellen van vergunningen. In dat geval zal het saldo van de rekening courant op peil gehouden worden door middel van kostenreductie en/of verhoging van de tarieven van andere productgroepen.

5. VERDIEPINGSBIJLAGE

In deze verdiepingsbijlage bij de EZ-begroting 2004 vindt u per beleidsartikel een toelichting op de majeure beleidsmatige mutaties, voorzover deze niet reeds zijn opgenomen in de eerste suppletore begroting 2003. Als uitgangspunt voor de toe te lichten mutaties worden de verplichtingenmutaties genomen omdat het EZ-beleid in eerste instantie tot uitdrukking komt in het aangaan van verplichtingen. De kasuitgaven zijn daarna volgend, waarbij kasbetalingen veelal gespreid over meerdere jaren plaatsvinden. Hierdoor bestaat er meestal een verschil tussen de verplichtingenmutatie en de uitgavenmutatie.

Tevens worden de belangrijkste ontvangstenmutaties toegelicht.

Artikel 1 Werking binnenlandse markten

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20012002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003  88 37983 84583 42483 22783 227 
Mutatie Nota van Wijziging   – 42– 148– 254– 254 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003  2 8862 5112 2112 2112 211 
Nieuwe mutaties  1 6954 6224 592330– 91 
1. Bouwkamer NMa   1 9821 982   
2. invulling ombuiging     – 1 000– 1 000 
3. Apparaat taakstellingen  – 137– 353– 353– 353– 353 
4. Overige niet beleidsmatig relevante mutaties  1 8322 9932 9631 6831 262 
Stand ontwerp-begroting 200430 82591 50492 96090 93690 07985 51485 09385 093
Waarvan nog te betalen17 69289 64692 75890 69989 80385 24384 82284 843
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 89 93384 63081 35382 60582 913 
Mutatie Nota van Wijziging  – 42– 148– 254– 254 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003 20152 8902 3402 2772 277 
Nieuwe mutaties 9 4535 1726 070926123 
Stand ontwerp-begroting 200489 262101 40192 65089 61585 55485 05985 198
w.v. Algemeen11 07210 28511 71912 24711 71911 22711 366
w.v. Bevorderen van concurrentie48 39156 89151 38347 86844 33544 33244 332
w.v. Bevord. v. conc.mechanismen in netwerksectoren29 50033 56329 50029 50029 50029 50029 500
w.v. Verlagen van administratieve lasten29973448    
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 121 231118 917118 917118 917118 917 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003 10 918– 2 200– 2 200– 2 200– 2 200 
Nieuwe mutaties 6 3262 0361 4201 4201 420 
5. Ontvangsten NMa 6 326     
6. Ontvangsten DTe  2 9362 9362 9362 936 
7. Overige niet beleidsmatig relevante mutaties  – 900– 1 516– 1 516– 1 516 
Stand ontwerp-begroting 2004119 599138 475118 753118 137118 137118 137118 137

Door een veranderde beleidsfocus is de indeling van artikel 1 veranderd ten opzichte van de begroting 2003. Zo geeft EZ in haar marktwerkingsbeleid meer aandacht aan de positie van de consument en heeft het verlagen van de administratieve lasten een hogere prioriteit gekregen. De onderverdeling van de beleidsterreinen over de operationele doelstellingen van artikel 1 is daarop afgestemd.

Voor 2004 zijn de «oude» operationele doelen 1.2.1 en 1.2.4 samengevoegd. Daarnaast is er een nieuw operationeel doel toegevoegd. De formulering van de operationele doelen is ook gewijzigd. Dit heeft geleid tot de volgende nieuwe indeling:

Begroting 2003Begroting 2004
1.2.1 Tegengaan van concurrentieverstoringen 1.2.1 Het bevorderen van concurrentie
1.2.4 Bevorderen transparantie en eerlijke handel 1.2.2 Het versterken van de positie van de consument
1.2.2 Bevorderen concurrentiemechanismen1.2.3 Het bevorderen van concurrentiemechanismen in netwerksectoren
1.2.3 Versterken economische dynamiek1.2.4 Het verlagen van administratieve lasten

De instrumenten onder de operationele doelen zijn meeverhuisd naar de nieuwe indeling. Een en ander betekent dat het beleidsbudget voor het bevorderen van concurrentie een samenvoeging is van de beleidsbudgetten van twee operationele doelen (1.2.1 en 1.2.4) uit de begroting van 2003.

Toelichting mutaties

1. De tijdelijke uitbreiding van de NMa voor het uitvoeren van onderzoek in de Bouwsector wordt met twee jaar verlengd. Hiervoor wordt verder onderzoek verricht.

2. Als invulling van de subsidietaakstelling wordt vanaf 2006 het budget «opdrachten en onderzoek marktwerking» met € 1 mln verlaagd.

3. Deze mutatie betreft de (gedeeltelijke) invulling van de taakstellingen op apparaatuitgaven uit de kabinetten Balkenende I en II. Zie de toelichting bij artikel 22 voor een nadere toelichting.

5. Het betreft enkele door de NMa aan de garnalensector opgelegde boetes.

6. De ontvangstenraming DTe is aangepast naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak over de bijdrageregeling DTe. Uitgangspunt van de aangepaste bijdrageregeling is dat alle kosten die verbonden zijn aan de uitoefening van de Elektriciteitswet en de Gaswet, behoudens de kosten in het kader van toezicht, worden doorberekend aan de markt.

Artikel 2 Bevorderen van innovatiekracht

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20012002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003  573 635497 896471 525474 865487 432 
Mutatie Nota van Wijziging  – 49 931– 41 453– 59 732– 60 218– 59 248 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003  80 373– 6 716– 11 803– 5 655116 
Nieuwe mutaties  – 38 472– 31 252– 27 097– 42 268– 41 468 
1. Overheveling ICT naar DGTP   – 34 646– 26 172– 26 327– 26 327 
2. Subsidiereg. Infrastr. Technostarters  – 20 1676 7238 416   
3. Beleidsexperimenten innovatie   – 7 745– 5 163– 5 163– 2 632 
4. Loon- en prijsbijstelling  5 0364 9224 8384 8534 958 
5. NIVR   4 418– 32– 33  
6. First Mover Faciliteit  – 20 4213 8073 8073 807  
7. Economie, Ecologie en Technologie  – 933– 2 703– 1 962– 3 230– 5 938 
8. EMVT   2 823 – 2 823  
9. Innovatief ondernemerschap   – 2 269    
10. Apparaattaakstelling  – 2 159– 2 043– 2 444– 2 800– 2 911 
11. Onderzoek innovatie   – 1 042– 789– 526– 526 
12. Ruimtevaart   – 1 000– 5 000– 7 500– 10 000 
13. Syntens   – 809– 1 213– 1 618– 1 618 
14. Voorzitterschap EU en Eureka  4102 5002 625   
15. Europees Octrooibureau   – 250– 750– 750– 1 000 
16. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  – 238– 3 938– 3 258– 1584 526 
Stand ontwerp-begroting 2004939 034651 058565 605418 475372 893366 724386 832384 750
Waarvan nog te betalen850 664620 573548 546404 936364 813359 147377 882372 948
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 587 881560 837545 959531 906551 437 
Mutatie Nota van Wijziging – 20 650– 40 268– 49 890– 52 819– 44 406 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003 – 4 352– 2 0845 969– 5 036– 8 286 
Nieuwe mutaties – 68 629– 12 001– 17 658– 25 835– 30 194 
Stand ontwerp-begroting 2004525 700494 250506 484484 380448 216468 551445 869
w.v. Algemeen54 72145 08152 47546 15746 33246 55652 222
w.v. Infrastructuur voor innovatie138 993159 107156 191157 728158 153148 311142 693
w.v. Innovatie in de markt226 810218 083241 805254 697234 373261 447246 682
w.v. Excellente basis voor ICT105 17671 97956 01325 7989 35812 2374 272
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 104 536121 75897 40097 40097 400 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003 31 4207 0007 0002 000  
Nieuwe mutaties 26 765– 4 505– 6 962– 8 230– 10 938 
17. Actualisatie raming TOP 27 698– 1 802– 5 000– 5 000– 5 000 
18. Economie, Ecologie en Technologie – 933– 2 703– 1 962– 3 230– 5 938 
Stand ontwerp-begroting 200491 690162 721124 25397 43891 17086 46283 770

Toelichting mutaties

1. In het kader van het Strategisch Akkoord van het Kabinet Balkenende I is het DG Telecommunicatie en Post overgeheveld van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat naar EZ. Om samenhang in het ICT-beleid te brengen heeft in 2003 binnen EZ een herpositionering plaatsgevonden van het ICT-beleid. De voorgestelde mutatie betreft de overheveling van delen van het ICT-beleidsbudget van DG Innovatie naar DG Telecommunicatie en Post. Het gaat hierbij onder meer om het Nationaal Actieplan Elektronische Snelwegen, flankerend ICT-beleid, onderzoeksgeld en personeel.

2. De mutatie houdt verband met de verschuiving van het budget voor de Subsidieregeling Infrastructuur Technostarters (SIT) en een budgetverlaging in het kader van de subsidietaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord. Dit jaar zal de regeling worden betrokken bij het op te richten TechnoPartner, waarop in de Innovatiebrief dieper zal worden ingegaan. Voorgesteld wordt het budget in 2003 te verlagen met € 20,2 mln en het budget in 2004 en 2005 op te hogen met respectievelijk € 6,7 en 8,4 mln. In totaal wordt het budget hiermee verlaagd met € 5,1 mln. Deze verlaging is mogelijk omdat na herpositionering van de regeling binnen TechnoPartner het resterend budget naar verwachting voldoende is om de voor de SIT in te dienen aanvragen te kunnen honoreren.

3. Het budget voor beleidsexperimenten op het gebied van innovatie, dat in 2003 is gevormd als voortvloeisel uit het IBO Technologiebeleid, wordt in 2004 verlaagd met € 7,7 mln, in 2005 en 2006 met € 5,2 mln en in 2007 met € 2,6 mln. Dit ten behoeve van de invulling van de subsidietaakstelling. De verlaging heeft tot gevolg dat minder ervaring kan worden opgedaan met initiatieven die van belang zijn bij beslissingen omtrent het aanpassen van bestaande instrumenten en het initiëren en vormgeven van nieuwe instrumenten.

4. Betreft het totaal van de in 2003 toegekende loon- en prijsbijstelling aan dit artikel.

5. Deze mutatie houdt verband met vervroeging van de toezegging van subsidie aan het NIVR. Momenteel stelt EZ de subsidie in het uitvoeringsjaar beschikbaar, maar vanaf 2005 zal dit worden vervroegd naar het voorafgaande jaar. In verband hiermee is in 2004 een dubbel verplichtingenbudget benodigd. Dit heeft geen gevolgen voor de benodigde kasmiddelen.

6. Deze mutatie betreft een combinatie van een verschuiving van het verplichtingenbudget van 2003 naar de periode 2004–2006 en een budgetverlaging in het kader van de subsidietaakstelling. Voorafgaand aan eventuele inwerkingtreding van de First Mover Faciliteit vindt nader onderzoek plaats naar de haalbaarheid van de Onderlinge Waarborgmaatschappij, mede in relatie tot Europese regelgeving. Ten gevolge van dit onderzoek zal de First Mover Faciliteit naar de meest recente verwachtingen niet meer in 2003 in werking treden. Het budget wordt gespreid over drie jaar, vanwege het geleidelijk aangaan van verplichtingen in de vorm van achtergestelde leningen. Daarnaast kan op basis van een recent advies van NIB Consult met een lager bedrag worden volstaan dan aanvankelijk was begroot. De verlaging bedraagt een derde van het totaal voor de FMF beschikbare budget. Aangezien op basis van het NIB-advies hetzelfde resultaat naar verwachting met minder middelen kan worden bereikt, heeft de korting geen gevolgen voor de streefwaarden.

7. Het Ministerie van OCW heeft de medefinanciering van de regeling Economie, Ecologie en Technologie vanaf de tiende tender stopgezet. Aan de uitgaven voor eerdere tenders blijft OCW wel meebetalen. Het verplichtingenbudget en de ontvangstenraming zijn daarom verlaagd.

8. In het kader van de Kennisimpuls is voor het programma Elektromagnetische Vermogenstechniek (EMVT) in totaal € 4,5 mln voor drie tenders uitgetrokken. De eerste tender van € 1,7 mln is in 2002 gecommiteerd, de andere twee tenders worden in 2004 voorzien. Ter financiering van deze twee tenders wordt voorgesteld een budget van € 2,8 mln uit 2006 naar voren te halen naar 2004.

9. In het kader van de subsidietaakstelling vindt een verlaging plaats van het budget op het gebied van Innovatief ondernemerschap, te weten voor de regeling Regionaal Technostartersbeleid en de regeling Ondernemerschap en Onderwijs. Door de verlaging wordt het budget meer in lijn gebracht met de daadwerkelijke uitputting.

10. Deze mutatie betreft de (gedeeltelijke) invulling van de taakstellingen op apparaatuitgaven uit de kabinetten Balkenende I en II. Voor een nadere toelichting zie artikel 22.

11. Het budget voor strategisch en beleidsagenderend onderzoek op het gebied van innovatie wordt in 2004 verlaagd met € 1,0 mln, in 2005 met € 0,8 mln en in latere jaren met € 0,5 mln per jaar. Dit vanwege de subsidietaakstelling en de overheveling naar DGTP.

12. In verband met de subsidietaakstelling wordt voorgesteld het budget voor het internationale ruimtevaartprogramma te korten met een bedrag oplopend van € 1 mln in 2004 tot € 10 mln in 2007. In 2007 betekent dit een reductie van het budget met circa 20%. In de Ministersconferenties van november 2001 en mei 2003 heeft EZ zich voor diverse jaren gecommiteerd aan deelname aan ESA-programma's. Om de budgettaire korting vanaf 2005 te kunnen doorvoeren, zal Nederland in ESA-verband op de Ministersconferentie in 2005 terughoudender op programma's moeten inschrijven dan tot dusver gebruikelijk. Deze budgetverlaging heeft gevolgen voor de VBTB-streefwaarden van de voor ruimtevaart geldende prestatie-indicatoren, zoals deze aan de Kamer zijn gemeld met de statusbrief van 19 december 2002 (Tweede Kamer, 2002/2003, 24 446, nr. 17) over ruimtevaart. In de statusrapportage van ultimo 2003 zal nader op deze gevolgen worden ingegaan.

13. Ter invulling van de subsidietaakstelling wordt het budget voor opdrachtverlening aan Syntens structureel met ruim € 1,6 mln verlaagd. Dit betreft circa 5 procent van het meerjarige budget. De verlaging wordt gefaseerd doorgevoerd, te beginnen met € 0,8 mln in 2004, vervolgens € 1,2 mln in 2005 en vanaf 2006 € 1,6 mln structureel. De verlaging is naar verwachting mogelijk zonder beleidsmatige gevolgen, omdat een herziening van de regionale presentie van Syntens, ROM's en Kamers van Koophandel zal plaatsvinden waar synergie-effecten uit moeten voortvloeien. Aangezien de VBTB-prestatie-indicatoren op het niveau van het algemene beleidsdoel liggen, heeft de korting geen gevolgen voor de streefwaarden.

14. Deze mutatie houdt verband met het feit dat Nederland in de tweede helft van 2004 het voorzitterschap van de Europese Unie en Eureka vervult. De voorbereidingen hiervoor starten in 2003 en de werkzaamheden lopen door tot en met 2005.

15. De adviezen van het Europees Octrooibureau (EOB) betreffen werkzaamheden die het Bureau voor de Industriële Eigendom (BIE) uitbesteedt aan het EOB. Het gaat hierbij om nieuwheidsonderzoeken voor 20-jarige nationale octrooien. De budgetverlaging is mogelijk omdat sprake is van een trend naar Europees en EU-octrooi, waardoor minder nationale octrooien nodig zijn. De korting loopt op naar circa 40% van het budget in 2007.

17. Deze mutatie betreft de verlaging van de terugontvangsten voor de regeling Technologische Ontwikkelingsprojecten (TOP). Het budget van deze regeling is per 1 januari 2003 op nul gesteld in het kader van de subsidietaakstelling uit het Strategisch Akkoord, waardoor de terug te ontvangen subsidies geleidelijk zullen afnemen. De raming in het jaar 2003 is aanzienlijk verhoogd, in verband met enkele omvangrijke niet-geraamde terugontvangen subsidies.

18. Voor de toelichting wordt verwezen naar mutatie 7.

Artikel 3 Bevorderen ondernemingsklimaat

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20012002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003  637 765583 907592 919601 133601 097 
Mutatie Nota van Wijziging  – 18 163– 18 984– 19 162– 20 578– 20 578 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003  108 874– 81– 79– 18– 156 
Nieuwe mutaties  – 23 648– 8 829– 13 986– 16 3942 331 
1. Bedrijventerreinen  – 45 378     
2. Scheepsbouw  20 000     
3. Correctie extrapolatie GSB en EFRO      23 520 
4. Ombuiging regionale structuurversterking   – 5 000– 8 125– 8 125– 11 125 
5. Ombuiging Suppletieinstr. K&I   – 4 625– 4 625– 4 625– 4 625 
6. Ombuiging Toerisme   – 1 100– 2 200– 3 300– 4 400 
7. Ombuiging instituten en ROM's   – 96– 1 191– 2 787– 3 882 
8. Apparaatstaakstellingen  – 144– 365– 375– 379– 379 
9. Rentemeevaller JSF   4006009001 300 
10. Loon- en prijsbijstelling  1 5541 6051 5781 5701 570 
11. Overig  3203523523523 52 
Stand ontwerp-begroting 20041 760 375623 151704 828556 013559 692564 143582 694586 894
Waarvan nog te betalen680 779255 071261 249185 930190 093195 122213 673216 407
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 311 041323 300300 705281 192262 226 
Mutatie Nota van Wijziging – 15 160– 17 573– 18 963– 23 565– 22 204 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003 5 0034 4851 843– 556– 338 
Nieuwe mutaties 36 3668 686– 22 821– 33 875– 16 460 
Stand ontwerp-begroting 2004274 663337 250318 898260 764223 196223 224227 071
w.v. Algemeen28 88032 60634 30225 95124 81224 06625 732
w.v. Fysieke ruimte175 376227 704220 124199 152171 037173 073175 357
w.v. Productiefactoren25 14324 95822 68121 69120 18519 12919 317
w.v. Partner voor overh. en bedrijfsl.45 26451 98241 79113 9707 1626 9566 665
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 35 06327 87621 70719 62315 745 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003       
Nieuwe mutaties   2 608   
12. FES-bijdrage bedrijventerreinen   2 608   
Stand ontwerp-begroting 200423 00235 06327 87624 31519 62315 74518 145

Toelichting mutaties

1. Bij de behandeling van de ontwerpbegroting 2001 is het tweede amendement Hindriks (Kamerstukken II, 2001/02, 28 000 XIII, nr. 23) aangenomen. Onder meer vanwege het ontbreken van dekking voor dit amendement heeft EZ de Tweede Kamer eerder geïnformeerd dat de strekking van het amendement mee zou worden genomen in de ICES-impuls die voor 2002 was gepland. Deze impuls is niet doorgegaan. De verplichtingenruimte komt daarom te vervallen.

2. In de 1e suppletore begroting 2003 is voor 2003 € 40 mln gereserveerd voor de Tijdelijke Regeling Ordersteun Scheepsnieuwbouw (TROS). Voor de totale looptijd is € 60 mln gereserveerd. Het aantal aanvragen is momenteel groot genoeg om te verwachten dat in 2003 het volledige bedrag kan worden gecommitteerd. Voorgesteld wordt om de resterende € 20 mln ook in 2003 ter beschikking te stellen.

3. De mutatie betreft een correctie van het in de begroting 2003 abusievelijk te laag geëxtrapoleerde bedragen voor het Grotestedenbeleid (€ 13,7 mln) en cofinanciering EFRO (€ 9,8 mln).

4. Van de uit het Hoofdlijnenakkoord Balkenende II voortvloeiende bezuiniging op subsidies is een deel ingevuld met de middelen voor regionale structuurversterking. Daarbij is er voor gekozen de ombuiging volledig bij de centrale IPR te leggen. Dit is gedaan om de bestuurlijke flexibiliteit voor de noordelijke provincies bij de uitvoering van Kompas tot en met 2006 zo veel mogelijk intact te laten. Als gevolg van de ombuiging op de centrale IPR zijn de gemiddelde streefwaarden van EZ-Kompas voor de periode 2000 – 2006 voor additionele werkgelegenheid (was 2075 fte en wordt nu 1990 fte) en uitgelokte investeringen (was € 420 mln en wordt nu € 395 mln) naar beneden bijgesteld. Vanaf 2007 zal € 3 mln extra worden omgebogen op de middelen voor regionale structuurversterking.

5. In het kader van de subsidietaakstelling wordt omgebogen op het suppletie-instrument. Het suppletie-instrument is in de afgelopen jaren vooral van belang is geweest voor het kunnen accommoderen van een – op jaarbasis beperkt – aantal m.n. kapitaalintensieve projecten. Dit geldt enerzijds voor de projecten met omvangrijke investeringen in gebouwen en machines in IPR-gebieden (IPR-suppletie) en anderzijds voor met name chemie-projecten in de Nederlandse havens, waarbij het suppletie-instrument is ingezet om haveninfrastructurele investeringen te helpen realiseren die mede ten goede kwamen aan deze buitenlandse investeerders. De realisatie van dergelijke projecten is gelet op het geringe budget nauwelijks meer mogelijk. De negatieve effecten van de ombuiging op het suppletie-instrument in termen van arbeidsplaatsen en investeringen zal naar verwachting door de licht aantrekkende Amerikaanse economie worden gecompenseerd. De streefwaarden blijven derhalve ongewijzigd.

6. De ombuiging betreft de afbouw van een kwart van de subsidie aan bestaande inspanningen van TRN (oplopend tot € 5,5 mln). De Vernieuwde Toeristische Agenda (VTA) die in het najaar 2003 aan de TK wordt aangeboden bevat specifieke voorstellen tot een andere inzet van middelen met gerichter ambities. Bovendien wordt gestreefd naar een meer doelmatige organisatie van TRN. De huidige streefwaarde wordt niet aangepast.

7. Op de bijdragen aan het Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf (EIM) en de Regionale Ontwikkelingsmaatsschappijen (ROM's) wordt omgebogen voor een oplopend bedrag tot resp. € 3,5 mln. structureel en € 0,38 mln. structureel. Afbouw van de bijdrage aan het EIM heeft als achtergrond dat het in stand houden van de huidige informatievoorziening onvoldoende bijdraagt aan de doelstelling voor ondernemerschap. EIM-produkten zullen in de toekomst meer op basis van concrete vraag worden afgenomen. Bij de ROM's wordt een efficiencytaakstelling doorgevoerd. Bij een heroriëntatie op de regionale presentatie zal een stroomlijning plaatsvinden van Syntens, de Kamers van Koophandel en de ROM's. Beide ombuigingen hebben geen gevolgen voor de streefwaarden.

8. Deze mutatie betreft de (gedeeltelijke) invulling van de taakstellingen op apparaatuitgaven uit de kabinetten Balkenende I en II. Zie de toelichting bij artikel 22 voor een nadere toelichting.

9. Als gevolg van een lagere dollarkoers bij de contractondertekening van de JSF-EMD-fase is het bedrag dat wordt voorgefinancierd door het Ministerie van Financiën lager dan aanvankelijk geraamd. De hierdoor onstane rentemeevaller komt ten goede aan EZ en Defensie.

12. De mutatie betreft de uit 2002 doorgeschoven Fes-bijdrage voor herstructuring van bedrijventerreinen.

Artikel 4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20012002200320042005200620072008
Stand ontwerpbegroting 2003  205 689243 555216 116215 902215 901 
Mutatie Nota van Wijziging  – 3 000– 3 042– 3 148– 3 254– 254 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2003  82 054153747474 
Nieuwe mutaties  94 44290 360– 59 504– 79 832– 80 147 
1. Joint Implementation  95 21984 500– 70 000– 70 000– 70 000 
2. techn.mutatie ivm onderzoek en transitie  00000 
3. energietransitie   15 00020 000   
4. bijdrage aan Novem en Senter   – 5 000– 5 000– 5 000– 5 000 
5. programma Duurzame Energie   – 2 000– 2 000– 2 000– 2 000 
6. bijdrage aan ECN   – 2 000– 2 000– 2 000– 2 000 
7. apparaattaakstelling  – 1 012– 1 285– 1 642– 1 966– 2 281 
8. overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  2351 1451 1381 1341 134 
Stand ontwerp-begroting 2004429 426290 283379 185331 026153 538132 890135 574170 020
Waarvan nog te betalen292 878214 505319 247322 581152 316132 672135 357167 803
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerpbegroting 2003 206 671261 628241 467242 476228 332 
Mutatie Nota van Wijziging – 300– 1 592– 3 148– 4 704– 2 954 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2003 16 511– 2 258– 3 085– 3 888– 2 942 
Nieuwe mutaties 22 841– 45 789– 55 403– 42 968– 37 288 
Stand ontwerpbegroting 2004141 894245 723211 989179 831190 916185 148194 836
w.v. Algemeen59 97894 37764 39129 58427 70025 70934 188
w.v. Verbetering energie-efficiëntie41 62562 23461 69642 26930 68724 96213 963
w.v. Duurzame energie26 74857 13027 07425 57722 03624 86415 634
w.v. CO2-reductieregelingen13 54331 98225 03329 93327 23327 53345 000
w.v. Onderzoek en transitie  33 79552 46883 26082 08086 051
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerpbegroting 2003 11 91211 91211 91211 91211 912 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2003 34 000     
Nieuwe mutaties  – 417– 417– 417– 417 
Stand ontwerpbegroting 200437 82045 91211 49511 49511 49511 49511 495

Ten opzichte van de begroting 2003 is een aantal wijzigingen in beleidsartikel 4 doorgevoerd. Met deze wijzigingen zijn de publieke belangen ten aanzien van energie (met uitzondering van het beheer bodemschatten) in één begrotingsartikel ondergebracht. Twee operationele doelen zijn toegevoegd: Voorzieningszekerheid en leveringszekerheid (operationeel doel 4.2.1) en Onderzoek en transitie (operationeel doel 4.2.5). De operationele doelen voor energie-efficiëntieverbetering en duurzame energie (waaronder nu ook groene markt) zijn gehandhaafd. Het operationele doel ten aanzien van CO2-reductie is aangescherpt. De budgettaire herschikking die met de nieuwe indeling gepaard gaat, komt navolgend bij de «toelichting mutaties» aan de orde.

De mutaties leiden tot de volgende nieuwe indeling:

Begroting 2003Begroting 2004
AlgemeenAlgemeen
 4.2.1 Voorzieningszekerheid (nieuw)
4.2.1 Energie-efficiëntie4.2.2 Energie-efficiëntie
4.2.2 Duurzame energie4.2.3 Duurzame energie
4.2.3 CO2-reductieregelingen4.2.4 CO2-reductieregelingen
4.2.4 Internationaal beleid (vervallen) 
 4.2.5 Onderzoek en transitie (nieuw)

Toelichting mutaties

1. In het Regeerakkoord 1998 zijn middelen beschikbaar gesteld voor Joint Implementation. Via dit instrument wordt een deel van de Nederlandse Kyoto-doelstelling voor CO2-reductie in het buitenland gerealiseerd. De bezuiniging uit het Strategisch Akkoord op HGIS heeft geleid tot verlaging van de raming op JI. Deze aanpassing is mogelijk omdat uiteindelijk de gemiddelde aankoopprijs van CO2-reductierechten naar de huidige inzichten substantieel lager zal uitvallen dan waar eerder mee is gerekend. Daardoor kan EZ met een kleiner budget de aankopen financieren die nodig zijn om de CO2-doelstelling te realiseren.

Daarnaast worden de budgetten bijgesteld op grond van de huidige inschatting van daadwerkelijk te verplichten bedragen en de daarop te verrichten betalingen.

2. Aan beleidsartikel 4 is in 2004 een operationele doelstelling voor Onderzoek en transitie toegevoegd. Ten gunste van deze doelstelling is binnen het beleidsartikel een bedrag van € 82,7 mln bedoeld voor energie-innovatie herschikt. Een belangrijk deel van de herschikking betreft de jaarlijkse subsidie aan het Energiecentrum Nederland (ECN). Hiervoor is in 2004 € 30,3 mln geraamd.

3. Binnen de Nederlandse energiehuishouding is de komende decennia een transitie naar duurzaamheid nodig. Energietransitie begeleidt deze ontwikkeling. Het concept krijgt thans handen en voeten binnen vier projecten: Nieuw Gas, Duurzaam Rijnmond, Modernisering Energieketens en Biomassa. Elk project werkt aan een visie en zogenaamde transitiepaden. Vervolgens worden experimenten benoemd die het beste passen bij de ideeën over energietransitie. Met het budget van € 35 mln kunnen in 2004 (€ 15 mln) en 2005 (€ 20 mln) deze transitie-experimenten worden gefinancierd, in aanvulling op bijdragen van de maatschappelijke actoren zelf.

4. Door internalisering van het energiebesparingsbeleid, ombuigingen en een terughoudend opdrachtenbeleid kan de raming van de uitvoeringskosten van Novem (€ 3 mln) en Senter (€ 2 mln) verlaagd worden. Deze verlaging heeft geen gevolgen voor de realisatie van de operationele doelstellingen.

5. Vanaf 2004 wordt € 2 mln omgebogen op de programma's Duurzame Energie. De bezuiniging wordt onder meer bij het facilitaire, adviserende en beleidsondersteunende onderdeel van de programma's gevonden. Daarvan is het beleidsmatig effect beperkt.

6. Met ingang van 2004 zal het Ministerie van VROM de bijdrage van EZ aan milieuonderzoek overnemen (€ 2 mln). De ruimte die hierdoor ontstaat, wordt ingezet als invulling van de subsidietaakstelling.

7. Deze mutatie betreft de (gedeeltelijke) invulling van de taakstellingen op apparaatuitgaven uit de kabinetten Balkenende I en II. Zie de toelichting bij artikel 22 voor een nadere toelichting.

Artikel 5 Buitenlandse economische betrekkingen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20012002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003  189 764189 704189 621189 572189 572 
Mutatie Nota van Wijziging  – 14 600– 14 613– 23 645– 23 677– 23 677 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003  743743743743743 
Nieuwe mutaties  4 139– 24 545– 26 091– 25 920– 25 929 
1. Overheveling Benelux   – 3 000– 3 000– 3 000– 3 000 
2. Overloop PUM/IHRD  1 130     
3. EU-voorzitterschap   2 650    
4. Apparaattaakstellingen  – 128– 378– 453– 471– 480 
5. Taakstellingen HGIS   – 22 802– 24 251– 24 052– 24 052 
6. Prijsbijstellingen HGIS  637594534527527 
7. Overige beleidsmatige niet-relevante mut.  2 5001 0811 0791 0761 076 
Stand ontwerp-begroting 2004477 160260 300180 046151 289140 628140 718140 709140 709
Waarvan nog te betalen260 340171 575153 491130 169122 003119 882120 824120 674
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 190 469167 844169 830166 304163 700 
Mutatie Nota van Wijziging – 10 000– 10 013– 19 045– 19 077– 19 077 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003 743743743743743 
Nieuwe mutaties – 4 456– 10 675– 17 439– 19 748– 18 913 
Stand ontwerp-begroting 2004221 994176 756147 899134 089128 222126 453127 114
w.v. Algemeen10 43511 46013 37110 62810 54310 54310 543
w.v. Europese interne markt2 8013 083     
w.v. Multil. Handels- en invest. syst.5 6324 5824 0854 0393 8073 8073 807
w.v. Ned.presentie op buitenl. markten203 126157 631130 443119 422113 872112 103112 764
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 1 8151 8151 8151 8151 815 
Stand ontwerp-begroting 200411 4331 8151 8151 8151 8151 8151 815

Toelichting mutaties

1. Betreft een overheveling van het budget ten behoeve van de Nederlandse bijdrage aan de Benelux naar de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Per 1 september 2003 zal de Benelux-coördinatie aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden overgedragen. De taken van de Benelux zijn in de loop der jaren veranderd en sluiten daardoor beter aan bij de beleidsdoelstellingen van Buitenlandse Zaken, die ook politiek verantwoordelijk is voor de Benelux. EZ zal de contributieafhandeling voor het jaar 2003 nog op zich nemen.

2. Normaliter worden de verplichtingen voor de uitvoering van het programma voor de PUM/IHRD in het jaar voorafgaande het uitvoeringsjaar gecommitteerd. In 2002 is dit echter niet gelukt vanwege vertraging in het offertetraject. Voorgesteld wordt daarom het hiervoor gereserveerde bedrag van € 1,13 mln aan verplichtingen te verschuiven naar 2003.

3. Dit betreft de uitgaven in het kader van het Nederlandse EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2004. Het betreft specifiek het organiseren van onder meer de volgende bijeenkomsten/raden: Informele Raad voor Concurrentievermogen, Informele bijeenkomst van Handelsministers, ASEM Economic Ministers, Informele High Level Group Raad voor Concurrentievermogen en bijdrage aan een ministerieel seminar over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

4. Deze mutatie betreft de (gedeeltelijke) invulling van de taakstellingen op apparaatuitgaven uit de kabinetten Balkenende I en II. Zie de toelichting bij artikel 22 voor een nadere toelichting.

5. Deze mutatie betreft het EZ deel van de invulling van de HGIS (Homogene Groep Internationale Samenwerking) taakstelling uit het hoofdlijnenakkord. In onderstaande tabel is deze taakstelling uitgesplitst naar de betreffende instrumenten.

 2004200520062007
a. BSE (ROF)8 06510 71410 71510 715
a. PSO-PA5 0005 0005 0005 000
a. PSO3 0003 0002 8002 800
d. Trustfunds5 7373 2373 2373 237
e. TA regeling1 3001 3001 300
f. Studie cum stage1 00001 0001 0001 000
Totaal22 80224 25124 05224 052

Ad a. Het beroep op de Rente Overbruggingsfaciliteit (ROF) is praktisch nihil. Door de lage rentestanden is er momenteel weinig te overbruggen aan renteverschillen. Hierdoor is het verantwoord om de ROF op te heffen.

Ad. b. De toetreding van tien nieuwe lidstaten in 2004 leidt ertoe dat het budget voor het Programma Samenwerking Oost-Europa Pre-Accessie (PSO PA) kan worden verlaagd. In de landen die in 2004 toetreden wordt het programma uitgefaseerd over een periode van drie jaar. Dit betekent dat in deze landen geen nieuwe lange projecten worden gestart en dat lopende projecten worden afgerond.

Ad c. Sinds 2003 omvat het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) een business to business gedeelte. Door middel van tendering geven bedrijven aan voor welke landen zij interesse hebben. Verwacht wordt dat een beperkt aantal landen dan niet meer in aanmerking komt voor PSO. Hierdoor is een beperkte bezuiniging op dit budget verantwoord.

Ad d. Bij nota van Wijziging 2003 is vanaf 2005 reeds € 4,5 mln bezuinigd op de Trustfunds bij de EBRD en de IFC, als gevolg van tegenvallende resultaten. Met de nog resterende middelen op de begroting van EZ wordt een deel van de HGIS-taakstelling ingevuld. Dit draagt namelijk niet direct bij aan de versterking van het groeivermogen van de Nederlandse economie en is te gering van omvang om te passen binnen een gestroomlijnd instrumentarium.

Ad e. Om de HGIS-taakstelling te kunnen invullen wordt een beperkt beroep op de Technische Assistentie (TA) regeling gedaan. Door de beperkte omvang van deze bezuiniging zal het halen van de doelstellingen van de regeling niet in gevaar komen.

Ad f. In het kader van het invullen van de HGIS-taakstelling wordt het studie cum stage-programma stopgezet. Hiertoe zal de subsidierelatie met de Baak worden beëindigd.

6. Dit betreft de toedeling van de prijsbijstellingstranche 2003 in HGIS-verband.

Artikel 6 Vitale belangen ten tijde van crises

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20012002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003  82 32582 32582 32582 32582 325 
Mutatie 1e suppl. begroting 2003  109109109109109 
Nieuwe mutaties  2524242424 
Stand ontwerp-begroting 2004907 63785 72182 45982 45882 45882 45882 45882 458
Waarvan nog te betalen7785 72182 45982 45882 45882 45882 45882 458
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2002200320042005200620072008</