nr. 4
VERSLAG
Vastgesteld 3 oktober 2003
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,1 belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel,
brengt onderstaand verslag uit over haar bevindingen. Met een tijdige en afdoende
beantwoording van de daarin opgenomen vragen en opmerkingen door de regering
acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Algemeen
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de dierproeven. Wel hebben zij nog
enkele vragen en opmerkingen. Genoemde leden constateren dat de reden voor
dit wetsvoorstel ligt in het feit dat het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen door middel van een arrest op 16 januari 2003 heeft bepaald
dat richtlijn nr. 86/609/EEG onvolledig is omgezet. Welke redenen lagen bij
de implementatie van richtlijn nr. 86/609/EEG, 12 september 1996, ten grondslag
aan het niet volledig overnemen van de inhoud van deze richtlijn? Vanaf 16
januari was bekend dat de Wet op de dierproeven dient te worden gewijzigd.
Waarom bereikt de Kamer nu pas dit voorstel tot wijziging? Kan de regering
het spoedeisende karakter van dit wetsvoorstel verklaren? Heeft het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest een uiterste datum genoemd
waarop de richtlijn dient te zijn geïmplementeerd?
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de mededeling dat
het advies van de Raad van State bij het voorliggende wetsvoorstel niet openbaar
wordt gemaakt omdat het zonder meer instemmend luidt. Deze instemming verheugt
hen, maar zij verzoeken de regering alsnog het advies van de raad van State
openbaar te maken zodat kennisgenomen kan worden van de argumentatie waarom
de Raad van State tot dit advies is gekomen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel
Wijziging van de Wet op de dierproeven, en kunnen zich geheel vinden in de
voorgestelde wijziging. Zij steunen het streven om onnodige dierproeven te
voorkomen door gebruik te maken van resultaten van reeds verrichte
dierproeven in andere landen. Ten aanzien van de wetswijziging hebben deze
leden geen vragen.
Administratieve lasten
De memorie van toelichting geeft aan dat het onderhavige voorstel tot
Wijziging van de Wet op de dierproeven geen verandering van de administratieve
lastendruk met zich mee zal brengen. De leden van de CDA-fractie betreuren
dat er kennelijk geen mogelijkheid is om te komen tot vermindering van de
administratieve lastendruk met het in stand houden van een zorgvuldige toetsing.
Leidt het voorleggen van een voorgenomen proef aan uitsluitend de Centrale
commissie dierproeven niet tot een vermindering van procedures en administratieve
lastendruk? Is het voor een dierexperimentencommissie mogelijk om voldoende
zorgvuldig te toetsen of een vergelijkbare dierproef al in een andere lidstaat
van de Europese Unie heeft plaatsgevonden of plaatsvindt? Zal een toetsing
uitsluitend door de Centrale commissie dierproeven niet alleen resulteren
in minder administratieve lastendruk en éénduidiger besluitvorming,
maar ook in het beoogde doel van deze wetswijziging, namelijk minder dierproeven?
Artikelsgewijs
Artikel I, onder A (wijziging van artikel 10a)
De leden van de CDA-fractie constateren dat aan artikel 10a van de Wet
op de dierproeven een lid 7 wordt toegevoegd. Daarmee wordt beoogd dat een
dier voor een dierproef mag worden vrijgelaten indien de gezondheidstoestand
van het dier zulks toelaat en er geen gevaar bestaat voor de volksgezondheid
en het milieu. De beslissing over het vrijlaten wordt genomen door de dierexperimentencommissie
en de Centrale commissie dierproeven. Kunnen deze commissies in voldoende
mate de gevolgen van het loslaten van een proefdier voor de volksgezondheid
en het milieu inschatten? Worden risico's voor de diergezondheid van andere
dieren betrokken bij de besluitvorming? De leden van de CDA-fractie vragen
of het vrijlaten van een proefdier wel een wenselijke situatie is. Kan een
praktijkvoorbeeld worden gegeven? Zijn sinds de implementatie van de richtlijn
in 1996 dierproeven afgewezen omdat dieren tijdens een proef vrijgelaten zouden
worden?
Volgens het toegevoegde lid 8 wordt de geldigheid van gegevens die het
resultaat zijn van proeven die in een andere lidstaat zijn verricht «zoveel
mogelijk» erkend. De leden van de CDA-fractie vragen of deze formulering
niet tot een zekere vrijblijvendheid kan leiden. Voldoet deze formulering
aan voldoende uniformering van regelgeving in de overige lidstaten van de
Europese Unie? Deze beoordeling wordt bij een dierexperimentencommissie gelegd
en in tweede instantie bij de Centrale commissie dierproeven. Is het niet
wenselijk om deze beoordeling in eerste instantie toe te wijzen aan de Centrale
commissie dierproeven? Wordt een besluit om een dierproef, die reeds op het
grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie is verricht, alsnog
nodig te achten, openbaar gemaakt en met redenen omkleed?
Artikel I, onder B (wijziging van artikel 25)
De wijziging van artikel 25 betreft het toevoegen van artikel 10c, waardoor
wordt voorgesteld overtreding van artikel 10c als een misdrijf te bestempelen.
De leden van de CDA-fractie nemen kennis van de noodzaak van deze wijziging
voor een doeltreffende handhaving van de wet. In de memorie van toelichting
staat dat deze wijziging door een niet te achterhalen oorzaak achterwege is
gebleven bij de wetswijziging van 1996. Artikel 10c verbiedt het
ontwikkelen van een dierproef voor cosmetica. Is dat de reden waarom destijds
artikel 10c niet is toegevoegd? Wat betekent dit voor de import van cosmeticaproducten
uit landen buiten de Europese Unie die getest zijn op proefdieren?
De voorzitter van de commissie,
Terpstra
De adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Terpstra (VVD), voorzitter, Van der Vlies (SGP), Kalsbeek (PvdA),
Rijpstra (VVD), Bakker (D66), Buijs (CDA), Atsma (CDA), ondervoorzitter, Arib
(PvdA), Vendrik (GL), Kant (SP), Smilde (CDA), Omtzigt (CDA), Smits (PvdA),
Örgü (VVD), Verbeet (PvdA), Van Oerle-van der Horst (CDA), Vergeer-Mudde
(SP), Vietsch (CDA), Tonkens (GL), Joldersma (CDA), Van Heteren (PvdA), Nawijn
(LPF), Van Dijken (PvdA), Timmer (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Hermans (LPF)
e Schippers (VVD).
Plv. leden: Luchtenveld (VVD), Rouvoet (CU), Verdaas (PvdA), Griffith,
MPA (VVD), Van der Ham (D66), Ferrier (CDA), Çörüz (CDA),
Blom (PvdA), Halsema (GL), Gerkens (SP), Mosterd (CDA), Eski (CDA), Dijsselbloem
(PvdA), Weekers (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA),
De Ruiter (SP), Ormel (CDA), Van Gent (GL), Van Loon-Koomen (CDA), Waalkens
(PvdA), Varela (LPF), Bussemaker (PvdA), Heemskerk (PvdA), Blok (VVD), Kraneveldt
(LPF) en Hirsi Ali (VVD).