Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200329034 nr. A

29 034
Wijziging van enkele belastingwetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten

A
OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN VAN DE MEMORIE VAN TOELICHTING, ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOOR ZOVER NADIEN GEWIJZIGD

I VOORSTEL VAN WET

Het in artikel I opgenomen artikel 17a, tweede lid, ten derde, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 luidde:

3°. de gerechtigde tot de schuldvordering en de Nederlandse vennootschap zijn in de lidstaat van vestiging zonder keuzemogelijkheid en zonder er van te zijn vrijgesteld, onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, ten derde, van de eerdergenoemde richtlijn;

II MEMORIE VAN TOELICHTING

1. In de derde alinea van paragraaf 2 van het algemene gedeelte, ontbrak de passage vanaf «Deze belastingverdragen».

2. de toelichting op artikel I, vierde alinea, luidde als volgt:

De overige voorwaarden komen in grote lijnen overeen met de voorwaarden gesteld in artikel 13g van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op EU beleggingsdochters alsmede artikel 4a van de Wet op de dividendbelasting 1965, welke bepalingen strekken ter implementatie van de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (de Moeder-dochterrichtlijn). Nieuw is de aan artikel 1, achtste lid, van Richtlijn 2003/49/EG ontleende voorwaarde dat de schuldvorming bij de schuldeiser niet behoort tot het vermogen van een buiten de lidstaten van de Europese Unie gelegen vaste inrichting. Ten aanzien van het begrip vaste inrichting kan worden aangesloten bij de definitie in artikel 2 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Deze definitie is gebaseerd op artikel 5 van het OESO Modelverdrag, waarop de definitie van het begrip «vaste inrichting» in artikel 3, onderdeel 3, van Richtlijn 2003/49/EG is gebaseerd.

3. In de toelichting op artikel I ontbrak de zesde alinea, beginnend met: Artikel 1, elfde tot en met veertiende lid.