Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429034 nr. 5

29 034
Wijziging van enkele belastingwetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 23 oktober 2003

Algemeen

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de VVD en D66 geven aan met belangstelling te hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie vragen de gevolgen voor de internationale kapitaalsverhoudingen te schetsen, nu lidstaten in richtlijnsituaties moeten afzien van een bronbelasting. Eén van de doelstellingen van de interest- en royaltyrichtlijn is het voorkomen van dubbele belasting over interest- en royaltybetalingen binnen een Europees concern. In veel situaties die gedekt worden door de richtlijn kan dubbele belasting die ontstaat door de heffing van bronbelasting op interest- en royaltystromen thans al voorkomen worden door de toepassing van belastingverdragen tussen de lidstaten. In dat opzicht ligt het niet voor de hand dat als gevolg van de toepassing van de richtlijn opmerkelijke verschuivingen in de kapitaalsverhoudingen tussen de lidstaten zullen optreden. Wel moet nog worden bedacht dat de richtlijn er mede op is gericht om de administratieve lasten die met de noodzakelijke procedures onder belastingverdragen gemoeid zijn weg te nemen en verder om te voorkomen dat ondernemingen cashflow problemen zouden hebben doordat zij voorafgaand aan de voorkoming van dubbele belasting volledige bronbelasting moeten afdragen.

De leden van de D66-fractie vragen hoe zal worden voorkomen dat de wettelijke reparatie naar aanleiding van het «Bosal-arrest» in strijd komt met de richtlijn.

Deze vraag kan niet worden beantwoord, zonder nader in te gaan op de inhoud van de reparatiemaatregelen. Daarom geef ik er de voorkeur aan deze vraag te beantwoorden bij de behandeling van het wetsvoorstel waarin deze reparatiemaatregelen zijn opgenomen (Belastingplan 2004).

De door de leden van de fractie van D66 gevraagde reactie op het commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (de Orde) wordt gegeven daar waar deze onderwerpen aan de orde komen.

De leden van de PvdA-fractie stellen dat de interest- en royaltyrichtlijn geen rekening houdt met de winstbelasting in de landen die in 2004 toetreden tot de Europese Unie en vragen wat dit betekent voor verantwoorde implementatie van de richtlijn in deze landen. Ik ga ervan uit dat deze leden doelen op budgettaire consequenties die de invoering van de interest- en royaltyrichtlijn zou hebben voor de toetreders, die immers vanaf het moment van toetreding in richtlijnsituaties moeten afzien van bronbelasting. Voor landen die kennis, bijvoorbeeld vastgelegd in patenten en octrooien, en kapitaal, bijvoorbeeld in de vorm van leningen, importeren kan een bronbelasting op grensoverschrijdende royalty- en rentebetalingen een belangrijke bron van belastinginkomsten zijn. De toetreders zijn op grond van de onderscheiden toetredingsverdragen gehouden tot volledige implementatie en toepassing van de interest- en royaltyrichtlijn. Het is aan deze landen zelf om hiermee bij de opstelling van hun begrotingen rekening te houden.

Aanpassing van Nederlandse wetgeving

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de gevolgen van de aanpassingen voor uitkeringen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Om hoeveel belastingplichtigen gaat het en welk belastingbedrag is hiermee gemoeid?

Hierover merk ik het volgende op. Uitkeringen op leningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hybride leningen), worden voor de toepassing van de Wet op de dividendbelasting behandeld als een winstuitdeling. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Richtlijn 2003/49/EG, behoeven de voordelen van die richtlijn niet te worden toegekend ter zake van uitkeringen die volgens het nationaal recht van de bronstaat als een winstuitkering worden behandeld. De invoering en implementatie van de Richtlijn 2003/49/EG heeft dus geen gevolgen voor de fiscale behandeling van uitkeringen op hybride leningen. Voor een nadere toelichting verwijs ik ook naar de antwoorden die hierna zijn opgenomen.

De vraag van de leden van de fractie van het CDA over de definitie van het begrip «interest» wordt beantwoord bij de vragen over de artikelsgewijze toelichting.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er geen wijzigingen worden voorgesteld in de Wet op de dividendbelasting 1965, gezien het feit dat de definitie van interest in artikel 2 van de richtlijn inkomsten uit winstdelende obligaties omvat, terwijl deze inkomsten in Nederland onder omstandigheden als dividend worden behandeld.

Dit kan ik als volgt toelichten. Tot 1 januari 2002 werden inkomsten uit winstdelende obligaties voor de toepassing van de Wet op de dividendbelasting 1965 aangemerkt als een uitdeling van winst. Per 1 januari 2002 is de Wet op de dividendbelasting 1965 op dit punt gewijzigd. De gerechtigden tot de opbrengst van een schuldvordering worden alleen als belastingplichtigen voor de heffing van de dividendbelasting aangemerkt als deze schuldvordering kan worden aangemerkt als een hybride lening in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Op inkomsten uit winstdelende obligaties die niet als een hybride lening kunnen worden aangemerkt wordt dus geen bronheffing ingehouden. Voor de behandeling van de inkomsten uit hybride leningen verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen hierna.

De leden van de PvdA-fractie constateren grote overeenkomsten tussen de interest- en royaltyrichtlijn enerzijds en de moeder-dochterrichtlijn anderzijds en vragen in te gaan op overeenkomsten en verschillen, vooral in het licht van de voorstellen van de NOB om deze twee richtlijnen beter op elkaar af te stemmen. De voornaamste overeenkomst tussen de twee richtlijnen is dat ze beide zien op de afschaffing van bronbelasting op betalingen binnen een Europese multinational, met het oog op de voorkoming van dubbele belasting en het beperken van administratieve lasten. In het geval van de moeder-dochterrichtlijn gaat het om bronbelastingen op grensoverschrijdende dividendbetalingen door een dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij, waarbij de moedermaatschappij voor minstens 25 percent moet deelnemen in de dochter. Bij de interest- en royaltyrichtlijn gaat het om betalingen van interest en royalty's, met dien verstande dat de interest- en royaltyrichtlijn niet alleen ziet op grensoverschrijdende betalingen, over en weer, tussen moedermaatschappijen en dochtermaatschappijen, maar ook op betalingen tussen zustervennootschappen. Daarbij geldt eveneens een minimum deelnemingspercentage van 25 percent. In het geval van de zustermaatschappijen wil dit zeggen dat een derde vennootschap, de gemeenschappelijke moeder, een belang heeft van minstens 25 percent in beide zustervennootschappen. Een belangrijk verschil tussen beide richtlijnen is nog dat de moeder-dochterrichtlijn ook ziet op de belastingheffing op het niveau van de ontvanger van de dividendbetaling, dat wil zeggen de moedervennootschap. De richtlijn schrijft grosso modo voor dat het ontvangen dividend moet worden vrijgesteld, dan wel dat verrekening moet plaatsvinden met op het niveau van de dochtermaatschappij geheven belasting. Een dergelijk voorschrift kent de interest- en royaltyrichtlijn om voor de hand liggende redenen niet: de interest- en royaltybetalingen zijn immers bij de betaler ervan normaal gesproken juist in aftrek gekomen op de fiscale winst, terwijl de dividenden doorgaans worden uitbetaald uit de belaste winst van een vennootschap.

De Orde doet in zijn brief van 22 september 2003, onder punt ci en cii een tweetal concrete suggesties die naar zijn oordeel zouden bijdragen aan een betere afstemming tussen de interest- en royaltyrichtlijn en de moeder-dochterrichtlijn. De leden van de fractie van het CDA en D66 vragen een reactie op deze voorstellen. Naar aanleiding daarvan merk ik op dat het onderhavige wetsvoorstel strekt tot implementatie van de Richtlijn 2003/49/EG en ook alleen wijzigingen bevat die rechtstreeks uit de richtlijn voortvloeien. Grensoverschrijdende dividendbetalingen vallen buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel. Dat de behandeling van grensoverschrijdende dividendbetalingen niet onder alle omstandigheden exact gelijk is aan de behandeling van grensoverschrijdende betalingen van rente en royalty's, vloeit mede voort uit het feit dat deze betalingen naar hun aard ook niet volledig vergelijkbaar zijn. De vraag van de Orde of de implementatie van de Moeder-dochterrichtlijn, zoals die in de Wet op de dividendbelasting 1965 is vormgegeven, naar de huidige stand van de jurisprudentie nog wel op alle punten adequaat is, is een apart onderwerp dat de reikwijdte van dit wetsvoorstel te buiten gaat.

Ten aanzien van de uitkeringen op een hybride lening in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, merkt de Orde onder punt ciii op dat de Wet op de dividendbelasting 1965 alleen voorziet in een inhoudingsvrijstelling indien sprake is van een hybride lening die door een moedermaatschappij is verstrekt aan een dochtermaatschappij. De Orde doet de suggestie deze inhoudingsvrijstelling uit te breiden naar uitkeringen op hybride leningen die zijn verstrekt door dochter- of zustermaatschappijen in de zin van de Richtlijn 2003/49/EG.

Voor een dergelijke uitbreiding bestaat geen duidelijke aanleiding. Een uitkering op een hybride lening in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt voor de toepassing van de Wet op de dividendbelasting 1965 behandeld als een winstuitkering, waarop ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van die Wet dividendbelasting moet worden ingehouden. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Richtlijn 2003/49/EG, behoeven de voordelen van die richtlijn niet te worden toegekend ter zake van uitkeringen die volgens het nationaal recht van de bronstaat als een winstuitkering worden behandeld. Onder deze door de richtlijn geboden uitzonderingsmogelijkheid valt mede de geschetste fiscale behandeling van hybride leningen die zijn verstrekt door dochter- of zustermaatschappijen. De uitkering ingevolge een hybride lening is vrijgesteld van inhouding van dividendbelasting, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4a van de Wet op de dividendbelasting 1965. Ingevolge dat artikel worden uitkeringen van winst van een dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij vrijgesteld, indien de moedermaatschappij voor tenminste 25 per cent aandeelhouder is in de dochtermaatschappij, of in het bezit is van ten minste 25 per cent van de stemrechten in de dochtermaatschappij. Voorzover een uitkering van een hybride lening plaatsvindt aan een zuster- of dochtermaatschappij wordt niet voldaan aan deze voorwaarden. Op grond van de verstrekking van een hybride lening als zodanig onstaat geen deelnemingsrelatie in de zin van de Moeder-dochterrichtlijn en ook niet in de zin van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

In de memorie van toelichting wordt er op gewezen dat op grond van artikel 4a van de Wet op de dividendbelasting 1965 inhouding van dividendbelasting achterwege blijft bij uitbetaling van dividenden door Nederlandse vennootschappen aan hun buitenlandse moeders, gevestigd in andere lidstaten van de EU indien dividendbetalingen vallen onder het bereik van de moeder-dochterrichtlijn. Daarbij wordt aangegeven dat deze inhoudingvrijstelling ook geldt voor uitkeringen van interest op geldleningen, die door de werking van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de dividendbelasting 1965 als dividendbetaling zouden worden aangemerkt. De leden van de fractie van de VVD hebben gelijk dat de voorwaarden die zijn opgenomen in de moeder-dochterrichtlijn om voor toepassing van de inhoudingsvrijstelling in aanmerking te komen niet helemaal overeenkomen met de voorwaarden die zijn opgenomen in de interest- en royaltyrichtlijn.

Budgettaire gevolgen en administratieve lasten

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de overgangsbepaling uitwerkt bij ondernemingen die gebroken boekjaren kennen. Omdat het wetsvoorstel niet voorziet in een overgangsbepaling, neem ik aan dat deze leden de inwerkingtredingsbepaling bedoelen. Deze leden vragen in het bijzonder hoe wordt omgegaan met rente die vóór 2004 is gerijpt en in 2004 of later wordt uitbetaald.

Het wetsvoorstel treedt in werking per 1 januari 2004. Ook voor belastingplichtigen met een gebroken boekjaar geldt de vrijstelling die is opgenomen in artikel 17a, tweede lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vanaf dat tijdstip. Dit betekent dat de bepaling van artikel 17a, tweede lid, wordt toegepast op het deel van de rente dat tijdsevenredig toerekenbaar is aan het deel van het boekjaar dat valt in het kalenderjaar 2004. In welk jaar rente tot de winst van de belastingplichtige wordt gerekend, wordt bepaald aan de hand van de regels van het goedkoopmans gebruik.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I (artikel 17a Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

De leden van de fractie van het CDA vragen hoeveel belastingplichtigen een beroep kunnen doen op de voorgestelde wetswijziging en om welk belastingbedrag het gaat. Een exact inzicht in het aantal belastingplichtigen dat valt onder de werkingssfeer van artikel 17a, eerste lid, onderdeel c, bestaat niet, maar het is duidelijk dat dit een zeer gering aantal zal zijn. Zoals uiteengezet in de memorie van toelichting kent artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vooral een theoretische toepassing, omdat in de meeste belastingverdragen met EU-lidstaten het heffingsrecht voor de bronstaat niet of slechts beperkt kan worden uitgevoerd. Daar komt bij dat het Nederlandse heffingsrecht slecht betrekking heeft op de uitzonderlijke situatie dat de buitenlandse vennootschap die de interest ontvangt van een Nederlandse vennootschap een aanmerkelijk belang bezit in de schuldenaar en dit aanmerkelijk belang niet tot zijn ondernemingsvermogen kan worden gerekend.

De implementatie van de richtlijn is voor Nederland vanuit heffingsperspectief dus van relatief ondergeschikt belang.

In het nader rapport heb ik aangegeven dat het achterwege laten van de definiëring van het begrip interest hooguit kan leiden tot een ruimere vrijstelling. De leden van de fractie van het CDA vragen naar de consequenties van deze ruimere formulering. Op grond van het voorgestelde artikel 17a, tweede lid, worden alle voordelen uit schuldvorderingen vrijgesteld, mits wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling. Interest in de zin van de richtlijn zal in ieder geval als een voordeel uit schuldvordering worden aangemerkt. Gezien het gering aantal gevallen dat valt onder de reikwijdte van de regeling is de praktische betekenis van deze ruimere formulering zeer gering.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een reactie op een aantal suggesties die door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs zijn gedaan in de brief van 22 september 2003.

De Orde geeft, onder punt a, in overweging het voorgestelde artikel 17a, tweede lid, uit te breiden, zodat ook een fonds voor gemene rekening en een coöperatie onder het bereik van deze bepaling worden gebracht.

Een dergelijke uitbreiding zou zonder betekenis zijn. De toepassing van artikel 17a, eerste lid, onderdeel c, beperkt zich namelijk tot schuldvorderingen op een Nederlandse «vennootschap». Omdat een fonds voor gemene rekening of coöperatie niet als vennootschap kan worden aangemerkt, worden schuldvorderingen op deze lichamen niet tot een Nederlandse onderneming in de zin van artikel 17a gerekend en strekt de buitenlandse belastingplicht zich dus niet uit tot de inkomsten uit deze vorderingen. Er is in die situaties dan ook geen reden om in het voorgestelde tweede lid de desbetreffende bepalingen buiten toepassing te verklaren.

Voorts geeft de Orde, onder punt b, in overweging in het voorgestelde artikel 17a, tweede lid, het aanmerkelijk belangcriterium te hanteren, in plaats van het door de Richtlijn 2003/49/EG voorgeschreven criterium van 25 percent.

Het doel van de richtlijn is dubbele belastingheffing te elimineren voor uitkeringen tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten. Op grond van de richtlijn is sprake van verbondenheid bij een deelneming van ten minste 25 per cent in het kapitaal. Bij een bezitspercentage van minder dan 25 is er dus geen sprake van verbondenheid in de zin van de richtlijn. Er is geen aanleiding om op dit punt verder te gaan dan hetgeen de richtlijn voorschrijft.

In het nader rapport heb ik aangegeven dat ik van mening ben dat de richtlijn niet ziet op het geval dat de gerechtigde tot een schuldvordering een in één van de lidstaten gelegen vaste inrichting van een niet in één van de lidstaten gevestigde onderneming is. De leden van de fractie van het CDA vragen een nadere toelichting op dit punt.

In artikel 1 van de Richtlijn 2003/49/EG is de werkingssfeer van de richtlijn opgenomen. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de vrijstelling betrekking heeft op interest of royalty's waarvan een onderneming van een andere lidstaat, of een in een andere lidstaat gelegen vasteinrichting van een onderneming van een lidstaat de uiteindelijk gerechtigde is. In artikel 3 is het begrip «onderneming van een lidstaat» gedefinieerd. Dit is een onderneming die een van de op de lijst in de bijlage bij de richtlijn genoemde rechtsvormen heeft en die volgens de belastingwetgeving van een lidstaat wordt geacht in die lidstaat haar fiscale woonplaats te hebben en die niet volgens een met een derde land gesloten overeenkomst ter vermijding van dubbele inkomstenbelasting wordt geacht haar fiscale woonplaats buiten de Gemeenschap te hebben. De tekst van de richtlijn is op dit punt mijns inziens helder en laat geen ruimte voor een andere interpretatie.

De leden van de CDA-fractie informeren wanneer een vordering/schuld voor de toepassing van de interest en royaltyrichtlijn geacht wordt «effectively connected» te zijn met een vaste inrichting. Deze leden lijken daarmee te doelen op de interpretatie van artikel 1, lid 5, onderdeel a, van de richtlijn, ter bepaling van de werkingssfeer van de richtlijn. De desbetreffende bepaling regelt dat, voor toepassing van de richtlijn, een vaste inrichting van een onderneming van een lidstaat slechts als uiteindelijk gerechtigde tot een interest- of royaltybetaling wordt behandeld, indien de schuldvordering, het recht, het gebruik of de informatie ten aanzien waarvan uitkeringen van interest of royalty's ontstaan, daadwerkelijk verband houdt met die vaste inrichting. Voor zover het gaat om in Nederland gevestigde vaste inrichtingen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen, geldt dat dit verband geacht wordt te bestaan, indien voor toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de desbetreffende schuldvordering, het recht, het gebruik of de informatie ten aanzien waarvan uitkeringen van interest of royalty's ontstaan, behoort tot het vermogen van de door middel van de vaste inrichting in Nederland gedreven onderneming.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn