Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429034 nr. 4

29 034
Wijziging van enkele belastingwetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 9 oktober 2003

De vaste commissie voor Financiën1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

InhoudsopgaveBlz.
   
 ALGEMEEN2
Aanhef2
Inleiding2
Aanpassing van Nederlandse wetgeving2
Budgettaire gevolgen en administratieve lasten3
   
 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING3
Artikel I (artikel 17a Wet op de vennootschapsbelasting 1969)3

ALGEMEEN

Aanhef

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Genoemde leden zijn van mening dat de implementatie van deze Richtlijn de positie van het Nederlandse bedrijfsleven in EU-verband ten goede komt.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel ter implementatie van de Interest- en royaltyrichtlijn. Zij hebben nog enige vragen.

De leden van de VVD fractie hebben kennisgenomen van bovengenoemd voorstel van wet. Naar aanleiding van het wetsvoorstel heeft de VVD fractie nog enkele opmerkingen en vragen.

Met belangstelling namen de leden van de D66-fractie kennis van de implementatie van de Europese Richtlijn inzake de belasting van interest en royalties.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie vragen de regering de gevolgen voor de internationale kapitaalsverhoudingen te schetsen, nu lidstaten in beginsel zullen moeten afzien van belastingheffing over rente en royalty's door inhouding aan de bron.

De leden van de D66-fractie zien graag een reactie van het kabinet op de opmerkingen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Voorts vernemen deze leden graag op welke wijze zal worden voorkomen dat de wettelijke reparatie naar aanleiding van het BOSAL-arrest in strijd komt met deze richtlijn.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat op 1 januari 2004 10 nieuwe landen toetreden tot de Europese Unie. Zij worden geacht deze richtlijn onmiddellijk te implementeren. De richtlijn houdt op geen enkele wijze rekening met de winstbelastingen van deze landen. Wat betekent dit naar de mening van de regering voor een verantwoorde implementatie van deze richtlijn?

Aanpassing van Nederlandse wetgeving

De leden van de CDA-fractie constateren dat de Nederlandse regelgeving slechts weinig aanpassing behoeft, omdat ons belastingstelsel al is toegesneden op de bepalingen van de Richtlijn.

Aanpassing behoeft wel de belasting op uitkeringen van interest op geldlening als bedoeld in artikel 10, lid 1, onderdeel d Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (uitkeringen van dividend). De leden van de CDA-fractie vragen om hoeveel belastingplichtigen het gaat en welk belastingbedrag hier jaarlijks mee is gemoeid. Dit te meer daar het gros van de gevallen een moeder-dochter-verhouding zal betreffen, bij wie de inhouding van dividendbelasting sowieso achterwege blijft. De memorie van toelichting geeft hier onvoldoende duidelijkheid over.

De regering stelt in haar reactie op het advies van de Raad van State om de in de richtlijn opgenomen definitie van het begrip «interest» in de Nederlandse wettekst over te nemen, dat de huidige wettekst een ruimere vrijstelling zou kunnen bieden dan waartoe Nederland op grond van de Richtlijn is gebonden. De leden van de CDA-fractie vragen de regering naar de consequenties van deze ruimere formulering.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er geen wijzigingen worden voorgesteld in de Wet op de dividendbelasting 1965, gezien het feit dat de definitie van interest in artikel 2 van de richtlijn inkomsten uit winstdelende obligaties omvat, terwijl deze inkomsten in Nederland onder omstandigheden als dividend worden gezien.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Interest- en royaltyrichtlijn grote overeenkomsten vertoont met de Moeder-dochterrichtlijn. Kan de regering ingaan op de overeenkomsten en verschillen van de beide richtlijnen? Met name vragen deze leden naar de voorstellen van de NOB om deze twee richtlijnen beter op elkaar af te stemmen (brief van 22 september 2002).

De memorie van toelichting stelt dat de voorwaarden voor toepassing van de Moeder-dochterrichtlijn overeenkomen met de voorwaarden voor toepassing van de onderhavige richtlijn (pagina 2). De leden van de VVD-fractie vragen zich af of dit helemaal juist is: de Moeder-dochterrichtlijn eist onderworpenheid aan een in die richtlijn genoemde belasting zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld. Die clausulering komt in de interest en royaltyrichtlijn niet voor. Deze leden verzoeken de regering duidelijkheid hierover te geven.

De leden van de CDA-fractie hebben behoefte aan een reactie van de regering op de drie concrete voorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (hierna: Orde) om de vrijstelling voor dividendbetalingen die vallen onder de implementatiebepalingen inzake de Moeder-dochterrichtlijn en de voorgestelde vrijstelling van rente en royalty's onder dit wetsvoorstel beter op elkaar af te stemmen. Deze leden zien graag een reactie van de regering tegemoet.

Budgettaire gevolgen en administratieve lasten

De leden van de VVD-fractie vraagt zich verder af hoe de overgangsbepaling uitwerkt bij ondernemingen die gebroken boekjaren kennen. Ook willen deze leden graag weten hoe de overgangsbepaling uitwerkt bij rente die vóór 2004 gerijpt is en in 2004 of later wordt uitbetaald

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I (artikel 17a Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

De leden van CDA-fractie constateren dat de heffing op interest als bedoeld in artikel 17a van de wet vennootschapsbelasting aanpassing behoeft. Als de ontvanger van de rentebetalingen een aanmerkelijk belang heeft in de uitkerende Nederlandse vennootschap en de ontvangende buitenlandse vennootschap zijn aandelenbezit in de Nederlandse vennootschap niet rekent tot het vermogen van een onderneming, zal Nederland als voldaan is aan de voorwaarden van de Richtlijn niet meer ongestraft een aanslag op mogen leggen. Deze leden vragen om hoeveel belastingplichtigen het gaat en welk belastingbedrag hier jaarlijks mee is gemoeid. De memorie van toelichting geeft hier onvoldoende duidelijkheid over.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering staat tegenover de voorstellen van de Orde om de koppeling die in artikel 17a, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is gelegd met de aanmerkelijk belangregeling te handhaven. De Orde suggereert daartoe enerzijds de eis dat de Nederlandse debiteur een BV of NV is uit te breiden zodat ook een fonds voor gemene rekening, alsmede een coöperatie onder het bereik van deze bepaling vallen. Anderzijds stelt de Orde voor de eis dat de crediteur ten minste 25% van de aandelen in de debiteur bezit te laten vervallen. Op beide punten vragen genoemde leden een reactie van de regering.

De regering is het niet eens met de Raad van State die stelt dat de richtlijn ook zou zien op het geval dat de gerechtigde tot de schuldvordering een in één van de lidstaten gelegen vaste inrichting van een buiten de EU gevestigde onderneming is. De motivering van de regering overtuigt de leden van de CDA-fractie echter nog niet. Kan de regering hierop nader ingaan?

Tenslotte vragen de leden van de CDA-fractie wanneer een vordering/schuld wordt geacht «effectively connected» te zijn met een vaste inrichting?

De voorzitter van de commissie,

Tichelaar

De adjunct-griffier van de commissie,

Vente


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Giskes (D66), Crone (PvdA), De Grave (VVD), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), Eurlings (CDA), Bussemaker (PvdA), Vendrik (GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Smits (PvdA), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Van Loon-Koomen (CDA), Tichelaar (PvdA), voorzitter, Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA), Fierens (PvdA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Heemskerk (PvdA) en Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD).

Plv. leden: Rouvoet (CU), Bakker (D66), Koenders (PvdA), Van Beek (VVD), Balemans (VVD), Kortenhorst (CDA), Mosterd (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Duyvendak (GL), Van Gent (GL), De Ruiter (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Omtzigt (CDA), Eerdmans (LPF), Rambocus (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Van Bommel (SP), De Vries (CDA), Hermans (LPF), Mastwijk (CDA), Samsom (PvdA), Luchtenveld (VVD), Smeets (PvdA), Douma (PvdA) en De Vries (VVD).