Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429031 nr. 11

29 031
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van richtlijn nr. 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequentie van de opvang van deze personen (PbEG L 212)

nr. 11
AMENDEMENT VAN DE LEDEN K.G. DE VRIES EN VOS TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 71

Ontvangen 26 mei 2004

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

I

Onderdeel B vervalt.

II

Onderdeel C vervalt.

Toelichting

Kern van het besluitmoratorium zoals bedoeld in het wetsvoorstel is dat de beslistermijn van zes maanden wordt verlengd met ten hoogste de duur van de tijdelijke bescherming. Deze verlenging kan maximaal drie jaar bedragen (zie artikel 4 van de Richtlijn). In het voorstel van de regering dient de tijdelijk beschermde bij binnenkomst een asielaanvraag in te dienen. Indien het Raadsbesluit om tijdelijke bescherming te verlenen aan een bepaalde groep gedurende een periode van drie jaar aangehouden wordt, kan het drieënhalf jaar duren voordat er een eerste beslissing op de asielaanvraag genomen wordt.

De Minister heeft expliciet erkend dat er zich mogelijk verdragsvluchtelingen bevinden onder personen die in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming en heeft toegezegd zo snel mogelijk te beslissen op deze asielverzoeken, voor zover gespreide afdoening, die verstopping bij de IND dient te voorkomen, dit mogelijk maakt (TK 2003–2004, 29 031, nr. 5, p. 11).

Het nemen van een dergelijke beslissing valt echter niet of nauwelijks af te dwingen door de betrokken vreemdeling, die hierdoor langdurig in onzekerheid kan verkeren over zijn status. Bovendien ontbeert hij rechten die hij als vergunninghouder asiel wel zou hebben verkregen. Een persoon die daadwerkelijk gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel vreest voor behandeling in strijd met artikel 3 EVRM dient zo snel als redelijkerwijs mogelijk is als zodanig erkend te worden. Erkenning van een persoon als vluchteling is namelijk declaratoir.

Ook de Vreemdelingenwet 2000 heeft als uitgangspunt dat iemand zo snel mogelijk uitsluitsel dient te krijgen over zijn asielverzoek. Naar dit uitgangspunt wordt in de Memorie van Toelichting verwezen (TK 2002–2003, 29 031, nr. 3, onder 2.4). Echter, door het besluitmoratorium zoals voorgesteld in het wetsvoorstel wordt dit uitgangspunt ondermijnd, hetgeen niet te rechtvaardigen valt door het uitzonderlijke karakter van tijdelijke bescherming. Dit uitzonderlijke karakter behelst onder meer de massale toestroom van asielzoekers in een verhoudingsgewijs korte periode. Het nieuwe besluitmoratorium is mede gestoeld op de overweging dat een gespreide afdoening van de aanvragen verstopping van de IND moet voorkomen (TK 2002–2003, 29 031, nr. 3, onder 2.4). Dit is echter ook een van de gronden waarop onder het reeds bestaande systeem van artikel 43 Vw 2000 een besluitmoratorium van één jaar kan worden ingesteld. Artikel 43 onder c Vw 2000 stelt namelijk dat bij besluit van de Minister de beslistermijn voor bepaalde categorieën vreemdelingen kan worden verlengd met ten hoogste één jaar indien het aantal ingediende aanvragen uit een bepaald land of regio zo groot is dat de Minister redelijkerwijs niet in staat is daarop tijdig antwoord te geven.

Er is geen gegronde reden om een asielaanvraag van een tijdelijk beschermde anders te behandelen dan die van overige vreemdelingen. Dit klemt temeer omdat de vreemdeling die verdragsrechtelijke bescherming verdient zo snel mogelijk erkend moeten worden als vluchtelingen en uitsluitsel dient te verkrijgen over zijn rechten. Niet valt in te zien waarom het verlenen van een status aan een vreemdeling, die gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in zijn land van herkomst, gerelateerd zou moeten worden aan de duur van het Raadsbesluit.

Meer in de rede ligt het om de aanvraag van de vreemdeling, ook van diegenen die vallen onder het Raadsbesluit tot instellen van tijdelijke bescherming, met inachtneming van de normale beslistermijnen af te handelen. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is wegens capaciteitsproblemen door massale toestroom van ontheemden, kan op reguliere wijze een besluitmoratorium ex artikel 43 Vw 2000 worden ingesteld. Indien vervolgens de asielaanvraag wordt afwezen, heeft de ontheemde in ieder geval rechtmatig verblijf in Nederland (zie onderdeel A van het wetsvoorstel) totdat de tijdelijke bescherming is beëindigd.

K.G. de Vries

Vos


XNoot
1

Vervanging in verband met wijziging in de ondertekening.