Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429031 nr. 10

29 031
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van richtlijn nr. 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequentie van de opvang van deze personen (PbEG L 212)

nr. 10
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 mei 2004

Op 19 mei jl. heeft in uw Kamer in eerste termijn de plenaire behandeling van het wetsvoorstel ter implementatie van richtlijn nr. 2001/55/EG (richtlijn tijdelijke bescherming) plaatsgevonden. Na afloop van de eerste termijn resteerde een aantal vragen ter beantwoording. Deze vragen beantwoord ik u in deze brief. Tevens heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt een aantal punten nader toe te lichten.

In het bijzonder de leden K.G. de Vries (PvdA) en Vos (GL) hebben aandacht gevraagd voor het niveau van de implementatie van de minimumnormen van de richtlijn vergeleken met andere Europese landen. Hierover merk ik het volgende op.

De Europese landen hebben op dit moment nog zeer verschillende asielstelsels. Zij moeten de richtlijn in hun eigen, nationale stelsel inpassen. Daarbij moeten de lidstaten zich in ieder geval houden aan de minimumnormen in de richtlijn. In Europees verband is dat als voldoende aanvaard.

Aan de landen die de richtlijn al hebben geïmplementeerd of daarmee al zijn gevorderd krijgen tijdelijk beschermden in Finland, Zweden, België en Duitsland een verblijfsvergunning met een beperkte geldigheids duur op gronden gerelateerd aan tijdelijke bescherming. Finland en Zweden verlenen aan tijdelijke beschermden dezelfde rechten en voorzieningen die vluchtelingen in die landen genieten, België en Duitsland geven evenals Nederland rechten en voorzieningen op het niveau van asielzoekers. Het Verenigd Koninkrijk heeft laten weten dat nog niet volledig duidelijk is welke voorzieningen worden gegeven aan tijdelijk beschermden, maar dat zij tenminste de rechten en voorzieningen zullen krijgen op grond van de richtlijn en niet zullen worden behandeld als vluchtelingen.

Nederland stelt toegang tot de arbeidsmarkt voor tijdelijk beschermden afhankelijk van een toetsing aan prioriteit genietend aanbod van werknemers op de arbeidsmarkt. Als er geen prioriteit genietend aanbod aanwezig is wordt een tewerkstellingsvergunning verleend en kan de tijdelijk beschermde een reguliere verblijfsvergunning krijgen. Ook Duitsland eist een tewerkstellingsvergunning die wordt afgegeven na een onderzoek naar prioriteit genietend aanbod. Ik wijs er in dit verband ook nog op dat de tijdelijk beschermde in Nederland net als alle andere asielzoekers na zes maanden het recht krijgt om maximaal twaalf weken in een periode van 52 weken betaalde arbeid te verrichten, mits de werkgever in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Die tewerkstellingsvergunning wordt niet getoetst aan prioriteit genietend aanbod.

Deze informatie rechtvaardigt niet de conclusie dat Nederland de richtlijn implementeert op het laagste niveau. In dit verband merk ik nog op dat gunstiger dan de eisen van de richtlijn zijn: het gratis gezondheidsonderzoek, de kosteloze verzekering tegen financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, de betaling van buitengewone kosten, de introductie-activiteiten, de activiteiten tot bevordering van maatschappelijke oriëntatie en sociaal-culturele activiteiten op het gebied van sport, spel en vrije tijd.

Het lid De Vries heeft gevraagd naar de beslistermijn in het voorgestelde artikel 43a, eerste lid. Volgt uit de redactie van dit artikellid niet dat pas na afloop van de tijdelijk bescherming op de asielaanvraag mag worden beslist?

Ingevolge het voorgestelde artikel 43a, eerste lid, wordt de beschikking op de asielaanvraag van de tijdelijk beschermde binnen zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming gegeven.

Daarmee is niets anders gezegd dan dat de beslissing uiterlijk zes maanden nadat de tijdelijke bescherming is geëindigd, moet worden gegeven. De koppeling van de beslistermijn aan de afloop van de tijdelijke bescherming is ingegeven door het feit dat de duur van de tijdelijke bescherming vooraf ongewis is. Uit het artikellid volgt echter, anders dan het lid De Vries meent, niet dat de beslissing niet eerder dan na afloop van de tijdelijke bescherming zou mogen worden gegeven. Het streven blijft er op gericht zo snel mogelijk een beslissing te geven. Zo heb ik ook reeds in de memorie van toelichting aangegeven (artikelen, onderdeel B (artikel 43a), p. 11). De beslissing kan dus ook voor afloop van de tijdelijke bescherming worden gegeven. Of het mogelijk is een beslissing te geven vóórdat de tijdelijke bescherming is afgelopen, hangt af van de vraag of alle benodigde informatie beschikbaar is.

Ik ben al ingegaan op het amendement van het lid De Vries (Kamerstukken II 2003/04, 29 031, nr. 7) en dat van het lid Vos (Kamerstukken II 2003/04, 29 031, nr. 8). Ik moet deze amendementen ontraden. Ik zou daarover nog het volgende willen opmerken. De amendementen hebben uiteindelijk tot gevolg dat, terwijl de tijdelijke bescherming mogelijk nog voortduurt, op de aanvraag moet worden beslist. Dit betekent dat ook op de aanvraag moet worden beslist als er onvoldoende informatie voorhanden is om dit te doen. De situatie in het betreffende land of in de betreffende regio kan immers zodanig zijn dat die informatie (nog) niet kan worden verkregen. Het moge duidelijk zijn dat het noch in het belang van de vreemdeling, noch in het belang van de IND en noch in het belang van de rechtbanken is, als ik zou worden genoodzaakt slechte of niet gemotiveerde beslissingen te nemen. Om die reden is een beslistermijn die eerst afloopt na beëindiging van de tijdelijke bescherming noodzakelijk. Het blijft een maximale beslistermijn; waar mogelijk zal, zoals gezegd, eerder worden beslist.

Ik kom ten slotte graag terug op het amendement van het lid Van der Staaij (Kamerstukken II 2003/04, 29 031, nr. 9).

Het amendement beoogt verwarring als gevolg van het naast elkaar bestaan van twee besluitmoratoria (één op grond van artikel 43 en één op grond van het voorgestelde artikel 43a) te voorkomen. Die verwarring ontstaat blijkens de toelichting omdat tegen een moratorium op grond van artikel 43 beroep openstaat, maar tegen het gelijktijdig werkende moratorium op grond van artikel 43a niet.

Het is juist dat tegen het algemene besluit tot het instellen van een besluitmoratorium op grond van artikel 43 beroep openstaat. Tegen het besluitmoratorium dat voortvloeit uit het besluit van de Raad staat inderdaad geen beroep open. Toch meen ik dat dit niet tot verwarring hoeft te leiden. Waar beroep openstaat, maakt het besluit daarvan uiteraard melding. Daarnaast voorkomt informatievoorziening aan de vreemdeling mogelijke verwarring. Ik meen dan ook dat het amendement overbodig is.

Ik wijs er voor de volledigheid op dat voor beide besluitmoratoria geldt dat de gevolgen van deze moratoria voor de beslistermijn in individuele gevallen appellabel zijn. Waar het besluitmoratorium naar de mening van de vreemdeling ten onrechte is toegepast kan hij beroep instellen tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag. Waar het besluitmortorium naar de mening van de vreemdeling ten onrechte niet is toegepast vormt deze stelling onderdeel van de rechterlijke procedure over de afwijzing van de aanvraag. Daarin verschillen de besluitmoratoria dus niet.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk