29 023 Voorzienings- en leveringszekerheid energie

Nr. 86 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 april 2011

Hierbij doe ik u toekomen de antwoorden op de nog openstaande vragen uit het AO van 30 maart jl.

Vraag 1, 2 en 3

  • 1. Welke harde waarborgen zijn er als Gazprom om welke reden dan ook dit aardgas uit het veld zou willen halen?

  • 2. Welke machtsmiddelen bezitten exploitant of de Nederlandse staat dan om potentiële problemen te voorkomen?

  • 3. Wat gebeurt er met dit aardgas als de exploitatie stopt?

Antwoord (1, 2 en 3)

Het eigendom van de buffervoorraad aan aardgas die nodig is om het veld «op druk» te houden opdat gas dat in de opslag wordt geïnjecteerd er ook weer kan worden uitgehaald op het moment dat daar behoefte aan bestaat, ligt bij Gazprom. De aanwezigheid van deze buffervoorraad (beter bekend als kussengas) is een absolute en noodzakelijke voorwaarde voor het kunnen functioneren van een gasopslag in een uitgeproduceerd gasveld . De levering van het kussengas betreft een overeenkomst tussen Gazprom en Taqa.

Er is geen enkel belang voor Gazprom om het kussengas voortijdig aan de opslag te onttrekken, want daarmee zou automatisch een eind komen aan alle (overige) activiteiten waartoe de opslag dient, kunnen bijbehorende diensten niet meer worden geleverd en vallen de inkomsten weg. Gazprom blijft gerechtigd tot het kussengas, maar kan praktisch niet zelf beschikken over dit gas, aangezien Taqa het beheer van de opslag uitvoert.

Op het moment dat de exploitatie van de opslag Bergermeer wordt beëindigd valt het (kussen)gas terug aan Gazprom. De opslagvergunning voor Bergermeer loopt tot 2050.

Vraag 4

Wat zijn de mogelijke gevolgen voor de stabiliteit als de buffervoorraad er ook uitgehaald wordt?

Antwoord

De ervaring met het snel injecteren en produceren van buffergas (werkgas) in de gasopslagvelden Grijpskerk, Norg en Alkmaar wijst uit, dat het geen significante invloed heeft op de stabiliteit van het reservoirgesteente. De gasopslag in Bergermeer is nog in de beginfase. Dat is de fase waarin het kussengas wordt ingebracht. In deze fase wordt een intensief meetprogramma uitgevoerd, om er achter te komen wat de gevolgen zijn van snelle en langzame drukveranderingen in het reservoir op de stabiliteit (seismische respons) van het reservoir. Op basis van de metingen wordt een studie verricht. De resultaten van deze studie zullen worden gebruikt om de volgende fase van het project (als het buffergas of werkgas wordt ingebracht) zodanig in te richten, dat de stabiliteit van het reservoir (en daarmee ook de stabiliteit van het gebied rondom de opslag) geen gevaar loopt.

Vraag 5

Hebben we wat aan die gasopslag als er echt een nijpend tekort ontstaat?

Antwoord

Ja. De gasopslag is gepositioneerd als een belangrijk element in de voorzieningszekerheid van de Nederlandse gasvoorziening. Als er in Nederland grote vraag is, zal de prijs hoog zijn en ontstaat een prikkel om de capaciteit voor de Nederlandse markt in te zetten. Overigens wil ik hierbij wijzen op de hoofdfunctie van deze gasopslag. Deze is er niet voor het leveren van volume op het willekeurige moment dat er door wat voor reden dan ook een nijpend tekort optreedt, maar voor het opvangen van de over de seizoenen optredende fluctuatie in de gasvraag. Verschillende studies, wo het Brattle Group rapport dat ik op 13 januari jl. aan uw Kamer zond, geven aan dat gasopslag zoals Bergermeer hard nodig is om tekorten te voorkomen. Zie verder ook antwoord op vraag 9.

Vraag 6 en 7

  • 6. Klopt het dat het eigendom van het gas – en dus de beslissing om dit vrij te geven voor de piekbelasing – ligt bij de eigenaar?

  • 7. Klopt het dat als het gas in handen is van buitenlandse partijen – dat deze wellicht andere bestemmingen hebben voor dat gas dan de Nederlandse markt?

Antwoord (6 en 7)

Het eigendom van het gas blijft bij de klanten van de gasopslag die uiteindelijk de bestemming bepalen. Taqa treedt op als beheerder van het gas in de gasopslag.

De beheerder maar ook de klanten zijn uiteraard gehouden hun contractuele verplichtingen tot opslag of levering na te komen.

In het verlengde hiervan geldt dat ook deze klanten (de eigenaren van het gas) gehouden zijn hun contractuele verplichtingen tot levering na te komen richting hun afnemers. In beide gevallen maakt het niet uit of het om Nederlandse dan wel buitenlandse klanten en afnemers gaat.

Voor gasopslag Bergermeer zal een «use-it-or-lose-it»-mechanisme gelden. Dat betekent dat capaciteit die gereserveerd is maar ongebruikt blijft opnieuw aan de markt aangeboden moet worden.

Het feit dat gas in een Nederlandse opslag aanwezig is, geeft ten tijde van piekvraag al een belangrijk voordeel. Het gas hoeft immers niet meer (van ver) te worden aangevoerd, maar kan hier snel op de markt worden gebracht waar het een prijs krijgt die recht doet aan de omstandigheden.

Ook wil ik hierbij wijzen op het Besluit leveringszekerheid gaswet, die aan de netbeheerder van het landelijk gastransportnet verplichtingen oplegt om in tijden van extreme koude de gaslevering aan kleinverbruikers te waarborgen (de zogenaamde –9/–17°C regeling). Daarmee is de pieklevering aan deze meer kwetsbare groep van afnemers gewaarborgd.

Vraag 8 en 9

Welke aanwijzingen heeft de Minister dat grote gasverbruikende Nederlandse partijen van de opslag mogelijkheid gebruik zouden willen maken?

Heeft de opslag wel positief effect op de liquiditeit van de Nederlandse markt als een groot tekort aan gas zich voordoet?

Antwoord (8 en 9)

Het gaat hier om commerciële afspraken tussen de eigenaar/beheerder van de gasopslag Bergermeer (Taqa) en commerciële partijen. Wel weet ik dat Taqa en EBN voorafgaand aan de investeringsbeslissing de behoefte in de markt hebben gepeild en daarbij tot de conclusie zijn gekomen dat er voldoende behoefte is om de investering te rechtvaardigen. Ook uit onderzoek van GTS en ECN blijkt dat er behoefte is aan nieuwe gasopslag.

Wat betreft het effect van de opslag op de liquiditeit van de Nederlandse markt als zich een groot tekort aan gas voordoet, verwijs ik naar de antwoorden die ik hiervoor heb gegeven op de vragen naar het effect op de pieklevering en de bestemming van het gas. In aanvulling daarop kan nog worden opgemerkt dat de NMa in de marktmonitor energiemarkten heeft geconstateerd dat beperkte toegang tot seizoensopslag een belangrijke drempel is voor goed werking van de groothandelsmarkt voor gas. De NMa stelt dat gasopslag Bergermeer een grote bron van seizoensflexibiliteit zal toevoegen aan de markt. Het feit dat gasopslag Bergermeer open aan de markt beschikbaar aangeboden zal worden, vergroot de liquiditeit van de markt.

Overigens wil ik hier ook nog eens wijzen op de positie van Nederland als gasproducent. Dit zorgt voor een zeer solide basis voor onze leverings- en voorzieningszekerheid. Ter illustratie kan dienen dat de Nederlandse gasproductie op jaarbasis ca. 80 miljard m3 bedraagt bij een verbruik van iets meer dan 40 miljard m3. De hoeveelheid gas die als werkvolume in Bergermeer kan worden opgeslagen is met ca. 4 miljard m3 tien procent van het Nederlandse jaarlijkse verbruik.

Vraag 10

Is financiering mogelijk als de toedracht van de schade nog onduidelijk is (d.w.z. is er nog niet onderzocht in welke mate deze volgt uit een aardschok)?

Antwoord

Het waarborgfonds (hoofdstuk 9 van de Mijnbouwwet) biedt de mogelijkheid om in bepaalde situaties voorschotten te verlenen. Volgens artikel 140, eerste lid onder a, kan een voorschot gevraagd worden wanneer de mijnbouwondernemer het voorlopig dan wel het definitieve advies van de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) betwist. Dit kan ook gedaan worden «indien noodzakelijke maatregelen moeten worden getroffen ter herstel of beperking van de schade» (art. 140, eerste lid, onder b).

Deze wettelijke voorziening staat naast de door TAQA gedane toezegging, dat zij expliciet in het convenant bodembeweging zal opnemen dat zij de voorfinanciering voor haar rekening neemt van het herstel van vastgestelde schade als gevolg van bodembeweging gerelateerd aan de gasinjectie en/of productieactiviteiten in de Gasopslag Bergermeer.

TAQA heeft in goed overleg met de gemeenten Bergen, Alkmaar, Schermer en Heiloo convenanten opgesteld waar een efficiënte en adequate afhandeling van eventuele schade ten gevolge van een beving is vastgelegd. Deze convenanten gaan verder dan de wettelijke zorgplicht van de vergunninghouder in de Mijnbouwwet. De gemeenten Alkmaar, Heiloo en Schermer hebben de convenanten goedgekeurd en ondertekend. De convenanten garanderen dat mensen uiterlijk binnen 2 maanden en in de praktijk doorgaans binnen 1,5 maand na een incident hun geld krijgen op basis van het schaderapport als de schade veroorzaakt is door bodembeweging. In het convenant is ook vastgelegd dat het onafhankelijke expertisebureau dat de schade onderzoekt, moet motiveren wat de oorzaak van de schade is als het bureau vaststelt dat deze niet door bodembeweging is veroorzaakt. Als de gedupeerde het niet eens is met afwijzing van een schademelding of de hoogte van de schadevergoeding, dan heeft de gedupeerde het wettelijk recht een beroep te doen op de onafhankelijke Technische commissie bodembeweging (Tcbb). Ik heb TAQA bereid gevonden om in het geval KNMI een beving heeft geregistreerd die schade kan veroorzaken, het betwiste bedrag vóór te financieren aan de gedupeerde tot het moment dat de Tcbb haar (bindende) advies heeft uitgebracht of in het uiterste geval tot de rechter zich erover heeft uitgesproken. Taqa is in dat geval bereid om vóór te financieren op basis van de herstelnota van een erkende aannemer.

Uiteraard geldt daarbij dat als de claim uiteindelijk afgewezen wordt, de gedupeerde het voorgefinancierde bedrag terug zal moeten betalen. Een overeenkomst tussen TAQA en gedupeerde dient hierin te voorzien.

Vraag 11

Worden in het door de minister aangeboden schaderisico-onderzoek, uitgevoerd door de KNMI ook de volgende punten meegenomen? Waarom wel of niet?

  • a. Een analyse van de schade die is opgetreden in 2001 toen er een aardbeving van 3,5 op de Schaal van Richter heeft plaatsgevonden.

  • b. Op basis van deze analyse een extrapolatie van mogelijke schade die kan optreden als er een aardbeving van 3,9 op de Schaal van Richter optreedt met een schade in klasse VII van de EMS.

  • c. Een inschatting van de mogelijke veiligheidsrisico's die samenhangen met de mogelijke schade veroorzaakt door een dergelijke aardbeving in Klasse VII waarbij specifiek gekeken worden naar de gemeente Bergen en dit in combinatie met de uitkomsten van de eveneens toegezegde nulmeting onder en de specifieke bodemgesteldheid ter plaatse.

Antwoord

Ja. De analyse waar nu aan wordt gewerkt, geeft een uitleg van de voornaamste resultaten en conclusies uit eerdere onderzoeken, waarbij alle door u genoemde punten besproken worden. De punten waarnaar wordt gevraagd zijn namelijk reeds onderwerp geweest in een reeks KNMI/TNO publicaties. De resultaten van de analyse worden in de week van 25 april 2011 verwacht. Hieronder worden deze puntsgewijs toegelicht:

  • a. In 2001 hebben twee aardbevingen plaatsgevonden. Deze bevingen vonden plaats op 9 en op 10 september en deze hadden respectievelijk een kracht van 3,5 en van 3,2 op de schaal van Richter. In het KNMI rapport over deze aardbevingen1 is een algemene analyse gemaakt van de uitgebreidheid van de totale schade van beide bevingen.

  • b. De mogelijke schade die op kan treden bij een aardbeving van 3,9 wordt niet afgeleid uit de opgetreden intensiteit van de beving, maar uit de gemodelleerde maximaal te verwachten grondbeweging, afgeleid uit modellen. De reden is dat de relatie tussen intensiteit en de kracht van een aardbeving slecht bekend is. Dit punt wordt meegenomen in het onderzoek. Het resultaat wordt gegeven in de vorm van een kans op schade als functie van de maximale grondsnelheid.

  • c. De schade die op kan treden bij een intensiteit VII is gedefinieerd in de schaal zelf. Risico’s zijn te geven in termen van de kans dat er schade optreedt. Er wordt onderscheid gemaakt in kwetsbaarheid van bepaalde typen objecten en in type schade. Dit worden meegenomen in de analyse die gezamenlijk wordt uitgevoerd door het KNMI en TNO. Bij het opstellen van de nulmeting zal ook rekening gehouden worden met het verschil in kwetsbaarheid van verschillende typen objecten.

Vraag 12

Wanneer reageert de minister, los van het energierapport, op het advies van de Taskforce wind op zee waar deze commissie al vaker om verzocht heeft.

Antwoord

Op 1 februari 2011 heb ik u gemeld in het Energierapport te reageren op het advies van de Taskforce wind op zee. Ik zal bezien of ik gelijk met het Energierapport een  uitgebreidere reactie aan uw Kamer zal sturen, mocht u daar behoefte aan hebben.

Vraag 13

Het kabinet helpt coöperatieve zelflevering van groene stroom om zeep door een wijziging van de crisis- en herstelwet. Juist dit kabinet zou eigen initiatief moeten stimuleren. Dat betekent voor de staatskas minder energiebelasting, maar ook meer BTW-inkomsten. Met extra voorwaarden hoeft dit niet uit de hand te lopen. Is de minister bereid dit eigen initiatief te stimuleren en zich in te zetten voor het aanpassen van de genoemde wijziging van de crisis- en herstelwet?

Antwoord

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Crisis- en Herstelwet wordt binnenkort behandeld in de vaste Kamercommissie van I&M. Ik zal deze vraag doorgeleiden naar mijn collega van I&M.

Vraag 14

Netbeheer zou integraal onderdeel van planning van ruimtelijke ordening moeten zijn. Zo wordt voorkomen dat onverwachte wendingen in de planning van projectontwikkelaars tot additionele maatschappelijke kosten leiden. De energiebron moet onderdeel van de nieuwbouwplannen worden (voorbeeld: warmtepompen geïnstalleerd bij een relatief licht elektriciteitsnet, zonder overleg met de netbeheerder). Vindt de minister ook dat deze benadering nodig is bij stadsvernieuwing of -uitbreiding? Zo ja, hoe wil hij dit verbeteren?

Antwoord

Ik zie thans geen reden nadere maatregelen te nemen. Een gemeentebestuur maakt een zelfstandige afweging met betrekking tot de aanleg van de energie-infrastructuur bij stadsvernieuwing of -uitbreiding. Die afweging zal het gemeentebestuur maken met inachtneming van de lokale omstandigheden en de behoeften aan een dergelijke infrastructuur in de gemeente. Het ligt daarbij uit een oogpunt van zorgvuldigheid en het voorkomen van onnodige maatschappelijke kosten voor de hand dat het gemeentebestuur de eisen voor de energie-infrastructuur bepaalt in overleg met de direct betrokken partijen in het gebied. Dat kunnen bewoners, woningeigenaren, woningbouwcorporaties projectontwikkelaars en installateurs zijn. Daarnaast is het uiteraard van belang dat een gemeentebestuur hierover tijdig en adequaat overleg voert met de netbeheerder. Het omgekeerde geldt uiteraard ook. De netbeheerder dient zich bij aanleg van een net te vergewissen van de keuzes die omtrent de energie-infrastructuur zijn gemaakt.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen


X Noot
1

Haak, H.W., B. Dost and F.H. Goutbeek, Seismische analyse van de aardbevingen bij Alkmaar op 9 en 10 september en Bergen aan Zee op 10 oktober 2001, KNMI publicatie: TR-239, 11/2001.

Naar boven