Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 29020 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 29020 nr. 4 |
Vastgesteld 8 september 2003
De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot intrekking van de Remigratiewet. Deze leden realiseren zich dat het voorstel een voortvloeisel is uit het Hoofdlijnenakkoord. Zij hebben, mede gelet op de huidige financieel-economische situatie, begrip voor het in dit kader gehanteerde uitgangspunt, namelijk de eigen (ook financiële) verantwoordelijkheid van de burger voor remigratie. Over de uitwerking en onderbouwing van een en ander zouden de leden van de CDA-fractie graag een nadere toelichting krijgen, temeer daar het deze leden is opgevallen dat een aantal suggesties van de Raad van State niet is overgenomen.
De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel tot intrekking van de Remigratiewet. Zij hebben daarbij vanuit een aantal invalshoeken vragen en opmerkingen. Dit betreft onder meer de motivatie tot intrekking, de directe inwerkingtreding, de financiële consequenties, de relatie met andere beleidswijzigingen op het vlak van arbeidsparticipatie en de vergelijking met remigratiebeleid in andere Europese lidstaten.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot intrekking van de Remigratiewet. Zij onderschrijven de gedachte van de regering dat de eventuele terugkeer naar het land van herkomst de eigen verantwoordelijkheid van de burger is. Dat past bij hun liberale gedachtegoed. Deze leden kunnen zich echter niet aan de indruk onttrekken dat ook financiële aspecten, bij het voorstel tot intrekking van de Remigratiewet, een rol spelen. Gaarne krijgen zij daarop een reactie van de regering.
De leden van de SP-fractie hebben met teleurstelling kennisgenomen van het voorstel met betrekking tot het intrekken van de Remigratiewet. Deze leden vragen de regering of met het onderhavige voorstel de ernst van de problemen rondom het integratieproces van verschillende mensen in Nederland niet eerder wordt verergerd dan verzacht en of het beoogde doel wel wordt bereikt.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben geschokt kennisgenomen van het voornemen om de Remigratiewet in te trekken. Deze leden hechten er waarde aan te benadrukken dat de gang van zaken rondom de intrekking niet de schoonheidsprijs verdient. Zij kunnen het gevoel niet onderdrukken dat onnodige spanningen in de Nederlandse samenleving worden opgewekt. Veel mensen hebben het gevoel gekregen dat er bij wijze van decreet geregeerd kan worden. Dat kan, naar de stellige overtuiging van deze leden, niet de bedoeling zijn geweest van een daadkrachtige overheid.
De leden van de D66-fractie hebben belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel waarin de beëindiging van de Remigratiewet wordt aangekondigd. Zij hebben de volgende vragen met betrekking tot het wetsvoorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het wetsvoorstel geeft deze leden aanleiding tot het stellen van een aantal vragen en opmerkingen. Deze leden kunnen zich over het algemeen vinden in het meer benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van mensen, ook als het om (r)emigratieregelingen gaat.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de Raad van State geadviseerd heeft om in de memorie van toelichting de uitkomsten van het overleg met het Landelijk Overleg Minderheden (LOM) op te nemen. In het nader rapport staat dat de memorie van toelichting is aangevuld in gevraagde zin. In de memorie van toelichting wordt slechts gemeld dát er met het LOM overleg is gevoerd. Graag vernemen deze leden wat in dat overleg de inbreng van het LOM is geweest en wat de uitkomsten van het overleg waren. Tevens wordt in het nader rapport aangegeven dat in de memorie van toelichting wordt ingegaan op de opmerkingen van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Welke opmerkingen heeft de SVB gemaakt, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
Voorts merken deze leden op dat in het kader van de inwerkingtreding van de Remigratiewet in 2000 destijds is gemeld dat Nederland met deze wet een unieke positie inneemt en het enige land ter wereld is dat een in een wet vastgelegde remigratievoorziening biedt. Volgens de toenmalige verantwoordelijke minister was daarmee «de totale emancipatie van het migratiebeleid» bereikt. Het bevreemdt deze leden dan ook dat in het nader rapport een omgekeerde redenering wordt gehanteerd, namelijk dat intrekking van de Remigratiewet goed past binnen de Europese context omdat dergelijke regelingen elders niet voorkomen. Kan deze ommezwaai worden toegelicht, zo vragen deze leden.
De leden van de PvdA-fractie hebben een aantal vragen met betrekking tot de «principiële reden» van de intrekking van de wet. Waar in het Hoofdlijnenakkoord is deze principiële motivatie van de intrekking terug te vinden? Is het waar dat de intrekking van de remigratieregeling alleen is terug te vinden in de financiële bijlage van het regeerakkoord?
De regering wijst op de eigen verantwoordelijkheid van remigranten. Remigratie zal zelf moeten worden betaald. Heeft de regering inzicht in de sociaal-economische positie van de doelgroep? Is deze sociaal-economische positie dermate sterk dat remigratie op eigen kosten voor de doelgroep haalbaar is, zo vragen deze leden.
Door het intrekken van de Remigratiewet zullen, naar verwachting van migrantenorganisaties, vrijwel alle potentiële remigranten verder afzien van remigratieplannen. Er zal feitelijke sprake zijn van gedwongen in Nederland blijven. Deelt de regering deze verwachting? Zo neen, waarom niet? Wordt de mogelijkheid tot het nemen van eigen verantwoordelijkheid juist niet ontnomen door deze intrekking? Welk perspectief ziet de regering voor de groep ouderen waar het hier om gaat? De leden van de PvdA-fractie constateren dat het veelal gaat om oudere, werklozen of (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten. Welk beleid ontwikkelt de regering om deze doelgroep in staat te stellen de eigen verantwoordelijkheid te nemen? Welke ondersteuning zal hen worden geboden bij reïntegratie op de arbeidsmarkt? Welke voorzieningen op het terrein van zorg en welzijn worden voor de alsmaar groeiende groep oudere allochtonen genomen? Hoe kijkt de regering aan tegen het groeiende isolement van deze specifieke groep in de Nederlandse samenleving? Heeft de regering over deze aspecten contact gehad met haar collega's van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Wat was de uitkomst van dat overleg?
Voorts vragen deze leden of er een relatie is tussen het intrekken van de Remigratiewet voor werklozen vanaf 45 jaar en de actuele beleidswijzingen op het terrein van werk en inkomen gericht op verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen. Waarom wordt hier in de memorie van toelichting niet op ingegaan?
Deze leden stellen voorts vast dat de Remigratiewet ook een aanvullende remigratie-uitkering op een onvolledige AOW-uitkering mogelijk maakt tot het niveau van de reguliere remigratie-uitkering. Ook deze faciliteit voor 65-plussers verdwijnt met de intrekking van de Remigratiewet. Is de regering bereid voor deze groep, die niet meer beschikbaar hoeven te zijn voor de arbeidsmarkt een uitzondering te maken? Zo neen, waarom niet?
Tevens vernemen de leden van de PvdA-fractie graag waarom de regering afziet van de bij de behandeling van de wet in 1999 afgesproken evaluatie. Is de regering bereid alsnog te evalueren hoe effectief de wet was en door welke groepen er in welke mate van welke faciliteit gebruik is gemaakt sinds de invoering per 2000? Deze leden zien graag een uitgebreide reactie tegemoet.
De regering stelt in het nader rapport dat de intrekking van de Remigratiewet goed past binnen de Europese context, omdat elders dergelijke regelingen niet voorkomen. De leden van de PvdA-fractie hebben de volgende vragen bij deze stelling. Kan de regering ingaan op het remigratiebeleid van Denemarken, het arbeidsbemiddelingsbeleid voor remigranten van Duitsland en de ondersteuning van remigranten die een bedrijf willen starten in het land van herkomst door de Franse overheid? Wat is de inhoud van het remigratiebeleid in deze en andere Europese landen? Is de regering bereid om op basis van een vergelijkend onderzoek in EU-lidstaten een debat te voeren over de vormgeving van een nieuw remigratiebeleid, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie merken op dat in het Hoofdlijnenakkoord de beëindiging van de Remigratieregeling is ondergebracht in de tabel «Ombuigingen». De regering geeft in het onderhavige wetsvoorstel aan dat het hoofddoel van het intrekken van de Remigratiewet niet voortkomt uit financiële overwegingen, maar is ingegeven door het principiële uitgangspunt dat de eigen verantwoordelijkheid van de burger voorop behoort te staan. Voorts geeft de regering aan dat het Hoofdlijnenakkoord met de beëindiging van deze regeling uitgaat van een structurele besparing van €30 miljoen vanaf 2006. Deze leden vragen in hoeverre de beëindiging van de Remigratiewet strookt met het begrotingsbeleid en de daarbij behorende noodzakelijke bezuinigingen uit het Hoofdlijnenakkoord. Graag ontvangen zij hierover een toelichting.
Voorts vragen deze leden of de regering kan aangeven wat de uitkomsten van het overleg met het LOM van 8 juli 2003 zijn?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de afweging rondom dit wetsvoorstel wel tot het principiële punt beperkt moet blijven. In het bijzonder vragen zij of het wetsvoorstel niet moet worden gezien in het licht van het vreemdelingen- en integratiebeleid. Kan de regering nader aangeven of remigratieregelingen tegen die achtergrond in allerlei opzichten toch niet van belang zouden kunnen zijn? Is in dat kader bijvoorbeeld overwogen om niet de wet in zijn geheel in te trekken, maar bijvoorbeeld in eerste instantie zich te beperken tot het schrappen van artikel 4 van de wet, krachtens welke bepalingen langlopende uitkeringen aan de orde kunnen zijn? De wet wordt zodoende beperkt tot mogelijke vergoedingen terzake van de kosten die met de remigratie zelf zijn gemoeid, zoals een tegemoetkoming inzake de kosten van hervestiging.
Deze leden vragen voorts of er onderzoek is gedaan naar de vraag in hoeverre potentiële remigranten, op basis van een mogelijk beperkte versie van deze wet (dus alleen artikel 3, niet langer artikel 4), aangeven behoefte te hebben aan dergelijke remigratievoorzieningen en op basis daarvan ook daadwerkelijk overwegen tot terugkeer over te gaan. Daarnaast vragen deze leden een overzicht van het aantal remigranten dat gebruik heeft gemaakt van deze wet.
De leden van de PvdA-fractie merken op dat aan het indienen van een feitelijke aanvraag voor de remigratieregeling vaak een lang proces van voorbereiding vooraf gaat. Velen die met die voorbereiding bezig waren, worden nu overvallen door de directe inwerkingtreding van de intrekkingswet. De bodem is plotsklaps verdwenen onder de toekomstplannen van deze mensen. Wat is de reactie van de regering hierop? In de memorie van toelichting staat dat het belang van rechtszekerheid en de noodzakelijke besparingen tegen elkaar zijn afgewogen. De regering erkent daarmee dat de rechtszekerheid hier in het geding is en wordt geschaad door de wijze waarop deze beleidswijziging wordt ingezet. Nu de regering in het nader rapport erkent dat er geen sprake is van een besparing, zal de afweging tussen rechtszekerheid en financiën toch zeker andersom uitvallen?
De leden van de SP-fractie hebben over de inhoud van het wetsvoorstel de volgende vragen:
Wat is de prognose over het aantal mensen dat in de toekomst gebruikmaakt van de Remigratiewet? Is bekend in wat voor leeftijdcategorie ze vallen, of het uitkeringsgerechtigden zijn en of ze arbeidsongeschikt zijn? Mocht dit niet bekend zijn, is de regering bereid dit eerst te onderzoeken alvorens verder te gaan met het voornemen tot intrekking, zo vragen deze leden.
Voorts vragen deze leden of de regering van mening is dat deze financieel afhankelijke mensen nog een keuze hebben tussen remigreren of hier blijven als de Remigratiewet vervalt. Kan dit worden toegelicht? Hoe denkt de regering deze mensen extra te ondersteunen in hun late integratieproces in Nederland? Deelt de regering de voorspelling dat de groep mensen die in Nederland om economische redenen moet blijven door deze maatregel zal toenemen?
Kan een inschatting worden gegeven over welke invloed het wel of niet intrekken van deze wet zal hebben op het integratieproces van oudkomers? Zo neen, is de regering bereid dit te onderzoeken alvorens door te gaan met deze maatregel?
De leden van de SP-fractie vragen de regering of bekend is wat de financiële consequenties zijn indien dit voorstel wordt uitgevoerd en hoe eventuele extra kosten zullen worden betaald.
Tevens vragen zij hoe de € 30 miljoen besparing, de € 15 miljoen besparing vanaf 2006, de € 10 miljoen jaarlijkse kosten en de rekensom gemaakt door het Nederlands Migranten Instituut (NMI) zich tot elkaar verhouden? Is de regering bereid om de Remigratiewet in plaats van in te trekken juist uit te breiden naar andere landen, opdat het effect van besparingen en sociale aspecten positiever uitvalt? Zo neen, waarom niet?
Hoe verantwoordt de regering het onderhavige voorstel, waarbij het risico bestaat dat het jaarlijks vele extra miljoenen gaat kosten en het integratieproces zal bemoeilijken, juist in tijden van drastische bezuinigingen en sluimerende etnische onrust?
Is de regering bereid onderzoek te doen naar de gevolgen van dit voorstel voor het integratieproces, de segregatie, de sociale uitsluiting en de kosten die het met zich meebrengt, zo vragen deze leden.
Het komt de leden van de GroenLinks-fractie vreemd voor dat de regering blijkbaar terugkomt op de toezegging om de Remigratiewet na vier jaar te evalueren. Dit klemt te meer nu de betrokken organisaties, zoals het NMI, constateren dat de Remigratiewet zeer succesvol is.
Deze leden vragen of de voorgenomen intrekking van de Remigratiewet een onderdeel dient te vormen van de door het kabinet voorgenomen herverdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en burger. Primair dient elke goede overheid de belangen van de burgers. Daaronder verstaan deze leden ook de belangen van diegenen die na soms jarenlang verblijf in Nederland wensen terug te keren naar hun land van herkomst. De overheid dient naar stellige overtuiging van deze leden hiervoor financiële steun te verlenen. Deze leden verheugen zich in de erkenning van het kabinet van het uitgangspunt dat remigratie steeds een vrijwillige, persoonlijke en verantwoorde keuze van de betrokkenen dient te zijn. De nadere invulling van het kabinet dat bij het maken van een dergelijke keuze óók de eigen financiële mogelijkheden van betrokkenen van belang zijn, zal er in de praktijk toe leiden dat nagenoeg niemand in staat is te remigreren. Kan de regering aangeven hoe de intrekking van deze wet zich verhoudt tot het beginsel dat iedereen zelf kan bepalen waar hij woont? Vloeit daaruit niet voort dat van de overheid mag worden verwacht dat tot op zekere hoogte hulp en bijstand wordt geboden?
De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering voorts of nader kan worden ingaan op de opmerking van de Raad van State dat uit een publicatie van het NMI blijkt dat de extra kosten na de intrekking van de Remigratiewet de besparingen verre overschrijden. Het komt de leden logisch voor dat de sociale kosten van betrokkenen die in Nederland blijven hoger zijn dan indien betrokkenen Nederland verlaten. Kan de regering een recent onderzoek overleggen van de inverdieneffecten van de Remigratiewet?
Voorts volgen deze leden het verzoek van de Raad van State om op de hoogte gebracht te worden van het overleg met het LOM.
De leden van de D66-fractie vragen of de regering bereid is alsnog een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de Remigratiewet aan de Tweede Kamer te zenden? Zo neen, waarom vindt de regering een evaluatie van de werking van de Remigratiewet niet zinvol?
De leden van de CDA-fractie hebben over de opbrengsten en de kosten van de intrekking van de Remigratiewet een aantal vragen. In het Hoofdlijnenakkoord is, zoals staat beschreven in de memorie van toelichting, een besparing voorzien van € 30 miljoen structureel vanaf 2006. Dit bedrag is later bijgesteld tot € 15 miljoen structureel vanaf 2006, in verband met het overgangsrecht. In het nader rapport wordt, op basis van het onderzoek «Kosten en baten van de Remigratiewet» van Regioplan Beleidsonderzoek, geconcludeerd dat de kosten van de intrekking € 10 miljoen per jaar bedragen. Het kostenbedrag van € 10 miljoen acht het kabinet acceptabel «gezien het feit dat de reden voor intrekking van de wet in eerste instantie een principiële is». In het licht van de huidige financieel-economische situatie kunnen de leden van de CDA-fractie deze uitspraak echter niet helemaal plaatsen. Ook de Raad van State wijst op de conclusie van genoemd onderzoek dat het afschaffen van de remigratieregeling niet zal leiden tot besparing, maar juist zal leiden tot extra kosten. De Raad van State stelt dat het hier de sociale lasten betreft die, in vergelijking tot de situatie waarin betrokkene terugkeert naar het land van herkomst, als kostenpost hoger zijn en zullen blijven indien hij of zij in Nederland blijft wonen. De leden van de CDA-fractie vragen of het bedrag van € 10 miljoen moet worden gezien als aanloop-/overgangskosten, of zijn het structurele kosten. Wat is de reactie van de regering op de suggestie van de Raad van State om, bij gebleken juistheid van de blijvend hogere kosten, het wetsvoorstel te heroverwegen? Het is deze leden niet duidelijk wat, op de kortere, dan wel de langere termijn, de opbrengsten of de kosten zijn van de intrekking van de remigratieregeling. Deze leden vragen of er bij de aankondiging van de intrekking in het Hoofdlijnenakkoord wel voldoende inzicht bestond in de financiële effecten van de intrekking. Ook vragen zij of het niet verstandiger was geweest de evaluatie van de wet af te wachten teneinde meer inzicht in de kosten-batenverhouding te hebben gekregen. De leden van de CDA-fractie vernemen graag een nadere uiteenzetting inzake de opbrengsten en kosten van de intrekking.
De Raad van State heeft, zo vervolgen de leden van de CDA-fractie, enkele opmerkingen gemaakt over de relatie tussen het onderhavige wetsvoorstel en de Tijdelijke referendumwet (Trw). De Raad van State geeft aan dat in «twijfelgevallen» of «spoedgevallen» kan worden afgezien van het rekening houden met de bepalingen van de Trw. Als deze leden de memorie van toelichting goed begrijpen, is om een spoedeisende reden afgezien van de Trw, namelijk het aankondigingseffect. Zij vragen wat de relevantie is van een en ander als het waar is dat de kosten van intrekking van de remigratiewet € 10 miljoen bedragen. De leden van de CDA-fractie vragen of sinds de aankondiging van de intrekking in het Hoofdlijnenakkoord aankondigingseffecten hebben voorgedaan en zo ja welke.
De leden van de PvdA-fractie constateren dat bij de invoering van de remigratieregeling in 1985 expliciet duidelijk werd gemaakt dat de regeling (de voorloper van de Remigratiewet) een besparing voor de Nederlandse overheid zou opleveren. Het intrekken van de Remigratiewet werd in het Hoofdlijnenakkoord ook weer als een besparing gepresenteerd. Was de in de financiële bijlage van het Hoofdlijnenakkoord opgenomen besparing van € 30 miljoen per jaar een besparing op de rijksbegroting of slechts, zoals nu in het nader rapport wordt gesteld «een directe besparing op de begroting van Justitie»? In de memorie van toelichting is nog slechts sprake van de een besparing van € 15 miljoen. In het nader rapport wordt erkend dat in het geheel geen sprake zal zijn van een besparing maar van een extra uitgave van € 10 miljoen structureel. Heeft de regering de financiële effecten nu volledig in beeld of komt er nog een vierde en vijfde raming?
De financiële tegenvaller ten opzichte van het Hoofdlijnenakkoord die ontstaat door dit voorstel bedraagt het niet realiseren van een beoogde besparing van € 30 miljoen structureel plus een extra uitkeringslast van € 10 miljoen structureel per jaar. Zien deze leden dat juist? Hoe wordt deze € 40 miljoen structureel gedekt, zo vragen deze leden.
De leden van de VVD-fractie stellen vast dat het Hoofdlijnenakkoord uitgaat van een besparing van € 30 miljoen op jaarbasis. In het wetsvoorstel wordt gesteld dat er sprake is van een besparing van € 15 miljoen vanaf 2006. Daarnaast roepen de leden van de VVD-fractie in herinnering dat de kosten van de remigratieregeling, zowel in het jaar 2001 als in het jaar 2002 € 20,5 miljoen bedroegen. Gaarne krijgen deze leden meer inzicht in de verschillen tussen deze cijfers. Zij vragen wat de gevolgen zijn nu de regeling niet de verwachte bezuiniging oplevert.
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie wat de reactie van de regering is op de bewering dat het afschaffen van de regeling meer kost dan het laten voortbestaan van de regeling. Het zou namelijk veelal gaan om zieke en langdurige werkloze mensen die meer geld aan sociale lasten kosten als ze blijven dan als ze op basis van de regeling een maandelijkse uitkering krijgen in het land van herkomst. Zal er in Nederland sprake zijn van een verzwaring van de sociale lasten? Gaarne krijgen deze leden hierop een reactie van de regering.
Het wetsvoorstel eerbiedigt de aanspraken van remigranten die thans gebruik maken van de regeling. De leden van de VVD-fractie vragen of de eerbiedigende werking ook geldt voor de terugkeeroptie.
Tot slot vragen deze leden of er nog remigranten zijn die een uitkering krijgen op basis van de regelingen die golden voor de Remigratiewet van 1 april 2000. Wat zijn de gevolgen van het onderhavige wetsvoorstel voor deze groep mensen, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie wijzen er op dat uit het onderzoek van het NMI naar de kosten en baten van de Remigratiewet blijkt dat het afschaffen van de Remigratiewet zal leiden tot extra kosten van ongeveer € 12 800 per remigrant over een periode van 10 jaar. Kan de regering aangeven in hoeverre zij deze conclusie onderschrijft? Is de regering bereid aanvullend onderzoek te verrichten naar de financiële gevolgen van het onderhavige wetsvoorstel? Zo neen, waarom niet?
Kan de regering aangeven welke financiële gevolgen de afschaffing van de Remigratiewet heeft voor het Ministerie van Sociale Zaken, het Ministerie voor Volksgezondheid en het Ministerie voor Onderwijs, Cultuur & Wetenschap, zo vragen deze leden.
De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat aanvragen van mensen die vóór 1 september 2003 een aanvraag op grond van de Remigratiewet hebben ingediend normaal in behandeling worden genomen en dat deze dus vallen onder de categorie «reeds bestaande aanspraken». Is dit een juiste veronderstelling? Of vallen alleen mensen die vóór 1 september 2003 een toekenning op een aanvraag hebben gekregen onder «reeds bestaande aanspraken»?
Deze leden vragen voorts hoe de regering de handelwijze van de SVB beoordeelt, die aanvragen in behandeling blijft nemen vanwege twijfel aan de rechtmatigheid van een maatregel die nog door het parlement moet worden bekrachtigd. Heeft de minister overleg gehad met de SVB? Wat voor gevolgen heeft de actie van de SVB voor degenen die na 1 september 2003 een aanvraag hebben ingediend, zo vragen deze leden.
De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het voorstel om de wet terugwerkende kracht te geven zich verhoudt tot de principiële opvatting van de Raad van State over terugwerkende kracht in wet- en regelgeving. Hoe wordt op dit moment omgegaan met voor en na 1 september ingediende aanvragen voor remigratiesteun? Het NMI ondersteunt, informeert en begeleidt remigranten. Kan de regering toezeggen dat de subsidie die het NMI daarvoor ontvangt in 2004 zal worden gecontinueerd, mede met het oog op begeleiding van remigranten en het terugkeerrecht?
De leden van de VVD-fractie constateren dat in artikel 3 geregeld wordt dat de Wet intrekking Remigratiewet met terugwerkende kracht in werking treedt, en wel op 1 september 2003. Het komt niet vaak voor dat wetsvoorstellen in werking treden met terugwerkende kracht. Deze leden hebben daarmee dan ook moeite. Dat tast namelijk de rechtszekerheid van de burgers aan. Gaarne krijgen zij daarop een reactie van de regering. Tevens krijgen zij graag voorbeelden van wetsvoorstellen die in het verleden met terugwerkende kracht in werking zijn getreden.
De leden van de SP-fractie vragen waarom voor de ingangsdatum van 1 september 2003 is gekozen. Hoe verhoudt deze datum zich ten opzichte van de aangenomen motie Van de Zandschulp (22 013 nr. 46) waarin wordt gesteld dat bij invoering van nieuwe wetgeving met terugwerkende kracht uitgegaan dient te worden van eerbiedige werking?
De leden van de GroenLinks-fractie zijn verbaasd dat het kabinet ervan uitgaat dat aanname van deze wet terugwerkende kracht heeft tot aan het moment dat dit wetsvoorstel aan de Tweede Kamer is ingediend. Deze leden leven in de veronderstelling dat een bepaling kracht van wet heeft tot het moment dat de wetsbepaling volgens de daarvoor geldende procedures verandert. Zij hechten er sterk aan dat, indien dit voorstel kracht van wet krijgt, de gebruikelijke procedure gehandhaafd blijft en dat deze wet niet na te zijn gepubliceerd in werking treedt.
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben twijfels over de houdbaarheid van de voorziene terugwerkende kracht van de intrekking van de Remigratiewet. Terugwerkende kracht van wettelijke bepalingen is niet snel mogelijk, zeker niet als de terugwerkende kracht ten nadele van betrokkenen werkt. Nu het budgettaire belang van de terugwerkende kracht, gelet op de uitkomsten van het onderzoek naar de kosten en baten van de wet, niet aan de orde is – in tegendeel, de intrekking van de wet kost €10 miljoen per jaar, in plaats van een bepaald bedrag voor de staat op te leveren – klemt dit des te meer. De onderhavige kwestie is daarmee niet gelijk te schakelen met ingrepen in de belastingwetgeving, waar in omstandigheden als het budgettaire belang erg groot is, soms terugwerkende kracht tot de datum van aankondiging van de maatregel aan de orde kan zijn.
Daarnaast is het, zoals de SVB al heeft aangegeven, moeilijk voorstelbaar wat de SVB gelet op de beginselen van de algemene wet bestuursrecht, anders zou moeten doen dan aanvragen die op dit moment nog binnenkomen, gewoon in behandeling te nemen. Graag ontvangen deze leden op deze punten een nadere reactie.
Samenstelling:
Leden: Van de Camp (CDA), voorzitter, De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Vos (GL), Rouvoet (CU), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Van Fessem (CDA), Luchtenveld (VVD), Wilders (VVD), Weekers (VVD), Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA), Tonkens (GL), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), Straub (PvdA), Griffith (VVD), Visser (VVD) en De Pater-van der Meer (CDA).
Plv. leden: Van Hijum (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Van der Laan (D66), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Ormel (CDA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Vergeer-Mudde (SP), Arib (PvdA), Karimi (GL), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Nawijn (LPF), Joldersma (CDA), Hermans (LPF), Van Dijken (PvdA), Örgü (VVD), Rijpstra (VVD) en Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA). * Eerder abusievelijk gedrukt onder nr. 5.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29020-4-h1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.