Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200428995 nr. 5

28 995
Aanpassing van bijzondere wetten aan de Wet dualisering gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden)

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 2 oktober 2003

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

ALGEMEEN

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel dat strekt tot dualisering van gemeentelijke medebewindsbevoegdheden. Het wetsvoorstel is een belangrijke en noodzakelijke vervolgstap voor de dualisering op lokaal niveau.

De leden van de PvdA-fractie danken de regering voor het aanbieden van het wetsvoorstel tot aanpassing van enkele bijzondere wetten aan de Wet dualisering gemeentebestuur. Dit wetsvoorstel is, zo menen deze leden, weer een belangrijke stap naar de wettelijke regeling van het dualisme. Over het wetsvoorstel is uitvoerig overleg gevoerd met belanghebbenden zoals de vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG).

Ook de Raad van State heeft het wetsvoorstel uitvoerig getoetst. De aan het woord zijnde leden constateren dat de regering veel van de door de Raad van State voorgestelde adviezen heeft overgenomen. Naar opvatting van deze leden is er zorgvuldig juridisch getoetst, dat van groot belang is om tot een goede afbakening en zuivere taakverdeling te komen tussen de gemeenteraad en het college van B&W. Er rest nog een aantal vragen, de leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat sprake is van enkele tegenstrijdigheden in de wetgeving dan wel onduidelijkheid bestaat met betrekking tot de terminologie.

De leden van de VVD fractie hebben met instemming kennisgenomen van het wetsvoorstel. Mede naar aanleiding van de reacties van de Raad van State en de VNG is een grondige wetswijziging totstandgekomen. De leden van de VVD fractie hebben slecht één vraag aan de regering. Is de regering voornemens om na een aantal jaren deze wijzigingen te evalueren naar aanleiding van de opgedane ervaringen door de gemeenten? De leden van de VVD-fractie menen dat het wellicht verstandig is nu al te bepalen dat na één bestuursperiode de VNG nog eens gevraagd zal worden hoe de ervaringen zijn en of er uit de praktijk nog opmerkingen en wensen naar voren zijn gekomen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden delen de visie dat de dualisering van het lokale bestuur moet leiden tot het op een heldere manier onderscheiden van wettelijke taken tussen gemeentebestuur en gemeenteraad. Het hoofdschap, kaders stellen, budgetteren en controleren bij de raad en uitvoering van beleid en regelgeving bij het college van B&W. Het onderhavige wetsvoorstel bevat voorstellen die deze scheiding moet laten doorwerken in diverse andere wetten en regelgeving. Het gaat al met al om 80 medebewindwetten, waarbij in een groot aantal gevallen bevoegdheden van de raad aan het college van B&W worden overgedragen. De Eerste Kamer, onder andere middels de motie Platvoet (Kamerstuk 27 751) en de Raad van State hebben de regering dringend geadviseerd de lijst met over te hevelen bevoegdheden nog eens kritisch tegen het licht te houden en zich rekenschap te geven van het hoofdschap van de gemeenteraad. Het verheugt de aan het woord zijnde leden dat de regering op diverse door de senaat en Raad van State genoemde en andere punten haar oordeel heeft herzien en bevoegdheden bij de gemeenteraad heeft gelaten respectievelijk naar het college van B&W heeft overgeheveld in het belang van het dualisme. Deze leden delen de opvatting dat de gemeenteraad haar bestuursbevoegdheden op hoofdlijnen dient te behouden, temeer daar in de aangedragen wijzigingen regelmatig het maatschappelijke belang zwaar weegt en derhalve een sterke, directe legitimatie van de bedoelde bestuurlijke bevoegdheid geëigend is.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij stellen vast dat het voorliggende wetsvoorstel een logisch vervolg is op de eerder bij wet geïntroduceerde duale verhoudingen in het lokale bestuur.

1. Inleiding

Wet dualisering gemeentebestuur

De eerste voortgangsrapportage over de invoering van het dualisme bij gemeenten laat zien, zo merken de leden van de CDA-fractie op, dat veel gemeenten voortvarend gestart zijn met het vormgeven van een meer dualistische werkwijze. Tegelijkertijd laten de ervaringen tot nu toe zien dat de dualisering voor raadsleden en voor leden van het college van Burgemeester en Wethouders (hierna B&W) nog een zoektocht is en dat de doelstellingen van de invoering van het dualisme nog niet zijn gerealiseerd. Is dit ook het beeld dat de regering heeft over de stand van zaken met betrekking tot het dualisme bij gemeenten, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

Naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie pleit de VNG terecht voor continuering van de activiteiten van de Vernieuwingsimpuls. Wat is de inzet van de regering op dit punt, zo vragen deze leden.

Op basis van de ervaringen die inmiddels in de praktijk zijn opgedaan, kunnen de leden van de CDA-fractie zich voorstellen dat in het wetsvoorstel ook één of enkele voorstellen worden opgenomen die tegemoet komen aan eventuele geconstateerde onvolkomenheden in de dualiseringswetgeving. Zo bestaat er bij sommige gemeenten de wens om de wettelijke regeling ten aanzien van de omvang van het college te verruimen. Een dergelijke situatie is bijvoorbeeld de vervanging van een wethouder die langdurig ziek is. De wet staat vervanging echter niet toe omdat de gemeente al het wettelijke maximum aantal wethouders heeft aangesteld. Is de regering van oordeel dat het in een dergelijke situatie wenselijk kan zijn de wet op dit punt te verruimen?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering de niet aflatende stroom van kritische geluiden in de (vak-)pers beoordeelt over de negatieve effecten van de dualisering op de betrokkenheid van de burgers, de verhouding tussen raad en college van B&W en de verzwakte positie van de gemeenteraad in het licht van dit wetsvoorstel dat een onverdroten voortgang op de weg van dualisering beoogt. Zou het toch niet zinvol zijn, juist tegen de achtergrond van al die kritische geluiden, om eerst de evaluatie van de Wet dualisering gemeentebestuur af te wachten alvorens door te gaan met het overhevelen van bestuursbevoegdheden van raad naar het college van B&W, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

Het overhevelen van bestuursbevoegdheden van raad naar college van B&W kan op zichzelf ook een negatief effect hebben op de legitimatie, transparantie en beïnvloedbaarheid door burgers en raadsleden van de besluitvorming, omdat het college van B&W in beslotenheid vergadert en een minder politiek pluriforme samenstelling kent dan de gemeenteraad. Dat op zich is al een reden voor uiterste terughoudendheid met betrekking tot de overheveling van bestuursbevoegdheden. Deelt de regering deze opvatting, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Zou dat geen reden kunnen zijn om wettelijk vast te leggen dat het college van B&W in openbaarheid moet vergaderen? Is de regering bereid een dergelijke wijziging van de Gemeentewet aan de Kamer voor te leggen?

2. Toetsingskader

De regering heeft het toetsingskader aangevuld aan de hand waarvan beoordeeld wordt of een bevoegdheid bij de raad of het college van B&W hoort te berusten. Naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie wordt hiermee meer recht gedaan aan de positie van de gemeenteraad als volksvertegenwoordiging en als hoofd van de gemeente.

Dat neemt niet weg dat bij de aan het woord zijnde leden nog een aantal vragen bestaat ten aanzien van het vierde criterium van dit toetsingskader. Hoe stelt de regering zich de gang van zaken voor bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van «een belang waarbij een sterke legitimatie van de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid groot is», zo vragen deze leden. Bepaalt de raad dit? Op welk moment wordt dit bepaald, direct na de verkiezingen of kan op ad hoc basis steeds worden bepaald wanneer van een dergelijke situatie sprake is? Welk bestuursorgaan neemt daarvoor het initiatief en besluit de raad hierover bij meerderheid van stemmen?

De regering heeft er voor gekozen de terminologie te wijzigen ten opzichte van de start van het wetgevingstraject. Waar de regering eerst sprak van bestuursbevoegdheid bij het college van B&W en kaderstellende en controlerende bevoegdheden bij de raad, wordt nu overgegaan tot de hantering van de term bestuursbevoegdheid op hoofdlijnen voor de raad. De leden van de PvdA-fractie zijn voorstander van een eenduidige terminologie, de invoering van de dualisering heeft in de praktijk baat bij die eenduidigheid. Er is inmiddels sprake van ingeburgerde begrippen. Wil de regering deze aanpassing in terminologie nader motiveren, zo vragen deze leden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de regering er voor kiest om juist ten aanzien van gevoelige punten, zoals het ter beschikking stellen van ruimte op gemeentelijke begraafplaatsen aan kerkelijke genootschappen, de sluiting van gemeentelijke begraafplaatsen en vergunningverlening ten aanzien van een bijzonder crematorium de bevoegdheden van de raad naar het college van B&W over te hevelen? Zijn dit juist geen onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en derhalve een sterke democratische legitimatie verdienen, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Kan de regering aangeven waar de exacte scheidslijn ligt, en of niet de beslissingen inzake alle onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken, en derhalve een sterke democratische legitimatie verdienen, beter bij de gemeenteraad kunnen blijven?

De leden van de SGP-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het toetsingskader dat is gebruikt bij de beoordeling of een bevoegdheid op grond van een medebewindswet bij het college van B&W of de raad dient te berusten. Deze leden vragen de regering om nader inzicht te geven in de aanpassingen van het toetsingskader die naar aanleiding van door externen aangedragen overwegingen in het voorliggende wetsvoorstel zijn aangebracht.

Terminologie

De leden van de SGP-fractie stellen vast dat de term «het gemeentebestuur» in het voorliggende wetsvoorstel waar nodig wordt aangepast. In welke gevallen is dat naar de mening van de regering niet nodig en wat betekent dat voor toekomstige wetgeving? De leden van de SGP-fractie veronderstellen dat de helderheid ermee is gediend als er bij toekomstige wetgeving hoe dan ook wordt gekozen voor «het college» of «de gemeenteraad», dan wel beide termen als er sprake is van een gedeelde bevoegdheid. Zodoende blijkt rechtstreeks uit de wettekst bij wie de bestuursbevoegdheid berust. De genoemde leden vragen een reactie van de regering hierop.

4. Reacties op het wetsvoorstel

Kan de regering toelichten waarom de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: WVG) niet in dit wetsvoorstel is opgenomen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Naar oordeel van deze leden is sprake van een tegenstrijdigheid voor wat betreft de artikelen 8 en 8a. Hierbij is namelijk sprake van een tijdelijke aanwijzing in twee stappen. Het aanwijzen van een voorkeursrechtgebied is naar mening van de aan het woord zijnde leden een bevoegdheid van het college van B&W, dit bestuursorgaan mag immers ook gronden aankopen. Een rol van de raad is in deze fase dan ook nog niet aan de orde. Het komt deze leden logisch voor om de WVG hier op aan te passen (artikel 8a). Verder zijn deze leden van mening dat ook artikel 8 bijgesteld zou kunnen worden door wijziging van de twee jaren termijn, zodat de maximale werkingsduur van het tijdelijke voorkeursrecht gelijk is.

5. Overgangsbepalingen en inwerktreding

Met de regering zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat het goed mogelijk is om de overheveling van een groot aantal bestuursbevoegdheden in medebewind plaats te laten vinden in een lopende raadsperiode. Sterker nog, zo menen deze leden, het wetsvoorstel voorziet in de behoefte van veel gemeenten om juist ook op het gebied van de medebewindstaken helderheid te verschaffen over de toedeling van verantwoordelijkheden. Juist ook omdat het wetsvoorstel voorziet in een behoefte van veel gemeenten, zijn de aan het woord zijnde leden van oordeel dat het goed mogelijk is om het wetsvoorstel een half jaar na vaststelling in werking te laten treden. Dat betekent wel, zoals ook in de memorie van toelichting wordt gesteld, dat de VNG en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna BZK) alles in het werk moeten stellen om gemeenten ook daadwerkelijk in staat te stellen om aanpassing van medebewindsverordeningen tijdig af te ronden. Hiervoor is het bijvoorbeeld noodzakelijk dat nieuwe modelverordeningen tijdig beschikbaar moeten zijn. De leden van de CDA-fractie ontvangen graag een overzicht van de stand van zaken op dit punt en vragen de regering of de voorbereiding van de implementatie van dit voorstel conform de planning verloopt.

De Raad van State pleit voor een redelijke overgangstermijn om op lokaal niveau de verordeningen aan te passen. De regering heeft dit advies niet overgenomen vanwege het feit dat een wettelijke fictie «ver weg is van de realiteit». Is bij dat besluit ook rekening gehouden met de dagelijkse realiteit van gemeenten dat aanpassingen tijd kosten, zowel in materiele als in mentale zin en dat het voor het proces van dualisering ook goed is dat dit stapsgewijs kan plaatsvinden, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Een dergelijke overweging is immers breder dan alleen de juridische overweging, zo stellen deze leden.

Met de VNG en Raad van State vragen de leden van de GroenLinks-fractie naar de mogelijkheid om een overgangsrecht voor verordeningen vast te stellen. Kan de regering aangeven of op dit punt het advies van de Raad van State wordt gevolgd?

In de memorie van toelichting geeft de regering aan dat de gemeenten alles in het werk zullen moeten stellen om de aanpassing van de medebewindsverordeningen tijdig af te ronden. De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat de aanpassing van de gemeentelijke medebewindsverorderiningen met het oog op de noodzakelijke zorgvuldigheid niet onder tijdsdruk tot stand mag komen. Zij betwijfelen of daar met de voorgenomen termijn aan wordt voldaan. De genoemde leden vragen of de VNG in staat is om de modelverordeningen op een zodanig moment voor de gemeenten beschikbaar te hebben dat er voor de gemeenten voldoende tijd resteert om aan de hand van de aangereikte modellen zelfstandig via een normale procedure tot wijziging van de medebewindsverordeningen te komen. Deze leden constateren dat de regering van mening is dat het treffen van een overgangsregeling op dit punt niet tot de mogelijkheden behoort. Kan de regering dat nader toelichten? In aansluiting daarop vragen deze leden in hoeverre de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel aan een bepaalde datum is gebonden.

6. Financiële gevolgen

De regering stelt dat de dualisering van de gemeentelijke medebewindsbevoegdheden niet tot extra kosten voor gemeenten leidt omdat het «slechts gaat om het verschuiven van de formelen politieke verantwoordelijkheid». De leden van de CDA-fractie delen deze opvatting. Dat neemt echter niet weg dat er sprake is of kan zijn van incidentele kosten in verband met onder andere het aanpassen van raadsverordeningen. Deelt de regering deze opvatting? Is het correct dat deze kosten niet gebracht kunnen worden onder de kosten die in het kader van de Vernieuwingsimpuls worden gemaakt?

In de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2004 wordt voorgesteld € 50 miljoen ter beschikking te stellen voor een aantal knelpunten, waaronder de kosten van de dualisering op gemeentelijk niveau. De leden van de CDA-fractie vragen de regering aan te geven welk deel van het bedrag van € 50 miljoen voor de dualisering op lokaal niveau zal worden bestemd.

Met de VNG willen de leden van de GroenLinks-fractie weten of de extra kosten die als gevolg van het aanpassen van verordeningen voor gemeenten ontstaan, door het rijk zullen worden (mee-) gefinancierd.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Hoofdstuk 2 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Artikel VIII: Wet rampen en zware ongevallen

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het vaststellen van het gemeentelijke rampenplan toebehoort aan de gemeenteraad. Dit is namelijk in lijn met de gemaakte afspraken in het kader van de rolversterking van de gemeenteraden bij de rampenbestrijding. Wat zijn de overwegingen van de regering geweest om deze bevoegdheid toch bij het college van B&W neer te leggen, zo vragen deze leden.

Ten aanzien van de Wet rampen en zware ongevallen vragen ook de leden van de GroenLinks-fractie de regering nogmaals uiteen te zetten waarom ervoor gekozen wordt deze bevoegdheid bij het college van B&W neer te leggen. Met de VNG menen deze leden dat de rampenplannen door de gemeenteraad dienen te worden goedgekeurd, waardoor deze (mede-)verantwoordelijkheid draagt bij rampzalige gebeurtenissen als in Enschede en Volendam.

Hoofdstuk 3 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Artikel XI: Monumentenwet 1988

Waarom is ervoor gekozen artikel 15 van de Monumentenwet niet mee te nemen in dit wetsvoorstel, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Naar opvatting van deze leden leidt dit tot tegenstrijdigheden in de wetgeving, zeker als het gaat om de rol tot het instellen van een commissie.

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het uitbrengen van een advies aan de minister met betrekking tot de aanwijzing van een beschermd monument van de gemeenteraad naar het college overgaat.

Artikel XII: Wet educatie en beroepsonderwijs; Artikel XV: Wet op het Primair Onderwijs; Artikel XVII: Wet op het voortgezet onderwijs

De leden van de CDA-fractie steunen het standpunt van de VNG en de Vereniging van Openbare Scholen en Algemeen Toegankelijke Scholen (VOS/ABB) dat de (vermogensrechtelijke) verzelfstandiging van het openbaar onderwijs een raadsbevoegdheid moet blijven. Het is naar het oordeel van deze leden dan ook terecht dat het wetsvoorstel in deze zin is aangepast.

Met de VNG vragen de leden van de GroenLinks-fractie naar de reden van overheveling van de artikelen in de Wet op het primair Onderwijs (hierna: WPO) en de Wet op het Voortgezet Onderwijs (hierna:WVO) over de verzelfstandiging van het onderwijs. Aangezien een dergelijke beslissing bij de raad ligt, kan naar het oordeel van deze leden geen sprake zijn van een bevoegdheid van het college. Daarenboven gaat het daarbij om kredietbesluiten, die het budgetrecht van de raad raken.

De leden van de PvdA-fractie treffen in de artikelen over het onderwijs een tegenstrijdigheid aan. In het lokale onderwijsbeleid heeft de gemeenteraad de regie, maar bij artikel 14oa van de WPO en artikel 96g1 van de WVO worden de bevoegdheden bij het college van B&W neergelegd. Wat zijn de overwegingen van de regering hierbij geweest, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

Artikel XII: Wet educatie en beroepsonderwijs

B en C Artikel 2.3.3. en 2.3.4.

De rijksbijdrage die ten behoeve van educatie wordt verstrekt, zal door het college van B&W worden verdeeld over instellingen die daarvoor in aanmerking komen. Volgens de memorie van toelichting is deze toedeling niet in strijd met het budgettaire primaat van de raad omdat er beperkte beleidsvrijheid bij de besteding bestaat. De leden van de CDA-fractie vragen de regering dit standpunt nader te motiveren. Er is hier sprake van een mate van bestedingsvrijheid. Is het daarom toch niet meer in overeenstemming met de criteria van het toetsingskader om deze verantwoordelijkheid bij de raad te leggen, zo vragen deze leden.

Artikel XII: Wet educatie en beroepsonderwijs

Artikel 8.3.2.

In dit artikel wordt voorgesteld om het vaststellen van streefcijfers van te behalen resultaten met betrekking tot het terugdringen van voortijdig schoolverlaten aan het college van B&W toe te wijzen. De leden van de CDA-fractie zijn van oordeel dat het hierbij gaat om een onderwerp dat politiek veel aandacht heeft en past binnen de kaderstellende bevoegdheid van de raad. Daarom vragen de aan het woord zijnde leden of deze bevoegdheid niet beter bij de raad kan worden neergelegd.

XIII, B, artikel 67; XV, B, artikel 65

XIII, T en W, artikelen 153 en 157; XV, DD en GG, artikelen 166 en 171

Voorgesteld wordt om het college van B&W bevoegd te maken tot het indelen van gemeenten in schoolwijken in het belang van een doelmatige spreiding van de leerlingen over de openbare scholen. Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie een nadere toelichting van de regering op dit punt. Op grond van het feit dat naar het oordeel van deze leden een sterke democratische legitimatie van een dergelijk besluit gewenst is, zou overwogen kunnen worden ook deze bevoegdheid aan de raad toe te kennen.

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het indelen van het grondgebied van de gemeente ten behoeve van een doelmatige spreiding over openbare scholen, alsmede de bevoegdheid tot het vaststellen en evalueren van plannen inzake onderwijs in allochtone levende talen en het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid, van de gemeenteraad naar het college overgaat.

Artikel XV: Wet op het primair onderwijs

De leden van de SGP-fractie constateren dat sommige wetten nu niet worden aangepast, omdat binnen korte termijn om andere redenen een wijziging van deze wetten is voorzien, waarbij de noodzakelijke wijzigingen in het kader van de aanpassing van de medebewindsbevoegdheden kunnen worden meegenomen. Deze leden vragen waarom in dat verband de wijziging van de artikelen 171 tot en met 175 van de WPO niet wordt aangehouden, omdat de verwachting is dat deze artikelen, die betrekking hebben op het onderwijs in allochtone levende talen, binnenkort zullen vervallen (zie Kamerstuk 29 019).

Artikel XVI: Wet op het specifieke cultuurbeleid

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het instellen van een contributie voor jongeren onder 18 voor openbare bibliotheken, van de gemeenteraad naar het college overgaat.

Hoofdstuk 4 Ministerie van Financiën

Artikel XIX: Wet op het consumentenkrediet

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het instellen en opheffen van een gemeentelijke bank van lening dan wel kredietbank, van de gemeenteraad naar het college overgaat.

Hoofdstuk 6 Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Artikel XXIII: Onteigeningswet

Met de VNG vragen de leden van de GroenLinks-fractie naar de reden van het wijzigen van de Onteigeningswet. Zolang het Onteigeningsbesluit een bevoegdheid van de raad blijft, kan de voorbereiding en de uitvoering daarvan toch naar het college van B&W worden overgedragen, zo vragen deze leden.

Artikel XXVI: Wet geluidhinder

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen ter bestrijding van geluidsbelasting, van de gemeenteraad naar het college van B&W overgaat.

Artikel XXVII: Wet Milieubeheer

Voorgesteld wordt om de vaststelling van het gemeentelijke milieubeleidsplan tot verantwoordelijkheid van de raad te maken en het milieuprogramma door het college van B&W te laten vaststellen. Gemeenten zijn echter niet verplicht tot het opstellen van een milieubeleidsplan, terwijl het opstellen van het milieuprogramma wel verplicht is. Op welke wijze zou de raad naar het oordeel van de regering de kaderstellende verantwoordelijkheid voor het milieubeleid van de gemeente moeten invullen indien de raad niet kiest voor het opstellen van een milieubeleidsplan, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen ook de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het vaststellen van het gemeentelijke milieuprogramma, alsmede het beleid ten aanzien van de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen (frequentie, inzamelplekken en bedrijfsafval) van de gemeenteraad naar het college van B&W overgaat.

Artikel XXVIII: Wet op de stads-en dorpsvernieuwing

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het betrekken van de bewoners bij het beleid inzake stadsvernieuwing van de gemeenteraad naar het college van B&W overgaat.

Hoofdstuk 8 Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Artikel XXXIX: Wegenverkeerswet 1994

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het nemen van verkeersbesluiten van de gemeenteraad naar het college van B&W overgaat.

Artikel XXXVI: Verenwet

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het vaststellen van veergelden van de gemeenteraad naar het college van B&W overgaat.

Hoofdstuk 10 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel LVI: Algemene bijstandswet

De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat het voorliggende wetsvoorstel nog wordt aangepast als gevolg van de vaststelling van de wet Werk en Bijstand. Wanneer kunnen deze leden een nota van wijziging op dit punt tegemoet zien?

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het vaststellen van een plan en beleidsverslag ter uitvoering van de Algemene Bijstand Wet van de gemeenteraad naar het college van B&W overgaat.

Hoofdstuk 11 Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Artikel LXVIII: Wet ambulancevervoer

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot het instellen en instandhouden van een centrale ambulancepost van de gemeenteraad naar het college van B&W overgaat.

Artikel LXIX: Wet collectieve preventie volksgezondheid

Het wetsvoorstel wijzigt de artikelen 2, 3,3a en 5 van de Wet collectieve preventie volksgezondheid. De uitvoering gaat daardoor over van de gemeenteraad naar het college van B&W. In artikel 3b wordt geregeld dat de raad het gemeentelijke gezondheidsbeleid vaststelt. In dit artikel wordt ook aangegeven op welke wijze het gemeentelijke beleid moet worden uitgevoerd. De regering stelt voor dit eveneens over te hevelen naar het college van B&W. De leden van de PvdA-fractie zijn hiervan geen voorstander aangezien het vaststellen van de gezondheidsnota een kaderstellend karakter heeft en derhalve tot de bevoegdheid van de raad behoort.

Met het oog op beslissingen over onderwerpen die beroering onder de bevolking kunnen veroorzaken en daarom een sterke democratische legitimatie verdienen, vragen ook de leden van de fractie van GroenLinks waarom de bevoegdheid tot vaststelling van de nota gemeentelijk gezondheidsbeleid van de gemeenteraad naar het college van B&W overgaat.

De voorzitter van de commissie,

Noorman-den Uyl

De Adjunct-griffier van de commissie,

Franke


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Fessem (CDA), Kalsbeek (PvdA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), voorzitter, Vos (GL), Cornielje (VVD), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Van Beek (VVD), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Luchtenveld (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA), Tonkens (GL), Smilde (CDA), Spies (CDA), Eerdmans (LPF), Sterk (CDA), Haverkamp (CDA), Straub (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Hirsi Ali (VVD), Szabó (VVD), Van Hijum (CDA) en Vacature (D66).

Plv. leden: Van Bochove (CDA), De Vries (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Fierens (PvdA), Halsema (GL), Schippers (VVD), Dubbelboer (PvdA), Kant (SP), Rijpstra (VVD), Slob (CU), Wilders (VVD), Rambocus (CDA), Varela (LPF), Vergeer-Mudde (SP), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Gent (GL), Algra (CDA), Çörüz (CDA), Nawijn (LPF), Atsma (CDA), Bruls (CDA), Hamer (PvdA), Leerdam, MFA (PvdA), Griffith (VVD), Balemans (VVD), Eski (CDA) en Giskes (D66).