A
OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN VAN DE MEMORIE VAN
TOELICHTING ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOORZOVER NADIEN GEWIJZIGD
Wetsvoorstel
1. In artikel 5 stond in plaats van «de stukken door een beëdigd
vertaler in het Nederlands doen vertalen»: de stukken in het Nederlands
doen vertalen.
2. In artikel 9 ontbrak het eerste lid en stond – in het thans tweede
lid – in plaats van «oproepingen die niet door één
der partijen worden verricht geschieden door de griffier»: oproepingen
geschieden door de griffier.
3. In artikel 10 ontbrak de zinsnede: en de kosten die ingevolge artikel
9, eerste lid, voor rekening van partijen komen.
4. In artikel 12, derde lid, stond in plaats van «de in de voorgaande
leden bedoelde andere persoon»: de in het tweede lid bedoelde andere
persoon. In dit lid ontbraken de woorden: voor zover nodig.
Memorie van toelichting
5. In het algemeen deel van de toelichting, paragraaf 2, stond in
de voornalaatste alinea in plaats van «een lid van de Staatscommissie»
en «het lid van de Staatscommissie»: de voorzitter van de Staatscommissie.
Aan het slot van deze alinea ontbrak de zin: Het is aan de rechter om, eventueel
na het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, te beoordelen
of de hier bedoelde weigeringsgrond een rol kan spelen in het kader van de
(de invulling van de) weigeringsgronden van de verordening.
6. In de toelichting op artikel 5 ontbraken de zinnen: Op advies van de
Raad van State is opgenomen dat de vertaling dient te geschieden door een
beëdigd vertaler. De vertaling kan aan het verzoek worden gehecht, zoals
gebruikelijk is volgens de richtlijnen voor beëdigd vertalers.
7. In de toelichting op artikel 8, tweede lid, ontbrak in de eerste zin
de zinsnede: door de buitenlandse rechter of andere persoon. In de toelichting
op het derde lid ontbrak in de zinsnede «In overeenstemming met het
advies van de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht is in het
derde lid» de verwijzing naar het derde lid. Aan het slot van deze toelichting
ontbrak de zin: Door de Raad van State is erop gewezen dat in een dergelijke
maatregel van algemeen bestuur aan partijen in een buitenlandse procedure
geen strengere voorwaarden mogen worden gesteld dan aan partijen in een Nederlandse
procedure.
8. De toelichting op artikel 9 vanaf de tweede alinea aanvangende met
«De verordening gaat ervan uit» tot aan de voornalaatste alinea
aanvangende met «Door de Staatscommissie is geadviseerd» luidde:
De Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht en de Adviescommissie
burgerlijk procesrecht hebben geadviseerd getuigen door partijen te laten
oproepen. Dit zou volgens de Staatscommissie aansluiten bij het Bewijsverdrag
1970.
Zoals door de Staatscommissie wordt aangegeven, kan, wanneer dit niet
gebeurt, de uitvoering van het verzoek echter niet om deze reden worden geweigerd
en dient in een dergelijk geval het gerecht de oproeping zelf te verzorgen.
De Adviescommissie burgerlijk procesrecht heeft aanbevolen dat door het aangezochte
gerecht in Nederland wordt aangegeven welke partij als de voor oproeping en
kosten verantwoordelijke partij moet worden aangemerkt, maar heeft er ook
op gewezen dat zich ook geredelijke gevallen laten denken waarin het wel aangewezen
is dat de rechterlijke instantie zelf voor oproeping zorg draagt. Door de
adviescommissie is voorts aangegeven dat betwijfeld kan worden of de verordening
ruimte laat voor de door haar voorgestelde regel.
De verordening gaat ervan uit dat een verzoek door het gerecht wordt uitgevoerd
volgens het eigen nationale recht en geeft aan welke kosten tussen de gerechten
van de lidstaten kunnen worden verrekend (artikel 18). De verordening
laat zich er niet over uit of de oproeping door partijen kan worden verricht
en of de daarmee gepaard gaande kosten alsmede andere kosten, zoals de getuigentaxe,
voor rekening van partijen kunnen worden gebracht.
Gelet echter op de door de verordening beoogde snelle en eenvoudige internationale
bewijsverkrijging alsmede op het feit dat in artikel 18 van de verordening
wel wordt bepaald dat de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht bepaalt
wie verplicht is de vergoeding of kosten te dragen die tussen de gerechten
kunnen worden verrekend, is zeer twijfelachtig of de oproeping door partijen
en het dragen van de oproepingskosten door partijen op grond van de verordening
tot de mogelijkheden behoort.
Daar de oproeping door buitenlandse partijen voorts niet in alle gevallen
voor de hand ligt en bij weigering van partijen het gerecht zal dienen op
te roepen, is ervoor gekozen in alle gevallen de oproeping door de griffier
van het aangezochte gerecht te laten geschieden. Deze regel is praktisch en
voorkomt vertraging bij de uitvoering van een verzoek. Op deze wijze wordt
zoveel mogelijk recht gedaan aan de door de verordening beoogde eenvoud en
snelheid van internationale bewijsverkrijging.
In de Uitvoeringswet bij het Bewijsverdrag 1970 wordt de oproeping in
eerste instantie niet specifiek geregeld. Ingevolge artikel 11, tweede lid,
van de Uitvoeringswet Bewijsverdrag 1970 wordt echter een niet vrijwillig
verschenen getuige door de rechter gedagvaard. Rechtspraak onder het Bewijsverdrag
1970 laat zien dat de (eerste) oproeping (ook) geschiedt via het gerecht dat
de rogatoire commissie heeft ontvangen.
Wat de kosten van oproeping betreft, zullen deze bij een oproeping verzorgd
door de griffier voor rekening komen van de Staat. Degene die de getuige oproept
of doet oproepen kan voorts geacht worden voor de getuigentaxe in te staan.
De Staat zal dan ook hebben in te staan voor de getuigentaxe. Dat dergelijke
kosten voor rekening komen van de Staat volgt overigens ook uit het hierna
voorgestelde artikel 10.
9. In de toelichting op artikel 10 luidde de laatste zin in plaats van
«De kosten van uitvoering die voor rekening van de Staat kunnen blijven
zijn met name de kosten van een vertaling van het verzoek alsmede de kosten
van oproeping en de getuigentaxen voorzover deze ingevolge het eerste lid
van het voorgaande artikel niet door partijen worden gedragen»: De kosten
van uitvoering die voor rekening van de Staat blijven zijn met name de kosten
van oproeping, de getuigentaxen en de kosten van een vertaling van het verzoek.
10. In de toelichting op artikel 12 stond in de eerst zin in plaats van
«In dit artikel wordt in het eerste lid bepaald»: In dit artikel
wordt bepaald. In de derde alinea stond in plaats van «In artikel 12
is in het tweede lid eveneens»: In artikel 12 is eveneens. Aan het slot
van de toelichting op artikel 12 ontbrak de zin: In het derde lid zijn de
bepalingen met betrekking tot de kosten van deskunigen van overeenkomstige
toepassing verklaard op de andere persoon die niet tevens een deskundige is.