Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328986 nr. 3

28 986
Wijziging van een aantal wetten op het terrein van Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid terzake van de arbeidsverhoudingen en arbeidsomstandigheden (Verzamelwet SZW-wetten AV- en Arboterrein)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

Bij deze wet worden in verschillende wetten op het terrein van de arbeidsverhoudingen en dat van de arbeidsomstandigheden wijzigingen van voornamelijk technische aard aangebracht. Het gaat onder andere om redactionele verbeteringen en het corrigeren van onjuiste verwijzingen. Ook wordt een aantal voorstellen tot vereenvoudiging van regelgeving gedaan. In het artikelsgewijze deel wordt nader ingegaan op de verschillende wijzigingsvoorstellen.

Artikelsgewijs

Artikel I Arbeidsomstandighedenwet 1998

Onderdeel A

Met de onderhavige wijziging wordt artikel 12, eerste lid, tweede volzin, in overeenstemming gebracht met artikel 5, derde lid, derde volzin. Dit laatste artikelonderdeel is bij nota van wijziging bij de totstandkoming van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 indertijd ingevoerd1. Daarbij is echter verzuimd om artikel 12, eerste lid, hiermee in lijn brengen.

Onderdeel B

In artikel 13 Arbeidsomstandighedenwet 1998 is de verplichting opgenomen dat er regelmatig werkoverleg moet zijn in (de afzonderlijke) afdelingen van een onderneming voorzover de arbeidsomstandigheden dat vereisen. Het werkoverleg moet met een zekere regelmaat plaatsvinden. Het gaat dan om overleg tussen de direct leidinggevende en degenen die in de betrokken afdeling werkzaam zijn. In het kader van het voornemen om de administratieve lasten op het gebied van arbeidsomstandigheden te verminderen is in een brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 november 2002 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer2 aangegeven, dat dit genoemde artikel 13 kan vervallen. In dat verband wordt gewezen op het wetgevingsoverleg3 naar aanleiding van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waar dit onderwerp ook aan de orde is geweest.

Een van de principes van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 is de samenwerking van werkgevers en werknemers in de onderneming. Dit principe houdt tevens in dat ervan uitgegaan mag worden dat, vanuit het gezamenlijke belang van werkgever en werknemers, zij op eigen wijze invulling zullen geven aan het voeren van een zinvolle dialoog over het werk en de arbeidsomstandigheden. Het komt erop neer dat het organiseren en het voeren van werkoverleg een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering is en om die reden geen specifieke wettelijke verplichting vergt. Er moet op worden gewezen dat ook vanuit Europese wet- en regelgeving geen verplichting ligt om voor het werkoverleg een specifieke wettelijke regeling als in artikel 13 Arbeidsomstandighedenwet 1998 op te nemen.

Tegen deze achtergrond bezien, is er geen noodzaak om in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 een aparte wettelijke verplichting tot het voeren van werkoverleg in de onderneming over arbeidsomstandigheden te handhaven. Om zeker te stellen dat over het arbeidsomstandighedenbeleid binnen bedrijven betrokkenheid van werknemers bestaat, bevat deze wet diverse voorschriften, onder andere over overleg over de risico-inventarisatie en -evaluatie, de basis voor het arbeidsomstandighedenbeleid in de onderneming.

Vanuit een oogpunt van administratieve lasten voor het bedrijfsleven – in de zin van het voldoen aan door de overheid opgelegde informatieverplichtingen, waar ook overleg onder wordt begrepen – betekent dit op de totale administratieve lasten waartoe de overheid op het terrein van de arbeidsomstandigheden verplicht; een reductie van 92,4 miljoen euro (naar het prijspeil van 2002). Deze reductie wijkt af van de aanvankelijke voorlopige raming van 104 miljoen euro die in de genoemde brief van 28 november 2002 is verondersteld. Dit heeft te maken met een herberekening op grond van een na 28 november 2002 opgeleverd rekenmodel.

De artikelen 52 en 53 Arbeidsomstandighedenwet 1998 bevatten een overgangsregeling voor de mijnbouwsector tot het in werking treden van de nieuwe Mijnbouwwet. Daar deze wet met ingang van 1 januari 2003 in werking is getreden, kunnen de genoemde artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 vervallen.

Onderdeel C

De voorgestelde wijziging van artikel 27, vijfde lid, Arbeidsomstandighedenwet 1998 hangt samen met het vervallen van artikel 13 van die wet.

Artikel II Arbeidstijdenwet

Onderdeel A

In artikel 4:1, zevende lid, Arbeidstijdenwet is aan de eis tot naleving in het kader van de beleidsvoering schorsende werking toegekend. In het kader van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 waarin ook het handhavingsinstrument eis tot naleving voorkomt is een dergelijke opschortende werking echter achterwege gelaten conform het uitgangspunt in de Algemene wet bestuursrecht. Door het laten vervallen van het zevende lid van artikel 4:1 Arbeidstijdenwet wordt een en ander met elkaar in overeenstemming gebracht.

Onderdeel B

In artikel 5:2 Arbeidstijdenwet wordt ten onrechte nog verwezen naar de zeer bijzondere omstandigheden, die voor de komst van de Wet arbeid en zorg in het Boek 7 Titel 10 Burgerlijk Wetboek waren geregeld. Onderdeel B maakt dat nu naar de goede wettelijke regeling wordt verwezen.

Onderdeel C

Artikel 5:11 Arbeidstijdenwet heeft betrekking op consignatie. Consignatie kan op grond van het tweede lid van artikel 5:11 alleen worden opgelegd aan werknemers van 18 jaar of ouder. Arbeid die voortvloeit uit een oproep in het kader van de consignatie wordt op grond van artikel 5:11, zesde lid, Arbeidstijdenwet voor de toepassing van artikel 5:3, eerste lid, buiten beschouwing gelaten. Artikel 5:3, eerste lid, heeft betrekking op de wekelijkse rusttijd van jeugdige werknemers. Het zal duidelijk zijn dat het hier gaat om een verschrijving. Artikel 5:11, zesde lid, moet in dat kader verwijzen naar artikel 5:3, tweede lid. Onderdeel C van artikel II voorziet hierin.

Onderdeel D

Op grond van de artikelen 27 en 28 Arbeidsomstandighedenwet 1998 is de werkgever verplicht om – ingeval hem een eis tot naleving wordt gesteld of hem een bevel tot stillegging van een werk wordt gegeven, de inhoud van die eis of dat bevel – zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de betrokken werknemers, ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging en de arbodienst. Bij stillegging van werk geschiedt dit bij gedagtekend schrijven.

In artikel 6:2, eerste lid, Arbeidstijdenwet is een vergelijkbare informatieverplichting voor de werkgever neergelegd als het gaat om een bevel tot het staken van de arbeid en andersoortige beschikkingen. Voorgesteld wordt om aan artikel 6:2, eerste lid, toe te voegen dat deze informatieverplichting ook geldt ten opzichte van de in artikel 14 Arbeidsomstandighedenwet 1998 bedoelde deskundigen en diensten. Hierdoor wordt de informatieverplichting die in de twee wetten is geregeld over dezelfde onderwerpen gelijkgeschakeld.

Onderdelen E onder 1, en F

In artikel 8:2, eerste lid en tweede lid, eerste volzin, Arbeidstijdenwet wordt voorgesteld om de terminologie «de daartoe aangewezen ambtenaar» in overeenstemming te brengen met artikel 5:11 Algemene wet bestuursrecht, waarin het begrip toezichthouder is omschreven. Het zelfde geldt voor de in onderdeel F voorgestelde wijziging van artikel 8:4 Arbeidstijdenwet.

Onderdeel E onder 2

In artikel 8:2 Arbeidstijdenwet is thans geregeld dat het in ernstige mate niet naleven van de arbeids- en rusttijdennormen voor zover die strafbaar zijn gesteld, reden kan zijn om een bevel tot het staken van de arbeid te geven. Er bestaat verwarring over de vraag of het in ernstige mate niet naleven van de registratieverplichting daar ook onder valt. Ondanks het feit dat de bestuursrechter te Haarlem in de uitspraak van 30 januari 20021 daarover geen twijfel laat, is er toch voor gekozen om de eerste volzin van artikel 8:2 in die zin aan te passen.

Onderdeel G

In de artikelen 12:5 en 12:10 worden respectievelijk de Mijnwet 1903 en de Mijnwet continentaal plat gewijzigd. Sinds 1 januari 2003 is de Mijnbouwwet in werking getreden en zijn de beide genoemde wetten vervallen (zie artikel 168 Mijnbouwwet). Om die reden kunnen de beide genoemde artikelen in de Arbeidstijdenwet vervallen. Ook artikel 12:13 kan vervallen. De in dat artikel neergelegde plaatsingsopdracht van de Wet vaartijden en bemanningsterkte is niet meer relevant.

Artikel III Wet op de bedrijfsorganisatie

Onderdeel A

Met de voorgestelde wijziging wordt beter dan nu tot uitdrukking gebracht wat van meet af aan met artikel 4, zesde lid, Wet op de bedrijfsorganisatie is beoogd; het creëren van de mogelijkheid om regels te stellen over de benoeming van de leden van de SER en hun plaatsvervangers. Zo biedt deze bepaling een duidelijker wettelijke grondslag voor hetgeen is geregeld in het Koninklijk besluit van 24 september 1959 (Stb. 1959, 343). Voorts leidt wijziging van de onderhavige bepaling tot de mogelijkheid van subdelegatie aan een ministeriële regeling. Bij regels over de benoeming van leden van de SER gaat het veelal om regels van administratieve aard. Een ministeriële regeling is immers meer het geëigende niveau om dergelijke regels te stellen dan een algemene maatregel van bestuur.

Onderdelen B tot en met F

In de artikelen 38, 100, 106 en 111, Wet op de bedrijfsorganisatie wordt geregeld dat de bekendmaking van bepaalde (ontwerp-)verordeningen respectievelijk van de instelling van een gemeenschappelijke voorziening plaatsvindt op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze. Een en ander is geregeld in het koninklijk besluit van 5 december 1950 (Stb.K 550). Gelet op het feit dat bekendmaking altijd plaatsvindt in het Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie of het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie respectievelijk de Staatscourant, geniet het de voorkeur dit in de wettelijke bepalingen zelf te regelen. Ook de in eerdergenoemd besluit vermelde termijn van vier weken vanaf de bekendmaking van ontwerp-verordeningen is in de wet zelf opgenomen alsmede het voorschrift om, indien het gaat om een verordening die aan goedkeuring is onderworpen, het besluit waarbij goedkeuring is verleend bij de publicatie te vermelden.

Artikel IV Wet melding collectief ontslag

De voorgestelde wijziging van artikel 3, eerste lid, Wet melding collectief ontslag strekt tot herstel van een omissie. In verband met de wijziging van de in artikel 1, onder c, opgenomen definitie van «bevoegd gezag» op grond van artikel 87 Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in «de Centrale organisatie voor Werk en Inkomen» moeten de woorden «van een werkgebied» in artikel 3, eerste lid, worden geschrapt.

Artikel V Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst

Op grond van artikel I, onderdeel A, Wet van 18 april 2002, Stb. 215, is artikel 7:662 Burgerlijk Wetboek zodanig gewijzigd dat onder overgang van een onderneming mede de overgang ten gevolge van een fusie wordt begrepen. Artikel 14a, vierde lid, Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, op grond waarvan fusie wordt gelijkgesteld met overgang van de onderneming met het oog op de gevolgen van een na de overgang tot stand gekomen collectieve arbeidsovereenkomst voor de rechten en plichten die zijn overgegaan, is dan ook overbodig geworden.

Artikel VI

In artikel II, vierde lid, onderdeel j, Wet van 1 november 2001, Stb. 557, tot wijziging van de Warenwet met het oog op de incorporatie van productveiligheidsvoorschriften uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen, zulks onder intrekking van deze wet en de Stoomwet, is per abuis niet het goede nummer genoemd van de Staatscourant waarin de betreffende regeling is geplaatst. Teneinde misverstanden uit te sluiten wordt dit abuis gerepareerd. Het hier gewijzigde artikel II is overigens nog niet in werking getreden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J de Geus

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte


XNoot
1

Zie Kamerstukken II 1998/99, 25 879 nr. 36.

XNoot
2

Zie Kamerstukken II 2002/2003, 24 036 nr. 271.

XNoot
3

Zie Kamerstukken II 2002/2003, 28 600 hfdst. XV nr. 77 (verslag van een wetgevingsoverleg), blz. 16.

XNoot
1

Rb Haarlem 30 januari 2002, reg. Nr. AWB 01/726.