28 978
Wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten (Verzamelwet sociale verzekeringen 2003)

nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 13 oktober 2003

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel IX, onderdeel B, onder 2, komt te luiden:

2. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Dit artikel is niet van toepassing indien de werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van de Wet sociale werkvoorziening.

B

Artikel X wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel K wordt een nieuw onderdeel Ka ingevoegd, luidende:

Ka

In artikel 44, vierde lid, wordt de zinsnede «Na afloop van een kalenderkwartaal wordt het gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die op grond van het derde lid niet zijn uitbetaald wegens het genieten van het loon, bedoeld in het derde lid» vervangen door: Maandelijks wordt het geraamde bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die op grond van het derde lid niet worden uitbetaald wegens het genieten van dat loon.

b. In onderdeel T, onder 2, wordt «Het tweede» vervangen door: Het tweede lid.

c. Na onderdeel U wordt een nieuw onderdeel Ua ingevoegd, luidende:

Ua

In artikel 80a worden, onder vernummering van het tweede lid tot het vierde lid, twee leden ingevoegd, luidende:

3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder recht krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet verstaan het voor de eerste maal betaald krijgen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering na toekenning daarvan.

4. Indien een werkgever, met toepassing van de artikelen 97l en 97m van de Werkloosheidswet, is aangesloten bij verschillende sectoren, vindt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever, waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de in het eerste lid bedoelde openbaarmaking afzonderlijk plaats.

C

In artikel XI, wordt na onderdeel I een nieuw onderdeel Ia ingevoegd, luidende:

Ia

In artikel 58, vierde lid, wordt de zinsnede «Na afloop van een kalenderkwartaal wordt het gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die op grond van het derde lid niet zijn uitbetaald wegens het genieten van dat loon,» vervangen door: Maandelijks wordt het geraamde bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die op grond van het derde lid niet worden uitbetaald wegens het genieten van dat loon,.

D

Artikel XIII wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel L, komt te luiden:

L

Artikel 93 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vervanging van de punt aan het slot van het met de Wet van 17 mei 2001 tot wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten in verband met de invoering van een regeling inzake de financiering van kinderopvang voor uitkeringsgerechtigden (Stb. 259) toegevoegde onderdeel j door een puntkomma, wordt het met de Invoeringswet arbeid en zorg toegevoegde onderdeel j geletterd k.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van het met de Invoeringswet arbeid en zorg toegevoegde onderdeel j, dat onder 1 is verletterd tot onderdeel k, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

l. de kosten in verband met de uitvoering van artikel 72.

b. Onderdeel P komt te luiden:

P

Artikel 97f, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel g komt te luiden:

g. de korting op de door de overheidswerkgever verschuldigde premie,

bedoeld in artikel 97c, zesde lid.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel o door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

p. de kosten in verband met de uitvoering van artikel 72 ten behoeve van personen als bedoeld in artikel 78a, die recht hebben op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb.

E

Na artikel XIV wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIVA. WIJZIGING VAN DE WET GEVOLGEN BRUTERING UITKERINGSREGELINGEN

In artikel 28 van de Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen wordt «De artikelen 1a en 38 TW zijn» vervangen door: Artikel 38 TW is.

F

Na artikel XXV worden zes nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXVI. WIJZIGINGEN IN VERBAND MET DE INVOERING VAN DE WET WERK EN BIJSTAND

Indien het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2003 ingediende voorstel van wet Invoeringswet Wet werk en bijstand (Kamerstukken II 2002–2003, 28 960) tot wet is verheven en in werking is getreden wordt deze wet als volgt gewijzigd:

a. Artikel IX, onderdeel B, komt te luiden:

B

Artikel 29b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten» een zinsdeel ingevoegd, luidende: of werkzaam is als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Dit artikel is niet van toepassing indien de werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van de Wet sociale werkvoorziening.

b. In artikel X , onderdeel T, onder 3, komt het tot tweede lid vernummerde derde lid van artikel 79a te luiden:

2. Dit artikel is niet van toepassing op de premie over het loon van de persoon die arbeid verricht als bedoeld in artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

c. Artikel XII, onderdeel F, vervalt.

d. Artikel XV, onderdeel A, komt te luiden:

A

In artikel 2, vierde lid, wordt de zinsnede «vanaf de datum van vaststelling» vervangen door: vanaf de datum van het intreden van de arbeidshandicap.

e. In artikel XXIII wordt na onderdeel P, een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

Pa

In artikel 82a, wordt «artikel 26 van de Werkloosheidswet» vervangen door: de artikelen 22, tweede lid, en 26 van de Werkloosheidswet.

ARTIKEL XXVIA. WIJZIGING VAN DE WET WERK EN BIJSTAND

De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 8, eerste lid, onderdeel b, vervallen de woorden «en de langdurigheidstoeslag».

b. In artikel 18, tweede lid, vervallen de woorden «of de langdurigheidstoeslag».

c. Artikel 36, zesde lid, komt te luiden:

6. De artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, 13, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, 18, tweede en derde lid, 40, 46, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 54, paragraaf 6.4 en 6.5, alsmede artikel 63 zijn van overeenkomstige toepassing.

d. Artikel 58, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel e wordt verletterd tot onder deel f.

2. Na onderdeel d wordt een onderdeel e ingevoegd, luidende:

e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of .

3. In de aanhef van onderdeel f vervalt «voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen».

ARTIKEL XXVIB. WIJZIGING VAN DE INVOERINGSWET WET WERK EN BIJSTAND

De Invoeringswet Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:

a. Artikel 23, onderdeel M, komt te luiden:

M

Artikel 37a komt te luiden:

Artikel 37a

1. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een of meer verplichtingen als bedoeld in artikel 37. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voorzover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a. Indien de tijdelijke ontheffing een alleenstaande ouder betreft maken burgemeester en wethouders in het bijzonder een afweging tussen het belang van arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te geven aan de zorgplicht.

2. De verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden geldt voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene.

b. Artikel 24, onderdeel M, komt te luiden:

M

Artikel 37a komt te luiden:

Artikel 37a

1. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een of meer verplichtingen als bedoeld in artikel 37. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voorzover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a. Indien de tijdelijke ontheffing een alleenstaande ouder betreft maken burgemeester en wethouders in het bijzonder een afweging tussen het belang van arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te geven aan de zorgplicht.

2. De verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden geldt voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene.

ARTIKEL XXVIC. WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE WERKLOZE WERKNEMERS

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als volgt gewijzigd:

a. In de artikelen 3, tweede lid, onderdeel b, en 4, onderdeel b, wordt na «een bloedverwant in de eerste graad» ingevoegd: of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

b. In artikel 45, eerste lid, wordt het onderdeel dat luidt «derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen» geletterd als onderdeel m, onder vervanging van de punt achter onderdeel l door een puntkomma.

ARTIKEL XXVID. WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN

In de artikelen 3, tweede lid, onderdeel b, en 4, onderdeel a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt na «een bloedverwant in de eerste graad» ingevoegd: of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

ARTIKEL XXVIE. WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING KUNSTENAARS

Artikel 12 van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars komt te luiden:

Artikel 12

Onze Minister herziet telkens met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt de in de artikelen 4, 9 en 10 genoemde bedragen, alsmede het percentage genoemd in artikel 11, eerste lid. Artikel 37, eerste, tweede en derde lid van de Wet werk en bijstand is van overeenkomstige toepassing.

G

Aan artikel XXIX worden drie leden toegevoegd, luidende:

6. De artikelen XIII, onderdeel L, onder 2, en onderdeel P, onder 2, werken terug tot en met 15 september 2003.

7. Indien deze wet na 1 januari 2004 tot wet wordt verheven en in werking treedt werkt artikel XV, onderdeel M, terug tot en met 1 januari 2004.

8. Artikel XXVIB treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

Toelichting

A

Dit betreft een technische wijziging om het artikellid weer in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoeling te brengen.

B, onder a en C

Met de onderhavige wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) wordt voor de afdrachten aan 's Rijks kas van het gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die niet zijn uitbetaald op grond van het genieten van inkomsten uit arbeid ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet sociale werkvoorziening, vermeerderd met het bedrag aan premies dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) bij uitbetaling daarover op grond van enige wet verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht (hierna: anticumulatiebaten), aangesloten bij de wettelijke systematiek zoals deze thans ook al geldt in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). De geraamde niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met het bedrag aan premies dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) bij uitbetaling daarover op grond van enige wet verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht, worden door het UWV afgedragen in de maand mei.

Door deze wijzigingen zullen de uitvoeringskosten voor het UWV kunnen afnemen.

Momenteel dient het UWV na afloop van een kalenderkwartaal de feitelijk gerealiseerde anticumulatiebaten aan 's Rijks kas af te dragen. Het gaat daarbij om een totaalbedrag per wet dat moet worden verkregen door telkens per uitkeringsgerechtigde na te gaan welk bedrag is bespaard. Dit is een zeer arbeidsintensieve methode om een bedrag te berekenen dat in de loop van de tijd slechts aan beperkte, trendmatig te voorspellen, wijzigingen onderhevig is.

In de artikelen X en XI worden de artikelen 44, vierde lid, WAO respectievelijk 58, vierde lid, WAZ gewijzigd.

De Minister zal jaarlijks een raming opstellen van de anticumulatiebaten. Het UWV dient vervolgens maandelijks 1/12 van de jaarraming af te dragen aan 's Rijks kas.

De voorgestelde wijziging heeft geen gevolgen voor de aanspraken van personen op een uitkering. De rechtmatigheid van de uitvoering zal vanwege het verminderen van het aantal handelingen kunnen verbeteren.

Door de voorgestelde wijzigingen in de artikelen X en XI zullen de uitvoeringskosten voor het UWV met circa 0,4 miljoen euro per jaar afnemen.

B, onder c

In het kader van de uitvoering van de op 1 april 2003 in werking getreden Wet instroomcijfers WAO (artikel 80a WAO) heeft het UWV te kennen gegeven dat het in de statistieken van het UWV gebruikelijk is om als moment van WAO-instroom te hanteren het moment waarop de WAO-uitkering voor het eerst wordt uitbetaald.

In genoemde wet is evenwel als moment van WAO-instroom geformuleerd het moment waarop recht ontstaat op WAO-uitkering. Voor 2002 heeft de Minister UWV toestemming gegeven het eerste betaalmoment reeds als criterium te hanteren. Voor de publicaties in volgende jaren zouden wet en uitvoering met elkaar in overeenstemming worden gebracht.

Aangezien het UWV heeft aangegeven om uitvoeringstechnische redenen een uitgesproken voorkeur te hebben voor laatstgenoemd criterium, is ervoor gekozen de wettekst daarop aan te passen.

Indien een werkgever bij meer dan één sector is aangesloten, kan een vertekend beeld ontstaan indien bij de publicatie van de WAO-instroomcijfers van die werkgever geen onderscheid wordt gemaakt tussen de bedrijfsonderdelen die bij de ene en de bedrijfsonderdelen die bij de andere sector behoren. Dit doet zich b.v. voor bij een gemeentebestuur dat zowel werkgever is van het gemeentepersoneel als van het personeel van het (openbaar) onderwijs in die gemeente. De toevoeging van een tweede lid, waarbij is aangesloten bij de wijze van vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie bij dergelijke werkgevers, maakt afzonderlijke publicatie van WAO-instroomcijfers van de desbetreffende bedrijfsonderdelen van een werkgever per sector mogelijk.

D

Met ingang van 15 september 2003 is het Tijdelijk besluit sluitende aanpak (Stb. 1999, 380) van rechtswege vervallen. Daarmee is het experiment sluitende aanpak (artikel 130 WW) geëindigd. In een brief aan de Tweede Kamer (d.d. 3 juli 2003, kenmerk SV/R&S/03/28 817) heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid meegedeeld dat het experiment weliswaar afloopt, maar dat de sluitende aanpak voor WW'ers desalniettemin voortgezet zal worden. Over de sluitende aanpak WW worden met het UWV, in het jaarplan UWV, afspraken gemaakt.

Met het aflopen van het experiment en het vervallen van het Tijdelijk besluit sluitende aanpak ontbreekt er in de wetgeving een basis om de kosten van inkoop van reïntegratietrajecten door het UWV te financieren vanuit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWF). Dit is echter wel de bedoeling van de wetgever. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de toelichting op het Tijdelijk besluit sluitende aanpak betoogt dat «de inkoop van reïntegratietrajecten ten laste van middelen van het AWF bijdraagt aan de totstandkoming van de sluitende aanpak voor werkloos werkzoekenden met een WW-uitkering». De bedoeling van de sluitende aanpak blijft bestaan, zoals meegedeeld aan de Tweede Kamer, dus daarmee ook de bedoeling om de reïntegratietrajecten ten laste van het AWF te brengen.

Deze omissie wordt gecorrigeerd door artikel XIII, onderdeel L, van het wetsvoorstel te wijzigen. Op grond hiervan kunnen de kosten van de, op grond van artikel 72, verplichte, inkoop van reïntegratiewerkzaamheden door het UWV ten laste van het AWF worden gebracht. Dit geldt voor de kosten van inkoop van reïntegratietrajecten ten behoeve van uitkeringsgerechtigden die geen overheidswerknemer zijn geweest.

De kosten inkoop van reïntegratietrajecten ten behoeve van uitkeringsgerechtigden die in hun laatste functie voor het verkrijgen van het recht op uitkering wel overheidswerknemer zijn geweest, dienen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid te komen. Hiertoe wordt artikel XIII, onderdeel P, dat artikel 97f van de WW wijzigt, gewijzigd.

Om te voorkomen dat een hiaat ontstaat in de financiering van reïntegratietrajecten tussen 15 september 2003 en het moment waarop onderhavige wet in werking treedt, zal aan dit artikel terugwerkende kracht worden verleend.

E

Met deze wijziging wordt de verwijzing naar het niet meer bestaande artikel 1a van de Toeslagenwet ongedaan gemaakt.

F

Artikel XXVI

De voorgestelde wijzigingen voorzien in aanpassing van het wetsvoorstel in de situatie dat de Wet werk en bijstand en de Invoeringswet Wet werk en bijstand in werking zijn getreden. De wijzigingen hebben betrekking op verwijzingen naar de WIW, die met de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand, komt te vervallen.

Onder e

In de invoeringswet Wet werk en bijstand wordt een artikel 82a over experimenten in de Wet SUWI opgenomen. De opsomming van de artikelen van de WW, waarvan bij wijze van experiment kan worden afgeweken, is niet in overeenstemming met die van de andere wetten die genoemd worden. Om die reden is aan die opsomming toegevoegd artikel 22, tweede lid, dat de intake via de CWI regelt.

Artikel XXVIA

Door de leden van de PvdA-fractie van de Eerste Kamer zijn in het voorlopig verslag betreffende het wetsvoorstel Wet werk en bijstand (WWB) vragen gesteld over artikel 36, zesde lid, van voornoemd wetsvoorstel (de langdurigheidstoeslag). Gevraagd is waarom in artikel 36, zesde lid, van de WWB niet ook de artikelen 17, 40, 43, 50, 54, 61 en 63 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het kabinet heeft in de Memorie van Antwoord aangegeven, dat vanuit een oogpunt van duidelijkheid ook andere artikelen dan die thans in genoemd lid zijn opgenomen, van overeenkomstige toepassing moeten worden verklaard. Aangegeven is toen dit in een technische verzamelwet te corrigeren.

In de door de PvdA-fractie aangehaalde artikelen is sprake van «bijstand», waaronder op grond van artikel 5 van de WWB algemene en bijzondere bijstand wordt verstaan. In artikel 18 van de WWB wordt de langdurigheidstoeslag afzonderlijk naast de bijstand genoemd. Het kabinet is thans van oordeel dat het bepaalde in artikel 36, zesde lid, van de WWB aanvulling behoeft met de volgende door de PvdA-fractie genoemde artikelen: 40 (woonplaats en adresgegevens), 54 (onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking), 61 (bevoegdheid verhaal) en 63 (inlichtingenverplichting werkgever) van de WWB. Voorts voegt het kabinet toe de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en derde lid (detentie) en 62 (besluit tot verhaal).

Voorts zijn vanwege de consistentie in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de woorden «en de langdurigheidstoeslag» en in artikel 18, tweede lid, de woorden «of de langdurigheidstoeslag» geschrapt en zijn de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, en 18, tweede en derde lid, toegevoegd aan de lijst van artikelen van de WWB die op grond van het zesde lid van artikel 36 van de WWB van overeenkomstige toepassing zijn op de langdurigheidstoeslag.

Voor de door de leden van de PvdA-fractie aangehaalde artikelen die niet worden toegevoegd, geldt het volgende. Van artikel 17 zijn feitelijk alleen het tweede, derde en vierde lid van belang (het eerste lid heeft in het kader van de langdurigheidstoeslag geen functie, dit is al in de eerder genoemde Memorie van Antwoord aangegeven). De langdurigheidstoeslag valt al onder de werking van het tweede, derde en vierde lid van artikel 17, omdat daarin sprake is van «voor de uitvoering van deze wet». Omdat in artikel 36, eerste lid, WWB is bepaald dat de langdurigheidstoeslag op aanvraag wordt verstrekt, zou het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 43 (vaststelling op aanvraag) tot een doublure leiden. Gelet op artikel 36, eerste lid, van de WWB, inzake het in aanmerking te nemen vermogen, ziet het kabinet geen aanleiding om artikel 50 (eigen woning) ter zake van de langdurigheidstoeslag van overeenkomstige toepassing te verklaren.

In artikel 58 wordt een technische wijziging doorgevoerd die verband houdt met het aangenomen amendement van het lid Noorman-den Uyl op stuk nummer nr. 28 870, nr. 87 (Wet werk en bijstand).

De beperking van de mogelijkheid tot terugvordering van onverschuldigde betaling tot een periode van 2 jaar in het amendement van het lid Noorman-den Uyl is primair gericht op onverschuldigde betalingen die nu nog niet expliciet in artikel 58 van de WWB zijn benoemd. Het gaat hierbij met name om situaties waarbij de gemeenten terugvorderen naar aanleiding van administratieve fouten. Genoemd amendement wil de bestaande Abw-bepaling (artikel 81, tweede en derde lid, van de Abw) die een bescherming van de cliënt bevat handhaven. Indien de gemeente een fout heeft gemaakt bij de uitkering mag de gemeente na twee jaar geen vordering meer instellen was de essentie van genoemd amendement. Dit wordt nu expliciet in het nieuwe onderdeel e van het eerste lid van artikel 58 en het vijfde lid geregeld.

Bij nota van wijziging van de WWB was voorgesteld om terugvordering bij ontvangen vergoedingen of tegemoetkomingen achteraf, met het oog op een bestemming waarvoor eerder bijstand is verleend, nadrukkelijk in de wet op te nemen. Onbedoeld is hieraan nu ook de bij amendement ingevoerde terugvorderingstermijn van twee jaar gekoppeld. In genoemde situatie zou het stellen van een termijn van twee jaar in de uitvoeringspraktijk tot uitvoeringsproblemen kunnen leiden. In voorkomende situaties is veelal sprake van een langere termijn dan twee jaar waarna bedoelde vergoedingen of tegemoetkomingen vrijkomen. Noodzakelijkerwijs dient op dit onderdeel naar het oordeel van het kabinet dan ook een reparatie plaats te vinden.

Artikelen XXVIB

Met deze wijzigingen worden twee amendementen op de WWB (kamerstukken II 2002–2003, 28 870, nrs. 61 en 75) die naar hun aard en strekking ook in de IOAW en de IOAZ horen, ook in die wetten opgenomen.

Artikelen XXVIC en XXVID

Met deze wijzigingen worden een amendement op de WWB (kamerstukken II 2002–2003, 28 870, nr. 62) dat naar zijn aard en strekking ook in de IOAW en de IOAZ hoort, ook in die wetten opgenomen.

Verder is met de Invoeringswet Wet werk en bijstand abusievelijk in artikel 45, eerste lid, van de IOAW na onderdeel l een onderdeel n ingevoegd. Dit nieuwe onderdeel moet echter als onderdeel m geletterd worden. Deze omissie wordt hersteld.

Artikel XXVIE

Met de Invoeringswet Wet werk en bijstand is verzuimd om in artikel 12 van de WIK te bepalen dat ook het percentage, bedoeld in artikel 11, eerste lid, moet worden aangepast met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt. Deze omissie wordt hersteld.

G

Zie voor het zesde lid de toelichting bij D.

In het zevende lid is geregeld dat de wijziging van artikel 44 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA), waarbij aan het UWV de bevoegdheid wordt gegeven bepaalde voorwaarden aan de subsidieverlening aan scholingsinstituten te verbinden, terugwerkt tot en met 1 januari 2004 indien deze wet niet op die datum tot wet is verheven en in werking is getreden. Reden hiervoor is het feit dat de subsidie ex artikel 44 Wet REA wordt verleend voor een kalenderjaar en, met het oog op de rechtszekerheid, voorkomen dient te worden dat het UWV pas na aanvang van dat kalenderjaar de bedoelde voorwaarden aan de subsidie kan verbinden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Naar boven