Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328978 nr. 3

28 978
Wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten (Verzamelwet sociale verzekeringen 2003)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

1. ALGEMEEN

Met dit wetsvoorstel worden in diverse socialeverzekeringswetten verbeteringen aangebracht. Het betreft onder meer taalkundige verbeteringen, correcties van onjuiste verwijzingen, alsmede het laten vervallen van artikelleden of onderdelen daarvan die als gevolg van eerdere wetswijzigingen overbodig zijn geworden. De voorgestelde technische wijzigingen worden nader toegelicht in het artikelsgewijze gedeelte van deze memorie. Naast deze verbeteringen worden ook enkele beleidsinhoudelijke voorstellen gedaan, die kort in het navolgende worden toegelicht. Voor een meer uitvoerige toelichting op deze voorstellen wordt verwezen naar het artikelsgewijze gedeelte van deze memorie. Deze wijzigingen zijn te kenschetsen als «klein beleid» nu het hier niet om majeure beleidswijzigingen gaat. Om redenen van «wetgevingseconomie» heeft de regering dan ook besloten de voorgestelde wijzigingen niet in meerdere separate wetsvoorstellen aan het parlement aan te bieden, maar samen te voegen tot één wetsvoorstel.

Wat betreft de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (ANW) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt voorgesteld wijzigingen op te nemen om op een aantal punten reeds bestaande beleidsregels van de Sociale verzekeringsbank (SVB) om te zetten in wetgeving.

Naar aanleiding van enkele recente wijzigingen van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) is nagegaan in hoeverre deze wijzigingen consequenties zouden moeten hebben voor een aantal bepalingen in de PSW die verband houden met het toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer op de pensioenuitvoerders. In dit wetsvoorstel wordt alsnog geregeld of het aanwijzingsrecht van de minister moet gelden en voor welke overtredingen een dwangsom en/of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

Tevens worden enkele correcties voorgesteld in de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) en in de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling (Wet Bpr). Door middel van een algemene maatregel van bestuur zullen voorts nog enkele noodzakelijke aanpassingen worden geëffectueerd van de bij de PSW, de Wet Bpf 2000 en de Wet Bpr behorende bijlagen inzake de boetes, met daarin de indeling van overtredingen in tariefnummers.

Met dit wetsvoorstel1 wordt bovendien gerealiseerd dat ook voor pensioenaanspraken die vóór 1 januari 2002 zijn opgebouwd sekseneutrale uitruil mogelijk is. Tevens wordt verduidelijkt wat de consequenties zijn bij premievrije voortzetting.Tot slot wordt een omissie hersteld die betrekking heeft op de datum waarop de afkoop van kleine pensioenen sekseneutraal moet gebeuren. Als gevolg van de voorgestelde wijziging hoeft dit pas te gebeuren per 2005, in plaats van 1 januari 2002.

Voorgesteld wordt voorts om de Ziektewet (ZW) zodanig te wijzigen dat artikel 29b van deze wet – waarin geregeld is dat de arbeidsgehandicapte die binnen vijf jaar na aanvang van zijn dienstbetrekking ziek wordt in aanmerking komt voor een ZW-uitkering – ook van toepassing is op personen die voorafgaande aan die dienstbetrekking werkzaam waren in een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Hierdoor wordt de arbeidsmarktpositie van WSW-ers versterkt.

In de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt een wijziging voorgesteld die verband houdt met de Wet verbetering poortwachter. Evenals de werkgever dient, op grond van de voorgestelde wijziging, ook het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) het plan van aanpak – dat in overeenstemming met de zieke «ZW-vangnetwerknemer» is opgesteld – periodiek te evalueren. Daarnaast zijn de bepalingen over de verplichtingen die aan uitkeringsgerechtigden kunnen worden opgelegd aangepast aan de verantwoordelijkheidsverdeling tussen werkgever en het UWV, zoals die met totstandkoming van de Wet SUWI in de sociale verzekeringswetten is opgenomen.

Voorgesteld wordt voorts om in de WAO te regelen dat een WSW-bedrijf geen eigenrisicodrager voor de WAO kan worden. Over het loon uit een WSW-dienstbetrekking wordt geen gedifferentieerde WAO-premie geheven, maar een vervangende premie ter hoogte van de rekenpremie. Een WSW-bedrijf (in feite een bedrijf, waarop werknemers op dienstbetrekking met de gemeente werkzaam zijn) kan derhalve voor de werknemer met een WSW-dienstbetrekking het premierisico niet beïnvloeden.

Ook worden wijzigingen voorgesteld in de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Ten aanzien van de situatie waarin tegelijkertijd WAZ- en WAO-verzekerde werkzaamheden worden verricht, wordt de wijze waarop de grondslag van de WAZ-uitkering wordt bepaald verduidelijkt. Daarnaast worden anticumulatieregelingen getroffen voor verschillende situaties waarin de WAZ-uitkering samenloopt met een WAO-uitkering. In deze gevallen wordt de WAZ-uitkering uitbetaald voorzover deze de WAO-uitkering overtreft.

Voorgesteld wordt voorts om in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) een dienstbetrekking ingevolge de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) van bepaalde jongeren gelijk te stellen met een dienstbetrekking ingevolge de WSW. Evenals thans reeds geldt voor de WSW, kan de betrokkene hierdoor na drie jaar niet worden (af)geschat op deze werkzaamheden, maar kan de anticumulatie (van de inkomsten met de uitkering) voor die jongeren ook nog na die drie jaar worden toegepast.

Tevens wordt een wijziging voorgesteld in de Werkloosheidswet (WW). Voorgesteld wordt om het ontvangen van een uitkering op grond van de WAZ en de WAJONG niet langer aan te merken als uitsluitingsgrond voor het ontvangen van een WW-uitkering. Anders dan destijds (tot 1 januari1998) gold voor het ontvangen van een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), vloeit het ontvangen van een WAZ- of WAJONG-uitkering namelijk niet voort uit het werken in dienstbetrekking.

Ook in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) worden enkele wijzigingen voorgesteld. Wanneer iemand met terugwerkende kracht als arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt, blijft deze vaststelling gelden gedurende vijf jaar na de datum van ingang van de arbeidshandicap en niet na de datum van vaststelling. De Wet REA wordt op dit punt verduidelijkt. Daarnaast wordt voorgesteld de regeling om loonsuppletie toe te kennen te verduidelijken. Verduidelijkt wordt dat het voor de toekenning van loonsuppletie niet noodzakelijk is dat het moment waarop de aangepaste arbeid wordt aanvaard gelegen is na het moment van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

Verder wordt een aantal wijzigingen voorgesteld van het Belastingplan 2002-V.1 Na de inwerkingtreding van deze wet per 1 januari 2002 is gebleken, dat deze wet verduidelijking behoeft op een aantal punten. Tevens zijn enkele uitvoeringstechnische problemen naar voren gekomen. Om deze reden worden in dit wetvoorstel enkele technische en redactionele wijzigingen van het Belastingplan 2002-V voorgesteld. Onder meer wordt voorgesteld om de administratieve lasten voor het UWV en voor werkgevers te verminderen, door middel van een aanpassing van de regeling met betrekking tot de premiekorting voor werkgevers van oudere werknemers2. Voorts wordt nog verduidelijkt hoe het wettelijk minimumloon wordt bepaald bij de premiekorting. Tevens is alsnog voorzien in de mogelijkheid een verzoek tot premiekorting niet in behandeling te nemen bij het te laat aanvragen van subsidies. Tot slot is er overgangsrecht getroffen voor het aanvragen van subsidies die met ingang van 1 januari 2002 zijn vervallen.

Tot slot wordt een aantal wijzigingen voorgesteld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI).

In het belang van het verminderen van lasten voor werkgevers is de gegevensverstrekking door het UWV aan verzekeraars nader geregeld. Daarbij is aangesloten bij de regeling, die geldt voor het verstrekken van gegevens aan pensioenfondsen en bij CAO opgerichte instellingen. Daarnaast is een aantal technische en redactionele correcties aangebracht in de Wet SUWI en de Invoeringswet Wet uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet SUWI), alsmede een daaruit voortvloeiende aanvulling van de bijlage bij de Algemene wet Bestuursrecht. Voorts worden enkele aanpassingen van (ondergeschikte) inhoudelijk aard voorgesteld. De voorgestelde wijzigingen hangen nauw samen met reeds ten aanzien van een aantal SV wetten voorgestelde aanpassingen.

Ter zake van het conceptwetsvoorstel is uitvoeringstechnisch commentaar gevraagd aan de SVB, de Pensioen- en Verzekeringskamer en het UWV. Aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) is verzocht commentaar te leveren met betrekking tot de toezichtbaarheidsaspecten van het conceptwetsvoorstel. Deze organisaties hebben het gevraagde commentaar geleverd. Deze commentaren kunnen als volgt worden samengevat.

De IWI heeft aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen met betrekking tot de toezichtbaarheid. Ook de SVB voorziet geen uitvoeringstechnische problemen ten aanzien van de in het conceptvoorstel voorgestelde wijzigingen. Het commentaar van de Pensioen- en Verzekeringskamer is voornamelijk van wettechnische aard, hetgeen heeft geleid tot enkele aanpassingen van het voorstel. Het commentaar van het UWV heeft betrekking op de uitvoeringstechnische gevolgen van de voorgestelde wijzigingen. Daarnaast heeft het UWV erop gewezen dat er naar haar oordeel een aantal wijzigingen ontbreekt. Naar aanleiding van dit commentaar van het UWV zijn wettekst en memorie op enkele punten aangepast.

Gezien de aard van de wijzigingen brengt het wetsvoorstel geen (substantiële) financiële gevolgen met zich mee.

2. ARTIKELSGEWIJS

2.1. Inleiding

In het hiernavolgende worden per materiewet de gewijzigde artikelen nader toegelicht. In één geval wordt een aantal materiewetten op eenzelfde wijze gewijzigd. De toelichting daarop staat vermeld in paragraaf 2.2, waarnaar in voorkomende gevallen wordt verwezen.

Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat een toelichting achterwege blijft bij die onderdelen van artikelen tot wijziging van de verschillende materiewetten die strekken tot correctie van onjuiste verwijzingen, onjuiste benamingen of fouten in de schrijfwijze of interpuncties in artikelen van die wetten.

2.2. Wijziging in verband met een wijziging van de (voormalige) Vreemdelingenwet (inmiddels de Vreemdelingenwet 2000) (de artikelen 53, eerste lid, aanhef van de WW, 71, eerste lid, van de WAZ, 81, tweede lid, aanhef, van de WAO en 64, tweede lid, aanhef, van de ZW)

Bij de inwerkingtreding van de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (Stb. 1998, nr. 203) zijn ook de WW, WAZ, WAO en de ZW gewijzigd (bij de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen). Een van de wijzigingen is de invoeging in ieder van de genoemde wetten van het huidige artikel 3, derde lid. Per abuis is echter vergeten de verwijzing naar dit artikel in bovengenoemde artikelen aan te passen.

2.3. Overige artikelsgewijze toelichtingen

Artikel I. Wijziging van de AKW

Onderdeel A (artikel 7, achtste lid, van de AKW)

Voor een kind van 16 of 17 jaar bestaat recht op kinderbijslag als dit kind werkloos is. Op grond van jurisprudentie (zie uitspraken in RSV 1988/29 en 1991/68) dient voor het begrip werkloosheid aangesloten te worden bij de WW. In die wet is er pas sprake van werkloosheid indien in casu het kind feitelijk beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Dit zou inhouden dat indien een kind dat op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel c, kinderbijslag ontvangt en vervolgens ziek wordt, niet langer voor kinderbijslag in aanmerking zou komen, aangezien het niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. De regering acht deze interpretatie van de wet voor de toepassing van de AKW niet juist aangezien het hier gaat om een uitkering aan de ouders/verzorgers van het kind als tegemoetkoming in de onderhoudskosten voor dit kind. Er wordt dan ook aansluiting gezocht bij het bestaande beleid, zoals dit door de SVB wordt gevoerd. Als gevolg hiervan heeft artikel 7, achtste lid, naast een aanpassing van redactionele aard ook een wijziging ondergaan. Het recht op kinderbijslag blijft in het voorgestelde voortduren indien de onderbreking van de werkloosheid als gevolg van ziekte niet langer dan 6 maanden duurt, mits uiteraard aan de overige voorwaarden voor kinderbijslag wordt voldaan.

Onderdeel B (artikel 15 van de AKW)

Met de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid is per 1 augustus 1996 een stelsel van administratieve sancties en regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan in de sociale zekerheidswetgeving neergelegd.

Voor die gevallen waarin een belanghebbende zijn rechtsplicht tot het verstrekken van inlichtingen die van belang kunnen zijn voor het recht op uitkering of de hoogte daarvan niet of niet behoorlijk is nagekomen, is de boete geïntroduceerd.

Verder is met deze wet de tot dan bestaande bevoegdheid van de uitvoeringsorganen tot sanctioneren omgezet in een verplichting.

De verplichting tot het tijdig verstrekken van inlichtingen is in de AKW neergelegd in artikel 15. Eén van de omstandigheden die het recht op kinderbijslag kunnen beïnvloeden is het gaan ontvangen van studiefinanciering. In artikel 7a van de AKW is geregeld, dat een verzekerde geen recht op kinderbijslag voor een kind heeft, indien dat kind recht heeft op studiefinanciering. Als een kind derhalve recht krijgt op studiefinanciering is de verzekerde op grond van artikel 15 verplicht dit te melden aan de Sociale verzekeringsbank (SVB). Doet hij dit niet, dan zal de SVB – naast het stopzetten van de uitbetaling van kinderbijslag – betrokkene op grond van artikel 17a van de AKW een boete opleggen, danwel een schriftelijke waarschuwing geven.

Sinds enige tijd evenwel kan de SVB beschikken over electronische gegevens van de Informatie Beheer Groep (IBG) met betrekking tot het volgen van onderwijs door 16- en 17-jarige kinderen en het door hen ontvangen van studiefinanciering. De verplichting voor de verzekerde om het recht op studiefinanciering van een kind tijdig aan de SVB te melden is hiermee in een ander daglicht komen te staan.

De bestanden van de IBG zijn namelijk dermate betrouwbaar dat vergelijking met een door de verzekerde gedane melding over het ontvangen van studiefinanciering overbodig en dus inefficiënt is geworden.

Daarbij komt, dat in die gevallen waarin de verzekerde nalaat tijdig te melden dat aan zijn kind studiefinanciering is toegekend, de SVB een waarschuwing moet geven of een boete moet opleggen. Dit, terwijl de SVB reeds van dit feit in kennis is gesteld door de IBG. Sanctionering in een dergelijke situatie streeft zijn doel (namelijk optreden tegen onregelmatigheden en een preventieve werking) voorbij.

Om die reden voorziet dit wetsvoorstel in een uitzondering op de meldingsplicht van artikel 15, voor de situatie waarin een kind recht krijgt op studiefinanciering en dit feit door de IBG wordt gemeld. Hierdoor hoeft de SVB ook geen boete op te leggen of waarschuwing te geven als dit feit niet door verzekerde aan de SVB wordt gemeld. Het gaat in totaal om de meldingsplicht met betrekking tot ruim 8000 kinderen. De SVB boekt hiermee een efficiencywinst van naar schatting € 165 000,- (overeenkomend met een vrijkomende capaciteit van 5 fte) die op andere werkterreinen kan worden ingezet.

Onderdeel C (artikel 21a van de AKW)

Overeenkomstig staand beleid zoals dit vorm is gegeven door de SVB wordt met dit artikel aan de voorschotverstrekking thans, gelijk aan de andere socialeverzekeringswetten, een wettelijke basis gegeven. Voorschotten (door de uitvoering ook wel terugvorderbare voorschotten genoemd) worden in de praktijk verstrekt indien:

– eigen kinderen in het huishouden van vluchtelingen in Nederland, waarvan de vluchteling nog niet met de vereiste brondocumenten heeft kunnen aantonen dat het een eigen kind betreft. In afwachting van deze brondocumenten of een bij de gemeente afgelegde zogeheten«beëdigde eigen verklaring», verleent de SVB een voorschot.

– internationale samenloop: Als het recht op kinderbijslag wel vaststaat maar de verdeling tussen de lidstaten c.q. de aanvulling door Nederland nog niet vaststaat.

De beslissing om een voorschot te verlenen is een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het tweede lid is bepaald dat een voorschot wordt beschouwd als kinderbijslag. Hierdoor zijn onder meer ook de bepalingen ten aanzien van verrekening en terugvordering van toepassing.

Onderdeel D (artikel 37 van de AKW)

Dit is een technische wijziging. Artikel 37 kan vervallen omdat het daarin bepaalde (opsporing van strafbare feiten) thans is geregeld in artikel 85 van de Wet SUWI .

Artikel II. Wijziging van de ANW

Onderdeel A (artikel 4, onderdeel b, van de ANW)

Artikel 4 van de ANW regelt de situatie dat onder de nabestaande mede verstaan kan worden de gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde ten behoeve van wie (naast andere voorwaarden) een alimentatieverplichting bestond. Die alimentatieverplichting kan worden aangetoond middels overlegging van een overeenkomst die vastgelegd is in een akte die mede ondertekend is door een advocaat. Gebleken is echter dat een advocaat een dergelijke overeenkomst tussen beide partijen zelden ondertekent, aangezien de advocaat zelf geen partij is bij de overeenkomst. De SVB accepteert voor de vaststelling van een alimentatieverplichting een overeenkomst indien aannemelijk wordt gemaakt dat de advocaat bij de totstandkoming hiervan, in het kader van de scheiding, betrokken is geweest. Die betrokkenheid kan door de gewezen echtgenoot aannemelijk worden gemaakt doordat dit blijkt uit door advocaten ondertekende stukken waarin het recht op alimentatie ter gelegenheid van de echtscheiding is opgenomen. Tevens dient uit die stukken naar voren te komen, dat de omvang en de duur van de alimentatieverplichting, neergelegd in het echtscheidingsconvenant, overeenstemmen met hetgeen daarover in de voorafgaande onderhandelingen tussen de betrokken advocaten is overeengekomen. Deze praktijk van de SVB is vastgelegd in een beleidsregel. Onderdeel b, van artikel 4, van de ANW wordt conform deze beleidsregel van de SVB, met het voorgestelde, gewijzigd. Langs deze wijze wordt nu meer recht gedaan aan hetgeen met de huidige bepaling is beoogd.

Onderdeel B (artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van de ANW)

Dit betreft een technische wijziging. Op grond van artikel 3 van het besluit van 23 december 1999 tot vaststelling van de overhevelingstoeslag 2000 en de overhevelingstoeslag 2001 (Stb. 599) is de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies met ingang van 1 januari 2001 vervallen.

Verwijzingen naar die wet en naar de overhevelingstoeslag kunnen derhalve ook (met terugwerkende kracht tot en met die datum) vervallen.

Onderdeel E (artikel 48 van de ANW)

Bij de Wet van 13 december 2000, houdende wijziging van de wet van 22 december 1994 tot nadere wijziging van de AKW, de ZW en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 957) in verband met de verhoging van de kinderbijslag met ingang van 1 januari 2000 alsmede wijziging van een aantal andere wetten (Stb. 593), wordt artikel 48 met ingang van 1 januari 2002 gewijzigd. Het tweede en derde lid van dit artikel komt bij die wijziging te vervallen. Abusievelijk is de aanduiding van het eerste lid blijven staan. Dit kan, aangezien het artikel dan slechts uit een lid meer bestaat, uiteraard komen te vervallen.

Onderdeel G (artikel 72 van de ANW)

Artikel 72 bevat een verwijzing naar artikel 68, dat echter vervallen is met de inwerkingtreding van de Veegwet SZW 1999 (Stb. 1999, 564). Omdat artikel 72 geen nadere bepalingen bevat, kan het eveneens vervallen.

Onderdeel H (artikel 103, vierde lid, van de ANW)

Dit betreft een technische wijziging. Op grond van artikel 3 van het besluit van 23 december 1999 tot vaststelling van de overhevelingstoeslag 2000 en de overhevelingstoeslag 2001 (Stb. 599) is de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies met ingang van 1 januari 2001 vervallen. Verwijzingen naar die wet kunnen derhalve ook (met terugwerkende kracht tot en met die datum) vervallen.

Onderdeel I (artikel 106 van de ANW)

De wijziging betreft een aanpassing van de slotbepaling op het punt van de wettelijke grondslag voor de lagere regelgeving, die voorheen getroffen was op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Het huidige artikel 106 rept nog over besluiten en regelingen die inmiddels zijn vervangen door recentere besluiten. Een redactionele aanpassing is derhalve op zijn plaats:

– het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen is inmiddels vervangen door het gelijknamige besluit van 1999;

– tevens is inmiddels een nieuw Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW getroffen;

– de regeling met als wettelijke grondslag het huidige artikel 48 van de ANW (betaalbaarstelling door andere organen) komt geheel te vervallen met ingang van 1 januari 2002, aangezien dat artikel met ingang van die datum geen delegatiebevoegdheid meer kent.

– de bestaande Regeling uitbetaling vakantie-uitkering is op grond van artikel 50, tweede lid, van de ANW vastgesteld na de inwerkingtreding van de ANW (daarbij is de voorheen – middels het overgangsrecht op artikel 50, tweede lid, gebaseerde, bestaande regeling ingetrokken).

Blijft slechts over de regeling «Regelen vermoedelijk overlijden ex artikel 4 Algemene Weduwen- en Wezenwet» van 13 juli 1959 op grond van artikel 8 van de ANW.

Artikel III. Wijziging van de AOW

Onderdeel A (artikel 10, derde lid, van de AOW)

Dit onderdeel betreft een technische aanpassing. In artikel 10, derde lid, wordt abusievelijk nog verwezen naar artikel 72. Dit artikel is bij de wet van 30 juni 1994, Stb. 496 vervallen. De verwijzing in artikel 10, derde lid, wordt derhalve hierop aangepast.

Onderdeel B (artikel 21 van de AOW)

Overeenkomstig staand beleid zoals dit vorm is gegeven door de SVB wordt met dit artikel aan de voorschotverstrekking thans, gelijk aan de andere socialeverzekeringswetten een wettelijke basis gegeven. De beslissing om een voorschot te verlenen is een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In het tweede lid is bepaald dat een voorschot wordt beschouwd als een uitkering in de zin van de AOW. Hierdoor zijn onder meer ook de bepalingen ten aanzien van verrekening en terugvordering van toepassing.

Onderdeel C (artikel 29, eerste, tweede en zevende lid, van de AOW)

In de koppelingssystematiek van het gehuwdenpensioen AOW met toeslag wordt ten aanzien van de vakantie-uitkering een andere systematiek gehanteerd dan voor het maandelijkse gehuwdenpensioen. Het gehuwdenpensioen wordt vastgesteld door nettokoppeling op grond van 50% van het nettominimumloon, waarna brutering plaatsvindt. De toeslag is gelijk aan het bruto gehuwdenpensioen.

Omdat er niet gesproken wordt over vakantie-uitkering over de toeslag, maar over gehuwdenpensioen plus de toeslag vindt hier een afwijkende koppelingssystematiek plaats.

Voor de vakantie-uitkering over het gehuwdenpensioen met de toeslag geldt namelijk in tegenstelling tot het maandelijkse gehuwdenpensioen met toeslag een netto koppeling aan het minimumloon. Indien de netto-vakantie-uitkering van het minimumloon op een oneven bedrag (in centen) uitkomt heeft dit tot gevolg dat er een verschil ontstaat tussen de vakantie-uitkering voor AOW-gehuwdenpensioen met volledige toeslag en tweemaal de vakantie-uitkering voor het individuele gehuwdenpensioen. Weliswaar bedraagt dit verschil nooit meer dan 1 cent, maar levert in die gevallen wel uitvoeringstechnische complicaties op.

In navolging van de bruto koppeling van de AOW-toeslag aan de bruto maanduitkering van het AOW-gehuwdenpensioen is in dit wetsvoorstel voor de vaststelling van de vakantie-uitkering gekozen voor dezelfde systematiek als die behorende bij het AOW-gehuwdenpensioen met een volledige toeslag. Voor betrokkenen levert dit ten opzichte van de huidige situatie eens in de paar jaar gedurende een half jaar 1 cent meer vakantie-uitkering per maand op.

In het zevende lid is een vernummering als gevolg van de Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001(Aanpassingswet IB 2001) doorgevoerd.

Onderdeel D (artikel 30, eerste en derde lid, van de AOW)

Als gevolg van een vernummering in de leden van artikel 29 van de AOW, die heeft plaatsgevonden bij de Aanpassingswet IB 2001, behoeft een tweetal verwijzingen in artikel 30 naar dat artikel nog aanpassing. Dit onderdeel voorziet daarin.

Artikel IV. Wijziging van de Wet financiering volksverzekeringen

Onderdeel A (Artikel 39, eerste lid, van de Wet financiering volksverzekeringen)

De wijziging in dit artikellid betreft slechts het herstel van een technische omissie, begaan als gevolg van het gelijktijdig inwerken van verschillende wijzigingen op dit artikellid door een tweetal wetten (de Veegwet Wet Inkomstenbelasting 2001 en de – inwerkingtreding van een artikel van de – Overgangswet verzorgingshuizen) met ingang van 1 januari 2001.

Onderdeel B (artikel 52, derde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen)

Dit artikellid kan vervallen omdat het verwijst naar een aantal inmiddels vervallen artikelen in de Algemene Ouderdomswet.

Artikel V. Wijziging van de PSW

Onderdeel A (artikel 4, vierde en vijfde lid van de PSW)

Artikel 4, vierde lid, van de PSW

Bij de invoering van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) per 1 januari 2001 is ten onrechte het woord «betreffende» blijven staan in de tekst van artikel 4, vierde lid.

Artikel 4, vijfde lid, van de PSW

De statuten en reglementen van pensioenfondsen moeten tevens bepalingen gaan inhouden die beantwoorden aan de voorschriften van de artikelen 2c, 6a, 6b en 6c, eerste lid en tiende lid, van de PSW. Deze aanpassing is ten onrechte achterwege gebleven bij de invoering van artikel 2c (Stb. 2000, 625) en de wijziging van de artikelen 6a, 6b en 6c (Stb. 2000, 256). Daarmee wordt aangesloten bij de huidige praktijk waarbij het voor specifieke bepalingen zinvol wordt geacht dat zij ook in de statuten en reglementen worden neergelegd. Overigens moet hier, evenals bij de behandeling van de wet van 22 december 1999 houdende een wijziging van de PSW in verband met toezicht, verbod op uitstelfinanciering en waardeoverdracht (Stb. 1999, 592) al is opgemerkt op worden gewezen dat in het kader van de nieuwe pensioenwet zal worden bezien of dergelijke overschrijfbepalingen ook in de nieuwe pensioenwet moeten worden gehandhaafd (zie Kamerstukken II, 1998/99, 26 415, nr. 6, blz. 22).

Onderdeel B (artikel 6a, van de PSW)

Bij de wijziging van de PSW (Stb. 2000, 256) is verzuimd artikel 6e toe te voegen aan de opsomming in artikel 6a, derde lid, van de PSW. Bovendien is aan artikel 6a een nieuw vijfde lid toegevoegd waarin aan de minister de bevoegdheid wordt toegekend om aan verenigingen vrijstelling te verlenen van de elders in het artikel opgenomen representativiteitseisen. Een dergelijke bepaling was eerder opgenomen in onderdeel III van de Wet van 25 mei 2000 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet met betrekking tot de medezeggenschap van gepensioneerde en de gelijkstelling in pensioenregelingen van geregistreerde partners met gehuwden. (Stb 2000, 256). Daarbij ging het echter om een tijdelijke bevoegdheid die van kracht was tot 1 januari 2001. In het door de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties d.d. 28 februari 2003 gesloten convenant is verzocht deze bepaling opnieuw van kracht te laten zijn gedurende de looptijd van dat convenant. In plaats van opnieuw een tijdelijke bevoegdheid voor de minister te creëren om vrijstellingen te verlenen, is thans gekozen voor een structurele basis in de wet. Aan deze bepaling is terugwerkende kracht verleend tot de datum van inwerkingtreding van het convenant (zie artikel XXIX, onder 4)

Onderdeel C (artikel 6ca van de PSW)

Dit artikel vloeit voort uit het eerder genoemde convenant van de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties. In dat convenant is de wens van de partijen opgenomen om in bepaalde situaties ook geledingen van de deelnemersraad de mogelijkheid te geven om beroep in te stellen. Voor een dergelijke uitbreiding van het in artikel 6c opgenomen beroepsrecht is een wijziging van de wet noodzakelijk. Dit artikel 6ca strekt daartoe. De bepaling maakt het mogelijk voor een geleding van de deelnemersraad om bij gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van het pensioenfonds of de liquidatie van het pensioenfonds beroep in te stellen bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam. Met een geleding van de deelnemersraad wordt gedoeld op een bepaalde groep binnen de deelnemersraad, bijvoorbeeld de vertegen woordigers van de actieve deelnemers of de vertegenwoordigers van de gepensioneerden. Dit heeft tot gevolg dat ook een minderheid binnen de deelnemersraad mits deze een bepaalde groep vertegenwoordigt, in de genoemde situaties gebruik kan maken van het beroepsrecht.

Onderdeel D (artikel 20, tweede lid, van de PSW)

Op grond van artikel 20 PSW kan de minister aan de Pensioen- & Verzekeringskamer een aanwijzing geven met betrekking tot de in dit artikel genoemde bepalingen. Deze bevoegdheid bestond al met betrekking tot artikel 6c, maar doordat het klachtrecht van de deelnemersraad door de wijziging van de PSW per 23 juni 2000 (Stb. 2000, 256) niet meer geregeld is in artikel 6c, maar in artikel 6d, is de onderhavige wijziging noodzakelijk. Dit betekent het schrappen van artikel 6c en het opnemen van artikel 6d in de opsomming van artikel 20.

In verband met de invoering van artikel 2b en 2c inzake het keuzerecht (voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen) per 1 januari 2002 is het wenselijk dat het aanwijzingsrecht van de minister ook met betrekking tot deze artikelen wordt ingevoerd. Omdat bij het per 1 januari 2001 laten vervallen van het «oude» artikel 2b verzuimd is artikel 2b uit de opsomming van artikel 20 te schrappen, staat artikel 2b nog steeds in artikel 20 vermeld en kan hier nu volstaan worden met het opnemen van artikel 2c.

In verband met implementatie van richtlijn nr. 98/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1998 tot wijziging van de Richtlijn 77/187/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen is artikel 3b in de PSW opgenomen bij Wet van 18 april 2002 (Stb. 2002, 215). Dat artikel ziet op de situatie dat er sprake is van een overgang van een onderneming en de vervreemdende onderneming geen pensioenregeling heeft maar de verkrijgende onderneming wel. In dat geval wordt de pensioenregeling bij de verkrijger ook van toepassing op de overgaande werknemers. In het kader van de implementatie van richtlijn nr. 98/49/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van de rechten van aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen is, zijn de artikelen 32e tot en met 32h in de PSW opgenomen bij Wet van 21 juni 2001 (Stb. 2001, 314). Deze artikelen hebben betrekking op het behoud van opgebouwde aanspraken, grensoverschrijdend betalingsverkeer, de voortzetting van de pensioenregeling voor gedetacheerde werknemers en de informatie aan deelnemers. Het is wenselijk dat het aanwijzingsrecht van de minister zich ook tot deze bepalingen gaat uitstrekken. Omdat het bieden van een aanwijzingsrecht aan de Minister op grond van de richtlijnen niet vereist is, staat de inwerkingtreding van deze wijziging los van de implementatietermijn van deze richtlijnen.

Onderdeel E (artikel 23a, eerste lid, van de PSW)

De wijzigingen in dit onderdeel hebben betrekking op de artikelen waarvoor op grond van artikel 23a PSW bij overtreding een dwangsom kan worden opgelegd. Voorgesteld wordt om artikel 2c op te nemen om de Pensioen- & Verzekeringskamer de mogelijkheid te bieden om bij overtreding van het eerste lid of van voorschriften in een op dit artikel gebaseerde algemene maatregel van bestuur (zie tweede lid) een dwangsom op te leggen. Het aanpassen van dit artikel is tevens noodzakelijk omdat door de inwerkingtreding van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 artikel 4, derde lid, van de PSW is komen te vervallen, maar deze wijziging nog niet in de opsomming van artikel 23a was verwerkt. Bij de wijziging van de PSW (Stb. 2000, 256) is de inhoud van artikel 6b, tweede lid, gewijzigd door daaraan toe te voegen dat bij het vragen van advies aan de deelnemersraad een overzicht wordt verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de belanghebbenden bij het fonds zal hebben. Het is wenselijk dat bij niet naleving van deze verplichting de mogelijkheid bestaat om een dwangsom op te leggen. Omdat de inhoud van artikel 6c, vijfde lid, met ingang van 23 juni 2000 door de wijziging van de PSW (Stb. 2000, 256) is opgenomen in artikel 6d, derde lid, wordt voorgesteld artikel 23a aan te passen, door artikel 6c, vijfde lid, te schrappen en artikel 6d, derde lid, toe te voegen. Bij overtreding van het bepaalde in artikel 6d, derde lid, kan een dwangsom worden opgelegd aan het bevoegde orgaan van het fonds. In artikel 23a is nu al geregeld dat de mogelijkheid bestaat om bij overtreding van artikel 10 een dwangsom op te leggen. Dit wordt nader gespecificeerd tot artikel 10, derde lid.

Onderdeel F (artikel 23b, eerste lid, van de PSW)

De wijzigingen in dit onderdeel hebben betrekking op de artikelen waarvoor op grond van artikel 23b PSW bij overtreding daarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd Met dit wetsvoorstel wordt, naast de mogelijkheid om bij overtreding van artikel 2c een dwangsom om te leggen ook de bevoegdheid voor de Pensioen- & Verzekeringskamer gecreëerd om een bestuurlijke boete op te leggen. Het eerste lid van artikel 2c wordt opgenomen in de bijlage bij de PSW inzake de boetes, hetgeen door middel van een algemene maatregel van bestuur zal worden geëffectueerd. Van de in het tweede lid van artikel 2c geboden mogelijkheid om bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen inzake de keuzemogelijkheid is gebruik gemaakt door de vaststelling van het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen (Stb. 2002, 101). Op grond van artikel 23c, zal na toevoeging van artikel 2c, tweede lid, aan artikel 23c, gelden dat bij overtreding van voorschriften, gesteld bij het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen het bedrag van de boete bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage behorend bij het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen. Aan het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen wordt een dergelijke bijlage toegevoegd.

Het aanpassen van artikel 23b is tevens noodzakelijk omdat door de inwerkingtreding van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 artikel 4, derde lid, van de PSW is komen te vervallen, maar deze wijziging nog niet in de opsomming van artikel 23b was verwerkt. Bij de wijziging van de PSW met ingang van 23 juni 2000 (Stb. 2000, 256) is de inhoud van artikel 6b, tweede lid, gewijzigd door toe te voegen dat bij het vragen van advies aan de deelnemersraad een overzicht wordt verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de belanghebbenden bij het fonds zal hebben. Het is wenselijk dat bij niet naleving van deze verplichting naast de mogelijkheid om een dwangsom op te leggen, ook de mogelijkheid bestaat om een bestuurlijke boete op te leggen. Aangezien de inhoud van artikel 6c, vijfde lid, bij voornoemde wijziging van de PSW is opgenomen in artikel 6d, derde lid, wordt voorgesteld artikel 23b in die zin aan te passen. In artikel 23b is nu al geregeld dat de mogelijkheid bestaat om bij overtreding van artikel 10 een bestuurlijke boete op te leggen. Er was echter verzuimd om dit artikel in de bijlage te vermelden. Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de vermelding van artikel 10 in artikel 23b te specificeren tot artikel 10, derde lid. Dit artikellid zal in de bijlage worden opgenomen in tabel 1 omdat deze bepaling zich uitsluitend richt tot pensioenuitvoerders.

Onderdeel G (artikel 23c, vijfde lid, van de PSW)

De wijzigingen in dit onderdeel hebben betrekking op de opsomming in artikel 23c, vijfde lid, van de PSW. Voorgesteld wordt om aan artikel 23c, vijfde lid, artikel 2c, tweede lid, en artikel 32, negende lid toe te voegen. Artikel 2c, tweede lid, en artikel 32, negende lid, hebben betrekking op de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen.

Onderdeel H (artikel 23l PSW)

Artikel 23l van de PSW regelt de stille curatele. De Pensioen- & Verzekeringskamer heeft op grond van dit artikel de bevoegdheid het bestuur van een pensioenfonds de aanzegging te doen dat het fonds zijn bevoegdheden slechts mag uitoefenen na toestemming van een of meer door de Pensioen- & Verzekeringskamer aangewezen personen. In dit artikel ontbreekt een bepaling waarmee de Pensioen- & Verzekeringskamer de bevoegdheid krijgt om de kosten van een stille curator ten laste te laten komen van het fonds of de onderneming waaraan het fonds is verbonden. In artikel 23m, betreffende het aanstellen van een bewindvoerder, is (in de laatste zin van het derde lid) wel een bepaling opgenomen om dergelijke kosten ten laste van het fonds of de onderneming te laten komen. Door het toevoegen van een vergelijkbare bepaling aan artikel 23l is in deze omissie voorzien.

Onderdeel I (artikel 35 PSW)

In dit artikel wordt bepaald dat pensioenfondsen hun statuten en reglementen binnen twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming dienen te brengen met de genoemde bepalingen van de PSW. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat dit niet impliceert dat deze bepalingen van de PSW pas werken vanaf het moment dat de statuten en reglementen daaraan zijn aangepast. Het artikel staat slechts toe dat de statuten en reglementen gedurende een periode van maximaal twee jaar afwijken van de regels in de wet. De reden daarvan is, dat pensioenfondsen een termijn moet worden gegund om hun statuten en reglementen te kunnen wijzigen. Doet iemand in de periode van twee jaar een beroep op de wettelijke bepalingen terwijl de statuten en reglementen nog niet zijn aangepast dan kan het feit dat de statuten en reglementen anders luiden hem niet worden tegengeworpen. Overigens moet ten aanzien van de artikelen 6a, 6b en 6c worden opgemerkt dat deze artikelen al met ingang van 23 juni 2000 in werking getreden zijn zodat verondersteld mag worden dat eventueel noodzakelijke aanpassingen van statuten en reglementen inmiddels zijn geschied.

VI. Wijziging van de Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen)

1°. Uitruil van pensioen opgebouwd vóór 1 januari 2002

Met de nu voorliggende wijziging wil het kabinet realiseren dat sekseneutrale uitruil ook voor pensioenaanspraken opgebouwd vóór 1 januari 2002 mogelijk wordt. Het kabinet heeft daaraan invulling gegeven door vast te leggen dat ingeval van uitruil de hoofdregel is dat ten aanzien van de pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2002 de actuariële waarde van het in te kopen pensioen ten minste gelijk dient te zijn aan de op dezelfde grondslagen berekende actuariële waarde van het af te kopen pensioen of de af te kopen aanspraken op pensioen (individuele actuariële gelijkwaardigheid ofwel seksespecifieke uitruil). Alleen als de pensioenuitvoerder in haar statuten of reglementen heeft gekozen voor toepassing van artikel 32ba eerste lid, onderdeel d en e PSW bij uitruil, geldt dat het in te kopen pensioen collectief actuarieel gelijkwaardig kan zijn aan het af te kopen pensioen (sekseneutrale uitruil). Dit betekent derhalve dat sekseneutrale uitruil van pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2002 mogelijk is mits dit in statuten of reglementen van de pensioenuitvoerder is aangegeven.

Aanleiding voor de nu voorliggende wijziging is het feit dat gebleken is dat er in de praktijk behoefte bestaat aan uitruil van pensioen(soorten) op basis van collectieve actuariële gelijkwaardigheid met betrekking tot perioden van pensioenopbouw vóór 1 januari 2002. Dit heeft voor pensioenuitvoerders als voordeel dat zij geen knip hoeven aan te brengen tussen pensioenaanspraken opgebouwd vóór 1 januari 2002 en pensioenaanspraken opgebouwd ná 1 januari 2002. Op grond van artikel IX van de Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen) (Stb. 625) moet er conform artikel 32a PSW bij uitruil van pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2002 namelijk sprake zijn van individuele actuariële gelijkwaardigheid, terwijl voor pensioenaanspraken die zijn opgebouwd ná 1 januari 2002 op grond van artikel 32ba PSW bij uitruil sprake dient te zijn van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.

Het kabinet vindt het een goede zaak dat pensioenuitvoerders de gelijke behandeling van mannen en vrouwen – door toepassing van sekseneutrale ruilfactoren – ook al willen realiseren bij uitruil die betrekking heeft op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2002. Gezien het feit dat het gaat om een «keuze» is er in de ogen van het kabinet geen sprake van aantasting van reeds opgebouwde (oude) rechten. Toepassing van sekseneutrale uitruil van pensioen opgebouwd vóór 1 januari 2002, heeft weliswaar betrekking op oude aanspraken (op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen) van deelnemers, maar tast deze niet aan. Het is immers aan de deelnemer zelf om te bepalen of hij gebruik maakt van de mogelijkheid van uitruil. Indien sekseneutrale uitruil voor de deelnemer minder gunstig uitpakt dan sekse-specifieke uitruil, is de deelnemer vrij om af te zien van de uitruil. Het feit dat er sprake is van een nieuw recht rechtvaardigt in de ogen van het kabinet dan ook dat er door pensioenuitvoerders gekozen kan worden voor sekseneutrale uitruil.

2°. Consequenties premievrije voortzetting

Het onderhavige lid ziet op de toepasselijkheid van de genoemde artikelen in relatie tot het tijdstip van ontstaan van een recht op premievrije voortzetting (zie toelichting bij tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 1999/00, 26 711, nr. 12, blz. 5). In die toelichting is aangegeven dat de zinsnede «voor zover de deelnemer is opgehouden aan de onderneming verbonden te zijn» is opgenomen om te regelen dat zogenaamde premieholidays niet onder deze bepaling vallen. De toevoeging van deze zinsnede blijkt echter bij nader inzien niet noodzakelijk, maar bovendien ook niet wenselijk. In de praktijk wordt met het begrip «premievrije voortzetting» niet gedoeld op de situatie van premieholiday. Een premieholiday houdt in dat gedurende een bepaalde periode geen premie betaald hoeft te worden aan de pensioenuitvoerder omdat de premies uit het behaalde rendement wordt gefinancierd. Premievrije voortzetting heeft betrekking op voortzetting van de pensioenopbouw van een individuele werknemer, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of op grond van de FVP-regeling. Het handhaven van de zinsnede «voor zover de deelnemer is opgehouden aan de onderneming verbonden te zijn» is tevens onwenselijk omdat het mogelijk is dat er premievrije voortzetting plaatsvindt, terwijl de werknemer nog wel aan de onderneming verbonden is. In dat geval moet hetgeen is bepaald inzake de toepasselijkheid van de genoemde artikelen ook gelden.

3° Afkoop kleine pensioenen

Op grond van de Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen) (Stb. 625) is artikel 32, zevende lid van de Pensioenen spaarfondsenwet (PSW) gewijzigd. Het gewijzigde artikel 32, zevende lid PSW bepaalt dat de afkoopsom voor zogenaamde kleine pensioenen (pensioen dat op het tijdstip van ingang niet hoger is dan € 332,29 per jaar (bedrag vastgesteld voor het jaar 2002)) voor mannen en vrouwen gelijk dient te zijn. Bij Besluit van 3 december 2001 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 21 december 2000 is vastgelegd dat de artikelen van de Wet van 21 december 2000 met ingang van 1 januari 2002 in werking treden. Daarbij is voor een aantal onderdelen een uitzondering gemaakt voor zover het beschikbare premieregelingen betreft. In het Besluit van 3 december 2001 is echter ten onrechte bepaald dat de bepaling dat er in geval van afkoop van kleine pensioenen op grond van artikel 32 PSW voor pensioenregelingen waarbij een periodieke uitkering wordt toegezegd sprake dient te zijn van gelijke uitkeringen voor mannen en vrouwen al per 1 januari 2002 in werking is getreden. Zoals blijkt uit de Wet van 21 december 2000, alsook uit de parlementaire behandeling (zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 711, nr. 28 en nr. 29 p. 2) is beoogd te regelen dat afkoop op grond van artikel 32 PSW voor alle soorten pensioenregelingen pas per 2005 tot sekseneutrale uitkomsten zou hoeven te leiden. Met de onderhavige wijziging wordt deze omissie hersteld.

Deze omissie betekent dat het voorschrift tot het vaststellen van een sekseneutrale afkoopsom voor pensioenregelingen waarin een periodieke uitkering wordt toegezegd al geldt vanaf 1 januari 2002. Pensioenuitvoerders moeten vanaf 1 januari 2002 voor deelnemers in pensioenregelingen waarin een periodieke uitkering wordt toegezegd met een pensioen dat op het tijdstip van ingang niet hoger is dan € 332,29 per jaar (bedrag vastgesteld voor het jaar 2002), voor mannen en vrouwen een gelijke afkoopsom vaststellen voor zover het pensioen betreft dat is opgebouwd vanaf 1 januari 2002.

De inwerkingtreding van dit voorschrift voor pensioenregelingen waarbij een periodieke uitkering wordt toegezegd per 1 januari 2002 in plaats van 1 januari 2005 heeft in de praktijk slechts een beperkt materieel effect:

• Het betreft alleen de pensioenaanspraken die het in artikel 32, vijfde lid PSW genoemde bedrag (€ 332,29, bedrag vastgesteld voor het jaar 2002) niet te boven gaan, de zogenoemde kleine pensioenen;

• Het betreft alleen afkoop van kleine pensioenen gebaseerd op pensioenregelingen waarin een periodieke uitkering wordt toegezegd;

• Het betreft alleen dat gedeelte van de pensioenaanspraken die zijn opgebouwd tussen 1 januari 2002 en januari 2005;

Met de nu voorliggende wijziging wil het kabinet deze omissie met terugwerkende kracht herstellen en realiseren dat ook voor afkoop van kleine pensioenen voor zover het pensioenregelingen betreft waarbij een periodieke uitkering wordt toegezegd, de bepalingen betreffende gelijke behandeling van mannen en vrouwen op 1 januari 2005 in werking treden. Het kabinet acht het gerechtvaardigd deze wijziging met terugwerkende kracht in werking te laten treden daar er geen enkele twijfel bestaat over de bedoeling van het uitstel van de inwerkingtreding van het voorschrift tot gelijke afkoopsommen bij de afkoop van kleine pensioenen tot 1 januari 2005.

De voorgestelde aanpassingen hebben geen (substantiële) kosten voor de pensioenfondsen tot gevolg, aangezien het aan henzelf is ervoor te zorgen dat ze er niet op achteruitgaan (uitruil), er sprake is van uitstel van inwerkingtreding van een bestaande bepaling (afkoop kleine pensioenen) dan wel van verduidelijking van bestaande wetgeving (premievrije voortzetting).

Artikel VII. Wijziging van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling

Onderdeel A (artikel 3, onderdeel c, van de Wet Bpr)

In het kader van de wet van 16 december 1993 inzake voltooiing van de eerste fase herziening van de rechterlijke organisatie (Stb. 1993, 650) is verzuimd de terminologie aan te passen met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar. Deze moet worden aangeduid als een verklaring van geen bedenkingen.

Onderdeel B (artikel 18b, tweede lid, van de Wet Bpr)

Met de inwerkingtreding van de Wet van 22 december 1999 tot wijziging van de PSW en enkele andere wetten onder meer met het oog op verbetering van het toezicht op de uitvoering van aanvullende pensioenregelingen, invoering van een verbod op uitstelfinanciering van pensioenaanspraken en verduidelijking van de regels inzake waardeoverdracht van pensioen en aanspraken op pensioen (wijziging PSW in verband met toezicht, verbod op uitstelfinanciering en waardeoverdracht, Stb. 592) is artikel 18b ingevoegd, maar wordt in het tweede lid per abuis gesproken over pensioen- en spaarfondsen in plaats van over beroepspensioenfondsen.

Onderdeel C (artikel 21a, eerste lid, 21b, eerste lid, van de Wet Bpr)

Met de hiervoor genoemde wijziging PSW in verband met toezicht, verbod op uitstelfinanciering en waardeoverdracht, (Stb. 592) is artikel 9 van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling komen te vervallen. Bij deze wijziging was verzuimd dit artikel in de opsomming van de artikelen 21a en 21b te schrappen.

Artikel VIII. Wijziging van de Wet Bpf 2000

Onderdeel A (artikel 11, tweede en derde lid, van de Wet Bpf 2000)

Een bedrijfstakpensioenfonds kan de pensioenregeling uitvoeren van meerdere bedrijfstakken. In het geval van meerdere bedrijfstakken zal de belangrijke meerderheid die ook bij een verzoek om intrekking zal worden beoordeeld, worden getoetst per bedrijfstak. In het geval van meerdere bedrijfstakken is het ook mogelijk om intrekking van de verplichtstelling te vragen voor een of meerdere bedrijfstakken. De wijziging van artikel 11, tweede lid, heeft hierop betrekking.

Ook is het mogelijk om intrekking voor een deel van de bedrijfstak of van een van de bedrijfstakken te vragen. Als dit het geval is wordt gekeken naar de belangrijke meerderheid ten aanzien van het geheel van de bedrijfstak waarvoor de aanvraag tot intrekking van een deel van de verplichtstelling is gedaan. De wijziging van artikel 11, derde lid, heeft hierop betrekking.

Onderdeel B (artikel 12, vijfde lid, van de Wet Bpf 2000)

In het geval van een bedrijfstakpensioenfonds voor meerdere bedrijfstakken zal de periodieke representativiteitstoets worden uitgevoerd per bedrijfstak. Indien een van de bedrijfstakken binnen het bedrijfstakpensioenfonds niet voldoet aan het vereiste, zal de verplichtstelling voor die bedrijfstak worden ingetrokken. Het is niet de bedoeling geweest dat dan de verplichtstelling voor alle bedrijfstakken in het bedrijfstakpensioenfonds komt te vervallen. Daartoe vindt deze wijziging plaats.

Artikel IX. Wijziging van de ZW

Onderdeel A (artikel 29, eerste, derde en vierde lid, van de ZW)

In verband met het feit dat artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim de tegenhanger is van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voor het gehele overheidspersoneel wordt artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de ZW redactioneel aangepast. De overheidswerknemer die recht heeft op bezoldiging uit hoofde van zijn dienstbetrekking heeft geen recht op ZW-uitkering, behoudens de in de aanhef van artikel 29, eerste lid, van de ZW genoemde uitzonderingen. Indien een overheidswerknemer op grond van artikel XV, tweede lid, derde volzin, van de Wet terugdringing ziekteverzuim recht heeft op bezoldiging bij ziekte na ontslag vormt artikel 29, eerste lid, van de ZW overigens geen belemmering om ZW-uitkering toe te kennen, nu er in die situatie geen sprake is van recht op bezoldiging «uit hoofde van de dienstbetrekking krachtens welke hij arbeid behoort te verrichten».

De voorgestelde aanpassing in het derde lid van onderdeel B vloeit voort uit het feit dat in het kader van de Wet arbeid en zorg – ten onrechte – geen regeling is getroffen bij samenloop van de uitkering i.v.m. adoptie en pleegzorg en ziekengeld.

Onderdeel B (artikel 29b, eerste lid en vijfde lid, onderdeel b van de ZW)

Een van de doelstellingen van de WSW is doorstroom van werknemers, die daarvoor in aanmerking komen, naar reguliere arbeidsplekken. Met de wijziging van artikel 29b ZW wordt beoogd eventuele belemmeringen weg te nemen voor werkgevers om mensen vanuit de WSW aan te nemen.

Een WSW-er is uitgesloten van het arbeidsgehandicapte begrip in de zin van de Wet REA. Dit is terecht, omdat voor deze groep werknemers immers al de voorzieningen op grond van de WSW openstaan. Een onbedoeld gevolg hiervan is echter dat de werkgever, die een ex-WSW-er in dienst neemt ook uitgesloten zijn van de toepassing van artikel 29b ZW. Duidelijk zal echter zijn dat WSW-ers net als arbeidsgehandicapten een bijzondere positie innemen op de reguliere arbeidsmarkt. Met de voorgestelde wijziging van artikel 29b ZW wordt de arbeidsmarktpositie van WSW-ers – net als die van arbeidsgehandicapte – versterkt omdat de werkgever, die de WSW-er in dienst neemt, de eerst vijf jaar geen risico loopt op loondoorbetaling gedurende ziekteperioden.

Door deze wijziging van artikel 29b ZW bestaat ook recht op ziekengeld indien een verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan de dienstbetrekking werkzaam was als werknemer in de zin van de WSW of op een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7 van de WSW. Wijziging van artikel 29b ZW daartoe is noodzakelijk omdat artikel 2, vijfde lid, van de Wet REA thans bepaalt dat een WSW-er geen arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet REA. Door deze wijziging van het eerste lid ontstaat géén strijdigheid met het vijfde lid van artikel 29b, omdat het vijfde lid bepaalt dat het artikel geen toepassing vindt indien de dienstbetrekking waarin de werknemer werkzaam is, geen dienstbetrekking in de zin van de WSW mag zijn, terwijl de onderhavige wijziging betrekking heeft op de periode direct voorafgaand aan het aanvaarden van die dienstbetrekking.

Indien voor jongeren, die geïndiceerd zijn voor de WSW geen WSW-dienstbetrekking kan worden aangeboden, kunnen deze jongeren op grond van artikel 10 WIW voor een WIW-dienstbetrekking in aanmerking komen. In dit artikel, maar ook in artikel 2, vijfde lid, Wet REA wordt de persoon die op zo'n dienstbetrekking werkzaam is met een persoon, die op een WSW-dienstbetrekking werkzaam is gelijkgesteld (zie ook de wijziging van artikel 50 WAJONG, artikel XII, onderdeel C)

Bij de wijziging van de Wet REA met ingang van 1–1-2002 in het kader van het Belastingplan V, is de WIW-dienstbetrekking gelijkgesteld met andere dienstbetrekkingen, waar het gaat over voorzieningen voor werkgevers bij het indienstnemen van arbeidsgehandicapten. De uitzondering op de werking van artikel 29b in het vijfde lid moet daarom ook vervallen. Ook de werkgever van de WIW-werknemer, die arbeidsgehandicapte is, komt in aanmerking voor ziekengeld. De aanpassing in het vijfde lid, onderdeel b, beoogt deze gelijkstelling alsnog tot stand te brengen.

Onderdeel C (artikel 31 van de ZW)

Met de Invoeringswet arbeid en zorg (Stb. 2001/568) is in artikel 31 van de ZW een verwijzing naar een aantal bepalingen van de Wet arbeid en zorg opgenomen. Ten onrechte is daarbij niet verwezen naar de bepalingen inzake een uitkering terzake van adoptie en pleegzorg. Voorgesteld wordt deze alsnog op te nemen.

Onderdeel F (artikel 64, tweede lid, aanhef, van de ZW)

Zie voor een toelichting op dit onderdeel paragraaf 2.2.

Onderdelen G tot en met N (de artikelen 75 tot en met 75l van de ZW)

Op 1 maart 2003 is de Wet eigenrisicodragen ZW in werking getreden. Voor eigenrisicodragers is in de artikelen 75 e.v. ZW een regeling opgenomen over hoe omgegaan moet worden met medische gegevens.

In een aantal uitspraken van 24 september 2002 (onder meer gepubliceerd in RSV 2002/288) heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld, dat werkgevers ten aanzien van een besluit omtrent aanspraken van een werknemer op ziekengeld, als belanghebbende dienen te worden beschouwd. Als gevolg van deze uitspraken kunnen ook andere werkgevers dan eigenrisicodragers belanghebbende zijn bij besluiten waaraan een beoordeling van medische gegevens ten grondslag ligt. Als gevolg hiervan dient de medische besluitenregeling ook op deze groep werkgevers van toepassing te worden verklaard. De wijzigingen in de artikelen 75, 75a, 75c en 75d ZW strekken daartoe.

Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de bepalingen van paragraaf 2 in een meer logische volgorde te zetten en een aparte paragraaf te creëren voor geschillen van geneeskundige aard.

Artikel X. Wijziging van de WAO

Onderdeel C (artikel 19, zevende lid van de WAO)

Na een verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, kan door de werknemer of de werkgever om verkorting worden gevraagd. Daarbij geldt dat de wachttijd dan niet eerder eindigt dan 15 weken na dat verzoek. Niet geregeld is dat de verlengde wachttijd eindigt indien de loondoorbetalingsverplichting eindigt wegens beëindiging van het dienstverband. De voorgestelde aanvulling beoogt hierin te voorzien.

Onderdeel D (artikel 19a, tweede lid, van de WAO)

Artikel 19a, tweede lid, regelt dat op een persoon na beëindiging van detentie de bepalingen van de WAO worden toegepast als nam zijn verzekering opnieuw een aanvang. In de derde volzin worden de artikelen 18, tweede tot en met vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing verklaard. Dat betekent, dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid geen rekening wordt gehouden met reeds bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Het niet van toepassing verklaren van de genoemde artikelen gaat niet zover, dat geen rekening moet worden gehouden met al vóór detentie bestaande arbeidsongeschiktheid. De bestaande formulering impliceert dit wel. Wanneer ook in dat geval artikel 18 tweede tot en met vierde lid niet zou worden toegepast zou de persoon die uit detentie komt in een gunstiger positie verkeren dan de persoon, die voorafgaand aan de verzekering reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Door de wijziging van artikel 19a, tweede lid, wordt bereikt dat artikel 18, tweede tot en met vierde lid wel van toepassing is indien betrokkene voordat hij in detentie ging en voordat hij ging werken in dienstbetrekking (en dus verzekerd werd voor de WAO) al (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was.

Onderdelen E en F (artikelen 24 en 28 van de WAO)

Naast een enkele technische wijziging in de aanduiding van het UWV en de CWI zijn deze artikelen aangepast om duidelijk te maken, dat de bevoegdheid voorschriften voor de reïntegratie te geven in artikel 24 voor het UWV alleen aan de orde zijn, indien de reïntegratie tot de verantwoordelijkheid van het UWV behoort. De verantwoordelijkheidsverdeling met betrekking tot reïntegratie van arbeidsongeschikte werknemers, die een WAO-uitkering ontvangen vloeit voort uit artikel 8 (taak werkgever) en 10 (taak UWV). Daarnaar wordt nu in artikel 24 en ook in artikel 28, onderdeel g, verwezen.

Onderdelen G en H (artikelen 34, zevende lid en 36, derde lid, van de WAO)

In deze artikelen is geregeld dat het UWV (onder goedkeuring van Onze Minister) kan afwijken van de aanvraagtermijn respectievelijk de herbeoordeling na één jaar. Het uitgangspunt bij regelgevende bevoegdheid is dat regelgeving die organisatorisch of technisch van aard is of specifieke terreinen betreft, bij de uitvoeringsorganisatie dient te blijven. Het opstellen van algemene, niet specifieke, regelingen waarbij het recht op, de hoogte of de duur van uitkeringen dan wel verstrekkingen wordt geregeld, betreft een beleidsmatig punt van een dermate groot belang dat dit door de Minister dient te geschieden. Afwijkingen van de aanvraagtermijn kunnen niet worden aangemerkt als organisatorische of technische onderwerpen. Daarom behoort de regelgevende bevoegdheid op dit punt bij de Minister te liggen. De genoemde artikelen zijn hiermee in overeenstemming gebracht.

Onderdeel I (artikel 37 , tweede lid, van de WAO)

De voorgestelde zinsnede dient te vervallen omdat die ziet op verzekering voor de WAO op grond van het ontvangen van een uitkering ingevolge het eerste lid van het – sinds de Wet terugdringing ziekteverzuim – niet meer bestaande artikel 57 ZW.

Onderdelen J en K (artikelen 43, vierde lid, en 43a, derde lid, van de WAO)

Deze artikelen bevatten onjuiste verwijzingen, reden waarom ze zijn aangepast.

Onderdeel M (artikel 71b, eerste lid, van de WAO)

Ten aanzien van het opstellen van een plan van aanpak, geldt in principe dezelfde regeling voor het UWV en de werknemer die geen dienstbetrekking (meer) heeft – en die om deze reden geen recht heeft op doorbetaling van loon, maar recht heeft op ziekengeld op grond van de ZW (de zogeheten «vangnetgevallen») – als tussen de werkgever en de werknemer, zoals die is neergelegd in artikel 71a, tweede lid. Om die reden wordt in artikel 71b, eerste lid, opgenomen dat ook door het UWV en de werknemer het plan van aanpak periodiek wordt geëvalueerd.

Onderdeel N (artikel 75, vijfde en negende lid, van de WAO)

Artikel 75, vijfde lid

Onderdeel b van het vijfde lid van artikel 75 kan vervallen, omdat het verwijst naar het inmiddels vervallen artikel 75e, vijfde lid.

Artikel 75, negende lid

WSW-ondernemingen (in feite de gemeenten) betalen, op grond van artikel 78, zevende lid, over het loon van WSW-werknemers geen gedifferentieerde premie maar een vervangende premie. Een WSW-werkgever kan voor deze werknemers het premierisico dus niet beïnvloeden. Dit bedrijf (de gemeente) kan thans formeel wel eigenrisicodrager worden. Het is echter niet gewenst dat deze mogelijkheid feitelijk benut wordt. Er is immers geen afweging mogelijk tussen twee kostenposten die het bedrijf kan beïnvloeden. Daarom wordt voorgesteld de gemeente voor de WSW-werknemers niet de mogelijkheid te bieden om eigenrisicodrager te worden.

Voor alle duidelijkheid wordt erop gewezen dat deze uitzondering uitsluitend betrekking heeft op de gemeenten (die immers de enige formele WSW-werkgevers zijn) en niet op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 2, derde lid, WSW (b.v. reïntegratiebedrijven).

Onderdeel O (artikel 76a van de WAO)

In artikel 79a van de WAO staat dat de ouderenkorting een korting is op de basispremie WAO. Abusievelijk wordt dit artikel in artikel 76a, eerste lid, onderdeel b van de WAO genoemd in het rijtje van artikelen met betrekking tot de gedifferentieerde premie. Dit onderdeel corrigeert dit.

Onderdeel Q (artikel 76d, eerste lid, onderdeel e, van de WAO)

Aangezien de schade die door het UWV wordt vergoed aan een eigenrisicodrager (artikel 76d, eerste lid, onderdeel e) altijd tevens gekwalificeerd kunnen worden als kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de WAO (zie hetzelfde artikellid, maar dan in onderdeel b) is besloten deze schade, als een in dit artikellid van de WAO opgenomen bijzondere categorie kosten – die ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen – te schrappen.

Onderdeel S (aanduiding paragraaf 4 van hoofdstuk IV van de WAO)

Als gevolg van aangenomen amendementen op de oorspronkelijke artikelen 79a en 79b van de WAO tijdens de behandeling van het toen nog Wetsvoorstel Belastingplan 2002 V zijn er in de genoemde artikelen thans geen bepalingen meer met betrekking tot premievrijstelling. In verband daarmee wordt de term premievrijstelling met ingang van 1 januari 2002 (de inwerkingtredingsdatum van Belastingplan 2002 V) in de naam van paragraaf 4 van hoofdstuk IV geschrapt.

Onderdeel T (artikel 79a van de WAO)

In artikel 79a WAO is na de inwerkingtreding van Belastingplan 2002-V, de premiekorting voor werkgevers van oudere werknemers geregeld. De uitvoering van het tweede en derde lid van dit artikel leidt tot administratieve lasten voor het UWV en voor werkgevers. Het eerste lid is verduidelijkt. Met de bestaande formulering zou de premiekorting ook kunnen worden toegepast door het UWV, die premie inhoudt op de uitkeringen en daarmee ook werkgever is. Het gaat hier alleen om werknemers, die in dienstbetrekking werkzaam zijn.

Met het vervallen van het tweede lid vervalt het onderscheid tussen de hoogte van de premie over loon en via de werkgever betaalde uitkering. Het UWV vergoedt over de uitkering die via de werkgever wordt betaald voor oudere werknemers de premie over de uitkering met inachtneming van de premiekorting. De werkgever draagt die verlaagde premie weer af aan het UWV op dezelfde wijze als de verlaagde premie over het loon. Daarmee wordt materieel hetzelfde bereikt als voordien in de wet geregeld, namelijk dat de werkgever alleen premiekorting geniet over het werkelijk betaalde loon en niet over de uitkering.

Het derde lid zondert een aantal werknemers in dienst van een reguliere werkgever met bijzondere dienstbetrekkingen uit van de premiekorting voor oudere werknemers. Reden voor de uitzondering was dat de werkgever voor deze personen andere tegemoetkomingen ontvangt. Gebleken is dat het hier gaat om slechts een kleine groep werknemers. Omdat het UWV deze groepen niet als zodanig heeft geregistreerd in zijn verzekerdenadministratie zou het UWV alle werkgevers opgave moeten vragen of oudere werknemers een dienstbetrekking als hier bedoeld hebben. Controle van die opgave is alleen mogelijk door individuele controle bij werkgevers. Gezien het geringe aantal werknemers en de hoge administratieve lasten voor het UWV en de werkgever is besloten de uitzondering alsnog te laten vervallen. Het vorenstaande geldt niet voor personen die arbeid verrichten als bedoeld in artikel 2 WSW of artikel 4 WIW, voor hen blijft de uitzondering wel van toepassing.

Onderdeel U (artikel 79 b van de WAO en de artikelen 82, 82a en 97c van de WW)

De genoemde artikelen die bij Belastingplan 2002-V zijn opgenomen in de WAO en de WW hebben betrekking op de premiekorting voor arbeidsgehandicapten. In alle vier de genoemde artikelen worden dezelfde wijzigingen aangebracht. Vooruitlopende op de voorgestelde wijzigingen wordt door het UWV al op de voorgestelde wijze gewerkt. In verband hiermee kunnen de wijzigingen met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2002 in werking treden. De premiekorting wordt op aanvraag verstrekt. In de verschillende artikelen is een aanvraagtermijn opgenomen van binnen één jaar na aanvang van de dienstbetrekking respectievelijk binnen één jaar nadat de werknemer zijn eigen arbeid of een andere functie bij dezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk heeft hervat dan wel binnen één jaar nadat de arbeidsplaats is aangepast. Het UWV gaf in een uitvoeringscommentaar aan, dat niet duidelijk is hoe gereageerd dient te worden op aanvragen, die binnen deze indieningstermijn worden ingediend. Deze termijnen zijn te beschouwen als wettelijke voorschriften om voor het in aanmerking kunnen komen voor de premiekorting: uiterlijk binnen die termijn moet de aanvraag worden ingediend. Indien de aanvraag niet binnen de termijn wordt gedaan is het UWV bevoegd de aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat niet aan de voorwaarden voor toekenning van de premiekorting kan worden voldaan. Door in de wet een duidelijke termijn te het stellen is dit voldoende duidelijk.

– Voor de hoogte van de premiekorting is relevant of de werknemer meer of minder loon ontvangt dan 50% van het wettelijk minimumloon (WML). In de praktijk blijkt het bepalen hiervan naar de letter van de wet, zonder nadere regeling als voorgesteld, een behoorlijke administratieve belasting te zijn omdat het WML twee maal per jaar wordt herzien en omdat het loon dat een werknemer per maand ontvangt kan fluctueren waardoor hij de ene maand meer en de andere maand minder dan 50% WML ontvangt. Hierdoor zou ook de premiekorting per maand verschillend zijn. Ter vermindering van de administratieve belasting voor de werkgever en het UWV wordt voorgesteld dat de korting op jaarbasis wordt vastgesteld en dat daarbij bepalend is hetgeen de werknemer in een hele kalenderjaar verdient. De hoogte van de korting sluit daarmee aan bij het werkelijk verloonde bedrag van de werkgever en dus bij de werkelijke verdiencapaciteit van de werknemer. Door voor het hele jaar aan te sluiten bij het bedrag per 1 januari hoeft niet halverwege het jaar met een andere norm gewerkt te worden.

– In de diverse artikelen bestaat de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere regels te stellen omtrent de verdeling van de premiekorting over de verschillende fondsen. In de artikelen 82, 82a en 97c van de WW staat echter al aangegeven ten laste van welk fonds de premiekorting dient te komen. Bedoelde delegatiebepaling is daarmee overbodig geworden.

– Een drietal leden in de artikelen met betrekking tot de premiekorting (bijvoorbeeld de leden 1 tot en met 3 van artikel 79b van de WAO) vormen een onlosmakelijke eenheid. De nog op te stellen ministeriële regeling in verband met een goede uitvoering van de premiekorting (op basis van bijvoorbeeld artikel 79b, zevende lid van de WAO), dient dan ook op al die leden betrekking te hebben. De voorgestelde wijziging voorziet daarin.

– In een beperkt aantal gevallen kan het voorkomen dat de premiekorting(en) hoger zijn dan de door een werkgever voor die werknemer te betalen premie. In dergelijke situaties is het niet de bedoeling dat de werkgever premierestitutie ontvangt; hij ontvangt immers een korting op de verschuldigde premie. Ter voorkoming van misverstanden is in verband daarmee een nieuw lid aan de diverse artikelen toegevoegd.

– Tenslotte wordt voorzien in een taalkundige verbetering in bedoelde WAO en WW-artikelen.

In aanvulling op het voorgaande wordt in de onderdelen J en K van artikel XIII (artt. 82 en 82a WW) nog voorzien in een tweetal andere wijzigingen. In de artikelen 82 en 82a van de WW stond abusievelijk dat de daar bedoelde premiekorting ten gunste van een bepaald fonds komt. Dit wordt gecorrigeerd in ten laste van het aldaar genoemde fonds.

Tenslotte wordt een overbodige passage in het tweede lid van artikel 82 geschrapt.

Onderdeel V (artikel 81, tweede lid, aanhef, en derde lid, van de WAO)

Zie voor een toelichting op dit onderdeel paragraaf 2.2.

Artikel XI. Wijziging van de WAZ

Onderdeel A (artikel 2, achtste lid, onderdeel b, van de WAZ)

In artikel 2, achtste lid, van de WAZ, is geregeld dat de voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het achtste lid, onderdeel a, van de WAZ (Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten) niet wordt gedaan en de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling als bedoeld in het achtste lid, onderdeel b, van de WAZ, (een regeling getroffen op grond van het eerdergenoemde Schattingsbesluit) niet eerder geschiedt dan tien weken, nadat mededeling hieromtrent in de Staatscourant is gedaan, zijn verstreken. Deze termijn komt niet overeen met de termijn zoals die is opgenomen in artikel 18, negende lid, van de WAO, te weten acht weken. Besloten is de termijn genoemd in de WAZ aan te passen aan die in de WAO. Hetzelfde gebeurt in dit wetsvoorstel in de overeenkomstige bepaling van de WAJONG.

Onderdeel D (artikel 8, twaalfde en dertiende lid, van de WAZ )

Op grond van artikel 73 van de WAZ geldt met betrekking tot de premieheffing een franchise. Indien een verzekerde naast zijn WAZ-inkomsten inkomsten uit dienstbetrekking (in de zin van de WAO) geniet, gelden deze laatste inkomsten als franchise bij de premieheffing, tenzij deze inkomsten lager liggen dan de algemene franchise, in welk geval de algemene franchise geldt. Nu voor de premieheffing de inkomsten uit dienstbetrekking in aanmerking worden genomen, wordt in de uitkeringssfeer ook rekening gehouden met de premieheffingskant. De leden 11 tot en met 17 en 19 van artikel 8 WAZ strekken er toe te regelen dat op de grondslag van de WAZ-uitkering de inkomsten uit dienstbetrekking in mindering worden gebracht. Deze leden hebben betrekking op de situatie dat iemand zowel verzekerde is in de zin van de WAZ als in de zin van de WAO, ofwel omdat hij loon uit dienstbetrekking geniet, ofwel omdat hij recht heeft op een loondervingsuitkering, zijnde een uitkering op grond van de WAO, op grond van de ZW of op grond van de WW.

In die leden ontbreekt evenwel een regeling voor de situatie dat degene die tegelijkertijd WAZ- en WAO-verzekerde werkzaamheden verricht eerst arbeidsongeschikt wordt in de zin van de WAO en in de wachttijd voor de WAO arbeidsongeschikt wordt in de zin van de WAZ (met uitzondering van de situatie dat deze in de wachttijd voor de WAO recht heeft op ziekengeld; dat is geregeld in het dertiende lid). Met subonderdeel 1 wordt het twaalfde lid van artikel 8 WAZ zodanig aangepast dat daarin ook de situatie is geregeld dat betrokkene op het moment dat hij arbeidsongeschikt wordt reeds arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Tevens wordt met de wijziging verduidelijkt dat als betrokkene, op het moment dat hij arbeidsongeschikt wordt in de zin van de WAZ, (nog) niet arbeidsongeschikt is of wordt in de zin van de WAO, het WAO-dagloon moet worden vastgesteld dat zou hebben gegolden als betrokkene wél op dezelfde dag arbeidsongeschikt in de zin van de WAO zou zijn geworden als waarop hij arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is geworden. Met subonderdeel 2 en subonderdeel 3 wordt geregeld dat indien zowel artikel 8, twaalfde of dertiende lid, van de WAZ als artikel 59, eerste of tweede lid, van die wet van toepassing kan zijn, artikel 59, eerste en tweede lid, prevaleert boven artikel 8, twaalfde en dertiende lid, (zie ook de voorgestelde wijziging met betrekking tot artikel 59, eerste en tweede lid, WAZ).

Onderdeel J (artikel 59, eerste, tweede lid en vijfde lid, van de WAZ)

Noch artikel 8 noch artikel 59 van de WAZ voorziet in de anticumulatie van de grondslag van de WAZ-uitkering of de WAZ-uitkering als zodanig, in de situatie van de toekenning van een WAO-uitkering op grond van artikel 43a van die wet aan de persoon die laatstelijk slechts WAZ-verzekerde arbeid verricht. Het in dit onderdeel voorgestelde artikel 59, tweede lid, van de WAZ is evenwel niet alleen van toepassing in die situatie, maar ook in de situatie dat die persoon laatstelijk zowel WAZ- als WAO-verzekerde arbeid verricht. Artikel 8, twaalfde en dertiende lid, van de WAZ wordt evenwel zo aangepast dat in die situatie alleen het hier voorgestelde artikel 59, tweede lid, van toepassing zal zijn (zie onderdeel D). In de situatie van volgtijdelijke samenloop, waar wegens het intreden van arbeidsongeschiktheid een WAZ-uitkering wordt toegekend op grond van artikel 20 van de WAZ alsmede een WAO-uitkering, is thans artikel 8, twaalfde of dertiende lid, WAZ van toepassing. Systematisch hoort die situatie evenwel thuis in de regeling van artikel 59, eerste lid, van de WAZ. De hier voorgestelde aanpassing van dat lid voorziet daarin. Artikel 8, twaalfde en dertiende lid, van de WAZ wordt zo aangepast dat in die situatie alleen het hier voorgestelde artikel 59, eerste lid, van toepassing zal zijn (zie onderdeel D). Tenslotte wordt met de hier voorgestelde aanpassing van artikel 59, eerste en tweede lid, geregeld dat die leden een regeling bevatten met betrekking tot volgtijdelijke samenloop in de situatie dat WAZ-verzekerde werkzaamheden zijn aangevangen tijdens de wachttijd voor de WAO alsmede in de situatie dat WAO-verzekerde werkzaamheden zijn aangevangen tijdens de wachttijd voor de WAZ. Ook voor deze situatie geldt de voorrangsregeling die wordt neergelegd in artikel 8, twaalfde en dertiende lid, van de WAZ (zie onderdeel D).

Onderdeel L (artikel 71, eerste lid, van de WAZ)

Zie voor een toelichting op dit onderdeel paragraaf 2.2.

Onderdeel M (artikel 72, derde lid, van de WAZ)

In dit onderdeel wordt voorgesteld artikel 72, derde lid, van de WAZ te laten vervallen. Deze bepaling ziet op de gebruikelijkloonbepaling voor aanmerkelijkbelanghouders. Voor de WAZ worden de door een aanmerkelijkbelanghouder genoten zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid bij fictie gesteld op ten minste € 38 118.

Hiervan kan worden afgeweken indien de aanmerkelijkbelanghouder aannemelijk maakt dat dit in soortgelijke arbeidsverhoudingen, waarin geen sprake is van aanmerkelijk belang, een lager bedrag is. Artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) kent een soortgelijke bepaling.

Het feit dat er een tweetal regelingen bestaan die nagenoeg hetzelfde regelen, vindt zijn oorzaak in het feit dat er op het moment dat een dergelijke bepaling in het wetsvoorstel WAZ werd opgenomen, er in de inkomstenbelasting, noch indirect via het aan de loonbelasting ontleende loonbegrip, een wettelijke mogelijkheid bestond om belasting te kunnen heffen over fictief salaris van een aanmerkelijkbelanghouder. Het was derhalve voor een effectieve premieheffing WAZ in die situatie niet mogelijk aan te sluiten bij een inkomen in de inkomstenbelasting.

Toch vond de wetgever het uit het oogpunt van rechtsgelijkheid tussen winstgenieters in de inkomstenbelasting en aanmerkelijkbelanghouders wenselijk dat ook deze laatste categorie verzekerd is voor de WAZ en dus premie WAZ moeten betalen. Daarom werden de inkomsten van de aanmerkelijkbelanghouders uit zijn arbeidsverhouding forfaitair tenminste gesteld op het maximum premie-inkomen dat voor de WAZ wordt vastgesteld.

Met de invoering van de gebruikelijkloonregeling is de noodzaak van artikel 72, derde lid, van de WAZ komen te vervallen. Dit houdt in dat dan ook conform de bedoeling van de wetgever bij de aanmerkelijkbelanghouder met een fictief gebruikelijk loon de hoofdregel van artikel 72, eerste lid, van de WAZ kan worden toegepast ter bepaling van het premie-inkomen WAZ. Conform artikel 1, eerste lid, onderdeel l van de WAZ, moet voor de bepaling van het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid worden uitgegaan van de Wet IB 2001.

Onderdeel P (artikel 101 van de WAZ)

Bij de inwerkingtreding met ingang van 1 juli 2000 van (enige artikelen van) de Wet van 20 januari 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten met het oog op de opneming in het Wetboek van Strafrecht van eenvormige strafbepalingen inzake het verstrekken van onware gegevens en het nalaten te voldoen aan wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens te verstrekken – (Wet concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen (Stb. 40)) –, zijn tegelijkertijd de artikelen 99a, 99b en 99c van de WAZ en de artikelen 73a, 73b en 73c van de WAJONG vervallen. Dit is bepaald in artikel XXXVII, tweede lid, van de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Met het laten vervallen van de artikelen 99a t/m 99c van de WAZ en 73a t/m 73c van de WAJONG is verzuimd de tekst van de artikelen 101 van de WAZ en 75 van de WAJONG aan te passen in die zin dat geen verwijzing naar de vervallen artikelen meer voorkomt.

Artikel XII. Wijziging van de WAJONG

Onderdeel A (artikel 2, negende lid, onderdeel b, van de WAJONG)

Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op artikel XI, onderdeel A (eenzelfde wijziging als in dit onderdeel wordt voorgesteld in de WAZ).

Onderdelen B en C (de artikelen 11, vijfde lid en 17, tweede lid, van de WAJONG)

Met de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter (Stb. 211, 628) is artikel 8, derde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) vervallen. Reden hiervoor was dat in plaats van de bijzondere bepaling omtrent herschatting (van de mate van arbeidsongeschiktheid) bij het weigeren mee te werken aan scholing, werd aangesloten bij de algemene sanctie, bedoeld in artikel 38, onderdeel g, j° 37 van de WAJONG. Deze algemene sanctie houdt de tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering in.

Abusievelijk zijn in de Wet verbetering poortwachter de artikelen 11, vijfde lid, en 17, tweede lid, van de WAJONG, waarin naar artikel 8, derde lid, wordt verwezen, niet aangepast. Deze verwijzing wordt met onderhavige aanpassing gecorrigeerd.

Onderdeel F (artikel 50, derde lid, van de WAJONG)

Derde lid.

De jonggehandicapte, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer geldt het volgende. In artikel 10 van de WIW is geregeld dat de gemeente de jongere, die op grond van de WSW is geïndiceerd voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden, doch voor wie nog geen WSW-dienstverband beschikbaar is, een dienstbetrekking wordt aangeboden ingevolge de WIW. In een dergelijke dienstbetrekking wordt arbeid verricht onder aangepaste omstandigheden, als bedoeld in de WSW. Achtergrond van deze bepaling is dat het niet zinvol is de jongere in afwachting van een plaatsingsmogelijkheid in de WSW, werkloos thuis te laten zitten. De plaatsing in de WIW is dan ook slechts aan te merken als een plaatsing in afwachting van een arbeidsovereenkomst ingevolge de WSW.

Hoewel er dus feitelijk (nog) geen sprake is van een arbeidsovereenkomst ingevolge WSW komt dat er wel op neer. Slechts het enkele feit dat nog geen mogelijkheid tot plaatsing in de WSW beschikbaar is, is afwijkend van de arbeidsovereenkomst ingevolge de WSW.

De inkomsten van de jonggehandicapten worden dan voor de duur van 3 jaar geanticumuleerd. Een WIW-dienstbetrekking, in afwachting van een WSW-plaatsing, kan echter langer dan drie jaar duren. Na ommekomst van deze drie jaar, mag deze jonggehandicapte op grond van artikel 2, zevende lid van de WAJONG niet geschat worden op werk in het kader van de WSW. Ingevolge het thans luidende artikel 50, derde lid van de WAJONG, mag de anticumulatie evenmin langer worden toegepast; het betreft immers geen WSW-dienstverband (hoofdstuk 2), evenmin gaat het om een WSW-geïndiceerde die bij een werkgever een dienstverband aangaat en waarvoor de werkgever ingevolge hoofdstuk 3 van de WSW subsidie krijgt.

Met de onderhavige aanpassing in het derde lid wordt door toevoeging van onderdeel b beoogd in deze specifieke situaties de dienstbetrekking ingevolge de WIW, voor de toepassing van de WAJONG, gelijk te trekken met arbeidsovereenkomsten als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de WSW.

Onderdeel H (artikel 75 van de WAJONG)

Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op artikel XI, onderdeel P (eenzelfde wijziging als in dit onderdeel wordt voorgesteld in de WAZ).

Artikel XIII. Wijziging van de WW

Onderdeel C (artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de WW)

In artikel 19, eerste lid, onder b, 1°, van de WW is onder andere bepaald dat de werknemer die een uitkering ontvangt op grond van de WAJONG, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, geen recht heeft op WW-uitkering. In artikel 19, eerste lid, onder b, 2°, van de WW is hetzelfde bepaald voor de werknemer die een volledige uitkering op grond van de WAZ ontvangt, tenzij hij werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die hij, voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ, vervulde naast de werkzaamheden waarin hij WAZ verzekerd was.

Voor de invoering van de WAZ en de WAJONG gold een uitsluitingsgrond bij het ontvangen van een volledige uitkering op grond van de AAW. Bij het intrekken van de AAW is deze uitsluitingsgrond vervangen door de bovengenoemde uitsluitingsgronden. Bij nader inzien is dit niet terecht. Werknemers waren zowel verzekerd op grond van de AAW als verzekerd op grond van de WAO. De uitsluitingsgrond was er om te voorkomen dat werknemers uit dezelfde dienstbetrekking zowel recht op een volledige AAW(/WAO)-uitkering als recht op een WW-uitkering konden krijgen. Sedert de intrekking van de AAW kan bij volledige arbeidsongeschiktheid uit een dienstbetrekking alleen nog maar recht op WAO-uitkering ontstaan.

Voor jongeren en zelfstandigen is de AAW vervangen door de WAJONG en de WAZ. Het ontvangen van een WAJONG- of WAZ-uitkering vloeit niet voort uit het werken in dienstbetrekking. Er is dus ook geen reden om het ontvangen van een dergelijke uitkering aan te merken als een uitsluitingsgrond voor het ontvangen van WW-uitkering.

Onderdeel D (artikel 26, eerste lid, onderdeel e, van de WW)

Artikel 69 van de WW is bij de Invoeringswet SUWI komen te vervallen. De verwijzing naar dat artikel in artikel 26 dient derhalve te vervallen. Artikel 26 is dienovereenkomstig aangepast.

Onderdeel E (artikel 27, derde en vijfde lid, van de WW)

Op grond van de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid van de Wet SUWI dient de aanvrager van een uitkering op grond van de WW gegevens, bewijsstukken en overige relevante informatie, aan de CWI te verstrekken. Uit de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stb. 1996, 248) vloeit voort dat wanneer deze verplichting niet tijdig (d.w.z. niet binnen de daarvoor gestelde termijn) wordt nagekomen een maatregel moet worden opgelegd (zie Kamerstukken II 1994–1995, 23 909, nr. 13, p. 12). Wordt een inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk nagekomen dan dient boete-oplegging te volgen. De oude tekst van artikel 27, derde lid, was hiermee niet in overeenstemming. Door de nieuwe formulering van dit artikellid wordt duidelijk dat een maatregel opgelegd dient te worden wanneer de verplichting, bedoeld in de artikelen 28, tweede en 29, eerste lid, van de Wet SUWI, niet binnen de door de CWI daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen. Uit artikel 27a, vloeide reeds voort dat bij niet of niet behoorlijke nakoming van genoemde inlichtingenverplichting een boete opgelegd dient te worden. De aanpassing van artikel 27, derde lid, werkt ook door in het vijfde lid.

Onderdeel H (artikel 53, eerste lid, aanhef, van de WW)

Zie voor een toelichting op dit onderdeel paragraaf 2.2.

Onderdelen J, K en N (artikelen 82, 82a en 97c van de WW)

Zie de toelichting bij artikel X, onderdeel U (artikel 79b van de WAO)

Onderdeel M (artikel 97b, zesde, zevende en achtste lid, van de WW)

Artikel 97b van de WW is ingevoegd bij de Aanpassingswet OOW. Het artikel bepaalt dat het UWV op de (gewezen) overheidswerkgever verhaalt: de WW-uitkering, de niet op de uitkering in mindering te brengen premies, de tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg en de vergoeding aan het Rijk van remigratiebijdragen door het Rijk aan de remigrerende werknemer. In het vijfde tot en met zevende lid van artikel 97b van de WW zijn bepalingen opgenomen over het besluit tot verhaal. Doordat de term «vergoeding» daarin niet is opgenomen zou ten onrechte de indruk kunnen ontstaan dat die leden niet van toepassing zouden zijn op het besluit waarbij de vergoeding aan het Rijk in verband met remigratie op de (gewezen) overheidswerkgever verhaalt. Ten einde op dat punt volstrekt helder te zijn wordt met dit onderdeel alsnog de term «vergoeding» in genoemde leden van artikel 97b van de WW opgenomen.

Onderdeel O (artikel 97d, eerste lid, van de WW)

Artikel 97d, eerste lid, van de WW is laatstelijk gewijzigd bij Wet van 20 december 2001, houdende wijziging van de WAZ en enige andere wetten in verband met de invoering van een zelfstandigheidsverklaring en de uitsluiting van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen van de verzekering voor de werknemersverzekeringen (Stb. 695). De wijzigingsopdracht in die wet is, gelet op de verschillende wijzen van verwerking daarvan in verscheidene uitgaven, niet volstrekt helder geweest. Gelet hierop wordt met dit onderdeel de tekst van artikel 97d, eerste lid, van de WW opnieuw vastgesteld.

Onderdeel R (artikel 130, eerste lid, van de WW)

De in artikel 43, onderdeel ZZ, onder 2, van de Invoeringswet SUWI opgenomen wijziging van artikel 130, eerste lid, van de WW heeft geen doorgang kunnen vinden vanwege de volgorde van inwerkingtreding van de Invoeringswet SUWI en de Wet verzelfstandiging reïntegratiediensten Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Gelet hierop wordt die wijziging alsnog doorgevoerd. Voor alle duidelijkheid geschiedt dat door het opnieuw vaststellen van de tekst van artikel 130, eerste lid, van de WW.

Artikel XIV. Wijziging van de TW

Onderdeel A (artikel 1, eerste lid, onderdelen d, g en h, van de TW)

De aanpassing van onderdeel d (van artikel 1, lid 1) vloeit voort uit het feit dat, naar analogie van de destijds o.g.v. de ZW en WAZ verstrekte zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen, ook een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg moet worden aangemerkt als een loondervingsuitkering (waarop een toeslag kan worden verstrekt).

Onderdeel g verwijst naar een niet (meer) bestaand artikel en dient te vervallen.

Onderdeel h bevat een definitie, terwijl het gedefinieerde begrip slechts één keer (artikel 15a, eerste lid) in de TW (en niet in lagere regelgeving) voorkomt. Het kan daarom vervallen. Zie ook onderdeel E..

Onderdeel C (artikel 11, achtste lid, van de TW)

Met dit onderdeel wordt geregeld dat de aanvraag van een toeslag op een WW-uitkering wordt ingediend bij het UWV indien de aanvraag van de WW-uitkering reeds behandeld wordt door het UWV of indien het UWV reeds eerder beslist heeft op de aanvraag WW. In het geval de cliënt die toeslag tegelijkertijd met de WW-uitkering aanvraagt, leidt de aanvraag via de Centrale organisatie werk en inkomen voor hem tot minder loketten en minder administratieve lasten. Dat is anders indien de toeslag wordt aangevraagd op het moment dat de aanvraag voor de WW-uitkering door de Centrale organisatie werk en inkomen reeds is overgedragen aan het UWV of de WW-uitkering al is vastgesteld. Voor de volledigheid zij vermeld dat dit ook geldt indien het een toeslag betreft op een WW uitkering, die op grond van artikel 22 WW direct bij het UWV aangevraagd wordt. Het betreft de WW-uitkeringen in het kader van een faillissement, onwerkbaar weer of werktijdverkorting.

Onderdeel D (artikel 14, eerste en derde lid, van de TW)

Zie voor de toelichting bij dit onderdeel de toelichting bij de aanpassing van artikel 27, derde en vijfde lid van de WW.

Daarnaast wordt er nog een aanpassing van artikel 14, derde lid, van de TW voorgesteld. In artikel 14, derde lid, van de TW wordt bepaald wanneer kan worden afgezien van een maatregel en volstaan kan worden met een schriftelijke waarschuwing. Dat is mogelijk ten aanzien van een aantal in specifiek in artikel 14, derde lid, genoemde verplichtingen. Daarbij was ten onrechte ook de verplichting van artikel 55, tweede lid, van de Wet SUWI genoemd. Deze verplichting betreft het verstrekken van inzage in een identiteitsdocument en geldt eveneens in het kader van de WW, ZW, WAO, WAZ, WAJONG, ABW, AOW, ANW en AKW. In geen van deze wetten is voorzien in de mogelijkheid om bij overtreding van de verplichting van artikel 55, tweede lid, van de Wet SUWI te volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Daarom is het ook niet logisch om die mogelijkheid wel ten aanzien van de TW te bieden.

Onderdeel E (artikel 15a, eerste lid, van de TW)

Dit onderdeel is een gevolg van het laten vervallen van onderdeel h van het eerste lid van artikel 1 TW (zie onderdeel A)

Artikel XV. Wijziging van de Wet REA

Onderdeel A (artikel 2, vierde en vijfde lid, van de Wet REA)

In artikel 2, vierde lid, van de wet is bepaald dat degene ten aanzien van wie is vastgesteld dat hij arbeidsgehandicapte is, dit blijft gedurende een periode van vijf jaar na de datum van vaststelling. Doel van deze bepaling is bevordering van de reïntegratie. Doordat de betrokkene langer als arbeidsgehandicapte wordt beschouwd zijn de instrumenten uit de Wet REA immers langer van toepassing. Dat geldt tevens voor het reïntegratie-instrument dat is opgenomen in artikel 29b van de ZW (overname loondoorbetalingsplicht tijdens ziekte arbeidsgehandicapte).

Het is mogelijk dat op de datum van vaststelling vast staat dat de betrokkene al arbeidsgehandicapte was met ingang van een eerdere datum dan de datum van de vaststelling. Thans bestaat theoretisch al de mogelijkheid een werknemer met terugwerkende kracht, dus voor het moment van vaststelling, bedoeld in artikel 2, vierde lid, aan te merken als arbeidsgehandicapte (tot 1 juli 1998; moment van het in werking treden van de Wet REA).

Het is wenselijk dat het moment waarop de periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2, vierde lid, aanvangt niet de datum van vaststelling is maar de datum van ingang van de arbeidshandicap. Daarmee wordt bereikt dat voor alle arbeidsgehandicapten van wie is vastgesteld dat ze arbeidsgehandicapt zijn, de periode waarvoor die vaststelling geldt vijf jaar is. Op grond van de huidige tekst kan een persoon namelijk theoretisch gedurende de periode voorafgaande aan de datum van vaststelling en gedurende nog eens vijf jaar van af die datum als arbeidsgehandicapte worden aangemerkt, terwijl van de betrokkene van wie de vaststelling niet met terugwerkende kracht geschiedde, de periode slechts vijf jaar is. Een dergelijke mogelijke interpretatie is niet door de wetgever bedoeld. De voorgestelde wijziging biedt ook op dit punt een verduidelijking.

In artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, is bepaald dat een WSW-werknemer of iemand die werkzaam is op arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 WSW, niet als arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt in de zin van de Wet REA. In samenhang met de voorgestelde aanpassing van artikel 50, derde lid, Wajong (zie artikel XII, onderdeel F) voor Wajongers die zijn geïndiceerd voor de WSW en in afwachting van een WSW-dienstbetrekking een WIW-betrekking krijgen aangeboden, wordt voorgesteld die categorie ook onder die uitzondering te laten vallen.

Onderdeel B (artikel 10, eerste lid, van de Wet REA)

Bij de wijziging van de Wet REA in het kader van Belastingplan 2002 V- Sociale zekerheidswetgeving) is de uitzondering van de dienstbetrekking in de zin van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) in de Wet REA komen te vervallen. De bedoeling van die wijziging is dat de WIW-dienstbetrekking voor de toepassing van de Wet REA wordt gezien als een gewone dienstbetrekking (wat het juridisch ook is) en de WIW-werknemers als gewone werknemers. Op de werknemer in de WIW-dienstbetrekking is artikel 31 van de Wet REA van toepassing. De taak van het UWV ten opzichte van deze werknemers vloeit daarmee voort uit het wettelijk stelsel en hoeft dus niet apart geregeld te worden. Dit is echter wel gedaan door aan artikel 10, een nieuw onderdeel e toe te voegen. Daarmee wordt geregeld, dat het UWV een taak heef ten aanzien van de arbeidsgehandicapte, die in dienstbetrekking staat als bedoeld in de WIW. Deze toevoeging past echter niet in het stelsel van de Wet REA en kan daarom beter vervallen. Dit onderdeel voorziet daarin.

Onderdeel C (artikel 16, eerste lid van de Wet REA)

Dit artikel bevat een taalkundige verbetering van artikel 16, eerste lid, Wet REA.

Onderdeel D (artikel 20 van de Wet REA)

Abusievelijk is verzuimd bij Belastingplan 2002-V een opschrift aan het nieuwe artikel 20 Wet REA toe te voegen. Dit artikel voorziet daarin.

Onderdeel E (artikel 22a, eerste lid, van de Wet REA)

Op het moment van inwerkingtreding van artikel 22a van Wet REA was de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen nog niet in werking getreden. Derhalve gold op dat moment nog niet de verplichting voor het UWV, bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wet REA, om de werkzaamheden waarmee de taak tot bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces van de arbeidsgehandicapte ten aanzien van wie de werkgever geen reïntegratieverplichting heeft te laten verrichten door een natuurlijke persoon danwel rechtspersoon die, in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf, de inschakeling van personen in de arbeid bevordert. Sinds de inwerkingtreding van de Invoeringswet SUWI (en de wijziging van artikel 10 van de Wet REA) oefent het UWV zijn in artikel 10 bedoelde taak met name uit door reïntegratietrajecten bij reïntegratiebedrijven in te kopen. Niet alle arbeidsgehandicapten die zo'n traject volgen, krijgen ook een voorziening op grond van artikel 22 of verrichten werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in artikel 23. Omdat deze personen niet onder de doelgroep van artikel 22a vallen, kan het UWV hun eventuele kosten van kinderopvang niet financieren. Omdat het gewenst is dat ook de kosten van kinderopvang van arbeidsgehandicapten die een reïntegratietraject volgen maar geen voorzieningen op grond van artikel 22 ontvangen of die werkzaamheden verrichten op een proefplaats als bedoeld in artikel 23, gefinancierd kunnen worden, wordt de doelgroep met artikel 10, eerste lid, van de Wet REA uitgebreid.

De wijziging van artikel 22 a van de Wet REA werkt terug tot en met 1 juli 2003. Met ingang van deze datum zijn de contracten met reïntegratiebedrijven van kracht op basis van de nieuwe aanbestedingsprocedure van het UWV. Aan arbeidsgehandicapte cliënten die in het kader van een reïntegratietraject op basis van het bestek van deze procedure een opleiding of scholing gaan volgen zal geen vergoeding van de kosten worden verstrekt op grond van artikel 22, eerste en tweede lid, onderdeel a, van de Wet REA. Aan het reïntegratiebedrijf zal vergoeding voor de kosten van de opleiding of scholing worden verstrekt via de trajectprijs, op grond van artikel 10 van de Wet REA. De cliënt op wie deze regeling van toepassing is, is dus niet aan te merken als een arbeidsgehandicapte aan wie een voorziening op grond van artikel 22 van de Wet REA is toegekend.

Onderdeel F (artikel 24, eerste lid, van de Wet REA)

In het huidige artikel 24, eerste lid, wordt voorgeschreven dat een aanvraag voor toekenning van een reïntegratieuitkering moet worden ingediend voor aanvang van onbeloonde werkzaamheden, scholing of opleiding. Het komt echter voor dat een reïntegratiebedrijf, handelend in opdracht van het UWV, al begint met een scholing die gewenst is om iemand te kunnen plaatsen, terwijl er nog geen aanvraag voor een reïntegratieuitkering is ingediend. Om dergelijke praktische problemen te voorkomen wordt voorgesteld te bepalen dat een aanvraag voor een reïntegratieuitkering niet alleen kan worden ingediend voor de aanvang van de onbeloonde werkzaamheden, scholing of opleiding, maar ook binnen een maand daarna.

Onderdeel G (artikel 25 van de Wet REA)

Door de technische wijziging in het eerste lid wordt, net als bij de WW-uitkering, de vakantietoeslag op de reïntegratie-uitkering maandelijks gereserveerd en in mei of bij het einde van de uitkering (in plaats van vierwekelijks) uitbetaald.

Onderdeel H (artikel 32 van de Wet REA)

Door toevoeging van het woord «verricht» aan artikel 32 ontstaat de mogelijkheid loonsuppletie toe te kennen aan de arbeidsgehandicapte werknemer die binnen de bestaande dienstbetrekking bij zijn eigen werkgever de arbeid hervat, zonder dat hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend dan wel zo'n uitkering is herzien. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het voor de toekenning van loonsuppletie geen noodzakelijke verstrekkingsvoorwaarde is dat het aanvaarden van de aangepaste arbeid gelegen moet zijn na de schatting.

Overigens betekent dit niet dat meteen bij de aanvaarding van de arbeid ook loonsuppletie kan worden toegekend. Dit komt eerst aan de orde na afloop van het wachtjaar en na het moment waarop is vastgesteld dat de nieuwe arbeid wordt verricht tegen een lager loon dan theoretische verdiencapaciteit (zie ook de toelichting op artikel 17 van het Reïntegratie-instrumenten-besluit Wet REA).

Onderdeel I (artikel 33a van de Wet REA)

De wijziging van het eerste lid van artikel 33a, eerste lid, is nodig omdat het na inwerkingtreding van de Wet eigenrisicodragen Ziektewet mogelijk is dat een werkgever verantwoordelijk is voor de reïntegratie van een (ex-)werknemer wiens dienstbetrekking is beëindigd. Hierbij kan gedacht worden aan flexibele arbeidskrachten die hebben gewerkt voor ondernemingen in de uitzendbranche. Het is de bedoeling dat ook aan deze persoon een persoonsgebonden reïntegratiebudget kan worden verstrekt.

In het oude artikel 33a, derde lid, werden het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 33 van de Wet REA van overeenkomstige toepassing verklaard. Bedoeling van de wetgever was hiermee te verwijzen naar artikel 33, tweede tot en met vijfde lid, zoals dat zou luiden na inwerkingtreding van artikel 57, onderdeel V, van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Omdat dit artikel uit de Invoeringswet SUWI nog niet in werking is getreden en artikel 33 van de Wet REA nog niet is aangepast, verwijst artikel 33a, derde lid, naar het verkeerde artikel. Derhalve is de tekst van de desbetreffende leden van artikel 33 opgenomen in artikel 33a. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 januari 2002, omdat dit artikel vanaf die datum in de Wet REA is opgenomen.

Onderdelen J en K (artikel 34, tweede lid, en 35, tweede lid, van de Wet REA)

Met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet SUWI) is in de Wet REA een artikel 33a opgenomen. Op grond van dit artikel kan aan een arbeidsgehandicapte werknemer een persoonlijk reïntegratiebudget in de vorm van een subsidie worden verstrekt. Dit artikel is in de Invoeringswet SUWI abusievelijk niet opgenomen in de artikelen 34 en 35 van de Wet REA. Deze artikelen regelen de intrekking, herziening en wijziging en terugvordering van onder andere op grond van die wet verstrekte subsidies. Met de onderhavige wijziging wordt artikel 33a aan artikel 34, tweede lid en artikel 35, tweede lid, van de Wet REA toegevoegd.

Deze wijziging van de Wet REA houdt niet in dat tot het moment van inwerkingtreding van deze onderdelen van de wet de subsidies, verstrekt op grond van artikel 33a van de Wet REA, niet kunnen worden ingetrokken, gewijzigd of teruggevorderd. Dat kan immers rechtstreeks op grond van de artikelen 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht. Met de onderhavige wijziging wordt dus slechts de systematiek van de Wet REA gecomplementeerd.

Onderdeel L (artikel 39 van de Wet REA)

Op grond van artikel II, onderdeel Ib, van het Belastingplan 2002 V – Sociale Zekerheidswetgeving is in artikel 39 van de Wet REA de bevoegdheid voor de minister opgenomen regels te stellen omtrent de aanvraag van de instrumenten, bedoeld in hoofdstuk 3 en 4 van die wet, en de termijn waarbinnen die aanvraag wordt ingediend. Genoemde bepaling biedt evenwel niet de mogelijkheid om tevens regels te stellen met betrekking tot de consequenties van een overschrijding van de door de minister vastgestelde aanvraagtermijn. Deze mogelijkheid wordt thans toegevoegd.

Onderdeel M (artikel 44, vierde lid, van de Wet REA)

Het is gewenst dat het UWV bij de subsidieverlening op grond van artikel 44 van de Wet REA verplichtingen aan de scholingsinstituten kan opleggen. Sommige verplichtingen kunnen reeds op grond van artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) opgelegd worden. Op grond van artikel 4:38 AWB kunnen, wanneer het een subsidie betreft die op een wettelijk voorschrift berust, doelgebonden verplichtingen die niet in artikel 4:37 AWB worden genoemd, slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening worden opgelegd. Op grond van 4:39 AWB kunnen niet-doelgebonden verlichtingen worden opgelegd voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.

De wijziging van artikel 44 strekt ertoe het UWV in de gelegenheid te stellen andere dan de in artikel 4:37 van de AWB genoemde verplichtingen op te leggen aan de subsidieontvanger.

In het nieuwe derde lid van artikel 44 van de Wet REA wordt met verplichtingen omtrent vermogensvorming bijvoorbeeld gedoeld op beleggingsvoorschriften of de wijze van bekostiging van een reorganisatie. Verder kan bij «registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is bereikt» gedacht worden aan het gebruik door de scholingsinstituten van het cliëntvolgsysteem.

Tenslotte is, gelet op artikel 4:41 van de AWB geregeld dat het UWV verplichtingen kan opleggen met betrekking tot de «vergoeding van met subsidie behaald vermogensvoordeel». Hierbij wordt bijvoorbeeld de «terugstorting» naar het UWV van de opbrengst van bepaalde, gedeeltelijk met publiek geld gefinancierde, activa bedoeld.

Onderdeel N (artikel 49b van de Wet REA)

Artikel 49b van de Wet REA zal per 1 januari 2004 worden gewijzigd. De oorsprong van deze wijziging is gelegen in artikel XVI van de Wet beslistermijnen sociale verzekeringen. Vervolgens hebben de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, hetBelastingplan 2002 V – Sociale zekerheidswetgeving en de Verzamelwet SZW-wetten 2001 dit artikel respectievelijk artikel 49b van de Wet REA (per 1-1-2004) weer gewijzigd. Om te voorkomen dat al deze wijzigingen op 1 januari 2004 tot verwarring leiden, vervallen die wijzigingsartikelen in genoemde wetten op grond van deze wet, en wordt met dit voorstel in de Wet REA de tekst van artikel 49b van de Wet REA per 1 januari 2004 opgenomen.

Onderdeel O (artikel 87b van de Wet REA)

In Belastingplan 2002-V is overgangsrecht getroffen voor de voorheen bestaande subsidies op grond van artikel 15 van de Wet REA. Op grond van de huidige tekst van artikel 87b van de Wet REA zullen deze subsidies nog onbeperkt van toepassing blijven. Dit heeft tot gevolg dat er nog lange tijd twee systemen van subsidiëring naast elkaar zullen blijven bestaan. Dit wordt onwenselijk geacht. Voorgesteld wordt artikel 87b van de Wet REA zodanig te wijzigen dat aanvragen op grond van het oude artikel 15 van de Wet REA nog tot 1 januari 2004 kunnen worden ingediend.

Worden er nadien door de werkgever nog kosten gemaakt dan kan de werkgever aanspraak maken op de subsidie bedoeld in het nieuwe artikel 16 van de Wet REA.

Artikel XVI. Wijziging van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen

In artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim is de loondoorbetalingsplicht geregeld bij ziekte van overheidspersoneel als equivalent van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 62, derde lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW), dat genoemd artikel XV niet van toepassing is op de overheidswerknemer die op of na 1 januari 2001 recht krijgt op ziekengeld, is in dat verband onlogisch. Bovendien kan aldus een cirkelredenering ontstaan omdat in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de ZW is bepaald dat, behoudens een aantal aangewezen situaties, geen ziekengeld wordt uitgekeerd als de verzekerde recht heeft op bezoldiging. Het onderhavige artikel 62, derde lid, van de Wet OOW kan, gezien het doel van de Wet OOW, nu vervallen.

Artikel XVII Wijziging Wet beslistermijnen sociale verzekeringen

In de Wet beslistermijnen sociale verzekeringen is bepaald dat voor de einde-wachttijdbeoordeling van de WAO, WAZ en Wajong, de beslistermijn van 13 weken per 1 januari 2004 wordt verkort tot 8 weken. De Wet beslistermijnen is op 1 januari 2001 in werking getreden. Vervolgens is op 1 april 2002 de Wet verbetering poortwachter van kracht geworden. Sinds die datum dient het UWV voor de einde-wachttijdbeoordeling binnen de beslistermijn niet alleen een claimbeoordeling uit te voeren, maar moet het ook een beoordeling van het reïntegratieverslag geven. Voor een gedegen beoordeling van zowel het reïntegratieverslag als de claimbeoordeling is veel meer tijd nodig dan 8 weken.

Met deze wijziging wordt de huidige beslistermijn van 13 weken voorlopig gehandhaafd. Bij de herziening van het gehele WAO-complex wordt nader bezien welke beslistermijn voor de einde-wachttijdbeoordeling zal gaan gelden.

Het spreekt voor zich dat deze wijziging voor de cliënt geen nadelige gevolgen heeft. Omdat uiterlijk binnen 9 maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid een aanvraag moet worden gedaan, is ook met een beslistermijn van 13 weken gewaarborgd dat uiterlijk op de eerste dag waarop de wachttijd eindigt, duidelijkheid bestaat over het recht op uitkering.

Artikel XIX. Wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen

Per 1 december 2001 zijn de uitkering in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof en de tegemoetkoming bij onderbreking van de arbeid ten behoeve van zorg of educatie overgeheveld van de Ziektewet respectievelijk de Wet financiering loopbaanonderbreking naar hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, en hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg. Bovendien zijn in hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg uitkeringen geregeld bij verlof in verband met adoptie en in verband met pleegzorg.

Gelet op het feit dat de Wet arbeid en zorg zich niet onmiddellijk aandient als een sociale verzekeringswet, wordt artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Coördinatiewet sociale verzekering aangepast, teneinde te expliciteren dat de aanspraak op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, en de aanspraak op grond van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg – evenals voorheen de aanspraak op grond van de Ziektewet in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof en de aanspraak op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking – niet tot het loon behoort.

Artikel XX. Wijziging van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen

Onderdeel C (wijziging van artikel XIII van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen)

Op grond van het tweede lid van artikel XIII van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Invoeringswet), blijft artikel 36a van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing op personen die in het eerste lid van bedoeld artikel van de Invoeringswet worden genoemd. Gevolg hiervan is dat een persoon, die naast een WAO-uitkering als zelfstandige arbeid blijft verrichten, bij een toegenomen arbeidsongeschiktheid na 1 januari 1998, als gevolg van het van toepassing blijven van artikel 36a AAW (op grond waarvan de AAW uitkering niet wordt uitbetaald als tevens recht bestaat op een WAO-uitkering) geen WAZ-uitkering wordt betaald, ook al is deze hoger dan zijn WAO-uitkering.

Ook verhoging van de WAO-uitkering op grond van artikel VI van de Invoeringswet is niet altijd mogelijk omdat daarin is bepaald dat dat artikel slechts van toepassing is indien artikel 46a van de WAO op 31 december 1997 al werd toegepast.

Het bij toegenomen arbeidsongeschiktheid na 1 januari 1998 van toepassing blijven van artikel 36a van de AAW zonder dat de WAO-uitkering kan worden verhoogd, is strijdig met het uitgangspunt van de Invoeringswet dat het vervallen van de AAW geen negatieve gevolgen zou mogen hebben voor degenen die op dat moment al uitkeringsgerechtigd zijn. In verband daarmee wordt in dit artikel voorgesteld artikel 36a van de AAW niet van toepassing te laten zijn voorzover er sprake is van een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ als de WAO, tenzij de WAO-uitkering verhoogd wordt op grond van artikel VI van de Invoeringswet. Dit heeft tot gevolg dat dat deel van de arbeidsongeschiktheidsuitkering toch tot uitbetaling komt.

Onderdelen C en D (wijziging van de artikelen XIII en XXIV van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde ongeschiktheidsregelingen)

De artikelen XIII en XXIV zouden zo kunnen worden geïnterpreteerd dat de met de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden geïntroduceerde uitsluitingsgronden niet gelden voor personen die hun recht op uitkering ontlenen aan het overgangsrecht. Dit effect is ongewenst en onbedoeld. Om die reden zijn die artikelen aangevuld met de desbetreffende WAZ- respectievelijk WAJONG-bepalingen.

Artikel XXIII. Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

Onderdeel D (artikel 16, zevende lid van de Wet SUWI)

Gebleken is dat de grondslag voor ministeriële regeling van de rechtspositie van voorzitter en leden van de Raad voor werk en inkomen te beperkt is omschreven; de nu voorgestelde ruimere formulering is gelijk aan die voor regeling van de rechtspositie van de leden van de Raden van bestuur en Raden van advies, opgenomen in artikel 5, eerste lid, van de Wet SUWI.

Onderdeel E onder 1 (artikel 28, eerste lid van de Wet SUWI)

Bij artikel XIV, onderdeel C, wordt in een nieuw artikel 11, achtste lid, van de Toeslagenwet geregeld in welke gevallen een aanvraag van een toeslag in aanvulling op een WW-uitkering, in afwijking van artikel 11, tweede lid, van die wet, niet bij het CWI maar bij het UWV moet worden ingediend; het gaat daarbij om gevallen waarin de aanvraag van de WW-uitkering al behandeld wordt door het UWV of het UWV al eerder beslist heeft op de aanvraag WW. Als complement op deze bepaling wordt voorgesteld in de Wet SUWI te bepalen dat de aanvraag van een toeslag alleen bij het CWI wordt ingediend indien het betreft een aanvraag in aanvulling op een WW-uitkering als bedoeld in artikel 11, tweede lid, Toeslagenwet. Bij wijze van overgangsmaatregel was hierin ook al voorzien door artikel 7.3a van de Regeling SUWI (daarin opgenomen bij ministeriële regeling van 2 april 2002, Stcrt. 66); met de inwerkingtreding van de onderhavige wijziging en van de bedoelde wijziging van de Toeslagenwet kan dit artikel van de Regeling SUWI vervallen.

Onderdeel G (artikel 30 van de Wet SUWI)

De Wet eigenrisicodragen Ziektewet (Stb. 2002, 584) bevat in artikel V, onderdeel A, de opdracht tot wijziging van artikel 18, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI. Die opdracht kan niet worden uitgevoerd omdat het betreffende artikel in de loop van het wetgevingsproces artikel 30 van de Wet SUWI is geworden (artikel 18 van de Wet SUWI bevat ook geen onderdelen). Met het onderhavige artikel wordt de betrokken wijziging alsnog aangebracht in artikel 30 van de Wet SUWI.

Onderdeel I (artikel 43 van de Wet SUWI)

Het is ten behoeve van het toezicht wenselijk ook met betrekking tot nader aan te wijzen besluiten van het Inlichtingenbureau (IB) voor te schrijven dat deze ter kennis worden gebracht van de Inspectie Werk en Inkomen. Hiervoor wordt alsnog een wettelijke basis gecreëerd.

Onderdeel J (artikel 46, derde lid van de Wet SUWI)

Dit onderdeel stelt buiten twijfel dat de op grond van artikel 46 Wet SUWI te stellen ministeriële regels niet alleen op de indiening van de begroting, het jaarplan en het meerjarenbeleidsplan betrekking kunnen hebben, maar ook op de inhoud van die stukken.

Onderdeel K (artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI)

De Sociale verzekeringsbank dient in verband met de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet te allen tijde te kunnen beschikken over gegevens betreffende studiefinanciering; daarom wordt de IBG toegevoegd aan de instellingen die op grond van artikel 54, derde lid, Wet SUWI een informatieplicht hebben. Uit de formulering van de aanhef van het derde lid volgt dat de verplichting geldt jegens de SVB, voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van aan de SVB opgedragen wettelijke taken (lees: de AKW), en jegens de toezichthouder, de Inspectie Werk en Inkomen. De bepaling vormt het complement op artikel 9e, derde lid, van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank.

Het voorgaande geldt mutatis mutandis ook voor het verstrekken van gegevens door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) aan de Sociale verzekeringsbank. De SVB heeft die gegevens nodig om in het kader van de uitvoering van (artikel 7 van) de AKW te kunnen beoordelen of kinderbijslagaanvragers hebben voldaan aan hun in dat artikel neergelegde onderhoudsverplichting. Zonder wettelijke basis voor deze informatieverstrekking zou een betrokkene telkens om toestemming moeten worden gevraagd, wat een te grote belemmering vormt voor de voortgang van het onderzoek door de SVB. Om die reden is bepaald dat ook het LBIO een informatieplicht heeft op grond van artikel 54, derde lid, Wet SUWI.

Onderdeel L (artikel 55, tweede lid, van de Wet SUWI)

De omschrijving van het begrip rijbewijs wordt in overeenstemming gebracht met die in andere wetgeving, waaronder de Algemene wet inzake rijksbelastingen (zie artikel 47b, tweede lid)

Onderdeel M (artikel 62, derde lid, van de Wet SUWI)

Hierdoor wordt het imperatieve karakter aan artikel 62, derde lid, wet SUWI ontnomen; dit overeenkomstig de oorspronkelijke bedoeling van deze delegatiebepaling.

Onderdeel N (artikel 63, derde lid, van de Wet SUWI)

Dit onderdeel heeft betrekking op het Inlichtingenbureau. Met betrekking tot een aantal belangrijke besluiten van dit bureau is voorafgaande ministeriële goedkeuring vereist; dit is geregeld door de van overeenkomstige toepassing-verklaring van artikel 19 van de Wet SUWI in het (bij de Verzamelwet SZW-wetten 2001 ingevoegde) tweede lid van artikel 63 van die wet. Die overeenkomstige toepassing kon niet omvatten dat bij ministeriële regeling van het goedkeuringsvereiste worden uitgezonderd de besluiten die zijn opgenomen in het door de minister goedgekeurde jaarplan. Reden daarvoor is, dat goedkeuring van het jaarplan van het IB in de Wet SUWI niet is geregeld en ook niet in de amvb op grond van artikel 63 van de Wet SUWI (het Besluit Inlichtingenbureau) kon worden geregeld, omdat daarvoor – gelet op artikel 10:26 van de AWB – een wettelijke basis nodig is. De met onderdeel J voorgestelde aanvulling van artikel 63, tweede lid, Wet SUWI voorziet alsnog in die wettelijke basis (tevens voor goedkeuring van de met het jaarplan nauw verbonden begroting). Hierdoor wordt het mogelijk in het Besluit Inlichtingenbureau deze goedkeuringsvereisten alsnog op te nemen en vervolgens in artikel 1.4 van de Regeling SUWI ook voor het Inlichtingenbureau te bepalen (evenals al is geschied voor CWI, UWV, SVB en RWI) dat geen ministeriële goedkeuring is vereist voor besluiten die zijn opgenomen in het door de minister goedgekeurde jaarplan.

Onderdeel P (artikel 73, eerste lid, van de Wet SUWI)

In artikel 73 van de Wet SUWI wordt geregeld aan welke instanties het UWV op verzoek gegevens verstrekt uit zijn administratie. De gegevensverstrekking aan andere bestuursorganen voor door die bestuursorganen uit te voeren taken wordt nader geregeld in het Besluit SUWI. Daarin is ondermeer bepaald in welke gevallen aan de gegevensverstrekking kosten zijn verbonden (artikel 5.9). De bevoegdheid tot het verstrekken van gegevens aan private instanties op verzoek wordt geregeld in artikel 73, eerste lid, van de Wet SUWI. De gegevensverstrekking die daarin nu is opgenomen betreft gegevensverstrekking aan CAO-fondsen of stichtingen die belast zijn met bovenwettelijke in CAO's geregelde regelingen (inclusief pensioenfondsen). De verzekering van de risico's van werkgevers die voortvloeien uit de wet (loonbetaling bij ziekte, verhogingen gedifferentieerde-premie of betaling WAO-uitkering bij eigen risico-dragen (PEMBA)) betreft een private uitvoering omdat werkgevers hier individueel voor kunnen kiezen. Zo'n verzekering kan ook uit een CAO voortvloeien. De gegevensverstrekking aan de verzekeraar is vergelijkbaar met de andere gegevensverstrekkingen die al geregeld zijn in artikel 73, eerste lid.

De wenselijkheid van regeling van deze gegevensverstrekking in dit wetsvoorstel is gelegen in het volgende.

Werkgevers die hun risico op grond van de sociale verzekeringswetten, te weten de doorbetaling van loon bij ziekte van de werknemer, en PEMBA-verzekeringen, bij particuliere verzekeraars hebben verzekerd, dienen in verband daarmee aan de verzekeraar, afhankelijk van de soort verzekering o.a. loongegevens, dienstverbandgegevens en gegevens met betrekking tot zichzelf te verstrekken. Dit zijn alle gegevens waarover ook het UWV al beschikt en verwerkt in de verzekerdenadministratie op basis van opgaven van de werkgever. Het UWV is echter niet bevoegd deze aan een verzekeraar te verstrekken, tenzij met uitdrukkelijke schriftelijke machtiging van de betrokkene op grond van artikel 73, zesde lid, van de Wet SUWI. Het structureel werken met machtigingen als hier bedoeld zou bij het UWV tot een – kostenverhogende – registratie van die machtigingen moeten leiden. Ter voorkoming van onwenselijke lasten wordt daarom voorgesteld het UWV bevoegd te maken deze door de werkgever aan het UWV gemelde gegevens te verstrekken aan verzekeraars voorzover dat noodzakelijk is ten behoeve van de uitvoering van overeenkomsten tot verzekering van genoemde sociale verzekeringsrisico's.

Artikel XXIV. Wijziging van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

De onderdelen van dit artikel bevatten alleen technische en redactionele verbeteringen van de Invoeringswet SUWI.

Artikel XXV. Wijzigingen in verband met de Wijziging van de pensioen- en spaarfondsenwet (bestuursstructuur pensioenfondsen

Indien het bij koninklijke boodschap van 16 december 2002 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (bestuursstructuur pensioenfondsen), kamerstukken II 2002/2003, nr. 28 354, eerder in werking is getreden dan de onderhavige wet, dan dienen diverse bepalingen van artikel V daaraan aangepast te worden. Dit artikel strekt daartoe.

Artikel XXVII. Wijziging van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht

Op grond van artikel 27, tweede lid, van de Invoeringswet SUWI zijn een aantal artikelen van de (overigens in te trekken) Arbeidsvoorzieningswet 1996 nog niet vervallen, aangezien in het kader van de verzelfstandiging van onderdelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is besloten die organisatie nog tijdelijk in stand te laten (zie daaromtrent de Nota van toelichting bij artikel 2, onderdeel a, van het koninklijk besluit van 13 december 2001, Stb.682, alsmede het koninklijk besluit van 12 juni 2002, Stb.310, waarbij het vervallen van enige artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 is geregeld). Onder de gehandhaafde artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 is artikel 42, dat voorziet in een wettelijke ontslagbescherming van werknemers van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Besluiten van de ontslagcommissie die voor het ontslag van dergelijke werknemers voorafgaande toestemming moet verlenen, waren – door vermelding op de bijlage van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) – van bezwaar en beroep op grond van die wet uitgezonderd. De werknemer kan een hem onwelgevallig advies immers zonodig in het kader van een vordering bij de sector kanton van de rechtbank aanvechten. Deze vermelding is – bij artikel 92, onderdeel 1, van de Invoeringswet SUWI – komen te vervallen. Met de (tijdelijke) handhaving van artikel 42 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 dient echter de uitzondering van het bezwaar en beroep op grond van de Awb eveneens te worden gehandhaafd en dus dit artikel weer in de bijlage te worden vermeld; hierin voorziet dit artikel.

Het herstel van de vermelding op de bijlage geschiedt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002. Dit is verantwoord omdat de burger geen rechtsbescherming wordt ontnomen, maar slechts een kennelijke omissie van de wetgever wordt hersteld om te voorkomen dat onbedoeld een bestuursrechtelijke rechtsgang wordt geopend die het stelsel van het arbeidsrecht zou doorkruisen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XNoot
1

Door middel van een wijziging van de Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen) (Stb. 625).

XNoot
1

De Wet van 14 december 2001 tot wijziging van enkele sociale zekerheidswetten (Belastingplan 2002 V-Sociale zekerheidswetgeving), Stb. 644.

XNoot
2

Artikel 79a WAO.