Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201528973 nr. 166

28 973 Toekomst van de intensieve veehouderij

Nr. 166 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juni 2015

Met deze brief informeer ik u, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, over de stand van zaken wat betreft afspraken over import van duurzame soja, de gesprekken die ik hierover gevoerd heb met de veehouderijsectoren en de uitkomst hiervan. Deze toezegging is door mij gedaan tijdens het debat Intensieve Veehouderij van 14 januari 2015.

De afspraken waaraan gerefereerd wordt betreffen afspraken uit de Intentieverklaring IDH (Initiatief Duurzame Handel) voor de Ketentransitie naar Verantwoorde Soja, zoals op 15 december 2011 ondertekend.

Diverse private partijen in de Nederlandse sojaketen (sojaverwerking en handel, diervoedersector, veehouderij, verwerkers van dierlijke producten en retailers) zijn daarin de intentie aangegaan om Nederland in 2015 volledig te laten overgaan op gebruik van verantwoorde soja voor de productie van vlees, zuivel en eieren. De Intentieverklaring is indertijd ook getekend door de maatschappelijke organisaties Natuur & Milieu, Solidaridad en het Wereld Natuur Fonds.

Verantwoorde soja dient daarbij volgens de gemaakte afspraken te voldoen aan eisen van de internationale standaard van de Round Table for Responsible Soy (RTRS), of daarmee minimaal gelijkwaardig te zijn.

Inmiddels is duidelijk geworden dat de oorspronkelijke intentie van 100% verantwoorde soja in Nederland niet is bereikt. Verduurzaming van teelt en handel in diverse agrarische gewassen, waaronder soja, is een belangrijk onderdeel van het Nederlandse verduurzamingsbeleid. Nederland is in meerdere opzichten internationaal ook voorloper daarin, dit maakt het nog belangrijker dat de voorgestane transitie bij soja in Nederland alsnog en zo spoedig mogelijk wordt bereikt. Bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties trekken daarbij in belangrijke mate gezamenlijk op, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid en met stimulering, waar nodig en mogelijk, door de Nederlandse overheid van belangrijke internationale multistakeholdersdialogen en standaarden die daaruit voortvloeien, zoals de hiervoor genoemde RTRS-standaard.

Op onderdelen zijn er overigens wel successen en voortgang te melden. Zo heeft de zuivelsector, als eerste sector, de beoogde transitie bereikt en is de eiersector voor de productie van eieren voor de Nederlandse markt vergevorderd. Andere sectoren en markten zijn echter nog op weg de transitie te realiseren. Belangrijke inputs en ontwikkelingen daarvoor zijn ondermeer:

  • door het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) zijn de inkoopvoorwaarden aangescherpt in Global Gap, nationale add-ons voor varkens- en pluimveevlees, met eisen dat voor de productie ervan de soja in het voer minimaal RTRS-gecertificeerd moet zijn;

  • de varkens- en pluimveesectoren hebben via specifieke milieukeuren (Milieukeur varkensvlees en Milieukeur pluimveevlees- en eierproductie) vastgelegd dat, om voor deze keuren in aanmerking te komen, RTRS of vergelijkbaar gecertificeerde soja in het voer moet worden gebruikt;

  • de Nederlandse diervoederindustrie heeft het gebruik van RTRS, of equivalent, opgenomen in haar GMP+ modules (kwaliteitssystemen);

  • de branche-organisatie voor de diervoederindustrie (Nevedi) heeft in het convenant «aankoop verantwoorde soja» vastgelegd dat de soja in voer voor dierlijke producten waarvoor nu nog geen specifieke marktvraag is, wel moet voldoen aan bepaalde minimum MVO-eisen.

Het is daarbij uiteindelijk een individuele beslissing van ondernemers in de varkens- en pluimveehouderij om via hun voerleverancier te kiezen welk voer met welke duurzaamheidsclaims te gebruiken.

Bij zowel de varkens- en pluimvee-vleessector als in de eierensector is, zoals hiervoor door mij al aangegeven, het gewenste transitieresultaat tot heden niet gerealiseerd.

Op 17 maart jl. heb ik een nader gesprek gevoerd met Nevedi. De diervoederindustrie is een belangrijke schakel in de transitie naar verantwoorde soja. In dit gesprek heb ik kennis genomen van ontwikkelingen in onze afzetmarkten en overwegingen die ten grondslag liggen aan het achterblijven van afspraken uit de Intentieverklaring. Het is mij in dat gesprek met name gebleken dat een cruciaal aspect in het achterblijven in het bereiken van het gewenste resultaat is dat in veel Europese landen de urgentie van omschakeling naar gebruik van verantwoorde soja in diervoeders, of bij de aanschaf van dierlijke producten, minder tot niet wordt gevoeld, evenals op belangrijke exportmarkten als bijvoorbeeld de Chinese. Hierdoor ontbreekt voor onze exporterende bedrijven een belangrijke stimulans om in een Europese en mondiale concurrerende markt voluit te kiezen voor de duurdere verantwoorde soja. Op basis van het voorgaande en om alsnog te komen tot de gewenste volledige transitie, dus inclusief alle soja in veevoer voor de productie van vlees en eieren bestemd voor andere Europese landen en voor de export, is inzet op de zogeheten «outreach», om ook elders de omslag naar vraag en gebruik van verantwoorde soja te bereiken, van groot belang.

Op basis van het hiervoor geduide overleg met de diervoedersector is op mijn verzoek door Nevedi een notitie ingebracht voor het bestuurlijk overleg met de leden van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij van 8 april jl. over de aanpak en strategie van het Nederlands bedrijfsleven om alsnog de gewenste transitie in volle omvang en op zo kort mogelijke termijn te realiseren.

In dit brede overleg heb ik, net als in mijn overleg met de varkenssector- als wel het overleg met Nevedi, mijn teleurstelling uitgesproken over het nog niet behalen van de transitie. Op basis hiervan hebben aanwezige vertegenwoordigers van sectoren afgesproken om op korte termijn opnieuw bijeen te komen en te bezien hoe en met welke extra inzet alsnog de oorspronkelijke ambitie van een volledige transitie naar verantwoorde soja kan worden gerealiseerd.

LTO heeft mij op 11 mei jl. een brief gestuurd, mede namens De Nederlandse Vakbond van Varkenshouders (NVV), De Nederlandse Vakbond van Pluimveehouders (NVP) en Nevedi, waarin zij aangeven dat de ambitie voor 2015 nog steeds haalbaar is voor soja die gebruikt wordt voor vlees en eieren die in Nederlandse supermarkten worden verkocht. Zij geven daarbij wel aan dat dit op korte termijn nadere afstemming vergt binnen ketens (individuele supermarkten en toeleverende schakels) over de wijze waarop de eis van het gebruik van verantwoorde soja in individuele marktconcepten invulling krijgt en de wijze waarop dit gecontroleerd wordt. Ik zie het organiseren van deze afstemming als verantwoordelijkheid van de keten zelf.

De sectoren geven bij monde van LTO aan dat het ontbreken van met name een internationale marktvraag naar verantwoorde soja in exportmarkten de hoofdreden is dat een volledige transitie nog niet is bereikt. Gebrek aan deze marktvraag naar verantwoorde soja, met daarbij kostenverhogend produceren, leidt tot aantasting van de concurrentiepositie van Nederlandse veehouderij-producten op nationale en internationale markten. De veehouderijsectoren geven aan dat, om te komen tot gelijke concurrentieverhoudingen met producenten in andere (omringende) Europese landen, ze de aanpak van Nevedi met FEFAC ondersteunen om te komen tot Europese guideliness voor duurzame soja.

Het is mij in het eerder vermelde gesprek met de diervoedersector al gebleken dat Nevedi zich sterk inzet op vastlegging van duurzaamheidseisen aan soja in de zogeheten «FEFAC sourcing guideliness». Ik ben daar blij mee en zie dit ook als een noodzakelijke ontwikkeling voor het bereiken van de Nederlandse transitiedoelstellingen. Het kabinet steunt dit ook via inzet vanuit het IDH-sojaprogramma. Belangrijk daarbij is dat ook FEFAC de RTRS-standaard als uiteindelijke referentie gaat gebruiken in hun eisen aan verantwoorde soja.

Verder zal ik zelf waar relevant mijn landbouwcollega’s in andere belangrijke Europese soja-importerende landen wijzen op het belang van het bevorderen en/of steunen in het eigen land van de transitie naar inkoop van verantwoorde soja voor de productie van diervoeders en voor dierlijke producten.

Daarnaast zal ik in samenwerking met de Minister voor Buitenlandse Handel voor Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) doorgaande inzet plegen om waar mogelijk China, als de grootste inkoper op de wereldmarkt van soja, op het spoor van inkoop van duurzame, verantwoord geproduceerde soja te zetten.

Waar nodig ook met ondersteuning van Solidaridad en WWF, die al enige tijd actief zijn om Chinese partijen (publiek en privaat) te interesseren en te betrekken bij deze belangrijke transitie naar duurzame soja.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma