28 971
Wijziging van de Meststoffenwet in verband met de evaluatie 2002

29 001
Wijziging van de Meststoffenwet, de Wet verplaatsing mestproductie en de Wet herstructurering varkenshouderij ter opschorting van de expiratiedatum van de stelsels van mestproductie-, pluimvee- en varkensrechten

nr. 15
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 februari 2004

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Meststoffenwet in verband met de evaluatie 2002 (28 971) op 12 februari 2004 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2003–2004, nr. 51, blz 3379–3399) heb ik toegezegd nader te reageren op vragen van de leden Van den Brink en Koopmans over bepaalde beperkingen die gelden voor veehouders die op forfaitaire basis Minasaangifte doen. Ik zal deze vragen puntsgewijs bespreken.

1. Geen verrekening bij forfaitaire aangifte

De mogelijkheid om overschrijdingen en onderschrijdingen van de mineralenbalans over de jaren te verrekenen is slechts voorbehouden aan deelnemers aan het verfijnde spoor. Dat is in de wet zelf geregeld, te weten in artikel 43, eerste en derde lid, van de Meststoffenwet. Uitbreiding van het systeem tot bedrijven die een forfaitaire aangifte doen zou derhalve een wetswijziging vergen. Nog los van het feit dat dat, gezien het vervallen van het systeem per 1 januari 2006, niet raadzaam is, acht ik een dergelijke wijziging ook om inhoudelijke redenen ongewenst.

Het is goed er nog eens aan te herinneren waar de verrekening voor bedoeld is. Deze voorziening is in de wet opgenomen om agrariërs de mogelijkheid te bieden bepaalde fluctuaties in de mineralenbalans op te vangen. Door slechte weersomstandigheden of een verkeerde keuze in het mineralenmanagement kan een onvoorziene overschrijding van de verliesnormen optreden. Door verrekening met een onderschrijding van de normen in daaraan voorafgaande of daarop volgende jaren kunnen deze negatieve gevolgen worden gecompenseerd. Het spreekt vanzelf dat deze gevolgen zich alleen doen gelden bij de posten op de verfijnde mineralenbalans, zoals veevoerverbruik en de productie en afvoer van ruwvoer en van akker- en tuinbouwproducten. Voor de forfaitaire balans zijn deze posten niet relevant. Om onnodige milieurisico's zoveel mogelijk uit te sluiten is het bovendien van belang dat de fosfaat- en stikstofverliezen zo nauwkeurig mogelijk worden bepaald. Om deze redenen is verrekening alleen mogelijk wanneer in de betrokken jaren aangifte van de verfijnde mineralenheffing is gedaan.

Om misbruik te voorkomen is in artikel 14a van de Regeling uitvoering heffingen en verrekening Meststoffenwet nog bepaald dat verrekening slechts mogelijk is als over een aaneengesloten periode van jaren verfijnde aangifte is gedaan. Dat betekent dat in het verleden opgebouwde saldi komen te vervallen als bedrijven overstappen op de forfaitaire aangifte. Hiermee wordt voorkomen dat bedrijven onbedoelde voordelen in het kader van verrekening verkrijgen en onterecht heffingen ontlopen door jaarlijks van aangiftesystematiek te veranderen.

Als illustratie van de mogelijkheden tot misbruik moge het volgende dienen. Veevoer is bij de forfaitaire aangifte geen aanvoerpost. Een bedrijf zou in een jaar dat forfaitaire aangifte wordt gedaan, grote voorraden voer kunnen aanleggen, die in dat jaar buiten de aangifte vallen. Door in het daaropvolgende jaar weer voor de verfijnde aangifte te kiezen, kan dit voer worden gebruikt zonder dat het als aanvoerpost is opgegeven, waardoor een oneigenlijke opbouw van saldi plaatsvindt.

Tegen deze achtergrond acht ik een wijziging van de huidige systematiek ongewenst.

2. Geen toepassing Vrijstellingsregeling gestarte en uitgebreide bedrijven Meststoffenwet

De Vrijstellingsregeling gestarte en uitgebreide bedrijven Meststoffenwet is bedoeld om bepaalde problemen te voorkomen die zich uitsluitend voordoen bij bedrijven die verfijnd aangifte doen en waarvoor het systeem van verrekening geen oplossing biedt. Zo leidt alleen bij bedrijven die verfijnd aangifte doen en substantieel uitbreiden het aanleggen van een extra voorraad voer tot een tijdelijke onevenwichtigheid op de mineralenbalans, waarvoor verrekening geen uitkomst biedt. Immers, veevoer komt op de forfaitaire mineralenbalans niet voor.

3. Geen toepassing

Vrijstellingsregeling mestbe- en verwerking Meststoffenwet en Besluit voorraden Meststoffenwet Bij de vrijstellingsregeling gaat het erom de hoeveelheid mineralen in producten die niet zijn aan te merken als dierlijke meststoffen, zo nauwkeurig mogelijk te bepalen. Het Besluit voorraden Meststoffenwet is een begunstigende uitzondering op de hoofdregel dat voorraden niet meetellen bij de berekening van de heffing. Beide voorzieningen zijn alleen te rechtvaardigen voor bedrijven die door middel van verfijnde aangifte een zo nauwkeurig mogelijk inzicht geven in de werkelijke mineralenstromen van en naar hun bedrijf.

4. Levering dierlijke mest van forfaitair aan verfijnd bedrijf

De wet staat niet in de weg aan de levering van dierlijke mest van een bedrijf dat forfaitair aangifte doet aan een bedrijf dat verfijnd aangifte doet. Het bedrijf dat de mest levert en forfaitair aangifte doet, hoeft de mest niet te bemonsteren. Dat moet wel gebeuren door de afnemer die verfijnd aangifte doet. Omdat het monster genomen moet worden bij het laden, zal de bemonstering plaatsvinden op het bedrijf van de veehouder. Het punt waar het om gaat zijn de kosten van bemonstering. De betrokken bedrijven moeten daar zelf afspraken over maken.

5. Conclusies

Op zich is de constatering juist dat veehouders die forfaitair aangifte doen van bovengenoemde voorzieningen geen gebruik kunnen maken. Enkele van deze voorzieningen, zoals de verrekening en de vrijstelling voor starters en uitbreiders, zijn uitsluitend bedoeld om bepaalde problemen te verhelpen die zich alleen voordoen bij bedrijven in het verfijnde spoor. In andere gevallen gaat het om voorzieningen die alleen gerechtvaardigd zijn als bedrijven volledig inzicht geven in de werkelijke mineralenstromen van en naar hun bedrijf.

Bedrijven zijn vrij om te kiezen voor het forfaitaire of het verfijnde spoor. Zij zullen dat doen op grond van bedrijfseconomische afwegingen. De consequenties daarvan moeten zij aanvaarden.

In geen van bovengenoemde punten zie ik aanleiding aanpassingen in het bestaande stelsel door te voeren, nog daargelaten dat ik het niet verstandig vind in de aanloop naar het systeem van gebruiksnormen nog wijzigingen aan te brengen in de structuur en uitgangspunten van het bestaande systeem. In alle gevallen zou het gaan om ingrijpende aanpassingen, die haaks staan op de in de wet vastgelegde systematiek en uitgangspunten – bij punt 1 zou zelfs een formele wetswijziging vereist zijn – en die bovendien niet nodig zijn.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

Naar boven