28 966 Waterketen

Nr. 26 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 november 2013

Conform mijn toezegging in de brief van 16 mei 20131 betreffende de waterketen, informeer ik u over de uitkomsten van een onderzoek naar de mogelijke efficiencyvoordelen van een waterketenbedrijf. Tevens zend ik u ter informatie de beoordelingscriteria van de Visitatiecommissie Waterketen, zoals op 27 juni jl. toegezegd in het Algemeen Overleg Waterkwaliteit (Kamerstuk 27 625, nr. 307).

In de hierboven genoemde brief ben ik onder meer ingegaan op de motie van de leden Geurts en Jacobi2 die vraagt de regering te onderzoeken wat de efficiencyvoordelen zijn om drinkwater, riolering en waterzuivering in een waterketenbedrijf onder te brengen. Aan de hand van enkele voorbeelden wordt in de brief geïllustreerd dat een doelmatiger uitvoering van taken in de waterketen op meer manieren kan plaatsvinden. Een uitvoerig onderzoek naar de efficiencyvoordelen van samenwerkingsvormen heeft plaatsgevonden in het «Feitenonderzoek Doelmatig Beheer Waterketen» (maart, 2010) en is naar de Tweede Kamer gestuurd3. Naar aanleiding van de motie heb ik dit onderzoek laten actualiseren. Dit heeft geresulteerd in het onderzoeksrapport «Doelmatig beheer waterketen: ontwikkelingen na het Feitenonderzoek uit 2010», opgesteld door de voorzitter en secretaris van de voormalige feitencommissie en beiden specialist op het gebied van de waterketen. Vooruitlopend op de uitkomsten van de OESO-studie naar de governance van het waterbeheer, waarin ook de organisatie van de waterketen wordt meegenomen, en de tussenevaluatie van het Bestuursakkoord Water (BAW) stuur ik u hierbij het betreffende rapport4.

Het rapport onderzoekt de vraag of er efficiencyvoordelen zijn door:

  • de feitelijke ontwikkelingen in de waterketen in beeld te brengen die sinds 2010 hebben plaatsgevonden;

  • het uitvoeren van literatuuronderzoek naar schaal- en synergie-effecten specifiek gericht op de vraagstelling in de motie.

Feitelijke ontwikkelingen sinds 2010:

  • gemeenten en waterschappen hebben zich georganiseerd in 60 samenwerkingsregio’s om de besparingen in het Bestuursakkoord Water (hierna: BAW) te realiseren: dit is een opschaling met gemiddeld een factor van 6 à 7;

  • er is een toenemende belangstelling om afvalwater te recyclen en energie- en grondstoffen uit afvalwater terug te winnen;

  • er is steeds meer aandacht voor «asset management» in alle schakels van de waterketen. Hiermee wordt bespaard op investerings- en beheerkosten;

  • Uit «Water in Beeld 2012» blijkt dat de totale heffingsinkomsten in de afvalwaterketen in 2012 enkele procenten onder het niveau liggen dat in 2010 werd verwacht. De kosten voor drinkwater blijken vooralsnog ook lager dan verwacht. Conform de doelstelling van het BAW is sprake van een gematigde lastenontwikkeling voor burgers en bedrijven in het beheer van de waterketen.

De auteurs stellen vast dat er sinds 2010 nog te weinig extra informatie beschikbaar is uit de praktijk om op basis daarvan de conclusies van het Feitenrapport van 2010 bij te stellen. Daarom is een scan gemaakt van relevante onderzoeksartikelen.

Op basis van de literatuur is het moeilijk om over een optimale schaal te spreken. «Te klein» is in ieder geval nadelig. Tegelijkertijd blijkt opschaling boven een bepaald niveau geen voordelen meer op te leveren, eerder nadelen. De Nederlandse literatuur over drinkwaterbedrijven is op dit punt het meest concreet en duidt op een optimaal plafond van rond de 500.000 inwoners. Internationale literatuur laat een wisselend beeld zien. Voor andere taakvelden kan het optimum anders liggen. De schaal hangt af van de taak of van het werkproces.

Op het gebied van synergievoordelen lijkt het combineren van drinkwater- en afvalwateractiviteiten vooral voor kleine bedrijven tot synergievoordelen te leiden. Voor grote bedrijven worden synergienadelen gesignaleerd. Voor deelprocessen binnen deze grote bedrijven, zoals de productie van drinkwater en zuivering van afvalwater, zijn weer wel synergievoordelen aangetoond.

Al met al stelt het rapport dat de literatuur wel richting geeft over synergie- en schaalvoordelen, maar geen eenduidig antwoord biedt. De wijze waarop werkprocessen worden ingevuld en de cultuur waarbinnen processen zijn ingebed zijn vooral bepalend voor het resultaat. In de praktijk wordt daarom langs het principe van multischaligheid gewerkt: per werkproces wordt bezien wat een optimale schaal is om het proces in te richten.

Ik concludeer dat uit het onderzoeksrapport een genuanceerd beeld naar voren komt. Dat beeld sluit aan bij de afspraken die ik met de UvW, VNG, IPO en de Vewin in het BAW heb gemaakt. Binnen het BAW hebben gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven de ruimte om de samenwerking in de waterketen naar eigen inzicht en passend binnen de regionale context vorm te geven met als doel om te komen tot structurele besparingen, het verminderen van de kwetsbaarheid en het verhogen van de kwaliteit en het innovatievermogen.

De Visitatiecommissie Waterketen onder leiding van mevrouw Peijs onderzoekt momenteel de voortgang van de BAW-afspraken betreffende de waterketen. De onafhankelijke commissie heeft onlangs een eerste en voorlopige beoordeling van de regionale samenwerking gemaakt. Deze bespreekt zij nu met de regio’s. Gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven kunnen schriftelijk reageren en eventueel ontbrekende informatie aanleveren. Na afronding van de gesprekken en verwerking van de schriftelijke reacties stelt de Visitatiecommissie begin 2014 een definitieve beoordeling op. In de loop van 2014 legt de commissie visitaties af met als doel om de voortgang in achterblijvende regio’s te stimuleren aan de hand van goede voorbeelden. Eind 2014 rondt de commissie haar werkzaamheden af.

In het Algemeen Overleg van 27 juni jl. is door u gevraagd naar de beoordelingscriteria die de Visitatiecommissie Waterketen hanteert bij het beoordelen van de regio’s. De criteria die de commissie heeft gehanteerd voor de voorlopige beoordeling treft u eveneens aan als bijlage bij deze brief5.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Kamerstuk 28 966, nr. 25

X Noot
2

Kamerstuk 33 400 J, nr. 11

X Noot
3

Bijlage bij kamerstuk 28 966, nr. 22

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
5

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Naar boven