nr. 5
NOTA VAN WIJZIGING
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 3.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het zesde lid, tweede volzin, wordt «totdat gedeputeerde staten
onderscheidenlijk Onze Minister toepassing hebben gegeven aan artikel 3.19,
onderscheidenlijk 3.20» vervangen door: totdat gedeputeerde staten onderscheidenlijk
Onze Minister met toepassing van artikel 3.19 onderscheidenlijk 3.20 een bestemmingsplan
hebben vastgesteld.
2. In het zevende lid wordt «artikel 3.19, eerste lid, onderscheidenlijk
3.20, eerste lid, en deze verklaring vergezeld hebben doen gaan van een voorbereidingsbesluit
als bedoeld in artikel 3.19, derde lid, onderscheidenlijk artikel 3.20, derde
lid,» vervangen door: artikel 3.19 onderscheidenlijk 3.20 en deze verklaring
vergezeld hebben doen gaan van een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel
3.7,.
B
In artikel 3.9, vierde lid, wordt «artikel 8.5» vervangen
door: artikel 8.4.
C
In artikel 3.11 wordt, onder vernummering van het vijfde lid tot zesde
lid, een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
5. In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de
aanlegvergunning verlenen indien het een werk of de werkzaamheid betreft ten
aanzien waarvan artikel 3.15 of 3.16 wordt toegepast.
D
In artikel 3.13, zevende lid, wordt «artikel 8.5» vervangen
door: artikel 8.4.
E
In artikel 3.17 vervalt het derde lid onder vernummering van het vierde
lid tot derde lid.
F
In artikel 4.2, eerste lid, wordt «kunnen gedeputeerde staten een
gemeenteraad opdragen» vervangen door: kunnen gedeputeerde staten aan
de gemeenteraad een aanwijzing geven.
G
In artikel 4.4, eerste lid, onder a, b en c, wordt «opdragen»
vervangen door: een aanwijzing geven.
H
Artikel 6.1, tweede lid, onder f, wordt gewijzigd als volgt:
1. Na «artikelen 3.9, eerste lid, onder c,» wordt ingevoegd:
of.
2. De zinsnede «, 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid»
vervalt.
I
In artikel 8.2, eerste lid, komt de aanhef te luiden: Een belanghebbende
kan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen
tegen:.
Toelichting
Deze nota van wijziging strekt ertoe in het wetsvoorstel enige correcties,
alsmede enige wetstechnische wijzigingen aan te brengen.
Onderdeel A
Een wetstechnische wijziging, die ertoe strekt in artikel 3.8, zesde lid,
duidelijker aan te geven waarin het toepassing geven aan artikel 3.19 onderscheidenlijk
3.20 precies moet bestaan. In artikel 3.8, vierde lid in samenhang met het
zesde lid, is bepaald dat het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling
van het bestemmingsplan niet in werking treedt indien gedeputeerde staten
onderscheidenlijk de Minister van VROM hebben verklaard dat door de gemeente
een (nieuw) bestemmingsplan wordt voorbereid ter tegemoetkoming aan de bij
deze bestuursorganen tegen het vastgestelde bestemmingsplan bestaande bezwaren.
Dat zogenaamde voorbereidingsbesluit heeft een beperkte geldingsduur van een
jaar. Indien niet aannemelijk is dat binnen dat jaar door de gemeenteraad
ook werkelijk een bestemmingsplan ter inzage zal worden gelegd, kunnen genoemde
bestuursorganen deze termijn nog maximaal een jaar verlengen teneinde zelf,
met toepassing van artikel 3.19 onderscheidenlijk 3.20, een bestemmingsplan
vast te stellen.
Artikel 3.8, zevende lid, ziet op het geval dat gedeputeerde staten onderscheidenlijk
de Minister van VROM de fase van het gemeentelijke reparatiebestemmingsplan
willen overslaan.
Met de wijziging in het zevende lid is nu verduidelijkt dat gedeputeerde
staten dan wel Onze Minister, in de plaats tredend van de gemeenteraad een
voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 kunnen nemen om de voorbereidingsbescherming
voor het komende bestemmingsplan in te roepen.
Onderdelen B en D
Het betreft hier wetgevingstechnische correcties.
Onderdelen C en E
De in deze onderdelen opgenomen wijzigingen hangen nauw met elkaar samen.
De wijziging komt erop neer dat de in artikel 3.17, derde lid, opgenomen bepaling
wordt verplaatst naar het nieuwe vijfde lid van artikel 3.11. Daarmee wordt
nu rechtstreeks in artikel 3.11 bepaald dat de aanvraag voor een aanlegvergunning
niet behoeft te worden aangehouden indien deze vereist is voor een werk of
werkzaamheid ter voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde
termijn, waarvoor een ontheffing van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel
3.15 is gevraagd. Hetzelfde geldt indien de aanlegvergunning een werk of werkzaamheid
betreft waarvoor een zogenaamde buitenplanse ontheffing als bedoeld in artikel
3.16 is gevraagd.
De thans geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening kent in artikel 46, achtste
lid, een vergelijkbare bepaling.
Opgemerkt wordt nog dat in de vergelijkbare voorziening voor artikel 50,
eerste lid, van de Woningwet, zal worden voorzien door wijziging van de Woningwet
bij gelegenheid van het nog in te dienen wetsvoorstel voor een Invoeringswet.
Onderdelen F en G
Deze wijzigingen voorzien in correcties van wetstechnische aard. In het
wetsvoorstel dient consequent van het geven van een aanwijzing te worden gesproken,
in plaats van het geven van een opdracht.
Onderdeel H
De wijzigingen hangen samen, en zijn van wetstechnische aard. De artikelen
4.1, derde lid, en 4.3, derde lid, – waarvan in artikel 6.1, tweede
lid, onder f, gewag wordt gemaakt – bevatten niet de bepalingen waarop
in laatstgenoemd artikelonderdeel wordt gedoeld. In het voorstel voor de Invoeringswet
zal worden voorzien in een wijziging van de Woningwet, die erop neerkomt dat
onverminderd artikel 44 van die wet een bouwvergunning eveneens wordt geweigerd
indien het werk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de provinciale
verordening, bedoeld in artikel 4.1 onderscheidenlijk met de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in artikel 4.3 van het wetsvoorstel.
Onderdeel I
De hier voorgestelde wijziging is van wetstechnische aard.
De wijziging brengt het wetsvoorstel in overeenstemming met de gebruikelijke
wijze van aanduiden van degenen die beroepsrecht hebben op een rechter die
in eerste en enige aanleg bevoegd is kennis te nemen van dat beroep. In het
wetsvoorstel is dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De noodzaak het beroepsrecht van belanghebbenden alsdan in de bijzondere wet
te noemen hangt samen met het feit dat in artikel 36 van de Wet op de Raad
van State niet is aangegeven wie beroepsrecht heeft, en ook is artikel 8:1
van de Algemene wet bestuursrecht in laatstgenoemd artikel niet van overeenkomstige
toepassing verklaard.
Bij de keuze van de tekst is uitgegaan van een aanpassing van artikel
6:13 van de Algemene wet bestuursrecht in die zin dat het beroepsrecht is
uitgesloten voor de belanghebbende die redelijkerwijs kan worden verweten
dat hij in het kader van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure
op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geen zienswijzen
tegen het besluit naarvoren heeft gebracht. In een aanpassing van deze strekking
zal worden voorzien in het ontwerp voor de Aanpassingswet uniforme openbare
voorbereidingsprocedure Awb.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
S. M. Dekker