28 916
Nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening (Wet ruimtelijke ordening)

nr. 39
GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN DE LEDEN DUYVENDAK EN VERDAAS TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 321

Ontvangen 21 februari 2006

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Artikel 4.3, vijfde lid, komt te luiden:

5. Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens één der Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Toelichting

Dit amendement strekt er toe de rol van het parlement op het gebied van de ruimtelijke ordening te vergroten. Artikel 4.3 van het wetsvoorstel van de regering geeft de minister de bevoegdheid om bij of krachtens amvb regels te stellen over de inhoud van bestemmingsplannen. Deze regels zijn vergelijkbaar met de concrete beleidsbeslissingen (cbb) in de planologische kernbeslissingen (pkb) op basis van de huidige Wro. Het parlement kan op dit moment zelf meebeslissen over de cbb’s, gezien de mogelijkheid tot indienen van amenderende moties in de pkb-procedure.

De amvb op grond van artikel 4.3 (met algemene regels over de inhoud van bestemmingsplannen) wordt het parlement, daarentegen, slechts ter kennis gebracht. Het gaat dus om de lichte variant van de voorhangprocedure. De rol van het parlement is beperkt: het kan met de minister van gedachten wisselen over de amvb (zie aanwijzing 36 van de aanwijzingen voor de regelgeving), maar de minister hoeft hier geen gevolgen aan te verbinden; de praktijk laat bovendien zien dat een amvb met een dergelijke voorhangprocedure na discussie met het parlement door de minister ingrijpend kan worden gewijzigd, zonder dat hij met het parlement over de nieuwe versie hoeft te discussiëren (zie bijvoorbeeld het verpakkingenbesluit).

Met mijn amendement wil ik de voorhangprocedure van de amvb in artikel 4.3 verzwaren: één der kamers kan verzoeken om de algemene regels voor bestemmingsplannen in een wet te vatten. Dit betekent dat een meerderheid dit verzoek kan doen – en hiermee wijkt het amendement dus af van het gebruik dat 1/5 van het aantal leden dit kan. Het is niet nodig om hierbij expliciet op te nemen dat het moet gaan om «de meerderheid» van één der Kamers. Het is namelijk inherent aan besluiten van de Kamer dat die bij meerderheid worden genomen, tenzij anders bepaald. Derhalve kan hier worden volstaan met «door of namens een der Kamers».

Met dit amendement kan het parlement, desgewenst, voor zichzelf een vergelijkbare rol opeisen als hij nu heeft met betrekking tot concrete beleidsbeslissingen, namelijk het bij meerderheid amenderen.

Het amendement is nadrukkelijk níet bruikbaar als vertragingstactiek voor een minderheid van de kamer. Aangezien alleen een kamermeerderheid wetgeving kan eisen, zou het, wanneer het zover komt, bovendien gaan om een wet waar een kamermeerderheid om heeft gevraagd. Het is dus te verwachten dat deze snel de wetgevingsprocedure kan doorlopen en aanvaard wordt.

Mijn verwachting is dat het in de praktijk niet vaak zal voorkomen dat het daadwerkelijk tot wetgeving komt. Het feit dat een kamermeerderheid kan «dreigen» met het vragen van een wet, zal betekenen dat de regering met haar AmvB zoveel mogelijk tegemoet zal willen komen aan de (inhoudelijke) wensen van de kamermeerderheid. Het vormt dus vooral een extra drukmiddel op de regering.

Duyvendak

Verdaas


XNoot
1

Vervanging in verband met wijziging van de ondertekening.

Naar boven