28 916
Nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening (Wet ruimtelijke ordening)

nr. 21
AMENDEMENT VAN HET LID DUYVENDAK C.S.

Ontvangen 8 februari 2006

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In artikel 3.8 wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

1a. Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een aanwijzing kunnen zienswijzen daarop geen betrekking hebben.

II

In artikel 3.8c, tweede lid, wordt «Artikel 3.8, tweede tot en met vijfde lid» vervangen door: Artikel 3.8, lid 1a tot en met het vijfde lid.

III

Artikel 4.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «Spoedeisende gevallen uitgezonderd,» vervangen door: Er.

2. Het vierde lid komt te luiden:

4. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

IV

Artikel 4.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «Spoedeisende gevallen uitgezonderd» vervangen door: Er.

2. Het vierde lid komt te luiden:

4. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

V

In artikel 8.2, eerste lid, vervalt onderdeel d en wordt na onderdeel e een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

ea. een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 of artikel 4.4.

VI

In artikel 8.2 wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

1a. Bij een beroep tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op een aanwijzing waarop dat besluit berust.

Toelichting

Met dit amendement wordt het mogelijk om bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in beroep te gaan tegen aanwijzingen van het rijk en provincie als bedoeld in artikel 4.2 en artikel 4.4.

Hiermee wordt de beroepsmogelijkheid vergelijkbaar met die in de huidige Wro, waar de concrete beleidsbeslissing (cbb) zelfstandig voor beroep vatbaar is.

In het wetsvoorstel van de regering is geen beroep mogelijk tegen aanwijzingen, maar slechts tegen het bestemmingsplan waar de aanwijzing in «neerdaalt». Dit is om twee redenen ongewenst:

1) Het verkeerde overheidsorgaan wordt aangesproken met het beroep. Immers de gemeente of provincie heeft zelf geen zeggenschap over de aanwijzing die zij krijgt, maar moet die vervolgens wel verdedigen in de bezwaar- en beroepsprocedure.

2) De mogelijkheid bestaat dat een aanwijzing die betrekking heeft op een bepaald gebied, aan een aantal gemeenten of provincies tegelijk wordt gegeven. Bijvoorbeeld dat aan alle waddengemeenten een aanwijzing wordt gegeven die betrekking heeft op het waddengebied. Een bezwaarhebbende die bezwaar wil maken tegen de aanwijzing an sich, moet bezwaar maken tegen alle afzonderlijke bestemmingsplanwijzigingen – en dit kunnen er tientallen zijn –, hoewel die allemaal dezelfde aanwijzing als oorsprong hebben. Dit is erg omslachtig.

De beroepsmogelijkheid tegen aanwijzingen wordt geregeld in onderdeel V.

In de onderdelen III en IV is voorts voorgesteld om de aanwijzing te doen voorbereiden met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afd. 3.4 van de Awb) zoals ook het geval is bij de huidige cbb. Ter voorkoming van dubbelingen bij totstandkomings- en beroepsprocedures is in de huidige Wro geregeld dat, voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een cbb, het naar voren brengen van zienswijzen en het inbrengen van bedenkingen niet mogelijk is; evenmin is er beroep tegen een dergelijk planonderdeel. Deze regeling is overgenomen in de onderdelen I en VI. Onderdeel II tenslotte bevat een technische aanpassingen in verband met het voorgestelde onderdeel I.

Duyvendak

Van Bochove

Verdaas

Naar boven