28 886
Wijziging van de Wet justitiële gegevens in verband met het verwerken van strafvorderlijke gegevens en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet tarieven in strafzaken in verband met het verstrekken van een afschrift van een vonnis of een arrest aan de verdachte en zijn raadsman of een derde

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 5 januari 2004

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel K, komt te luiden:

K

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Degene over wie één of meer justitiële gegevens zijn verwerkt» vervangen door «Betrokkene» en vervalt «hiertegen».

2. In het derde lid wordt «Artikel 25 is» vervangen door: De artikelen 23 en 25 zijn.

B

Artikel I, onderdeel L, wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 39b, derde lid, wordt «Arikel» vervangen door: Artikel.

2. Artikel 39d, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «twintig jaren» vervangen door «dertig jaren» en wordt «na het overlijden van betrokkene» vervangen door «achttien jaren na het overlijden van betrokkene».

b. In onderdeel b wordt «na het overlijden van betrokkene» vervangen door: twee jaren na het overlijden van betrokkene.

3. In artikel 39e, eerste lid, onder i, wordt «tweede lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

4. Artikel 39f, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b wordt «de openbare orde» vervangen door: de orde en veiligheid.

b. De onderdelen d en e worden geletterd e en f.

c. Er wordt een onderdeel ingevoegd, dat luidt:

d. het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing,.

5. Aan het slot van artikel 39k, tweede lid, wordt een punt geplaatst.

6. In artikel 39q, derde lid, wordt «Artikel 39p is» vervangen door: De artikelen 39n en 39p zijn.

Toelichting

Deze nota van wijziging, die in de nota naar aanleiding van het verslag is aangekondigd, past het wetsvoorstel op een aantal punten aan. Hieronder worden deze aanpassingen behandeld.

Onderdelen A en B, onder 6

In artikel 39n, eerste lid, is overeenkomstig artikel 45 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) nadrukkelijk geregeld dat de beslissing van het openbaar ministerie naar aanleiding van een verzoek van betrokkene om kennisneming van de op hem betrekking hebbende strafvorderlijke gegevens en een verzoek om correctie van die gegevens wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Zoals op blz. 13 van de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel is aangegeven, staat tegen de beslissing van het openbaar ministerie naar aanleiding van de aantekening van verzet, bedoeld in het voorgestelde artikel 39q, bezwaar en beroep open in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Evenwel is conform artikel 45 van de Wbp nagelaten in artikel 39q een soortgelijke bepaling op te nemen als 39n, eerste lid. De aanpassing die is voorzien in onderdeel B, onder 6, van deze nota van wijziging strekt ertoe om buiten kijf te stellen dat een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Onderdeel A voorziet om dezelfde redenen als hierboven vermeld in een vergelijkbare aanpassing ten aanzien van een beslissing van de Minister van Justitie naar aanleiding van de aantekening van verzet tegen een verwerking van justitiële gegevens.

Onderdeel B, onder 2

Artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het recht tot strafvordering vervalt door de dood van de verdachte. Om die reden is in het voorgestelde artikel 39d bepaald dat na het overlijden van betrokkene de strafvorderlijke gegevens die op hem betrekking hebben, dienen te worden verwijderd, omdat deze persoonsgegevens verder geen opsporings- en vervolgingsbelang meer kunnen dienen. Bij nader inzien acht ik dat niet wenselijk. Weliswaar heeft de dood van de betrokken verdachte of veroordeelde tot gevolg dat zijn gegevens in beginsel niet meer kunnen leiden tot zijn vervolging of de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde straf of maatregel, maar deze kunnen ook daarna nog wel bijdragen aan het oplossen van een bepaald strafbaar feit. Zo zou op de eigenaar van een rijwielhandel de verdenking van de zogenaamde Zaanse paskamermoord zijn blijven rusten als de strafvorderlijke gegevens van de uiteindelijke dader niet na zijn overlijden bij het openbaar ministerie waren bewaard. Mede aan de hand van deze gegevens kon worden vastgesteld dat hij de dader van de paskamermoord moet zijn geweest. Maar ook in lopende strafzaken kunnen strafvorderlijke gegevens van een overleden verdachte van belang zijn, bijvoorbeeld in het geval dat in een strafzaak meerdere verdachten zijn en het bewijs slechts rond is te krijgen met behulp van de gegevens die betrekking hebben op de overleden persoon. In deze situatie zijn de gegevens noodzakelijk om te voorkomen dat een mededader wordt vrijgesproken.

Verder kunnen de strafvorderlijke gegevens van een overleden persoon ook van belang zijn in situaties waarin, in afwijking van de algemene regel dat het recht tot strafvordering door de dood van de verdachte vervalt, nog sancties kunnen worden opgelegd. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan artikel 16 van de Wet op de economische delicten. Dit artikel geeft de rechter de bevoegdheid na het overlijden van de verdachte de verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen uit te spreken en de verplichting ex artikel 8 van die wet op te leggen. Daarnaast kunnen ook andere dan strafvorderlijke belangen nopen tot het bewaren van strafvorderlijke gegevens van overledenen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de in de praktijk met enige regelmaat voorkomende situatie dat een nabestaande of slachtoffer – soms jaren na het overlijden van verdachte – inzage wenst ten behoeve van leedverwerking. Indien het openbaar ministerie zou dienen over te gaan tot verwijdering van deze gegevens na het overlijden, zou het openbaar ministerie deze slachtoffers niet langer terzake kunnen faciliteren.

Gelet op het vorenstaande acht ik het een goede zaak dat strafvorderlijke gegevens van overledenen enige tijd na zijn overlijden bewaard blijven. Om die reden voorziet onderdeel B, onder 2, erin dat deze gegevens niet eerder worden verwijderd dan achttien jaren na een onherroepelijke afoening van de strafzaak in het kader waarvan de gegevens zijn verwerkt, indien het gaat om gegevens over een misdrijf, en twee jaren, indien het gegevens over een overtreding betreft. Met deze termijnen wordt aangesloten bij de verjaringstermijnen van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht. De maximale verjaringstermijn is namelijk achttien jaren voor een misdrijf van de zwaarste categorie en twee jaren voor alle overtredingen. Zodra het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot de verjaringsregeling bij de Tweede Kamer aanhangig wordt gemaakt, waarin wordt voorgesteld om de verjaringstermijn voor misdrijven waarop meer dan tien jaar onderscheidenlijk levenslange gevangenisstraf is gesteld, te verlengen tot twintig onderscheidenlijk dertig jaar en de verjaring voor moord te laten vervallen, zullen de in onderdeel B, onder 2, genoemde termijnen moeten worden heroverwogen.

Het spreekt voor zich dat slechts dan van het openbaar ministerie kan worden gevergd dat het de strafvordelijke gegevens van een overleden persoon verwijderd als het op de hoogte is van zijn overlijden.

Verder wordt in onderdeel B, onder 2, voorgesteld de bewaartermijn van strafvorderlijke gegevens over misdrijven te stellen op dertig in plaats van twintig jaren, zoals oorspronkelijk is voorgesteld. Met deze nieuwe termijn wordt aangesloten bij de (maximale) termijn die geldt voor het bewaren van DNA-profielen en vingerafdrukken.

Onderdeel B, onder 3

In het voorgestelde artikel 39e, eerste lid, onder i, worden alleen de bewaarders, bedoeld in het tweede lid van artikel 118 van het Wetboek van Strafvordering genoemd. Mij is echter gebleken dat volgens de huidige praktijk onder omstandigheden ook aan de bewaarders, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, strafvorderlijke informatie wordt gegeven. Om deze praktijk in de toekomst te kunnen voortzetten, is artikel 39e, eerste lid, onder i, bij onderdeel B, onder 3, van deze nota van wijziging aangepast.

Onderdeel B, onder 4

Artikel 39f voorziet in een nadere omschrijving van de doeleinden op grond waarvan het openbaar ministerie strafvorderlijke gegevens kan verstrekken aan personen of instanties die niet direct zijn betrokken bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Deze doeleinden vormen een concretisering van de grondslag «noodzaak met het oog op een zwaarwegend algemeen belang». Bij nader inzien is het wenselijk dat daaraan de doeleinde «het nemen van bestuursrechtelijke beslissingen» wordt toegevoegd. Onderdeel B, onder 4, voorziet daarin door in artikel 39f, eerste lid, een nieuw onderdeel d op te nemen. Dit nieuwe doeleinde biedt het openbaar ministerie de bevoegdheid strafvorderlijke informatie te verschaffen bijvoorbeeld met het oog op het toekennen van een koninklijke onderscheiding of het beantwoorden van de vraag of een vreemdeling de toegang tot Nederland moet worden geweigerd. Verder heeft onderdeel B, onder 4, tot doel het in artikel 39f, eerste lid, onder b, opgenomen doeleinde «handhaven van de openbare orde» te verruimen tot «handhaven van de orde en veiligheid». Het openbaar ministerie blijkt bij nader inzien niet alleen behoefte te hebben aan de bevoegdheid om strafvorderlijke informatie te verstrekken met het oog op de handhaving van de openbare orde, maar ook ten behoeve van de handhaving van de interne orde (bijvoorbeeld ten behoeve van een woningbouwvereniging in verband met overlast van een bewoner in een flat van die vereniging) en de handhaving van de externe veiligheid (bijvoorbeeld om een zwaar ongeval of een ramp te voorkomen) en interne veiligheid (bijvoorbeeld ten behoeve van het treffen van organisatorische maatregelen in een bedrijf).

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Naar boven