Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 28880 nr. 32 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 28880 nr. 32 |
Aangeboden 21 mei 2003
Gerealiseerde ontvangsten 2002 naar artikel
Gerealiseerde uitgaven 2002 naar artikel
| A. | Algemeen | 6 |
| 1. | Voorwoord | 6 |
| 2. | Dechargeverlening | 7 |
| 3. | Leeswijzer | 10 |
| B. | Beleidsverslag | 14 |
| 4. | Beleidsprioriteiten | 14 |
| 5. | Beleidsartikelen | 29 |
| 6. | Niet-beleidsartikelen | 130 |
| 7. | Premiegefinancierde SocialeZekerheidsuitgaven | 142 |
| 8. | Mededeling over de bedrijfsvoering | 174 |
| 9. | Toezichtsrelaties | 175 |
| C. | Jaarrekening | 182 |
| 10. | Verantwoordingsstaten | 182 |
| 10.1. | De verantwoordingsstaat van het Ministerie van SZW | 182 |
| 10.2. | De samenvattende verantwoordingsstaat van de batenlastendiensten | 183 |
| 11. | Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaten | 184 |
| 11.1. | Toelichting bij de beleidsartikelen | 184 |
| 11.2. | Toelichting bij de niet-beleidsartikelen | 215 |
| 11.3. | Toelichting bij de baten-lastendiensten | 223 |
| 12. | Saldibalans | 240 |
| 13. | Bijlage 1: Aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer | 255 |
| 14. | Bijlage 2: Beleid ter voorkoming van misbruik en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik (m&o-beleid) | 259 |
| 15. | Bijlage 3: Bronnenoverzicht | 274 |
| 16. | Bijlage 4: Lijst met gebruikte afkortingen | 278 |
| 17. | Bijlage 5: Trefwoordenregister | 281 |
Voor u ligt het eerste departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat op de VBTB-leest geschoeid is. Niet langer staan de financiën in de verantwoording centraal, maar wordt er primair verantwoording afgelegd over de behaalde beleidsprestaties in 2002: Hebben we bereikt wat we hebben beoogd, hebben we gedaan wat we daarvoor zouden doen en heeft het gekost wat we dachten dat het zou kosten?
In navolging van de VBTB-begroting is met dit VBTB-jaarverslag dan ook een flinke stap in de goede richting gezet om begroting en jaarverslag toegankelijker te maken voor het brede publiek. De komende jaren dienen nog wel stappen worden gezet om het jaarverslag te verbeteren.
Een nieuw element in het jaarverslag is de zogenaamde mededeling bedrijfsvoering. Met deze mededeling geeft de verantwoordelijke minister van een vakdepartement aan of hij/zij «in control» is op het gebied van de bedrijfsvoering. Hoewel beleid vaak in het middelpunt van de belangstelling van de media en de samenleving staat is de minister uiteraard ook verantwoordelijk voor een effectieve, efficiënte en doelmatige bedrijfsvoering.
Tot slot merk ik op dat de verantwoording over de voorgenomen doelstellingen in dit jaarverslag nog betrekking hebben op de uitgangspunten zoals geformuleerd in het Regeerakkoord van het kabinet Kok II. Met het aantreden van het Kabinet Balkenende zijn veel beleidsdoelstellingen van SZW medio 2002 geherformuleerd en is de verantwoordelijkheid voor de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) overgegaan naar het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en is de verantwoordelijkheid voor de Kinderopvang overgekomen van datzelfde departement.
In de gevallen waar beleidsdoelstellingen al in 2002 zijn gewijzigd als gevolg van het aantreden van het nieuwe kabinet wordt er in dit jaarverslag aandacht aan besteed.
Het is mij een genoegen dit eerste VBTB-jaarverslag te mogen aanbieden.
Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-Generaal.
Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid decharge te verlenen over het in het jaar 2002 gevoerde financiële beheer van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Dit verzoek heeft zowel betrekking op het financieel beheer dat samenhangt met de uitvoering van de departementale begroting als op het financieel beheer dat samenhangt met de uitvoering van de begroting van het Spaarfonds AOW.
Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:
a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;
b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;
c. de financiële informatie in de jaarverslagen;
d. de departementale saldibalansen;
e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;
f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;
van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.
Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:
a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden;
b. de slotwet van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het Spaarfonds AOW; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.
Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;
c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2002 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden;
d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2002 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2002 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001).
het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.
De Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. J. de Geus
Mede namens
de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
K. L. Phoa
Dechargeverlening door de Tweede Kamer
Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van
De Voorzitter van de Tweede Kamer,
Naam:
Handtekening:
Datum:
Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Tweede Kamer, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.
Dechargeverlening door de Eerste Kamer
Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van De Voorzitter van de Eerste Kamer,
Naam:
Handtekening:
Datum:
Het departementaal Jaarverslag SZW 2002 is het eerste jaarverslag van SZW dat volledig volgens de VBTB-uitgangspunten is opgezet. Dat betekent dat in dit jaarverslag niet langer de middelen centraal staan, maar het beleid de primaire invalshoek is. Stonden in de begroting 2002 de volgende vragen centraal:
– wat willen we bereiken?
– wat gaan we daarvoor doen? en
– welke middelen worden daarvoor ingezet?
In het jaarverslag 2002 wordt een terugblik op het begrotingsjaar 2002 gegeven aan de hand van de volgende vragen:
– hebben we bereikt wat we hebben beoogd?
– hebben we gedaan wat we daarvoor zouden doen? en
– heeft het gekost wat we dachten dat het zou kosten?
Toelichting bij de begrotingsopzet
In deze leeswijzer wordt de nieuwe opzet van het jaarverslag toegelicht.
Het jaarverslag van SZW bestaat, naast een algemeen deel met daarin een voorwoord, de dechargeverlening en de leeswijzer, uit een beleidsverslag en een jaarrekening. Het onderscheid tussen het jaarrekeningdeel en het beleidsverslag is van belang in verband met de reikwijdte van de accountantsverklaring.
De financiële informatie is opgenomen in de jaarrekening en valt onder de reikwijdte van de accountantsverklaring. De niet-financiële informatie valt niet onder de accountantsverklaring, maar is wel onderdeel van de accountantscontrole. Overigens zijn in voorkomende gevallen ook financiële gegevens in het beleidsverslag opgenomen om het beleid toe te lichten. Deze financiële informatie is ontleend aan de jaarrekening. De premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven in het beleidsverslag vallen wel onder de accountantscontrole maar niet onder de reikwijdte van de accountantsverklaring.
1. Het beleidsverslag is opgebouwd uit de volgende elementen:
a. De beleidsprioriteiten
b. De beleidsartikelen
c. De niet-beleidsartikelen
d. De premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven
e. De mededeling over de bedrijfsvoering
f. Toezichtsrelaties
In het onderdeel beleidsprioriteiten wordt verantwoord in hoeverre de beleidsdoelstellingen uit de beleidsagenda 2002 zijn behaald. Daarbij wordt per beleidsprioriteit aangegeven welke beleidsconclusies er op basis van de verantwoordingsgegevens kunnen worden getrokken. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Vendrik (Kamerstukken II, 2001–2002, 28 380, nr. 81). Het gaat in dit onderdeel niet alleen om de activiteiten die uit de begroting van SZW worden gefinancierd, maar ook uit premies en belastinguitgaven. Besluitvorming in 2002 welke betrekking heeft op 2003 en/of latere jaren zijn niet in de beleidsprioriteiten opgenomen.
In de beleidsartikelen in het beleidsverslag wordt verantwoord in hoeverre de doelstellingen van SZW, waarbij instrumenten zijn ingezet en waarvoor de minister van SZW aan het parlement heeft gevraagd middelen beschikbaar te stellen, zijn behaald. Hetzelfde geldt voor de niet-beleidsartikelen die in dit jaarverslag zijn opgenomen. Daarnaast wordt in de premiegefinancierde sociale zekerheidsartikelen verantwoording afgelegd over de doelstellingen en instrumenten die worden gefinancierd met premiegelden. Deze premiegelden staan niet op de begroting van het ministerie van SZW, maar zijn voor de samenhang in de budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA) wel in dit jaarverslag opgenomen. Deze uitgaven hoeven niet door het parlement geautoriseerd te worden.
Een nieuw onderdeel is de mededeling bedrijfsvoering. In de mededeling doet de Minister een uitspraak over de stand van zaken van de bedrijfsvoering van het ministerie van SZW in 2002. De mededeling over het jaar 2002 heeft alleen betrekking op het financieel en materieelbeheer bij SZW. Een volledige mededeling op alle elementen van de bedrijfsvoering is vanaf het begrotingsjaar 2004 verplicht.
In het hoofdstuk Toezichtstrelaties, ten slotte, wordt kort ingegaan op het toezicht op de zelfstandige bestuursorganen (zbo) en rechtspersonen met een wettelijke taak (rwt). Het verslag over de uitkomsten van de in 2002 uitgevoerde toezichtswerkzaamheden, ook met betrekking tot de gemeentelijke sociale diensten, wordt separaat door de Inspectie Werk en Inkomen uitgebracht en door de minister ter kennis van de beide Kamers der Staten-Generaal gebracht.
2. De jaarrekening is opgebouwd uit de volgende elementen:
a. De verantwoordingsstaat van het ministerie van SZW
b. De samenvattende verantwoordingsstaat van het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI)
c. Financiële toelichting bij de beleidsartikelen
d. Financiële toelichting bij de niet-beleidsartikelen
e. Financiële toelichting bij de baten-lastendiensten
f. De saldibalans
In het onderdeel Jaarrekening van het departementaal jaarverslag worden de bestede middelen verantwoord.
In de departementale verantwoordingsstaat van het ministerie van SZW wordt inzicht gegeven in de geraamde en gerealiseerde bedragen van de verplichtingen, de uitgaven en ontvangsten. De samenvattende verantwoordingsstaten van de baten-lastendienst Agentschap SZW en de baten-lastendienst in oprichting IWI geven inzicht in de oorspronkelijk geraamde en in de gerealiseerde totalen van de baten en lasten, saldo van baten en lasten, totalen van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten.
In de financiële toelichting wordt per (niet-)beleidsartikel inzicht geboden in het met beleid samenhangende meerjarige bedragen van de aangegane verplichtingen, de gerealiseerde programma- en apparaatuitgaven en de gerealiseerde ontvangsten. De toelichting op de financiële gegevens in de jaarrekening is aldus uitgebreider dan de toelichting in het beleidsverslag. Voor het behoud van het totaaloverzicht heeft SZW er voor gekozen de verdiepingsbijlage te integreren in de financiële toelichting.
De financiële toelichting van beleid van de baten-lastendienst Agentschap SZW en de baten-lastendienst in oprichting Inspectie Werk & Inkomen wordt in een aparte paragraaf van het departementaal jaarverslag toegelicht1. In de verantwoording van de baten-lastendiensten staat het geven van inzicht in de omvang en de samenstelling van het vermogen en het behaalde resultaat centraal. De beleidsprestaties van de baten-lastendiensten worden overigens niet in deze paragraaf verantwoord maar in het beleidsverslag. De beleidsprestaties worden verantwoord op de artikelen waar de bijdrage van het moederdepartement aan de baten-lastendiensten is verantwoord (Agentschap SZW op artikel 2; IWI op artikel 98).
De saldibalans geeft een overzicht van de financiële posten uit 2002 die naar 2003 moeten worden overgebracht.
Tot slot bevat het jaarverslag de volgende bijlagen:
g. Bijlage 1: Aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer
h. Bijlage 2: Beleid ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik
i. Bijlage 3: Bronnenoverzicht
j. Bijlage 4: Lijst van gebruikte afkortingen
k. Bijlage 5: Trefwoordenregister
Het overzicht van de maatregelen met een scholingscomponent en het overzicht van de prestatiegegevens in dit jaarverslag zijn op de internetsite van SZW (home.szw.nl) gepubliceerd.
Het jaarverslag en de slotwet van het Spaarfonds AOW 2002 worden separaat aan de Kamer aangeboden.
Het kabinet heeft toegezegd om het VBTB-gedachtengoed zoveel mogelijk op de Sociale Nota van toepassing te laten zijn. In dit jaarverslag wordt daarom verantwoording afgelegd over zowel de beleidsdoelstellingen die vanuit de Rijksbegroting worden gefinancierd als over de premiegefinancierde beleidsdoelstellingen. Deze laatste categorie uitgaven is niet opgenomen in de door de Tweede Kamer geautoriseerde begrotingsstaat.
Afwijkingen van de Rijksbegrotingsvoorschriften
Op een drietal punten wordt in dit jaarverslag afgeweken van de rijksbegrotingsvoorschriften.
Ten eerste wijken de tabellen budgettaire gevolgen van beleid (zowel in het beleidsverslag als in het jaarrekeningdeel) licht af van de voorgeschreven modellen. Omdat in de begroting 2002 binnen de geoperationaliseerde doelstelling nog geen uitsplitsing is gemaakt naar financiële instrumenten ontbreekt deze uitsplitsing eveneens in de tabellen in dit jaarverslag.
Ten tweede zijn de tabellen uit de voorgeschreven verdiepingsbijlage niet in een aparte bijlage opgenomen, maar voor het behoud van het totaaloverzicht geïntegreerd in de financiële toelichting bij de beleidsartikelen.
Tot slot heeft SZW er voor gekozen om een overzicht van de in 2002 afgeronde evaluatieonderzoeken in een bijlage op te nemen. Daarbij worden ook de conclusies betrokken.
Belastinguitgaven en ESF-middelen
In dit jaarverslag streeft het ministerie van SZW een zo integraal mogelijke presentatie van beleid na. Daarom zijn ook de premiegefinancierde regelingen in een aparte paragraaf toegelicht. Ook bij de belastinguitgaven is getracht deze zoveel mogelijk bij de beleidsartikelen zichtbaar te maken in de toelichting op de operationele doelstellingen. Dit is gebeurd bij de beleidsartikelen 2, 3, 11 en 13.
De programmauitgaven voor ESF-3 en EQUAL lopen buiten begrotingsverband en zijn dus niet in de verantwoordingsstaat terug te vinden. De verantwoording over de doelstellingen die mede met Europese middelen worden bereikt is terug te vinden in de beleidsartikelen 2 en 12.
Beschikbaarheid van derdeninformatie
Voor de verantwoording over de in de begroting 2002 opgenomen prestatiegegevens is veelal informatie van derden nodig, zoals uitvoeringsorganen sociale zekerheid (UWV, CWI, SVB), gemeenten, CBS en Belastingdienst. In het afgelopen jaar zijn met een aantal van deze organisaties afspraken gemaakt over tijdige levering van realisatiecijfers met betrekking tot prestatiegegevens. De organisaties waarmee die afspraken zijn gemaakt zijn CBS, UWV, SVB, CWI en Belastingdienst.
Als gevolg van deze afspraken kan een groot deel van de in de begroting 2002 opgenomen prestatie-indicatoren tijdig en op realisatiebasis worden verkregen. Van een groot aantal indicatoren zal de verantwoording echter nog voorlopig, dat wil zeggen op basis van een actuele raming, zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de gemeentelijke uitvoering van het reïntegratiebeleid (WIW, WSW, ID). Het gaat hierbij om het verkrijgen van realisatiecijfers vanuit gemeenten. Daarbij is van realisatiecijfers pas sprake als van alle gemeenten de relevante informatie is verkregen. Wanneer daarvan bij het verstrijken van de deadline nog geen sprake – een klein aantal gemeenten ontbreekt dan nog, zo is de ervaring – is zal moeten worden bijgeschat.
Toedeling apparaatuitgaven naar de beleidsartikelen
In de ontwerpbegroting 2002 is een eerste aanzet gedaan met de toedeling van begrote apparaatuitgaven naar de beleidsartikelen. De toedeling vond medio 2001 plaats en was gebaseerd op de toen geldende organisatiestructuur (beschikbare capaciteit, inzet van de directies aan de verschillende artikelen).
Per 1 januari 2002 is het departement heringericht. De toerekening van de realisaties van de apparaatuitgaven aan de verschillende beleidsartikelen is daarom gebaseerd op de nieuwe organisatiestructuur. De verhoudingen zijn echter zo veranderd dat de confrontatie tussen begrote toedeling en de uiteindelijke realisatie op de meeste artikelen tot aanzienlijke verschillen hebben geleid. Een toedeling van de realisaties op basis van de oude organisatiestructuur is technisch niet mogelijk.
4. DE BELEIDSPRIORITEITEN 2002
In dit hoofdstuk van het departementaal jaarverslag wordt over de speerpunten van het beleid in 2002 verantwoording afgelegd. De verantwoording vindt plaats aan de hand van de doelen in de beleidsagenda uit de begroting 2002.
In de Sociale Nota 2002 (TK, 2001–2002, 28 001, nrs 1–2) zijn dezelfde prioriteiten als in de beleidsagenda opgenomen, aangevuld met de prioriteiten «Werkende» arbeidsverhoudingen en privatisering en reïntegratie. Deze prioriteiten hebben geen directe gevolgen voor de begroting en zijn daarom niet in de beleidsagenda van de begroting opgenomen.
Per beleidsprioriteit worden de behaalde resultaten in 2002 weergegeven. De term «resultaat» is breed opgevat. Zowel effectinformatie (outcome), prestatiegegevens ten aanzien van de output en informatie over uitgevoerde activiteiten of gerealiseerde input worden als resultaat gepresenteerd. Een brede definitie ligt in de rede, omdat er voor veel prioriteiten geen concrete prestatiegegevens in de begroting 2002 zijn opgenomen. Nieuwe prioriteiten die gedurende 2002 zijn ontstaan zijn aan dit hoofdstuk toegevoegd. Voor alle prioriteiten waarover resultaten zijn opgenomen, zijn beleidsmatige conclusies getrokken. Deze zijn opgenomen in tabel 4.6.
Tabel 4.1 geeft de budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2002 weer (stand ontwerp-begroting, mutaties, stand realisatie 2002). In de kolom Financiering is aangegeven of de extra middelen in 2002 gefinancierd werden via de SZW-begroting, de sociale fondsen of fiscaal zijn gefaciliteerd. De negatieve bedragen duiden op lastenverlichting.
| Tabel 4.1: Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2002 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Beleidsprioriteiten jaar 2002Bedragen x € 1 miljoen | Art.nr. | Financiering | Ontwerp-begroting | Nadere mutaties | Realisatie 2002 |
| 1. Vergroten Arbeidsaanbod | |||||
| A. Algemene maatregelen | |||||
| • Verkleining armoedeval | Fiscaal | – 281 | 132 | – 150$ | |
| • Toetrederskorting en afdrachtsvermindering | Fiscaal | – 98 | 53 | – 45$ | |
| • Vervanging uitstroompremies | 2,3 en 4 | Begroting | – 23,6 | 0 | – 23,6 |
| • Combineren arbeid en zorg | SZA-premie | 19,1 | – 18,9 | 0,2 | |
| • Flexibele beloning | Fiscaal | – 45 | 45 | 0$ | |
| B. Verhogen arbeidsdeelname specifieke groepen | |||||
| • Verhogen arbeidsdeelname ouderen | Fiscaal | – 102 | 29 | – 73$ | |
| • Verhogen arbeidsdeelname laag opgeleiden | OCW/fiscaal | 181,5 | n.b. | n.b. | |
| • Verhogen arbeidsdeelname etnische minderheden | 2/1 | Begroting | 11,3 | – 1,8 | 9,5# |
| 2. Activering en reïntegratie | |||||
| • Bestuurlijke afspraken gemeenten | 2 | Begroting | 142,5 | – 23,5 | 119,0 |
| • REA | SZA-premie | – 100,7 | – 100,7 | ||
| 3. Verbetering inkomenspositie specifieke inkomensgroepen | |||||
| • Motie inkomenspositie langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief | 5 | Begroting | 54,5 | – 54,4 | 0 |
| • Chronisch zieken | Fiscaal | – 45 | 2 | – 43$ | |
| 4. Emancipatie | 12 | Begroting | 5,5 | – 2,2* | 3,3 |
| 5. Verbetering uitvoering sociale zekerheid | |||||
| • SUWI/ESF | Staartpost SZA | 405,4 | 405,4 | ||
| 6. Naleving regelgeving; inspectie en handhaving | |||||
| • Capaciteitsuitbreiding Arbeidsinspectie | 98 | Begroting | 6,1 | 6,1 | |
| • Extra middelen oprichting SIOD, BUO | 98 | Begroting | 21,3 | – 6,3 | 13,6& |
| • Opsporingssamenwerkingsverbanden gemeenten | 98 | Begroting | 6,1 | – 2,3 | 0,1 |
| 7. Nieuwe prioriteiten tijdens 2002 | |||||
| • AOW-gat grensarbeiders | 15 | Begroting | 0 | 11 | 11 |
$ Deze realisaties betreffen het budgettaire beslag omdat de fiscale realisatie nog niet bekend is.
# De realisatie betreft het totaal gerealiseerde bedrag voor minderheden. Het beschikbare bedrag maakt deel uit van de begroting van CWI (artikel 1). De taakstelling was hiervoor in 2002 23 000 allochtonen aan het werk te helpen. Deze doelstelling is behaald. Zie tekst onder B.
* € 2 miljoen kasschuif begroting 2003. De extra middelen zijn toegevoegd aan het reeds beschikbare budget voor emancipatiebeleid. De realisatie betreft het totaal gecorrigeerd voor de kasschuiven.
& € 10,5 miljoen personeel, materieel, huisvesting SIOD en € 3,1 miljoen ontwikkeling en exploitatie ICT SIOD.
Economische groei en werkgelegenheid
De Nederlandse economie heeft in het jaar 2002 zo goed als stil gestaan. Bij het opstellen van de begroting 2002 verwachtte het CPB dat de economische groei gelijk zou zijn aan 2 procent (MEV 2002). Dit cijfer is herhaaldelijk neerwaarts bijgesteld. Volgens het Centraal Economisch Plan (CEP) is de groei in 2002 gelijk aan 0,3 procent (1¾ procent lager geraamd). De groeidaling is veroorzaakt door een verminderd vertrouwen van consumenten en producenten. Daarnaast herstelde de Nederlandse uitvoer traag door de verslechterde concurrentiepositie. In Nederland stijgen de arbeidskosten per eenheid product al een aantal jaren sneller dan in de rest van Europa. De stijging van de arbeidskosten per eenheid product is het gevolg van een lagere arbeidsproductiviteitsgroei en van hoge contractloonstijgingen. De contractlonen stegen met 3,7 procent zoals geraamd. In combinatie met de afnemende arbeidsproductiviteit leidt dit tot een stijgende arbeidsinkomensquote (AIQ). Volgens het CEP komt de AIQ voor 2002 uit op 85,3 procent, terwijl een jaar eerder bij het opstellen van de begroting een AIQ van 84 ¼ procent werd geraamd.
De werkgelegenheid in personen groeide in 2002 met 0,7 procent. Deze stijging is lager dan in voorgaande jaren. De werkgelegenheid reageert gewoonlijk met een zekere vertraging op een afname van de economische groei. Hierdoor heeft ook de economische neergang van 2001 zijn invloed op de werkgelegenheid en de werkloosheid in 2002. Volgens het CEP komt de werkloosheid in 2002 uit op 302 000 personen. Dit betekent een stijging van de werkloosheid met 62 000 personen, terwijl tijdens de begrotingsvaststelling voor 2002 een toename van 40 000 personen geraamd was. In 2000 en 2001 daalde de werkloosheid nog sterk. De omslag is het gevolg van de economische teruggang en de daarmee gepaard gaande sterk verminderde groei van de werkgelegenheid.
| Tabel 4.2: Kerngegevens 2002 (procentuele mutaties) | |||
|---|---|---|---|
| MEV 2002 | MEV 2003 | CEP 2003 | |
| BBP | 2 | ¼ | 0,3 |
| Contractloon marktsector | 3¾ | 3¾ | 3,7 |
| Werkgelegenheid (in personen) | ¾ | ½ | 0,7 |
| Werkloosheid (in %) | 3¾ | 4 | 3,9 |
| Arbeidsinkomensquote (niveau, %) | 84¼ | 85 | 85,3 |
| Arbeidsproductiviteit marktsector (mutatie in %) | 1½ | 0 | – 0,1 |
Bron: MEV 2002, MEV 2003 en CEP 2003.
Tabel 4.3 presenteert in de eerste kolom de koopkrachtontwikkeling zoals die in de Sociale Nota 2002 voor 2002 werd verwacht. De tweede kolom presenteert de koopkrachtontwikkeling 2002 volgens de meest recente inzichten.
| Tabel 4.3: Statische Koopkrachtontwikkeling 2002 (in procenten) | ||
|---|---|---|
| Categorie | Sociale Nota 2002 | Huidige inzichten |
| Inactieven | ||
| Sociale minima paar zk <65 | 1¼ (1)a | ½ (¼)a |
| Sociale minima paar mk <65 | 1¾ (1)a | 2 (1¼)a |
| AOW alleenstaand | 1½ | 1 |
| AOW paar | 1¼ | 1¼ |
| AOW + 5 000 paar | ¾ | ½ |
| Actieven | ||
| Minimumloon paar mk | 2¼ (1½)a | 2¼ (1¼)a |
| Modaal paar mk | 1¼ | ¼b |
| 2*modaal paar mk | 1 | –½ |
| tweeverdiener modaal &½modaal mk | 1½ | ¼ |
| tweeverdiener 2*modaal & modaal mk | 1¼ | –¼ |
a De cijfers tussen haakjes gelden voor degenen die huursubsidie ontvangen binnen de genoemde inkomenscategorie. Zij ondervonden in 2002 nadeel van het vervallen van de kinder- en de koopkrachttoeslagen in de huursubsidie.
b De grote neerwaartse bijstelling voor huishoudens met een modaal inkomen en kinderen hangt mede samen met de (rekenkundige) verwerking van de kinderkortingen in de koopkrachtcijfers. Een modaal inkomen ligt dicht in de buurt van de inkomensgrens van de aanvullende kinderkorting. Hierdoor wordt in de cijfers in de Sociale Nota 2002 er nog mee gerekend dat deze groep nog net profiteert van de stijgingen van de aanvullende kinderkorting. In de nieuwe berekeningen wordt van een hoger modaal inkomen uitgegaan waardoor deze groep net niet meer profiteert van de stijging van de aanvullende kinderkorting.
De verschillen tussen de huidige inzichten en de cijfers gepresenteerd in de Sociale Nota 2002 hebben twee achtergronden. Ten eerste is de raming van de prijsontwikkeling met 1%-punt opwaarts bijgesteld van 2½% naar 3½%. De gemiddelde loonontwikkeling voor 2002 bedraagt, conform de raming in de MEV 2002, 3¾%. Per saldo heeft deze bijstelling een negatief effect op de koopkrachtraming. Ten tweede zijn ten opzichte van de beleidsvoornemens, zoals verwoord in de Sociale Nota 2002 enkele wijzigingen doorgevoerd naar aanleiding van de behandeling van de voorstellen in de Tweede Kamer (verhoging van de aanvullende kinderkorting en geen verhoging van de arbeidskorting). De combinatie van deze mutaties leidt er toe dat het koopkrachtbeeld voor gezinnen met kinderen en een inkomen onder modaal vrijwel gelijk is aan het in de Sociale Nota 2002 gepresenteerde beeld. Voor de meeste overige inkomensgroepen blijft de koopkrachtontwikkeling achter bij de raming.
De situatie op de arbeidsmarkt is in de afgelopen jaren aanmerkelijk veranderd. Eind jaren negentig ontstond in toenemende mate krapte op de arbeidsmarkt. Als uitvloeisel hiervan is het beleid meer gericht op bevordering van het arbeidsaanbod. In 2002 nam de krapte enigszins af, maar bevordering van het arbeidsaanbod en verhoging van de arbeidsparticipatie bleven noodzakelijk. Zij zullen dat ook in de toekomst blijven. In 2002 zijn maatregelen genomen die bijdragen aan verhoging van de kwantiteit en de kwaliteit van het arbeidsaanbod. Een deel van deze maatregelen geldt voor iedereen (paragraaf A) en een ander deel is gericht op specifieke groepen (B).
Om arbeidsdeelname van gemiddeld 64% te laten toenemen tot 70% in 2010 zijn in de begroting 2002 de volgende prioriteiten geformuleerd:
Werk moet lonen om de arbeidsparticipatie daadwerkelijk te bevorderen. Als gevolg van het bestaan van de armoedeval is dit niet het geval. Bestrijding van de armoedeval is van groot belang daar waar het gaat om het terugdringen van de uitkeringsafhankelijkheid en het bevorderen van de arbeidsparticipatie en scholing. Van armoedeval is sprake wanneer een bruto inkomenstoename (voortvloeiend uit de acceptatie van een baan of een toename van het inkomen) niet of nauwelijks leidt tot een toename van het netto besteedbaar inkomen. Hierdoor kan de beslissing om werk te aanvaarden (werkloosheidsval) of te investeren in doorstroming op de arbeidsmarkt (doorstroomval) negatief worden beïnvloed.
In 2002 zijn conform de beleidsagenda voor 2002 de volgende fiscale maatregelen genomen ter verkleining van de armoedeval:
• de combinatiekorting voor werkende ouders met jonge kinderen is verhoogd met € 50 (€ 86 miljoen);
• verhogen van de leeftijdsgrens voor de aanvullende alleenstaande ouderkorting van 12 naar 16 jaar (€ 14 miljoen);
• in de huursubsidie zijn de kindertoeslagen afgeschaft onder gelijktijdige intensivering van de aanvullende kinderkorting (€ 50 miljoen).
De voorgenomen verhoging van de arbeidskorting voor werkenden met € 23 is door de Kamer niet overgenomen (€ 132 miljoen).
Op het gebied van lokaal inkomensbeleid zijn in 2002 de volgende maatregelen geëntameerd:
• Begin 2002 is het wetsvoorstel «Lang-laag» naar de Raad van State voor advies gestuurd. Dit wetsvoorstel beoogde het beperken van categoriale verstrekkingen en het introduceren van een regeling voor langdurige minima. Dit wetsvoorstel is ingetrokken en vervangen door een alternatief voor «Lang-laag» in het nieuwe, meeromvattende wetsvoorstel «Wet Werk en Bijstand». Het wetsvoorstel vervangt de Algemene bijstandswet (Abw), de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) en het besluit I/D-banen. Dit wetsvoorstel helpt iedere Nederlander die niet in staat is zelf in zijn bestaan te voorzien met het zoeken naar werk en, zo lang met werk nog geen zelfstandig bestaan mogelijk is, met inkomensondersteuning. Onderdeel van de wet is het afschaffen van categoriale regelingen en het introduceren van een regeling voor langdurige minima.
In juni 2002 is de notitie «Scenario's armoedevalbestrijding» aan de Kamer verzonden. Deze notitie bevat scenario's waarlangs de armoedeval verder kan worden teruggedrongen, waarbij tevens aandacht is besteed aan de armoedevalmaatregelen in de verkiezingsprogramma's van politieke partijen. In de notitie worden de meest recente inzichten in de omvang en de reikwijdte van de armoedeval weergegeven. Verder wordt een uitgebreid overzicht gepresenteerd van mogelijke maatregelen om de armoedeval terug te dringen. Aangezien de armoedeval afhankelijk van het huishoudtype anders uitpakt, wordt onderscheid gemaakt naar verschillende groepen. De analyse in de notitie laat zien dat de armoedeval nog steeds een belangrijke barrière vormt voor de participatie aan de onderkant van de arbeidsmarkt, ondanks de gunstige effecten van de invoering van de arbeidskorting en de belastingverlaging in IB 2001.
Tabel 4.4 laat de ontwikkeling van de werkeloosheidsval tussen 2001 en 2002 zien.
| Tabel 4.4: Werkloosheidsval 2001/2002(overgang van de bijstand naar 100% wettelijk minimumloon) | |||
|---|---|---|---|
| (x € 1) | 2001 | 2002 | Verschil |
| alleenstaande 100% wml | – 277 | – 264 | 13 |
| alleenstaande ouder 100% wml | 307 | 415 | 107 |
| alleenverdiener met kinderen 100% wml | – 721 | – 706 | 16 |
Bron: CEP 2003
De werkloosheidsval is in 2002 verbeterd voor de drie gepresenteerde huishoudtypen. Voor alleenstaanden is de armoedeval in 2002 beperkt met € 13 en voor alleenverdieners met kinderen is de armoedeval afgenomen met € 16. Alleenstaande ouders gaan er in 2002 in besteedbaar inkomen € 107 meer op vooruit bij werkaanvaarding op 100% WML dan in 2001.
Toetrederskorting en afdrachtsvermindering
Er is in 2002 een toetrederskorting geïntroduceerd voor de belastingplichtige die zich (weer) op de arbeidsmarkt begeeft. De toetrederskorting geeft mensen die niet werken, een extra financiële stimulans om (weer) te gaan werken. De toetrederskorting bedraagt maximaal € 2 723 en kan in drie tranches in aflopende bedragen op de te betalen belasting in mindering worden gebracht (totaal € 64 miljoen). De in de begroting 2002 voorgestelde afdrachtvermindering voor werkgevers die een toetreder in dienst nemen is door de Kamer niet overgenomen. De toetrederskorting is met ingang van 2003 afgeschaft met het oog op de effectiviteit van de regeling, de administratieve lasten en de totale budgettaire situatie.
De premie op duurzame uitstroom uit uitkering Abw, IOAW/IOAZ of uit gesubsidieerde arbeid is per 1 januari 2002 ingetrokken en vervangen door een fiscale heffingskorting, de zogenaamde toetrederskorting. In verband hiermede is een bedrag van € 23,6 miljoen overgeheveld van de begroting van SZW naar Financiën.
Verlofvormen die het combineren van arbeid en zorg vergemakkelijken zijn opgenomen in de Wet arbeid en zorg, die sinds 1 december 2002 van kracht is. In deze wet zijn verschillende verlofvormen geregeld: een kortdurend zorgverlof van maximaal 10 dagen per jaar ten behoeve van de zorg voor zieke kinderen, partner en ouders; een adoptieverlof van vier weken voor elke adoptieouder en een kraamverlof voor partners van twee dagen. Verder is in de Wet arbeid en zorg, zoals aangegeven in de begroting 2002, het ouderschapsverlof geflexibiliseerd (het kan in maximaal drie delen worden opgenomen) en de financieringsregeling loopbaanonderbreking opgenomen (met versoepeling van de voorwaarden voor gebruik, met name voor degenen die verlof nemen ten behoeve van kinderen met een levensbedreigende ziekte).
Het kabinet heeft in het Belastingplan 2002 een fiscale faciliteit voor flexibele beloning van € 45 miljoen opgenomen. Het betrof een uitbreiding van de bestaande faciliteit voor winstdeling, die onderdeel uitmaakt van de werknemersspaarregelingen. Het voorstel stelde dat het dan moest gaan om beloningscomponenten die daadwerkelijk «mee-ademen» met de winstgevendheid van bedrijven. Het voorstel moest bijdragen aan een verantwoorde loonkostenontwikkeling in 2002. Bij de stemmingen over het Belastingplan 2002 is een amendement aangenomen dat aan de voor deze faciliteit gereserveerde gelden een andere aanwending gaf. De fiscale faciliteit voor flexibele beloning is dan ook niet ingevoerd.
Premiestelling sociale fondsen
Als gevolg van het aan het begin van 2002 doorgevoerde lastenpakket en de zich tijdens het jaar verslechterende economische situatie, zijn de premie-ontvangsten in 2002 in totaal lager dan verwacht uitgevallen. In de sector SZA heeft dit ertoe geleid dat het exploitatiesaldo met € 0,5 miljard gedaald is, waardoor het exploitatie-overschot nu € 1,6 miljard bedraagt. Deze daling ligt voornamelijk bij de volksverzekeringen. Het exploitatietekort bedraagt hier € 1 miljard. Bij de werknemersverzekeringen is het exploitatieoverschot gelijk gebleven, zodat dit nu € 2,6 miljard bedraagt. Het najaarsakkoord voor het jaar 2003 met daarin afspraken om de AWf-premie te verlagen in ruil voor afspraken tot loonmatiging van de zijde van de sociale partners, heeft tot gevolg dat het overschot in het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) in 2003 verder zal dalen.
Een interdepartementale werkgroep heeft onderzocht op welke wijze de omvang van de overschotten in de fondsen voor de werknemersverzekeringen kan worden verkleind. De eindrapportage van deze werkgroep is in juni 2002 aan de Kamer aangeboden.
B. Verhogen arbeidsdeelname specifieke groepen
Naast de algemene maatregelen die de arbeidsdeelname moeten vergroten, zijn in 2002 specifieke maatregelen getroffen voor drie groepen in de samenleving waar de arbeidsdeelname ver onder het gemiddelde is. Dit zijn ouderen (in 2000: 34%), mensen met een lage opleiding (46%) en etnische minderheden (48%).
Stimulansen om de arbeidsdeelname van ouderen te vergroten
De arbeidsparticipatie onder ouderen (55–64 jaar) is in 2002 licht gestegen: van 34% in 2000 tot 37% in 2002. Voor ouderen wordt gestreefd naar vergroting van de arbeidsparticipatie met 0,75% per jaar.
• De in de begroting 2002 aangekondigde verhoging van de arbeidskorting voor oudere werknemers is per 1 januari 2002 geëffectueerd.
• De mogelijkheid voor werkgevers om oudere werknemers een onbelaste bonus te geven is naar aanleiding van de kamerbehandeling van het Belastingplan 2002 niet doorgevoerd.
• Op 1 januari 2002 is de WAO-premiekorting oudere werknemers voor werkgever ingevoerd met het doel de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen. Door de loonkosten van oudere werknemers te verlagen, worden werkgevers gestimuleerd oudere werknemers in dienst te houden of in dienst te nemen. Werkgevers maken aanspraak op een korting van 2% op de WAO-premie voor iedere werknemer van 58 jaar of ouder. De korting is niet aan een maximum gebonden, bovendien loopt de korting door tot de werknemer 65 jaar is geworden.
• In 2002 is de herinvoering van de sollicitatieplicht voor oudere werkzoekende met recente werkervaring verder voorbereid. De Taskforce Ouderen en Arbeid is in 2002 gekomen met een eerste tussenadvies. Hierin wordt melding gemaakt van de diverse projecten die door de TOA in gang zijn gezet om de beoogde mentaliteitsverandering onder werkgevers en (oudere) werknemers te bewerkstelligen die nodig is om ouderen langer te laten participeren op de arbeidsmarkt.
• Om oneigenlijk gebruik WW te voorkomen heeft het Lisv naar aanleiding van de bevindingen en de aanbevelingen van het Ctsv de uitvoeringsinstructies aangescherpt en aangekondigd in alle gevallen waarin daartoe aanleiding bestaat te zullen toetsen of de werknemer verwijtbaar werkloos is omdat hij zich niet of niet adequaat heeft verzet tegen zijn ontslag. In 2002 is gebleken dat het UWV er niet in is geslaagd laatstgenoemd voornemen te realiseren. De reden daarvoor is dat het UWV de bedrijfseconomische expertise mist om in deze gevallen de juiste toedracht te achterhalen en om vast te stellen of er enige mate van verwijtbaarheid is. Aan SZW is voorgesteld om het UWV in staat te stellen de benodigde expertise in te kopen bij de CWI.
• In 2002 is de (gefaseerde) invoering voorbereid van de sollicitatieplicht voor 57½-jarigen en ouder en de daaraan gekoppelde inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkgevers bijdrage oudere werknemers (WWOW). In het najaarsoverleg 2002 hebben het kabinet en sociale partners geconstateerd dat in 2003 verder gesproken zou moeten worden over het arbeidsmarktinstrumentarium, waaronder WWOW en sollicitatieplicht.
• De resultaten van onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van ouderen aan de Tweede Kamer aangeboden. Dit als onderdeel van de reactie op het Beleidskader Raad voor werk en inkomen 2002.
Verhogen arbeidsdeelname laagopgeleiden
Laagopgeleiden (mensen zonder startkwalificatie) vormen een kwetsbare groep op de arbeidsmarkt. Het beleid is erop gericht om het aandeel werkenden en werklozen zonder startkwalificatie in de beroepsbevolking van 25–64 jaar terug te brengen. Dit met het oog op het verhogen van het kennisniveau van de beroepsbevolking en het bevorderen van duurzame arbeidsparticipatie. De maatregelen betreffen enerzijds investeringen in het beroepsonderwijs, anderzijds middelen voor de scholing van werknemers.
Het kabinet investeert sinds 2002 € 136 miljoen per jaar extra in de versterking en vernieuwing van het beroepsonderwijs. Deze versterking is onder meer gericht op het verbeteren van de doorstroom in de beroepskolom (VMBO-MBO-HBO) en het verminderen van het aantal uitvallers uit het onderwijs. Voor nadere informatie wordt verwezen naar begroting en departementaal jaarverslag van het ministerie van OCenW. Daarnaast is in aanvulling op de bestaande fiscale faciliteiten voor scholing van werknemers de fiscale faciliteit voor scholing van voormalig werkloze werknemers in 2002 ingevoerd.
Verhogen arbeidsdeelname etnische minderheden
De kabinetsdoelstelling voor de periode 1998–2002 was het halveren van het verschil in werkloosheid tussen autochtonen en etnische minderheden. Dit betekent dat de werkloosheid onder etnische minderheden moet worden teruggebracht van 16% in 1998 tot 10% in 2002. Zoals in onderstaande tabel te zien is de doelstelling in 2002 gehaald. Ook de arbeidsparticipatie van etnische minderheden blijkt in de afgelopen periode te zijn toegenomen.
| Tabel 4.5 Netto-arbeidspartictipatie en werkloosheid vergeleken voor autochtonen en etnische minderheden | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Netto Arbeidsparticipatie | Werkloosheid | |||||||||||||||
| 1994 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002* | 1994 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002* | |
| Totaal | 62% | 59% | 61% | 62% | 64% | 65% | 65% | 66% | 8% | 7% | 6% | 5% | 4% | 4% | 3% | 4% |
| Autochtonen | 63% | 61% | 62% | 64% | 65% | 65% | 65% | 68% | 7% | 6% | 5% | 4% | 3% | 3% | 3% | 3% |
| Etnische minderheden | – | 39% | 42% | 44% | 45% | 48% | 51% | 50% | 26% | 22% | 20% | 16% | 14% | 10% | 9% | 10% |
* voorlopige cijfers.
Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking.
Om de doelstelling te realiseren is algemeen en specifiek beleid gevoerd. Het algemene beleid, met als belangrijkste element de sluitende aanpak, is er op gericht dat minderheden evenredig uitstromen uit een uitkering. Met gemeenten zijn hierover in het kader van de Agenda voor de Toekomst afspraken gemaakt.
Informatie over het aandeel en aantal etnische minderheden in trajecten arbeidsreïntegratie en sociale activering is nog niet voorhanden. In aanvulling op het algemene beleid wordt specifiek beleid gevoerd. Dit beleid is effectief gebleken. Zo heeft succesvolle MKB-convenant uiteindelijk geleid tot plaatsing van 62 000 allochtone fase-1 cliënten (cliënten wier kans op het vinden van werk groot wordt geacht). De taakstelling voor 2002 betrof plaatsing van 23 000 allochtonen, deze taakstelling is met 26 000 ruimschoots overtroffen. Extra middelen voor het MKB convenant ad. € 11,345 miljoen zijn bij Voorjaarsnota 2002 voor deze beleidsprioriteit aan de begroting van SZW toegevoegd.
Ook het Raamconvenant Grote Ondernemingen blijkt succesvol. Met 110 grote ondernemingen zijn afspraken gemaakt om de in- en doorstroom van etnische minderheden te bevorderen. In december 2002 heeft de minister met 108 bedrijven afspraken gemaakt over verlenging van het convenant tot juni 2004.
In aanvulling op de kabinetsnota Arbeidsmarktbeleid voor etnische minderheden; plan van aanpak 2000–2003 is in april 2002 een plan aanpak naar de Tweede Kamer gestuurd om de arbeidsmarktpositie van hoger opgeleide vluchtelingen te verbeteren. In mei is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang1. Om de arbeidsdeelname van vrouwen van etnische minderheden te verhogen wordt er een landelijke stuurgroep ingesteld die op basis van de kabinetsreactie op beleidsaanbevelingen van de commissie AVEM aan slag gaat. In 2002 heeft het voorbereidende werk plaatsgevonden.
4.2 Activering en reïntegratie
Bestuurlijke afspraken Agenda voor de toekomst
In het kader van de Agenda voor de Toekomst zijn met gemeenten concrete afspraken gemaakt over het bevorderen van maatschappelijke participatie in de vorm van uitstroom naar betaald werk of – bij een grote afstand van de arbeidsmarkt sociale activering. In de naar de Tweede Kamer gezonden Eerste voortgangsrapportage is ingegaan op de in 2001 behaalde resultaten en is een tussenstand voor 2002 weergegeven. In 2001 zijn geen afspraken gemaakt over uitstroom uit trajecten, omdat een traject om een (vaak langdurig werkloze) bijstandsgerechtigde te activeren tijd vergt. In 2001 zijn 90% van de met Den Haag, Utrecht en de G26-gemeenten afgesproken prestatieafspraken gerealiseerd.
Met betrekking tot de prestaties 2002 is het beeld over de uitstroomprestaties in de eerste helft van 2002 divers. De G4- en G26-gemeenten samen hebben 23% van de afgesproken uitstroom gerealiseerd.
Reïntegratie arbeidsgehandicapten
Naar aanleiding van het evaluatierapport over de Wet REA zijn er in 2002 een aantal wijzigingen doorgevoerd ten aanzien van de subsidieaanvragen voor werknemers. In 2002 zijn minder subsidie aanvragen geweest dan in vergelijking met vergelijkbare subsidievormen in 2001. Dit komt omdat veel lopende aanvragen van 2001 in 2002 zijn afgehandeld en door de relatieve onbekendheid van de nieuwe regelingen. Eind 2002 is er sprake van een toename van het aantal aanvragen voor de nieuwe regelingen. Aangenomen mag worden dat de nieuwe regelingen voldoende bekend zijn.
Het rapport van de Commissie Donner II is voorgelegd aan de SER en de Raad voor het Overheidspersoneel (ROP). De voorstellen van de SERsluiten aan op de hoofdlijnen van het rapport van de Commissie Donner en liggen voor een deel in het verlengde daarvan. Het uitgangspunt in beide adviezen is dat niet arbeidsongeschiktheid moet worden verzekerd, maar dat arbeidsgeschiktheid moet worden geactiveerd. De ROP is er niet in geslaagd een gezamenlijk advies uit te brengen. Het Verbond Sectorwerkgevers Overheid en de Samenwerkende Centrales voor Overheidspersoneel hebben ieder een eigen advies uitgebracht.
4.3 Verbetering inkomenspositie specifieke groepen
Uitvoering motie Inkomenspositie langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief
Door het kabinet is besloten het wetsvoorstel «Lang-laag» in te trekken. Dit is inmiddels gebeurd. De totstandkoming van de financiële regeling voor langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief is in het kader van de voorbereiding van de nieuwe bijstandswet met de grootst mogelijke voortvarendheid ter hand genomen.
Het kabinet kiest ervoor om te komen tot afspraken met de gemeenten om al in 2003 de beschikbare middelen voor de gemeentelijke inkomensondersteuning toe te spitsen op deze doelgroep.
In het in november 2002 gesloten akkoord met de sociale partners is afgesproken dat daarvoor in 2003 door het Rijk € 20 miljoen aan het gemeentefonds wordt toegevoegd.
Inkomenspositie chronisch zieken/uitvoering motie Melkert
In 2002 zijn in het kader van een verbetering van de inkomenspositie van gehandicapten en chronische zieken, en mede ter uitvoering van de motie Melkert (Kamerstukken II, 2000–2001, 27 400, nr. 11), de volgende maatregelen ingevoerd.
• Aanpassing van het Belastingplan 2002 aan de fiscale voorstellen van de interdepartementale werkgroep Inkomenspositie Gehandicapten en Chronisch Zieken (IGCZ), waaronder de invoering van vermenigvuldigingsfactoren en de aftrekpost ziektekosten voor inwonende ernstig gehandicapte kinderen van 27 jaar en ouder.
• Naar aanleiding van de bij de behandeling van het Belastingplan 2002 ingediende motie Dijsselbloem (TK 2001–2002, 28 013, nr 24) is door het ministerie van VWS nader onderzoek aanbesteed met het oog op een verkenning van mogelijkheden voor een indirect model voor indicatiestelling. Bezien wordt of het resultaat aangrijpingspunten biedt voor meer gerichte van compensatie van niet vergoede kosten in verband met handicap of chronische ziekte. Uiterlijk juli 2003 zal de Kamer op de hoogte worden gesteld van de bevindingen.
Aan de hand van de in november 2002 verschenen resultaten van de tweede Emancipatiemonitor kan worden nagegaan in hoeverre de realisatie van de beleidsdoelen voor 2010 op schema liggen:
Stimuleren van een zelfstandig bestaan van vrouwen en mannen
De arbeidsparticipatie van vrouwen stijgt volgens planning. De economische zelfstandigheid van vrouwen is ook toegenomen, echter niet in een zodanig tempo dat het streven voor 2010 lijkt te worden gehaald. De groei van het aandeel van vrouwen in het totale inkomen uit arbeid tenslotte ligt op schema, waarmee het doel voor 2010 wordt bereikt.
Bevorderen van gelijke rechten, kansen, verantwoordelijkheden en vrijheden onder vrouwen en mannen
Het aandeel van mannen in het totaal aantal uren onbetaalde zorg is lager uitgekomen dan voor 2002 voorzien was. De voorzieningen voor het combineren van arbeid en zorg nemen echter toe. Er wordt ook meer van deze voorzieningen gebruik gemaakt.
Meer vrouwen zijn gaan deelnemen aan het openbare leven. Hun aandeel in de posities met macht en invloed is evenwel niet navenant gegroeid. In tegendeel, in het bedrijfsleven, de politiek, het openbaar bestuur en de wetenschap zijn vrouwen nog ondervertegenwoordigd.
Vergeleken met de streefcijfers in het Meerjarenbeleidsplan kan geconcludeerd worden dat er op veel terreinen het gestaag de beoogde richting uit gaat met het emancipatieproces, zij het niet altijd snel genoeg om de doelstellingen voor 2010 te halen. Op andere terreinen is sprake van achterblijvende groei. De aan dacht en inzet van het emancipatiebeleid zal zich in de toekomst met name op deze laatste terreinen richten.
4.5 Verbetering uitvoering sociale zekerheid
Op 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI) van kracht geworden. De uitvoeringsinstellingen en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) zijn samengevoegd tot de Uitvoeringsorganisatie Werknemersverzekeringen (UWV). In het kader van de opbouw van de organisatie heeft het UWV een vestigingsbeleid vastgesteld, dat onder andere voorziet in terugbrenging van het aantal regionale vestigingen van 171 naar 27. Gelijk oplopend met de nieuwe regionale organisatie worden ook de nieuwe werkprocessen geïmplementeerd. De uitvoering van de sociale zekerheidswetgeving heeft geen hinder ondervonden van de samenvoeging.
Per 1 januari 2002 zijn er 129 Centra voor Werk en Inkomen (CWI) operationeel. Bij de start geconstateerde aanloopproblemen zijn gaandeweg het jaar langzamerhand opgelost. De CWI's hebben zich in het eerste half jaar in sterke mate toegelegd op de uitvoering van de uitkeringsintake, i.c. op de juiste, volledige en tijdige overdracht van gegevens aan UWV en sociale diensten. Na de eerste paar maanden is er meer geïnvesteerd in de vervulling van de poortwachtersrol en in werkgevers.
Medio mei 2003 vindt de eerste evaluatie van de Wet SUWI plaats.
Het verslag over de uitkomsten van de in 2002 uitgevoerde toezichtswerkzaamheden, ook met betrekking tot de uitvoering van de Abw, wordt separaat door de Inspectie Werk en Inkomen uitgebracht en door de minister ter kennis van de beide Kamers der Staten-Generaal gebracht.
Stroomlijning informatievoorziening gemeenten
Het ministerie van SZW heeft in 2002 een stroomlijning doorgevoerd van de diverse communicatiekanalen gericht op gemeenten (onder meer overleg met bestuurders, brieven van en aan gemeenten, bijeenkomsten voor gemeenten, telefoonverkeer met gemeenten). In 2003 wordt hier een vervolg op gegeven. De aanleiding was het omvangrijke pakket maatregelen van het kabinet op het terrein van werk en inkomen gemeenten. De doelstelling is gemeenten vanuit het ministerie van SZW eenduidig over de uitwerking van dit pakket maatregelen te benaderen.
4.6 Naleving regelgeving; inspectie en handhaving
Veiligheid en gezondheid op het werk
Voor de effectiviteit van de regelgeving is controle op de naleving van groot belang. In 2002 is, mede met de inzet van een aantal nieuw aangetrokken Arbeidsinspecteurs, het beoogde aantal arbo-interventietrajecten gerealiseerd. Het instrument bestuurlijke boete wordt ook steeds meer ingezet door de Arbeidsinspectie. Evaluatie wijst uit dat dit effectief is. Na inzet van het boete-instrument is in ruim 80 procent van de gevallen de overtreding daadwerkelijk opgeheven op het moment van eerste hercontrole.
Bijzondere opsporing van zwaardere gevallen
De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) is 1 januari 2002 van start gegaan. De opsporingsambtenaren van SIOD zullen na invoering van de Kaderwet Bijzondere Opsporingsdiensten gelijk gesteld worden met rechercheonderdelen van de politie. Naar het zich laat aanzien zal de Kaderwet BOD'en niet voor 1 januari 2004 zijn ingevoerd. De opsporingsambtenaren van SIOD zijn momenteel aangewezen krachtens artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering.
Het jaar 2002 stond bij de SIOD vooral in het teken van de opbouw van de organisatie, het opbouwen van een netwerk met de opsporingspartners en het opleiden en inwerken van de medewerkers. Door het opleidingsprogramma leidde de toename van het aantal medewerkers (eind 2002 circa 170 fte) in eerste instantie niet tot een evenredige toename van de productie. Daarnaast heeft SZW besloten tot temporisering van de werving omdat het opleiden en inwerken van de nieuwe medewerkers meer tijd in beslag nam dan voorzien.
In de loop van 2002 zijn de opsporingsonderzoeken van start gegaan. De bij de begroting 2002 SZW voorziene 60 zaken zijn in het handhavingarrangement SZW voor 2002 teruggebracht. Hierin is afgesproken dat de SIOD tussen de15 en 25 zware onderzoeken zou doen en dat de SIOD in het kader van de ontwikkeling van de organisatie tussen de 15 en 20 zaken op zou pakken. De «leeronderzoeken» zijn vervallen omdat er gekozen is voor zwaardere opleidingstrajecten en het praktischer bleek het opdoen van ervaring onder te brengen in de grote opsporingsonderzoeken. De SIOD heeft in 2002 in totaal zesentwintig operationele grote opsporingsonderzoeken gestart. Drie onderzoeken zijn inmiddels afgerond. De opsporingsonderzoeken bevinden zich met name op de volgende SZW-terreinen: premie- en werkgeversfraude, malafide intermediairs en illegale tewerkstelling. Daarnaast zijn in 2002 enkele onderzoeken op het gebied van ESF-fraude en uitkerings- en voorzieningenfraude gestart.
4.7 Nieuwe prioriteiten gedurende 2002
In 2002 is € 11 miljoen uitgetrokken voor de opheffing met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 van de onvolledige AOW-opbouw van echtgenotes van mannen die tussen 1957 en 1985 in het buitenland hebben gewoond.
Aan de aanvullende pensioenen is in de Sociale Nota 2002 geen expliciete aandacht besteed. In het jaar 2002 is sprake geweest van de volgende activiteiten en nieuwe prioriteiten:
• Op 27 maart 2002 heeft Staatssecretaris Hoogervorst de notitie Hoofdlijnen voor een nieuwe Pensioenwet aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2001–2002, 28 294, nr. 1). De Tweede Kamer heeft deze notitie twee maal controversieel verklaard waardoor deze niet besproken is.
• In de loop van 2002 is het onderwerp «pensioenen» hoog op de Europese agenda komen te staan. Het kabinet heeft op 12 juli 2002 het Nationaal Actieplan Pensioenen aan de Europese Commissie, en in afschrift aan de Tweede Kamer gestuurd. Tevens hebben de Europese Lidstaten een Gemeenschappelijk Standpunt geformuleerd op de Europese Richtlijn betreffende de werkzaamheden van pensioenfondsen.
• Als gevolg van de ontwikkelingen op de financiële markten zijn de buffers van de pensioenfondsen verminderd. Op 30 september heeft de toezichthouder, de Pensioen- & Verzekeringskamer, een circulaire verstuurd aan alle pensioenfondsen waarin zij opgedragen worden aan te geven of er sprake is van onderdekking dan wel buffertekort en tevens opgedragen worden een herstelplan in te dienen. Staatssecretaris Rutte heeft in opeenvolgende brieven de Tweede Kamer geïnformeerd over de financiële positie van pensioenfondsen. Op 31 oktober 2002 heeft een Algemeen Overleg over dit onderwerp plaatsgevonden. In het Najaarsoverleg met sociale partners is geconstateerd dat wat de dekkingsgraad van de pensioenfondsen betreft, maatwerk als uitgangspunt de essentie is. In 2003 zal het totaalbeeld van de ingediende herstelplannen de basis vormen voor een gesprek van het kabinet met de Stichting van de Arbeid. Tevens zullen kabinet en sociale partners in 2003 overleg voeren over het financieel toetsingkader ten behoeve van de nieuwe Pensioenwet, gericht op gezamenlijke conclusies.
De tabel «Beleidsmatige conclusies ten aanzien van beleidsprioriteiten» geeft aan welke beleidsconclusies er op basis van de verantwoordingsgegevens zijn getrokken. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Vendrik (Kamerstukken II, 2001–2002, 28 380, nr. 81).
| Tabel 4.6: Beleidsmatige conclusies ten aanzien van de beleidsprioriteiten | ||
|---|---|---|
| Prioriteit | Beleid wordt geïntensiveerd/geëxtensiveerd/ongewijzigd voortgezet | Te nemen maatregelen/te ondernemen activiteiten |
| 1. Vergroten Arbeidsaanbod | ||
| A. Algemene maatregelen | ||
| • Verkleining armoedeval | Herprioritering van beleid | Bestrijding van de armoedeval is van groot belang daar waar het gaat om het terugdringen van de uitkerings-afhankelijkheid en het bevorderen van de arbeidsparticipatie en scholing . Nadere maatregelen zijn aan de orde gekomen in begroting voor 2003 en komen aan de orde in de begroting voor 2004. |
| • Toetrederskorting en afdrachtsvermindering | Beleid wordt geëxtensiveerd. | Afdrachtvermindering voor werkgevers is niet door de Kamer overgenomen.De toetrederskorting is met ingang van 2003 vervallen. |
| • Vervanging uitstroompremies | Beleid wordt geëxtensiveerd. | Uitstroompremies zijn vervangen door de toetrederskorting. De toetrederskorting is per 1–1-2003 weer vervallen i.v.m. de verhoging van fiscale heffingskortingen. |
| • Combineren arbeid en zorg | Beleid wordt voortgezet. | |
| • Flexibele beloning | Beleid wordt geëxtensiveerd. | Door aannemen amendement op het belastingplan 2002 zijn de gereserveerde gelden op een andere wijze ingezet. |
| • Premiestelling sociale fondsen | Beleid wordt voortgezet. | In 2003 worden voorstellen ten aanzien van de omvang van de overschotten in de fondsen voor de werknemersverzekeringen aan de Kamer gezonden. |
| B. Verhogen arbeidsdeelname specifieke groepen | ||
| • Verhogen arbeidsdeelname ouderen | Beleid wordt ongewijzigd voortgezet. | Nieuwe kabinet beslist over herinvoering sollicitatieplicht + WWOWO.b.v. eindrapport Taskforce Ouderen en Arbeid wordt plan van aanpak opgesteld voor follow up |
| • Verhogen arbeidsdeelname laag opgeleiden | Beleid op terrein stimuleren arbeidsvraag laagopgeleiden wordt geëxtenisveerd. | SPAK en VLW worden in 4 jaar afgebouwd en jongeren-Spak per 2003 afgeschaft. |
| • Verhogen arbeidsdeelname etnische minderheden | Beleid wordt ongewijzigd voortgezet. | Via stuurgroep extra aandacht voor allochtone vrouwen |
| 2. Activering en reïntegratie | ||
| • Bestuurlijke afspraken Agenda voor de toekomst | Beleid wordt ongewijzigd voortgezet als opmaat voor de voorgenomen nieuwe wet Abw/FWI. | Flexibilisering van prestatieafspraken onder handhaving van resultaten (output) = 300 000 trajecten en 40% uitstroom. |
| • Reïntegratie arbeidsgehandicapten | Beleid wordt geïntensiveerd. | Nieuwe commissie in vervolg op Westerlaken en Donner I om expertise en beeldvorming over arbeidsmogelijkheden van arbeidsgehandicapten te versterken. |
| • Commissie Donner II | Beleid wordt geïntensiveerd. | In de nieuwe WAO zal bevordering arbeidsongeschiktheid het uitgangspunt zijn. |
| 3. Verbetering inkomenspositie specifieke inkomensgroepen | ||
| • Motie Inkomenspositie langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief | In gewijzigde vorm opgenomen in voorgenomen nieuwe wet Abw/FWI | Wetsvoorstel «Lang-laag» is ingetrokken. Middelen voor gemeentelijke inkomensondersteuning worden toegespitst op deze doelgroep. |
| • Chronisch zieken | Beleid wordt voortgezet. | Mogelijkheden tot indicatiestelling ter verdere verbetering worden verkend. Eind juli 2003 wordt de TK hierover geïnformeerd. |
| 4. Emancipatie | Beleid wordt geherprioriteerd. | |
| 5. Verbetering uitvoering sociale zekerheid | ||
| • Suwi | Beleid wordt voortgezet. | Instrumenten in het kader van planning en controlcyclus worden verder uitgebouwd (o.a. aanscherping prestatie-indicatoren). |
| • Uitvoering Abw | In het jaarverslag Inspectie Werk en Inkomen wordt verslag gedaan. | |
| 6. Naleving regelgeving; inspectie en handhaving | ||
| • Veiligheid en gezondheid op het werk | Beleid wordt geïntensiveerd. | Acties om werken met gevaarlijke stoffen veiliger te maken (SOMS-traject), het starten van veiligheidsverbetertrajecten in bedrijven en de ontwikkeling van een risicomodel voor bedrijfsveiligheid met bijbehorende gegevensverzameling. |
| • Bijzondere opsporing van zwaardere gevallen | Beleid wordt voortgezet. | De SIOD zal in 2005 de structurele formatie van 326 fte bereiken. |
| 7. Nieuwe prioriteiten gedurende 2002 | ||
| • AOW-gat | Beleid wordt voortgezet | |
| • Pensioenen | Beleid wordt voortgezet. | In 2003 zal het kabinet met de Pensioen- & Verzekeringskamer en met de sociale partners overleg voeren over het financieel toetsingskader ten behoeve van de Pensioenwet. |
Beleidsartikel 1 Basisdienstverlening Werk en Inkomen (CWI)
De CWI bevordert de werking van de arbeidsmarkt door het bij elkaar brengen van vraag en aanbod ten behoeve van werklozen, andere werkzoekenden en werkgevers. De CWI zorgt voor een zodanige dienstverlening op het terrein van werk en inkomen dat werkzoekenden op een zo kort mogelijke termijn aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en werkgevers hun vacatures op zo kort mogelijke termijn kunnen vervullen. Voor zo ver nodig wordt voor werkzoekenden een uitkeringsintake verricht.
Met de bekrachtiging van de SUWI wet op 1 januari 2002 voert de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI) een aantal taken uit die voorheen werden uitgevoerd door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (Arbvo), gemeenten en uitvoeringsinstellingen (uvi's).
De CWI tracht zo veel mogelijk zijn dienstverlening aan één loket vorm te geven. Hiertoe verzorgt de CWI zowel de ondersteuning bij de uitstroom naar werk, die voorheen werd uitgevoerd door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, als de uitkeringsintake, die voorheen door gemeenten en uvi's werd gedaan.
Doordat het zoeken naar werk en het aanvragen van een uitkering niet langer gescheiden zijn kan de CWI zijn dienstverlening richten op het uitvoeren van de taakstelling Werk boven Inkomen. Het op een zo kort mogelijke termijn bemiddelen van mensen naar werk, die anders in aanmerking komen voor een uitkering, is een belangrijke taak van de CWI. In eerste instantie kijkt de CWI of er geschikt werk is voor de klant en bemiddelt deze dan direct naar werk. Daarnaast beoordeelt de CWI de afstand van werkzoekenden tot de arbeidsmarkt en wordt er een persoonlijk advies opgesteld om deze afstand te overbruggen. Om personen te bemiddelen naar werk hebben werkgevers de mogelijkheid om vacatures aan te melden bij de CWI. Indien een werkzoekende niet direct naar werk kan worden bemiddeld, verzamelt de CWI de uitkeringsgegevens die de ketenpartners (UWV en gemeenten) nodig hebben, voor het bepalen van een recht op een uitkering. Naast deze werkzaamheden behoort ondermeer het verstrekken van tewerkstellings- en ontslagvergunningen tot de taken van de CWI.
Deze nieuwe structuur houdt in dat de CWI, ten opzichte van de voormalige Arbeidsvoorzieningsorganisatie, actiever diensten verleent, aan werkzoekenden, werkgevers en intermediairs, beleidsmakers, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de Gemeentelijke sociale dienst (GSD).
1.2 Operationele doelstellingen
1. Inrichting van een operationeel netwerk van 131 CWI's;
2. Iedere bij de CWI ingeschreven werkzoekende krijgt passende dienstverlening aangeboden in de vorm van bemiddeling naar werk (en indien nodig uitkering) zodat werkzoekenden op een zo kort mogelijke termijn aan het arbeidsproces kunnen deelnemen;
3. Iedere werkgever die bij de CWI een vacature aanmeldt krijgt passende dienstverlening aangeboden. Hetzij via de toegang tot de Nationale Vacature en Sollicitantenbank (NVS), hetzij in de vorm van het aanbieden van geschikte kandidaten voor de vervulling van een vacature, zodat deze op zo kort mogelijke termijn vervuld worden;
4. Uitkeringsdossiers en de fase 2,3 en 4 reïntegratieadviezen moeten binnen een bepaalde periode en compleet worden overgedragen aan gemeenten of UWV.
Operationele doelstelling 1 Inrichting van een operationeel netwerk van 131 CWI's
Het streven om per 1 januari 2002 131 CWI vestigingen te laten opereren is gerealiseerd. Eind 2002 waren er weliswaar 129 CWI vestigingen operationeel, maar in Amsterdam Nieuw-West en de regio Eindhoven zijn de activiteiten van twee vestigingen samengevoegd.
Het begin van 2002 heeft in het teken gestaan van het «inleren en inregelen» van de nieuwe werkprocessen en het integreren van de werknemers (die uit drie organisaties afkomstig waren). Tevens stond in deze periode het maken van afspraken op lokaal niveau met de ketenpartners centraal. Hierdoor was het niet mogelijk om de uit de SUWI-wet voortvloeiende taken naar behoren uit te voeren. Zoals uit de aanbevelingen van bureau Berenschot blijkt zijn de poortwachtersfunctie en de werkgeversbenadering in het eerste half jaar van 2002 nog onvoldoende ontwikkeld. De in deze periode ontstane achterstanden en de lange wachttijden zijn vanaf het tweede deel van 2002 teruggebracht. De huidige stand van zaken laat zien dat het dienstverleningsconcept van de CWI verder is ontwikkeld (ook t.a.v. de poortwachtersfunctie en de werkgeversbenadering) en dat de opgelopen achterstanden1 voor een belangrijk deel zijn ingelopen. Ondanks deze inspanningen zijn de bedrijfsprocessen van de CWI organisatie nog niet optimaal en dient er in de toekomst nog een aantal efficiency- en kwaliteitsslagen gemaakt te worden.
Het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) is in 2002 als onderdeel van de CWI ingericht. BKWI beheert de centrale systeemdelen van Suwinet, en voert tevens operationeel beheer van de Suwinet-standaards. Hiertoe zijn in afstemming met de ketenpartners de noodzakelijke beheerprocessen en -procedures ingericht en uitgevoerd. BKWI heeft in 2002 voor de verdere ontwikkeling van de gegevensuitwisseling in de keten projecten uitgevoerd, ter consolidatie van ontwikkelde voorzieningen en beheerprocessen (m.n. de Suwinet-Inkijk) en voorbereiding van nieuwe uitwisselingen.
Operationele doelstelling 2 Iedere bij de CWI ingeschreven werkzoekende krijgt passende dienstverlening aangeboden in de vorm van bemiddeling naar werk (en indien nodig uitkering) zodat werkzoekenden op een zo kort mogelijke termijn aan het arbeidsproces kunnen deelnemen.
Van de personen die zich inschrijven bij een CWI-vestiging dient de afstand tot de arbeidsmarkt, c.q. de kans op het vinden van werk, beoordeeld te worden (fasering). Personen van wie de kans op het vinden van werk groot wordt geacht komen in aanmerking voor actieve bemiddeling door de CWI (fase 1). Met personen van wie de kans op het vinden van werk geringer wordt geacht, wordt een nader beoordelingsgesprek (kwalificerende intake) gevoerd; de CWI maken een nadere inschatting van de afstand tot de arbeidsmarkt en bepaalt tot welke fase (fase 2, 3, 4) de personen behoren. Voor personen die behoren tot fase 2 en fase 3 wordt een reïntegratieadvies opgesteld.
| Tabel 1.1: Dienstverlening werkzoekenden | ||
|---|---|---|
| Prestatiegegevens dienstverlening werkzoekenden | Streven | Realisatie |
| Aandeel ingeschreven niet-werkende fase 1 cliënten met inschrijvingsduur van meer dan 6 maanden binnen totaal ingeschreven niet-werkende fase 1 cliënten | 21% | |
| Gemiddelde verblijfsduur van fase-1 cliënten in de CWI-registratie. | < 6 maanden | |
| Plaatsingpercentage – na actieve bemiddeling – naar werk van fase 1 cliënten binnen zes maanden | 70% | 55% |
| Plaatsingpercentage – na actieve bemiddeling – naar werk van fase 1 cliënten binnen twaalf maanden | – | |
| Aantdeel etnische minderheden fase 1 in totaal ingeschreven niet-werkende fase 1 cliënten met inschrijvingsduur van meer dan 6 maanden | 21% | |
| Aandeel van etnische minderheden fase 1 in het aantal plaatsingen fase 1 binnen 6 maanden. | 70% | 49% |
| Rapportcijfer klanttevredenheid werkzoekenden. | 7 | 7,5 |
Bron: Kwartaalverslag 4e kwartaal 2002 met bijbehorende tabellen, CWI.
Van de instroom in het eerste en tweede kwartaal van 2002 bedraagt het uitstroompercentage van fase 1 cliënten die naar werk zijn bemiddeld 55%. De uitstroom van werkzoekenden die een uitkeringsintake WW hebben gehad (56%) is hoger dan de uitstroom van werkzoekenden die een uitkeringsintake Abw hebben gehad (50%). Het uitstroompercentage van etnische minderheden (fase 1) bedraagt 49% in 2002. De norm voor het uitstroompercentage, dat gesteld is op 70% is zowel voor de totale uitstroom als voor de etnische minderheden niet gerealiseerd. (Bron: Jaarverslag 2002, CWI). In 2002 is gebleken dat het plaatsingpercentage van fase 1 cliënten en het aandeel van etnische minderheden fase 1 in het aantal plaatsingen binnen zes maanden niet leverbaar was. Hiervoor in de plaats is de uitstroomquote binnen zes maanden van fase 1 cliënten en de uitstroomquote van etnische minderheden fase 1 gemeten.
In het kader van de dienstverlening aan doelgroepen konden personen die tot de etnische minderheid behoren gebruik maken van de één-op-één aanpak1 die in het kader van het MKB-minderhedenconvenant is ontwikkeld. De taakstelling voor het plaatsen van etnische minderheden in 2002 bedraagt 23 000, waarvan er na vier kwartalen 26 324 zijn gerealiseerd. Dit is 114% van de taakstelling in 2002. (Bron: Kwartaalverslag 4e kwartaal 2002, CWI).
De wijze waarop werkzoekenden de dienstverlening van de CWI waarderen komt tot uitdrukking in het rapportcijfer klanttevredenheid werkzoekenden. In een onderzoek naar de klanttevredenheid dat in het tweede kwartaal van 2002 is uitgevoerd blijkt dat werkzoekenden de CWI waarderen met een 7,5 (op een schaal van 10). Het streven voor dit cijfer bedraagt een 7. Hieruit blijkt dat de werkzoekenden de dienstverlening van de CWI positief waarderen. (Bron: Kwartaalverslag 3e kwartaal 2002, CWI).
In 2002 zijn er een tweetal prestatiegegevens toegevoegd aan de verplichte prestatiegegevens, die de prestaties van de CWI met betrekking tot de plaatsing van fase 1 cliënten inzichtelijker maakt. Het eerste prestatiegegeven is het aandeel ingeschreven niet-werkende fase-1 cliënten met inschrijvingsduur van meer dan 6 maanden binnen totaal ingeschreven niet werkende fase-1 cliënten. Het tweede nieuwe prestatiegegeven dat in 2002 wordt geregistreerd is het aandeel etnische minderheden in totaal ingeschreven niet-werkende fase-1 cliënten met inschrijvingsduur van meer dan 6 maanden binnen totaal ingeschreven niet werkende fase-1 cliënten. Voor deze twee prestatie-indicatoren zijn nog geen streefcijfers geformuleerd.
Iedere werkgever die bij de CWI een vacature aanmeldt krijgt passende dienstverlening aangeboden. Hetzij via de toegang tot de Nationale Vacature en Sollicitantenbank (NVS), hetzij in de vorm van het aanbieden van geschikte kandidaten voor de vervulling van een vacature, zodat deze op zo kort mogelijke termijn vervuld worden.
De actieve dienstverlening en bemiddeling hebben ook betrekking op de dienstverlening aan werkgevers. De CWI biedt werkgevers de mogelijkheid om vacatures te presenteren. Het doel is zoveel mogelijk vacatures in de databank te krijgen, om zo de kans te vergroten dat werkzoekenden aan het werk komen. De CWI heeft als taak om actief te bemiddelen bij de vervulling van vacatures.
Het aantal vervulde vacatures t.o.v. het aantal gemelde vacatures, waarbij de CWI «voorwerk» verricht t.b.v. de werkgevers bedraagt 41%. Het streven van deze quote is 40%.
| Tabel 1.2: Dienstverlening werkgevers | ||
|---|---|---|
| Prestatiegegevens dienstverlening werkgevers | Streven | Realisatie |
| Vervullingsquote (= aantal vervulde vacatures ten opzichte van het aantal aangemelde vacatures). | Ten minste 40%* | 41% |
| Gemiddelde inschrijvingsduur vacatures. | – | – |
| Marktbereik op de totale vacaturemarkt | 32% | 21% |
| Rapportcijfer klanttevredenheid werkgevers. | 7 | – |
Bron: Kwartaalverslag 4e kwartaal 2002, CWI.
* De uitstroom naar werk of de vervulling van vacatures die gerealiseerd wordt via zelfstandig gebruik van de NVS wordt niet gemeten.
De gegevens over de gemiddelde inschrijvingsduur vacatures worden niet geregistreerd. Hiervoor in de plaats wordt het marktbereik van de CWI op de totale vacaturemarkt gemeten. In het jaar 2002 is het marktbereik 21% (norm 32%). De oorzaak dat deze norm niet wordt gehaald wijt de CWI aan de opstartproblemen in het eerste kwartaal die ertoe hebben geleid dat er minder aandacht heeft kunnen zijn voor werkgevers. Inmiddels zijn de contacten met werkgevers (vacatureacquisitie, bedrijfsbezoek) aangehaald en heeft de CWI haar dienstverleningsconcept voor werkgevers uitgebreid.
Het eerste klanttevredenheidsonderzoek onder werkgevers zal in de eerste helft van 2003 worden gehouden. Daarom kan er op dit moment niets gezegd worden over de klanttevredenheid.
Operationele doelstelling 4 Uitkeringsdossiers en de fase 2,3 en 4 werkdossiers moeten binnen een bepaalde periode en compleet worden overgedragen aan gemeenten of UWV.
Na de kwalificerende intake door de CWI worden fase 2, 3 en 4 cliënten ten behoeve van hun reïntegratie overgedragen aan gemeenten en UWV. De overdracht gaat gepaard met een reïntegratieadvies ten behoeve van de uitkeringsinstantie. Voorts dienen de uitkeringsdossiers tijdig en volledig te worden overgedragen aan UWV of gemeenten.
| Tabel 1.3: Overdracht reïntegratieadviezen en uitkeringsdossiers | ||
|---|---|---|
| Prestatiegegevens | Streven | Realisatie |
| Aantal tijdig (d.w.z. binnen 3 werkdagen) overgedragen reïntegratieadviezen in totaal aantal overgedragen reïntegratieadviezen | – | 100% |
| Aandeel tijdig (d.w.z. binnen 8 werkdagen) overgedragen uitkeringsdossiers in totaal aantal overgedragen uitkeringsdossiers | 80% | 80% |
| Rapportcijfer klanttevredenheid uitkerende instanties. | 7 | – |
Bron: Kwartaalverslag 4e kwartaal 2002, CWI.
Het aandeel tijdig overgedragen uitkeringsdossiers ten opzichte van het totaal aantal overgedragen uitkeringsdossiers is in 2002 gelijk aan 80%. Voor de uitkeringsdossiers Abw is het aandeel dat tijdig wordt overgedragen 92%, voor de uitkeringsdossiers WW is het aandeel lager, namelijk 77%. In 2002 geldt als norm dat 80% van de uitkeringsdossiers tijdig worden overgedragen. Wat de tijdige overdracht van uitkeringsdossiers Abw betreft is dit streven gerealiseerd. Voor de WW (en IOAW) is de norm niet gehaald.
Voor zowel de Abw als de WW laat het aandeel van de uitkeringsdossiers dat volledig wordt overgedragen aan gemeenten en UWV een stijgende trend zien. Per 1 mei 2002 heeft de CWI in samenwerking met de ketenpartners de Lijnmonitor Kwaliteit ontwikkeld. Met deze monitor wordt beoogd om met een maandelijkse frequentie per CWI vestiging de kwaliteit van de overdrachtdossiers te volgen. Hiertoe zijn in eerste instantie de definities van volledigheid afgestemd met de gemeenten en UWV.
In 2002 is in het kader van de kwaliteitscriteria voor de kwalificerende intake en het reïntegratieadvies een werkgroep geformeerd. Deze werkgroep heeft als doel het verbeteren van het gebruik van de diensten in de keten rond reïntegratie van klanten van gemeenten, met name aan de wijze en het moment van rapporteren is aandacht besteed.
Met UWV zijn er in het kader van Service Niveau Overeenkomst (SNO) reeds afspraken gemaakt over kwaliteit en overdrachtsmoment van de reïntegratieadviezen. Er zijn afspraken gemaakt m.b.t. de eisen aan inhoud, lay-out en volledigheid van het reïntegratieadvies. Dit is in een «afsprakendocument» vastgelegd.
Het klanttevredenheidsonderzoek onder uitkerende instanties is niet uitgevoerd. Deze zal worden uitgevoerd in 2003.
1.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Beleidsartikel 1. Basisdienstverlening Werk en Inkomen | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 561 870 | 497 467 | 435 636 | 252 819 | 182 817 |
| Uitgaven | 561 870 | 497 467 | 435 613 | 252 819 | 182 794 |
| Apparaatsuitgaven | 472 | 1 924 | – 1 452 | ||
| Personeel | 435 | 1 301 | – 866 | ||
| Materieel | 37 | 623 | – 586 | ||
| Programmauitgaven | 561 870 | 497 467 | 435 141 | 250 895 | 184 246 |
| CWI | 561 870 | 497 467 | 421 179 | 250 895 | 170 284 |
| BKWI | 13 962 | 13 962 | |||
| Ontvangsten | 158 823 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Uitgaven en verplichtingen 2000 en 2001 hebben betrekking op de totale rijksbijdrage Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Bron: SZW-administratie.
De stand vastgestelde begroting 2002 is gebaseerd op de omvang van de basis dienstverlening van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In het bedrijfsplan CWI 2002 is een indicatie gegeven van de taken, productie en prestaties en de daarvoor in 2002 benodigde middelen om deze te realiseren. Deze taken wijken af van de taken van de voormalige Arbeidsvoorzieningsorganisatie (o.a. uitkeringsintake en MKB). Het initiële budget van € 253 miljoen is derhalve gedurende de begrotingsuitvoering 2002 naar boven bijgesteld tot € 439,5 miljoen mede ten behoeve van de kosten van de transformatie. Uiteindelijk is € 435,6 miljoen gerealiseerd.
De onderzoeken naar de tevredenheid van de klanten van de CWI zijn in 2002 slechts voor de klantgroep werkzoekenden uitgevoerd. In 2003 zal de CWI de tevredenheid van de werkgevers en ketenpartners meten.
Tevens heeft de CWI enkele prestatiegegevens gedurende het jaar niet geregistreerd en zijn voor 2003 een aantal komen te vervallen en een aantal vervangen door prestatiegegevens, die beter aansluiten op het dienstverleningsconcept van de CWI.
Het plaatsingspercentage -na actieve bemiddeling- naar werk van fase 1 cliënten binnen twaalf maanden is in 2002 niet gemeten, zo ook de gemiddelde verblijfsduur van fase 1 cliënten in de CWI-registratie. Deze laatste wordt in 2003 vervangen door de uitstroomquote: gemiddelde uitstroom (in dagen) binnen zes maanden na datum ingang uitkering. In 2003 zal voorts de preventiequote voor het eerst worden opgenomen als prestatiegegeven. Mede door deze aanpassingen worden de prestaties van de CWI inzichtelijker en kan een volwaardiger VBTB-jaarverslag worden gerealiseerd.
In 2003 zal de CWI rapporteren aan de hand van het Model Verantwoording en Controle CWI 2003. In dit document wordt een helder kader beschreven welke verantwoordelijkheden worden belegd bij de CWI en op welke wijze daarover gerapporteerd dient te worden. De CWI zal zich verantwoorden over het functioneren, zowel wat betreft de financiële aspecten, als wat betreft de niet-financiële uitvoeringsaspecten. Voorts zal de CWI voorzien in de behoefte aan beleidsinformatie. Deze informatie wordt gebruikt voor het analyseren van verbanden en ontwikkelingen en is een onmisbare basis voor beleidsontwikkeling op het gebied van werk en inkomen.
Beleidsartikel 2 Stimulering en kwaliteitsbevordering arbeidsaanbod
Het bevorderen van duurzame arbeidsparticipatie door: het realiseren van een sluitende keten van reïntegratie voor nieuwe en langdurig werklozen; het wegwerken van kwalitatieve achterstanden van minder kansrijke werklozen en werkende werkzoekenden; het voor niet-actieven financieel aantrekkelijk maken zich op de arbeidsmarkt aan te bieden; het bevorderen van op minder kansrijke groepen gericht personeelsbeleid door werkgevers.
Voor de economische ontwikkeling is het van belang dat Nederland beschikt over een kwalitatief en kwantitatief toereikend arbeidsaanbod. Door de arbeidsparticipatie te vergroten, kan een groter arbeidsaanbod worden bereikt. In 2002 was voorzien om extra aandacht te besteden aan het bereiken van een evenredige arbeidsparticipatie van gedeeltelijk gehandicapten, etnische minderheden, vrouwen, laag opgeleiden en ouderen.
Naast de arbeidsparticipatie was ook in 2002 de kwaliteit van het aanbod een aandachtspunt, zowel voor werkenden als nog niet-werkenden1.
De middelen die in 2002 begroot waren voor reïntegratietrajecten staan weergegeven in tabel 2.1. Naast de middelen staan in de tabel het aantal geraamde trajecten, plaatsingen en de plaatsingsresultaten opgenomen. Dit betreft nu nog geraamde resultaten. Er wordt naar gestreefd om in volgende jaarverslagen steeds vaker gerealiseerde resultaten op te nemen.
| Tabel 2.1: Middelen voor en resultaten van reïntegratietrajecten 2002 | ||
|---|---|---|
| 2002 | ||
| Middelen voor inkoop reïntegratietrajecten | WAO | 222 mln |
| (geraamde uitgaven) | WW | 75 mln |
| Abw+overig | 389* mln | |
| Totaal | 686 mln | |
| Aantal reïntegratietrajecten | WAO | 48 000 |
| (WW en WAO: voorlopige realisaties) | WW | 17 000 |
| (Abw: prestatie-afspraken AvdT) | Abw | 95 000** |
| Totaal | 160 000 | |
| Aantal plaatsingen | WAO | 14 400 |
| (voorlopige realisaties) | WW | 6 800 |
| Abw | 9 500** | |
| Totaal | 30 700 | |
| Plaatsingsresultaten | WAO | 30% |
| (WW en WAO: voorlopige realisaties) | WW | 40% |
| (Abw: afspraak AvdT) | Abw | 40%*** |
Bronnen: UWV en SZW.
* Exclusief terugontvangsten.
** Dit betreft mensen die een Abw-uitkering ontvangen. De gegevens komen uit de Agenda voor de Toekomst (afspraken tussen SZW, VNG en gemeenten).
*** Gegevens van Agenda voor de Toekomst. Een plaatsingsresultaat van 40% is de afspraak die met gemeenten zijn gemaakt in het kader van de Agenda voor de Toekomst over het aantal plaatsingen in 2006 van gestarte trajecten in de periode 1 juli 2001 tot en met 2004. Omdat in 2002 en 2003 nog een groot deel van de gestarte trajecten niet beëindigd zijn is het effectieve plaatsingspercentage in deze jaren derhalve lager.
2.2. Operationele doelstellingen
1. Nieuw ingeschreven werklozen en jeugdige werklozen (< 23 jaar) die niet op eigen kracht werk kunnen vinden, krijgen een aanbod voor activiteiten gericht op werk of sociale activering;
2. Langdurig werklozen krijgen een aanbod voor aanvullende activiteiten ter versterking van hun arbeidsmarktpositie;
3. Bevordering economische zelfstandigheid en stimuleren van het aanvaarden van (duurzaam) niet-gesubsidieerd werk door bijstandsgerechtigden, werknemers op Wiw-dienstbetrekkingen, ID-banen en Wsw-plaatsen en nieuwe toetreders tot de arbeidsmarkt door het verstrekken van een toetrederskorting (heffingskorting), en de uitstroomregeling ex-banenpoolers in de Wiw;
a4. Daling aandeel werkenden en werklozen zonder startkwalificatie in de beroepsbevolking van 25–64 jaar;
5. Het vergroten van de netto-arbeidsparticipatie van etnische minderheden.
Een aantal van de opgenomen indicatoren bij de operationele doelstellingen zijn voor het eerst opgenomen in de begroting van 2003, maar hebben betrekking op het jaar 2002. Deze indicatoren over 2002 zijn opgenomen in dit departementaal jaarverslag.
nieuw ingeschreven werklozen en jeugdige werklozen (< 23 jaar) die niet op eigen kracht werk kunnen vinden, krijgen een aanbod voor activiteiten gericht op werk of sociale activering.
De Sluitende Aanpak is geënt op Europese richtsnoeren op het terrein van werkgelegenheid, die in 1997 zijn opgesteld in het kader van het Verdrag van Amsterdam. Om langdurige werkloosheid zoveel mogelijk te voorkomen krijgt iedereen die in een uitkering stroomt en niet op eigen kracht werk kan vinden binnen 12 maanden een aanbod gericht op werk of sociale activering. Voor jongeren geldt dat zij binnen 6 maanden een aanbod ontvangen. Aan jongeren die na 12 maanden nog geen werk of aanbod hebben ontvangen, dient de gemeente volgens de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW) een dienstbetrekking aan te bieden, tenzij een andere voorziening meer aangewezen is. Daarmee realiseren we een Sluitende Aanpak voor jongeren.
Voor volwassen geldt voor 2002 het streven om een sluitendheid1 van in elk geval meer dan 86% te bereiken (= realisatie 2000). In 2002 was de sluitendheid voor volwassenen 83% inclusief 3% weigeringen. De sluitendheid ligt hiermee op een lager niveau dan in 2001.
| Tabel 2.2: Prestaties Sluitende Aanpak nieuw ingeschreven werklozen 2002 | |
|---|---|
| Realisatie | |
| Sluitendheid: nieuw ingeschreven werklozen die ofwel werk vinden of binnen 12 maanden een aanbod hebben gekregen gericht op werk of sociale activering | 83% |
| (a) Totale instroom volwassen werklozen * | 100% |
| (b) waarvan na 1 jaar aan het werk of aanbod** | 83% |
| (c) waarvan aan het werk na aanbod | 2% |
| (d) waarvan aan het werk zonder aanbod | 71% |
| (e) waarvan na 1 jaar het aanbod nog niet heeft geleid tot werk | 7% |
| (f) waarvan na 1 jaar nog werkloos en aanbod geweigerd*** | 3%*** |
| (g) waarvan na 1 jaar werkloos zonder aanbod | 17% |
* = op basis van cohortonderzoek.
** = onder aanbod wordt verstaan een geaccordeerd plan.
*** = op basis van ramingen uit Regioplanonderzoek 2001.
Bron: Cijferonderzoek Sluitende Aanpak, Regioplan.
Bij het in beeld brengen van de prestaties van de Sluitende Aanpak is het van belang onderscheid te maken naar soort uitkering (kolom). Het onderscheid tussen de WW, Abw en overig (Nug, Anw) kan gemaakt worden voor het jaar 2002 en komt beschikbaar in het tweede kwartaal van 2003. Hierdoor kan het onderscheid nog niet in dit departementale jaarverslag worden opgenomen. Het beschikbaar komen van deze gegevens is een noodzakelijke voorwaarde voor (verdere) analyses op en inzicht in de sluitendheid.
In voorgaande jaren werd de sluitendheid bepaald op basis van de start van een traject. Door betere databestanden zijn wij nu in staat om aan te sluiten bij de definitie volgens Richtsnoer 1 van het Europese werkgelegenheidsbeleid. In 2002 is de sluitendheid dan ook gedefinieerd op basis van een aanbod. Onder een aanbod wordt hier verstaan een geaccordeerd plan.
Ad c,d en e) Aanbod en uitstroom
Het streven van de Sluitende Aanpak is dat het aanbod (een geaccordeerd plan) uiteindelijk leidt tot duurzaam regulier werk. Ten aanzien van de output van de Sluitende Aanpak zijn drie indicatoren van belang:
1. aandeel nieuw ingeschreven werklozen dat binnen 12 maanden een aanbod heeft gekregen. Dit is 12% van de nieuwe instroom;
2. uitstroom naar (gesubsidieerd) werk: 73% van de nieuwe instroom is uitgestroomd naar werk. 71% stroomde zelfstandig uit en 2% stroomde uit na een aanbod;
3. duurzame uitstroom: de uitstroom uit de uitkering is duurzaam, als er niet opnieuw binnen 6 maanden een inschrijving bij het CWI plaatsvindt. Het streven is om in 2002 te realiseren dat 55% van de mensen met een aanbod duurzaam zijn uitgestroomd (streefcijfer over 2002, komend uit de begroting 2003). De realisatie van de duurzame uitstroom komt in het tweede kwartaal van 2003 beschikbaar en is derhalve niet op tijd voor dit departementaal jaarverslag beschikbaar.
Instroom in de langdurige werkloosheid
De stand van zaken met betrekking tot de Sluitende Aanpak wordt naar de Europese Commissie bekend gemaakt met behulp van het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid. Eén van de belangrijke indicatoren die zowel nationaal naar de Tweede Kamer als internationaal naar de Europese Commissie gerapporteerd wordt, is het aantal nieuw ingeschreven werklozen, dat instroomt in de langdurige werkloosheid. Hieronder vallen drie groepen, die apart gepresenteerd worden:
1. nieuw ingeschreven werklozen die na 12 maanden nog werkloos zijn, die reeds een aanbod hebben gekregen, maar waarvan het aanbod nog niet heeft geleid tot werk (7%);
2. nieuw ingeschreven werklozen die na 12 maanden nog werkloos zijn en die geen aanbod hebben gekregen (17%);
3. nieuw ingeschreven werklozen die na 12 maanden nog werkloos zijn, die wel een aanbod hebben gekregen, maar die dit aanbod geweigerd hebben (3% o.b.v. ramingen 2001).
De nieuw ingeschreven werklozen die na 12 maanden nog werkloos zijn en wel een aanbod hebben gekregen maar waarvan het aanbod nog niet geleid heeft tot werk, stromen in de langdurige werkloosheid én vallen onder de Sluitende Aanpak (omdat zij een aanbod hebben ontvangen) (7%). Nieuw ingeschreven werklozen die niet op eigen kracht werk kunnen vinden en die binnen 12 maanden geen aanbod hebben ontvangen gericht op werk of sociale activering (12%), stromen in de langdurige werkloosheid en zijn niet sluitend bediend (17%). Het streven is om dit aandeel zo laag mogelijk te houden en om in 2003 iedereen sluitend te bedienen.
Werklozen die een aanbod hebben gekregen, maar die geen gebruik hebben gemaakt van het aanbod, vallen wel onder de Sluitende Aanpak (zij hebben een aanbod ontvangen), maar zijn nog niet geactiveerd.
Langdurig werklozen krijgen een aanbod voor aanvullende activiteiten ter versterking arbeidsmarktpositie (Sluitende Aanpak zittend bestand).
In aanvulling op de Sluitende Aanpak voor nieuwe instroom heeft de Tweede Kamer in 2000 ingestemd ook een Sluitende Aanpak voor het zittende bestand na te streven. Het bestand langdurig werklozen wordt doorgelicht en de langdurig werklozen die ervoor in aanmerking komen krijgen een aanbod voor aanvullende activiteiten ter versterking van hun arbeidsmarktpositie dan wel maatschappelijke activering.
| Tabel 2.3: Prestaties Sluitende Aanpak langdurig werklozen (zittend bestand) 2002 | ||
|---|---|---|
| Prestatiegegevens | Streven | Realisatie |
| Aandeel langdurig werklozen dat een aanbod heeft gekregen gericht op uitstroom naar werk, arbeidsreïntegratie of sociale activering: | ||
| – Abw (arbeidsplichtigen);– Ww-ers | 80%niet bepaald | –– |
Bron: Cijferonderzoek Sluitende Aanpak, Regioplan.
Eén van de speerpunten van het UWV is om in 2003 de Sluitende Aanpak ook voor het zittend bestand te realiseren. Voor 2002 is er geen expliciete streefwaarde opgenomen.
Voor wat betreft de Abw zijn in het kader van de Agenda voor de Toekomst afspraken gemaakt met gemeenten voor het realiseren van een Sluitende Aanpak van het zittend bestand. In 2002 zullen gemeenten het zittende bestand doorlichten en in 2003 zullen de werkprocessen zijn ingericht op het tot stand brengen van een sluitende keten van reïntegratie. Op basis van deze afspraken is in de begroting van SZW voor 2002 een streefcijfer geformuleerd van een sluitende benadering van 80% van de huidige langdurig werkloze bijstandsgerechtigden met een arbeidsplicht. De mate waarin deze doelstelling is gerealiseerd, is nog niet bekend.
Verdeling middelen Sluitende reïntegratie
In tabel 2.4 staan de verdeling van de middelen van de Sluitende reïntegratie.
| Tabel 2.4: Verdeling middelen Sluitende reïntegratie (x € 1 miljoen) | ||
|---|---|---|
| begroting 2002 | realisatie 2002 | |
| Totaal | 681 | |
| WIW normbudget | 232 | |
| WIW Scholing & Activering(inclusief sluitende aanpak gemeenten en REA gemeenten) | 418 | |
| waarvan geoormerkt voor niet-uitkeringsgerechtigden en Anw | 97 | |
| UWV | 27 | 0 |
| Monitoring Sluitende Aanpak | 4,5 | 3,15 |
Bron: SZW.
De benutting van het bij begroting toegekende WIW normbudget en WIW Scholing & Activeringsbudget komen in 2004 beschikbaar en kunnen derhalve niet worden meegenomen in dit departementaal jaarverslag.
Het scholings- en activeringsbudget WIW (€ 418 miljoen) wordt door gemeenten aangewend voor de reïntegratie van bijstandsgerechtigden en andere groepen die behoren tot de gemeentelijke reïntegratieverantwoordelijkheid (niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-gerechtigden). Daarmee maakt het onderdeel uit van het budget voor sluitende reïntegratie. Het vast budget voor WIW-dienstbetrekkingen (normbedragen) en het WIW scholings- en activeringsbudget worden op voorschotbasis aan de gemeenten verstrekt. Overschotten op het vast budget (normbedragen) mogen de gemeenten toevoegen aan het scholings- en activeringsbudget voor het volgende jaar en overschotten op het scholings- en activeringsbudget mogen de gemeenten voor een bij regeling vastgesteld deel meenemen naar het volgende jaar.
| Tabel 2.5: Uitstroomgegevens WIW dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen | |||
|---|---|---|---|
| Uitstroomcijfers | 2001 | 2002 begroting | 2002 realisatie |
| Uitstroom dienstbetrekkingen | 29% | * | 33% |
| Uitstroom werkervaringsplaatsen | 64% | * | 58% |
Bron: WIW-monitor.
*Voor het jaar 2002 was geen streefcijfer geformuleerd.
| Tabel 2.6: Prestatiegegevens WIW-dienstbetrekkingen basis en werkervaringsplaatsen (x € 1 miljoen) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2000* | 2001 | realisatie 2002** (raming) | begroting 2002 | verschil 2002* | |
| Dienstbetrekkingen | 285,2 | 273,7 | 252,7 | 285,9 | – 35,9 |
| Werkervaringsplaatsen | 44,3 | 38,2 | 22,2 | 40,7 | – 17,7 |
| Volume | |||||
| Dienstbetrekkingen | 34 730 | 32 252 | 28 500 | 32 250 | – 3 750 |
| Werkervaringsplaatsen | 5 390 | 4 500 | 2 500 | 4 591 | – 2 091 |
| Gemiddelde prijs (x € 1) | |||||
| Dienstbetrekkingen1 | 8 213 | 8 486 | 8 865 | 8 865 | 0 |
| Werkervaringsplaatsen | 8 213 | 8 486 | 8 865 | 8 865 | 0 |
Bron: SZW.
1 excl. Normbudget.
* Voor 2000 zijn de volumegegevens bijgesteld, hierdoor sluiten de realisatiecijfers in deze tabel niet aan bij de tabel budgettaire gevolgen van beleid.
** Realisatiecijfers 2002 zijn gebaseerd op de definitieve cijfers van het eerste half jaar van 2002 en een extrapolatie van een beperkte steekproef voor het tweede half jaar. Hierin zitten nog onzekerheden, omdat vooral in het laatste kwartaal grote verschuivingen worden verwacht.
Als gevolg van het lagere aantal dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen dan geraamd is er door gemeenten voor € 53,6 miljoen minder aan basisbedragen gedeclareerd. Zowel een lagere instroom als een hogere uitstroom – mede door de uitstroomactie voor ex-banenpoolers-hebben aan deze onderrealisatie bijgedragen.
Niet-uitkeringsgerechtigden (Nug) en Anw
Gemeenten hebben sinds 2002 de verantwoordelijkheid voor de plaatsing van werkzoekende niet-uitkeringsgerechtigden.
Ter voorbereiding van de overdracht van de Nug- en Anw-ers heeft voormalig Arbeidsvoorziening de bestanden doorgelicht. Tijdens de bestandsopschoning van de dossiers bleek een groot deel van het potentiële bestand niet te behoren tot de doelgroep, ofwel omdat er toch sprake was van een uitkering ofwel omdat inmiddels een baan gevonden was. Slechts een klein deel van het potentiële bestand bleek daadwerkelijk niet-uitkeringsgerechtigd of Anw-er te zijn en geïnteresseerd te zijn in een traject.
Vóór 1 juli 2002 is het zittende bestand niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers overgedragen aan gemeenten. Dit betreft ongeveer 1 500 personen.
Het CWI heeft in 2002 het casemanagement afgemaakt voor 8 000 trajecten van de NUG-ers die zich vóór 31 december 2001 bij het CWI hebben aangemeld. In 2003 zullen de laatste trajecten worden afgerond (ruim 2 000). Deze zijn inmiddels overgedragen aan gemeenten.
In welke mate gemeenten daadwerkelijk reeds in 2002 een Sluitende Aanpak voor Nug/Anw-ers hebben kunnen realiseren, zal blijken uit de realisatiecijfers die gedurende het tweede kwartaal van 2003 beschikbaar komen. Aan de gemeenten is in 2002 een bedrag van € 87 miljoen ter beschikking gesteld (exclusief vergoeding voor uitvoeringskosten).
| Tabel 2.7: Casemanagement/Agenda voor de Toekomst (x € 1 miljoen) | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2001 | realisatie 2002 | begroting 2002 | verschil 2002 | |
| Casemanagement | 1,4 | 72,7 | 75 | 2,3 |
| Projecten etc | 0,6 | 10,5 | 40 | – 29,5 |
| Impuls ex asielzoekers* | Zie projecten | Zie projecten | 3,5 | Zie projecten |
Bron: SZW.
* De middelen voor de Impuls ex asielzoekers zijn toegevoegd aan de middelen voor Agenda voor de Toekomst.
Om een extra impuls te geven aan het realiseren van de activering en uitstroom (zie tabel 2.1), zijn – op basis van prestatieafspraken – middelen casemanagement ter beschikking van gemeenten gesteld. De realisatie blijft achter bij de begroting. Belangrijkste verklaring is dat niet aan alle gemeenten in 2002 een voorschot is verstrekt.
Het budget projecten in het kader van de Agenda voor de Toekomst is gericht op het realiseren van projecten en experimenten om vernieuwing in de uitvoering van de Abw te stimuleren. Een belangrijk deel van het budget is bestemd voor gemeenten uit de G4 en de G26, die hierop aanspraak kunnen maken door het indienen van projectvoorstellen. Omdat de bestuurlijke afspraken met het merendeel van de gemeenten in de loop van 2002 zijn ondertekend, hebben nog niet alle gemeenten projectvoorstellen ingediend.
De totstandkoming van een project regionale samenwerking gemeenten was voorzien voor 2002. Dit is niet volledig gehaald, maar in 2002 zijn wel de bestuurlijke afspraken over het project gemaakt met de VNG. De uitgaven schuiven echter door van 2002 naar 2003 en 2004. De realisatie in 2002 blijft daarom achter bij de begroting.
De middelen hiervoor zijn ondergebracht onder het budget projecten/experimenten.
| Tabel 2.8: Kinderopvang | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | realisatie 2002 | begroting 2002 | verschil 2002 | |
| Uitgaven x € 1 miljoen | |||||
| KOA | 50 | 59 | 57,6 | 69 | 11,4 |
| Bestuurlijke afspraken | 0 | 5 | 16,4 | 18 | 1,6 |
| Totaal | 50 | 64 | 74 | 87 | 13 |
| Aantal kinderopvangovereenkomsten KOA herleid tot voltijd en op jaarbasis (fte's) | |||||
| Hele-dagopvang | 1 616 | 1 490 | |||
| Halve-dagopvang | 286 | 330 | |||
| Buitenschoolse opvang | 3 421 | 3 310 | |||
| Gastouderopvang | 1 965 | 1 850 | |||
* = de cijfers voor 2001 zijn gebaseerd op voorlopige cijfers (jaaropgaven 2001). Hierin ontbreken nog de cijfers van een aantal gemeenten.
Bron: SZW.
Regeling Kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders (KOA)
Het kaseffect van de KOA-regeling 2002 is in 2002 € 55 miljoen (80% van de € 68,4 miljoen verleende subsidie), daarnaast hebben er nabetalingen plaatsgevonden voor de KOA-regeling in voorgaande jaren. Om de structurele onderbenutting van de KOA-regeling tegen te gaan is de regeling voor 2003 vereenvoudigd. Door deze vereenvoudiging van de regeling zal het voor 2003 beschikbare budget naar verwachting volledig worden ingezet voor de inkoop van kinderopvang voor alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering. De volumeverantwoording over 2002 komt eind 2003. Hierover zijn overigens geen streefcijfers opgenomen in de begroting 2002 in verband met de eindigheid van de KOA als gevolg van de invoering van de Wet basisvoorziening kinderopvang (Wbk).
Bestuurlijke afspraken kinderopvang
Doordat de bestuurlijke afspraken met gemeenten voor een belangrijk deel in 2002 zijn afgesloten en niet in 2001, waren de uitgaven in 2002 lager dan de begroting.
Bevordering economische zelfstandigheid en stimuleren van het aanvaarden van (duurzaam) niet-gesubsidieerd werk door bijstandsgerechtigden, werknemers op Wiw-dienstbetrekkingen, ID-banen en Wsw-plaatsen en nieuwe toetreders tot de arbeidsmarkt door het verstrekken van een toetrederskorting (heffingskorting), en de uitstroomregeling ex-banenpoolers in de Wiw.
Het kabinet heeft in 2002 een fiscaal instrument ingezet omdat werk moet lonen en mensen met een baan er netto op vooruit moeten gaan: de toetrederskorting. De toetrederskorting wordt toegekend aan langdurig bijstandsgerechtigden en personen die langdurig gesubsidieerd arbeid verrichten, als zij voor ten minste zes maanden volledig uitstromen naar een substantiële baan (vanaf 1 januari 2002). Een substantiële baan is in dit verband gedefinieerd als een baan waarmee ten minste een inkomensvooruitgang van 50% van het wettelijk minimumloon kan worden bereikt. De korting wordt in drie jaar toegekend. In het kader van de bezuinigingen op het reïntegratiebudget is de toetrederskorting per 1 januari 2003 afgeschaft.
Voor de toetrederskorting was in de ontwerpbegroting 2002 een bedrag geraamd van € 98 miljoen. Door nadere mutaties (amendementen Belastingplan 2002) is het verwachte budgettaire beslag bijgesteld met € 53 miljoen. Per 1 februari 2003 zijn er ruim 3 500 beschikkingen voor de toetrederskorting 2002 toegekend. Dit is een voorlopig cijfer omdat de aangiften 2002 pas uiterlijk 1 april moeten zijn ingeleverd. Voorlopige ramingen komen uit op een budgettair beslag van € 45 miljoen1. Voor de overgangsregeling (2003 t/m 2005) wordt een bedrag geraamd van in totaal € 40 miljoen.
Mede door de uitstroomactie voor ex-banenpoolers, die doorliep tot 1 juli 2002, is de uitstroom uit WIW-dienstbetrekkingen in 2002 op een hoog niveau gebleven. Definitieve cijfers over 2002 waarin een verbijzondering gemaakt kan worden naar ex-banenpoolers zijn op dit moment nog niet beschikbaar.
Daling aandeel werkenden en werklozen zonder startkwalificatie in de beroepsbevolking van 25–64 jaar.
In 2000 bedraagt het aandeel werkenden en werklozen zonder startkwalificatie in de beroepsbevolking van 25–64 jaar 27,3%. In 2001 ligt dit aandeel op 27,5%. Dit betekent dat er ruim 1,7 miljoen mensen van 25–64 jaar geen startkwalificatie hebben. Het overgrote deel daarvan is werkzaam.
Diverse (fiscale) instrumenten zijn ingezet om dit aantal terug te brengen. In 2002 is in aanvulling hierop de fiscale faciliteit voor scholing van voormalig werkloze werknemers van 23 jaar en ouder tot startkwalificatieniveau ingevoerd. Het bereik onder de doelgroep is echter nog zeer beperkt. Bekeken wordt hoe het gebruik van de regeling door werkgevers gestimuleerd kan worden.
Ingezet wordt op een meer gerichte aanpak met heldere streefcijfers. De Raad voor Werk en Inkomen (RWI) is gevraagd om in aanvulling op het kabinetsbeleid, voorstellen te ontwikkelen voor streefcijfers voor scholing tot startkwalificatieniveau, waarbij aandacht voor het in te zetten instrumentarium en de meetbaarheid. Mede naar aanleiding van de voorstellen van de RWI worden de prioriteiten in de aanpak en de streefcijfers bepaald. De nieuwe streefcijfers zullen in de loop van 2003 bekend zijn en als input dienen voor de begroting van 2004.
Het vergroten van de netto-arbeidsparticipatie van etnische minderheden.2
Operationele doelstelling 5 is aangepast waardoor ook het vergroten van de netto-arbeidsparticipatie van andere doelgroepen dan etnische minderheden onder deze doelstelling vallen.
| Tabel 2.9. Prestaties netto-arbeidsparticipatie etnische minderheden 2002 | ||
|---|---|---|
| Streven 2002 | Realisatie 2002 | |
| Werkloosheid onder etnische minderheden | 10% | 10%* |
* = voorlopig cijfer.
Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking.
De doelstelling van het vorige kabinet om de werkloosheid onder etnische minderheden in 2002 terug te brengen tot 10% is echter wel 2002 behaald, ondanks een lichte toename van de werkloosheid met 1%. \
| Tabel 2.10 Arbeidsparticipatie en werkloosheid vergeleken voor autochtonen en etnische minderheden | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Netto arbeids participatie | Werkloosheid | |||||||||||||
| 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002* | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002* | |
| autochtonen | 61% | 62% | 64% | 65% | 65% | 65% | 68% | 6% | 5% | 4% | 3% | 3% | 3% | 3% |
| etnische minderheden | 39% | 42% | 46% | 45% | 48% | 51% | 50% | 22% | 20% | 16% | 14% | 10% | 9% | 10% |
* = Cijfers 2002 zijn voorlopige cijfers.
Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking.
Grafiek 2.1: Netto arbeidsparticipatie 1996–2002
autochtonen en etnische minderheden
Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking
* voorlopige cijfers
Grafiek 2.2: Werkloosheid 1996–2002, autochtonen
en etnische minderheden
Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking.
* voorlopige cijfers
Om de netto arbeidsparticipatie van minderheden te vergroten wordt algemeen en specifiek beleid gevoerd. Het algemene beleid, met als belangrijkste element de sluitende aanpak, is er op gericht dat minderheden evenredig uitstromen uit een uitkering. Informatie over het aandeel en aantal etnische minderheden in trajecten arbeidsreïntegratie en sociale activering is nog niet voorhanden.
Door koppeling bij het CBS van de statistieken van de WIW, ID en de Wsw met de Gemeentelijke Basisadministratie is inzicht verkregen in de herkomst van de deelnemers aan de regelingen voor gesubsidieerde arbeid.
Uit de cijfers blijkt dat ten opzichte van de beroepsbevolking het aandeel niet-westerse allochtonen in de WIW en de ID hoog is. Er zitten relatief 7 maal zoveel niet-westerse allochtonen in de WIW en de ID als autochtonen. Het aandeel westerse allochtonen is iets hoger dan het aandeel autochtonen.
Bij de Wsw zijn de aandelen meer gelijkmatig verdeeld, met dien verstande dat in de Wsw in het zittende bestand deze groep een wat lager aandeel heeft, maar op de wachtlijst duidelijk hoger (door afrondingen in de tabel niet te zien). Ten opzichte van eerdere metingen blijkt vooral het aandeel niet-westerse allochtonen te stijgen.
Als wordt gekeken naar de werkloze beroepsbevolking blijkt dat de participatie van niet-westerse allochtonen in de gesubsidieerde arbeid ruim anderhalf maal zo hoog is als van autochtonen.
| Tabel 2.11 Aandeel deelnemers in gesubsidieerde arbeid t.o.v. beroepsbevolking naar etnische herkomst 2002* | ||||
|---|---|---|---|---|
| Totaal | Autochtonen | Niet-westerse allochtonen | Westerse allochtonen | |
| WIW dienstbetrekking | 0,4% | 0,2% | 1,6% | 0,4% |
| WIW werkervaringsplaats | 0,0% | 0,0% | 0,2% | 0,1% |
| Wsw | 1,2% | 1,2% | 1,1% | 1,0% |
| Wsw wachtlijst | 0,1% | 0,1% | 0,1% | 0,1% |
| ID | 0,5% | 0,3% | 2,1% | 0,6% |
Bron: CBS.
* = de informatie over etniciteit heeft betrekking op de eindstand van het eerste half jaar van 2002. Cijfers over het tweede half jaar zijn nog niet bekend.
In aanvulling op het algemene beleid wordt specifiek beleid gevoerd. Partijen binnen en buiten de (rijks)overheid, die verantwoordelijk zijn voor en betrokken zijn bij het arbeidsmarktbeleid, worden gestimuleerd om het arbeidsmarktbeleid zodanig in te richten en uit te voeren dat etnische minderheden in evenredigheid profiteren. De verantwoording van operationele doelstelling 5 heeft primair betrekking op het gevoerde specifieke beleid.
Een voorbeeld van succesvolle (onorthodoxe) aanpak is het MKB-minderhedenconvenant. In het kader van dit convenant is voor het jaar 2002 met CWI afgesproken dat 23 000 allochtone kandidaten moesten worden geplaatst. Deze doelstelling is kort voor het eind van het jaar met circa 26 000 plaatsingen ruimschoots behaald. Het succesvolle dienstverleningsconcept zoals ontwikkeld in het kader van het convenant wordt vanaf 2003 gecontinueerd in de reguliere dienstverlening van de CWI.
Ook de doelstelling om met 100 grote ondernemingen een convenant af te sluiten over de in- en doorstroom van etnische minderheden en het voeren van multicultureel personeelsbeleid is met de ondertekening van het 110 convenant in maart 2002 ruimschoots gehaald. De bedrijven waarmee een convenant is afgesloten worden bij de uitvoering van de afspraken ondersteund door Ruim Baan voor Minderheden, dat is gesitueerd bij het ministerie van SZW.
Het KOM-project (Krachtig Ondernemen met Minderheden) heeft tot doel een branchegerichte aanpak te ontwikkelen en te implementeren om bedrijven beter in staat te stellen duurzaam gebruik te maken van het grote potentieel aan allochtone arbeidskrachten. Het (in)voeren van multicultureel personeelsbeleid en het realiseren van een verbeterde samenwerking tussen partijen op de regionale arbeidsmarkt staat hierbij centraal. In de vijf branches die hebben geparticipeerd in het project zijn aantoonbare kwantitatieve en kwalitatieve resultaten geboekt op het gebied van instroom en het behoud van allochtoon personeel. Het project heeft tevens de samenwerking tussen de diverse arbeidsmarktpartijen verbeterd.
Doelstelling is de netto-arbeidsdeelname van vrouwen te verhogen van 51% in 1999 tot 65% in 2010. In 2002 was de participatie van vrouwen 54%. Tot 2010 is dus nog een groei van 11% nodig. Op grond van deze autonome trend moet worden geconcludeerd dat zonder extra inspanningen dit percentage niet zal worden gehaald. Een belangrijke bijdrage kan geleverd worden door stimulering van de participatie van herintredende vrouwen en allochtone vrouwen. Momenteel participeren beide groepen namelijk relatief weinig. Om de participatie van herintredende vrouwen te vergroten is gekozen voor de convenantaanpak. In 2002 zijn de eerste convenanten afgesloten.
In totaal moeten door toedoen van de (huidige en nieuwe) convenantpartijen 70 000 herintredende vrouwen aan het werk komen tot en met 2005.
| Tabel 2.12: Netto-participatiegraad vrouwen | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1990 | 1995 | 2000 | 2001 | 2002* | |
| Participatiegraad totaal | 55% | 58% | 65% | 65% | 66% |
| Mannen | 71% | 71% | 77% | 77% | 77% |
| Vrouwen | 39% | 44% | 52% | 53% | 54% |
| Vrouwen etnische minderheden | 26% | 28% | 36% | 40% | 40% |
* = Cijfers 2002 zijn voorlopige cijfers.
Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking
De arbeidsparticipatie van niet-westerse vrouwen in Nederland groeit, maar blijft achter: 40% in 2002 tegenover 54% participatie van vrouwen in het algemeen. Vooral onder Turkse en Marokkaanse moeders, en vrouwen uit de zogenaamde «nieuwe» etnische minderheidsgroepen (Iraniërs, Ethiopiërs, Somaliërs) blijft deelname aan maatschappelijke activiteiten en betaalde arbeid fors achter.
Het vorige kabinet heeft zich ten doel gesteld de arbeidsmarktparticipatie van 55 tot 65-jarigen te verhogen tot 50 procent in 2030. Het kabinet heeft in juni 2001 een «Taskforce Ouderen en Arbeid» (TOA) geïnstalleerd voor een periode van twee jaar. De TOA neemt initiatieven gericht op werknemers en werkgevers om de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen.
| Tabel 2.13: Participatiegraad ouderen | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1990 | 1995 | 2000 | 2001 | 2002* | |
| Participatiegraad totaal | 55% | 58% | 65% | 65% | 66% |
| Ouderen (55–64 jaar) | 26% | 26% | 34% | 34% | 37% |
* = Cijfers 2002 zijn voorlopige cijfers.
Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking.
Voortijdig schoolverlaters zonder startkwalificatie
Bij instroom op de arbeidsmarkt hebben voortijdige schoolverlaters een wankele arbeidsmarktpositie en loopt ze het risico sneller ontslagen te worden en afhankelijk te worden van een uitkering. Het jongerenbeleid is daarom gericht op het behalen van een startkwalificatie tijdens het werk door 70 procent van de voortijdig schoolverlaters tot 23 jaar, die niet terug zijn te geleiden naar het onderwijs, in 2007. In 2002 is een aantal pilots gestart om vast te stellen op welke wijze deze doelstelling kan worden gerealiseerd en op welke wijze daarmee kan worden bijgedragen aan het terugdringen van de werkloosheid onder de voortijdig schoolverlaters zonder startkwalificatie.
Teneinde meer samenhang in het jeugdbeleid tot stand te brengen wordt op dit punt in het kader van de interdepartementale operatie JONG nauw samengewerkt met andere departementen.
| Tabel 2.14: Werkloosheid onder jongeren gerelateerd aan de beroepsbevolking en in relatie tot het al dan niet hebben van een startkwalificatie | ||
|---|---|---|
| Groep | criterium | Percentage 2001 |
| 15–22 jaar | Werkloos | 8% |
| 15–22 jaar zonder startkwalificatie | Werkloos | 10% |
Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking 2001.
| Tabel 2.15: Budget Doelgroepenbeleid (x € 1 000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | realisatie 2002 | begroting 2002 | verschil 2002 | |
| Minderheden | |||||
| – Bureau RuimBaan voor Minderheden | 545 | 545 | 151 | 545 | 394 |
| – MKB-convenant minderheden | 0 | 38 163 | 2 189 | 12 388 | 10 199 |
| – Wet SAMEN | 250 | 182 | 117 | 0 | – 117 |
| – Krachtig Ondernemen met Minderheden (KOM)-projecten | 0 | 1 361 | 560 | 1 361 | 801 |
| – Hoger opgeleide vluchtelingen | 606 | 0 | – 606 | ||
| – Stimuleringsprojecten allochtone groepen (SPAG) | 1 461 | 3 630 | 2 675 | 3 630 | 955 |
| – Overig: | 2 352 | 14 127 | 217 | 4 569 | 4 352 |
| (Herintredende) vrouwen | 307 | 0 | – 307 | ||
| Ouderen | 2 429 | 0 | – 2 429 | ||
| Voortijdig schoolverlaters | 267 | 0 | – 267 | ||
| Totaal generaal | 4 608 | 58 008 | 9 518 | 22 493 | 12 975 |
Bron: SZW-administratie.
De onderuitputting op het budget wordt grotendeels veroorzaakt doordat de geplande eindafrekening van het project MKB-convenant minderheden (€ 11,4 miljoen) in 2002 niet heeft plaatsgevonden.
Op 1 april 2001 is de afwikkeling van de ESF-programma's die in de periode 1994–1999 zijn uitgevoerd door Arbeidsvoorziening en Buesi overgedragen aan het Agentschap SZW. Onderstaande tabellen geven het verloop in 2002 van de ontvangsten en uitgaven buiten begrotingsverband en de verplichtingen van de Europese regelingen van het Agentschap SZW weer.
| Tabel 2.16: Ontvangsten en uitgaven Europese gelden buiten begrotingsverband | ||
|---|---|---|
| Ultimo 2001 | Ultimo 2002 | |
| Ontvangsten buiten begrotingsverband | ||
| Door te betalen ESF gelden aan subsidieaanvragers | 153 626 | 98 897 |
| Nog door te betalen vorderingen AGSZW | 17 205 | 45 686 |
| Uitgaven buiten begrotingsverband | ||
| Door te betalen vorderingen AGSZW | 17 205 | 45 686 |
Bron: SZW-administratie
| Tabel 2.17: Verplichtingen AG SZW Europese regelingen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Ultimo 2001 | Nieuw aangegaan | Betaald of bijgesteld | Ultimo 2002 | |
| ESF nieuw (incl. Equal) | 92 026 | 279 084 | 59 341 | 311 769 |
| ESF oud | 162 093 | 0 | 162 093 | 0 |
| Buesi-oud | 57 134 | 0 | 57 134 | 0 |
| Totaal verplichtingen AGSZW Europese regelingen | 311 253 | 279 084 | 278 568 | 311 769 |
Bron: SZW-administratie.
De afwikkeling van ESF-subsidies 1994–1999 vindt plaats op twee niveaus: het niveau projecten-lidstaat en het niveau lidstaat-Europese Commissie. De afwikkeling van ESF-subsidies op het niveau projecten-lidstaat is – behoudens de nog lopende bezwaar- en beroepprocedures – geheel afgerond. In het kader van de afwikkeling lidstaat-Europese Commissie stelt het Agentschap eindafrekeningen ESF op. De laatste eindafrekeningen zijn op 27 maart 2003 bij de Europese Commissie ter afwikkeling ingediend.
Het Ministerie van SZW is voor de programmaperiode 2000–2006 aangemerkt als betalingsautoriteit voor ESF3 en Equal. Dit betekent dat de betalingen van de ESF3-middelen aan Nederland vanuit de Europese Commissie beschikbaar worden gesteld aan SZW. Deze ontvangsten worden buiten begrotingsverband geboekt. In het kader van de regelingen ESF3-nieuw en Equal gaat het Agentschap SZW verplichtingen aan en worden betalingen aan projectaanvragers verricht.
Afgeronde evaluatieonderzoeken artikel 2 in 2002
Evaluatie Informatie- en servicepunt Sociale Activering (ISSA)
Doelstelling:
In hoeverre zijn de doelstellingen van het ISSA volgens het veld bereikt;
Hoe worden de activiteiten die het ISSA sinds de start heeft uitgevoerd door het veld beoordeeld en hoe zou er vervolg aan gegeven moeten worden.
Conclusie:
Nagenoeg alle gemeenten en het merendeel van de welzijnsorganisaties hebben van het ISSA gehoord. Zij beoordelen de activiteiten van het ISSA positief. Bijna tweederde van de gemeenten en de helft van de welzijnsorganisaties vinden dat het ISSA een stimulans is geweest in een meer integrale aanpak van sociale-activeringsactiviteiten.
Mede op basis van de uitkomsten van het onderzoek zijn de activiteiten van het ISSA per 1 oktober 2002 overgedragen aan de VNG.
Rapportage:
«Evaluatie Informatie- en Servicepunt Sociale Activering», Elsevierreeks mei 2002.
Evaluatie verlenging experimenten ex artikel 144 ABW
Doelstelling:
Inzicht in de uitvoering, het bereik en de uitstroom van de bijstandsexperimenten vanaf medio 1999.
Wat zijn de belangrijkste lessen die uit de bijstandsexperimenten geleerd kunnen worden voor de activering van de groep langdurig bijstandsgerechtigden.
Conclusie:
Bij het merendeel van de gemeenten behoort sociale activering tot het reguliere activeringsaanbod of zal dat gaan behoren. De resultaten van sociale activering zijn duurzaam. Samenwerking tussen alle organisaties blijft dringend nodig om de doelgroep optimale kansen te kunnen geven. Bij gemeenten en uitvoerders leeft een brede wens om beschikbare financiële middelen flexibel te kunnen inzetten.
Rapportage:
«Bijstandsexperimenten: impulsen tot activering. Stand van zaken en lessen na zesjaren experimenten in de Algemene bijstandswet», september 2002.
2.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Beleidsartikel 2. Stimulering en kwaliteitsbevordering arbeidsaanbod | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 1 148 151 | 1 082 711 | 1 732 137 | 1 408 429 | 323 708 |
| Uitgaven | 1 035 933 | 977 948 | 1 287 517 | 1 371 526 | – 84 009 |
| Apparaatsuitgaven | 136 134 | 19 415 | 24 047 | 24 640 | – 593 |
| Personeel | 4 072 | 2 976 | 1 096 | ||
| Materieel | 212 | 1 425 | – 1 213 | ||
| Agentschap SZW | 136 134 | 19 415 | 19 763 | 20 239 | – 476 |
| Programmauitgaven | 899 799 | 958 533 | 1 263 470 | 1 346 886 | – 83 416 |
| Sluitende reïntegratie | 502 161 | 565 398 | 688 597 | 688 001 | 596 |
| Wiw dienstbetrekkingen en WEP | 344 700 | 303 500 | 290 260 | 326 585 | – 36 325 |
| Scholing HVS | 0 | 0 | 96 078 | 63 529 | 32 549 |
| Minderhedenbeleid | 3 147 | 34 914 | 9 518 | 22 493 | – 12 975 |
| Kinderopvang Abw | 49 791 | 53 547 | 57 604 | 86 809 | – 29 205 |
| Sectorale stimulansen | 0 | 0 | 14 207 | 34 033 | – 19 826 |
| Casemanagement e.d. 0 | 1 174 | 99 586 | 118 890 | – 19 304 | |
| Subsidies en overige beleidsuitgaven | 0 | 0 | 6 488 | 5 298 | 1 190 |
| Onderzoek en beleidsinformatie | 0 | 0 | 1 132 | 1 248 | – 116 |
| Ontvangsten | 0 | 86 218 | 40 673 | 38 299 | 2 374 |
| Algemeen | 0 | 86 218 | 38 299 | – 38 299 | |
| Ontvangsten Arbeidsmarkt | 33 473 | 33 473 | |||
| Ontvangsten Bijstandszaken | 7 200 | 7 200 | |||
Bron: SZW-administratie
De onderuitputting op dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen is het gevolg van een lager aantal gerealiseerde dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen dan in de begroting was voorzien. De realisatie van de WIW (dienstbetrekkingen, werkervaringsplaatsen en scholing en activering) is voor 2000 uitgekomen op € 802 mln. Naast de scholings- en activeringsactiviteiten hebben de gemeenten hiervoor 34 730 dienstbetrekkingen en 5 390 werkervaringsplaatsen gecreëerd.
Scholing HVS (Hoofdelijke Versnelde scholing)
De overdracht van Centrum Vakopleiding activiteiten naar de ROC's heeft per 1 januari 2003 plaatsgevonden. Ter voldoening van hogere bijdragen aan de ROC's voortvloeiende uit de koopovereenkomsten en voor de kosten van de liquidatie van de Stichting, is aan de Stichting Centrum Vakopleiding een extra bijdrage toegekend.
De onderuitputting op dit budget wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat de eindafrekening van het MKB-convenant minderheden uit 2001 niet heeft plaatsgevonden in 2002 maar is doorgeschoven naar 2003.
De middelen voor de KOA-regeling zijn in 2002 onderbenut door de volgende oorzaken: a) te hoge prijzen voor kinderopvang in verhouding tot de maximale vergoeding per kindplaats uit de KOA-regeling, b) onvoldoende beschikbare capaciteit aan kinderopvang plaatsen, c) hoge administratieve (uitvoerings) lasten. Als gevolg van een wijziging van de KOA-regeling per 2003 zal de onderuitputting zich naar verwachting niet meer voordoen in 2003 en verder.
Sectorale stimulansen: Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers (SVWW)
De SVWW moest in 2002 nog worden ontwikkeld, waardoor er in totaal € 14,2 miljoen is uitgegeven. De uitgaven bestaan uit een bedrag van ruim € 9,6 miljoen voor apparaatskosten en ruim € 4,5 miljoen voor de SVWW.
De realisatie in het kader van de Agenda voor de Toekomst (casemanagement en projecten/experimenten) blijft achter bij de begroting, omdat de bestuurlijke afspraken met het merendeel van de gemeenten uit de G4 en G26 in de loop van 2002 zijn gerealiseerd. Hierdoor waren niet alle gemeenten in staat om reeds in 2002 voorstellen in te dienen voor vernieuwende projecten. Ook hebben niet alle gemeenten in 2002 een voorschot ontvangen. Daarnaast heeft het project regionale samenwerking vertraging opgelopen.
1. Beleid Sluitende Aanpak nieuwe werkloosheid
Een punt van aandacht in 2002 was de beschikbaarheid van prestatiegegevens over het bereiken van de Sluitende Aanpak van nieuwe werklozen, met als kernpunt in welke mate de Sluitende Aanpak leidt tot deelname aan arbeid. In 2002 is op het gemeentelijk terrein de monitor scholing en activering verder ontwikkeld. De data de deze monitor bevat zijn kwalitatief steeds beter van aard, maar voor 2002 volstaat de monitor nog niet voor het meten van de effecten van de Sluitende Aanpak. Om deze effecten voor 2002 te meten is dan ook aanvullend onderzoek uitgezet. De dataverzameling voor komende jaren is een actueel onderwerp. Vanuit de nieuwe rol van de Rijksoverheid, waarbij zij meer op afstand staat en meer stuurt op resultaten dan op processen, ligt het in de lijn van de verwachting dat de komende jaren de gegevens uitvraag zal verminderen en de beschikbare informatie zal veranderen. De monitor scholing en activering wordt in het licht van deze discussie eveneens onder de loep genomen.
2. Beleid Sluitende Aanpak langdurige werkloosheid
Om het bereik van de Sluitende Aanpak voor het zittende bestand in de bijstand in beeld te krijgen is eind 2002 en begin 2003 een separaat onderzoek uitgevoerd.
De KOA-regeling is geëvalueerd in 2001. De resultaten van deze evaluatie wijzen uit dat de regeling in grote lijnen beantwoord aan haar doelstelling. Knelpunten die de uitvoering van de regeling volgens gemeenten belemmerden zijn grotendeels weggenomen door een vereenvoudiging van de regeling 2003. De regeling is tijdelijk en loopt door tot aan de inwerkingtreding van de Wet basisvoorziening kinderopvang (Wbk).
3. Beleid aanvaarding (duurzaam) niet gesubsidieerd werk
Per 1 januari 2003 is de toetrederskorting afgeschaft.
4. Beleid arbeidsparticipatie etnische minderheden.
In 2003 wordt samengewerkt aan de inrichting van het Knooppunt Beleidsinformatie. Via het knooppunt zijn verschillende koppelingen van bestanden mogelijk met als doel te bepalen waar de verschillende doelgroepen van het arbeidsmarktbeleid zijn terug te vinden. Inrichting van het Knooppunt Beleidsinformatie was hiervoor noodzakelijk, aangezien het persoonsgegevens betreft waarmee uiterst zorgvuldig moet worden omgegaan.
Beleidsartikel 3 Aanvullende werkgelegenheid
Het vergroten van het aanbod van laagbetaalde arbeidsplaatsen voor (langdurig) werklozen die (vooralsnog) geen andere baan op de reguliere arbeidsmarkt kunnen verkrijgen.
Het aanbod van laagbetaalde arbeidsplaatsen is enigszins toegenomen in 2002 door inzet van gesubsidieerde arbeid. Met het Strategisch Akkoord 2002 is het accent verlegd van het creëren van aanvullende werkgelegenheid naar reïntegratie met ingang van 2003.
3.2 Operationele doelstellingen
1. Het terugdringen van de werkloosheid door middel van het creëren en bezetten van gesubsidieerde arbeidsplaatsen.
2. Het stimuleren van werkgevers om eenvoudige, laagbetaalde banen te creëren.
Het terugdringen van de werkloosheid door middel van het creëren en bezetten van gesubsidieerde arbeidsplaatsen.
De In- en doorstroombanen zijn een instrument om langdurige werkloosheid terug te dringen. Primaire doelgroep is personen uit de Abw langer dan 1 jaar werkloos of personen die daaraan gelijk zijn gesteld. Het Besluit ID-banen wordt uitgevoerd door gemeenten. De minister is verantwoordelijk voor de inhoud van wet- en regelgeving, de financiering en toezicht. De subsidieverstrekking aan gemeenten voor loon- en aanvullende kosten per arbeidsplaats vindt op declaratiebasis plaats.
De uitstroom uit ID-banen naar reguliere niet-gesubsidieerde arbeid is onbevredigend. In 2002 zijn 2 220 personen uitgestroomd naar niet-gesubsidieerd werk. ID-banen blijken in praktijk als eindfunctie te fungeren. Vanaf 2003 zullen de middelen voor de ID-banen als vrij besteedbaar budget ter beschikking worden gesteld aan de gemeenten. Anticiperend op de volumedaling naar 45 500 banen ultimo 2003 zijn gemeenten in de tweede helft van 2002 geadviseerd om onbenutte banen niet verder in te vullen en vacante arbeidsplaatsen na (natuurlijke) uitstroom niet her te bezetten.
| Tabel 3.1: Overzicht volume- en prijsgegevens ID-banen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2000 | Realisatie 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Gemiddeld aantal bezette banen gedurende het jaar (32-uurs eenheden) | 43 100 | 47 010 | 50 474 | 52 833 |
| Waarvan: | ||||
| instroombanen | 43 090 | 46 865 | 50 113 | 51 097 |
| doorstroombanen | 10 | 145 | 361 | 1 736 |
| Eindstand aantal bezette banen (32-uurs eenheden) | 48 680 | 52 989 | ||
| Waarvan: | ||||
| instroombanen | 48 475 | 52 736 | ||
| doorstroombanen | 205 | 253 | ||
| Instroom in het jaar (personen) | 10 815 | 10 482 | ||
| Uitstroom in het jaar (personen) | 6 080 | 5 100 | ||
| waarvan uitgestroomd naar werk | 2 170 | 2 220 | ||
| Kostprijs per eenheid | € 17 844 | € 19 149 | € 19 798 | |
Bron: FEZ declaratiegegevens ID en ID monitor.
Grafiek 3.1: Gemiddeld aantal bezette ID-banen 2000–2002
Bron: FEZ declaratiegegevens ID.
Het gemiddeld aantal bezette ID-banen in 2002 bedraagt 50 474, 2 359 minder dan begroot. De verklaring voor deze lichte onderbenutting is waarschijnlijk gelegen in het feit dat gemeenten reeds anticiperen op de wijzigingen ten aanzien van de ID-regeling in 2003.
In 2002 zijn gemiddeld 361 doorstroombanen van de geraamde 1 736 doorstroombanen gerealiseerd. Daarmee is de gecreëerde ruimte voor doorstroombanen niet volledig benut. Gedeeltelijk valt dit te verklaren doordat werknemers uitstromen voordat zij vijf jaar op een instroombaan werkzaam zijn. Daarnaast is sprake van een te hoge inschatting van het aantal te realiseren doorstroombanen in 2002.
Over het jaar 1999 zijn de uitgaven inmiddels definitief vastgesteld en over het jaar 2000 zijn de uitgaven bijna definitief. Op basis hiervan wordt in 1999 de gemiddelde prijs per baan € 16 001 en in 2000 € 17 112 gemiddeld per baan. De oploop in de gemiddelde prijs per baan wordt veroorzaakt door hogere subsidiebedragen (stijging van de loonkosten door indexering van de WML-bedragen) en een bestand dat al langer in de ID-regeling zit (waardoor men in een duurdere subsidiecategorie valt).
De uitstroom in 2002 ligt ongeveer op gelijk peil met de uitstroom in 2001. Het aandeel personen in de totale uitstroom dat een niet-gesubsidieerde baan vindt, vertoont een lichte stijging (43,5% in 2002 vs. 35,7% in 2001).
Sinds 1999 is het streven dat 10% van de instroom op ID-banen uit arbeidsgehandicapten bestaat. In 2002 was dat aandeel 6,2%1, een stijging ten opzichte van voorgaande jaren (2001: 5,4% 2000: 4,6%).
Het stimuleren van werkgevers om eenvoudige, laagbetaalde banen te creëren.
De Regeling schoonmaakdiensten particulieren (RSP) is ingevoerd met een tweeledige doelstelling. Enerzijds inschakeling van laagopgeleide werkzoekenden in het arbeidsproces en anderzijds verruiming van de markt van huishoudelijke dienstverlening. De regeling is er op gericht om blijvend werk te creëren in dit segment van de markt, maar kan daarnaast ook perspectief bieden op uitstroom naar niet gesubsidieerde arbeid.
| Tabel 3.2: Overzicht RSP | |||
|---|---|---|---|
| Realisatie 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Gemiddeld aantal bezette RSP-banen gedurende het jaar (32-uurs eenheden) | 612 | 661 | 711 |
| Subsidiebedrag | € 9 439 | € 9 850 | € 9 850 |
Bron: FEZ declaratiegegevens ID.
De realisatie van de RSP blijft enigszins achter bij de verwachting. Verklaring hiervoor is dat de verwerving van personeel moeizaam is. Voor 2003 wordt de regeling vereenvoudigd op twee punten:
– de doelgroep hoeft maar een half jaar werkloos te zijn;
– RSP-werknemer moet minimaal 12 uur per week werken (was 15 uur).
De VLW en SPAK zijn fiscale instrumenten. Totaal budgettair beslag in 2001 van de vermindering langdurige werklozen (VLW) bedroeg € 207 miljoen. De kosten voor de specifieke afdrachtskorting (SPAK) in het jaar 2001 bedroegen € 890 miljoen.
Afgeronde evaluatieonderzoeken artikel 3 in 2002
Evaluatie Europese werkgelegenheidsstrategie, februari 2002
Doelstelling: bepalen in welke mate de werkgelegenheidsrichtsnoeren het beleid en het beleidsproces van de lidstaten hebben beïnvloed; bepalen, los van specifieke beleidsmaatregelen, in welke mate het beleid heeft bijgedragen aan het realiseren van de doelstellingen van de Europese werkgelegenheidsstrategie.
3.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Beleidsartikel 3. Aanvullende werkgelegenheid | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 760 989 | 877 178 | 1 925 250 | 1 054 486 | 870 764 |
| Uitgaven | 760 989 | 877 178 | 986 627 | 1 054 486 | – 67 859 |
| Apparaatsuitgaven | 582 | 1 440 | – 858 | ||
| Personeel | 545 | 974 | – 429 | ||
| Materieel | 37 | 466 | – 429 | ||
| Programmauitgaven | 760 989 | 877 178 | 986 045 | 1 053 046 | – 67 001 |
| I/D-banen | 755 181 | 871 014 | 979 394 | 1 045 967 | – 66 573 |
| RSP | 5 808 | 6 164 | 6 651 | 7 079 | – 428 |
| Ontvangsten | 22 871 | 15 741 | 26 330 | 0 | 26 330 |
Bron: SZW-administratie.
Het verschil ten opzichte van de begroting 2002 houdt verband met een lager groeitempo met name bij de doorstroombanen en met anticipatie door gemeenten op het nieuwe Besluit ID-banen 2003.
In 2002 is bij de vaststelling subsidies voor In- en doorstroombanen en de RSP een bedrag van € 26,3 miljoen ontvangen.
Als gevolg van de bij het Strategisch Akkoord ingezette ontwikkelingen wordt beleidsartikel 3 in 2003 aangepast.
Beleidsartikel 4 Aangepast Werken
Het bevorderen van de arbeidsparticipatie van arbeidsgehandicapten door hen op zo kort mogelijke termijn aangepaste arbeid te bieden, indien zij daarop zijn aangewezen, en zo mogelijk door te laten stromen naar een reguliere, niet-gesubsidieerde arbeidsplaats.
Aangepaste arbeid voor mensen die arbeidsgehandicapt zijn vanwege een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking kan binnen het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw) worden gerealiseerd. Op basis van deze wet heeft de gemeente de zorgplicht de benodigde arbeidsplaatsen voor geïndiceerde arbeidsgehandicapten tot stand te brengen.
4.2 Operationele doelstellingen
1. Het realiseren van aangepaste arbeid voor diegenen die daarop zijn aangewezen.
| Tabel 4.1: Prestatiegegevens WSW | ||
|---|---|---|
| Begroting 2002 | Realisatie 2002 | |
| Aantal arbeidsplaatsen in het kader van de WSW (in standaardeenheden = SE). | 89 820 | 87 000 |
| Verwachte aantal personen op de wachtlijst WSW. | 4 000 a 5 000 | 5 650 |
| Verblijfsduur op de wachtlijst WSW. | Max 12 maanden | 14 maanden |
| Uitstroom uit de WSW naar niet-gesubsidieerd werk. | – | 450 personen |
| Aandeel etnische minderheden op een WSW-baan. | – | 7,5% |
| Aandeel plaatsingen in begeleid werken t.o.v. totale aantal plaatsingen | 13% | 8% |
Bron: voorlopige gegevens WSW monitor; bij CBS uitgevoerde koppeling WSW-monitor en GBA; voorlopige volumegegevens gemeenten.
Voor de Wsw komen in aanmerking personen die:
1. Door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn;
2. in staat zijn om regelmatige arbeid, zonder verstoring van de arbeidsomgeving, te verrichten.
Realisatie taakstelling arbeidsplaatsen
In 2002 is de taakstelling in arbeidsplaatsen opnieuw verhoogd met 1 159 standaardeenheden, als onderdeel van de in het vorige kabinet afgesproken jaarlijkse uitbreiding taakstelling tot 89 820 standaardeenheden. De realisatie is gestegen van een gemiddelde van 86 300 in 2001 tot 87 000 in 2002. Het streven van 89 820 arbeidsplaatsen is hiermee in 2002 niet gehaald.
Sinds 1998 is er sprake van een beperkte onderrealisatie in Wsw. Als reden hiervoor kan worden aangehaald dat de continue groei in taakstelling van de afgelopen jaren (een forse groei van 1997 op 1998 met ruim 4 000 extra standaardeenheden, en vervolgens 1 159 extra standaardeenheden gedurende 4 jaar, 1999–2002) met enige vertraging wordt gevolgd door een navenante groei in feitelijk gerealiseerde arbeidsplaatsen. Nu de taakstelling niet langer toeneemt, is de verwachting dat de realisatie in 2003 en 2004 de taakstelling steeds dichter nadert.
Het aandeel etnische minderheden in de (werkende) Wsw populatie bedraagt 7,5%.
Realisatie verkorting wachtlijst en wachtduur
De wachtlijst is sinds de invoering van de vernieuwde wet van 1998 fors teruggelopen, van ruim 20 000 in 1998 naar ongeveer 5 650 eind 2002. De wachtlijst is in 2002 gelijk gebleven aan die van 2001. Ten opzichte van eerdere jaren is het aantal nieuwe Wsw-geïndiceerden sterker toegenomen. Tegelijkertijd wordt in 2002 de capaciteit aan taakstelling voor het aantal arbeidsplaatsen niet volledig benut. Ongeveer een derde van de gemeenten en schappen realiseert het taakgestelde aantal arbeidsplaatsen; bij de overige twee derde vindt onderrealisatie plaats.
De uitstroom uit de WSW naar niet-gesubsidieerde banen bedraagt in 2002 450 personen, dat is 0,5% van het bestand.
De gemiddelde wachtduur op de wachtlijst neemt sinds 2000 af en bedraagt op dit moment 14 maanden. Het streven van maximaal 12 maanden in 2002 is daarmee nog niet gerealiseerd. Ongeveer 60% van de personen op de wachtlijst staat minder dan 1 jaar op de wachtlijst. Voor 2003 zijn op 2 september 2002 bestuurlijke afspraken met de VNG gemaakt om de wachtduur te verkorten. Zie brief aan de TK van 27 november 2002.
Het grootste deel van de huidige doelgroep is werkzaam in een Wsw-dienstbetrekking bij een Sw-bedrijf (86%). Daarnaast is ook detachering (individueel of in groepen) vanuit een Wsw-dienstbetrekking bij een reguliere werkgever (13%) en sinds 1998 begeleid werken mogelijk. Begeleid werken is een vorm van Wsw-arbeid, waarbij betrokkene in dienst is van een reguliere werkgever en specifieke begeleiding op de werkplek ontvangt. Eind 2002 zijn ruim 1 000 personen werkzaam in het kader van begeleid werken (dat is 1% van het totale bestand en 5% van de nieuwe instroom sinds 1998).
Het aantal plaatsingen van personen in begeleid werken plekken blijft nog altijd achter bij het streefpercentage. In 2002 is een percentage van 8% gerealiseerd, bij een verwachting van 13%. Voor 2003 zijn op 2 september 2002 bestuurlijke afspraken met de VNG gemaakt om concrete maatregelen te nemen om begeleid werken te bevorderen.
| Tabel 4.2: Subsidies aan gemeenten voor de realisatie van werkplekken | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | begroting 2002 | |
| Uitgaven (x € 1 miljoen) | ||||
| Wsw-decentraal (realisatie bij slotwet) | 1 826,60 | 1 942,40 | 2 069,80 | 1 968,0 |
| Wsw-centraal (realisatie bij slotwet) | 4,4 | 7,2 | 5,9 | 6,3 |
| Wsw-decentraal na vaststelling | 1 784,60 | |||
| Wsw-centraal na vaststelling | 4,40 | |||
| Taakgesteld volume | 87 500 | 88 660 | 89 820 | 89 820 |
| Gerealiseerd volume | 85 820 | 86 350 | 87 000 | |
| Gemiddelde prijs (x € 1) | ||||
| Kosten per SE bij slotwet en begroting | 20 926 | 21 989 | 23 109 | 21 963 |
| Kosten per SE na vaststelling | 20 860 | |||
Bron: SZW , Jaaropgaven WSW van gemeenten en voorlopige gegevens WSW monitor.
De gemiddelde prijs per standaardeenheid (SE) is gebaseerd op het totaal beschikbare bedrag aan centrale en decentrale uitgaven gedeeld door het taakgestelde volume. De stijging van de kosten per SE in 2002 weerspiegelt de (jaarlijkse) toevoeging van de arbeidsvoorwaardenruimte aan de begroting.
In elk jaar is het feitelijk gerealiseerde aantal arbeidsplaatsen iets achtergebleven bij het taakgestelde volume waarvoor subsidie is verstrekt. Bij de vaststelling achteraf wordt de subsidie voor de niet gerealiseerde plaatsen teruggevorderd, zodat de gemiddelde prijs voor het betreffende jaar dezelfde blijft. De vaststelling 2000 heeft in 2002 plaatsgevonden. De uitgaven zijn voor 2000 € 41,8 miljoen lager vastgesteld ten opzichte van de begroting bij slotwet. Per SE is in 2000 uiteindelijk € 20 860 uitgegeven, tegenover de begrote € 20 926.
4.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Beleidsartikel 4. Aangepast werken | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 1 929 804 | 2 061 449 | 2 144 307 | 1 974 210 | 170 097 |
| Uitgaven | 1 831 024 | 1 949 511 | 2 076 279 | 1 974 936 | 101 343 |
| Apparaatsuitgaven | 592 | 629 | – 37 | ||
| Personeel | 555 | 425 | 130 | ||
| Materieel | 37 | 204 | – 167 | ||
| Programmauitgaven | 1 831 024 | 1 949 511 | 2 075 687 | 1 974 307 | 101 380 |
| Wsw | 1 831 024 | 1 949 511 | 2 075 687 | 1 974 307 | 101 380 |
| Ontvangsten | 387 026 | 390 615 | 435 402 | 394 789 | 40 613 |
| Anticumulatiebepalingen | 369 792 | 372 915 | 393 544 | 394 789 | – 1 245 |
| Uitvoering Wsw | 17 244 | 17 700 | 41 858 | 0 | 41 858 |
Bron: SZW-administratie.
De uitgaven Wsw zijn hoger dan geraamd door de reguliere aanpassing van de uitgaven aan de loon- en prijsontwikkeling.
In 2002 is bij vaststelling van de subsidies WSW, en met name die over 2000, een bedrag van in totaal bijna € 42 miljoen verrekend met gemeenten. De terugvordering van toegekende subsidiemiddelen betreft vooral onderrealisatie van arbeidsplaatsen.
| Tabel 4.3: Budget, volume, uitkering Anticumulatiebaten | ||||
|---|---|---|---|---|
| Artikelonderdeelomschrijving | 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 |
| Anticumulatie baten (x € 1 miljoen) | ||||
| WAZ | 1,8 | 1,6 | 1,6 | 3,0 |
| WAO | 133,4 | 126,2 | 134,4 | 142 |
| Wajong | 232,5 | 245,2 | 257,6 | 249,8 |
| Volume bespaarde uitkeringen | ||||
| WAZ | 100 | 100 | 100 | 200 |
| WAO | 17 500 | 17 800 | 17 500 | 18 000 |
| Wajong | 22 800 | 23 200 | 23 700 | 23 100 |
| Gemiddelde bespaarde uitkering (x € 1 miljoen) | ||||
| WAZ | 14 748 | 12 790 | 13 420 | 19 830 |
| WAO | 7 687 | 7 253 | 7 680 | 7 882 |
| Wajong | 10 178 | 10 569 | 10 885 | 10 832 |
Bron: De ontvangsten zijn afkomstig van SZW. De volume- en prijsgegevens zijn gebaseerd op voorlopige informatie van het UWV; definitieve gegevens komen eerst medio 2003 beschikbaar.
De totale anticumulatiebaten zijn vrijwel uitgekomen op het in de begroting gegeven bedrag. Te zien is dat de WAO en WAZ baten lager zijn uitgevallen, samenhangend met een lager volume. Volume en baten wegens samenloop WSW en Wajong zijn daarentegen hoger uitgevallen.
De persoonsstatistiek is in 2002 verder ontwikkeld. Met ingang van 1 januari 2003 wordt onder andere informatie opgevraagd over het aantal detacheringen. Dit is van belang met het oog op het streven naar in de Wsw naar een arbeidsintegratie zo dicht mogelijk bij een reguliere werkgever. De gemiddelde wachtduur op de wachtlijst is aanleiding geweest voor nader onderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek zijn meegenomen in gemaakte bestuurlijke afspraken voor het subsidiejaar 2003. Deze afspraken zullen in 2003 nader uitgewerkt worden.
Beleidsartikel 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau
Het garanderen van een inkomensvoorziening op het sociaal minimum voor mensen die om uiteenlopende redenen niet (volledig) zelf kunnen voorzien in hun levensonderhoud, alsmede het bevorderen van de bekendheid en toegankelijkheid van relevante voorzieningen. Daarbij mede:
• Het bevorderen van het zo snel mogelijk weer zelf kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan;
• Het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting en het voorkomen van problematische schulden;
• Het beperken van het onterechte beroep op bijstand en toeslagen.
De algemene doelstelling brengt tot uitdrukking dat enerzijds voor mensen die niet zelfstandig kunnen voorzien in hun middelen van bestaan een sociaal minimum wordt gegarandeerd en anderzijds dat het beleid er op gericht te bewerkstelligen dat mensen die hierop een beroep doen zo snel mogelijk weer zelf kunnen voorzien in hun levensonderhoud.
De garantie heeft praktisch vorm gekregen in vier uitkeringsregelingen, te weten: Algemene bijstandswet (Abw), Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers c.q. zelfstandigen (Ioaw en Ioaz) en de Toeslagenwet (TW).
Bestrijding van armoede en sociale uitsluiting heeft zijn uitwerking in een Nationaal Actieplan gekregen. Het voorkomen van problematische schulden is daar nauw aan gelieerd.
5.2 Operationele doelstellingen
1. Het op een adequaat niveau houden van de inkomenspositie van de minima.
2. Bestrijden en voorkomen van armoede en sociale uitsluiting door onder meer het voorkomen en bestrijden van problematische schulden.
3. Het realiseren van een activerend stelsel van sociale zekerheid door:
– het bevorderen van de maatschappelijke participatie van uitkeringsgerechtigden (inclusief de uitstroom naar werk);
– het verkleinen van de armoedeval.
4. Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude c.q. het aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
Het op een adequaat niveau houden van de inkomenspositie van de minima.
Door de koppeling van het sociaal minimum aan de ontwikkeling van het minimumloon op grond van de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid (WKA) wordt bereikt dat het sociaal minimum de algemene loonontwikkeling volgt. Hierdoor zijn de uitkeringen welvaartsvast.
Het sociaal minimum is in 2002 aangepast per 1 januari en per 1 juli. Dit levert het volgende beeld op:
| Tabel 5.1 Samenstelling en hoogte minimuminkomens in 2001 en 2002 (x € 1) | |||
|---|---|---|---|
| alleenstaand | een-ouder | Paar | |
| Vastgestelde bijstandsnorm per 1 januari 2001 | 525,91 | 736,28 | 1 051,82 |
| Vastgestelde bijstandsnorm per 1 juli 2001 | 533,83 | 747,36 | 1 067,66 |
| Vastgestelde bijstandsnorm per 1 januari 2002 | 549,91 | 769,87 | 1 099,81 |
| Vastgestelde bijstandsnorm per 1 juli 2002 | 557,10 | 779,93 | 1 114,19 |
Bron: SZW.
Met betrekking tot aanvullende inkomensondersteuning voor langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief kan het volgende worden gemeld. Door het kabinet is het wetsvoorstel dat door het vorige kabinet was opgesteld naar aanleiding van de motie Noorman-den Uyl, ingetrokken. Op 28 november 2002 is in het najaarsoverleg met de sociale partners afgesproken dat het kabinet de totstandkoming van een financiële regeling voor langdurige minima zonder arbeidsmarktperspectief in het kader van de voorbereiding van de nieuwe bijstandswet met de grootst mogelijke voortvarendheid ter hand wordt genomen.
Naast het Rijk leveren gemeenten door hun inkomensondersteuningsbeleid een op individuele en lokale omstandigheden toegesneden bijdrage aan de inkomenspositie van de minima. Uit de Monitor gemeentelijk armoedebeleid 1999 – 2000, die op 28 november 2002 aan de Tweede Kamer is aangeboden (kenmerk B&GA/IW/02/68 017), blijkt dat de totale gemeentelijke uitgaven voor armoedebeleid in 1999 € 364 miljoen bedroegen en in 2000 € 404 miljoen. Grootste uitgavenposten vormen bijzondere bijstand met in beide jaren circa € 180 miljoen en kwijtschelding van lokale lasten met € 94 miljoen in 1999 en € 108 miljoen in 2000. Op dit moment zijn geen recentere cijfers beschikbaar. Naar verwachting komt in het najaar 2003 de Monitor gemeentelijk armoedebeleid 2001 beschikbaar.
Uit cijfers van het CBS blijkt dat in 2001 aan 271 000 huishoudens bijzondere bijstand is verstrekt (bron: CBS bijstandskenmerkenstatistiek met bewerking SZW). In 2002 gaat het om 236 000 huishoudens. Dit laatste cijfer is gedeeltelijk gebaseerd op een schatting van SZW.
Over de achterliggende oorzaken van de daling van het aantal huishoudens bestaat op dit moment nog geen inzicht.
Het tegengaan van niet-gebruik van inkomensvoorzieningen is een belangrijk onderdeel van het beleid gericht op bestrijding van armoede. Het is daarbij van belang inzicht te hebben in de omvang en determinanten van niet-gebruik. Naar de mogelijkheden om dit in kaart te brengen voert het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een voorstudie uit. Medio 2003 komen de resultaten hiervan beschikbaar.
Bestrijden en voorkomen van armoede en sociale uitsluiting door onder meer het voorkomen en bestrijden van problematische schulden.
Op 8 december 2002 is de Tweede Kamer bij brief geïnformeerd over de uitvoering van het Nationaal Actieplan bestrijding armoede en sociale uitsluiting (NAP 2001). Deze brief bevat een schematisch overzicht waarin per streefdoel uit het NAP 2001 kort de stand van zaken is weergegeven en, waar relevant, de recente beleidsmaatregelen en beleidsintensiveringen zijn vermeld.
Op het terrein van schuldhulpverlening kunnen de volgende activiteiten worden gemeld:
• in november 2002 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het Plan van Aanpak jongerenschulden naar aanleiding van de motie Noorman-Den Uyl c.s.;
• eind 2002 is een werkgroep gestart die de haalbaarheid van een centrale schuldenregistratie onderzoekt;
• in november 2002 is de eerste bijeenkomst geweest van het Platform schuldeisers ter verbetering van de betrokkenheid van schuldeisers bij minnelijke schuldhulp trajecten;
• in 2002 is gestart met een verkenning van de mogelijkheden te komen tot certificering van schuldhulpverlening.
Met betrekking tot deze operationele doelstelling wordt jaarlijks door SZW subsidie verstrekt. In 2002 ging het om een bedrag van € 1,215 miljoen. Er zijn alleen projecten geselecteerd die een relatie hebben met de SZW-streefdoelen in het NAP. Dit is nader ingevuld met onderstaande prioriteiten:
1. Verbetering implementatie en uitvoering armoedebeleid door integrale aanpak;
2. Bevorderen van schuldpreventie en integrale schuldhulpverlening;
3. Stimuleren van het armoededebat en cliëntenparticipatie.
In 2002 zijn onder andere subsidies verstrekt aan het Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening en de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) en voor het project Integrale Schuldhulpverlening Parkstad Limburg. Voorts ontvangt het NIBUD subsidie voor met name het verstrekken van financiële voorlichting aan consumenten.
Het realiseren van een activerend stelsel van sociale zekerheid door:
• het bevorderen van de maatschappelijke participatie van uitkeringsgerechtigden (inclusief de uitstroom naar werk);
• het verkleinen van de armoedeval.
In het kader van de Agenda voor de Toekomst zijn met gemeenten concrete afspraken gemaakt over het bevorderen van maatschappelijke participatie in de vorm van uitstroom naar betaald werk of – bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt-sociale activering. In de naar de Tweede Kamer gezonden Eerste voortgangsrapportage wordt ingegaan op de in 2001 behaalde resultaten en wordt een tussenstand voor 2002 weergegeven. In 2001 zijn geen afspraken gemaakt over uitstroom uit trajecten, omdat een traject om een (vaak langdurig werkloze) bijstandsgerechtigde te activeren tijd vergt. In 2001 zijn 90% van de met Den Haag, Utrecht en de G26-gemeenten afgesproken prestatieafspraken gerealiseerd. Met betrekking tot de prestaties 2002 is het beeld over de uitstroomprestaties in de eerste helft van 2002 divers. De G4- en G26-gemeenten tezamen hebben, op basis van gemeentelijke opgave, 23% van de afgesproken uitstroom werk (inclusief gesubsidieerde arbeid) gerealiseerd.
Ter vermindering van de armoedeval zijn in 2002 de volgende maatregelen genomen:
• Een (inkomensneutrale) aanpassing in de huursubsidie in de vorm van het verdwijnen van de kindertoeslag met dezelfde motivatie als bij het afschaffen van de koopkrachttoeslagen.
• Verhoging van de arbeidskorting en de combinatiekorting.
• Verhoging van de uitstroompremie naar € 2269; de uitkering in het eerste jaar is € 1361 (3000 gulden), gevolgd door tweemaal € 454 (1000 gulden).
Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude c.q. het aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
In onderstaande tabel staan de kengetallen van de resultaten van gemeentelijke inspanningen.
| Tabel 5.2 Indicatoren handhaving Abw ca | ||||
|---|---|---|---|---|
| 1999 | 2000 | 2001 | raming 2002 | |
| Geconstateerde fraude per 10 000 uitkeringsjaren | 414 | 335 | 386 | 390 |
| Totaal aantal geconstateerde fraudegevallen | 17 670 | 13 270 | 14 390 | 14 500 |
| Waarvan: | ||||
| – percentage witte fraude | 73% | 75% | 61% | 73% |
| – percentage zwarte fraude | 14% | 15% | 21% | 17% |
| Gemiddeld geconstateerd fraudebedrag (x € 1) | 3 622 | 4 069 | 3 266 | 3 800 |
| Percentage administratieve afdoening | 42% | 64% | 67% | 64% |
| Percentage strafrechtelijke afdoening | 25% | 17% | 16% | 11% |
| Percentage geen-afdoening | 32% | 19% | 16% | 26% |
| Incasso-ratio | 16% | 15% | 15% | PM |
Bron: CBS bijstandsfraudestatistiek 1e helft 2002, bewerking SZW.
Incasso-ratio 2002 is pas in september 2003 bekend.
Op basis van de resultaten uit de fraudestatistiek over de eerste helft van 2002 is een raming gemaakt voor het jaar 2002. Hieruit blijkt dat het aantal fraudegevallen zowel relatief als absoluut niet veel af zal wijken van aantal in 2001. De verwachting is dat het gemiddelde fraudebedrag na een daling in 2001 weer zal stijgen. Het aandeel administratieve afdoeningen blijft op een gelijk niveau als voorgaande jaren. De dalende trend in de strafrechtelijke afdoening zet zich naar verwachting voort. Overigens geven de gegevens uit de fraudestatistiek geen inzicht in het uiteindelijke resultaat van de strafrechtelijke vervolgprocedure. In 2002 zijn meer belastingsignalen dan in de twee voorgaande jaren afgehandeld, welke relatief vaker tot een fraudeconstatering zonder afdoening leidden.
In de fraudestatistiek worden alleen de fraudegevallen opgenomen waarbij de sociale recherche betrokken is. Omdat de sociale recherche vooral «zware gevallen» behandelt, heeft dit tot gevolg dat veel kleinere fraudegevallen niet in de fraudestatistiek zijn opgenomen. Door deze fraudestatistiek te «verrijken» met de debiteurenstatistiek waarin de kleinere fraudegevallen opgenomen zijn, is het CBS erin geslaagd een volledig beeld te geven van het totaal aantal opgespoorde fraudegevallen in de eerste helft van 2002. Op basis hiervan is een raming gemaakt voor het totaal aantal opgespoorde fraudegevallen in 2002 : circa 35 000. Het gemiddeld fraudebedrag is ruim € 2 500. Meer dan 80% van alle fraudes wordt met een boete afgedaan.
SZW richt zich op handhaving van de regelgeving waarbij misbruik en oneigenlijk gebruik moet worden voorkomen. Het voorkomen van overtredingen en fraude (preventie) is de primaire doelstelling. Daartoe worden controlemiddelen ingezet, vindt opsporing plaats en worden overtredingen en fraude afgedaan door middel van sanctie-oplegging (boetes en gehele of gedeeltelijk weigering van de uitkering) en terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen of te weinig betaalde premies.
Bovenstaande indicatoren hebben betrekking op de gehele handhavingsketen van preventie, controle, opsporing en afdoening. Een deel van de indicatoren is bekend voor de Toeslagenwet.
| Tabel 5.3 Indicatoren handhavingsketen Toeslagenwet | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Onderdeel handha- vingsketen | kengetal | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002* |
| opsporing | aantal geconstateerde fraudes | 219 | 545 | 708 | 651 | 650 |
| totaal fraudebedrag (x € 1 mln) | 0,4 | 0,5 | 0,9 | 0,7 | 1,0 | |
| gemiddeld fraudebedrag (x € 1) | 1 751 | 958 | 1 209 | 1 126 | 1 538 | |
| afdoening | aantal waarschuwingen | nb | nb | 96 | 136 | nb |
| aantal maatregelen | 144 | 201 | 226 | 310 | 300 | |
| aantal boeten | 370 | 506 | 519 | 494 | 530 | |
| aantal aangiftes | 206 | 22 | 49 | 19 | 20 | |
* Raming UWV.
Bron: Kwartaalverslag UWV 4e kwartaal 2002.
Er is bij de TW geen duidelijke trend waarneembaar in geconstateerde overtredingen, waaronder fraude en de gemiddelde bedragen die daarmee gemoeid zijn. Sinds de introductie van de waarschuwing bij overtredingen die niet leiden tot schade (ook wel nulschades, voorheen nulfraudes genoemd), is het aantal geregistreerde overtredingen bij de TW namelijk niet toegenomen.
Het aantal geconstateerde fraudes is gelijk gebleven, maar het totale fraudebedrag is aanzienlijk gestegen evenals het gemiddelde schadebedrag. Dit duidt op intensievere aandacht voor grotere overtredingen. Het aantal boeten is vermoedelijk daardoor eveneens gestegen. Het aantal maatregelen is licht gedaald.
Bij de TW is geen sprake van een duidelijke dalende trend in het aandeel strafrechtelijke afdoening. Het aantal in 2002 is vrijwel gelijk aan dat over 2001.
Afgeronde evaluatieonderzoeken artikel 5 in 2002
Evaluatie Regionale Interdisciplinaire Fraudeteams, mei 2002
Doel onderzoek: bouwstenen leveren voor aanpassing van huidige werkwijze RIF's en landelijk overlegplatform.
Evaluatie verbetertrajecten gemeenten
Doelstelling:
Het verkrijgen van inzicht in opzet en werking van verbetertrajecten die gemeenten hebben ingezet als gevolg van geconstateerde rechtmatigheidstekortkomingen in de uitvoering van de Algemene bijstandswet. Belangrijk aandachtspunt is de duurzaamheid van de opgetreden effecten.
Conclusie:
Uit het onderzoek blijkt dat een belangrijke meerwaarde van het instrument verbetertraject is gelegen in een toename van de lokale bestuurlijke betrokkenheid bij de uitvoering van de bijstand.
Rapportage:
«De evaluatie van het instrument verbetertraject», SZW, december 2002.
5.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Beleidsartikel 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 4 057 395 | 5 539 873 | 4 790 866 | 4 537 623 | 253 243 |
| Uitgaven | 4 057 395 | 4 473 321 | 4 636 280 | 4 537 636 | 98 644 |
| Apparaatsuitgaven | 3 153 | 3 202 | – 49 | ||
| Personeel | 2 992 | 2 165 | 827 | ||
| Materieel | 161 | 1 037 | – 876 | ||
| Programma-uitgaven | 4 057 395 | 4 473 321 | 4 633 127 | 4 534 434 | 98 693 |
| Gebudgetteerd deel Abw, Ioaw en Ioaz | 0 | 1 089 420 | 1 108 579 | 1 048 628 | 59 951 |
| Declaratie deel Abw, Ioaw en Ioaz | 3 745 027 | 3 084 853 | 3 190 104 | 3 143 575 | 46 529 |
| Toeslagenwet uitkeringen | 291 444 | 274 630 | 306 804 | 285 486 | – 21 318 |
| Toeslagenwet uitvoeringskosten | 19 400 | 26 100 | 8 007 | 23 130 | – 15 123 |
| Handhaving | 0 | 0 | 18 663 | 32 400 | – 13 737 |
| Subsidies en overige beleidsuitgaven | 0 | 0 | 970 | 1 215 | – 245 |
| Ontvangsten | 81 907 | 81 817 | 27 902 | 79 412 | – 51 510 |
| Ontvangsten Abw, Ioaw, Ioaz | 0 | 0 | 26 350 | 79 412 | – 53 062 |
| Ontvangsten Toeslagenwet | 0 | 0 | 1 552 | 0 | 1 552 |
Bron: SZW-administratie.
| Tabel 5.4 Achterliggende volume en prijsgegevens Abw, Ioaw en Ioaz | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 20021 | Verschil | |
| Volumina | |||||
| Periodiek algemeen <65 ABW, IOAW en IOAZ | 371 449 | 349 632 | 340 304 | 356 485 | – 16 181 |
| wv Abw<65 | 348 000 | 328 142 | 318 492 | 335 735 | – 17 243 |
| Periodiek algemeen >=65 | 18 000 | 18 699 | 20 701 | 19 398 | 1 303 |
| Toeslagen Abw | 273 013 | 262,900 | 259 740 | 262 719 | – 2 979 |
| Zelfstandigen uitkeringen | 2 600 | 1 900 | 1 700 | 3 300 | – 1 600 |
| Zelfstandigen kredieten | 5 400 | 2000 | 1 300 | 2 600 | – 1 300 |
| Abw inrichtingen | 4 400 | 4 000 | 4 234 | 4 200 | 76 |
| Nederlanders in het buitenland | 650 | 500 | 675 | 610 | 65 |
| Onderzoeken zelfstandigen | 3 800 | 4 500 | 5 200 | 4 600 | 600 |
| Onderzoeken Ioaz | 900 | 500 | 319 | 500 | – 181 |
| Gemiddelde prijzen in euro's | |||||
| Periodiek algemeen <65 ABW, IOAW en IOAZ | 8 052 | 9 545 | 10 029 | 9 264 | 768 |
| wv Abw<65 | 7 897 | 9 078 | 9 859 | 9 110 | 749 |
| Periodiek algemeen >=65 | 4 398 | 5 454 | 5 717 | 5 650 | 67 |
| Toeslagen Abw | 2 322 | 2 450 | 2 748 | 2 464 | 284 |
| Zelfstandigen uitkeringen | 4 486 | 10 924 | 12 230 | 9 398 | 2 832 |
| Zelfstandigen kredieten | 1 466 | 5 521 | 3 115 | 5 211 | – 1 096 |
| Abw inrichtingen | 2 919 | 3 792 | 4 187 | 3 905 | 283 |
| Nederlanders in het buitenland | 4 492 | 4 921 | 4 876 | 4 918 | – 42 |
| Onderzoeken zelfstandigen | 1 324 | 1 333 | 1 325 | 1 378 | – 53 |
| Onderzoeken Ioaz | 454 | 1 200 | 1 157 | 800 | 357 |
Bronnen: SZW administratie en CBS met bewerking door SZW.
1 De standen begroting 2002 in deze tabel zijn niet geheel gelijk aan de standen in de ontwerp-begroting 2002. In de ontwerp-begroting 2002 zijn een aantal verkeerde volumes en prijzen terecht gekomen; deze zijn in dit jaarverslag gecorrigeerd.
De uitgaven aan Abw, Ioaw en Ioaz in 2002 waren ruim € 106 miljoen hoger dan begroot. De oorzaak zit voor een groot deel (€ 60 miljoen) in de stijging van het budgetdeel. Dit is voornamelijk veroorzaakt door de koppeling van de bijstandsuitkeringen aan de loonontwikkeling (WKA). Het budgetdeel is gedurende 2002 naar boven bijgesteld op basis van de verwachte conjuncturele ontwikkeling en de koppeling aan de loonontwikkeling. In totaal is door de koppeling € 188 miljoen extra uitgegeven. Exclusief de koppeling zijn de uitgaven dus lager dan oorspronkelijk geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat het volume Abw aan mensen jonger dan 65 jaar ruim 17 000 lager uit is gevallen dan oorspronkelijk geraamd (circa 318 000 ten opzichte van een raming van circa 336 000). De verwachte stijging van de Abw als gevolg van de verslechterende conjunctuur in 2002 trad later op dan verwacht. Pas eind 2002 is het Abw-volume gaan stijgen. In plaats van de verwachte lichte stijging ten opzichte van 2001 is er in 2002 een daling van het Abw volume opgetreden ten opzichte van 2001. Omdat het gebudgetteerde deel nu over een lager volume wordt verdeeld, heeft dit als gevolg dat de gemiddelde uitkering hoger uitvalt dan verwacht. Een andere oorzaak van de hogere gemiddelde uitkering ligt in nabetalingen over voorgaande jaren.
De uitgaven voor het budgetdeel zijn door aanhoudingen en verrekening van oude jaren iets hoger dan wat er aan de gemeenten is uitgedeeld voor 2002. Dit betekent niet dat gemeenten extra geld krijgen over 2002.
De Realisaties Zelfstandigen uitkeringen komen € 11 miljoen lager uit ten opzichte van de begroting 2002 (€ 31 miljoen). Dit is voornamelijk een gevolg van het volume: het aantal uitkeringen komt uit op de helft van het begrote aantal (3 300). De gemiddelde uitgaven daarentegen zijn € 2 832 hoger.
De rubriek Zelfstandigen kredieten op de begroting is een saldopost van verstrekte kredieten minus de ontvangsten daaruit. Hiernaast is het volume gehalveerd ten opzichte van de begroting. Deze twee elementen samen veroorzaken een verlaging van het gemiddelde krediet.
| Tabel 5.5: Volume en prijsgegevens Toeslagenwet | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Uitgaven (x € 1 mln) | 312 | 299 | 315 | 309 |
| Waarvan: | ||||
| Uitkeringslasten | 291 | 274 | 307 | 286 |
| Uitvoeringskosten | 19 | 26 | 8 | 23 |
| Volume (x 1 000 uitkeringsjaren) | 91 | 90 | 88 | 89 |
| Gemiddelde prijs (x € 1) | 3 210 | 3 063 | 3 479 | 3 212 |
| Uitvoeringskosten per uitkeringsjaar (x € 1) | 213 | 290 | 91 | 260 |
1 incl. sociale lasten.
Bron: SZW-administratie, jaarnota UWV fondsen
In 2002 deed zich een daling voor van het volume van de Toeslagenwet. Ondanks de toename van het WW-volume in 2002 daalde het aantal toeslagen op de WW. De gemiddelde toeslag liet een stijging zien ten opzichte van 2001. Beide ontwikkelingen waren voorzien in de raming, maar deden zich in sterkere mate voor. De sterkere stijging van de gemiddelde toeslag weegt zwaarder dan de grotere daling van het volume. Dit resulteert in € 21 miljoen hogere uitkeringslasten dan voorzien in de raming. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is in hoofdstuk 7 van dit jaarverslag opgenomen.
IWI heeft in 2002 rechtmatigheidsonderzoek gedaan naar de uitvoering van de TW in het jaar 2001. Op grond van het onderzoek heeft IWI vastgesteld dat de geschatte onrechtmatigheid van de gecontroleerde uitkeringslasten 3,7% (2000: 4,7%) bedraagt. De onrechtmatigheid werd veroorzaakt door een onjuiste wetsinterpretatie. De controles op de uitvoeringskosten uitvoeringsinstellingen hebben geleid tot een geschatte onrechtmatigheid van 3,8% van de gecontroleerde uitvoeringskosten. De onrechtmatigheid wordt veroorzaakt door tekortkomingen in de AO/IC van de processen van de kosten van reguliere producten, kosten van projecten en Europese aanbestedingsrichtlijnen.
De strekking van de rechtmatigheidsverklaring van IWI is afkeurend.
In de Monitor Gemeentelijk Armoedebeleid 1999–2000 is, conform hetgeen daarover is aangegeven in de groeiparagraaf van de Begroting 2002, gerapporteerd over het aantal huishoudens, dat gebruik maakt van het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid. Tevens is gerapporteerd over de gemeentelijke inspanningen om het niet-gebruik van het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid terug te dringen.
Met betrekking tot het opstellen van indicatoren voor armoede en sociale uitsluiting kan gemeld worden dat in december 2001 in Europees verband een set van 17, financiële en niet-financiële, indicatoren is afgesproken. Het betreft o.a. de indicatoren «vroegtijdig schoolverlater», «langdurige werkloosheid», «duurzaam laag inkomen» en «levensverwachting bij geboorte».
Een aantal prestatiegegevens zijn afkomstig uit de monitor Misbruik en Oneigenlijk gebruik. Deze monitor wordt om de twee jaar uitgevoerd. Het laatste jaar was 2001. Voor de begroting 2003 zijn deze indicatoren vervangen door andere indicatoren, die eventueel wel via de reguliere informatievoorziening kunnen worden verzameld.
Beleidsartikel 6 Inkomensgarantie voor Jonggehandicapten
6.1 Algemene beleidsdoelstelling
Het garanderen van een minimuminkomen voor alle jongeren die gehandicapt zijn, geen arbeidsverleden hebben en niet zelf in dat inkomen kunnen voorzien.
De Wajong voorziet in een inkomensgarantie op minimumniveau voor personen die jonggehandicapt zijn en studerenden tot 30 jaar, omdat zij nog geen arbeidsverleden hebben kunnen opbouwen. De Wajong is tevens van toepassing op stagiairs.
6.2 Operationele doelstellingen
1. Zorgdragen dat aan rechthebbenden Wajong-uitkeringen worden verstrekt tot het sociaal minimum.
2. Zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
Zorgdragen dat aan rechthebbenden Wajong-uitkeringen worden verstrekt tot het sociaal minimum.
De hoogte van de Wajong-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt maximaal 70% van de (leeftijdsgebonden) grondslag. Deze grondslag is gebaseerd op het bruto minimum(jeugd)loon. Door arbeidsinkomsten van de uitkeringsgerechtigde zal de Wajong-uitkering niet altijd tot uitbetaling leiden (nuluitkeringen). In 2002 zijn geen wetswijzigingen aangebracht.
| Tabel 6.1: Volume en prijsgegevens Wajong | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Uitgaven Wajong (x € 1 mln) | 1 320,1 | 1 462,9 | 1 469,0 | 1 459,3 |
| Uitkeringslasten | 1 255,5 | 1 368,4 | 1 381,3 | 1 375,7 |
| Uitvoeringskosten | 34,3 | 41,7 | 37,7 | 40,9 |
| REA-lasten | 30,4 | 52,8 | 49,9 | 42,7 |
| Gemiddeld jaarvolume (excl. nuluitkeringen) | ||||
| (x 1 000 jaaruitkeringen) | 123,2 | 124,3 | 126,7 | 127,1 |
| Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1) | 10 191 | 11 009 | 10 902 | 10 823 |
| Uitvoeringskosten | ||||
| Per jaaruitkering (x € 1) | 278 | 335 | 298 | 322 |
| In % van de uitkeringslasten | 2,7% | 3,0% | 2,7% | 3,0% |
| Aantal nuluitkeringen ult. jaar (x 1 000 personen) | 7,0 | 7,5 | 7,3 | 10,2 |
Bron: februarinota financiële ontwikkeling UWV-fondsen 2002–2003; kwartaalverslag t.b.v. SZW 4e kwartaal 2002; SZW-administratie.
De Wajong-uitgaven zijn onderverdeeld in uitkeringslasten, uitvoeringskosten en de aan Wajonggerechtigden toe te rekenen REA-uitgaven. De uitkeringslasten zijn € 5 miljoen hoger dan geraamd. De volume-ontwikkeling blijkt iets gunstiger dan geraamd (-400 uitkeringen; – € 4 miljoen). De gemiddelde jaaruitkering ligt € 77 hoger dan geraamd (+ € 9 miljoen). De reguliere prijsbijstelling vanwege indexering bedroeg € 63 miljoen. De reële prijs is derhalve met € 54 miljoen neerwaarts bijgesteld. De reden van de bijstelling is administratief van aard en ligt in verschillen tussen administratie op transactiebasis (gebruikt voor de raming in de begroting 2002) en kasbasis (gebruikt voor de bovenstaande realisatie). Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is in hoofdstuk 7 van dit jaarverslag opgenomen.
De kosten van REA worden verdeeld over de WW-fondsen en de AO-fondsen. De REA-bijdrage van het Wajong-fonds is ten opzichte van de raming met € 7 miljoen verhoogd om de hoger dan verwachte REA-lasten te dekken. De ontwikkeling van de REA-lasten wordt toegelicht in premieartikel 3 (Reïntegratie).
IWI heeft in 2002 rechtmatigheidsonderzoek gedaan naar de uitvoering van de Wajong in het jaar 2001. Op grond van het onderzoek heeft IWI vastgesteld dat de geschatte onrechtmatigheid van de gecontroleerde uitkeringslasten 0,8% (2000: 1,2%) bedraagt. De onrechtmatigheid werd veroorzaakt door een onjuiste wetsinterpretatie. De controles op de uitvoeringskosten uitvoeringsinstellingen hebben geleid tot een geschatte onrechtmatigheid van 3,5% van de gecontroleerde uitvoeringskosten. De onrechtmatigheid is veroorzaakt door tekortkomingen in de AO/IC van de processen van de kosten van reguliere producten, kosten van projecten en Europese aanbestedingsrichtlijnen.
De strekking van de rechtmatigheidsverklaring van IWI is goedkeurend. Omdat naast het hoge foutpercentage in de uitvoeringskosten ook de uitvoering van het sociaal medisch handelen niet toereikend was heeft IWI een afkeurend totaal oordeel over de rechtmatige uitvoering van deze wet.
Zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
SZW richt zich op handhaving van de regelgeving waarbij misbruik en oneigenlijk gebruik moet worden voorkomen. Het voorkomen van overtredingen en fraude (preventie) is de primaire doelstelling. Daartoe worden controlemiddelen ingezet, vindt opsporing plaats en worden overtredingen en fraude afgedaan door middel van sanctie-oplegging (boetes en gehele of gedeeltelijk weigering van de uitkering) en terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen of te weinig betaalde premies.
Het UWV registreert de fraudeconstateringen inzake de Wajong in een samengevoegde arbeidsongeschiktheidsstatistiek. Deze is opgenomen in premieartikel 2 (Inkomensgarantie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid) van het onderdeel premiegefinancierde sociale verzekeringsuitgaven.
6.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Beleidsartikel 6. Inkomensgarantie voor jonggehandicapten | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 1 320 132 | 1 462 886 | 1 469 042 | 1 459 447 | 9 595 |
| Uitgaven | 1 320 132 | 1 462 886 | 1 469 042 | 1 459 447 | 9 595 |
| Apparaatsuitgaven | 97 | 182 | – 85 | ||
| Personeel | 92 | 123 | – 31 | ||
| Materieel | 5 | 59 | – 54 | ||
| Programmauitgaven | 1 320 132 | 1 462 886 | 1 468 945 | 1 459 265 | 9 680 |
| Wajong uitkeringen | 1 285 857 | 1 421 229 | 1 431 275 | 1 418 365 | 12 910 |
| Wajong uitvoeringskosten | 34 275 | 41 657 | 37 670 | 40 900 | – 3 230 |
| Ontvangsten | 400 | 231 | 6 655 | 0 | 6 655 |
Bron: SZW-administratie.
De Wajong uitkeringen vallen hoger uit door een hogere gemiddelde uitkering en door een hogere REA-bijdrage aan het Wajong-fonds. De uitvoeringskosten Wajong bedragen € 38 miljoen.
In 2002 is voor € 6,7 miljoen aan ontvangsten gerealiseerd op afrekeningen 2001. Ten tijde van de ontwerpbegroting waren deze ontvangsten niet voorzien.
Zoals aangekondigd in de groeiparagraaf in de begroting 2002 is in de begroting 2003 informatie gegeven over de kans voor jongeren om in te stromen in de Wajong. Tevens is in de begroting 2003 vermeld hoeveel Wajong'ers (gedeeltelijk) werken en hoe de uitstroomkansen voor Wajong'ers zich in de tijd ontwikkelen.
Beleidsartikel 7 Inkomensaanvulling voor herkeurde arbeidsongeschikten
Het bieden van inkomenszekerheid aan oudere herkeurde arbeidsongeschikten die op basis van het in 1994 herziene arbeidsongeschiktheidscriterium worden afgeschat.
De Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (BIA) heeft als doelstelling om de inkomensgevolgen van de toepassing van de aangescherpte arbeidsongeschiktheidscriteria volgens de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) voor bepaalde categorieën oudere werknemers te beperken door een (aanvulling tot) een minimuminkomen te verstrekken. Gezien het tijdelijke karakter van deze wet, zijn er geen evaluatiebepalingen opgenomen in deze wet.
7.2 Operationele doelstellingen
1. Zorgdragen dat aan rechthebbenden BIA-uitkeringen worden verstrekt tot het sociaal minimum.
2. Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en het aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
Zorgdragen dat aan rechthebbenden BIA-uitkeringen worden verstrekt tot het sociaal minimum.
BIA-gerechtigden zijn (als men na 1 augustus 1993 als gevolg van herkeuring het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (gedeeltelijk) verliest:
• Arbeidsongeschikten die op 1 augustus 1993 reeds recht hadden op een AAW- of een WAO-uitkering en op die dag 45 jaar of ouder waren,
• Arbeidsongeschikten die op 31 december 1986 in de leeftijd van 35 jaar of ouder waren en zowel op die datum als ook op 31 juli 1993 een AAW- of WAO-uitkering ontvingen. Voorwaarde is daarbij dat zij geen recht hebben op een werkloosheidsuitkering.
De hoogte van een BIA-uitkering is gelijk aan een vervolguitkering in de WW. Een BIA-uitkering wordt verstrekt tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Aangezien voor het recht op uitkering onder andere het geboortejaar van belang is, loopt de regeling langzaam leeg. De wet BIA is een tijdelijke wet, welke vervalt met ingang van 1 december 2016. In 2002 zijn geen wetswijzigingen aangebracht.
Het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (UWV) verstrekt de BIA-uitkeringen. Het UWV voert de wet BIA uit op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving. SZW houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van het UWV.
| Tabel 7.1: Volume en prijsgegevens BIA | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Uitgaven BIA (x € 1 mln) | 6,0 | 6,8 | 7,0 | 7,4 |
| Uitkeringslasten | 5,3 | 6,0 | 6,6 | 6,9 |
| Uitvoeringskosten | 0,7 | 0,7 | 0,4 | 0,5 |
| Gemiddeld jaarvolume (x 1 jaaruitkering) | 800 | 850 | 890 | 1 000 |
| Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1) | 6 693 | 7 120 | 7 416 | 6 900 |
| Uitvoeringskosten | ||||
| Per jaaruitkering (x € 1) | 828 | 781 | 390 | 500 |
| In % van de uitkeringslasten | 12,7% | 11,0% | 5,3% | 6,5% |
Bron: SZW-administratie, UWV.
Op basis van uitvoeringsinformatie blijkt dat het BIA-volume in 2002 slechts licht is gestegen ten opzichte van het volume in 2001. De verwachte sterkere stijging van het volume heeft zich niet voorgedaan. De BIA verstrekt een uitkering aan oudere herkeurde arbeidsongeschikten tot een minimumniveau ter voorkoming van een terugval op bijstand. De instroom in de regeling is slechts beperkt. De uitstroom uit de BIA is vrijwel even groot als de instroom, omdat het gemiddeld een steeds oudere groep instromers en uitkeringsgerechtigden betreft. Per saldo groeit het volume bijna niet meer en is er in feite sprake van een stabilisering van het volume. De gemiddelde uitkering is hoger dan geraamd en beperkt gestegen ten opzichte van 2001. De uitkeringslasten BIA bedragen per saldo € 6,6 miljoen in 2002 en zijn daarmee € 0,6 miljoen hoger dan in 2001 en € 0,3 miljoen lager dan geraamd.
IWI heeft in 2002 rechtmatigheidsonderzoek gedaan naar de uitvoering van de BIA in het jaar 2001.
Op grond van het onderzoek heeft IWI vastgesteld dat de geschatte onrechtmatigheid van de gecontroleerde uitkeringslasten 5,8% (2000: 7,9%) bedraagt. De onrechtmatigheid werd veroorzaakt door een onjuiste wetsinterpretatie. Van de uitvoeringskosten uitvoeringsinstellingen kon over 11,7% onvoldoende zekerheid worden verkregen. De onzekerheid wordt veroorzaakt door het feit dat onvoldoende interne controlemaatregelen zijn getroffen betreffende de kosten van reguliere producten, kosten van projecten en Europese aanbestedingsrichtlijnen.
De strekking van de rechtmatigheidsverklaring van IWI is afkeurend.
Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en het aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
Het UWV registreert de fraudeconstateringen inzake de BIA in een samengevoegde werkloosheidsstatistiek. Deze is opgenomen in premieartikel 1 (Inkomensgarantie bij werkloosheid) in het onderdeel premiegefinancierde sociale verzekeringsuitgaven. Er zijn derhalve geen afzonderlijke gegevens over 2002 en de jaren daarvoor bekend.
7.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Beleidsartikel 7. Inkomensaanvulling voor herkeurde arbeidsongeschikten | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 6 020 | 6 716 | 6 970 | 7 556 | – 586 |
| Uitgaven | 6 020 | 6 716 | 6 970 | 7 556 | – 586 |
| Apparaatsuitgaven | 19 | 160 | – 141 | ||
| Personeel | 18 | 108 | – 90 | ||
| Materieel | 1 | 52 | – 51 | ||
| Programmauitgaven | 6 020 | 6 716 | 6 951 | 7 396 | – 445 |
| Tbia uitkeringen | 5 320 | 6 016 | 6 600 | 6 896 | – 296 |
| Tbia uitvoeringskosten | 700 | 700 | 351 | 500 | – 149 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Bron: SZW-administratie.
De uitkeringslasten BIA zijn iets lager dan geraamd door een lager volume. De gemiddelde uitkering in 2002 is licht gestegen ten opzichte van de vastgestelde begroting 2002. De uitvoeringskosten vallen lager uit. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is in hoofdstuk 7 van dit jaarverslag opgenomen.
Gezien het kleine aantal uitkeringen wordt er vooralsnog van afgezien om de specifieke prestatiegegevens voor de herkeuringen te gaan verzamelen.
Beleidsartikel 8 Inkomensgarantie voor kunstenaars
Het gedurende een beperkte periode bieden van inkomenszekerheid aan:
• aankomende kunstenaars, ter ondersteuning bij het opzetten van een renderende, al dan niet gemengde eigen beroepspraktijk als kunstenaar,
• gevestigde kunstenaars, teneinde hen in staat te stellen een tijdelijke terugval in inkomsten op te vangen.
In de algemene doelstelling komt tot uitdrukking dat de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars (WIK) als doel heeft een inkomensvoorziening te bieden aan (startende) kunstenaars, ten einde hen in de gelegenheid te stellen om in betrekkelijke rust te werken aan de (her)opbouw van een renderende al dan niet gemengde beroepspraktijk. In deze algemene doelstelling komt tot uitdrukking dat de WIK, anders dan de Algemene bijstandswet (Abw) geen specifieke uitstroomdoelstelling heeft.
Uit de resultaten van de in november 2002 aan de leden van de Eerste en Tweede Kamer aangeboden evaluatie van de WIK kan worden geconcludeerd dat de WIK in grote lijnen voldoet aan de algemene doelstelling.
De WIK blijkt vooral aankomende en gevestigde kunstenaars die een tijdelijk inkomensprobleem hebben een goede mogelijkheid te bieden om doelgericht te kunnen werken aan de opbouw van een beroepspraktijk als kunstenaar. Voor de veelal oudere kunstenaars die in 1999 vanuit de Abw zijn ingestroomd in de WIK heeft de WIK in aanzienlijk minder gevallen kunnen beantwoorden aan de doelstellingen. Daar het in dit laatste geval echter een eenmalige instroom betrof, behoeven hieraan voor wat betreft de WIK geen verdere beleidsconclusies te worden verbonden.
8.2 Operationele doelstellingen
1. Ter voorkoming van het ontstaan van bijstandsbehoevendheid ervoor zorgdragen dat aan rechthebbenden WIK-uitkeringen worden verstrekt.
2. Iedere kunstenaar die in aanmerking komt voor een WIK-uitkering moet ermee bekend zijn dat hij/zij recht heeft op een WIK-uitkering en er gebruik van kan maken.
3. Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en het aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
Ter voorkoming van het ontstaan van bijstandsbehoevendheid ervoor zorgdragen dat aan rechthebbenden WIK-uitkeringen worden verstrekt.
Ten opzichte van 2001 is het aantal personen dat een beroep doet op de WIK vrijwel gelijk gebleven.
In relatie tot de meerjarenramingen kan worden geconcludeerd dat de WIK onder het voorbehoud van gelijkblijvende economische omstandigheden in 2002 zijn maximum volume heeft bereikt.
Iedere kunstenaar die in aanmerking komt voor een WIK-uitkering moet ermee bekend zijn dat hij/zij recht heeft op een WIK-uitkering en er gebruik van kan maken.
Gezien de doelstelling van de WIK zijn instroomcijfers pas relevant als daarnaast duidelijk is dat in beginsel iedere kunstenaar, die tot de doelgroep van de WIK behoort, op de hoogte is van het bestaan van de WIK.
Om de bekendheid van de WIK te bevorderen zijn in 2002 door de stichting Kunstenaars & CO diverse activiteiten ontploooid, onder meer het geven van voorlichting aan studenten van de kunstacademie, het uitgeven van voorlichtingsmateriaal, en via een telefonische helpdesk.
Voor 2002 kan ten aanzien van deze doelstelling nog geen sluitend geheel van indicatoren en realisatiecijfers worden gegeven. In een periodiek onderzoek onder beeldende kunstenaars dat wordt uitgevoerd door de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO), is op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aantal vragen opgenomen waaruit de bekendheid van de doelgroep met de WIK kan worden afgeleid. Op basis van dit onderzoek kan worden gesteld dat de bekendheid met de WIK onder de beeldende kunstenaars groot is, slechts 4% van de respondenten zegt niet bekend te zijn met de WIK. Uit enkele in het onderzoek opgenomen kennisvragen blijkt voorts dat de beeldende kunstenaars goed op de hoogte zijn van hetgeen de WIK hen te bieden heeft. Hoewel hiernaar nog geen onderzoek is verricht mag worden verondersteld dat de bekendheid met de WIK onder podiumkunstenaars navenant groot is.
Daar de evaluatie van de WIK zelf zich met name heeft gericht op kunstenaars die een WIK-uitkering ontvangen of hebben ontvangen kunnen hieruit geen conclusies worden getrokken betreffende de bekendheid van de WIK.
Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en het aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
Voor de WIK zijn vanwege het geringe aantal uitkeringsgerechtigden (nog) geen aparte handhavingsindicatoren beschikbaar. Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt door een gemeente een onderzoek ingesteld. In een beperkt aantal gevallen wordt daadwerkelijk fraude aangetoond.
Uit de evaluatie van de WIK blijkt dat het aantal geconstateerde fraudegevallen in de WIK gering is. Naar het oordeel van de uitvoerende gemeenten stimuleert de WIK op zich niet tot fraude vanwege het daarin opgenomen beroepskostenforfait, de bijverdienruimte en de omzeteis. De aard van de inkomstenbronnen van kunstenaars maakt controle hierop echter lastig.
Afgeronde evaluatieonderzoeken artikel 8 in 2002
Evaluatie WIK, uitvoeringsinstellingen en kunstenaarsperpectief, juli 2002
Doelstelling:
In hoeverre dragen de beleidsinstrumenten in de WIK ertoe bij dat kunstenaars geen beroep behoeven te doen op de Abw omdat zij (op termijn) blijvend zelfstandig, middels inkomen uit kunst of middels inkomsten uit een gemengde beroepspraktijk (kunst en anderszins) in de kosten van het bestaan kunnen voorzien. Indien niet: welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag en indien ja: wat zijn de bevorderende factoren.
Conclusie:
Zowel de uitvoering als het kunstenaarsveld beoordelen de WIK op uitgangspunten en inhoud positief. De WIK blijkt kunstenaars een goede mogelijkheid te bieden om te kunnen bouwen aan de opbouw van een beroepspraktijk. Echter, voor de kunstenaars die in 1999 rechtstreeks vanuit de Abw zijn ingestroomd in de WIK heeft de WIK in minder gevallen aan de doelstellingen kunnen beantwoorden.
Kritiekpunten:
De WIK wordt zowel inhoudelijk als op uitkeringsniveau als een ingewikkelde en bureaucratische regeling ervaren. Tevens geven de gemeenten aan dat er van de WIK zelf nog weinig activerende impulsen uitgaan.
Rapportage:
«De evaluatie van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars», september 2002.
8.3 Budgettaire gevolgen van het beleid.
| Beleidsartikel 8. Inkomensgarantie voor kunstenaars | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 42 634 | 47 312 | 53 858 | 47 248 | 6 610 |
| Uitgaven | 42 634 | 47 312 | 53 858 | 47 248 | 6 610 |
| Apparaatsuitgaven | 74 | 191 | – 117 | ||
| Personeel | 71 | 129 | – 58 | ||
| Materieel | 3 | 62 | – 59 | ||
| Programmauitgaven | 42 634 | 47 312 | 53 784 | 47 057 | 6 727 |
| WIK Uitkeringslasten | 35 209 | 40 969 | 47 615 | 40 069 | 7 546 |
| WIK Uitvoeringskosten | 7 424 | 6 343 | 6 169 | 6 988 | – 819 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 4 241 | 0 | 4 241 |
Bron: SZW-administratie.
De uitkeringslasten WIK vallen ruim € 7,5 miljoen hoger uit dan in de ontwerpbegroting 2002 was geraamd. Dit wordt veroorzaak door een hogere gerealiseerde gemiddelde uitkering (€ 10 780) dan oorspronkelijk geraamd (€ 8 898).
Aan restituties in verband met vaststellingen gemeenten over voorgaande jaren en verrekening van voorschotten over het vierde kwartaal 2001 werd in 2002 ruim € 4,2 miljoen ontvangen.
| Tabel 8.1: Volume en prijsgegevens Wik | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Uitgaven Wik (x € 1 miljoen) | 43 | 47,3 | 53,8 | 47 |
| Uitkeringslasten | 35 | 41,4 | 47,6 | 40 |
| Aantal personen | 4 100 | 4 200 | 4 417 | 4 500 |
| Gemiddelde uitkering (x € 1) | 8 589 | 9 762 | 10 780 | 8 898 |
| Uitvoeringskosten gemeenten (x € 1miljoen) | 5 | 4,2 | 4,3 | 5 |
| Aantal personen | 5 500 | 4 200 | 4 287 | 4 690 |
| Gemiddelde kosten (x € 1) | 998 | 998 | 998 | 998 |
| Uitvoeringskosten Kunstenaars & Co (x € 1 miljoen) | 1,9 | 1,7 | 1,9 | 2 |
| Vaste kosten | 0,8 | 0,9 | 0,8 | 1 |
| Variabele kosten | 1,1 | 0,9 | 1,1 | 1 |
| Volume toetsing (totaal per jaar) | 5 604 | 3 241 | 3 944 | 5 535 |
| Prijs per toetsing | 227 | 272 | 272 | 272 |
Bron: SZW-administratie, CWI-cultuur met bewerking SZW.
Het gerealiseerde volume is met 4 417 (raming gebaseerd op het bestand van CWI-cultuur) vrijwel gelijk aan de oorspronkelijke raming van 4 500 WIK-uitkeringen. De stijging van de gemiddelde uitkering heeft voor een deel betrekking op doorwerking van uitvoeringsmutaties in 2001 en de koppeling van de netto-uitkeringen aan de loonontwikkeling (WKA).
Een andere mogelijke oorzaak kan gelegen liggen in teruglopende inkomsten van kunstenaars.
De uitvoeringskosten gemeenten bedragen € 4,3 miljoen. Gemeenten ontvangen een vast bedrag van € 998 per WIK-gerechtigde per ultimo van het uitvoeringsjaar.
De uitvoeringskosten van de beroepsmatigheidstoets door Kunstenaars & CO zijn € 1,9 miljoen. Kunstenaars & CO ontving in 2002 € 0,8 miljoen als vaste vergoeding naast een vergoeding van € 272 per advies.
In tegenstelling tot wat in de begroting van 2002 is aangegeven zijn de resultaten van de evaluatie van de WIK niet eerder dan in november 2002 aangeboden aan de Kamer.
Daar de evaluatie van de WIK zich vooral heeft toegespitst op de ervaringen van kunstenaars die een WIK-uitkering (hebben) ontvangen geeft de evaluatie geen algemeen zicht op het bereik van de WIK.
De evaluatie van de WIK geeft aanleiding om de WIK op een aantal onderdelen te herzien. In het voorkomende geval zullen, tegelijkertijd met de herzieningen in de WIK, ook meetbare operationele doelstellingen worden ontwikkeld die aansluiten bij de algemene doelstellingen van de WIK.
Beleidsartikel 9 Tegemoetkoming in de kosten van kinderen
9.1 Algemene beleidsdoelstelling
Het bieden van een financiële tegemoetkoming aan ouders en verzorgers in de kosten van kinderen.
Een verzekerde heeft overeenkomstig de bepalingen van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) recht op kinderbijslag. Verzekerd is degene die ingezetene is van Nederland, of de niet-ingezetene die in Nederland arbeid in dienstbetrekking verricht en op grond daarvan aan de loonbelasting is onderworpen. Recht op kinderbijslag bestaat voor eigen, aangehuwde en pleegkinderen tot 18 jaar. Daarnaast bestaat recht op een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000) voor een persoon die in Nederland woont en tot wiens huishouden een kind van 3 tot 18 jaar woont dat ernstig gehandicapt is. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) keert de kinderbijslag en de TOG-tegemoetkoming uit op basis van de door SZW ontwikkelde wet-en regelgeving.
9.2 Operationele doelstellingen
1. Zorgdragen dat aan rechthebbenden kinderbijslag wordt verstrekt die gelijke pas houdt met de prijsontwikkeling.
2. Zorgdragen dat aan rechthebbenden Tog-tegemoetkomingen worden verstrekt.
3. Zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
Zorgdragen dat aan rechthebbenden kinderbijslag wordt verstrekt die gelijke pas houdt met de prijsontwikkeling.
De kinderbijslagbedragen zijn in 2002 overeenkomstig de wet per 1 januari en 1 juli van dat jaar aangepast aan de hand van de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie.
In 2002 is de kinderbijslag-uitkering verstrekt aan 1 878 000 ouders/verzorgers ten behoeve van 3 483 000 telkinderen.
Zorgdragen dat aan rechthebbenden Tog-tegemoetkomingen worden verstrekt.
Voor uitwonende gehandicapte kinderen kan tweevoudige kinderbijslag worden verstrekt. Voor thuiswonende gehandicapte kinderen bestaat die mogelijkheid niet. Aan het thuisverzorgen van een gehandicapt kind zijn extra kosten verbonden. De TOG biedt een tegemoetkoming in deze kosten.
De bedragen van de TOG-tegemoetkoming zijn in 2002 op dezelfde wijze als de kinderbijslagbedragen geïndexeerd. In 2002 is de TOG-tegemoetkoming ten behoeve van 19 658 kinderen verstrekt.
Zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
SZW richt zich op handhaving van de regelgeving waarbij misbruik en oneigenlijk gebruik moet worden voorkomen. Het voorkomen van overtredingen en fraude (preventie) is de primaire doelstelling. Daartoe worden controlemiddelen ingezet, vindt opsporing plaats en worden overtredingen en fraude afgedaan door middel van sanctie-oplegging (boetes en gehele of gedeeltelijk weigering van de uitkering) en terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen.
| Tabel 9.1: Prestatiegegevens misbruik en oneigenlijk gebruik AKW | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| Aantal onderzoeken per 10 000 uitkeringsjaren1 | 3,4 | 2,6 | 2,3 | 1,6 | 1,4 | 1,3 |
| Aantal fraudegevallen per 10 000 uitkeringsjaren | 1,6 | 0,9 | 0,7 | 0,3 | 0,4 | 0,2 |
| Aantal fraudegevallen/aantal onderzoeken | 47% | 35% | 30% | 19% | 29% | 15% |
| Gemiddeld geconstateerd fraudebedrag (x € 1) | 5 518 | 13 759 | 11 124 | 11 736 | 8 626 | 11 747 |
| Aandeel processen verbaal in % fraudegevallen | 64% | 69% | 58% | 80% | 95% | 86% |
| Incassoratio2 | 76% | 93% | 71% | 66% | 79% | pm |
1Aantal gezinnen AKW op jaarbasis.
2De mate van effectuering van de invorderingen.
Bron: SVB.
Bovenstaande indicatoren hebben betrekking op de gehele handhavingsketen van preventie, controle, opsporing en afdoening.
Er is een duidelijke trend waarneembaar in geconstateerde overtredingen, waarbij fraude in het spel is en de gemiddelde bedragen die daarmee gemoeid zijn. Het aantal onderzoeken is in 2002 licht gedaald terwijl het aantal (geconstateerde) fraudegevallen is gehalveerd. Veel minder onderzoeken hebben fraudegevallen aan het licht gebracht. Het gemiddelde schadebedrag is daarentegen fors gestegen. Dit duidt erop dat met name de zwaardere fraudegevallen zijn opgespoord. Het aantal processen-verbaal laat daarentegen een teruggang zien die op dit moment niet kan worden verklaard en nader wordt onderzocht.
Fraudegevallen van een geringere omvang worden administratief afgedaan. Deze gegevens kunnen over 2002 (en eerdere jaren) door het gehanteerde administratieve systeem niet op betrouwbare wijze worden gepresenteerd. Met ingang van 1 januari 2003 komt hierin verbetering.
9.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Beleidsartikel 9. Tegemoetkoming in de kosten van kinderen | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 3 010 501 | 3 105 611 | 3 218 343 | 3 154 499 | 63 844 |
| Uitgaven | 3 010 501 | 3 105 611 | 3 218 343 | 3 154 499 | 63 844 |
| Apparaatsuitgaven | 97 | 1 317 | – 1 220 | ||
| Personeel | 92 | 890 | – 798 | ||
| Materieel | 5 | 427 | – 422 | ||
| Programmauitgaven | 3 010 501 | 3 105 611 | 3 218 246 | 3 153 182 | 65 064 |
| AKW-uitkeringen | 2 920 946 | 3 010 849 | 3 118 389 | 3 060 545 | 57 844 |
| AKW-uitvoeringskosten | 78 639 | 76 988 | 78 138 | 76 800 | 1 338 |
| TOG-uitkeringslasten | 9 893 | 15 753 | 19 813 | 14 737 | 5 076 |
| TOG-uitvoeringskosten | 1 024 | 2 021 | 1 906 | 1 100 | 806 |
| Ontvangsten | 10 042 | 9 892 | 3 174 | 272 | 2 902 |
Bron: SZW-administratie.
De realisatie van de AKW-uitkeringen is € 57,8 miljoen hoger dan de raming met name als gevolg van aanpassing van de geraamde uitkeringslasten voor gestegen prijzen.
De uitkeringslasten TOG zijn € 5,1 miljoen hoger dan geraamd bij de ontwerpbegroting. De belangrijkste oorzaken zijn een hoger volume en nabetalingen 2001 aan nieuwe gevallen.
| Tabel 9.2: Prestatiegegevens AKW | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Uitgaven AKW (x € 1 miljoen) | 2 999,6 | 3 087,8 | 3 196,5 | 3 137,3 |
| Uitkeringslasten | 2 911,0 | 2 996,0 | 3 098,0 | 3 050,5 |
| Achteraf vastgestelde rechten | 10,9 | 15,8 | 21,4 | 10,9 |
| Overige baten | – 0,9 | – 1,0 | – 1,0 | – 0,9 |
| Uitvoeringskosten | 78,6 | 77,0 | 78,1 | 76,8 |
| Volume AKW (x 1 000) | ||||
| Aantal telkinderen (jaargemiddelde) | 3 426,0 | 3 454,0 | 3 483,0 | 3 481,8 |
| Aantal gezinnen AKW (jaargemiddelde) | 1 837,0 | 1 861,0 | 1 878,0 | 1 883,6 |
| Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1) | ||||
| Per telkind (jaargemiddelde)* | 849 | 867 | 889 | 876 |
| Per gezin (jaargemiddelde) | 1 585 | 1 610 | 1 650 | 1 620 |
| Prijsontwikkeling | ||||
| AKW-index (%-mutatie) | 1,5 | 2,8 | 3,5 | 3,0 |
| CPI laag afgeleid (%-mutatie) | 2,1 | 3,5 | 3,5 | 2,5 |
| Uitvoeringskosten AKW | ||||
| Per telkind (x € 1) | 23 | 22 | 22 | 22 |
| In % van de uitkeringslasten | 2,7 | 2,6 | 2,5 | 2,5 |
Bron: SZW-administratie, Oktobernota SVB en CBS.
* In het volume en/of de gemiddelde uitkering worden de bedragen die zijn gemoeid met de achteraf vastgestelde rechten niet meegeteld. Het betreft hier uitkeringslasten, waarvan bij de vaststelling van dat recht sprake is van een terugwerkende kracht van meer dan één kwartaal.
De realisatie van de AKW-uitkeringen is € 3 118 miljoen is per saldo € 58 miljoen hoger dan de raming volgens de ontwerpbegroting 2002. De toename is het gevolg van de volgende ontwikkelingen:
• Een aanpassing van de geraamde uitkeringslasten voor gestegen prijzen (+ € 46,6 miljoen)
• Een toename van het aantal (tel)kinderen dat in aanmerking komt voor een kinderbijslag uitkering (+ € 0,9 miljoen)
• Nabetalingen over het laatste kwartaal van 2001 (+ € 1,4 miljoen)
• Nadere afrekening over jaar 2001 op ontvangsten geboekt bij SZW van € 2,6 miljoen
• Herziening naar aanleiding van uitvoeringsgegevens van uitkeringen met terugwerkende kracht (+ € 6,5 miljoen).
De uitvoeringskosten AKW zijn € 1,3 miljoen hoger dan geraamd.
IWI heeft in 2002 rechtmatigheidsonderzoek gedaan naar de uitvoering van de AKW door de SVB in het jaar 2001. IWI is van oordeel dat de uitvoering van de AKW in 2001 rechtmatig is verlopen en dat de daarmee samenhangende uitgaven en ontvangsten over 2001 rechtmatig zijn. Het foutenpercentage bedraagt in 2001 0,31% (2000: 0,56%). De strekking van de rechtmatigheidsverklaring van IWI is goedkeurend.
| Tabel 9.3: Prestatiegegevens TOG | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Uitgaven TOG (x € 1 miljoen) | 10,9 | 17,8 | 21,7 | 15,8 |
| Uitkeringslasten | 8,5 | 12,4 | 15,0 | 13,5 |
| Achteraf vastgestelde rechten | 1,4 | 3,4 | 4,8 | 1,2 |
| Overige baten | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| uitvoeringskosten | 1,0 | 2,0 | 1,9 | 1,1 |
| Volume TOG (x 1 000) | ||||
| Aantal telkinderen (jaargemiddelde) | 12,0 | 16 456 | 19 658 | 18,0 |
| Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1) | ||||
| Per telkind (jaargemiddelde)* | 711 | 753 | 764 | 753 |
| Prijsontwikkeling | ||||
| TOG-index (%-mutatie) | 1,5 | 2,8 | 3,5 | 3,0 |
| CPI laag afgeleid (%-mutatie) | 2,1 | 3,5 | 3,5 | 2,5 |
| Uitvoeringskosten TOG | ||||
| Per telkind (x € 1) | 83 | 123 | 97 | 61 |
| In % van de uitkeringslasten | 11,8 | 16,3 | 12,7 | 8,1 |
Bron: SZW-administratie, Oktobernota SVB en CBS.
* In het volume en/of de gemiddelde uitkering worden de bedragen die zijn gemoeid met de achteraf vastgestelde rechten niet meegeteld. Het betreft hier uitkeringslasten, waarvan bij de vaststelling van dat recht sprake is van een terugwerkende kracht van meer dan één kwartaal.
De realisatie van de uitkeringen en uitvoeringskosten TOG komt voor 2002 uit op € 21,7 miljoen en is daarmee € 5,9 miljoen (ofwel 37%) hoger dan verwacht (€ 15,8 miljoen). De totale uitkeringslasten zijn € 5,1 miljoen hoger dan geraamd bij de ontwerpbegroting. Verklaring hiervoor:
• Nadere afrekening over 2001 heeft tot nabetalingen geleid in 2002 van € 2,6 miljoen;
• Op ontvangsten geboekt bij SZW over 3de en 4de kwartaal 2001 is € 517 000 (i.e. niet gesaldeerd met voorschotbedragen 3de en 4de kwartaal 2001).
• De uitkeringen met terugwerkende kracht zijn € 523 000 hoger dan geraamd;
• Door hoger volume en indexaties TOG uitkeringen is de uitkeringslast (p*q) € 1,46 miljoen hoger.
De nadere afrekening over 2001 heeft zowel betrekking op een hogere uitkeringslast dan geraamd over 2001 als op extra uitkeringen in verband met achteraf vastgestelde rechten voor TOG gerechtigden in 2001.
Het aantal kinderen dat gebruik maakt van de (versoepelde) TOG regeling 2000 is circa 9% hoger dan in de begroting. De nieuwe gevallen hebben vaak recht op een uitkering met terugwerkende kracht. De uitkeringen met terugwerkende kracht bedragen in 2002 totaal € 1,72 miljoen.
De uitvoeringkosten zijn in 2002 aanzienlijk hoger dan geraamd bij de ontwerpbegroting (€ 0,8 miljoen) als gevolg van de arbeidsintensieve verwerking van het toegenomen aantal nieuwe aanvragen.
IWI heeft in 2002 rechtmatigheidsonderzoek gedaan naar de uitvoering van de TOG door de SVB in het jaar 2001. IWI is van oordeel dat de uitvoering van de TOG in 2001 rechtmatig is verlopen en dat de daarmee samenhangende uitgaven en ontvangsten over 2001 rechtmatig zijn. Het foutenpercentage bedraagt in 2001 0,0% (2000: 0,0%). De strekking van de rechtmatigheidsverklaring van IWI is goedkeurend.
Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is in hoofdstuk 7 van dit jaarverslag opgenomen.
Gedurende het jaar 2002 heeft onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijkheid van het onderbrengen van de indicatiestelling TOG bij de AWBZ-indicatiestelling. Het jaar 2003 zal worden gebruikt ter implementatie van de overdracht, zodat per 1 januari 2004 de feitelijke overdracht kan plaatsvinden. De indicatiestelling van de TOG behoort tot de verantwoordelijkheid van het departement van VWS. De prestatieindicatoren ter sturing van het begrotings-, controle- en verantwoordingsproces worden in overleg met de SVB nader bepaald. Hiervoor geldt een tijdpad tot 2005. In de begroting 2003 zijn hiervoor de eerste stappen gezet.
Beleidsartikel 10 Maatschappelijke participatie van gehandicapten
Dit artikel is per Koninklijk besluit van 21 juli 2002 in zijn geheel overgegaan naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport De verantwoording over dit artikel vindt plaats in het jaarverslag van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Beleidsartikel 11 Bevorderen van combinatiemogelijkheden van arbeid en zorg
Het bevorderen van de mogelijkheden van mannen en vrouwen om arbeid en zorg te combineren ter bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen en daarmee van een zelfstandig bestaan van vrouwen, en de zorgparticipatie van mannen.
De verantwoordelijkheid voor het beleidsterrein kinderopvang is, als uitvloeisel van het Strategisch Akkoord, per 22 juli 2002 overgedragen van het ministerie van VWS aan het ministerie van SZW. De met het beleidsterrein gemoeide beleidsuitgaven zijn voor het hele begrotingsjaar 2002 naar SZW overgeboekt. De apparaatsuitgaven worden eerst met de overgang van de beleidsambtenaren per 1–1-2003 overgedragen aan SZW.
11.2 Operationele doelstellingen
1. Werknemers mogelijkheden bieden tot combinatie van arbeid en zorg door middel van adequate verlofvormen en mogelijkheden tot aanpassing van de arbeidsduur en het bevorderen van het gebruik van deze mogelijkheden.
2. Werkgevers stimuleren tot (gedeeltelijke) loondoorbetaling van werknemers die verlof opnemen om reden van zorg.
3. Werknemers faciliteren om verlof op te nemen.
Werknemers mogelijkheden bieden tot combinatie van arbeid en zorg door middel van adequate verlofvormen en mogelijkheden tot aanpassing van de arbeidsduur en het bevorderen van het gebruik van deze mogelijkheden.
Verlofvormen die het combineren van arbeid en zorg vergemakkelijken zijn opgenomen in de Wet arbeid en zorg, die sinds 1 december 2002 van kracht is. In deze wet zijn verschillende verlofvormen geregeld: een kortdurend zorgverlof van maximaal 10 dagen per jaar ten behoeve van de zorg voor zieke kinderen, partner en ouders; een adoptieverlof van vier weken voor elke adoptiefouder en een kraamverlof voor partners van twee werkdagen. Verder is in de Wet arbeid en zorg, zoals aangegeven in de begroting 2002, het ouderschapsverlof geflexibiliseerd: het kan in meerdere delen (maximaal drie) worden opgenomen. De Wet arbeid en zorg dient binnen drie jaar na inwerkingtreding te worden geëvalueerd.
Over de mate waarin werkgevers hun werknemers formele of informele bovenwettelijke regelingen voor het combineren van arbeid en zorg aanbieden, kwamen gegevens beschikbaar met een mede door SZW (programma-) gefinancierd onderzoek van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (Remery et al., Zorg als arbeidsmarktgegeven: werkgevers aan zet, juli 2002). Het onderzoek beperkte zich tot de sectoren commerciële dienstverlening en gezondheidszorg en welzijn. Verder zijn in het onderzoek grote bedrijven oververtegenwoordigd. Een ruimer ouderschapsverlof dan de wettelijke regeling komt voor in 16% van de bedrijven. In driekwart daarvan gaat het om een formele regeling. Een ruimere regeling voor zwangerschaps- en bevallingverlof werd in 9% (waarvan meer dan de helft een formele regeling) van de bedrijven aangetroffen. Een ruimere regeling voor kraamverlof kwam voor in 6% van de bedrijven (waarvan ongeveer de helft via een formele regeling). Voorts kende 45% van de bedrijven een formele dan wel informele regeling voor calamiteitenverlof (waarvan in bijna de helft via een formele regeling).
Het (geclausuleerd) recht op aanpassing van de arbeidsduur is vastgelegd in de Wet aanpassing arbeidsduur (WAA), die sinds 1 juli 2000 van kracht is. De evaluatie van de WAA zal eind 2003 gereed zijn. In 2002 is een voortgangsrapportage over de WAA naar de Tweede Kamer gezonden. Deze is opgesteld vanwege een toezegging aan de Kamer om twee jaar na inwerkingtreding van de wet over de voortgang te rapporteren. De juridische monitor – één onderdeel van de voortgangsrapportage – analyseert negen rechterlijke uitspraken over de WAA na de komst van de WAA gemeten tot 1 januari 2002. Uit deze uitspraken blijkt dat de werkgever vaak verzuimt aan te tonen dat een door hem gesteld bedrijfsbelang tot ernstige problemen leidt. Uit de casestudies een tweede onderdeel van de voortgangsrapportage – komt naar voren dat kennis van de precieze inhoud van de wet (gemeten één jaar na de inwerkingtreding van de wet) onder werkgevers en werknemers beperkt is. Bij de meeste bedrijven zijn het vooral vrouwen die een verzoek indienen en dan vooral voor arbeidsduurvermindering. De houding van de bedrijfsleiding ten aanzien van arbeidsduurvermindering wordt met name bepaald door de heersende cultuur van het bedrijf en de mate waarin werken in deeltijd reeds tot de mogelijkheden behoort.
Een noodzakelijke voorwaarde voor het gebruik van wettelijke mogelijkheden is, dat de beoogde doelgroepen bekend zijn met deze mogelijkheden. Om ruime bekendheid te geven aan de arbeid-en-zorgregelingen in de Wet arbeid en zorg en de WAA is in 2002 een brede voorlichtingscampagne uitgevoerd onder de titel Combineren werk en privé. Via radio- en tv-spots, via affiches, brochures, artikelen in huis-aan-huisbladen, freecards, de uitgave van een speciaal magazine (Toptijd) en de websites Verlofwijzer.nl en Toptijd.nu zijn de nieuwe wettelijke mogelijkheden onder de aandacht van een breed publiek gebracht.
| Tabel 11.1: Gebruik van ouderschapsverlof in aantallen en als percentage van de doelgroep | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | Raming 2002 | |
| Gebruik (x 1 000 personen) | 54 | 58 | 55 | 55 | 62 |
| Doelgroep (x 1 000 personen) | 270 | 276 | 229 | 225 | 270 |
| Gebruik (als % van de doelgroep) | 20% | 21% | 24% | 25% | 23% |
Bron: CBS, SZW.
Zoals tabel 11.1 toont betreffen de meest actuele gegevens over het gebruik van ouderschapsverlof het jaar 2001. In 2001 bedroeg het aantal werknemers dat ouderschapsverlof heeft opgenomen 55 000. Dat is 25% van het aantal werknemers dat in 2001 gebruik kon maken van verlof (de doelgroep) en vrijwel gelijk aan het gebruik een jaar eerder. Een vergelijking met eerdere jaren valt niet goed te maken omdat zich tussen 1999 en 2000 een trendbreuk heeft voorgedaan als gevolg van een gewijzigde vraagstelling in de steekproef waarop het CBS zijn gegevens baseert. Deze gewijzigde vraagstelling heeft met name tot gevolg gehad dat het volume werknemers dat gebruik kan maken van ouderschapsverlof (de doelgroep) kleiner is geworden. Het kan zijn dat het toegenomen gebruikspercentage tussen 1999 en 2000 (van 21% naar 24%) deels het gevolg is van de gewijzigde (kleinere) doelgroep. Vòòr 1999 heeft het gebruik zich slechts geleidelijk ontwikkeld van 17% in 1992 (het eerste jaar na de invoering van ouderschapsverlof) tot 21% in 1999. De verwachting voor 2002 is dat het gebruikspercentage vrijwel gelijk zal zijn aan dat van 2001. Op basis van de gewijzigde vraagstelling circa 25% van de doelgroep.
Werkgevers stimuleren tot (gedeeltelijke) loondoorbetaling van werknemers die verlof opnemen om reden van zorg.
De Wet arbeid en zorg biedt voor enkele verlofvormen een recht op verlof gekoppeld aan een recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling (kortdurend zorgverlof, calamiteitenverlof en ander kort verzuimverlof). Het recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof en adoptieverlof is gekoppeld aan een recht op een uitkering (uit het Awf dan wel het AOfz). Daarnaast biedt de wet een recht op onbetaald ouderschapsverlof. Ook voor deze verlofvorm geldt evenwel dat het gebruik ervan vergemakkelijkt wordt indien het verlof (gedeeltelijk) betaald wordt. Om werkgevers te stimuleren tot (gedeeltelijke) loondoorbetaling geldt sinds 1 januari 2001 de fiscale stimuleringsregeling betaald ouderschapsverlof. Werkgevers die loon doorbetalen tijdens ouderschapsverlof kunnen aanspraak maken op fiscale compensatie: zij mogen onder bepaalde voorwaarden 50% van het doorbetaalde loon tot maximaal een bedrag ter hoogte van 70% van het minimumloon in mindering brengen op hun afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen. Een belangrijke voorwaarde voor de werkgever voor toepassing van de afdrachtkorting is, dat de afspraak tot (gedeeltelijke) loondoorbetaling tijdens ouderschapsverlof dient te zijn opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, dan wel dat de mogelijkheid tot loondoorbetaling openstaat voor tenminste driekwart van de werknemers van de betreffende werkgever. In 2000 heeft evenals in 1999 6% van de CAO's een afspraak over (gedeeltellijk) loonbetaling tijdens ouderschapsverlof. Dit betekent dat voor 7% van de werknemers vallend onder een CAO deze bepaling geldt. Voor 2002 zijn deze gegevens nog niet bekend. De (oorspronkelijke) verwachting was dat in 2002 in meer dan 6% van de CAO's een afspraak tot gedeeltelijke loondoorbetaling tijdens verlof zou worden opgenomen en dat het gebruik van de regeling zou toenemen.
In het Strategisch Akkoord van juli 2002 werd aangekondigd dat de fiscale stimuleringsregeling ouderschapsverlof per 1 januari 2003 zou worden geschrapt. Dit kan het maken van nieuwe CAO-afspraken in de tweede helft van 2002 hebben ontmoedigd.
| Tabel 11.2: Gebruik afdrachtkorting ouderschapsverlof | ||
|---|---|---|
| 2001 | Raming 2002 | |
| Belastinguitgaven (x € 1 mln) | 18 | 35 |
| Aantal aangiften | 4 194 | 13 578 |
Bron: Ministerie van Financiën.
Het gebruik van de afdrachtskorting is in 2002 ten opzichte van 2001 bijna verdubbeld. Net als in 2001 is het grootste deel van het aantal inhoudingsplichtigden in verband met loondoorbetaling tijdens ouderschapsverlof afkomstig uit de overheidssector. Het aandeel van de overheid in het aantal aangiften is echter gedaald van 73% in 2001 naar 60% in 2002. Dit komt met name door de relatief grote toename van het aantal inhoudingsplichtigden afkomstig uit de onderwijssector. Het aandeel van deze sector steeg van 8% in 2001 naar 20% in 2002. Dit vloeit voort uit de centrale loonafspraak (Commissie Van Rijn) waarbij is overeengekomen dat het loon voor 75% tijdens ouderschapsverlof wordt doorbetaald. Het aandeel van de marktsector (van 8% naar 9%) evenals het aandeel van de zorgsector (van 4% naar 5%) bleef tussen 2001 en 2002 vrijwel constant.
Werknemers faciliteren om verlof op te nemen.
De wet Financiering Loopbaanonderbreking (Finlo) en de fiscale tegemoetkoming verlofsparen zijn door de overheid ingestelde regelingen om het opnemen van verlof voor onder andere zorgtaken financieel te faciliteren.
De financieringsregeling loopbaanonderbreking was aanvankelijk geregeld in de wet Finlo, maar is sinds 1 december 2001 opgenomen in de Wet arbeid en zorg. Met de onderbrenging van de regeling in deze wet is een aantal voorwaarden voor de financieringsregeling versoepeld. Die betreffen met name de vereiste vervanging van de verlofganger door een uitkeringsgerechtigde, arbeidsgehandicapte of herintreder. Bovendien is voor een bepaalde groep verlofgangers, namelijk ouders van levensbedreigend zieke kinderen, de mogelijkheid opengesteld om zonder de voorwaarde van vervanging van de regeling gebruik te maken.
De fiscale tegemoetkoming verlofsparen beoogt werknemers in staat te stellen om tijd (zoals adv- of vakantiedagen) of geld (uit het brutoloon) te sparen ten behoeve van (onbetaald) verlof op een later tijdstip. Bij sparen in tijd worden de gespaarde uren omgerekend in geld. In totaal mag per jaar maximaal tien procent van het brutoloon worden gespaard voor een verlof van maximaal 12 maanden. De belastingheffing over de gespaarde dagen of het brutoloon wordt dan uitgesteld tot het moment waarop het verlof wordt opgenomen. Deze regeling werd op 1 januari 2001 van kracht en zou naar verwachting in 2002, onder invloed van toenemende bekendheid ervan, een toenemend gebruik laten zien.
| Tabel 11.3: Aantal gebruikers Finlo 2001–2002 | |||
|---|---|---|---|
| Realisatie 2001 | 2002 | Raming 2002 | |
| Aantal gebruikers | 157 | 113 | 2 200 |
| Totale Finlo-uitgaven Awf (x € 1 mln) | 0,2 | 0,2 | 5,2 |
Bron: SZW-administratie
Dat het aantal gebruikers van de financieringsregeling loopbaanonderbreking ook in 2002 nog zeer gering was en (ver) achter bleef bij de ramingen zou een gevolg kunnen zijn van de moeite die het werkgevers, ondanks versoepeling van het vervangingsvereiste, kostte om geschikte (uitkeringsgerechtigde of herintredende) vervangers te vinden. Met name in de sectoren waarin de meeste gebruikers van de regeling te vinden zijn (gezondheidszorg en welzijn; onderwijs), deden zich in 2002 nog steeds grote personeelstekorten voor1. Ook de organisatorische en administratieve moeite die het voor werkgevers en werknemers kost om een aanvraag voor een tegemoetkoming in te dienen, gevoegd bij de beperkte omvang van de tegemoetkoming (max. € 490,- bruto p/mnd voor fulltime verlof van een voltijdsmedewerker), zou het gebruik van de regeling blijvend kunnen belemmeren.
Verder is sinds 1 januari 2002 voor degenen die een tegemoetkoming aanvragen in verband met zorgverlof ten behoeve van een kind met levensbedreigende ziekte het vervangingsvereiste vervallen. Tot slot is voor 2002 een verder oplopend gebruik verondersteld op basis van de aanname dat de regeling steeds bekender zou worden bij werknemers en werkgevers.
IWI heeft in 2002 rechtmatigheidsonderzoek gedaan naar de uitvoering van de Wet Finlo in het jaar 2001. Op grond van het onderzoek heeft IWI vastgesteld dat de geschatte onrechtmatigheid van de gecontroleerde uitkeringslasten 11,0% (2000: 15,4%) bedraagt. De onrechtmatigheid werd veroorzaakt door een onjuiste wetsinterpretatie.
De strekking van de rechtmatigheidsverklaring van IWI is afkeurend.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat het rechtmatigheidsonderzoek gebaseerd is op een klein aantal gevallen (5 per uitvoeringsinstelling), dat niet als representatief gezien kan worden voor alle uitkeringsgevallen. Omdat er maar weinig personen betrokken zijn bij de uitvoering van de financieringsregeling loopbaanonderbreking is verbetering eenvoudig te verwezenlijken. Verbetermaatregelen om de rechtmatigheid te verhogen zijn inmiddels getroffen.
De raming voor de doelgroep ouders van levensbedreigend zieke kinderen was gebaseerd op empirische gegevens uit het SCP-onderzoek Vrij om te helpen (voorjaar 2001). Het lage totaal aantal gebruikers van de regeling in 2002 geeft aan dat deze groep ouders niet in de geraamde mate gebruik heeft gemaakt van de regeling. Mogelijk was onder hen de vergrote toegankelijkheid van de regeling in 2002 nog niet ruim genoeg bekend. Voorts is goed denkbaar dat juist voor deze groep (ouders van levensbedreigend zieke kinderen) het aanvragen van de tegemoetkoming in hun situatie teveel moeite kost. Mogelijk is echter ook de potentiële behoefte van de doelgroep overschat.
| Tabel 11.4: Gebruik van adoptieverlof | ||
|---|---|---|
| 2001 | 2002 | |
| Volume gebruik (aantal werknemers) | Nvt | 425 |
| Uitgaven Awf (x € 1 mln) | Nvt | 0,5 |
Bron: UWV, SZW.
Wat betreft de bekendheid van verschillende regelingen biedt de evaluatie van de voorlichtingscampagne «Werk en privé» enkele globale gegevens. Uit onderzoek van de Rijksvoorlichtingsdienst bleek dat 62% van de brede doelgroep (mannen en vrouwen tussen de 18 en 60 jaar die – willen – werken) na afloop van de campagne positief stond tegenover het combineren van werk en privé. Van de doelgroep kon 36% drie (wettelijke) mogelijkheden noemen voor het combineren van werk en privé. Of en hoe de bekendheid van de regelingen verschilt onder diverse specifieke doelgroepen (zoals mannen en vrouwen met en zonder jonge kinderen) kon niet vastgesteld worden, omdat de steekproef onvoldoende respondenten bevatte uit de verschillende doelgroepen.
Aanvullende operationele doelstelling Kinderopvang
Het scheppen van adequate randvoorwaarden voor een toereikende kwaliteit en voldoende aanbod van kinderopvang.
De operationele doelstelling op het terrein van de kinderopvang is niet veranderd met de overgang van VWS naar SZW. In 2002 zijn belangrijke vorderingen gemaakt ten behoeve van het behalen van de doelstelling.
Het begrotingsjaar 2002 was het laatste jaar van de in 1996/1998 ingezette uitbreidingsoperatie voor de kinderopvang. Doel van deze uitbreidingsoperatie was om ten opzichte van de zogenaamde nulmeting 71 000 extra kinderopvangplaatsen te creëren. Gemeenten hebben gedurende die periode middels een specifieke uitkering van het Rijk de middelen gekregen om die uitbreiding te faciliteren. Uit de laatste meting (Monitor 2002) blijkt dat er in 2002 ruim 18 000 plaatsen zijn bijgekomen. Daarmee is de uitbreidingsdoelstelling met ruim 6 000 plaatsen overschreden.
In 2002 is daarnaast besloten tot een verlenging van de uitbreidingsoperatie tot en met 2003. In dat jaar moeten er nog eens 10 000 extra plaatsen bijkomen. De uitkering aan de gemeenten voor 2003 zijn in 2002 over de gemeenten verdeeld. Daarbij werd de uitkering specifiek gericht op gemeenten waar de ontwikkeling van kinderopvangplaatsen relatief achter is gebleven. Circa 90% van de toegekende plaatsen is door gemeenten ook daadwerkelijk aangevraagd. De uitkering voor de overige plaatsen is toegekend aan gemeenten die extra plaatsen hadden aangevraagd.
In onderstaande tabel is de uitbreiding uitgesplitst naar de drie soorten kinderopvang: kinderdagverblijven voor kinderen van 0 tot 4 jaar, buitenschoolse opvang voor 4 tot 12 jarigen en gastouderopvang voor kinderen van 0 tot 12 jaar.
| Tabel 11.5: Kinderopvang (aantal plaatsen) | |||
|---|---|---|---|
| Nulmeting (1998) | Realisatie eind 2002 | Verwachting instellingen eind 2003 | |
| kinderdagverblijven | 66 380 | 107 211 | 119 296 |
| buitenschoolse opvang | 19 278 | 54 995 | 61 260 |
| gastouderopvang | 8 208 | 10 447 | 10 628 |
| Totaal | 93 866 | 172 653 | 191 184 |
Bron: Deloitte & Touche, Monitor Uitbreiding Kinderopvang 2002.
Belangrijk zijn voorts de voorbereidingen die zijn getroffen voor een nieuwe op zet voor de financiering van de kinderopvang en een nieuwe regulering van kwaliteit en toezicht. Met dit doel is in juni 2002 het wetsontwerp Wet basisvoorziening kinderopvang (Wbk) aan de Tweede Kamer aangeboden.
Het wetsvoorstel beoogt op het terrein van de financiering de huidige regelingen (gemeentefonds; specifieke doeluitkering aan gemeenten voor de uitbreidingsoperatie; de SZW-subsidieregeling voor bijstandsgerechtigden; de fiscale regeling voor werkgevers en de fiscale regeling voor ouders) te vervangen dooréén uniforme regeling, waarbij ouders centraal staan. Op basis van een vaste bijdrage van werkgevers en een subsidie van het Rijk die afhankelijk is van het inkomen van de ouders, worden ouders in staat gesteld zelf kinderopvangplaatsen in te kopen. De administratieve lasten voor werkgevers worden daarbij verlicht. Op het terrein van kwaliteit en toezicht beoogt het wetsvoorstel het bestaande woud aan regels (een tijdelijk besluit kwaliteitsregels, aangevuld met soms sterk van elkaar verschillende gemeentelijke verordeningen) te vervangen door landelijk uniforme regels voor kwaliteit en toezicht.
Via financiering van projecten en met behulp van het opgerichte implementatiebureau is de sector (instellingen, gemeenten, GGD en ouders) door het ministerie ondersteund bij de voorbereiding op de nieuwe wetgeving.
11.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Beleidsartikel 11. Bevordering van combinatiemogelijkheden van arbeid en zorg | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 140 | 151 | 161 703 | 5 841 | 155 862 |
| Uitgaven | 140 | 151 | 153 358 | 5 841 | 147 517 |
| Apparaatsuitgaven | 180 | 2 211 | – 2 031 | ||
| Personeel | 170 | 1 495 | – 1 325 | ||
| Materieel | 10 | 716 | – 706 | ||
| Programmauitgaven | 140 | 151 | 153 178 | 3 630 | 149 548 |
| Rijksbijdrage wet Finlo | 140 | 151 | 238 | 3 630 | – 3 392 |
| Kinderopvang | 152 691 | 152 691 | |||
| Onderzoek en beleidsinformatie | 249 | 249 | |||
| Ontvangsten | 0 | 0 | 4 | 0 | 4 |
Bron: SZW-administratie.
Het beroep op de Finlo-uitkering bleef ver achter bij de oorspronkelijke verwachting. Derhalve bleef ook het aantal vervangers (uitkeringsgerechtigden) achter en daarmee de bespaarde uitkeringslasten. Tevens is slechts een fractie (naar schatting circa 15%, gebaseerd op het eerste halfjaarcijfer 2002) van de verlofgangers vervangen (voor de overige verlofgangers gold geen vervangingsvereiste), terwijl de raming uitging van 45% vervanging; dit op basis van realisaties in eerdere jaren. Beide factoren hadden een drukkend effect op de bespaarde uitkeringen en daarmee op de hoogte van de Rijksbijdrage. Omdat het beroep op de Finlo-regeling achter is gebleven bij de verwachtingen, zijn ook de uitvoeringskosten van het UWV voor de aanvraagprocedure en het regulier uitkeren van een Finlo-uitkering veel lager gebleken.
De beleidsverantwoordelijkheid voor de kinderopvang is op 22 juli 2002 overgegaan van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) naar SZW. De beleidsuitgaven en ontvangsten op dit terrein worden voor het hele jaar 2002 verantwoord op beleidsartikel 11 van de SZW-begroting.
De beleidsuitgaven kinderopvang hebben met name betrekking op de specifieke uitkering aan gemeenten op grond van de Regeling uitbreiding Kinderopvang en Buitenschoolse opvang (RKB). Hiermee was in 2002 een bedrag van € 146,2 miljoen gemoeid. Het resterende bedrag is besteed aan subsidies en opdrachten in het kader van het flankerend beleid.
In het voorbereidingsproces van de begroting 2003 is de algemene doelstelling van artikel 11 nader bezien. Daarbij is ook het onderscheid tussen artikel 11 en artikel 12 (coördinatie emancipatiebeleid) en de daarbij behorende doelstellingen verhelderd. Bij gevolg is in de begroting 2003 de algemene doelstelling van artikel 11 vereenvoudigd. Deze luidt nu: «voorwaarden scheppen opdat mannen en vrouwen arbeid en zorg kunnen combineren». De bredere doelstellingen bevorderen arbeidsparticipatie van vrouwen en zorgparticipatie van mannen zijn in de begroting 2003 opgenomen in artikel 12.
De informatievoorziening met betrekking tot de realisatiegegevens voor dit beleidsartikel is nog in opbouw. Van groot belang is, dat alleen via monitoring (herhaald onderzoek) op gestructureerde wijze en met een zekere frequentie de voor dit artikel noodzakelijke data (gegevens over gewenst en feitelijk gebruik) verkregen kunnen worden. Het lopend SCP-onderzoek zal voor de verschillende verlofvormen en aanpassing van de arbeidsduur gegevens bieden met betrekking tot de discrepantie tussen behoefte en gebruik en zou daarvoor als een eerste meting kunnen dienen.
Uitgebreidere informatie over de houding van werkgevers ten aanzien van gebruik van arbeid-en-zorgregelingen en de relatie tussen deze houding en het feitelijk gebruik van de regelingen is niet voorhanden. Mogelijk zal ten behoeve van een adequate evaluatie van de Wet arbeid en zorg een nader onderzoek onder werkgevers plaatsvinden indien resultaten van het bovengenoemde SCP-onderzoek (met name over eventuele belemmeringen in de arbeidsorganisatie) daartoe aanleiding geven. De realisatiegegevens 2002 over de fiscale regeling verlofsparen en de fiscale stimuleringsregeling betaald ouderschapsverlof zijn nog niet beschikbaar.
Beleidsartikel 12 Coördinatie Emancipatiebeleid
12.1 Algemene beleidsdoelstelling
Het coördineren van het interdepartementale emancipatiebeleid en het stimuleren van vernieuwingen en draagvlakverbreding ter bevordering van een pluriforme maatschappij waarin ieder, ongeacht sekse, in wisselwerking met andere maatschappelijke ordeningsprincipes zoals etniciteit, burgerlijke staat, validiteit en seksuele voorkeur, de mogelijkheid heeft een zelfstandig bestaan te verwerven en waarin vrouwen en mannen gelijke rechten, kansen, vrijheden en (sociale) verantwoordelijkheden kunnen realiseren.
12.2 Operationele doelstellingen
1. Het bevorderen van het interdepartementale emancipatiebeleid.
2. Het stimuleren van innovatief beleid, vernieuwingen en draagvlakverbreding van de emancipatiedoelstelling.
3. Het stimuleren van een zelfstandig bestaan van vrouwen en mannen.
4. Het bevorderen van gelijke rechten, kansen, verantwoordelijkheden en vrijheden onder mannen en vrouwen.
Het beleid op dit terrein wordt in mindere mate gerealiseerd met de inzet van geld, zoals bij uitkerings-regelingen. De verantwoording betreft derhalve een beschrijving van met name de ingezette instrumenten om de beleidsdoelstellingen te behalen. In dat opzicht zijn de voor 2002 beoogde doelstellingen bereikt en is ook daadwerkelijk gedaan wat in de begroting 2002 is aangegeven.
Het bevorderen van het interdepartementale emancipatiebeleid.
| Streven | Realisatie | |
|---|---|---|
| Start implementatie kabinetsstandpunt gender mainstreaming | 2002 | 4e kwartaal 2002 |
| Eindrapport Actieplan emancipatietaakstellingen departementen | 2002 | mei 2002 |
| Emancipatiemonitor 2002 | 2002 | november 2002 |
| Gender budget analysis | 2002 | niet gerealiseerd |
Start implementatie Kabinetsstandpunt gender mainstreaming
De verankering van emancipatiedoelen in het beleid van departementen, andere overheden en bij maatschappelijke organisaties (gender mainstreaming) moet in 2006 gerealiseerd zijn. In 2002 is er een onderzoek geweest naar de emancipatie effect-rapportage, is er een start gemaakt met de gender budget analyse en de ontwikkeling van de e-learning modules gender deskundigheid t.b.v. de departementen en zijn de voorbereidingen gestart voor het instellen van een visitatiecommissie, die per ministerie zal beoordelen wat de kwaliteit is van de resultaten van het gevoerde gender mainstreambeleid.
Voltooiing Actieplan Emancipatietaakstellingen Departementen
De Emancipatietaakstellingen zijn tijdens de kabinetsperiode 1998–2002 onder verantwoordelijkheid van de departementen uitgevoerd. In 2002 is de eindrapportage opgesteld, die juli 2002 aan de Tweede Kamer is gestuurd.
November 2002 is de tweede Emancipatiemonitor aan de Tweede Kamer aangeboden. De monitor biedt een actueel overzicht over de positie van vrouwen in politieke en maatschappelijke besluitvorming, betaalde en onbetaalde arbeid, dagindeling, inkomen, onderwijs, geweld tegen vrouwen en participatie van vrouwen in de kennissamenleving.
Het stimuleren van innovatief beleid, vernieuwingen en draagvlakverbreding van de emancipatiedoelstelling.
| Streven | Realisatie | |
|---|---|---|
| Verkenning levensloopbewust regeringsbeleid | 2002 | januari 2002 |
| Nota Stimuleringsmaatregel Dagindeling halverwege | ||
| Uitvoering experimenten Dagindeling | ||
| Advies Commissie Dagarrangementen | ||
| Kabinetsreactie MDW rapport persoonlijke dienstverlening | 2002 | januari 2002 |
| Afronding en follow-up Ambassadeursnetwerk Glazen plafond | 2002 | juni 2002 |
| Beleidsreactie voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen | 2002 | december 2002 |
| Instrumenten en instrumentontwikkeling | ||
| – Emancipatie subsidiebeleid | ||
| – Joke Smit prijs | 2002 | 2002 |
Begin 2002 is de «Verkenning levensloop» aan de Tweede Kamer aangeboden. De verkenning is opgesteld in samenwerking tussen de ministeries van SZW, OC&W, VWS en VROM. In de verkenning worden verschillende levensloop-bewuste opties voor regeringsbeleid geschetst op het gebied van het sociale stelsel en werken, onderwijs, wonen, zorg en gezondheid. In aansluiting op de verkenning zijn vanuit de themasubsidie 2002 in het kader van emancipatie-ondersteuning een tiental projecten gestart onder het motto «Maak een Project van je Levensloop», gericht op de jonge generatie. Zij hebben als doel de vaardigheden te stimuleren om de levensloop te «plannen» (leren, economische zelfstandigheid, zorg, pensioen). Vergelijkbaar met de aanpak bij de experimenten dagindeling worden de resultaten gebruikt voor het te ontwikkelen levensloopbeleid.
Het rapport Anders denken over zekerheid van de «denktank Leijnse», dat in oktober 2002 aan de Tweede Kamer is aangeboden, geeft aanzetten voor een een langetermijn-perspectief op de uitwerking van de levensloopregeling. Een belangrijk onderdeel van dit rapport is dat zorg een normaal onderdeel wordt van inkomensbescherming, aansluitend bij behoud van individuele economische zelfstandigheid. Voorts is de SER in 2002 gestart met de voorbereiding van een advies met daarin een reactie op de Verkenning Levensloop, het idee van de levensloopregeling en het lange termijnperspectief zoals dat in het rapport Anders denken over zekerheid is uitgewerkt.
In 2002 waren vele van de 140 experimenten in het kader van de Stimuleringsmaatregel Dagindeling nog in uitvoering. In de Nota Dagindeling Halverwege (januari 2002 gepresenteerd) zijn de (voorlopige) resultaten beschreven van de experimenten Dagindeling. De experimenten leverden in 2002 veel aanknopingspunten op voor vernieuwing van (familie)beleid en aanpassing van wet- en regelgeving. Dit heeft bij diverse departementen tot effect geleid (VROM, VWS en de stimulerings-impuls landelijk gebied bij LNV). In 2002 zijn de voorbereidingen gestart voor de afronding van de stimuleringsmaatregel Dagindeling per 1 april 2003.
Op de conferentie Dagindeling Halverwege is ook het advies van de Commissie Dagarrangementen gepresenteerd. Dit advies bevat concrete voorstellen voor een sluitend aanbod van onderwijs, opvang en vrijetijdsvoorzieningen voor ouders en kinderen. De voorstellen sluiten aan bij de ontwikkeling van de brede school.
Eind 2002 zijn er 27 experimenten dagindeling van start gegaan binnen het ESF-3 programma Local Social Capital. In het kader van de Communautaire Raamstrategie voor Gelijkheid tussen mannen en vrouwen 2001–2005 is het project Daily Routine Arrangements in november 2002 van start gegaan. Ervaringen opgedaan binnen de experimenten dagindeling worden gedeeld met de Europese lidstaten.
In het kader van het traject Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) van het ministerie van EZ is het rapport Vijf vliegen in één klap verschenen over de ontwikkelingen in de persoonlijke dienstverlening. In de kabinetsreactie op dit rapport is aangekondigd een (nadere) inventarisatie te maken van mogelijke belemmeringen om te komen tot een open markt voor persoonlijke dienstverlening. Pilotprojecten moeten dit proces versnellen. Op basis van de aanbevelingen is in het najaar van 2002 een vervolg MDW-traject gestart. Hierbij spelen praktische ervaringen opgedaan in experimenten dagindeling een belangrijke rol.
Glazen plafond: Ambassadeursnetwerk
In juni 2002 werd de slotbijeenkomst gehouden van het Ambassadeursnetwerk, bestaande uit topmanagers uit het bedrijfsleven en de universitaire wereld. Dit netwerk is ingesteld met als doel de doorstroming van vrouwen naar hogere- en topfuncties een extra impuls te geven. De inspanningen van de ambassadeurs zijn opgetekend in een publicatie die werd aangeboden aan het VNO NCW, EZ en SZW. In november 2002 zijn de voorbereidingen gestart voor een follow-up van het netwerk.
Voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en meisjes
In december 2002 is de nota Een veilig land waar vrouwen willen wonen aan de Tweede Kamer aangeboden. De nota zet het internationale beleidskader van het brede onderwerp geweld tegen vrouwen uiteen, de uitgangspunten, de recente activiteiten van de rijksoverheid, de algemene beleidsconclusies, en de wijze waarop verbetering van het beleid vanuit de coördinatie van het emancipatiebeleid zal worden geïnitieerd: via aanjagen, vernieuwen en bevorderen van monitoring.
Instrumenten en Instrumentontwikkeling
In november 2002 is de regeringsprijs voor emancipatie, de Joke Smit-prijs, uitgereikt aan de projecten Steady en Spiegelbeeld.
In de Beleidsbrief Emancipatiebeleid 2002 zijn de hoofdlijnen van een veranderingstraject naar een vernieuwd subsidiebeleid weergegeven. Centraal staan een projectmatige en resultaatgerichte opzet en beoordeling van subsidie-aanvragen, hetgeen zwaardere eisen stelt aan de professionaliteit van aanvragende organisaties. Daarom is in 2002 van start gegaan met professionaliseringstrajecten voor zowel kleinere maatschappelijke (vrouwen)organisaties die veelal aanvragen indienen voor eenmalige, kortdurende projecten, als voor de grotere maatschappelijke organisaties die een meerjarige subsidie ontvangen. In lijn met de afspraken die over de meerjarige subsidies lopen, is de subsidierelatie met Toplink en Opportunity in Bedrijf ultimo 2002 beëindigd. De subsidierelatie met E-Quality is vooralsnog met één jaar verlengd; in 2003 zal een besluit genomen worden over het al dan niet voortzetten van de subsidie aan E-Quality na 2003. Van de subsidies aan Opportunity in Bedrijf, Toplink en E-Quality hebben in 2002 evaluaties plaatsgevonden.
| Tabel 12.1: Realisatie Emancipatie subsidiebeleid | ||||
|---|---|---|---|---|
| Bedragen x € 1 000 | Realisatie | Begroting | Aantal aanvragen | Aantal toekenningen |
| (Thema)subsidies | 1 651 | 1 362 | 78 | 31 |
| IIAV | 1 636 | 1 588 | ||
| E-Quality | 2 087 | 2 087 | ||
| Vrouwen Alliantie | 388 | 363 | ||
| Toplink | 331 | 272 | ||
| Opportunity in Bedrijf | 454 | 454 | ||
| Overig | 304 | 1 361 | ||
Bron: SZW-administratie.
Het stimuleren van een zelfstandig bestaan van vrouwen en mannen.
| Tabel 12.2 Realisatie en streefwaarden in 2002 Zelfstandig bestaan van vrouwen en mannen. | ||
|---|---|---|
| Realisatie | Streefwaarde 2002 | |
| Operationele doelstelling 3: | ||
| a. netto arbeidsparticipatie van vrouwen | 55% in 2002 | 54,7% |
| b. economische zelfstandigheid van vrouwen | 38% in 2000 | 42,0% |
| c. aandeel vrouwen in totale inkomen uit arbeid | 32% in 2000 | 30,4% |
| Operationele doelstelling 4: | ||
| a. aandeel van mannen in onbetaalde arbeid | 36% in 2000 | 37,1% |
| b. aandeel vrouwen in politieke functies | 35% | 40% |
| c. aandeel vrouwen in hoge functies: | ||
| • Profit sector | 3,9% in 2001 | 4% |
| • Non-profit sector (zorg en welzijn) | 31% in 2002 | 35% |
| • Overig non-profit | 20% in 2002 | 20% |
| d. aandeel vrouwen in de ICT | 10% in 2001 | 10% |
Voorlopige realisatiecijfers. Cijfers voor economische zelfstandigheid van vrouwen zijn gecorrigeerd voor een reeksbreuk.
Bron voor cijfers 2000: SCP/CBS, Emancipatiemonitor 2002. Bron netto arbeidsdeelname: Enquête Beroepsbevolking 2002 van het CBS.
In het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie is een aantal prestatie-indicatoren geformuleerd om te kunnen beoordelen of de gewenste situatie voor 2010 gehaald wordt. De bovenstaande tabel bevat het overzicht van de streefcijfers en de feitelijke situatie, zoals die in de laatste emancipatiemonitor (november 2002) is beschreven.
De arbeidsparticipatie van vrouwen stijgt volgens planning. Als de trend doorzet is de doelstelling voor 2010 dat 65% van de vrouwen twaalf uur of meer werkt, haalbaar.
De toenemende arbeidsdeelname van vrouwen heeft ertoe geleid dat ook de economische zelfstandigheid van vrouwen is toegenomen. In 2000 is het percentage gestegen tot 38%. Als ook in de eerste tien jaar van de 21ste eeuw het aantal economisch zelfstandige vrouwen in hetzelfde tempo blijft stijgen, wordt de doelstelling voor 2010 (60%) echter niet gehaald.
In 2000 werd 32% van het totale inkomen uit arbeid door vrouwen verworven. Als de groei van het aandeel van door vrouwen verworven inkomens in de komende jaren in dit tempo doorzet, zal het streefcijfer (35%) inderdaad gehaald worden.
Het aandeel van mannen in onbetaalde arbeid in 2000 is iets lager uitgekomen dan voor 2002 voorzien was.
De streefcijfers die in het Meerjarenbeleidsplan emancipatie met betrekking tot vrouwen in topfuncties zijn geformuleerd, hebben betrekking op diverse soorten topfuncties: binnen het bedrijfsleven, in de nonprofit-sector en in de politiek en het openbaar bestuur. Uit de Emancipatiemonitor 2002 is gebleken dat meer vrouwen deelnemen aan het openbare leven. Hun aandeel in de posities met macht en invloed is evenwel niet navenant gegroeid. Integendeel, in het bedrijfsleven, de politiek, het openbaar bestuur en de wetenschap zijn vrouwen zwaar ondervertegenwoordigd. In de verklaring van het «glazen plafond» komen diverse aspecten naar voren. Zoals de studie- en beroepskeuzes van vrouwen, zorgverantwoordelijkheid, de aanpak en criteria bij werving en selectie, de manier waarop werk is georganiseerd, stereotype beelden rond leidinggeven en aspecten van de bedrijfscultuur.
De seksesegregatie op de arbeidsmarkt is één van de aandachtsgebieden in het Equal-programma van het Europees Sociaal Fonds. Met een aantal partners in dit beleidsveld is in 2002 een Equal-project gestart dat loopt tot eind 2004. Doel is een verhoging van het aandeel van vrouwen op hogere posities in bedrijven en instellingen. In drie deelprojecten worden instrumenten ontwikkeld voor, respectievelijk, het beter zichtbaar maken van vrouwelijk talent (aanbodzijde), het beter benutten van vrouwelijk talent door veranderingen in de organisatie zelf (vraagzijde), en het verankeren van succesvolle maatregelen in het gewone personeelsbeleid. Elk deelproject zal pilots omvatten met specifieke aandacht voor allochtone vrouwen.
In 2002 zijn twee Equal-projecten opgezet met als doelstelling een grotere inzet van mannen thuis, in relatie tot gezin en familie, en meer ruimte voor vrouwen om te blijven werken. Voor veel vrouwen is zorgverantwoordelijkheid nog steeds het motief om te stoppen met werken. Het eerste project «Mannen in de Hoofdrol» bestaat uit een multimediale campagne, een televisieserie, internetsites, onderzoek, conferenties, een scholencampagne en programma's met intermediaire organisaties. Het tweede project «Werkende vaders, Zorgende Mannen» bestaat uit een onderzoek naar zorgverantwoordelijkheden van mannen en een internationale conferentie tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap in 2004.
Het bevorderen van gelijke rechten, kansen, verantwoordelijkheden en vrijheden onder mannen en vrouwen.
Versterken van de veiligheid en fundamentele mensenrechten
Ter voorkoming en bestrijding van mensenhandel stuurt het kabinet aan op een intensivering van internationale samenwerking. Medio 2002 heeft de nationaal rapporteur mensenhandel haar eerste rapport over mensenhandel in Nederland aan de regering overhandigd. Eind 2002 is de kabinetsreactie i.c. de nota «Een veilig land waar vrouwen willen wonen» aan de Tweede Kamer verzonden.
Het VN-Vrouwenverdrag verplicht tot het invoeren van gelijkheid voor de wet, positieverbetering van vrouwen en het doorbreken van een op traditionele rolpatronen en vooroordelen gebaseerde cultuur. Medio 2002 is voor Nederland, Antillen en Aruba het facultatief protocol bij het VN-Vrouwenverdrag in werking getreden, dat voorziet in een individueel klachtrecht bij het Comité van het VN-Vrouwenverdrag.
In juli 2002 is het rapport van Clingendael Versterking van de positie van de vrouw en versterking van genderdeskundigheid in conflictpreventie, -oplossing en postconflictsituaties aan de Tweede Kamer aangeboden. In het rapport staat een aantal aanbevelingen waar het gaat om de versterking van de rol van vrouwen in conflictpreventie,-oplossing en naoorlogse wederopbouw. Doel is het realiseren van meer vrouwen op posities waar besluitvorming plaatsvindt ter voorkoming, beheersing en oplossing van conflicten. In dat kader is in 2002 gestart met de voorbereidingen van de in te stellen Taskforce Vrouwen, Veiligheid en Conflict.
In juni 2002 werd de conferentie Van tienermoeder tot carrièrepil gehouden in het kader van de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen en meisjes. Vrouwen en meisjes dienen zelf zeggenschap over deze rechten en over hun recht op gezondheid te hebben. Dit betekent dat er meer perspectieven voor de toekomst moeten worden geboden dan uitsluitend een tienermoederschap. In 2002 is een onderzoek gestart naar de betreffende belemmerende factoren.
Afgeronde evaluatieonderzoeken artikel 12 in 2002
Eindevaluatie Toplink, Equality en Opportunity in Bedrijf
In 2002 hebben er drie eindevaluaties plaatsgevonden vanwege het aflopen van de subsidierelaties.
Doelstelling:
Beoordelen beleidsrelevantie, effectiviteit en efficiëntie van de subsidierelaties. Voor Toplink en OiB is ook de haalbaarheid van subsidie-onafhankelijk functioneren beoordeeld.
Conclusie:
Toplink:
Beleidsrelevantie: veel «free-publicity« waardoor onderwerp op de agenda is blijven staan.
Effectiviteit: geslaagde bemiddelingen de laatste jaren sterk afgenomen; geslaagde bemiddelingen voornamelijk in sectoren waar al vrouwen aanwezig waren (effectiviteit beperkt);
Efficiëntie: organisatie was onvoldoende geëquipeerd voor professionele bedrijfsvoering (efficiëntie moeilijk te achterhalen);
Haalbaarheid financiële verzelfstandiging; door mislukken samenwerking met commercieel bureau, te weinig gerealiseerde commerciële activiteiten en verslechterde markt, wordt een financieel zelfstandige positie na 31 december 2002 zeer moeilijk geacht.
OiB:
Beleidsrelevantie; m.n. de publicitaire en concrete activiteiten hebben bijgedragen aan vergroten draagvlak voor het emancipatieproces in het bedrijfsleven.
Effectiviteit; OiB-formule slaat aan bij de meeste segmenten van het bedrijfsleven en de overheid; media-exposure en aandacht succesvol (effectiviteit goed).
Efficiëntie: organisatie was onvoldoende geëquipeerd voor professionele bedrijfsvoering (efficiëntie moeilijk te achterhalen).
Haalbaarheid financiële verzelfstandiging: bestaande formule, netwerkorganisatie met betalende deelnemers, is bij voldoende commerciële opdrachten levensvatbaar; verslechterende markt zal effect hebben op een financieel zelfstandige positie na 31 december 2002.
E-Quality:
Beleidsrelevantie: de doelstellingen en de activiteiten sluiten aan bij het emancipatiebeleid, met relatief meer nadruk op de etnische achtergrond.
Effectiviteit: er ligt nog een knelpunt. De Mid Term Review gestelde doelen zijn in beperkte mate gerealiseerd; E-Quality is onvoldoende zichtbaar voor de doelgroep politici en beleidsmedewerkers van de overheid.
Efficiëntie; vooral in de beginperiode weinig efficiënt, er zit wel verbetering in.
12.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Beleidsartikel 12. Coördinatie emancipatiebeleid | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 16 998 | 12 628 | 10 591 | 12 459 | – 1 868 |
| Uitgaven | 13 147 | 14 311 | 16 152 | 19 050 | – 2 898 |
| Apparaatsuitgaven | 2 230 | 5 922 | – 3 692 | ||
| Personeel | 2 109 | 1 841 | 268 | ||
| Materieel | 121 | 4 081 | – 3 960 | ||
| Programmauitgaven | 13 147 | 14 311 | 13 922 | 13 128 | 794 |
| Emancipatiesubsidies | 8 103 | 7 915 | 6 344 | 7 491 | – 1 147 |
| Dagindeling | 5 045 | 6 396 | 3 852 | 4 503 | – 651 |
| Primair proces | 2 733 | 0 | 2 733 | ||
| Voorlichting Meerjarenbeleidsplan | 365 | 1 134 | – 769 | ||
| Onderzoek en beleidsinformatie | 628 | 0 | 628 | ||
| Ontvangsten | 5 | 0 | 145 | 0 | 145 |
Bron: SZW-administratie.
De uitgaven voor emancipatiesubsidies waren begroot op € 7,5 miljoen. Er is € 6,3 miljoen uitgegeven. Het verschil ad. € 1,1 miljoen is ontstaan doordat de voorziening voor de Vrouwenvakscholen (VVS) niet geheel tot uitbetaling is gekomen en doordat een voor 2002 geplande verrekening met Justitie inzake het in te stellen Infopunt Gelijke Behandeling niet heeft plaatsgevonden.
De uitgaven voor de Stimuleringsmaatregel Dagindeling waren op € 4,5 miljoen begroot. De realisatie bedraagt € 3,9 miljoen. Wijzigingen in de looptijd alsmede opschorting van de bevoorschotting van een aantal experimenten hebben geleid tot de onderbesteding van € 0,7 miljoen.
In verband met een aantal budgettair neutrale verschuivingen binnen ditartikel is per saldo € 2,6 miljoen meer uitgegeven aan primair proces, voorlichting en onderzoek en beleidsinformatie dan geraamd.
In de begroting 2002 is aangegeven dat de tweede operationele doelstelling zodanig nader zou worden geconcretiseerd dat relevante indicatoren kunnen worden geformuleerd, zodat de koppeling tussen inzet van het beleid en de operationele doelen zal worden verbeterd. In de tabel bij de tweede operationele doelstelling zijn de betreffende indicatoren vermeld.
Bij de operationele doelstellingen 3 en 4 is in de begroting 2002 vermeld dat er in de komende periode streefwaarden zullen worden geformuleerd voor het beleid van andere departementen naast SZW, BZK, EZ en OC&W. Dit streven wordt meegenomen bij de nadere uitwerking in het kader van een VBTB-proof artikel 12 voor de begroting 2004.
Beleidsartikel 13 Verbetering arbeidsomstandigheden
Bevordering van goede arbeidsomstandigheden, realisatie van effectieve arbobeleidsvoering in arbeidsorganisaties, preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en reïntegratie bij uitval uit arbeid.
Om een representatief beeld te schetsen van de stand van zaken en de ontwikkelingen op het gebied van arbeidsomstandigheden in de Nederlandse bedrijven en instellingen wordt elk jaar de Arbobalans toegezonden aan de Staten-Generaal. De laatste Arbobalans is op 14 november 2002 naar de Kamer gezonden.
De resultaten van de in 2002 gehouden evaluatie-onderzoeken zijn in een aparte bijlage bij het jaarverslag opgenomen.
13.2. Operationele doelstellingen
1. Vermindering van het aantal werkenden dat blootgesteld is aan bepaalde arbeidsrisico's conform vastgestelde streefcijfers.
2. Het scheppen en onderhouden, mede door marktwerking, van voorwaarden voor beleidsvoering door arbeidsorganisaties op het vlak van arbeidsomstandigheden, preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en vroegtijdige reïntegratie.
3. Het stimuleren van arbeidsorganisaties tot verbetering van arbeidsomstandigheden, mede ter ondersteuning bij haar verantwoordelijkheid voor preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en voor vroegtijdige reïntegratie.
4. Ontwikkelen, vaststellen en voorschrijven van basisnormen en handhaving daarvan.
Vermindering van het aantal werkenden dat blootgesteld is aan bepaalde arbeidsrisico's conform vastgestelde streefcijfers.
SZW streeft er naar arbeidsrisico's te verminderen. Er zijn streefcijfers opgesteld voor vermindering van de blootstelling aan hoge tijdsdruk, kracht zetten en lawaai; voor RSI gaat het om vermindering van klachten door beeldschermwerkers. Voor werkdruk en RSI is het primaire doel de stijgende trend om te buigen. Voor tillen en geluid moet een forse reductie van blootstelling bereikt worden. Tabel 13.1 geeft de streefcijfers per arbeidsrisico, wanneer die gerealiseerd moeten zijn, welk percentage werknemers in 1996–2001 blootgesteld stond aan de risico's en bij welk percentage blootgestelde werknemers de streefcijfers bereikt zijn.
| Tabel 13.1: Streefcijfers beperking arbeidsrisico's 1996–2001 | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Arbeidsrisico en streefcijfer | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | streven begroting 2002 | Nieuw streven Arbobalans |
| Werkdruk | ||||||||
| 10% in 5 jaar | 31% | 32% | 33% | 33% | 31% | 30% | ultimo 2003: 29,7% | – |
| Tillen | ||||||||
| 30% in 7 jaar | 24% | 23% | 22% | 22% | 22% | 22% | ultimo 2005: 15,4% | ultimo 2006: 15,4% |
| Geluid | ||||||||
| 50% in 5 jaar | 10% | 10% | 9% | 10% | 10% | 10% | ultimo 2002: 5% | ultimo 2006: 5% |
| RSI-klachten | ||||||||
| 10% in 4 jaar | 56% | Ultimo 2001: 50,4% | – | |||||
Bronnen: SZW, nota arboconvenanten nieuwe stijl, TK, 1998–1999, 26 375, nr. 1; EBB CBS; onderzoek AI naar RSI in 2 branches; Arbobalans 2002
Uit de begeleidende brief bij de Arbobalans 2002 blijkt dat voor de implementatie van convenanten meer tijd nodig is dan in eerste instantie geschat werd. Hiermee is het realisatiejaar van de streefcijfers voor de arbeidsrisico's tillen en geluid onder druk komen te staan. Voor deze risico's is de looptijd daarom verlengd tot 2006. Hieronder wordt kort op de gerealiseerde prestaties ingegaan.
Het werken onder hoge tijdsdruk is licht afgenomen van 31% in 2000 naar 30% in 2001. De stijging die zich in de jaren 1996–1998 voordeed, is duidelijk gekeerd. Het streefcijfer 2003 van 29,7% wordt naar verwachting gehaald.
Het aantal werknemers dat regelmatig kracht moet zetten op het werk is de laatste jaren stabiel op 22%. Streven was om het percentage terug te dringen naar 15,4% in 2005. Het risico wordt inmiddels aangepakt in dertien arboconvenanten. Omdat het resultaat van deze convenanten pas tegen het einde van de convenantsperiode zichtbaar wordt, is het streefcijfer van 15,4% in 2005 verschoven naar 2006.
In 2001 werkte 10% van de werknemers in een lawaaierige omgeving; een geluidsniveau boven de 80 dB. Blootstelling is schadelijk als het geluidsniveau van 80 dB wordt overschreden. Voor 2002 was het streven een reductie van 50%. Het streefcijfer van 5% wordt in 2002 niet gehaald.
Er zijn daarom verschillende beleidsinitiatieven genomen waardoor een reductie tot 5% per eind 2006 wél moet kunnen zijn bewerkstelligd (zie ook het gestelde in 13.4 «Groeiparagraaf» over beleidsinspanningen rond reductie van onbeschermd blootgestelden). Zo wordt het risico van blootstelling aan lawaai aangepakt via verscherpte handhaving door de Arbeidsinspectie. Ook worden er afspraken gemaakt via de arboconvenant met de papier- en kartonindustrie en met de funderingsbranche is inmiddels een convenant gesloten waarin afspraken zijn opgenomen over een reductie van blootstelling aan geluid. Met de metaalsector is een convenant in voorbereiding waarmee voor dit risico de grootste risicogroep zal moeten worden bereikt.
Daarnaast is er een Europese Richtlijn vastgesteld die een maximale norm voor blootstelling aan geluid stelt. Deze richtlijn wordt uiterlijk in 2005 in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.
Van de bedrijven waarbij blootstelling aan schadelijk geluid een risico is, neemt het aantal bedrijven toe dat maatregelen neemt. In 2000 werd in 81% van het aantal bedrijven maatregelen genomen en in 2001 in 96% van het aantal bedrijven. De verwachting is dat op langere termijn een reductie van blootstelling aan geluid valt waar te nemen.
Voor RSI was ook een streefcijfer opgesteld. Op 3 december 2001 is de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een onderzoek onder beeldschermwerkers. Inmiddels is een meer generiek en representatief monitorinstrument ontwikkeld. Naar verwachting kunnen de eerste resultaten hiervan in 2004 worden gepresenteerd.
Het scheppen en onderhouden, mede door marktwerking, van voorwaarden voor beleidsvoering door arbeidsorganisaties op het vlak van arbeidsomstandigheden, preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en vroegtijdige reïntegratie.
Ook in 2002 was het beleid er op gericht voorwaarden te creëren dat werkgevers en werknemers op goede wijze arbobeleid kunnen voeren. Daarbij zijn de hierna volgende instrumenten ingezet.
Begin 2002 waren er 90 gecertificeerde Arbo-diensten waarvan 41 zelfstandige externe diensten en 49 interne Arbo-diensten. Vijf grote combinaties van Arbo-diensten realiseren vrijwel 80% van de omzet. Bijna alle werkgevers zijn inmiddels bij een dienst aangesloten. Nagenoeg altijd heeft men ondersteuning bij verzuimbegeleiding afgesproken in het af te nemen dienstenpakket. Ook zijn er circa 100 mantelovereenkomsten tussen Arbo-diensten en brancheorganisaties afgesloten waarbij passende kennis en dienstenpakketten worden afgesproken. Niettemin blijkt de dienstverlening, vooral voor kleine bedrijven, op een aantal punten nog moeizaam te verlopen. Steun aan MKB-Nederland zal een betere aansluiting tussen vraag en aanbod in Arbo-dienstverlening bevorderen.
Risico-inventarisatie en -evaluatie
| Tabel 13.2 Beschikbaarheid schriftelijke risico-inventarisatie en- evaluatie | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Bedrijfsgrootte | Realisatie 1998 | Realisatie 1999 | Realisatie 2000 | Realisatie 2001 | Streven 2002 |
| 1 t/m 9 werknemers | 32% | 35% | 50% | 70% | 60% |
| 10 t/m 99 werknemers | 61% | 66% | 75% | 88% | 80% |
| >100 werknemers | 89% | 84% | 88% | 94% | 95% |
| Alle | 38% | 42% | 55% | 74% | 65% |
Bron: Arbeidsinspectie
Grafiek 13.1: Beschikbaarheid schriftelijke risico-inventarisatie
en -evaluatie bedrijven 1998–2002
Bron: Arbeidsinspectie
De wettelijk verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie is een basis voor de arbeidsomstandigheden- en verzuimaanpak in bedrijven. Het ministerie van SZW bevordert de beschikbaarheid van dat document onder meer door subsidie voor branchemodellen en toegankelijkheid daarvan. Na een aarzelende start is met name per 2000 een versnelling in de ontwikkeling zichtbaar. Het voor 2002 gestelde streefcijfer blijkt al in 2001 ruimschoots gehaald. Realisatiecijfers over 2002 komen pas in juli 2003 beschikbaar.
Kwaliteitsborging producten, processen en systemen op de markt
| Tabel 13.3 Prestatiegegevens Veiligheidsrapport zware ongevallen 2002 | ||
|---|---|---|
| Prestatiegegeven | Realisatie | Streefcijfer |
| % aantal ingediende VR t.o.v. aantal VR-plichtige bedrijven | 96% | 100% |
| % aantal VR waarover AI binnen wettelijke termijn heeft geoordeeld | 68%* | 100% |
Bron: Arbeidsinspectie
* Niet bekend of beoordeling in alle gevallen binnen de wettelijke termijn is gebeurd.
Op grond van het Besluit risico's zware ongevallen zijn aangewezen inrichtingen verplicht tot een veiligheidsrapport (VR) om de gevaren van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen te beheersen.
Eind 2002 zijn er 182 VR-plichtige bedrijven (verwachting 2002 was 140). In totaal zijn in 2002 161 VR'en ingediend, waarvan er door de AI inmiddels 109 zijn beoordeeld. Van de bedrijven die in 2001 een VR hebben ingediend is de verwachting dat vrijwel alle beoordelingen door de AI in 2002 zijn afgerond. In de loop van 2002 is ten aanzien van de inlevering van VR'en bij een viertal bedrijven handhaving in de vorm van een vooraanschrijving gestart. Het aantal niet ingediende VR'en is dus gering.
Het percentage Veiligheidsrapporten (VR'en) waarover de AI binnen wettelijke termijn oordeelt wordt niet conform streefcijfer gehaald. Evenmin is bekend of het gerealiseerde percentage volledig binnen de wettelijke termijn is beoordeeld; naar verwachting zal dit gegeven vanaf 2003 wel op afdoende wijze worden geregistreerd. Een groot aantal VR-plichtige bedrijven bleek hun rapportage pas aan het einde van de gestelde termijn in te leveren. Hierdoor ontstond in de eerste fase van de uitvoering een enorme piekbelasting, waardoor de AI de VR'en niet binnen de gestelde wettelijke termijn kon beoordelen. Dit wordt momenteel zo veel mogelijk opgelost door via een verkorte werkwijze toch alle VR'en door te nemen.
| Tabel 13.4 Certificatieregelingen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie en streefcijfersCertificatieregelingen | Huidig aantal wettelijke normen | Realisatie 2001 | Realisatie 2002 | Streefcijfer 2002 |
| Arbeidsomstandighedenwet | 12 | 8 | 11 | 9 |
| Wet Gevaarlijke Werktuigen | 7 | 3 | 5 | 6 |
| Overige* | 3 | 0 | 0 | 1 |
| Totaal | 22 | 11 | 16 | 16 |
Bron: Directie Arbeidsveiligheid en -gezondheid.
* Bestrijdingsmiddelenwet en Kernenergiewet.
Certificatieregelingen bevorderen dat producten, systemen of personen aan bepaalde kwalificaties voldoen. Het streefcijfer van totaal 16 certificatieregelingen is gehaald. Bij de Arbeidsomstandighedenwet zijn twee extra regelingen (professioneel vuurwerk) tot stand gekomen, namelijk 11 in plaats van 9 certificatieregelingen.
Ontwikkeling en verspreiding van arbokennis en bevordering arbokennisinfrastructuur
Ter ondersteuning van arbodiensten en werkgevers en werknemers voor meer gespecialiseerde kennis investeert SZW in een toegankelijke 2e lijns kennisinfrastructuur. In 2002 lag het accent daarbij op het meldingssysteem beroepsziekten en de verdere ontwikkeling van de website www.arbo.nl.
| Tabel 13.5 Beroepsziektemeldingen conform richtlijnen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2000 | Realisatie 2001 | Realisatie 2002 | Streven 2002 e.v. | |
| Beroepsziektemeldingen conform richtlijnen | 86% | 87% | 80% | 90% |
Bron: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten
Het ministerie van SZW subsidieert het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, onder meer voor registratie van door arbodiensten gemelde beroepsziekten en verspreiding van kennis. Het Centrum stelt richtlijnen op voor diagnose van beroepsziekten en voor melding. Met onder meer publicaties en studiedagen werkt het Centrum eraan dat met name bedrijfsartsen binnen arbodiensten richtlijnen kennen en meer in het algemeen goed op de hoogte zijn van achtergronden en aanpak van problematiek. De begroting 2002 bevat het streven dat 90 procent van de beroepsziektemeldingen conform de richtlijnen is. Dat percentage wordt als optimum gezien. Bij een hoger streefcijfer wordt de kans groot dat nieuw opkomende verschijnselen niet gemeld worden.
De realisatie is onverwacht fors lager uitgekomen beneden het streefcijfer. Bij analyse blijkt dit veroorzaakt door een hoog aantal meldingen uit de bouwsector (32%) die niet conform de richtlijnen zijn. Zonder deze meldingen uit de bouw zou de realisatie op 87% uitkomen. Het Centrum onderzoekt met de sector de achtergronden.
Het stimuleren van arbeidsorganisaties tot verbetering van arbeidsomstandigheden, mede ter ondersteuning bij haar verantwoordelijkheid voor preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en voor vroegtijdige reïntegratie.
In arboconvenanten maken overheid en sociale partners in sectoren afspraken over reductie van arborisico's en steeds vaker ook over verzuim- en reïntegratieproblematiek. In december 2002 is de tussenrapportage arboconvenanten 1999–2002 aan de TK aangeboden. Belangrijkste conclusies uit deze rapportage zijn dat er een groot draagvlak voor de aanpak bij sociale partners en sectoren is en dat er jaarlijks grote besparingen mogelijk zijn, die fors hoger uitvallen dan de inleg van de gezamenlijke convenantspartijen.
| Tabel 13.6 Intentieverklaringen en convenanten naar onderwerp, stand ultimo 2002 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Prioritaire arbeidsrisico's | Intentieverklaringen | Convenanten | ||||
| Totaal | HR | ZM | Totaal | HR | ZM | |
| Tillen/fysieke belasting | 9 | 9 | 0 | 21 | 14 | 7 |
| Werkdruk | 12 | 11 | 1 | 26 | 19 | 7 |
| RSI | 4 | 4 | 0 | 11 | 9 | 2 |
| Schadelijk geluid | 3 | 3 | 0 | 6 | 2 | 4 |
| Oplosmiddelen | 5 | 5 | 0 | 7 | 5 | 2 |
| Allergene stoffen | 2 | 2 | 0 | 6 | 5 | 1 |
| Kwarts | 1 | 1 | 0 | 1 | 1 | 0 |
| Reïntegratie in 1ste ziektejaar | 14 | 12 | 2 | 27 | 21 | 6 |
| Overig | 4 | 4 | 0 | 17 | 10 | 7 |
| Totaal excl. Dubbeling | 16 | 14 | 2 | 38 | 26 | 12 |
| Werknemers onder bereik | 1,2 mln | 0,9 mln | 0,3 mln | 2,5 mln | 2,1 mln | 0,4 mln |
HR = hoogrisico bedrijfstak, ZM=zelfmelder.
Bron: SZW.
In de begroting 2002 is het aantal van minimaal 20 arboconvenanten genoemd als streefcijfer per eind 2002. Dit streven is ruimschoots gehaald, getuige de 38 convenanten die ultimo 2002 zijn afgesloten. In tweederde van deze gevallen (26) gaat het om overeenkomsten met hoogrisicobedrijfstakken zoals in 1999 vastgesteld in de Nota Arboconvenanten Nieuwe Stijl. De overige 12 afgesloten convenanten zijn aangegaan met zogenaamde zelfmelders. Naast de 38 afgesloten convenanten zijn 16 intentieverklaringen gesloten, waarvan 14 met hoogrisicobedrijfstakken. Deels gaat het hierbij om moeizame onderhandelingstrajecten. SZW heeft als limiet gesteld dat de inspanningen in deze sectoren uiterlijk in 2003 tot een convenant moeten leiden.
De Farbo-regeling voorziet in een fiscale faciliteit voor ondernemers (afschrijving op een willekeurig moment) en voor non-profitinstellingen (afdrachtvermindering loonbelasting) bij aanschaf van daarvoor aangewezen arbovriendelijke bedrijfsmiddelen. De afdrachtvermindering bedraagt 3,5% van het investeringsbedrag, een percentage wat ongeveer gelijk is aan het (rente)voordeel van de willekeurige afschrijving.
| Tabel 13.7 FARBO-regeling | ||||
|---|---|---|---|---|
| investeringsbedrag x € 1 mln | Streefcijfers | Realisatie | ||
| 2001 | 2002 | 2001 | 2002 | |
| Non-profit sector streefcijfers en realisaties | ||||
| Positief geadviseerd door Arbeidsinspectie | – | 45 | 17 | 18* |
Bron: Arbeidsinspectie.
* voorlopig cijfer.
De aanvankelijke ambitie voor de non-profitsector is medio 2002 teruggeschroefd naar € 28 mln. In tegenstelling tot de marktsector blijkt de non-profit sector minder belangstelling te hebben voor deze fiscale faciliteit dan verwacht. Het tot begin maart 2003 aangemelde investeringsbedrag over 2002 ligt ruim € 1 mln boven dat van 2001. Op grond hiervan wordt verwacht dat de AI positief zal adviseren over een investeringsbedrag van € 18 mln over 2002. Het precieze cijfer wordt pas in de loop van mei/juni 2003 bekend. Overigens wordt in 2003 de regeling geëvalueerd, waarin ook de vraag wordt gesteld wat de oorzaken zijn van het achterblijven op de oorspronkelijke verwachting van de non-profitsector.
Ontwikkelen, vaststellen en voorschrijven van basisnormen en handhaving daarvan.
In het kader van het project Relatie Arbeidsveiligheid en Publieksveiligheid (RAP) is in 2002 onderzoek gedaan naar de praktijk op het grensvlak van arbeidsveiligheid en publieksveiligheid. Op bedrijfsactiviteiten die zich richten op publiek zijn meerdere wetten van toepassing en normadressanten worden in verschillende hoedanigheden aangesproken. Bezien wordt op welke wijze de aanbevelingen, waaronder het hanteren van een Risico inventarisatie en evaluatie voor het publiek, worden uitgewerkt. Een ander uitgevoerd onderzoek «Bescherming en nazorg van hulpverleners en vrijwilligers» gaat in op de samenwerking tussen hulpverleningsorganisaties in het belang van de bescherming van hulpverleners tijdens en na rampen. De uitwerking van de aanbevelingen wordt gezamenlijk door de meest betrokken departementen opgepakt.
Handhaven van basisarbonormen door de Arbeidsinspectie juist gericht op bestrijding van misstanden.
De arbeidsinspectie handhaaft de regels op het terrein van de arbeidsomstandigheden. De eenheid voor weergaven van de productie van de Arbeidsinspectie is het aantal af te sluiten interventietrajecten.
| Tabel 13.8 Aantal interventietrajecten | ||||
|---|---|---|---|---|
| Aantal afgesloten interventietrajecten: | Realisatie 2000 | Realisatie 2001 | Streefcijfer 2002 | Realisatie 2002 |
| Arbo Projectmatig (actief) | 17 177a | 13 897b | 13 987b | 13 929b |
| Klachtbehandeling | 2 395 | 2 178 | 2 246 | 2 167 |
| Ongevalsbehandeling | 2 696 | 2 559 | 2 425 | 2 481 |
| Overig reactief | 841 | 2 031 | 989 | 1 506 |
a Incl. Arbeidstijdenwet.
b Excl. Arbeidstijdenwet.
Bron: Arbeidsinspectie.
Het aantal afgesloten zaken in het kader van actieve Arbo-projecten ligt rond het streefcijfer voor 2002. Dit aantal is exclusief de trajecten die in het kader van Arbeidstijdenwet-projecten plaats vinden.
Het aantal te onderzoeken arbeidsongevallen en klachten over arbeidsomstandigheden is al enkele jaren redelijk stabiel.
Het aantal afgesloten klachtenonderzoeken ligt in 2002 iets onder de raming omdat het aantal gemelde klachten wat lager ligt dan was voorzien.
Het aantal gemelde arbeidsongevallen ligt in 2002 onder het verwachte niveau. Niettemin ligt het aantal afgeronde ongevalsonderzoeken boven de streefwaarde voor 2002 omdat extra energie is gestoken in het terugbrengen van de werkvoorraad openstaande onderzoeken.
Voor Overig Reactief geldt dat het aantal afgeronde trajecten hoger ligt dan de streefwaarde voor 2002 daar veel zaken in verband met de MKZ-crisis in 2001 (Werktijdverkorting) pas in 2002 tot afsluiting zijn gekomen.
Het totaal aantal arbo-interventietrajecten van de Arbeidsinspectie is voor 2002 volgens verwachting iets afgenomen. Daar staat tegenover dat overtredingen steviger zijn aangepakt (door inzet van zware handhavingsinstrumenten, met name bestuurlijke boetes) en hebben bedrijven sneller de consequenties van overtredingen ervaren. De AI is er in 2002 in geslaagd om bij nagenoeg gelijkblijvende inspectieaantallen de inzet van zware handhavinginstrumenten (met name trajecten met bestuurlijke boetes) toe te laten nemen. Het percentage afgesloten trajecten met inzet van zware handhavingsinstrumenten is van 2001 naar 2002 voor Arbo projectmatig gestegen van 12% tot 17%. Voor klachtbehandeling en ongevalsonderzoeken is het aantal inspectietrajecten met inzet van zware handhavingsinstrumenten respectievelijk van 21% tot 25% en van 40% tot 47% toegenomen.
| Tabel 13.9 Inspectiefrequentie naar bedrijfsgrootte | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Doelgroep/terrein | Risico klasse | Realisatie 2002 aantal werknemers | Streven 2005 aantal werknemers | ||||
| 2–9 | 10–99 | >99 | 2–9 | 10–99 | >99 | ||
| Landbouw & Industrie | Hoog | 3,3% | 13,0% | 29,0% | 8% | 13% | 18% |
| Laag | 1,4% | 7,9% | 22,8% | 3% | 3% | 3% | |
| Bouw | Hoog | 2,9% | 17,1% | 48,4% | 11% | 16% | 21% |
| Laag | 1,7% | 8,0% | 10,5% | 6% | 6% | 6% | |
| Overheid & Dienstverlening | Hoog | 0,7% | 3,3% | 17,4% | 6% | 11% | 16% |
| Laag | 0,5% | 3,6% | 14,9% | 1% | 1% | 1% | |
Bron: Arbeidsinspectie.
De inspectiefrequentie naar bedrijfsgrootte wordt als volgt bepaald:
a) De afgesloten zaken worden geteld naar cluster en grootteklasse. Het kan voorkomen dat een vestiging meer dan één keer bezocht is in het kader van actieve arbo-inspecties (uitgaande van afgesloten zaken). Er wordt opnieuw een telling gedaan naar cluster en grootteklasse, maar nu wordt er rekening mee gehouden dat een vestiging meer dan één keer bezocht kan zijn (er wordt dus een indikking gemaakt op KvK-nummer). De uitkomst is een verdeling van het aantal bezoeken in het kader van afgesloten zaken naar cluster en grootteklasse. Een vestiging die meer dan één keer bezocht is, telt één keer mee. Dubbeltellingen komen derhalve niet voor.
b) Vervolgens wordt op basis van een telling van het aantal KvK-vestigingen in Nederland (bron: KvK-bestand (bewerking CFB)) bepaald hoeveel vestigingen met twee of meer werknemers er zijn per cluster en grootteklasse. Het aantal vestigingen zoals dat op deze manier bepaald is, geeft een bovengrens aan, omdat uit ervaring gebleken is dat de gegevens in het vestigingenregister van de KvK enigszins vervuild zijn.
c) Tot slot wordt (a) gedeeld door (b) wat de inspectiefrequentie voor actieve arbo-inspecties oplevert.
De gerealiseerde inspectiefrequenties in 2002 laten nog relatief grote afwijkingen zien ten opzichte van het streven voor 2005. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat de streefpercentages zijn gebaseerd op een hoeveelheid inspectiecapaciteit die nu nog niet in die omvang beschikbaar is.
De gerealiseerde inspectiefrequenties laten zien dat in de komende jaren relatief meer inspectiecapaciteit moet worden ingezet op de kleinere bedrijven. In 2002 is daarmee een aanvang gemaakt. Omdat circa 80% van het aantal bedrijven van het werkveld van de Arbeidsinspectie in de categorie kleine bedrijven valt (met 2 tot 9 werknemers) kost het verhogen van de inspectiefrequenties daar relatief veel inspectiecapaciteit.
Afgeronde evaluatieonderzoeken artikel 13 in 2002
Evaluatie bestuurlijke boete en handhavingsbeleid Arbowet 1998, juni 2002
Doelstelling:
Het genereren van kennis over en het bieden van aanknopingspunten voor verhoging van de effectiviteit van het instrument bestuurlijke boete, aan de hand van informatie over de bekendheid met en kennis van de Arbowet en de daarin opgenomen boetemogelijkheid de houding en het gedrag van werkgevers ten aanzien van de in de Arbowet opgenomen verplichtingen, met name in het licht van de mogelijkheid van bestuurlijke sanctionering en de factoren die op die houding en dat gedrag van invloed zijn.
Conclusie:
Ruim 80% van de bedrijven in de onderzochte bedrijfstakken is bekend met de Arbowet, 40% kent de bestuurlijke boete. De helft van de bedrijven geeft aan beïnvloed te zijn door de inhoud van de Arbowet. Het hebben van kennis over de boete en het daadwerkelijk opgelegd krijgen van een boete bevorderen in het algemeen de naleving. Bedrijven die de verplichting niet naleven noemen vaak tijdgebrek, slechte bekendheid en slechte uitvoerbaarheid als redenen. Bedrijven die materiële verplichtingen niet naleven noemen vaak praktische onuitvoerbaarheid als reden.
Arbeidsinspecteurs waarderen de boete; het gezag van de AI is ermee versterkt en het instrument is effectief.
De effectiviteit van de Arbowet kan nog belangrijk verbeterd worden door het verhogen van de kennis van bedrijven over de wet en de boete, en door het nut en de uitvoerbaarheid van de verplichtingen beter te communiceren, vooral in de richting van kleinere bedrijven. Deze bedrijven zijn ook gevoelig voor het verhogen van de inspectiekans. Het instrument boete kan verder bijdragen aan de effectiviteit van de handhaving door meer snelheid te brengen in het proces van boete-oplegging.
Rapportage: «het instrument bestuurlijke boete in de Arbowet», SZW/Elsevier augustus 2002.
Evaluatie FARBO-monitor
De Arbeidsinspectie heeft een kwantitatieve evaluatie uitgevoerd van de regeling over de periode 1998–2001. Zie hiervoor de tekst en toelichting bij tabel 13.7 over de FARBO-regeling. Het zwaartepunt van de aanmeldingen zit in de periode oktober t/m februari. De Arbeidsinspectie heeft in 2001 in de profit sector driekwart van het aangevraagde investeringsbedrag toegekend, in de non-profit sector is dit 87%. Het merendeel van de aanvragen in 2001 was gericht op beperking van de fysieke belasting (profit sector ruim 87%; non profit sector 94%). Bij de profit sector heeft meer dan de helft van de aanvragen betrekking op aanpassingen van vervoersmiddelen (vrachtwagens, (landbouw)trekkers), bij de non-profit sector ligt het accent op tilhulpmiddelen.
13.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Beleidsartikel 13. Verbetering arbeidsomstandigheden | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Bedragen in EUR1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 10 489 | 14 586 | 72 895 | 94 617 | – 21 722 |
| Uitgaven | 7 294 | 11 155 | 70 313 | 90 784 | – 20 471 |
| Apparaatsuitgaven | 47 496 | 49 094 | – 1 598 | ||
| Personeel | 40 029 | 33 197 | 6 832 | ||
| Materieel | 7 467 | 15 897 | – 8 430 | ||
| Programmauitgaven | 10 489 | 11 155 | 22 817 | 41 690 | – 18 873 |
| Convenanten | 10 401 | 20 295 | 39 024 | – 18 729 | |
| subsidies | 10 489 | 754 | 2 522 | 2 666 | – 144 |
| Ontvangsten | 2 209 | 1 985 | 4 979 | 4 084 | 895 |
Bron: SZW-administratie.
Het verschil tussen raming en realisaties van de convenanten in 2002 komt door een groot aantal herschikkingen. De belangrijkste zijn een kasschuif van € 10 miljoen naar 2004 en 2005 en een verschuiving van € 7,9 miljoen in de 1e tranche convenanten van 2002 naar latere jaren. De besteding is achtergebleven bij de verwachting door vertragingen in het aanloopproces naar de daadwerkelijke realisaties. Inmiddels is duidelijk dat de piek in de bestedingen zal plaatsvinden in de jaren 2003 en 2004. De ingeboekte kasschuiven voorkomen dat het convenantenbudget in 2002 te ruim en in latere jaren te krap is. Door vertragingen in de besluitvorming rond arboprojecten op het terrein van preventie en reïntegratie, waaronder de kennisinfrastructuur, zijn de uitgaven hiervoor in 2002 lager uitgevallen.
Uit tot nu toe afgesloten convenanten blijkt een convenant gemiddeld ongeveer € 1,7 miljoen te kosten (iets onder het uitgangspunt van € 2 miljoen). Er zijn 38 convenanten gesloten, waarin bijna € 64 miljoen aan bijdrage(n) vanuit dit artikel is afgesproken. Er zijn 16 intentieverklaringen getekend. De ontvangsten vloeien voort uit de op grond van de Arbeidsomstandighedenwet opgelegde bestuurlijke boeten. De hogere dan geraamde ontvangsten bestuurlijke boeten door de Arbeidsinspectie zijn te verklaren door toename van het gebruik van het boete-instrument bij nagenoeg gelijkblijvende inspectie-aantallen.
De vermelde prestatiegegevens zijn nog niet volledig dekkend ten opzichte van de geformuleerde operationele doelstellingen.
Het evaluatieonderzoek Arbowet 1998 gaat in april 2003 van start. Een van de onderdelen van dat onderzoek is het handhavingsbeleid, meer in het bijzonder de werking van het instrument bestuurlijke boete. De resultaten van dit onderzoek komen in het eerste kwartaal 2004 beschikbaar.
De begroting 2002 bevatte voor reductie van risico's het voornemen om ten aanzien van meer arbeidsrisico's streefcijfers voor reductie op te stellen. Daartoe lopen verkenningen. De ervaring met de tot nu toe gehanteerde streefcijfers wijst in ieder geval op het belang van het formuleren van streefcijfers op basis van tenminste twee adequate metingen.
Door uitloop van de convenantstrajecten is het onontkoombaar om de termijn voor realisatie van de streefcijfers ook te verlengen. De streefcijfers zijn immers grotendeels gekoppeld aan de inzet van convenanten als belangrijkste beleidsinstrument.
Een streefcijfer arbeidsongevallen is in ontwikkeling. In 2003 wordt onderzoek verricht naar de kosten van arbeidsongevallen. In samenhang met het project intensivering arbeidsveiligheid wordt o.a. gestreefd naar een reductie van de maatschappelijke kosten van arbeidsongevallen. Een exacte invulling van een concrete doelstelling arbeidsongevallen wordt momenteel bestudeerd.
Het huidige streefcijfer geluid betreft het percentage werknemers dat in lawaaierige omgeving werkt (> 80dB). Ongeveer de helft hiervan gebruikt regelmatig gehoorbescherming. De beleidsinspanningen (o.a. convenanten) zijn er voornamelijk op gericht het aantal onbeschermd blootgestelden te reduceren. Dit kan o.a. bereikt worden door gebruik van gehoorbescherming te stimuleren. In 2003 wordt een adequater streefcijfer geformuleerd wat zich meer richt op de huidige beleidsinspanningen. Een reductie van 50% blijft daarbij het uitgangspunt.
Voor gevaarlijke stoffen is begin 2003 een onderzoek van start gegaan wat zich richt op het ontwikkelen van een instrument om prestatie-indicatoren te meten voor blootstelling aan bepaalde categorieën van gevaarlijke stoffen. Dit onderzoek zal naar verwachting eind 2003 worden opgeleverd. In 2004 zal het ontwikkelde instrument, indien het aan de verwachting voldoet, voor het eerst kunnen worden ingezet.
De Wet Verbetering Poortwachter die in werking trad per april 2002, geeft nadere specificaties aan verzuimbegeleiding door werkgevers en arbodiensten. De eerste signalen over werking van de wet zijn positief. De mogelijkheden voor een systematische monitoring worden verkend.
Daarnaast wordt bij de evaluatie Besluit Risico Zware Ongevallen in 2003 een nulmeting majeure risico's meegenomen.
Het Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999 wordt momenteel geëvalueerd. Er wordt een nulmeting uitgevoerd met een aantal indicatoren dat in een eerder stadium is vastgesteld. In het najaar 2003 worden de eerste resultaten verwacht.
In 2002 is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van CE-markering bij heftrucks. Dit onderzoek fungeerde als pilot: «Is CE-markering een hanteerbaar prestatiegegeven?». De uitkomsten van het onderzoek waren positief: 97% van het aantal heftrucks, die na 1996 op de markt zijn gekomen, is voorzien van CE-markering. Deze uitkomst en de beschikbare financiële middelen geven geen aanleiding tot een verbreding van het onderzoek.
Verder wordt het programma voor arbocuratieve samenwerking zoals tussen bedrijfsartsen en curatieve sector geëvalueerd in 2004. Tussentijdse evaluatie1 van een jaar regionale projecten leert dat de samenwerking een begrip is geworden voor de betrokken huis- en bedrijfsartsen; verder perspectief vraagt langer lopende investeringen in gedragsverandering.
Het Kennis- en Documentatiecentrum van TNO Arbeid is een knooppunt van arbokennis over de stand van techniek, wetenschap en regelgeving. Er wordt geëxperimenteerd met prestatiegegevens zoals over mate van en tevredenheid over gebruik, zo mogelijk voor opname in de begroting 2004.
Tot slot wordt de Farbo-regeling in 2003 geëvalueerd; daarnaast lopen verkenningen voor uitbreiding van prestatiegegevens.
Beleidsartikel 14 Tegemoetkoming asbestslachtoffers
De regeling asbestslachtoffers geeft uitdrukking aan een maatschappelijke erkenning van het leed van asbestslachtoffers.
Het doel van de regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers is om werknemers met maligne mesothelioom als gevolg van beroepsmatige blootstelling aan asbest bij leven van rijkswege een tegemoetkoming in hun immateriële schade te verschaffen als uiting van maatschappelijke erkenning als zij er niet in slagen van hun (voormalige) werkgever een schadevergoeding te verkrijgen.
Op 18 september 2002 is het evaluatieonderzoek «Van TAS tot vangnet», inzake de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers naar het parlement gestuurd, vergezeld van een brief waarin de conclusies en de hoofdlijnen van beleid naar aanleiding van die conclusies worden geschetst. Voornaamste conclusie is dat circa 90% van de slachtoffers niet meer in leven is bij het ontvangen van de schadevergoeding van de voormalige werkgever dan wel de TAS-uitkering. De oorzaak hiervan is de duur van het arbeidshistorisch onderzoek. Het beleid is daarom met ingang van 2003 aangepast. Kern van het nieuwe beleid is dat op basis van een licht arbeidshistorisch onderzoek aan het slachtoffer zelf een voorschot op de schadevergoeding van de voormalige werkgever wordt verstrekt.
14.2 Operationele doelstelling
Voorzien wordt in een eenmalige tegemoetkoming van € 15 882 aan asbestslachtoffers met maligne mesothelioom, die vanwege het ontbreken van een aansprakelijke werkgever geen schadevergoeding meer kunnen krijgen langs civielrechtelijke weg, respectievelijk onder bepaalde voorwaarden aan nabestaanden.
| Tabel 14.1. Prestatiegegevens tegemoetkoming asbestslachtoffers | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2000 | Realisatie2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Uitgaven (x € 1 mln) | ||||
| Eenmalige uitkeringen | 1,0 | 2,5 | 1,5 | 3,2 |
| uitvoeringskosten | 0,2 | 0,9 | 0,4 | 0,9 |
| Volume (x 1) | ||||
| Aantal aanvragen | 74 | 176 | 94 | – |
| Aantal toekenningen | 69 | 159 | 88 | 200 |
| Gemiddelde uitkering (x € 1) | ||||
| Eenmalige uitkeringen | 15 882 | 15 882 | 15 882 | 15 882 |
| Uitvoeringskosten1 | 2 376 | 5 465 | 4 511 | 4 538 |
Bron: SZW-administratie (uitgaven); SVB (volumes).
1 De uitvoeringskosten zijn verdeeld over het aantal aanvragen.
In 2002 zijn door de SVB 88 tegemoetkomingen verstrekt aan de asbestslachtoffers. Dit aantal loopt achter bij de geraamde 200 tegemoetkomingen. De voornaamste oorzaak is gelegen in de zware – op het civiele aansprakelijkheidsrecht gebaseerde – bewijslast. Het daarvoor noodzakelijke arbeidshistorisch onderzoek is moeilijk en langdurig, omdat gezocht wordt naar gegevens van gemiddeld 30 jaar terug. Daardoor bleef het aantal toekenningen aan slachtoffers – en na overlijden van het slachtoffer vóór afronding van het onderzoek het aantal toekenningen aan nabestaanden – achter bij de verwachtingen. Het onderzoek is ook belastend voor het slachtoffer, waardoor soms geen aanvraag wordt ingediend. Het met de regeling beoogde doel om slachtoffers, die door het ontbreken van een verantwoordelijke werkgever geen schadevergoeding kunnen krijgen, zoveel mogelijk bij leven een tegemoetkoming in hun immateriële schade te verschaffen werd hierdoor niet gerealiseerd. Daarom is, mede na evaluatie, de regeling vanaf 2003 aangepast.
De risico's op misbruik en oneigenlijk gebruik van de asbestregeling zijn beperkt, zo blijkt ook uit de evaluatie van de regeling.
IWI heeft in 2002 rechtmatigheidsonderzoek gedaan naar de uitvoering van de TAS door de SVB in het jaar 2001. Op grond van het onderzoek heeft IWI vastgesteld dat de onrechtmatigheid van de uitkeringen 4,46% (zeven gevallen) (2000: 1,44%) van de totale uitkeringsmassa van 157 toekenningen bedraagt. Op grond van bovenstaande is IWI van oordeel dat de uitvoering van de TAS over 2001 tekortkomingen vertoont. Het merendeel van de fouten betreft toekenningen die zijn gedaan op basis van ontoereikend onderzoek door het Instituut Asbest slachtoffers. De strekking van de rechtmatigheidsverklaring van IWI is afkeurend.
De SVB heeft medio 2001 zelf al geconstateerd dat er fouten zijn gemaakt en heeft in de loop van dat jaar al maatregelen getroffen om fouten in het vervolg zoveel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen hebben effect gehad (van de zeven fouten waren er zes gemaakt vóór de maatregelen zijn getroffen). Verwacht wordt dat in 2002 wel aan de rechtmatigheidseisen is voldaan.
Afgeronde evaluatieonderzoeken artikel 14 in 2002
Evaluatie regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers, april 2002
Doelstelling
Het evalueren van de TAS-regeling waarbij de doeltreffendheid en de effecten van de regeling in de praktijk centraal staan.
Conclusie
Er is sprake van een lange doorlooptijd tussen aanvraag en uitkering, waardoor van de slachtoffers naar schatting 90% niet meer in leven is bij het ontvangen van de uitkering of de schadevergoeding van de voormalige werkgever. Dat contrasteert met het uitgangspunt het slachtoffer zelf bij leven te erkennen in zijn lijden.
Per 1 januari 2003 is een wijziging van de TAS-regeling in werking getreden waarbij een voorschotregeling is ingevoerd.
Rapportage: «Van TAS tot vangnet voor asbestslachtoffers», SZW/ Elsevier, september 2002.
14.3. Budgettaire gevolgen van het beleid
| Beleidsartikel 14. Tegemoetkoming asbestslachtoffers | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Bedragen in EUR1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 1 228 | 3 394 | 1 970 | 4 186 | – 2 216 |
| Uitgaven | 1 228 | 3 394 | 1 967 | 4 186 | – 2 219 |
| Apparaatsuitgaven | 36 | 102 | – 66 | ||
| Personeel | 30 | 69 | – 39 | ||
| Materieel | 6 | 33 | – 27 | ||
| Programmauitgaven | 1 228 | 3 394 | 1 931 | 4 084 | – 2 153 |
| Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers | 1 228 | 3 394 | 1 931 | 4 084 | – 2 153 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Bron: SZW-administratie.
De oorzaak van het verschil tussen de geraamde en gerealiseerde uitgaven in 2002 is gelegen in het veel lager gerealiseerde aantal uitkeringen dan was geraamd (95 resp. 200). De voornaamste oorzaak is de zware – op het civiele aansprakelijkheidsrecht gebaseerde – bewijslast. Daarnaast hebben minder nabestaanden een aanvraag op grond van het overgangsrecht bij invoering van de regeling ingediend en duurt de afhandeling van wél door nabestaanden ingediende aanvragen langer omdat bewijslast indirect moet worden verkregen doordat het slachtoffer reeds is overleden.
In het kader van de wijzigingsregeling TAS per 1 januari 2003 zijn op basis van diverse statistieken en andere informatiebronnen (NMP, IAS, CBS) ramingen gemaakt, voor zowel de uitkeringslasten als de uitvoeringskosten (zie de toelichting op die regeling). Voorshands voldoen deze bronnen. In 2003 zal op basis van feitelijke gegevens de kostenontwikkeling worden vastgesteld en bezien worden of de informatievoorziening verdere verbetering behoeft.
Beleidsartikel 15 Rijksbijdragen sociale fondsen
15.1 Algemene beleidsdoelstelling
Het medebekostigen van de sociale verzekeringen uit de schatkist ter dekking van de arbeidsongeschiktheidslasten van beroepsbeoefenaren, de premiederving wegens gemoedsbezwaren en ter compensatie van gedaalde premieopbrengsten voor de volksverzekeringsfondsen wegens fiscale wijzigingen.
De sociale zekerheidsregelingen worden gefinancierd door middel van premieheffingen. De geheven premies komen terecht in de diverse sociale fondsen. Omdat in sommige omstandigheden premieheffing niet wenselijk of mogelijk is, is in de volgende gevallen ervoor gekozen om deze fondsen te voorzien van een rijksbijdrage:
• SZW draagt bij aan het tekort aan premie-inkomsten van beroepsbeoefenaren bij het Arbeidsongeschiktheidsfonds Zelfstandigen (AfZ);
• SZW voorziet in een bijdrage aan de werknemersfondsen ter compensatie van de premiederving die een gevolg is van de vrijstelling van premiebetaling voor werkgevers met gemoedsbezwaren;
• SZW compenseert de volksverzekeringsfondsen voor de premiederving die een gevolg is van de per 2001 in het belastingstelsel ingevoerde heffingskortingen;
• SZW voorziet in een bijdrage aan het Ouderdomsfonds ter financiering van de extra uitkeringslasten als gevolg van het opheffen van het AOW-gat van partners van grensarbeiders;
• SZW draagt bij aan het Algemeen Werkloosheidsfonds ter medefinanciering van het experiment sluitende aanpak WW-gerechtigden (t/m 2002).
15.2 Operationele doelstellingen
1. Het medebekostigen van de arbeidsongeschiktheidslasten van beroepsbeoefenaren.
2. Het compenseren van de premiederving van de werknemersfondsen wegens gemoedsbezwaren.
3. Het compenseren van de premiederving van de volksverzekeringsfondsen wegens heffingskortingen.
4. Het opheffen van het AOW-gat van partners van grensarbeiders.
In 2002 is de operationele doelstelling 4 aan dit artikel toegevoegd.
Het medebekostigen van de arbeidsongeschiktheidslasten van beroepsbeoefenaren.
SZW zorgt ervoor dat de rijksbijdrage aan het AfZ zodanig wordt vastgesteld dat deze voorziet in de benodigde resterende dekking indien de Waz-premie die beroepsbeoefenaren inbrengen, onvoldoende is om hun arbeidsongeschiktheidslasten te dekken. Deze rijksbijdrage in 2002 bedroeg € 13,7 miljoen.
De Waz-premie wordt geïnd door de Belastingdienst en afgedragen aan het AfZ. De kosten hiervan bedroegen in 2002 € 3,9 miljoen. Dit bedrag wordt gesaldeerd met de hiervoor vermelde rijksbijdrage voor beroepsbeoefenaren. Het saldo wordt verstrekt als rijksbijdrage.
IWI heeft in 2002 rechtmatigheidsonderzoek gedaan naar de uitvoering van de Waz in het jaar 2001.
Op grond van het onderzoek heeft IWI vastgesteld dat de geschatte onrechtmatigheid van de gecontroleerde uitkeringslasten 2,2% (2000: 3,0%) bedraagt. De onrechtmatigheid werd veroorzaakt door een onjuiste wetsinterpretatie. De geschatte onrechtmatigheid in de uitvoeringskosten bedraagt 5,7% van de gecontroleerde uitvoeringskosten. De onrechtmatigheid werd veroorzaakt door tekortkomingen in de de AO/IC van de processen van de kosten van reguliere producten, kosten van projecten en Europese aanbestedingsrichtlijnen. Van de uitvoeringskosten uitvoeringsinstellingen kon over 3,6% onvoldoende zekerheid worden verkregen. De onzekerheid wordt veroorzaakt door het feit dat onvoldoende interne controlemaatregelen zijn getroffen betreffende de kosten van reguliere producten, kosten van projecten en Europese aanbestedingsrichtlijnen. De strekking van de rechtmatigheidsverklaring van IWI is een verklaring met beperking. Omdat ook de uitvoering van het sociaal medisch handelen ontoereikend was heeft IWI een afkeurend totaal oordeel over de rechtmatige uitvoering van deze wet.
Het compenseren van de premiederving van de werknemersfondsen wegens gemoedsbezwaren.
SZW voorziet in rijksbijdragen aan de werknemersfondsen ter compensatie van de premiederving wegens aan werkgevers verleende vrijstelling tot premiebetaling uit hoofde van gemoedsbezwaren. Werkgevers kunnen bij het UWV een aanvraag voor premiestelling doen. Dan wordt er in het kader van één of meer werknemersverzekeringen geen premie geheven, maar aan de werkgever een naheffingsaanslag in de loonbelasting (zonder verhoging) opgelegd ter hoogte van het bedrag waarvoor de werknemer aansprakelijk zou zijn geweest indien geen vrijstelling was verleend. Een compenserende rijksbijdrage is wenselijk omdat de uitkeringen aan werknemers met een gemoedsbezwaarde werkgever, gewoon uit de fondsen bekostigd worden. In 2002 zijn circa 84 vrijstellingen wegens gemoedsbezwaren aan werkgevers verleend. De bijdrage van SZW van € 1,7miljoen komt overeen met de aan de belastingdienst betaalde premievervangende inkomsten- of loonbelasting en naheffing in de loonbelasting.
Het compenseren van de premiederving van de volksverzekeringsfondsen wegens heffingskortingen.
Sinds 2001 worden de fondsen voor de volksverzekeringen (Of en Anf) gecompenseerd voor een daling van de premieopbrengst die een gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit betekende dat het systeem van belastingvrije sommen werd vervangen door een systeem van heffingskortingen en het arbeidskostenforfait door een arbeidskorting. Deze compensatie is de zogeheten BIKK (Bijdrage in de Kosten van Kortingen). De hoogte hiervan wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf.
Aanvullende operationele doelstelling 4
Het opheffen van het AOW-gat van partners van grensarbeiders.
In 2002 heeft de Kamer besloten om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 de korting op het AOW-pensioen van vrouwen wier echtgenoten als grensarbeiders in de periode van 1 januari 1957 tot 1 april 1985 niet verzekerd waren voor de AOW, alsnog buiten beschouwing te laten. Dit geldt tevens voor de korting op de toeslag waarop de pensioengerechtigde echtgenoot recht heeft ten behoeve van zijn jongere partner gedurende de periode dat zij de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt.
In 2002 is € 11 miljoen uitgetrokken voor de opheffing met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 van de onvolledige AOW-opbouw van echtgenotes van mannen die tussen 1957 en 1985 in het buitenland hebben gewerkt.
15.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Beleidsartikel 15. Rijksbijdragen sociale fondsen | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 40 462 | 41 198 | 2 732 037 | 2 760 123 | – 28 086 |
| Uitgaven | 40 462 | 41 198 | 2 712 137 | 2 760 123 | – 47 986 |
| Apparaatsuitgaven | 240 | 349 | – 109 | ||
| Personeel | 229 | 236 | – 7 | ||
| Materieel | 11 | 113 | – 102 | ||
| Programmauitgaven | 40 462 | 41 198 | 2 711 897 | 2 759 774 | – 47 877 |
| Rijksbijdragen | 39 161 | 39 672 | 40 756 | 62 300 | – 21 544 |
| Premiebijdragen gemoedsbezwaren | 1 301 | 1 526 | 1 656 | 1 089 | 567 |
| Bijdragen BIKK | 0 | 0 | 2 669 485 | 2 696 385 | – 26 900 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 19 701 | 0 | 19 701 |
Bron: SZW-administratie.
Het overschot op Rijksbijdragen betreft een lagere betaling voor Sluitende aanpak WW (€ 20 miljoen) dan geraamd.
Premiebijdragen gemoedsbezwaren
De gerealiseerde uitgaven zijn € 0,6 miljoen hoger dan geraamd bij de ontwerpbegroting. Dit wordt in hoofdzaak verklaard door een hogere gemiddelde vrijstelling dan geraamd (€ 19 714 t.o.v. € 10 777).
In 2002 is voor € 19,7 miljoen aan ontvangsten gerealiseerd in verband met de nadere afrekening van de rijksbijdrage sluitende aanpak WW over 2000. Ten tijde van de ontwerpbegroting waren deze ontvangsten niet voorzien.
| Tabel 15.1 Prestatiegegevens premiebijdrage gemoedsbezwaarden | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2000 | Realisatie 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Vergoedingen werknemersverzekeringen i.v.m. vrijstelling wegens gemoedsbezwaren (x € 1 mln) | 1,3 | 1,5 | 1,7 | 1,1 |
| Aantal premievrijstellingen | 85 | 81 | 84 | 80 |
| Gemiddelde vrijstelling (x € 1) | 15 308 | 18 835 | 19 714 | 10 777 |
Bron: UWV.
Voor het belastingjaar 2002 is de BIKK als volgt aangepast:
| Tabel 15.2 Prestatiegegevens BIKK | ||
|---|---|---|
| Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| BIKK AOW (x € 1 mln) | 2 481,5 | 2 507,2 |
| BIKK ANW (x € 1 mln) | 188,0 | 189,2 |
Bron: CPB.
De definitieve vaststelling van de van de Rijksbijdrage WAZ kan pas na afloop van een bepaald jaar plaatsvinden. Momenteel wordt gewerkt aan de definitieve vaststelling voor het jaar 1998. Begin 2003 zal de systematiek van de definitieve vaststelling van de Rijksbijdrage nader worden bezien in verband met de wenselijkheid de definitieve vaststelling sneller te laten plaatsvinden.
In de begroting 2002 en 2003 zijn een tweetal rijksbijdragen toegevoegd. Ten eerste een rijksbijdrage ter compensatie van het AOW-gat van vrouwen van ex-grensarbeiders (vanaf 2002: nieuwe operationele doelstelling 4). Ten tweede is bij Nota van Wijziging op de begroting 2003 de rijksbijdrage ouderdomsfonds in verband met vermogenstekorten bij dit fonds (vanaf 2003) ingevoegd op dit beleidsartikel.
Beleidsartikel 16 Rijksbijdragen Spaarfonds AOW
16.1 Algemene beleidsdoelstelling
Het waarborgen dat de AOW vanaf 2020 ondanks de vergrijzing betaalbaar blijft, in die zin dat de AOW-premie ten hoogste 18,25% bedraagt.
De druk op de AOW zal in de toekomst verder toenemen vanwege de voortschrijdende vergrijzing van de Nederlandse bevolking. Om de financierbaarheid van de AOW-uitgaven op langere termijn zeker te stellen is in 1998 het Spaarfonds AOW ingesteld. Vanaf 2020 kan het Ouderdomsfonds een beroep doen op de middelen uit het Spaarfonds om de toegenomen uitgaven aan AOW-uitkeringen te kunnen financieren zonder de maximale AOW-premie van 18,25% te overschrijden.
Het Spaarfonds AOW is geen daadwerkelijk fonds, in de eigenlijke betekenis van het woord. Het Spaarfonds bevat immers geen werkelijke vermogenstitels. Het fonds is de facto een registratie van een op specifieke titel afgeloste schuld. Stortingen in het Spaarfonds AOW maken onderdeel uit van de collectieve sector en leiden niet tot een belasting van het begrotingssaldo.
16.2 Operationele doelstellingen
Het reserveren van aanspraken op de schatkist ten behoeve van het Spaarfonds AOW.
SZW draagt zorg voor de reservering van aanspraken op de schatkist. In de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) is een minimum groeipad vastgelegd. Op grond hiervan wordt de Rijksbijdrage ieder jaar met minimaal € 113,4 miljoen verhoogd. Naast de rijksbijdragen wordt het fonds ook gevoed door jaarlijkse rentebijschrijvingen.
Het Spaarfonds AOW wordt beheerd door SZW. Bij wet is bepaald dat tot het jaar 2020 aan dit fonds geen middelen zullen worden onttrokken.
| Tabel 16.1: Prestatiegegevens Rijksbijdragen Spaarfonds AOW | ||||
|---|---|---|---|---|
| Realisatie 2000 | Realisatie2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | |
| Rijksbijdrage (x € 1 mln) | 2 178,1 | 2 291,6 | 2 405,0 | 2 405,0 |
| Rentebaten (x € 1 mln) | 271,0 | 403,5 | 536,6 | 538,2 |
| Vermogenspositie (x € 1 mln) | 7 035,3 | 9 730,4 | 12 672,0 | 12 673,7 |
Bron: SZW.
In 2002 is € 536,6 miljoen aan rente (4,94%) toegevoegd aan de begroting van het Spaarfonds AOW. Het saldo van het Spaarfonds AOW bedraagt daardoor per 31 december 2002 € 12 672,0 miljoen.
16.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Beleidsartikel 16. Rijksbijdragen Spaarfonds AOW | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Ontwerp begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 2 178 145 | 2 291 590 | 2 405 073 | 2 405 256 | – 183 |
| Uitgaven | 2 178 145 | 2 291 590 | 2 405 073 | 2 405 256 | – 183 |
| Apparaatsuitgaven | 38 | 221 | – 183 | ||
| Personeel | 36 | 149 | – 113 | ||
| Materieel | 2 | 72 | – 70 | ||
| Programmauitgaven | 2 178 145 | 2 291 590 | 2 405 035 | 2 405 035 | 0 |
| Spaarfonds AOW | 2 178 145 | 2 291 590 | 2 405 035 | 2 405 035 | 0 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Bron: SZW-administratie.
De gerealiseerde uitgaven in 2002 stemmen overeen met de ontwerpbegroting. Zie voor verdere toelichting op het AOW-spaarfonds de verantwoording van het spaarfonds (begrotingshoofdstuk 57).
De doelstellingen van het Spaarfonds AOW zijn vastgelegd in de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv). De formulering van andere indicatoren is gezien de aard van het beleidsartikel niet zinvol.
Gelet op de aard van het artikel is het evenmin mogelijk om een zinvolle tussengelegen doelstelling te formuleren, waarmee de mate van realisatie kan worden onderzocht en beoordeeld. Van evaluatie wordt daarom afgezien.
Beleidsartikel 17 Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen
Ondersteuning bieden in en sturing geven aan het transformatieproces van de huidige uitvoeringsstructuur van de (publieke) arbeidsvoorziening en de sociale zekerheid naar een nieuw activeringsgericht uitvoeringstelsel, zodat per 1 januari 2002 een nieuwe structuur van de uitvoering kan gaan werken.
De Suwi-wet is op 1 januari 2002 van kracht geworden. Ten laste van dit artikel zijn de kosten voor afwikkeling Arbeidsvoorziening, ESF en de Veranderorganisatie Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (SUWI) verantwoord en wordt tevens inzicht geboden in de kosten van de subsidieregelingen Centra Werk en Inkomen (CWI), Bedrijfsverzamelgebouwen (BVG) en Regionale Platforms Arbeidsmarktbeleid (RPA). Deze laatste drie betreffen tijdelijke stimuleringsregelingen, die een bijdrage leveren aan de totstandkoming van deze organisaties. Medio mei 2003 zal de eerste evaluatie van de Suwi-wet plaatsvinden.
De vergoeding voor de reguliere uitvoeringskosten van het CWI worden niet via dit artikel, maar in beleidsartikel 1 Basisdienstverlening Werk en Inkomen verantwoord. De reguliere uitvoeringskosten en de transformatiekosten voor het UWV maken onderdeel uit van de premiegefinancierde sector.
17.2 Operationele doelstellingen
De operationele doelstellingen van het transformatieproces van SUWI zijn voorwaarde voor de succesvolle invoering van de nieuwe uitvoeringsstructuur. Succes bij de transformatie is afhankelijk van de volgende deeltrajecten, met elk hun eigen dynamiek en einddoel.
a) Ondersteuning bij de samenvoeging van de huidige uitvoeringsinstellingen en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) tot de Uitvoeringsorganisatie Werknemersverzekeringen (UWV);
b) Ondersteuning bij de vorming van 131 Centra voor Werk en Inkomen (CWI) vanuit basisdienstverlening Arbeidsvoorziening, gemeenten en uitvoeringsinstellingen (uvi);
c) De ontvlechting van Arbeidsvoorziening Nederland;
d) Ondersteuning bij de vorming van bedrijfsverzamelgebouwen (BVG), waarbinnen zoveel mogelijk publieke en private organisaties op het terrein van Werk en Inkomen bij elkaar worden gebracht;
e) Facilitering van de vorming van regionale platforms, waarin zoveel mogelijk bij de arbeidsmarkt betrokken partijen en organisaties participeren;
f) Coördinatie van de werking van een private reïntegratiemarkt;
g) De ondersteuning van de ontwikkeling van een infrastructuur op het gebied van de Informatie- en communicatietechnologie bij de uitvoeringsorganen;
h) Afwikkeling oude projecten;
i) Afwikkeling ESF-oud.
Ondersteuning bij de samenvoeging van de huidige uitvoeringsinstellingen en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) tot de Uitvoeringsorganisatie Werknemersverzekeringen (UWV)
Per 1 januari 2002 is de samenvoeging van de voormalige uvi's en het Lisv een feit. De uitvoering van de sociale zekerheidswetgeving heeft geen hinder ondervonden van de samenvoeging. De Raad van Bestuur, divisiedirecties, directoraten, regiodirecties en groepsraad op UWV-niveau zijn in functie. In het kader van de opbouw van de organisatie heeft het UWV een vestigingsbeleid vastgesteld, dat onder andere voorziet in terugbrenging van het aantal regionale vestigingen van 171 naar 27, waarvan 17 gecombineerde back- en frontoffices en 10 frontoffices Sociale Medische Functie. Gelijk oplopend met de nieuwe regionale organisatie (samenvoeging van de vijf nog separaat werkende voormalige uvi's en inrichting van front- en backoffice vestigingen) worden ook de nieuwe werkprocessen geïmplementeerd.
De voorbereiding van de zogenaamde polisadministratie (centrale databank) als voorwaarde voor de Wet administratieve lastenverlichting in de sociale verzekeringen (Walvis) is in volle gang. Hierbij speelt de verdergaande samenwerking met de Belastingdienst op het gebied van premieheffing en -inning een belangrijke rol.
Het UWV heeft een Nulmeting laten uitvoeren om inzicht te krijgen in zijn startpositie. Bij een aantal risico's is concreet aangegeven wanneer deze zijn opgelost. Met het UWV is het Model Verantwoording UWV en het Controleprotocol vastgesteld. Hierdoor is een basis gecreëerd voor een verbetering van de rechtmatigheid en doelmatigheid. Het UWV heeft per 1 november 2002 cliëntenraden benoemd.
Derhalve kan geconstateerd worden dat 2002 een jaar is waarin een aantal belangrijke stappen op weg naar daadwerkelijke integratie is gezet. Het UWV blijft echter wel een organisatie in opbouw en het duurt nog zeker tot 2006 voordat de transformatie volledig is gerealiseerd.
Ondersteuning bij de vorming van 131 Centra voor Werk en Inkomen (CWI) vanuit basisdienstverlening Arbeidsvoorziening, gemeenten en uitvoeringsinstellingen (uvi)
Per 1 januari zijn er 129 CWI's draaiend (zowel in Eindhoven als in Amsterdam Nieuw-West zijn de activiteiten van twee vestigingen samengevoegd); hiermee is het beoogde doel bereikt. Bij de start geconstateerde aanloopproblemen zijn gaandeweg het jaar langzamerhand opgelost. De CWI's hebben zich in het eerste half jaar 2002 in sterke mate toegelegd op de uitvoering van de uitkeringsintake, i.c. op de juiste, volledige en tijdige overdracht van gegevens aan UWV en sociale diensten. Na de eerste paar maanden is er meer geïnvesteerd in de vervulling van de poortwachtersrol en in werkgevers. Een belangrijke gebeurtenis voor CWI betrof het in de lucht gaan van Werk.nl, de website voor informatie en zelfmatching (zelf verrichten van activiteiten voor het vinden van een nieuwe functie).
Door CWI is een bedrijfsprocesmodel opgesteld (gewijzigd voormalig referentiewerkproces). Hierin is onder andere de intensivering van de bemiddeling en de werkgeversbenadering vastgelegd. Er is overeenstemming over de te hanteren definities in het bedrijfsprocesmodel en het wordt uitgetest op een aantal CWI locaties in samenwerking met de ketenpartners.
De CWI blijft echter wel een organisatie in opbouw en het duurt nog zeker tot 2006 voordat de transformatie volledig is gerealiseerd.
Ontvlechting Arbeidsvoorziening Nederland
De Arbeidsvoorzieningswet 1996 is per 1 januari 2002 gedeeltelijk ingetrokken. Per dezelfde datum is de Regeling afwikkeling Arbeidsvoorzieningsorganisatie na SUWI van kracht geworden. Aanvankelijk was het de bedoeling om de liquidatie ook in 2002 te voltooien en de resterende werkzaamheden ultimo 2002 aan andere organisaties over te dragen. Er is echter besloten de liquidatiewerkzaamheden af te ronden onder de verantwoordelijkheid van de Bestuurder Arbeidsvoorziening, die in juni 2002 is benoemd. Dat is gedaan mede op grond van het oordeel van de Tweede Kamer die van mening is dat het niet raadzaam is om de werkgeversrol voor boventallige medewerkers van Arbeidsvoorziening over te dragen aan de Centrale organisatie Werk en Inkomen. Dat betekent dat de feitelijke opheffing van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie eerst in het vierde kwartaal van 2004 zijn beslag zal krijgen.
Met de inwerkingtreding van de SUWI-wet op 1 januari 2002 is Arbeidsbureau Nederland opgegaan in de Centrale organisatie Werk en Inkomen. Per die datum is KLIQ ondergebracht in een naamloze vennootschap, waarvan de Rijksoverheid enig aandeelhouder is. Reïntegratiediensten zijn per 1 januari 2002 overgedragen aan de NV KLIQ. Centrum Vakopleiding is overgedragen aan de per 1 januari 2002 opgerichte Stichting Centrum Vakopleiding. Na inordening bij de Regionale Opleidings Centra (ROC's) zal deze stichting als zelfstandig instituut ophouden te bestaan. Ten aanzien van het facilitair bedrijf Facent is besloten de activiteiten op een zo kort mogelijke termijn niet meer voor rekening en risico van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te voeren. De verkoop van de bedrijfsonderdelen Locant, Talenter, Werklinq en Atelier Apeldoorn is in 2002 afgerond.
Op 17 december 2002 zijn de jaarrekeningen over 2000 en 2001 van Arbeidsvoorziening aan het Ministerie van SZW aangeboden. Arbeidsvoorziening als geheel heeft een afkeurende accountantsverklaring op getrouwheid en rechtmatigheid gekregen. Met ingang van 2002 wordt er geen reguliere rijksbijdrage meer aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in liquidatie verstrekt.
In de loop van 2002 heeft de bestuurder via de jaarrekeningen over 2000 en 2001 verantwoording afgelegd over de besteding van de rijksbijdrage in 2000 respectievelijk 2001. Beide jaarrekeningen zijn voorzien van een afkeurende accountantsverklaring ten aanzien van de getrouwheid en de rechtmatigheid. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft dat oordeel op basis van de review van de departementale accountantsdienst overgenomen. De jaarrekening 2002, waarin de bestuurder verantwoording aflegt over de aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in liquidatie in 2002 beschikbare gelden ten behoeve van de ontvlechting c.q. liquidatie, alsmede de separate verantwoording over de in 2000 en 2001 verstrekte vergoedingen van transformatiekosten per bedrijfsonderdeel zullen in de loop van 2003 beschikbaar komen en van een oordeel door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kunnen) worden voorzien.
Ondersteuning bij de vorming van bedrijfsverzamelgebouwen (BVG), waarbinnen zoveel mogelijk publieke en private organisaties op het terrein van Werk en Inkomen bij elkaar worden gebracht
Met de ondersteuning van bedrijfsverzamelgebouwen (BVG) is in 2002 belangrijke voortgang geboekt. Ultimo 2002 zijn zo'n 10 BVG-en operationeel (die voldoen aan de definitie van de BVG-stimuleringsregeling). Ongeveer 80% van de gemeenten waarin een CWI is gevestigd heeft (vergaande) plannen voor de ontwikkeling van een BVG waarin wordt samengewerkt tussen de sociale dienst, het CWI, het UWV en eventuele overige partijen. In augustus 2002 is in een aantal pilotgemeenten gestart met de ontwikkeling van een toolkit voor gezamenlijke huisstijldragers en -elementen. De toolkit kan gebruikt worden door gemeenten die nog bezig zijn met de realisatie van een BVG.
Operationele doelstellingen e en f
Facilitering van de vorming van regionale platforms, waarin zoveel mogelijk bij de arbeidsmarkt betrokken partijen en organisaties participeren en; Coördinatie van de werking van een private reïntegratiemarkt
Aanzienlijk resultaat is er ook bij de vorming van regionale platforms. De 25 regionale platforms zijn alle in de operationele fase, zo blijkt uit de vierde foto Regionale platforms. Alle platforms hebben ook voor 2002 stimuleringsmiddelen ontvangen. In het kader van de inhoudelijke verdieping zijn de regionale platforms bij een vijftal ontwikkeltrajecten betrokken rond de onderwerpen middelencoördinatie, arbeidsmarktinformatie, Europa, WAO en de koppeling tussen arbeidsmarktbeleid en economisch beleid. De vorming van de regionale platforms heeft in beperkte mate bijgedragen aan de coördinatie van de werking van de private reïntegratiemarkt. In algemene zin kan worden gesteld dat de regionale platforms naar verwachting hebben gefunctioneerd. In 2003 zal een evaluatie plaatsvinden.
Operationele doelstellingen g en h
De ondersteuning van de ontwikkeling van een infrastructuur op het gebied van de Informatie- en communicatietechnologie bij de uitvoeringsorganen en; Afwikkeling oude projecten
Vanuit de Veranderorganisatie SUWI is 2000–2001 een aantal projecten opgestart om met name de ICT-ontwikkeling tussen UWV, CWI en gemeenten te ondersteunen. In 2002 zijn deze projecten beëindigd. Het UWV en CWI hebben vervolgens van de ingezette initiatieven van de Veranderorganisatie gebruik kunnen maken. De financiële afwikkeling zal in 2003 worden afgerond.
Afwikkeling ESF-oud
In het najaar van 2001 is op de aanvullende post bij Financiën een budgettaire voorziening getroffen voor de afwikkeling van de ESF-claim die de Europese Unie (EU) bij Nederland heeft gelegd; in de loop van 2002 is op deze voorziening een beroep gedaan om de claim te kunnen betalen. Tegen de ESF-claim – die betrekking heeft op de periode 1994–1996 – is beroep ingesteld, maar het beroep heeft geen opschortende werking op de betaling aan de EU. Dit beroep is inmiddels ingetrokken.
17.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Beleidsartikel 17. Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 89 782 | 592 342 | 460 488 | 34 498 | 425 990 |
| Uitgaven | 28 926 | 592 342 | 456 404 | 34 498 | 421 906 |
| Apparaatsuitgaven | 1 902 | 5 910 | – 4 008 | ||
| Personeel | 1 670 | 3 996 | – 2 326 | ||
| Materieel | 112 | 1 914 | – 1 802 | ||
| Agentschappen | 120 | 0 | 120 | ||
| Programmauitgaven | 28 926 | 592 342 | 454 502 | 28 588 | 425 9 14 |
| Facilitering oprichting CWI | 148 | 0 | 1 536 | 3 630 | – 2 094 |
| Ontvlechting Arbvo | 3 242 | 471 720 | 278 507 | 278 507 | |
| Ondersteuning vorming BVG'en | 998 | 1 588 | 15 882 | – 14 294 | |
| Coördinatie reïntegratiemarkt | 1 501 | 11 216 | 9 645 | 9 076 | 569 |
| ICT | 8 039 | 6 328 | 5 949 | 5 949 | |
| Overig | 102 080 | 88 | 88 | ||
| – Afwikkeling SWI-projecten | 11 999 | ||||
| – Overige projecten | 3 997 | ||||
| Afwikkeling ESF-oud (Rapport de Koning) | 157 189 | 157 189 | |||
| Ontvangsten | 0 | 0 | 10 128 | 0 | 10 128 |
Bron: SZW-administratie.
Het verschil ad € 421,9 miljoen tussen de vastgestelde begroting en de realisatie is toe te schrijven aan de met het Ministerie van Financiën afgesproken wijze van begroten. Die methode houdt in dat de voor de Suwi-operatie benodigde middelen niet op de SZW-begroting onder dit beleidsartikel, maar op een aanvullende post bij Financiën worden geraamd. Op basis van concrete projectvoorstellen en -doelen hevelt Financiën na haar akkoord begrotingsmiddelen vanuit die aanvullende post over naar dit beleidsartikel, ten laste waarvan de feitelijke uitgaven voor de Suwi-operatie worden gedaan. Er is dus geen sprake van onvoorziene tegenvallers.
De vastgestelde begroting 2002 bedroeg € 34,5 miljoen. Uit de aanvullende post is in 2002 € 405,4 miljoen overgeboekt naar dit artikel.
| Tabel 17.1 Overboekingen vanuit de aanvullende post van Financiën naar de SZW-begroting | |
|---|---|
| x € 1 000 | Bedrag |
| ESF-betaling | 157 189 |
| Kapitaalstortingen KLIQ | 81 955 |
| Onderhanden werk KLIQ | 70 000 |
| Schadeloosstelling Arbvo voor KLIQ | 32 200 |
| Kapitaalstorting Centra Vakopleiding (CV) | 8 000 |
| Afwikkeling ontvlechting Arbvo | 56 045 |
| Totaal | 405 389 |
Bron: SZW-administratie.
Deze toevoegingen hebben alle betrekking op betalingen die in 2002 zijn gedaan voor ESF (€ 157,2 miljoen) en met de ontvlechting en verzelfstandiging van de bedrijfsonderdelen van Arbeidsvoorziening (€ 248,2 miljoen).
De CWI-regeling kost minder dan oorspronkelijk is verwacht. Reden hiervoor is dat een groot deel van de kosten van vorming van CWI's al gedekt is uit de middelen die in het kader van de SWI-regeling in 1999–2000 aan gemeenten ter beschikking zijn gesteld. Dit verklaart tevens het bedrag aan terugontvangsten van € 10,1 miljoen. Deze ontvangsten hebben betrekking op de eindafrekening SWI, waarbij is gebleken dat de verstrekte subsidies de gemaakte kosten overtreffen.
Met betrekking tot de BVG-regeling is de constatering dat vooral in 2003 de vorming van BVG-en zal gaan versnellen. In 2002 zijn plannen van aanpak ingediend, die nu worden beoordeeld. De vorming van BVG-en en uitbetaling van de subsidie voor de vergoeding van inrichtingskosten zal vooral in 2003 plaatsvinden. In 2002 zijn slechts startsubsidies verstrekt. De realisatie 2002 is daarom € 14 miljoen lager uitgevallen.
De ICT-post heeft betrekking op de afwikkeling van declaraties van de Veranderorganisatie SUWI. Bij de opstelling van de begroting 2002 was met deze post geen rekening gehouden.
Het belang van een groeiparagraaf is gering gezien de beperkte horizon van dit artikel en de afname van de budgetten.
Artikel 97. Aflopende regelingen
97.1 Algemene beleidsdoelstelling
Voor de financiële afwikkeling en verantwoording van een aantal afgesloten regelingen is in de begroting een aparte voorziening getroffen. Het gaat hier uitsluitend om nadeclaraties of vergoedingen van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden.
97.2 Budgettaire gevolgen van beleid
| Artikel 97. Aflopende regelingen | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Ontwerp begroting | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 53 | 839 | 797 | 168 |
| Uitgaven | 8 917 | 2 980 | 1 032 | 803 |
| Apparaatsuitgaven | 0 | 0 | 30 | 168 |
| Personeel | 0 | 0 | 29 | 114 |
| Materieel | 0 | 0 | 1 | 54 |
| Programmauitgaven | 8 917 | 2 980 | 1 002 | 636 |
| Financiële afwikkeling afgesloten regelingen | 17 | 4 | 162 | 0 |
| Jeugdspaarwet | 8 741 | 2 141 | 0 | 454 |
| Regeling ex-mijnwerkers | 25 | 0 | 207 | 182 |
| Experimenten | 121 | 0 | 53 | 0 |
| Koopkrachtreparatie | 13 | 0 | 0 | 0 |
| Millenniumbijdragen | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Liquidatiewet invaliditeitswetten | 0 | 0 | 0 | 0 |
| IHS-banenpools | 0 | 835 | 580 | 0 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 1 321 | 0 |
Bron: SZW-administratie.
Het verschil tussen de realisatie en de raming van de uitgaven in de begroting 2002 is voornamelijk het gevolg van nabetalingen in het kader van de koopkrachtreparatie voor ex-banenpoolers met Individuele Huursubsidie (IHS) ad. € 0,6 miljoen, het ontbreken van de geraamde nabetalingen in 2002 op afrekeningen in het kader van de Jeugdspaarwet.
De ontvangsten van € 1,3 miljoen hebben voornamelijk betrekking op terugbetalingen of terugvorderingen op grond van gerechtelijke uitspraken en of bezwaar- en beroepsprocedures uit het verleden.
Op dit artikel worden apparaatuitgaven verantwoord die niet direct kunnen worden toegerekend aan één van de andere beleidsartikelen, naar de premiegefinancierde sector en naar Arbeidsverhoudingen. Ook worden op dit artikel de niet naar beleidsartikelen toe te rekenen programmauitgaven primair proces, subsidies, voorlichting, onderzoek en beleidsinformatie en handhaving verantwoord.
In de ontwerpbegroting 2002 is een eerste aanzet gedaan met de toedeling van apparaatuitgaven naar de beleidsartikelen. Aangegeven is dat de toedeling heeft plaatsgevonden op basis van een globale toedeling van de personeelsinzet naar de verschillende beleidsartikelen. In de toedeling van de personeelsinzet bij de diverse directies, die medio 2001 is opgesteld, is rekening gehouden met de oude organisatiestructuur (lees: inschatting over omvang, capaciteit en inzet van de directies vóór de herinrichting van het departement per 1 januari 2002). De toerekening van de realisaties is verwerkt op basis van de gerealiseerde bedragen van directies zoals die zijn geformeerd na de herinrichting van het departement per 1 januari 2002. In veel gevallen zijn de verhoudingen zo veranderd dat de confrontatie tussen toedeling en de uiteindelijke realisatie in bovenstaande tabel aanzienlijk verschillen te zien geeft.
| Tabel 98.1 Toedeling naar beleidsartikelen van het totale personele en materiële budget bij begroting 2002 en de realisatie (x € 1 000) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Beleidsartikel | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | ||||
| Pers. | Mat. | Totaal | Pers. | Mat. | Totaal | |
| 1. Basisdienstverlening Werk en Inkomen | 435 | 37 | 472 | 1 301 | 623 | 1 924 |
| 2. Stim. en kwaliteitsbevordering arbeidsaanbod | 4 072 | 212 | 4 284 | 2 976 | 1 425 | 4 402 |
| 3. Aanvullende werkgelegenheid | 545 | 37 | 582 | 974 | 466 | 1 440 |
| 4. Aangepast en begeleid werken | 555 | 37 | 592 | 425 | 204 | 629 |
| 5. Algemene inkomensgarantie op minimumniveau | 2 992 | 161 | 3 153 | 2 165 | 1 037 | 3 202 |
| 6. Inkomensgarantie voor jonggehandicapten | 92 | 5 | 97 | 123 | 59 | 181 |
| 7. Inkomensaanv. herkeurde arbeidsongeschikten | 18 | 1 | 19 | 108 | 52 | 160 |
| 8. Tijdelijke inkomensgarantie kunstenaars | 71 | 3 | 74 | 129 | 62 | 191 |
| 9. Tegemoetkoming in de kosten van kinderen | 92 | 5 | 97 | 890 | 427 | 1 317 |
| 10. Maatschappelijke participatie gehandicapten | 0 | 0 | 0 | 344 | 165 | 508 |
| 11. Bevordering comb. mogelijkh. arbeid en zorg | 170 | 10 | 180 | 1 495 | 716 | 2 211 |
| 12. Coördinatie emancipatiebeleid | 2 109 | 121 | 2 230 | 1 841 | 4 081 | 5 922 |
| 13. Verbetering arbeidsomstandigheden | 40 029 | 7 467 | 47 496 | 33 197 | 15 897 | 49 094 |
| 14. Tegemoetkoming asbestslachtoffers | 30 | 6 | 36 | 69 | 33 | 102 |
| 15. Rijksbijdrage sociale fondsen | 229 | 11 | 240 | 236 | 113 | 349 |
| 16. Rijksbijdrage AOW-spaarfonds | 36 | 2 | 38 | 149 | 72 | 221 |
| 17. Struct. uitvoeringsorganisatie werk & inkomen | 1 670 | 112 | 1 782 | 3 996 | 1 914 | 5 910 |
| 97. Aflopende regelingen | 29 | 1 | 30 | 113 | 54 | 168 |
| 98. Algemeen | 93 563 | 138 968 | 232 531 | 72 542 | 101 086 | 173 628 |
| 99. Nominaal en onvoorzien | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totaal apparaatuitgaven SZW | 146 737 | 147 196 | 293 933 | 123 073 | 128 486 | 251 559 |
Bron: SZW-administratie.
Onderstaand wordt een toelichting verstrekt bij de subartikelonderdelen «personeel», «materieel», «huisvesting», «automatisering» en «bijdrage moederdepartement aan Agentschap». Tevens wordt inzicht geboden in de apparaatuitgaven van de Arbeidsinspectie.
Ultimo 2002 bestond de gemiddelde formatie, inclusief de agentschappen en trainees, uit 3 064 formatieplaatsen (fte). De bezetting per 31 december 2002 bedroeg 2 907 fte. Het aantal vacatures per 31 december 2002 was 196 (6,4%).
Ten opzichte van 31 december 2001 (bezetting: 2 465) is de bezetting gestegen met 442 fte'en.
De gemiddelde bezetting over heel 2002 was 2 735 fte, 455 meer dan in 2001. De hogere bezetting is het gevolg van een grotere SZW-formatie. Dit betreft met name de Arbeidsinspectie (+45 fte), de SIOD (+247 fte) en het Agentschap IWI (CTSV-deel 175 fte).
In 2002 is in totaal € 130,3 miljoen uitgegeven aan salariskosten. Dit is inclusief € 3,2 miljoen uitgaven aan post-actieven, maar exclusief de uitgaven van de agentschappen.
Daarnaast is € 16,4 miljoen uitgegeven voor inhuur van personeel. Het inhuurbudget is voor het grootste deel besteed aan informatievoorziening/automatisering, organisatie-/formatieadviezen, beleidsonderzoek en uitzendkrachten. De inhuur van personeel kon worden gefinancierd uit vacatureruimte.
Onder de materieeluitgaven vallen de verzamelbudgetten «directiegebonden materieelbudgetten en centrale materiele voorzieningen», «huisvesting» en «automatisering». Het totaal van de materieeluitgaven in de ontwerpbegroting bedroeg € 128,5 miljoen. Gespecificeerd ziet het beeld er als volg uit:
| Tabel 98.2 Totaaloverzicht materieeluitgaven 2002 | |||
|---|---|---|---|
| Ontwerpbegroting | Stand Najaarsnota | Realisatie | |
| Materieel | € 49,3 mln | € 73,5 mln | € 71,2 mln |
| Huisvesting | € 47,2 mln | € 43,9 mln | € 43,6 mln |
| Automatisering | € 32,0 mln | € 35,6 mln | € 32,4 mln |
| Totaal | € 128,5 mln | € 153,0 mln | € 147,2 mln |
Bron: SZW-administratie.
Materieel (inclusief de bijdrage Moederdepartement a/h Agentschap IWI)
Gedurende de begrotingsuitvoering is het materieelbudget met € 24,2 miljoen verhoogd. De bijstellingen op het materieelbudget betreffen herschikkingen en/of toevoegingen voor het oplossen van knelpunten. De mutaties zijn voor een belangrijk deel het gevolg van de gewijzigde budgetverantwoordelijkheden als gevolg van de herinrichting van het departement per 1 januari 2002.
In de begroting 2002 was oorspronkelijk € 8,5 miljoen van het beschikbare huisvestingsbudget ad. € 43,9 miljoen, toegerekend aan beleidsartikelen; deze toerekening bleek om technische redenen niet mogelijk en het volledige bedrag is daarom weer toegevoegd aan het centrale huisvestingsbudget. De totale huisvestingsuitgaven in 2002 bedroegen € 43,6 miljoen.
Gedurende de begrotingsuitvoering is dit automatiseringsbudget met € 3,6 miljoen verhoogd voor desalderingen ad. € 1,5 miljoen en voor herschikkingen en overige mutaties voornamelijk voor het oplossen van knelpunten € 2,1 miljoen. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget voor automatiseringsuitgaven bedroeg circa € 35,6 miljoen. De realisatie van € 32,4 miljoen geeft dan ook ten opzichte van die stand een onderuitputting te zien van € 3,2 miljoen (circa 9%).
De gerealiseerde onderuitputting is enerzijds het gevolg van kleine verschuivingen in planning en het niet tijdig meer kunnen verwerken van ontvangen facturen van leveranciers in de administratie (per saldo € 0,5 miljoen). Anderzijds is de onderuitputting het gevolg van een vertraging in de planning van ICT-projecten (ad. € 2,7 miljoen) die ondersteunend zijn aan de uitvoering van de Abw, voortvloeiend uit de invulling van het Strategisch akkoord.
Bij het opstellen van de SZW-begroting is de Arbeidsinspectie uitgegaan van een budget van € 46,7 miljoen. Het uiteindelijk beschikbare budget (voor personeel, materieel en huisvesting) voor 2002 is vastgesteld op € 51,7 miljoen. De uiteindelijke realisatie bedraagt € 52,0 miljoen. In onderstaande tabel is de verdeling per productgroep weergegeven voor de oorspronkelijke begroting en de realisatie.
| Tabel 98.3 Toerekening aan producten van de personele, materiële en huisvestingskosten; Begroting en Realisatie 2002. | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Product | Realisatie 2002 | Begroting 2002 | ||||
| Aantal | % v/d cap. | Uitgaven (x € 1 000) | Aantal | % v/d cap. | Uitgaven (x € 1 000) | |
| 1. Arbo projecten | 13 929 | 34,4 | 17 938 | 13 987 | 34,1 | 16 391 |
| 2. Klachtbehandeling | 2 167 | 7,7 | 4 007 | 2 246 | 8,0 | 3 754 |
| 3. Ongevalsbehandeling | 2 481 | 17,1 | 8 921 | 2 425 | 15,8 | 7 404 |
| 4. Overige signalen | 1 506 | 5,6 | 2 912 | 989 | 3,7 | 1 731 |
| 5. Monitor | 2 770 | 7,5 | 3 881 | 1 882 | 6,9 | 3 219 |
| 6. Arbeidsmarkt | 3 737 | 16,3 | 8 508 | 4 069 | 17,3 | 8 102 |
| 7. Arbeidstijdenwet (ATW) | 1 263 | 3,0 | 1 544 | 1 554 | 3,6 | 1 736 |
| 8. Major Hazard Control | 118 | 4,2 | 2 166 | 165 | 4,3 | 2 001 |
| 9. Collectieve Arbeidsvoorwaarden | 980 | 2,1 | 1 100 | 1 100 | 2,9 | 1 271 |
| 10. Beschikkingen en vergunningen | 551 | 2,1 | 1 100 | 640 | 3,5 | 1 137 |
| Totaal | 100 | 100 | ||||
| Totaal uitgaven (P+M) | 52 077 | 46 745 | ||||
Bron: SZW-administratie / Arbeidsinspectie.
De gerealiseerde Personele en Materiële uitgaven bij de Arbeidsinspectie zijn om een aantal redenen€ 5,3 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd. In de begroting 2002 was nog niet besloten over toekenning van extra kosten van € 1,9 miljoen bestemd was voor wervings en opleidingskosten voor WAV-inspecteurs en voor introductieopleidingen voor de instroom van 50 nieuwe Arbo-inspecteurs. Dit komt tot uiting in de overschrijdingen op de productgroepen Arbeidsmarkt van ca. € 0,4 miljoen en Arbo projecten van ca. € 1,5 miljoen.
Voorts laten met name de productgroepen «Ongevalsbehandeling», «Overige Signalen» een overschrijding van de oorspronkelijke begroting zien (resp. € 1,5 miljoen en 1,2 miljoen). De productgroep «Ongevalsbehandeling» heeft meer capaciteit gekost dan begroot als gevolg van de behandeling van een aantal extra complexe ongevallen. Voor wat betreft «Overige Signalen» wordt dit veroorzaakt door de nasleep van in 2001 ingediende aanvragen tot Werktijdverkorting (WTV) uit hoofde van de MKZ-crisis en de aanslagen op 11 september. Deze aanvragen zijn, nadat in veel gevallen de WTV-periode is verlengd, pas in 2002 tot afsluiting gekomen en hebben daarom extra capaciteit gekost die niet was begroot. Ten slotte is voor de productgroep «Monitor» besloten een omvangrijk Arbeidsvoorwaarden onderzoek inclusief extra onderzoek op de toepassing van de Wet Minimum Loon (WML) uit te voeren. Daarvoor is zowel meer interne capaciteit ingezet als extra externe capaciteit ingehuurd, die tot een overschrijding van € 0,6 miljoen heeft geleid.
De Inspectie Werk en Inkomen (IWI) is ontstaan uit de directie Toezicht van het Ministerie van SZW en het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (Ctsv). Aan de IWI is de status van tijdelijke baten-lastendienst toegekend voor de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2005 (Instelling tijdelijk Baten-lastendienst Inspectie Werk en Inkomen, 20 december 2001, TZ/PT/2001/87072). In deze periode zal projectmatig gewerkt worden aan het voldoen aan de instellingseisen voor baten-lastendiensten ter verkrijging van de definitieve status van baten-lastendienst per 1 januari 2005.
De Inspectie heeft als wettelijke taak het toezicht op de rechtmatigheid en de doelmatigheid, inclusief doeltreffendheid, van de uitvoering van wettelijke taken door UWV, CWI, SVB, RWI en gemeenten. Voorts houdt de inspectie toezicht op rechtmatigheid en doelmatigheid van de wijze waarop genoemde organen met elkaar samenwerken. De wettelijke taak van de Inspectie impliceert tevens toezicht houden op de rechtmatige en doelmatige besteding van publieke reïntegratiemiddelen door publieke opdrachtgevers UWV/Gemeenten. Daarnaast is voorzien in de mogelijkheid dat bij, of krachtens een andere wet aan de Inspectie taken worden opgedragen. Tenslotte bestaat de mogelijkheid dat medewerkers van de Inspectie via interne afspraken worden ingezet ten behoeve van andere werkzaamheden van het departement. In hoofdstuk 9 Toezichtsrelaties worden de taken, het beleid en de producten 2002 van het IWI toegelicht.
Op dit artikel 98 wordt de bijdrage van het moederdepartement de baten- en lastendienst IWI i.o. verantwoord. De IWI heeft in 2002, conform begroting 2002, € 36,643 miljoen van het moederdepartement ontvangen voor zijn toezichtsactiviteiten. Een uitgebreid overzicht van de baten, lasten en kasstromen van de IWI is opgenomen in de paragraaf over de baten-lastendiensten.
98.3 Programmauitgaven op artikel 98
De programmauitgaven op dit artikel zijn primair proces, subsidies, voorlichting, onderzoek en beleidsinformatie en handhaving. Delen van deze beleidsuitgaven zijn toegerekend naar beleidsartikelen en zijn daar verantwoord. Voor het behoud van een totaaloverzicht per uitgavencategorie wordt hier inzicht worden geboden in de totale omvang van de uitgaven.
| Tabel 98.4 Toedeling kasbedragen primair proces naar de beleidsartikelen 2000–2002 | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie 2000 | Realisatie 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 |
| Totaal | 4 100 | 4 828 | 5 259 | 1 826 |
| 12. Coördinatie emancipatiebeleid | 0 | 0 | 2 733 | 0 |
| 98. Algemeen | 4 100 | 4 828 | 2 526 | 1 826 |
Bron: SZW-administratie.
Gedurende de begrotingsuitvoering is het budget voor de bekostiging van Primaire processen met € 7,5 miljoen verhoogd. De verhoging is tot stand gebracht door middel van herschikkingen binnen de bestaande budgetten en waren het gevolg van de wijzigingen in de budgetverantwoordelijkheden na de herinrichting van het departement. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget bedroeg € 9,3 miljoen. Ten tijde van de Najaarsnota is abusievelijk verzuimd het budget te verlagen, waardoor de gerealiseerde onderuitputting ad € 4,0 miljoen qua omvang aanzienlijk is uitgevallen.
| Tabel 98.5 Toedeling kasbedragen voorlichting naar de beleidsartikelen 2000 – 2002 | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie 2000 | Realisatie 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 |
| Totaal | 4 988 | 7 696 | 7 304 | 6 447 |
| 12. Coördinatie emancipatiebeleid | 0 | 0 | 365 | 1 134 |
| 98. Algemeen | 4 988 | 7 696 | 6 939 | 5 313 |
Bron: SZW-administratie.
Het voorlichtingbudget is gedurende de begrotingsuitvoering met € 1,8 miljoen verhoogd. De verhoging is tot stand gebracht door middel van toevoeging uit de Eindejaarsmarge en herschikkingen binnen de bestaande budgetten. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget bedroeg € 8,3 miljoen. De gerealiseerde onderuitputting op het voorlichtingsbudget ten opzichte van de Najaarsnota wordt ondermeer veroorzaakt door het feit dat geplande voorlichtingsactiviteiten voor maatregelen waarvan de invoering per 1/1/2003 was voorzien niet zijn doorgegaan als gevolg van nieuw beleid voortvloeiende uit het Strategisch Akkoord. Daarnaast is er vertraging opgetreden in de uitvoering van enkele projecten.
In figuur 98.1 is op hoofdlijnen aangegeven hoe het voorlichtingsgeld in 2002 is verdeeld.
Grafiek 98.1: Verdeling van de uitgaven voor voorlichting
over beleidsterreinen in 2002
Bron: SZW-administratie.
De Informatietelefoon van het ministerie van SZW en de Postbus-51-infolijn hebben in 2002 gezamenlijk ruim 131 000 telefonische vragen op het beleidsterrein van SZW afgehandeld. Daarnaast zijn er 12 350 schriftelijke vragen (e-mail en brief) afgehandeld. Door het verzendhuis zijn 67 000 bestellingen uitgevoerd.
Gemiddeld wordt de Internetsite 130 000 maal per maand op www.minszw.nl geraadpleegd (dit zijn 62000 bezoekers)1.
Onderzoek en beleidsinformatie
| Tabel 98.6 Toedeling kasbedragen onderzoek en beleidsinformatie naar de beleidsartikelen 2000 – 2002 | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie 2000 | Realisatie 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 |
| Totaal | 13 338 | 12 314 | 13 411 | 12 729 |
| 2. Stimulering en kwal. Bevordering arbeidsaanbod | 0 | 0 | 1 132 | 1 248 |
| 11. Bevordering van comb. mogelijkh. Arbeid en zorg | 0 | 0 | 249 | 0 |
| 12. Coördinatie emancipatiebeleid | 0 | 0 | 628 | 0 |
| 98. Algemeen | 13 388 | 12 314 | 11 402 | 11 481 |
Bron: SZW-administratie.
Gedurende de begrotingsuitvoering is het onderzoeksbudget met € 2,8 miljoen verhoogd. De verhoging is tot stand gebracht door middel van herschikkingen binnen de bestaande budgetten en uit de Eindejaarsmarge. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget bedroeg € 15,6 miljoen. De gerealiseerde onderuitputting op het onderzoeksbudget ten opzichte van de Najaarsnota bedraagt ca € 1,2 miljoen. Vertraging bij de indiening van einddeclaraties en omdat er minder projecten zijn afgerond zijn de belangrijkste oorzaken van deze onderuitputting.
| Tabel 98.7 Toedeling kasbedragen subsidies naar de beleidsartikelen 2000 – 2002 | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie 2000 | Realisatie 2001 | Realisatie 2002 | Begroting 2002 |
| Totaal | 14 393 | 13 321 | 11 069 | 20 631 |
| 2. Stimulering en kwal. Bevordering arbeidsaanbod | 0 | 0 | 6 488 | 5 298 |
| 5. Alg. inkomensgarantie op minimumniveau | 0 | 0 | 970 | 1 215 |
| 10. Maatschappelijke participatie gehandicapten | 0 | 0 | 0 | 1 406 |
| 13. Verbetering arbeidsomstandigheden | 0 | 754 | 2 522 | 2 666 |
| 97. Aflopende regelingen | 0 | 182 | 182 | 182 |
| 98. Algemeen | 14 393 | 12 385 | 907 | 9 864 |
Bron: SZW-administratie.
Het verschil ad. € 8,9 miljoen tussen stand ontwerpbegroting 2002 en de gerealiseerde uitgaven op artikel 98 is voornamelijk het gevolg van de overboeking van de middelen voor projecten in het kader van Communautaire Initiatief EQUAL. Deze middelen ad. € 6,8 miljoen zijn medio 2002 structureel overgeboekt naar beleidsartikel 2, waar de uitgaven van het Agentschap SZW – onder meer belast met de uitvoering van het Communautaire Initiatief EQUAL – worden verantwoord. Vanwege het karakter van deze uitgaven zijn ze in dit jaarverslag niet als reguliere SZW-subsidies geoormerkt.
Handhaving en kwaliteitsverbetering uitvoering
In bijlage 2: M&O-beleid wordt inzicht gegeven in de budgettaire kanten van het handhavingsbeleid.
Afgeronde evaluatieonderzoeken in 2002 die niet aan een begrotingsartikel zijn toe te wijzen
Evaluatie Europese werkgelegenheidsstrategie
Doelstelling
Bepalen wat het belang is geweest van de Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS) voor het Nederlandse sociaal-economische beleid, in het bijzonder het werkgelegenheidsbeleid. Verder is onderzocht hoe effectief Nederlandse beleidsmaatregelen op deze terreinen hebben bijgedragen aan het bereiken van de Europese doelstellingen.
Conclusie
De EWS heeft bijgedragen aan een meer geïntegreerde aanpak; het heeft vooral de aandacht gericht op de sluitende aanpak, op langdurige werkloosheid en op arbeidsparticipatie van ouderen en vrouwen.
Bevoegdheden, faciliteiten, informatievoorziening en netwerk van ondernemingsraden
Doelstelling
In kaart brengen van de mate waarin de ondernemingsraden daadwerkelijk toegang krijgen tot en gebruik maken van wettelijk toegekende faciliteiten, bevoegdheden en informatierechten en hoe het netwerk van de ondernemingsraad diens functioneren beïnvloedt.
Conclusies
Ondernemingsraden zijn grotendeels tevreden over de verkregen faciliteiten, hebben bij de bevoegdheden soms last van gebrek aan tijd en kennis en hebben ook wat kritiek op tijdigheid van de informatie. De relatie met de bestuurder speelt hierbij een rol, zeker als het gaat om de uitoefening van bevoegdheden en de tijdigheid van de informatie. De achterban is volgens de ondernemingsraden vaak weinig geïnteresseerd, tenzij onderwerpen spelen waarbij hun belangen rechtstreeks geraakt worden.
Onderzoek is betrokken bij kabinetsstandpunt evaluatie Wet op de ondernemingsraden dat de Kamer in februari 2003 is aangeboden.
Rapportage
«De faciliteiten, bevoegdheden en informatievoorziening van OR-en en het effect van het netwerk op het functioneren van de OR», Elsevier, augustus 2002.
Evaluatie Wet Flexibiliteit en Zekerheid
Doelstelling
Wat zijn de (ervaren) effecten van de wet Flexibiliteit en Zekerheid in de praktijk voor uitzendwerkgevers, werkgevers, flexwerkers en uitvoeringsinstellingen in zowel kwalitatieve als kwantitatieve zin?
Conclusie
Met de Wet flexibiliteit en zekerheid is er meer ruimte gekomen voor de flexibele inzet van arbeid. De krapte op de arbeidsmarkt heeft het feitelijke gebruik van mogelijkheden die de wet biedt beperkt. De meeste werkgevers geven er de voorkeur aan flexibiliteit in hun organisatie te realiseren via overwerk en wisselende arbeidstijden van vast personeel. Voor zover werkgevers gebruik maken van de verruimde mogelijkheden voor flexibele arbeid sluiten zij vooral opeenvolgende tijdelijke contracten af. Werknemers die flexibel willen of moeten werken, hebben als gevolg van de wet duidelijkere contracten gekregen, maar niet altijd automatisch een vast contract.
Het onderzoek is in mei 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het kabinet heeft de onderzoeksbevindingen voor een reactie voorgelegd aan de Stichting van de Arbeid. De reactie van de Stichting van de Arbeid zal worden betrokken bij het opstellen van een kabinetsstandpunt.
Rapportage
«Flexibiliteit en zekerheid: effecten en doeltreffendheid van de Wet flexibiliteit en zekerheid», Elsevier, mei 2002.
Medezeggenschap in kleine ondernemingen
Doelstelling
Effect nagaan van het verhogen van de instellingsgrens voor ondernemingsraden van 35 naar 50 werknemers. In kaart brengen van het functioneren van de personeelsvertegenwoordiging.
Conclusies
In de meeste gevallen is in de bedrijven met 35 tot 50 werknemers de ondernemingsraad blijven bestaan, al is dit niet meer wettelijk verplicht. De personeelsvertegenwoordiging functioneert niet op de wijze die de wet voorschrijft, maar de betrokkenen geven over het algemeen aan dat de medezeggenschap wel goed functioneert.
Onderzoek is betrokken bij kabinetsstandpunt evaluatie Wet op de ondernemingsraden dat de Kamer in februari 2003 is aangeboden.
Rapportage
«Medezeggenschap in kleine ondernemingen», Elsevier, augustus 2002.
Naleving Wet op de ondernemingsraden
Doelstelling
Meting van de mate van naleving van de WOR (vanaf 10 werknemers: personeelsvergadering of personeelsvertegenwoordiging en vanaf 50 werknemers: ondernemingsraad) onderzoeken, met onderscheid naar sectoren. Redenen voor al dan niet instellen/opheffen OR. Onderzoek is uitgevoerd ter controle van een in 2001 uitgevoerd onderzoek, waarvan de uitkomsten door het gebruik van andere onderzoeksmethoden afweken van de resultaten van eerdere onderzoeken.
Conclusies
Uit het onderzoek blijkt dat de plicht tot instelling van een ondernemingsraad in 70 procent van de gevallen wordt nageleefd. Het nalevingspercentage ligt lager dan op grond van eerdere onderzoeken werd aangenomen.
Onderzoek is betrokken bij kabinetsstandpunt evaluatie Wet op de ondernemingsraden dat de Kamer in februari 2003 is aangeboden.
Rapportage
«Naleving van de Wet op de ondernemingsraden; Stand van zaken 2002», Elsevier, oktober 2002.
Actualisering geslachtsbepaalde beroepsactiviteiten
Doelstelling
Actualisering van de in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en het Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn opgenomen uitzonderingen op het verbod tot het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen in het arbeidsproces.
Conclusies
Uit het onderzoek blijkt dat de meeste uitzonderingen nog steeds actueel zijn. Ook worden de meeste uitzonderingen in overeenstemming geacht met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG.
De conclusies van het onderzoek worden betrokken bij de formulering van het kabinetsstandpunt. Het rapport zal de Kamer tesamen met het kabinetsstandpunt worden aangeboden.
Rapportage
«Een bepaald geslacht; Een onderzoek naar regelgeving in zake beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend is», Elsevier, augustus 2002.
98.4 Budgettaire gevolgen van beleid
In bovenstaande tabellen is zichtbaar gemaakt welke delen van de budgetten zijn toegerekend aan de beleidsartikelen. Onderstaand overzicht biedt inzicht in het totaal van de budgetten die niet zijn toebedeeld en dus op het artikel Algemeen zijn begroot en verantwoord.
| Artikel 98. Algemeen | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 259 130 | 306 807 | 228 402 | 213 408 |
| Uitgaven | 235 106 | 274 153 | 259 310 | 242 852 |
| Apparaatsuitgaven | 180 325 | 212 925 | 232 528 | 191 778 |
| Personeel | 120 991 | 135 817 | 93 563 | 72 541 |
| Materieel | 24 200 | 32 027 | 26 312 | 30 414 |
| Huisvesting | 19 000 | 22 753 | 43 639 | 38 705 |
| Automatisering | 16 134 | 22 328 | 32 371 | 31 967 |
| Bijdrage moederdepartement aan IWI | – | – | 36 643 | 18 151 |
| Programmauitgaven | 54 781 | 61 228 | 26 782 | 51 074 |
| Primair proces | 4 100 | 4 828 | 2 526 | 1 826 |
| Onderzoek & beleidsinformatie | 13 338 | 12 314 | 11 402 | 11 482 |
| Voorlichting | 4 988 | 7 696 | 6 939 | 5 313 |
| Subsidies | 14 393 | 12 385 | 907 | 9 864 |
| Handhaving | 17 962 | 24 005 | 5 008 | 22 588 |
| Ontvangsten | 3 697 | 3 455 | 7 616 | 726 |
Bron: SZW-administratie.
In 2002 was voor het eerst sprake van toedeling van de apparaatuitgaven aan de beleidsartikelen. De methodiek van toerekening van apparaatuitgaven zal in de komende jaren verder worden verfijnd.
Artikel 99. Nominaal en onvoorzien
Op dit artikel worden de uitgaven geparkeerd voor onvoorziene uitgaven, loon- en prijsbijstelling.
De beschikbaar gestelde middelen voor de loon- en prijsontwikkelingen zijn gedurende de begrotingsuitvoering 2002 naar de in aanmerking komende begrotingsartikelen overgeboekt.
99.2 Budgettaire gevolgen van beleid
| Artikel 99. Nominaal en onvoorzien | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Ontwerp begroting | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | |
| Uitgaven | 0 | 0 | 0 | 2 292 |
| Onvoorzien | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Loonbijstelling | 0 | 0 | 0 | 301 |
| Prijsbijstelling | 0 | 0 | 0 | 1 992 |
Bron: SZW-administratie.
7. PREMIEGEFINANCIERDE SOCIALE ZEKERHEIDSUITGAVEN
Om de taakuitvoering van de drie SUWI-zbo's CWI, UWV en Svb, mogelijk te maken is voor elke uitvoeringsorganisatie een budget vastgesteld. Wat betreft het CWI, waarvan de kosten geheel worden gefinancierd uit de rijksbegroting, staat dit budget geboekt op beleidsartikel 1 «Basisdienstverlening Werk en Inkomen». De uitvoeringskosten van UWV en Svb worden voor het grootste deel gefinancierd door middel van premies en voor een kleiner deel uit de rijksbegroting.
Het budget uitvoeringskosten UWV in de Rijksbegroting 2002 is € 1695 miljoen. Ten tijde van het opstellen van de begroting SZW 2002 waren de besprekingen over het budget UWV nog gaande. Het budget uitvoeringskosten UWV is uiteindelijk vastgesteld op € 1 771 miljoen (waarvan € 1 564 miljoen reguliere kosten en € 207 miljoen migratie- en transformatiekosten). Daarnaast is voor handhavingsactiviteiten een subsidie van € 10 miljoen verstrekt. Het uiteindelijke budget UWV is derhalve ruim € 85 miljoen hoger dan in eerste instantie begroot. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat de reguliere uitvoeringskosten zijn verlaagd en er een opslag voor incidentele kosten, waaronder migratie- en transformatiegelden, heeft plaatsgevonden. De Tweede Kamer is bij de Tussenrapportage SUWI (april 2002) geïnformeerd over het vastgestelde budget. Deze kosten worden gefinancierd voor ongeveer 97% door middel van premies en voor een beperkt deel, te weten 3%, vanuit de begroting.
Bovenstaande discrepantie tussen begroting en budget is één van de oorzaken van het verschil tussen het budget uitvoeringskosten UWV van € 1 695 miljoen en de door het UWV gerealiseerde uitvoeringskosten 2002 van € 1 728 miljoen. De realisatiecijfers 2002 laten een onderschrijding zien ten opzichte van het toegezegde budget van € 1 781 miljoen. Dit aangezien tijdens het boekjaar een meevaller is geboekt van € 91 miljoen vanwege onderuitputting op het budget migratie- en transformatiekosten 2002, samenhangend met een verschuiving van kosten naar 2003. De reguliere kosten zijn ten opzichte van het oorspronkelijke budget € 38 miljoen hoger uitgevallen. Daarnaast zijn de mutaties in 2002 een gevolg van een vereenvoudiging van de toerekeningssystematiek voor de niet direct toewijsbare kosten. Deze nieuwe verdeelregels hebben geen effect op de totale uitvoeringskosten, maar leiden tot soms niet onaanzienlijke verschuivingen tussen fondsen.
De begrotingsgefinancierde regelingen TW, Wajong en Bia bevinden zich in beleidsartikel 5, beleidsartikel 6 en beleidsartikel 7. De gegevens over de premiegefinancierde regelingen, te weten de WW, de ZW, de WAO, de WAZ en de REA, zijn vermeld in hoofdstuk 7 «Premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven» in respectievelijk premieartikel 1, premieartikel 2 en premieartikel 3.
Het uitvoeringsbudget 2002 voor de Sociale Verzekeringsbank (Svb) bedroeg € 217,2 miljoen, waarvan € 215,0 miljoen gefinancierd door SZW en € 2,2 miljoen door VWS (medische indicatiekosten TOG). De gerealiseerde uitvoeringkosten 2002 van de Svb ten laste van SZW bedragen € 213,9 miljoen. De Svb is daarmee binnen haar budget gebleven. De realisatie in dit departementaal jaarverslag wijkt hier licht van af, hetgeen te verklaren is uit kas-transactieverschillen.
De begrotingsgefinancierde regelingen AKW en TOG (beleidsartikel 9) en TAS (beleidsartikel 14) bevinden zich in hoofdstuk 5, de premiegefinancierde regelingen ANW (premieartikel 4) en AOW (premieartikel 5) bevinden zich in hoofdstuk 7.
Premieartikel 1 Inkomensgarantie bij werkloosheid
1.1 Algemene beleidsdoelstellingen
1. Het garanderen van een inkomen aan werkloze werknemers
2. Het beperken van vermijdbaar beroep op de WW
3. Het bevorderen van de arbeidsdeelname van werkloze werknemers
De WW verzekert werknemers die – niet door eigen toedoen – werkloos worden, van een zelfstandige en individuele uitkering. Oneigenlijk gebruik van de WW wordt via verschillende wegen tegengegaan. SZW richt zich op handhaving van de regelgeving waarbij misbruik en oneigenlijk gebruik moet worden voorkomen. Het voorkomen van overtredingen en fraude (preventie) is de primaire doelstelling. Daartoe worden controlemiddelen ingezet, vindt opsporing plaats en worden overtredingen en fraude afgedaan door middel van sanctie-oplegging (boetes en gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering) en terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen of te weinig betaalde premies. WW-gerechtigden die er niet op eigen kracht in slagen om vervangende arbeid te vinden, ontvangen een aanbod van werk of scholing .
De begroting 2002 legt veel nadruk op het belang van een vergroting van het arbeidsaanbod. Een specifiek aandachtspunt daarbij is de geringe arbeidsdeelname van ouderen. In 2002 zijn maatregelen in gang gezet en verder uitgewerkt om de uittreding van oudere werknemers via de WW tegen te gaan. Het gaat daarbij om de invoering van een bijdrage van de individuele werkgever in de WW-lasten van oudere werknemers, een heroverweging van de vrijstelling voor werkloze werknemers vanaf 57½ jaar van de sollicitatieplicht en een moeilijker toegang tot de WW voor werknemers die zich niet actief hebben verzet tegen hun ontslag (de poortwachterfunctie).
1.2 Operationele doelstellingen
1. Het verstrekken van WW-uitkeringen aan werkloze werknemers
2. Het terugdringen van het beroep op WW door onder meer oudere werknemers
3. Het bevorderen van de reïntegratie van WW-gerechtigden
4. Het versterken van de poortwachtersfunctie van de WW
5. Het bevorderen dat mensen die in aanmerking komen voor een WW-uitkering, ermee bekend zijn dat zij recht hebben op deze uitkering en er gebruik van kunnen maken
6. Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
Het verstrekken van WW-uitkeringen aan werkloze werknemers
In 2002 is de omslag van de conjunctuur voor het eerst zichtbaar in de realisatiecijfers WW. Het gemiddeld aantal lopende uitkeringen over de laatste 12 maanden bereikte een dieptepunt in de maand april 2002. Daarna is dit aantal langzaam maar gestaag gestegen. Ultimo 2002 werden 205 000 WW-uitkeringen verstrekt aan 195 000 werknemers1. Op grond van de WW is in 2002 in totaal € 3 645 miljoen uitgegeven. In tabel 1.3 is dit bedrag gesplitst in uitkeringslasten, uitvoeringskosten, kosten voor de reïntegratie van ontslagwerklozen en overige kosten.
Het terugdringen van het beroep op WW door onder meer oudere werknemers
De toename van de arbeidsdeelname van ouderen vergt maatregelen die het uittreden via de WW onaantrekkelijk maken. Hiertoe zijn in de begroting voor 2002 diverse maatregelen aangekondigd. Het gaat hierbij om:
• heroverweging van de vrijstelling van de sollicitatieplicht van werkloze werknemers vanaf 57½ jaar
• invoering van een werkgeversbijdrage voor werkgevers bij de instroom in de WW van werknemers vanaf 57½ jaar
In tabel 1.3 zijn stroom- en standcijfers over 57½-plussers in de WW opgenomen. Hieruit blijkt dat oudere werknemers nog steeds zijn oververtegenwoordigd in het WW-bestand, maar wel een aanzienlijk kleiner deel van het WW-bestand vormen dan in 2001. Uit deze ontwikkeling blijkt vooral de mindere conjunctuurgevoeligheid onder oudere werknemers. Daar waar het totale WW-bestand in de loop van 2002 flink is gegroeid, is het aantal 57½-plussers in de WW in hetzelfde jaar min of meer gelijk gebleven. Dit resulteert dus een kleiner aandeel 57½-plussers in het gehele bestand. Ook in de WW-instroom zijn de ouderen oververtegenwoordigd. De in de begroting 2002 aangekondigde maatregelen zijn in 2002 wel gereedgemaakt voor behandeling, maar nog niet geïmplementeerd.
In 2002 heeft een heroverweging plaatsgevonden van de vrijstelling van werknemers vanaf 57½ jaar van de sollicitatieplicht. Uit diverse onderzoeken1 is gebleken dat de kansen voor ouderen op de arbeidsmarkt de laatste jaren verbeterd zijn. Uit een onderzoek van het toenmalige Lisv2 is gebleken dat de werkhervattingskans van ouderen zonder sollicitatieplicht (van 57,5 tot 58,5 jaar) ongeveer de helft is van deze kans bij ouderen met sollicitatieplicht (van 55,5 tot 57,5 jaar). De conclusie luidt dat de vrijstelling zelf een negatief effect heeft op de kans om wegens werkhervatting uit te stromen uit de WW.
In april 2002 heeft de Raad voor Werk en Inkomen (RWI) zich uitgesproken over de sollicitatieplicht voor oudere werklozen. De RWI heeft verschillende opties aangegeven die onder meer afhankelijk zijn van de uitkomsten van het onderzoek van het kabinet naar de arbeidsmarktpositie van ouderen. Een volgens de RWI realistische tussenvariant zou een tijdelijke sollicitatieplicht na instroom in de uitkering kunnen zijn. In het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het RWI advies is over de herinvoering van de sollicitatieplicht vermeld dat in het SA is bepaald dat de sollicitatieplicht voor 57,5 jarigen weer zal worden ingevoerd. De door de RWI voorgestelde modaliteit is mogelijk een pragmatische nadere invulling daarvan, die op uitvoeringstechnische aspecten moet worden bezien. Over uitvoeringsaspecten is overleg gevoerd met UWV, CWI en VNG.
In de begroting 2002 is aangekondigd dat in de loop van 2002 een wettelijke werkgeversbijdrage zou worden ingevoerd in de WW-lasten van werknemers die werkloos worden op of na 57½ jaar. De invoering van een wettelijke werkgeversbijdrage is in 2002 verder voorbereid. In het najaarsoverleg 2002 hebben het kabinet en sociale partners geconstateerd dat in 2003 verder gesproken zou moeten worden over het arbeidsmarktinstrumentarium, waaronder de wettelijke werkgeversbijdrage voor werknemers die werkloos worden op of na 57½ jaar en de sollicitatieplicht voor werklozen van 57½ jaar en ouder.
Het bevorderen van de reïntegratie van WW-gerechtigden
WW-gerechtigden die niet in staat zijn zelf de weg naar de arbeidsmarkt te vinden, krijgen een traject of instrument aangeboden dat gericht is op het verkleinen of opheffen van de afstand tot de arbeidsmarkt. De trajecten worden aanbesteed door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) op basis van de door SWZ ontwikkelde wet- en regelgeving.
In de begroting 2002 is geraamd dat er in 2002 19 000 reïntegratietrajecten nodig zijn; 40% van de gestarte trajecten moet leiden tot een duurzame arbeidsinpassing. Het contractjaar 2002 loopt van 1 april 2002 tot 1 april 2003. De trajecten kunnen een doorlooptijd hebben van 2 jaar. Dat betekent dat over de definitieve resultaten van deze trajecten niet eerder dan in april 2005 gerapporteerd kan worden. De verantwoordingsinformatie zal derhalve met twee jaar vertraging gepubliceerd worden. In dit jaarverslag wordt een tussenstand gepubliceerd van trajecten uit contractjaar 2001. Het contractjaar 2001 liep van 1 januari 2001 tot 1 april 2002.
| Tabel 1.1 Overzicht reïntegratietrajecten | |
|---|---|
| Omschrijving | Tussenstand 2001 |
| 1. Inkoop trajecten | 20 716 |
| 2. Aantal gestarte trajecten | 16 867 |
| 3. Aantal niet in traject | 3 849 |
| 4. Lopende trajecten | 7 574 |
| 5. Beëindigde trajecten | 9 293 |
| 6. Beëindiging met plaatsing | 5 260 |
| 7. Niet-plaatsing | 4 033 |
| 8. Plaatsingen in percentage van gestarte trajecten | 31% |
Bron: kwartaalverslag 4e kwartaal 2002 UWV.
In 2001 is voor ruim 20 000 werklozen een traject ingekocht. Van de 20 000 ingekochte trajecten zijn er in 2001 daadwerkelijk 16 867 gestart. Dat betekent dat 3 849 cliënten geen gebruik hebben gemaakt van het aanbod. Deze cliënten hebben inmiddels zelf werk gevonden of zijn ziek geworden. Van de 16 867 gestarte trajecten hebben er 5 260 geleid tot duurzame plaatsing. Bij 4 033 cliënten heeft het traject niet tot plaatsing geleid. Het saldo van 7 574 trajecten is nog niet afgerond en kan nog leiden tot arbeidsinpassing.
De reïntegratiebedrijven hebben aangeven dat zij de doelstellingen, die zij in hun offertes hebben aangegeven, zullen halen. Inmiddels heeft 31% van de gestarte trajecten uit het contractjaar 2001 tot een duurzame plaatsing geleid. Aangezien nog een groot gedeelte van de trajecten van contractjaar 2001 lopend is, wordt verwacht dat het plaatsingspercentage het normpercentage van 40% zal halen.
Het streven is dat iedere nieuwe WW'er binnen 12 maanden ofwel is uitgestroomd, ofwel een aanbod voor een traject krijgt. Deze doelstelling is voor de WW-instroom in de periode van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 bijna bereikt. Van de gehele WW-instroom in deze periode is 93% binnen een jaar weer uitgestroomd of in een traject geplaatst.
Het versterken van de poortwachtersfunctie van de WW
Het toenmalige Ctsv heeft in 2001 bij een onderzoek naar reorganisatieontslagen geconstateerd dat de uitvoeringsrichtlijn om in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen, een onderzoek te doen naar de aard van de werkloosheid, in de praktijk niet werd nageleefd. In gevallen waarin de dienstbetrekking was beëindigd zonder betrokkenheid van de regionaal directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (inmiddels CWI), werd zelden of nooit een onderzoek ingesteld naar de vraag of de werknemer het ontslag had kunnen voorkomen met een adequaat verweer tegen het ontslagvoornemen. Dit doet afbreuk aan de rechtmatigheid van de WW-uitvoering.
Naar aanleiding van de bevindingen en de aanbevelingen van het Ctsv heeft het toenmalige Lisv de uitvoeringsinstructies aangescherpt en aangekondigd in alle gevallen waarin daartoe aanleiding bestaat te zullen toetsen of de werknemer verwijtbaar werkloos is omdat hij zich niet of niet adequaat heeft verzet tegen zijn ontslag.
In 2002 is gebleken dat het UWV er niet in is geslaagd laatstgenoemd voornemen te realiseren. De reden daarvoor is dat het UWV de expertise mist om in deze gevallen achteraf de juiste toedracht te achterhalen en om vast te stellen of er enige mate van verwijtbaarheid is. Het UWV dient in dit verband vast te stellen of het ontslag van de werknemer(s) bedrijfseconomisch gezien noodzakelijk was en, zo ja, of de betrokken werknemer in het licht van de beginselen van het BBA – anciënniteits- en/of afspiegelingsbeginsel – voor ontslag in aanmerking had moeten komen. UWV mist de expertise om deze bedrijfseconomische beoordeling te doen. Aan SZW is voorgesteld om het UWV in staat te stellen de benodigde expertise in te kopen bij de CWI.
Het bevorderen dat mensen die in aanmerking komen voor een WW-uitkering, ermee bekend zijn dat zij recht hebben op deze uitkering en er gebruik van kunnen maken
Bij de evaluatie van de Wet Flexibiliteit en zekerheid in de tweede helft van 2001 is onderzocht in welke mate flexwerkers gebruik maken van hun rechten op sociale zekerheid. Flexwerkers blijken bij werkloosheid zelden een WW-uitkering te ontvangen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat zij geen WW-uitkering aanvragen; in mindere mate door een weigering van de uitkering vanwege een recht op loondoorbetaling.
Volgens de ondervraagde uitvoeringsinstellingen weten de flexwerkers in het algemeen wel wat hun rechten zijn, maar laten zij na deze uit te nutten. Dit wordt bevestigd door het onderzoek onder flexwerkers. Van de flexwerkers die geen uitkering hadden aangevraagd, gaf bijna een kwart aan dat men wist of verwachtte snel ander werk te vinden. Verder had 17% er geen behoefte aan en vond 7% van de flexwerkers het aanvragen van een werkloosheidsuitkering teveel rompslomp. 15% van de flexwerkers dacht er geen recht op te hebben en 39% had een onbekende reden om geen aanvraag in te dienen.
Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
SZW richt zich op handhaving van de regelgeving waarbij misbruik en oneigenlijk gebruik moet worden voorkomen. Het voorkomen van overtredingen en fraude (preventie) is de primaire doelstelling. Daartoe worden controlemiddelen ingezet, vindt opsporing plaats en worden overtredingen en fraude afgedaan door middel van sanctie-oplegging (boetes en gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering) en terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen of te weinig betaalde premies.
Bovenstaande indicatoren hebben betrekking op de gehele handhavingsketen van preventie, controle, opsporing en afdoening. Een deel van de indicatoren is bekend voor de WW.
| Tabel 1.2 Handhavingsketen WW | ||||
|---|---|---|---|---|
| onderdeel handhavings keten | WW kengetal | 2000 | 2001 | 2002* |
| opsporing | aantal geconstateerde fraudes | 11 128 | 9 494 | 8 760 |
| totaal fraudebedrag (x € 1 mln) | 8,4 | 8,5 | 8,6 | |
| gemiddeld fraudebedrag (x € 1) | 756 | 895 | 982 | |
| afdoening | aantal waarschuwingen | 40 987 | 42004 | Nb |
| aantal maatregelen | 69 704 | 69 542 | 83 000 | |
| aantal boeten | 8 808 | 7 193 | 5 600 | |
| aantal aangiftes | 354 | 207 | 150 | |
* Raming UWV.
Bron: Kwartaalverslag UWV 4e kwartaal 2002.
Het aantal geconstateerde fraudegevallen is in 2002 verder gedaald, terwijl het totale fraudebedrag ongeveer gelijk is gebleven. Het gemiddelde fraudebedrag stijgt net als in 2001. Er worden dus minder maar wel grotere fraudezaken geconstateerd. Dit duidt op intensievere aandacht voor grotere overtredingen. Sinds de introductie van de waarschuwing bij overtredingen die niet leiden tot schade (ook wel nulschades, voorheen nulfraudes genoemd), is het aantal geregistreerde boete- en maatregelwaardige overtredingen toegenomen. Deze overtredingen worden vaak met een waarschuwing afgedaan. Het aantal opgelegde boeten is gedaald, dit hangt samen met het lagere aantal geconstateerde fraudes. Het aantal maatregelen is fors gestegen; dit lijkt een gevolg van het feit dat er meer aandacht wordt gegeven aan sanctionering van de uitkeringsgerechtigden die onvoldoende aandacht besteden aan het voorkomen van werkloosheid én aan de werklozen die onvoldoende inspanningen verrichten om weer aan het werk te komen.
De dalende trend in het aandeel strafrechtelijke afdoening zet zich eveneens voort. Het effect van de verhoging van de aangiftegrens in 2002 tot € 6 000 speelt een rol, maar vermoed wordt dat de oorzaak van de lagere schadebedragen (betere controle en snellere opsporing) een belangrijke factor is die het aantal aangiften doet verminderen.
Afgeronde evaluatieonderzoeken premieartikel 1 in 2002
Eerste evaluatie experimenten WW (kleine experimenten)
Doelstelling
Inzicht verschaffen in de vraag of het wenselijk is dat, en zo ja hoe de kleine experimenten WW opgenomen kunnen worden in definitieve regelgeving.
Rapportage
«Evaluatie experimenten Werkloosheidswet», Doetinchem 2002
Verlaagde wekeneis in de WW
Doelstelling
Onderzoek naar de besluitgroepen verlaagde wekeneis in de WW, ter beoordeling van nut en noodzaak van het Besluit verlaagde wekeneis.
1.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Premieartikel 1. Inkomensgarantie bij werkloosheid | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Ontwerp begroting | Verschil | |||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| 1. Totale lasten WW (x € 1 mln) | |||||
| uitkeringslasten | 2001 | 1 991 | 2 306 | 2 487 | – 181 |
| uitvoeringskosten | 459 | 466,5 | 523 | 545 | – 22 |
| overige lasten | 126 | 281 | 332 | 226 | + 106 |
| bijdrage aan REA | 234 | 352 | 388 | 263 | + 125 |
| 2. Volume (x 1 000) | |||||
| aantal nieuwe uitkeringen | 275 | 251 | 325 | 324 | – 1 |
| aantal beëindigde uitkeringen | 302 | 278 | 287 | 258 | + 29 |
| gemiddeld aantal uitkeringen | 202 | 177 | 182 | 221 | – 39 |
| gemiddeld aantal personen met WW | 186 | 166 | 173 | 205 | – 32 |
| gemiddeld aantal uitkeringsjaren | 156 | 149 | 163 | 182 | – 19 |
| 3. Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1) | 12 827 | 13 362 | 14 147 | 13 665 | + 482 |
| 4. Uitvoeringskosten (x € 1) | |||||
| per jaaruitkering | 2 942 | 3 128 | 3 209 | 2 995 | + 214 |
| in % van de uitkeringslasten | 23% | 23% | 23% | 22% | + 1% |
| 5. Aandeel werknemers vanaf 57,5 jaar | |||||
| in % van het totaal aantal nieuwe uitkeringen | 5% | 5% | 5% | 5% | 0 |
| in % van het totaal aantal lopende uitkeringen | 31% | 31% | 24% | 30% | – 6% |
| 6. Aandeel werkhervatting bij reden beëindigen | |||||
| bij alle beëindigde uitkeringen | 55% | 49% | 52% | 55% | – 3% |
| bij beëindigde uitkeringen voor personen van 57,5 jaar | 13% | 12% | 13% | 14% | – 1% |
| 7. Verwijtbare werkloosheid | |||||
| aantal afwijzingen wegens verwijtbare werkloosheid in % van aantal nieuwe uitkeringen | 11% | 7% | |||
Bron: UWV
De WW-uitkeringslasten zijn gestegen van bijna € 2 miljard in 2001 tot ruim € 2,3 miljard in 2002. Overigens is deze stijging € 181 miljoen minder groot dan verwacht bij het opstellen van de begroting over 2002.
De stijgende WW-lasten vinden hun oorzaak in de verslechtering van de economische conjunctuur. De lagere economische groeicijfers in 2001 en 2002 hebben hun weerslag op de ontwikkeling van de werkgelegenheid en werkloosheid. Voor het eerst sinds 1994 is weer sprake van een oplopend werkloosheidsbeeld. Het WW-volume steeg hierdoor met 14 000 uitkeringsjaren van 149 000 in 2001 tot 163 000 in 2002. Overigens was in de begroting rekening gehouden met een nog grotere stijging van 33 000 uitkeringsjaren tot 182 000 in 2002. De aldus meevallende volumeontwikkeling wordt verklaard door het feit dat de oploop in de werkloosheid zich met een grotere vertraging dan verwacht manifesteert in de stijging van de WW. In april bereikte het gemiddelde aantal lopende uitkeringen over de laatste 12 maanden een dieptepunt. Hierna heeft zich een nog steeds voortgaande stijging ingezet. De WW-uitkering per uitkeringsjaar is in 2002 uitgekomen op € 14 147 (€ 482 hoger dan verwacht). De meevallende ontwikkeling van de uitkeringslasten in 2002 ter grootte van € 181 miljoen is aldus het saldo van een meevaller in de volumeontwikkeling en een tegenvaller in de gemiddelde uitkering.
De post overige lasten is in 2002 met € 332 miljoen ruim € 100 miljoen hoger uitgekomen dan geraamd bij de begroting van 2002. Deze stijging is volledig toe te schrijven aan de toename van de post «Overgenomen verplichtingen». In 2002 was er sprake van een groeiend aantal werkgevers dat door de ongunstige economie in betalingsmoeilijkheden kwam. Hierdoor is in grotere mate dan verwacht een beroep gedaan op het Algemeen Werkloosheidsfonds om de loondoorbetalingsverplichtingen over te nemen van bedrijven die in faillissementen betrokken zijn.
Overigens zijn de uitvoeringskosten per uitkeringsjaar in 2002 gestegen. Dit heeft te maken met een groter aandeel nieuwe uitkeringen in het totale bestand. De uitvoeringskosten die gemoeid zijn met nieuwe uitkeringen zijn over het algemeen hoger dan de uitvoeringskosten ter continuering van lopende uitkeringen. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is vooraan in dit hoofdstuk opgenomen.
SZW werkt momenteel aan het opstellen van prestatie-indicatoren ter beoordeling van het beleid. In de periode tot 2005 geldt hiervoor een groeipad. De begroting 2004 zal al zoveel mogelijk prestatie-indicatoren bevatten die er toe dienen het SZW-beleid zowel van te voren in te schatten als achteraf te evalueren. Een voorbeeld van een indicator die het beleid beoordeelt is het in dit hoofdstuk opgenomen plaatsingspercentage bij de reïntegratie.
Premieartikel 2 Inkomensgarantie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
2.1 Algemene beleidsdoelstellingen
1. Het garanderen van een inkomen aan:
a. zieke werknemers van wie de werkgever geen loondoorbetalingsverplichting heeft op grond van het BW, omdat er geen sprake (meer) is van een arbeidsovereenkomst;
b. zieke werknemers van speciale groepen;
c. arbeidsongeschikte werknemers en zelfstandigen;
2. Het voorkomen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
3. Het bevorderen van de arbeidsdeelname van arbeidsongeschikte werknemers en zelfstandigen.
SZW maakt wettelijke regelingen om werknemers en zelfstandig ondernemers te beschermen tegen het risico van inkomensverlies door ziekte of arbeidsongeschiktheid.
Gedurende de eerste 52 weken ziekte is een werkgever op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht om minimaal 70% van het laatstverdiende loon door te betalen.
Aan werknemers zonder een arbeidsovereenkomst die door ziekte, ongeval of gebreken niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten, zoals onder andere orgaandonoren, zieke flexwerkers, uitzendkrachten en werklozen – de zogeheten vangnetgevallen -geeft de Ziektewet (ZW) recht op ziekengeld.
Werknemers die na 52 weken ziekte geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, hebben recht op een uitkering op grond van de WAO. Geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeur-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten hebben na 52 weken ziekte recht op een uitkering op grond van de WAZ.
Om te voorkomen dat betrokkenen onnodig bij ziekte of arbeidsongeschiktheid beroep zullen doen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, is het beleid gericht op het voorkomen van ziekte en arbeidsongeschiktheid en het reïntegreren van uitkeringsgerechtigden.
2.2 Operationele doelstellingen
1. Het verstrekken van ZW-, WAO- en WAZ-uitkeringen
2. Het beperken van de instroom en het bevorderen van de uitstroom uit de ZW, WAO en WAZ
3. Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
Het verstrekken van ZW-, WAO- en WAZ-uitkeringen
De ZW-, WAO-, en WAZ-uitkeringen zijn door het UWV aan de rechthebbenden verstrekt op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving. Het UWV handelt daarbij conform de eisen van rechtmatigheid.
a. In 2002 heeft het ZW-volume overeenkomstig de verwachting 102 000 uitkeringsjaren bedragen. Dit is 9 000 uitkeringsjaren minder dan begroot.
b. Ultimo 2002 hebben 802 000 personen een WAO-uitkering. Ongeveer 27 000 daarvan hebben een nuluitkering zodat feitelijk 775 000 personen een WAO-uitkering uitbetaald krijgen.
c. Ultimo 2002 hebben 56 000 personen een WAZ-uitkering. Ongeveeer 3 000 daarvan hebben een nuluitkering zodat feitelijk 53 000 personen een WAZ-uitkering uitbetaald krijgen.
Het beperken van de instroom en het bevorderen van de uitstroom uit de ZW, WAO en WAZ
SZW streeft naar het beperken van de instroom en het bevorderen van de uitstroom in de ZW, WAO en WAZ. Om dit resultaat te bereiken is in 2002 het wetsvoorstel Wet verbetering poortwachter ingevoerd. Met deze wet zijn de rechten en plichten van werkgevers en werknemers in het eerste ziektejaar aanmerkelijk aangescherpt. Werkgevers die onvoldoende doen om een zieke werknemer weer aan het werk te helpen, kunnen worden verplicht om het loon maximaal een jaar langer door te betalen. Zieke werknemers die weigeren mee te werken aan hun reïntegratie kunnen worden geconfronteerd met stopzetting van de loondoorbetaling of als dat niet helpt met ontslag. Om de uitstroom uit de WAO en WAZ te bevorderen is er met betrekking tot de kwaliteit van de claimbeoordeling een verbetertraject in gang gezet. De inspanningen zijn erop gericht dat de achterstanden in de eindewachttijd beoordelingen aan het einde van 2002 zijn weggewerkt.
In 2002 is de Wet eigenrisicodrager ziektewet aangenomen. Deze wet biedt werkgevers de mogelijkheid om de vangnet-ZW-lasten van werknemers zelf te dragen met als doel dat directere financiële prikkel te geven om het ziekteverzuim terug te dringen. Verder is de Wet instroomcijfers WAO aangenomen. Deze wet regelt de publicatie van de WAO-instroomcijfers van grote bedrijven door het UWV. Doel van deze wet is dat werkgevers hun prestatie op het gebied van preventie en reïntegratie kunnen vergelijken met andere werkgevers in de sector. Daarnaast is bij Koninklijk Besluit de premiedifferentiatie en het eigenrisicodragerschap voor werkgevers met een totale loonsom tot vijfentwintig maal de gemiddelde landelijke loonsom met ingang van 01–01–2003 afgeschaft.
Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude.
SZW richt zich op handhaving van de regelgeving waarbij misbruik en oneigenlijk gebruik moet worden voorkomen. Het voorkomen van overtredingen en fraude (preventie) is de primaire doelstelling. Daartoe worden controlemiddelen ingezet, vindt opsporing plaats en worden overtredingen en fraude afgedaan door middel van sanctie-oplegging (boetes en gehele of gedeeltelijk weigering van de uitkering) en terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen of te weinig betaalde premies.
| Tabel 2.1: Handhavingsketen ZW | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| onderdeel handhavings keten | ZW kengetal | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002* |
| opsporing | aantal geconstateerde fraudes | 482 | 1 724 | 9 744 | 20 373 | 32 420 |
| totaal fraudebedrag (x € 1 mln) | 0,3 | 0,5 | 0,6 | 1,3 | 1,3 | |
| gemiddeld fraudebedrag (x € 1) | 681 | 313 | 67 | 64 | 40 | |
| afdoening | aantal waarschuwingen | nb | nb | 8 973 | 19 343 | nb |
| aantal maatregelen | 19 978 | 16 735 | 22 174 | 24 482 | 25 000 | |
| aantal boeten | 1 211 | 1 215 | 2 319 | 3 779 | 5 710 | |
| aantal aangiftes | 110 | 29 | 43 | 22 | 10 | |
Bron: Kwartaalverslag UWV 4e kwartaal 2002.
* Raming UWV.
In 2002 heeft intensieve controle plaatsgevonden ten aanzien van de Ziektewet, wat heeft geresulteerd in een forse stijging van het aantal geconstateerde fraudes. Omdat het totale fraudebedrag ongeveer gelijk is gebleven ten opzichte van 2001, is het gemiddelde schadebedrag fors gedaald. Dit duidt op betere controle en snellere opsporing. Sinds de introductie van de waarschuwing bij overtredingen die niet leiden tot schade (ook wel nulschades, voorheen nulfraudes genoemd), is het aantal geregistreerde overtredingen toegenomen. Het aantal boetes is eveneens gestegen, wat samenhangt met het hogere aantal overtredingen. Het aantal maatregelen is gelijk de trend van de laatste jaren licht gestegen.
De dalende trend in het aandeel strafrechtelijke afdoening zet zich ook bij de Ziektewet voort. Het effect van de verhoging van de aangiftegrens in 2002 tot € 6 000 speelt waarschijnlijk een rol. Een andere mogelijke oorzaak is intensivering van controle en opsporing, waardoor overtredingen sneller worden geconstateerd en de schade beperkt blijft.
| Tabel 2.2: Handhavingsketen WAO/WAZ/Wajong | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Onderdeel | WAO/WAZ/WAJONG | |||||
| handhavings keten | kengetal | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 |
| opsporing | aantal geconstateerde fraudes | 2 021 | 3 227 | 2 735 | 3 481 | 5 210 |
| totaal fraudebedrag (1 mln €) | 9,0 | 6,3 | 4,1 | 7,2 | 9,0 | |
| gemiddeld fraudebedrag (x € 1) | 4 457 | 1 967 | 1 503 | 2 068 | 1 727 | |
| afdoening | aantal waarschuwingen | nb | nb | 10 040 | 11 977 | nb |
| aantal maatregelen | 13 970 | 8 163 | 7 920 | 9 765 | 8 800 | |
| aantal boeten | 2 336 | 823 | 1 065 | 1 432 | 2 600 | |
| aantal aangiftes | 378 | 193 | 169 | 218 | 180 | |
Bron: Kwartaalverslag UWV 4e kwartaal 2002.
* Raming UWV.
Het aantal geconstateerde fraudezaken en het totale fraudebedrag zijn in 2002 wederom flink gestegen. Het gemiddelde fraudebedrag is in vergelijking met 2001 iets gedaald. Deze ontwikkelingen duiden op betere controle en snellere opsporing. Sinds de introductie van de waarschuwing bij overtredingen die niet leiden tot schade (ook wel nulschades, voorheen nulfraudes genoemd), is het aantal geregistreerde boete- en maatregelwaardige overtredingen toegenomen. Het aantal opgelegde maatregelen is echter verminderd; dit is mogelijk een gevolg van het feit dat er relatief meer aandacht wordt gegeven aan sanctionering van overtredingen van de inlichtingenplicht (inkomsten) of van het feit dat er meer waarschuwingen zijn opgelegd. Cijfers over het aantal waarschuwingen in 2002 waren op het moment van dit schrijven nog niet bekend. Het aantal opgelegde boeten is flink gestegen, wat samenhangt met het grotere aantal geconstateerde fraudegevallen.
Het aandeel strafrechtelijke afdoening is gedaald. Het effect van de verhoging van de aangiftegrens in 2002 tot € 6 000 speelt een rol, maar vermoed wordt dat de oorzaak van de lagere schadebedragen een belangrijke factor is die het aantal aangiften doet verminderen.
2.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Premieartikel 2. Inkomensgarantie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid (ZW) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Ontwerp Begroting | Verschil | |||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| 1. Uitgaven (x € 1 mln) | |||||
| • Uitkeringslasten | 1 179 | 1 407 | 1 454 | 1 517 | – 63 |
| • uitvoeringskosten | 126 | 153 | 201 | 156 | 45 |
| 2. Volume (x 1 000) | |||||
| • Totaal | 102 | 106 | 108 | 117 | – 9 |
| 3. Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1) | 11 568 | 13 274 | 13 463 | 12 966 | 497 |
| 4. Uitvoeringskosten (x € 1) | |||||
| • Per jaaruitkering | 1 235 | 1 443 | 1 861 | 1 333 | 528 |
| • In % van de uitkeringslasten | 10,7% | 10,8% | 13,8% | 10,3% | 3,5% |
Bron: februarinota financiële ontwikkeling UWV-fondsen 2002–2003.
Kerncijfers werknemersverzekeringen december 2002 UWV.
De uitkeringslasten ZW komen € 63 miljoen lager uit dan geraamd. Niettemin komt de gemiddelde uitkering € 497 hoger uit dan geraamd. Er is dan ook sprake van een forse volumemeevaller. Het volume komt 9 000 lager uit dan verwacht. De oorzaak hiervan ligt in het lager dan verwachte beroep dat overheidspersoneel en flexwerkers op de ZW hebben gedaan.
Het verschil tussen de begrote en de voorlopig gerealiseerde uitvoeringskosten ZW wordt voornamelijk verklaard door een volumedaling en een verminderde toerekening van de uitvoeringskosten op basis van realisatiecijfers. Daar tegenover staat een stijging van de uitvoeringskosten als gevolg van de uit de SUWI-afspraken voortvloeiende transformatiekosten. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is vooraan dit hoofdstuk opgenomen.
| Premieartikel 2. Inkomensgarantie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid (WAO) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Ontwerp begroting | Verschil | |||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| 1. Uitkeringen (x € 1 mln) | |||||
| • uitkeringslasten | 8 868 | 9 317 | 9 668 | 9 773 | – 105 |
| • uitvoeringskosten | 636 | 735 | 736 | 761 | – 25 |
| • bijdrage aan REA | 225 | 274 | 318 | 210 | + 108 |
| 2. Volume (x 1 000) | |||||
| • in herleide uitkeringsjaren | 624 | 640 | 648 | 653 | – 5 |
| 3. Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1) | 14 212 | 14 558 | 14 920 | 14 966 | – 46 |
| 4. Uitvoeringskosten (x € 1) | |||||
| • per jaaruitkering | 1 019 | 1 148 | 1 136 | 1 165 | – 29 |
| in % van de uitkeringslasten | 7% | 8% | 8% | 8% | |
| 5. Verdeling | |||||
| • % geheel arbeidsongeschikt | 69,6% | 68,3% | 67,4% | 69,0% | – 1,6% |
| • % gedeeltelijk arbeidsongeschikt | 30,4% | 31,7% | 32,6% | 31,0% | + 1,6% |
| • gemiddelde mate van ao | 81,6% | 80,8% | 80,4% | 80,8% | – 0,4% |
| 6. WAO'ers als % van de verz. populatie | 12,0% | 12,1% | 12,1% | 12,2% | – 0,1% |
| 7. Beperking van de instroom | |||||
| • instroomkans | 1,5 | 1,6 | 1,4 | 1,5 | – 0,1 |
| • resultaten claimbeoordeling | |||||
| % afwijzing bij keuring | 27% | 30% | 30% | 27% | + 3% |
| % geheel arbeidsongeschikt bij toekenning | 63% | 57% | 56% | 60% | – 4% |
| % gedeeltelijk ao bij toekenning | 37% | 43% | 44% | 40% | + 4% |
| % 80/100 op medische gronden | 45% | 33% | 25% | 45% | – 20% |
| 8. Bevorderen van de uitstroom | |||||
| • uitstroomkans | 9,8 | 10,2 | 10,2 | 9,8 | + 0,4 |
| • reden uitstroom | |||||
| Herstel | 3,7 | 4,2 | 4,6 | 3,7 | + 0,9 |
| demografisch | 4,9 | 4,8 | 4,7 | 4,9 | – 0,2 |
| overig | 1,2 | 1,2 | 0,9 | 1,2 | – 0,3 |
| • % werkende arbeidsongeschikten | 26% | 27% | 28% | 25% | + 3% |
| Volledig arbeidsongeschikten | 14% | 15% | 15% | 14% | + 1% |
| Gedeeltelijk arbeidsongeschikten | 54% | 55% | 55% | 54% | + 1% |
Bronnen: februarinota financiële ontwikkeling UWV-fondsen 2002–2003; maandoverzicht arbeidsongeschiktheids-uitkeringen januari t/m september 2002; managementrapportage verbetertraject claimbeoordeling WAO t/m december 2002 (UWV); kwartaalverslag t.b.v. SZW 4e kwartaal 2002 (UWV).
De uitkeringslasten WAO zijn € 105 miljoen lager dan geraamd. Er is dan ook sprake van een fors volume-effect: het aantal herleide uitkeringsjaren komt in 2002 ongeveer 5 000 lager uit dan geraamd. Het lagere volume bespaart € 75 miljoen. De lagere gemiddelde uitkering bespaart nog eens € 30 miljoen.
De volume-meevaller kent verschillende oorzaken. Belangrijkste is de daling van het aantal WAO-aanvragen met 16% t.o.v. 2001. Dit lagere aantal aanvragen werkt vertraagd door in de instroom die ruim 10% onder het niveau van 2001 ligt, getuige ook de lager dan geraamde instroomkans. Ook de trend van striktere claimbeoordeling blijkt sterker dan in de begroting 2002 geraamd. Steeds minder instromers krijgen volledige uitkeringen en steeds meer instromers krijgen gedeeltelijke uitkeringen. Met name het percentage direct door de arts afgekeurden (GDBM-gevallen) is belangrijk lager dan verwacht. De uitstroomkans is tenslotte hoger dan geraamd, met name omdat vaker herstel plaatsvindt. Dat is op zichzelf een logisch gevolg van de hoge instroom van de jaren 2000 en 2001 omdat veel herstel in de eerste paar jaar na instroom plaatsvindt. Deze drie factoren verklaren samen de volume-meevaller.
De prijsmeevaller is meer administratief van aard. Als gevolg van de hoge loonkostenstijging in 2001 en 2002 zijn de feitelijke uitkeringsniveaus hoger dan geraamd. Zowel de lonen (van belang voor de instromers) als de prijzen (van belang voor de lopende uitkeringen) zijn immers sneller gestegen dan verwacht. Daar staat echter tegenover dat UWV een ramingsbijstelling heeft doorgevoerd vanwege te hoog ingeschatte vakantiegelden. Deze ramingsbijstelling overcompenseert de reële stijging van de gemiddelde uitkering.
De kosten van REA worden verdeeld over de WW-fondsen en de AO-fondsen. De Rea-bijdrage van het WAO-fonds is ten opzichte van de raming met € 108 miljoen verhoogd om de hoger dan verwachte Rea-lasten te dekken. De ontwikkeling van de Rea-lasten wordt toegelicht in artikel 3 Reïntegratie. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is vooraan in dit hoofdstuk opgenomen.
| Premieartikel 2. Inkomensgarantie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid (WAZ) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Ontwerp begroting | Verschil | |||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| 1. Uitkeringen (x € 1 mln) | |||||
| • uitkeringslasten | 472 | 508 | 515 | 511 | + 4 |
| • uitvoeringskosten | 48 | 64 | 46 | 55 | – 9 |
| • bijdrage aan REA | 23 | 25 | 20 | 17 | + 3 |
| 2. Volume (x 1 000) | |||||
| • in personen (jaargemiddelde)1 | 53 | 53 | 53 | 53 | |
| • in herleide uitkeringsjaren | 46,1 | 46,8 | 46,2 | 46,8 | – 0,6 |
| • zwangerschapsuitkeringen | 4,9 | 5,3 | 5,1 | 5,0 | + 0,1 |
| 3. Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1) | 9 870 | 10 449 | 10 671 | 10 559 | + 112 |
| 4. Uitvoeringskosten (x € 1) | |||||
| • per jaaruitkering | 1 041 | 1 357 | 996 | 1 175 | – 179 |
| • in % van de uitkeringslasten | 10% | 12,5% | 9% | 11% | – 2% |
| 5. Verdeling | |||||
| • % geheel arbeidsongeschikt | 60,8% | 62,1% | 62,7% | 60,8% | + 1,9% |
| • % gedeeltelijk arbeidsongeschikt | 39,2% | 37,9% | 37,3% | 39,2% | – 1,9% |
| • Gemiddeld % arbeidsongeschiktheid | 81,3% | 82,0% | 82,3% | 81,3% | + 1,0% |
| 6. WAZ'ers als % van de verz. populatie | 7,3% | 7,2% | 7,2% | 6,6% | + 0,6% |
| 7. Beperking van de instroom | |||||
| • instroomkans | 0,9 | 0,9 | 1,0 | 0,8 | + 0,2 |
| • resultaten claimbeoordeling | |||||
| % afwijzing bij keuring | 25% | 26% | 26% | 25% | + 1% |
| % geheel arbeidsongeschikt bij toekenning | 55% | 52% | 51% | 55% | – 4% |
| % gedeeltelijk ao bij toekenning | 45% | 48% | 49% | 45% | + 4% |
| 8. Bevorderen van de uitstroom | |||||
| • uitstroomkans | 12,8 | 13,5 | 13,2 | 12,8 | + 0,4 |
| • reden uitstroom | |||||
| Herstel | 1,8 | 1,7 | 2,0 | 1,8 | + 0,2 |
| Demografisch | 8,5 | 8,4 | 8,6 | 8,5 | + 0,1 |
| Overig | 2,5 | 3,4 | 2,6 | 2,5 | + 0,1 |
| • % werkende arbeidsongeschikten | 5% | 5% | 6% | 5% | + 1% |
| Volledig arbeidsongeschikten | 4% | 4% | 4% | 4% | |
| Gedeeltelijk arbeidsongeschikten | 7% | 8% | 9% | 7% | + 2% |
Bronnen: februarinota financiële ontwikkeling UWV-fondsen 2002–2003; maandoverzicht arbeidsongeschiktheids-uitkeringen januari t/m september 2002; kwartaalverslag t.b.v. SZW 4e kwartaal 2002 (UWV).
De uitkeringslasten van de WAZ en de raming komen in grote lijnen met elkaar overeen, net zoals de volume-ontwikkelingen in personen. De uitkeringslasten van de WAZ zijn in geringe mate hoger dan verwacht: het effect van het gedaalde aantal herleide uitkeringsjaren is iets lager dan het effect van de gestegen gemiddelde uitkering. De verklaring voor het lager dan verwachte aantal herleide uitkeringsjaren zien we bij punt 7. «Beparing van de instroom»: Minder instromers dan verwacht (-4%) hebben een volledige uitkering gekregen en meer instromers dan verwacht (+4%) hebben een gedeeltelijke uitkering gekregen. Dit is de trend van een striktere claimbeoordeling dan geraamd. De geringe daling van de uitstroom t.o.v. 2001 wordt veroorzaakt door een kleine administratieve correctie in januari 2001, waardoor de laatste ten onrechte opgevoerde zwangerschappen uit de bestanden verwijderd werden. Hierdoor was de uitstroom in 2001 eenmalig iets hoger dan normaal.
De kosten van REA worden verdeeld over de WW-fondsen en de AO-fondsen. De Rea-bijdrage van het WAZ-fonds is ten opzichte van de raming met € 3 miljoen verhoogd om de hoger dan verwachte Rea-lasten te dekken. De ontwikkeling van de Rea-lasten wordt toegelicht in artikel 3 Reïntegratie. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is vooraan in dit hoofdstuk opgenomen.
SZW werkt in overleg met het UWV aan het opstellen van prestatie-indicatoren ter sturing van de begrotings-, controleen verantwoordingscyclus van het UWV. Hiervoor geldt een groeipad tot 2005 waarin de prestatie-indicatoren zoveel mogelijk afgestemd gaan worden tussen betrokken partijen.
3.1 Algemene beleidsdoelstellingen
1. Het bevorderen van de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten
2. Voor iedereen die daarvoor in aanmerking komt, is een traject gericht op toeleiding naar of een aanbod van arbeid beschikbaar (sluitende aanpak)
Arbeidsgehandicapten zijn (potentiële) werknemers en zelfstandigen die wegens ziekte, gebrek of arbeidsongeschiktheid beperkingen ondervinden om werk te vinden of te houden. In de begroting van 2002 is een start gemaakt met het bevorderen van de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet REA, 1 juli 1998, is er structureel werk gemaakt van het bevorderen van de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten. Op verschillende wijze is hier beleidsmatige invulling aan gegeven:
1. Bevorderende maatregelen voor werkhervatting en het behoud van werk voor zowel werkgevers als arbeidsgehandicapten.
2. Het aanbieden van reïntegratietrajecten aan arbeidsgehandicapten ten behoeve van werkhervatting.
Wat betreft de bevorderende maatregelen voor werkgevers om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen of te houden, zijn er een aantal opmerkingen te maken. Vanaf eind 1999 tot en met begin 2001 is de effectiviteit van de Wet REA en de efficiëntie van de uitvoering onderzocht. De conclusie luidde dat het instrumentarium onoverzichtelijk was en te veel van elkaar verschilde in toepassingsbereik en doelgroep. De instrumenten zijn bij belanghebbenden onvoldoende bekend en de procedures voor toekenning van instrumenten te lang en gecompliceerd. Bovendien bleek dat een belangrijk deel van de arbeidsgehandicapten ook zonder toepassing van de (her-)plaatsingssubsidies aan het werk zou zijn gegaan. De betrokken partijen geven wel aan de doelstellingen van de wet te onderschrijven en de instrumenten te beschouwen als een nuttig middel om een aantal drempels te verlagen. De uitkomst van de evaluatie heeft ertoe geleid dat de REA is veranderd ter beperking van onnodig gebruik. Zodoende is per 2002 een aantal instrumenten voor werkgevers samengevoegd. Het plaatsings en herplaatsingsbudget is omgezet in een forfaitaire tegemoetkoming (premiekorting). Als de werkgever kan aantonen dat er meer kosten zijn gemaakt dan kan hij daarvoor een subsidie aanvragen (meerkosten subsidie). Door deze verandering zijn de administratieve lasten voor de werkgever vereenvoudigd.
Wat betreft de arbeidsgehandicapten, heeft het kabinet maatregelen genomen om de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten te bevorderen door het aanbieden van reïntegratie trajecten. De aanmeldingsperiode over 2002 loopt van het eerste kwartaal 2002 tot en met het tweede kwartaal 2003 (i.e. contractjaar 2002). Per cohort naar contractjaar zal verantwoording worden afgelegd over de resultaten van alle trajecten, die tot het betreffende cohort behoren. Resultaten over contractjaar 2002 van reïntegratietrajecten zijn gezien de aanmeldingsperiode en de doorlooptijd van de trajecten (twee jaar) nog niet te geven. Wel zullen (tussenstand) resultaten over het contractjaar 2001 gepresenteerd worden.
Voor het eerst in jaren loopt het aantal aanvragen van WAO uitkeringen terug en neemt de uitstroom naar arbeid toe (in derde kwartaal 2002 is het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met 500 terug gelopen ten opzichte van het tweede kwartaal 2002). Over de oorza(a)k(en) van de vermindering van het aantal arbeidsgehandicapten lopen de meningen uiteen. Het lijkt te vroeg om hierover uitsluitsel te geven. Wat betreft de reïntegratie is er sprake van een bijna volledige sluitende aanpak van arbeidsgehandicapten. Dat wil zeggen dat de nieuwe instroom in de WAO een traject wordt aangeboden binnen de periode van één jaar. Ook met de reïntegratie van langdurig arbeidsongeschikten, ook wel zittend bestand genoemd, is een begin gemaakt. In 2002 starten een aantal pilots waarin 15 000 langdurig arbeidsongeschikten gereïntegreerd worden.
3.2 Operationele doelstellingen
1. Het stimuleren van werkgevers om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen of te houden
2. Het stimuleren van arbeidsgehandicapten om werk te aanvaarden
3. Het verkleinen of het opheffen van de afstand van de arbeidsgehandicapte tot de arbeidsmarkt via de inzet van trajecten
4. Het bevorderen dat werknemers, werkgevers en zelfstandigen die in aanmerking komen voor een REA-instrument ermee bekend zijn dat zij daarop recht hebben en er gebruik van kunnen maken
Het stimuleren van werkgevers om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen of te houden.
In de begroting van 2002 is een premiekorting opgenomen die erop gericht is om de aanvraag te vereenvoudigen voor werkgevers om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen. De subsidiemogelijkheden voor de werkgevers zijn veranderd van het (her)plaatsingbudget en pakket op maat naar de premiekorting en meerkosten regeling. Het aantal geregistreerde aanvragen premiekorting/meerkosten is tot januari 2003 in totaal 27 525 aanvragen geweest. Van de 27 525 aanvragen waren er tevens 5 403 aanvragen voor de meerkosten-regeling. In het jaar 2002 zijn naast aanvragen voor premiekorting (nieuwe voorziening) eveneens 44 2701 subsidies verstrekt (plaatsings- of herplaatsingsbudgetten), voor arbeidsgehandicapten die voor 1-1-2002 in dienst zijn getreden. Dit aantal is hoger dan verwacht omdat toezeggingen van (her)plaatsingssubsidies in 2001 door vertragingen in de afhandeling voor het eerst tot betaling hebben geleid in het jaar 2002. In 2003 zijn er geen lopende gevallen voor herplaatsingen meer en stromen er geen nieuwe gevallen in voor plaatsingen. Beheersing van uitgaven voor werkgeverssubsidies is over één jaar wel te meten.
Overigens is naar aanleiding van het lage aantal aanvragen premiekorting in het begin van de zomer 2002 een informatiecampagne gevoerd. Deze heeft ertoe geleid dat in de laatste maanden van 2002 er sprake is van een forse toename van het aantal aanvragen. Op basis van de toename van het aantal aanvragen lijkt sprake van een grotere bekendheid van de regeling.
| Tabel 3.1: Overzicht aantal toegekende REA-instrumenten | |
|---|---|
| Omschrijving | Realisatie 2002 |
| Premiekorting1 | 27 525 |
| Meerkosten2 | 5 403 |
| Loondispensatie* | 3 102 |
Bronnen: UWV (Directie Inkoop Reïntegratie);
1 Cijfer betreft het aantal aanvragen in 2002.
2 Betreft aantal aanvragen meerkostenregeling in 2002.
* Kwartaalverslag 4e kwartaal 2002 UWV.
Het UWV is nog bezig met de afhandeling van aanvragen omdat de premiekortingsregeling per 1 januari 2002 is ingevoerd. Van de 27 525 aanvragen zijn 11 149 aanvragen toegekend, 4 360 aanvragen afgewezen en de overige zijn nog in behandeling. Loondispensatie is aan werkgevers voor 3 102 arbeidsgehandicapten toegekend.
Het stimuleren van arbeidsgehandicapten om werk te aanvaarden
Het stimuleren van arbeidsgehandicapten om werk te aanvaarden heeft gestalte gekregen in een aantal regelingen. De arbeidsgehandicapte krijgt financiële compensatie om te voorkomen dat zijn financiële positie door het aanvaarden van werk achteruit gaat. Vanaf 2002 maakt SZW onder andere hierbij gebruik van de volgende instrumenten:
| Tabel 3.2: Overzicht werknemersvoorzieningen | |
|---|---|
| Omschrijving | Realisatie 2002 |
| Voorziening scholing | 13 288 |
| Proefplaatsing en deelname activiteit | 3 908 |
| Reïntegratie-uitkering | 6 527 |
| Vervoersvoorziening leef en werk | 10 968 |
| Persoonlijke ondersteuning | 2 831 |
| Communicatievoorziening voor doven | 175 |
| Loonsuppletie | 861 |
| Persoonsgebondenbudget | 52 |
Bron: kwartaalverslag 4e kwartaal 2002 UWV.
De weergegeven instrumenten hebben betrekking op de werknemersvoorzieningen (die naast werkgeversvoorzieningen en voorzieningen voor zelfstandigen bestaan). Een vergelijking met 2001 is niet op objectieve manier te presenteren, omdat herleveringen van bestanden van eerdere jaren in het cijfer over 2001 is verwerkt. Wat opvalt is dat in 2002 voornamelijk gebruik gemaakt is van scholings- en vervoersvoorzieningen en REA-uitkeringen tijdens proefplaatsing- of scholing.
Het verkleinen of het opheffen van de afstand van de arbeidsgehandicapte tot de arbeidsmarkt via de inzet van trajecten
De arbeidsgehandicapte die niet in staat is zelf de weg naar de arbeidsmarkt te vinden, krijgt een traject of instrument aangeboden dat gericht is op het verkleinen of opheffen van de afstand tot de arbeidsmarkt. De trajecten worden aanbesteed door het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving aan private reïntegratiebedrijven. In de begrotingsdoelstellingen voor 2002 is neergelegd dat er gemiddeld een plaatsingspercentage van 37,5% à 40% gehaald moet worden van de reïntegratietrajecten die op basis van de contracten 2002 worden afgesloten. Het aantal personen dat een reïntegratietraject via het UWV gaat starten is vastgelegd op 50 000 trajecten (norm-aantal). In juli 2002 zijn de eerste cliënten op traject gegaan van de contracten die zijn afgesloten in 2002. De aanmeldingsperiode loopt door tot tweede kwartaal 2003. Dat betekent dat de laatste trajecten starten in juni 2003. Over de definitieve resultaten van de contracten die in 2002 zijn afgesloten, is nog geen uitspraak mogelijk gezien de doorlooptijd van de trajecten. De meest recente cijfers zijn afkomstig van het contract 2001. Gezien de aard van de aanbesteding en de doorlooptermijnen is het reëel cijfermateriaal te presenteren van contractperiode 2001. Trajecten zijn gestart in het tweede kwartaal 2001 met een doorlooptijd tot en met het eerste kwartaal 2002. Het normpercentage in 2001 was 30%. Het cijfermateriaal geeft een tussenstand weer van de prestaties op 1 oktober 2002. De contracten die in 2001 zijn afgesloten lopen door tot april 2004. Daarna zijn definitieve cijfers over de prestaties van reïntegratiebedrijven te geven.
| Tabel 3.3: Overzicht trajecten | |
|---|---|
| Omschrijving | Tussenstand 2001 |
| 1. Inkoop trajecten | 58 617 |
| 2. Aantal gestarte trajecten | 48 800 |
| 3. Aantal niet in traject | 9 737 |
| 4. Lopende trajecten | 25 245 |
| 5. Beëindigde trajecten | 23 555 |
| 6. Beëindiging met plaatsing | 12 281 |
| 7. Niet-plaatsing | 11 274 |
| 8. Plaatsingen in percentage | 25% |
| 9. Normpercentage | 30% |
| 10. Norm aantal trajecten | 50 000 |
Bron: kwartaalverslag 4e kwartaal 2002 UWV (realisatie tot 1 oktober 2002).
Op meetmoment 1 oktober 2002 wordt voor trajecten in contractjaar 2001 waargenomen dat voor 48 800 arbeidsgehandicapten een reïntegratietraject is gestart. Hiervan zijn inmiddels 12 281 cliënten in werk geplaatst. Het betreft 25% van het totaal aantal cliënten dat met een traject is gestart. 25 245 arbeidsgehandicapten zijn nog bezig met een traject ter bemiddeling naar werk (52%). Deze trajecten dienen uiterlijk 1 april 2004 te zijn afgerond. Op basis van de contractvoorwaarde zijn de laatste cliënten, die onder contractjaar 2001 vallen, in maart 2002 in traject gegaan. Ondanks de korte periode dat de reïntegratiebedrijven met hun bemiddeling bezig zijn, mogen hoge uitplaatsingscores verwacht worden over de contractperiode 2001. De reïntegratiebedrijven hebben aangegeven dat zij de doelstellingen die zij in hun offertes hebben aangegeven, zullen halen. Aangezien nog meer dan de helft van de trajecten lopend is van contractjaar 2001, wordt verwacht dat het plaatsingspercentage zeker het normpercentage van 30% zal halen.
Over de Inkoop trajecten in contractjaar 2002 (periode 1 april 2002–31 maart 2003) zijn slechts zeer voorlopige cijfers beschikbaar1. Vanwege het voorlopige karakter van de cijfers en korte duur dat de trajecten pas hebben kunnen lopen kan pas eind 2003 een zinvol beeld worden gepresenteerd van behaalde resultaten.
Het bevorderen dat werknemers, werkgevers en zelfstandigen die in aanmerking komen voor een REA-instrument ermee bekend zijn dat zij daarop recht hebben en er gebruik van kunnen maken
Het kabinet streeft ernaar dat werknemers, werkgevers en zelfstandigen die in aanmerking komen voor een REA-instrument ermee bekend zijn dat zij daarop recht hebben en er gebruik van kunnen maken. Er is voor het jaar 2002 een gecombineerde voorlichtingscampagne gehouden om werkgevers en uitkeringsgerechtigden bekend te maken met de gevolgen van de wetsvoorstellen Verbetering Poortwachter, (I)SUWI en de wijzigingen ten aanzien van de Wet REA. Uit onderzoek2 blijkt dat de meeste bedrijven bekend zijn met de nieuwe regelingen voor de bestrijding van lang ziekteverzuim en ter bevordering van de reïntegratie, maar dat voornamelijk bij de kleinere bedrijven de bekendheid achter loopt. SZW is in de zomer van 2002 gestart met een gerichte voorlichtingscampagne in een aantal werkgeversvakbladen waarin advertenties verwezen naar de web-site van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarnaast is foldermateriaal verspreid en heeft UWV werkgevers en werknemers voorgelicht over de nieuwe regelingen.
3.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Premieartikel 3. Reïntegratie (REA) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | |||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| 1. Uitgaven (x € 1 mln) | |||||
| • Uitkeringslasten | 397 | 571 | 612 | 420 | 192 |
| • uitvoeringskosten | 115 | 133 | 163 | 113 | 50 |
| 2. Instrumenten voor werkgevers (x € 1 mln) | |||||
| • subsidies aan werkgevers | 112 | 159 | 164 | 56 | 108 |
| 3. Instrumenten voor arbeidsgehandicapten (x € 1mln) | |||||
| • uitkeringen REA | 87 | 117 | 126 | 127 | – 1 |
| • subsidies aan arbeidsgehandicapten | 87 | 130 | 153 | 107 | 46 |
| 4. Trajecten (x € 1 mln) | |||||
| • inkoop trajecten | 73 | 103 | 132 | 114 | 18 |
| 5. Overig (x € 1 mln)* | 38 | 62 | 37 | 16 | 21 |
| Totale lasten (x € 1 mln) | 512 | 704 | 776 | 533 | 243 |
| 6. Instrumenten voor werkgevers | |||||
| • aantal personen in 2002 met gebruik van premievrijstelling | n.v.t. | n.v.t. | 27 5251 | 56 000 | – 28 475 |
| 7. Instrumenten voor arbeidsgehandicapten | |||||
| • aantal arbeidsgehandicapten dat zonder trajecten aan de slag is gegaan met gebruik van REA-isntrumenten | 23 680 | 22 041 | Onbekend | 25 000 | |
| 8. Prestatiegegevens trajecten | |||||
| • aantal | 48 658 | 48 8002 | 48 000 | 50 000 | |
| • plaatsingspercentage (in%)** | 30% | 25% | 40% | ||
1 Dit aantal betreft het aantal aanvragen premiekorting. Definitief aantal toekenningen premiekorting is nog niet bekend.
2 Vanaf 2001 wordt uitgegaan van het begrip contractjaar. Een contractjaar bestaat vijf kwartalen (1 jan 2001–1 april 2002). Het plaatsingspercentage heeft tevens betrekking op deze periode.
* In de post overig zijn naast de uitvoeringskosten ook subsidies aan scholing sinstituten, rentelasten en overige lasten begrepen.
** Vanwege de maximale doorlooptijd van trajecten (1 jaar), de maximale periode van bemiddeling (1 jaar) en de vereiste duurzaamheid van de plaatsing (minimaal 6 maanden) is het niet mogelijk om reeds begin 2003 een definitieve balans op te maken over alle trajecten die in (contractjaar) 2002 zijn gestart.
Bron: Januarinota financiële ontwikkeling UWV-fondsen 2002–2003 (posten 1 t/m 5); Kwartaalverslagen, 3de, 4de kwartaal 2002 UWV (posten 6 t/m 8).
Per 1 januari 2002 zijn als onderdeel van het Belastingplan 2002 wijzigingen in de wet REA opgetreden. De werkgeverssubsidies, plaatsingsbudget, herplaatsingsbudget, pakket op maat en voorzieningen werkplek zijn afgeschaft. Hiervoor in de plaats is een (fiscale) premiekortingsregeling ingevoerd. Indien deze onvoldoende blijkt kunnen werkgevers ook gebruik maken van de meerkostenregeling (ten laste van het Reïntegratiefonds). Ondanks deze wijzigingen zijn er in 2002 toch nog nieuwe subsidies verstrekt als gevolg van achterstanden in de verwerking van subsidieaanvragen. Plaatsingen en herplaatsingen, inclusief eerder toegekende (her)plaatsingsbudgetten die in jaar 2002 doorlopen, leiden voor 44 270 personen tot uitgaven in 2002, naast de 27 525 aanvragen voor premiekorting. Dit heeft geleid tot aanzienlijk hogere uitgaven (+ € 108 miljoen) voor instrumenten werkgevers dan oorspronkelijk begroot voor het jaar 2002.
Door een toename van het gebruik van voorzieningen voor arbeidsgehandicapten zijn de subsidies aan arbeidsgehandicapten € 46 miljoen hoger dan geraamd. Als gevolg van een hogere gemiddelde trajectprijs is € 18 miljoen meer besteed aan reïntegratietrajecten dan geraamd.
De voorlopige resultaten van het contractjaar 2001 tot 1 oktober 2002 levert een plaatsingsresultaat van 25% op. Een groot deel van de trajecten (52%) zijn nu nog lopend en een deel daarvan zal nog resulteren in een arbeidsinpassing. Een plaatsingspercentage tussen de 30–35% lijkt realiseerbaar. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is vooraan hoofdstuk 7 opgenomen.
SZW werkt momenteel aan het opstellen van prestatie-indicatoren ter beoordeling van het beleid. In de periode tot 2005 geldt hiervoor een groeipad. De begroting 2004 zal al zoveel mogelijk prestatie-indicatoren bevatten die er toe dienen het SZW-beleid zowel van te voren in te schatten als achteraf te evalueren. Een voorbeeld van een indicator die het beleid beoordeelt is het in dit hoofdstuk opgenomen plaatsingspercentage bij de reïntegratie.
Premieartikel 4 Inkomensgarantie voor nabestaanden
4.1 Algemene beleidsdoelstellingen
1. Het garanderen van een inkomen op minimumniveau aan alleenstaande nabestaanden, wezen, of ten behoeve van één of meer halfwezen
Uitgangspunt van de Algemene nabestaandenwet (Anw) is dat recht op een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering ontstaat, als van de nabestaande niet kan worden verwacht dat deze zelfstandig in het onderhoud voorziet.
4.2 Operationele doelstellingen
1. Het verstrekken van een uitkering op minimumniveau aan alleenstaande nabestaanden
2. Het verstrekken van een uitkering van 20% van het minimumloon ten behoeve van één of meer halfwezen aan nabestaanden/verzorgers
3. Het verstrekken van een uitkering aan wezen
4. Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude
Het verstrekken van een uitkering op minimumniveau aan alleenstaande nabestaanden
Een nabestaandenuitkering wordt verstrekt aan de nabestaande met een kind jonger dan 18 jaar, de arbeidsongeschikte nabestaande en aan de nabestaande die voor 1 januari 1950 is geboren. Van laatstgenoemde categorie kan worden gesteld, dat deze gezien zijn leeftijd geen reëel uitzicht heeft op een plaats op de arbeidsmarkt.
De Sociale Verzekeringsbank (SVb) keert de nabestaandenuitkering uit op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving. SZW houdt toezicht op een rechtmatige en doelmatige uitvoering door de SVb.
Het verstrekken van een uitkering van 20% van het minimumloon ten behoeve van één of meer halfwezen aan nabestaanden/verzorgers
Voor een halfwees, jonger dan 18 jaar, die niet tot het huishouden van een ander behoort, bestaat recht op een inkomensonafhankelijke halfwezenuitkering.
De Sociale Verzekeringsbank (SVb) keert de halfwezenuitkering uit op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving. SZW houdt toezicht op een rechtmatige en doelmatige uitvoering door de SVb
Het verstrekken van een uitkering aan wezen
Een volle wees kan recht hebben op een inkomensonafhankelijke wezenuitkering.
De Sociale Verzekeringsbank (SVb) keert de wezenuitkering uit op basis van de door SZW ontwikkelde wet- en regelgeving. SZW houdt toezicht op een rechtmatige en doelmatige uitvoering door de SVb
Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude
SZW richt zich op handhaving van de regelgeving waarbij misbruik en oneigenlijk gebruik moet worden voorkomen. Het voorkomen van overtredingen en fraude (preventie) is de primaire doelstelling. Daartoe worden controlemiddelen ingezet, vindt opsporing plaats en worden overtredingen en fraude afgedaan door middel van sanctie-oplegging (boetes en gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering) en terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen.
| Tabel 4.1: Anw prestatiegegevens | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| realisatie | |||||
| interne/externe signalen voor alle volksverzekeringen | 1,2 | 1,2 | 0,9 | 1,3 | 0,9 |
| aantal onderzoeken per 10 000 uitkeringsjaren | 31,2 | 48,5 | 59,7 | 51,9 | 67,7 |
| aantal fraudegevallen per 10 000 uitkeringsjaren | 10,6 | 16,8 | 15,1 | 17,2 | 21,7 |
| aantal fraudegevallen/aantal onderzoeken | 34% | 35% | 25% | 33% | 32% |
| gemiddeld geconstateerd fraudebedrag (x € 1) | 5 088 | 7 671 | 8 689 | 10 994 | 13 809 |
| aandeel processen verbaal in % fraudegevallen | 79% | 83% | 95% | 94% | 97% |
| incassoratio | 69% | 72% | 98% | 97% | pm |
Bron: SVB
Bovenstaande indicatoren hebben betrekking op de gehele handhavingsketen van preventie, controle, opsporing en afdoening.
Er is een duidelijke trend waarneembaar in geconstateerde overtredingen, waarbij fraude in het spel is en de gemiddelde bedragen die daarmee gemoeid zijn. Het aantal onderzoeken is in 2002 fors toegenomen waarbij het aantal (geconstateerde) fraudegevallen ook een flinke stijging te zien geeft. De verhouding is vrijwel gelijk gebleven. Het gemiddelde schadebedrag is opnieuw gestegen. Dit duidt erop dat met name zwaardere fraudegevallen aan het licht zijn gekomen. Deze conclusie vloeit ook voort uit de stijging van het aantal processen-verbaal. Fraudegevallen van een geringere omvang worden administratief afgedaan. Van deze gevallen is alleen informatie beschikbaar over de afdoening. In de begroting 2003 zijn deze gegevens over 2001 opgenomen, gegevens over 2002 zijn nog niet beschikbaar.
Het jaar 2002 was voor de Anw een beleidsarm jaar. Enerzijds had dit te maken met een tweevoudige val van het kabinet en anderzijds is dit het gevolg van de positieve resultaten van evaluatieonderzoek 2000/2001 van de Anw, die geen aanleiding gaven tot wijziging van de wet.
4.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Premieartikel 4. Inkomensgarantie aan nabestaanden (ANW) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Ontwerp begroting | Verschil | |||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| 1. Uitgaven (x € 1 mln) | |||||
| • Uitkeringslasten | 1 500 | 1 513 | 1 529 | 1 518 | 11 |
| • uitvoeringskosten | 27,7 | 27,5 | 31,8 | 26,2 | 5,6 |
| 2. Volume (x 1 000 uitkeringsjaren) | 139 | 135 | 130 | 131 | 1 |
| Ingang recht voor 1 juli 1996 | |||||
| Aantal uitkeringsrechtigden | 96 | 84 | 74 | 74 | 0 |
| • Vrouwelijke nabestaanden | 85 | 74 | 65 | 65 | 0 |
| w.v. nabestaanden- + halfwezenuitkering | 8 | 7 | 6 | 6 | 0 |
| w.v. alleen nabestaandenuitkering | 76 | 68 | 60 | 60 | 0 |
| • Mannelijke nabestaanden | 11 | 10 | 8 | 8 | 0 |
| w.v. nabestaanden- + halfwezenuitkering | 2 | 1 | 1 | 1 | 0 |
| w.v. alleen nabestaandenuitkering | 9 | 8 | 7 | 7 | 0 |
| Ingang recht na 1 juli 1996 | |||||
| Aantal uitkeringsrechtigden | 41 | 49 | 55 | 55 | 0 |
| • Vrouwelijke nabestaanden | 36 | 42 | 48 | 48 | 0 |
| w.v. nabestaanden- + halfwezenuitkering | 5 | 6 | 7 | 8 | 1 |
| w.v. alleen nabestaandenuitkering | 28 | 33 | 36 | 36 | 0 |
| w.v. alleen halfwezenuitkering | 3 | 4 | 4 | 4 | 0 |
| • Mannelijke nabestaanden | 5 | 6 | 7 | 7 | 0 |
| w.v. nabestaanden- + halfwezenuitkering | 1 | 1 | 1 | 1 | 0 |
| w.v. alleen nabestaandenuitkering | 1 | 2 | 2 | 2 | 0 |
| w.v. alleen halfwezenuitkering | 3 | 4 | 4 | 4 | 0 |
| Wezenuitkeringen | 2 | 2 | 2 | 2 | 0 |
| Totaal aantal uitkeringsgerechtigden (x 1 000 personen) | 171 | 166 | 159 | 160 | 1 |
| 4. Doelmatigheid | |||||
| • Uitvoeringskosten per uitkeringsjaar (x € 1) | 162 | 166 | 200 | 164 | 36 |
| • Uitvoeringskosten in % van de uitkeringslasten | 2% | 2% | 2% | 2% | |
| • Gemiddelde uitkering (uitkeringslasten per uitkeringsjaar x € 1) | 10 791 | 11 207 | 11 762 | 11 588 | 174 |
Bron: SVB, SZW.
De uitkeringslasten in 2002 zijn gestegen met € 11 miljoen ten opzichte van de ontwerpbegroting, dit is een afwijking van 0,7% ten opzichte van de totale uitkeringslasten. De toename in de uitkeringslasten is te verklaren uit het feit dat bij het maken van de ramingen ten tijde van de ontwerpbegroting een iets ander uitgangspunt is gehanteerd dan bij de realisaties 2002. De uitkeringslasten bij de Anw zijn het produkt van drie factoren: het aantal nabestaanden, de hoogte van de Anw-uitkering en de kortingsfactor, dat wil zeggen de mate van korting op een Anw-uitkering als gevolg van de inkomenstoets. Het effect van de inkomenstoets werd bij de ramingen lager ingeschat dan bij de realisaties, waardoor de uitkeringslasten ook lager werden ingeschat. Bij de realisaties 2002 blijkt dit effect iets groter te zijn, waardoor de uitkeringslasten opwaarts zijn bijgesteld. Dit leidt tot € 11 miljoen hogere uitkeringslasten dan geraamd. Uit de tabel blijkt ook dat als gevolg hiervan de gemiddelde uitkering € 174 hoger ligt dan in de ontwerpbegroting 2002. De gemiddelde uitkering in 2002 bedraagt daarmee € 11 762.
De toename in de uitvoeringskosten is het gevolg van een herverdeling onder de SVB-fondsen, waarbij er relatief meer uitvoeringskosten zijn toegerekend aan de uitvoering van de Anw. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is vooraan hoofdstuk 7 opgenomen.
In het rapport van de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) «De sociale verzekeringen in 2001» constateert IWI dat de uitvoering van de Anw niet aan de gestelde rechtmatigheideis voldoet. De SVb heeft aangegeven hard te werken aan het verhogen van de kwaliteit van de productie. Over het tweede kwartaal van 2002 is reeds een geringe verbetering te constateren van de kwaliteit in het algemeen, alsmede van de rechtmatigheid en tijdigheid van de Anw. Belangrijk onderwerp in dit kader betreft de achterstanden in de werkvoorraden. Samen met de SVB wordt deze problematiek verder verkend en worden aanvullende activiteiten opgestart.
Premieartikel 5 Inkomensgarantie bij ouderdom
5.1 Algemene beleidsdoelstellingen
Het garanderen van een ouderdomspensioen op minimumniveau voor personen van 65 jaar en ouder.
Op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), die het karakter heeft van een opbouwverzekering, bestaat recht op ouderdomspensioen voor degene die verzekerd is geweest. De wet gaat uit van een 50-jarige verzekeringsduur, namelijk van het 15e tot het 65e jaar. Voor ieder in dat tijdvak gelegen jaar, waarover men niet verzekerd is geweest, wordt een korting op het ouderdomspensioen toegepast van 2%.
5.2 Operationele doelstellingen
1. Het verstrekken van een AOW-pensioen op minimumniveau op basis van het aantal verzekerde jaren aan personen van 65 jaar en ouder
2. Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude
Het verstrekken van een AOW-pensioen op minimumniveau op basis van het aantal verzekerde jaren aan personen van 65 jaar en ouder
Voor de invoering van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW was het mogelijk dat de verzekeringspositie van de gehuwde vrouw werd bepaald door die van haar echtgenoot. Ingeval van grensarbeid kon het zo voorkomen, dat een vrouw, ondanks haar ingezetenschap in Nederland, niet AOW-verzekerd was, omdat haar man -in verband met zijn werk in het buitenland- niet verzekerd was. Als gevolg hiervan werden vrouwen nu bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geconfronteerd met een korting op hun AOW-pensioen in verband met niet-verzekerde jaren tussen 1 januari 1957 en 1 april 1985. Zoals in de ontwerpbegroting 2003 aangegeven, is op aandringen van de Tweede Kamer een wetsvoorstel tot wijziging van de AOW- totstandgekomen, dat in december 2002 door de Eerste Kamer is aanvaard. Op grond van deze wet wordt het ontstane AOW-gat met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2002 gedicht.
Het zoveel mogelijk voorkomen van fraude en aan het licht brengen en afhandelen van gepleegde fraude
SZW richt zich op handhaving van de regelgeving waarbij misbruik en oneigenlijk gebruik moet worden voorkomen. Het voorkomen van overtredingen en fraude (preventie) is de primaire doelstelling. Daartoe worden controlemiddelen ingezet, vindt opsporing plaats en worden overtredingen en fraude afgedaan door middel van sanctie-oplegging (boetes en gehele of gedeeltelijk weigering van de uitkering) en terug- en invordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen.
| Tabel 5.1: Handhaving AOW | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | |
| interne/externe signalen voor alle volksverzekeringen | 1,2 | 1,2 | 0,9 | 1,3 | 0,9 |
| aantal onderzoeken per 10 000 uitkeringsjaren | 2,7 | 2,5 | 2,9 | 2,2 | 3,3 |
| aantal fraudegevallen per 10 000 uitkeringsjaren | 0,9 | 0,7 | 0,6 | 0,5 | 0,6 |
| aantal fraudegevallen/aantal onderzoeken | 33% | 27% | 22% | 21% | 19% |
| gemiddeld geconstateerd fraudebedrag (x € 1) | 6 592 | 6 141 | 8 644 | 8 478 | 10 181 |
| aandeel processen verbaal in % fraudegevallen | 86% | 74% | 91% | 94% | 89% |
| incassoratio | 98% | 98% | 98% | 97% | pm |
Bron: SVB.
Bovenstaande indicatoren hebben betrekking op de gehele handhavingsketen van preventie, controle, opsporing en afdoening
Er is een duidelijke trend waarneembaar in geconstateerde overtredingen, waarbij fraude in het spel is en de gemiddelde bedragen die daarmee gemoeid zijn. Het aantal onderzoeken is in 2002 flink toegenomen en bij het aantal (geconstateerde) fraudegevallen is een stijging te zien. Relatief gezien is het aantal fraudegevallen ten opzichte van het aantal onderzoeken met 2 procentpunten gedaald. Het gemiddelde schadebedrag is fors gestegen. Dit duidt erop dat met name zwaardere fraudegevallen aan het licht zijn gekomen.
Fraudegevallen van een geringere omvang worden administratief afgedaan. Van deze gevallen is alleen informatie beschikbaar over de afdoening. In de begroting 2003 zijn deze gegevens over 2001 opgenomen, gegevens over 2002 zijn nog niet beschikbaar.
5.3 Budgettaire gevolgen van het beleid
| Premieartikel 5. Inkomensgarantie bij ouderdom (AOW) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Realisatie | Ontwerp begroting | Verschil | |||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| 1. Uitgaven (x € 1 mln) | |||||
| • Uitkeringslasten | 19 099 | 20 283 | 21 389 | 21 326 | 63 |
| • Uitvoeringskosten | 104,8 | 104,5 | 102,8 | 106,6 | – 3,8 |
| 2. Volume (x 1 000 uitkeringsjaren) | |||||
| • Aantal uitkeringen (jaargemiddelde) | |||||
| 90% uitkering | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 | 0 |
| 70% uitkering | 970 | 967 | 967 | 966 | 1 |
| w.v. partner <65 jaar | 20 | 15 | 11 | 11 | 0 |
| w.v. overigen | 951 | 953 | 956 | 954 | 2 |
| 50% uitkering | 1 222 | 1 245 | 1 269 | 1 272 | – 3 |
| w.v. partner <65 jaar | 177 | 182 | 186 | 184 | 2 |
| w.v. Overigen | 1 045 | 1 063 | 1 083 | 1 089 | – 6 |
| Totaal | 2 192 | 2 213 | 2 237 | 2 238 | – 1 |
| 3. Aantal uitkeringsrechtigden (x 1 000 personen) | 2 320 | 2 350 | 2 384 | 2 382 | 2 |
| 4. Korting op AOW-uitkering i.v.m. niet verzekerde jaren | |||||
| • Aantal personen met korting | 267 | 285 | 305 | 301 | 4 |
| • Gemiddelde korting | 47,9% | 48,3% | 48,5% | 48,0% | 0,5% |
| 5. Hoogte gemiddelde uitkering (x € 1) | 8 713 | 9 166 | 9 564 | 9 519 | 45 |
| 6. Uitvoeringskosten | |||||
| • Per jaaruitkering | 48 | 47 | 46 | 48 | – 2 |
| • In % van de uitkeringslasten | 0,5% | 0,5% | 0,5% | 0,5% | |
Bron: SZWbewerking van Svb cijfers.
Het aantal personen met AOW-pensioen neemt elk jaar fors toe, ook in het jaar 2002. Deze toename is te verklaren vanuit verschillende demografische factoren, die resulteren in een toename van circa 35 000 uitkeringen in 2002.
De hoogte van de uitkeringslasten 2002 valt € 63 miljoen hoger uit dan begroot in de begroting 2002. Dit is een verschil van slechts 0,3%. Deze hogere lasten zijn voor het overgrote deel toe te schrijven aan een zogenaamd samenstellingseffect. Er zijn namelijk iets meer «70% uitkeringen» dan begroot verstrekt en iets minder «50% uitkeringen», relatief dus iets meer duurdere uitkeringen en iets minder goedkope uitkeringen dan begroot. Dit verklaart grotendeels de (relatief kleine) toename van de lasten, terwijl het totale volume vrijwel gelijk is aan het begrote volume en ook het prijseffect, het verschil tussen de begrote en de gerealiseerde uitkeringshoogte, miniem is.
De toename van de lasten resulteert, bij een vrijwel gelijkblijvend volume, natuurlijk ook in een hogere gemiddelde uitkeringKortom, in dit jaarverslag zijn voor de AOW weinig verschillen waar te nemen ten opzichte van de begroting 2002. Er is slechts een klein samenstellingseffect.
Bijstelling van de uitvoeringskosten heeft plaatsgevonden ten gevolge van loon/prijsmutatie, wijziging van de interne verdeelsleutels van de SVB en budgetoverschrijding ten gevolge van correctie met betrekking tot de huuropbrengst. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is vooraan hoofdstuk 7 opgenomen.
Gedurende het jaar 2002 hebben zich op het gebied van de AOW geen andere wetswijzigingen dan het vooromschreven dichten van het AOW-gat voor grensarbeiders, voorgedaan.
8. MEDEDELING OVER DE BEDRIJFSVOERING
Het is de eerste keer dat in het departementaal jaarverslag een mededeling over de bedrijfsvoering wordt opgenomen. Met de mededeling wordt aangegeven of de processen (primaire en ondersteunende) dusdanig zijn georganiseerd én feitelijk plaatsvinden, dat zij een optimale bijdrage leveren aan het realiseren van de beleidsdoelstellingen.
Over het begrotingsjaar 2004 dient een volledige mededeling over de bedrijfsvoering door de minister worden afgegeven. Tot die tijd is er sprake van een groeitraject. Voor het jaarverslag 2002 geldt een tot financieel en materieel beheer beperkte mededeling over de bedrijfsvoering.
Mededeling over de bedrijfsvoering
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Jaar 2002
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verklaart hierbij als volgt.
In het verslagjaar is, uitgaande van de baseline financieel en materieel beheer, op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het financieel beheer, materieel beheer en de daartoe bijgehouden administraties bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Een en ander heeft in het verslagjaar geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen.
Een aantal punten van aandacht ten aanzien van het financieel en materieel beheer is naar voren gekomen waarbij de volgende verbeteracties zijn (worden) gestart:
1. In 2002 is het departement gereorganiseerd en is een nieuw besturingsmodel geïmplementeerd. De nog bestaande aanloopproblemen bij nieuwe organisatie-onderdelen zullen in 2003 worden opgelost. Hierbij wordt met name aandacht besteed aan het beheer en de bewaking van budgetten.
2. Ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie-regelgeving zal extra aandacht worden besteed aan de voorlichting van aanvragers van subsidieprojecten, aan het beheer van deze regelingen en aan de informatiesystemen. Daarbij zal met name aandacht worden besteed aan de subsidieregelingen en de externe accountantscontrole waar vooral kleine, private partijen gebruik van maken.
3. De inventarisadministratie voldoet nog niet aan de eisen. In 2002 is gestart met een nieuw geautomatiseerde inventarisadministratie. Door aanloopproblemen met het nieuwe informatiesysteem en de verhuizingen binnen het ministerie als gevolg van de verbouwing en reorganisatie van het departement, is de inventarisadministratie nog niet op orde. In 2003 zal de inventarisadministratie op orde worden gebracht.
4. De zeven stappen in het actieplan Professioneel Inkopen en Aanbesteden zijn door SZW nog niet volledig doorlopen. Per ultimo 2003 zal het actieplan volledig zijn uitgevoerd.
Toezicht op zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak
In de Wet SUWI, die ingaande 2002 van kracht is, is ervoor gekozen om de toezichtsfunctie te positioneren als een aparte entiteit – de Inspectie Werk en Inkomen – binnen het ministerie van SZW. Het toezicht fungeert onder volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Van belang is dat het toezicht onafhankelijk is ten opzichte van het beleid en de uitvoering, zodat toezichtbevindingen niet worden beïnvloed door politiek-bestuurlijke afwegingen. Uit de Wet SUWI volgt dat:
– de minister niet treedt in de toezichtsbevindingen van de Inspectie;
– de toezichtsbevindingen openbaar zullen zijn, zodat het parlement en andere belanghebbenden ongeclausuleerd kennis kunnen nemen van de toezichtbevindingen;
– het meerjarenplan, het jaarplan, het jaarverslag, het verslag met betrekking tot de discriminatiecode en alle door de Inspectie relevant geachte rapportages door de Minister worden verzonden aan het parlement.
Het toezicht formuleert geen eigen normen, maar baseert zich op de normen die de wetgever in wetgeving heeft vastgelegd en de nadere regelgeving die op basis daarvan door de Kroon (AMvB's), minister (ministeriële regelingen) of verantwoordelijke uitvoeringsorganisaties (beleidsregels binnen de hun gegeven bevoegdheid binnen de kaders van wet- en regelgeving) wordt getroffen. Dit is – samen met het jaarplan van de zelfstandige bestuursorganen, zodra dit door de minister is goedgekeurd – het normenkader, dat door de Minister desgewenst nader kan worden ingevuld indien de normering uit oogpunt van beleid of toezicht nadere concretisering behoeft. Ook bestuurlijke afspraken, zoals het uit 2000 daterende «minderhedenconvenant», dat eind 2002 expireert kunnen het van rechtswege geldende normenkader nader inkleuren.
De Inspectie Werk en Inkomen (IWI) is belast met de volgende wettelijke taken:
– Het toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid, waaronder begrepen de doeltreffendheid, van de uitvoering van de bij of krachtens SUWI of enig andere wet aan de Centrale organisatie voor Werk en Inkomen (CWI), de Raad voor Werk en Inkomen (RWI), het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Inlichtingenbureau (IB) opgedragen taken;
– Het toezicht op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de taken opgedragen aan gemeenten bij en krachtens de Algemene bijstandswet of enige andere wet die in medebewind met de minister van SZW wordt uitgevoerd;
– Het toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid, waaronder begrepen doeltreffendheid, van de wijze waarop CWI, UWV en de SVB met elkaar en met gemeenten bij de uitvoering van de aan hen opgedragen taken samenwerken;
– Het verrichten van andere bij of krachtens een wet aan IWI opgedragen taken. Zo houdt IWI namens de minister eveneens toezicht op het College voor de Toelating van de Bestrijdingsmiddelen en certificerende en keurende instanties op het terrein van arbeidsomstandigheden. Ook voert IWI enkele toezichtwerkzaamheden uit voor het College van zorgverzekeringen1.
Het toezicht leidt tot een oordeel of en in welke mate het uitvoeringsorgaan de beleidsdoelstellingen heeft bereikt en tracht verklaringen te geven als dat niet het geval is. Op basis van deze oordelen kunnen de verantwoordelijke partijen (bewindslieden en uitvoeringsinstanties) maatregelen treffen. Toezichtoordelen richten zich dus niet alleen op de uitvoeringsinstanties maar leveren ook een bijdrage aan de stuurfunctie.
De toezichthouder houdt op onafhankelijke wijze toezicht op de uitvoering. Het toezicht is organisatorisch en inhoudelijk duidelijk gescheiden van het beleid, de sturing en de uitvoering. Het toezicht is echter zodanig ingericht dat de minister hiervoor wel verantwoordelijkheid draagt. De minister verantwoordt zich aan het parlement over de werking van het beleid, de uitvoering en het toezicht.
IWI wil zich ontwikkelen tot een onafhankelijke, professionele publieke dienst met oog voor de wensen die leven in de samenleving. Dit betekent dat IWI een systematisch toezichtbeleid ontwikkelt, dat de resultaten daarvan openbaar zijn en dat er ruimte is om verbeteringen in de uitvoering en het beleid te signaleren.
De missie van IWI luidt:
De Inspectie Werk en Inkomen houdt onafhankelijk toezicht op de uitvoering van beleid Werk en Inkomen. De inzichten en oordelen van IWI betreffen de bereiking van publieke doelen en de besteding van publieke middelen door de uitvoering, zijn zo actueel mogelijk en worden publiek gemaakt in openbare rapporten. IWI draagt hierdoor bij aan de kwaliteit van uitvoering en beleid en bevordert zodoende het vertrouwen van burgers in uitvoering, beleid en toezicht.
Onafhankelijk zijn, houdt in dat de Inspecteur-Generaal (IG) zelf het jaarplan van de Inspectie vaststelt na overleg met de Minister. De IG houdt daarbij rekening met de wensen en opvattingen van de uitvoering en andere belanghebbenden, maar IWI formuleert en publiceert haar bevindingen en oordelen onversneden. Over de uitvoering van haar jaarplan legt de Inspectie in een eigen jaarverslag verantwoording af. In dit jaarverslag geeft IWI de hoofdlijn van haar verslag aan.
Voor de uitvoering van de sociale zekerheid worden publieke gelden ingezet. Het is een kerntaak van IWI om te beoordelen of de uitvoerende instanties deze publieke gelden juist en gericht (in overeenstemming met de wet) besteden en in hoeverre zij de publieke doelen realiseren en/of bevorderen.
Goed toezicht is zorgvuldig, deskundig, van hoge kwaliteit en betrouwbaar. De samenleving is gediend met een transparante en goede toezichthouder die zich op de juiste zaken richt en haar bevindingen publiekelijk presenteert. IWI draagt zo bij aan het vertrouwen van burgers dat de overheid bereid is zichzelf op het beleidsterrein werk in inkomen kritisch te bekijken.
De uitvoeringsorganen zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de uitvoering en de verantwoording daarover. Zij verantwoorden zich (althans op termijn) integraal aan de minister over de prestaties van de organisatie in termen van rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid. IWI beoordeelt deze verantwoording. Daarnaast verricht zij zelf onderzoek, gebaseerd op risicoanalyse. Op basis van beide onderzoeksvormen komt de inspectie tot oordelen, die de basis zijn voor signalen aan de bewindspersonen en de uitvoerende instanties. IWI gaat dus enerzijds systeemgericht te werk volgens de zogenaamde controle-op-controle methode/single audit. Anderzijds verricht IWI indien gewenst al dan niet gegevensgericht onderzoek (onder andere thematische onderzoeken).
IWI streeft ernaar om met gezaghebbende oordelen de waarborging van de kwaliteit en de verantwoording in de sector te stimuleren. Signalen van IWI zijn gericht op verbetering van de uitvoering binnen het stelsel van werk en inkomen.
Het toezicht is in zijn benadering, werkwijze en presentatie zoveel mogelijk uniform, maar gedifferentieerd waar nodig. Voor het toezicht geldt het beginsel van proportionaliteit: de vorm en intensiteit ervan is afhankelijk van de kwaliteit van (de verantwoording door) de uitvoeringsorganisaties.
IWI werkt aan de hand van een instrumentarium dat haar activiteiten transparant maakt en de uitkomsten van onderzoek objectiveert. Om aan haar positie en rol nadere invulling te geven, ontwikkelt IWI toezichtbeleid. Dit maakt aan zowel de uitvoerende instanties als aan de bewindspersonen duidelijk hoe IWI wil opereren en welke doelen zij daarbij nastreeft. IWI heeft haar toezichtbeleid in een nota vastgelegd (vastgesteld d.d. 13 december 2002). In 2003 zal IWI deze nota bespreken met haar directe ketenpartners en onder toezichtstaande instanties.
De criteria en wettelijke normen waaraan IWI de uitvoering toetst, worden vastgelegd in zogenoemde toezichtkaders. IWI beschouwt deze als een gegeven; IWI ontwikkelt zelf geen normen. IWI leidt haar toetsingskaders af van deze toezichtskaders.
9.4 Producten jaarplan IWI 2002
Onderstaand overzicht van producten is ontleend aan het jaarplan IWI 2002. Achtereenvolgens is een opsomming opgenomen van de producten die IWI geleverd heeft (9.4.1), de producten die IWI in aanvulling op het jaarplan heeft uitgebracht (9.4.2), de producten waarvan IWI de publicatie heeft uitgesteld tot 2003 (9.4.3) en, tot slot, de producten waarvan IWI heeft afgezien of waarvan IWI vanwege de actualiteit de strekking heeft gewijzigd (9.4.4).
De producten van IWI die in 2002 zijn uitgebracht kunnen in drie categorieën worden opgedeeld. Dit betreffen:
a. de plannen, rapporten en stukken die betrekking hebben op het functioneren van de Inspectie zelve,
b. de rapporten over de kwaliteit van de uitvoering door de uitvoerende instanties en
c. de rapportages die IWI uitbrengt naar aanleiding van de toetsen op eventuele knelpunten die voorgenomen wet- en regelgeving zou bevatten voor de uitvoering van het toezicht (de zgn. toezichtbaarheidstoetsen).
Ad a) Plannen, rapporten en stukken over de verrichtingen van IWI zelf:
– Jaarrekening Ctsv 2001
– Jaarplan IWI 2002.
– Diverse Protocollen SZW -IWI.
– Jaarverslag toezicht Gemeenten en Zelfstandige Bestuursorganen 2001.
– Meerjarenplan IWI 2002–2005 en Jaarplan 2003.
Ad b) Rapporten over de kwaliteit van de uitvoering door de uitvoerende instanties
Over diverse thema's, betreffende de kwaliteit van de uitvoering:
– Rapportage gegevensbeheer 2000.
– Geschikt of Ongeschikt: Rapportage over de rol arbeidsdeskundige bij de WAO-claimbeoordeling.
– Handhavingsplan IWI 2002–2003.
– Alles op tafel: De samenwerking tussen opsporingsdiensten voor de sociale verzekeringen en het Openbaar Ministerie .
– Vormgeving van cliëntenparticipatie: een tussenbalans.
Over de uitvoering door gemeenten, c.a.:
– Voortgangsrapportage verscherpt toezicht Amsterdam.
– Implementatie wet Suwi bij gemeenten. Tweede onderzoek naar de gemeentelijke voorbereidingen op de nieuwe Structuur Werk en Inkomen.
– Vrijlatingsbepalingen en premiebeleid. Een onderzoek naar de verordeningen inzake vrijlatingsbepalingen en premiebeleid van vijftig gemeenten.
– Rapportages over de landelijke uitvoering van de wetten ABW, IOAW, IOAZ, WIW, WSW, ID-banen etc.
– Rapportage uitvoering Algemene Bijstandswet door de gemeente Almelo.
– Rapportage verbetertraject Rotterdam.
– De uitvoering van de Algemene bijstandswet door de gemeente Haarlem.
– Rechtmatigheidsverklaring Wsw -besparingen 2001.
– Gemeentelijk ontheffingenbeleid. Onderzoek naar de uitvoeringspraktijk van gemeenten rond het verlenen van ontheffingen van arbeidsverplichtingen aan bijstandgerechtigden.
– Tijdige vaststellingen Abw c.a. 2000.
– Debiteuren in de Algemene Bijstands Wet. Een onderzoek naar de gemeentelijke uitvoering.
– Toetreding Sociale Werkvoorzieningbedrijven tot de reïntegratiemarkt.
Over de uitvoering door zelfstandige bestuursorganen:
– Uitvoering werknemersverzekeringen: Stand van zaken Rechtmatigheid 1e halfjaar 2001.
– Afhandeling openstaande posten UWV GAK.
– Eindrapportage Invoering van de euro bij uitvoeringsorganisaties sociale verzekeringen.
– Rapportage validatie-onderzoek 2001.
– Financiële scheiding publiek privaat bij uitvoeringsinstellingen: zesde vervolgrapportage ontvlechting .
– De sociale verzekeringen in 2001.
– Oordeel over begroting 2003 en jaarrekening 2001 van de SER
– Rechtmatigheidsverklaring ontvangsten betreffende de premies Ziekenfondswet 2001.
– CWI en ontslagzaken. De toets aan de herplaatsingsverplichting van werkgevers bij ontslagvergunning voor oudere werknemers.
– De Sociale Verzekeringsbank in verandering. Tussenrapportage over de voortgang van de reorganisatie van het hoofdkantoor en de veranderingen in het systeem van sturing en beheersing.
– Rechtmatigheidsverklaring AWBZ geldstromen en uitvoeringskosten 2001.
– De praktijk van het aanbesteden. Een onderzoek naar de uitvoering van de aanbestedingsprocedure reïntegratiecontracten 2002.
Ad c) IWI heeft in 2002 de volgende toezichtbaarheidstoetsen uitgebracht:
– Maatregelenbesluit Sociale Verzekeringen.
– Wetsvoorstel langdurend zorgverlof.
– Circlulaire aanbesteden reïntegratieactiviteiten door gemeenten.
– Beroep bij niet tijdig beslissen.
– Verzamelwet sociale verzekeringen 2002.
– Aanvullende inkomensondersteuning.
– Boetebesluit sociale verzekeringswetten.
– Regeling uitvoering en financiering WIW.
– Wetsvoorstel feitelijk arbeidsverleden WW, tweetal besluiten m.b.t voorgenomen wijzigingen Pemba.
– Voorstel beleidsregels subsidie WIW 2002.
– Wetvoorstel verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte.
– Concept besluit tot wijziging van Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten.
– Concept circulaire aanbesteding reïntegratieactiviteiten door gemeenten.
– Concept-Regeling vrijstelling verplichtingen Abw, Ioaw en Ioaz.
– Voorstel tot Wet en de Memorie van Toelichting betreffende de Wet Werk en Bijstand.
– De regeling tot aanpassing van de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden (Ruf).
– Beleidsregels financieel maatregelenbeleid Abw, IOAW en IOAZ.
– Concept-Besluit tot wijziging van het Besluit SUWI.
– Concept-besluit tot wijziging van het Reïntegratieinstrumentenbesluit Wet REA.
9.4.2 Producten uitgebracht, in aanvulling op het jaarplan
In aanvulling op het Jaarplan 2002 heeft IWI de volgende producten geleverd:
Over de uitvoering door gemeenten, c.a.:
– De inschakeling van een private partij bij de uitvoering van de Algemene bijstandswet door de gemeente Maarssen.
– Rapportage over de problemen in de samenwerkingsrelatie GSD en CWI te Dordrecht.
– Bijzondere bijstand in geval van detentie. Onderzoek naar beleid en uitvoering van gemeenten in 2001.
Over de uitvoering door zelfstandige bestuursorganen:
– IWI-commentaar op quick-scan nulmeting UWV (MEY).
– Cwintake: Onderzoek naar de beëindiging van het CWI-automatiseringsproject.
– Het functioneren van de samenloopapplicatie. Inventariserend onderzoek naar de betrouwbaarheid van de samenloopapplicatie van het Inlichtingenbureau medio 2002.
– Betrouwbaarheid samenloopapplicatie Inlichtingenbureau (IB) een vervolgrapportage.
– Onderzoek bij Liftinstituut.
IWI heeft de volgende producten uit het Jaarplan 2002 doorgeschoven naar 2003:
Over diverse thema's, betreffende de kwaliteit van de uitvoering:
– Landelijke rapportage en oordeel inzake de aanpak M&O, inbreng in integrale departementale handhavingsrapportage.
– Beschrijving van de werking van de ketens van werk en inkomen.
– Rapportage investeringen in de uitvoeringskosten en terugverdieneffecten in de uitkeringslasten.
– Aansturing verzekeringsartsen door managers.
– Reïntegratie bij de eigen werkgever (poortwachtersfunctie).
– Selectie clienten en Rib's.
– Landelijke rapportage afhandeling belastingsignalen 2002.
Over de uitvoering door gemeenten, c.a.:
– Quick scan van de uitvoering van de Abw door de Nederlandse gemeenten in 2001.
– Rapportage inzichtelijkheid van bestemming van gelden uit het Wiw-scholings- en activeringsbudget.
– Rapportage toepassing privacykader en richtlijnen gemeentelijke sociale diensten.
– Rapportage over kwaliteit proces indicatiestelling (poortwachter) WSW.
– Rapportage over zorgvuldige uitvoering WSW: wordt meegenomen in Uitlijning toezicht WsW.
– Gemeentebarometer 2002.
– Rapportages ontwikkeltraject Reïntegratie gemeenten:
• Aanbestedingsprocedure inkoop;
• Volledig sluitende aanpak zittend en nieuw bestand;
• Zorgplicht reïntegratie arbeidsgehandicapten.
Over de uitvoering door zelfstandige bestuursorganen:
– Toezicht op ICT-SVB
– Rapportage functioneren CWI en samenwerking met backoffice.
– Oordeel PVK.
De meeste van deze rapportages werden doorgeschoven naar 2003 in verband met capaciteitstekort bij IWI. IWI heeft te kampen met een groot aantal vacatures, die zich minder snel lieten vervullen dan gewenst. In de loop van het jaar bleek vervulling van de vacatureruimte minder wenselijk, gezien de omvang van de bezuinigingstaakstelling waarmee IWI, onder andere als gevolg van het Strategisch Akkoord, geconfronteerd werd. Deze omstandigheden hebben IWI genoopt tot herziening van de prioriteiten in de uitvoering van het jaarplan.
9.4.4 Gewijzigde of niet geleverde producten
IWI heeft haar programma gewijzigd ten opzichte van het jaarplan 2002 op de volgende onderwerpen:
– Werking CBBS. IWI volgt de ontwikkelingen rond het claimbeoordelings- en borgingssysteem, maar brengt geen aparte rapportage uit.
– Onderzoek Arbeidsgehandicaptentoets: Dit onderzoek is uitgesteld totdat er meer duidelijkheid is over de uitwerking van het kabinetsbeleid.
– Het oordeel over de informatievoorziening door het Lisv en de SVB wordt vervangen door een actueler oordeel over de informatievoorziening door de ZBO's en zal in 2003 uitgebracht worden.
IWI heeft de volgende producten die in het jaarplan 2002 werden aangekondigd, niet geleverd:
– Kwaliteit fraudebestrijding en samenwerking tussen de ketenorganisatie. De rapportage is geschrapt omdat het onderwerp lagere prioriteit heeft gekregen door «CWIntake». IWI zal de risicoanalyse op het gebied van uitkeringsintakes wel uitvoeren.
– Maatwerk voor alleenstaande ouders met jonge kinderen. De Algemene Rekenkamer brengt reeds een rapport uit over dit onderwerp.
– Deelrapportage debiteuren 2002: Deze activiteit is niet uitgevoerd, om capaciteit vrij te spelen voor verplicht te leveren producten.
Op grond van artikel 38 lid 2 van de wet Suwi stelt IWI jaarlijks voor 1 mei een jaarverslag op over de uitkomsten van de toezichtwerkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Dit jaarverslag dient een integrale rapportage te bevatten van de bevindingen over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering door de uitvoerende instanties, alsmede van de wijze waarop deze samenwerken. Het verslag dient voorts de daaraan door de Inspectie verbonden conclusies ten aanzien van de werking van het stelsel te bevatten (artikel 4 Besluit taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen). Bedoeld jaarverslag wordt parallel aan dit document ter kennis gebracht van beide Kamers der Staten-Generaal.
Voor een inhoudelijke bespiegeling op de bevindingen van IWI over de kwaliteit van de uitvoering van de sociale zekerheid in 2002 en de wijze waarop IWI met de bevindingen is omgegaan, wordt derhalve kortheidshalve verwezen naar het jaarverslag van de Inspectie werk en inkomen.
10. DEPARTEMENTALE VERANTWOORDINGSSTAAT (JAARVERSLAG)
10.1 Departementale verantwoordingsstaat van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
| (1) | (2) | (3)=(2)–(1) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Omschrijving | Oorspronkelijk vastgestelde begroting | Realisatie | Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting | |||||||
| verplich-tingen | uitgaven | ontvang-sten | verplich-tingen | uitgaven | ontvang-sten | verplich-tingen | uitgaven | ontvang-sten | ||
| Totaal-Generaal | 19 489 739 | 517 582 | 20 246 275 | 588 271 | 756 536 | 70 689 | ||||
| Beleidsartikelen | ||||||||||
| 1 | Basisdienstverlening werk en inkomen | 252 819 | 252 819 | 0 | 435 636 | 435 613 | 0 | 182 817 | 182 794 | |
| 2 | Stim. en kwaliteitsbevordering arbeidsaanbod | 1 408 429 | 1 371 526 | 38 299 | 1 732 137 | 1 287 517 | 40 673 | 323 708 | – 84 009 | 2 374 |
| 3 | Aanvullende werkgelegenheid | 1 054 486 | 1 054 486 | 0 | 1 925 250 | 986 627 | 26 330 | 870 764 | – 67 859 | 26 330 |
| 4 | Aangepast en begeleid werken | 1 974 210 | 1 974 936 | 394 789 | 2 144 307 | 2 076 279 | 435 402 | 170 097 | 101 343 | 40 613 |
| 5 | Algemene inkomensgarantie op minimumniveau | 4 537 623 | 4 537 636 | 79 412 | 4 790 866 | 4 636 280 | 27 902 | 253 243 | 98 644 | – 51 510 |
| 6 | Inkomensgarantie voor jonggehandicapten | 1 459 447 | 1 459 447 | 0 | 1 469 042 | 1 469 042 | 6 655 | 9 595 | 9 595 | 6 655 |
| 7 | Inkomensaanvulling herkeurde arbeidsongeschikten | 7 556 | 7 556 | 0 | 6 970 | 6 970 | 0 | – 586 | – 586 | 0 |
| 8 | Tijdelijke inkomensgararantie kunstenaars | 47 248 | 47 248 | 0 | 53 858 | 53 858 | 4 241 | 6 610 | 6 610 | 4 241 |
| 9 | Tegemoetkoming in de kosten van kinderen | 3 154 499 | 3 154 499 | 272 | 3 218 343 | 3 218 343 | 3 174 | 63 844 | 63 844 | 2 902 |
| 10 | Maatschappelijke participatie gehandicapten | 64 809 | 63 901 | 0 | 0 | 0 | 0 | – 64 809 | – 63 901 | 0 |
| 11 | Bevorderen van mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren | 5 841 | 5 841 | 0 | 161 703 | 153 358 | 4 | 155 862 | 147 517 | 4 |
| 12 | Coördinatie emancipatiebeleid | 12 459 | 19 050 | 0 | 10 591 | 16 152 | 145 | – 1 868 | – 2 989 | 145 |
| 13 | Verbetering arbeidsomstandigheden | 94 617 | 90 784 | 4 084 | 72 895 | 70 313 | 4 979 | – 21 722 | – 20 471 | 895 |
| 14 | Tegemoetkoming asbestslachtoffers | 4 186 | 4 186 | 0 | 1 970 | 1 967 | 0 | – 2 216 | – 2 219 | 0 |
| 15 | Rijksbijdragen sociale fondsen | 2 760 123 | 2 760 123 | 0 | 2 732 037 | 2 712 137 | 19 701 | – 28 086 | – 47 986 | 19 701 |
| 16 | Rijksbijdragen spaarfonds AOW | 2 405 256 | 2 405 256 | 0 | 2 405 073 | 2 405 073 | 0 | – 183 | – 183 | 0 |
| 17 | Structuur uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen | 34 498 | 34 498 | 0 | 460 488 | 456 404 | 10 128 | 425 990 | 421 906 | 10 128 |
| Niet-beleidsartikelen | ||||||||||
| 97 | Aflopende regelingen | 168 | 803 | 0 | 797 | 1 032 | 1 321 | 629 | 229 | 1 321 |
| 98 | Algemeen | 213 408 | 242 852 | 726 | 228 402 | 259 310 | 7 616 | 14 994 | 16 458 | 6 890 |
| 99 | Nominaal en onvoorzien | 2 292 | 2 292 | 0 | 0 | 0 | 0 | – 2 292 | – 2 292 | 0 |
10.2 De samenvattende verantwoordingsstaat 2002 van de baten-lastendiensten vanhet ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV)
| (1) | (2) | (3)+(2)–(1) | |
| Omschrijving x € 1 000 | Oorspronkelijk vastgestelde begroting | Realisatie | Verschik realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting |
| Agentschap SZW | |||
| Totale baten | 20 239 | 19 463 | – 776 |
| Totale lasten | 20 239 | 19 463 | – 776 |
| Saldo van baten en lasten | 0 | 0 | 0 |
| Totale kapitaalontvangsten | 20 239 | 22 943 | 2 704 |
| Totale kapitaaluitgaven | 0 | 157 | 157 |
| Inspectie Werk en Inkomen | |||
| Totale baten | 35 893 | 36 704 | 811 |
| Totale lasten | 35 893 | 35 050 | – 843 |
| Saldo van baten en lasten | 0 | 1 654 | 1 654 |
| Totale kapitaalontvangsten | 0 | 0 | 0 |
| Totale kaptiaaluitgaven | 316 | 91 | – 225 |
11. FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTATEN
11.1 Financiële toelichting bij de beleidsartikelen
In de financiële toelichting bij de beleidsartikelen wordt inzicht geboden in de met beleid samenhangende meerjarige bedragen van de aangegane verplichtingen, de gerealiseerde programma- en apparaatuitgaven en de gerealiseerde ontvangsten (horizontale toelichting). De toelichting op de financiële gegevens in de jaarrekening is aldus uitgebreider dan de toelichting in het beleidsverslag. Voor het behoud van het totaaloverzicht is er voor gekozen de tabellen van de verdiepingsbijlage te integreren in de financiële toelichting bij de beleidsartikelen (verdiepingstabel).
Toedeling apparaatuitgaven naar de beleidsartikelen
In de ontwerpbegroting 2002 is een eerste aanzet gedaan met de toedeling van begrote apparaatuitgaven naar de beleidsartikelen. De toedeling vond medio 2001 plaats en was gebaseerd op de toen geldende organisatiestructuur (beschikbare capaciteit, inzet van de directies aan de verschillende artikelen).
Per 1 januari 2002 is het departement heringericht. De toerekening van de realisaties van de apparaatuitgaven aan de verschillende beleidsartikelen is daarom gebaseerd op de nieuwe organisatiestructuur. De verhoudingen zijn echter zo veranderd dat de confrontatie tussen begrote toedeling en de uiteindelijke realisatie op de meeste artikelen tot aanzienlijke verschillen hebben geleid. De verschillen tussen begroting en realisatie op de apparaatsuitgaven worden daarom niet per artikel toegelicht.
Een toedeling van de realisaties op basis van de oude organisatiestructuur is administratief-technisch niet mogelijk.
Beleidsartikel 1. Basisdienstverlening Werk en Inkomen
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 1 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 561 870 | 497 467 | 435 636 | 252 819 | 182 817 |
| Uitgaven | 561 870 | 497 467 | 435 613 | 252 819 | 182 794 |
| Apparaatsuitgaven | 472 | 1 924 | – 1 452 | ||
| Personeel | 435 | 1 301 | – 866 | ||
| Materieel | 37 | 623 | – 586 | ||
| Programmauitgaven | 561 870 | 497 467 | 435 141 | 250 895 | 184 246 |
| CWI | 561 870 | 497 467 | 421 179 | 250 895 | 170 284 |
| BKWI | 13 962 | 13 962 | |||
| Ontvangsten | 158 823 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Uitgaven en verplichtingen 2000 en 2001 hebben betrekking op de totale rijksbijdrage Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Bron: SZW-administratie
De stand vastgestelde begroting 2002 is gebaseerd op de omvang van de basis dienstverlening van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In het bedrijfsplan CWI 2002 is een indicatie gegeven van de taken, productie en prestaties en de daarvoor in 2002 benodigde middelen om deze te realiseren. Deze taken wijken af van de taken van de voormalige Arbeidsvoorzieningsorganisatie (o.a. uitkeringsintake en MKB). Het initiële budget van € 253 miljoen is naar boven bijgesteld als gevolg van extra taken bedrijfsplan (€ 70,3 miljoen), loonbijstelling (€ 11,5 miljoen), MKB-convenant (€ 13,6 miljoen) en doelgroepenbeleid1 (€ 4,7 miljoen). Tevens is in de begroting van 2002 een bedrag van € 54,4 miljoen opgenomen ten behoeve van transformatieprojecten op het gebied van personeel en opleidingen, huisvesting, ICT en werkprocessen en communicatie. Voor het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) is in 2002 een bedrag van € 13,9 miljoen beschikbaar gesteld ten behoeve van de doorontwikkeling SUWI-net.
Bij de eerste en tweede suppletore begrotingen bij de Voorjaarsnota respectievelijk de Najaarsnota zijn de wijzigingen in de begroting 2002 verwerkt. CWI heeft naar aanleiding van haar tweede kwartaalrapportage 2002 een begrotingswijziging ten bedrage van € 20 miljoen ingediend. Het betrof met name loonkosten eigen personeel vanwege een extra toeloop van cliënten op de vestigingen en hogere automatiseringskosten dan geraamd vanwege de inrichting van de werkplekken. Deze wijzigingen hebben geleid tot een gewijzigde begrotingsstand 2002 van de programmauitgaven van € 439,5 miljoen.
Bij het constateren van een dreigende overschrijding van het budget heeft de CWI een aantal maatregelen getroffen om overschrijding van het budget te beperken. De maatregelen betroffen onder andere het beëindigen van de relatie met externe krachten en externe adviseurs en het besparen op kantoor, ICT en overige beheerskosten.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 1 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000 XV, nr. 1) | 252 819 | 252 819 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 252 819 | 252 819 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 98 400 | 98 400 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 88 310 | 88 310 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | – 3 893 | – 3 916 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 435 636 | 435 613 | 0 |
Beleidsartikel 2. Stimulering en kwaliteitsbevordering arbeidsaanbod
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 2 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 1 148 151 | 1 082 711 | 1 732 137 | 1 408 429 | 323 708 |
| Uitgaven | 1 035 933 | 977 948 | 1 287 517 | 1 371 526 | – 84 009 |
| Apparaatsuitgaven | 136 134 | 19 415 | 24 047 | 24 640 | – 593 |
| Personeel | 4 072 | 2 976 | 1 096 | ||
| Materieel | 212 | 1 425 | – 1 213 | ||
| Agentschap SZW | 136 134 | 19 415 | 19 763 | 20 239 | – 476 |
| Programmauitgaven | 899 799 | 958 533 | 1 263 470 | 1 346 886 | – 83 416 |
| Sluitende reïntegratie | 502 161 | 565 398 | 688 597 | 688 001 | 596 |
| Wiw dienstbetrekkingen en WEP | 344 700 | 303 500 | 290 260 | 326 585 | – 36 325 |
| Scholing HVS | 96 078 | 63 529 | 32 549 | ||
| Minderhedenbeleid | 3 147 | 34 914 | 9 518 | 22 493 | – 12 975 |
| Kinderopvang Abw | 49 791 | 53 547 | 57 604 | 86 809 | – 29 205 |
| Sectorale stimulansen | 0 | 0 | 14 207 | 34 033 | – 19 826 |
| Casemanagement e.d. | 0 | 1 174 | 99 586 | 118 890 | – 19 304 |
| Subsidies en overige beleidsuitgaven | 0 | 0 | 6 488 | 5 298 | 1 190 |
| Onderzoek en beleidsinformatie | 0 | 0 | 1 132 | 1 248 | – 116 |
| Ontvangsten | 0 | 86 218 | 40 673 | 38 299 | 2 374 |
| Algemeen | 86 218 | 38 299 | – 38 299 | ||
| Ontvangsten Arbeidsmarkt | 33 473 | 33 473 | |||
| Ontvangsten Bijstandszaken | 7 200 | 7 200 | |||
Bron: SZW-administratie
De onderuitputting op dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen is het gevolg van een lager aantal gerealiseerd dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen dan in de begroting was voorzien.
Scholing HVS (Hoofdelijke Versnelde Scholing )
De overdracht van Centrum Vakopleiding activiteiten naar de Regionale Opleidingscentra (ROC) heeft per 1 januari 2003 plaatsgevonden. Door de Stichting Centrum Vakopleiding zijn voor deze overdracht koopovereenkomsten met de ROC's afgesloten en is voor het boventallige personeel een Sociaal Plan opgesteld.
Bij najaarsnota is aan het onderdeel scholing HVS van artikel 2 € 15 miljoen toegevoegd ter dekking van de verwachte kosten Sociaal Plan Stichting Centrum Vakopleiding.
Eind 2002 is gebleken dat er meer personeel (in fte's) door de ROC's wordt overgenomen dan eerder was voorzien, waardoor de kosten van het Sociaal Plan lager zullen uitvallen. Daar tegenover staat dat in het kader van de koopovereenkomsten door de Stichting Centrum Vakopleiding een hogere bijdrage aan de ROC's zal worden verstrekt. Ter voldoening van deze hogere bijdrage aan de ROC's en voor de kosten van de liquidatie van de Stichting, is aan de Stichting Centrum Vakopleiding een extra bijdrage toegekend.
De onderuitputting op dit budget wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat de eindafrekening van het MKB-convenant minderheden uit 2001 niet heeft plaatsgevonden in 2002, maar is doorgeschoven naar 2003.
De middelen voor de KOA-regeling zijn in 2002 onderbenut door de volgende oorzaken: a) te hoge prijzen voor kinderopvang in verhouding tot de maximale vergoeding per kindplaats uit de KOA-regeling, b) onvoldoende beschikbare capaciteit aan kinderopvang plaatsen, c) hoge administratieve (uitvoerings-) lasten.
Sectorale stimulansen: Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers (SVWW)
De SVWW moest in 2002 nog worden ontwikkeld, waardoor er in totaal € 14,2 miljoen is uitgegeven. De uitgaven bestaan uit een bedrag van ruim € 9,6 miljoen voor apparaatskosten en ruim € 4,5 miljoen voor de SVWW.
In de begroting 2002 is voor de Agenda voor de Toekomst (casemanagement en projecten/experimenten) van € 118,8 miljoen opgenomen. Bij najaarsnota is het bedrag voor 2002 verhoogd tot € 141,2 miljoen. De realisatie in 2002 is lager dan het beschikbare bedrag omdat de bestuurlijke afspraken met het merendeel van de gemeenten uit de G4 en G26 in de loop van 2002 zijn gerealiseerd. Hierdoor waren niet alle gemeenten in staat om reeds in 2002 voorstellen in te dienen voor vernieuwende projecten. Ook hebben niet alle gemeenten in 2002 een voorschot ontvangen. Daarnaast heeft het project regionale samenwerking vertraging opgelopen.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 2 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000 XV, nr. 1) | 1 400 987 | 1 364 084 | 38 299 |
| Nota van wijziging (kmstk. 2001/02, 28 000 XV, nr. 15) | 7 442 | 7 442 | |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 1 408 429 | 1 371 526 | 38 299 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | – 22 316 | – 22 370 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 50 560 | 50 497 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 295 464 | – 112 136 | 2 374 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 1 732 137 | 1 287 517 | 40 673 |
Beleidsartikel 3. Aanvullende werkgelegenheid
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 3 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 760 989 | 877 178 | 1 925 250 | 1 054 486 | 870 764 |
| Uitgaven | 760 989 | 877 178 | 986 627 | 1 054 486 | – 67 859 |
| Apparaatsuitgaven | 582 | 1 440 | – 858 | ||
| Personeel | 545 | 974 | – 429 | ||
| Materieel | 37 | 466 | – 429 | ||
| Programmauitgaven | 760 989 | 877 178 | 986 045 | 1 053 046 | – 67 001 |
| I/D-banen | 755 181 | 871 014 | 979 394 | 1 045 967 | – 66 573 |
| RSP | 5 808 | 6 164 | 6 651 | 7 079 | – 428 |
| Ontvangsten | 22 871 | 15 741 | 26 330 | 0 | 26 330 |
Bron: SZW-administratie
De afwijking bij de verplichtingen wordt veroorzaakt door de overgang per 2003 van declaratiesysteem naar budgetteringssysteem. Daardoor zijn in 2002 verplichtingen aangegaan voor de betaling van een deel van de subsidies 2003.
Het budget is verhoogd met de reguliere loonbijstelling 2002. Het verschil ten opzichte van de begroting 2002 houdt verband met een lager groeitempo met name bij de doorstroombanen en met anticipatie door gemeenten op het nieuwe Besluit ID-banen 2003.
Regeling Schoonmaakdiensten Particulieren (RSP)
Per saldo is er een onderschrijding van € 0,4 miljoen op de RSP-regeling. De verklaring hiervoor is dat de werving van personeel voor de RSP moeizaam verloopt.
In 2002 is bij de vaststelling subsidies voor In- en doorstroombanen en de RSP een bedrag van € 26,3 miljoen ontvangen.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 3 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000 XV, nr. 1) | 1 054 486 | 1 054 486 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 1 054 486 | 1 054 486 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | – 78 300 | – 78 300 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | – 3 900 | – 3 900 | 18 480 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 952 964 | 14 341 | 7 850 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 1 925 250 | 986 627 | 26 330 |
Beleidsartikel 4. Aangepastwerken
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 4 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 1 929 804 | 2 061 449 | 2 144 307 | 1 974 210 | 170 097 |
| Uitgaven | 1 831 024 | 1 949 511 | 2 076 279 | 1 974 936 | 101 343 |
| Apparaatsuitgaven | 592 | 629 | – 37 | ||
| Personeel | 555 | 425 | 130 | ||
| Materieel | 37 | 204 | – 167 | ||
| Programmauitgaven | 1 831 024 | 1 949 511 | 2 075 687 | 1 974 307 | 101 380 |
| Wsw | 1 831 024 | 1 949 511 | 2 075 687 | 1 974 307 | 101 380 |
| Ontvangsten | 387 026 | 390 615 | 435 402 | 394 789 | 40 613 |
| Anticumulatiebepalingen | 369 792 | 372 915 | 393 544 | 394 789 | – 1 245 |
| Uitvoering Wsw | 17 244 | 17 700 | 41 858 | 0 | 41 858 |
Bron: SZW-administratie
Bij tweede suppletore wet is de WSW opgehoogd met € 103,5 miljoen ten behoeve van de jaarlijkse loon- en prijsontwikkeling. De uiteindelijke uitgaven komen vrijwel exact overeen met de beschikbare middelen, samenhangend met het systeem van budgetfinanciering waarin op basis van een vooraf toegekend aantal arbeidsplaatsen gedurende het jaar subsidie wordt bevoorschot. Bij vaststelling achteraf wordt de subsidie voor niet gerealiseerde arbeidsplaatsen teruggevorderd. Extra gerealiseerde arbeidsplaatsen boven het aantal waarvoor subsidie is gegeven komen voor rekening van de gemeente.
In 2002 is bij vaststelling van de subsidies WSW, en met name die over 2000, een bedrag van in totaal bijna € 42 miljoen verrekend met gemeenten. De terugvordering van toegekende subsidiemiddelen betreft vooral onderrealisatie van arbeidsplaatsen.
De ontvangsten wegens samenloop met Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn vrijwel even groot als bij begroting.
De totale anticumulatiebaten zijn vrijwel uitgekomen op het in de begroting gegeven bedrag. Te zien is dat de WAO en WAZ baten lager zijn uitgevallen, samenhangend met een lager volume. Volume en baten wegens samenloop WSW en WAJONG zijn daarentegen hoger uitgevallen.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 4 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000 XV, nr. 1) | 1 974 210 | 1 974 936 | 394 789 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 1 974 210 | 1 974 936 | 394 789 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 103 500 | 103 500 | – 1 300 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 66 597 | – 2 157 | 41 913 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 2 144 307 | 2 076 279 | 435 402 |
Beleidsartikel 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 5 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 4 057 395 | 5 539 873 | 4 790 866 | 4 537 623 | 253 243 |
| Uitgaven | 4 057 395 | 4 473 321 | 4 636 280 | 4 537 636 | 98 6 44 |
| Apparaatsuitgaven | 3 153 | 3 202 | – 49 | ||
| Personeel | 2 992 | 2 165 | 827 | ||
| Materieel | 161 | 1 037 | – 876 | ||
| Programma-uitgaven | 4 057 395 | 4 473 321 | 4 633 127 | 4 534 434 | 98 693 |
| Gebudgetteerd deel Abw, Ioaw en Ioaz | 1 089 420 | 1 108 579 | 1 048 628 | 59 951 | |
| Declaratie deel Abw, Ioaw en Ioaz | 3 745 027 | 3 084 853 | 3 190 104 | 3 143 575 | 46 529 |
| Toeslagenwet uitgaven | 291 444 | 274 630 | 306 804 | 285 486 | 21 318 |
| Toeslagenwet uitvoeringskosten | 20 924 | 24 418 | 8 007 | 23 130 | – 15 123 |
| Handhaving | 18 663 | 32 400 | – 13 737 | ||
| Subsidies en overige beleidsuitgaven | 970 | 1 215 | – 245 | ||
| Ontvangsten | 81 907 | 81 817 | 27 902 | 79 412 | – 51 510 |
| Ontvangsten Bijstandszaken | 26 350 | 79 412 | – 53 062 | ||
| Ontvangsten Toeslagenwet | 1 552 | 1 552 | |||
Bron: SZW-administratie
De uitgaven aan Abw, Ioaw en Ioaz in 2002 waren per saldo ruim € 106 miljoen hoger dan begroot. De oorzaak zit voor een groot deel (€ 60 miljoen) in de stijging van het budgetdeel. Dit is voornamelijk veroorzaakt door de koppeling van de bijstandsuitkeringen aan de loonontwikkeling (WKA). Het budgetdeel is gedurende 2002 naar boven bijgesteld op basis van de verwachte conjuncturele ontwikkeling en de koppeling aan de loonontwikkeling. In totaal is door de koppeling € 188 miljoen extra uitgegeven. Exclusief de koppeling zijn de uitgaven dus lager dan oorspronkelijk geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat het volume Abw aan mensen jonger dan 65 jaar ruim 17 000 lager uit is gevallen dan oorspronkelijk geraamd (circa 318 000 ten opzichte van een raming van circa 336 000). De verwachte stijging van de Abw als gevolg van de verslechterende conjunctuur in 2002 trad later op dan verwacht. Pas eind 2002 is het Abw-volume gaan stijgen. Dit heeft ook als gevolg dat de gemiddelde uitkering hoger uitvalt dan verwacht, omdat het gebudgetteerde deel nu over een lager volume wordt verdeeld.
De uitgaven voor het budgetdeel zijn door aanhoudingen en verrekening van oude jaren iets hoger dan wat er aan de gemeenten is uitgedeeld voor 2002.
Ten opzichte van de begroting 2002 (€ 31 miljoen) komen de realisaties € 11 miljoen lager uit. Dit is voornamelijk een gevolg van het volume: het aantal uitkeringen komt uit op de helft van het begrote aantal (3 300). De gemiddelde uitgaven daarentegen zijn € 2 832 hoger.
De rubriek Kredieten op de begroting is een saldopost van verstrekte kredieten minus de ontvangsten daaruit. Hiernaast is het volume gehalveerd ten opzichte van de begroting. Deze twee elementen samen veroorzaken een verlaging van het gemiddelde krediet .
De onderzoekskosten komen € 0,5 miljoen lager uit dan begroot. Het aantal verrichte onderzoeken ligt 600 hoger, daardoor zijn de gemiddelde kosten per onderzoek lager dan begroot.
In 2002 deed zich een daling voor van het volume van de Toeslagenwet. Ondanks de toename van het WW-volume in 2002 daalde het aantal toeslagen op de WW. De gemiddelde toeslag liet een stijging zien ten opzichte van 2001. Beide ontwikkelingen waren voorzien in de raming, maar deden zich in sterkere mate voor. De sterkere stijging van de gemiddelde toeslag weegt zwaarder dan de grotere daling van het volume. Dit resulteert in € 21 miljoen hogere uitkeringslasten dan voorzien in de raming.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 5 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 4 537 623 | 4 537 636 | 79 412 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 4 537 623 | 4 537 636 | 79 412 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 85 044 | 85 020 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 41 317 | 44 107 | – 48 500 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 126 882 | – 30 483 | – 3 010 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 4 790 866 | 4 636 280 | 27 902 |
Beleidsartikel 6. Inkomensgarantie voor jonggehandicapten
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 6 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 1 320 132 | 1 462 886 | 1 469 042 | 1 459 447 | 9 595 |
| Uitgaven | 1 320 132 | 1 462 886 | 1 469 042 | 1 459 447 | 9 595 |
| Apparaatsuitgaven | 97 | 182 | – 85 | ||
| Personeel | 92 | 123 | – 31 | ||
| Materieel | 5 | 59 | – 54 | ||
| Programmauitgaven | 1 320 132 | 1 462 886 | 1 468 945 | 1 459 265 | 9 680 |
| Wajong uitkeringen | 1 285 857 | 1 421 229 | 1 431 275 | 1 418 365 | 12 910 |
| Wajong uitvoeringskosten | 34 275 | 41 657 | 37 670 | 40 900 | – 3 230 |
| Ontvangsten | 400 | 231 | 6 655 | 0 | 6 655 |
Bron: SZW-administratie
De Wajong-uitgaven zijn onderverdeeld in uitkeringslasten, uitvoeringskosten en de aan Wajonggerechtigden toe te rekenen REA-uitgaven.
De uitkeringslasten Wajong zijn € 13 miljoen hoger dan geraamd. Het verschil wordt veroorzaakt door een hogere uitkeringslasten Wajong van € 5 miljoen en een hogere REA-bijdrage aan het Wajong-fonds van € 7 miljoen.
De volume-ontwikkeling Wajong blijkt iets gunstiger dan geraamd (-400 uitkeringen; – € 4 miljoen). De gemiddelde jaaruitkering ligt € 77 hoger dan geraamd (+ € 9 miljoen). De reguliere prijsbijstelling vanwege indexering bedroeg € 63 miljoen. De reële prijs is derhalve met € 54 miljoen neerwaarts bijgesteld. De reden van de bijstelling is administratief van aard en ligt in verschillen tussen administratie op transactiebasis (gebruikt voor de raming in de begroting 2002) en kasbasis (gebruikt voor de bovenstaande realisatie).
De REA-uitgaven zijn € 7 miljoen hoger dan geraamd. Dit is voornamelijk het gevolg van wijzigingen in de toerekeningssytematiek van REA-lasten aan de diverse fondsen.
Ontvangsten op uitkeringslasten Wajong
In 2002 is voor € 6,7 miljoen aan ontvangsten gerealiseerd op afrekeningen 2001. Ten tijde van de ontwerpbegroting waren deze ontvangsten niet voorzien.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 6 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 1 459 447 | 1 459 447 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 1 459 447 | 1 459 447 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | – 10 600 | – 10 600 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 100 700 | 100 700 | 6 000 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | – 80 505 | – 80 505 | 655 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 1 469 042 | 1 469 042 | 6 655 |
Beleidsartikel 7. Inkomensaanvulling voor herkeurde arbeidsongeschikten
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 7 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 6 020 | 6 716 | 6 970 | 7 556 | – 586 |
| Uitgaven | 6 020 | 6 716 | 6 970 | 7 556 | – 586 |
| Apparaatsuitgaven | 19 | 160 | – 141 | ||
| Personeel | 18 | 108 | – 90 | ||
| Materieel | 1 | 52 | – 51 | ||
| Programmauitgaven | 6 020 | 6 716 | 6 951 | 7 396 | – 445 |
| Tbia uitkeringen | 5 320 | 6 016 | 6 600 | 6 896 | – 296 |
| Tbia uitvoeringskosten | 700 | 664 | 351 | 500 | – 149 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Bron: SZW-administratie
De uitkeringslasten komen € 0,3 miljoen lager uit dan geraamd bij de ontwerpbegroting. De lagere realisatie wordt veroorzaakt door een lager volume dan geraamd. De uitvoeringskosten vallen ook lager uit.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 7 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 7 556 | 7 556 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 7 556 | 7 556 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | – 1 100 | – 1 100 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 514 | 514 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 6 970 | 6 970 | 0 |
Beleidsartikel 8. Inkomensgarantie voor kunstenaars
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 8 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 42 634 | 47 312 | 53 858 | 47 248 | 6 610 |
| Uitgaven | 42 634 | 47 312 | 53 858 | 47 248 | 6 610 |
| Apparaatsuitgaven | 74 | 191 | – 117 | ||
| Personeel | 71 | 129 | – 58 | ||
| Materieel | 3 | 62 | – 59 | ||
| Programmauitgaven | 42 634 | 47 312 | 53 784 | 47 057 | 6 727 |
| WIK Uitkeringslasten | 35 209 | 40 969 | 47 615 | 40 069 | 7 546 |
| WIK Uitvoeringskosten | 7 424 | 6 343 | 6 169 | 6 988 | – 819 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 4 241 | 0 | 4 241 |
De hogere programmauitgaven (€ 6,7 miljoen) komen volledig ten laste van de uitkeringslasten WIK die ruim € 7,5 miljoen hoger uitvallen dan in de ontwerpbegroting waren geraamd. Het gerealiseerde volume is met 4 417 (raming gebaseerd op opgave van CWI) vrijwel gelijk aan de oorspronkelijke raming van 4 500 WIK-uitkeringen. De hogere uitkeringslasten worden veroorzaakt door een hogere gerealiseerde gemiddelde uitkering (€ 10 780) dan oorspronkelijk geraamd (€ 8 898).
De stijging van de gemiddelde uitkering heeft voor een deel betrekking op doorwerking van uitvoeringsmutaties in 2001 en de koppeling van de netto-uitkeringen aan de loonontwikkeling (WKA).
Een andere mogelijke oorzaak kan gelegen liggen in teruglopende inkomsten van kunstenaars.
De uitvoeringskosten gemeenten bedragen € 4,3 miljoen. Gemeenten ontvangen een vast bedrag van € 998 per WIK-gerechtigde per ultimo van het uitvoeringsjaar.
De uitvoeringskosten van de beroepsmatigheidstoets door Kunstenaars & CO zijn € 1,9 miljoen. Kunstenaars & CO ontving in 2002 € 0,8 miljoen als vaste vergoeding naast een vergoeding van € 272 per advies.
Aan restituties in verband met vaststellingen gemeenten over voorgaande jaren en verrekening van voorschotten over het vierde kwartaal 2001 werd in 2002 ruim € 4,2 miljoen ontvangen.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 8 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 47 248 | 47 248 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 47 248 | 47 248 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 3 600 | 3 600 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 3 500 | 3 500 | 4 200 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | – 490 | – 490 | 41 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 53 858 | 53 858 | 4 241 |
Beleidsartikel 9. Tegemoetkoming in de kosten van kinderen
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 9 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 3 010 501 | 3 105 611 | 3 218 343 | 3 154 499 | 63 844 |
| Uitgaven | 3 010 501 | 3 105 611 | 3 218 343 | 3 154 499 | 63 844 |
| Apparaatsuitgaven | 97 | 1 317 | – 1 220 | ||
| Personeel | 92 | 890 | – 798 | ||
| Materieel | 5 | 427 | – 422 | ||
| Programmauitgaven | 3 010 501 | 3 105 611 | 3 218 246 | 3 153 182 | 65 064 |
| AKW-uitkeringen | 2 920 946 | 3 010 849 | 3 118 389 | 3 060 545 | 57 844 |
| AKW-uitvoeringskosten | 78 639 | 76 988 | 78 138 | 76 800 | 1 338 |
| TOG-uitkeringslasten | 9 893 | 15 753 | 19 813 | 14 737 | 5 076 |
| TOG-uitvoeringskosten | 1 024 | 2 021 | 1 906 | 1 100 | 806 |
| Ontvangsten | 10 042 | 9 892 | 3 174 | 272 | 2 902 |
Bron: SZW-administratie
De realisatie van de AKW-uitkeringen is € 3 118 miljoen en is per saldo € 58 miljoen hoger dan de raming volgens de ontwerpbegroting 2002. De toename is het gevolg van de volgende ontwikkelingen:
• Een aanpassing van de geraamde uitkeringslasten voor gestegen prijzen (+ € 46,6 miljoen)
• Een toename van het aantal (tel)kinderen dat in aanmerking komt voor een kinderbijslag uitkering (+ € 0,9 miljoen)
• Nabetalingen over het laatste kwartaal van 2001 (+ € 1,4 miljoen)
• Nadere afrekening over jaar 2001 op ontvangsten geboekt bij SZW van € 2,6 miljoen
• Herziening naar aanleiding van uitvoeringsgegevens van uitkeringen met terugwerkende kracht (+ € 6,5 miljoen).
De uitvoeringskosten zijn € 1,3 miljoen hoger dan geraamd.
De TOG-uitkeringen zijn € 5,1 miljoen hoger dan geraamd bij de ontwerpbegroting. Verklaring hiervoor:
• Nadere afrekening over 2001 heeft tot nabetalingen geleid in 2002 van € 2,55 miljoen;
• Op ontvangsten geboekt bij SZW over 3de en 4de kwartaal 2001 is € 517 000(i.e. niet gesaldeerd met voorschotbedragen 3de en 4de kwartaal 2001).
• De uitkeringen met terugwerkende kracht zijn € 523 000 hoger;
• Door hoger volume en indexaties TOG uitkeringen is de uitkeringslast €1,46 miljoen hoger.
De nadere afrekening over 2001 heeft zowel betrekking op een hogere uitkeringslast dan geraamd over 2001 als op extra uitkeringen in verband met achteraf vastgestelde rechten voor TOG gerechtigden in 2001.
Het aantal kinderen dat gebruik maakt van de (versoepelde) TOG regeling2000 is circa 9% hoger dan in de begroting. De nieuwe gevallen hebben vaak recht op een uitkering met terugwerkende kracht. De uitkeringen met terugwerkende kracht bedragen in 2002 totaal € 1,72 miljoen.
De uitvoeringkosten zijn in 2002 aanzienlijk hoger dan geraamd bij de ontwerpbegroting (€ 0,8 miljoen) als gevolg van de arbeidsintensieve verwerking van het toegenomen aantal nieuwe aanvragen.
De ontvangsten zijn in de ontwerpbegroting niet geraamd met uitzondering van een bedrag van€ 0,3 miljoen Dit betreft de taakstelling uitvoeringskosten in verband met de bijdrage SZW aan de nationale ombudsman.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 9 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 3 154 499 | 3 154 499 | 272 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 3 154 499 | 3 154 499 | 272 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 3 100 | 3 100 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 54 500 | 54 500 | 3 200 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 6 244 | 6 244 | – 298 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 3 218 343 | 3 218 343 | 3 174 |
Beleidsartikel 10. Maatschappelijke participatie van gehandicapten
Dit artikel is per Koninklijk besluit van 21 juli 2002 in zijn geheel overgegaan naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De verantwoording geschiedt aldus op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 10 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 28 203 | 25 020 | 0 | 64 809 | – 64 809 |
| Uitgaven | 38 576 | 35 092 | 0 | 63 901 | – 63 901 |
| Apparaatsuitgaven | 0 | 509 | – 509 | ||
| Personeel | 0 | 344 | – 344 | ||
| Materieel | 0 | 165 | – 165 | ||
| Programmauitgaven | 38 576 | 35 092 | 0 | 63 392 | – 63 392 |
| Woningaanpassingen | 9 484 | 4 828 | 0 | 13 977 | – 13 977 |
| Sociaal vervoer AWBZ | 22 371 | 20 164 | 0 | 21 055 | – 21 055 |
| Bovenregionaal vervoer | 6 721 | 10 100 | 0 | 26 954 | – 26 954 |
| Subsidies | 0 | 0 | 0 | 1 406 | – 1 406 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Bron: SZW-administratie
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 10 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 64 809 | 63 901 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 64 809 | 63 901 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 6 000 | – 2 400 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | – 70 809 | – 61 501 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 0 | 0 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 0 | 0 | 0 |
Beleidsartikel 11. Bevordering van combinatiemogelijkheden van arbeid en zorg
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 11 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 140 | 151 | 161 703 | 5 841 | 155 862 |
| Uitgaven | 140 | 151 | 153 358 | 5 841 | 147 517 |
| Apparaatsuitgaven | 180 | 2 211 | – 2 031 | ||
| Personeel | 170 | 1 495 | – 1 325 | ||
| Materieel | 10 | 716 | – 706 | ||
| Programmauitgaven | 140 | 151 | 153 178 | 3 630 | 149 548 |
| Rijksbijdrage wet Finlo | 140 | 151 | 238 | 3 630 | – 3 392 |
| Kinderopvang | 152 691 | 152 691 | |||
| Onderzoek en beleidsinformatie | 249 | 249 | |||
| Ontvangsten | 0 | 0 | 4 | 0 | 4 |
Bron: SZW-administratie
De Rijksbijdrage wet Finlo bestaat uit twee elementen. Het eerste element betreft de (rijks-)bijdrage aan het Awf overeenkomend met de bespaarde uitkeringen van uitkeringsgerechtigden (exclusief WW-gerechtigden) die als vervanger zijn aangesteld van verlofgangers (werknemers) met een Finlo-uitkering. Het beroep op de Finlo-uitkering bleef ver achter bij de oorspronkelijke verwachting. Derhalve bleef ook het aantal vervangers (uitkeringsgerechtigden) achter en daarmee de bespaarde uitkeringslasten. Tevens is slechts een fractie (naar schatting circa 15%, gebaseerd op het eerste halfjaarcijfer 2002) van de verlofgangers vervangen (voor de overige verlofgangers gold geen vervangingsvereiste), terwijl de raming uitging van 45% vervanging; dit op basis van realisaties in eerdere jaren. Beide factoren hadden een drukkend effect op de bespaarde uitkeringen en daarmee op de hoogte van de Rijksbijdrage.
Het tweede element betreft de uitvoeringskosten van het UWV voor de aanvraagprocedure en het regulier uitkeren van een Finlo-uitkering. Omdat het beroep op de Finlo-regeling ver is achter gebleven bij de verwachtingen waarop de oorspronkelijke raming is gebaseerd, zijn ook de uitvoeringskosten veel lager gebleken.
Als uitvloeisel van het Strategisch Akkoord, dat ten grondslag lag aan het op 22 juli 2002 nieuw aangetreden kabinet, is per diezelfde datum de beleidsverantwoordelijkheid voor de kinderopvang overgegaan van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) naar SZW. De beleidsuitgaven op dit terrein worden voor het hele jaar 2002 verantwoord op beleidsartikel 11 van de SZW-begroting. Het gaat daarbij om een totaalpost van € 152,94 miljoen. De apparaatsuitgaven worden nog verantwoord op de begroting van VWS. Deze zullen eerst met de overkomst van het ambtelijk apparaat per 1 januari 2003 naar de begroting van SZW worden overgeheveld.
De beleidsuitgaven kinderopvang hebben met name betrekking op de specifieke uitkering aan gemeenten op grond van de Regeling uitbreiding Kinderopvang en Buitenschoolse opvang (RKB). Hiermee was in 2002 een bedrag van € 146,2 miljoen gemoeid. Het resterende bedrag is besteed aan subsidies en opdrachten in het kader van het flankerend beleid. Het gaat daarbij o.a. om projecten in het kader van de uitbreiding van het aantal kinderopvangplaatsen, de verbetering van kwaliteit en toezicht, alsmede de voorbereiding van de sector op de invoering van de nieuwe Wet basisvoorziening kinderopvang (Wbk).
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 11 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 5 841 | 5 841 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 5 841 | 5 841 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr.) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 7 294 | 148 468 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | 148 568 | – 951 | 4 |
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | |||
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 161 703 | 153 358 | 4 |
Beleidsartikel 12. Coördinatie emancipatiebeleid
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 12 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 16 998 | 12 628 | 10 591 | 12 459 | – 1 868 |
| Uitgaven | 13 147 | 14 311 | 16 152 | 19 050 | – 2 898 |
| Apparaatsuitgaven | 2 230 | 5 922 | – 3 692 | ||
| Personeel | 2 109 | 1 841 | 268 | ||
| Materieel | 121 | 4 081 | – 3 960 | ||
| Programmauitgaven | 13 147 | 14 311 | 13 922 | 13 128 | 794 |
| Emancipatiesubsidies | 8 103 | 7 915 | 6 344 | 7 491 | – 1 147 |
| Dagindeling | 5 045 | 6 396 | 3 852 | 4 503 | – 651 |
| Primair proces | 2 733 | 0 | 2 733 | ||
| Voorlichting Meerjarenbeleidsplan | 365 | 1 134 | – 769 | ||
| Onderzoek en beleidsinformatie | 628 | 0 | 628 | ||
| Ontvangsten | 5 | 0 | 145 | 0 | 145 |
Bron: SZW-administratie
De uitgaven voor emancipatiesubsidies waren begroot op € 7,5 miljoen. Gedurende de uitvoering van de begroting is de raming verhoogd in verband met de loonbijstelling en de Vrouwenvakscholen (VVS) alsmede verlaagd in verband met een kasschuif naar 2003. Er is ruim € 6,3 miljoen uitgegeven. Het verschil van bijna € 1,2 miljoen is ontstaan doordat de voorziening voor de VVS niet geheel tot uitbetaling is gekomen en doordat een voor 2002 geplande verrekening met Justitie inzake het in te stellen Infopunt Gelijke Behandeling niet heeft plaatsgevonden.
De uitgaven voor de Stimuleringsmaatregel Dagindeling waren op € 4,5 miljoen begroot. De realisatie bedraagt € 3,8 miljoen. Wijzigingen in de looptijd alsmede opschorting van de bevoorschotting van een aantal experimenten hebben geleid tot de onderbesteding van bijna € 0,7 miljoen.
De uitgaven voor de artikelonderdelen Primair proces, Voorlichting, Onderzoek en beleidsinformatie waren op € 1,1 miljoen begroot. In verband met een aantal budgettair neutrale verschuivingen binnen dit artikel is per saldo € 2,6 miljoen meer uitgegeven aan primair proces, voorlichting en onderzoek en beleidsinformatie dan geraamd. De uitgaven Primair proces betreffen uitgaven voor diverse (vervolg-)projecten zoals de implementatie gendermainstreaming, levensloop, emancipatiesubsidiebeleid, tweede ambassadeursnetwerk, pilots vrouwen veiligheidsindex, taskforce vrouwen, veiligheid en conflict.
De uitgaven onderzoek en beleidsinformatie betreffen diverse onderzoeken zoals genderbewust personeelsbeleid overheid, diversiteitsvisie emancipatie, verdiepingsonderzoek VN-vrouwenverdrag en genitale verminking.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 12 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 12 459 | 19 050 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 12 459 | 19 050 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 2 408 | 2 408 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 1 261 | 424 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | – 5 537 | – 5 730 | 145 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 10 591 | 16 152 | 145 |
Beleidsartikel 13. Verbetering arbeidsomstandigheden
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 13 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 10 489 | 14 586 | 72 895 | 94 617 | – 21 722 |
| Uitgaven | 7 294 | 11 155 | 70 313 | 90 784 | – 20 471 |
| Apparaatsuitgaven | 47 496 | 49 094 | – 1 598 | ||
| Personeel | 40 029 | 33 197 | 6 832 | ||
| Materieel | 7 467 | 15 897 | – 8 430 | ||
| Programmauitgaven | 10 489 | 11 155 | 22 817 | 41 690 | – 18 873 |
| Convenanten | 10 401 | 20 295 | 39 024 | – 18 729 | |
| subsidies | 10 489 | 754 | 2 522 | 2 666 | – 144 |
| Ontvangsten | 2 209 | 1 985 | 4 979 | 4 084 | 895 |
Bron: SZW-administratie
Het verschil tussen raming en realisaties van de convenanten in 2002 komt door een groot aantal herschikkingen. De belangrijkste zijn een kasschuif van € 10 miljoen naar 2004 en 2005 en een verschuiving van € 7,9 miljoen in de eerste tranche convenanten van 2002 naar latere jaren. De besteding is achtergebleven bij de verwachting door vertragingen in het aanloopproces naar de daadwerkelijke realisaties. Inmiddels is duidelijk dat de piek in de bestedingen zal plaatsvinden in de jaren 2003 en 2004. De ingeboekte kasschuiven voorkomen dat het convenantenbudget in 2002 te ruim en in latere jaren te krap is. Door vertragingen in de besluitvorming rond arboprojecten op het terrein van preventie en reïntegratie, waaronder de kennisinfrastructuur, zijn de uitgaven hiervoor in 2002 lager uitgevallen in verband met het demissionair worden van het kabinet.
Uit tot nu toe afgesloten convenanten blijkt een convenant gemiddeld ongeveer € 1,7 miljoen te kosten (iets onder het uitgangspunt van € 2 miljoen). Er zijn 38 convenanten gesloten, waarin bijna € 64 miljoen aan bijdrage(n) vanuit dit artikel is afgesproken. Er zijn 16 intentieverklaringen getekend. De ontvangsten vloeien voort uit de op grond van de Arbeidsomstandighedenwet opgelegde bestuurlijke boeten. De hogere dan geraamde ontvangsten bestuurlijke boeten door de Arbeidsinspectie zijn te verklaren door toename van het gebruik van het boete-instrument bij nagenoeg gelijkblijvende inspectie-aantallen.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 13 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 94 617 | 90 784 | 4 084 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 94 617 | 90 784 | 4 084 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | – 5 170 | – 6 081 | 1 000 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | – 11 178 | – 11 007 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | – 5 374 | – 3 383 | – 105 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 72 895 | 70 313 | 4 979 |
Beleidsartikel 14. Tegemoetkoming asbestslachtoffers
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 14 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 1 228 | 3 394 | 1 970 | 4 186 | – 2 216 |
| Uitgaven | 1 228 | 3 394 | 1 967 | 4 186 | – 2 219 |
| Apparaatsuitgaven | 36 | 102 | – 66 | ||
| Personeel | 30 | 69 | – 39 | ||
| Materieel | 6 | 33 | – 27 | ||
| Programmauitgaven | 1 228 | 3 394 | 1 931 | 4 084 | – 2 153 |
| Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers | 1 228 | 3 394 | 1 931 | 4 084 | – 2 153 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Bron: SZW-administratie
De oorzaak van het verschil tussen de geraamde en gerealiseerde uitgaven in 2002 is gelegen in het veel lager gerealiseerde aantal uitkeringen dan was geraamd (95 resp. 200). De voornaamste oorzaak is de zware – op het civiele aansprakelijkheidsrecht gebaseerde – bewijslast. Daarnaast hebben minder nabestaanden een aanvraag op grond van het overgangsrecht bij invoering van de regeling ingediend en duurt de afhandeling van wél door nabestaanden ingediende aanvragen langer omdat bewijslast indirect moet worden verkregen doordat het slachtoffer reeds is overleden.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 14 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 4 186 | 4 186 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 4 186 | 4 186 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | – 1 800 | – 1 800 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | – 416 | – 419 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 1 970 | 1 967 | 0 |
Beleidsartikel 15. Rijksbijdragen sociale fondsen
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 15 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 40 462 | 41 198 | 2 732 037 | 2 760 123 | – 28 086 |
| Uitgaven | 40 462 | 41 198 | 2 712 137 | 2 760 123 | – 47 986 |
| Apparaatsuitgaven | 240 | 349 | – 109 | ||
| Personeel | 229 | 236 | – 7 | ||
| Materieel | 11 | 113 | – 102 | ||
| Programmauitgaven | 40 462 | 41 198 | 2 711 897 | 2 759 744 | – 47 877 |
| Rijksbijdragen | 39 161 | 39 672 | 40 756 | 62 300 | – 21 544 |
| Premiebijdragen gemoedsbezwaren | 1 301 | 1 526 | 1 656 | 1 089 | 567 |
| Bijdragen BIKK | 0 | 0 | 2 669 485 | 2 696 385 | – 26 900 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 19 701 | 0 | 19 701 |
Het overschot op de Rijksbijdragen betreft een lagere betaling voor Sluitende aanpak WW (ad € 20 miljoen) dan was geraamd.
Premiebijdragen gemoedsbezwaren
De gerealiseerde uitgaven zijn € 0,6 miljoen hoger dan geraamd bij de ontwerpbegroting. Dit wordt in hoofdzaak verklaard door een hogere gemiddelde vrijstelling dan geraamd (€ 19 714 t.o.v. € 10 777).
De raming voor de bijdragen BIKK is gedurende het uitvoeringsjaar 2002 neerwaarts bijgesteld (€ 26,9 miljoen).
In 2002 is voor € 19,7 miljoen aan ontvangsten gerealiseerd in verband met de nadere afrekening van de rijksbijdrage sluitende aanpak WW over 2000. Ten tijde van de ontwerpbegroting waren deze ontvangsten niet voorzien.
| Verdiepingstabel bij beleidsartikel 15 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 2 749 123 | 2 749 123 | 0 |
| Amendement (kmstk. 2001/02, 28 000 XV nr. 19) | 11 000 | 11 000 | |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 2 760 123 | 2 760 123 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | – 27 700 | – 47 700 | 19 700 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | – 386 | – 286 | 1 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 2 732 037 | 2 712 137 | 19 701 |
Beleidsartikel 16. Rijksbijdragen Spaarfonds AOW
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 16 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 2 178 145 | 2 291 590 | 2 405 073 | 2 405 256 | – 183 |
| Uitgaven | 2 178 145 | 2 291 590 | 2 405 073 | 2 405 256 | – 183 |
| Apparaatsuitgaven | 38 | 221 | – 183 | ||
| Personeel | 36 | 149 | – 113 | ||
| Materieel | 2 | 72 | – 70 | ||
| Programmauitgaven | 2 178 145 | 2 291 590 | 2 405 035 | 2 405 035 | 0 |
| Spaarfonds AOW | 2 178 145 | 2 291 590 | 2 405 035 | 2 405 035 | 0 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Bron: SZW-administratie
De gerealiseerde uitgaven in 2002 stemmen overeen met de ontwerpbegroting. Zie voor verdere toelichting op het AOW-spaarfonds de verantwoording van het spaarfonds (begrotingshoofdstuk 57).
| Verdiepingsbijlage bij beleidsartikel 16 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 2 405 256 | 2 405 256 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 2 405 256 | 2 405 256 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | – 183 | – 183 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 2 405 073 | 2 405 073 | 0 |
Beleidsartikel 17. Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen
| Horizontale toelichting bij beleidsartikel 17 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | Verschil | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 89 782 | 592 342 | 460 488 | 34 498 | 425 990 |
| Uitgaven | 28 926 | 592 342 | 456 404 | 34 498 | 421 906 |
| Apparaatsuitgaven | 1 902 | 5 910 | – 4 008 | ||
| Personeel | 1 670 | 3 996 | – 2 326 | ||
| Materieel | 112 | 1 914 | – 1 802 | ||
| Agentschappen | 120 | 0 | 120 | ||
| Programmauitgaven | 28 926 | 592 342 | 454 502 | 28 588 | 425 914 |
| Facilitering oprichting CWI | 148 | 0 | 1 536 | 3 630 | – 2 094 |
| Ontvlechting Arbvo | 3 242 | 471 720 | 278 507 | 278 507 | |
| Ondersteuning vorming BVG'en | 998 | 1 588 | 15 882 | – 14 294 | |
| Coördinatie reïntegratiemarkt | 1 501 | 11 216 | 9 645 | 9 076 | 569 |
| ICT | 8 039 | 6 328 | 5 949 | 5 949 | |
| Overig | 102 080 | 88 | 88 | ||
| – Afwikkeling SWI-projecten | 11 999 | ||||
| – Overige projecten | 3 997 | ||||
| Afwikkeling ESF-oud (Rapport de Koning) | 157 189 | 157 189 | |||
| Ontvangsten | 0 | 0 | 10 128 | 0 | 10 128 |
Bron: SZW-administratie
Het verschil ad € 421,9 miljoen tussen de vastgestelde begroting en de realisatie is toe te schrijven aan de met het Ministerie van Financiën afgesproken wijze van begroten. Die methode houdt in dat de voor de Suwi-operatie benodigde middelen niet op de SZW-begroting onder dit beleidsartikel, maar op een aanvullende post bij Financiën worden geraamd. Op basis van concrete projectvoorstellen en -doelen hevelt Financiën na haar akkoord begrotingsmiddelen vanuit die aanvullende post over naar dit beleidsartikel, ten laste waarvan de feitelijke uitgaven voor de Suwi-operatie worden gedaan. Er is dus geen sprake van onvoorziene tegenvallers. De vastgestelde begroting 2002 bedroeg € 34,5 miljoen. Uit de aanvullende post is in 2002 € 405,3 miljoen overgeboekt naar dit artikel.
Deze toevoegingen hebben alle betrekking op betalingen die in 2002 zijn gedaan voor ESF (€ 157,2 miljoen) en met de ontvlechting en verzelfstandiging van de bedrijfsonderdelen van Arbeidsvoorziening (€ 248,1 miljoen). Van de onderuitputting 2001 is via de eindejaarsmarge voorts een bedrag van € 31,9 miljoen aan dit artikel toegevoegd voor ondersteuning bij de vorming van bedrijfsverzamelgebouwen. Verdere interne budgettaire herschikkingen, uitvoeringsmutaties en een kasschuif van € 25 miljoen naar 2003 voor de stimuleringsregeling bedrijfsverzamelgebouwen hebben geleid tot een beschikbaar begrotingsbedrag van € 438,6 miljoen bij 2e suppletore wet.
De gerealiseerde uitgaven zijn € 17,8 miljoen hoger uitgekomen dan het bij 2e suppletore wet beschikbare bedrag. Dit verschil is het saldo van een aantal tegen- en meevallers. De belangrijkste overschrijding houdt verband met een aanvullende rekening-courantbetaling eind 2002 aan Arbeidsvoorziening voor Mobilans (€ 30,0 miljoen); met Financiën was al overeengekomen dat voor deze betaling bij slotwet een begrotingsmutatie vanuit de aanvullende post naar dit artikel zal plaatsvinden.
Daartegenover staan lagere uitgaven bij de ondersteuning bedrijfsverzamelgebouwen (€ 4,2 miljoen; veroorzaakt doordat de aanvragen trager verlopen dan verwacht), facilitering oprichting CWI (€ 2,9 miljoen; reden ligt deels in terugloop van de kosten, deels in verschuiving kosten naar 2003). Daarnaast zijn er diverse kleinere mee- en tegenvallers op andere projectonderdelen die per saldo hebben geleid tot € 5,1 miljoen lagere uitgaven.
De CWI-regeling kost minder dan oorspronkelijk is verwacht. Reden hiervoor is dat een groot deel van de kosten van vorming van CWI's al gedekt is uit de middelen die in het kader van de SWI-regeling in 1999–2000 aan gemeenten ter beschikking zijn gesteld. Dit verklaart tevens het bedrag aan terugontvangsten van € 10,1 miljoen. Deze ontvangsten hebben betrekking op de eindafrekening SWI, waarbij is gebleken dat de verstrekte subsidies de gemaakte kosten overtreffen.
Met betrekking tot de BVG-regeling is de constatering dat vooral in 2003 de vorming van BVG-en zal gaan versnellen. In 2002 zijn plannen van aanpak ingediend, die nu worden beoordeeld. De vorming van BVG-en en uitbetaling van de subsidie voor de vergoeding van inrichtingskosten zal vooral in 2003 plaatsvinden. In 2002 zijn slechts startsubsidies verstrekt. De realisatie 2002 is daarom € 14 miljoen lager uitgevallen.
De ICT-post heeft betrekking op de afwikkeling van declaraties van de Veranderorganisatie SUWI. Bij de opstelling van de begroting 2002 was met deze post geen rekening gehouden.
De post coördinatie reïntegratiemarkt laat een overschrijding zien van € 0,6 miljoen. De bijdrage voor de regionale platforms van ruim € 9 miljoen is € 0,6 miljoen hoger uitgekomen, als gevolg van een niet voorziene nabetaling over 2001 die in 2002 heeft plaats gevonden.
| Verdiepingsbijlage bij beleidsartikel 17 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 34 498 | 34 498 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 34 498 | 34 498 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 31 919 | 31 919 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 372 198 | 372 198 | 9 500 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 21 873 | 17 789 | 628 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 460 488 | 456 404 | 10 128 |
11.2 Financiële toelichting bij de niet-beleidsartikelen
In de financiële toelichting bij de niet-beleidsartikelen wordt inzicht geboden in het met beleid samenhangende meerjarige bedragen van de aangegane verplichtingen, de gerealiseerde programma- en apparaatuitgaven en de gerealiseerde ontvangsten (horizontale toelichting). De toelichting op de financiële gegevens in de jaarrekening is aldus uitgebreider dan de toelichting in het beleidsverslag. Voor het behoud van het totaaloverzicht is er voor gekozen de tabellen voor de verdiepingsbijlage te integreren in de financiële toelichting bij de beleidsartikelen (verdiepingstabel).
Niet-beleidsartikel 97. Aflopende regelingen
| Horizontale toelichting bij niet-beleidsartikel 97 | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 53 | 839 | 797 | 168 |
| Uitgaven | 8 917 | 2 980 | 1 032 | 803 |
| Apparaatsuitgaven | 0 | 0 | 30 | 168 |
| Personeel | 0 | 0 | 29 | 114 |
| Materieel | 0 | 0 | 1 | 54 |
| Programmauitgaven | 8 917 | 2 980 | 1 002 | 636 |
| Financiële afwikkeling afgesloten regelingen | 17 | 4 | 162 | 0 |
| Jeugdspaarwet | 8 741 | 2 141 | 0 | 454 |
| Regeling ex-mijnwerkers | 25 | 0 | 207 | 182 |
| Experimenten | 121 | 0 | 53 | 0 |
| Koopkrachtreparatie | 13 | 0 | 0 | 0 |
| Millenniumbijdragen | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Liquidatiewet invaliditeitswetten | 0 | 0 | 0 | 0 |
| IHS-banenpools | 0 | 835 | 580 | 0 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 1 321 | 0 |
Bron: SZW-administratie
Financiële afwikkeling afgesloten regelingen
Voor de afwikkeling van afgesloten regelingen was geen budgettaire voorziening getroffen in de begroting.
Op gemeentelijke afrekeningen voor de verplichte inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is in 2002 € 0,2 miljoen nabetaald.
In de begroting was rekening gehouden met € 0,5 miljoen nabetalingen op afrekeningen in het kader van de Jeugdspaarwet. Er zijn in 2002 geen nabetalingen geweest.
De op dit artikelonderdeel voorziene bijdrage aan het Algemeen Mijnwerkersfonds ad € 182 000 is uitbetaald. Op de Vut-regeling ex-mijnwerkers is € 25 000 nabetaald.
In 2002 is € 53 000 aan nabetalingen experiment activering uitkeringsgelden (EAU) verricht.
In 2002 zijn er in het kader van de koopkrachtreparatie voor ex-banenpoolers met Individuele Huursubsidie (IHS) € 0,6 miljoen aan nabetalingen verricht.
Het gaat hier voornamelijk om terugbetalingen of terugvorderingen op grond van gerechtelijke uitspraken en of bezwaar- en beroepsprocedures uit het verleden. In 2002 is in totaal € 1,3 miljoen ontvangen. Bijna € 0,7 miljoen heeft betrekking op terugvorderingen van gelden die zijn verstrekt in het kader van de «experimenten activering uitkeringsgelden». Circa € 0,3 miljoen betreft ontvangsten afwikkeling Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV). Het restant zijn restituties en terugvorderingen IHS-banenpools, oude Emigratieverplichtingen en overige zaken.
| Verdiepingsbijlage bij niet-beleidsartikel 97 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 168 | 803 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 168 | 803 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 0 | 0 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 25 | – 429 | 137 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 605 | 658 | 1 184 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 797 | 1 032 | 1 321 |
Niet-beleidsartikel 98. Algemeen
| Horizontale toelichting bij niet-beleidsartikel 98 | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | |
| Verplichtingen | 259 130 | 306 807 | 228 402 | 213 408 |
| Uitgaven | 235 106 | 274 153 | 259 310 | 242 852 |
| Apparaatsuitgaven | 180 325 | 212 925 | 232 528 | 191 778 |
| Personeel | 120 991 | 135 817 | 93 563 | 72 541 |
| Materieel | 24 200 | 32 027 | 26 312 | 30 414 |
| Huisvesting | 19 000 | 22 753 | 43 639 | 38 705 |
| Automatisering | 16 134 | 22 328 | 32 371 | 31 967 |
| Bijdrage moederdepartement aan IWI | – | – | 36 643 | 18 151 |
| Programmauitgaven | 54 781 | 61 228 | 26 782 | 51 074 |
| Primair proces | 4 100 | 4 828 | 2 526 | 1 826 |
| Onderzoek & beleidsinformatie | 13 338 | 12 314 | 11 402 | 11 482 |
| Voorlichting | 4 988 | 7 696 | 6 939 | 5 313 |
| Subsidies | 14 393 | 12 385 | 907 | 9 864 |
| Handhaving | 17 962 | 24 005 | 5 008 | 22 588 |
| Ontvangsten | 3 697 | 3 455 | 7 616 | 726 |
Het totaal van de apparaatuitgaven in de ontwerpbegroting bedroeg € 251,6 miljoen. De gerealiseerde uitgaven 2002 bedragen € 293,9 miljoen. Uiteindelijk is deze realisatie ruim € 40 miljoen hoger dan oorspronkelijk geraamd. De hogere uitgaven konden worden gerealiseerd omdat de begroting van de apparaatuitgaven gedurende de uitvoering is bijgesteld voor loon- en prijsbijstelling € 8,2 miljoen, een overboeking van het CTSV ad € 18,2 miljoen ten behoeve van IWI, een toevoeging van ruim € 18 miljoen via de eindejaarsmarge voor het oplossen van knelpunten, circa € 2,5 miljoen desalderingen en € 2,5 miljoen overige mutaties voornamelijk als gevolg van herschikkingen van budgetten. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget voor alle apparaatuitgaven tezamen bedroeg circa € 301 miljoen. De realisatie van € 294 miljoen geeft dan ook ten opzichte van die stand een onderuitputting te zien van € 7 miljoen (ruim 2%).
Het totaal van de personeelsuitgaven in de ontwerpbegroting bedroeg € 123,1 miljoen. Gedurende de begrotingsuitvoering is dit budget verhoogd voor loonbijstelling € 6,6 miljoen, een overboeking van het CTSV voor IWI € 18,2 miljoen, overboekingen van andere departementen € 1,0 miljoen en overige mutaties voornamelijk voor het oplossen van knelpunten € 1,4 miljoen. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget voor personeelsuitgaven bedroeg circa € 150,3 miljoen. De realisatie van € 146,7 miljoen geeft dan ook ten opzichte van die stand een onderuitputting te zien van € 3,6 miljoen. Dit is de optelsom van relatief kleine afwijkingen op circa 65 personeelsbudgetten .
Materieel (inclusief bijdrage moederdepartement aan het AG IWI)
Gedurende de begrotingsuitvoering is dit materieelbudget met € 22,2 miljoen verhoogd. De bijstellingen op het materieelbudget betreffen herschikkingen en/of toevoegingen voor het oplossen van knelpunten. De mutaties zijn voor een belangrijk het gevolg van de gewijzigde budgetverantwoordelijkheden als gevolg van de herinrichting van het departement per 1 januari 2002. De mutaties zijn of via de eindejaarsmarge of binnen de SZW begroting afgedekt. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget voor materieel bedroeg € 73,5 miljoen. De realisatie van € 71,2 miljoen geeft ten opzichte van die stand een onderuitputting te zien van € 2,3 miljoen.
Gedurende de begrotingsuitvoering is het totale huisvestingsbudget per saldo met € 3,3 miljoen verlaagd. De verlagingen betreffen een door VROM gepleegde correctie als gevolg van rijksbrede herberekende huisvestingsbudgetten (€ 1,6 miljoen), de ontvlechting van de huisvestingscomponent CTSV naar Agentschap IWI (€ 1,0 miljoen) en verschuivingen binnen artikel 98 van en naar het subartikelonderdeel Materieel (per saldo € 0,7 miljoen). In de begroting 2002 was oorspronkelijk € 8,5 miljoen van het beschikbare huisvestingsbudget ad. € 43,9 miljoen, toegerekend aan beleidsartikelen; deze toerekening bleek om technische redenen niet mogelijk en het volledige bedrag is daarom weer toegevoegd aan het centrale huisvestingsbudget. De totale huisvestingsuitgaven in 2002 bedroegen € 43,6 miljoen. Ten opzichte van het totale beschikbare huisvestingsbudget € 43,9 (€ 38,7 miljoen en € 8,5 miljoen toegerekende huistvestingsuitgaven) betekent dit nagenoeg een volledige uitputting.
Gedurende de begrotingsuitvoering is dit automatiseringsbudget met € 3,6 miljoen verhoogd voor desalderingen ad. € 1,5 miljoen en voor herschikkingen en overige mutaties voornamelijk voor het oplossen van knelpunten € 2,1 miljoen. Het uiteindelijk bij Najaarsnota beschikbare budget voor automatiseringsuitgaven bedroeg circa € 35,6 miljoen. De realisatie van € 32,4 miljoen geeft dan ook ten opzichte van die stand een onderuitputting te zien van € 3,2 miljoen (ca 10%).
De gerealiseerde onderuitputting is enerzijds het gevolg van kleine verschuivingen in planning en het niet tijdig meer kunnen verwerken van ontvangen facturen van leveranciers in de administratie (per saldo € 0,4 miljoen). Anderzijds is de onderuitputting het gevolg van een vertraging in de planning van ICT-projecten (ad. € 2,7 miljoen) die ondersteunend zijn aan de uitvoering van de Abw, voortvloeiend uit de invulling van het Strategisch akkoord.
Het budget voor primair proces op artikel 98 is gedurende het uitvoeringsjaar met € 2,7 miljoen verhoogd als gevolg van de herinrichting van het departement per 1 januari 2002. Uiteindelijk is van het totale beschikbare budget (€ 4,5 miljoen) € 2,5 miljoen gerealiseerd.
Onderzoek en beleidsinformatie
De uitgaven aan onderzoek en beleidsinformatie zijn in 2002 (over alle beleidsartikelen) iets hoger uitgekomen dan geraamd. De voornaamste reden hiervoor is dat in 2002 nog een aantal rekeningen uit voorgaande jaren zijn afgehandeld.
Het voorlichtingsbudget op artikel 98 is gedurende het uitvoeringsjaar met € 2 miljoen verhoogd. Van het totaal beschikbare budget ad. € 7,3 miljoen is uiteindelijk € 6,9 miljoen gerealiseerd.
Het verschil ad. € 8,9 miljoen tussen stand ontwerpbegroting 2002 en de gerealiseerde subsidieuitgaven op artikel 98 is als volgt te verklaren. Ten eerste stond op artikel 98 een bedrag ad. € 6,8 miljoen tijdelijk geparkeerd voor projecten in het kader van Communautaire Initiatief EQUAL. Deze middelen zijn medio 2002 structureel overgeboekt naar beleidsartikel 2, waar de uitgaven van het Agentschap SZW – onder meer belast met de uitvoering van het Communautaire Initiatief EQUAL – worden verantwoord. Vanwege het karakter van deze uitgaven zijn ze in dit jaarverslag niet als reguliere SZW-subsidies geoormerkt.
Daarnaast stond op artikel 98 € 1,3 miljoen geparkeerd voor subsidies waarvan de toekenningsprocedure ten tijde van het opstellen van de begroting 2002 nog liep, maar welke uiteindelijk niet zijn toegekend.
Tot slot was er sprake van een klein reservebudget ad. € 0,8 miljoen dat voor aanvullende subsidieaanvragen gedurende het jaar 2002 kon worden aangewend. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Het totaal aan uitgaven voor subsidies dat niet aan beleidsdoelstelling kon worden toebedeeld bedroeg volgens de begroting 2002 € 0,8 miljoen. Er is € 0,9 miljoen gerealiseerd.
Handhaving en kwaliteitsverbetering uitvoering
Het totale budget bedroeg bij begroting 2002 € 55,0 miljoen. Hiervan is € 32,4 miljoen toegerekend aan de beleidsartikelen en bleef € 22,6 miljoen centraal geraamd. Van dit centrale budget is gedurende het uitvoeringsjaar € 15,6 miljoen verder toegerekend naar de beleidsartikelen. Van het resterende centrale budget ad. € 7 miljoen is uiteindelijk € 5 miljoen gerealiseerd.
In de bijlage M&O-beleid wordt meer inzicht gegeven in de budgettaire kanten van het handhavingsbeleid.
| Verdiepingsbijlage niet-beleidsartikel 98 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 195 257 | 224 701 | 0 |
| Nota van wijziging (kmstk, 2001/02, 28 000 XV, nr. 15) | 18 151 | 18 151 | 726 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 213 408 | 242 852 | 726 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 2 935 | 3 924 | 1 044 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | 21 464 | 11 576 | 3 869 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | – 9 405 | 958 | 1 977 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 228 402 | 259 310 | 7 616 |
Niet-beleidsartikel 99. Nominaal en onvoorzien
| Horizontale toelichting bij niet-beleidsartikel 99 | ||||
|---|---|---|---|---|
| x € 1000 | Realisatie | Vastgestelde Begroting | ||
| 2000 | 2001 | 2002 | 2002 | |
| Uitgaven | 0 | 0 | 0 | 2 292 |
| Onvoorzien | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Loonbijstelling | 0 | 0 | 0 | 301 |
| Prijsbijstelling | 0 | 0 | 0 | 1 992 |
Bron: SZW-administratie
De beschikbaar gestelde middelen voor de loon- en prijsontwikkelingen zijn gedurende de begrotingsuitvoering 2002 naar de in aanmerking komende begrotingsartikelen overgeboekt.
| Verdiepingsbijlage bij niet-beleidsartikel 99 | |||
|---|---|---|---|
| x € 1 000 | Verplichtingen | Kasuitgaven | Ontvangsten |
| Ontwerpbegroting 2002 (kmstk. 28 000, nr. 1) | 2 292 | 2 292 | 0 |
| 1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 261) | 2 292 | 2 292 | 0 |
| Mutaties 1ste suppletore begroting (Voorjaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 312, nr. 1) | |||
| 2. Vastgestelde mutatie 1ste suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 277) | 233 767 | 233 767 | 0 |
| Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota) | |||
| Ontwerp-suppl. Begroting (kmstk., 28 710, nr. 1) | |||
| 3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 85) | – 236 059 | – 236 059 | 0 |
| Mutaties slotwet | |||
| Ontwerp-slotwet | |||
| 4. Vast te stellen mutatie slotwet | 0 | 0 | 0 |
| Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4) | 0 | 0 | 0 |
11.3 Toelichting bij de baten-lastendiensten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de rekeningen van het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen, bestaande uit de begrotingsstaat, een overzicht van baten en lasten, de balans per 31 december 2002, de ontwikkeling van het eigen vermogen en een kasstroomoverzicht. De agentschappen volgen hierbij de inrichtingseisen zoals die zijn opgenomen in de Comptabliteitswet en de Handleiding Agentschappen (artikel 6 van het Handboek Financiële Informatie en Administratie van de Rijksoverheid (HAFIR)).
| 1.1 Balans | ||
|---|---|---|
| Balans (bedragen x € 1 000) | Balans per 31 december 2002 | Balans per 31 december 2001 |
| Activa | ||
| Immateriële activa | 344 | 332 |
| Materiële activa | ||
| • grond en gebouwen | ||
| • installaties en inventarissen | ||
| • overige materiële activa | 62 | 9 |
| Voorraden | ||
| Debiteuren | 72 | |
| Nog te ontvangen | 959 | 119 |
| Liquide middelen | 6 887 | 5 172 |
| Totaal activa | 8 323 | 5 632 |
| Passiva | ||
| Eigen vermogen | ||
| • exploitatiereserve | 250 | 250 |
| • verplichte reserves | ||
| • onverdeeld resultaat | ||
| Leningen bij het Min. van Fin. | 313 | |
| Voorzieningen | 370 | 405 |
| Crediteuren | 1 467 | 2 983 |
| Nog te betalen | 5 924 | 1 994 |
| Totaal passiva | 8 323 | 5 632 |
De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd op aanschafwaarde minus de desbetreffende afschrijvingen. De investeringen hebben betrekking op ontwikkelingskosten van ict-systemen (ESF-beheer) en worden in vijf jaar afgeschreven.
| Verloop immateriële vast activa (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2001 | |
| Aanschafwaarde begin boekjaar | 354 | 0 |
| Investeringen | 89 | 354 |
| Cumulatieve aanschafwaarde per balansdatum | 443 | 354 |
| Cumulatieve afschrijving begin boekjaar | 22 | 0 |
| Afschrijving in boekjaar | 77 | 22 |
| Cumulatieve afschrijving per balansdatum | 99 | 22 |
| Boekwaarde | 344 | 332 |
De materiële vaste activa zijn gewaardeerd op aanschafwaarde minus de desbetreffende afschrijvingen. De afschrijvingstermijn voor de materiële vaste activa is drie jaar.
| Verloop overige materiële vaste activa (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2001 | |
| Aanschafwaarde begin boekjaar | 13 | 0 |
| Investeringen | 68 | 13 |
| Cumulatieve aanschafwaarde per balansdatum | 80 | 13 |
| Cumulatieve afschrijving begin boekjaar | 3 | 0 |
| Afschrijving in boekjaar | 15 | 3 |
| Cumulatieve afschrijving per balansdatum | 18 | 3 |
| Boekwaarde | 62 | 9 |
Vorderingen zijn gewaardeerd op nominale waarde. Voor de mogelijke oninbaarheid zijn vooralsnog geen voorzieningen getroffen.
| Nog te ontvangen bedragen (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2001 | |
| Debiteuren Beheer ESF oud | 72 | 93 |
| Vooruitbetaalde bedragen | 245 | 38 |
| Te ontvangen bedragen | – 783 | |
| Overige overlopende activa | 81 | |
| Door te berekenen bedragen | 13 | |
| Rekening courant | 700 | 700 |
| Stand einde van het boekjaar | 1 031 | 119 |
De liquide middelen bestaan uit de rekening courant bij de Rijkshoofdboekhouding en zijn opgenomen tegen de nominale waarde.
| Liquide middelen (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2001 | |
| Rekening courant Mifi beheersgelden | 6 887 | 5 172 |
| Saldo einde van het boekjaar | 6 887 | 5 172 |
Deze post wordt gevormd door een exploitatiereserve. Voor deze reserve is een maximum vastgesteld van 5% van de gemiddelde omzet van drie jaren voorafgaand aan de balansdatum.
| Eigen vermogen (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2001 | |
| Exploitatiereserve | ||
| Saldo begin boekjaar | 250 | |
| Toevoeging/onttrekking in boekjaar | 250 | |
| Saldo einde boekjaar | 250 | 250 |
| Verplichte reserve | ||
| Saldo begin boekjaar | 0 | |
| Toevoeging/onttrekking in boekjaar | ||
| Saldo einde boekjaar | 0 | 0 |
| Onverdeeld resultaat | ||
| Saldo begin boekjaar | 0 | |
| Toevoeging/onttrekking in boekjaar | ||
| Saldo einde boekjaar | 0 | 0 |
| Totale eigen vermogen | 250 | 250 |
Leningen bij het Ministerie van Financiën
De lening(en) bij het Ministerie van Financiën zijn opgenomen tegen de schuldrest (oorspronkelijke hoofdsom minus de aflossing). De looptijd van de Investeringslening I 2002 is drie jaar en het rentepercentage bedraagt 3,35%.Voor de Investeringslening II 2002 is de looptijd vijf jaar en bedraagt het rentepercentage 3,72%.
| Leningen bij het Ministerie van Financiën (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2001 | |
| Investeringslening I 2002 | ||
| Hoofdsom | 56 | |
| Waarvan kortlopend | 19 | |
| Cumulatieve aflossing begin boekjaar | 0 | |
| Aflossing in boekjaar | 0 | |
| Cumulatieve aflossing per balansdatum | 0 | 0 |
| Boekwaarde | 37 | 0 |
| Investeringslening II 2002 | ||
| Hoofdsom | 344 | |
| Waarvan kortlopend | 69 | |
| Cumulatieve aflossing begin boekjaar | 0 | |
| Aflossing in boekjaar | 0 | |
| Cumulatieve aflossing per balansdatum | 0 | 0 |
| Boekwaarde | 275 | 0 |
| Totaal leningen | 313 | 0 |
De voorziening personeel (verlofstuwmeer) is gewaardeerd tegen vervangingswaarde. De opbouw van de voorziening is als volgt:
Totaal aantal uren overschot verlof / aanwezigheidsuren per fte x gemiddelde loonkosten per fte. De aanwezigheidsuren evenals de gemiddelde loonkosten zijn ontleend aan de handleiding overheidstarieven van het Ministerie van Financiën.
| Voorzieningen (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2001 | |
| Voorziening begin boekjaar | 405 | 399 |
| Mutatie in boekjaar | 35 | 6 |
| Stand einde van het boekjaar | 370 | 405 |
De crediteuren hebben betrekking op de handelscrediteuren van de Service Units en het Landelijk Bureau.
| Crediteuren (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2001 | |
| ESF 1994–1999 | 1 262 | 2 777 |
| ESF 2000–2006 | 205 | 178 |
| Buesi | 28 | |
| Stand einde van het boekjaar | 1 467 | 2 983 |
Overige schulden en nog te betalen kosten
De nog te betalen kosten bevatten voornamelijk periodieke kosten die nog niet zijn gefactureerd. Deze kosten zijn gewaardeerd tegen nominale waarde (contractwaarde).
| Nog te betalen bedragen (bedragen x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| 2002 | 2001 | |
| Kosten externen | 329 | 1 240 |
| Kosten huisvesting | 647 | 66 |
| Vakantiegeld | 202 | 169 |
| Leasekosten | 10 | |
| Accountants- en advieskosten | 223 | |
| Bedragen overigen | 538 | 505 |
| Nog te verrekenen beleid | 8 | 1 |
| Overlopende passiva | 1 | 3 |
| Aflossingsverplichting lening I bj | 19 | |
| Aflossingsverplichting lening II bj | 69 | |
| Regelingsgelden | 3 888 | |
| Stand einde van het boekjaar | 5 924 | 1 994 |
De regelingsgelden 2001 zijn opgenomen bij de «nog te ontvangen bedragen» als – € 783. In boekjaar 2002 is er voor gekozen deze post, – € 3 888, op te nemen bij «nog te betalen bedragen». De post geeft het verschil tussen de omzet en de ontvangsten van het moederdepartement weer.
Niet uit de balans blijkende verplichtingen
Verplichtingen die op grond van het toerekeningsbeginsel niet in de balans zijn opgenomen, maar die noodzakelijk zijn ten behoeve van een juiste beoordeling van de vermogenspositie van het Agentschap SZW, worden vermeld in de paragraaf «niet uit de balans blijkende verplichtingen.
| Niet uit de balans blijkende verplichtingen (bedragen x € 1 000) | |
|---|---|
| 2002 | |
| Huur- en servicekosten | 2 079 |
| Onderhoudskosten ICT | 177 |
| Leaseverplichtingen | 21 |
| Totaal | 2 278 |
1.2 Staat van baten en lasten 2002
| Omschrijving | (1) | (2) | (3)=–(1)+(2) |
| (bedragen x € 1 000) | Oorspronkelijk Vastgestelde begroting | Realisatie | Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting |
| Baten | |||
| Opbrengst moederdepartement | 18 923 | 4 682 | – 14 241 |
| Opbrengst overige departementen | 0 | 0 | 0 |
| Opbrengst derden | 0 | 0 | 0 |
| Rentebaten | 0 | 15 | 15 |
| Buitengewone baten | 0 | 1 273 | 1 273 |
| Exploitatiebijdrage | 1 316 | 13 492 | 12 176 |
| Totaal baten | 20 239 | 19 463 | – 776 |
| Lasten | |||
| Apparaatskosten | 19 876 | ||
| * Personele kosten | 15 520 | 15 787 | 267 |
| * Materiële kosten | 4 356 | 3 240 | – 1 116 |
| Rentelasten | 0 | 0 | 0 |
| Afschrijvingskosten | |||
| * materieel | 15 | 15 | |
| * immaterieel | 77 | 77 | |
| Dotaties voorzieningen | |||
| Buitengewone lasten | 363 | 344 | – 19 |
| Totaal lasten | 20 239 | 19 463 | – 776 |
| Saldo van baten en lasten | 0 | 0 | 0 |
Toelichting op de staat van baten & lasten
Deze opbrengsten hebben betrekking op de regelingen ESF 2000–2006 (ESF-3 en Equal) en de nieuwe regelingen, Mut BB, BVG, Klantmanagement, Spag en RPA. De genoemde regelingen zijn onder gebracht in de huidige Agentschapsformule. De nieuwe regelingen zijn niet opgenomen in de begroting omdat de uitvoering pas in de loop van 2002 is ondergebracht bij het Agentschap SZW. De opbrengst van de betreffende regelingen (in totaal € 673) zijn opgenomen in de gerealiseerde opbrengst. De opbrengst ten opzicht van de begroting is aanzienlijk achtergebleven (€ – 3 939). De reden hiervan ligt in het feit dat de medewerkers van ESF-3 nog voor een belangrijk deel belast zijn geweest met de afwikkeling ESF 1994 – 1999, het team Equal ten opzichte van de begrote bezetting onderbezet is geweest en de instroom van aanvragen ESF 2000–2006 ten opzichte van de verwachting is achtergebleven.
De rentebaten hebben betrekking op de Rekening Courant Mifi Beheer. Het gehanteerde rentepercentage in 2002 was variabel. In de begroting is geen rekening gehouden met rentebaten.
De buitengewone baten hebben betrekking op overige baten (€ 10, kosten huisvesting), bijdrage opdrachtgever (€ 863) en bijdrage eigenaar (€ 400). De bijdrage opdrachtgever en de bijdrage eigenaar worden ontvangen als compensatie van het dekkingsverlies. In de begroting is geen rekening gehouden buitengewone baten.
Onder de post exploitatiebijdrage is de afwikkeling van ESF 1994–1999 en transformatie verantwoord. Transformatie heeft betrekking op het omvormen van de organisatie naar een resultaatgerichte Baten-lastendienst. De mutatie wordt hoofdzakelijk verklaard doordat de medewerkers van ESF-3 in 2002 nog voor een belangrijk deel belast zijn geweest met de afwikkeling ESF 1994–1999. De exploitatiebijdrage wordt bepaald door het totaalbedrag van de kosten.
Apparaatskosten, personele kosten
De kosten van het ambtelijke personeel zijn € 831 lager dan begroot, de kosten van extern ingehuurd personeel is € 1 693 hoger, zodat de realisatie in totaal € 862 hoger is dan begroot. Bij het ambtelijke personeel is sprake geweest van een personele onderbezetting. Deze onderbezetting is gecompenseerd door meer externe inhuur dan begroot.
Apparaatskosten, materiële kosten
Deze kosten hebben betrekking op huisvestingskosten (vestigingen Den Haag, Zwolle en Eindhoven), kantoorkosten, automatiseringskosten, voorlichting- en communicatiekosten en advies en onderzoek. Met name de posten advies en onderzoek vormden een belangrijk onderdeel van de begroting, waarbij de realisatie sterk is achtergebleven.
Afschrijvingskosten, materieel
De afschrijvingskosten op het tijdschrijfsysteem zijn iets lager dan begroot.
Afschrijvingskosten, immaterieel
Deze afschrijvingskosten zijn lager dan begroot omdat de voorziene vervolginvesteringen in het pakket ESF-beheer later plaats vinden dan gepland.
Deze post bestaat uit een nagekomen nota van PriceWaterhouse Coopers (€ 299), huisvestingskosten (€ 20) en extern ingehuurd personeel (€ 25). In de begroting is geen rekening gehouden met buitengewone baten.
| Omschrijving | (1) | (2) | (3)=(1)+(2) |
| (bedragen x € 1 000) | Oorspronkelijk Vastgestelde begroting | Realisatie | Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting |
| 1. Rekening courant RIC 1 januari 2002 | 0 | 5 172 | 5 172 |
| 2. Totaal operationele kasstroom | – 20 239 | – 21 072 | – 833 |
| Totaal investeringen (-/-) | 0 | – 157 | – 157 |
| Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) | 0 | 0 | 0 |
| 3. Totaal investeringskasstroom | 0 | – 157 | – 157 |
| Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-) | 0 | 0 | 0 |
| Eenmalige storting door moederdepartement (+) | 20 239 | 22 543 | 2 304 |
| Aflossingen op leningen (-/-) | 0 | 0 | 0 |
| Beroep op leenfaciliteit (+) | 0 | 400 | 400 |
| 4. Totaal financieringskasstroom | 20 239 | 22 943 | 2 704 |
| 5. Rekening courant RIC 31 december 2002 | 0 | 6 886 | 6 886 |
De investeringskasstroom heeft betrekking op investeringen bij de immateriële vaste activa (€ 89) en investeringen bij de materiele vaste activa (€ 68).
De eenmalige storting door het moederdepartement is hoger dan in de begroting is geschat. Het bedrag is daadwerkelijk van het moederdepartement ontvangen. In de jaarrekening is dit bedrag verantwoord als opbrengst moederdepartement € 4 682, buitengewone baten € 1 263 (eenmalige bijdrage opdrachtgever € 863 en eenmalige bijdrage eigenaar € 400), exploitatiebijdrage € 13 492 (ESF 1994–1999 € 11 632 en transformatie € 1 860) en in de balans is bij de nog te betalen bedragen € 3 105 opgenomen in de regelingsgelden.
Het beroep op de leenfaciliteit is niet opgenomen in de begroting. Het gerealiseerde bedrag heeft betrekking op de investeringslening I 2002 van € 56 en de investeringslening II 2002 van € 344.
1.4 VermogensontwikkelingOverzicht vermogensontwikkeling 2001–2002
| Omschrijving(bedragen x € 1 000) | Realisatie 2001 | Begroting 2002 | Realisatie 2002 |
| 1. Eigen vermogen per 1 januari | 0 | 250 | 250 |
| 2. Saldo van baten en lasten | 0 | 0 | 0 |
| 3a. Uitkering aan moederdepartement | 0 | 0 | 0 |
| 3b. Bijdrage aan moederdepartement ter versterking van eigen vermogen | 0 | 0 | 0 |
| 3c. Overige mutaties in eigen vermogen | 250 | 0 | 0 |
| 3. Totaal directe mutaties eigen vermogen | 0 | 0 | 0 |
| 4. Eigen vermogen per 31 december | 250 | 250 | 250 |
Vanaf 1 januari 2002 is de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) de nieuwe onafhankelijke toezichthouder op het terrein van werk en inkomen. De inspectie is ontstaan door een fusie tussen de directie Toezicht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv). De inspectie heeft de status van tijdelijke baten-lastendienst.
De voorlopige organisatie van de inspectie bevat drie toezichtdirecties die gericht zijn op de organisaties waarop de inspectie toezicht houdt. Daarnaast kent de inspectie een directie strategie en beleidsontwikkeling en een bureau bedrijfsvoering. In 2003 zal de organisatie zijn definitieve vorm krijgen.
In het kader van de taakstelling op grond van het strategisch akkoord, de efficiencywinst door de samenvoeging van de twee organisaties en de ingezette reorganisatie van de inspectie, zal de inspectie uiterlijk in 2006 een personeelsreductie moeten realiseren van 125 fte's. Daarnaast kunnen de aangekondigde wijzigingen in de ABW mogelijk verder ingrijpende gevolgen hebben voor het toezicht op de gemeenten en daarmee samenhangend de omvang van de inspectie. In de loop van 2003 zal naar verwachting hierover meer duidelijkheid ontstaan.
De inspectie heeft naast het centrale kantoor in Zoetermeer regionale kantoren in Amsterdam, Groningen, Arnhem, Eindhoven en Dordrecht. In de loop van 2003 zal het centrale kantoor verhuizen naar een nieuw kantoorpand in Den Haag. Een projectteam en diverse werkgroepen bereiden de verhuizing voor.
Medio 2002 is een projectgroep ingesteld met als doel het verkrijgen van de definitieve status als baten-lastendienst per 1 januari 2005. De projectgroep dient ervoor te zorgen dat binnen het afgesproken tijdpad wordt voldaan aan de twaalf instellingseisen. Nu de inspectie reeds als tijdelijke baten-lastendienst functioneert zal de ontwikkeling, vaststelling en implementatie van de instellingsproducten geleidelijk verlopen. Deze jaarrekening is reeds zoveel mogelijk conform het baten-lastenmodel opgesteld.
De balans per 1 januari 2002 is samengesteld uit de eindbalans van het Ctsv per 31 december 2001 en vorderingen, voorschotten en schulden per 31 december 2001 van de directie Toezicht.
| Balans (x € 1 000) | ||
|---|---|---|
| Balans per 31 december 2002 | Balans per 31 december 2001 | |
| Activa | ||
| Materiële activa | ||
| • grond en gebouwen | 169 | 394 |
| • installaties en inventarissen | 478 | 697 |
| • dienstauto's | – | 1 |
| Vlottende activa | ||
| • Voorraden | 6 | 5 |
| • Debiteuren | 14 697 | 15 421 |
| • Nog te ontvangen | – | – |
| • Liquide middelen | 4 803 | 848 |
| Totaal activa | 20 153 | 17 366 |
| Passiva | ||
| Eigen vermogen | ||
| • exploitatiereserve | – | – |
| • onverdeeld resultaat | 1 654 | – |
| Langlopende schulden | ||
| • leningen | – | – |
| • voorzieningen | 15 621 | 15 003 |
| Kortlopende schulden | ||
| • crediteuren | 513 | 275 |
| • nog te betalen | 2 365 | 2 088 |
| Totaal passiva | 20 153 | 17 366 |
De balans per 1 januari 2002 is samengesteld uit de eindbalans van het Ctsv per 31 december 2001 en vorderingen, voorschotten en schulden per 31 december 2001 van de directie Toezicht.
De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen verkrijgingprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen. De afschrijvingstermijnen passen binnen de aangegeven eisen zoals opgenomen in het handboek Financiële Informatie en Administratie van de Rijksoverheid (HAFIR).
De overige balansposten worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.
De post materiële vaste activa betreft in hoofdzaak de activaposten die, op grond van de Invoeringswet SUWI, vanuit het Ctsv zijn overgegaan naar het ministerie van SZW en vervolgens zijn ingebracht in de openingsbalans van de inspectie per 1 januari 2002.
| Verloopstaat materiële vaste activa (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| grond en gebouwen | installaties en inventarissen | dienstauto's | |
| Aanschaffingsprijs | 1 035 | 1 350 | 10 |
| Cumulatieve afschrijvingen | –/- 641 | –/- 653 | 9 |
| Boekwaarde 1–1-2002 | 394 | 697 | 1 |
| Aanschafwaarde investeringen | – | 90 | – |
| Afschrijvingen 2002 | –/- 225 | –/- 309 | –/- 1 |
| Boekwaarde 31–12–2002 | 169 | 478 | – |
De investeringen in verbouwingen, technische installaties, meubilair en stoffering worden lineair in 8 jaar (12,5% per jaar) afgeschreven, investeringen in hard- en software in 3 jaar (33,3% per jaar) en investeringen in kantoorapparatuur en dienstauto's in 5 jaar (20% per jaar).
De activapost grond en gebouwen betreft voornamelijk de aanpassingen in het gebouw te Zoetermeer. Deze posten worden tot het moment van de verhuizing naar Den Haag versneld afgeschreven tot nihil.
De activapost installaties en inventarissen betreft onder meer meubilair, stoffering, hard- en software en apparatuur.
De hard- en software wordt tot het moment van migratie van het oude Ctsv-netwerk in het SZW-netwerk versneld afgeschreven tot nihil. Deze activaposten zijn vanaf medio 2002 begrepen in de service level agreement voor kantoorautomatisering met FBGCI (SZW).
In deze post is een vordering opgenomen van € 13,9 miljoen op het moederdepartement. Deze vordering betreft de voorziening voor wachtgeldverplichtingen van voormalige Ctsv-medewerkers onder verrekening van de schuld in verband met de financiering van de materiële vaste activa naar de stand per 1 januari 2002.
Deze vordering houdt verband met het besluit van de departementsleiding om de wachtgeldvoorziening bij de inspectie onder te brengen. Het departement heeft dit bedrag geïncasseerd bij de vroegere financiers van het Ctsv.
De liquide middelen betreffen in hoofdzaak de rekening-courant met de Rijkshoofdboekhouding (RHB) ad € 4,8 miljoen.
Het vermogen dat per 1 januari 2002 is ingebracht vanuit het Ctsv en het moederdepartement bedraagt nihil.
Het saldo van baten en lasten over het verslagjaar 2002 ad € 1 654 000 is in de balans opgenomen als onverdeeld resultaat. Het resultaat zal als volgt worden verdeeld:
| Resultaatverdeling 2002(x € 1 000) | |
|---|---|
| Toevoeging aan exploitatiereserve | 1 476 |
| Uitkering aan moederdepartement (vrijval voorziening wachtgeldverplichtingen) | 178 |
| Totaal | 1 654 |
De exploitatiereserve wordt gevormd voor de financiële onzekerheden met betrekking tot de ICT-kosten, de bezuinigingstaakstelling en de kosten van de ingezette reorganisatie en heeft daarmee een bufferfunctie voor het opvangen van incidentele negatieve exploitatieresultaten. De reserve blijft ruim binnen het in de regelgeving gestelde norm van 5% van de gemiddelde omzet van drie jaren voorafgaande aan de balansdatum (voor de inspectie, als startende baten-lastendienst, de omzet over 2002).
Deze post betreft de voorziening voor wachtgeldverplichtingen ad € 13,2 miljoen en de in het verslagjaar gevormde voorziening voor te verwachten incidentele huisvestingskosten ad € 2,4 miljoen.
De wachtgeldverplichting heeft betrekking op voormalig personeel van het Ctsv.
| Verloopstaat voorziening voor wachtgeldverplichtingen | (x € 1 000) |
|---|---|
| Stand 1–1-2002 | 15 003 |
| Uitbetaald in 2002 | –/- 1 604 |
| Vrijval 2002 | –/- 178 |
| Stand 31–12–2002 | 13 221 |
Ultimo 2002 is de voorziening opnieuw gewaardeerd tegen het actuele kostenniveau en looptijden. Bij de herwaardering is géén rekening gehouden met toekomstige loonontwikkelingen, noch met kortingen op de uitkeringen als gevolg van neveninkomsten van de uitkeringsgerechtigden. Verondersteld is dat de effecten hiervan op de wachtgelduitgaven elkaar compenseren.
Van deze verplichtingen heeft € 2,0 miljoen een looptijd van minder dan 1 jaar en € 4,5 miljoen een looptijd van meer dan 5 jaar. Op de uitgaven 2002 zijn de kortingen neveninkomsten voor een bedrag van € 360 000 in mindering gebracht.
Het verschil in waardering ten opzichte van het administratieve saldo valt vrij ten gunste van het onverdeeld resultaat en wordt in 2003 verrekend met het moederdepartement. Ook toekomstige mutaties in de voorziening (vrijval of dotaties) komen voor rekening van het moederdepartement.
De voorziening voor incidentele huisvestingskosten heeft betrekking op het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van het huidige pand in Zoetermeer. De huiseigenaar heeft hiervoor een prijsindicatie gegeven van € 1,2 miljoen. Daarnaast is een inschatting gemaakt van de huurkosten van het nieuwe pand gedurende de periode dat het pand aangepast wordt aan de wensen van de inspectie en de huurkosten van het huidige pand in de periode dat het pand in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht. Deze kosten worden eveneens geschat op € 1,2 miljoen. Deze voorziening heeft een looptijd van < 1 jaar.
De kortlopende schulden betreffen in hoofdzaak de openstaande crediteuren en de overlopende nog te betalen posten (transitoria) en het saldo nog uit te betalen vakantietoeslag per 31 december 2002.
Niet uit de balans blijkende verplichtingen
De inspectie heeft huurcontracten voor de navolgende panden:
| Kantoorpand | Looptijd tot | Jaarlijkse huurlasten (in €) |
| Zoetermeer, Bredewater 12 | 1 november 2003 | 1 180 000 |
| Den Haag, Centre Court | 10 jaar vanaf aanvang huur in 2003 | 2 500 000 |
| Amsterdam, Radarweg 60 | 31 augustus 2004 | 145 000 |
| Arnhem, Eusebiusplein 1a | 30 juni 2004 | 115 000 |
| Dordrecht, Spuiboulevard 342 – 344 | 31 december 2006 | 115 000 |
| Eindhoven, Zernikestraat 3 – 9 | 31 december 2004 | 150 000 |
| Groningen, Cascadeplein 2 – 10 | 13 februari 2017 | 155 000 |
Leaseovereenkomsten dienstauto's
Onder de mantelovereenkomst die het moederdepartement heeft met een leasemaatschappij heeft de inspectie leaseovereenkomsten gesloten voor de dienstauto's van (voornamelijk) ambulante medewerkers in de regio's. Ultimo het verslagjaar stonden 37 auto's onder contract met verschillende resterende looptijden. De jaarlijkse lasten, inclusief verzekering, bedragen circa € 267 000.
Overeenkomsten inhuur extern personeel
Ultimo het verslagjaar zijn er nog openstaande verplichtingen voor de inhuur van extern personeel voor een totaalbedrag van circa € 360 000. Daarnaast lopen nog drie extern uitbestede onderzoeken met een resterende verplichting van circa € 322 000.
2.1 Staat van baten en lasten 2002
| Omschrijving | (1) | (2) | (3)=(1)+(2) |
|---|---|---|---|
| (bedragen x € 1 000) | Oorspronkelijk Vastgestelde begroting | Realisatie | Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting |
| Baten | |||
| Opbrengst moederdepartement | 35 893 | 35 893 | – |
| Rentebaten | – | 107 | 107 |
| Buitengewone baten | – | 704 | 704 |
| Exploitatiebijdrage | – | – | – |
| Totaal baten | 35 893 | 36 704 | 811 |
| Lasten | |||
| Apparaatskosten | |||
| * Personele kosten | 27 632 | 25 531 | – 2 101 |
| * Materiële kosten | 7 945 | 6 584 | – 1 361 |
| Rentelasten | |||
| Afschrijvingskosten | |||
| * materieel | 316 | 535 | 219 |
| Dotaties voorzieningen | – | 2 400 | 2 400 |
| Buitengewone lasten | – | – | – |
| Totaal lasten | 35 893 | 35 050 | – 843 |
| Saldo van baten en lasten | – | 1 654 | 1 654 |
Toelichting op de staat van baten en lasten 2002
De bijdrage van het moederdepartement is gebaseerd op het oorspronkelijke financiële kader voor het jaar 2002. Dit kader is vastgesteld op basis van de goedgekeurde begroting van de inspectie voor het jaar 2002.
Op verzoek van de inspectie is het budgettaire kader verhoogd met € 750 000 ten behoeve van de afwikkeling van TZ-verplichtingen betreffende het jaar 2001. Deze post is voor € 690 000 betrokken in de openingsbalans van de inspectie per 1 januari 2002. De overige € 60 000 is betrokken in de exploitatie van 2002.
De rentebaten betreffen in hoofdzaak de rekening-courant bij de rijkshoofdboekhouding (RHB). Het gehanteerde rentepercentage in 2002 was variabel.
Deze post betreft de verhuuropbrengst van de C-toren over de eerste maanden van 2002.
De buitengewone baten zijn als volgt te specificeren:
| Omschrijving (x € 1 000) | |
|---|---|
| Opbrengst uit onderverhuur C-toren | 142 |
| Vrijval openstaande verlofuren 2001 | 349 |
| Vrijval voorziening wachtgeldverplichtingen | 178 |
| Diverse buitengewone baten | 35 |
| Totaal | 704 |
De C-toren was tot medio april 2002 onderverhuurd. De huurovereenkomst van dit pand is per 1 november 2002 beëindigd. In de tussenliggende periode was er sprake van leegstand.
In de openingsbalans van de inspectie is een schuld opgenomen die verband houdt met het openstaande verlof van de voormalige Ctsv-medewerkers ultimo 2001. Deze post is in 2002 vrijgevallen ten gunste van de buitengewone baten.
Als gevolg van de herwaardering van de voorziening voor wachtgeldverplichtingen ultimo 2002 is er een bedrag van € 178 000 vrijgevallen ten gunste van het resultaat.
De personele kosten zijn als volgt te specificeren:
| Omschrijving (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2002 | Realisatie 2002 | Verschil | |
| Salarissen en sociale lasten | 22 170 | 20 681 | – 1 489 |
| Inhuur personeel en uitbestede projecten | 2 069 | 2 911 | 842 |
| Voormalig personeel | 1 610 | – | – 1 610 |
| Overige personele kosten | 1 783 | 1 939 | 156 |
| Totaal personele kosten | 27 632 | 25 531 | – 2 101 |
De kosten voor salarissen en sociale lasten van eigen personeel komen circa € 1,5 miljoen lager uit door een lagere bezetting dan begroot als gevolg van een terughoudend vacaturebeleid in verband met de bezuinigingstaakstelling in het kader van het regeringsbeleid en de uitstroom van personeel. De formatie van de inspectie is 419,0 fte's. De gerealiseerde gemiddelde bezetting over het jaar 2002 komt uit op 378,0 fte's. In de begroting 2002 was gerekend met een gemiddelde bezetting van 411,0 fte's.
Voor het inhuren van personeel (deskundigen en uitzendkrachten) is aanmerkelijk meer uitgegeven dan voorzien in de begroting. De begrotingspost voor externe deskundigen is onder meer aangewend voor de inhuur van externe deskundigheid ten behoeve van de integrale rapportage, de inventarisatie van en advisering over de nieuwe toezichtobjecten (gevolg van de SUWI-wetgeving) en de uitvoering van het ICT-bestedingsplan. Daarnaast is menskracht ingehuurd voor interim managementopdrachten en voor capaciteitsopvang als gevolg van de eerder genoemde personele onderbezetting. De meerkosten ten opzichte van de begroting zijn gefinancierd uit de onderbesteding op de salariskosten. In het kader van de bezuinigingstaakstelling zullen de uitgaven aan extern personeel de komende jaren afnemen.
De kosten van voormalig personeel, voornamelijk wachtgelden van voormalige Ctsv-medewerkers, komen in overeenstemming met de afspraak met het departement ten laste van de in de balans opgenomen voorziening. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de balans (voorzieningen).
Binnen de rubriek overige personeelskosten blijken enkele belangrijke verschillen met de begroting. De wervings- en opleidingskosten zijn aanmerkelijk lager dan begroot, terwijl de externe vergaderkosten (personeelsbijeenkomsten) en de kosten voor verwerking van de salarisgegevens (service level agreement salarisverwerking met bureau PSA) aanmerkelijk hoger uitkomen dan begroot. Daarnaast is ten laste van deze rubriek verantwoord de inkoopsom ad € 227 000 die betaald is aan de Stichting Collectieve Verzekeringen (SCV) van het departement betreffende de overgang van de collectieve ziektekostenverzekering van voormalig Ctsv-personeel naar een collectieve verzekering via de SCV.
De materiële kosten zijn als volgt te specificeren:
| Omschrijving (x € 1 000) | |||
|---|---|---|---|
| Begroting 2002 | Realisatie 2002 | Verschil | |
| ICT/Automatisering | 2 030 | 1 559 | – 471 |
| Huisvesting | 3 397 | 3 234 | – 163 |
| Bureaukosten | 2 518 | 1 791 | – 727 |
| Totaal materiële kosten | 7 945 | 6 584 | – 1 361 |
De kosten voor ICT/automatisering betreffen voor een groot deel de service level agreement (SLA) voor de basisvoorziening door AZ/FBGCI. De kosten hiervan worden door een deskundige op marktconformiteit onderzocht. In de jaarrekening is vooralsnog rekening gehouden met een voorschot op de door FBGCI in rekening te brengen kosten. Indien na vaststelling van de tarieven de kosten over het jaar 2002 hoger uitkomen dan kunnen deze ten laste van de algemene reserve worden gebracht. In de rubriek ICT/Automatisering zijn daarnaast de kosten van ontwikkeling en onderhoud van het toezichtinformatiebeleid (TIB) van de directie toezicht gemeenten opgenomen. De onderbesteding op deze rubriek wordt veroorzaakt door het wegvallen van de hardware-investeringen en de lagere kosten voor TIB-projecten.
De huisvestingskosten betreffen het IWI-kantoor in Zoetermeer, alsmede de vijf regiokantoren. Als gevolg van het besluit om in 2003 te verhuizen naar een nieuw kantoorpand in Den Haag is in 2002 zeer terughoudend omgegaan met het aangaan van nieuwe investeringen voor de hoofdvestiging. Op de expiratiedatum van het huurcontract, 31 oktober 2002, is de huur van de C-toren komen te vervallen. Voor het in gebruik blijvende deel van het pand is het huurcontract met een jaar verlengd. De kosten die verband houden met het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van de C-toren zijn in de realisatie 2002 opgenomen.
In de bureaukosten zijn onder meer opgenomen de kosten van kantoormachines, telefonie, documentatie, communicatie, dienstreizen en leaseauto's. De uitgaven op deze posten blijven allen binnen de daarvoor in de begroting opgenomen middelen. Daarnaast is de bijdrage in de financiering van de Nationale Ombudsman komen te vervallen.
De afschrijvingskosten betreffen voornamelijk de afschrijvingen op de activaposten die vanuit het Ctsv zijn ingebracht in de inspectie.
De begrotingsoverschrijding op deze post is een direct gevolg van het besluit om in 2003 voor de hoofdvestiging een nieuw pand te betrekken. De activaposten die onlosmakelijk verbonden zijn met het pand in Zoetermeer worden vanaf 2002 tot het moment van de feitelijke verhuizing in 2003 versneld afgeschreven. Daarnaast leidt de met FBGCI afgesloten service level agreement voor de automatiseringsondersteuning tot een versnelde en volledige afschrijving van de activaposten hard- en software tot het moment van migratie van het Ctsv-netwerk naar het SZW-netwerk.
Deze post betreft de vorming van een voorziening ad € 2,4 miljoen voor de te verwachten incidentele huisvestingskosten gedurende het jaar 2003. Zie de toelichting op de balanspost voorzieningen.
| Begroting 2002 | Realisatie 2002 | Verschil realisatie en begroting | |
| 1. Saldo rekening courant RHB 1 januari 2002 | – | – | – |
| 2. Totaal operationele kasstroom | – | 4 878 | 4 878 |
| -/- Totaal investeringen | – | –/- 91 | –/- 91 |
| +/+ Totaal boekwaarde desinvestingen | – | ||
| 3. Totaal investeringskasstroom | – | –/- 91 | –/- 91 |
| -/- Eenmalige uitkering aan moederdepartement | – | – | – |
| +/+ Eenmalige storting door het moederdepartement | – | – | – |
| -/- Aflossing op leningen | – | – | – |
| +/+ Beroep op leenfaciliteit | – | – | – |
| 4. Totaal financieringskasstroom | – | – | – |
| 5. Saldo rekening courant RHB 31 december 2002 | – | 4 787 | 4 787 |
5 Overzicht vermogensontwikkeling
| Begroting 2002 | Realisatie 2002 | |
|---|---|---|
| 1. Eigen vermogen per 1 januari 2002 | – | – |
| 2. Saldo van baten en lasten | – | 1 654 |
| 3a. Uitkering aan het moederdepartement | – | – |
| 3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van het eigen vermogen | – | – |
| 3c. Overige mutaties | – | – |
| 3. Totaal directe mutaties in het eigen vermogen | – | – |
| 4. Eigen vermogen per 31 december 2002 (onverdeeld resultaat) | – | 1 654 |
12. SALDIBALANS PER 31 DECEMBER 2002
| DEBET | 31 december 2002 | 31 december 2001 | CREDIT | 31 december 2002 | 31 december 2001 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| EURO1000 | EURO1000 | EURO1000 | EURO1000 | |||
| Uitgaven 2001 | 16 663 475 | Ontvangsten 2001 | 685 783 | |||
| Uitgaven 2002 | 20 246 265 | Ontvangsten 2002 | 588 271 | |||
| Liquide middelen | 71 | 6 | ||||
| Rek.crt. Arbeidsvoorzien- | Rek.crt. Ministerie van | |||||
| ingsorganisatie | 136 134 | 136 134 | Financiën | 19 540 081 | 15 819 439 | |
| Uitgaven buiten | Ontvangsten buiten | |||||
| begrotingsverband | 48 884 | 20 005 | begrotingsverband | 303 002 | 314 398 | |
| Subtotaal (A) | 20 431 354 | 16 819 620 | Subtotaal (A) | 20 431 354 | 16 819 620 | |
| Rechten | 0 | 0 | Tegenrekening rechten | 0 | 0 | |
| Extra-comptabele | Tegenrekening extra-comptabele | |||||
| vorderingen | 9 663 | 11 813 | vorderingen | 9 663 | 11 813 | |
| Tegenrekening extra-comptabele | Extra-comptabele | |||||
| schulden | 0 | 0 | schulden | 0 | 0 | |
| Voorschotten | 32 414 951 | 30 488 463 | Tegenrekening voorschotten | 32 414 951 | 30 488 463 | |
| Tegenrekening | ||||||
| Garantieverplichtingen | 131 | 147 | Garantieverplichtingen | 131 | 147 | |
| Tegenrekening openstaande | Openstaande | |||||
| verplichtingen | 5 881 280 | 4 175 271 | verplichtingen | 5 881 280 | 4 175 271 | |
| Deelnemingen | 0 | 0 | Tegenrekening deelnemingen | 0 | 0 | |
| Subtotaal (B) | 38 306 024 | 34 675 694 | Subtotaal (B) | 38 306 024 | 34 675 694 | |
| Totaal (A + B) | 58 737 378 | 51 495 315 | 58 737 378 | 51 495 315 |
De subtotalen in de balans hebben tot doel het onderscheid aan te geven tussen het intra-comptabele gedeelte (A) en het extra-comptabele gedeelte (B).
Het intra-comptabele gedeelte bevat de administratie van de financiële gegevens van transacties die in directe relatie staan met de kasstromen die via de rekening-courant met het ministerie van Financiën worden bijgehouden.
Het extra-comptabele gedeelte bevat de administratie van de overige rekeningen die met de sluitrekeningen in evenwicht worden gehouden.
12.1 TOELICHTING BIJ DE SALDIBALANS
Alle bedragen zijn vermeld in € 1 000,=
De departementale rekening van uitgaven en ontvangsten over het jaar 2001 is bij wet van 21 november 2002 vastgesteld (Staatsblad 3) en is in 2002 in de rekening-courant met het ministerie van Financiën afgewikkeld.
In verband hiermee zijn deze uitgaven en ontvangsten ultimo 2002 niet meer in de departementale boekhouding opgenomen.
| UITGAVEN | Totaal | Doorbelast | 2002 | 2001 |
| Apparaatskosten (Personeel) | 146 737 | – 53 174 | 93 562 | |
| Apparaatskosten (Materieel) | 34 542 | – 8 230 | 26 312 | |
| Apparaatskosten (Overige) | 82 949 | 82 949 | ||
| 264 228 | – 61 404 | 202 824 | 257 177 | |
| Beleidsuitgaven | 19 982 037 | 61 404 | 20 043 441 | 16 406 298 |
| Totaal hoofdstuk 15 van de rijksbegroting | 20 246 265 | 0 | 20 246 265 | 16 663 475 |
| VERPLICHTINGEN | 2002 | 2001 |
|---|---|---|
| Apparaatskosten (Personeel en Materieel) | 180 290 | 295 131 |
| Beleidsuitgaven | 21 670 066 | 17 672 586 |
| Totaal hoofdstuk 15 van de rijksbegroting | 21 850 356 | 17 967 716 |
| ONTVANGSTEN | 2002 | 2001 |
| 588 271 | 685 783 |
| Uitgaven | Ontvangsten | |
| Wet van 24 april 2002, Stb. 261 | ||
| (vastgestelde begroting) | 19 489 739 | 517 582 |
| Wet van 16 mei 2002, Stb. 277 | ||
| (1e suppletore wet) | 342 387 | 2 044 |
| Gewijzigd Voorstel van Wet, 17 december 2002, Kmr 28 710 (2e suppletore wet) | 614 284 | 15 286 |
| Totaal toegestaan bij wet | 20 446 410 | 534 912 |
| 4e wijzigingsvoorstel, slotwet | – 200 135 | 53 359 |
| Realisatie volgens departementale rekening | 20 246 275 | 588 271 |
| Realisatie volgens de saldibalans | 20 246 265 | 588 271 |
Het verschil tussen de realisaties ontstaat door verschillende afrondingsmethodieken. In de departementale rekening worden de uitgaven artikelen op EURO1000 naar boven afgerond, in de saldibalans wordt de rekenkundige methodiek gehanteerd.
| Openstaand ultimo 2002 | Openstaand ultimo 2001 | |
| Postbank concernblok | 22 | 0 |
| Min. van Financiën concernblok | 0 | 0 |
| Postbank 552712 | 0 | 0 |
| Totaal verschuldigde girale liquide middelen | 22 | 0 |
| Departementale kas | 44 | 2 |
| Kassen kasvoorschothouders | 5 | 4 |
| Totaal chartale liquide middelen | 49 | 6 |
| Totaal liquide middelen | 71 | 6 |
Centraal en decentraal worden kassen aangehouden voor het doen van kleine materiële uitgaven. Het totaal saldo van de departementale kas sluit aan met het kasboek. De kasbeheerder heeft dit akkoord bevonden. Een kasvoorschothouder wordt bij beschikking aangewezen. Deze dient maandelijks een kasstaat in over de in een verslagmaand gedane uitgaven en/of ontvangsten. In totaal zijn 12 kasvoorschothouders aangesteld. De saldi met betrekking tot de concernblokrekeningen worden dagelijks afgeroomd.
Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding (€ 19 540 081)
Dit is de rekening-courant van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten opzichte van het ministerie van Financiën. Het ministerie van Financiën stelt de door SZW uit te geven begrotingsgelden beschikbaar.
Nadat de Rekening aan de Tweede Kamer is aangeboden en de Algemene Rekenkamer geen bezwaren heeft, die goedkeuring in de weg staan, wordt tot verrekening overgegaan. Het saldo stemt overeen met het dagafschrift van 31 december 2002 de daarop gecorrigeerde overloopposten en de verrekende uitgaven en ontvangsten over het jaar 2002 van de Rijkshoofdboekhouding van het ministerie van Financiën. Van deze overeenstemming is een saldo bevestiging afgegeven aan de departementale Accountantsdienst van het ministerie van Financiën.
Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding Arbeidsvoorzieningsorganisatie (€ 136 134)
Dit bedrag is de begrotingsreserve inzake ESF-gelden.
Uitgaven buiten begrotingsverband (€ 48 884)
| Openstaand ultimo 2002 | Openstaand ultimo 2001 | |
| Vorderingen Agentschap SZW | 45 686 | 17 205 |
| Intra-comptabele vorderingen | 1 797 | 1 797 |
| Met derden te verr. (Leiden) | 899 | 0 |
| Europese proj. Dir. Emancipatie | 352 | 565 |
| Personeelskosten | 59 | 17 |
| Europese proj. Dir. Internationale Zaken | 53 | 325 |
| Vermindering afdr. Loonheffing | 19 | 10 |
| Propect Dir. R&A | 12 | 0 |
| Te Verrekenen Huisvestingskosten | 8 | 0 |
| Schalen 1 en 2 functies | 0 | 50 |
| Beroepsrisico verf OAR | 0 | 20 |
| Diverse vorderingen | 0 | 10 |
| 48 884 | 20 005 |
Ontvangsten buiten begrotingsverband (€ 303 002)
| Openstaand ultimo 2002 | Openstaand ultimo 2001 | |
| Begrotings reserve arbeidsvoorziening | 136 134 | 136 134 |
| Door te betalen Europees Sociaal Fonds-gelden | 98 897 | 153 626 |
| Nog door te betalen vorderingen Agentschap SZW | 45 686 | 17 205 |
| Te verr. Personele en Materiele kst IWI | 14 060 | 0 |
| Afdracht Loonheffing | 4 140 | 3 701 |
| Afdracht Pensioenpremie | 1 090 | 922 |
| Dir. Int. Zaken 7 EEG proj. | 905 | 532 |
| FPU Standaard/Individueel | 652 | 462 |
| Dir. Coord. Eman. 4 Equal proj. | 542 | 341 |
| Dir. P.O. & I. div. proj. m.b.t. personeelsbeleid | 288 | 208 |
| Richtlijnontw. Bedr. Arts | 222 | 0 |
| Dir. B.G. & A. 5 sociale projecten | 77 | 64 |
| Focal Point Bilbao | 77 | 30 |
| Intercoach | 69 | 66 |
| Chipcard | 53 | 0 |
| Te verrekenen Huisvestingskosten | 24 | 0 |
| Te verr. Salarissen Agentschap | 20 | 0 |
| Met derden te verrekenen | 11 | 74 |
| Campagne IGCZ | 11 | 0 |
| Af te dragen Omzetbelasting | 4 | 26 |
| Afdracht werkgeversverzekering USZO | 2 | 694 |
| Diverse Schulden | 40 | 169 |
| RVI-GISAI | 0 | 68 |
| Diverse afgerekende projecten in 2002 | 0 | 75 |
| 303 002 | 314 398 |
Geen.
Extra-comptabele vorderingen (€ 9 663)
Dit onderdeel betreft de vorderingen die binnen de begrotingsactiviteiten zijn ontstaan. Onder het kopje «ontvangen» staan de werkelijke ontvangsten, de definitief buiten invordering gestelde, kwijtgescholden en de ingetrokken vorderingen.
| 1 januari 2002 | ingesteld | ontvangen | ultimo 2002 | |
| t/m 1999 | 333 | 118 | 215 | |
| 2000 | 1 323 | 1 302 | 22 | |
| 2001 | 10 157 | 7 853 | 2 304 | |
| 2002 | 60 419 | 53 296 | 7 123 | |
| 11 813 | 60 419 | 62 568 | 9 663 |
| Openstaand ultimo 2002 | Openstaand ultimo 2001 | |
|---|---|---|
| Saldo 1 januari | 11 813 | 8 137 |
| Ingesteld | 60 419 | 67 433 |
| Subtotaal (A) | 72 232 | 75 570 |
| Ontvangen | 59 475 | 62 960 |
| Definitief buiten invordering gesteld/kwijtgescholden/ingetrokken | 3 094 | 797 |
| Subtotaal (B) | 62 568 | 63 757 |
| Saldo 31 december (A – B) | 9 663 | 11 813 |
| Percentage van het saldo Subtotaal A 2002 | Percentage van het saldo Subtotaal A 2001 | Bedrag 31-12-2002 | Bedrag 31-12-2001 | |
|---|---|---|---|---|
| Definitief buiten invordering gesteld | 4,28% | 1,05% | 3 094 | 797 |
| Percentage van het saldo 2002 | Percentage van het saldo 2001 | Bedrag 31-12-2002 | Bedrag 31-12-2001 | |
| Voorlopig buiten invordering gesteld | 2,04% | 1,78% | 197 | 210 |
| Dubieus | 5,63% | 7,59% | 544 | 897 |
Dubieuze vorderingen zijn vorderingen die conform de regelgeving zijn overgedragen aan de landsadvocaat of het incassobureau Intrum Justitia. Als invordering niet haalbaar blijkt, bijvoorbeeld door gebrek aan financiële middelen, wordt een vordering gedurende vijf jaren voorlopig buiten invordering gesteld. Indien binnen die termijn geen verhaal mogelijk blijkt, wordt overgegaan tot definitief buiteninvorderingstelling.
Specificatie naar vorderingsgroep:
| 1 januari 2002 | ingesteld | ontvangen | ultimo 2002 | |
| Subsidies | 8 395 | 13 609 | 15 905 | 6 099 |
| Algemene vorderingen | 1 932 | 3 328 | 3 418 | 1 842 |
| Bestuurlijke Boete | 719 | 5 265 | 5 139 | 845 |
| Credit-nota's | 66 | 37 179 | 37 089 | 156 |
| Personeel | 58 | 817 | 451 | 424 |
| RSP | 201 | 113 | 177 | 137 |
| Remigratieuitkeringen | 127 | 0 | 72 | 55 |
| Aanmaningskosten | 32 | 62 | 45 | 49 |
| Rente | 187 | 15 | 175 | 27 |
| Arbo-certificering | 15 | 0 | 0 | 15 |
| Bijstand | 55 | 0 | 50 | 6 |
| TEGMD Pension- en Zakgelden | 17 | 0 | 15 | 1 |
| Diverse vorderingen | 9 | 32 | 32 | 9 |
| 11 813 | 60 419 | 62 569 | 9 663 |
Extra-comptabele schulden (€ 0)
Geen.
Voorschotten inclusief Agentschap SZW (€ 32 414 951)
In de saldibalans worden de voorschotten verantwoord die per 31 december 2002 openstaan. In de toelichting wordt inzicht gegeven in de ouderdom van deze voorschotten. Op grond van de comptabele regelgeving worden de voorschotten verdeeld naar jaren waarin ze zijn betaald. Voorschotten die in 2002 zijn verstrekt en die betrekking hebben op de regelingen 2001 worden derhalve in de toelichting op de saldibalans opgenomen als voorschotten 2002.
| SZW | Agentschap | Totaal | |
| Saldo 1 januari | 30 120 573 | 367 890 | 30 488 463 |
| Saldo 1 april | 2 558 | 2 558 | |
| Betaald | 14 297 757 | 45 674 | 14 343 431 |
| Subtotaal | 44 418 331 | 416 122 | 44 834 453 |
| Afgerekend | 12 419 502 | 0 | 12 419 502 |
| Saldo 31 december | 31 998 829 | 416 122 | 32 414 951 |
| 1 januari 2002 | verstrekt | afgerekend | ultimo 2002 | |
| t/m 1999 | 4 919 693 | 4 515 135 | 404 558 | |
| 2000 | 11 676 691 | 7 681 187 | 3 995 503 | |
| 2001 | 13 524 190 | 181 994 | 13 342 196 | |
| 2002 | 14 297 757 | 41 186 | 14 256 571 | |
| 30 120 573 | 14 297 757 | 12 419 502 | 31 998 829 |
| Art Omschrijving | t/m 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | ultimo 2002 |
| 1 Basisdienstverlening Werk en Inkomen | 0 | 0 | 0 | 69 232 | 69 232 |
| 2 Stimulering en Kwaliteitsbevordering van arbeidsaanbod | 177 504 | 225 177 | 936 753 | 1 234 344 | 2 573 778 |
| 3 Aanvullende werkgelegenheid | 120- | 34 575 | 817 223 | 984 176 | 1 835 855 |
| 4 Aangepast en begeleidwerken | 0 | 0 | 1 946 065 | 2 074 922 | 4 020 987 |
| 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau | 2 269 | 571 894 | 4 323 521 | 4 625 832 | 9 523 515 |
| 6 Inkomensgarantie voor Jonggehandicapten | 0 | 0 | 1 423 774 | 1 465 059 | 2 888 833 |
| 7 Inkomensaanvulling voor herkeurde Arbeidsongeschikte | 0 | 0 | 6 716 | 6 486 | 13 202 |
| 8 Tijdelijke inkomensgarantie voor kunstenaars | 0 | 10 535 | 40 001 | 53 748 | 104 284 |
| 9 Tegemoetkoming in kosten van kinderen | 0 | 3 004 958 | 3 107 249 | 3 213 419 | 9 325 626 |
| 10 Maatschappelijke participatie van gehandicapten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 11 Bevorderingen van combinatie mogelijkheden van arbeid en zorg | 129 116 | 79 205 | 136 441 | 152 279 | 497 040 |
| 12 Coördinatie emancipatiebeleid | 5 723 | 9 438 | 13 502 | 11 879 | 40 542 |
| 13 Verbetering arbeidsomstandigheden | 519 | 2 180 | 6 165 | 19 640 | 28 504 |
| 14 Tegemoetkoming asbestslachtoffers | 1 352 | 1 228 | 2 743 | 1 405 | 6 728 |
| 15 Rijksbijdragen sociale fondsen | 21 377 | 39 161 | 39 672 | 10 055 | 110 264 |
| 16 Rijksbijdragen spaarfonds AOW | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 17 Structuur uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen | 7 090 | 11 087 | 530 364 | 278 389 | 826 930 |
| 97 Aflopende regelingen | 53 823 | 51- | 282- | 924 | 54 414 |
| 98 Algemeen | 5 904 | 5 936 | 11 319 | 53 168 | 76 327 |
| 99 Nominaal en onvoorzien Rekeningen Buitenbegrotingsverband | 0 | 181 | 971 | 1 615 | 2 766 |
| Totaal | 404 558 | 3 995 503 | 13 342 196 | 14 256 571 | 31 998 829 |
| Openstaand ultimo 2002 | Openstaand ultimo 2001 | |
| Saldo voorschotten | 31 998 829 | 30 120 573 |
Artikel 2 Stimulering en Kwaliteitsbevordering van arbeidsaanbod (€ 2 573 778)
De openstaande voorschotten van bovengenoemd beleidsterrein bestaan uit de volgende regelingen:
| 02.01.03 | Agentschap | 39 068 |
| 02.02.02 | W.I.W. Dienstbetrekking | 2 195 826 |
| 02.02.03 | Praktijkscholing | 96 078 |
| 02.02.05 | Kinderopvang ABW | 108 290 |
| 02.02.07 | Casemanagers | 64 289 |
| 2 503 551 |
Tevens valt hier te vermelden, dat de voorschotten t/m 1999 ad 172 747 betrekking hebben op de regeling W.I.W. Dienstbetrekking en waarvan de wettelijke afrekentermijn is overschreden. Het betreft hier over 1998 totaal 11 gemeenten (€ 158) en over 1999 8 gemeenten (€ 172 589), waarvan de subsidie nog niet zijn vastgesteld.
Artikel 3 Aanvullende werkgelegenheid (€ 1 835 855)
Het saldo openstaande voorschotten 1 825 114 betreft hier voornamelijk de regeling Instroom/Doorstroom banen.
Artikel 4 Aangepast en begeleidwerken (€ 4 020 987)
Dit bedrag heeft in zijn geheel betrekking op de openstaande voorschotten Wet Sociale Werkvoorziening.
Artikel 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau (€ 9 523 515)
Dit bedrag bestaat onder andere uit voorschotten met betrekking tot respectievelijk de Algemene Bijstandswet ad € 8 888 651 en de Toeslagenwet ad € 610 850
Artikel 6 Inkomensgarantie voor Jonggehandicapten (€ 2 888 833)
Het betreft hier voorschotten op de Wet Jong Gehandicapten voor een bedrag van € 2 888 833.
Artikel 8 Tijdelijke inkomensgarantie voor kunstenaars (€ 104 284)
Het saldo openstaande voorschotten € 104 284 betreft hier de Wet Inkomensgarantie Kunstenaars.
Artikel 9 Tegemoetkoming in kosten van kinderen (€ 9 325 626)
Dit zijn openstaande voorschotten inzake de Algemene Kinderbijslagwet. De voorschotten van het jaar 2000 komen na ontvangst van de jaaropgave in 2003 tot afrekening.
Artikel 11 Bevorderen van combinatie mogelijkheden van arbeid en zorg (€ 497 040)
Hiervan heeft een bedrag van € 496 420 betrekking op de regeling Kinderopvang. Deze voorschotten komen na de periode 1997 tot en met 2003 tot vaststelling en afrekening in 2004 na indiening van een aanvraag tot subsidievaststelling.
Artikel 15 Rijksbijdragen sociale fondsen (€ 110 264)
Het saldo openstaande voorschotten € 110 264 betreft hier voornamelijk de regeling Rijksbijdrage WAZ.
Artikel 17 Structuur uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (€ 826 930)
Het openstaande bedrag bestaat uit respectievelijk Facilitering Oprichting CWI € 52 344 en de Ontvlechting ARBVO € 756 177.
Artikel 97 Aflopende regelingen (€ 54 414)
Deze voorschotten betreffen de Financiële Afwikkeling Afgesloten Regelingen, deze bestaan voornamelijk uit de ARBVO regeling IDA en de oude regeling WWV.
De voorschotten tot en met 1999 subsidie ARBO-regeling IDA zijn met jaaropgaven vastgesteld en worden volgens de regeling in 2003 en 2004 afgerekend (€ 48 749).
Artikel 98 Algemeen (€ 76 327)
In bovenstaande saldo openstaande voorschotten is een bedrag van € 36 643 opgenomen in het kader van de bijdrage moederdepartement aan het Agentschap IWI en € 15 885 voor Handhaving en Kwaliteit.
Buiten begrotingsverband (€ 2 766)
| 2000 | 2001 | 2002 | ultimo 2002 | |
| Directie Bureau Secretaris-generaal | 0 | 0 | 6 | 6 |
| Directie Communicatie | 0 | 0 | 4 | 4 |
| Directie Pers. Org. & Informatie | 0 | 0 | 3 | 3 |
| Directie Coordinatie Emancipatie | 0 | 0 | 824 | 824 |
| Directie Internationale Zaken | 52 | 487 | 299 | 838 |
| Directie Onderzoek & Ontwikkeling | 0 | 76 | 0 | 76 |
| Directie Arbozorg & Verzuimbeleid | 129 | 252 | 264 | 645 |
| Directie Bijstand/Gem.Activeringsbeleid | 0 | 156 | 143 | 299 |
| Directie Arbeidsm.Bel./Bijz.Groepen | 0 | 0 | 71 | 71 |
| 181 | 971 | 1 614 | 2 766 |
| Openstaand ultimo 2002 | Openstaand ultimo 2001 | |
| Saldo voorschotten RBB | 2 766 | 1 890 |
| ESF-oud | Buesi-oud | ESF-nieuw | Subsidies departement | Totaal | |
| Saldo 1 januari | 296 201 | 68 324 | 3 365 | 367 890 | |
| Saldo 1 april | 2 558 | 2 558 | |||
| Betaald | 0 | 8 029 | 63 | 37 582 | 45 674 |
| Subtotaal | 296 201 | 76 353 | 3 428 | 40 140 | 416 122 |
| Afgerekend | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Saldo 31 december | 296 201 | 76 353 | 3 428 | 40 140 | 416 122 |
| Openstaand ultimo 2002 | Openstaand ultimo 2001 | |
| 416 122 | 367 890 |
Garantie verplichtingen (€ 131)
| Openstaand ultimo 2002 | Openstaand ultimo 2001 | |
| Werkenrode (Deze garantie is afgegeven tot 2011) | 131 | 147 |
Openstaande verplichtingen (5 881 280)
Verplichtingen inclusief Agentschap SZW(verplichtingen binnen en buiten begrotingsverband)
| SZW | Agentschap | Totaal | |
| Saldo 1 januari | 4 005 883 | 311 254 | 4 317 136 |
| Saldo 1 april | 7 035 | 7 035 | |
| Aangegane verplichtingen in het verslagjaar | 21 850 356 | 415 213 | 22 265 569 |
| Subtotaal (A) | 25 856 238 | 733 502 | 26 589 740 |
| Tot betaling gekomen in het verslagjaar | 20 246 265 | 147 147 | 20 393 411 |
| Negatieve bijstellingen van in eerdere begrotingsjaren | |||
| aangegane verplichtingen | 145 556 | 169 494 | 315 050 |
| Subtotaal (B) | 20 391 820 | 316 640 | 20 708 461 |
| Saldo 31 december (A – B) | 5 464 418 | 416 862 | 5 881 280 |
| Openstaand ultimo 2002 | Openstaand ultimo 2001 | |
|---|---|---|
| Saldo 1 januari | 4 005 883 | 2 779 524 |
| Aangegane verplichtingen in het verslagjaar | 21 850 356 | 17 968 306 |
| Subtotaal (A) | 25 856 238 | 20 747 829 |
| Tot betaling gekomen in het verslagjaar | 20 246 265 | 16 666 126 |
| Negatieve bijstellingen van in eerdere begrotingsjaren | ||
| aangegane verplichtingen | 145 556 | 217 687 |
| Subtotaal (B) | 20 391 820 | 16 883 813 |
| Saldo 31 december (A – B) | 5 464 418 | 3 864 017 |
Specificaties openstaande verplichtingen Ministerie
| Art Omschrijving | Ultimo 2001 | Neg. Bijstellingen | Aangegaan 2002 | Betaald 2002 | Doorbelasting P & M | Realisatie 2002 | Openstaand 2002 e.v. |
| 1 Basisdienstverlening Werk en Inkomen | – | – | 435 163 | 435 141 | 472 | 435 635 | 23 |
| 2 Stimulering en Kwaliteitsbevordering van arbeidsaanbod | 642 706 | 24 460 | 1 727 852 | 1 283 232 | 4 285 | 1 732 137 | 1 062 866 |
| 3 Aanvullende werkgelegenheid | 18 | 1 | 1 924 667 | 986 044 | 582 | 1 925 249 | 938 640 |
| 4 Aangepast en begeleidwerken | 1 969 583 | 22 | 2 143 714 | 2 075 686 | 592 | 2 144 306 | 2 037 589 |
| 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau | 1 054 815 | 94 | 4 787 712 | 4 633 126 | 3 153 | 4 790 865 | 1 209 307 |
| 6 Inkomensgarantie voor Jonggehandicapten | – | – | 1 468 944 | 1 468 944 | 97 | 1 469 041 | – |
| 7 Inkomensaanvulling voor herkeurde Arbeidsongeschikte | – | – | 6 951 | 6 951 | 19 | 6 969 | – |
| 8 Tijdelijke inkomensgarantie voor kunstenaars | – | – | 53 782 | 53 782 | 75 | 53 857 | – |
| 9 Tegemoetkoming in kosten van kinderen | – | – | 3 218 245 | 3 218 245 | 97 | 3 218 343 | – |
| 10 Maatschappelijke participatie van gehandicapten | 53 946 | 53 946 | – | – | – | – | – |
| 11 Bevorderingen van combinatie mogelijkheden van arbeid en zorg | 141 866 | 73 | 161 523 | 153 178 | 180 | 161 703 | 150 138 |
| 12 Coördinatie emancipatiebeleid | 13 712 | 2 275 | 8 361 | 13 921 | 2 230 | 10 591 | 5 876 |
| 13 Verbetering arbeidsomstandigheden | 8 699 | 589 | 25 399 | 22 817 | 47 496 | 72 895 | 10 691 |
| 14 Tegemoetkoming asbestslachtoffers | 41 | – | 1 934 | 1 931 | 36 | 1 970 | 44 |
| 15 Rijksbijdragen sociale fondsen | – | – | 2 731 797 | 2 711 897 | 240 | 2 732 037 | 19 900 |
| 16 Rijksbijdragen spaarfonds AOW | – | – | 2 405 035 | 2 405 035 | 37 | 2 405 072 | – |
| 17 Structuur uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen | 57 809 | 52 364 | 458 705 | 454 621 | 1 783 | 460 487 | 9 529 |
| 97 Aflopende regelingen | 2 653 | 967 | 767 | 1 001 | 30 | 797 | 1 452 |
| 98 Algemeen | 60 035 | 10 765 | 289 806 | 320 714 | 61 404- | 228 402 | 18 362 |
| 99 Nominaal en onvoorzien | – | – | – | – | – | – | – |
| Totaal | 4 005 883 | 145 556 | 21 850 356 | 20 246 265 | 0 | 21 850 356 | 5 464 418 |
Dit geldt voor artikelen waarvan het totale verplichtingensaldo per 31 december 2002 hoger is dan € 20 miljoen en verplichtingen, met een bijzonder kenmerk.
Er is een verschil tussen de eindstand 2001 en de beginstand 2002 ad € 141 866 miljoen zijnde de verplichtingen van de regeling Kinderopvang, die van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn overgedragen middels een accountantsverklaring van de accountantsdienst van het eerdergenoemde departement.
Artikel 2 Stimulering en Kwaliteitsbevordering van arbeidsaanbod
| Sub. Art. Ond. | Omschrijving | Ultimo 2001 | Openstaand 2002 e.v. |
| 2.01.01 | Personeel | 0 | 0 |
| 2.01.02 | Materieel | 0 | 0 |
| 2.01.03 | Agentschap ESF | 0 | 14 502 |
| 2.02.01 | Sluitende reïntegratie | 551 223 | 646 362 |
| 2.02.02 | WIW dienstbetrekingen & WEP | 0 | 0 |
| 2.02.03 | Scholing HVS | 0 | 2 201 |
| 2.02.04 | Minderhedenbeleid | 21 195 | 13 826 |
| 2.02.05 | Kinderopvang AWB | 12 081 | 91 777 |
| 2.02.06 | Sectorale stimulansen | 0 | 19 576 |
| 2.02.07 | Casemanagers | 46 909 | 268 242 |
| 2.02.97 | Subs. en Ov. beleidsuitgaven | 9 310 | 5 246 |
| 2.02.98 | Voorlichting | 0 | 0 |
| 2.02.99 | Onderzoek & Beleidsinformatie | 1 988 | 1 134 |
| Totaal | 642 706 | 1 062 866 |
De openstaande verplichtingen Sluitende reïntegratie (646 362) zijn de scholing- en activeringsgelden WIW, die in 2002 zijn aangegaan en in 2003 e.v tot betaling zullen komen. Het saldo verplichtingen Casemanagers (268 242) en kinderopvang AWB (91 777) zijn aangegaan voor het project agenda voor de toekomst en deze zullen een kasbeslag krijgen in de jaren t/m 2006.
Artikel 3 Aanvullende werkgelegenheid
| Sub. Art. Ond. | Omschrijving | Ultimo 2001 | Openstaand 2002 e.v. |
| 3.01.01 | Personeel | 0 | 0 |
| 3.01.02 | Materieel | 0 | 0 |
| 3.02.01 | Instroom/doorstroom banen | 0 | 938 603 |
| 3.02.02 | Regeling schoonmaak particulieren | 18 | 37 |
| Totaal | 18 | 938 640 |
Dit zijn aangegane verplichtingen voor de toegezegde budgetten 2003. De verrekening van de voorschotten zal plaatsvinden in 2004.
Artikel 4 Aangepast en begeleidwerken
| Sub. Art. Ond. | Omschrijving | Ultimo 2001 | Openstaand 2002 e.v. |
| 4.01.01 | Personeel | 0 | 0 |
| 4.01.02 | Materieel | 0 | 0 |
| 4.02.01 | Wet sociale werkvoorziening | 1 969 583 | 2 037 589 |
| Totaal | 1 969 583 | 2 037 589 |
De openstaande verplichtingen betreffen het in 2002 per brief toegezegde budget voor 2003 aan de werkvoorzieningsschappen. Deze komen in 2003 tot betaling.
Artikel 5 Algemene inkomensgarantie op minimumniveau
| Sub. Art. Ond. | Omschrijving | Ultimo 2001 | Openstaand 2002 e.v. |
| 5.01.01 | Personeel | 0 | 0 |
| 5.01.02 | Materieel | 0 | 0 |
| 5.02.01 | Budget-deel ABW, IOAW, IOAZ | 1 048 628 | 1 194 263 |
| 5.02.02 | Declaratie-deel ABW, IOAW, IOAZ | 0 | 0 |
| 5.02.03 | Toeslagenwet | 0 | 0 |
| 5.02.04 | Bestuurl. afspr. ink. onderst. | 0 | 0 |
| 5.02.05 | Handhaving | 5 112 | 14 051 |
| 5.02.97 | Subs. en Ov. beleidsuitgaven | 1 075 | 993 |
| Totaal | 1 054 815 | 1 209 307 |
Het openstaande saldo betreft de afwikkeling van verplichtingen oude jaren en 2002, die in het jaar 2003 tot betaling cq verrekening zullen komen. Na ontvangst en vaststelling van de jaaropgave.
Artikel 10 Maatschappelijke participatie van gehandicapten
De negatieve bijstelling verplichtingen ad € 53 946 miljoen zijn de overgedragen verplichtingen aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de regeling Wet voor gehandicapten.
Artikel 17 Structuur uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen
De ogeheven directie Toezicht heeft door middel van een overdrachtsprotocol de openstaande verplichtingen overgedragen ad € 52 364 aan het Agentschap Inspectie Werk en Inkomen, vandaar de negatieve bijstelling.
Verplichtingen Agentschap SZW (€ 416 862)
| ESF-nieuw | ESF-oud | BUESI oud | Regelingen Min. SZW | Openstaand ultimo 2002 | |
| Saldo 1 januari | 92 026 | 162 093 | 57 134 | 311 254 | |
| Saldo 1 april | 7 035 | 7 035 | |||
| Aangegaan in verslagjaar | 279 084 | 0 | 0 | 136 129 | 415 213 |
| Subtotaal (A) | 371 110 | 162 093 | 57 134 | 143 164 | 733 502 |
| Tot betaling gekomen in verslagjaar | 59 341 | 32 026 | 18 198 | 37 582 | 147 147 |
| Negatieve bijstelling van in eerdere begrotingsjaren aangegane verplichtingen | 130 068 | 38 936 | 490 | 169 494 | |
| Subtotaal (B) | 59 341 | 162 093 | 57 134 | 38 072 | 316 640 |
| Totaal (A – B) | 311 769 | 0 | 0 | 105 093 | 416 862 |
Specificatie verplichtingen Agentschap SZW uitvoering subsidies departement (€ 105 583)
| SPAGG | RPA | BVG | Klantmanagement | Openstaand ultimo 2002 | |
|---|---|---|---|---|---|
| Saldo 1 april | 7 035 | 0 | 0 | 0 | 7 035 |
| Aangegaan in verslagjaar | 8 936 | 1 203 | 125 990 | 136 129 | |
| Subtotaal (A) | 7 035 | 8 936 | 1 203 | 125 990 | 143 164 |
| Tot betaling gekomen in verslagjaar | 2 427 | 8 936 | 1 086 | 25 132 | 37 582 |
| Negatieve bijstelling van in eerdere begrotingsjaren aangegane | 490 | 490 | |||
| verplichtingen | 0 | 0 | |||
| Subtotaal (B) | 2 917 | 8 936 | 1 086 | 25 132 | 38 072 |
| Totaal (A – B) | 4 117 | 0 | 117 | 100 858 | 105 093 |
Geen.
AANBEVELINGEN ALGEMENE REKENKAMER
In haar Rapport bij de financiële verantwoording van SZW over 2001 signaleerde de Algemene Rekenkamer onvolkomenheden in enkele aspecten van de bedrijfsvoering van SZW. De betreffende onderwerpen zijn door de AR samengevat in de zgn. Audit Action List, die in het Rapport bij de financiële verantwoording was opgenomen. De constateringen van de Algemene Rekenkamer hebben zonder uitzondering geleid tot de noodzakelijke verbetertrajecten. In het onderstaande wordt de stand van zaken toegelicht.
Audit Action List
• De AR trof fouten en onzekerheden aan in verplichtingen en uitgaven in de Financiële verantwoording. De AR beval aan de geldende regels juist toe te passen. Hierop werd geen toezegging gedaan; de juiste toepassing van de geldende regels spreekt vanzelf, en hieraan wordt doorlopend aandacht geschonken.
• De AR gaf aan dat de administratieve organisatie diende te worden geactualiseerd als gevolg van de reorganisatie van SZW. De minister zegde toe dat de administratieve organisatie in september 2002 actueel zou zijn. Behoudens enkele uitzonderingen is de beschrijving van de administratieve organisatie van het ministerie in 2002 op orde gebracht. De uitzonderingen worden veroorzaakt door wijzigingen in het beleid en/of in de organisatie van het ministerie, die in de loop van het jaar zijn opgetreden. Het actueel houden van de administratieve organisatie van het ministerie is een doorlopend punt van aandacht.
• De AR constateerde dat de Europese aanbestedingsrichtlijnen en offerteprocedure niet adequaat worden nageleefd. De controle op de levering van prestaties door derden en de dossiervorming over financiële transacties is onvoldoende. De AR verwacht dat deze punten in 2003 zullen zijn opgelost. De minister zegde toe dat medio 2002 een nieuwe regeling contractbeheer zou worden vastgesteld, en een nieuw geautomatiseerd contractregister zou zijn geïmplementeerd. Tevens wordt bezien op welke wijze het toezicht beter kan worden vormgegeven. Een en ander moet uiterlijk eind 2003 qua opzet en werking gereed zijn. Met betrekking tot de Europese aanbestedingsrichtlijnen en de offerteprocedure, de controle op de levering van prestaties door derden en dossiervorming over financiële transacties zijn de geldende regels in oktober 2002 enerzijds aangescherpt (prestatieverklaring inhuur externen, waarop toezicht wordt uitgeoefend door FEZ) en anderzijds nog eens onder de aandacht gebracht. Een nieuwe Regeling Contractbeheer, die onderdeel vormt van een nieuwe Regeling Materieelbeheer, is in concept gereed en zal in de eerste helft van 2003 worden ingevoerd. Een nieuw geautomatiseerd contractenregister is vrijwel geïmplementeerd. Zoals toegezegd zal een en ander per ultimo 2003 zijn afgerond.
• Overdrachtsuitgaven: De AR constateerde dat de externe accountantsverklaringen niet voldeden aan de gestelde eisen. De AR verwacht dat dit punt in 2003 zal zijn opgelost. De minister zegde toe dat verdergaande stappen jegens accountants worden overwogen volgens de daarvoor vastgestelde gedragslijn. Bij de verdere ontwikkeling van VBTB in 2002 en 2003 zal worden nagegaan welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de betrouwbaarheid van prestatiegegevens te waarborgen. Met betrekking tot de betrouwbaarheid van verklaringen van externe accountants is een plan van aanpak inzake verbetering van werkzaamheden van externe accountants opgesteld. Daarin is ook een protocol met betrekking tot de behandeling door SZW van tekortkomingen opgenomen. Dit plan van aanpak zal conform toezegging in 2003 tot uitvoering worden gebracht.
• De AR constateerde dat er onvoldoende zicht was op verantwoording over overheveling van budgetten voor de WIW naar de WSW. De minister gaf in reactie aan dat de Jaaropgave WSW 2002 al was aangevuld met vragen over de herkomst van middelen uit de WIW. Dit is gebeurd. Verder worden bij de WSW en WIW verbandscontroles uitgevoerd op basis van de controleprotocollen.
• De AR constateerde onvolkomenheden in de jaaropgaven Kinderopvang, en onvoldoende controle van de accountants hierop. De minister gaf aan het financieel beheersconcept te zullen aanpassen. Gezien de tijdelijkheid van de Regeling Kinderopvang is het financieel beheersconcept niet (meer) aangepast. De gesignaleerde tekortkomingen zijn ondervangen door een extra controleslag bij de intake van de jaaropgaven, waarvan de uitkomsten ter beschikking zijn gesteld aan de Inspectie Werk en Inkomen met het oog op de vaststelling van de rijksbijdrage. Daarmee is de juiste afwikkeling van de jaaropgaven binnen SZW gewaarborgd.
• De AR constateerde een ontoereikend M&O-beleid voor de werknemersverzekeringen. Het ministerie had voortgang geboekt met de uitvoering van het verbeterplan van 2001. De minister zegde toe dat in 2003 de resterende onvolkomenheden in het M&O-beleid zullen zijn weggewerkt, ook voor specifieke uitkeringen en subsidies. Er is in 2002 een toereikend M&O-beleid voor de werknemersverzekeringen tot stand gebracht. Dit zal in 2003 verder worden vervolmaakt in het kader van de versterking van de aansturing van de uitvoeringsorganisatie. Ook zal in 2003 het M&O-beleid voor de specifieke uitkeringen en subsidies, conform toezegging, op orde zijn.
• De AR gaf aan dat de uitvoering van de begrotingsgefinancierde sociale verzekeringen, met uitzondering van de TOG, niet voldeed aan de wettelijke rechtmatigheidsnorm. De minister zegde toe dat met het UWV voor 2003 concrete prestatie-afspraken worden gemaakt. Deze afspraken zijn gemaakt.
• Met betrekking tot het Agentschap SZW gaf de AR aan dat sprake was van onvolkomenheden van de projectbestanden en van de afwikkeling van declaraties ESF-oud. De minister zegde toe dat de IC-adviezen voor correcties en de werkelijke uitvoering ervan vanaf 1997 worden vastgelegd in een overzicht, dat in het najaar van 2002 gereed zal zijn. Het bedoelde overzicht is aanwezig. Er is inmiddels geen onverklaard verschil meer tussen de IC-adviezen en de eindbeschikkingen. De AD zal e.e.a. controleren, als onderdeel van het reguliere proces, voordat de einddeclaratie wordt ingediend in Brussel.
• De minister gaf aan dat de afspraken over de uitvoering van ESF-oud in het najaar van 2002 worden geformaliseerd. De AR verwacht dat de uitvoering van ESF-oud in 2003 zal zijn afgerond. Conform afspraak zullen op 31 maart 2003 de declaraties bij Brussel zijn ingediend. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering in 2002 en 2003 is apart bij een projectleider belegd overeenkomstig de uitgangspunten van de sterfhuisconstructie.
• De AR constateerde dat er bij het Agentschap SZW nog niet een sluitend M&O-beleid was. De AR gaf aan dat dit punt in 2003 moet zijn opgelost. Er is een integrale beschrijving van het M&O-beleid gerealiseerd. In evaluatie en bijstelling in 2003 is voorzien.
• De AR gaf aan te verwachten dat het Agentschap SZW in 2003 volledig zal voldoen aan de instellingsvereisten. De minister heeft toegezegd dat de uitkomsten van het proefdraaien in de accountantsverklaring over 2002 zullen worden meegenomen. Er heeft een onafhankelijke evaluatie plaatsgevonden naar de mate waarin het Agentschap SZW aan de instellingsvereisten voor een baten-lastendienst heeft voldaan. De rapportage is in november 2002 gereed gekomen. Daaruit blijkt dat het Agentschap nog aan een aantal instellingsvereisten aandacht dient te schenken. Deze punten worden in 2003 ter hand genomen.
• De AR constateerde dat mogelijkheden tot meer beleidsinhoudelijke toelichting in de rekening onbenut waren gebleven. De minister zegde toe dat in het jaarverslag over 2002 expliciet aandacht wordt geschonken aan de relatie tussen doelen, middelen en prestaties. Voorts wordt in 2002 een 2e integrale handhavingsrapportage uitgebracht met een verdere verbreding en verdieping.
In het jaarverslag 2002 staat de relatie tussen middelen, doelen en prestaties centraal. De gewijzigde opzet van het jaarverslag (VBTB) waarborgt een beleidsinhoudelijke toelichting op de gerealiseerde prestaties.
In de integrale handhavingsrapportage 2001, die eind november 2002 naar de Tweede Kamer is verzonden, is aangegeven dat in het vervolg de verantwoording van de handhavingsinformatie in de reguliere plannings- en verantwoordingscyclus wordt opgenomen. Dit betekent versnelling van acht maanden ten opzichte van de Integrale handhavingsrapportage, afspraken met uitvoeringsorganisaties over de handhavingsinformatie in hun reguliere verantwoordingsdocumenten en stroomlijning van rapportages over handhaving met het SZW-jaarverslag. Dit traject zal nog enige jaren in beslag nemen.
• De AR gaf aan dat er gebrekkig inzicht was in het doelbereik van het sluitende aanpakbudget.
In beleidsartikel 2 van het jaarverslag 2002 wordt uitgebreid ingegaan op het doelbereik van de sluitende aanpak en de hiermee gemoeide middelen.
• De AR constateerde dat er over de opbrengsten van fraudebestrijding nog gegevens ontbreken. Zie boven.
Een integraal overzicht van de kosten en baten van het handhavingsbeleid is opgenomen in het jaarverslag 2002 in paragraaf 3.5 van bijlage 2: beleid ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik.
• Wat de Wet REA betreft gaf de AR aan dat de beschikbare gegevens nog geen eenduidig inzicht gaven in de gerealiseerde inspanningen. Zie boven.
In het jaarverslag 2002 wordt in premiegefinancierd beleidsartikel 3 uitgebreid verslag gedaan van de doelen, prestaties en middelen inzake de Wet REA.
• De AR gaf aan dat nog geen sprake was van een sluitend systeem van betrouwbaarheidswaarborgen rondom prestatiegegevens Wsw, WIW en ID-banen. De minister zegde toe dat eind 2002 de systematische aandacht voor de kwaliteit van de beleidsinformatie in de administratieve organisatie is opgenomen. Onderlinge aansluiting van informatiebronnen wordt bezien zodat vanaf 2003 betere verbandscontroles mogelijk worden. Het uitwerken en implementeren van een adequate AO is in december 2002 afgerond in het kader van de implementatie van de Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek. Op onderdelen worden nu verbeteringen afgerond. Met de externe bewerkers van de monitors arbeidsmarktmaatregelen zijn controleprotocollen opgesteld. Bij de I/D-regeling zijn door inzet van nieuw beleid verbandscontroles niet langer relevant. Bij de WSW en de WIW worden verbandscontroles uitgevoerd op basis van de controleprotocollen. De afronding van procedures en verdere vastlegging van criteria en controleresultaten zijn nog gaande en worden in de eerste helft van 2003 afgerond.
• In reactie op de AR gaf de minister aan dat het idee van het opstellen van een totaaloverzicht van welke prestaties in enig jaar zijn geleverd tegen welke kosten, wordt overgenomen. Wanneer van enig jaar de definitieve prestaties en budgetten zijn vastgesteld zullen de resultaten in de eerstvolgende financiële verantwoording inzichtelijk worden gepresenteerd. Bij de verdere ontwikkeling van VBTB in 2002 en 2003 zal worden nagegaan welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de betrouwbaarheid van prestatiegegevens te waarborgen.
In bijlage 4 van het jaarverslag 2002 is een integraal overzicht opgenomen van de in de begroting 2002 opgenomen prestatieindicatoren, de indicatoren waarover verslag wordt gedaan in het jaarverslag en de vindplaats. Tot slot is aangegeven over welke prestatieindicatoren SZW geen verantwoording kan afleggen en de reden waarom niet. In de beleidsartikelen zelf wordt verantwoording afgelegd over de middelen die zijn ingezet om bepaalde prestaties te realiseren.
Om de betrouwbaarheid van prestatiegegevens te waarborgen, gaat SZW na bij welke regelingen behalve de in het vorige punt genoemde drie, verbandscontroles mogelijk en zinvol zijn. Tevens is er met UWV afgesproken dat UWV jaarlijks een kwaliteitscontrole uitvoert over uitkeringsgegevens. Bij financiële gegevens baseert SZW zich op de controle die de accountantsdienst uitvoert.
• Informatievoorziening RWT's: Prestatie-eisen en -indicatoren zullen in de nieuwe aansturings- en verantwoordingsstructuur een belangrijke rol vervullen. De minister heeft toegezegd dat de verantwoording door RWT's wordt vastgelegd in een ministeriële regeling; in 2003 wordt voor het eerst gewerkt met de in de SUWI-wet vastgelegde planning- en verantwoordingscyclus. Met ingang van 2 januari 2002 is de Ministeriële regeling SUWI in werking. Rapporten planningcyclus per zbo zijn afgerond in juli 2002. De Ministeriële Regeling SUWI is in verband daarmee aangepast. Modellen verantwoording en controleprotocol SUWI zijn samen met 4e voortgangsrapportage SUWI aangeboden aan Tweede Kamer.
BELEID TER VOORKOMING EN BESTRIJDING VAN MISBRUIK EN ONEIGENLIJK GEBRUIK (M&O-BELEID)
Verslagjaar 2002 is het eerste jaar waarvoor op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften een aparte bijlage aan het jaarverslag is toegevoegd over het gevoerde beleid ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O) bij wetten en regelingen.
Van M&O-gevoelige wetten en regelingen is sprake als subsidies, uitkeringen en premies afhankelijk zijn van gegevens die door derden/belanghebbenden moeten worden verstrekt. Om M&O-risico's te reduceren wordt gehandhaafd. Daarmee is het M&O-beleid een specifiek onderdeel van het handhavingsbeleid, inclusief de fraudebestrijding.
Over het gehele handhavingsbeleid van SZW zal eind 2003 een aparte Integrale handhavingsrapportage aan de Tweede Kamer worden gezonden. Dit is toegezegd in het algemeen overleg van 26 maart 2003. In de integrale handhavingsrapportage wordt uitvoerig verslag gedaan van het gevoerde handhavingsbeleid en de in 2002 behaalde resultaten.
In deze bijlage wordt na een korte beschrijving van de hoofdlijnen van het gevoerde M&O-beleid ingegaan op het gevoerde M&O-beleid voor de werknemersverzekeringen, volksverzekeringen, sociale voorzieningen en subsidies.
2. Hoofdlijnen van het gevoerde M&O-beleid
De algemene doelstelling van M&O-beleid is drieledig:
• M&O moeten voorkomen worden (bevordering van spontane naleving);
• er moet een grote pakkans zijn (ontmoediging van M&O);
• M&O mag niet lonen (tijdige en passende afdoening).
Deze doelstelling moet langs vijf hoofdlijnen gerealiseerd worden:
1. preventief beleid;
2. controle- en opsporingsbeleid;
3. maatregelen-, sanctie en terugvorderingsbeleid;
4. sturing, medebewind en toezicht;
5. onderzoek, evaluatie en innovatie.
Om M&O te voorkomen moet de wet- en regelgeving helder zijn. De daarin beschreven rechten en plichten, met de bijbehorende door derden/belanghebbenden te verstrekken gegevens, moeten goed naleefbaar en handhaafbaar zijn. Met voorlichting wordt duidelijk gemaakt wat die rechten, plichten en gegevens zijn en wat het M&O-beleid is. De overheid is zelf ook alert op mogelijk M&O en ondersteunt de naleving van wet- en regelgeving zo goed mogelijk. Op het gebied van voorlichting is in 2002 de Campagne over de Wet Boeten afgerond. Het eindrapport daarvan is in december 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden. Ter verdere verankering van het M&O-beleid in de beleidsvoorbereiding zijn in 2002 een interne SZW-toets met daarin expliciete aandacht voor handhaving en naleving en een specifieke checklist voor SZW-subsidieregelingen voorbereid. Daarnaast is gewerkt aan de uitwerking van een handhavingsbeleidskader en aan een actuele centrale databank over M&O-gevoelige wetten en regelingen op het SZW-domein. Deze activiteiten worden in 2003 afgerond. Ook de verdragen die gesloten worden met landen over de export van uitkeringen hebben een preventieve functie. Eind 2002 zijn 32 verdragen getekend en 50 verdragen in voorbereiding.
2.2 Controle- en opsporingsbeleid
Naleving van de wet is niet altijd vanzelfsprekend. Sommigen proberen met het plegen van M&O een te hoge subsidie of uitkering te krijgen of onder premieverplichtingen uit te komen. Daarom is er stringent controle- en opsporingsbeleid. In de uitvoering van het controlebeleid wordt vastgesteld of sprake is van een goede rechtsnaleving en van het verstrekken van tijdige, juiste en volledige informatie. In de uitvoering van het opsporingsbeleid wordt gericht onderzoek naar strafbare feiten gedaan, uiteenlopend van eenvoudige overtredingen tot zware en ingewikkelde misdrijven in georganiseerd verband. Om een hoge pakkans te realiseren en M&O snel te ontdekken moeten beschikbare informatie en samenwerkings- en specialisatiemogelijkheden zo goed mogelijk worden benut.
Het Inlichtingenbureau en het Bureau Keteninformatisering Werk & Inkomen (BKWI) hebben in 2002 instrumenten in gebruik genomen om gegevensuitwisseling tussen ketenpartners te faciliteren. Uitvoeringsorganen, controle- en opsporingsdiensten hebben in 2002 risicoanalysetechnieken toegepast en (verder) ontwikkeld om te komen tot handhaving op maat: het meest intensief waar dat nodig is en minder waar dat kan.
De samenwerkingsmogelijkheden hebben in 2002 een impuls gekregen door diverse initiatieven. Zo is binnen SZW het Bureau Opsporingsbeleid ingericht als beleidsunit voor de coördinatie van het opsporingsbeleid in de SZW-kolommen en als centraal aanspreekpunt voor het Openbaar Ministerie. Dit heeft geresulteerd in een opsporingsbeleidsplan en een SZW-breed handhavingsarrangement dat is afgesloten tussen de opsporingsinstanties, het Openbaar Ministerie en SZW (TK 26 955, nr. 8). Het opsporingsbeleidsplan en handhavingsarrangement voor 2003 en het verslag over de uitvoering van het opsporingsbeleidsplan en handhavingsarrangement 2002 zijn apart aan de Tweede Kamer gezonden. Ook zijn acht Regionale Interdisciplinaire Fraudeteams (RIF's), het Westland Interventieteam (WIT), het Bouwinterventieteam (BIT) en het Confectie-interventieteam (CIT) actief geweest. In deze verbanden werken Arbeidsinspectie, UWV, gemeenten, Belastingdienst, politie en Openbaar Ministerie in wisselende samenstelling met elkaar samen. In 2002 zijn tevens de voorbereidingen gestart om te komen tot één landelijk dekkend netwerk van interventieteams. In het kader van de ketengerichte samenwerking heeft SZW het project «regionale samenwerking» van Openbaar Ministerie, politie en gemeenten ondersteund. Dit project was gericht op een sluitende aanpak van identiteitsfraude.
De aandacht voor specialisatie is in 2002 vooral bewerkstelligd door de realisatie van een apart opsporingsapparaat voor zware sociale criminaliteit in de vorm van de Sociale Inlichtingen en OpsporingsDienst (SIOD). De SIOD is in 2002 in totaal vijfentwintig operationele grote opsporingsonderzoeken gestart. Drie onderzoeken zijn inmiddels afgerond. De uitvoeringsinstellingen kennen voor hun wetsgebieden een eigen gespecialiseerd controle- en opsporingsapparaat.
2.3 Sanctie-, maatregelen- en terugvorderingsbeleid
Overtreding van wet- en regelgeving mag niet lonen. Het wederrechtelijk behaalde voordeel moet ongedaan worden gemaakt. Sancties moeten drempels tegen overtredingen opwerpen.
Via het bestuursrechtelijk optreden worden uitkeringen verlaagd of stopgezet, teveel betaalde bedragen teruggevorderd, te weinig betaalde premies nageheven en administratieve boetes en maatregelen opgelegd. Hierin staan het herstel van de rechtmatige situatie, voorkomen van verdere schade en prikkels tegen M&O centraal.
In 2002 is gestart met een verkenning naar de mogelijkheden om M&O meer via het bestuursrechtelijke en minder via het strafrechtelijke optreden aan te pakken. Conform de toezegging bij de begrotingsbehandeling wordt daarover in 2003 een aparte nota aan de Tweede Kamer gezonden.
In 2002 was de uniformering van het maatregelenbesluit voor de sociale verzekeringswetten en de Algemene bijstandswet voorzien. Deze uniformering is niet doorgezet vanwege nieuwe beleidsvoornemens op het gebied van de bijstand. Daarin is een vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten beoogd, inclusief het sanctiebeleid.
2.4 Sturing, medebewind & toezicht
Handhaving maakt integraal deel uit van de uitvoering. Een groot deel van die uitvoering ligt bij zelfstandige bestuursorganen en gemeenten. Zij moeten binnen hun beleidsruimte het handhavingsbeleid verder vorm geven en uitvoeren.
Om te bewerkstelligen dat de uitvoeringsorganen hun taken conform de wet en conform het gewenste beleid uitvoeren, maakt de minister van SZW gebruik van zijn sturingsmogelijkheden. De aansturing van SVb, CWI en UWV vindt plaats via de jaarplancyclus, zoals deze in de wet Suwi is vorm gegeven. Centraal in de cyclus staat de goedkeuring van de jaarplannen en de vaststelling van het uitvoeringskostenbudget van deze uitvoeringsorganen. Prestatie-indicatoren vormen daarin een wezenlijk onderdeel. Op basis van kwartaalrapportages en het jaarverslag wordt de uitvoering van het jaarplan bewaakt en zonodig bijgestuurd (onder meer via ambtelijk en bestuurlijk overleg).
Naast bepalingen op grond van wet- en regelgeving oefent de minister in zijn medebewindrelatie met gemeenten invloed uit door middel van bestuurlijke afspraken, ondersteuning van projecten ter verbetering van de handhaving en het onafhankelijk toezicht op gemeenten door IWI. Indien (herhaaldelijk) tekortkomingen blijken, legt de minister een maatregel op. Een nieuwe invulling van de medebewindrelatie met gemeenten zal ook zijn weerslag hebben op de afspraken die de minister met de gemeenten maakt op het terrein van handhaving en het toezicht op gemeenten.
De Accountantsdienst van SZW besteedt bijzondere aandacht aan het risicogebied M&O. Tot haar onderzoeksgebied behoren de naleving van wet- en regelgeving door SZW zelf, het toezicht door SZW op de naleving van wet- en regelgeving door derden en het M&O-beleid van SZW en de implementatie daarvan in de (administratieve) organisatie. Daarnaast voert de Accountantsdienst reviews uit op door externe accountants uitgevoerde controles. De bevindingen van de Accountantsdienst zijn opgenomen in het Accountantsrapport naar aanleiding van de controle van het jaarverslag over 2002.
2.5 Onderzoek, evaluatie en innovatie
Handhaving kan steeds beter. De samenleving verandert, wet- en regelgeving wijzigt, de vormen waarin M&O zich voordoet blijven niet hetzelfde en er ontstaan nieuwe handhavingsmogelijkheden. De omvang van M&O is niet steeds zichtbaar: een deel van het gepleegde M&O wordt niet ontdekt (dark number). Daarom wordt via ondermeer onderzoek en evaluatie permanent gezocht naar meer inzicht in de aard en omvang van M&O en de werking en innovatie van het M&O-beleid. Eind 2002 is hierover het rapport «Naleving van sociale zekerheid» met M&O-schattingen van handhavingsexperts aangeboden aan de Tweede Kamer (SOZA-02–847). Daarnaast is in 2002 een onderzoek gestart naar de omvang van regelovertreding door uitkeringsgerechtigden, waarbij uitkeringsgerechtigden zelf geraadpleegd worden. Dit is het vervolg op een soortgelijk onderzoek in 2000. De resultaten zijn aan de Tweede Kamer aangeboden. Een innovatie is de ontwikkeling van chipcardtechnologie. Uitgangspunt is een beter gebruik van de mogelijkheden van identiteitsdocumenten. In 2002 zijn interdepartementaal de mogelijkheden verkend en is het groeipad beschreven. Doel is om in 2005 biometrie toe te passen en vervolgens de mogelijkheid van digitale identiteit en handtekening. Daarnaast zijn in 2002 voorbereidingen getroffen voor pilots bij CWI, Arbeidsinspectie en de Algemene Bond van Uitzendbureaus in 2003. Deze hebben betrekking op de controle van de status van documenten in verschillende registers ten behoeve van fraudebestrijding en op het elektronisch uitlezen van gegevens ten behoeve van een snelle en correcte invoer in de uitvoeringssystemen.
Op basis van evaluatie, onderzoek en de rijksbrede nota over de fraudebestrijding 2002–2006 (TK 17 050, nr. 234) is in 2002 het handhavingsprogramma 2003–2006 voorbereid en aan de Tweede Kamer aangeboden (SOZA-02–847). Daarin ligt het zwaartepunt bij de intensievere aanpak van zwarte fraude en identiteitsfraude.
De uitvoering van de werknemersverzekeringen1 is M&O-gevoelig omdat het recht op uitkering en de plicht tot premieafdracht afhankelijk zijn van door belanghebbenden verstrekte gegevens. Binnen het kader van de SUWI- en materiewetgeving is UWV belast met de uitvoering en nadere invulling van het M&O-beleid. In de Regeling SUWI (21 december 2001) zijn bepalingen opgenomen over de toereikendheid en de naleving van de voorschriften en besluiten van uitvoeringsinstanties gericht op het tegengaan van M&O. In de controleprotocollen zijn M&O-aspecten opgenomen. Indien een uitkeringsgerechtigde zijn verplichtingen niet nakomt geldt het sanctieregime van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid. Indien een werkgever zijn verplichtingen niet nakomt geldt het regime van het Boetebesluit werkgevers. In 2002 heeft UWV met bijdragen van SZW onder meer de Campagne over de Wet Boeten afgerond, onderzoek uitgevoerd naar de samenloop van uitkeringen en detentie en naar de nonafdoening van uitkeringsfraude en het BEZEM-project voortgezet waarin UWV specifiek op het uitzendwezen gerichte interventies uitvoert. In het kader van deregulering zijn in 2002 de voorbereidingen gestart om te komen tot verbeteringen in de regelgeving. Interdepartementaal wordt gewerkt aan maatregelen om de betrouwbaarheid van het adresgegeven te vergroten. In het kader van het handhavingsprogramma 2003–2006 zijn in 2002 de voorbereidingen gestart voor extra maatregelen tegen zwarte fraude en identiteitsfraude.
Het M&O-beleid van het UWV bestaat uit de onderdelen: risicoanalyse en -selectie, de opzet en werking van maatregelen (in beleid en AO/IC) om risico's af te dekken en de toelichting over de kwaliteit van de genomen maatregelen en de resterende onzekerheid. Maatregelen liggen in de sfeer van preventie (inclusief voorlichting en bevordering van fraudealertheid), controle (inclusief gegevensbeheer en -uitwisseling), opsporing en afdoening (inclusief terug- en invordering). In 2002 zijn meerdere intensiveringen van de fraudebestrijding voortgezet (zie paragraaf 3.5) In zijn jaarverslag legt UWV verantwoording af over het jaar 2002. In het IWI-jaarverslag is het toezichtoordeel van IWI over de kwaliteit van de uitvoering door UWV opgenomen.
In lijn met de jaarplancyclus zoals deze in de Suwiwet is verankerd, heeft de minister in de meibrief het UWV verzocht om ook in 2003 het M&O-beleid verder te verbeteren op basis van de bevindingen van IWI (zie hieronder). Het UWV heeft zijn voornemen op dit terrein verwerkt in zijn jaarplan 2003. In de goedkeuringsbrief op het jaarplan 2003 van UWV heeft de Minister in december 2002 UWV verzocht om via kwartaalverslagen ondermeer hierover te rapporteren. Brief en jaarplan zijn in december 2002 aan de Eerste en Tweede Kamer aangeboden.
Verbeterplan aansturing M&O-beleid
In het rapport bij de Financiële Verantwoording 2000 van SZW heeft de Algemene Rekenkamer geconstateerd dat de aansturing vanuit het ministerie om een toereikend M&O-beleid bij de uitvoeringsinstellingen te bewerkstelligen al enige jaren tekort schiet. Naar aanleiding daarvan is in 2001 een verbeterplan opgesteld. In de Financiële Verantwoording 2001 is uiteengezet welke resultaten per ultimo 2001 zijn bereikt en welke actiepunten er nog resteren voor het UWV. Het UWV heeft als rechtsopvolger van de uitvoeringsinstellingen en van het Lisv in 2002 het verbetertraject om een toereikend M&O-beleid te realiseren, voortgezet. Het UWV heeft de voortzetting van het verbetertraject ook in zijn jaarplan 2002 opgenomen. Over de voortgang van het verbetertraject bij het UWV heeft het ministerie zich actief op de hoogte gesteld. Op basis van de maandrapportages van het UWV was het ministerie van oordeel dat het M&O-beleid ook de komende jaren moet verbeteren en heeft het ministerie UWV per meibrief1 verzocht om daartoe maatregelen te nemen.
In lijn met de eerder door het UWV uitgesproken verwachtingen heeft het UWV een toereikende M&O-toelichting bij de verantwoording 2001 gerealiseerd. In zijn rapport «de sociale verzekeringen in 2001» bevestigt IWI het door het UWV bereikte resultaat. In zijn rapport concludeert IWI dat de toelichting van het UWV op de verantwoording ten aanzien van bestrijding van misbruik van gegevens van belanghebbenden toereikend is, maar op onderdelen het terugdringen van misbruikrisico's nog verbeterd kan worden. Verder constateert IWI dat het UWV zich verbetermaatregelen heeft voorgenomen om M&O-risico's te verminderen. Op grond daarvan heeft IWI geen beperking opgenomen voor het onderwerp misbruik derdenbelanghebbende gegevens in de accountantsverklaring bij de financiële verantwoording per wet over 2001.
Naar aanleiding van de conclusies van IWI heeft het ministerie aan het UWV laten weten van oordeel te zijn dat ten opzichte van het vorige jaar een belangrijke stap voorwaarts is gemaakt om een toereikend M&O-beleid te bewerkstelligen. Tegelijkertijd heeft het ministerie laten weten dat verbetermaatregelen naar zijn oordeel nodig blijven en UWV verzocht hem te informeren over de in 2002 uitgevoerde maatregelen en de voornemens voor 2003. Het UWV heeft het verbeterplan aan het ministerie doen toekomen. In het verbeterplan vermeldt het UWV uitgebreid de diverse maatregelen die het UWV heeft getroffen op basis van de bevindingen van IWI (rapport «de sociale verzekeringen in 2001»). Ook heeft het UWV daarin de stand van zaken en het verbetertraject beschreven. In zijn reactie vraagt het UWV aandacht voor het spanningsveld tussen het bereiken van rechtmatigheidsnormen en het realiseren van een doelmatige uitvoering. Over de implementatie en werking van de verbetermaatregelen zal het UWV zich via de kwartaalrapportages verantwoorden aan het ministerie. Het verbeterplan van het UWV wordt door het ministerie beoordeeld vanuit het vetrekpunt dat de (in het verleden) geconstateerde tekortkomingen in het M&O-beleid bij de uitvoeringsintellingen een doorvertaling vergen naar een goed beleid en goede uitvoering in de nieuwe organisatorische setting waarin het UWV zich bevindt. Vanuit deze perceptie zal het ministerie het UWV sturen op een in opzet adequaat en dynamisch M&O-beleid waarvan de toepassing wordt gewaarborgd door duurzame maatregelen in de UWV-organisatie.
De uitvoering van de volksverzekeringen1 is M&O-gevoelig omdat het recht op uitkering afhankelijk is van door belanghebbenden verstrekte gegevens. Binnen het kader van de SUWI- en materiewetgeving is SVb belast met de uitvoering en nadere invulling van het M&O-beleid. In de Regeling SUWI (21 december 2001) zijn bepalingen opgenomen over de toereikendheid en de naleving van de voorschriften en besluiten van uitvoeringsinstanties gericht op het tegengaan van M&O. In de controleprotocollen zijn M&O-aspecten opgenomen. Indien een uitkeringsgerechtigde zijn verplichtingen niet nakomt geldt het sanctieregime van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid. Met bijdragen van SZW heeft de SVb in 2002 onderzoek gestart naar de effectiviteit van klantcommunicatie met allochtonen. In 2002 zijn de voorbereidingen gestart om in het kader van deregulering te komen tot verbeteringen in de regelgeving. Interdepartementaal wordt gewerkt aan maatregelen om de betrouwbaarheid van het adresgegeven te vergroten.
Het M&O-beleid van SVb bestaat eveneens uit de onderdelen: risicoanalyse en -selectie, de opzet en werking van maatregelen (in beleid en AO/IC) om risico's af te dekken en de toelichting over de kwaliteit van de genomen maatregelen en de resterende onzekerheid. In haar jaarverslag legt SVb verantwoording af over het jaar 2002. In het IWI-jaarverslag is het toezichtoordeel van IWI over de kwaliteit van de uitvoering door SVb opgenomen.
De beoordeling van het M&O-beleid van de SVb vindt in eerste instantie plaats door de Interne Accountantsdienst (IAD) van de SVb en beslaat 3 deelterreinen:
a. of de gekozen M&O-risico's per wet juist en volledig zijn;
b. of de resterende onzekerheden per wet als gevolg van M&O juist en volledig zijn;
c. en of het beleid consistent is.
In 2002 kwam de IAD van de SVb over het uitvoeringsjaar 2001 tot de bevinding dat de gekozen misbruikrisico's per wet een juiste afspiegeling vormen van de werkelijkheid. Ook was de kwantificering van de hoofdrisico's op een correcte wijze uitgevoerd. Op basis van de risico-inschattingen worden waar mogelijk maatregelen in de AO/IC opgenomen. Ten aanzien van de werking van de maatregelen zijn bij verschillende wetten tekortkomingen geconstateerd. Het M&O-beleid van de SVb is volgens de IAD toereikend en voldoet aan de maatschappelijke verwachtingen.
In 2002 kwam IWI in zijn rapportage «de sociale verzekeringen in 2001» tot de conclusie dat zij zich kan vinden in het oordeel van de IAD van de SVb. Wel tekent IWI daarbij aan dat het handhavingsbeleid en de daarbijbehorende activiteiten voor verdere verbetering vatbaar zijn. Daarnaast deelt IWI de bevinding van de IAD dat onderzoek moet worden verricht naar de (langere termijn) effecten van mogelijke tekortkomingen in de werking van de AO/IC voor misbruikgedragingen van gerechtigden.
In de goedkeuringsbrief op het jaarplan 2003 heeft de Staatssecretaris in december 2002 de SVb verzocht om via kwartaalverslagen over de handhavingsactiviteiten te rapporteren. Brief en jaarplan zijn in december 2002 aan de Eerste en Tweede Kamer aangeboden.
3.3 Centra voor Werk & Inkomen
Naast de SVb en het UWV is ook CWI een zelfstandig bestuursorgaan op het terrein van werk en inkomen. Enkele van de kerntaken van CWI zijn:
– poortwachter voor de WW, Abw en IOAW;
– ketenpartner in de uitkeringsverstrekking.
Over de rechtmatigheid van de door CWI bestede middelen legt CWI op grond van de Suwiwet verantwoording af door middel van een jaarverslag dat voorzien is van een accountantsverklaring. Vanuit de poortwachters- en ketenpartnersfunctie geeft CWI invulling aan het beleid om misbruik te voorkomen. In 2002 heeft het Bureau Keteninformatisering Werk & Inkomen (BKWI) instrumenten in gebruik genomen om de gegevensuitwisseling tussen ketenpartners te faciliteren. BKWI levert via «Suwinet-Inkijk» de mogelijkheid aan UWV, CWI en gemeenten om met behulp van een sofi-nummer persoonsgegevens te controleren. In 2002 is het project «Integrale handhaving in de keten» voorbereid. In 2003 en 2004 moet dit laatste project leiden tot een gesynchroniseerde en uitgewerkte ketenvisie op handhaving en de operationalisatie hiervan naar werkprocessen in de keten van werk en inkomen. De poortwachtersfunctie en doelgroepgericht werken door het CWI en het hoogwaardig handhaven door gemeenten staan hierin centraal. In het kader van het handhavingsprogramma 2003–2006 is in 2002 gestart met de voorbereiding van extra maatregelen om fraude met identiteitsgegevens en -documenten te voorkomen. De Minister heeft in zijn goedkeuringsbrief op het jaarplan 2003 CWI verzocht om daarover via kwartaalverslagen te rapporteren. Brief en jaarplan zijn in december 2002 aan de Eerste en Tweede Kamer aangeboden.
Sociale voorzieningen1 worden in medebewind uitgevoerd door gemeenten. De belangrijkste betreft de Algemene bijstandswet. Deze wet regelt het recht op bijstand voor iedere Nederlander hier te lande, die in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Belangrijke M&O-risico's hebben betrekking op identiteitsfraude, vermogensfraude (incl. vermogen in het buitenland), partner-/woonadresfraude, witte fraude en zwarte fraude met inkomsten en niet-naleving van de sollicitatieplicht. Gemeenten voeren binnen het kader van de wet een handhavingsbeleid uit ter voorkoming en bestrijding hiervan. De minister van SZW ondersteunt dat, maakt bestuurlijke afspraken en houdt via IWI onafhankelijk toezicht.
In de sfeer van preventief beleid zijn de volgende maatregelen genomen:
• De Minister van SZW en de G26 hebben op 10 december 2001 afspraken voor 2001–2004 gemaakt in het kader van de Agenda voor de Toekomst. Op het gebied van de handhaving is afgesproken dat er een hoogwaardig handhavingsbeleid wordt gerealiseerd. Fraudealertheid in de uitvoeringsorganisatie is hiervan een onderdeel.
• Gemeenten hebben de beschikking gekregen over de Kennisbank, die bestaat uit een systematische handleiding die de gehele beleids- en plancyclus beslaat. Vanaf 2001 zijn een aantal gemeenten hiermee aan de slag gegaan. Het uiteindelijke doel is het vergroten van de (spontane) nalevingsbereidheid van burgers. Dit wordt gerealiseerd door:
1. cliënten en burgers vroegtijdig voor te lichten
2. de dienstverlening te optimaliseren
3. overtredingen en fraude vroegtijdig te constateren en af te handelen
4. geconstateerde fraude te sanctioneren.
• In de zomer van 2002 zijn folders en brochures verspreid onder allochtone groepen over doel en werking van de vermogenstoets. Daarnaast ontvingen gemeenten in dezelfde periode in hetzelfde kader een toelichting op de inlichtingenplicht.
In de sfeer van het controle- en het opsporingsbeleid zijn in 2002 de volgende maatregelen uitgevoerd:
• Vanaf 1 januari 2002 is het Inlichtingenbureau gestart met het aansluiten van de eerste gemeenten op het nieuwe landelijke systeem. Het systeem vergelijkt gegevens van bijstandscliënten bij gemeenten, de Belastingdienst, het UWV en de Informatie Beheer Groep. In verband met stabiliteitsproblemen heeft het Inlichtingenbureau de verdere aansluiting van gemeenten in overleg met het Ministerie in het voorjaar van 2002 moeten opschorten. Door de opgelopen vertraging moeten nog 360 gemeenten in 2003 aangesloten worden, naar verwachting lukt dat in het eerste kwartaal van 2003. In de laatste drie maanden heeft het Inlichtingenbureau het totaal aantal aangesloten gemeenten uitgebreid tot 236 gemeenten waarmee een populatie van 84% van de bijstandscliënten via het Inlichtingenbureau bevraagd kan worden. Bij de eerste 112 gemeenten was meer dan 90% van de sofinummers bij de bronnen bevraagd. Uit de verantwoordingsinformatie van gemeenten moet blijken of de signaleringen via het Inlichtingenbureau effectief zijn gebleken.
• In 2001 en 2002 zijn twee pilots gestart waarbij controle op maat lokaal doorontwikkeld en geïmplementeerd is. Vooral de risico- en signaalsturing bij gegevenscontrole staan daarin centraal. In 2003 worden de resultaten van deze pilots verwacht. In de periode tot en met 2006 zal de methode voor hoogwaardige handhaving van de Abw (verder) worden geïmplementeerd evenals een controlesystematiek voor risicoanalyse. Elke gemeente moet in 2005 een vorm van risicoanalyse uitgevoerd hebben op basis van de beschikbare gegevens binnen de gemeente.
• In 2002 de stimuleringsregeling voor intergemeentelijke samenwerkingsverbanden voor de opsporing van start gegaan. De regeling wordt vereenvoudigd en uitgebreid ten behoeve van extra controle- en opsporingscapaciteit bij gemeenten.
• Er is een kabinetsbeleidslijn over verificatie van alle sociale zekerheidsuitkeringen (sociale verzekeringsuitkeringen en bijstandsuitkeringen) in het buitenland. Deze is verwoord in de brief aan de Tweede Kamer van 8 februari 2002 in het kader van de sociale zekerheidsrelatie met Marokko. Met Marokko is in de geest van die lijn een gewijzigd sociale zekerheidsverdrag gesloten.
• Verdragen over bijstandscontrole zijn getekend en/of in voorbereiding. Lijn is dat in nog te sluiten handhavingsverdragen betreffende de Wet BEU tevens handhavingsafspraken op het terrein van de bijstand worden opgenomen.
• Najaar 2002 is het Project controle op vermogen in het buitenland geëvalueerd. Uit de resultaten is de conclusie getrokken het project een structureel vervolg te geven.
• SZW zoekt verdere samenwerking met andere departementen (VROM en Financiën) om elkaars informatie meer te kunnen benutten bij het voorkomen en bestrijden van grensoverschrijdende fraude. Een eerste resultaat daarvan is nauwere samenwerking in het kader van het van Financiën uitgaande project controle buitenlandse rekeningen.
In de sfeer van maatregelen-, sanctie en terugvorderingsbeleid c.q. de afdoening zijn de volgende maatregelen uitgevoerd:
• Naar aanleiding van de Campagne Wet boeten in 2002 is gestart met het opstellen van een handleiding voor de uitvoering van de Wet boeten en maatregelen in het bijstandsdomein. Via workshops wordt de handleiding samen met de consulenten toegesneden op de lokale situatie.
• De nieuwe fraudestatistiek is in 2002 geïmplementeerd. Het gaat hierbij om grotere fraudegevallen die door de sociale recherche of de afdeling bijzonder onderzoek zijn afgehandeld. Om ook een beeld te krijgen van de fraudegevallen die in het primaire uitkeringsproces zijn afgehandeld, is informatie uit de debiteurenstatistiek bij het cijfermateriaal uit de fraudestatistiek gevoegd.
In de sfeer van medebewind en toezicht wordt de Algemene bijstandswet in medebewind uitgevoerd door burgemeester en wethouders. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van deze wet. Dit toezicht wordt uitgeoefend door IWI. Daartoe dienen burgemeester en wethouders jaarlijks een verslag in over de uitvoering van deze wet, verstrekken zij desgevraagd nadere of andere informatie en verlenen zij inzage in de administratie. Het verslag omvat mede een opgave van de ten laste van de gemeente gebleven kosten en is voorzien van een verklaring van een deskundige, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle over de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens. De Minister kan aan burgemeester en wethouders, nadat zij in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen, aanwijzingen geven met betrekking tot een goede uitvoering van deze wet.
• Gemeenten dienen het verslag over de uitvoering in in september van het jaar volgend op het verslagjaar. De beoordeling van de verslagen over 2001 wordt meegenomen in het jaarverslag van IWI over het jaar 2002.
• In 2002 liep bij een aantal gemeenten een verbetertraject. Bij een klein aantal hiervan was (een van) de reden(en) een tekortkoming op het gebied van handhaving, zoals het niet of niet zorgvuldig afhandelen van belastingsignalen of overschrijding van de termijnen met betrekking tot heronderzoek.
• Naast gemeenten met een verbetertraject is bij een aantal gemeenten ook sprake geweest van verscherpt toezicht in 2002. Bij die gemeenten speelden naast andere rechtmatigheidstekortkomingen ook tekortkomingen op het gebied van handhaving. Gemeenten die onder dit regime van IWI vallen, dienen elk kwartaal verslag te leggen over de uitvoering. Aan de hand van deze verslaglegging wordt bepaald of nader ingrijpen noodzakelijk is en of een advies moet worden gegeven om betreffende gemeente (verder) te korten op het voorschot of de (definitieve) rijksvergoeding.
• IWI heeft in 2002 naar een aantal handhavingsthema's onderzoek gedaan. Een belangrijk thema hierbij is de afhandeling van belastingsignalen. De resultaten van het onderzoek naar gemeentelijk beleid worden opgenomen in het jaarverslag van IWI.
• Net als voorgaande jaren heeft IWI bij gemeenten een M&O-monitor uitgevoerd. Hieruit blijkt dat vrijwel alle gemeenten een of meer schakels van de handhavingsketen beschrijven in hun beleidsplannen. De mate waarin zij hun beleid uitwerken en concretiseren verschilt. Ook het aantal heronderzoeken en aantal boetes dat gemeenten opleggen loopt uiteen. Meer dan bij eerdere monitors komt naar voren dat gemeenten die op bepaalde onderdelen goed functioneren dat ook op andere onderdelen doen. Registratie van misbruik bij gemeenten is vaak onvolledig, dit verschilt per gemeente. Er zijn waarschijnlijke verbanden gevonden tussen het aantal bijzonder onderzoekers en het geconstateerde misbruik in euro's, en tussen de concretisering van het gemeentelijke beleid in beleidsplannen en de effectiviteit van de opsporing. IWI concludeert dat een vergelijking van gemeenten op de omvang van het opgespoorde misbruik beperkingen heeft, maar wel bijdraagt aan het inzicht in verschillen in kwaliteit van de misbruikbestrijding.
• In de tweede helft van 2001 is onderzoek gedaan naar de gemeentelijke uitvoering van het debiteurenbeleid. Dit heeft geleid tot het rapport «Debiteuren in de Algemene bijstandswet». Dit rapport is op 17 januari 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden. Per 1 januari 2001 bedroeg de totale debiteurenschuld € 679 miljoen. Een groot deel van dit bedrag betreft opgespoorde fraude.
In 2002 zijn ten slotte de voorbereidingen gestart voor extra maatregelen in het kader van het handhavingsprogramma 2003–2006 en voor de uitwerking van de nieuwe beleidsvoornemens betreffende de bijstand.
3.5 Financiële effecten van m&o-beleid in de sociale zekerheid
| Overzicht geraamde uitvoeringskosten en besparingen M&O-beleid 2002 (bedragen x € 1 mln) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Uitvoeringskosten* | Besparingen** | |||
| Begroting | Realisatie | Begroting | Realisatie | |
| A. Regelgeving | ||||
| • Beperking export van uitkeringen | 20,0 | 7,0 | ||
| • Opdrachtgeversaansprakelijkheid loonconfectie | 4,5 | 0,0 | ||
| Totaal A. | 24,5 | 7,0 | ||
| B. Projecten Regeerakkoord 1998–2002 | ||||
| • Kwaliteitsverbetering fraudebestrijding | 6,0 | 6,0 | 15,6 | 15,6 |
| • Verbetering geautomatiseerd gegevensverkeer | 41,0 | 15,4 | 50,7 | 34,1 |
| • Verbetering samenwerking | 6,2 | 6,1 | 20,3 | 37,4 |
| • Bestrijding internationale fraude | 7,8 | 4,9 | 19,5 | 12,0 |
| Totaal B. | 61,0 | 32,4 | 106,1 | 99,1 |
| C. Extra intensiveringen 2001/2002 | ||||
| • Verdubbeling waarnemingen ter plaatse | 1,4 | 1,4 | 0,9 | 0,9 |
| • Uitbreiding internationale controle | 0,9 | 0,9 | 0,9 | 0,9 |
| • Landelijke uitbreiding LUBA experiment | 3,2 | 3,2 | 6,8 | 6,8 |
| • SIOD | 25,4 | 13,0 | 22,7 | 2,5 |
| • Uitbreiding arbeidsinspectie | 5,9 | 4,4 | 1,8 | 0,0 |
| Totaal C | 36,8 | 22,9 | 33,1 | 11,1 |
| D. Overige handhavingsactiviteiten*** | 10,9 | 8,2 | ||
Bron: SZW.
* de uitvoeringskosten betreffen zowel begrotings- als premiegefinancierde uitgaven
** de besparingen/opbrengsten betreffen zowel begrotings- als premiegefinancierde uitgaven, aandeel gemeentefonds bijstandsuitgaven, EU-arbeidsmarktsubsidies en premie- en belastinginkomsten.
*** het gaat hierbij om uit eigen begrotingsmiddelen van SZW gefinancierde (additionele) activiteiten; de eventuele aan deze beleidsondersteunende uitgaven gerelateerde opbrengsten zijn niet gekwantificeerd.
In de periode 2000–2003 zijn met veel meer landen handhavingsverdragen overeengekomen dan bij het opstellen van de begroting 2002 werd voorzien. Dat betekent dat slechts een zeer gering aantal uitkeringsgerechtigden in het buitenland met een exportbeperking te maken krijgt. De besparingen op de uitkeringslasten als gevolg van de Wet BEU zijn daarom kleiner dan verwacht. Handhavingsverdragen zullen leiden tot een verbetering van de rechtmatigheid van geëxporteerde uitkeringen.
Bij de Begroting 2002 werd uitgegaan van inwerkingtreding van de opdrachtgeversaansprakelijkheid loonconfectie in 2002. Echter, in maart 2002 is een tweede nota van wijziging bij de Tweede Kamer ingediend, en begin 2003 lag het wetsvoorstel nog ter goedkeuring bij de Eerste Kamer. De geraamde besparingen voor 2002 zijn dus niet gerealiseerd.
Onder «kwaliteitsverbetering fraudebestrijding» valt de versterking van de handhaving bij de uitvoeringsorganisaties (Lisv/uvi's, Svb en sociale diensten). Dit gebeurt door draagvlakvergroting en verhoging van de fraudealertheid van medewerkers. Tevens door de versterking van de handhavingsfunctie binnen het departement, onder andere bij de Arbeidsinspectie.
Onder «verbetering geautomatiseerd gegevensverkeer» vallen onder meer het Inlichtingenbureau en de chipcard. De landelijke uitrol van het Inlichtingenbureau heeft vertraging opgelopen. In plaats van de oorspronkelijk geraamde 100% woonden in 2002 slechts 70% van de ABW gerechtigden in een gemeente die aangesloten was op het Inlichtingenbureau. De kosten zijn hierdoor ruim € 14 mln lager uitgevallen dan bij de opstelling van de begroting 2002 was voorzien. Dit heeft ook tot gevolg dat een kleine € 10 mln van de oorspronkelijk geraamde opbrengsten niet gerealiseerd zijn in 2002. Voor de ontwikkeling van de chipcard zijn in 2002 geen kosten gemaakt en dus ook geen opbrengsten gerealiseerd. Onder andere de ervaringen met pilots hebben een aanpassing in de koers noodzakelijk gemaakt: handhaving krijgt op korte termijn meer nadruk en invoering van biometrie en elektronische dienstverlening komen op de middellange en lange termijn aan de orde.
Onder «verbetering samenwerking» vallen in het bijzonder multidisciplinaire samenwerkingsverbanden als het Westland Interventieteam (WIT) en de Regionale interdisciplinaire fraudeteams (Rif's). Vooral de belastingopbrengsten van deze teams zijn veel groter dan oorspronkelijk geraamd.
Onder «bestrijding internationale fraude» valt onder meer het project Vermogen Buitenland voor gemeenten. Er is een infrastructuur ontwikkeld waarbinnen de gemeenten de mogelijkheid hebben gekregen om vermogensbezit in Turkije en Marokko te laten onderzoeken. De signalen zijn ter plaatse door de sociaal attachés geverifieerd. De kosten en opbrengsten van dit project waren bij de begroting te hoog ingeschat en zijn nu neerwaarts bijgesteld.
C. Extra intensiveringen 2001/2002
De staatssecretaris van SZW heeft eind 2000 een aantal maatregelen voorgesteld om de aanpak van fraude te intensiveren. Extra personeel is geworven voor de verdubbeling van het aantal waarnemingen ter plaatse en de uitbreiding van de internationale controle. Het LUBA-experiment is later het project «ERNST» (effectief reïntegreren nieuwe stijl) geworden. De resultaten van een intensievere controle bij Luba Uitzendbureau BV waren zeer bemoedigend; een lagere instroom in de WAO en daling van het gemiddeld aantal uitkeringsdagen. Er zijn voor de landelijke uitrol 70 fte geworven.
De SIOD is op 1 januari 2002 van start gegaan en vanaf mei dat jaar operationeel. De kosten in 2002 gemaakt vallen lager uit dan verwacht. Oorzaken hiervan zijn de tijdrovende werving en selectie van geschikt personeel, een vertraging in de uitvoering van de tijdelijke regeling opsporingssamenwerkingsverbanden van gemeenten, en het uitblijven van het beroep op tijdelijke middelen voor reorganisatiekosten door het uitvoeringsveld SV. Ook de opbrengsten van de SIOD komen hierdoor lager uit dan in de begroting 2002 verwacht. De eerste fraudeonderzoeken hebben naar schatting zo'n € 2,5 mln opgeleverd.
De Arbeidsinspectie heeft in 2002 circa 50 fte extra handhavingscapaciteit geworven voor inspecties op veiligheid en gezondheid op het werk. Vanwege de opleiding van het nieuwe personeel treden extra opbrengsten vanaf 2003 op.
D. Overige handhavingsactiviteiten en verbetering uitvoeringskwaliteit
Via het budget voor «overige handhavingsactiviteiten en verbetering uitvoeringskwaliteit» ondersteunt SZW een groot aantal kleinere projecten op het gebied van handhaving en ter verbetering van de uitvoeringskwaliteit. De belangrijkste projecten uit 2002 betreffen de implementatie van de Kennisbank, de bijdrage aan serviceorganisatie Stimulansz, de realisatie van de fraude- en debiteurenstatistiek, ondersteuning van regionale samenwerking bij de uitvoering van het bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz), de gedeeltelijke financiering van de Rif's Twente en Utrecht en financiering van het op het uitzendwezen gerichte BEZEM-project van UWV. Het verschil tussen begroting en realisatie is vooral ontstaan als gevolg van deels latere uitvoering en deels latere afrekening van projecten.
Subsidies zijn M&O-gevoelig omdat de verlening, bevoorschotting en vaststelling ervan afhankelijk zijn van gegevens van derden of belanghebbenden.
Voor door SZW verstrekte subsidies geldt de gelaagde structuur van de Algemene Wet Bestuursrecht, de Kaderwet SZW-subsidies, de Algemene Regeling SZW-subsidies en specifieke subsidieregelingen. Hoewel afwijkingen mogelijk zijn, geldt bij specifieke regelingen het uitgangspunt dat de Algemene Regeling eveneens van toepassing is. M&O-risico's worden gereduceerd door in de regelingen zo veel mogelijk gebruik te maken van nauwkeurige en heldere begrippen en beoordelingscriteria, door voorlichting aan potentiële aanvragers en aan bestaande subsidierelaties en door afhankelijk van de subsidievormen controles op subsidieaanvragen en -verantwoordingen uit te voeren en tussentijds informeren naar de voortgang van gesubsidieerde activiteiten. Het subsidieproces is in de administratieve organisatie en financieel beheersconcepten beschreven. Voor subsidies van meer dan € 50 000,- geldt de algemene regel dat de verantwoording moet zijn voorzien van een accountantsverklaring. De Accountantsdienst van SZW voert een reviewbeleid uit. Subsidiebesluiten kunnen in een termijn van de subsidieverlening tot maximaal vijf jaar na subsidievaststelling ten nadele van de subsidieontvanger genomen of gewijzigd worden. Dat kan ondermeer als uit verantwoordings- of controle-informatie blijkt dat niet aan de subsidievoorwaarden is voldaan of als onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt. In dat geval worden ten onrechte te veel betaalde bedragen teruggevorderd en kan de wettelijke rente in rekening worden gebracht.
Voor subsidiewetten en -regelingen1 die door derden worden uitgevoerd geldt daarbij het regime dat deze organisaties geacht worden misbruik en oneigenlijk gebruik binnen het wettelijk kader op toereikende wijze te voorkomen en te bestrijden. IWI is belast met het toezicht op de uitvoering. Verantwoordingen moeten worden voorzien van een accountantsverklaring met in achtneming van het verantwoordings- en controleprotocol. De Accountantsdienst voert een reviewbeleid. Rijksvergoedingen voor de uitvoering van die subsidiewetten en -regelingen kunnen op basis van verantwoordings- en controle-informatie lager worden vastgesteld, aldus onverschuldigde bedragen teruggevorderd of verrekend. In de preventieve sfeer worden uitvoerders schriftelijk en in een aantal gevallen middels bijeenkomsten voorgelicht over de uitvoering van de subsidiewetten en -regelingen.
Wetten en langlopende regelingen worden geëvalueerd. Bij kortlopende regelingen vindt steeds een specifieke afweging plaats. Een aantal subsidie-instrumenten is geëvalueerd in het IBO-onderzoek «Aan de slag». Daarin is geconstateerd dat een aantal prikkels verkeerd stond. Naar aanleiding daarvan zijn maatregelen voorgenomen voor maximale budgettering en totstandkoming van een vrij besteedbaar reïntegratiebudget.
In 2002 is op basis van onderzoek naar SZW-subsidieregelingen en naar aanleiding van aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer bij de Financiële Verantwoording 2001 een juridische checklist voorbereid. Met die checklist wordt het uitgangspunt dat de Algemene regeling van toepassing is onderstreept en wordt de beperking van risico's verder in de voorbereiding van nieuwe subsidieregelingen verankerd. Indien in een specifieke subsidieregeling geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken van het regiem zoals dat in de Algemene Regeling SZW-subsidies is opgenomen, wordt in het vervolg, bij het ontwerpen van nieuwe subsidieregelingen, die afwijking uitdrukkelijk gemotiveerd.
Daarnaast heeft het Agentschap SZW, als uitvoerder van ondermeer de regelingen op grond van het Europees Sociaal Fonds (ESF), een uitgebreide beschrijving van haar M&O-beleid vastgesteld. Het Agentschap onderscheidt 10 verschillende diensten en daarvan afgeleide producten en hanteert per product specifieke instrumenten om de risico's op M&O te verminderen. In de gegevensverstrekking is ruimte voor interpretatie en onzekerheid over de geleverde prestaties en een juiste kosten- en opbrengstenverantwoording. Om de risico's te beperken zijn door het Agentschap samenhangende maatregelen getroffen op basis van de keten beleidsvoorbereiding, regelgeving, controle, sanctiebeleid, voorlichting en evaluatie.
In 2001 was de kwaliteit van door externe accountants ontvangen verklaringen en rapporten van bevindingen bij declaraties van departementale en Europese middelen, die door organisaties buiten het departement werden besteed, voor verbetering vatbaar. Dit bleek uit door de Accountantsdienst uitgevoerde reviews. Daarop zijn in 2002 de voorbereidingen gestart voor een nieuw reviewbeleid met als uitgangspunt dat externe accountants waar mogelijk meer op hun handelen worden aangesproken. Specifieke bevindingen van de Accountantsdienst zijn opgenomen in het Accountantsrapport naar aanleiding van de controle van het jaarverslag over 2002.
In 2002 is gestart met de actualisatie en verdieping van de databank over M&O-gevoelige wet- en regelgeving. Daarin worden de subsidiewetten en -regelingen opgenomen. Deze activiteit wordt in 2003 afgerond.
Op het SZW-beleidsveld zijn verschillende fiscale instrumenten van belang, zoals de Afdrachtsvermindering Langdurig Werklozen (VLW), de specifieke afdrachtskorting (SPAK) voor indienstname van laagbetaalde arbeidskrachten, fiscale scholing saftrek voor werkgevers in de profitsector, fiscale afdrachtsvermindering onderwijs ter vergoeding van loonkosten van werknemers in het leerlingwezen en de toetrederskorting. De instrumenten kennen toetsbare criteria en worden grotendeels uitgevoerd door de Belastingdienst.
Een specifiek fiscaal instrument betreft de Farbo-regeling, waarmee ondernemers en non-profitinstellingen worden gestimuleerd te investeren in arbovriendelijke bedrijfsmiddelen. In de «Arbolijst» staan arbovriendelijke en innovatieve bedrijfsmiddelen waarvan de ondernemer zelf kan bepalen wanneer hij de investeringskosten aftrekt. Het voordeel zit in liquiditeit en rentevoordeel. De non-profitinstelling krijgt een vermindering in afdracht. Er is een risico dat als gevolg van onjuiste of onvolledige gegevens van leveranciers producten ten onrechte worden toegelaten op de Arbolijst. Tevens bestaat het risico dat als gevolg van onjuiste of onvolledige gegevens aanvragen ten onrechte geheel of gedeeltelijk worden toegekend. Deze risico's worden ondervangen door:
• Voorstellen voor uitbreiding van de Arbolijst moeten uitvoerig worden gedocumenteerd en worden door een commissie van deskundigen beoordeeld. Om het risico verder te reduceren wordt de deskundigheid van de commissie verder aangescherpt voordat zij najaar 2003 weer bij elkaar komt.
• Elke aanvraag voor toepassing van de regeling wordt voor toekenning administratief gecontroleerd. Bij twijfel gaat de Arbeidsinspectie ter plekke controleren. Dit maakt het risico op ten onrechte toegekende aanvragen beperkt. (gemeten naar het investeringsbedrag wordt circa 25% van de aanvragen niet toegekend). De regeling wordt in 2003 geëvalueerd.
| Tabel | Omschrijving | Bron | Aard van de gegevens* |
| Beleidsprioriteiten | |||
| 4.1 | Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2002 | SZW-administratie | Voorlopig |
| 4.2 | Kerngegevens 2002 (procentuele mutaties) | MEV 2002, MEV 2003 en CEP 2003 | Definitief |
| 4.3 | Statistische koopkrachtontwikkeling 2002 (in procenten) | SZW | Voorlopig |
| 4.4 | Werkloosheidsval 2002 | CEP 2003 | Voorlopig |
| 4.5 | Netto-arbeidsparticipatie en werkloosheid vergeleken voor autochtonen en etnische minderheden | CBS, enquete beroepsbevolking | Definitief |
| Beleidsartikelen | |||
| Artikel 1 | |||
| Basisdienstverlening Werk en Inkomen | |||
| 1.1 | Dienstverlening werkzoekenden | Jaarverslag CWI 2002 | Definitief |
| 1.2 | Dienstverlening werkgevers | CWI, vierde kwartaalverslag | Definitief |
| 1.3 | Overdracht reïntegratieadviezen en uitkeringsdossiers | CWI, vierde kwartaalverslag | Definitief |
| Artikel 2 | |||
| Stimulering en kwaliteitsbevordering van arbeidsaanbod | |||
| 2.1 | Middelen voor en resultaten van reïntegratietrajecten 2002 | UWV, SZW | Voorlopig |
| 2.2 | Prestaties sluitende aanpak nieuw ingeschreven werklozen 2002 | Cijferonderzoek Sluitende Aanpak, Regioplan | Voorlopig |
| 2.3 | Prestaties sluitende aanpak langdurig werklozen (zittend bestand) 2002 | Cijferonderzoek Sluitende Aanpak, Regioplan | Voorlopig |
| 2.4 | Verdeling middelen sluitende reïntegratie (x € 1 mln) | SZW | Definitief |
| 2.5 | Uitstroomgegevens WIW-dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen | WIW-monitor | Definitief |
| 2.6 | Prestatiegegeven WIW-dienstbetrekkingen basis en werkervaringsplaatsen (x € 1 mln) | SZW | Voorlopig |
| 2.7 | Casemanagement/Agenda voor de toekomst (X € 1 miljoen) | SZW | Definitief |
| 2.8 | Kinderopvang | SZW | Voorlopig |
| 2.9 | Prestaties netto-arbeidsparticipatie etnische minderheden 2002 | CBS, Enquête beroepsbevolking | Definitief |
| 2.10 | Arbeidsparticipatie en werkloosheid vergeleken voor autochtonen en etnische minderheden | CBS, Enquête beroepsbevolking | Definitief |
| 2.11 | Aandeel deelnemers in gesubsidieerde arbeid t.o.v. beroepsbevolking naar etnische herkomst 2002 | CBS | Definitief |
| 2.12 | Participatiegraad vrouwen | CBS, Enquête beroepsbevolking | Definitief |
| 2.13 | Participatiegraad ouderen | CBS, Enquête beroepsbevolking | Definitief |
| 2.14 | Werkloosheid onder jongeren in relatie tot startkwalificatie | CBS, Enquête beroepsbevolking 2001 | Definitief |
| 2.15 | Budget doelgroepenbeleid (x € 1 000) | SZW | Definitief |
| 2.16 | Ontvangsten en uitgaven Europese gelden buiten begrotingsverband | SZW-administratie | Definitief |
| 2.17 | Verplichtingen AG SZW Europese regelingen | SZW-administratie | Definitief |
| Artikel 3 | |||
| Aanvullende werkgelegenheid | |||
| 3.1 | Overzicht volume- en prijsgegevens ID-banen | SZW-administratie, ID-monitor | Voorlopig |
| 3.2 | Overzicht prijsgegevens RSP | SZW-administratie | Voorlopig |
| Artikel 4 | |||
| Aangepast en begeleid werken | |||
| 4.1 | Prestatiegegevens WSW | WSW monitor en volumeopgave gemeenten; bij CBS uitgevoerde koppeling WSW-monitor en GBA. | Voorlopig |
| 4.2 | Subsidies aan gemeenten voor de realisatie van werkplekken | SZW, Jaaropgaven WSW van gemeenten en voorlopige gegevens WSW monitor en volume opgave gemeenten. | Voorlopig |
| 4.3 | Budget, Volume, uitkering anticumulatiebaten | SZW, UWV | Voorlopig |
| Artikel 5 | |||
| Algemene inkomensgarantie op minimumniveau | |||
| 5.1 | Samenstelling en hoogte minimuminkomens in 2001 en 2002 (x € 1) | SZW | Definitief |
| 5.2 | Indicatoren handhaving Abw ca | CBS bijstandsfraudestatistiek 1ste helft 2002, bewerking SZW | Voorlopig |
| 5.3 | Indicatoren handhavingsketen Toeslagenwet | UWV | Voorlopig |
| 5.4 | Achterliggende volume en prijsgegevens Abw, Ioaw en Ioaz | SZW en CBS | Voorlopig |
| 5.5 | Volume en prijsgegevens TW | SZW-administratie, UWV | Voorlopig |
| Artikel 6 | |||
| Inkomensgarantie voor jonggehandicapten | |||
| 6.1 | Volume en prijsgegevens Wajong | UWV | Voorlopig |
| Artikel 7 | |||
| Inkomensaanvulling voor herkeurde arbeidsongeschikten | |||
| 7.1 | Volume en prijsgegevens BIA | UWV | Voorlopig |
| Artikel 8 | |||
| Tijdelijke inkomensgarantie voor kunstenaars | |||
| 8.1 | Volume en prijsgegevens Wik | CWI-cultuur, SZW-administratie | Voorlopig |
| Artikel 9 | |||
| Tegemoetkoming in de kosten van kinderen | |||
| 9.1 | Prestatiegegevens misbruik en oneigenlijk gebruik AKW | SVB | Voorlopig |
| 9.2 | Prestatiegegevens AKW | SZW-administratie, Oktobernota SVB en CBS | Voorlopig |
| 9.3 | Prestatiegegevens TOG | SZW-administratie, Oktobernota SVB en CBS | Voorlopig |
| Artikel 11 | |||
| Bevorderen van combinatiemogelijkheden van arbeid en zorg | |||
| 11.1 | Gebruik van ouderschapsverlof in aantallen en als percentage van de doelgroep | CBS, SZW | Voorlopig |
| 11.2 | Gebruik afdrachtskorting ouderschapsverlof | Ministerie van Financiën | Definitief |
| 11.3 | Aantal gebruikers Finlo 2001–2002 | SZW-administratie UWV | Voorlopig |
| 11.4 | Gebruik adoptieverlof | UWV, SZW | Voorlopig |
| 11.5 | Kinderopvang (aantal plaatsen) | Deloitte&Touche, Monitor uitbreiding kinderopvang 2002 | Definitief |
| Artikel 12 | |||
| Coördinatie emancipatiebeleid | |||
| 12.1 | Realisatie subsidies emancipatiebeleid | SZW-administratie | Definitief |
| 12.2 | Realisatie en streefwaarden in 2002 (zelfstandig bestaan van vrouwen en mannen) | SCP/CBS, Emancipatiemonitor 2002; enquete beroepsbevolking 2002 | Voorlopig |
| Artikel 13 | |||
| Verbetering arbeidsomstandigheden | |||
| 13.1 | Streefcijfers beperking arbeidsrisico's 1996–2001 | SZW, nota arboconvenanten nieuwe stijl; CBS enquete beroepsbevolking; Arbobalans 2002 | Definitief |
| 13.2 | Beschikbaarheid schriftelijke risicoinventarisatie en -evaluatie | Arbeidsinspectie | Definitief |
| 13.3 | Prestatiegegevens veiligheidsrapport zware ongevallen 2002 | Arbeidsinspectie | Definitief |
| 13.4 | Certificatieregelingen | Arbeidsinspectie | Definitief |
| 13.5 | Beroepsziektemeldingen conform richtlijnen | Nederlands Centrum voor Beroepsziekten | Voorlopig |
| 13.6 | Intentieverklaringen en convenanten naar onderwerp, stand per 31–12–2002 | SZW-administratie | Definitief muv laatste rij |
| 13.7 | FARBO-regeling | Arbeidsinspectie | Voorlopig |
| 13.8 | Aantal interventietrajecten | Arbeidsinspectie | Definitief |
| 13.9 | Inspectiefrequentie naar bedrijfsgrootte | Arbeidsinspectie | Definitief |
| Artikel 14 | |||
| Tegemoetkoming asbestslachtoffers | |||
| 14.1 | Prestatiegegevens tegemoetkoming asbestslachtoffers | SVB, SZW-administratie | Definitief |
| Artikel 15 | |||
| Rijksbijdragen sociale fondsen | |||
| 15.1 | Prestatiegegevens premiebijdrage gemoedsbezwaarden | UWV | Voorlopig |
| 15.2 | Prestatiegegevens BIKK | CPB | Definitief |
| Artikel 16 | |||
| Rijksbijdragen spaarfonds AOW | |||
| 16.1 | Prestatiegegevens Rijksbijdragen Spaarfonds AOW | SZW | Definitief |
| Artikel 17 | |||
| Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen | |||
| 17.1 | Overboekingen vanuit de aanvullende post van Financiën naar de SZW-begroting | SZW-administratie | Definitief |
| Artikel 98 | |||
| Algemeen | |||
| 98.1 | Toedeling naar beleidsartikelen van het totale personele en materiële budget bij begroting 2002 en de realisatie (x € 1 000) | SZW-administratie | Definitief |
| 98.2 | Totaaloverzicht materieeluitgaven 2002 | SZW-administratie | Definitief |
| 98.3 | Toerekening aan producten van de personele, materiële en huisvestingskosten AI; begroting en realisatie 2002 | SZW-administratie | Definitief |
| 98.4 | Toedeling kasbedragen primair proces naar de beleidsartikelen 2000–2002 | SZW-administratie | Definitief |
| 98.5 | Toedeling kasbedragen voorlichting naar de beleidsartikelen 2000–2002 | SZW-administratie | Definitief |
| Verdeling van de uitgaven voor voorlichting over beleidsterreinen in 2002 | SZW-administratie | Definitief | |
| 98.6 | Toedeling kasbedragen onderzoek en beleidsinformatie naar de beleidsartikelen 2000–2002 | SZW-administratie | Definitief |
| 98.7 | Toedeling kasbedragen subsidies naar de beleidsartikelen 2000–2002 | SZW-administratie | Definitief |
| Premiegefinancierde beleidsartikelen | |||
| Artikel 1 | |||
| Inkomensgarantie bij werkloosheid | |||
| 1.1 | Overzicht reïntegratietrajecten | UWV, 2002/3 | Voorlopig |
| 1.2 | Handhavingsketen WW | UWV | Voorlopig |
| Artikel 2 | |||
| Inkomensgarantie bij ziekte en arbeidsongeschikheid | |||
| 2.1 | Handhavingsketen ZW | UWV | Voorlopig |
| 2.2 | Handhavingsketen WAO/WAZ/Wajong | UWV | Voorlopig |
| Artikel 3 | |||
| Reïntegratie | |||
| 3.1 | Overzicht aantal toegekende REA-instrumenten 2002 | UWV 2002/3 | Voorlopig |
| 3.2 | Overzicht werknemersvoorzieningen | UWV 2002/3 | Voorlopig |
| 3.3 | Overzicht trajecten | UWV 2002/3 | Voorlopig |
| Artikel 4 | |||
| Inkomensgarantie voor nabestaanden | |||
| 4.1 | Anw prestatiegegevens | SVB | Voorlopig |
| Artikel 5 | |||
| Inkomensgarantie bij ouderdom | |||
| 5.1 | Handhaving AOW | SVB | Voorlopig |
| Bijlage 2 M&O-beleid | |||
| Overzicht geraamde uitvoeringskosten en besparingen | SZW | Voorlopig |
* Voorlopig = raming of nog niet vastgesteld.
Definitief = gebaseerd op volledige informatie.
LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
| AAW | Algemene Arbeidsongeschiktheidswet |
| Abw | Algemene bijstandswet |
| Afz | Arbeidsongeschiktheidsfonds Zelfstandigen |
| AI | Arbeidsinspectie |
| AIQ | Arbeidsinkomensquote |
| AKW | Algemene kinderbijslagwet |
| ANW | Algemene nabestaanden wet |
| Aof | Arbeidsongeschiktheidsfonds |
| AOW | Algemene Ouderdoms Wet |
| AR | Algemene Rekenkamer |
| Arbo | Arbeidsomstandigheden |
| Arbvo | Arbeidsvoorzieningsorganisatie |
| ATW | Arbeidstijdenwet |
| AVEM | Commissie Arbeidsdeelname van Vrouwen van Etnische Minderheden |
| AWBZ | Algemene wet bijzondere ziektekosten |
| Awf | Algemeen werkloosheidsfonds |
| BBA | Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen |
| BBP | Bruto Binnenlands Produkt |
| Bbz | Bijstandsbesluit zelfstandigen |
| Bia | Beperking Inkomensgevolgen Arbeidsongeschiktheidscriteria |
| BIKK | Bijdrage in de Kosten van Kortingen |
| BIT | Bouwinterventieteam |
| BKWI | Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen |
| BUO | Beleidsunit Opsporing |
| BVG | Bedrijfsverzamelgebouwen |
| BZK | Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties |
| CAO | Collectieve Arbeidsovereenkomst |
| CBBS | Claimbeoordeling en belastbaarheid van het sociaal medisch handelen |
| CBS | Centraal Bureau voor de Statistiek |
| CEP | Centraal Economisch Planbureau |
| CIT | Confectieinterventieteam |
| CPB | Centraal Plan Bureau |
| CTSV | College van toezicht sociale verzekeringen |
| CWI | Centra voor Werk en Inkomen |
| DCE | Directie Coördinatie Emancipatiebeleid |
| EAU | Experimenten activering van uitkeringsgelden |
| ESF | Europees Sociaal Fonds |
| EU | Europese Unie |
| EZ | Ministerie van Economische Zaken |
| FEZ | Financieel-Economische Zaken |
| Finlo | Wet Financiering Loopbaanonderbreking |
| FWI | Fonds Werk en Inkomen |
| GAK | Gewestelijk Arbeidskantoor |
| GSD | Gemeentelijke sociale dienst |
| HVS | Hoofdelijk Versnelde Scholing |
| IAS | Instituut Asbestslachtoffers |
| IB | Inlichtingenbureau |
| ICT | Informatie en Communicatie Technologie |
| ID-banen | Instroom, doorstroombanen |
| IGCZ | Inkomenspositie Gehandicapten en Chronisch Zieken |
| IHS | Individuele Huursubsidie |
| IOAW | Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers |
| IOAZ | Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen |
| IWI | Inspectie voor Werk en Inkomen |
| KOA | Regeling Kinderopvang en buitenschoolse opvang voor alleenstaande ouders met kinderen in de Abw |
| KOM | Krachtig Ondernemen met Minderheden |
| LISV | Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen |
| LNV | Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij |
| MDW | Marktwerking, Deregulering en wetgevingskwaliteit |
| MEV | Macro Economische Verkenning |
| MKB | Midden en kleinbedrijf |
| M&O | Misbruik en oneigenlijk gebruik |
| NAP | Nationaal Actieplan |
| NIBUD | Nationaal instituut voor budgetvoorlichting |
| Nug | Niet uitkeringsgerechtigden |
| NVS | Nationale Vacature- en Sollicitantenbank |
| NVVK | Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet |
| OCW | Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen |
| Of | Ouderdomsfonds |
| OSA | Organisatie voor strategisch arbeidsmarktonderzoek |
| REA | Reïntegratie Arbeidsgehandicapten |
| Rif's | Regionale interdisciplinaire fraudeteams |
| RKB | Regeling Uitbreiding Kinderopvang en Buitenschoolse opvang |
| ROC | Regionale Opleidingscentra |
| ROP | Raad voor het Overheidspersoneel |
| RPA | Regionale platforms arbeidsmarkt |
| RSI | Repetitive Strain Injury |
| RSP | Regeling schoonmaakdiensten particulieren |
| Ruf | Regeling uitvoering en financiering Wet Inschakeling werkzoekenden |
| SER | Sociaal-Economische Raad |
| SIOD | Sociale Inlichtingen en Opsporings Dienst |
| SLA | Service Level Agreement |
| SNO | Service Niveau Overeenkomst |
| SPAG | Stimuleringsprojecten Allochtone Groepen |
| SPAK | Specifieke Afdrachtskorting |
| SUWI | Structuur Uitvoering Werk en Inkomen |
| SVB | Sociale Verzekeringsbank |
| SVWW | Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid |
| SZA | Sociale zekerheid en arbeidsmarkt |
| SZW | Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid |
| TAS | Tegemoetkoming Asbestslachtoffers |
| TBA | Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschitkheidsregelingen |
| Tbia | Wet bescherming inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria |
| TIB | Toezichtinformatiebeleid |
| TNO | Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek |
| TOA | Taskforce Ouderen en Arbeid |
| TOG | Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende Gehandicapte kinderen 2000 |
| TW | Toeslagenwet |
| UVI's | Uitvoeringsinstellingen |
| UWV | Uitvoeringsorganisatie Werknemersverzekeringen |
| VBTB | Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording |
| Vlw | Vermindering langdurig werklozen |
| VNG | Vereniging Nederlandse Gemeenten |
| VNO | Vereniging Nederlandse Ondernemingen |
| VR | Veiligheidsrapport |
| VROM | Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer |
| VUT | Vervroegde uittreding |
| VVS | Vrouwenvakscholen |
| VWS | Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| WAA | Wet Aanpassing Arbeidsduur |
| WAJONG | Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jong Gehandicapten |
| WAO | Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering |
| WAV | Wet Arbeid Vreemdelingen |
| WAZ | Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen |
| Wbk | Wet basisvoorziening kinderopvang |
| WEP | Werkervaringsplaatsen |
| Wet Samen | Wet Stimulering Arbeidsdeelname Minderheden |
| Wfv | Wet Financiering volksverzekeringen |
| WIK | Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars |
| WIT | Westland Interventieteam |
| WIW | Wet inschakeling werkzoekenden |
| WKA | Wet Koppeling met afwijkingsmogelijkheid |
| WML | Wet minimumloon |
| WSNP | Wet schuldsanering natuurlijke personen |
| WSW | Wet sociale werkvoorziening |
| WTP | Waarnemingen ter plaatse |
| WW | Werkloosheidswet |
| WWOW | Wetsvoorstel Werkgeversbijdrage Oudere Werknemers |
| WWV | Wet Werkloosheidsvoorziening |
| Zbo | Zelfstandige Bestuursorganen |
| ZW | Ziektewet |
Abw 18, 19, 24, 27, 31, 33, 36, 39, 40, 42, 51, 52, 54, 62, 65, 67, 68, 77, 133, 178, 179, 180, 187, 188, 193, 219, 265, 266, 278, 279
Activering 15, 22, 27, 40, 249
Agenda voor de toekomst 22, 27, 252
Agentschap SZW 11, 12, 49, 50, 51, 137, 187, 220, 223, 227, 243, 245, 249, 250, 254, 256, 257, 272
Algemene Rekenkamer 5, 7, 8, 12, 181, 242, 255, 263, 272, 278
Anw 40, 41, 42, 166, 167, 168, 169
AOW-gat 15, 25, 28, 118, 120, 121, 170, 173
AOW 16, 25, 120, 121, 122, 123, 131, 170, 171, 172, 173, 182, 212, 246, 251, 264, 278
Arbeid en zorg 15, 19, 24, 26, 87, 88, 89, 90, 93, 94, 131, 203, 246, 251
Arbeidsaanbod 15, 17, 26, 36, 51, 131, 136, 137, 144, 182, 187, 246, 251, 252
Arbeidsgehandicapten 22, 27, 56, 58, 159, 160, 161, 162, 164, 165, 180, 181, 271, 279
Arbeidsinspectie 15, 25, 105, 106, 109, 110, 111, 113, 132, 133, 134, 207, 260, 262, 269, 270, 273, 278
Arbeidsomstandigheden 103, 105, 106, 107, 108, 110, 112, 113, 131, 137, 176, 182, 207, 246, 251, 278
Arbeidsongeschikten 74, 76, 131, 155, 157, 160, 197
Arbo 103, 104, 105, 108, 110, 111, 113, 133, 134, 245, 249, 272, 273, 278
Armoedeval 15, 17, 18, 26, 62, 64
Asbestslachtoffers 115, 116, 117, 131, 182, 209, 246, 251, 278, 279
Automatisering 132, 133, 140, 179, 185, 218, 219, 232, 237, 238
Bedrijfsverzamelgebouw 124, 126, 127, 213, 214, 278
Bedrijfsvoering 5, 6, 7, 10, 11, 174, 230, 255
Beleidsintensiveringen 64
Beleidsprioriteiten 5, 10, 14, 15, 26, 27, 28
Beleidsverslag 5, 10, 11, 12, 184, 215
Bijstand 18, 22, 23, 37, 40, 43, 51, 53, 62, 63, 64, 65, 68, 77, 93, 175, 178, 179, 187, 193, 245, 249, 261, 265, 266, 267, 268, 269, 271, 278
Centra voor Werk en Inkomen 24, 124, 125, 278
Dagindeling 96, 97, 101, 205
Dechargeverlening 5, 7, 8, 9, 10
Emancipatie 15, 23, 24, 27, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 101, 131, 135, 136, 182, 205, 243, 246, 249, 251, 278
EQUAL 12, 137, 220
ESF-3 12, 97
Etnische minderheden 15, 20, 21, 22, 27, 31, 32, 36, 37, 44, 45, 46, 47, 48, 53, 58
Evaluatieonderzoeken 12, 50, 57, 67, 78, 100, 111, 116, 137, 149
Experimenten 42, 52, 96, 97, 101, 130, 188, 205, 216, 217, 278
FARBO 109
Flexibele beloning 15, 19, 27
Fonds Werk en Inkomen 278
Formatie 7, 10, 13, 14, 21, 22, 24, 27, 34, 35, 46, 47, 51, 53, 61, 73, 93, 94, 101, 102, 117, 124, 125, 127, 131, 132, 135, 136, 140, 146, 154, 167, 171, 174, 181, 185, 187, 203, 205, 218, 219, 223, 232, 236, 237, 249, 252, 257, 258, 260, 266, 267, 271, 278, 279
Fraudebestrijding 181, 257, 259, 262, 263, 269
Gesubsidieerde arbeid 19, 46, 47, 54, 56, 58, 64
Huisvesting 15, 132, 133, 140, 185, 218, 219, 227, 233, 234, 237, 238, 243, 280
ID-banen 37, 43, 54, 55, 56, 57, 178, 189, 257, 278
Inlichtingenbureau 175, 180, 260, 266, 270, 278
Inspectie Werk en Inkomen 11, 24, 27, 134, 169, 175, 176, 181, 223, 230, 256
Jaarrekening 5, 10, 11, 12, 126, 178, 179, 184, 215, 231, 237
Kinderbijslag 81, 84, 200, 264, 278
Kinderopvang 6, 43, 51, 52, 53, 87, 92, 93, 94, 187, 188, 203, 204, 252, 256, 279, 280
Koopkracht 16, 17, 65, 130, 216
Koppeling 46, 53, 58, 62, 68, 80, 102, 127, 193, 198, 280
Kunstenaars 77, 78, 79, 80, 131, 182, 198, 246, 251, 265, 280
Laagopgeleiden 21, 27
Leeswijzer 5, 10
Loonkosten 19, 20, 156, 185, 226, 272
Mededeling bedrijfsvoering 6, 11
Misbruik en Oneigenlijk gebruik 70
Nabestaanden 115, 116, 117, 166, 168, 209, 264, 278
Ouderen 15, 20, 21, 27, 36, 44, 48, 49, 144, 145, 279
Pensioen 25, 26, 28, 96, 120, 170, 172, 176, 243
Premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven 10
Raad voor Werk en Inkomen 44, 145, 175
Scholing 12, 17, 21, 26, 36, 40, 44, 51, 52, 53, 144, 161, 164, 180, 187, 252, 272, 278
SIOD 15, 25, 27, 132, 260, 269, 270, 279
Sluitende aanpak 21, 40, 46, 118, 120, 159, 160, 180, 210, 257, 260
Sociale activering 22, 37, 39, 46, 64
Sociale fondsen 14, 19, 27, 118, 120, 131, 182, 210, 246, 251
Sociale werkvoorziening 252, 280
Spaarfonds AOW 7, 12, 122, 123, 212
SUWI 15, 24, 29, 30, 124, 126, 127, 129, 154, 163, 175, 179, 185, 214, 232, 237, 258, 262, 264, 279
SVB 13, 82, 83, 84, 85, 115, 116, 134, 168, 169, 171, 172, 175, 180, 181, 279
Toeslagenwet 62, 66, 67, 69, 193, 194, 253, 262, 280
Toezicht 5, 10, 11, 24, 26, 54, 74, 92, 93, 134, 166, 175, 176, 177, 178, 179, 180, 181, 204, 230, 231, 237, 255, 259, 261, 263, 264, 265, 267, 271, 278, 279
Trajecten 22, 25, 27, 36, 46, 64, 98, 109, 110, 113, 124, 127, 146, 159, 160, 162, 163, 164, 165, 255
UWV 13, 20, 24, 29, 30, 33, 36, 40, 61, 66, 69, 71, 72, 74, 75, 91, 93, 119, 121, 124, 125, 127, 134, 145, 146, 147, 148, 149, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 161, 162, 163, 164, 175, 178, 179, 203, 256, 258, 260, 261, 262, 263, 264, 265, 266, 271, 280
VBTB 6, 10, 12, 34, 102, 255, 257, 258, 280
Veiligheid 25, 27, 100, 106, 107, 109, 113, 205, 270, 280
Vermogensfraude 265
Voorlichting 64, 78, 88, 91, 101, 102, 131, 135, 136, 140, 163, 174, 205, 218, 220, 252, 259, 263, 271, 272, 279
Wajong 61, 71, 72, 73, 153, 195, 262
WAO 20, 27, 36, 61, 74, 127, 151, 152, 153, 155, 156, 159, 160, 178, 191, 262, 270, 280
WAZ 61, 121, 151, 152, 153, 157, 158, 191, 262, 280
Werkloosheid 16, 17, 18, 20, 21, 37, 39, 44, 45, 49, 52, 53, 54, 70, 74, 75, 118, 144, 147, 148, 149, 150, 188, 217, 262, 271, 278, 279, 280
Wiw-dienstbetrekkingen 43
Wiw-dienst 37
Wsw 37, 43, 46, 47, 58, 59, 60, 61, 178, 191, 257
WW 20, 21, 27, 31, 33, 36, 52, 69, 72, 74, 118, 120, 144, 145, 146, 147, 148, 149, 150, 156, 158, 179, 188, 194, 203, 210, 217, 262, 265, 271, 279, 280
Ziektewet 151, 152, 153, 262, 280
IWI heeft per 1 januari 2002 de tijdelijke agentschapstatus toegekend gekregen en mag hierdoor reeds een baten-lastenadministratie voeren. Vanaf 1 januari 2002 wordt door de Inspectie het reguliere instellingstraject doorlopen om aan de instellingsvoorwaarden te kunnen gaan voldoen, waarna de permanente agentschapsstatus kan worden verkregen.
Plan van aanpak arbeidsmarktpositie hoger opgeleide vluchtelingen (TK 2001–2002, 27 223, nr 21 en 35)
Bij de behandeling van de SZW-begroting 2002 heeft de Minister aan de Kamer toegezegd een integraal overzicht van rijksbrede scholing smaatregelen van het Rijk te zullen opstellen. Op de internetsite van SZW (home.szw.nl) is een integraal overzicht opgenomen van scholingsmaatregelen op het hele terrein van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, inburgering, een Leven Lang Leren, bevordering van instroom en doorstroom naar knelpuntvacatures, reïntegratie en (sociale) activering.
Nieuw ingeschreven werklozen die ofwel werk vinden, of binnen 12 maanden een aanbod hebben gekregen gericht op werk of sociale activering.
In de loop van 2002 is de operationele doelstelling aangepast waardoor ook het bevorderen van de arbeidsparticipatie van ouderen, voortijdig schoolverlaters en herintredende vrouwen tot de doelstelling wordt gerekend. Deze aanpassing is in de begroting 2003 doorgevoerd. In de verantwoording 2002 wordt ook alvast ingegaan op genoemde doelgroepen.
Van der AA e.a., Vrij baan voor zorg en educatie. Eerste evaluatie van de Wet financiering loopbaanonderbreking. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, april 2000, p. 20 en gegevens van de Uitvoering Werknemersverzekeringen, afdeling Beleidsinformatievoorziening.
J.A. Engels e.a., Aanzetten tot arbocuratieve samenwerking, Samenvatting van de procesevaluatie van vijf projecten in de regio's Groningen, Drenthe en Friesland, Afdeling Sociale Geneeskunde UMC St Radboud, Nijmegen, juni 2002.
– «Ouderen op de arbeidsmarkt» door Research en Beleid; – «Inschrijven, accepteren en ook solliciteren» door KPMG BEA; – «Ouderenbeleid in CAO's (2001)» door de Arbeidsinspectie.
De bruto instroom bedraagt 34 339 in contractjaar 2002. Aantal gestarte trajecten heeft een omvang van 24 234. Tot nog toe zijn 502 personen met plaatsing uitgestroomd. Gegevens over het 4de kwartaal van het GAK en USZO ontbreken hier nog in.
Het toezicht op de Pensioen- & Verzekeringskamer staat voor IWI nog ter discussie. IWI zal waarschijnlijk geen toezicht houden op de Sociaal Economische Raad.
Tot het doelgroepenbeleid behoren Casemanagement Niet-Uitkeringsgerechtigden € 1,4 miljoen. Herintredende vrouwen € 1,6 miljoen, Doelgroepvoorzieningen € 1,6 miljoen en IDW voorbereiding € 0,1 miljoen.
Waaronder de Werkloosheidswet (WW), deToeslagenwet (TW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ), de Ziektewet (ZW), de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (BIA) en de Regeling samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met WSW-loon.
De Meibrief is het sturingsinstrument waarin de Minister de uitgangspunten voor de jaarplanvoorbereiding van het komende jaar aan UWV kenbaar maakt.
Waaronder de Algemene nabestaandenwet (ANW), de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene kinderbijslagwet (AKW) en de Regeling Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk Gehandicapte kinderen (TOG).
Waaronder de Algemene bijstandswet (Abw), het besluit inkomensondersteuning arbeidsongeschikte zelfstandigen (Ioaz), het besluit inkomensondersteuning arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw) en de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars (WIK). De laatste blijven hier buiten beschouwing. Ze kennen geen specifieke handhavingsprojecten en volgen de hoofdlijnen van de Abw.
Waaronder de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), de Subsidieregeling voor werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers (SVWW), de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW) en de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA), de Regeling Schoonmaakdiensten Particulieren (RSP) en het Besluit in- en doorstroombanen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28880-32.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.