28 880
Jaarverslagen over het jaar 2002

nr. 30
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ (XIV)

Aangeboden 21 mei 2003

Gerealiseerde ontvangstenkst-28880-30-1.gif

Gerealiseerde uitgavenkst-28880-30-2.gif

Inhoudsopgave

A.ALGEMEEN6
   
1.Voorwoord6
   
2.Dechargeverlening8
   
3.Leeswijzer11
   
B.Beleidsverslag13
   
4.Beleidsprioriteiten13
A.Realisatie van de beleidsprioriteiten 200213
B.Budgettaire consequenties van de beleidsprioriteiten 200226
   
5.Beleidsartikelen28
 Versterking landelijk gebied (01)28
 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting) (02)43
 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer) (03)50
 Economisch perspectiefvolle agroketens (04)53
 Bevorderen duurzame productie (05)63
 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid (06)74
 Kennisontwikkeling en innovatie (07)83
 Kennisvoorziening (08)89
 Kennisverspreiding (09)92
   
6.Niet-beleidsartikelen103
 Nominaal en onvoorzien (10)103
 Algemeen (11)103
7.Mededeling over de bedrijfsvoering107
   
8.Toezichtsrelaties108
   
C.JAARREKENING115
   
9.Verantwoordingsstaten115
9.1De verantwoordingsstaat van het Ministerie van LNV115
9.2De samenvattende verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten116
   
10.Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaten117
   
11.Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaat van de Baten-lastendiensten123
 Bureau Heffingen123
 LASER141
 Plantenziektenkundige Dienst156
   
12.Saldibalans169
   
Bijlage 1:Verdiepingsbijlage178
   
Bijlage 2:Aanbevelingen AR en M&O-beleid184
   
Bijlage 3:Lijst met gebruikte afkortingen187

A ALGEMEEN

1. VOORWOORD

Hierbij bied ik u het LNV-jaarverslag 2002 aan. Het jaar 2002 is, in het kader van de verslaglegging, met twee (demissionaire) kabinetten, een bijzonder jaar. De begroting 2002 is door het vorige (missionaire) kabinet bij uw Kamer ingediend; het huidige (demissionaire) kabinet legt verantwoording over het jaar 2002 af.

In dit jaarverslag staat bovendien meer dan in voorgaande jaren het beleid centraal, als gevolg van de principes van VBTB «Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording», waarlangs dit jaarverslag is opgesteld. Er is een transparante relatie gelegd tussen de beleidsdoelen, de geleverde beleidsprestaties en de uitgaven die voor het realiseren van de prestaties en de beleidsdoelen zijn verricht.

Als ik in grote lijnen terugkijk op 2002 zie ik een aantal in het oog springende resultaten. Op de eerste plaats is dat de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur. Bij de verwerving heeft een versnelling van de realisatie plaatsgevonden en is er goede voortgang gemaakt met de inrichting. Ook de grote belangstelling voor de regelingen voor natuurbeheer, in het bijzonder voor het agrarisch natuurbeheer, zette in 2002 door.

Daarnaast was er de doelstelling voor 2002 van het realiseren van een landelijk evenwicht op de mestmarkt, bij de geldende verliesnormen. Mede als gevolg van de resultaten van de mestafzetovereenkomsten en de opkoop van varkensrechten is deze doelstelling feitelijk gerealiseerd.

De vervuiling van veevoeder met het hormoon MPA maakte halverwege dit jaar het nodige los, zowel in de landbouwsector als in de maatschappij. Door een degelijke samenwerking en afstemming tussen de sector en de overheid zijn de gevolgen beperkt gebleven en konden dreigende harde maatregelen van de kant van de Europese Commissie worden afgewend.

Tenslotte is er werk gemaakt van de administratieve lastenverlichting. Op de terreinen van de veterinaire-, fytosanitaire-, meststoffen- en welzijnsregelgeving zijn aanpassingen gedaan die tot concrete verlichting hebben geleid van de lastendruk.

Over beleidsconsequenties voor de toekomst op grond van de resultaten die dit jaar zijn bereikt, moet ik echter terughoudend zijn. Deze passen niet bij de demissionaire status van het kabinet bij het optekenen van dit departementaal jaarverslag.

De goede resultaten hebben ook een schaduwzijde. In 2002 is gebleken dat op een aantal onderdelen van de LNV-begroting budgettaire tegenvallers zijn ontstaan. Deze tegenvallers zijn ontstaan bij de uitvoering van het beleid en door het ingezette traject ter verbetering van de klantvriendelijkheid. Deze tegenvallers zijn voor een groot deel verwerkt in de najaarsnota 2002. De uiteindelijke budgettaire realisatie is in dit jaarverslag gepresenteerd. Over maatregelen om de doorwerking van de tegenvallers naar 2003 weg te nemen is de Kamer geïnformeerd bij brief van 29 januari jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 112).

Tenslotte zijn in 2002 bij Strategisch Akkoord aan LNV de nodige ombuigingen opgelegd, zowel op apparaats- als programmauitgaven. LNV staat derhalve de komende jaren voor de uitdaging om op basis van de resultaten 2002 en gegeven de verminderde beschikbare budgettaire ruimte, invulling te geven aan het gewenste beleid. Dit zal de nodige inzet en vindingrijkheid van de organisatie vergen. Ik vertrouw erop dat een voortzetting van de ingezette weg tot minder én eenvoudiger regels en uitvoering zal leiden. Daarvan zullen zowel de doelgroep als het departement zelf de vruchten plukken.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Dr. C. P. Veerman

2. DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij decharge te verlenen over het in het jaar 2002 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar ordeel met betrekking tot:

1. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

2. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

3. de financiële informatie in de jaarverslagen;

4. de departementale saldibalansen;

5. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

6. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag/de onderhavige jaarverslagen en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

1. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

2. de slotwet van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over het jaar 2002; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd; het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

3. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2002 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

4. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2002 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2002 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001); het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

Ten behoeve van het politieke oordeel dat door middel van een besluit tot dechargeverlening wordt uitgesproken, is het van belang mee te wegen dat de ondergetekende samen met staatssecretaris Odink vanaf 22 juli 2002 de zorg voor het financieel beheer van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op zich heeft genomen.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Dr. C. P. Veerman

mede namens

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Ir. B. J. Odink

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001

verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van:

(datum): ..............................

De Voorzitter van Tweede Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Tweede Kamer, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van:

(datum) ..............................

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Eerste Kamer, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

3. LEESWIJZER

De verantwoording over het jaar 2002 van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, is de eerste die volgens de principes van VBTB «Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording» is opgesteld. De verantwoording is daarmee een «spiegel» van de eerste VBTB-begroting 2002.

Het jaarverslag bestaat uit de volgende onderdelen:

– Voorwoord

– Dechargeverlening

– Leeswijzer

– Beleidsprioriteiten

– Beleidsartikelen

– Niet-beleidsartikelen

– Mededeling over de bedrijfsvoering

– Toezichtsrelaties

Verantwoordingstaten en de financiële toelichting daarop

Saldibalans

Daarnaast maken drie bijlagen onderdeel uit van het jaarverslag, bestaande uit de verdiepingsbijlage, een toelichting op de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer bij de financiële verantwoording van voorgaande jaren en een bijlage met een lijst van afkortingen. Hieronder wordt in deze leeswijzer ingegaan op een aantal specifieke invullingen van het jaarverslag.

In hoofdstuk 4 wordt onder de beleidsprioriteiten ingegaan op de onderwerpen die in de beleidsagenda van de begroting 2002 zijn opgenomen. Hieraan is toegevoegd de MPA-affaire, waarmee de veehouderijsector in 2002 werd getroffen. Dit onderwerp is ondergebracht onder de bestaande prioriteit over voedselveiligheid. Het samenvattende overzicht van de beleidsconclusies is niet opgenomen. Dit in verband met de demissionaire status van het kabinet ten tijde van de totstandkoming van het departementaal jaarverslag. Deze status brengt met zich mee dat terughoudend is omgegaan met voorgenomen beleidsintenties op grond van de realisatie 2002.

Onder hoofdstuk (5) over de beleidsartikelen wordt ingegaan op de doelbereiking en de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleid. De gegevens, waarop de verantwoording hierover is gebaseerd, zijn ontleend aan reguliere prestatiegegevens of evaluatieonderzoek. Op de ordelijke en controleerbare oplevering van deze gegevens wordt nader ingegaan in de mededeling over de bedrijfsvoering. De mededeling over de bedrijfsvoering is opgenomen in hoofdstuk 7. De verantwoording over de Evaluatieonderzoeken vindt rijksbreed plaats. Bij de toerekening aan de beleidsartikelen van de gerealiseerde LNV-bijdrage aan de uitvoerende diensten is niet de verdeling gehanteerd die in de begroting 2002 is opgenomen. Uitgegaan is van de verdeling van de budgetten over de beleidsartikelen, zoals die luidde na verwerking van de mutaties die gedurende de begrotingsuitvoering in 2002 hebben plaatsgevonden.

Omdat de verantwoording van de uitgaven met betrekking tot het Plattelandsontwikkelingsplan en de Europese structuurfondsen meer beleidsterreinen beslaan wordt hierop apart ingegaan in hoofdstuk 8 onder de toezichtrelaties. In dit hoofdstuk is ook de verantwoording van de uitgaven en ontvangsten van de Europese Unie in het kader van het EOGFL opgenomen. Deze uitgaven en ontvangsten worden buiten begrotingsverband verantwoord.

In de toelichting bij de verantwoordingstaten (hoofdstuk 10) zijn conform de voorschriften dezelfde tabellen budgettaire gevolgen van beleid opgenomen, als onder de beleidsartikelen. Een zekere overlap was hierdoor niet te vermijden. De geringe verschillen tussen de totalen saldibalans en verantwoordingstaat betreft afrondingsverschillen.

In het jaarverslag wordt tevens ingegaan op de relevante overzichtscontructies. Op de eerste plaats is dit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). De uitgaven die LNV jaarlijks doet in het kader van internationale samenwerking uitgaven worden in beleidsartikel 11 «Algemeen» verantwoord.

Daarnaast heeft LNV deelgenomen aan de overzichtsconstructies «Grote Stedenbeleid» (GSB) en «investeringsimpuls stedelijke vernieuwing» (ISV) met inzet van middelen in A beleidsartikel 1.15 Groen in en om de stad (GIOS). De uitgaven die met de overzichtsconstructies zijn gemoeid, zijn opgenomen in de departementale jaarverslagen van respectievelijk het Ministerie van BZK en het Ministerie van VROM.

Ten aanzien van de Natuurverwerving konden de topografische kaarten niet in het Jaarverslag worden opgenomen omdat dit gerealiseerd moet worden door het koppelen van diverse geautomatiseerde systemen. Dit is een technisch complexe en een tijdrovende activiteit. Er wordt momenteel verder gewerkt aan het systeem waarin de realisatie van de EHS topografisch kan worden weergegeven, maar een exacte opleverdatum is nog niet te geven.

B. BELEIDSVERSLAG

4. BELEIDSPRIORITEITEN

A. Realisatie van de beleidsprioriteiten 2002

Versterking landelijk gebied (artikel 1)

Platteland

Plattelandsbeleid staat in het teken van duurzame ontwikkeling. Beide hebben in 2002 een nieuwe impuls gekregen. Tijdens de WSSD (World Summit on Sustainable Development) te Johannesburg (augustus 2002) is het gelukt om het plattelandsbeleid hoger op de agenda te krijgen. Vanuit het concept van duurzame ontwikkeling voor het platteland is een start gemaakt met transitie Duurzame landbouw (NMP4).

De kwaliteit van de bodem, lucht en water is het fundament voor een aantrekkelijk platteland. Zij heeft ook een rechtstreekse relatie met het voortbrengend vermogen van de grond, voedselkwaliteit en de kwaliteit van de natuur. Er is samen in 2002 met VROM een start gemaakt voor een vernieuwd bodembeleid, dat niet alleen oog heeft voor de sanering van bodems, maar een sterker accent legt op goed beheer.

De belangrijkste opgave in het waterbeheer ligt in het anticiperen op de klimaatveranderingen.

Het landelijk gebied kan een sleutelrol vervullen bij het accommoderen van het water. Dat biedt tevens kansen voor het versterken van de kwaliteit en de multifunctionaliteit van het platteland.

In 2002 zijn samen met V&W, provincies en waterschappen de noodzakelijke watermaatregelen op het platteland in beeld gebracht. Het betreft de voorbereiding van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Deze maatregelen worden in samenhang met het overige gebiedsgerichte beleid zoals het natuurbeleid, de verdrogingsbestrijding en de geplande reconstructie uitgevoerd.

In het najaar van 2001 zijn in de publicatie «Wegen naar een ander Platteland» de gesignaleerde knelpunten uit de 13 pilots in het kader van het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS) beschreven. De daaruit voortvloeiende Plannen van Aanpak zijn beschreven in «Spa in de Grond: Vitaal Platteland in Uitvoering». Deze plannen van aanpak zijn voor het BANS voorjaars-overhedenoverleg aanleiding geweest opdracht te verlenen tot het maken van een drietal Uitvoeringsprogramma's. Deze programma's richten zich op: het motiveren en faciliteren van burgers, het opheffen van belemmeringen in wet- en regelgeving, en ontkokering en ontschotting via onder meer bundeling van geldstromen. Na afronding zullen de uitvoeringsprogramma's worden aangeboden aan de betrokken partijen. De inbedding van de voorgestelde oplossingsrichtingen in de Agenda Vitaal Platteland zal een belangrijk aandachtspunt zijn.

In 2002 is een uitvoeringscontract in het kader van het sturingsmodel voor de groene ruimte tussen Rijk en IPO getekend. Beide partijen hebben daarbij geconcludeerd, dat -ondanks de goede bedoelingen- de afgesproken procedure in de praktijk toch leidt tot ongewenste bureaucratie. Daarom hebben LNV, VROM en IPO gezamenlijk aan Boer&Croon opdracht gegeven om voorstellen te doen die moeten leiden tot verbetering van de afspraken in het kader van het sturingsmodel.

Reconstructie

In 2002 is de Reconstructiewet aangenomen door de Eerste Kamer, waarna op 1 april 2002, de Reconstructiewet in werking trad. Daarmee is de weg vrijgemaakt voor de verdere vormgeving van het reconstructietraject. In 2002 is er naast uitgaven voor procesinrichting en uitvoering, gewerkt aan de afronding van de pilotprojecten. De afronding vindt plaats in 2003, waarna een evaluatie zal worden uitgevoerd.

Plattelandsontwikkelingsplan

De uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) in 2002 is naar redelijke tevredenheid verlopen; ondanks onderuitputting, is in 2002 toch voor € 50,7 mln besteed, ofwel ruim 87% van de beschikbare Europese gelden voor 2002. De belangrijkste oorzaken voor de onderuitputting zijn toe te schrijven aan een vertraging in de besluitvorming bij Landinrichtings -en Gebiedsgerichte projecten als gevolg van het laat indienen van de POP-wijzigingsvoorstellen 2002 in Brussel en de veelheid aan POP-maatregelen. Meer specifiek is de onderuitputting te herleiden naar de instrumenten Agrarisch Natuurbeheer, Provinciaal Programma Waterbeheer, Landinrichting Waterbeheer, Provinciaal Programma Toerisme en Landinrichting Ontsluiting.

Kwaliteitsverbetering landschap

De kamerbehandeling van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is niet afgerond vanwege het aftreden van het kabinet in het voorjaar van 2002. Dit heeft ook gevolgen gehad voor de SGR-2 procedure waarin een belangrijk deel van het beleid op het terrein van kwaliteitsverbetering van het landschap moest neerslaan. De definitieve vaststelling en uitvoering van het beleid heeft daarmee vertraging opgelopen. Inmiddels heeft het kabinet november 2002 in de Stellingnamebrief vastgesteld dat de Vijfde Nota en het SGR-2 zullen worden geïntegreerd. De uitvoering zal worden vastgelegd in het Uitvoeringsprogramma Nationaal Ruimtelijk Beleid en het Meerjarenprogramma Vitaal Platteland.

Ten behoeve van het ruimtelijk beleid in het landelijk gebied is de ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie (OLS) ontwikkeld. Het doel daarvan is de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied vooraf te beoordelen op de effecten op het landschap en bij een positief saldo daarvoor ruimte te bieden. De beoordeling dient op regionaal niveau (door provincies) en of locaal niveau (door gemeenten) te worden uitgevoerd. De verankering van de OLS in de ruimtelijke ordening was gepland voor 2002. Vanwege de kabinetswisseling en de herijking van het ruimtelijk beleid in de stellingnamebrief zal dit op zijn vroegst in 2003 plaatsvinden via de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland. Ten behoeve van de toepassing van de OLS zijn kernkwaliteiten voor het landschap geformuleerd, waarmee de bestaande en de gewenste kwaliteit van het landschap kunnen worden beschreven. Deze kernkwaliteiten zijn gepubliceerd in het deel 1 van het SGR2 en worden bewerkt ten behoeve van de Nota Ruimte.

In 2002 is de planvorming in acht proeftuingebieden van de Kwaliteitsimpuls Landschap afgerond. In de proeftuingebieden worden ideeën gegenereerd en ervaringen opgedaan ten behoeve van de instrumentatie en uitvoering van de Kwaliteitsimpuls Landschap. De proeftuinperiode loopt tot juli 2003. In het najaar van 2001 hebben de betrokken provincies plannen van aanpak gemaakt. In de tweede helft van 2002 zijn voor alle proeftuinen uitvoeringsgerichte plannen opgesteld door de gebieden en ter goedkeuring aan LNV voorgelegd. Tegelijkertijd zijn de voorbereidingen getroffen voor de uitvoering van de proeftuinplannen met behulp van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB) en een aangepaste subsidieregeling voor het beheer.

De kwaliteitsimpuls landschap zal grotendeels worden gerealiseerd in de Nationale en Waardevolle Landschappen. In de eerste delen van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en het SGR2 zijn daartoe voorstellen gedaan voor Nationale en Provinciale Landschappen. In de Stellingnamebrief van het eerste kabinet Balkenende is aangegeven dat gestreefd wordt naar integratie van deze twee gebiedscategorieën en een beperking van de totale oppervlakte, teneinde het beleid te vereenvoudigen. De uitwerking daarvan zal plaatsvinden in de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland.

In het kader van GIOS (groen in en om de stad) zijn 20 intentieafspraken met de stedelijke regio's gemaakt, gerelateerd aan de verstedelijkingsopgaven. Per regio zijn op gebied van o.a. groen en vooruitlopend op de definitieve verstedelijkingsafspraken in 2003, intenties vastgelegd over de balans tussen rood en groen, onteigening en doorwerking in streekplannen. Om de voortgang te bespoedigen is over de strategische groenprojecten Haarlemmermeer en Zoetermeer Zuidplas ook afzonderlijk bestuurlijk overleg gevoerd. In 2002 is gestart met de herziening van een aantal instrumenten. Het gaat om de onteigeningswet en de wet voorkeursrecht gemeenten. Er is een begin gemaakt met de ontwikkeling van de wet grondexploitatie. Tevens is een aanzet gemaakt voor de volgende ISV/GSB periode.

Biodiversiteit/Internationaal natuurbeleid

Het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal 2002–2006 (BBI) geeft richting aan het Nederlandse internationale biodiversiteitsbeleid. Het BBI groepeert de verschillende beleidsvoornemens van de verschillende ministeries, en vertaalt de doelen die Nederland zich op het gebied van biodiversiteit in de periode 2002–2006 heeft gesteld naar concrete stappen. In het Nederlandse internationale biodiversiteitsbeleid is vooral ingezet op deelname aan en beïnvloeding van de internationale besluitvorming, op kennisoverdracht en op ondersteuning van projecten in het buitenland. In 2002 heeft LNV haar inspanning voortgezet om te komen tot een wereldwijd netwerk van beschermde gebieden en het bewerkstelligen van een duurzaam gebruik van biodiversiteit in economische sectoren als landbouw, bosbouw, visserij, toerisme en handel.

Nederland heeft in 2002 een actieve en initiërende rol gehad in de internationale arena op het gebied van biodiversiteit. Dit kwam o.a. tot uiting in de organisatie van de zesde Conferentie van Partijen bij het Biodiversiteitsverdrag (CoP6) in april 2002 te Den Haag. Speerpunten in deze conferentie waren het behoud en beheer van bossen, invasieve uitheemse soorten en agrobiodiversiteit met accent op behoud en toegang tot de genetische bronnen.

In Nederland heeft het biodiversiteitsbeleid concrete vorm gekregen in de realisatie van de EHS, het soortenbeleid en het landschapsbeleid.

Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur: verwerving en inrichting (artikel 2)

Algemeen

Bij de verwerving heeft een versnelling van de realisatie plaatsgevonden. De inrichting is op sommige beleidsdoelen achtergebleven (reservaatsgebieden), terwijl op andere beleidsdoelen juist een versnelling is te constateren (natuurontwikkeling). De totale realisatie van hectares ligt hoger dan gepland. Dit is onder andere terug te voeren op de impuls die het Natuuroffensief eind 2001 heeft gegeven; er is € 80 mln beschikbaar gesteld voor versnelling van de realisatie van natuurdoelstellingen. Deze middelen hebben, voor zover niet te realiseren in 2001, tot uitgaven geleid in 2002, door onttrekking aan het Groenfonds in 2002. Dit heeft effect gehad op de geleverde prestaties, zoals met name op de verwerving van EHS-doelstellingen en de verwerving en inrichting van staats- en recreatiebos. Een andere reden is de toepassing van een eenduidiger toerekening van hectares aan beleidsdoelstellingen, waarmee tevens een directe aansluiting wordt gerealiseerd met de rekening en verantwoording van het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL); BBL beheert de aankopen tot het moment van doorlevering aan de eindbeheerder. Tot die tijd is het vermogen neergelegd in de grondvoorraad die de beleidsprestaties op termijn weerspiegelen.

Het succes van de grondverwerving in 2002 heeft ook als consequentie dat reeds in 2002 financiële verplichtingen zijn aangegaan die een beslag leggen op het gehele kasbudget in 2003, zodat in 2003 geen nieuwe verplichtingen kunnen worden aangegaan.

Natuurverwerving

Realisatiecijfers over 2002 en de restant taakstellingen grondverwerving in hectares
BeleidscategorieRestant taakstelling per 1–1–2002Planning Verwerving 2002Resultaat Verwerving5 2002Restant taakstelling per 1–1–20032
1.13 Landelijk natuurlijk    
Bosuitbreidingslocaties1 3501371061 244
Bos, landschap & kwaliteitsimpuls 1e tranche46 260218836 177
1.14 GIOS    
Recreatie en Staatsbos5 4404914974 943
1.15 Recreatieve doeleinden    
Recreatie1 40080611 339
2.11 Droge EHS    
Reservaat330 7802 0692 59628 184
Natuurontwikkeling28 0502 0442 72525 325
Bestaand Natuurterrein18 0501 0642 10915 941
Robuuste verbindingen 1e tranche113 36081051312 847
2.12 Natte EHS    
Natte natuur2 6251504492 176

1 Robuuste verbindingen: in 2002 hebben de provincies de meeste verkenningen voor de robuuste verbindingen binnen de EHS afgerond. Voor twee robuuste verbindingen worden in 2003 verkenningen uitgevoerd. Met de verwerving van grond voor deze robuuste verbindingen is in 2002 een aanvang gemaakt. Omdat er vanwege de demissionaire status van het kabinet nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden tussen LNV en de provincies over de prioritering, de hectareverdeling en de tracés van de robuuste verbindingen, zijn de verworven gronden toegevoegd aan de grondvoorraad van BBL.

2 De restanttaakstellingen zijn een rekenkundig resultaat van de realisatie 2002. De ombuigingen en de verschuiving van verwerving naar beheer uit het strategisch akkoord zullen vanaf 2003 effect hebben op de restant taakstellingen verwerving

3 Reservaten: exclusief de opgave particulier beheer van 19 200 hectare.

4 Kwaliteitsimpuls landschap 1e tranche (5000 ha) is nog niet apart begrensd en wordt in samenhang met de beleidscategorie Bos & Landschap in planvorming uitgevoerd.

5 De verwervingsresultaten worden in hele hectares weergegeven, vanwege gebruik van afrondingen is het mogelijk dat zich hier nog enige onnauwkeurigheid voordoet. Ditzelfde geldt ook voor de gepresenteerde hectares inrichting.

Bovenstaande tabel geeft inzicht in de realisatiecijfers over 2002 en de restant taakstellingen grondverwerving weergegeven in de diverse beleidscategorieën. De realisatiecijfers bestaan uit hectares die zijn aangekocht en doorgeleverd aan Staatsbosbeheer en Particuliere Natuurbeschermingsorganisaties, plus het aantal hectares ruilgrond van het Bureau Beheer Landbouwgronden, dat is toe te rekenen aan de eindcategorieën.

Ten opzichte van voorgaande jaren zijn de grondprijzen licht gedaald. De gemiddelde prijzen per hectare voor de terreinen EHS/ruilgrond, Bufferzone/Randstad en Traditioneel natuurterrein bedroegen resp. € 38 666 , € 54 890 en € 15 780. De gemiddelde aankoopprijs is uitgekomen op ca. € 36 000 per hectare.

In 2002 heeft er geen grondprijscompensatie plaatsgevonden, aangezien de prijsontwikkelingen daar in 2002 geen reden toe gaven. Wel blijft een punt van zorg dat het aankoopbudget niet tot het huidige prijsniveau is gecompenseerd.

Verwervingsdoelstellingen worden mede gefinancierd vanuit autonome middelen van de provincies, daarnaast leveren de ministeries van VROM en V&W voor diverse programma's een financiële bijdrage, waardoor er geen één op één relatie bestaat tussen uitgaven en gerealiseerde hectares.

Het overzicht van inrichting is in onderstaande tabel weergegeven.

Prestaties in ha., tenzij anders vermeldTaakstellingRestant taakstelling per 1–1–2002Begroting 2002 afgerondBegroting 2002 onderhandenRealisatie 2002 afgerondOnderhanden per 31–12–2002Restant taakstelling per 1–1–2003
01 Versterking landelijk gebied       
01.11 Gebiedenbeleid       
Ruimtelijke structuur  40 000610 0009 250645 000 
kavelruil  13 00013 0009 0468 343 
01.13 Landelijk natuurlijk       
Bosuitbreidingslocaties3 0001 63550390176591 618
Bos, landschap & kwaliteitsimpuls 1e tranche26 83023 3652002 3002092 68023 156
01.14 De stedelijke omgeving <GIOS>       
Recreatiebos9 0805 6651501 6001571 6485 508
Staatsbos4 0402 44050500371 0302 403
Groene verbindingen450 km430 km34 kmnb5 kmnb425 km
01.15 realisering gevarieerde recr.mogelijkheden       
Inrichting Recreatie2 090 km1 480 km100 km1 000 km41 km584 km1 439 km
02 Realisatie EHS       
02.13 inrichting droge EHS       
Reservaat*100 00064 6301 50015 00065116 86263 979
Natuurontwikkeling*50 00042 8906008 60059811 90142 292
Robuuste verbindingen 1e tranche13 50013 50012500613 500
02.14 inrichting natte EHS       
Natte natuur (incl. V&W)7 0006 8304380523 2466 778

* Nieuwe Natuur versleuteld over Reservaat en Natuurontwikkeling.

Nb: onderhanden werk Groene verbindingen zijn in begroting 2002 niet in beeld gebracht.

De realisatie van inrichting vindt plaats in het kader van projecten met een meerjarig karakter. Dit heeft als consequentie dat de jaarlijks bestede budgetten niet direct gekoppeld kunnen worden aan de in dat jaar gerealiseerde beleidsprestaties. De prestaties zijn immers gerealiseerd met in voorgaande jaren bestede middelen. Bij de gerealiseerde prestaties wordt daarom inzicht geboden in beleidsprestaties:

– afgerond: De daadwerkelijk in het verslagjaar gerealiseerde beleidsprestaties.

– onderhanden werk: Het onderhanden werk gebaseerd op aangegane verplichtingen. (Dit zijn alle beleidsprestaties waarvoor verplichtingen zijn aangegaan en die in de komende 10 jaar gerealiseerd zullen worden).

Gezien het aantal afgeronde hectares is in het afgelopen jaar goede voortgang gemaakt met de inrichting ten behoeve van de beleidsdoelen in het landelijk gebied. Daarbij moet worden aangetekend dat de afronding van beleidsprestaties over het algemeen wat achter is gebleven en dat het volume van beleidsprestaties waarvoor verplichtingen zijn aangegaan (het onderhanden werk) is toegenomen. Dit wordt m.n. veroorzaakt doordat in 2002 minder langlopende Landinrichtingsprojecten daadwerkelijk zijn afgesloten dan voorzien (en in 2002 ook feitelijk zijn gerealiseerd).

Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur: beheer (artikel 3)

De grote belangstelling voor de subsidieregelingen van Programma Beheer, in het bijzonder voor de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, zette zich ook in 2002 door. Voor het eerst konden in het najaar van het voorafgaande jaar aanvragen voor subsidie worden ingediend, zodat eerder beschikkingen konden worden afgegeven. Ook is een aantal regelingswijzigingen van kracht geworden waardoor de beoordeling van aanvragen eenduidiger kon worden uitgevoerd.

De uitvoeringskosten van Programma Beheer zijn in 2002 gestegen. Nog in het najaar zijn maatregelen genomen om de uitvoeringskosten voor de aanvraagperiode 2003, die in november 2002 is opengesteld, neerwaarts bij te stellen.

Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN)

Voor de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer is in totaal € 32 950 000 gepubliceerd (zie tabel). In totaal is voor € 45,3 mln aan aanvragen ingediend, meer dan het beschikbare budgetplafond. Geen van de ingediende aanvragen is afgewezen op budgettaire gronden. Uiteindelijk is voor ruim € 35,1 mln aan subsidie toegekend. De belangrijkste redenen voor afwijzing van aanvragen waren:

– aanvraag niet in overeenstemming met het beheersgebiedplan

– aanvraag voldeed niet aan de minimum-oppervlakte van het beheerspakket

Opvallend was het grote aantal aanvragen voor landschapssubsidie. Hoewel 25–30 % moest worden afgewezen is er weer een belangrijke netto-uitbreiding van het areaal agrarisch natuurbeheer gerealiseerd, nl. 1683 ha. Er is een begin gemaakt met het aanpassen van de zogenaamde collectieve pakketten, die zijn gericht op de bescherming van weidevogels. De vergoedingen voor deze pakketten mogen, conform Brusselse kaderverordeningen, niet langer rechtstreeks aan agrarische natuurverenigingen worden uitgekeerd. Betaling dient rechtstreeks door het betaalorgaan aan de eindbegunstigde plaats te vinden. Gevolg van deze wijziging is het aanpassen van de bestaande beschikkingen en het afzien van declaratie in Brussel. Nederland heeft hierdoor € 5,5 mln minder aan inkomsten gerealiseerd. Ook in 2003 zal LNV hierdoor een lager bedrag aan Brusselse inkomsten ontvangen.

Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (bedragen x € 1 000)
titel budgetgroene hartsnelgroeiend bosbuiten groene hartlandschapcontinuïteit beheer RBON*Totaal
gepubliceerd plafond05010 000022 90032 950
oppervlakte ingediend (ha)6 230027 2456 6885 50245 665
oppervlakte goedgekeurd (ha)2 505020 493413 89026 929
bedrag goedgekeurd1 020023 42118510 50535 131
% goed gekeurde opp. 40n.v.t.7517159

* Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling

N.B. De aantallen hectares onder «goedgekeurd» betreffen hectares waarvoor subsidieverplichtingen zijn aangegaan. Dit wijkt dus af van de hectares onder de prestaties (zie beleidsartikel 3), aangezien het daar gaat om hectares waarop betalingen verricht zijn.

Subsidieregeling Natuurbeheer

Voor de Subsidieregeling Natuurbeheer is in totaal € 58 300.00 gepubliceerd (zie tabel). In 2002 is voor € 66,6 mln. aangevraagd, hetgeen ruimschoots boven het gepubliceerde subsidieplafond ligt. Geen van de ingediende aanvragen is afgewezen op budgettaire gronden. Uiteindelijk is ruim € 53,9 mln. aan subsidieverplichtingen aangegaan.

Opvallende redenen voor afwijzingen in de aanvragen 2002 zijn:

– het ontbreken van de vereiste vergunningen bij ingediende omvangrijke subsidieaanvragen;

– de beheereenheid voldoet niet aan de oppervlakte, lengte, breedte of aantal-eis van het pakket;

– aanvragen recreatiesubsidie voldeden niet aan de voorwaarden.

Subsidieregeling Natuurbeheer (bedragen x € 1 000)
Titel budgetbeheerrecreatieblijvend bos inrichting art 51, lid 2 SN Bosinrichting SN + art 51 lid 3 SNFunctieverandering SNTotaal
gepubliceerd plafond23 6002 20013 5005 50013 50058 300
oppervlakte ingediend (ha)31 42214 5734881 75243948 674
oppervlakte goedgekeurd (ha)25 57811 41028466225738 191
bedrag goedgekeurd19 0461 54011 8374 97516 53353 931
% goed gekeurde opp817858385978

N.B. De aantallen hectares onder «goedgekeurd» betreffen hectares waarvoor subsidieverplichtingen zijn aangegaan. Dit wijkt dus af van de hectares onder de prestaties (zie beleidsartikel 3), aangezien het daar gaat om hectares waarop betalingen verricht zijn.

Opnieuw is het aantal aanvragen voor particulier natuurbeheer toegenomen ten opzichte van 2001. Dit is waarschijnlijk veroorzaakt door meer bekendheid met de regeling en het ter beschikking komen van de noodzakelijk vergunningen om functieverandering toe te staan. De toename geldt eveneens voor het aantal aanvragen voor subsidieverandering voor de aanleg van bos op landbouwgronden.

Regeling Organisatiekosten Samenwerkingsverbanden (ROS)

De populariteit van het indienen van zogenaamde collectieve pakketten door agrarische natuurverenigingen kwam duidelijk tot uitdrukking in de aanvragen voor de Regeling Organisatiekosten Samenwerkingsverbanden. In totaal is nu bijna 52000 ha onder de ROS gesubsidieerd.

Regeling Organisatiekosten Samenwerkingverbanden (ROS) (bedragen x € 1 000)
 gepubliceerd budgetOppervlakte in gediend (ha)oppervlakte goedgekeurd (ha)bedrag goedgekeurd% goedgekeurd oppervlakte
ROS7005 2754 73332290

Herstructurering glastuinbouw (artikel 4)

Met herstructurering van de glastuinbouw en een duurzaam gebruik van energie wordt bijgedragen aan de realisatie van een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouwsector. In 2002 heeft de Regeling structuurverbetering glastuinbouw (RSG) het ten doel gestelde aantal hectare herstructurering nagenoeg verplicht. Daarmee blijft het doel om t/m 2006 met subsidie tenminste 1 000 ha nieuw glas te realiseren op herstructurerende bedrijven, binnen bereik. Van de openstelling in 2002 van de Stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouwgebieden (Stidug) kon de beslissing over de ingediende projecten niet meer in het kalenderjaar worden afgerond. Naar verwachting worden bij de tweede (2002) openstelling drie projecten toegewezen, evenals bij de eerste openstelling. Deze openstellingen leidt tot 620 ha (eerste openstelling) respectievelijk 523 ha (tweede openstelling) uitgeefbare tuinbouwkavels. In totaal wordt tot en met 2010 beoogd 2 700 ha nieuw glas te realiseren. De Infrastructuurregeling glastuinbouw (IRG) werd in 2002 opengesteld. Er werd voor € 9,8 mln. aan aanvragen gehonoreerd voor projecten in de gemeenten Monster, De Lier, 's Gravezande, Naaldwijk, Hoogheemraadschap van Delfland en Aalsmeer. LNV en gemeenten/waterschappen investeren hiermee gezamenlijk in de verbetering van de infrastructuur (wegen, waterlopen) in de oude glastuinbouwgebieden Westland en Aalsmeer. De IRG vervangt de oude Regeling Reconstructie Oude Glastuinbouwgebieden (RROG). In 2002 werden voor een bedrag van € 3,8 mln. 8 RROG-projecten (2 090 hectares) afgewikkeld.

Biologische landbouw (artikel 5)

Het beleid ten aanzien van de biologische landbouw is neergelegd in de Beleidsnota Biologische Landbouw 2001–2004 «een biologische markt te winnen (TK 2000–2001, 27 416, nr. 2). Zoals aangekondigd in de beleidsagenda was in 2002 het speerpunt in het beleid de invulling van de vraaggerichte benadering. De beleidsinstrumenten die werden ingezet hadden als doel de marktontwikkeling van biologische producten te versterken. De rol van de overheid is zoals in de beleidsnota is aangegeven het aanjagen en stimuleren van marktpartijen. De eindverantwoordelijkheid voor het bereiken van de gestelde doelen ligt bij de marktpartijen.

Belangrijk beleidsinstrument bij het faciliteren en stimuleren van samenwerking tussen ketenpartners is de Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw. Binnen deze Task Force werken de belangrijkste schakels in de keten samen met als gezamenlijk doel het marktaandeel van biologische producten te verhogen naar 5% van de consumentenbestedingen in 2004. Om het marktaandeel te kunnen bepalen heeft het LEI de EKO-monitor ontwikkeld. Het marktaandeel van de belangrijkste productgroepen in 2002 is als volgt: Aardappelen, groente en fruit (AGF) 3,6%. zuivel 1,9%, brood 1,9%, vlees 1,7% en overig food 0,9%. De activiteiten van de Task Force hebben zich in 2002 vooral gericht op ketenbusiness-ontwikkeling en de ontwikkeling van een gezamenlijke mediacampagne.

Doordat de knelpunten per keten te veel bleken te verschillen was maatwerk per keten nodig. Daarom worden er voor de verschillende ketens afzonderlijke strategische ketenbusinessprogramma's opgesteld. Inmiddels is dat gebeurd voor zuivel, catering en horeca, gespecialiseerde retail (natuurvoedingswinkels), supermarkten, brood, sierteelt, vlees en AGF ketenbusinessprogramma's. Verder wordt de ketenbusinessontwikkeling vormgegeven door de aanstelling van ketenmanagers, met als doel partijen een keten te laten vormen en afspraken over de opschaling van de markt te laten maken. In september 2002 is het instrument package deal aan de ketenbusiness-ontwikkeling van de Task Force Biologische Landbouw toegevoegd. Bedrijven kunnen bij de Task Force een aanvraag indienen voor het ondersteunen van activiteiten die gekoppeld zijn aan de ambities van de onderneming om de biologische productie te vergroten. De Task Force voorziet de aanvragen van advies. Een belangrijk resultaat van de samenwerking in de Task Force was de start van de mediacampagne «Biologisch, eigenlijk heel logisch» in september 2002. In deze campagne wordt aandacht voor biologische producten in de media (o.a. tv-spot) gecombineerd met de ondersteuning van productgerichte campagnes op de winkelvloer.

In het kader van de openstelling van de Regeling Stimulering Biologische Productiemethoden (RSBP) 2002 zijn 156 aanvragen ingediend waarvan er eind 2002 102 zijn goedgekeurd. Met de openstelling in 2002 wordt 2782 ha gerealiseerd (bron: LASER). Conform het verzoek van de Kamer (motie Meijer, 27 416 nr. 7) is de effectiviteit van de vraaggerichte benadering in relatie tot de omschakelingsregeling geëvalueerd. Het rapport «Trekken of duwen aan het biologisch product» van EC-LNV is op 12 december 2002 aan de Kamer toegestuurd. Mede op basis van dit rapport zal besloten worden of de RSBP zal worden voortgezet. De Kamer zal hierover in de loop van 2003 worden geïnformeerd.

Kengetallen biologische landbouw

 Realisatie 2000Realisatie 2001Realisatie 2002groeigroei (%)
Biologische productie (ha)33 00037 72642 6104 88412,9
Biologische bedrijven (aantal)1 3901 5101 560503,3
Productiewaarde (€ mln.)*515635375  
RSBP (€ mln.) **8,11,92,7  
RSBP (ha) ***11 88414 86316 468  

Bronnen: LEI i.s.m. Skal alsmede LASER.

* als indicatie voor de productiewaarde is in 2001 de omzet in supermarkten en omzet in natuurvoedingswinkels genomen; In het kader van de EKO-monitor is de marktomvang, gemeten in consumenteuro's (incl. BTW), als indicator genomen. Het betreft hier een schatting. Een vergelijking met voorgaande jaren is door de nieuwe rekenmethode niet mogelijk.

** Realisatie 2002 betreft de verplichtingen vanuit de 2e openstelling 2001 alsmede het overgrote deel van de openstelling 2002; er zal nog een gedeelte van de openstelling 2002 in 2003 worden verplicht.

*** Met de RSBP-uitgaven wordt 11 087 ha. omschakeling en 5 381 ha. voortzetting ondersteund.

Vermindering milieu belasting door mest en ammoniak (artikel 5)

De doelstelling voor 2002 was het realiseren van evenwicht op de mestmarkt (landelijk). In 2002 heeft het stelsel van mestafzetovereenkomsten zijn eerste werkingsjaar gehad. De hoeveelheid stikstof die is gecontracteerd door mestafnemers (landbouwbedrijven en tussenpersonen), is ruim 10% hoger dan in contracten is vastgelegd door mestleveranciers. Dit betekent dat er voldoende mestplaatsingsruimte aanwezig was in 2002. De doelstelling om evenwicht op de mestmarkt te creëren, is hiermee in 2002 feitelijk bereikt.

Op bedrijfsniveau mag de verliesnorm voor fosfaat en stikstof niet worden overschreden. Overschrijding van de verliesnormen betekent dat een bedrijf heffing moet betalen. Gelet op de heffingsystematiek (aangifte vóór 1 september over het voorgaande jaar) is pas in het najaar 2003 duidelijk hoeveel bedrijven in 2002 de verliesnormen hebben overschreden (m.a.w. heffing moeten betalen). Over 2001 hebben ca. 15 000 bedrijven een aangifte ingediend op basis waarvan een heffing moet worden betaald.

In 2002 heeft de aanwijzing van uitspoelingsgevoelige gronden plaatsgevonden. Voor deze gronden gelden scherpere verliesnormen. Uit de aangiftes over 2002 zal moeten blijken in hoeverre bedrijven op deze gronden zich aan de verliesnormen hebben kunnen houden.

De evaluatie van de Meststoffenwet 2002 heeft na intensief overleg met de Tweede Kamer tot gevolg gehad dat de regering heeft voorgesteld de verliesnormen voor 2003, zoals die in de wet zijn vastgelegd, niet te wijzigen, behoudens een versoepeling voor uitspoelingsgevoelige gronden. Dit betekent dat de eindnormen van het huidige mestbeleid pas in 2004 volledig van kracht zullen worden. Het voorstel tot wetswijziging waarin dit beleidsvoornemen is vastgelegd, wordt dit voorjaar aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Deze aanscherping van de verliesnormen betekent in beginsel dat meer mestplaatsingsruimte nodig is dan in 2002. Bij het afsluiten van de mestafzetovereenkomsten dient immers rekening te zijn gehouden met deze nieuwe normen.

In november heeft de Advocaat-Generaal(AG) van het Europese Hof een standpunt ingenomen over de ingebrekestelling van Nederland inzake MINAS. De AG concludeert dat MINAS op een aantal onderdelen niet voldoet aan de Nitraatrichtlijn (situatie 1999). Naar verwachting zal in het voorjaar van 2003 het Hof uitspraak doen. Deze uitspraak kan grote gevolgen hebben voor het mestbeleid in het algemeen en MINAS in het bijzonder. Daarnaast is nog steeds intensieve discussie gaande met de Europese Commissie over het Nederlandse derogatievoorstel.

Deze ontwikkelingen kunnen er toe leiden dat er opnieuw een mestoverschot ontstaat.

Vermindering milieubelasting door gewasbescherming (artikel 5)

De doelstelling van het gewasbeschermingsbeleid voor de periode tot 2010 is drieledig: het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt verder teruggebracht, de milieubelasting wordt verder verminderd en de naleving van de wet- en regelgeving voor gewasbeschermingsmiddelen met betrekking tot volksgezondheid, milieu en arbeidsbescherming wordt verhoogd. In de nota Zicht op gezonde teelt is aangegeven dat de beoogde reductie vooral het resultaat zal zijn van de aangescherpte beoordeling van middelen in het kader van het toelatingsbeleid en de uitvoering van het Lozingenbesluit. Aanvullende milieuwinst zou ingevolge het beleid geboekt moeten worden door certificering van bedrijven die geïntegreerde gewasbescherming toepassen. Reeds aan het eind van 2001 werd echter duidelijk dat voor dit beleidsdoel – dat uitging van vrijwillige medewerking – geen draagvlak aanwezig was bij de agrarische bedrijven. In ieder geval zijn geen bedrijven gecertificeerd. Heroverweging over de gewenste rol van de overheid inzake betrokkenheid bij certificering heeft er vervolgens toe geleid dat de ontwikkeling van een overheidskader voor certificering in de loop van 2002 is gestaakt.

In 2002 werd tevens duidelijk dat een grotere inzet van telers en telersorganisaties voor geïntegreerde gewasbescherming niet mocht worden verwacht voordat een aantal knelpunten in het middelenpakket zou zijn opgelost. In de loop van 2002 is een aantal acties genomen die er naar verwachting toe zullen leiden dat de belangrijkste knelpunten in 2003 kunnen worden weggenomen. Voorts is overleg gestart dat in 2003 is uitgemond in afspraken met betrokken partijen over hun inzet voor versterkte toepassing van geïntegreerde gewasbescherming. Daarbij is een koppeling gemaakt met de oplossing van de knelpunten.

Dierenwelzijn (artikel 5)

In maart 2002 is de nota Dierenwelzijn naar de Kamer gezonden. In deze nota is de richting van het dierenwelzijnsbeleid nader uitgewerkt en is de inzet van de instrumenten besproken zoals deze genoemd staan in de begroting 2002. Door het nieuw aangetreden kabinet is nog geen kabinetstandpunt ingenomen over de nota Dierenwelzijn en de nadere invulling daarvan. De in de nota aangekondigde activiteiten zijn derhalve nog niet in gang gezet. Eind 2002 zijn conform het strategisch akkoord wel enkele activiteiten verricht om te komen tot meer harmonisatie van welzijnsregelgeving en in 2002 zijn geen uitgaven gedaan voor de uitvoering van de beleidsnota Dierenwelzijn.

Bevorderen voedselveiligheid en voedselkwaliteit (artikel 6)

In 2002 is Nederland getroffen door vervuiling van veevoeder met het hormoon MPA. De vervuiling bleek veroorzaakt door het vermengen van oorspronkelijk uit de farmaceutisch industrie afkomstige glucosestroop in diervoeder. Via één bedrijf is de vervuiling terechtgekomen bij honderden mengvoederfabrikanten en duizenden veehouders. Zoals ook aangegeven in de begroting 2002 dienen producenten meer aangesproken te worden op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van voedselkwaliteit. De sector had derhalve een belangrijk rol in het aanpakken van deze crisis. De overheid had met name een controlerende taak en werd (internationaal) aangesproken op de risico's ten aanzien van de voedselveiligheid. De daadwerkelijke uitvoering van het pakket aan maatregelen is voor een groot deel bij het bedrijfsleven neergelegd. Dit is passend binnen de verantwoordelijkheidsverdeling sector-overheid.

Er is bereikt wat werd beoogd. Dit is het voorkomen van verdere besmetting van de voedselketen en het (internationaal) scheppen van randvoorwaarden voor het verwijderen c.q. vernietigen van besmet voer en besmette dieren. Om het beoogde doel te bereiken, zijn de volgende maatregelen getroffen c.q. instrumenten ingezet:

– Het opsporen van de bron van de vervuiling

– Onder toezicht plaatsen van bedrijven (blokkeren)

– Laten uitvoeren van testen, opstellen monitoringsprogramma

– Overleg met de Europese Commissie over aanpak (te nemen maatregelen en randvoorwaarden).

– Opkoop van dieren die aantoonbaar vervuild voeder hebben gegeten.

Innovatie (artikel 7)

Beleidsondersteunend onderzoek

In 2002 zijn nieuwe onderzoekprogramma's gestart op het terrein van gewasbescherming, mest en mineralen, energiebesparing in beschermde teelten, systeeminnovatie in plantaardige productiesystemen, internationale samenwerking en bodemkwaliteit. De onderzoeksinspanning op het gebied van biologische landbouw is geïntensiveerd, met name op de terreinen van systeeminnovatie in biologische plantaardige productiesystemen (beschermde en buitenteelten) en de beheersing en bestrijding van onkruiden in de biologische landbouw. De versterking bedraagt ca € 2 mln. op jaarbasis.

Daarnaast is een begin gemaakt met activiteiten die ertoe moeten leiden dat onderzoekprogramma's beter aansluiten bij andere onderdelen uit de kennisketen. Het gaat hierbij om bruikbaarheid en doorwerking van resultaten en om een betere verbinding tussen onderzoek enerzijds en onderwijs en voorlichting anderzijds. Tevens is verdere ontwikkeling van (vraag)articulatie van kennisvragen ter hand genomen. Hierbij is dit proces opgeschaald en verbreed van enkele onderzoeksvragen naar integrale kennisvragen, die kunnen leiden tot opdrachten voor onderzoek, voorlichting en onderwijs. Opdrachten voor onderzoek en voorlichting zijn op een open kennismarkt uitgezet.

Innovatie

De beleidsbrief «Innovatie: sleutel tot verandering» is in oktober 2001 aangeboden aan de Tweede Kamer. In deze beleidsbrief wordt de innovatieopgave vertaald naar zo concreet mogelijke ambities. Innovatie wordt gezien als een belangrijk middel om transitie naar een duurzaam agrocluster te realiseren. In juni 2002 heeft de SER in het advies Innovatie voor duurzaam voedsel en groen aangegeven zich in de hoofdlijnen van de beleidsbrief te kunnen vinden. In januari 2003 heeft de Tweede Kamer een afschrift ontvangen van het antwoord van de bewindspersoon op het SER-advies. Deze reactie kan worden gezien als een actualisatie van het in gang gezette innovatiebeleid. In de beleidsbrief «Innovatie: sleutel tot verandering» worden twee sporen onderscheiden: Innovatiegericht beleid (gericht op algemene en specifieke randvoorwaarden) en Innovatiebewust beleid (verbonden aan specifieke publieke belangen op LNV-terrein).

Kennisverspreiding (artikel 9)

Inhoud van het groene (beroeps)onderwijs

In het jaar 2002 is in lijn met de beleidsbrieven onderwijs 2010 (TK 2000–2001, 27 417, nr. 1 en TK 2001–2002, 27 417, nr. 5) ingezet op het versterken van de beleids- en maatschappelijke oriëntatie in het groene (beroeps)onderwijs.

De regeling «Versterking en innovatie agrarisch onderwijs» (VIA) is gericht op vakinhoudelijke vernieuwingen in het groene onderwijs. In de VIA-Kaderbrief 2002 van de regeling zijn thema's opgenomen met als gemeenschappelijk uitgangspunt maatschappelijk verantwoord ondernemen. In de tender van 2002 zijn 23 aanvragen ingediend, waarvan er 11 zijn gehonoreerd.

Tevens zijn groene onderwijsinstellingen middels de «Kaderbrief 2002: Inhoudelijke vernieuwing groen onderwijs» uitgenodigd projectvoorstellen in te dienen binnen de thema's «Vraaggestuurd en vernieuwd groen onderwijs», «Internationale opleidingen» en «Integrale groene opleidingen». In totaal hebben 36 onderwijsinstellingen hierop gereageerd. De projecten sluiten aan bij onderwerpen van LNV zoals voedselveiligheid, (agro)biodiversiteit, multifunctionaliteit, rurale ontwikkeling, genetische bronnen, maatschappelijk verantwoord ondernemen en dierenwelzijn.

Administratieve lastendruk

Bij het opstellen van de begroting 2002 was er de beschikking over een «Quick scan administratieve lasten bedrijven door wetgeving Ministerie van LNV» uitgevoerd door het EIM. Deze studie kwam uit op een schatting van de lasten van LNV-wetgeving ten bedrage van € 92 mln. In 2002 zijn de volgende gedetailleerde nulmetingen, met als peilmoment de vigerende wetgeving per 1–1–2002, uitgevoerd:

Wetgevingsdomein Veterinair€181 mln.
Wetgevingsdomein Mest€195 mln.
Wetgeving Besluit Welzijn productiedieren€ 24 mln.
Wetgevingsdomeien Zaaizaad- en plantgoedwet€ 11 mln.

Aansluitend in 2002 is opdracht verleend voor nulmetingsonderzoeken naar de visserijwetgeving en naar de overige LNV-wetgeving. Beide onderzoeken zijn begin 2003 opgeleverd.

Het relatief grote verschil in bedragen tussen de globale quick scan (desk-studie zonder bedrijfsanalyses) en de gedetailleerdere nulmetingen wordt veroorzaakt door een reeks factoren, zoals onderschatting van verplichtingen voortkomend uit regelgeving, minder goed zicht op frequenties van handelingen, minder goed zicht op verplichtingen buiten primaire sector en toegenomen regelgeving na 4–12–2000.

De volgende wetsvoorstellen zijn in 2002 concreet uitgewerkt en leiden naar verwachting tot concrete mutaties in administratieve lasten (bedragen x € 1 000):

Wijziging Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen27
Wijziging Regeling vaccinatieplicht Newcastle disease238
Wijziging regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten5 830
Intrekking Regeling milieuvoorwaarden EG-subsidies zetmeelaardappelen400
Wijziging Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000 etc3 791
Wegnemen belemmeringen samenvoegen bedrijven meststoffenwet en welzijn21 000
Wijziging Regeling identificatie en registratie van dieren 2002200
Totaal31 032

B. Budgettaire consequenties van de beleidsprioriteiten 2002

Beleidsprioriteiten 2002Artikel nr.Ontwerp-begroting 2002Nadere mutaties 2002Realisatie 2002
Belangrijkste (mutaties in) beleidsmatige prioriteiten    
1. Versterking landelijk gebied1237 038– 8 356228 682
2. Realisatie van de EHS (verwerving en inrichting)2214 09511 741225 836
3. Realisatie van de EHS (beheer)3134 382– 15 806118 576
4. Herstructurering glastuinbouw423 001– 14 4348 567
5. Biologische landbouw511 557– 3 2988 259
6. Vermindering milieubelasting door mest en ammoniak521 37419 08240 456
7. Gewasbescherming55 652– 1 1044 548
8. Dierenwelzijn51 3806051 985
9. Bevorderen voedselveiligheid en voedselkwaliteit (MPA)607 1007 100
10. Innovatie7282 45119 445301 896
11. Kennisverspreiding985 899– 3 73182 168
12. Administratieve lastendiverse000

Totaaloverzicht

Hieronder is de realisatie per beleidsartikel van de uitgaven en ontvangsten weergegeven.

Grafiek 1: Uitgaven verdeeld over de beleidsartikelenkst-28880-30-3.gif

Grafiek 2: Ontvangsten verdeeld over de beleidsartikelenkst-28880-30-4.gif

5. BELEIDSARTIKELEN

Versterking landelijk gebied (01)

Versterking van het landelijk gebied is gericht op kwaliteitsverbetering en het in onderlinge samenhang versterken van de verschillende functies in het landelijk gebied. Deze doelstelling valt uiteen in:

– een verbetering van de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke structuur;

– Een integrale aanpak van specifieke problemen in de concentratiegebieden;

– de verbetering van de kwaliteit van natuur- en landschap in het landelijk gebied;

– bevorderen van groen in en om de stad;

– het verder ontwikkelen van gevarieerde recreatiemogelijkheden;

– een structurele ombuiging van het wereldwijde verlies aan biodiversiteit.

Het betreft hier de doelstellingen in het landelijk gebied exclusief verwerving, inrichting en beheer van de Ecologische Hoofdstructuur (beleidsartikelen 2 en 3).

M.b.t. de instrumenten inrichting en verwerving zijn bij de beleidsprioriteiten samenvattende prestatieoverzichten opgenomen.

In het afgelopen jaar is een goede voortgang gemaakt met de inrichting ten behoeve van de beleidsdoelen in het landelijk gebied. Daarbij moet worden aangetekend dat de afronding van beleidsprestaties over het algemeen wat achter is gebleven en dat het volume van beleidsprestaties waarvoor verplichtingen zijn aangegaan (het onderhanden werk) is toegenomen. Dit wordt m.n. veroorzaakt doordat in 2002 minder langlopende Landinrichtingsprojecten daadwerkelijk zijn afgesloten dan voorzien (en in 2002 ook feitelijk zijn gerealiseerd)

Grafiek 3: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaatkst-28880-30-5.gif

01.11 Gebiedenbeleid

Het programma streeft naar de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke structuur. In 2002 zijn diverse landinrichtingsprojecten in uitvoering genomen, waardoor een sterke groei in de «in uitvoering»-zijnde hectares is ontstaan. De uitgaven voor deze doelstelling, die voornamelijk gelieerd zijn aan de onderhanden-hectares, liggen daardoor iets hoger dan begroot.

Landbouw in Landinrichting: De conversie naar een meer prestatiegerichte begroting en verantwoording heeft nog eens explicieter naar voren gebracht waar de middelen op de LNV-begroting binnen landinrichting aan besteed worden. De doelenconversie die in samenspraak met de provincies tot stand gekomen; van de circa 150 landinrichtingsprojecten is nagegaan waar het rijk verplichtingen is aangegaan. Uit deze analyse komt naar voren dat ongeveer 45% van de uitgaven wordt gedaan ten behoeve van de verbetering van de landbouwkundige structuur.

Streefwaarden

 Omschrijving streefwaarde Streefwaarde 2002Realisatie 2002
1ruimtelijke structuuraingericht 40 000 ha9 250 ha
  bkavelruil 13 000 ha9 046 ha
2Antiverdroging 6 000 ha

(zie toelichting prestatiegegevens).

Prestatiegegevens

    Begroting(x € 1 000)Realisatie(x € 1 000)
 Instrument Prestatie indicatorPrestatieBudgetPrestatieUitgaven
1Landinrichtingsinstrumentariumaafgerondha inrichting40 000 9 250 
   ha kavelruil13 000 9 046 
   ha verdroging6 000  
  bonderhanden: 65 531 70 944
   ha inrichting610 000 645 000 
   ha kavelruil13 000 8 343 
        
2Stimuleringskader aantal projecten503 868124 817
        
3WCL-middelen aantal projecten3505 9753004 821
        
4Saldo POP/SGR (=SGB)   2 887 1 364

Landinrichting

Hieronder vallen investeringen in de verbetering van de landbouwkundige structuur en de algemene ruimtelijke structuur. In de begroting 2002 was gepland dat het hier 610 000 ha landinrichtingsprojecten «in uitvoering» betrof, waarbij was ingeschat dat in totaal 40 000 ha zou worden afgerond in 2002. De uiteindelijke realisatiecijfers laten zien dat in 2002 landinrichtingsprojecten zijn afgerond met een totaal oppervlak van 9 250 ha. Het totale oppervlak landinrichtingsprojecten dat in uitvoering is nam in 2002 met 35 000 ha toe tot 645 000 ha. De sterke groei van de in uitvoering zijnde oppervlakte is een gevolg van het in een vroeger stadium starten met uitvoering van deelplannen.

Stimuleringskader

Er zijn minder projecten gerealiseerd dan begroot en er zijn meer uitgaven gedaan dan begroot. Vanwege het meerjarige karakter van de projecten zijn de jaarlijks bestede budgetten niet direct te koppelen aan de in dat jaar gerealiseerde beleidsprestaties.

Kavelruil

Er is minder gerealiseerd dan begroot. Er is sprake van minder deelname aan kavelruilen.

Antiverdroging

Eind 2002 is de oorspronkelijke regeling Gebiedsgerichte verdrogingsbestrijding (1995–2002) afgesloten. De laatste betalingen vinden plaats in 2003. De eindrapportage van de regeling Gebiedsgerichte verdrogingsbestrijding wordt in de eerste helft van dit jaar opgeleverd. Daardoor zijn voor 2002 geen realisatiecijfers beschikbaar.

SGB

Na het afsluiten van het uitvoeringscontract 2002 – 2005 is voor het onderdeel SGB na de zomer een aanvulling op het contract afgesproken. Daarna is het subsidieplafond van € 32,1 bekend gemaakt.

Omdat het moment van bekendmaken van het subsidieplafond medio 2002 plaatsvond, zijn niet alle verplichtingen aangegaan en wordt het resterende plafond in 2003 opnieuw opengesteld.

Een deel van de kasuitputting schuift zodoende door naar latere jaren. Het uitgangspunt blijft dat het uitvoeringscontract in 2005 wordt afgerond.

Doelgroep

De verbetering van de ruimtelijke structuur en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving is bedoeld voor alle gebruikers van het landelijk gebied.

Beleidsinstrumenten

– Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied Rijk-provincies

– Landinrichtingsinstrumentarium

– Stimuleringsregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB)

– Regeling Gebiedsgerichte Bestrijding Verdroging (GeBeVe). Betreft alleen uitfinanciering van oude verplichtingen.

– WCL, hetgeen alleen uitfinanciering van oude verplichtingen betreft.

01.12 Reconstructie varkenshouderij/kwaliteitsimpuls zandgebieden

Reconstructie heeft in 2002 vorm gekregen door middel van de ervaringen in de uitvoering van de reconstructiepilots en de verdere vormgeving aan de reconstructieplannen in voorbereiding. Daartoe is de begroting voor deze operationele doelstelling hoger uitgevallen dan begroot.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaarde Streefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Opstellen ReconstructieplannenMinimaal 20
2 Afgeronde pilotgebieden66

Opstellen Reconstructieplannen

In 2002 is de voorbereiding van de 12 reconstructieplannen ter hand genomen. Volgens de termijnen uit de reconstructiewet zouden deze plannen uiterlijk 1–1–03 zijn vastgesteld (9 maanden na inwerking treden van de reconstructiewet d.d. 1–4–02). De voorgenomen vaststelling van de plannen is later dan aangegeven. Dit is onder meer het gevolg van het feit, dat de plannen m.e.r.-plichtig zijn en draagvlak in de streek behoeven. In december 2002 is het eerste voorontwerp reconstructieplan «Gelderse Vallei/Utrecht Oost» aan de provincie aangeboden. Aan de provincies is verzocht de plannen met grote voortvarendheid op te stellen en medio 2003 af te ronden.

Afronden Pilots

De 6 pilots reconstructie zijn eind 2002 beëindigd. De pilots zijn destijds opgestart om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Reconstructiewet ervaring op te doen met het proces van reconstructie. Een evaluatie wordt in de loop van 2003 opgeleverd.

Prestatiegegevens

  Begroting (x € 1 000)Realisatie (x € 1000)
InstrumentPrestatie indicatorPrestatieGemiddelde kosten per prestatieBudgetPrestatieGemiddelde kosten per prestatieUitgaven
1 Kaderregeling Pilots Reconstructiegebiedenafgerond6€ 1,5 mln. per pilot8 8086€ 1,4 mln. per pilot8 473
ReconstructiewetReconstructieplannen     2 877

In 2002 is afgerond € 8,5 mln. uitgegeven aan de realisatie van de pilots. Het betrof grotendeels grondverwerving. Daarnaast is in 2002 is € 2,9 mln. uitgegeven aan de voorbereiding van de reconstructieplannen; dit betreft gelden voor o.a. de reconstructiecommissies, kennis en onderzoek.

Doelgroep

De verbetering van de ruimtelijke structuur en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving is bedoeld voor alle gebruikers van het landelijk gebied.

Beleidsinstrumenten

– Reconstructiewet concentratiegebieden

– Kaderregeling Pilots Reconstructiegebieden

– Het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium

01.13 Landelijk Natuurlijk

Het in 2002 gevoerde beleid op het gebied van Landelijk Natuurlijk richtte zich op de in de nota Natuur voor Mensen opgenomen lange termijndoelstellingen:

1. het bereiken van een kwaliteitsimpuls van 200 000 ha in het agrarisch cultuurlandschap door het investeren in kwaliteitsverbetering van 20 000 ha tot 2020 (ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie)

2. in 2020 is in het landelijk gebied 179 900 ha natuur en landschap

3. in 2020 zijn voor alle in Nederland van nature voorkomende soorten en populaties de condities voor instandhouding duurzaam aanwezig, in 2010 zijn voor alle bedreigde soorten soortenbeschermingsplannen opgesteld

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Formuleren kernkwaliteiten van landschappengereedgereed
2 Voltooide studies offensieve landschapsstrategie40
3 Uitbreiding kwaliteitsimpuls landschap500 ha0 ha
4 Handboek Biodiversiteit op het Landbouwbedrijfgereedgereed
5 Uitgewerkte codes voor goede landbouwpraktijkgereedgereed
6 Graadmeter voor AgrobiodiversiteitgereedIn ontwikkeling
7 Uitbreiding natuur en landschap in het landelijk gebied, excl. Kwaliteitsimpuls landschap3 109 ha1
8 Aantal opgestelde soortenbeschermingsplannen44

1 realisatie is verantwoord op beleidsartikel 3 (streefwaarde 2).

Voltooide studies offensieve landschapsstrategie:

In 2002 zijn voorbereidingen getroffen voor studies (etudes) voor Venlo, Almere en het Rivierengebied. Venlo is gestart en zal in 2003 worden afgerond. Almere is uitgesteld in samenhang met het bestuurlijk proces van de verstedelijkingsopgave. De etude voor het Rivierengebied wordt niet meer gemaakt. Het gedachtengoed van de OLS is wel onderdeel van de planvorming voor het Rivierengebied geworden.

Uitbreiding kwaliteitsimpuls landschap:

Door herprioritering a.g.v. de budgettaire situatie bij LNV is de feitelijke uitvoering van de proeftuinen niet gestart. De geplande hectares verwerving, inrichting en beheer van landschapselementen zijn daardoor niet gerealiseerd.

Prestatiegegevens

  Begroting (x € 1 000)Realisatie (x € 1000)
Instrument PrestatiePrijs per eenheid BudgetPrestatiePrijs per eenheidUitgaven
1 Verwerving kwaliteitsimpuls landschap 125 ha€ 29 4963 6870 0
2 Uitvoering kwaliteitsimpuls landschap 500 ha 3 9710 5 911
3 NVM landschapsontwikkeling   1 361  108
4 Verwerving bosuitbreidingslocaties in landinrichting 137 ha€ 36 3024 973106 ha€ 46 9154 973
5 Verwerving overig bos/landschap in landinrichting 93 ha€ 36 3023 37683 ha€ 18 3251 521
6 Inkomenscompensatie bos op landbouwgrond 4 070 ha€ 8123 3042 289 ha€ 6521 492
7 Inrichting bosuitbreidingslocaties in landinrichting   2 192  422
 a50 ha afgerond  17 ha afgerond  
 b390 ha onderhanden  659 ha onderhanden  
8 Inrichting overig bos/landschap in landinrichting   3 176  10 751
Hectaresa200 ha afgerond  209 ha afgerond  
 b2 300 ha onderhanden  2 680 ha onderhanden  
Groene lijnelementen    40 km afgerond 2190 km onderhanden  
Blauwe lijnelementen    46 km afgerond 828 km onderhanden  
9 Bosaanleg op landbouwgrond 578 ha afgerond 1 010285 ha€ 4 5861 307
10 Beheer bestaand bos, natuurterreinen en landschap 103 000 ha€ 15916 35952 509 ha€ 23212 168
11 Weidevogelbeheer 20 000 ha€ 54510 89124 869 ha€ 1533 793
12 Beheer wintergasten en natuurbraak 18 000 ha€ 1823 26715 430 ha€ 1832 822
13 Regeling draagvlak natuur   2 880  2 623
14 Landschapsbeherende stichtingen 12 3 72112 4 118
15 Soortenbeschermingsplannen 5 1 8154 2 149
16 Belvedere   1 841  2 929
17 Faunafonds   2 995  5 966

Het verschil tussen het uitgaventotaal in prestatieoverzicht en het uitgaventotaal in het overzicht «budgettaire gevolgen van beleid» (€ 63,053 mln. vs. € 62,801 mln, d.w.z. € 0,252 mln. verschil) wordt veroorzaakt door:

– In de prestaties is de overheveling van € 2,7 mln. t.b.v. Belvedere naar OC&W meegenomen (niet in overzicht «budgettaire gevolgen van beleid»).

– De uitgaven t.b.v. onderhoud historische parken en tuinen (€ 2,448) zijn in het overzicht «budgettaire gevolgen van beleid» verantwoord op doelstelling 01.13, maar qua prestatie in het prestatieoverzicht van doelstelling 03.11.

Overig

– ad 2: de bestede bedragen betreffen m.n. proceskosten (planvorming e.d.) t.b.v. de proeftuinen. Doordat de feitelijke uitvoering van de proeftuinen nog niet is gestart, zijn ook nog geen hectares gerealiseerd.

– ad 4: in 2002 is het beschikbare budget volledig uitgeput. Een groot deel (80 ha) is besteed aan het aankopen van ruilgrond.

– ad 5. in 2002 is de realisatie ongeveer op het streefniveau uitgekomen. Een groot deel (49 ha) is besteed aan het aankopen van ruilgrond.

– ad 6: het betreft hier uitfinanciering van reeds in het verleden aangegane verplichtingen, er worden geen nieuwe verplichtingen meer aangegaan. Het begrote aantal betalingen was in 2002 hoger dan het aantal werkelijke uitbetalingen1.

– ad 7: de prestatie «afgeronde projecten» is achtergebleven bij de raming. Daarentegen is de omvang van onderhanden projecten gestegen (ca. 70%).

– ad 8: de prestaties «afgerond» zijn ongeveer op het streefniveau gerealiseerd. De onderhanden zijnde oppervlaktes zijn fors toegenomen, hetgeen duidt op een forse investering in de kwaliteit van het landelijk gebied. In de verantwoording van de prestaties wordt nu voor het eerst onderscheid gemaakt in gerealiseerde hectares en gerealiseerde groene en blauwe lijnelementen in kilometers.

– ad 9: in 2002 is circa 300 ha minder bos op landbouwgrond gerealiseerd dan begroot. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het ontbreken van de vergunningen, die vereist zijn als landbouwgrond wordt omgezet in natuurgrond (functieverandering).*

– ad 10: in de begroting van 2002 is uitgegaan van het beheer van het totale aantal hectares buiten de EHS van ca 103 000 ha, een deel daarvan wordt echter gefinancierd door derden (bijv. Het Ministerie van Defensie, waterleidingbedrijven) en komt niet voor rekening van LNV. Het aandeel dat gefinancierd wordt door LNV (via de Rijksbijdrage Staatsbosbeheer en de Subsidieregeling Natuurbeheer) bedroeg in 2002 ca. 53 000 ha.*

– ad 11: in 2002 heeft ca 5000 ha meer weidevogelbeheer plaatsgevonden dan begroot. De gemiddelde prijs per ha voor dit beheer was lager, omdat meer weidevogelpakketten met een bijbehorende lagere vergoeding zijn afgesloten.*

– ad 12: er behoefden in 2002 minder ganzengedoogovereenkomsten (wintergasten) te worden afgesloten dan begroot.*

– ad 15: dit betreft niet alleen uitgaven t.b.v. opstellen van nieuwe soortbeschermingsplannen, maar ook uitvoeringskosten m.b.t. bestaande soortbeschermingsplannen.

– ad 16: uitputting is inclusief overheveling € 2,7 mln. naar OCW. voor de uitvoering van het Belvedere-project.

– ad 17: in 2002 zijn meer schades uitgekeerd en daaraan gekoppeld meer taxaties uitgevoerd dan voorzien.

Beleidsinstrumenten

Om de operationele doelstellingen te realiseren zijn de volgende instrumenten ingezet:

– Offensieve landschapsstrategie: het formuleren van kernkwaliteiten van landschappen, planontwikkeling, studies t.a.v. inrichtingsmaatregelen, inzet Regeling Landschapsontwikkelingsplannen

– Kwaliteitsimpuls landschap: genenbank voor bomen en struiken, experimenten in acht proeftuinen ten behoeve van de groen-blauwe dooradering.

– Opstellen en implementeren van codes voor Goede Landbouw Praktijk en Plan van aanpak Agrobiodiversiteit

– Uitbreiding natuur en landschap: verwerving en inrichting van hectares natuur en landschap, verwerving door regulier verwervingsinstrumentarium (voor SBB door DLG en voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties via de subsidieregeling particuliere nb-organisatie, inrichting via het instrument van landinrichting).

– Subsidies in kader Programma Beheer

– Versterking ecologische en landschappelijke kwaliteit: uitvoering van de nota Belvedere, voordrachten voor de Wereldergoedlijst, het begrenzen van nationale landschappen, het subsidiëren van gemeentelijke en regionale landschapsontwikkelingsplannen,

– Soortenbescherming: opstellen en uitvoeren van soortenbeschermingsplannen.

01.14 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad»

In het kader van GIOS (groen in en om de stad) zijn 20 intentieafspraken met de stedelijke regio's gemaakt, gerelateerd aan de verstedelijkingsopgaven. Per regio zijn, op gebied van o.a. groen en vooruitlopend op de definitieve verstedelijkingsafspraken in 2003, intenties vastgelegd over de balans tussen rood en groen, onteigening, doorwerking in streekplannen, taakstellingen, inzet ISV-2 en gebiedsperspectieven VINAC. Om de voortgang te bespoedigen is over de Strategische Groenprojecten (SGP's) Haarlemmermeer en Zoetermeer Zuidplas ook afzonderlijk bestuurlijk overleg gevoerd. In 2002 zijn een aantal instrumenten herzien t.w. de onteigeningswet en de wet voorkeursrecht gemeenten en is begonnen met de ontwikkeling van de de wet grondexploitatie. Tevens is een aanzet gemaakt voor de volgende Investeringsimpuls Stedelijke Vernieuwing/Grote Stedenbeleid (ISV/GSB) periode.

Streefwaarden

OmschrijvingStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Verwerving SGR491 ha497 ha
2 Inrichting SGR50 ha staatsbos37 ha
 150 ha recreatiebos157 ha
3 Groene verbindingen34 km5 km

(zie toelichting onder prestatiegegevens)

Prestatiegegevens

 Begroting  Realisatie  
InstrumentPrestatiePrijs per eenheidBudgetPrestatiePrijs per eenheidUitgaven
1 LNV verwervings- en LandinrichtingsinstrumentariumAfronding:     
 491 ha verwerving€ 58 99128 965497 ha€ 71 30028 965*
 50 ha Staatsbos ingericht  37 ha  
 150 ha recreatiebos ingericht  157 ha  
       
 Onderhanden: 5 719  2 427
 500 ha Staatsbos  1 030 ha  
 1 600 ha recreatiebos  1 648 ha  
 Groene verbindingen    
       
2 Groene Hart Impuls60 projecten 4 62927 proj. 3 442
3 Overig bosaanleg (PPS)  1 038  463

* het LNV aandeel (28,965 mln euro) zie toelichting.

Verwerving

In het kader van de bufferzoneconvenant zijn er gezamenlijke financieringsafspraken met VROM en LNV. In 2002 is in totaal 497 ha verworven voor in totaal 35 423 euro (28 965 LNV en 6 458 VROM). In 2002 zijn t.b.v. staatsbossen en recreatiebossen veel nieuwe ruilgronden verworven (257 ha).

Inrichting

De realisatie van recreatie en groen in de Randstad is in 2002 ongeveer op het streefniveau gerealiseerd.

De omvang van de verplichtingen en de daadwerkelijk in uitvoering zijnde oppervlakte recreatie- en staatsbossen duidt aan dat na vele jaren stagnatie vooruitgang in de realisatie op dit gebied wordt verwachten. De feitelijke realisatie 2002 beantwoordt ongeveer aan de streefcijfers in de begroting 2002.

Wel moet er op worden gewezen dat de realisatie in een beperkt aantal projecten heeft plaatsgevonden en dat in andere Strategische Groenprojecten er nog steeds sprake is van stagnatie. De realisatie van de groene verbindingen komt op gang. De afronding van de groene verbindingen blijft achter bij de streefwaarde, maar het onderhanden werk is toegenomen.

Groene Hart Impuls

Er zijn minder projecten gerealiseerd dan begroot en er zijn minder uitgaven gedaan dan begroot. Vanwege het meerjarige karakter van de projecten zijn de jaarlijks bestede budgetten niet direct te koppelen aan de in dat jaar gerealiseerde beleidsprestaties

Doelgroep

Groen in de stad; aanbod ten behoeve van recreanten op minder dan 500 m van de woning voor de burgers van de G30 steden en de omliggende gemeenten.

Groen om de stad; aanbod ten behoeve van recreanten binnen 5 km van de woning.

Beleidsinstrumenten

Groen in de stad:

– stadsconvenanten Rijk-individuele steden gebaseerd op het Grote Steden Beleid, de Wet Stedelijke Vernieuwing (getekend december 1999) en Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing.

– Groen om de stad:

– bufferzoneconvenant VROM-LNV (1996);

– het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium;

– regeling Kwaliteitsimpuls Groene Hart.

01.15 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied

Recreatie en toerisme ontwikkelen zich steeds meer als de maatschappelijke en economische motor van het landelijk gebied. In 2002 zijn er met name meer kilometers routenetwerken gerealiseerd dan gepland.

Streefwaarden

OmschrijvingStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Verwerving en inrichting80 ha61 ha
2 Recreatieve paden100 km41 km
3 Nationale netwerken290 km430 km
4 Beheer bos, natuur en recreatiegebied212 815 ha219 030 ha

Prestatiegegevens

 Begroting Realisatie 
InstrumentPrestatieBudgetPrestatieUitgaven
1 LNV verwervings-,Afronding:   
Landinrichtings-80 ha recreatie3 00961 ha3 009
Instrumentarium100 km paden8 20341 km4 138
 onderhanden:   
 1 000 km paden 584 km 
     
2 Regeling versterking recreatiesector (routenetwerken)290 km nationale netwerken1 751430 km2 567*
3 Staatsbosbeheer en recreatieschappen Midden-Delfland en Grevelingen212 815 ha Waarvan SBB 203 976 ha20 922219 030 haWaarvan SBB 210 190 ha21 571
4 Kennis en deskundigheids bevordering65 projecten 1 innovatiecentrum2 78575 1 innovatiecentrum3 991

* inclusief medefinanciering door V&W m.b.t. recreatietoervaartnet (0,681 mln euro).

LNV verwervingsinstrumentarium;

In 2002 is het gehele beschikbare bedrag benut voor het realiseren van aankopen. Een groot deel is benut voor het aankopen van ruilgronden (41 ha).

LNV landinrichtingsinstrumentarium

De investeringen in dit beleidsonderdeel betreffen voornamelijk de realisatie van recreatiepaden (fietspaden en wandelpaden). De prestaties «afgerond» en «onderhanden» zijn lager uitgevallen dan geraamd in de begroting 2002.

Regeling versterking recreatiesector (route netwerken)

De prestaties bij de landelijke routenetwerken worden uitgedrukt in kilometers. De geplande prestatie bij deze routenetwerken (290 km) is met de realisatie van in totaal 430 km in 2002 ruim overtroffen. M.b.t. wandelroutes (170 km in 2002) en fietsroutes (260 km in 2002) gaat het om routeverkenning, beschrijving van de route in een gids, markering in het veld, bewegwijzering en m.b.t. fietsroutes specifiek ook om het oplossen van fysieke knelpunten die verband houden met de kwaliteit van de route. M.b.t. het recreatietoervaartnet (20 km in 2002) gaat het voornamelijk om het oplossen van fysieke knelpunten die verband houden met de kwaliteit van de route. De prestaties bij de nationale netwerken worden gerealiseerd door de Stichting Wandelplatform (LAW), de Stichting Fietsplatform en de Stichting Recreatietoervaartnet Nederland.

SBB en recreatieschappen

In de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer is vastgelegd, dat de minister binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet een verslag naar de beide Kamers stuurt waarin hij rapporteert over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het functioneren van Staatsbosbeheer.

Een onafhankelijke commissie beoordeelt Staatsbosbeheer op de aspecten «doelmatigheid» en doeltreffendheid» en zal de eerste helft van 2003 rapporteren.

Kennis en deskundigheidsbevordering;

Het gaat hier om bevordering van kennis en deskundigheid bij met name de medewerkers van LNV op het gebied van de recreatie, versterking en positionering van de recreatie in de samenleving en verbetering van de kwaliteit van het milieu en van het recreatief-toeristisch product in onderlinge samenhang. In 2002 zijn 75 projecten uitgevoerd. Daarnaast heeft het Kennis en Innovatiecentrum (de Stichting Recreatie) een aantal beleidsondersteunende projecten uitgevoerd.

Doelgroep

Hoofddoelstelling is het vergroten van de kwaliteit (gebruik- en belevingswaarde voor de recreant) en de toeristisch-recreatieve waarde (economische waarde voor ondernemers) van de omgeving in en om de stad (01.14) en van het landelijk gebied (01.15) voor 16 miljoen Nederlanders, met in het bijzonder aandacht voor kinderen, ouderen, gehandicapten en allochtonen.

Beleidsinstrumenten

– Het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium;

– Regeling Versterking Recreatiesector;

– Rijksbijdrage StaatsbosbeheerDeelname Wet gemeenschappelijke regelingen m.b.t. Recreatieschappen Midden-Delfland en Grevelingen

01.16 Internationaal natuurlijk

Met het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal 2002–2006 (BBI) heeft Nederland in 2002 haar actieve bijdrage en initiërende rol in internationaal verband aan een wereldwijde aanpak van een duurzame ontwikkeling en behoud van biodiversiteit weten te continueren.Vooral in 2002 heeft LNV ingezet op deelname aan en beïnvloeden van internationale besluitvorming, kennisoverdracht en ondersteuning van projecten in het buitenland. Zo heeft LNV de zesde Conferentie van Partijen bij het Biodiversiteitsverdrag (CoP6) (Den Haag, april 2002) georganiseerd. en bijgedragen aan de actieve inbreng van Nederland bij zowel de CoP6 van het Biodiversiteitsverdrag (CBD), de World Summiton Sustainable Development (Johannesburg, september) als bij de bijeenkomsten van Partijen bij de Bonn Conventie (Bonn, september), het African-Eurasian Waterbird Agreement (AEWA, Bonn, september), de Ramsar Conventie (Valencia, november), de Convention on International Trade in Endangered Species (CITES, Chili, november) en de Bern Conventie (Straatsburg, december). De ontwikkeling van duurzaam bosbeheer werd vooral voortgezet binnen het CBD en het UN Forum on Forests (UNFF). De internationale ministeriële verklaringen, het aannemen van resoluties, aanbevelingen, samenwerkingsprogramma's en bilaterale afspraken in het kader van internationale overeenkomsten dragen bij aan de structurele ombuiging van het wereldwijde verlies aan biodiversiteit. Voor de Europese samenwerking op het gebied van natuur- en biodiversiteitswaarden vormde de Pan-Europese Biologische en Landschaps Diversiteits Strategie (PEBLDS) van de Raad van Europa het belangrijkste kader. LNV heeft verder een bijdrage geleverd aan het concept van het Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN). In het kader van het actieplan Natuurbeheer Midden- en Oost Europa 2001–2004 werden de activiteiten op het gebied van natuur- en biodiversiteitsamenwerking met Midden- en Oost Europese landen voortgezet.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Aantal MoU's54
2 Aantal startende internationale natuurprojecten7575

Prestatiegegevens

 BegrotingRealisatie
InstrumentBudget (x € 1 000)Uitgaven (x € 1 000)
1 Internationale natuurprojecten en contributies2 1292 012

Doelgroepen

– doellanden

– multilaterale organisaties

– non-gouvernementele organisaties

– de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland.

Beleidsinstrumenten

Voor de realisering van de doelstellingen in kader van het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal zijn in 2002 de volgende beleidsinstrumenten ingezet:

– Organisatie van de zesde mondiale conferentie van Partijen bij het Biodiversiteitsverdrag (CoP6 CBD).

– Internationale verdragen en richtlijnen binnen de EU opgebied van natuurbescherming: Biodiversiteitsverdrag, Ramsar Conventie, CITES, Bonn Conventie en Agreements, Bern Conventie, UNESCO Werelderfgoedverdrag, OSPAR, Pan-Europese Biologische en Landschapsdiversiteitsstrategie, EU-Vogelrichtlijn, EU-Habitatrichtlijn, EU Kaderrichtlijn Water.

– Overeenkomsten met internationale organisaties (IUCN, Birdlife International, Eeconet Action Fund, Plantlife International, UNEP), pre-accessie landen en Memorandums of Understanding.

– Projectsubsidies in kader van ontwikkeling van het Europees natuurbeleid, w.o. de ontwikkeling van een Pan-Europees Ecologisch Netwerk; de natuurontwikkeling in Midden- en Oost Europa; natuurontwikkeling buiten Europa in kader van ontwikkelingssamenwerking

– Besluit Natuurbeheer in Midden- en Oost Europa

– Contributies aan internationale organisaties en secretariaten van internationale verdragen op gebied van natuurbescherming.

– Vertegenwoordiging in en bijdragen aan internationale gremia

Budgettaire gevolgen van beleid

(bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen278 670222 57356 097
Waarvan garantieverplichtingen   
Uitgaven302 528283 04119 487
Programma-uitgaven228 682237 038– 8 356
U0111 Gebiedenbeleid81 94678 2613 685
U0112 Reconstructie varkenshouderij11 3508 8082 542
U0113 Landelijk Natuurlijk62 80170 819– 8 018
U0114 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad«35 29740 351– 5 054
U0115 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied35 27636 670– 1 394
U0116 Internationaal natuurlijk2 0122 129– 117
Apparaatsuitgaven73 84646 00327 843
U0121 Apparaat72 68544 91327 772
U0122 Agentschappen/bls-diensten1 1611 09071
    
Ontvangsten84 61379 5545 059

Het hoger bedrag aan aangegane verplichtingen houdt o.m. verband met de hogere gerealiseerde apparaatsuitgaven waarbij het uitgavenbedrag gelijk is aan de verplichtingen en extra aangegane verplichtingen ten behoeve van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB) waarvoor verplichtingenruimte beschikbaar is gesteld door de Ministeries van VROM en V&W. De verschillen bij de doelstellingen zijn toegelicht bij de prestatiegegevens.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

 Begroting  Realisatie  
 Gemiddelde sterktePrijs per eenheidBudget (x € 1 000)Gemiddelde sterktePrijs per eenheidUitgaven (x 1 000)
1 Personeel DLG594,346,427 603810,947,238 274
2 Personeel GRR51,755,82 88764,859,73 869
3 Personeel DN22,356,81 26829,955,51 659
4 Personeel AID42,845,41 94041,348,41 999
5 Materieel  10 261  23 679
6 Overig personeel  954  3 205
7 Bijdrage aan Laser  1 090  1 161

Op het onderdeel apparaat worden de uitgaven voor personeel, materieel en post-actieven geraamd en verantwoord van de directies Natuurbeheer, Groene Ruimte en Recreatie, de Dienst Landelijk Gebied, de AID, de Raad voor het Landelijk gebied en de bijdrage aan het agentschap Laser. Een en ander voor zover dat betrekking heeft op de uitvoering van de doelstelling «versterking van het landelijk gebied». In de oorspronkelijke begroting was € 44,9 mln (excl. Laser) geraamd, terwijl het realisatiebedrag € 71,4 mln (excl. Laser) bedraagt.

Het verschil wordt, naast de reguliere loonbijstelling, veroorzaakt door extra uitvoeringskosten met betrekking tot Reconstructie, Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB), Natuur Voor mensen (NVM) en Programma Beheer. Daarnaast zijn extra uitgaven gedaan voor directie specifieke kosten, en ICT-uitgaven bij de Dienst Landelijk Gebied. De uitvoeringskosten Plattelands Ontwikkelings Programma zijn hoger uitgevallen dan geraamd en er zijn meer opdrachten voor derden uitgevoerd. Deze uitgaven waren oorspronkelijk elders op de begroting geraamd.

Toelichting op de ontvangsten

(x € 1 000)BegrotingRealisatie
Landinrichtingsrente40 16144 044
Bijdragen van derden25 95723 686
EU-ontvangsten8 0636 328
Overige ontvangsten5 37310 555

De ontvangsten bestaan voornamelijk uit de inkomsten a.g.v. Landinrichting.

De ontvangsten uit landinrichtingsrente worden in zijn geheel ontvangen op het operationele doel gebiedenbeleid, maar het dient het LI-instrumentarium dat wordt ingezet in meerdere operationele doelen. Er is bijna 4 mln meer landinrichtingsrente ontvangen dan begroot. De ontvangsten uit Bijdrage van derden zijn minder dan begroot. Vanuit de EU is in de projecten minder bijgedragen dan geraamd.

Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting) (02)

Er wordt een samenhangend netwerk gerealiseerd van kwalitatief hoogwaardige natuurterreinen, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), met als doel:

– het veilig stellen van soorten en ecosystemen;

– productie van schoon water, plantaardige en dierlijke producten, CO2-vastlegging;

– bescherming van landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden;

– het voldoen aan recreatieve behoeften;

– het creëren van een aantrekkelijk leefklimaat en vestigingsklimaat.

De EHS vindt zijn grondslag in het SGR en bestaat uit verschillende soorten terreinen: bestaande natuurterreinen, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, beheersgebieden, de Noordzee, grote wateren en rivieren.

Grafiek 4: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en uitgavenkst-28880-30-6.gif

02.11 Verwerving droge EHS

Het beleid in 2002 is er op gericht geweest om t.a.v. de grondverwerving voor de EHS aankoopkansen te benutten. Dat is gelukt. Hierdoor is het mogelijk geworden grote arealen natuur en ecosystemen veilig te stellen en nieuwe natuur te ontwikkelen. De realisatie van de EHS is dichterbij gekomen. Naast de geleidelijke ombuiging van het verlies aan biodiversiteit in ons land, wordt hiermee tevens voorzien in de recreatie behoefte binnen onze samenleving en wordt de aantrekkelijkheid van het leef- en vestigingsklimaat verbeterd. Door een extra financiële impuls heeft het kabinet de realisatie van de EHS zelfs versneld.

Met het nieuwe beleid uit de nota Natuur voor Mensen is voortvarend gestart. Op het terrein van verbinden en vergroten is een aanvang gemaakt met de robuuste verbindingen. Enerzijds op bestuurlijk niveau, waarbij de verkenningen door de provincies nagenoeg zijn afgerond. Anderzijds zijn fysiek reeds aankopen gedaan om dit beleid te realiseren.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Robuuste verbindingen te verwerven810 ha513 ha
2 Bestaand bos en andere natuurterreinen (restant taakstelling) te verwerven1 064 ha2 109 ha
3 Uitbreiding EHS met functiewijziging (excl. Robuuste verbindingen) te verwerven3 913 ha5 321 ha

Toelichting

De realisatie verwerving droge EHS ligt boven de streefwaarde. Dit komt mede omdat de Tweede Kamer eind 2001 een financiële impuls (€ 80 mln) aan de natuur heeft gegeven in het kader van het Natuuroffensief. Deze middelen zijn grotendeels in 2002 uitgegeven aan de verwerving en inrichting van de EHS. Deze impuls heeft geleid tot een hoger realisatieniveau en derhalve tot een versnelling van de EHS.

Prestatiegegevens

  Begroting  Realisatie 
InstrumentAantal prestatiesGem.kosten per prestatieTotale uitgaven x € 1000Aantal prestatiesGem.kosten per prestatieTotale uitgaven x € 1000
1 Verwerving robuuste Verbindingen810 ha€ 29 49623 892513 ha€ 38 58319 793
2 Afronding bestaande Natuurterreinen1 064 ha€ 9 0769 6562 109 ha€ 4 81510 154
3 Verwerving reservaten2 069 ha€ 36 30275 1102 596 ha€ 30 26578 567
4 Verwerving natuurontwikkeling2 044 ha€ 36 30274 2022 725 ha€ 28 52777 734

Verwerving van de droge EHS wordt mede gefinancierd door de provincies. Tevens dragen de ministeries van VROM en V&W bij aan verwerving droge EHS. Deze middelen zijn niet verwerkt in het budgettaire beeld, maar wel in de bovenstaande realisatie gekoppeld aan de prestatiecijfers. De gemiddelde kosten per hectare zijn daardoor hoger dan de totale uitgaven gedeeld door het aantal prestaties, omdat in de uitgaven alleen het LNV-aandeel in de prestaties wordt verantwoord. Daarnaast zijn in 2001 middelen beschikbaar gekomen voor het Natuuroffensief. Deze middelen zijn in 2002 besteed aan verwerving en inrichting droge EHS. De hiermee gemoeide prestaties «nieuwe natuur» zijn meegenomen in het aantal prestaties. Eind 2002 heeft bovendien de anticiperende aankoop Fochteloërveen plaatsgevonden. De realisatie van de EHS ligt op het gebied van verwerving hoger dan de streefwaarden. De aankoop van reservaats- en natuurontwikkelingsgronden ligt hoger dan gepland vanwege de impuls van het Natuuroffensief. Ook is er een hogere realisatie van bestaande natuurterreinen. Dit heeft vooral te maken met de verwerving en de overdracht van enkele grote landgoederen.

Doelgroepen

– Staatsbosbeheer

– Particuliere natuurbeschermingsorganisaties

– Vereniging Natuurmonumenten,

– de 12 provinciale Landschappen

– enkele kleine particuliere stichtingen

Beleidsinstrumenten

– Voor SBB directe rijksfinanciering via aankopen door DLG

– Voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties 50% rijksfinanciering via de regeling particuliere nb-organisaties

– Voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties 50% provinciale financiering via de provinciale subsidieregelingen voor aankoop van gronden.

– Voor zowel SBB als de particuliere nb-organisaties via doorlevering van gronden uit het grondbezit van het Bureau Beheer Landbouwgronden aan de eindbeheerder (SBB of natuurbeschermingsorganisatie).

02.12 Verwerving natte EHS

In 2002 is het beleid er op gericht geweest om daar waar zich unieke kansen voordoen om grond voor de realisatie van natte EHS te verwerven, die kansen ook daadwerkelijk te benutten. Met name in de regio waar Deltanatuur ontwikkeld zal worden hebben zich unieke situaties voorgedaan om grond te verwerven in een gebied waar de grondmobiliteit de laatste jaren zeer laag is geweest. Door adequaat op deze mogelijkheden te reageren is het gelukt in die regio een flinke slag te slaan, waardoor de realisatie van de natte natuur flink is versneld. Hierdoor wordt een stevige impuls gegeven aan enerzijds de kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied maar ook aan de veiligheid tegen het water. Voor die veiligheid is het ministerie van V&W primair verantwoordelijk. Door op het terrein van natte natuur goed samen te werken realiseren LNV en V&W op een optimale manier hun doelen.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Natte natuur150 ha449 ha

In 2002 is meer grond verworven dan gepland. De realisatiecijfers liggen daardoor ruim boven de streefwaarden. De doelstellingen voor 2002 zijn ruim bereikt.

Prestatiegegevens

 Begroting  Realisatie  
InstrumentAantal prestatiesGem.kosten per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000Aantal prestatiesGem.kosten per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000
1 Verwerving terreinen Natte natuur150 ha€ 29 4964 424449 ha€ 39 56317 764

Op de artikelen 02.12 en 02.14 worden de middelen voor ICES Natte Natuur verantwoord. Jaarlijks wordt bekeken hoe de verdeling tussen verwerving (02.12) en inrichting (02.14) moet worden gemaakt. In 2002 is meer verworven en minder ingericht dan gepland. In 2001 is het niet gelukt om tijdig het budget voor verwerving natte natuur (02.12) te benutten. De uitgaven hebben in 2002 plaatsgevonden.

Doelgroepen

– Staatsbosbeheer

– Particuliere natuurbeschermingsorganisaties

Beleidsinstrumenten

– Het LNV Verwervingsinstrumentarium

02.13 Inrichting droge EHS

Het beleid in 2002 is er op gericht geweest de stagnatie in de uitvoering die als gevolg van de MKZ-crisis in 2001 is opgetreden in te lopen. Met name voor de categorie reservaten is dit niet helemaal gelukt. Dit komt doordat in 2002 nog na-ijleffecten van de MKZ-crisis aanwezig waren, waardoor de opgelopen stagnatie niet geheel is weggewerkt. Door uitgevoerde inrichtingswerken (zowel afgeronde projecten als de onderhanden werken) is de realisatie van de EHS weer dichterbij gekomen. Hiermee is een nadere stap gezet bij de verbetering van de kwaliteit van het landelijk gebied. Evenals bij de verwerving is hierdoor zowel de aantrekkelijkheid van het leefklimaat als van het vestigingsklimaat toegenomen. Bovendien wordt hiermee voorzien in de behoefte aan recreatie binnen onze samenleving. Door een extra financiële impuls (Natuuroffensief, 2001) heeft het kabinet de realisatie van de EHS zelfs versneld. Projecten die pas in 2003 en 2004 waren gepland zijn nu reeds in 2002 gestart. Met het nieuwe beleid uit de nota Natuur voor Mensen is een voorzichtige aanvang gemaakt m.b.t. de inrichting van robuuste verbindingen. Grootschalige inrichting van deze verbindingen was nog niet mogelijk omdat de aangekochte (ruil)gronden eerst nog in de planvorming moeten worden opgenomen en eventueel eerst nog moeten worden uitgeruild.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Percentage taakstelling ontsnippering gerealiseerd10%7%
2 Robuuste verbindingen in te richten125 ha0 ha
3 Uitbreiding EHS met functiewijziging (excl. robuuste Verbindingen) in te richten2 100 ha1 249 ha

In het kader van het Natuuroffensief is een belangrijke impuls gegeven aan de realisering van de beleidsdoelen. Omdat inrichtingswerken een langere looptijd dan 1 jaar hebben, zijn deze effecten pas vanaf 2003 zichtbaar. De inrichting is in 2002 achtergebleven bij de streefcijfers. Deze stagnatie kan mede worden verklaard door de vertraging in de uitvoering die in 2001 heeft plaatsgevonden als gevolg van de MKZ-crisis. Voor de toekomst betekent dit een hogere restanttaakstelling.

Prestatiegegevens

 Begroting Realisatie 
InstrumentAantal prestatiesTotale Uitgaven (x € 1 000)Aantal prestatiesTotale Uitgaven (x € 1 000)
1 Inrichting robuuste verbindingen125 ha1 7026 ha7
2 Inrichting reservatenAfronding: 1 500 ha 651 ha 
 Onder handen: 15 000 ha9 20916 862 ha9 211
3 Inrichting natuurontwikkelingAfronding: 600 ha 598 ha 
 Onder handen: 8 600 ha9 21011 901 ha 
 Afronding: 67 km 
 Onder handen: 422 km9 429

Met de inrichting van robuuste verbindingen is een aanvang gemaakt. Nieuwe verplichtingen zijn opgenomen in de categorie onderhanden werk. De hieraan gekoppelde beleidsprestaties zullen in 4 jaar tijd worden gerealiseerd. Prestaties worden in latere jaren geleverd.

De inrichting van reservaatsgebieden is achtergebleven bij de streefwaarden. Achterblijvende prestaties worden verklaard als gevolg van de vertraging in de uitvoering als gevolg van de nasleep van de MKZ-crisis en doordat gronden, waarvoor geen inrichtingsmaatregelen zijn voorzien, niet als gereed zijn afgemeld. De inrichting van natuurontwikkelingsgebieden komt per saldo hoger uit dan de streefcijfers. In 2001 lagen de realisatiecijfers echter fors hoger. Reden van het achterblijven in 2002 t.o.v. 2001 is dat de natuurontwikkeling in de uiterwaarden vanwege de problematiek van vervuilde gronden vertraging oploopt. Verdere stagnatie is te verklaren door doordat men in afwachting is van de nadere uitwerking van het nieuwe beleid Ruimte voor de Rivier.

Doelgroepen

– Staatsbosbeheer

– Particuliere natuurbeschermingsorganisaties

Beleidsinstrumenten

– Inrichting via het instrument van landinrichting

02.14 Inrichting natte EHS

De operationele doelstelling heeft betrekking op het in oppervlakte en kwaliteit versterken en het waarborgen van duurzaam gebruik van karakteristieke natte natuur.

Streefwaarden

OmschrijvingStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 In te richten natte natuur650 ha52 ha
2 Formuleren kernkwaliteiten natte natuurafgerondafgerond

Op de artikelen 02.12 en 02.14 worden de middelen voor ICES Natte Natuur verantwoord. Jaarlijks wordt bekeken hoe de verdeling tussen verwerving (02.12) en inrichting (02.14) moet worden gemaakt. Op basis van de programmering 2002 is meer verworven en minder ingericht dan in de begroting gepland. Het aantal afgeronde hectares inrichting blijft achter bij de streefwaarde. Daarentegen is een groot aantal hectares momenteel in inrichting. De bijbehorende beleidsprestaties (afronding inrichting) worden in de komende jaren geleverd.

Prestatiegegevens

  Begroting  Realisatie 
InstrumentAantal prestatiesGem.kosten Per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000Aantal prestatiesGem.kosten Per prestatieTotale Uitgaven x € 1 000
1 Inrichting terreinen Natte natuur438 ha€ 23 41310 25552 ha afgerond 3 177
    3 246 ha onderhanden  

Doelgroepen

– Staatsbosbeheer

– Particuliere natuurbeschermingsorganisaties

Beleidsinstrumenten

– Inrichting via het instrument van landinrichting

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen281 048223 53157 517
Waarvan garantieverplichtingen9 1009 07624
Uitgaven243 900225 12518 775
Programma-uitgaven225 836214 09511 741
U0211 Verwerving droge EHS186 248179 9076 341
U0212 Verwerving natte EHS17 7644 04013 724
U0213 Inrichting droge EHS18 64719 893– 1 246
U0214 Inrichting natte EHS3 17710 255– 7 078
Apparaatsuitgaven18 06411 0307 034
U0221 Apparaat17 33210 3426 990
U0222 Baten-lastendienst73268844
    
Ontvangsten22 0739 71212 361

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

De verschillen tussen de begroting en de realisatiecijfers zijn toegelicht bij de verschillende operationele doelstellingen.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

  Begroting  Realisatie 
 Gemiddelde sterkteGemiddelde prijs Budget (x € 1.000)Gemiddelde sterkteGemiddelde prijs Uitgaven (x € 1.000)
1 Personeel DLG114,646,45 325184,647,28 713
2 Personeel DN37,856,82 14650,655,52 806
5 Materieel  2 606  5 168
6 Overig personeel  265  645
7 Bijdrage aan Laser  688  732

Op het onderdeel apparaat worden de uitgaven voor personeel, materieel en post-actieven geraamd en verantwoord van de directies Natuurbeheer, de Dienst Landelijk Gebied en de bijdrage aan het agentschap Laser. De verschil tussen de geraamde en gerealiseerde apparaatsuitgaven houden voornamelijk verband met extra uitvoeringkosten door DLG ten behoeve van regelingen verband houdend met verwerving en inrichting van de EHS. Tegenover deze hogere apparaatsuitgaven staan deels hogere apparaatsontvangsten.

Toelichting op de ontvangsten

(x € 1.000)BegrotingRealisatie
Bijdragen van derden3 17611 957
EU-ontvangsten6 0927 681
Overige ontvangsten4442 435

De hogere realisatie onder «Bijdragen van derden» houdt verband met gerealiseerde verkoopopbrengsten van Staatsbosbeheer uit eerdere jaren die zijn ingezet voor verwerving. De hogere «overige ontvangsten» betreffen apparaatsontvangsten waartegenover ook meer apparaatsuitgaven zijn gerealiseerd.

Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer) (03)

Er wordt een samenhangend netwerk beheerd van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur. Een belangrijke kern hiervan wordt gevormd door 17 Nationale Parken en een grensoverschrijdend park. Ook gebieden met agrarisch en particulier natuurbeheer, historische buitenplaatsen, multifunctioneel bos en natte natuur vormen een onderdeel van de EHS. De prestaties op het gebied van het beheer van de EHS (incl. OBN en bijdrage Nbwet) worden in dit beleidsartikel toegelicht.

Grafiek 5: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2002 over operationele doelstellingen apparaatkst-28880-30-7.gif

03.11 Beheer van de EHS

Het overgrote deel van de begrote prestaties onder deze operationele doelstelling is gerealiseerd. Onder «beheer natte natuur» zijn veel minder prestaties geleverd in 2002 dan geraamd. In de begroting 2003 is reeds gemeld dat -in het kader van het groeipad VBTB- gewerkt wordt aan het scherper in kaart brengen van de toekomstige beheerslasten, analoog aan de informatie die in 2001 inzake verwerving en inrichting aan de Kamer is verzonden. Dit zal leiden tot een andere, meer inzichtelijke begroting en verantwoording van de prestatiegegevens inzake beheer in de operationele doelstellingen 1.13 en 3.11.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeToename in 2002Totaal areaal 2002Realisatie 2002
1 Percentage oppervlakte gerealiseerde natuurdoelenPMPM
2 Droge natuur excl. robuuste verbindingen4 704 ha48 479 ha7 451 ha2
3 Uitbreiding natte natuur650 ha5 250 haPm

2 Realisatie toename hectares is incl. hectares verantwoord op art. 01.13. De uitbreiding droge natuur (excl. robuuste verbindingen) is opgebouwd uit: 5545 ha door DLG overgedragen aan de terreinbeherende organisaties, 223 ha SN functieverandering en 1683 ha groei agrarisch natuurbeheer

Toelichting

ad 1. Het is op dit moment nog niet mogelijk aan te geven welk percentage van het beoogde oppervlak aan natuurdoelen is gerealiseerd. Daarvoor is in de eerste plaats de landelijke natuurdoelenkaart nodig, die zichtbaar maakt welke natuurdoelen worden nagestreefd. De natuurdoelenkaart wordt in 2003 afgerond. Om te kunnen beoordelen in hoeverre de beoogde natuurdoelen zijn gerealiseerd zal vervolgens een monitoring- en evaluatieprogramma worden opgezet.

Prestatiegegevens

  Begroting  Realisatie 
InstrumentAantal prestatiesGem.kosten per prestatieTotale Uitgaven x € 1000Aantal prestatiesGem.kosten per pres-tatieTotale Uitgaven x € 1000
1 Beheer bestaand bos, Natuurterreinen en Landschap420 000 ha€ 15966 706428 284 ha€ 15968 048
2 Agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer63 000 ha€ 54534 30663 678 ha€ 48931 131
3 Onderhoud historische parken en tuinen260 2 042260 2 448
4 Herstel historische parken en tuinen35 2728 136
5 Particulier natuurbeheer en functiewijziging279 ha€ 1 516423745 ha€ 1 4501 080
6 Beheer Natuurbeschermingswet4 500 ha€ 2501 1236 666 ha€ 1971 314
7 Beheer nationale parken105 800 ha€ 454 824117 000 ha€ 374 307
8 Overlevingsplan bos en natuur300 9 257274 6 040
9 Beheer natte natuur4 600 ha€ 91417302€ 91217
10 Specifieke thema's  5 012  6 493

Het totaal aan uitgaven wijkt af van de uitgaven zoals gepresenteerd in het overzicht budgettaire gevolgen van beleid, omdat in de prestaties ook het onderhoud van historische parken en tuinen is meegenomen (€ 2,448 mln), terwijl deze in de begroting verantwoord worden op art. 01.13

Toelichting

ad 1: het begrote aantal hectares is iets te laag ingeschat.

ad 2: in 2002 is het begrote areaal agrarisch natuur- en landschapsbeheer van totaal 63 000 ha ruim gerealiseerd. De gemiddelde prijs per ha is iets lager dan begroot, omdat agrariërs iets vaker voor goedkopere pakketten in de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) hebben gekozen: er zijn vooral veel aanvragen voor landschapspakketten gehonoreerd die gemiddeld goedkoper zijn.

ad 4: het betreft hier projectsubsidies voor het herstel van parken en tuinen. In 2002 zijn 8 nieuwe projecten gehonoreerd.

ad 5. in 2002 bedroeg het aantal prestaties voor particulier natuurbeheer 223 ha. Op 522 ha werden in 2002 nog betalingen verricht vanwege uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen in het kader van experimenten met particulier natuurbeheer.

ad 6: de gerealiseerde hectares hebben betrekking op een inschatting gebaseerd op het aantal over 2001 gerealiseerde hectares. Over de in 2002 gerealiseerde hectares hebben de afzonderlijke provincies nog geen rapportages ingeleverd.

ad 7. eind 2002 waren 14 nationale parken definitief ingesteld met een totale oppervlakte van ca 97 000 ha. Er waren voorts 4 nationale parken in oprichting met een totale oppervlakte van ca 20 000 ha.

ad 8. het aantal uitgevoerde projecten in het kader van OBN was in 2002 iets lager dan ingeschat en dientengevolge zijn de uitgaven lager dan begroot.

ad 9: in 2002 zijn nog geen hectares natte natuur in beheer genomen.

ad 10. hieronder zijn alle uitgaven opgenomen die niet aan specifieke prestaties zijn toe te schrijven: gegevensvoorziening EC-LNV, VNBL-regeling, implementatie FF-wet provincies

Doelgroepen

– Staatsbosbeheer

– alle particulieren en organisaties, waaronder agrariërs (natuurlijke personen en rechtspersonen) en samenwerkingsverbanden daarvan, die in aanmerking komen voor de subsidieregelingen onder Programma Beheer (SAN en SN)

– beheerders van als monument geregistreerde historische parken en tuinen

– eigenaren/gebruikers Nb-wetprojecten

Beleidsinstrumenten

– Internationale afspraken vastgelegd in Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Ramsar-conventie

– Bijdrage voor Natuurbeschermingswetgebieden

– Programma Beheer (Subsidieregeling Natuurbeheer, Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer, Regeling Organisatiekosten Samenwerkingsverbanden)

– Natuurdoelenkaart

– Convenanten met en regelingen voor terreinbeherende organisaties

– Planologische bescherming conform het SGR-1

– Regeling Versterking Bos en Natuur bij Bos- en Landgoedeigenaren (VNBL)

– Regeling Nationale Parken

– Regeling historische parken en buitenplaatsen

– Regeling Effectgerichte Maatregelen (in kader van OBN)

Budgettaire gevolgen van beleid

(bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen170 574147 08223 492
Uitgaven141 795146 076– 4 281
Programma-uitgaven118 576134 382– 15 806
U0311 Beheer van de EHS118 576134 3821– 15 806
Apparaatsuitgaven23 21911 69411 525
U0321 Apparaat10 4505 3835 067
U0322 Baten-lastendienst12 7696 3116 458
    
Ontvangsten3 93314 8491– 10 916

1 In bovengenoemde bedragen is het amendement nr. 4 (Bolhuis) op de begroting 2002 van LNV verwerkt. Hiertoe is ten opzichte van de oorspronkelijke begroting het bedrag op doelstelling 03.11 met € 10 mln. verhoogd en de ontvangstenbegroting met € 5 mln.

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

In 2002 zijn meer verplichtingen aangegaan ten behoeve van de Subsidieregelingen vallend onder Programma Beheer (SN en SAN). Deze zullen in latere jaren tot kaseffecten leiden.

De lagere kasrealisatie betreft o.m. het feit dat de toegevoegde kasmiddelen inzake het amendement Bolhuis met het oog op een correcte uitvoering naar latere jaren zijn verschoven. Voorts is een deel van het beschikbare budget voor Programma Beheer op beleidsartikel 1 verantwoord.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

  Begroting  Realisatie 
 Gemiddelde sterkteGemiddelde prijs Budget (x € 1 000)Gemiddelde sterkteGemiddelde prijs Uitgaven (x € 1 000)
1 Personeel DLG56,146,42 607117,747,25 556
3 Personeel DN25,756,81 46334,555,41 912
5 Materieel  1 192  2 710
6 Overig personeel  122  272
7 Bijdrage aan Laser  6 310  12 769

Op het onderdeel apparaat worden de uitgaven voor personeel, materieel en post-actieven geraamd en verantwoord van de directie Natuurbeheer en de bijdrage aan het agentschap Laser. De hogere uitgaven bij met name Laser houden grotendeels verband met extra uitvoeringskosten voor de subsidieregelingen Natuurbeheer (SN) en Agrarische Natuurbeheer (SAN) vallend onder Programma Beheer. Als belangrijkste oorzaken kunnen genoemd worden: het cumulerend effect van nieuwe subsidieaanvragen op de uitvoeringskosten, de investeringen in automatiseringsystemen en de afhandeling van bezwaarschriften door LASER. Dit gebeurde voorheen door het kerndepartement.

Economisch perspectiefvolle agroketens (04)

De algemene beleidsdoelstelling is de bevordering van ecomnomisch perspectiefvolle en internationaal concurrerende agroketens

De overheid ziet zich geplaatst voor uitdaging om de condities te scheppen waaronder de agrosector zich duurzaam kan ontwikkelen en rekening kan houden met maatschappelijke wensen. Dit doet zij onder meer door:

* het stimuleren en faciliteren van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

* het stimuleren van vernieuwing in de keten op gebieden als differentiatie (streekproducten, biologische producten), logistiek (transportpreventie), marketing, kwaliteit, garantiesystemen, informatievoorziening en duurzame ketens;

* de inzet van het exportinstrumentarium (inclusief de instrumenten van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken;

* het ondersteunen van belangrijke processen van herstructurering in de veehouderij, de glastuinbouw en de visserij.

 Realisatie
Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex11 028
Herstructurering Veehouderij93 510
Herstructurering glastuinbouw en duurzaam gebruik energie8 567
Herstructurering visserij14 575
Apparaatsuitgaven178 732

Grafiek 6: Procetuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaatkst-28880-30-8.gif

04.11 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex

Algemeen

LNV is primair verantwoordelijk voor het overheidsbeleid op het gebied van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) in het agro-cluster. LNV heeft in 2002 een aantal activiteiten verricht die gericht waren op het stimuleren, faciliteren en agenderen van MVO in de praktijk.

Bilaterale economische samenwerking

Doel van het programma bilaterale economische samenwerking was de positie van met name het MKB in de Nederlandse agribusiness, internationaal te versterken. Het programma heeft in 2002 geleid tot nieuwe contacten en relaties tussen de Nederlandse agribusiness en buitenlandse partners. Hiervoor zijn handelsmissies, deelname aan vakbeurzen, handelscontactbijeenkomsten, seminars en trainingscentra georganiseerd. Ook is een aantal marktonderzoeken uitgevoerd, veelal in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven.

Energie

Vanaf 2002 stimuleert LNV een aantal agro-sectoren energiebesparende maatregelen te treffen. Dit gebeurt via het opstellen van plannen, het nemen van maatregelen en het implementeren van een energiezorgsysteem. De afspraken lopen tot 2012. Tevens heeft LNV in 2002 in kaart gebracht welke nieuwe energiebesparende mogelijkheden nieuwe perspectieven bieden.

Masterplan Duitsland

In 1999 is het project Nachbarland Niederlande van start gegaan. Doel hiervan was het imago van Nederlandse producten te verbeteren en de export naar Duitsland te bevorderen. De export is de afgelopen periode inderdaad gestegen. Dat neemt niet weg dat de waardering van de Duitse consument voor Nederlandse producten echter nog steeds te wensen overlaat. De na 2000 opgetreden (inter)nationale landbouwcrises zoals BSE, MKZ, MPA en dioxine, hebben het vertrouwen van de Duitse consument in de kwaliteit van (inter)nationale agrarische productie en producten ernstig geschaad. Het imago van de landbouw is daardoor over de hele linie gedaald. Momenteel wordt het project geëvalueerd.

Streefwaarden

Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
Gerealiseerde bilaterale agro-economische samenwerkings-activiteiten75%74%
Imago Nederlands agrarisch product op de Duitse markt6255

Het programma Bilaterale Economische Samenwerking 2002 werd conform de verwachting voor 74% uitgevoerd. De niet uitgevoerde activiteiten zijn vervangen door projecten die in de loop van het jaar ontstonden en beter aan bleken te sluiten bij de wensen van het bedrijfsleven. Een aantal activiteiten gepland voor 2002 en gericht op de dierlijke sector, hebben vertraging ondervonden door de nasleep van BSE, MPA en MKZ. Deze activiteiten zullen daar waar mogelijk in 2003 alsnog worden uitgevoerd. In 2002 is de waardering door het afgenomen consumentenvertrouwen in Duitsland naar 55 gedaald. De daling bij de eigen Duitse producten was nog groter. Bij de concurrerende Europese landen liepen de cijfers iets minder hard terug, waardoor hun achterstand op Duitsland en Nederland werd verkleind. De over de hele linie tegenvallende waardering valt grotendeels te verklaren uit de ook in Duitsland groeiende bezorgdheid over thema's als voedselveiligheid, voedselkwaliteit, dierenwelzijn en duurzame productiemethoden. Geen specifiek Nederlands probleem, maar wel een storende factor tijdens een campagne om het vertrouwen te herstellen.

Prestatiegegevens

  Begroting  Realisatie 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000Aantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
Bilaterale economische samenwerking (projecten)12032,93 89312829,63 793
Masterplan duitsland/Nachbarland Niederlande  2 677  3 385
Energie  1 617  1 585
Overige (projecten)20489332137,9795
CLIENT    1 470

Op het gebied van Bilaterale samenwerking zijn in 2002 meer projecten uitgevoerd. Omdat meer kleinere projecten zijn uitgevoerd is de gemiddelde kostprijs per project lager uitgekomen dan begroot. Als gevolg van het doorschuiven van activiteiten uit 2001 naar 2002 is ten behoeve van Nachbarland Niederlande € 0,7 mln. extra uitgegeven. In 2002 is het ICT-project CLIENT gestart. Doel van het project, een samenwerkingsverband tussen LNV (PD en RVV), Belastingdienst/Douane en het georganiseerde bedrijfsleven, is het verbeteren van administratieve en logistieke processen voor grenscontroles op landbouwgoederen.

Doelgroepen

Bilaterale agro-economische samenwerking is gericht op de agrarische sector en op het internationale vlak actieve Nederlandse bedrijfsleven, met name MKB. In nauwe samenspraak met de Agrarische vertegenwoordiging in het buitenland en in overleg met het belanghebbend bedrijfsleven wordt jaarlijks een uitgebreid spectrum van activiteiten ontwikkeld. Het Masterplan Duitsland/Nachbarland Niederlande is gericht op de Duitse consument. De communicatiecampagne is een publiek privaat samenwerkingsproject. De Meerjarenafspraken energie efficiency (MJA's) tussen overheid en bedrijfsleven zijn gericht op de Nederlandse voedingsmiddelen- en genotmiddelenindustrie. Het project CLIENT is een project gericht op het importerend en exporterend bedrijfsleven, inspectiediensten PD en RVV en de Belastingdienst/Douane met als doel om administratieve en logistieke processen voor grenscontrole's op landbouwgoederen te verbeteren.

Beleidsinstrumenten

Ten behoeve van bilaterale samenwerking is een veelvoud aan instrumenten ingezet. Het betreft hier onder andere instrumenten als seminars, symposia, handelscontactbijeenkomsten, centra van training en technologieoverdracht, workshops, handelsmissies, landbouwwerkgroepen, groepsdeelname aan vakbeurzen en infostands. Ondersteuning voor markttoegang gebeurt door marktanalyses en sectorstudies. Daarnaast vinden met een reeks landen onderhandelingen plaats, vooral over handelsbelemmerende veterinaire en fytosanitaire regelgeving. In het project Nachbarland Niederlande zijn diverse instrumenten ingezet. Belangrijkste projecten zijn de corporate printcampagne, Zeitung in der Schule, bijdrage aan de vakbeurs Grüne Woche etc. Het project wordt in het voorjaar 2003 afgesloten met een CD-rom over de Nederlandse land- en tuinbouw ten behoeve van Duitse journalisten en andere invloedrijke doelgroepen. Op het gebied van Energie zijn Meerjarenafspraken ingezet, waarin specifieke energie efficiencydoelstellingen zijn vastgesteld per sector in de voedingsmiddelen en genotmiddelenindustrie.

04.12 Herstructurering Veehouderij

Ter begeleiding van de herstructurering zijn flankerende maatregelen ontwikkeld onder andere in de vorm van een sociaal economisch plan (SEP) voor de veehouderij en een inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (IOZV). Het doel van het Sociaal Economisch Plan voor de veehouderij (SEP) is om veehouders en hun te begeleiden bij het maken van plannen voor de toekomst van het bedrijf(bedrijfsontwikkeling of bedrijfsbeëindiging), met omscholing en andere hulp bij het vinden van ander werk en inkomen. Aanleiding voor het starten van het SEP was de nieuwe koers die in 2000 in het mestbeleid is ingeslagen om te voldoen aan de eisen van de EU-nitraatrichtlijn. Het jaar 2002 is het laatste jaar van het SEP. Gespreksbijeenkomsten en groepsactiviteiten kunnen nog doorlopen tot in het voorjaar van 2003. In onderstaande tabel is de realisatie van verschillende diensten in 2002 weergegeven.

Diensten SEPaantal
Keuze begeleidingsgesprekken1 849
Advisering2 623
Acceptatie verwerking321
Beëindigingadvies302
Trajecten ander werk228
Traject MKB77
Traject heroriëntatie128

De regeling IOZV biedt aan deelnemers van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken(RBV) een verruiming van de reeds bestaande Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. De deelname IOZV was zeer gering en heeft een beperkte geleverd aan het oplossen van inkomensproblemen bij stoppende veehouders.

Streefwaarden

Landelijk mestoverschotMiljoen kg. Fosfaat
 Streefwaarde 2002Realisatie 2002
Mineralenproductie166162
af: plaatsingsruimte (inclusief export)158158
Resterend overschot84

Toelichting landelijk mestoverschot ultimo 2002: de streefwaarde is gebaseerd op de berekening in 2001. In 2002 is een herberekening uitgevoerd. Volgens de herberekening is er nog een overschot van 4 mln. kg. fosfaat. Desondanks is er thans een goed functionerende mestmarkt ontstaan.

Prestatiegegevens

bedragen in € 1 000
InstrumentBegrotingRealisatie
RBV 1e tranche96 37479 364
Sociaal Economisch Plan/IOZV2 3145 596
Overige uitgaven2 3508 550

De resultaten van de eerste en tweede tranche RBV zijn verwerkt in de berekening van het resterende mestoverschot uit 2002. In het onderstaande overzicht zijn de aanvragen, de verplichtingen en de betalingen t/m 2002 cumulatief weergegeven. Het betreft zowel de 1e als 2e tranche van de RBV. De verplichtingen en uitgaven in het kader van de eerste tranche zijn verantwoord op operationele doelstelling 04.12, van de tweede tranche op operationele doelstelling 05.12.

Stand RBV 1 + 2 per 31–12–2002
Opkoop fosfaatONTVANGEN AANVRAGENVERPLICHTUITBETAALD
 aantal kg fosfaat forfaitair x 1 mlnschatting fosfaatproductie obv normen 2003begrote uitgaven x 1 mln EUROAantal kg fosfaat forfaitair x 1 mlnschatting fosfaatproductie obv normen 2003verplicht x 1  mln EUROaantal kg fosfaat forfaitair x 1 mlnschatting fosfaatproductie obv normen 2003betaald x 1  mln EURO
varkens (*)13,68,2214,411,16,6173,2   
kippen8,06,4124,05,94,791,2   
kip/rund0,00,00,00,10,12,0   
rundvee0,80,812,70,40,46,0   
korting bij doorhaling0,00,00,0– 0,2– 0,1– 2,5   
TOTAAL22,415,4351,117,311,8269,98,75,8143,4
RBV 1e tranche11,17,4183,97,95,3131,37,85,2128,9
RBV 2e tranche11,38,0167,39,46,6138,60,90,614,5
          
(*) in varkensrechten (mln)1,8  1,5     

In het kader van de RBV is voor 22,4 mln kilo forfaitaire fosfaat aan subsidieaanvragen ontvangen. Van de eerste tranche RBV zijn alle aanvragen afgehandeld. Er is voor ca. 7,9 mln kilo forfaitair fosfaat aan aanvragen goedgekeurd. Dit komt overeen met 71% van de aangemelde kilo's fosfaat. De kosten van de 1e tranche zullen daarmee € 131 mln. bedragen. Hiervan is reeds 129 mln euro betaald, waarvan € 79,4 mln in 2002. Voor de RBV2 wordt geschat dat uiteindelijk 85% van de aangemelde 11,3 mln forfaitaire kilo's zullen worden toegewezen en tot uitbetaling zullen komen. De totale kosten van de RBV1 en RBV2 zullen dan 274 mln euro hebben bedragen. De verwachte resultaten van de 1e en 2e tranche RBV (ca 18 mln kg forfaitair en ca. 12 mln kg werkelijk) zijn verdisconteerd in de actualisatie van de mestoverschotberekening ultimo 2002, waarin een verwacht overschot van 3,6 mln kg werkelijk fosfaat is berekend (zie tabel Streefwaarden Landelijk mestoverschot).

Doelgroepen

Veehouderijsector.

Beleidsinstrumenten

– RBV (1e tranche);

– Sociaal-economische plan (SEP);

– Inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (IOZV).

04.13 Herstructurering glastuinbouw

De voor de herstructurering van de glastuinbouw belangrijkste stimuleringsregelingen zijn de Regeling structuurverbetering glastuinbouw (RSG) en de Stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouwgebieden (Stidug). De RSG heeft in 2002 de in de begroting gestelde doelen nagenoeg bereikt. Daarmee blijft het doel om in 2006 op zijn minst 1 000 ha nieuw glas op bestaande bedrijven te hebben gerealiseerd binnen bereik. In 2002 heeft een tweede openstelling van de Stidugregeling plaatsgevonden met een subsidieplafond van € 20 mln. Vijf projecten hebben een aanvraag ingediend. Begin 2003 heeft toekenning van de drie best scorende projecten plaatsgevonden. De Stidug wordt niet ieder jaar opengesteld en kent een meerjarige uitvoeringsperiode. Daarom kan pas over een periode van 4 à 5 jaar een volledig beeld van het verloop van de regeling worden verkregen.

 RSGSTIDUG
Ingediende aanvragen1985
Goedgekeurde aanvragen1270
Ingetrokken en afgewezen aanvragen701
Nog in behandeling14
Aangegane verplichtingen x 1 mln.9,1040
Hectare o.b.v. aangegane verplichtingen2060
Totaal gerealiseerde hectare t/m 2002 (cumulatief) ca. 600 

Gesteld kan worden dat voor beide regelingen een goede belangstelling bestaat en het eindstreefbeeld van de RSG binnen bereik blijft. In de komende jaren kunnen de regelingen op de huidige voet worden voortgezet.

Streefwaarden

1. Economisch en milieutechnisch

In 2002 is van 206 ha glastuinbouw de achterhaalde bedrijfsstructuur verbeterd. In 2001 verbeterde de energie-efficiency van de glastuinbouw met 4 procentpunten, deze is nu 52 ten opzichte van 1980 (=100). Op 1 april 2002 is de nieuwe AMvB glastuinbouw van kracht geworden. De AMvB richt zich op de individuele ondernemer en stelt eisen aan het gebruik van energie, bestrijdingsmiddelen en meststoffen. Met de AMvB wordt gewaarborgd dat de convenantsdoelstellingen voor 2010 worden gerealiseerd. De energie-efficiency verbeterde in 2001 in de bloembollen- en paddestoelensector met 3 en 4 procentpunten en komt daarmee uit op respectievelijk 80 en 88 ten opzichte van 1995 (=100).

2. Ruimtelijke kwaliteit

De Stidugprojecten van de eerste tranche hebben minder voortgang geboekt dan verwacht, vanwege aanloopproblemen bij de opstart van de projecten. Enige verruiming en nadere verduidelijking van de subsidievoorwaarden heeft de projecten kunnen vlottrekken. Er is onder meer ruimte geboden door de termijn waarbinnen de projecten moeten worden opgeleverd met een jaar te verlengen. De verruiming geldt ook voor de projecten van de tweede tranche. In totaal (eerste en tweede tranche samen) worden zes nieuwe glastuinbouwgebieden gerealiseerd met een totale uitgeefbare kaveloppervlakte van 1143 ha, gelegen in een totale planoppervlakte van 1785 ha. De totale toegezegde Stidug-subsidie bedraagt € 50 mln.

Prestaties

Uitgaven Begroting  Realisatie 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000Aantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatiex € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
RSG220 hectare459 98295 hectare454 241
STIDUG150 hectare456 807
Energie, demoregeling en overig  2 128  164
Landinrichtingsprojecten  4 084  4 162

In 2002 is voor de RSG 206 ha aan verplichtingen aangegaan voor een bedrag van € 9,1 mln. De goedgekeurde Stidug-projecten zullen in 2003 worden verplicht. Oplevering van projecten vindt naar verwachting pas vanaf 2004 plaats.

De gerealiseerde Landinrichtingsprojecten hebben betrekking op de Regeling Reconstructie Oude Glastuinbouwgebieden (RROG) € 3,8 mln. waarmee 8 projecten (2 090 hectares) zijn afgesloten en € 0,4 mln. op de Infrastructuurregeling glastuinbouw (IRG).

Doelgroepen

Het herstructureringsbeleid voor de glastuinbouw onderscheidt als doelgroepen de individuele ondernemer (RSG) en het gebiedsniveau (IRG en Stidug). Gemeenten, waterschappen, provincies en tuinbouwbedrijfsleven zijn in het gebied de belangrijkste actoren.

Beleidsinstrumenten

Subsidies: RSG, Stidug, IRG, Demoregeling (energietender). Regelgeving: AMvB Glastuinbouw per 1–4-2002. Als gevolg van vertraging in het regelgevingstraject is deze AMvB drie maanden later dan voorzien in werking getreden.

04.14 Herstructurering visserij

In 2002 is het visserijbeleid gericht geweest op bevordering van een vitale en duurzame visserij.

Streefwaarden

In 2002 heeft Nederland succesvol een combinatie van sanering en het zeedagensysteem toegepast. De aan de boomkorvloot toegewezen quota (m.n. tong en schol) zijn hierdoor niet overschreden. Door de sanering van 7 000 brutoton droeg Nederland bij aan de door de Europese Commissie opgelegde doelstelling in het kader van het Meerjarig Oriëntatieprogramma IV. Bij het zeedagensysteem wordt de visser een bepaald aantal dagen op zee toegekend op grond van de relatie met het samenstel aan quota. Dit systeem is zo succesvol gebleken dat de Raad van Ministers voor de Visserij het als instrument opgenomen heeft in de herstelplannen voor bedreigde bestanden.

Prestatiegegevens

 (bedragen in € 1 000)
InstrumentBegrotingRealisatie
1 Vlootstructuurbeleid10 89110 889
2 Technische maatregelen en onderzoek1 361839
3 Samenwerkingsovereenkomst1 3612 847

De in bovenstaande toelichting genoemde 7 000 brutoton (bt) was het resultaat van 2 saneringstranches in 2002. De eerste tranche van 3 935 bt is voor een bedrag van € 10,9 mln. in 2002 volledig uitbetaald. De tweede tranche van 3 000 bt voor een bedrag van € 9,1 mln, zal in 2003 tot uitbetaling komen. De ontwikkeling van de elektrische pulsekor heeft in 2002 vertraging opgelopen als gevolg van technische problemen. In het kader van de samenwerkingsovereenkomst met Mauritanië zijn in 2002 hogere uitgaven gedaan dan oorspronkelijk geraamd. Dit heeft overigens geen gevolgen voor de omvang van de totale kosten van het Mauritanië-project.

Doelgroepen

Schipper-eigenaren, reders en opvarenden van vissersschepen

Beleidsinstrumenten

– Vlootstructuurbeleid/regulering vangstmogelijkheden: In 2002 zijn twee beleidsinstrumenten ingezet in het kader van het scheppen van evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden, te weten sanering (het permanent onttrekken van scheepscapaciteit uit de vloot) en zeedagenregeling (het toekennen van een bepaald aantal zeedagen per vissersvaartuig per jaar);

– Technische maatregelen en onderzoek: In nauw overleg met het visserijbedrijfsleven zijn verdere stappen gezet op het gebied van de ontwikkeling van de pulsekor;

– Binnen het kader van de met Mauritanië gesloten samenwerkingsovereenkomst, heeft een deel van de Nederlandse trawlervloot in de wateren van dat land kunnen vissen.

Budgettaire gevolgen van beleid

(Bedragen in € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
VERPLICHTINGEN110 081178 031– 67 950
UITGAVEN178 732187 390– 8 658
Programma-uitgaven127 680146 772– 19 092
0411 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex11 0289 1201 908
0412 Herstructurering Veehouderij93 510101 038– 7 528
0413 Herstructurering glastuinbouw en duurzaam gebruik energie8 56723 001– 14 434
0414 Herstructurering visserij14 57513 613962
    
Apparaatsuitgaven51 05240 61810 434
U0421 Apparaat23 50820 4923 016
U0422 Baten-lastendienst27 54420 1277 418
    
Ontvangsten118 26570 66647 599

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

In de begroting 2002 waren de verplichtingen en de uitgaven geraamd voor zowel de 1e als de 2e tranche van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). Op dit artikel zijn in 2002 uiteindelijk de uitgaven in het kader van de 1e tranche verantwoord en op artikel 5 de verplichtingen en uitgaven in het kader van de 2e tranche.

Daarnaast zijn er in 2002 geen verplichtingen aangegaan in het kader van de Stimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden (Stidug). Als gevolg van het feit dat de Regeling structuurverbetering glastuinbouw (RSG) in 2001 niet is opengesteld zijn er ook minder uitgaven in 2002 gedaan.

De hogere apparaatskosten zijn voornamelijk veroorzaakt door hogere uitvoeringskosten bij de baten-lastendiensten LASER en Bureau Heffingen.

In 2002 zijn meer middelen benodigd voor het mestbeleid en voor de financiering van maatregelen uit hoofde van de brandstofcompensatie dan geraamd. Deze middelen zijn vanuit het O&S-fonds voor de Landbouw ter beschikking gesteld en op dit artikel verantwoord.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen in € 1 000
  Begroting  Realisatie 
 Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaalGemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel DLG4,046,41858,047,2377
Personeel DL41,054,92 24944,357,92 565
Personeel I&H32,851,21 68041,160,12 471
Personeel AID262,845,411 923236,248,411 433
Materieel  4 416  5 952
Overig apparaat  39  710
Bijdrage aan Bureau Heffingen  16 131  17 825
Bijdrage aan LASER  3 995  9 719
       
Totaal apparaatsuitgaven  40 618  51 052

De (hogere) bijdrage 2002 aan Bureau Heffingen heeft betrekking op uitvoeringslasten van het mestbeleid (Minas, mestafzetovereen-komsten en mestproductierechten). De hogere bijdrage 2002 aan LASER is het gevolg van de uitvoering van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken en het project Gemeenschappelijke Data Inwinning(GDI).

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen in € 1 000
 BegrotingRealisatie
Ontrekking O&S-fonds mestbeleid o.a. RBV68 975108 082
Overige ontvangsten1 69110 183

De (hogere) ontvangsten op dit artikel betreffen voornamelijk de middelen die vanuit het O&S-fonds ter beschikking zijn gesteld voor uitgaven in het kader van het mestbeleid (w.o. de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken en Sociaal Economisch Plan(SEP) voor de veehouderij) en voor de financiering van maatregelen uit hoofde van de brandstofcompensatie (Regeling Reconstructie Oude Glastuinbouwgebieden en de Infrastructuurregeling Glastuinbouw).

Bevorderen duurzame productie (05)

Algemene doelstelling is de bevordering van duurzame productie door sectoren in de land-, tuinbouw en visserij. Voor de laatstgenoemde sector betekent dit specifiek het bevorderen van een visserij die rekening houdt met de draagkracht van het ecosysteem in het water.

De productiesectoren staan voor een forse opgave om te kunnen voldoen aan de verwachtingen van de samenleving ten aanzien van het product en productiewijze. Deze verwachtingen – bijvoorbeeld ten aanzien van voedselveligheid, dierenwelzijn, natuur en milieu – ontwikkelen zich snel en vormen de «licence to produce» voor het bedrijfsleven. Het is primair aan het bedrijfsleven zelf om daarop in te spelen en «tekorten» tussen dat wat de samenleving verlangt en dat wat het bedrijfsleven biedt weg te werken.

De overheid ondersteunt dit proces door enerzijds heldere randvoorwaarden te stellen en anderzijds ontwikkelingen in de richting van duurzame productie te stimuleren. Dit in samenhang met de bevordering van herstructurering onder beleidsartikel 4, die uiteraard ook bijdraagt aan duurzame productie.

Grafiek 7: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaat.kst-28880-30-9.gif

05.11 Bevorderen biologische landbouw

De Regeling Stimulering Biologische Productiemethoden (RSBP) is in 2002 conform de Beleidsnota Biologische Landbouw 2001–2004 eenmaal opengesteld. Voor dit jaar was € 4,5 miljoen beschikbaar en was het vergoedingspercentage voor de omschakelingspremie vastgesteld op 65 procent van de inkomstenderving. Er zijn 156 aanvragen ingediend waarvan er eind 2002 102 zijn goedgekeurd. Met de openstelling in 2002 wordt 2782 ha gerealiseerd. Naar aanleiding van de tweede openstelling in 2001, waarvan de resultaten nog niet waren opgenomen in de verantwoording over 2001, werden 61 aanvragen goedgekeurd voor 1715 ha.

Varkenshouders die in ketenverband omschakelen naar de biologische varkenshouderij kunnen gebruik maken van Investeringsregeling Biologische Varkenshouderij (IBV). De Minister ondersteunt met deze regeling de ketenafspraken die door een aantal ketenpartijen zijn gemaakt om de afzet van biologisch varkensvlees marktconform op te schalen. De regeling is voor de eerste keer opengesteld van 11 december 2001 tot 31 januari 2002.

Tenslotte is in september 2002 de mediacampagne «Biologisch, eigenlijk heel logisch» van start gegaan. Deze campagne loopt tot en met 2004.

Streefwaarden

OmschrijvingStreefwaarde 2002Realisatie 2002
Groei in ha6 600- 9 0004 884*
Groei in aantal bedrijven350–47550*
Groei RSBP in ha7 3004 497**

Het LEI heeft in samenwerking met derden een monitoringssysteem opgezet. Naast gegevens over het aantal hectares en het aantal bedrijven zal de monitoring van de door de convenantpartijen overeengekomen ambitie van 5% in 2004 hier deel van uitmaken. Deze EKO-monitor is sinds begin 2003 volledig operationeel.

* bron: LEI i.s.m. Stichting Skal.

** bron: LASER. Dit betreft de 2e openstelling 2001 en de openstelling 2002.

De biologische landbouw in Nederland groeit. Het areaal beschikbaar voor land- en tuinbouw loopt in Nederland langzaam terug maar het areaal waarop biologisch wordt geteeld is met bijna 4900 hectare toegenomen. Als streefwaarde voor groei in hectare is gerekend met de ambitie 10% biologisch areaal in 2010. Uitgaande van de situatie in 2001 betekent dit jaarlijks een groei met 20 tot 25%. Gerealiseerd is een toename van 12,9% ten opzichte van 2001. De streefwaarde 2002 is daarmee niet gehaald. Voor het aantal bedrijven is de streefwaarde voor de groei in hectare vertaald in de groei in het aantal bedrijven. Een groei van 20 tot 25% zou voor 2002 betekenen 350 tot 475 nieuwe bedrijven. Er hebben zich in 2002 50 nieuwe bedrijven bij Stichting Skal, de controlerende en certificerende instantie in de biologische landbouw, aangesloten.

Prestatiegegevens

 BegrotingRealisatieRealisatie
InstrumentTotaal x € 1 000Uitgaven Totaal x € 1 000Verplichtingen Totaal x € 1 000
Professionalisering van de ketens1 2591 5873 765
RSBP6 5414 1142 688
Garantstelling/IBV2 2693 070
Publieksvoorlichting7261 6324 328
Platform biologica408368460
Kwaliteitszorg354558

De verplichtingen in het kader van de RSBP hebben betrekking op de 2e openstelling 2001 alsmede de in 2002 goedgekeurde aanvragen uit de openstelling 2002.

De Investeringsregeling Biologische Varkenshouderij (IBV) ondersteunt varkenshouders die omschakelen naar biologische varkenshouderij voor de extra kosten van omschakeling, zoals voor de bouw van onroerende zaken, voor machines en apparatuur. Deze investeringsregeling is in de plaats gekomen van de eerder aangekondigde garantieregeling, die niet haalbaar bleek in Europees verband. In het kader van de Investeringsregeling Biologische Varkenshouderij zijn in totaal 29 aanvragen goedgekeurd.

De uitgaven en verplichtingen binnen het instrument publieksvoorlichting betreffen de mediacampagne «biologisch, eigenlijk heel logisch».

Op onderdeel Kwaliteitszorg zijn in 2002 geen verplichtingen meer aangegaan. De uitgaven hebben betrekking op de uitfinanciering van de demoregeling kwaliteitszorg biologische producten uit het oude Plan van Aanpak.

Doelgroepen

Het beleid was gericht op marktpartijen die (willen) deelnemen aan afzetketens voor biologische ketens. Onderverdeeld waren dit:

– Primaire producenten;

– Bedrijven actief in verwerking en afzet;

– Detailhandel;

– Consumenten;

– Onderzoeksinstellingen;

– Overkoepelende organisaties voor belangenbehartiging.

Beleidsinstrumenten

De volgende instrumenten zijn in het kader van deze operationele doelstelling ingezet:

– Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw;

– Opzet EKO-monitor;

– Regeling Stimulering Biologische Productiemethoden (RSBP);

– Investeringsregeling Biologische Varkenshouderij (IBV);

– Publieksvoorlichting;

– Subsidie Platform Biologica.

05.12 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen

De doelstelling is het bereiken van een duurzame landbouw binnen de milieurandvoorwaarden (kwaliteitsnormen grond- en oppervlaktewater). De evaluatie Meststoffenwet 2002 heeft aangetoond dat het doel van de Nitraatrichtlijn (50mg/l nitraat in het grondwater) in zandgebieden wel naderbij komt, maar nog niet is bereikt. Het NMP noemt een daling over de periode 1999–2000 van 150 naar 125 mg/l. Voor kleigronden varieert het nitraatgehalte in het grondwater rond de 50 mg/l of lager. In veengebieden bevinden de nitraatgehalten zich ruim onder de 50 mg/l. Voor het oppervlaktewater hebben de inspanningen op mestgebied nog niet geleid tot substantiële vermindering van de uit- en afspoeling van fosfaat en stikstof.

Het ingezette mestbeleid heeft geresulteerd in een duidelijke verbetering van het milieu, maar de milieudoelen van grond- en oppervlaktewater zijn nog niet binnen handbereik.

Met de huidige stelsels MINAS en MAO zijn boeren beter in staat het mineralenmanagement van hun bedrijf te optimaliseren. Als gevolg van administratieve lastendruk en het MINAS-gat staat met name het huidige MINAS-stelsel sterk onder druk. Het MINAS-gat ontstaat als bedrijven een MINAS-heffing moeten betalen, terwijl alle mest van het bedrijf is afgevoerd.

In 2002 zijn ca. 40 000 mestafzetovereenkomsten afgesloten. Mestleveranciers nemen hiervan ca. 30 000 voor hun rekening. Ruim de helft daarvan zijn boer-boer contracten. De overige contracten zijn gesloten met tussenpersonen en mestverwerkers en exporteurs. Tussenpersonen hebben ruim 9 000 contracten gesloten met mestafnemers. Dit betekent dat mestproducenten ruim 95 miljoen kg stikstof contractueel konden leveren. Afnemende landbouwers hebben zich voor ruim 86 miljoen kg stikstof vastgelegd (acceptatieplicht). Mestverwerkers en exporteurs hebben bijna 24 miljoen kg stikstof gecontracteerd (als afnemer).

Zowel de huidige politieke en maatschappelijke druk als de druk vanuit de Europese Commissie (derogatie) en de uitspraak van het Europese Hof zal het toekomstige mestbeleid sterk beïnvloeden. In de begroting 2002 was de evaluatie van het programma nitraatprojecten opgenomen. Begin 2003 is deze evaluatie afgerond. De Kamer is over de resultaten separaat geïnformeerd. De gepresenteerde gegevens zijn afkomstig van Bureau Heffingen en het evaluatieonderzoek van het RIVM (MINAS en Milieu).

Streefwaarden

OmschrijvingStreefwaarde 2002Realisatie 2002
Aantal bedrijven met overschrijding van de verliesnormen0p.m.*

* Conform de systematiek van MINAS hoeven bedrijven pas op 1 september 2003 hun mineralenaangifte over 2002 bij Bureau Heffingen in te dienen. Daarom zal uiterlijk begin 2004 bekend zijn in hoeverre de streefwaarde 2002 is gerealiseerd.

Prestatiegegevens

bedragen in € 1 000

InstrumentBegrotingRealisatie
Duurzame landbouw6 80716
Uitfinanciering oude regelingen Stimuleringskader7 06720 849
Kennisontwikkeling5 102
RBV 2e tranche14 489

In het kader van Duurzame landbouw hebben activiteiten plaatsgevonden op het terrein van de uitvoering van het Langman-akkoord (vernieuwing en versterking van de landbouw in Noord-Nederland), de opzet van een Human Resource Revolving Fund en de demoregeling Duurzame Landbouw. Deze activiteiten hebben in 2002 nog niet tot betalingen geleid en zullen vanaf 2003 tot uitgaven leiden. De afgelopen jaren is sprake geweest van onderuitputting op de oude stimuleringskaderregelingen als gevolg van vertragingen in de uitfinanciering. Hierdoor kwamen in 2002 veel regelingen tot uitbetaling. In het kader van de Nitraatgelden, onderdeel Kennisontwikkeling- en Verspreiding is € 5 mln. uitgegeven voor de uitvoering van nitraatprojecten.

In het kader van de 2e tranche van de RBV-regeling is € 14,5 mln. uitgegeven. Deze middelen zijn ter beschikking gesteld vanuit het O&S-fonds voor de Landbouw.

Doelgroepen

De doelgroepen waarop het beleid van toepassing is bestaan uit mestproducenten (veehouderijen), mestafnemers (akkerbouwbedrijven) en intermediairs, mestverwerkers en exporteurs van mest.

Beleidsinstrumenten

– Mestafzetovereenkomsten;

– Mineralenheffing (MINAS): 2,5 miljoen betaald;

– Kennisontwikkeling en -verspreiding;

– RBV (2e tranche).

05.13 Vermindering milieubelasting door gewasbescherming

Vanwege het geringe draagvlak bij de sector zijn in 2002 geen bedrijven gecertificeerd. Heroverweging over de gewenste rol van de overheid inzake betrokkenheid bij certificering heeft er toe geleid dat de ontwikkeling van een overheidskader voor certificering in de loop van 2002 is gestaakt. Voorzien waren uitgaven voor projecten die tot doel hebben telers te stimuleren gewasbeschermingsplannen op te stellen. Vertraging in de uitvoering van Zicht op gezonde teelt heeft er toe geleid dat voor dit doel geen uitgaven konden worden gedaan. Het betreffende budget is daardoor maar ten dele benut.

Streefwaarden

Als gevolg van bovenstaande zijn in 2002 zijn geen bedrijven gecertificeerd. Bij de opstelling van de begroting was uitgegaan van 6000 bedrijven.

Prestatiegegevens

  Begroting  Realisatie 
InstrumentPrestatiesPrijs per prestatieTotaal x € 1 000PrestatiesPrijs per prestatieTotaal x € 1 000
1 Aanpassing kennisbeleid/monitoring evaluatie  2 657  1 163
2 Fonds kleine toepassingen40 aanvragen€ 17 017681
3 Toelatingsbeleid GNO's 10 aanvragen€ 113 4451 1342 aanvragen€34 00068
4 Handhaving (intensivering controles)  908  
5 KCB werkzaamheden  272  182
6 CTB    3 135

In de ontwikkeling van een voorstel voor monitoring van ziekten en plagen is vertraging ontstaan. Aan de ontwikkeling van instrumenten voor de monitoring van milieubelasting zijn wel middelen besteed. Additioneel zijn uitgaven gedaan die o.m. als doel hadden beter inzicht te krijgen in knelpunten in de beschikbaarheid van middelen, advies over herijking van het fytosanitair beleid, de uitvoering van fytosanitair beleid en de afwikkeling van uiteenlopende financiële verplichtingen uit 2001.

Aan het Fonds Kleine Toepassingen dient voor 50 % te worden bijgedragen door het landbouwbedrijfsleven. Omdat die bijdrage eerst in december is verleend, konden geen aanvragen in behandeling worden genomen. Er zijn derhalve geen uitgaven gedaan.

In 2002 is tijd besteed aan oplossing van knelpunten. Derhalve was geen capaciteit beschikbaar om een toetsingskader te ontwikkelen voor de beoordeling van aanvragen voor Gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong (GNO's). De gerealiseerde uitgaven betreffen twee projecten die ondersteunend zijn aan het doel meer toelatingen te kunnen krijgen voor GNO's.

Voorzien was een aantal extra fte's in te zetten voor intensivering van de controle, o.m. in het kader van certificering. Heroverweging over de gewenste rol van de overheid inzake betrokkenheid bij certificering heeft er toe geleid dat niet reeds in 2002 is voorzien in uitbreiding van de capaciteit bij de AID. Voor handhaving(intensivering controles) in dit kader zijn derhalve geen uitgaven gedaan.

Tenslotte is een bijdrage verstrekt aan het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB), bestaande uit de reguliere financiering (€ 1,4 mln.) en het inhalen van achterstanden bij het CTB (€ 1,7 mln.). Er wordt € 1,1 mln. bijgedragen door de ministeries van SZW, VROM en VWS.

Doelgroepen

Het beleid dat ziet op het stimuleren van geïntegreerde gewasbescherming heeft telers als doelgroep.

Beleidsinstrumenten

Buiten de regelgeving inzake toelating en lozingen worden de volgende instrumenten ingezet om de milieubelasting terug te dringen:

– initiatieven die er toe bijdragen dat middelen beschikbaar komen die het milieu minder belasten of die de mogelijkheden voor toepassing van geïntegreerde gewasbescherming kunnen vergroten;

– handhaving.

05.14 Verbeteren dierenwelzijn

In 2002 is het Honden- en Kattenbesluit in werking getreden. Hiermee samenhangend is een systeem opgezet waarin de benodigde registraties voortvloeiend uit het Honden- en Kattenbesluit zijn opgenomen. Daarnaast zijn middelen besteed aan (internationale) bijeenkomsten ter bevordering van dierenwelzijn, bijv. over het thema castratie en zijn enkele voorlichtingsactiviteiten georganiseerd.

In 2002 is de Regeling Zeldzame Landbouwhuisdieren voor de 2e keer opengesteld. Deze regeling kent een werkingsduur van 5 jaar. De uitgaven 2002 hebben bestrekking op de 1e openstelling.

Prestatiegegevens

InstrumentBegrotingRealisatie
1 Diverse regelingen7901 128
2 Bijdrage aan Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming182182
3 In Beslaggenomen Goederen (IBG)408675

De uitgaven onder diverse regelingen betreffen de 1e opstelling van de Regeling Zeldzame huisdieren en de uitvoering van het Honden- en Kattenbesluit. In het kader van de Regeling In Beslaggenomen Goederen (IBG) is € 0,7 mln. uitgegeven. Dit betreft een open-einde regeling d.w.z. dat alle onder de werkingssfeer van deze regeling vallende in beslag genomen goederen, moeten worden afgehandeld.

Doelgroepen

Dierhouders, consumenten, maatschappelijke organisatie, bedrijfsleven.

Beleidsinstrumenten

– Dierenwelzijn: beperkte inzet van instrumenten i.v.m. het uit uitblijven van concrete acties in het kader van de nota dierenwelzijn. Instrumenten die zijn ingezet zijn regelgeving, voorlichting en onderzoek (via ander budget)

– Subsidie aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming

05.15 Ecologisch duurzame visserij

In 2002 zijn verscheidene instrumenten ingezet om te komen tot een verantwoorde zeevisserij, een beheerste schelpdiervisserij en integraal vissstandbeheer

Streefwaarden

Zeevisserij

Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Aantal effectieve zeedagen patrouillevaartuig Barend Biesheuvel200158
2 De ontwikkeling van een prototype van een vermogensmeterafgerondafgerond

Het verschil tussen de realisatie van het aantal effectieve zeedagen van het patrouillevaartuig Barend Biesheuvel en de geplande streefwaarde, wordt onder andere veroorzaakt door uitval wegens technische problemen (15 dagen), trainingen (10 dagen) en meteorologische omstandigheden (13 dagen). Bij slechte weersomstandigheden is het niet mogelijk om controleurs over te zetten op een vissersvaartuig. De Barend Biesheuvel is tijdens deze dagen in de haven standbye geweest ten behoeve van Search- en Rescue-acties in Kustwachtkader. Twee fabrikanten hebben een prototype van een fraudebestendige vermogensmeter geleverd. Eén prototype is in 2002 door TNO getest; de test van het tweede prototype zal medio 2003 worden afgerond. Uit de test van het eerste prototype bleek dat het product op een aantal punten afweek van de ontwerpeisen. Met de fabrikant vindt overleg plaats over mogelijke aanpassing van het prototype of aanpassing van de ontwerpeisen.

Kustvisserij

Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Reservering hoeveelheid kokkelvlees op de platen in de Oosterschelde4,1 mln. kg1,9 mln. kg
2 Reservering hoeveelheid schelpdiervlees op de platen in de Waddenzee10 mln. kg>10 mln. kg
3 Reservering mosselen, kokkels en spisula in het sublitoraal van de Waddenzee en de Noordzee kustzone8,6 mln. kg>8,6 mln. kg

De reserveringen vormen criteria op basis waarvan besloten wordt om een visserij al of niet open te stellen. In 2002 is het beleid van voedselreservering voor vogels conform de daarvoor geldende afspraken uitgevoerd. In de Oosterschelde was minder dan de grenswaarde van 4,1 mln. kg kokkels aanwezig. Teneinde de aanwezige voorraad te reserveren als voedsel voor vogels, is geen vergunning verleend voor de kokkelvisserij in de Oosterschelde. In de Waddenzee is wel vergunning verleend voor de mechanische kokkelvisserij in de open gebieden. Voorts is – omdat dit na zorgvuldig overleg met betrokken partijen voordelen bleek te bieden voor natuur en visserij – een deel van de kokkelvisserij in 2002 eenmalig uitgevoerd in twee voorheen tijdelijk gesloten gebieden. Geen vergunning is verleend voor de najaarsmosselzaadvisserij op de platen. De reden hiervan was dat het mosselzaad alleen in de vorm van mosselbanken op de platen aanwezig was en de omvang van deze banken minder groot was dan de beoogde 2000 hectare, De mosselvissers hebben wel toestemming gekregen om het in het sublitoraal aanwezige zaad op te vissen en te verplaatsen naar de percelen.

Binnenvisserij

Het is in 2002 niet gelukt de verantwoordelijkheid voor het beheer van de visstand via visstandbeheerscommissies neer te leggen bij de beroepsvisserij, sportvisserij en andere betrokkenen. De reden hiervoor is dat er tussen beroeps- en sportvisserij nog geen overeenstemming bereikt kon worden over de economische benutting van schubvis.

Prestatiegegevens Ecologisch Duurzame Visserij

(Bedragen x € 1 000)
InstrumentBegrotingRealisatie
1 Onderzoek/evaluaties/controle600335
2 Co-management/integraal visstandbeheer136112

In 2002 hebben evaluaties plaatsgevonden van de Structuurnota Zee- en Kustvisserij en het beleid voor vaste vistuigen. De resultaten van de evaluaties zijn in december 2002 verzonden aan de Tweede Kamer.

In december 2002 is ook een Beleidsbrief Schelpdiervisserij Noordzee aan de Kamer verzonden. De hierin aangekondigde maatregelen, gericht op het terugdringen van het aantal vergunninghouders, zullen in 2003 worden vormgegeven. De Stuurgroep Nijpels heeft in 2002 analyses uitgevoerd over de werking van het huidige co-managementsysteem en de mogelijkheden tot verbreding ervan. In 2003 zal hierover besluitvorming plaatsvinden.

Doelgroepen

Visserijbedrijfsleven en zijn organisaties, sportvissers en hun organisaties, VBC's (visstandbeheerscommissies), niet-gouvernementele organisaties

Beleidsinstrumenten

– Onderzoek en evaluaties: onderzoek levert indicatoren voor het behoud en herstel van visbestanden en zoekt alternatieven ter vergroting van de selectiviteit van de visserij. Op basis van bestandsopnamen is inzicht verkregen in de omvang van bestanden en – na aftrek van de voedselbehoefte van vogels – in de hoeveelheid schelpdieren die voor de visserij beschikbaar was. Tevens heeft onderzoek plaatsgevonden naar de effecten van visserij op bijvoorbeeld vogelpopulaties;

– Controle: door de Algemene Inspectiedienst zijn controles uitgevoerd om vast te stellen of de wet en regelgeving wordt nageleefd. In 2002 heeft een intensivering plaatsgevonden van de controle op zee met behulp van het speciaal voor dit doel gebouwde patrouillevaartuig, de Barend Biesheuvel;

– Co-management en integraal visstandbeheer: door een verder uit te bouwen systeem van co-management wordt de visserijsector meer betrokken bij de uitvoering van zowel het Europese als het Nederlandse visserijbeleid;

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in € 1 000
 RealisatieVastgestelde begroting*Verschil
VERPLICHTINGEN266 206124 223141 983
UITGAVEN151 326117 65833 668
Programma-uitgaven55 69540 69914 996
U0511 Bevorderen biologische landbouw8 25911 557– 3 298
U0512 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen40 45621 37419 082
U0513 Vermindering milieubelasting door gewasbescherming4 5485 652– 1 104
U0514 Verbeteren dierenwelzijn1 9851 380605
U0515 Ecologische duurzame visserij447736– 289
    
Apparaatsuitgaven95 63176 95918 672
U0521 Apparaat36 49831 4875 011
U0522 Baten-lastendienst59 13345 47213 661
    
Ontvangsten47 67729 73317 944

* In de stand vastgestelde begroting is het amendement nr. 42 (van der Vlies) op de begroting 2002 van LNV verwerkt. Hiertoe is ten opzichte van de oorspronkelijk ingediende begroting het bedrag op doelstelling 05.12 met € 7,5 mln. verhoogd en de ontvangstenbegroting met € 3.75 mln.

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

De hogere verplichtingen en programma-uitgaven hebben grotendeels te maken met de 2e openstelling van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). De verplichtingen hiervoor stonden deels geraamd op artikel 04. De hogere apparaatsuitgaven zijn voornamelijk veroorzaakt door hogere uitvoeringskosten voor projecten en regelingen bij de baten-lastendiensten LASER, Plantenziektenkundige Dienst en Bureau Heffingen en hogere apparaatsuitgaven bij de directie Visserij.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

Bedragen in € 1 000
 Begroting  Realisatie  
 Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaalGemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel DL41,054,92 24943,657,92 526
Personeel Visserij69,961,44 289110,551,65 700
Personeel AID351,745,415 959336,348,416 275
Materieel  8 444  11 202
Overig apparaat  547  795
Bijdrage aan Bureau Heffingen  29 739  32 944
Bijdrage aan de Plantenziek-tenkundige Dienst  11 861  15 557
Bijdrage aan LASER  3 871  10 632
       
Totaal apparaatsuitgaven  76 959  95 631

De (hogere) bijdrage 2002 aan Bureau Heffingen heeft betrekking op uitvoeringslasten van het mestbeleid (Minas, mestafzetovereen-komsten en mestproductierechten). De hogere bijdrage 2002 aan LASER betreft voornamelijk de uitvoering van het project Gemeenschappelijke Data Inwinning. De LNV-bijdrage 2002 aan de PD is € 1 mln. hoger dan de opbrengst moederdepartement in de verantwoording van de Plantenziektenkundige Dienst. De oorzaak hiervan is dat de uitvoering van de 2e fase van het project Controles op Landbouwgoederen bij Import en Export naar een Nieuwe Toekomst (CLIENT) pas in 2003 is uitgevoerd. Voorts was bij de Plantenziektenkundige dienst sprake van kosten als gevolg van geleden waterschade in het gebouw waarin de PD is gehuisvest en tegenvallende inkomsten, waardoor de bijdrage aan de PD hoger is uitgevallen. De hogere apparaatsuitgaven bij de directie Visserij hebben betrekking op de aanpassing van het Visserij Registratie en -Informatiesysteem Viris en de hogere uitgaven voor de rederij, met name voor het patrouillevaartuig Barend Biesheuvel.

Toelichting op de ontvangsten

Bedragen in € 1 000
 BegrotingRealisatie
Mineralenheffing7 2607 674
EU-ontvangsten12 02510 469
Overige ontvangsten6 69829 534

De overige ontvangsten betreffen de middelen die vanuit het O&S-fonds ter beschikking zijn gesteld voor de uitfinanciering van de 2e tranche Regeling Beëindiging Veehouderijtakken, de uitvoering van nitraatprojecten en de uitgaven van het CTB, welke hoger zijn uitgevallen dan oorspronkelijk geraamd. Daarnaast waren er ontvangsten uit hoofde van vergunningverlening en verhuur van percelen en visrechten.

Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid (06)

Dit artikel betreft borging van de voedselveiligheid, stimulering van de voedselkwaliteit en verbetering van de diergezondheid. De centrale doelstelling van het overheidsbeleid is dat de consument erop kan vertrouwen dat voedsel voldoet aan hoge eisen op het gebied van veiligheid en kwaliteit. Overheid, producenten en consumenten hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheid.

Het ministerie van LNV stelt zich ten doel dat in de eerste plaats de consument erop kan vertrouwen dat voedsel voldoet aan hoge eisen op het gebied van veiligheid en kwaliteit en dat in de tweede plaats de veiligheid van dierlijke producten groot is, het gezondheidsniveau van de Nederlandse veestapel verder wordt verhoogd en dierziekten worden voorkomen en effectief bestreden.

In 2002 is de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) opgericht. In samenwerking met VWS heeft LNV richting gegeven aan de taken waarmee de VWA is belast. Over dit takenpakket is in de loop van 2002 duidelijkheid en overeenstemming bereikt. De VWA heeft enerzijds de taak om middels het houden van toezicht in de keten de veiligheid van het voedsel te inspecteren en om anderzijds de overheid van advies te dienen over maatregelen die die veiligheid nog verder kunnen verbeteren.

De verantwoordelijkheid van agrarische ondernemers voor de veiligheid van hun dieren en de producten die ze voortbrengen, is gebleken uit de MPA-crisis. Het met MPA vervuilde veevoer dat via enkele schakels wijd verbreid werd in de varkenssector van Nederland, toonde aan hoe belangrijk het is dat het bedrijfsleven zich zo gedraagt en organiseert dat dit soort incidenten niet meer optreedt. Bij het bedwingen van deze crisis heeft LNV er dan ook voor gewaakt om alle verantwoordelijkheid naar zich toe te trekken. Het bedrijfsleven is nadrukkelijk op haar verantwoordelijkheden aangesproken en is door LNV gestimuleerd eigen maatregelen te nemen. Met deze maatregelen heeft de Nederlandse overheid vervolgens de Europese Commissie kunnen overtuigen van de effectiviteit van de aanpak en is een dreigende exportstop afgewend.

Een belangrijke stap op weg naar een duurzaam hoog gezondheidsniveau in de Nederlandse veestapel is in 2002 gezet door de implementatie van de hygiëne- en verzamelregelgeving op het terrein van het houden en transporteren van levende dieren. Ook hier blijkt de eigen verantwoordelijkheid van veehouders cruciaal. De inzet van LNV en de onder haar ressorterende uitvoerende diensten is in 2002 gericht geweest op de zorgvuldige implementatie van deze regels en de monitoring van de naleving er van.

Grafiek 8: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaatkst-28880-30-10.gif

06.11 Bewaking en verhoging van het diergezondheidsniveau en effectieve bestrijding van dierziekten

Het diergezondheidsniveau van de Nederlandse veestapel ligt relatief hoog. Om dit te behouden dan wel te verhogen is mede naar aanleiding van de MKZ-crisis een pakket van maatregelen opgesteld dat van toepassing is op zowel de binnenlandse, als op de buitenlandse handel in levende dieren. Enerzijds heeft dit geleid tot een stelsel van ge- en verboden, dat een solide basis biedt ter preventie van insleep van dierziekten, anderzijds is de nalevingsgraad laag gebleken. Dit heeft eind 2002 geleid tot het voorbereiden van een traject dat gericht is op de ontwikkeling van preventiebeleid dat zich kenmerkt door een gevarieerde inzet van instrumenten, dat zo min mogelijk steunt op ge- en verboden en dat kan rekenen op een breed draagvlak in de sector. Naar aanleiding van de MKZ-crisis van 2001 is het non-vaccinatiebeleid in EU-verband geagendeerd. Nieuwe voorstellen geënt op de Nederlandse aanpak zijn aangenomen. Deze voorstellen, het gebruik van noodvaccinatie, zullen in 2003 in de MKZ richtlijn worden opgenomen, waarna de implementatie in draaiboeken zal plaats vinden.

Streefwaarden

De volgende kwalitatieve streefwaarden waren in de begroting 2002 opgenomen:

– In 2002 functioneert een (rudimentair) opgezet I&R-systeem voor schapen en geiten en wordt gestart met de optimalisatie van het bestaande I&R-systemen voor runderen en varkens. De periode daarna zal het I&R-systeem voor schapen en geiten verder vorm worden gegeven.

– EU «dierziektevrij» status: uitbreiden tot de aujeszky-vrije status.

– Het verminderen van de incidentie van para-tbc.

– In Nederland worden de voorschriften voor reiniging en ontsmetting nageleefd, zowel op primaire bedrijven als op verzamelplaatsen voor dieren.

– Voorkomen en/of opheffen van handelsbelemmeringen als gevolg van dierziekte-uitbraken.

Realisatie

Opzetten I&R-systemen:

Er is een functionerend I&R-systeem voor schapen & geiten opgezet, geënt op de minimale Brusselse eisen. Het bestaande I&R-systeem voor runderen en varkens heeft een aantal verbeteringsslagen ondergaan. Doelbereiking en doeltreffendheid hiervan kan pas in de loop van 2003 worden vastgesteld. Er is een project gestart (1/1/03) voor verbetermaatregelen voor het I&R systeem schapen en geiten. Dit project anticipeert op de door Brussel uit te brengen nieuwe verordening m.b.t. I&R schapen en geiten. Naar aanleiding hiervan zijn verbetermaatregelen voor I&R schapen en geiten voorgesteld. Een plan van aanpak hiervoor wordt opgesteld.

Verhogen EU-dierziektestatus:

Beoogd werd de artikel 9-status te bereiken m.b.t. de ziekte van Aujeszky. Dit houdt in dat een door de EU goedgekeurd bestrijdingsplan wordt uitgevoerd en dat van de betreffende Lidstaat garanties mogen worden verlangd ingeval van import waardoor de Aujeszky vrije status wordt behaald en kan worden behouden. Dit is inmiddels gerealiseerd.

Verminderen incidentele para-tbc:

Beoogd werd het verminderen van de incidentie van para-tbc door onderzoek naar effectiviteit van preventieve bedrijfsvoeringsmaatregelen en naar implementatie van preventieve bedrijfsvoeringsmaatregelen in de praktijk en het stimuleren van sectorbrede vrijwillige aanpak. Halverwege 2002 was de incidentie nog niet verminderd. Het doel is ultimo 2002 nog niet bereikt. In het programma is een evaluatiemoment voorzien eind 2003.

Naleving voorschriften reiniging en ontsmetting:

De controles op de reiniging en ontsmetting van veewagens wijzen uit dat de voorschriften redelijk tot goed worden nageleefd. Wel is er een duidelijk onderscheid in het vervoer van de verschillende diersoorten aan te geven. Zo is van de veewagens die schapen of runderen transporteren resp. 70% en 80% schoon. Bij de transportmiddelen voor varkens ligt dit percentage op 99%. De naleving van de voorschriften in de schapen- en rundersector ligt derhalve lager dan in die in de varkenssector. Dat wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door het ontbreken van een voldoende aantal geregistreerde (d.w.z. uitgebreide) wasplaatsen bij schapen- en runderslachterijen. Volgens de regelgeving moet een veewagen in ieder geval na vier keer lossen op een veehouderij worden gereinigd en ontsmet op een locatie met een dergelijke wasplaats. Als zo'n geregistreerde wasplaats niet in de buurt is, wordt de reiniging en ontsmetting van de veewagen wel eens overgeslagen. In dat geval treedt de AID verbaliserend op.

Verminderen van handelsbelemmeringen:

Belemmeringen die naar aanleiding MKZ zijn ontstaan en begin 2002 nog bestonden, zijn opgeheven. Gesloten grenzen en aanvullende eisen die naar aanleiding van BSE zijn ontstaan, zijn voor een groot deel weggenomen. Ongeveer 40 landen hebben hun invoerbeperkingen gewijzigd waardoor steeds meer producten (bijv. rundvlees, diervoeders en fokrunderen) weer kunnen worden afgezet. Handelsbelemmeringen door te hoge veterinaire eisen (door ca. 30 landen) zijn weggenomen.

Prestatiegegevens

In het kader van de BSE bestrijding zijn verschillende maatregelen getroffen. Zo is het ruimingsbeleid aangepast en is de erkenningsregeling gewijzigd t.b.v. het oplossen van knelpunten m.b.t. de export. Het verbod op het vervoederen van diermeel blijft geldig. Gelet op de incubatietijd van BSE zal echter pas over enkele jaren sprake zijn van een daling van het aantal besmette dieren en kan met zekerheid gesteld worden dat er doeltreffend en doelmatig beleid gevoerd is gericht op voedselveiligheid. De onderzoeken om te komen tot snellere BSE-testen op levende dieren zijn niet uitgevoerd, omdat de huidige testen voldoen.

Naar aanleiding van de mond- en klauwzeercrisis in 2000 bleek het non-vaccinatiebeleid niet langer ethisch verdedigbaar. Aanleiding om dit punt aan de orde te stellen in EU-verband. Nederland heeft gelobbyd in Europa, hetgeen ertoe geleid heeft dat het onderwerp nu op de agenda staat. Een voorstel voor wijziging van de MKZ-richtlijn is gemaakt.

Het bestaande I&R-systeem heeft in 2002 een aantal verbeterslagen ondergaan. Deze verbeteringen zijn nodig om uitvoering te geven aan aanbevelingen van de Europese Commissie. Voor de opzet van I&R-systemen en de ontvlechting van publieke en private taken is in 2002 € 7,4 mln. uitgegeven. Dit is € 0,4 mln. meer dan begroot door onder andere hogere ontvlechtingskosten.

Via sectiemateriaal van gestorven dieren voert de GD onderzoek uit de doodsoorzaak. Dit resulteert in rapportages om inzicht te krijgen in de trends van de diergezondheidssituatie en om te voorkomen dat een besmettelijke dierziektesituatie niet wordt opgemerkt. Zo leidde onderzoek op bedrijven met vruchtbaarheidsproblemen uiteindelijk tot de MPA-affaire. Voor de basismonitoring door de GD is in 2002 € 2,9 mln. uitgegeven.

Om scrapie op termijn uit te roeien wordt een bestrijdingsprogramma uitgevoerd door de inzet van uitsluitend fokrammen die ongevoelig zijn voor scrapie. In december werd een voorstel voor een pakket bestrijdingsmaatregelen aangenomen waarin die foktechnische aanpak centraal staat. Daarnaast zijn, ondanks dat er problemen ontstonden bij het uitvoeren van de erfelijkheidstesten in het laboratorium, er in 2002 70 000 van de beoogde 100 000 erfelijkheidstesten gerealiseerd. Gevolg is dat in 2003 een beperkte inhaalslag nodig is. In 2002 is voor € 3,7 mln. als bijdrage in dit programma uitgegeven.

Belemmeringen die naar aanleiding van MKZ zijn ontstaan en begin 2002 nog bestonden, zijn opgeheven. Gesloten grenzen en aanvullende eisen die naar aanleiding van BSE zijn ontstaan, zijn voor een groot deel weggenomen. Ongeveer 40 landen hebben hun invoerbeperkingen gewijzigd waardoor steeds meer producten (bijv. rundvlees, diervoeders en fokrunderen) weer kunnen worden afgezet. T.a.v. BSE is een belangrijk resultaat de mogelijkheid om partieel te ruimen zonder daarbij exportbelemmeringen te veroorzaken. Handelsbelemmeringen door te hoge veterinaire eisen (door ca. 30 landen) zijn weggenomen.

De diermeelproblematiek heeft in 2002 tot forse uitgaven geleid. Enerzijds betreft het uitgaven voor de opslag en verbranding van uit de markt genomen diermeelvoorraden en diervoeders. De laatste van deze zogenaamde «oude voorraden» zijn eind maart 2002 uiteindelijk verbrand. Anderzijds betreft het uitgaven in het kader van het Plan van Aanpak Diermeel. In 2002 is het Plan van aanpak Diermeel met succes afgerond. Onderdeel van de aanpak was het tijdelijk opslaan van diermeel op, vanuit milieuoogpunt, goedgekeurde locaties. De totale kosten betroffen dan ook met name opslagkosten. De uitgaven voor het vernietigen van de oude voorraden en de uitvoering van het Plan van Aanpak bedroegen in 2002 in totaal ruim € 13 mln. Om de kosten van de BSE-maatregelen voor de veehouders te beperken werd in 2001 een bijdrage gegeven aan het ophalen en verwerken van kadavers. Voor 2002 was aanvankelijk€ 10 mln. beschikbaar voor het ophalen, verwerken en vernietigen van kadavers. De Tweede Kamer is begin 2002 voorgesteld de tarieven geleidelijk te verhogen en vanaf het vierde kwartaal 2002 kostendekkend bij de aanbieders van kadavers in rekening te brengen. Met het oog op het mogelijke risico van dumping en het verzoek van de Tweede Kamer de tarieven niet te verhogen (ten opzichte van de tarieven van het eerste kwartaal 2002), is de overheidsbijdrage voortgezet. In dit kader is bij Najaarsnota € 10 mln. aan de LNV-begroting toegevoegd. De Rijksbijdrage voor het ophalen en vernietigen van kadavers bedroeg in 2002 € 17 mln.

Doelgroepen

Transport sector, veehouderijbedrijven, slachthuizen, verzamelcentra, maar ook de consument als het om zoönosen gaat (bse).

Beleidsinstrumenten

– Regelgeving

– I&R-runderen en varkens

– Basismonitoring

– Bestrijdingsprogramma's

– Vrijwaring dierziekten

– Tegemoetkoming destructietarieven en diermeelopslag.

06.12 Bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van de consumentenbescherming en de stimulering van voedselveiligheid

Ten aanzien van het «bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van consumentenbescherming en de stimulering van voedselveiligheid» zet LNV in op een basisgarantie veilig agro-food te produceren. Dit zal in de toekomst moeten zorgen voor een vorm van een wettelijke minimum veiligheid voor alle levensmiddelen. Naast het instrument van normstelling komt dit mede tot stand door risicobeheersing in elke schakel van de voedselketens (HACCP) en traceerbaarheid in de gehele agro-foodketen. Voor wat betreft de toepassing van HACCP richt dit zich voornamelijk op de primaire landbouw. De beleidsontwikkeling voor deze «basisgarantie veilig produceren» bevindt zich nog in een beginstadium.

Ter versterking van het consumentenvertrouwen is er een consumentenplatform opgericht. Er hebben inmiddels 3 bijeenkomsten plaatsgevonden en er is onderzoek gedaan naar de parameters die het consumentenvertrouwen bepalen. Het platform leidt tot een grotere betrokkenheid van de consument bij het beleid en creatieve suggesties voor nieuw beleid. Het is een effectief instrument gebleken om de consument te betrekken bij de beleidsontwikkeling en daarmee de invloed van de consument te vergroten op het beleid ter verbetering van de veiligheid en kwaliteit van voedsel. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de parameters die het consumentenvertrouwen bepalen.

Streefwaarden

De volgende kwalitatieve streefwaarden waren in de begroting 2002 opgenomen:

– In 2002 zal de Nederlandse Voedselautoriteit (NVa) de regie voeren over de publieke taken ten aanzien van onderzoek, communicatie en toezicht op het gebied van voedselveiligheid.

– Gestructureerde communicatie over maatregelen tijdens incidenten op het gebied van voedselveiligheid.

– De bestaande monitoringssystematiek van een aantal ketens zal worden doorgelicht, zowel voor dierlijke als plantaardige producten.

– Er zal een modernisering van de vleeskeuring worden doorgevoerd, op basis van de resultaten van het project Versterking Veterinaire Garantiesystematiek dat begin 2002 zal zijn afgerond.

Realisatie

Opzetten NVA:

Op 10 juli 2002 is de Voedsel en Waren Autoriteit officieel bij Besluit ingesteld als onderdeel van het Ministerie van VWS. De RVV is formeel overgedragen naar VWS, maar de minister van LNV behoudt de bevoegdheid om de RVV in het geval van de bestrijding van dierziekten direct aan te sturen. Er is een start gemaakt met de splitsing van onderzoek in termen van risico management en risico beoordeling. De VWA/RVV blijft een belangrijke uitvoerder van LNV beleid. Ca 80 % van de werkzaamheden VWA/RVV bestaat uit het uitvoeren van LNV-regelgeving.

Structureren communicatie:

Voor het bereiken van een gestructureerde communicatie over maatregelen tijdens incidenten op het gebied van voedselveiligheid zijn afspraken gemaakt tussen de VWA, LNV en VWS. Afgesproken is dat de VWA tijdens incidenten/crisis de consument informeert over mogelijke risico's. De departementen zijn verantwoordelijk over de informatie van genomen maatregelen. Met de afspraken wordt voorkomen dat de consument tegenstrijdige informatie ontvangt en dat er rekening wordt gehouden met de perceptie van de consument/burger over de veiligheid van het voedsel. Op basis van deze afspraken heeft ook de communicatie omtrent de MPA-crisis plaatsgevonden.

Doorlichten monitoringssystematiek:

Het project Chaperonnes beoogt de bestaande monitorings systematiek voor gegevens met betrekking tot diergezondheid, volksgezondheid en vrijwaring handel in drie ketens (rundvee (vlees), varkensvlees, zuivel) te herijken. Hiertoe is een inventarisatie gemaakt van de gevaren (uit oogpunt van diergezondheid, volksgezondheid en vrijwaring handel) die voorkomen in de rundvee(vlees)keten, de varkensvleesketen en de zuivelketen. Tevens is vastgesteld op welk punt in de keten het gevaar het best gemeten kan worden en met welke techniek zo'n gevaar betrouwbaar kan worden aangetoond. Deze gegevens vormen de bouwstenen voor de volgende stap in het project n.l. de ontwikkeling van verschillende meetsystemen voor afzonderlijke groepen van gevaren. Implementatie van die systematiek zal uiteindelijk leiden tot een efficiëntere en effectievere gegevensverzameling.

Modernisering vleeskeuring:

Beoogd werd een aanpassing van de vleeskeuring waarbij meer uitgegaan wordt van de gezondheidsrisico's en waarmee toezicht-op-toezicht mogelijk wordt. Door middel van een pilot is een nieuwe keuringsmodel ontwikkeld en getest. Het in deze lijn aanpassen van de Europese regelgeving, waardoor toepassing van een nieuw model van toezicht op toezicht mogelijk wordt, vindt nog plaats. Dit wordt in 2003 voortgezet. De voorliggende voorstellen voor Europese regelgeving voldoen in grote mate aan de Nederlandse wensen op dit terrein.

Prestatiegegevens

In 2002 heeft de PVE op basis van de zoönoserichtlijn een bestrijdingsplan uitgevoerd ter reductie van het percentage salmonella besmettingen in pluimveevlees. LNV ondersteunt dit financieel en vervult verder een regisseursrol. In 2002 is het percentage salmonella besmettingen in pluimveevlees gedaald van 10% naar 2%.

Door een gebrek aan kennis over effectieve interventiemethoden is een succesvolle bestrijding van campylobacter nog niet mogelijk. Daarom richt het onderzoeksprogramma CARMA zich op het verkrijgen van inzicht hierin. In 2002 zijn de verschillende infectieroutes en mogelijke interventiemethoden beschreven. De effectiviteit van deze mogelijkheden zullen nader onderzocht moeten worden in een kosten-baten analyse.

De kennis over het voedsel, over de werking van voedingsmiddelen en over de diverse ingredienten en stoffen op de gezondheid is door wetenschappelijke en technische ontwikkelingen continu in beweging. Om te beoordelen of voedsel veilig is, is onderzoek verricht naar risico's voor de veiligheid en kwaliteit van het voedsel bij een aantal onderzoeksinstituten, zoals RIKILT en ID-lelystad. Het betreft o.a. signalering van nieuwe onbekende bedreigingen van de voedselveiligheid (Emerging Risk Identification System). De eerste fase ERIS is afgerond. Het vervolgtraject wordt overgelaten aan EU en VWA.

Er is inmiddels een aanvang gemaakt met gestructureerde communicatie rondom voedselveiligheidsincidenten. Er is in 2002 € 4 mln. betaald voor risicocommunicatie en bijdrage VCN. Het betreft o.a. een bijdrage aan de communicatie projecten infrastructuur, onderzoek, communicatie structureel en communicatie bij incidenten.

Om de discussie over het gebruik van biotechnologie in Nederland te structureren is in 2001 het publieke debat «eten en genen» gestart dat tot in 2002 door is gelopen. Het standpunt van het Kabinet over «eten en genen» is in januari 2002 naar de Kamer gestuurd.

Doelgroepen

Bedrijfsleven en consumenten.

Beleidsinstrumenten

– Onderzoek in het kader van voedselveiligheid

– Risicobeoordeling en ketendoorlichting

– Risicocommunicatie

– Biotechnologie.

Budgettaire gevolgen van beleid

(x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen264 325159 871104 454
Waarvan garantieverplichtingen 0 
Uitgaven257 926159 76598 161
Programma-uitgaven103 97446 15057 824
U0611 Diergezondheid83 65426 66456 990
U0612 Voedselveiligheid20 32019 486834
    
Apparaatsuitgaven153 952113 61540 337
U0621 Apparaat153 952113 61540 337
    
Ontvangsten170 363117 45452 909

Toelichting

De uitgaven voor BSE-maatregelen zijn voor 2002 uitgekomen € 54,3 mln. Hiervoor waren geen uitgaven begroot. De kosten hadden betrekking op het volgende:

1. In 2002 zijn de kosten van de monstername van BSE-testen door de RVV ten laste van het Rijk gekomen. De kosten hiervan bedroegen € 6,7 mln.

2. In 2002 is een bedrag van € 10,7 mln. betaald in verband de financiële afwikkeling van BSE-testen die in 2001 zijn uitgevoerd. Het betreft onder andere een terugbetaling aan de Europese Commissie (€ 4,5 mln.) en rekeningen van het Centraal Instituut Dierziekten Controle (CIDC) te Lelystad (€ 4 mln.) voor in 2001 uitgevoerde testen.

3. Ten behoeve van de monitoringsuitgaven in het kader van BSE (onderzoek naar BSE bij gestorven runderen) is in totaal € 2,7 mln. betaald.

4. De uitgaven voor destructie hebben € 30,6 mln. bedragen. Hiervan heeft een bedrag van € 13,7 mln. betrekking op het vernietigen van oude voorraden diermeel uit 2001 en een bedrag van € 16,9 mln. betrekking op de bijdrage van LNV in het ophalen en vernietigen van kadavers in 2002.

Met deze maatregelen wordt beoogd te voorkomen dat er BSE-materiaal in het voedselcircuit terecht komt. Een deel van de hier bovengenoemde uitgaven zijn doorberekend aan het Diergezondheidsfonds. Het betreft BSE-monitoring op kadavers (€ 2,2 mln.) en destructie-uitgaven voor diermeel en kadavers (€ 30,1 mln.)

Uit hoofde van de MPA crisis is beleidsartikel 6 met € 7,1 mln. verhoogd en tevens is € 10,0 mln. aan toegevoegd voor destructie. Aanleiding was het besluit van de Tweede Kamer op de geplande verhoging van de destructietarieven in de voorhangprocedure niet goed te keuren.

Ontvangsten 2002 (x € 1 000)
Totaal170 362
Ontvangsten Keruringsgelden RVV83 686
Ontvangsten VVA (o.a. I&R)5 838
BSE-testen32 325
EU-ontvangsten MKZ39 000
Overige ontvangsten9 513

Toelichting

De ontvangsten voor BSE-testen ad € 32,3 mln. betreft de bijdrage afkomstig uit het Diergezondheidsfonds. Hier staan uitgaven op de LNV-begroting tegenover.

De EU-bijdrage voor de MKZ-maatregelen is in 2002 € 12,4 mln. meer dan oorspronkelijk begroot. In 2002 is in het kader van de MKZ-maatregelen een voorschot van € 39,0 mln. ontvangen. De definitieve afrekening moet nog plaatsvinden.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

(x € 1 000)
  Begroting  Realisatie 
 Gemiddelde sterktePrijs per eenheidBudgetGemiddelde sterktePrijs per eenheidUitgaven
1 Personeel VVA70,153,53 75379,670,25 589
2 Personeel RVV1 542,546,371 3591 446,448,069 488
3 Personeel AID97,845,44 439108,448,45 245
4 Personeel I&R-taskforce9,063,1568
5 Personeel BRD17,953,8963
5 Materieel  31 754  69 906
6 Overig apparaat  2 310  2 198
       
Totaal apparaatsuitgaven  113 615  153 952

De hogere uitgaven voor apparaat worden veroorzaakt doordat de taken in het kader van identificatie en registratie van dieren per 1 januari 2003 onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van LNV vallen. Voorheen werden deze taken onder de verantwoordelijkheid van het Productschap voor Vee en Vlees uitgevoerd.

Daarnaast heeft de RVV vanwege duurdere practioners (€ 5,3 mln.) en het uitvoeren van de regelingsafspraken Diervoeders, Etikettering, Watergehalte pluimveevlees en Cliënt (in totaal € 7,0 mln.) haar budget overschreden.

Prestatiegegevens ontvangsten RVV 2002

Prestatiegegevens (x € 1000)
InstrumentPrestatie indicatorGeplande prestatieGeplande prijs/eenheidRaming budgetGerealiseerde prestatieGerealiseerde prijs/eenheidRealisatie opbrengsten
slachterijen roodvleesBezoeken18030,255 44519630,485 972
 Slachtvarkens19 0001,7733 58015 3241,7226 334
 overige slachtdieren3 2004,7515 2032 5434,7612 101
pluimvee en wildslachterijenSlachtpluimvee550 0000,019910 932463 0000,01748 075
vleesverwerkende bedrijvenaantal kwartieren80015,5212 41556716,669 449
levend veeaantal kwartieren18025,414 57415038,505 775
vis, visserijproductenTonnage3022,70681nvtnvtnvt
invoer derde landen 40011,354 53855012,276 747
werkzaamheden op verzoekaantal kwartieren4032,051 2827529,402 205
 aantal certificaten11014,341 5779312,161 131
   totaal90 227  77 789

Kennisontwikkeling en innovatie (07)

Het zorgdragen voor hoogwaardige, vraaggestuurde en toegesneden kennisproductie waarmee wordt bijgedragen aan de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Grafiek 9: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaatkst-28880-30-11.gif

07.11 Het instandhouden en ontwikkelen van relevante wetenschappelijke expertise

Het in stand houden van relevante wetenschappelijke expertise waarmee kan worden bijgedragen aan ontwikkelingsmogelijkheden van het agrofoodcomplex en de groene ruimte, en het doen beantwoorden van in het beleidsproces gegenereerde kennisvragen. Alle activiteiten zijn er op gericht te bereiken dat er een solide kennisbasis is, adequate strategische expertise wordt ontwikkeld, beleidsondersteunend onderzoek plaatsvindt en het onderzoek ten dienste van wettelijke onderzoekstaken wordt gewaarborgd.

Streefwaarden

Het instandhouden en ontwikkelen van een kennisinfrastructuur waarmee kan worden bijgedragen aan ontwikkelingsmogelijkheden van het agrofoodcomplex en de groene ruimte. Visitatie hieromtrent zal eenmaal per vijf jaar plaatsvinden, te beginnen in 2002;

Het ontwikkelen van wetenschappelijke expertise die van strategisch belang is voor de beleidsvelden van het ministerie van LNV;

Het genereren van beleidsondersteunende kennis, toepassingen en arrangementen voor het ministerie van LNV-beleidsdomein en het organiseren van een proces om op basis van beleidsvraagstukken te komen tot het beantwoorden van in beleidsproces gegenereerde kennisvragen;

Het veiligstellen van de Wettelijke en Dienstverlenende Taken (nu: Wettelijke Onderzoeks Taken, WOT).

Realisatie

In 2002 heeft een visitatie plaatsgevonden van het instituut ALTERRA en werd de verslaglegging van de visitatie van Plant Research International afgerond.

Het instrument strategische expertiseontwikkeling t.b.v. stichting DLO is geëvalueerd en discussie over inrichting, inzet en vormgeving heeft plaatsgevonden.

Het proces om te komen tot door beleid gewenste kennisontwikkeling is ten dele hernieuwd (vraagarticulatieproces) en is in 2002 van start gegaan. Begin 2002 zijn reeds in de proeffase opdrachten verleend voor het genereren van beleidsondersteunende kennis.

Er is in 2002 een vernieuwend traject gestart dat alle wettelijke onderzoekstaken herformuleert in termen van gewenste output. Tevens is een scheiding aangebracht tussen deze onderzoekstaken en ander onderzoek zodat er geen sprake kan zijn van belangenverstrengeling tijdens de uitvoering. Een eerste cluster (diergezondheid) is geherformuleerd.

Prestatiegegevens

Instrumenten (bedragen x € 1000)Ondersteuning kennisbasisOntwikkeling expertiseBeleidsonderzoekW.D.T.
 (1)(2)(3)(4)
Wageningen Universiteit88 306   
DLO 17 17174 59231 508
Praktijkonderzoek  32 390 
IAC/ILRI  6 573 
Stimuleringsprogr.2 5876 626998 
Open programmering    

Realisatie

Instrumenten (bedragen x € 1000)Ondersteuning kennisbasisOntwikkeling expertiseBeleidsonderzoekW.D.T.
 (1)(2)(3)(4)
Wageningen Universiteit93 238   
DLO 17 17180 88433 746
Praktijkonderzoek  31 525 
IAC/ILRI  6 584 
Stimuleringsprogr.2 5879 702998 
Open programmering  1 674 

Kennisbasis

De onder de kennisbasis vallende onderzoeksactiviteiten vinden hun oorsprong in het Strategisch plan van Wageningen UR. In de loop van 2002 is een nieuw Strategisch Plan van het Wageningen UR tot stand gekomen. De daarop geënte Strategische Plannen van de Kenniseenheden binnen Wageningen UR zullen in 2003 worden gerealiseerd.

De evaluatie van de strategische expertise ontwikkeling (SEO) van de stichting DLO in de periode 1999–2000 is in eerste helft van 2002 afgerond. De evaluatie heeft aangetoond dat de financiële middelen voor SEO daadwerkelijk worden besteed aan strategische expertise ontwikkeling. Aanbevelingen uit een eerdere evaluatie in 1998 blijken grotendeels geïmplementeerd te zijn door DLO. De uitkomsten van deze evaluatie vormen mede de basis voor een nieuwe discussie over de basisfinanciering van de stichting DLO.

Beleidsondersteunend onderzoek

Begin van 2002 is een kwalitatieve inhoudelijke beoordeling uitgevoerd van de voortgang van het onderzoek in 2001 binnen de onderzoeksprogramma's van de stichting DLO. Daarbij is elk programma op een aantal aspecten (waaronder bruikbaarheid en gebruik van resultaten) beoordeeld en een overall oordeel opgesteld. Het oordeel is aan de hand van een vijfpunt-schaal gekwantificeerd. De uitkomst van de beoordeling van de onderzoeksprogramma's, gerelateerd aan de operationele hoofddoelstellingen van LNV, ligt gemiddeld tussen 3 (voldoende) en 4 (goed). Dezelfde systematiek is inmiddels gebruikt voor de planning van het onderzoek voor 2003 en zal ook worden toegepast voor de beoordeling van de projecten in 2002. In 2001 is op experimentele basis een aanvang gemaakt met het proces van vraagarticulatie: het genereren, selecteren en prioriteren van kennisvragen. Dit heeft in 2002 geresulteerd in zes onderzoeksopdrachten die via open aanbesteding zijn uitgezet. Ter illustratie enkele concrete projecten in 2002.

Onderzoeksprojecten:

– voedselaanbod voor vogels

– meervoudig duurzaam landgebruik Winterswijk

– wisselwerking economie en visserij

– verbetering rekenmodel voor visquota

– definitiestudie duurzaam consumeren en gedrag

– versnelde groei duurzame agro-business

Voorlichtingsprojecten:

– doorwerking wet- en regelgeving internationale afspraken

– evenwichtig investeren

– overlast veroorzakende diersoorten

– zware metalen in meststoffen

– imago houtoogst

– evaluatie schelpdiervisserijbeleid tweede fase

Wettelijke onderzoek taken

Met de herformulering van onderzoek ten behoeve van wettelijke taken is een aanvang gemaakt. Na de vaststelling van het kader en de condities is het cluster diergezondheid v.w.b. inhoudelijke taken en financiering opnieuw ingericht. De wettelijke taken op het gebied van diergezondheid zijn geconcentreerd in een drietal onderzoeksprogramma's, waarvan er één in 2002 van start ging. Eind 2002 is een eerste convenant met betrekking tot het cluster diergezondheid in concept gereed gekomen. Daarnaast werden nieuwe programma's gestart op het gebied van visbestandsonderzoek en voor het Natuurplanbureau.

Doelgroepen

– Onderzoekers (inclusief studenten) binnen Wageningen Universiteit en DLO.

– Diegenen die de onderzoeksresultaten benutten.

Beleidsinstrumenten

– Bekostiging Wageningen Universiteit

– Bijdrage DLO, PO, IAC, ILRI

– Stimuleringsprogramma

– Open programmering Onderzoek; dit is een nieuw instrument.

07.12 Het genereren van (innovatieve) kennis

Het genereren van (innovatieve) kennis, toepassingen en arrangementen ter ondersteuning van (voor het beleidsterrein van het ministerie van LNV relevante) innovaties.

Streefwaarden

Het zorgdragen dat nieuwe beschikbare kennis effectief wordt benut voor vernieuwing in beleid, bedrijf en opleiding.

Realisatie

De beleidsbrief «Innovatie: sleutel tot verandering» is in oktober 2001 aangeboden aan de Tweede Kamer. In deze beleidsbrief wordt de innovatieopgave vertaald naar zo concreet mogelijke ambities. Innovatie wordt gezien als een belangrijk middel om transitie naar een duurzaam agrocluster te realiseren. In juni 2002 heeft de SER in het advies Innovatie voor duurzaam voedsel en groen aangegeven zich in de hoofdlijnen van de beleidsbrief te kunnen vinden. In januari 2003 heeft de Tweede Kamer een afschrift ontvangen van het antwoord van de bewindspersoon op het SER-advies. Deze reactie kan worden gezien als een actualisatie van het in gang gezette innovatiebeleid. In de beleidsbrief «Innovatie: sleutel tot verandering» worden twee sporen onderscheiden: Innovatiegericht beleid (gericht op algemene en specifieke randvoorwaarden) en Innovatiebewust beleid (verbonden aan specifieke publieke belangen op LNV-terrein).

Prestatiegegevens

InstrumentTotaal (x € 1 000)Realisatie (x € 1 000)
Stimuleringsregelingen onderzoek3 1765 092
Innovatienetwerk groene ruimte en agrocluster3 4584 254
Bijdrageregeling DLO/praktijkonderzoek15 06615 646

Het innovatienetwerk Groene Ruimte en Agroclusters heeft door middel van netwerken en experimenteren bemoedigende eerste stappen gezet in de richting van systeeminnovaties. Ter illustratie enkele concrete activiteiten in 2002.

– concepten voor agroproductieparken zijn ontwikkeld, waarbinnen door een combinatie van functies stofkringlopen kunnen worden gesloten en transport kan worden beperkt.

– een veelbelovend concept voor een energieleverende kas is geleverd vanuit een alliantie tussen Innovatienetwerk en Stichting Innovatie Glastuinbouw.

– voor het opzetten van een Tuinbouwclusteracademie, een academie gericht op innovatieprocessen, zijn voorbereidingen gaande.

– over het opzetten van een fermentatiefabriek, gericht op het optimaliseren van het gebruik van reststromen en alternatieve aanwendingen van agrogrondstoffen, zijn gesprekken gestart.

– het project «Veerkrachtig Water Loont» is gestart, waarbij gezocht wordt naar andere vormen van waterbeheer in combinatie met versterking van de economische dynamiek in de regio.

– het concept «Nieuwe Dorpen» is ontwikkeld waarbij in interactie met belangengroepen woonomgevingen worden ontwikkeld die aan wensen van burgers voldoen en tegelijkertijd ecologische kwaliteit waarborgen.

Daarnaast wordt ook via onder meer het AKK Co-innovatieprogramma Duurzame Ketens, het Platform Agrologistiek en het Platform Transparantie en ICT geïnvesteerd in het netwerkverband ontwikkelen van systeeminnovaties.

Beleidsinstrumenten

– Stimuleringsprogramma innovatie

– Innovatienetwerk groene ruimte en agrocluster

– Bijdrage DLO/PO/IAC/ILRI innovatie

Budgettaire gevolgen van beleid

(bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen419 649282 549137 100
Uitgaven310 276283 39226 884
Programma-uitgaven301 896278 70123 195
U0711 Het instandhouden en ontwikkelen van relevante wetenschappelijke expertise278 109260 75117 358
U0712 Het generen van (innovatieve) kennis23 78717 9505 837
Apparaatsuitgaven8 3804 6913 689
U0721 Apparaat8 3804 6913 689
    
Ontvangsten13 47412 934540

De hogere verplichtingenrealisatie is een gevolg van het feit dat de verplichtingen voor de rijksbijdragen 2002 en 2003 voor Wageningen Universiteit in 2002 zijn vastgelegd. Het verplichtingenbedrag is inclusief de verplichtingen van het innovatienetwerk groene ruimte en agrocluster en de verplichting voor apparaatsuitgaven. De hogere programma-uitgaven zijn een gevolg van loonbijstelling en overheveling van projectbudgetten voor onderzoek door andere directies. De hogere apparaatsuitgaven zijn een gevolg van betalingen voor herplaatsingskandidaten Praktijkonderzoek die op basis van bestaande verzelfstandigingsafspraken ten laste zijn gebracht van het apparaatsartikel.

Toelichting op de apparaatsuitgaven*

(bedragen x € 1 000)
  Begroting  Realisatie 
 Gemiddelde sterktePrijs per eenheidBudgetGemiddelde sterktePrijs per eenheidbesteed
1 Personeel DWK73,754,34 00164,1 6 554
2 Materieel  516  468
3 Overig apparaat  174  151
Totaal  4 691  7 173

Van het ramingsbedrag voor personeel DWK in de ontwerpbegroting 2002 (€ 4 001 000) is € 303 000 overgeboekt naar artikel 7.11. Het betreft personeelskosten voor praktijkonderzoek die medio 2001 zijn opgenomen in de tariefstructuur. De uitgaven ten behoeve van personeel DWK in 2002 bedroegen € 3 878 829 waardoor de prijs per eenheid uitkomt op €60 500,=

Toelichting op de ontvangsten

(bedragen x € 1 000)
 BegrotingRealisatie
Rente en aflossing DLO9 7419 745
FES-ontvangsten3 1932 395

Vanwege vertraging bij projecten wordt een gedeelte van de FES-ontvangsten gerealiseerd in 2003 e.v.

Naast de in de begroting geraamde ontvangsten zijn de volgende ontvangsten gerealiseerd:

– € 693 000 diverse ontvangsten onderzoek vanwege gecorrigeerde voorschotten.

– € 641 000 ontvangsten apparaat (met name medewerkers die op If-basis elders werkzaam zijn.

Kennisvoorziening (08)

Doelstelling is het waarborgen van een stelsel van voorzieningen benodigd voor het verzorgen van groen voorbereidend, middelbaar en hoger onderwijs, alsmede universitair onderwijs.

08.11 Het waarborgen van het aanbod en de kwaliteit van voorzieningen voor groen onderwijs

Het waarborgen van het aanbod en de kwaliteit van voorzieningen door toezicht op de opzet en het functioneren van kwaliteitszorgen accreditatiesystemen, alsmede het waarborgen van de continuïteit in het aanbod van groen voorbereidend, middelbaar en hoger beroepsonderwijs, alsmede universitair onderwijs door adequate bekostiging en monitoring van financiële kengetallen.

Streefwaarden

A Toenemend aantal «groene instellingen» dat beschikt over een kwaliteitszorgsysteem
Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 WO/HBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem90%100%
2 MBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem95%100%
3 VMBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem50%55%
B Toenemend aantal «groene instellingen» waar het kwaliteitszorgsysteem naar behoren functioneert
Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 WO/HBO-groen instellingen met een functionerend kwaliteitszorgsysteem75%75%
2 MBO-groen instellingen met een functionerend kwaliteitszorgsysteem50%66%
3 VMBO-groen instellingen met een functionerend kwaliteitszorgsysteem25%33%

Zowel voor wat betreft de opzet van kwaliteitszorg als de wijze waarop er in de praktijk mee wordt gewerkt is duidelijk vooruitgang geboekt. Alle WO, HBO en MBO instellingen beschikken intussen over een kwaliteitszorgsysteem. Het aantal MBO en VMBO instellingen dat beschikt over een naar behorend functionerend kwaliteitszorgsysteem is hoger dan de streefwaarde voor 2002. Naar aanleiding van een rapportage van de Inspectie LOK van oktober 2001 heeft de Minister van LNV de MBO-instellingen gevraagd meer aandacht te schenken aan de kwaliteitszorg. De opmerkingen zijn door de instellingen ter harte genomen.

C Alle instellingen voor «groene opleidingen» dienen de solvabiliteit en de liquiditeit redelijk tot goed op orde te hebben.
Omschrijving streefwaarde1)Streefwaarde 2002Realisatie 2002
1 Aantal WO instellingen11
2 Aantal HBO-groen instellingen65
3 Aantal MBO/VMBO-groen instellingen128

1) Deze omschrijving van de streefwaarde wijkt af van de begroting 2002, want was niet correct opgenomen.

De solvabiliteit wordt als redelijk tot goed beoordeeld wanneer het eigen vermogen meer dan 10% bedraagt van het totale vermogen. Bij alle instellingen op één na is dit het geval. Aan de instelling waarbij de solvabiliteit onder de grenswaarde daalde is in 2002 aanvullende steun verstrekt. De liquiditeit is redelijk tot voldoende wanneer de vlottende activa tenminste 60% bedragen van de kortlopende schulden. Bij acht van de twaalf AOC's is dit het geval.

Prestatiegegevens

InstrumentBegrotingRealisatie
1 Wetenschappelijk onderwijs30 38532 273
2 HBO-groen47 89252 449
3 MBO-groen en VMBO-groen281 042315 002
4 Afrika Studie Centrum Subsidie606651

Bij LNV vindt éénmaal per jaar individuele registratie van leerlingen plaats op basis van een groen onderwijsnummer. De administratieve beheerslast voor de groene onderwijsinstellingen blijft daardoor zo laag mogelijk. De informatievoorziening van het groene onderwijs wordt ook in externe rapporten, die in het kader van het project onderwijsnummer zijn opgesteld, als zeer positief beoordeeld.

In 2002 is een analyse afgerond over de mogelijke uitbesteding van normatieve bekostigingstaken aan CFI (een agentschap van OCW).

Voor de integratie van de inspectie groen onderwijs en inspectie overig onderwijs is in 2002 gewerkt aan een convenant dat naar verwachting in 2003 zal worden getekend.

Doelgroepen

– Onderwijsinstellingen

– Diegenen die onderwijs genieten binnen de LNV-instellingen

– Diegenen die gebruik maken van binnen de LNV-instellingen gekwalificeerden

Beleidsinstrumenten

– Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) op basis waarvan het hoger en wetenschappelijk onderwijs worden bekostigd.

– Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) op basis waarvan AOC's (VO en MBO) worden bekostigd.

– Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) op basis waarvan scholengemeenschappen worden bekostigd.

– Wet op het Onderwijs Toezicht (WOT) op basis waarvan het toezicht wordt uitgevoerd.

– Afspraken met betrekking tot (gelijke) bekostiging van onderwijs LNV t.o.v. OCenW en maatregelen ter verbetering van verantwoording, toezicht en controle.

Budgettaire gevolgen van beleid

(bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen416 550359 92556 625
Uitgaven400 375359 92540 450
Programma-uitgaven400 375359 92540 450
U0811 Het waarborgen van het aanbod en de kwaliteit van voorzieningen voor groen onderwijs400 375359 92540 450
    
Ontvangsten801227574

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Hogere uitgaven dan geraamd in de begroting 2002 zijn het gevolg van de loon- en prijsbijstelling, leerlingstijging voortgezet onderwijs, hogere uitgaven Voortgezet Onderwijs door hogere gemiddelde personeelslast («van Rijn-gelden»).

Kennisverspreiding (09)

De algemene doelstelling bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste het verspreiden van kennis en vaardigheden aan de (toekomstige) doelgroepen van het agrofoodcomplex en de groene ruimte om deze breed inzetbaar te kwalificeren voor de arbeidsmarkt en voor deelname aan de maatschappij. Ten tweede het uitwisselen van kennis en informatie tussen het ministerie van LNV en de LNV-doelgroepen met het oog op de voorbereiding en de realisatie van het LNV-beleid.

Grafiek 10: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaatkst-28880-30-12.gif

09.11 Inhoud van het onderwijs

Het waarborgen van de systematiek waarin de inhoud van de opleidingen continu wordt vernieuwd. De opleidingen van de (toekomstige) beroepsbevolking in voedsel en groen moeten actueel zijn en voortdurend aangepast worden aan nieuwe inhoudelijke eisen en ontwikkelingen. Deze aanpassing vindt plaats op basis van nieuwe kennis, nieuwe concepten en principes, nieuwe beleidsdoelstellingen en waarden, inclusief die welke verbonden zijn met (internationale) ontwikkelingen en arbeidsmarkten. Het accent voor de komende jaren in groene opleidingen zal liggen op de implementatie van de kwalificatiestructuur 2000+ in het MBO en het versterken van de beleids- en maatschappelijke oriëntatie van de inhoud van de opleidingen in het gehele beroepsonderwijs.

Streefwaarde

De visitaties van opleidingen in het groene hoger onderwijs zijn onderdeel van het programma van visitaties dat voor het gehele hoger onderwijs wordt uitgevoerd. Hierin hebben de VSNU en de Hbo-raad een coördinerende taak. In 2002 zijn in het groene hoger onderwijs geen visitaties geweest. In het groene MBO hebben twee onderzoeken plaatsgevonden: bloemschikken en de ontwikkelingsplannen praktijkleren.

Aantal uitgevoerde visitaties en meta-evaluaties

Omschrijving streefwaardeStreefwaarde 2002Realisatie 2002
1 WO-groen instelling20
2 HBO-groen instellingen20
3 MBO-groen instellingen22

De inhoudelijke vernieuwing van het groene onderwijs heeft in 2002 langs drie hoofdlijnen plaatsgevonden:

– Ontwikkelen van nieuwe groene inhoud met primair instellingsoverstijgende meerwaarde, die aansluit op de beleidsthema's geformuleerd in de nota's zoals «Voedsel en Groen», «Natuur voor Mensen, mensen voor natuur», «Biologische Landbouw 2001–2004» en «Biotechnologie». Hiervoor is met name de Via-regeling ingezet en uitgevoerd op basis van de kaderbrief «Versterking en Innovatie Agrarisch onderwijs (VIA) 2002»;

– Bevorderen van de doorstroming vmbo-mbo en mbo-hbo. De verbetering van de doorstroming heeft plaatsgevonden in het kader van de «Impulsregeling voor het (gehele) beroepsonderwijs. Middels een kwantitatieve en kwalitatieve monitor wordt inzicht verkregen in de resultaten. De nulmeting heeft plaatsgevonden.

– Bevorderen van internationalisering, en integratie van kennis uit andere domeinen en kennis uit het groene domein in nieuwe opleidingen. De aanzet hiertoe is in het vierde kwartaal van 2002 gegeven met de «Kaderbrief 2002: inhoudelijke vernieuwing Groen Onderwijs» en geeft daarmee invulling aan de «Beleidsbrief Groen Onderwijs 2010: vernieuwing van de inhoud» uit maart 2002. Deze regeling was opengesteld voor het groene vmbo tot en met het WO en bood de groene onderwijs meer mogelijkheden om op instellingsniveau gerichte vernieuwingsvoorstellen in te dienen. In 2002 zijn op basis van ingediende voorstellen, afspraken met de instellingen gemaakt voor welke thema's in 2003 projecten worden ingediend en gestart. Daarnaast was er in 2002 de implementatie van de nieuwe kwalificatiestructuur (KS2000+), diein maart 2003 wordt afgerond. De leermiddelen voor de meeste deelkwalificaties in het mbozijn in dit project vernieuwd zowel op pedagogisch didactische inzichten als op beroepsinhoud.

Kwantitatieve gegevens worden in een eindrapportage verstrekt.

Prestatiegegevens

InstrumentBegrotingRealisatie
1 VIA-regeling3 114769
2 Overige regelingen met subsidie23 36523 933

Voor de VIA-regeling zijn 23 ingediende aanvragen beoordeeld. Op basis van de voorwaarden in de regeling zijn hiervan 11 projecten geaccordeerd.

Doelgroepen

– Diegenen die onderwijs genieten.

– Diegenen die gebruik maken van gekwalificeerden.

Beleidsinstrumenten

– VIA-regeling

– Arbeidsmarktbeleid

– Impulsregeling voor het beroepsonderwijs

– Regeling leerwerktrajecten VMBO 2e tranche

– Regeling onderwijsnummer

– Kaderregeling beleidsbrief Groen onderwijs

– Implementatie KS2000+

09.12 Maatwerk en flexibiliteit

Het creëren van een vraaggestuurde leeromgeving, rekening houdend met de wens van een lerende, van de werkomgeving en de arbeidsmarkt.

Met meer flexibiliteit en maatwerk moet bereikt worden dat zoveel mogelijk mensen de opleidingen voor voedsel en groen met een startkwalificatie verlaten en dat werkenden in het domein voor voedsel en groen daarna via «leven lang leren» kennis en kunde verder ontwikkelen. Om dat te realiseren wordt rekening gehouden met individuele leerstijlen, kenniswensen, leermogelijkheden, leerachterstanden, leerplaatsen en met de kwaliteit van docenten hiervoor.

Streefwaarden

– Het versterken van de mogelijkheden voor allochtonen om deel te nemen aan de groene opleidingen.

– Een toename van het aantal studenten in de lerarenopleiding voor groene opleidingen, in het bijzonder een toename van het aantal duale studenten.

– Het terugdringen van voortijdig schoolverlaten.

– EVC ontwikkeling agrarisch onderwijs.

– Andere vormen van leren en met name praktijkleren in de groene opleidingen.

– Cursusonderwijs (naschools) voor werkenden in het agrofoodcomplex wordt versterkt.

Realisatie

Het versterken van de mogelijkheden voor allochtonen om deel te nemen aan de groene opleidingen.

Uit de aantallen leerlingen die ingeschreven staan op de groene onderwijsinstellingen blijkt dat er nauwelijks sprake is van deelname van leerlingen of studenten uit etnische minderheden. Nog geen 1% van het totaal aantal deelnemers op de groene instellingen behoort tot de etnische minderheden. Instellingen zijn de afgelopen jaren gestimuleerd om specifiek aandacht te besteden aan deze problematiek. Dat heeft geleid tot meer aandacht op een aantal instellingen voor deze groep leerlingen, echter niet voldoende voor een structurele verandering in het gehele groene onderwijs In een brief aan de TK (Etnische minderheden in groen) van oktober 2001 heeft de minister twee beleidslijnen aangekondigd:

– Leven lang leren

– Instroom van leerlingen

Dit laatste punt is gericht op instroom van leerlingen uit etnische minderheden in VMBO, MBO en HBO. Hiervoor is voor de periode 2002–2005 ca. € 0,9 mln. beschikbaar gesteld. In augustus 2002 is een bijbehorende regeling gepubliceerd in de Staatscourant. Doel is om de deelname van etnische minderheden aan het groene onderwijs te laten toenemen. Om dit doel te bereiken dient regionale samenwerking tussen instellingen en maatschappelijke organisaties, overheden en onderwijsinstellingen versterkt te worden. Verder wordt gestreefd naar kennisverbetering van management, docenten en niet-onderwijzend personeel en tenslotte naar interculturele curriculumontwikkeling voor groene opleidingen. Uitvoering van de regeling bevindt zich in de startfase. Over resultaten kan op dit moment nog niets worden gemeld.

Een toename van het aantal studenten in de lerarenopleiding voor groene opleidingen, in het bijzonder een toename van het aantal duale studenten

Ingezet is op een toename van het aantal studenten in de lerarenopleiding voor groene opleidingen, in het bijzonder een toename van het aantal duale studenten. Dit heeft onderstaande resultaten opgeleverd.

 2000/20012001/20022002/2003
totaal aantal ingeschreven studenten641676719
totale instroom studenten291236211
totaal aantal ingeschreven duale studenten51316
instroom duale studenten596

Het terugdringen van voortijdig schoolverlaten

In het kader van voorkomen voortijdig schoolverlaten is het project Track-21 opgezet. Doel is het ontwikkelen en opzetten van een doorlopende leerlijn basisberoepsgerichte leerweg vmbo-groen naar opleidingen op kwalificatieniveau 1 (evt. 2) van het mbo-groen voor leerlingen die geen diploma basisberoepsgerichte leerweg kunnen halen. In 2002 zijn 4 pilots uitgevoerd met een doorloop in 2003. Hiermee loopt het groene onderwijs voorop.

EVC ontwikkeling agrarisch onderwijs

Van dit project zijn de eindproducten opgeleverd. Er is een platform totstandgekomen, een handboek geschreven en een leergang voor docenten ontwikkeld die door alle AOC's wordt uitgevoerd. Het project heeft bijgedragen aan de versterking van de relatie van de scholen met het bedrijfsleven in hun regio. Naar aanleiding van het project heeft een emancipatie-effectrapportage plaatsgevonden.

Andere vormen van leren en met name praktijkleren in de groene opleidingen

Aan de hand van de evaluatie van de bestaande regeling en het uitgangspunt van vraagsturing is een nieuwe regeling praktijkleren ontworpen. Deze regeling schept de kaders voor een effectieve inzet op de scholen van het voor praktijkleren beschikbare budget.

Cursusonderwijs (naschools) voor werkenden in het agrofoodcomplex wordt versterkt

Op 5 mei 2002 is de nieuwe regeling Groen cursusonderwijs van kracht geworden. In 2002 zijn in het kader van deze regeling 265 aanvragen voor het verzorgen van cursussen ingediend door de groene scholen.

Prestatiegegevens

InstrumentBegrotingRealisatie
1 Cursusonderwijs3 1000
2 Regeling Praktijkleren17 24725 440
3 Overige regelingen met subsidie14 4419 123

Cursusonderwijs: Op basis van het advies van de beoordelingscommissie is € 1,5 mln. toegewezen (verplicht) t.b.v. 75 cursussen welke als goed tot voldoende zijn beoordeeld. Bevoorschotting hiervan is eerst in 2003 aan de orde.

Doelgroepen

– Diegenen die onderwijs genieten.

– Diegenen die gebruik maken van gekwalificeerden binnen het groene domein.

Beleidsinstrumenten

– Regeling cursusonderwijs

– Rijksbijdrage IPC's

– Regeling Praktijkleren

– Arbeidsmarktonderzoek

– Uitwerking beleidsbrief allochtonen

– Regeling duale leertrajecten

09.13 Onderwijskundige vernieuwing

Het waarborgen van onderwijskundige vernieuwing in het algemeen en gericht op leren en ICT in het bijzonder. Nieuwe onderwijskundige leervormen, nieuwe technologieën zoals ICT zijn ook van belang voor groene opleidingen. Elke leerling en student in voedsel en groen moet vaardig zijn met ICT. Een ICT-rijke groene leeromgeving voor alle onderwijssoorten wordt nagestreefd.

Nadruk in het beleid ligt nu op het creëren van een goede infrastructuur. Daarnaast wordt door middel van stimulering van een aantal concrete projecten geëxperimenteerd met groene opleidingen, waarin nieuwe onderwijssoorten met ICT de nadruk krijgen. Ook andere onderwijskundige vernieuwingen zoals het meenemen van elders en eerder verworden competenties en diplomering krijgen prioriteit.

ICT is voor de instellingen inmiddels speerpunt in het eigen beleid, zowel apart als gezamenlijk (AOC's on line). Voorts is duidelijk bij de instellingen en geledingen het draagvlak gegroeid voor een gezamenlijke ICT-infrastructuur (Groen Kennisnet).

Streefwaarden

Elke leerling en student in voedsel en groen moet vaardig zijn met ICT. Binnen groene opleidingen krijgen nieuwe onderwijsvormen met ICT de nadruk.

Realisatie

– Er zijn globale OCenW-doelen op landelijk niveau (1 PC per 10 leerlingen, aansluiting op kennisnet/internet) waarvan de voortgang/realisatie wordt gemeten via de jaarlijkse ICT-monitor. Uit de laatste ICT-monitor (2002) blijkt dat voorzieningen zowel bij MBO als VMBO zijn toegenomen. Het MBO-groen loopt qua ICT-voorzieningen en -gebruik nog iets achterloopt op BVE. Bij het VMBO-groen valt het ICT-gebruik in de les enigszins tegen omdat een deel van de docenten de meerwaarde van ICT nog onvoldoende ziet.

– Overige ICT-bestedingen betreffen met name AOC's on line en Groen Kennisnet. De Groen Kennisnet activiteiten zijn ingaande 2003 door LNV overgedragen aan de Stichting Kennisnet. Met de Stichting Kennisnet worden afspraken gemaakt over doelen en rapportages.

– Een klein deel van het ICT-budget is bestemd voor HBO-groen en WO-groen vanwege een samenhangende ICT-ontwikkeling voor het groene onderwijs als geheel. De betreffende onderdelen verkeren in een stadium van voorbereiding. In het najaar zijn afspraken over doelen gemaakt. Daarbij is ook aandacht besteed aan de rapportage.

Prestatiegegevens

InstrumentBegrotingRealisatie
1 Regelingen ICT8 5768 223
2 Overige regelingen met subsidie5 2978 144

Realisatie ICT is grosso modo in overeenstemming met de begroting. Voor het onderdeel «overige regelingen met subsidie» waren de in de oorspronkelijke begroting opgenomen middelen niet toereikend voor het daaruit te dekken programma. Via begrotingsmutaties zijn middelen toegevoegd uit het onderdeel «inhoud van het onderwijs».

Doelgroepen

– Diegenen die onderwijs genieten binnen de LNV-instellingen

– Diegenen die gebruik maken van binnen de LNV-instellingen gekwalificeerden.

– Voor kenniscirculatie gaat het ook om de relevante omgeving van het groene onderwijs: o.a. ondernemers (met name leerbedrijven), maatschappelijke organisaties, onderzoek en overheid.

Beleidsinstrumenten

– Subsidieregelingen ICT vergoeding en ICT-infrastructuur Groen Onderwijs

– Opdrachten voor Groen Kennisnet en AOC's on line

– Subsidies voor Wageningen Universiteit onder andere voor Bachelor master

– Subsidies voor het hoger onderwijs onder andere HAO.COM

– Subsidies voor het voortgezet onderwijs onder andere voor ontwikkeling examens en pedagogische centra.

09.14 Internationaal onderwijs

Het stimuleren van kennisuitwisseling voor voedsel en groen op Europees en mondiaal niveau. De (toekomstige) beroepsgroep in het agro-foodcomplex zal gaan functioneren op een arbeidsmark in een internationale context. De voorbereiding daarop is een wezenlijk en onmiskenbaar onderdeel van opleiden. Naast inhoudelijke vernieuwing van opleidingen moet kennisuitwisseling bijdragen aan versnelde integratie van internationalisering in groene opleidingen.

Streefwaarden

– Verhoging van de uitwisseling van leerlingen, studenten, docenten en management.

– Introductie van het LNV beurzenprogramma voor leerlingen, studenten en docenten, management voor groene opleidingen in het kader van het bilaterale beleid van het ministerie van LNV.

– Meer bekendheid in het buitenland van de groene HBO-opleidingen.

– Toename van deelname van buitenlanders uit prioritaire landen aan Nederlandse groene opleidingen.

Realisatie

Verhoging van de uitwisseling van leerlingen, studenten, docenten en management

Mobiliteitscijfers zijn beschikbaar via bijvoorbeeld de BISON monitor. Uit de BISON monitor blijkt dat van de studenten in het HAO circa 57 % kiest voor een periode in het buitenland. Dat is aanzienlijk meer dan bij het niet groene hoger onderwijs.

Introductie van het LNV beurzenprogramma voor leerlingen, studenten en docenten, management voor groene opleidingen in het kader van het bilaterale beleid van het ministerie van LNV

In de begroting is uitgegaan van het gebruik in 2002 van een nieuwe regeling; dit is niet gelukt. Dit is veroorzaakt door de benodigde maar lange procedure voor tot stand komen van de nieuwe regeling. Er waren in de begroting geen streefwaarden in aantallen studenten/onderzoekers aangegeven omdat aantallen afhankelijk zijn van onderzoek- of cursusduur.

Meer bekendheid in het buitenland van de groene HBO-opleidingen

Op basis van voortschrijdend inzicht is na het tot stand komen van de begroting 2002 besloten dat dit een verantwoordelijkheid is van de instellingen zelf. In volgende begrotingen wordt deze streefwaarde niet meer opgenomen. LNV heeft wel subsidies verstrekt voor steunpunten HO in Jakarta en Beijing.

Toename van deelname van buitenlanders uit prioritaire landen aan Nederlandse groene opleidingen

Ook hiervan is na het tot stand komen van de begroting 2002 besloten dat het een eigen verantwoordelijkheid is van de instellingen. In volgende begrotingen wordt deze streefwaarde niet meer opgenomen. LNV stimuleert via het nieuwe beurzenprogramma de deelname van studenten uit speerpuntlanden.

Prestatiegegevens

InstrumentBegrotingRealisatie
1 Subsidiebijdrage aan EU-uitwisselingsprogramma's139 
2 Subsidiebijdrage aan HO steunpunten in het buitenland295Zie toelichting
3 LNV beurzenprogramma299 

De indeling in instrumenten is aangepast. Verantwoording is daardoor alleen mogelijk op het niveau van operationele doelstelling. Realisatie op dat niveau is € 547 000,=. Kwalitatief zijn de prestaties geleverd op het gebied van:

– Subsidiebijdrage aan EU-uitwisselingsprogramma's. LNV draagt bij aan het EU-programma Leonardo/Socrates. Dit programma kent een aantal proefprojecten in het kader van de versterking van het beroepsonderwijs (afstemming onderwijsberoepsveld) en mobiliteitsprojecten. LNV draagt ook bij aan het BAND-programma; Bilaterale Austausch Niederlanden-Deutschland; hieraan hebben 24 Nederlandse en 18 Duitse leerlingen deelgenomen. In totaal heeft LNV ca. € 0,2 mln. bijgedragen.

– Subsidiebijdrage aan HO-steunpunten in het buitenland; LNV heeft bijgedragen aan twee steunpunten in Indonesië en China. HO-instellingen kunnen hier tegen betaling gebruik van maken waarvoor deze instellingen in aanmerking komen voor subsidies van OCenW (Deltabeurzenprogramma).

– Het LNV-beurzenprogramma. In de nota Internationalisering Groen Onderwijs is aangegeven dat LNV een beurzenprogramma zal opstellen ter ondersteuning van het LNV bilaterale beleid. De regeling is in de maak.

– Internationalisering van het onderwijs. Eind 2001 is voor het HAO ca. € 0,5 mln. beschikbaar gesteld. De gezamenlijke instellingen hebben een activiteitenplan ingediend voor 2002. Dit activiteitenplan is gericht op versnelde internationalisering van de groene inhoud van het curriculum middels curriculumontwikkeling (modules, studieonderdelen, handleidingen, materialen etc) en middels internationale kennisvernieuwing van staf. In het activiteitenplan is voor de invulling het laatste onderdeel ook ingezet op staf (docenten/management)- mobiliteit. De projecten uit het activiteitenplan zijn gestart in september 2002. Momenteel zijn er nog geen resultaten (cijfers) beschikbaar over de uitvoering en bereikte resultaten.

– LNV heeft bijgedragen aan twee projecten over de vernieuwing van de inhoud van groene opleidingen: «het groene onderwijskennisspel» en «Youth Action Summit». Eerstgenoemd project is bedoeld om kennisuitwisseling tussen leerlingen en docenten uit het Europese groene onderwijs te versterken en verbeteren. Het spel is nu in ontwikkelingsfase. Het tweede project heeft 50 Nederlandse jongeren en 75 jongeren uit verschillende landen bijeengebracht om voorbereidingen te treffen voor de WSSD top in Johannesburg.

Doelgroepen

– Diegenen die onderwijs genieten.

– Diegenen die gebruik maken van gekwalificeerden in het onderwijs.

Beleidsinstrumenten

– Algemeen onderwijsbeleid, waaronder projecten Leonardo, positionering HO, project BAND.

– LNV-stimuleringsgeld, waaronder kadernota internationalisering en AOC's uitwisseling.

– LNV-beurzenprogramma

09.15 Voorlichting

Het realiseren van een optimale kennisdoorstroming over beleidsmatige ontwikkelingen met betrekking tot voedsel en groen. Het doel van de kennisdoorstroming is het bereiken dat de betrokkenen de juiste maatregelen kunnen treffen om aan regelgeving te voldoen. Hiervoor worden voorlichtingsopdrachten verstrekt voor sectoren, ketens, specifieke groepen in het agrofoodcomplex en de groene ruimte. De opdrachten zijn afgeleid van nieuwe beleidsnota's van het ministerie van LNV en worden vanaf 2001 (deels) openbaar aanbesteed.

Streefwaarde

Toenemende bekendheid met nieuwe beleidsontwikkelingen voedselen groen; nulmeting op basis van nog te ontwikkelen toetsingskader voor het integrale voorlichtingsprogramma.

Realisatie

Vaststellen van een toetsingskader voor het voorlichtingsprogramma moet nog plaats vinden. Het is op dit moment moeilijk een beeld te krijgen over de bekendheid in het veld. Nasleep van MKZ eiste begin 2002 alle aandacht. Ook later in het jaar werden er binnen de agrarische wereld vanwege de economische malaise andere prioriteiten gesteld.

Prestatiegegevens

InstrumentBegrotingRealisatie
1 Voorlichting10 0265 989

Oorzaken van de onderbesteding:

– in de aanbesteding van nieuwe voorlichtingsopdrachten is vertraging ontstaan;

– eerder verstrekte voorschotten bleken nog niet benut; aanvullende bevoorschotting is afgewezen;

– grote opdrachtnemers verzuimen voorschotten voor de relatief kleine projecten op te vragen; ze financieren zelf voor.

De subsidierelatie van LNV met vaste opdrachtnemers is vrijwel afgebouwd:

– de subsidierelatie met LTO Advies is beëindigd;

– de subsidierelatie met de DLV Adviesgroep gaat op kleine schaal door tot en met 2005;

Er is een nieuwe werkwijze geïmplementeerd: het uitzetten van voorlichtingsopdrachten via aanbestedingen. Door een breder scala van opdrachtnemers met specifieke deskundigheden wordt een bredere basis gelegd voor doelbereiking.

Doelmatigheid wordt meer gewaarborgd doordat potentiële opdrachtnemers in concurrentie moeten inschrijven. Doelmatigheid is ook bereikt door LASER in te schakelen als deskundig uitvoeringsorgaan. Doeltreffendheid is vergroot doordat de opdrachtnemers uitgebreid moeten rapporteren over de inhoudelijke en financiële planning en de (tussen)producten. Doordat de toekenning van meerdere aanbestedingen later viel dan voorzien heeft de uitvoering van deze projecten vertraging opgelopen. Bij meerjarige projecten kan eventueel deze vertraging ingelopen worden. Opdrachtnemers moeten elk kwartaal rapportages indienen met daarin de opgeleverde producten en diensten, producten in ontwikkeling, beleidssignalering en (wijzigingen in) planning en begroting. De rapportages worden gecontroleerd op inhoudelijke en financiële consequenties en indien nodig vindt bijstelling plaats van het project. Het systeem van open aanbesteding bij voorlichtingsopdrachten wordt in 2004 op zijn effecten geëvalueerd.

Doelgroepen

– Actoren binnen het LNV-beleidsterrein (producenten, consumenten, en kenniswerkers op het gebied van voedselvoorziening en groene ruimte)..

Beleidsinstrumenten

– Sociaal economische ontwikkeling (Subsidieregeling Sociaal-economische Voorlichting t.b.v. LTO Advies, het jaar 2002 was het laatste jaar voor deze subsidie).

– Technisch economische ontwikkeling (Subsidieregeling Technisch-economische voorlichting t.b.v. DLV Adviesgroep NV, loopt tot en met 2005 voor enkele biologische landbouwprojecten).

– Tenderregeling voorlichting.

Budgettaire gevolgen van beleid

(bedragen x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen106 40988 54317 866
Uitgaven83 13486 172– 3 038
Programma-uitgaven82 16885 899– 3 731
U0911 Inhoud van het onderwijs24 70226 479– 1 777
U0912 Maatwerk en flexibiliteit34 56334 788– 225
U0913 Onderwijskundige vernieuwing16 36713 8732 494
U0914 Internationaal onderwijs547733– 186
U0915 Voorlichting5 98910 026– 4 037
Apparaatsuitgaven966273693
U0922 Baten-lastendienst966273693
    
Ontvangsten1 83901 839

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

De hogere gerealiseerde verplichtingen zijn een gevolg van het feit dat de verplichting praktijkleren 2003 gedeeltelijk reeds is vastgelegd in 2002. De regeling praktijkleren wordt per schooljaar opgesteld. De lagere gerealiseerde projectuitgaven zijn met name het gevolg van lagere voorlichtingsuitgaven.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

(bedragen x € 1 000)      
 Begroting  Realisatie  
 GemiddeldeGemiddeldeTotaalGemiddeldeGemiddeldeTotaal
 sterkteprijs sterkteprijs 
Bijdrage aan LASER  273  693
       
Totaal apparaatsuitgaven  273  693

6. NIET-BELEIDSARTIKELEN

Nominaal en onvoorzien (10)

Dit artikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling en onvoorzien.

Budgettaire gevolgen «nominaal en Onvoorzien»

(x € 1 000)
10 Nominaal en OnvoorzienBegrotingRealisatie
1. Verplichtingen5 6500
2. Uitgaven5 6500
– Loonbijstelling5 4720
– Prijsbijstelling00
– Onvoorzien1780

Toelichting

In het jaar 2002 is het restant van de loonbijstelling 2001 en de loonbijstellingstranche 2002 voor een totaal bedrag van € 57 mln. toegedeeld naar de relevante artikelen.

In het jaar 2002 is het toegewezen bedrag prijsbijstelling 2002 van circa € 5 mln. , zijnde 25% van de totale prijsbijstellingstranche 2002, toegedeeld naar de relevante artikelen.

Algemeen (11)

Op dit artikel worden de uitgaven, zowel apparaat als programma, opgenomen die niet vallen onder de voorgaande beleidsartikelen. Dit betreft: de apparaatsuitgaven van staf- en andere directies van het departement, uitgaven in het kader van actieplan emancipatie, internationale contributies en de uitvoering van EU maatregelen.

Budgettaire gevolgen «Algemeen»

(x € 1 000)
11 AlgemeenBegrotingRealisatie
1. Verplichtingen223 452*317 924
2. Uitgaven223 447*318 432
2.1 Apparaatsuitgaven178 147*247 441
U 11.21 Apparaat158 624*226 741
U 11.22 Baten-lastendienst19 52320 700
2.2 Programma uitgaven45 30070 991
U 11.11 Emancipatie22793
U 11.13 Internationale contributies7 2057 476
U 11.14 Uitvoering van EU-maatregelen37 86863 422
3. Ontvangsten288 707301 680
M 11.14 Uitvoering EU-maatregelen279 768282 710
M 11.21 Apparaatsontvangsten8 93918 970

* In de stand begroting is het amendement Bolhuis (Kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 4) budgettair verwerkt.

Grafiek 11: Procentuele verdeling gerealiseerde uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaatkst-28880-30-13.gif

Toelichting op de uitgaven en verplichtingen

Ten opzichte van de begroting 2002 is sprake van € 95 mln. hogere uitgaven op dit artikel, waarvan € 69 mln. hogere apparaatsuitgaven en € 26 mln. hogere programma uitgaven.

Toelichting op de apparaatsuitgaven

(bedragen x € 1 000)
  Begroting  Realisatie 
 Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaalGemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel Algemene leiding en stafdirecties 1)694,163,243 867772,371,955 529
Personeel Overige directies 2)607,751,131 049755,755,041 562
Materieel  28 063  50 361
Materieel Ministerie algemeen  37 743  58 251
Overig apparaat  17 902  21 038
Bijdrage aan Laser  19 523  20 700
       
Totaal apparaatsuitgaven  178 147  247 441

1. Dit betreffen de personele uitgaven van de algemene leiding en de stafdirecties Kabinet (incl. de LNV-VB, welke worden toegerekend aan de HGIS), Personeel en Organisatie, Financieel Economische Zaken, Informatiemanagement en Facilitaire Aangelegenheden, de Auditdienst en de directie Voorlichting.

2. Dit betreffen de personele uitgaven voor de regio- en projectdirecties, de directies Juridische Zaken en Internationale Zaken, het Expertisecentrum LNV (EC-LNV) en de Dienst Basisregistraties (DBR).

De € 69 mln. hogere apparaatsuitgaven wordt met name veroorzaakt door:

– Hogere uitgaven personeel en materieel voor de Dienst Basisregistraties (circa € 21 mln.).

– Hogere personele en materiele uitgaven ter versterking van de ICT-structuur van het departement (circa € 20 mln.), waarvan een groot deel betrekking heeft op ICT-investeringen; zoals aanpassingen in het netwerk van LNV voor onder meer: uitbreiding capaciteit agronet, vervanging glasvezelkabels, Microsoft en Oracle licenties, omschakeling Kameleon omgeving, invoeren Rebus, aanpassingen in het local area netwerk (LAN), en het invoeren van Exchange 2000.

– Hogere uitgaven voor bouwkundige en beheersmatige voorzieningen bij de diverse LNV locaties (circa € 8 mln.), waaronder nieuwbouw EC-LNV, sloop ITAL gebouwen en asbestsanering.

– De opbouw van het digitaal loket LNV en noodzakelijke aanpassingen in het salarissysteem LNV (circa € 7 mln.).

– Loonbijstelling 2002 op het ambtelijk personeel en de prijsstijgingen bij de materiele uitgaven (circa € 6 mln.).

Toelichting programma uitgaven

Emancipatie

In 2002 is aan het Actieplan Emancipatie LNV gewerkt, onder meer aan een databank voor vrouwen en Emancipatie Effectrapportages (EER's). Er is gestart met EER-achtige verkenningen rond de Plattelandsbrief en SGR 2, die als bouwsteen worden gebruikt bij het opstellen van de agenda Vitaal Platteland. Er is extra subsidie verleend t.b.v. het verdere onderzoek naar «leven en werken op het platteland» om de betrokken arbeid-zorgpilots op het platteland effectief hun inbreng daarin te laten hebben. Daarnaast is subsidie verleend aan het project «Vrouwen aan de slag», een samenwerkingsverband van verschillende organisaties op het platteland om de participatie van agrarische en plattelandsvrouwen te bevorderen. Tevens is een bijdrage geleverd aan het 3e wereldcongres voor Plattelandsvrouwen in Spanje. Tenslotte is in Brussel in het kader van Restricted Call For Proposals VP/2002/13 een projectvoorstel «New neighbours: the reconciliation of work and family» aangevraagd en goedgekeurd.

Het boek «Buitengewoon: diversiteit en emancipatie op het platteland» over emancipatie over LNV-terreinen is tot stand gekomen en breed verspreid. Daarnaast is in 2002 een begin gemaakt om diversiteitsbeleid te integreren in het emancipatiebeleid. Er is o.a. door het LEI een onderzoek over diversiteitsbeleid uitgevoerd.

Internationale contributies

Op dit artikelonderdeel zijn diverse contributieverplichtingen verantwoord die het ministerie van LNV voldoet uit hoofde van het Nederlands lidmaatschap van internationale organisaties die zich bewegen op het beleidsterrein van LNV. De contributie aan de FAO (Food and Agricultural Organisation) van de Verenigde Naties is veruit de grootste van de op dit artikelonderdeel verantwoorde internationale contributies (in 2002 circa 87 procent van de realisatie op dit onderdeel). De FAO-contributie wordt toegerekend aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), het cluster van buitenlanduitgaven en –ontvangsten op de rijksbegroting. Het verschil tussen de begroting en realisatie is bijna volledig toe te schrijven aan een hogere bijdrage aan FAO vanwege koersverschillen.

Uitvoering van EU maatregelen

Op dit artikelonderdeel worden uitgaven samenhangend met de uitvoering van het markt -en prijsbeleid van de Europese Unie verantwoord. Het gaat daarbij om interventiekosten, medebewindskosten en de uitgaven uit hoofde van de apurementprocedure. Tevens zijn enkele internationaal georiënteerde programma-uitgaven, zoals de Zesde conferentie van Partijen bij het Biodiversiteitsverdrag (COP-VI) en de Floriade 2002 hier verantwoord. De hogere programma-uitgaven van circa € 25,5 mln. worden met name veroorzaakt door hogere apurementuitgaven en medebewindskosten. De hogere uitvoeringskosten medebewind (€ 4,8 mln.) zijn onder meer veroorzaakt door het betalen van nog openstaande «oude» afrekeningen met de productschappen. De hogere uitgaven voor apurement zijn het gevolg van een door de Europese Commissie opgelegde correctie i.v.m. de marktmaatregelen varkenspest die betrekking heeft op een onjuiste uitvoering van de opkoopregeling. Per saldo heeft dit geleid tot een meeruitgave van € 18 mln.

Toelichting Ontvangsten

Uitvoering van EU-maatregelen

Op dit artikel zijn de ontvangen vergoedingen van de Europese Unie voor de uitvoering van EU-landbouwmaatregelen verantwoord. Daarnaast zijn op dit artikel de ontvangsten samenhangend met de uitvoering van EU-maatregelen, niet zijnde EU-vergoedingen, verantwoord.

Apparaatsontvangsten

Dit artikelonderdeel betreft de ontvangsten van door directies en diensten geleverde diensten en verrichte werkzaamheden. Per saldo is sprake van een hogere ontvangst van € 13,0 mln. Dit saldo is met name veroorzaakt door doorbelasten ICT-services, detacheringen, kinderopvang en restitutie premiebetalingen.

Ontvangsten 2002 «Algemeen»

(x € 1 000)
 BegrotingRealisatie
Totaal288 707301 680
Landbouwheffingen272 268269 250
EU-ontvangsten6 81913 460
Overige ontvangsten9 62018 970

7. MEDEDELING OVER DE BEDRIJFSVOERING

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Jaar 2002

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verklaart hierbij als volgt:

In het verslagjaar 2002 is op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het financieel, het materieel beheer, de daartoe bijgehouden administraties en totstandkoming van de beleidsinformatie bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Eén en ander heeft in het verslagjaar 2002 geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen. Daarbij is een aantal punten van aandacht naar voren gekomen ten aanzien waarvan verbeteracties zijn of worden gestart:

1. Het blijkt dat bij een aantal directies en baten-/lastendiensten de onderhoudsorganisatie van de administratieve organisatie nog niet naar wens functioneert. De beschrijving van en de onderhoudsorganisatie van de administratieve organisatie van het departement zal ook in 2003 nog de nodige aandacht vragen.

2. De kwaliteit van de financiële verantwoordingsinformatie blijft ook in 2003 een punt van aandacht. Dit wil zeggen dat bij de oplevering van de verantwoordingsinformatie over 2002 nog veel interventies nodig waren om aan de vereiste kwaliteit te voldoen.

3. De ordelijke en controleerbare oplevering van de niet-financiële verantwoordingsinformatie bevindt zich in een groeitraject. Afspraken hierover tussen de beleidsdirecties en uitvoerende diensten dienen concreter ingevuld te worden. Tevens zijn de informatiesystemen nog niet voldoende toegesneden op de vereisten uit de Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek. Op grond van de Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek is een gestructureerd verbetertraject opgezet. Het verbetertraject zal eind 2004 afgerond zijn, waarbij de implementatie van nieuw op te zetten complexe informatiesystemen bij uitvoerende diensten een langere tijd in beslag kan nemen.

4. In 2002 zijn op een aantal onderdelen van de LNV-begroting budgettaire tegenvallers aan het licht gekomen. Deze tegenvallers zijn grotendeels verwerkt in de najaarsnota 2002. Over de doorwerking van de tegenvallers in 2003 is de Tweede Kamer met een brief van 29 januari jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 600 XIV, nr. 112) op de hoogte gesteld. Verder zijn maatregelen zijn in gang gezet om het management control binnen LNV te versterken. Hierdoor zal ook het begrotingsbeheer adequater kunnen worden ingevuld. Deze maatregelen worden geëffectueerd in het kader van de Veranderingsoperatie LNV 2002 -2006.

5. De stand van openstaande voorschotten is relatief hoog. De afwikkeling van de openstaande voorschotten blijft ook in 2003 een punt van aandacht.

6. Uit onderzoek blijkt dat het departementaal toezicht op de uitvoering van het Gemeenschappelijk regionaal structuurbeleid voor verbetering in aanmerking komt. Hiervoor zijn reeds in 2002 verbeteracties gestart waarover het Parlement periodiek wordt geïnformeerd.

Vanuit de departementsleiding zal in 2003 worden toegezien op het realiseren van de verbeteringen.

8. TOEZICHTSRELATIES

Het nationaal landbouwbeleid hangt nauw samen met het Europese landbouwbeleid. In deze bijlage wordt een samenhangend overzicht geboden tussen de nationale doelstellingen van LNV, zoals weergegeven in de diverse beleidsartikelen en het Europese beleid. Op deze wijze wordt inzicht verschaft in de vertaling van het Europese beleid in nationaal beleid, de nationale inzet binnen de Europese Unie en de Europese geldstromen die buiten het nationale begrotingsverband lopen. De nadruk in deze bijlage ligt op het markt -en prijsbeleid, het plattelandsbeleid en het structuurbeleid.

Plattelandsbeleid

Programma-uitgaven voor het jaar 2002; begroting vs realisatie (in € mln.)
 Begroting   Realisatie  
beleidEULNVProvinciesTotaalEULNVProvinciesTotaal
Plattelandsbeleid        
– Duurzame landbouw10,517,38,736,519,736,67,764,0
– Natuur en landschap17,8*35,914,067,711,641,112,365,0
– Waterbeheer6,26,08,420,66,67,18,822,5
– Diversificatie1,50,44,56,40,10,42,73,2
– Recreatie en toerisme2,8 4,87,61,6 5,67,2
– Leefbaarheid4,5 8,613,15,4 9,114,5
– andere acties14,926,1 41,05,65,8 11,4
Totaal58,2*85,749,0192,950,691,046,2187,8

* Als gevolg van dubbeltelling is in de begroting ten onrechte een bedrag van €22,4 mln. (Natuur en landschap) resp. € 62,8 mln. (totaal) als bijdrage EU vermeld.

In bovenstaande tabel (programma-uitgaven voor het jaar 2002) zijn de gerealiseerde financieringsstromen voor het jaar 2002 die samenhangen met het plattelandsbeleid afgezet tegen de begroting 2002. Uitgaven en ontvangsten voor plattelandsbeleid die zijn ondergebracht in het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) worden voor wat betreft de uitgaven door LNV en de bijbehorende co-financiering door de EU uit EOGFL-Garantie (ontvangsten) op de LNV-begroting verantwoord.

In het POP zijn zes prioritaire beleidsthema's te onderscheiden, waaronder maatregelen conform Verordening (EG) nr 1257/1999. Ter uitvoering van de maatregelen uit de Verordening, worden rijksregelingen en provinciale programma's ingezet. In de tabel is een overzicht gegeven van de EU-, Rijks- en Provinciale bijdragen voor het POP. De provinciale programma's worden gefinancierd door Provincies, Gemeenten en Waterschappen. De EU-bijdrage wordt wat betreft de bijdrage aan de rijksregelingen op de begroting van LNV op diverse artikelen verantwoord.

Uitvoering POP in 2002

De realisatiecijfers over het jaar 2002 zijn afkomstig van de twee betaalorganen voor het POP, namelijk LASER en DLG. Van de in 2002 beschikbare EU-middelen voor het POP (€ 58,2 mln.) is € 50,6 mln. besteed (ca. 87% van de Europese gelden voor 2002).

Belangrijkste oorzaken voor de onderuitputting zijn toe te schrijven aan een vertraging in de besluitvorming bij Landinrichtings -en Gebiedsgerichte projecten als gevolg van het laat indienen van de POP-wijzigingsvoorstellen 2002 in Brussel, de veelheid aan POP-maatregelen en de langdurige procedures en doorlooptijden bij Provinciale projecten. Specifieke POP-onderdelen waarop in 2002 onderuitputting heeft plaatsgevonden waren de regeling Agrarisch Natuurbeheer, Provinciaal Programma Waterbeheer, Landinrichting Waterbeheer, Provinciaal Programma Toerisme en Landinrichting Ontsluiting. Overeenkomstig het POP-uitvoeringsjaar 2001 werd in de loop van 2002 besloten om tegenvallende POP-inkomsten als gevolg van lagere uitgaven voor enerzijds het provinciale programma en anderzijds het Rijksprogramma in 2002 te compenseren door extra inkomsten in het kader van de grondverwerving (Verwerving Staat en de Regeling Particuliere Terreinbeherende organisaties). Desalniettemin is er in 2002 «slechts» € 50,6 mln. aan POP-inkomsten gerealiseerd.

In de begroting 2002 stonden onder het thema «Andere Acties» een aantal vroegere Begeleidende maatregelen, die gedurende het uitvoeringsjaar 2002 zijn ondergebracht bij de thema's «Duurzame Landbouw» en «Natuur en Landschap». Het gaat hierbij onder meer om de Regeling Demonstratieprojecten, de Regeling Stimulering Biologische Productiemethoden, de Regeling Beheersovereenkomst en Natuurontwikkeling (RBON) en de Regeling Stimulering Bosuitbreiding op Landbouwgronden (SBL).

Ter illustratie de realisatie van lidstaat Nederland in vergelijking met de overige EU-lidstaten (bedragen in duizenden euro's). De tabel is afkomstig van het EOGFL-comité.

 BeschikkingRealisatie 2002OnderbestedingOverbestedingRealisatie in %
België53 660,3647 491,53– 6 168,83 88,50%
Denemarken47 160,0049 757,32 2 597,32105,51%
Duitsland768 218,03730 651,38– 37 566,65 95,11%
Griekenland146 986,51158 634,05 11 647,54107,92%
Spanje489 375,19444 560,24– 44 814,95 90,84%
Frankrijk802 548,77678 149,75– 124 399,02 84,50%
Ierland333 600,00329 544,44– 4 055,56 98,78%
Italië667 744,78652 473,73– 15 271,05 97,71%
Luxemburg13 458,7512 807,76– 650,99 95,16%
Nederland58 200,0050 601,56– 7 598,44 86,94%
Oostenrijk448 000,42440 414,12– 7 586,30 98,31%
Portugal211 548,61164 990,76– 46 557,85 77,99%
Finland325 447,42320 149,44– 5 297,98 98,37%
Zweden156 452,47163 100,49 6 648,02104,25%
Engeland171 598,69147 770,55– 23 828,14 86,11%
Totaal4 694 0004 391 097,13– 323 795,7620 892,89302 902,87 93,55%

EU-Structuurfondsen

Programma-uitgaven voor het jaar 2002; begroting

(in € mln.)
  Begroting  
 EULNVProvinciesTotaal
– D215,422,2 37,6
– EPD FIOV5,66,5nvt12,1
– Leader +12,00,09,421,4
Totaal33,028,79,471,1

In bovenstaande tabel (programma-uitgaven voor het jaar 2002) zijn de begrote financieringsstromen voor het jaar 2002 die samenhangen met het structuurbeleid weergegeven. Ten aanzien van de Structuurfondsen draagt LNV primaire verantwoordelijkheid voor een aantal (deel)programma's voor Doelstelling 2. Deze programma's ontvangen vanuit de EU een bijdrage uit het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO). Rijk en lokale overheden nemen het nationale gedeelte voor hun rekening. Daarnaast is LNV verantwoordelijk voor het Communautaire initiatief Leader +. Tenslotte draagt LNV de verantwoordelijkheid voor het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV).

Informatievoorziening Structuurfondsen 2000–2006

Met als doel de Kamer het verlangde inzicht te geven in de totale financieringsstromen van de Structuurfondsen hebben de verantwoordelijke bewindspersonen besloten om ieder najaar (september) een overzicht aan de Tweede Kamer te sturen. In een door de Staatssecretaris van Economische Zaken aangeboden brief wordt per Structuurfonds inzicht verschaft in de totale omvang van begrote versus gerealiseerde geldstromen. Naast een specifieke toelichting op geconstateerde verschillen in planning en realisatie zal ook een algemene toelichting worden opgenomen ten aanzien van het uitgeoefende toezicht door de departementen.

In reeds in 2001 afgesloten convenanten tussen LNV en provincies zijn naast taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden ook heldere afspraken gemaakt over de informatievoorziening. Met deze informatie vanuit de provincies moeten de betreffende beleidsdirecties binnen LNV het inzicht verkrijgen over een rechtmatige en doelmatige aanwending van EU-subsidies.

Ten tijde van het opstellen van de verantwoording 2002 met betrekking tot de Structuurfondsen waren de financiële rapportages inzake D2 en Leader+ van de betrokken provinciale betaalautoriteiten (nog) niet beschikbaar.

In deze verantwoording kan derhalve op dit moment met betrekking tot de Structuurfondsen D2 en Leader+ slechts kwalitatieve informatie over de realisatie 2002 worden gegegeven.

EPD-D2

Halverwege 2001 zijn de «Reconstructie-EPD's Oost en Zuid» voor de programmaperiode 2000–2006 door de Europese Commissie goedgekeurd. De EPD's kennen reconstructie -en economische projecten, waarbij de uitvoering plaatsvindt in de provincies. Formeel is de samenwerking in de uitvoering van de regionale D2-programma's tussen LNV met de provincie geregeld in aparte convenanten, één voor het EPD Oost-Nederland (met de minister van LNV als primair verantwoordelijke op het niveau van de lidstaat) en één voor het EPD Zuid-Nederland (met de staatssecretaris van EZ als primair verantwoordelijke). Sinds de start van de programmeringsperiode is gebleken dat de uitvoering van de D2-programma's in samenhang met LNV-beleid, subsidieregelingen, budgetten en organisatie niet goed loopt. De in 2002 voltooide systeemaudit naar de uitvoeringsstructuur van de Structuurfondsen in Nederland heeft dat nader aangetoond. Binnen LNV zijn diverse projectgroepen gestart om scenario's te ontwerpen voor een stelsel van vereenvoudigde subsidieregelingen dat beter aansluit met de Europese kaders van onder meer de Structuurfondsen en het POP.

Voor de programmaperiode 2000–2006 heeft de Europese Commissie een verscherpt betalingsregime opgesteld. Zo is voor de periode tot en met 2006 een budget van € 169 mln. beschikbaar gesteld. Door vertraging in de goedkeuring van EPD's is de jaartranche voor 2000 gelijkelijk verdeeld over de jaren 2001 t/m 2006. Elke jaartranche moet na twee jaar zijn uitbetaald. Dit betekent dat de tranche van 2001 kan worden overgeheveld naar de resterende programmeringsperiode, met dien verstande dat gelden die in 2001 (jaar t) geprogrammeerd stonden uiterlijk in 2003 (jaar t+2) betaald en gedeclareerd moeten zijn.

Conform de afgesloten convenanten dienen de beheers -en betaalautoriteiten van zowel het EPD Oost-Nederland als het EPD Zuid-Nederland ultimo februari 2003 de financiële beheersrapportages in bij resp. het ministerie van LNV en EZ. Bij het opmaken van dit departementale jaarverslag waren de definitieve rapportages nog niet ontvangen. Op basis van de huidige inzichten kan worden vermeld dat voor het EPD Oost-Nederland per ultimo oktober 2002 ca. 18% voor het gehele EPD is gecommitteerd. In het bijzonder de maatregelen 1.1 en 1.2 in het Plattelandsprogramma (Ruimtelijke herstructurering en Natuur-, water -en milieuontwikkeling) blijven achter bij de ramingen met name als gevolg van de vertraging in het reconstructieproces. Voor het EPD Zuid-Nederland geldt dat op basis van huidige inzichten eind 2002 ca. 37% is gecommitteerd. En ook hier geldt dat er bij de LNV-georiënteerde maatregelen 1.1 en 1.2 de realisatie achterblijft bij de ramingen. Zodra de definitieve rapportages van beide EPD's ontvangen zijn zal het ministerie van LNV hiervan verslag uitbrengen.

EPD-FIOV

Vanuit het Europese Structuurfonds FIOV (Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij) worden middelen beschikbaar gesteld om structuurmaatregelen in de visserijsector te bevorderen. Het EPD voor de visserijsector is door de Europese Commissie bij beschikking C(2002)127 van 17 januari 2002 goedgekeurd. De uitgaven in het kader van het EPD/FIOV in 2002 (€ 13,6 mln.) worden verantwoord op artikel 04.14. «Herstructurering Visserij». Van de EU is in 2002 een voorschot ontvangen van € 2,25 mln. In 2002 zijn diverse activiteiten ondersteund, zoals de ontwikkeling van de pulskor en met name het uit de vaart nemen van vaartuigen. De gesaneerde vaartuigen hadden een totale capaciteit van bijna 4000 bruto ton. In december 2002 is opnieuw een saneringsronde opengesteld. Hiervoor zijn 11 vaartuigen aangemeld, met een totale capaciteit van ca. 3000 bruto ton. De bijbehorende uitgaven van€ 9,1 mln. zullen in 2003 plaatsvinden. Het streven om te voldoen aan de eis van de Europese Commissie om de vlootcapaciteit in overeenstemming te brengen met de eisen van MOP IV is inmiddels voor een aantal vlootsegmenten (grotere kotters en eurokotters) gerealiseerd. Hierdoor is de vangstcapaciteit van de vloot beter in overeenstemming gebracht met de maximaal te vangen hoeveelheden vis.

EPD-Leader+

De Leader+ programma's zijn eind juli 2001 door de Europese Commissie goedgekeurd. Beheers -en betaalautoriteit voor de programma's zijn resp. het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN), de provincie Overijssel, Noord-Brabant en Flevoland. Om de verantwoordelijksheidverdeling goed te regelen zijn convenanten afgesloten tussen het ministerie van LNV en de beheers -en betaalautoriteiten. Het communautair initiatief Leader+ richt zich met name op steun voor gebiedsgebonden, geïntegreerde en experimentele strategieën voor plattelandontwikkeling, waarbij het initiatief ligt bij partijen ter plaatse. Gelijk aan D2 geldt voor Leader+ dat iedere jaartranche na 2 jaar moet zijn uitbetaald. In dit geval betekent dit dat de jaartranche voor Leader+ 2001 uiterlijk in 2003 moet zijn uitbetaald. Op jaarbasis is co-financiering van het ministerie van LNV te verwaarlozen, de nationale bijdrage aan projecten vindt hoofdzakelijk plaats door de betrokken provincies.

Voor 2002 was in het kader van Leader+ € 12,0 mln. aan EU-inkomsten geraamd. Realisatiecijfers zijn bij het opmaken van dit jaarverslag (nog) niet beschikbaar, maar ook hier geldt dat de realisatie voor 2002 achterblijft bij eerder gemaakte ramingen.

Markt -en prijsbeleid

Programma-uitgaven voor het jaar 2002; begroting vs realisatie (in € mln.)
  Begroting   Realisatie  
beleidEULNVProvinciesTotaalEULNVProvinciesTotaal
Markt- en prijsbeleid nvtnvt     
– Premieregelingen (incl. cross-compliance)149,7  149,7153,5  153,5
– Nationale enveloppe18,2  18,20  0
– Interventies en restituties1 179,8  1 179,81 088  1 088
Totaal1 347,7  1 347,71 241,5  1 241,5

In bovenstaande tabel (programma-uitgaven voor het jaar 2002) zijn de gerealiseerde financieringsstromen voor het jaar 2002 die samenhangen met het markt -en prijsbeleid, afgezet tegen de begroting 2002. De ontvangsten uit hoofde van de landbouwheffingen worden in beleidsartikel 11 verantwoord. De uitgaven uit hoofde van het markt -en prijsbeleid worden buiten begrotingsverband verantwoord. Het betreft voornamelijk betalingen wegens exportsubsidies, hectaresteun en dierpremies.

Ten aanzien van het markt -en prijsbeleid is LNV verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering. De programma-uitgaven worden ten laste van het EOGFL-garantie gebracht en worden buiten begrotingsverband verantwoord. De nationale uitvoering van markt -en prijsbeleid is aan stringente Europese voorwaarden verbonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. De omvang van financiële correcties (apurement) geeft een indicatie van rechtmatigheid van de uitvoering. De in 2002 voor een bedrag van € 20,3 mln. aan lidstaat Nederland opgelegde correcties door de Europese Commissie, betreft een apurementskwestie in verband met de uitvoering Klassieke varkenspest 1997.

Ontvangsten uit hoofde van heffingen en douanerechten op landbouwproducten in 2002

(x € 1 mln)
 BegrotingRealisatie
Hoofdproductschap Akkerbouw: 16
Productschap Zuivel 0,0
Productschap Vee, Vlees en Eieren 0,7
Productschap Tuinbouw 0
Douane 195,4
Sub-totaal191212,1
   
Productieheffingen  
Bijdrage in de opslagkosten van suiker170
Productieheffing suiker6356,2
Productieheffing isoglucose00,2
Productieheffing inuline10,7
Sub-totaal8157,1
   
Totaal douanerechten en heffingen272269,2

In bovenstaande tabel is een overzicht van de Eigen Middelen van de Europese Unie opgenomen voorzover het de douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen betreft. Een overzicht van alle bijdragen van de lidstaat Nederland is te vinden in de verantwoording van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Vanwege een andere wijze van registreren is de onderverdeling zoals deze in de begroting 2002 is opgenomen, gewijzigd. De realisatiecijfers in deze tabel betreffen de opgelegde douanerechten over de periode januari tot en met december 2002. Op 1 januari 2002 was nog € 36,8 mln. aan douanerechten af te dragen over de periode november en december 2001. Over de periode november en december 2002 moest ultimo 2002 nog € 47,1 mln. aan douanerechten worden afgedragen. De afdracht aan de EU van de opgelegde douanerechten in 2002 heeft betrekking op de periode november 2001 tot en met oktober 2002.

Prestatiegegevens m.b.t. de uitvoering van het markt- en prijsbeleid

 Begroting  Realisatie  
Landbouwproducten en Superheffingmutatiesaantal aanvragen (x 1 000)Restitutie uitgaven (x € 1 mln)belang per aanvraag (x € 1,-)aantal aanvragen (x 1 000)Restitutie uitgaven (x € 1 mln)belang per aanvraag (x € 1,-)
Akkerbouw      
Restituties, productiesteun en invoer van akkerbouwproducten623365 419672173 237
Restituties voor verwerkte grondstoffen in voedselproducten15210468713183630
       
Zuivelproducten en melk      
Restituties en veredeling van zuivelproducten622453 947584137 121
Uitvoercertificaten5  5  
Invoercertificaten20  12  
Superheffing40  45  
       
Vlees en eieren      
Exportrestituties40862 1552714533
Invoerformulieren25  20  
Certificaten17  15  
       
Slachtpremies kalveren23417 01713232000
(aantal premiabele kalveren)(1 300)  (650)  
       
Groenten en fruit      
Exportrestituties en marktordening10363 6307344 857
Certificaten8  3  
       
Margarine, vetten en oliën      
In- en uitvoerformulieren/certificaten      
Totaal aantal aanvragen (x 1 000)443  391  
OmschrijvingBegrotingRealisatie
Totaal aantal aanvragen (x 1 000)443391
Uitgaven medebewind (x € 1 mln.)29,934,7
Totale personeelsinzet medebewind in mensjaren422418
Berekend gem. aantal aanvragen per mensjaar1 050935
Berekende gem. uitvoeringskosten per aanvraag (x € 1,-)67,689
Berekende gem. uitgaven per mensjaar (x € 1 000)7183
Apurement (x € 1 mln.)2,320,3

Implementatie Wet Toezicht Europese Subsidies (Wet TES)

Sinds 1 mei 2002 is de Wet Toezicht Europese Subsidies van kracht. Alle Nederlandse bestuursorganen die een EG-subsidie ontvangen zijn op grond van de Wet TES sinds 1 mei 2002 verplicht de betrokken minister over ontvangen subsidie en aanwending te informeren. De minister kan hierop een audit laten uitvoeren. De coördinatie en de uitvoering is onderwerp geweest in het Interdepartementaal Orgaan Directies Financieel Economische Zaken. Mede op grond van de afspraken die in dit overleg zijn gemaakt, heeft de minister van LNV de betrokken bestuursorganen gevraagd informatie te verstrekken over (autonoom) bij de EC aangevraagde EG-subsidies. Later dit jaar zal de Kamer hierover worden geïnformeerd.

C. JAARREKENING

9. VERANTWOORDINGSSTATEN

9.1 De verantwoordingsstaat van het Ministerie van LNV

Verantwoordingsstaat 2002 van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en VisserijBedragen in EUR 1 000

 
  (– 1)(– 2)(– 3=– 2–– 1)
 OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  verplich-tingenuitgavenontvang-stenverplich-tingenuitgavenontvang-stenverplich-tingenuitgavenontvang-sten
 Totaal2 015 4302 077 641623 8362 631 4362 388 424764 718616 006310 783140 882
           
 Beleidsartikelen1 786 3281 848 544335 1292 313 5122 069 992463 038527 184221 448127 909
1Versterking landelijk gebied222 573283 04179 554278 670302 52884 61356 09719 4875 059
2Realisatie van de Ecologische Hoofd (verwerving en inrichting)223 531225 1259 712281 048243 90022 07357 51718 77512 361
3Realisatie van de Ecologische Hoofd (beheer)147 082146 07614 849170 574141 7953 93323 492– 4 281– 10 916
4Economisch perspectiefvolle agroketens178 031187 39070 666110 081178 732118 265– 67 950– 8 65847 599
5Bevorderen duurzame productie124 223117 65829 733266 206151 32647 677141 98333 66817 944
6Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid159 871159 765117 454264 325257 926170 363104 45498 16152 909
7Kennisontwikkeling en innovatie282 549283 39212 934419 649310 27613 474137 10026 884540
8Kennisvoorziening359 925359 925227416 550400 37580156 62540 450574
9Kennisverspreiding88 54386 172 106 40983 1341 83917 866– 3 0381 839
           
 Niet-beleidsartikelen229 102229 097288 707317 924318 432301 68088 82289 33512 973
10Nominaal en onvoorzien5 6505 650 00 – 5 650– 5 650 
11Algemeen223 452223 447288 707317 924318 432301 68094 47294 98512 973

9.2 De samenvattende verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten

Samenvattende verantwoordingsstaat 2002 inzake baten-lastendiensten van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Bedragen in € 1 000
 (1)(2)(3)=(2)–(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgesteld begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten-lastendienst LASER   
    
Totale baten45 17681 03335 857
Totale lasten45 17680 27335 097
Saldo van baten en lasten0760760
    
Totale kapitaalontvangsten4 9927 5212 529
Totale kapitaaluitgaven6 70410 1063 402
    
Baten-lastendienst Bureau Heffingen   
    
Totale baten47 41354 3856 972
Totale lasten47 41352 1674 754
Saldo van baten en lasten02 2182 218
    
Totale kapitaalontvangsten9 7534 813– 4 940
Totale kapitaaluitgaven16 1518 840– 7 311
    
Baten-lastendienst Plantenziektenkundige Dienst   
    
Totale baten23 46524 5361 071
Totale lasten23 46526 7033 238
Saldo van baten en lasten0– 2 167– 2 167
    
Totale kapitaalontvangsten726600– 126
Totale kapitaaluitgaven1 4162 7951 379

10. FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTATEN

01 Versterking landelijk Gebied

(x € 1 000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen278 670222 57356 097
Waarvan garantieverplichtingen   
Uitgaven302 528283 04119 487
Programma-uitgaven228 682237 038– 8 356
U0111 Gebiedenbeleid81 94678 2613 685
U0112 Reconstructie varkenshouderij11 3508 8082 542
U0113 Landelijk Natuurlijk62 80170 819– 8 018
U0114 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad«35 29740 351– 5 054
U0115 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied35 27636 670– 1 394
U0116 Internationaal natuurlijk2 0122 129– 117
Apparaatsuitgaven73 84646 00327 843
U0121 Apparaat72 68544 91327 772
U0122 Agentschappen/bls-diensten1 1611 09071
    
Ontvangsten84 61379 5545 059

Het hoger bedrag aan aangegane verplichtingen houdt o.m. verband met de hogere gerealiseerde apparaatsuitgaven waarbij het uitgavenbedrag gelijk is aan de verplichtingen en extra aangegane verplichtingen ten behoeve van de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB) waarvoor verplichtingenruimte beschikbaar is gesteld door de Ministeries van VROM en V&W. De verschillen bij de doelstellingen zijn toegelicht bij de prestatiegegevens.

02 Realisatie van de EHS (verwerving en inrichting)

(x € 1 000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen281 048223 53157 517
Waarvan garantieverplichtingen9 1009 07624
Uitgaven243 900225 12518 775
Programma-uitgaven225 836214 09511 741
U0211 Verwerving droge EHS186 248179 9076 341
U0212 Verwerving natte EHS17 7644 04013 724
U0213 Inrichting droge EHS18 64719 893– 1 246
U0214 Inrichting natte EHS3 17710 255– 7 078
Apparaatsuitgaven18 06411 0307 034
U0221 Apparaat17 33210 3426 990
U0222 Baten-lastendienst73268844
    
Ontvangsten22 0739 71212 361

De verschillen tussen de begroting en de realisatiecijfers zijn toegelicht bij de verschillende operationele doelstellingen.

03 Realisatie van de EHS (beheer)

(x € 1 000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen170 574147 08223 492
Uitgaven141 795146 076– 4 281
Programma-uitgaven118 576134 382– 15 806
U0311 Beheer van de EHS118 576134 3821– 15 806
Apparaatsuitgaven23 21911 69411 525
U0321 Apparaat10 4505 3835 067
U0322 Baten-lastendienst12 7696 3116 458
    
Ontvangsten3 93314 8491– 10 916

1 In bovengenoemde bedragen is het amendement nr. 4 (Bolhuis) op de begroting 2002 van LNV verwerkt. Hiertoe is ten opzichte van de oorspronkelijke begroting het bedrag op doelstelling 03.11 met € 10 mln. verhoogd en de ontvangstenbegroting met € 5 mln.

In 2002 zijn meer verplichtingen aangegaan ten behoeve van de Subsidieregelingen vallend onder Programma Beheer (SN en SAN). Deze zullen in latere jaren tot kaseffecten leiden.

De lagere kasrealisatie betreft o.m. het feit dat de toegevoegde kasmiddelen inzake het amendement Bolhuis met het oog op een correcte uitvoering naar latere jaren zijn verschoven. Voorts is een deel van het beschikbare budget voor Programma Beheer op beleidsartikel 1 verantwoord.

04 Economisch perspectiefvolle agroketens

(x € 1 000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen110 081178 031– 67 950
Uitgaven178 732187 390– 8 658
Programma-uitgaven127 680146 772– 19 092
0411 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex11 0289 1201 908
0412 Herstructurering Veehouderij93 510101 038– 7 528
0413 Herstructurering glastuinbouw en duurzaam gebruik energie8 56723 001– 14 434
0414 Herstructurering visserij14 57513 613962
    
Apparaatsuitgaven51 05240 61810 434
U0421 Apparaat23 50820 4923 016
U0422 Baten-lastendienst27 54420 1277 418
    
Ontvangsten118 26570 66647 599

In de begroting 2002 waren de verplichtingen en de uitgaven geraamd voor zowel de 1e als de 2e tranche van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). Op dit artikel zijn in 2002 uiteindelijk de uitgaven in het kader van de 1e tranche verantwoord en op artikel 5 de verplichtingen en uitgaven in het kader van de 2e tranche. Daarnaast zijn er in 2002 geen verplichtingen aangegaan in het kader van de Stimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden (Stidug). Als gevolg van het feit dat de Regeling structuurverbetering glastuinbouw (RSG) in 2001 niet is opengesteld zijn er ook minder uitgaven in 2002 gedaan. De hogere apparaatskosten zijn voornamelijk veroorzaakt door hogere uitvoeringskosten bij de baten-lastendiensten LASER en Bureau Heffingen.

In 2002 zijn meer middelen benodigd voor het mestbeleid en voor de financiering van maatregelen uit hoofde van de brandstofcompensatie dan geraamd. Deze middelen zijn vanuit het O&S-fonds voor de Landbouw ter beschikking gesteld en op dit artikel verantwoord.

05 Bevorderen duurzame productie

(€ 1 000)RealisatieVastgestelde begroting*Verschil
Verplichtingen266 206124 223141 983
Uitgaven151 326117 65833 668
Programma-uitgaven55 69540 69914 996
U0511 Bevorderen biologische landbouw8 25911 557– 3 298
U0512 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen40 45621 37419 082
U0513 Vermindering milieubelasting door gewasbescherming4 5485 652– 1 104
U0514 Verbeteren dierenwelzijn1 9851 380605
U0515 Ecologische duurzame visserij447736– 289
    
Apparaatsuitgaven95 63176 95918 672
U0521 Apparaat36 49831 4875 011
U0522 Baten-lastendienst59 13345 47213 661
    
Ontvangsten47 67729 73317 944

* In de stand vastgestelde begroting is het amendement nr. 42 (van der Vlies) op de begroting 2002 van LNV verwerkt. Hiertoe is ten opzichte van de oorspronkelijk ingediende begroting het bedrag op doelstelling 05.12 met € 7,5 mln. verhoogd en de ontvangstenbegroting met € 3.75 mln.

De hogere verplichtingen en programma-uitgaven hebben grotendeels te maken met de 2e openstelling van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). De verplichtingen hiervoor stonden deels geraamd op artikel 04. De hogere apparaatsuitgaven zijn voornamelijk veroorzaakt door hogere uitvoeringskosten voor projecten en regelingen bij de baten-lastendiensten LASER, Plantenziektenkundige Dienst en Bureau Heffingen en hogere apparaatsuitgaven bij de directie Visserij.

06 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid

(x € 1 000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen264 325159 871104 454
Uitgaven257 926159 76598 161
Programma-uitgaven103 97446 15057 824
U0611 Diergezondheid83 65426 66456 990
U0612 Voedselveiligheid20 32019 486834
    
Apparaatsuitgaven153 952113 61540 337
U0621 Apparaat153 952113 61540 337
    
Ontvangsten170 363117 45452 909

De uitgaven voor BSE-maatregelen zijn voor 2002 uitgekomen € 54,3 mln. Hiervoor waren geen uitgaven begroot. De kosten hadden betrekking op het volgende:

– In 2002 zijn de kosten van de monstername van BSE-testen door de RVV ten laste van het Rijk gekomen. De kosten hiervan bedroegen € 6,7 mln.

– In 2002 is een bedrag van € 10,7 mln. betaald in verband de financiële afwikkeling van BSE-testen die in 2001 zijn uitgevoerd. Het betreft onder andere een terugbetaling aan de Europese Commissie (€ 4,5 mln.) en rekeningen van het Centraal Instituut Dierziekten Controle (CIDC) te Lelystad (€ 4 mln.) voor in 2001 uitgevoerde testen.

– Ten behoeve van de monitoringsuitgaven in het kader van BSE (onderzoek naar BSE bij gestorven runderen) is in totaal € 2,7 mln. betaald.

– De uitgaven voor destructie hebben € 30,6 mln. bedragen. Hiervan heeft een bedrag van € 13,7 mln. betrekking op het vernietigen van oude voorraden diermeel uit 2001 en een bedrag van € 16,9 mln. betrekking op de bijdrage van LNV in het ophalen en vernietigen van kadavers in 2002.

Met deze maatregelen wordt beoogd te voorkomen dat er BSE-materiaal in het voedselcircuit terecht komt. Een deel van de hier bovengenoemde uitgaven zijn doorberekend aan het Diergezondheidsfonds. Het betreft BSE-monitoring op kadavers (€ 2,2 mln.) en destructie-uitgaven voor diermeel en kadavers (€ 30,1 mln.)

Uit hoofde van de MPA crisis is beleidsartikel 6 met € 7,1 mln. verhoogd en tevens is € 10,0 mln. aan toegevoegd voor destructie. Aanleiding was het besluit van de Tweede Kamer op de geplande verhoging van de destructietarieven in de voorhangprocedure niet goed te keuren.

07 Kennisontwikkeling en innovatie

(x € 1 000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen419 649282 549137 100
Uitgaven310 276283 39226 884
Programma-uitgaven301 896278 70123 195
U0711 Het instandhouden en ontwikkelen van relevante wetenschappelijke expertise278 109260 75117 358
U0712 Het generen van (innovatieve) kennis23 78717 9505 837
Apparaatsuitgaven8 3804 6913 689
U0721 Apparaat8 3804 6913 689
    
Ontvangsten13 47412 934540

De hogere verplichtingenrealisatie is een gevolg van het feit dat de verplichtingen voor de rijksbijdragen 2002 en 2003 voor Wageningen Universiteit in 2002 zijn vastgelegd. Het verplichtingenbedrag is inclusief de verplichtingen van het innovatienetwerk groene ruimte en agrocluster en de verplichting voor apparaatsuitgaven. De hogere programma-uitgaven zijn een gevolg van loonbijstelling en overheveling van projectbudgetten voor onderzoek door andere directies. De hogere apparaatsuitgaven zijn een gevolg van betalingen voor herplaatsingskandidaten Praktijkonderzoek die op basis van bestaande verzelfstandigingsafspraken ten laste zijn gebracht van het apparaatsartikel.

08 Kennisvoorziening

(x € 1 000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen416 550359 92556 625
Uitgaven400 375359 92540 450
Programma-uitgaven400 375359 92540 450
U0811 Het waarborgen van het aanbod en de kwaliteit van voorzieningen voor groen onderwijs400 375359 92540 450
    
Ontvangsten801227574

Hogere uitgaven dan geraamd in de begroting 2002 zijn het gevolg van de loon- en prijsbijstelling, leerlingstijging voortgezet onderwijs,hogere uitgaven Voortgezet Onderwijs door hogere gemiddelde personeelslast («van Rijn-gelden»).

09 Kennisverspreiding

(x € 1 000)RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen106 40988 54317 866
Uitgaven83 13486 172– 3 038
Programma-uitgaven82 16885 899– 3 731
U0911 Inhoud van het onderwijs24 70226 479– 1 777
U0912 Maatwerk en flexibiliteit34 56334 788– 225
U0913 Onderwijskundige vernieuwing16 36713 8732 494
U0914 Internationaal onderwijs547733– 186
U0915 Voorlichting5 98910 026– 4 037
Apparaatsuitgaven966273693
U0922 Baten-lastendienst966273693
    
Ontvangsten1 83901 839

De hogere gerealiseerde verplichtingen zijn een gevolg van het feit dat de verplichting praktijkleren 2003 gedeeltelijk reeds is vastgelegd in 2002. De regeling praktijkleren wordt per schooljaar opgesteld. De lagere gerealiseerde projectuitgaven zijn met name het gevolg van lagere voorlichtingsuitgaven.

10 Nominaal en onvoorzien

(x € 1 000)BegrotingRealisatie
1. Verplichtingen5 6500
2. Uitgaven5 6500
– Loonbijstelling5 4720
– Prijsbijstelling00
– Onvoorzien1780

In het jaar 2002 is het restant van de loonbijstelling 2001 en de loonbijstellingstranche 2002 voor een totaal bedrag van € 57 mln. toegedeeld naar de relevante artikelen.

In het jaar 2002 is het toegewezen bedrag prijsbijstelling 2002 van circa € 5 mln. , zijnde 25% van de totale prijsbijstellingstranche 2002, toegedeeld naar de relevante artikelen.

11 Algemeen

(x € 1 000)BegrotingRealisatie
1. Verplichtingen223 452*317 924
2. Uitgaven223 447*318 432
2.1 Apparaatsuitgaven178 147*247 441
U 11.21 Apparaat158 624*226 741
U 11.22 Baten-lastendienst19 52320 700
2.2 Programma uitgaven45 30070 991
U 11.11 Emancipatie22793
U 11.13 Internationale contributies7 2057 476
U 11.14 Uitvoering van EU-maatregelen37 86863 422
3. Ontvangsten288 707301 680
M 11.14 Uitvoering EU-maatregelen279 768282 710
M 11.21 Apparaatsontvangsten8 93918 970

* In de stand begroting is het amendement Bolhuis (kmst. 2001–2002, 28 000XIV, nr. 4) budgettair verwerkt.

Ten opzichte van de begroting 2002 is sprake van € 95 mln. hogere uitgaven op dit artikel, waarvan € 69 mln. hogere apparaatsuitgaven en € 26 mln. hogere programma uitgaven.

11. FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTAAT VAN DE BATEN-LASTENDIENSTEN

Bureau Heffingen

Algemeen

Bureau Heffingen is een agentschap van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij dat belast is met de uitvoering van wet- en regelgeving op het gebied van het mestbeleid. Bureau Heffingen wil als uitvoeringsorganisatie de logische schakel zijn tussen beleid en doelgroepen en gaat voor een effectieve uitvoering van beleid. Opdrachtgevers mogen rekenen op een efficiënte wijze van uitvoering van de wet- en regelgeving, doelgroepen mogen rekenen op een klantgerichte service. In het type werk van Bureau Heffingen zijn twee belangrijke componenten te onderscheiden.

– Het omzetten van wet- en regelgeving in administratieve processen

– Het registreren en beoordelen van gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van die wet- en regelgeving.

Ter ondersteuning van de uitvoering van het mestbeleid is in de loop der jaren een aantal instrumenten ingezet. Door middel van de inzet van het instrument Rechten is beoogd een plafond aan te brengen in het houden van dieren (via mestproductie-, varkens- en pluimveerechten). Mineralen Aangiftesysteem (Minas) kijkt naar het totale mineralenmanagement van het boerenbedrijf. Het systeem werd in 1998 ingevoerd. Aan de ene kant wordt geregistreerd hoeveel mineralen de boer aanvoert (kunstmest, voer) en aan andere kant wordt gemeten hoeveel er weer uitgaat (mest, dieren, producten). Om de norm van 50 mg nitraat per liter grondwater te kunnen halen, is per 1 januari 2002 een nieuw stelsel ingevoerd: het stelsel van mestafzetovereenkomsten (MAO). Iedere veehouder moet voorafgaand aan ieder jaar aangeven waar hij zijn mest kwijt kan. Voor het stelsel van mestafzetovereenkomsten houdt Nederland twee normen aan: op een hectare landbouwgrond mag 170 kg stikstof afgezet worden en op grasland 250 kg (normen 2003).

Naast de uitvoering van de drie genoemde stelsels heeft BHf nog een aantal andere taken in haar werkpakket. Deze taken bestaan uit:

– Uitvoering van de Wet herstructurering varkenshouderijen, de Opkoopregeling varkensrechten en de

– Regeling beëindiging veehouderijtakken;

– Uitvoeren van de Regeling administratieve voorschriften bestrijdingsmiddelen;

– FIER (Financiering Identificatie en Registratie);

– Leveren van inbreng bij vormgeving van het nieuwe mestbeleid en de totstandkoming van regelgeving en het verschaffen van gegevens ter beoordeling van de effectiviteit van het gevoerde beleid.

Daarnaast zijn er inspanningen geleverd ten aanzien van de volgende ontwikkelingen:

– Bureau Heffingen in ontwikkeling (O2OT)

Om de uitvoeringsorganisatie meer klantgericht te maken heeft BHf in 2002 het ontwikkelingstraject O2OT gestart. Het O2OT programma geeft sturing aan alle gewenste veranderingen in het ontwikkelingstraject van onze organisatie. In 2002 zijn in het kader van het O2OT programma twee activiteiten gerealiseerd: het bedrijfsprocesmodel en de beleidsafdeling (KUO).

– Klantgerichtheid in het uitvoeringsproces

Klantgerichtheid is een essentiële voorwaarde om de kantelingoperatie van het bureau naar Het LNV-loket, Dienst Basis Registraties en backoffices een succesvolle wending te geven. Activiteiten die zijn gerealiseerd in dit kader zijn o.a. de invoering van het nieuwe Vervoersbewijs, herontwerp proces Bedrijfsoverdrachten en de integratie van de boerenlijn met Het LNV-Loket.

– Efficiëntie in de werkprocessen

In de afgelopen jaren is vooral gewerkt aan het structureren van de werkprocessen. In de meningsvorming over de performance van onze organisatie speelt efficiëntie in de werkprocessen een zeer belangrijke rol. Het vaststellen van realistische, maar kwalitatief zware normen en deze ook halen is de maat geweest in 2002.

– Een gezond en prettig werkklimaat

Zeker nu de organisatie zo sterk in beweging is, is een prettig en gezond werkklimaat essentieel. In 2002 heeft expliciet de beleving en betrokkenheid van medewerkers bij de organisatie centraal gestaan. Opleidingen, training en coaching hebben hierbij een cruciale rol gespeeld.

– Achterstanden wegwerken in de huidige kernactiviteiten

In het kader van de effectiviteit van de wet- en regelgeving is actualiteit betrachten van groot belang. In 2002 heeft het wegwerken van achterstanden daarom hoogste prioriteit gekend. Dit is ook vanuit het oogpunt van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de overheid een vereiste geweest. De doelstellingen m.b.t. de MINAS-aangiftejaren 1998 en 1999 zijn gerealiseerd. Beide aangiftejaren zijn voor 99% afgehandeld. Het aangiftejaar 2000 is voor 89% verwerkt. Op 31 december zijn er 80 629 aangiften 2001 ontvangen. Gelet op het aantal in het aangiftejaar 2000 is de conclusie meer dan gerechtvaardigd dat minimaal 95% binnen is. In februari 2003 is gestart met de afhandeling van de aangiftes 2001.

– Vermindering van de administratieve lastendruk

Zowel de uitvoeringslast voor de boer (en de sector) beperken als het terugdringen van de uitvoeringskosten van het Bureau is een belangrijk doel geweest in 2002. Resultaten zijn o.a. geboekt in het terugdringen van het percentage retourpost van 15% naar 7,5%.

– Actieve voorlichting en communicatie

Er is gebleken dat er een grote behoefte blijkt te bestaan bij onze klantgroepen om een bezoek te brengen aan BHf, gekoppeld met specifieke voorlichting of discussie over een bepaald onderwerp. Vanuit BHf is dit een uitstekende manier om enerzijds draagvlak voor beleid en uitvoering te creëren en anderzijds de klant goed te informeren over uitvoeringsaspecten. Het draagt tevens bij aan een beter imago van BHf, zijnde een klantgericht en transparant bedrijf dat hard werkt aan efficiency en vermindering van lastendruk.

– Flexibiliteit

De snelheid waarmee de omgeving van Bureau Heffingen verandert maakt het noodzakelijk dat Bureau Heffingen een flexibele organisatie moet zijn. Door Bureau Heffingen is, om dit te kunnen realiseren, een aantal activiteiten uitgevoerd. Om meer richting te geven aan de ontwikkeling en doorstroom van medewerkers is in 2002 het project loopbaanbeleid uitgevoerd. Resultaat is dat per werksoort (primair proces, ICT, logistiek, management en staf) de loopbaanpaden van Bureau Heffingen, DBR en Het LNV-Loket in kaart zijn gebracht. In samenwerking met DBR, Het LNV-Loket en LASER-Noord zijn de mogelijkheden om vaste medewerkers de kans te geven zich bij andere organisaties te ontwikkelen uitgezocht en vervolgens is er een pool van Breed Inzetbare Krachten (de zgn. BIK-pool) opgezet. Bureau Heffingen hecht veel waarde aan het optimaal benutten van het aanwezige talent. De juiste medewerker op de juiste plaats. Om daar nog beter op te kunnen sturen, zijn de competentieprofielen vernieuwd en uitgewerkt in vier niveaus.

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Algemeen

De waardering en resultaatbepaling hebben plaats gevonden met inachtneming van de algemene beginselen van voorzichtigheid, toerekening aan perioden, continuïteit en bestendige gedragslijn. Voor zover niet anders vermeld, zijn de activa en passiva verantwoord tegen nominale waarde.

Vaste Activa

Waardering geschiedt inclusief BTW.

De immateriële en materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen. Afschrijvingen vinden plaats op basis van de geschatte gebruiksduur waarbij de restwaarde is gesteld op nul. Vanaf het jaar 2002 is de berekeningswijze van de afschrijvingen over de investeringen maatwerk software gewijzigd. De afschrijvingslast wordt berekend over de gemiddelde jaarinvestering, waarbij de geschatte levensduur ongewijzigd blijft. Door de gewijzigde berekening is de totale afschrijvingslast (€ 6,4 mln.) € 0,12 mln. hoger.

Resultaat

De resultaten zijn berekend op basis van aanschaffingsprijs, waarbij de baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.

Buitengewone baten en lasten

De buitengewone baten en lasten betreffen resultaten die geen betrekking hebben op de normale bedrijfsvoering.

Beheerscommissie

Bureau Heffingen voert namens de gezamenlijke inwonende rijksdiensten (Beheerscommissie) het materiële en financiële beheer over het Rijkskantorencomplex Mandemaat 3. De hieruit voortvloeiende vorderingen en schulden zijn in de balans van Bureau Heffingen opgenomen. Bureau Heffingen heeft in dit kader feitelijk een kassiersfunctie. Namens de Beheerscommissie is in de afgelopen jaren inventaris aangeschaft. Deze inventaris is op de balans van Bureau Heffingen geactiveerd voor dat gedeelte waarvoor Bureau Heffingen ten tijde van de aanschaf gebruiker was van het Rijkskantorencomplex, en derhalve betaalde.

Balans per 31 december 2002

bedragen in € 1 000
 Balans 2002Balans 2001
Activa  
Immateriële vaste activa  
* ontwikkeling maatwerk software5 2966 518
* ontwerp formulieren95257
* standaardsoftware300335
Materiële vaste activa  
* verbouwingen1 7791 624
* installaties en inventaris1 7412 111
* hardware1 8722 078
Vlottende activa  
Debiteuren4 027671
nog te ontvangen611521
liquide middelen7 6888 032
   
Totaal activa23 40922 147
   
Passiva  
Eigen vermogen  
* algemene reserve1 2760
* saldo exploitatie boekjaar2 2181 276
Lening Ministerie van Financiën6 3356 596
Voorzieningen  
* proceskosten boycotprocedures036
* verplaatsing intern rekencentrum0363
Kortlopende schulden  
* aflossingsverplichtingen < 1 jaar5 0614 293
* crediteuren2 0272 520
* nog te betalen6 4927 063
   
Totaal passiva23 40922 147

Toelichting

Vaste activa

De vaste activa bestaan uit activa die gedurende meerdere jaren een bijdrage leveren aan het «productieproces» bij Bureau Heffingen en dientengevolge een bijdrage leveren aan toekomstige opbrengsten van Bureau Heffingen.

De afname in de activa is ontstaan door per saldo lagere investeringen ten opzichte van de afschrijvingen. Er is vnl. geïnvesteerd in ontwikkeling maatwerk software (€ 2,9 mln.) alsmede in verbouwingen en hardware (€ 1,2 mln.). De investeringen in ontwikkeling maatwerk software hebben onder andere betrekking op het nieuwe mestbeleid (MAORI). Bij verbouwingen betreffen de investeringen voornamelijk de investeringen in de kantoorpanden aan de Schepersmaat. De investeringen in hardware betreffen met name de opgenomen investeringsverplichting voor de vervanging van één van de file servers.

Investeringen

(bedragen in € 1 000)
 BegrotingRealisatie
Immateriele vaste activa  
Ontwikkeling maatwerk software5 3142 938
Ontwerp formulieren2720
Standaard software631120
Subtotaal6 2173 058
   
Materiele vaste activa  
Verbouwingen91404
Installaties en inventaris832292
Hardware2 613793
Subtotaal3 5361 489
   
Totaal investeringen9 7534 547

Immateriële vaste activa

(bedragen in € 1 000)
 Ontwikkeling maatwerk softwareOntwerp formulierenStandaard softwareTotaal
Aanschafwaarde14 3581 41781416 589
Cumulatieve afschrijvingen7 8401 1604799 479
Boekwaarde per 31 dec 20016 5182573357 110
     
Mutaties 2002:    
Bij: investeringen2 93801203 058
Af: boekwaarde verkopen0000
afschrijvingen4 1601621554 477
Totale mutaties– 1 222– 162– 35– 1 419
     
Aanschafwaarde17 2961 41793419 647
Cumulatieve afschrijvingen120001 32263413 956
Boekwaarde per 31 dec 20025 296953005 691

De immateriële vaste activa bestaan uit aan derden betaalde ontwikkelingskosten voor maatwerk software en formulieren en ingekochte standaard software. De afschrijvingstermijn is gesteld op drie jaren.

Materiële vaste activa

(bedragen in € 1 000)
 VerbouwingenInstallaties en inventarisHardwareTotaal
Aanschafwaarde2 9514 4384 63312 022
Cumulatieve afschrijvingen1 3272 3272 5556 209
Boekwaarde per 31 dec 20011 6242 1112 0785 813
     
Mutaties 2002:    
Bij: investeringen4042927931 489
Af: boekwaarde verkopen001313
afschrijvingen2496629861 897
Totale mutaties155– 370– 206– 421
     
Aanschafwaarde3 3554 7305 34813 433
Cumulatieve afschrijvingen1 5762 9893 4768 041
Boekwaarde per 31 dec 20021 7791 7411 8725 392

De materiële vaste activa hebben betrekking op verbouwingen, inventaris en installaties en hardware. Als grens voor het activeren is een bedrag van € 454,= per factuur gehanteerd. Voor verbouwingen is deze grens gesteld op € 11 344,= per project. De afschrijvingstermijnen zijn respectievelijk 10, 5 en 3 jaar. De aanschafwaarde van de desinvesteringen bedraagt € 78 000,=.

Vlottende activa

Debiteuren

(bedragen in € 1 000)
 31-dec-0231-dec-01
Vorderingen Bureau Heffingen3 954569
Vorderingen Beheerscommissie73102
Saldo debiteuren4 027671

De debiteuren zijn volledig als kortlopend te beschouwen. De toename van de post debiteuren heeft betrekking op de doorberekening van een aantal projecten en kosten aan specifieke LNV onderdelen (€ 3.9 mln. moederdepartement LNV). De vordering op het moederdepartement LNV is ontstaan uit hoofde van door Bureau Heffingen verrichte uitgaven ten behoeve van Het LNV loket in oprichting.

Nog te ontvangen

(bedragen in € 1 000)
 31-dec-0231-dec-01
Vooruitbetaalde kosten589507
Nog te ontvangen Beheerscommissie09
Salaris-/cursus voorschotten225
Saldo nog te ontvangen611521

Vooruitbetaalde kosten zijn die kosten die betrekking hebben op het jaar 2003 maar waarvan de betaling reeds voor 31 december 2002 heeft plaatsgevonden.

Liquide middelen

De specificatie van de liquide middelen is:

(bedragen in € 1 000)
 31-dec-0231-dec-01
Kas01
Rabobank00
Rekening courant Ministerie van Financiën7 6888 031
Saldo liquide middelen7 6888 032

Passiva

Eigen vermogen

Het verloop van het eigen vermogen is als volgt:

(bedragen in € 1 000)
 Saldo exploitatieAlgemene reserveAgentschapsvermogen
Stand per 31 dec 20011 27601 276
Saldo exploitatie boekjaar 20022 218 2 218
Bestemming resultaat vorig boekjaar– 1 2761 2760
Stand per 31 december 20022 2181 2763 494

Bureau Heffingen stelt voor om vanuit het exploitatiesaldo 2002 € 1,7 mln. uit te keren aan het moederdepartement LNV. Dit voorstel in nog niet in de balans verwerkt. Het eigen vermogen voor winstbestemming laat een positief saldo van € 3,5 mln. zien.

Leningen bij het MvF

(bedragen in € 1 000)
Overzicht leningenLooptijd in jarenRente percen tageStand lening per 31/12/'01Opgenomen in 2002Aflossingen in 2002Stand lening per 31/12/'02Kortlopend deel 1 jaarStand lening excl.kortlopend per 31/12/'02
Lening conv-237010/5/35,002 12701 0611 066365701
Lening len2000–01–2370105,5523702621126185
Lening len2000–02–23705,675,0938109528695191
Lening len2000–03–23703,674,853 15301 5761 5771 5770
Lening len2001–01–2370105,14200218216
Lening len2001–02–237054,639330187746187559
Lening len2001–03–237034,434 03801 3462 6921 3461 346
Lening 2002–01104,670300030030270
Lening 2002–0253,7205000500100400
Lening 2002–0333,3504 00004 0001 3332 667
Totaal  10 8894 8004 29311 3965 0616 335

Betreft leningen van het Ministerie van Financiën, welke in 2000, 2001 en 2002 zijn aangegaan.

In december is gebruik gemaakt van de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën. Hierdoor is € 4,8 mln. aan liquide middelen beschikbaar gekomen. De kortlopende aflossingsverplichting (€ 5,1 mln.) is verantwoord onder de kortlopende schulden. De langlopende schulden zijn per saldo afgenomen tot € 6,3 mln. (langlopende deel).

Voorzieningen

Het verloop van de voorzieningen is als volgt:

(bedragen in € 1 000)
 VoorzieningenTotaal
Stand per 31 dec 2001399399
Bij: dotaties00
Af: vrijval399399
Stand per 31 dec 200200

De voorziening voor proceskosten inzake boycotprocedures (€ 36 000) en de voorziening voor het verplaatsen en herinrichten van de informatie- en innovatieafdeling Rekencentrum (€ 363 000) zijn in 2002 geheel vrijgevallen. Door veranderde toekomstverwachtingen heeft BH besloten om het besluit inzake de verplaatsing van het Rekencentrum in te trekken.

Kortlopende schulden

De kortlopende schulden zijn onderverdeeld in aflossingsverplichtingen < 1 jaar, crediteuren en nog te betalen.

De aflossingsverplichting (< 1 jaar) van de langlopende schulden bedraagt € 5,0 mln. en is verantwoord onder de kortlopende schulden.

De samenstelling van de post crediteuren is als volgt:

(bedragen in € 1 000)
 31-dec-0231-dec-01
Crediteuren Bureau Heffingen2 0242 459
Crediteuren Beheerscommissie361
Totaal crediteuren2 0272 520

De post crediteuren bestaat vnl. uit nog te betalen facturen van externen, drukwerkkosten, portikosten en telefoonkosten.

De samenstelling van de post nog te betalen is als volgt:

(bedragen in € 1 000)
 31-dec-0231-dec-01
Aanspraken op vakantiegelden714643
Interimregeling ziektekosten189190
Openstaande vakantiedagen377367
Declaraties medewerkers Bureau Heffingen1411
Nog te ontvangen facturen3 4492 808
Kosten beheerscommissie05
Vooruitontvangen «leges»294328
Vooruitontvangen bijdragen1 4552 711
Totaal nog te betalen6 4927 063

De post nog te ontvangen facturen ad € 3,4 mln. heeft geheel betrekking op in 2003 te ontvangen facturen over 2002.

De vooruitontvangen «leges» hebben betrekking op leges die in 2002 door veehouders zijn betaald voor de behandeling van overdracht van mestproductierechten dan wel varkensrechten of pluimveerechten waarvan de afhandeling van de overdracht in 2003 plaats zal vinden. De ontvangen leges waarvan de afhandeling in 2002 heeft plaats gevonden zijn opgenomen als baten in 2002.

Onder de vooruitontvangen bijdragen is opgenomen de voorschotbijdrage van DBR voor 2003 (bedrag € 0,2 mln.) en de vooruitontvangen bijdrage LNV moederdepartement voor 2003 (bedrag € 1,2 mln.). Zie toelichting baten.

Niet in de balans opgenomen verplichtingen

Lease pc's

In verband met investeringen in computerapparatuur zijn overeenkomsten van operationele lease afgesloten, waarbij onder meer rekening is gehouden met service, assurantie en opleiding. Per 1 april 2003 zal met de leverancier een afkoopregeling overeengekomen worden om tegen een afkoopsom de gehele computerapparatuur in eigendom over te nemen. Bij realisering van deze afkoopregeling zullen de toekomstige leaseverplichtingen komen te vervallen.

Huurovereenkomsten

Bureau Heffingen is gehuisvest in de huurpanden Mandemaat 2, 3 en 4 en in een huurpand aan de Schepersmaat 4. In het navolgende overzicht zijn de huurverplichtingen vanaf 2003 weergegeven.

(bedragen in € 1 000)
 2003200420052006
Lease pc's1 6791 0882600
Huurcontracten2 8272 9402 8941 203
Totaal4 5064 0283 1541 203

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2002

bedragen in € 1 000
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
Baten   
opbrengst moederdepartement45 87049 6093 739
specifieke LNV-opbrengsten5904 2893 699
opbrengst derden817297– 520
rentebaten13619054
buitengewone baten000
Totale baten47 41354 3856 972
    
Lasten   
apparaatskosten   
* personeel15 49818 4642 966
* materieel17 88722 6454 758
* huisvesting4 3494 584235
rentelasten1 120499– 621
afschrijvingskosten materieel2 9751 897– 1 078
afschrijvingskosten immaterieel5 5844 477– 1 107
dotatie voorzieningen0– 399– 399
Totale lasten47 41352 1674 754
    
Saldo van baten en lasten02 2182 218

Toelichting

Bureau Heffingen heeft in 2002 een positief resultaat van € 2,2 mln. gerealiseerd.

Baten

Opbrengst moederdepartement

De bijdrage moederdepartement (bijdrage LNV) is in 2002 verhoogd met € 4,9 mln. naar € 50,8 mln. vnl. in verband met uitvoeringskosten voor het mestbeleid. Deze middelen zijn aangewend voor de uitvoering van de beleidsinstrumenten Minas, mestafzetovereenkomsten en mestproductrechten.

De LNV-bijdrage aan Bureau Heffingen, die is verantwoord onder de beleidsartikelen 4 en 5, is € 1,2 mln. hoger dan de opbrengst moederdepartement in de verantwoordingsstaat. De oorzaak hiervan is dat een aantal werkzaamheden (verzenden aangiften, mestvervoersbewijzen brochure MAO) pas in 2003 is uitgevoerd.

Specifieke LNV-opbrengsten

De specifieke LNV-opbrengsten hebben o.a. betrekking op doorberekende kosten en diensten aan de Dienst Basisregistraties (€ 0,75 mln.), alsmede doorberekeningen aan Laser te Den Haag ten behoeve van o.a. de RBV-regeling (€ 0,3 mln.), AID (€ 0,13 mln.), FIER (€ 1,2 mln.) en LNV loket in oprichting betreffende doorberekende dienstverleningskosten (€ 1,8 mln.).

Opbrengst derden

De post opbrengst derden ad € 0,3 mln. heeft betrekking op de vergoedingen die veehouders moeten betalen voor de behandeling van overdracht van mestproductierechten dan wel varkens- en pluimveerechten (leges). De leges dienen vooraf te worden voldaan. Het vermelde bedrag heeft betrekking op die overdrachten die door het agentschap Bureau Heffingen zijn afgehandeld in 2002. Op de balans is onder «nog te betalen» een post «vooruitontvangen leges» opgenomen. Deze leges hebben betrekking op formulieren die in 2003 ev. afgehandeld zullen worden.

Rentebaten

De rentebaten hebben betrekking op de rentevergoeding over het saldo van de rekening-courant bij het Ministerie van Financiën.

Lasten

De totale lasten bedragen € 52 mln. De lasten zijn € 4,8 mln. hoger dan oorspronkelijk geraamd. Een gedeelte hiervan is veroorzaakt door extra uitgevoerde werkzaamheden: Minasgat, HH3, mestvervoersbewijzen (€ 1 mln.) en de bezwaren/beroepen zand – lössgronden (€ 0,2 mln.). Hier staan echter ook extra opbrengsten tegenover (zie post specifieke opbrengsten LNV onderdelen ad € 3,7 mln. en extra opbrengsten moederdepartement).

Personeel

De personele lasten bestaan uit de uitgaven voor vast en tijdelijk personeel (gemiddeld 433 fte's) en uitzendkrachten (gemiddeld 33 fte's). De externen (gemiddeld 101 fte's) worden verantwoord onder materieel. Het gemiddeld salaris voor vast en tijdelijk personeel is met € 39 279,= per fte een half procent hoger dan begroot.

Materieel

De materiële lasten bestaan uit:

– € 11,1 mln. automatiseringskosten. Deze kosten bestaan met name uit: diensten derden (€ 8,0 mln.), licenties, onderhoud hard- en software (€ 1,2 mln.) en leasekosten contract pc's (€ 1,9 mln.).

– € 5,1 mln. logistieke kosten. Deze kosten bestaan met name uit: kosten afleveringsbewijzen (€ 1,7 mln.) en (ontwerp) drukwerk – en portikosten (€ 2,9 mln.).

– € 6,4 mln. algemene materiële lasten. Deze kosten bestaan met name uit: extern/interim personeel (€ 1,6 mln.), uitbesteding telefonie (€ 1,6 mln.), opleidingen (€ 0,8 mln.), kosten organisatie ontwikkeling en arbodienst (€ 0,8 mln.), reiskosten (€ 0,4 mln.) en kopieerkosten en kantoorbenodigdheden (€ 0,2 mln.).

Huisvesting

Onder de huisvestingslasten (€ 4,6 mln.) zijn o.a. verantwoord: huur gebouwen en service kosten(€ 2,6 mln.), doorbelaste exploitatie kosten beheer Mandemaat (€ 0,8 mln.) en bewaking – en receptiekosten (€ 0,4 mln.).

Afschrijvingskosten

Door de lagere investeringen in met name maatwerk software en hardware zijn de afschrijvingslasten lager dan oorspronkelijk begroot.

(bedragen in € 1 000)
 BegrotingRealisatieVerschil
Immateriele vaste activa   
Ontwikkeling maatwerk software4 7744 160– 614
Ontwerp formulieren273162– 111
Standaard software537155– 382
Subtotaal5 5844 477– 1 107
    
Materiele vaste activa   
Verbouwingen265249– 16
Installaties en inventaris871662– 209
Hardware1 839986– 853
Subtotaal2 9751 897– 1 078
    
Totaal afschrijvingen8 5596 374– 2 185

Het kasstroomoverzicht

OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
1. Rekening-courant RIC 1 januari 200212 2298 032– 4 197
2. Totaal operationele kasstroom6 0753 683– 2 392
– Totaal investeringen (-/-)– 9 753– 4 5475 206
– Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) 1313
3. Totaal investeringskasstroom– 9 753– 4 5345 219
– Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)   
– Eenmalige storting door moederdepartement (+)   
– Aflossing op leningen (-/-)– 6 397– 4 2932 104
– Beroep op leenfaciliteit (+)9 7534 800– 4 953
4. Totaal financieringskasstroom3 356507– 2 849
5. Rekening-courant RIC 31 december 2002 (=1+2+3+4)11 9077 688– 4 219

Overzicht vermogensontwikkeling over de jaren 1998 – 2002

 1998199920002001Begroting 2002Realisatie2002
1 Eigen vermogen per 1/12 7512 0123 356– 1 31701 276
2 Saldo van baten en lasten– 739209– 1 3171 276 2 218
3a uitkering aan moederdepartement      
3b bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen 1 1353 2731 317  
3c overige mutaties in eigen vermogen  – 6 629   
3 Totaal directe mutaties in het eigen vermogen      
4 Eigen vermogen per 31/12 (1+2+3)2 0123 356– 1 3171 27603 494

Bureau Heffingen stelt voor om vanuit het exploitatiesaldo 2002 € 1,7 mln. uit te keren aan het moederdepartement LNV. Dit voorstel in nog niet in de balans verwerkt.

Kengetallen en indicatoren

In dit hoofdstuk worden kengetallen en indicatoren weergegeven die een indruk geven van de uitvoering van het beleid door Bureau Heffingen.

Ten behoeve van de planning en verslaglegging zijn voor 2002 afspraken opgesteld met DL. In het jaarplan van BHf zijn de productenkaders, die onderdeel uitmaken van instrumentafspraken opgenomen. Het jaarplan is besproken met DL en bestuursraad. Het jaarplan is formeel goedgekeurd in het najaarsgesprek.

In een protocol zijn de afspraken vastgelegd tussen de beleidsdirectie (aansturing en coördinatie van het beleidsproces) en BHf (uitvoering van de onder het protocol vallende beleidsinstrumenten) inzake de te volgen procedure bij de totstandkoming en het onderhouden van opdrachten.

Begroting 2002
Productenkader 2002Product Eenhedenx 1 000Uren x 1 000Lasten Totaal x 1 000Baten x 1 000Uren per Product-eenheidLasten per Product-eenheid
Minas1 77658432 42332 4230,3318
Rechten33643 5533 5531,94108
Ov. Wet- en regelgeving2895005000,3218
MAO2261739 6059 6050,7743
Overig
Het LNV-Loket155241 3321 3320,159
Totaal2 21885447 41347 4130,3921
Realisatie 2002
Productenkader 2002Product Eenhedenx 1 000Uren x 1 000Lasten Totaal x 1 000Baten x 1 000Uren per Product-eenheidLasten per Product-eenheid
Minas1 47063333 21534 4270,4323
Rechten312028 5259 0046,47273
Ov. Wet- en regelgeving37432 6112 7611,1771
MAO501366 6706 9772,71133
Overig21241 1461 2161,1453
Totaal1 6091 03852 16754 3850,6532

Toelichting

Begroting 2002/realisatie 2002

– Producteenheden

De werkelijke producteenheden liggen 28% lager dan begroot. Dit wordt veroorzaakt doordat een groot deel van de producten Minas aangiften, mestafleveringsbewijzen en mestafzetcontracten nog niet kan worden aangemerkt als afgehandeld. Daarnaast is in de realisatie het LNV-loket (begroting: 155 000 telefoongesprekken) niet meegenomen bij de producteenheden.

– Uren

De gerealiseerde uren zijn ten opzichte van de begroting 22% hoger uitgevallen. Wat betreft het instrument rechten wordt dit voornamelijk veroorzaakt door de projecten Restyle en JAS. Voor overige wet- en regelgeving door Financiering Identificatie en Registratie (FIER) en voor het overige door de uitvoering van het Besluit Zand- en Lössgronden. De urenrealisatie 2002 voor de Mestafzetovereen-komsten is lager dan begroot. Er zijn minder mestafzetovereenkomsten ontvangen dan verwacht en derhalve zijn er minder uren aan besteed.

Algemeen

MinasAangifte Minas en jaaropgaven

De doelstelling om de aangiftejaren 1998 en 1999 volledig af te handelen is gerealiseerd. Die aangiften die nog niet zijn afgehandeld (< 1%) houden verband met beroepszaken, de uitvoering van nieuwe regelgeving te weten de Vrijstellingsregeling kalverhouderij Meststoffenwet en de Vrijstellingsregeling herbevolking varkenshouderijen Meststoffenwet of wachten op nieuwe regelgeving (saldo-overdracht bedrijfsoverdracht). Het aangiftejaar 2000 is reeds voor 89% verwerkt.

Als een aangifte van de jaren 1998–2000 door omstandigheden nog niet is verwerkt, krijgt de betrokkene hierover in het 1ste kwartaal 2003 bericht. Hierin wordt uitgelegd waarom de aangifte nog niet is afgehandeld en wanneer dat wel gaat gebeuren.

Tot 31 december waren er 80 629 aangiften 2001 ontvangen. Gelet op het aantal in het aangiftejaar 2000 is de conclusie meer dan gerechtvaardigd dat minimaal 95% binnen is. In februari 2003 wordt gestart met de afhandeling van de aangiftes 2001.

AangiftejaarOntvangen aangiftenPercentage gereed
1998120 14499%
199995 18499%
200079 71389%
200180 6290%

Mestafleveringsbewijzen

Vanaf 1 januari 2003 wordt er een aantal wijzigingen in de dierlijke mesttransporten doorgevoerd. Doelen van deze wijzigingen zijn het verbeteren van fraudebestendigheid en een vermindering van de administratieve lastendruk. Door middel van een nieuw Vervoersbewijs en een uitbreiding van de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur met een aanboordprinter bij verfijnde drijfmesttransporten, wordt hieraan invulling gegeven.

De investeringen die al vanaf 2001 golden (bemonsterings- en verpakkingsapparatuur) blijven ondanks de politieke druk op het Minas stelsel onverkort van kracht. De extra investeringen voor 2003 (aanboordprinter) zijn vooralsnog opgeschort. BHf heeft in 2002 het nieuwe Vervoersbewijs ontwikkeld en in exploitatie genomen.

Offerte Minas gat

In 2002 is vanuit de veehouderij het signaal gekomen dat veel grondloze bedrijven er niet in slagen hun mineralenbalans sluitend te krijgen. Dit leidt er toe dat bedrijven heffing moeten betalen terwijl alle geproduceerde mest wordt afgevoerd.

Onderzoek heeft uitgewezen dat een oorzaak ligt in de forfaits voor de vastlegging van mineralen in varkens. Deze zijn nu te laag vastgesteld en worden in 2003 bij wet opnieuw vastgesteld.

Met terugwerkende kracht moeten deze nieuwe normen worden toegepast tot en met 1998. BHf heeft naar aanleiding hiervan aan alle varkenshouders generiek uitstel van betaling verleend voor de Minasheffingen over 1998 t/m 2001. De betreffende bedrijven zullen in 2003 nader worden geïnformeerd.

RechtenTransacties mestproductierechten (grondtransacties, bedrijfsoverdrachten)

Conform de doelstelling is de doorlooptijd van de formulieren voor 85% teruggebracht tot 8 weken. De voorraad is gezakt van ca. 7 000 naar 1 034 formulieren. In januari werd 50% van de formulieren binnen 8 weken afgehandeld, in het 4de kwartaal is dit percentage gestegen tot 85%.

Transacties varkensrechten en/of pluimveerechten

Per 1 oktober heeft er een wetswijziging plaatsgevonden waardoor de kortingen bij verhandeling van de rechten zijn komen te vervallen. De wetswijziging is door BHf in haar werkprocessen geïmplementeerd. Daardoor zijn 8 formulieren komen te vervallen.

Grondregistraties

In de Stuurgroep Implementatie Mestbeleid is het besluit genomen dat de registratie van grondmutaties bij BHf na 1 januari 2003 kan vervallen. De voor controle en handhaving benodigde gegevens voor de jaren 2003 en volgende, zullen van DBR worden betrokken.

Omdat de gezamenlijke voorbereidingen meer tijd in beslag nemen dan aanvankelijk was ingeschat zal de gegevensinwinning van grondmutaties door BHf in het nieuwe jaar voorlopig worden voortgezet. Naar verwachting zal deze taak pas in de loop van 2003 uitsluitend door DBR worden uitgevoerd.

Regeling beëindiging veehouderijtakken (opdrachtgever: LASER)

De toezegging van LASER aan de Tweede Kamer, afronding 1ste tranche 1 juli, is waargemaakt. De toezegging dat de verlengingsfase 2de tranche per 1 oktober is afgerond, is niet gerealiseerd.

Bij de 2de tranche moet BHf wachten tot LASER de resterende ca. 1 800 aanmeldingen aan BHf aanbiedt voor behandeling. LASER kan echter pas aanleveren als de boer heeft verzocht om tot vaststelling van de subsidie over te gaan.

Daarnaast ondersteunt BHf LASER in het bezwarentraject in de vorm van het verstrekken van adviezen.

Offerte Hardheidsgevallen 3

In 2001 heeft de Minister met de sector afgesproken om, teneinde de discussie rondom de resterende knelgevallen in de Wet herstructurering varkenshouderij af te sluiten, een commissie van Wijzen in te stellen. De minister heeft op advies van de commissie in 2002 een verruiming aangekondigd op 3 bestaande knelgevallen (= hardheidsgevallen HH3). Het uiteindelijk aantal aanmeldingen voor HH3 (232) is veel lager dan verwacht (4000). De inzendtermijn is op 13 december gesloten.

Overige wet- en regelgeving

Offerte FIER (opdrachtgever: VVA)

BHf heeft het verzoek gekregen van de directeur directie VVA om «de verantwoordelijkheid te nemen over de uitvoering van de heffingen in het kader van I&R». Hiervoor is door BHf een facturerings- en bewakingssysteem opgezet en in het 2de kwartaal in exploitatie genomen. In juli is BHf vervolgens gestart met de facturering en inning van de verschuldigde retributies en heffingen inzake de regelgeving met betrekking tot Identificatie & Registratie. Voor de financiering van de opdracht heeft BHf een offerte van € 1,1 mln uitgebracht aan de VVA. Deze offerte is door VVA goedgekeurd en betaald.

MAO

Mestafzetcontracten

Het aantal ontvangen mestafzetovereenkomsten is 60% lager uitgevallen dan verwacht. Van de mestafzetovereenkomsten is 98% binnen de termijn van 13 weken teruggemeld. Uit controles, uitgevoerd in het kader van het dagplafond, blijkt dat het stelsel goed is opgepakt door de sector.

Voornoemde controles zijn met name in het 4de kwartaal door de AID uitgevoerd. Indien er bij de controle bleek dat er sprake was van een overtreding zijn er door de boer maatregelen getroffen om alsnog te voldoen aan de voorwaarden. Hierdoor is het niet nodig geweest om de opgelegde lasten onder dwangsom ook daadwerkelijk te verbeuren.

Erkenningen tussenpersonen, mestverwerkers & exporteurs

De aanvragen voor erkenningen moet worden opgesplitst in drie blokken. Aan het begin van het jaar ging het vooral om nieuwe aanvragen, gevolgd door de uitbreidingen van met name de tussenpersonen. De laatste maanden van 2002 zijn voornamelijk aanvragen voor de jaarlijkse vaststelling 2003 ontvangen. De verwerkingstermijn van 8 weken is grotendeels gerealiseerd. Alleen daar waar door het ontbreken van informatie de aanvraag terug moest worden gestuurd is bij een aantal aanvragen de 8 weken termijn overschreden.

Telefoon

In 2002 zijn alleen de 3de lijns telefoongesprekken (dossierniveau) afgehandeld door Bureau Heffingen. De 1ste en 2de lijns telefoongesprekken zijn door het LNV-Loket afgehandeld.

Realisatie 3e lijns telefoongesprekken

DivisieAanbodAfgehandeldBereikbaarheidServicelevel
Rechten27 08925 38294%78%
Heffingen23 43321 02990%65%
Registraties & Invordering23 74021 94792%79%
Totaal74 26268 35892%74%

De norm voor bereikbaarheid is 95% en voor het servicelevel 80%. In 2002 zijn beide normen door BHf niet gerealiseerd. Met name de divisie Heffingen heeft de normen niet gehaald. De prioriteit lag bij de afhandeling van de Minas aangiften en daarom is er bewust voor gekozen om minder capaciteit in te zetten op de telefoon.

Realisatie 2002 (1ste/2delijns) LNV-Loket

DivisieAfgehandeld
Rechten17 471
Heffingen69 572
Registraties & Invordering43 419
Totaal130 462

De gemiddelde bereikbaarheid lag voor wat betreft de 1ste en 2de lijns gesprekken op 88% en het servicelevel op 68%.

Klachten

Er zijn in totaal 91 klachten ingediend. Op 31/12 zijn er geen klachten meer in voorraad.

KlachtenAantal ingediendAantal afgehandeld
Rechten3434
Heffingen4747
Registraties & Invordering1010
Totaal9191

Bezwaar & Beroep

Bezwaar

DivisieIngediendAfgehandeldToegekendAfgewezen
Rechten (incl. zand en lössgronden)15 70916 1180%100%
Heffingen11 5075 56176%24%
Registraties & Invordering2382240%100%
Totaal27 45421 90319%81%

Beroepen

DivisieIngediendAfgehandeld
Rechten (incl. zand en lössgronden)402330
Heffingen8176
Registraties & Invordering11
Totaal484407

Met name door de taak zand- en lössgronden is er in de eerste zes maanden minder capaciteit beschikbaar geweest voor de afhandeling van de overige bezwaar- en beroepschriften.

Doordat in het 3de kwartaal het nieuwe Juridische Administratie Systeem is opgeleverd, kan de afhandeltijd per dossier naar beneden worden gebracht. Het resultaat hiervan wordt met name in 2003 merkbaar.

De voorraad per 31 december bestaat uit 11 534 bezwaar- en beroepschriften (10 861 inzake Minas en 673 inzake de productierechten en mestafzetovereenkomsten). De doorlooptijd van de gehele voorraad is in 2002 teruggebracht tot maximaal 12 maanden.

Bezwaar en beroep zand- en lössgronden (15 500 bezwaren en 220 beroepen)

Het Besluit zand en lössgronden is op 6 december 2001 gepubliceerd. In februari 2002 heeft BHf de afhandeling van de bezwaren inzake het Besluit op zich genomen. Op 9 juli 2002 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven zitting over de ingestelde beroepen tegen het Besluit zand en lössgronden gehouden. De bezwaarschriften zijn niet-ontvankelijk verklaard, omdat het Besluit een algemeen verbindend voorschrift is waartegen geen bezwaar gemaakt kan worden. Tegen deze beschikkingen zijn deze boeren in beroep gegaan. Ook de tegen deze beschikking ingestelde beroepen zijn ongegrond verklaard door het CBb.

LASER

Algemeen deel

LASER is een uitvoerende overheidsdienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) en vanaf 16 oktober 1995 erkend betaalorgaan voor de uitvoering van Europees beleid door de Europese Unie. Op 20 juli 1998 is middels het instellingsbesluit aan LASER de status van agentschap verleend. (Staatscourant, nr. 150/pag.4 ; LASER/981 673). De instellingsbeschikking LASER is met ingang van 1 januari 1999 in werking getreden. De bestuursraad van LNV is de eigenaar van LASER.

Kerntaak van LASER is de uitvoering van regelingen op het terrein van de primaire landbouw, verwerkende industrie, natuur, bos, landschap en recreatie. Laser is «huisuitvoerder» van regelingen van het ministerie van LNV. De beleidsdirecties van LNV zijn de grootste opdrachtgevers van LASER. LASER werkt daarnaast tevens voor andere departementen, provincies en gemeenten.

De regelingen die LASER uitvoert hebben in veel gevallen betrekking op de uitvoering van financiële regelingen in de vorm van subsidies, interventies en garanties. Ook worden op grond van wettelijke bepalingen vergunningen verstrekt en ontheffingen verleend. Advies over de uitvoerbaarheid van regelingen maakt deel uit van het werk. Daarnaast worden gegevens verzameld, bewerkt en verstrekt. In noodsituaties is LASER onder meer actief op het terrein van crisisbeheersing (o.a. de uitbraak van klassieke varkenspest, BSE en MKZ) en de uitvoering van schaderegelingen zoals de uitvoering van de Wet Tegemoetkoming Schade bij rampen en zware ongevallen (WTS). Het totale werkterrein van LASER is daarmee zeer gevarieerd en onderhevig aan wisselende politiek-maatschappelijke accenten.

De omvang van LASER is afhankelijk van het werkpakket waarvoor LASER opdracht krijgt en fluctueert over de jaren heen. Het aantal opdrachten aan LASER is de afgelopen jaren sterk toegenomen, daarnaast wordt er in geval van een crisis een beroep gedaan op de kwaliteiten van de LASER organisatie. Dit vraagt om een flexibele organisatie en deskundig personeel. Eind 1999 is LASER gestart met een omvangrijk traject de ambities en eisen aan personeel, organisatie, bedrijfsvoering en ICT aan te passen aan de wensen en eisen die de klanten stellen aan een moderne en betrouwbare uitvoeringsorganisatie. LASER heeft het afgelopen jaar haar uitvoeringsproces geanalyseerd, vooral vanuit de invalshoeken van de geconstateerde verbeterpunten flexibiliteit (naar mensen, locatie en tijd), sturing op het werkproces en effectiviteit en efficiency van de in te zetten middelen (mensen, ICT). Dit heeft geleid tot een model uitvoeringsproces, dat beoogt een optimale standaardisatie binnen de werkprocessen van LASER te bewerkstelligen.

Grondslagen van waardering en resultaatbepaling

Inleiding

In de instellingsbeschikking LASER zijn de voorschriften opgenomen met betrekking tot de taken, de financiële aansturing, de financiële verantwoording en de jaarverslaggeving van LASER. De wettelijke grondslag voor de verantwoording is vastgelegd in de Comptabiliteitswet en in de wegwijzers Baten-Lastendienst (onderdeel van het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid).

Bij de voorschriften is aansluiting gezocht met de voorschriften die zijn opgenomen in het Burgerlijk Wetboek 2, titel 9.

Balans

De waarderingsgrondslagen luiden als volgt:voor zover niet anders vermeld worden activa en passiva verantwoord tegen nominale waarde;immateriële en materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs onder aftrek van afschrijvingen, bepaald op basis van de economische levensduur van de activa; afschrijvingen geschieden lineair en tijdsevenredig over het jaar;

– debiteuren worden gewaardeerd tegen nominale waarde en indien noodzakelijk onder aftrek van een voorziening voor oninbaarheid;

– voorraden worden gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs en indien noodzakelijk onder aftrek van een voorziening.

– voor verplichtingen en risico's, samenhangend met de bedrijfsvoering, waar geen toekomstige opbrengsten tegenover staan, worden voorzieningen gevormd.

– Incidentele investeringen in inventaris en installaties met een aanschafwaarde van minder dan € 2 269,worden niet geactiveerd, maar als kosten geboekt. Indien meerdere aankopen tegelijk, bestaande uit items onder deze minimumgrens, plaatsvinden, vindt activering plaats voorzover het totale bedrag groter of gelijk is aan € 22 689,-

Rekening van Baten en Lasten

De regelingen die LASER uitvoert voor de opdrachtgevers zijn de producten van LASER. LASER voert ca. 150 regelingen uit. Voor de omzet bepaling worden de integrale kosten per regeling bepaald. Hierop wordt voor de LNV opdrachtgevers de korting op basis van de voorcalculatie in mindering gebracht.

LASER factureert niet rechtstreeks aan de opdrachtgevers in het moederdepartement maar verrekent de omzet met het LASER bijdrage artikel dat beheerd wordt door de Directie Financieel Economische Zaken van het departement. De baten en lasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben.

Resultaatbestemming

Het vaststellen van de financiële verantwoording en resultaatbestemming is de verantwoordelijkheid van de Bestuursraad van LNV. De financiële verantwoording, de accountantsverklaring en het voorstel voor resultaatbestemming worden voorgelegd aan de portefeuillehouder van LASER in de Bestuursraad.

Conform richtlijnen is het positief resultaat onverdeeld opgenomen in de balans onder de passiva post Eigen Vermogen als onverdeeld resultaat.

Balans per 31 december 2002

bedragen in EUR 1 000
 Balans 2002Balans 2001
Activa  
Immateriële activa10 5346 112
Materiele activa  
– grond en gebouwen  
– installaties en inventarissen2 3832 270
– overige materiele vaste activa (hardware)1 644608
Voorraden  
Debiteuren3 8753 719
Nog te ontvangen8 5113 462
Liquide middelen 475 768
Totaal activa26 99421 939
   
Passiva  
Eigen vermogen  
– exploitatiereserve2 4611 684
– verplichte reserve  
– onverdeeld resultaat760777
Leningen bij MvF10 8264 928
Voorzieningen1 7722 340
Crediteuren4 4097 380
Nog te betalen6 7664 830
Totaal passiva26 99421 939

Toelichting op de Balans

De balans wordt gepresenteerd vóór resultaatbestemming. Naar aanleiding van de verantwoordingsvoorschriften wordt het onverdeeld resultaat onder het Eigen Vermogen gerubriceerd.

Vaste activa

Immateriële vaste activa:

De specificatie van de immateriële vaste activa luidt als volgt:

(bedragen in € 1 000)
 Applicaties ProgrammatuurLicentiesVaste activa In aanbouwTotaal
Aanschafwaarde15 80532298617 113
Cumulatieve afschrijvingen10 81118911 000
Boekwaarde per 31 dec 20014 9941339866 113
Mutaties 2002:    
Bij: investeringen2 2961064 5676 969
Af: afschrijvingen1 808581 865
Af: desinvesteringen correctie aanschafwaarde45662708
Bij: desinvesteringen correctie afschrijvingen2626
Totale mutaties488303 9054 422
Aanschafwaarde18 1013834 89023 374
Cumulatieve afschrijvingen12 61922112 840
Boekwaarde per 31 dec 20025 4821624 89010 534

Applicaties programmatuur

Onder deze immateriële vaste activa zijn opgenomen de aan derden betaalde kosten voor ontwikkeling van maatwerk software. De belangrijkste investeringen betreffende aanpassingen in de programmatuur voor de verbetering van gegevensinwinning en registratie ten behoeve van het primair proces. Daarnaast is het bedrijfsregistratie systeem aangepast naar een effectievere en efficiëntere vorm van invoeren van mutaties.

Applicaties worden afgeschreven over 4 jaar. De restwaarde is gesteld op nihil. Uitgaven gemaakt voor onderhoud van programmatuur worden ten laste van de resultatenrekening gebracht indien ze 10% van de aanschafwaarde van de betreffende programmatuur niet overstijgen. Zijn de betreffende out-of-pocket kosten wel meer dan 10% van de aanschafwaarde, dan worden deze geactiveerd, indien de totale uitgaven meer dan € 45 378,bedragen.

Licenties

Deze post wordt gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs, onder aftrek van de afschrijvingen. Het betreft voornamelijk licenties die gebruikt worden op de servers en kantoorautomatisering. De restwaarde is gesteld op nihil. De afschrijvingstermijn voor licenties is 3 jaar.

Vaste activa in aanbouw:

Onder deze post zijn de per balansdatum nog niet afgeronde (IT-)projecten opgenomen. Het betreft voornamelijk de ontwikkeling van het integraal ondersteunend ICT systeem, ter ondersteuning van het nieuwe model uitvoeringsprocessen wat vanuit het transformatie programma is opgestart.

In 2003 zal de verdere ontwikkeling van deze programmatuur doorgaan, zodat vanaf 2004 het verbeterde productieproces optimaal ICT ondersteund kan worden.

Materiële vaste activa:

De specificatie van de vaste materiële activa luidt:

(bedragen in € 1 000)
 KantoormachinesInstallaties en inventarisHardwareTotaal
Aanschafwaarde2 0393 2232 6397 901
Cumulatieve afschrijvingen1 1201 8712 0315 022
Boekwaarde per 31 dec 20019191 3526082 878
     
Mutaties 2002:    
Bij: investeringen1205641 5312 216
Af: afschrijvingen1574114791 047
Af:desinvesteringen correctie    
aanschafwaarde5251 3371 394
Bij: desinvesteringen correctie    
afschrijvingen4851 3211 374
     
Totale mutaties– 421551 0361 149
     
Aanschafwaarde2 1073 7822 8338 722
Cumulatieve afschrijvingen1 2302 2771 1894 695
Boekwaarde per 31 dec 20028771 5061 6444 027

Installaties en inventaris:

Deze post bevat het totaal van de kantoorinventaris (afschrijving 7 jaar), kantoormachines (afschrijving 3 jaar), machines en installaties (afschrijving 7 jaar) en transportmiddelen (afschrijving 5 jaar). Waardering geschiedt tegen verkrijgingsprijs of vervaardigingprijs verminderd met een lineaire afschrijving gebaseerd op de economische levensduur van de activa. Er wordt een restwaarde van nihil gehanteerd.

Hardware:

Deze post wordt gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs of vervaardigingprijs verminderd met een lineaire afschrijving. Er wordt een restwaarde van nihil gehanteerd. Onder deze post wordt de informatieverwerkende apparatuur (UR-machines en servers) opgenomen. De afschrijvingstermijn is 3 jaar.

Vlottende activa

Debiteuren:

Specificatie van het debiteurensaldo excl. Vordering op LNV:

(bedragen x € 1 000,–)
 31–12–200231–12–2001
Debiteuren3 8753 719

Nog te ontvangen:

Specificatie van de overlopende activa is als volgt:

(bedragen x € 1 000,-)
 31–12–200231–12–2001
Kasvoorschotten6128
Nog te verzenden facturen12929
Voorschotten/lening PC-privé019
Overige overlopende activa en vorderingen49021
Waarborgsommen8383
Vooruitbetaalde kosten759510
Vooruitbetaalde facturen126419
Nog te ontvangen rente0128
Totaal1 6481 237

Vordering op LNV:

Het totaal van de vordering op LNV is als volgt opgebouwd:

(bedragen x € 1 000,-)
 31–12–200231–12–2001
vordering uit hoofde van DGF1840
vordering uit hoofde van LNV Bse7010
vordering uit hoofde werkpakket LNV 20025 9772 253
Totaal6 8632 253

Liquide middelen:

LASER heeft een eigen rekening courant met de Rijkshoofdboekhouding. De liquide middelen zijn vrij opneembaar

(bedragen x € 1 000)
 31–12–200231–12–2001
Rekening courant Rijkshoofdboekhouding425 738
Kas41
Bank00
Kruisposten11
Totaal475 740

De kasvoorschotten zijn in 2001 gerubriceerd onder de liquide middelen en in 2002 gereclassificeerd onder nog te ontvangen.

Passiva

Eigen Vermogen:

Het resultaat over het boekjaar 2002 is voorlopig opgenomen als onverdeeld resultaat vooruitlopend op de definitieve bestemming door de Bestuursraad.

Overzicht vermogensontwikkeling over de jaren 1999–2002
 199920002001Begroting 2002Realisatie 2002
1 Eigen vermogen per 1/13 8522 5511 6842 2622 461
2 Saldo van baten en lasten577364777 760
3a uitkering aan moederdepartement – 1 231   
3b bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen     
3c overige mutaties in eigen vermogen221    
3 Totaal directe mutaties in het eigen vermogen221– 1 231   
4 Eigen vermogen per 31/12 (1+2+3)4 6501 6842 4612 2623 221

De daling in het eigen vermogen van de baten-lastendienst LASER ad € 2,1 mln. per ultimo 1999 naar primo 2000 wordt verklaard door de conversie die heeft plaatsgevonden in het kader van de wijziging in de financiering van agentschappen per 1 januari 2000. Naast deze uitkering aan het moederdepartement in 2000 hebben ook de volgende uitkeringen aan het moederdepartement plaatsgevonden:

– winstbestemming 1999 ad € 0,59 mln. (tijdens voorjaarsgesprek door Bestuursraad besloten)

– Eenmalige uitkering ad € 0,64 mln.

De stijging in het eigen vermogen van de baten-lastendienst LASER ad € 1 537 000 per ultimo 2000 naar ultimo 2002 wordt verklaard door het onverdeelde resultaat van 2001 en 2002.

In 2003 zal de bestuursraad gevraagd worden een beslissing te nemen over het onverdeelde resultaat.

Voorzieningen:

De samenstelling en het verloop van de voorzieningen in 2002 zag er als volgt uit:

VoorzieningStand per 31–12–2001 (in euro)(A)Uitputting 2002 (in euro)(B)Dotatie 2002 (in euro)Vrijval 2002 (in euro)(D)Stand per 31–12–2002 (in euro) (E)=(A)-(B)+(C)-(D)
Reorganisatie:     
– O&O 2707 566252 971  454 595
– O&O 11 260 324213 739  1 046 584
 1 967 890466 710  1 501 179
Wachtgeld161 22535 771  125 454
Groot onderhoud panden166 81721 8020 145 015
Euro43 56622 500 21 0660
Totaal2 339 498546 783021 0661 771 648

De belangrijkste activiteiten met betrekking tot de EURO zijn in 2001 afgerond. De nog openstaande voorziening is in 2002 voor een bedrag ad. € 22 500 uitgeput voor kleine functionele aanpassingen, de eindrapportage en voor de afronding van archiefwerkzaamheden. Het restant ad. Euro 21 066 is vrijgevallen t.g.v. de Verlies & Winst-rekening.

In 1998 heeft LASER de opdracht gekregen van de Bestuursraad een flinke impuls te geven aan de versterking van de kwaliteit en efficiency van de dienstverlening. De reorganisatie voorziening is getroffen om LASER in staat te stellen verbetering van kwaliteit door te voeren, via onder andere invoering van competentie management en een kwaliteitsmodel, om te voldoen aan de kwaliteitseisen die gesteld worden aan een moderne uitvoeringsorganisatie van de overheid. Voorts is bij analyse naar voren gekomen dat deze verbeteringen niet alleen ICT technisch konden zijn. Ook competenties van personeel, werkprocessen, sturingsfilosofie etc. werden wezenlijk geraakt. De veranderingen die dit met zich meebrengen zijn fundamenteel en raken alle aspecten van de LASER organisatie. Deze constateringen hebben ons ertoe gebracht om een omvangrijk transformatieproces in gang te zetten. In december 2000 zijn over de doelstellingen van deze transformatie besluiten genomen en deze zijn gepresenteerd aan de Bestuursraad.

Deze besluiten omvatten:

– Ambities van LASER: waar staat LASER over 4 jaar

– Prioriteiten binnen de ontwikkeling en verbetering van de organisatie: klantgericht, efficiënt, effectief, betrouwbaar en kwalitatief en ondernemend.

– De wijze waarop LASER de transformatie wil inzetten: stap voor stap, projectmatige aanpak, met, van, door en voor de LASER organisatie. Dit uiteraard onder borging van handhaven van het huidige, goede, dienstniveau bij de uitvoering van regelingen.

Al met al is hiermee sprake van de volledige beleidsmatige invulling van de opdracht van de Bestuursraad uit 1998. De activiteiten zijn in volle gang binnen het transformatieproces wat zich uit in een uitputting over 2001 van € 1,37 mln., en over 2002 een uitputting van € 0,47 mln.. Hoofdzakelijk benut voor de aansturing van het programma, adviezen van derden en het ondersteunen van de invoering van competentie management in de organisatie.

Ten behoeve van periodiek onderhoud aan panden is de voorziening «groot onderhoud» opgenomen. Deze voorziening is conform de richtlijnen van de jaarverslaglegging dit jaar niet meer gedoteerd. De voorziening zal de komende jaren worden afgebouwd.

De voorziening wachtgeld betreft de lopende verplichtingen voor medewerkers die na 1 april 1995 van de wachtgeld regeling gebruik maken.

Lening bij het Ministerie van Financiën:

Ten behoeve van de financiering van de investeringen in 2002, is een lening aangegaan bij het Ministerie van Financiën ter hoogte van € 7 521 000. Waarvan € 6 029 000 voor een periode van 4 jaar tegen een interest percentage van 3,55% per jaar, € 1 065 000 voor een periode van 3 jaar tegen een interest percentage van 3,35% en € 427 000 voor een periode van 7 jaar tegen een interest percentage van 4,13%. Het restant van de langlopende schuld, bestaat uit een nog openstaande lening bij het Ministerie van Financiën die in 2001 is aangegaan om de investeringen in dat jaar te financieren.

Kortlopende schulden:

Crediteuren:

De post crediteuren betreft hoofdzakelijk betalingen onderweg ad € 4 409.000

Nog te betalen:

Deze post is als volgt opgebouwd

(bedragen in € 1 000)
 31–12–200231–12–2001
Nog te ontvangen facturen1 9303 148
Verlofuren en vakantierechten1 4921 301
Nog af te dragen aan LNV170
Interim-uitkering326265
Compensatie-uren5386
Vooruitontvangen bedragen1 4540
Overige overlopende passiva en schulden1 49430
Totaal6 7664 830

Nog te ontvangen facturen

Deze post betreft schulden die betrekking hebben op de prestaties die in 2002 geleverd zijn, maar in 2003 gefactureerd en betaald worden. Deze post is tegen nominale waarde opgenomen.

Niet in de balans opgenomen verplichtingen

Onderstaand zijn de niet in de balans opgenomen financiële verplichtingen vermeld. Opgemerkt wordt dat een deel van de hier genoemde verplichtingen zogenaamde verborgen kosten betreffen, omdat LNV deze tot nu toe niet heeft doorbelast aan LASER.

Verplichting huurovereenkomst

De kantoorruimten van de verschillende vestigingen van LASER worden gehuurd van de directie Informatiemanagement & Facilitaire Aangelegenheden. De totale jaarhuur bedraagt circa € 3,5 mln. De stand van de jaarhuur is gebaseerd op gegevens uit 2002. De jaarhuur zal jaarlijks stijgen als gevolg van de algemene verhoging volgens de CPI index.

Overzicht huurbedragen

(Bedragen in euro)
VestigingBedrag 2002Bedrag 2003expiratie-datum
Totaal Groningen822 535849 35713-feb-17
Totaal Deventer770 349795 46930-jun-06
Totaal Diemen434 398334 18431-dec-05
Totaal Dordrecht429 526443 53230-jun-05
Totaal Roermond678 506700 63030-jun-06
Totaal Den Haag431 089445 14531-dec-13
Totaal Huurbedrag LASER3 566 4033 568 317 

Rekening van Baten en Lasten

bedragen in EUR 1 000
 (1)(2)(3)=(2)–(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
Baten   
Opbrengst moederdepartement35 75266 98231 230
Opbrengst overige departementen1 4465 9454 499
Opbrengst derden1 870990– 880
Rentebaten   
Buitengewone baten 1919
Vrijval voorzieningen   
Exploitatiebijdrage   
Verborgen opbrengsten6 1087 097989
Totaal baten45 17681 03335 857
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– personele kosten23 86845 18421 316
– materiele kosten11 48425 13013 646
Rentelasten367210– 157
Afschrijvingskosten   
– materieel9031 047144
– immaterieel2 2121 865– 347
Dotaties voorzieningen78– 21– 99
Buitengewone lasten 44
Verborgen lasten6 2646 854590
Totaal lasten45 17680 27335 097
    
Saldo van baten en lasten0760760

Toelichting op de rekening van Baten en Lasten

LASER heeft in 2002 een positief resultaat van € 0,76 mln. gerealiseerd. In het onderstaande wordt verder ingegaan op posten in de baten en de lasten, waarbij sprake is van een relatief groot verschil met de oorspronkelijke begroting.

Opbrengst moederdepartement

De verhoging van de oorspronkelijke begroting met bijna € 31,2 mln. tot € 66,9 mln. is het gevolg van mutaties in het werkpakket van LASER voor LNV. In de realisatie is de aan LNV toegerekende omzet uiteindelijk op € 66,9 mln. Uitgekomen.

Opbrengsten per opdrachtgever:

(bedragen x € 1 000)
Directie Landbouw40 036
Directie Natuurbeheer10 992
Directie Internationale Zaken4 374
Projectdirectie Implementatie Mestbeleid3 497
Directie Wetenschap en Kennisoverdracht719
Directie Groene Ruimte en Recreatie153
Directie Voedings- en veterinaire aangelegenheden1 723
Diergezondheidsfonds2 628
GL2 583
Overige opdrachtgevers277
Totaal66 982

Opbrengst overige departementen

Ten opzichte van de oorspronkelijke begroting is deze post met ruim € 4,5 mln. toegenomen tot € 5,9 mln.

Opbrengst derden

Deze post betreft voornamelijk de opbrengsten uit hoofde van de regelingen Preaccessie, Wet Tegemoetkoming Schade en werkzaamheden ten behoeve van de Stichting Financiële Hulpverlening (als gevolg van de Vuurwerkramp in Enschede).

Buitengewone baten

De buitengewone baten bestaan grotendeels uit de wijziging in regelgeving omtrent project pc-prive.

Verborgen kosten en opbrengsten

In deze post staan de in de tarieven doorberekende verborgen kosten.

De kosten gemoeid met de uitvoering worden per product (regeling) gecalculeerd en door middel van tarieven doorberekend aan de opdrachtgever. De door te berekenen tarieven zijn gebaseerd op de integrale kostprijs. De integrale kostprijs van LASER omvat naast de reguliere personele en materiële exploitatiekosten en afschrijvingskosten – zogenaamde verborgen kosten. Dit zijn kosten die gemaakt worden ten behoeve van de bedrijfsvoering van LASER, doch waarvan de uitgaven ten laste komen van andere directies of diensten binnen LNV (betreft onder andere kosten JZ, AID, AD, FEZ en IFA). Deze verborgen kosten worden via de tarieven alleen aan opdrachtgevers buiten LNV doorberekend maar niet aan de opdrachtgevers binnen het ministerie.

Binnen LNV worden deze verborgen opbrengsten teruggegeven in de vorm van een korting.

De post ligt iets hoger dan in de oorspronkelijke begroting, omdat uiteindelijk meer verborgen lasten in de tariefbepaling moesten worden meegenomen.

Personele kosten

De totale personele kosten zijn met ruim € 21,32 mln. toegenomen ten opzichte van de oorspronkelijke begroting, wegens het toegenomen werkpakket ten opzichte van de begroting.

Materiële kosten

De toename van deze post met € 13,65 mln. tot € 25,1 mln. ten opzichte van de begroting worden met name veroorzaakt door het werkpakket ten opzichte van de begroting.

Gespecificeerd zien de kosten er als volgt uit:

(bedragen x € 1 000)
Diensten derden10 434
Automatiseringskosten3 163
Bureaukosten2 686
Overige materiële kosten6 625
Huisvestingskosten2 222
Totaal25 130

Huisvestingskosten

De in het baten & lasten stelsel verantwoorde kosten zijn de daadwerkelijke kosten die LASER heeft betaald, ad. € 2,2 mln. Hieronder vallen onder andere huurkosten, schoonmaakkosten, onderhoud installaties, energiekosten, etc.

Rentelasten

De rentelasten ad € 0,21 mln. vloeien voort uit de aangegane beroep op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten (zowel materieel als immaterieel) worden lineair bepaald rekening houdend met de restwaarde van het vast actief.

(bedragen x € 1 000)
Afschrijvingen materieel20022001
inventaris/installaties568523
hardware479341
overige00
Afschrijvingen immaterieel1 8651 305
Totaal2 9122 169

Dotaties voorzieningen

In 2002 hebben geen dotaties aan de voorzieningen plaatsgevonden.

Kasstroomoverzicht

bedragen in EUR 1 000
 (1)(2)(3)=(2)–(1) 1
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
1. Rekening-courant RIC 1 januari 20024 3785 7381 360
2. Totaal operationele kasstroom1 368– 3 112– 4 480
   – 4 479
– Totaal investeringen (-/-)– 4 992– 8 483– 3 491
– Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)0  
3. Totaal investeringskasstroom– 4 992– 8 483– 3 491
– Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)   
– Eenmalige storting door moederdepartement (+)   
– Aflossing op leningen (-/-)– 1 712– 1 215497
  – 1 62389
– Beroep op leenfaciliteit (+)4 9927 1142 122
  7 5212 529
4. Totaal financieringskasstroom3 2805 8992 619
5. Rekening-courant RIC 31 december 2002 (=1+2+3+4)4 03442– 3 992

In het kasstroomoverzicht worden de gerealiseerde bedragen vergeleken met de oorspronkelijk vastgestelde begroting 2002. De gerealiseerde kasstroom uit investeringsactiviteiten is hoger dan voorzien in de oorspronkelijk begroting. Belangrijkste oorzaak hiervoor is dat er meer is geïnvesteerd in ICT projecten.

Het verschil tussen de leningaanvraag 2002 en de investeringen 2002 bedraagt € 0,96 mln. Op het moment van de leningaanvraag wordt uitgegaan van de investeringsplannen en de verwachte realisatie. Bij realisatie van deze plannen kunnen de werkelijke kosten afwijken van de geprognotiseerde kosten.

Overige gegevens

Prestaties en doelmatigheidskengetallen

kosten per prestatie
  Ontwerp begroting 2002Realisatie 2002
CategorieOutputAantal regelingenIntegrale kosten (x mln.)Integrale kosten (€) per prestatieSubsidie omvang (x € mln.) Aantal regelingenIntegrale kosten (x € mln.) Integrale kosten (€) per prestatieSubsidie omvang (x € mln.)
Subsidie regeling EUSubsidieverstrekking38€ 29.69€ 90€ 32552€ 37.95€ 141€ 369
Subsidie regelingen NationaalSubsidieverstrekking42€ 4.60€ 435€ 14843€ 6.63€ 265€ 107
Stimulerende regelingenSubsidieverstrekking19€ 2.46€ 602€ 4619€ 2.53€ 1 113€ 24
Vergunningsregelingen (NAT)Afgifte vergunning18€ 2.71€ 64€ 024€ 2.37€ 42€ 0
Registrerende regelingenVerzamelen en verstrekken van gegevens6€ 3.72€ 30€ 09€ 3.05€ 26€ 0
Adviserende regelingenVerstrekken van adviezen18€ 10.21€ 43€ 727€ 12.26 € 91€ 6 

In bovenstaande tabel zijn de producten van LASER (i.c. de regelingen) onderverdeeld naar 9 categorieën. Voor iedere categorie is aangegeven tot welke output desbetreffende producten leidt. In de kolom «Ontwerpbegroting 2002» zijn de kengetallen weergegeven zoals deze zijn opgenomen in desbetreffende begroting. Daarnaast zijn de, in vergelijking met de begroting, in de kolom «Realisatie 2002» de gerealiseerde kengetallen weergegeven.

kosten per regeling
  Ontwerp begroting 2002Realisatie 2002
CategorieOutputAantal regelingenIntegrale kosten (x mln.)Integrale kosten (€) per prestatieSubsidie omvang (x € mln.)Aantal regelingenIntegrale kosten (x € mln.)Integrale kosten (€) per prestatieSubsidie omvang (x € mln.)
Marktordeningsregelingen (EU)Aan- en verkoop interventieproducten7€ 5.52€ 789 183€ 73.727€ 4.94€ 705 831€ 116.86
OverigDivers10€ 3.06€ 306 455€ 2.7317€ 5.79€ 340 718€ 3.43
Niet structurele regelingenWTS, OSR, Vuurwerk, MKZ en BSE9€ 0.86€ 95 176€ 58.7520€ 5.48€ 274 239€ 60.90

Beheersmatige indicatoren

LASER onderscheidt de volgende indicatoren om het financieel beheer te kunnen monitoren. Deze indicatoren geven inzicht in de betreffende ontwikkeling over de jaren heen.

Indicator199920002001Begroot 2002Realisatie 2002
Gemiddelde tariefontwikkeling (1999 = 100)*10096,396,696,098,08
Resultaatontwikkeling (x € 1 000,-)**577364777 760
Flexibiliteit personele inzet ***0,320,380,290,250,29

* De gemiddelde tariefontwikkeling wordt gerelateerd aan de gemiddelde uurprijs die door LASER wordt gehanteerd bij het bepalen van de kosten per regeling.

** De indicator resultaatontwikkeling heeft betrekking op de resultante van de baten en lasten (realisatie). Voorcalculatorisch zijn de baten en lasten in evenwicht.

*** De flexibiliteit is gedefinieerd als de formatieve inzet van uitzendkrachten en contractanten gedeeld door de totale formatieve bezetting.

Bezwaarschriften

CategoriePrestatiesBegin voorraad in 2002Aantal ingediend in 2002In 2002 afgehandeldIn 2002 toegekendIn 2002 afgewezen
Subsidie regeling EUSubsidieverstrekking1 6662 7372 5579391 618
Subsidie regelingen NationaalSubsidieverstrekking94541406206200
Stimulerende regelingenSubsidieverstrekking344036630
Vergunningsregelingen (NAT)Afgifte vergunning386247352112240
Registrerende regelingenVerzamelen en verstrekken van gegevens00000
Adviserende regelingenVerstrekken van adviezen64954
Marktordeningsregelingen (EU)Aan- en verkoop interventieproducten8281 288765104661
OverigDivers02202
Niet structurele regelingenWTS & OSR2269417566109
Totaal 3 2404 9534 3021 4382 864

Beroepsschriften

CategorieBegin voorraad in 2002Aantal ingediend in 2002VerweerZittingenUitspraakGegrondOngegrond
Subsidie regeling EU010610467832855
Subsidie regelingen Nationaal036373707
Stimulerende regelingen09971239
Vergunningsregelingen (NAT)02328511002575
Registrerende regelingen0000000
Adviserende regelingen0000000
Marktordeningsregelingen (EU)0000000
Overig0000000
Niet structurele regelingen04142521007129
Totaal0215220180302127175

Plantenziektenkundige Dienst

Algemeen

De opdracht die de Plantenziektenkundige Dienst (PD) als agentschap heeft is het weren , bestrijden en beheersen van ziekten en plagen in de plantaardige sector. Dit om een duurzame, concurrerende en veilige land- en tuinbouw te bevorderen, de handel zoveel mogelijk ongestoord te laten plaatsvinden en het Nederlandse landschap in stand te houden. Het voorkómen dan wel beperken van ziekten en plagen levert een belangrijke bijdrage aan de vermindering van het gebruik en geringere afhankelijkheid van chemische bestrijdingsmiddelen.

De PD voert deze taak uit in het kader van de Plantenziektenwet, de Bestrijdingsmiddelenwet, Europese regelgeving en internationale verdagen. Voor de uitvoering van wettelijke taken, waarop het profijtbeginsel niet van toepassing is en voor beleidsondersteuning ten behoeve van LNV ontvangt de PD een bijdrage van het ministerie. Voor de uitvoering van wettelijke taken, waarop het profijtbeginsel van toepassing is, brengt de PD een in beginsel kostendekkend tarief (retributie) in rekening. Daar waar de dienst, afgeleid van zijn kerntaken, opdrachten voor de derden uitvoert in concurrentie, gelden marktconforme tarieven.

Financieel resultaat

Ten opzichte van de oorspronkelijke begroting zijn de baten in 2002 met 5% toegenomen. In vergelijking met de realisatie 2001 is sprake van een stijging van 11%. De opbrengst van LNV is ten opzichte van de oorspronkelijke begroting met 23% gewijzigd. De gerealiseerde opbrengst derden is 14% lager dan begroot, voor een belangrijk deel veroorzaakt door achterblijvende opbrengsten uit inspecties en MOE-Twinningprojecten en voor een kleiner deel uit diagnostische opdrachten derden. Dit ondanks een lichte stijging in diagnostische opdrachten voor export en onderzoeksprojecten.

De lasten als geheel over 2002 zijn 14% hoger uitgevallen dan oorspronkelijk begroot. Een impuls is gegeven om de jarenlange onderinvestering in de PD-organisatie in te lopen. Het betreft hier met name kennis- en methodeontwikkeling, waaronder de bedrijfsopleiding. Als gevolg hiervan laten de personele lasten ten opzichte van de oorspronkelijke begroting een stijging zien van 9% en materieel van 13% . Als gevolg van een huurverhoging van de RGD zijn de huisvestingslasten gestegen met 16%.

Ten opzichte van de realisatie van 2001 is er eveneens een stijging van 27%. Deze stijging ten opzichte van 2001 is, naast een stijging van personele kosten, vooral het gevolg van een toename van de materiële en huisvestingskosten.

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Algemeen

De grondslagen zijn, behoudens voor de voorziening assurantie eigen risico, ten opzichte van het vorige boekjaar niet gewijzigd. De waardering en resultaatbepaling hebben plaatsgevonden met inachtneming van algemene beginselen van voorzichtigheid, toerekening aan periodes, continuïteit en bestendige gedragslijn. In beginsel luiden alle bedragen tegen nominale waarde en/of op basis van historische uitgaafprijzen.

Vaste activa

De immateriële en materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen.

Vorderingen

De vorderingen zijn opgenomen tegen nominale waarde verminderd met de noodzakelijk geachte voorziening voor mogelijke oninbaarheid.

Resultaatbepalingsgrondslagen

De resultaten zijn berekend op basis van historische kostprijzen, waarbij de baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.

Buitengewone baten en lasten

De buitengewone baten en lasten betreffen resultaten die geen betrekking hebben op de reguliere bedrijfsvoering.

Balans per 31 december 2002

bedragen in EUR 1 000
 Balans 2002Balans 2001
Activa  
Immateriële activa1 011569
Materiele activa  
– grond en gebouwen 
– installaties en inventarissen1 4291 173
– overige materiele vaste activa (hardware)465446
Voorraden 
Debiteuren1 8023 508
Nog te ontvangen1 5201 015
Liquide middelen428765
Totaal activa6 6557 476
   
Passiva  
Eigen vermogen  
– exploitatiereserve562748
– verplichte reserve1 011569
– onverdeeld resultaat– 2 167973
Leningen bij MvF2 6142 704
Voorzieningen185250
Crediteuren1 078783
Nog te betalen3 3721 449
Totaal passiva6 6557 476

Activa

Immateriële vaste activa

Materiële en Immateriële Activa (bedragen in EUR 1 000)
 ImmaterieelMaterieelTotaal
Aanschaffingsprijs1 1723 7594 931
Cumulatieve afschrijvingen6032 1402 743
Boekwaarde per 01–01–20025691 6192 188
    
Mutaties boekjaar 2002:   
Bij: investeringen6247641 388
Af: – desinvesteringen
– afschrijvingen183488671
Totaal mutaties441276717
    
Aanschaffingsprijs1 7974 5226 319
Cumulatieve afschrijvingen7862 6293 415
Boekwaarde per 31–12–20021 0111 8932 904

De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen. De immateriële vaste activa bestaan uit voor de PD ontwikkelde software. De waardering vindt plaats tegen de hiervoor aan derden betaalde gelden. De afschrijvingstermijn is gesteld op 5 jaar.

De stijging wordt met name veroorzaakt door de ontwikkeling van Prisma, Landeninformatie en PDA.

Materiële vaste activa

De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de aanschaffingsprijs onder aftrek van lineaire afschrijvingen. Afhankelijk van de economische/technologische levensduur wordt een afschrijvingstermijn gehanteerd van 3 tot 10 jaar.

Voorraden

De voorraden zijn niet gewaardeerd vanwege de geringe omvang.

Onderhanden werk

Onderhanden werk is niet van toepassing en derhalve niet gewaardeerd.

Debiteuren

 31–12–200201–01–2002
Debiteuren1 8273 530
Af: voorziening dubieuze debiteuren2523
 1 8023 507

De mutatie in de voorziening dubieuze debiteuren is als volgt opgebouwd:

(bedragen in EUR 1 000)
Stand per 1–1–200223
Bij: dotatie11
Af: onttrekking9
Stand per 31–12–200225

De debiteuren zijn volledig als kortlopend te beschouwen. Wegens oninbaarheid is € 8 673 aan vorderingen op de voorziening afgeboekt. Uit ervaringsgegevens is gebleken dat een voorziening ter hoogte van € 25 000 voldoet om het gemiddelde debiteurenrisico te dekken.

Nog te ontvangen/vooruit betalingen

(bedragen in EUR 1 000)
 31–12–200201–01–2002
Personeel– 22
Nog te factureren omzet  
Vooruitbetaalde kosten1 448981
 7432
 1 5201 015

De post nog te ontvangen bestaat voor het grootste deel uit nog te factureren opbrengsten, met name inzake convenant aardappelen & bloembollen, knolcyperus en diverse projecten op het gebied van internationale samenwerking.

Liquide middelen

(bedragen in EUR 1 000)
 31–12–200201–01–2002
Kassen3773
Rekening courant Ministerie van Financiën391692
 428765

De liquide middelen bestaan uit Rijkshoofdboekhouding ter waarde van € 391 389 en de kassen in de PD-locaties, exclusief betalingen onderweg.

Passiva

Vermogen

(bedragen in EUR 1 000)
 Exploitatie reserveVerplichte ReserveOnverdeeld ResultaatAgentschaps- Vermogen
Stand per 1–1–20027485699732 290
Overboeking onverdeeld resultaat– 186442– 2 423– 2 167
Uitkering aan moederdepartement  – 717– 717
Stand per 31–12–20025621 011– 2 167– 594

De verplichte reserve heeft betrekking op de in de balans geactiveerde immateriële vaste activa. Het totaal van de exploitatiereserve en het onverdeeld resultaat is volgens de Regeling Vermogensvoorschriften 2001 gemaximeerd op 5% van de gemiddelde omzet over de drie meest recente jaren. Hieronder volgt de berekening van het maximaal toegestane «vrije» eigen vermogen:

Omzet 200224 525  
Omzet 200121 988  
Omzet 200020 186  
 66 699  
Gemiddeld22 233* 5% =1 112

In het jaar 2002 is het bovenmatige deel ad. € 717 000, zoals dat eind 2001 is berekend, afgestort aan het moederdepartement.

Leningen bij het ministerie van Financiën

(bedragen in EUR 1 000)
Stand per 1–1–20021 704
Aflossingen690
Leningen afgesloten in 2002600
Stand per 31–12–20022 614

Op de leningen is de Regeling Leen- en depositofaciliteit Baten-lastendiensten 2001 van toepassing.

Het rentepercentage is afhankelijk van de looptijd van de leningen en varieert van 4.43% tot 5,55%.

De looptijd van de leningen is afhankelijk van de economische levensduur van de te financieren vaste activa. Met een beginstand van € 2 703 667, een beroep op de leenfaciliteit van € 600 000 en een aflossing van € 689 701 is de stand op 31 december 2002 € 2 613 967 als schuldrest.

Voorzieningen

bedragen in EUR 1 000
 WachtgeldenKameleonReorganisatieAssurantie eigen risicoTotaal
Stand per 01–01–200281641050250
Dotaties4467525150
Onttrekkingen–/- 25–/- 70–/- 1200–/- 215
Stand per 31–12–200210006025185

De voorziening Kameleon is afgebouwd, de voorziening Assurantie eigen risico is wederom opgebouwd voor € 25 000. De voorziening Wachtgelden van € 100 000, ter dekking van de wachtgeldverplichtingen voor personeel en de voorziening Reorganisatie van € 60 000 zijn opgevoerd ter dekking van de kosten als gevolg van reorganisaties.

Crediteuren (kortlopende schulden)

(bedragen in EUR 1 000)
 31–12–200201–01–2002
Crediteuren1 078783

Kortlopende schulden is opgebouwd uit crediteuren ter waarde van € 978 316 en nog te betalen kosten 2002 ter waarde van € 151 496, exclusief betalingen onderweg € 51 968.

Nog te betalen/vooruit ontvangen

(bedragen in EUR 1 000)
 31–12–200201–01–2002
Personeel1 320629
Werkkapitaal2 052740
Overige 80
 3 372783

Deze balanspost bestaat uit personeel € 1 319 875 en betreft voornamelijk opgebouwde rechten op vakantiegeld, verlofdagen en interim-vergoeding (ZK-regeling) en werkkaptaal € 2 052 190 van met name Internationale samenwerkingsprojecten en Client2.

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2002

bedragen in EUR 1 000
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
Baten   
Opbrengst moederdepartement11 86114 5672 706
Opbrengst overige departementen  0
Opbrengst derden11 6049 958– 1 646
Rentebaten 1111
Buitengewone baten  0
Exploitatiebijdrage  0
Totaal baten23 46524 5361 071
    
Lasten   
Apparaatskosten   
– personele kosten15 00116 4251 424
– materiele kosten5 0135 684671
– huisvesting2 6023 025423
Rentelasten1351449
Afschrijvingskosten   
– materieel550488– 62
– immaterieel11918364
Dotaties voorzieningen45161116
Buitengewone lasten 593593
Totaal lasten23 46526 7033 238
    
Saldo van baten en lasten0– 2 167– 2 167

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement heeft betrekking op de vergoeding voor de dienstverlening ten behoeve van het ministerie van LNV.

Opbrengst derden

De verdeling van de opbrengst derden naar productgroepen wordt nader gespecificeerd onder prestaties en indicatoren. Dat de gerealiseerde opbrengst derden aanmerkelijk lager is dan begroot wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door achterblijvende opbrengsten van € 0,7 mln. uit Importinspecties en voor een kleiner deel van € 0,2 mln. uit Exportinspecties. Daarnaast blijven de opbrengsten uit MOE-Twinning projecten € 0,7 mln. achter en uit diagnostische opdrachten derden met € 0,3 mln. lager dan begroot. Dit ondanks een lichte stijging in diagnostische opdrachten voor export en onderzoeksprojecten.

Rentebaten

De rentebaten hebben betrekking op de rentevergoedingen over het saldo van de rekening-courant bij het Ministerie van Financiën.

Lasten

Apparaatskosten

De kosten voor personeel kunnen als volgt worden gespecificeerd:

(bedragen in EUR 1 000)
 20022001
Vast personeel14 53312 947
Detacherings- en uitzendkrachten1 8922 231
Totaal personeel16 42515 178

Afschrijvingskosten

De kostenpost afschrijvingen kan als volgt worden gespecificeerd:

(bedragen in EUR 1 000)
 20022001
Afschrijvingen immaterieel183108
Afschrijvingen materieel  
Inventaris/installaties195173
Computerapparatuur293195
Totaal afschrijvingen671476

Bijzondere lasten

De buitengewone lasten hebben betrekking op voorgaande boekjaren en betreffen het opvoeren van uitstaande verlofdagen op 31 december 2002.

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2002

bedragen in EUR 1 000
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
1. Rekening-courant RIC 1 januari 2002– 19692711
2. Totaal operationele kasstroom6691 8941 225
– Totaal investeringen (-/-)– 726– 1 388– 662
– Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) 
3. Totaal investeringskasstroom– 726– 1 388– 662
– Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-) – 717– 717
– Eenmalige storting door moederdepartement (+) 
– Aflossing op leningen (-/-)– 690– 6900
– Beroep op leenfaciliteit (+)726600– 126
4. Totaal financieringskasstroom36– 807– 843

De sterke stijging in de operationele kasstroom wordt veroorzaakt door enerzijds een toename van de kortlopende schulden en een afname in kortlopende vorderingen en anderzijds door het negatieve saldo baten en lasten. De stijging investeringen wordt met name veroorzaakt door de ontwikkeling van Prisma, Landeninformatie en PDA, naast de begrote aanschaf van inventaris, automatiseringsapparatuur en laboratorium apparatuur.

Overzicht vermogensontwikkeling over de jaren 1998 – 2002

bedragen in EUR 1 000
 1998199920002001Begroting 2002Realisatie2002
1 Eigen vermogen per 1/15 1743 8978131 6451 2952 290
2 Saldo van baten en lasten– 6– 625832973 – 2 167
3a uitkering aan moederdepartement– 1 271  – 350 – 717
3b bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen      
3c overige mutaties in eigen vermogen     
3 Totaal directe mutaties in het eigen vermogen – 707 22 – 717
4 Eigen vermogen per 31/12 (1+2+3)3 8972 5651 6452 2901 295– 594

Het negatief Eigen Vermogen zal bij suppletore wet worden aangezuiverd.

Kengetallen en indicatoren

Kosten per productgroep (x € 1 000)
Productgroep  BegrotingRealisatie
 2000200120022002
Import2 0652 2942 4922 694
Export5 2705 6536 3606 874
Fytosanitaire Opsporing5 6995 8006 8787 434
Systeemborging12175145157
Deugdelijkheidsbeoordeling bestrijdingsmiddelen10569127137
Fytofarmaceutische acties340630410891
Diagnose en identificatie3 0513 3883 6823 980
Expertise en faciliteiten1 0851 6981 3101 863
Beleidsondersteuning1 7101 4712 0612 673
     
Totaal kosten19 44621 07823 46526 703
Verdeling opbrengsten (x € 1 000)
Opbrengst derden (retributies en marktinkomsten) Productgroep  BegrotingRealisatie
 2000200120022002
Import & Export4 5037 1396 8325 863
Fytosanitaire Opsporing1 6311 6151 8171 559
Systeemborging27253127
Deugdelijkheidsbeoordeling bestrijdingsmiddelen265195160137
Fytofarmaceutische acties244712317272
Diagnose en identificatie1 4821 3471 6511 417
Expertise en faciliteiten5521 128796683
     
Totaal opbrengst derden8 70412 16111 6049 958
     
Opbrengst LNV11 4829 82711 86114 567
Overige opbrengsten9263 11
     
Totaal opbrengsten20 27822 05123 46524 536

De gerealiseerde opbrengsten zijn prorato toegerekend aan de verschillende productgroepen.

Prestaties (aantallen)
ProductProductgroep  BegrotingRealisatie
  2000200120022002
Inspecties importzendingenImport44 35946 28745 00065 524
Gewaarmerkte exportcertificatenExport235 940242 508250 000287 502
Inspectiebezoeken fytosanitair (import, export en fytosanitair)Fytosan. Opsporing88 000135 105
Mutaties besmetverklaringenFytosan. Opsporing6723705001 082
Monstername bruinrot/ringrotFytosan. Opsporing82 53371 70385 0008 324
Diagnostische inzendingen/aantal monstersDiagnose/identificatie79 18057 52979 0005 288/17 713
Adviesuren landbouwkundige deugdelijkheid Deugd. BeoordelingBestrijdingsmiddelen2 4601 6322 4001 913
Verstrekte vergunningenFytofarm. Acties15 19237 6641200013 823

Over het algemeen ligt de realisatie hoger dan de prognose. Iedere import- of exportpartij bestaat uit één of meerdere zendingen. Een zending is een homogene partij bloemen, planten of fruit. Een zending kent geen vaste omvang. Er bestaat overigens geen relatie tussen het aantal zendingen en de inkomsten. Een inspectietarief wordt berekend per tijdseenheid. Omdat een zending geen vast volume kent wordt er geen relatie met de inkomsten gelegd.

Het aantal gewaarmerkte exportcertificaten ligt hoger dan geprognosticeerd. Dit hangt samen met de stijging van het aantal zendingen. Per zending wordt een certificaat afgegeven.

Met ingang van 1 januari 2002 wordt niet langer gewerkt met bedrijfs- en perceelbezoeken maar gebruiken we één kengetal «perceelsbezoeken». Ook hier is de prognose te laag. De verhouding van het aantal fytosanitare bedrijfsbezoeken is ongeveer 20% import, 70% export, 10% fytosanitair.

De afwijkingen monstername bruinrot/ringrot en diagnostische inzendingen worden verklaard doordat de activiteiten mbt bruinrot/ringrot zijn overgedragen aan de NAK/Agro.

Het aantal verstrekte vergunningen ligt lager dan geprognosticeerd als gevolg van minder uitgegeven spuitlicenties.

Doelmatigheid

Inzet arbeidscapaciteit (%)
 2000 (%)2001 (%)Begroting 2002 (%)Realisatie 2002
Bruto capaciteit100100100100
Bezettingsgraad (= netto capaciteit)84,983,985,983
Afwezigheid (verlof en ziekte)15,116,114,117
Netto capaciteit100100100100
Primair proces66,764,965,257,0
Management en beheer27,728,027,034,0
Kennis- en methodenontwikkeling5,67,17,89,0

De realisatie ligt voornamelijk op het primaire proces lager dan gepland. De verschillen worden grotendeels veroorzaakt door een hoge graad van afwezigheid als gevolg van verlof (afbouwen verlofstuwmeren) en ziekte. Daarnaast zijn pas aan het einde van het jaar 2002 veel vacatures opgevuld.

Gemiddelde duur prestaties (in uren)

 20002001Begroting 2002Realisatie 2002
Inspectie importbezoek0,81,4
Inspectie exportbezoek0,31
Verstrekken vergunning0,50,30,50,5

* Met ingang van 1 januari 2002 wordt de duur van een inspectiebezoek geregistreerd, historische gegevens zijn niet voorhanden.

De realisatie is inclusief de administratieve afhandeling van de inspecties.

De verschillen tussen realisatie en begroting worden verklaard doordat de PD een traject «werken volgens instructie» heeft ingezet.In de praktijk betekent dit dat een inspectie langer duurt omdat letterlijk «volgens het boekje» wordt gewerkt.

Doeltreffendheid

Wering schadelijke organismen20002001Begroting 2002Realisatie 2002
Aantal geïnspecteerde zendingen44 35946 28745 00065 524
Aantal geweerde zendingen235155250198
Percentage geweerde zendingen0,6%0,3 %0,6%0,3%

Het aantal zendingen is toegenomen terwijl het aantal weringen is afgenomen. De daling die zich in 2001 heeft ingezet lijkt te continueren.

Kwaliteit

 200020012002
Klaagschriften676
Aantal afgehandeld576
Aantal gegrond verklaard134
Beroeps- en bezwaarschriften  6
Aantal uitspraken1296
Afgewezen (%)100100100
Toegekend (%)000

Er zijn vier bezwaarschriften gegrond verklaard. In het jaar 2002 zijn relatief weinig bezwaarschriften afgehandeld. Dit is het gevolg van een zieke medewerker. Hieronder een toelichting op de bezwaar- en beroepschriften.

Bezwaarschriften

Categorie PrestatieBeginvoorraad bezwaarschriften 2002Ingediende bezwaarschriften 2002Afgehandelde bezwaarschriften 2002Afgewezen bezwaarschriften 2002
Bruinrot32544
Ringrot2 
Wratziekte11
Rhizoecus1 1
Stengelaaltje  
AM1 
Mel. Chitwoodi 1  
Sharka 1  
P. Ramorum 1  
Groenten en Fruit1 11
     
Totaal92965

Beroepschriften

CategorieBeginvoorraad Beroepschriften 2002Ingediende Beroepschriften 2002Afgehandelde Beroepschriften 2002Afgewezen Beroepschriften 2002
Groenten en fruit11  
Bruinrot 1  
Totaal12

Volume en prijsindicatoren activiteit exportinspectie en importinspectie (excl. inspecties van aardappelen en bloembollen)

 Volume 1 t/m 3e/4e kwartaalPrijs 2002 in €(*1 000): 1 t/m 3e/4e kwartaalRealisatie 2002 in € (x1 000)Realisatie 2001 in € (x1 000)
Inspectievoorrijtarief (gedeclareerd)*64 907/11 13628,70/30,252 8652 291
Inspectie eenheden import56 564/13 42118,72/19,704 1693 048
Inspectie eenheden export (1=15 minuten)**115 464/34 729   
Certificaten export***287 5023,80/4,00336908

* In bovenstaande zijn ook de lagere voorrijtarieven van de veiliging verwerkt

** In bovenstaande tarief zijn ook de hogere tarieven voor overwerk (avond, zaterdag en zondag) verdisconteerd

*** In bovenstaande zijn ook de certificaten van inspectieplichtige producten verwerkt. Tarifering is verdisconteerd in de inspecties.

12. SALDIBALANS

12.1 Saldibalans per 31 december 2002

  EUR1000   EUR1000
1)Uitgaven ten laste van de begroting2 388 420 2)Ontvangsten ten gunste van de begroting764 712
3)Liquide middelen7 745    
4)Rekening-courant RHB  4a)Rekening-courant RHB2 208 335
5)Uitgaven buiten begrotingsverband (=intra-comptabele vorderingen)636 630 6)Ontvangsten buiten begrotingsverband (=intra-comptabele schulden)59 748
7)Openstaande rechten0 7a)Tegenrekening openstaande rechten0
8)Extra-comptabele vorderingen2 438 103 8a)Tegenrekening extra-comptabele vorderingen 2438 103
9a)Tegenrekening extra-comptabele schulden2 372 9)Extra-comptabele schulden2 372
10)Voorschotten3 566 817 10a)Tegenrekening voorschotten3 566 817
11a)Tegenrekening garantieververplichtingen221 282 11)Garantieverplichtingen221 282
12a)Tegenrekening openstaande verplichtingen2 252 698 12)Openstaande verplichtingen2 252 698
13)DeelnemingenPM 13a)Tegenrekening deelnemingenPM
       
 Totaal11 514 067  Totaal11 514 067

2.2 Toelichting op de saldibalans (bedragen x 1 000)

Algemeen

De balansposten zijn bepaald en gewaardeerd overeenkomstig de geldende voorschriften van de Comptabiliteitswet. Indien van de geldende voorschriften wordt afgeweken, wordt dit nader toegelicht.

Conform het gestelde in de Regeling Departementale Begrotingsadministratie (RDB) zijn geen tussenrekeningen en rekening-courantverhoudingen met dienstonderdelen opgenomen. Zo zijn de rekening-courantverhoudingen met de dienstonderdelen verdeeld over de liquide middelen.

Toelichting per balanspost 
Balanspost 1 Uitgaven ten laste van de begroting 20022 388 420
De uitgaven over 2002 komen overeen met de Rekening en zijn gespecificeerd in het jaarverslag van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV), onderdeel verplichtingen en uitgaven. 
  
Balanspost 2 Ontvangsten ten gunste van de begroting 2002764 712
De ontvangsten over 2002 komen overeen met de Rekening en zijn gespecificeerd. in het jaarverslag van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV), onderdeel ontvangsten. 
  
Balanspost 3 Liquide Middelen7 745
De post liquide middelen is onder andere samengesteld uit de saldi van de kasbeheerders, de aan de kasvoorschothouders verstrekte gelden. 
Hierin opgenomen o.a. het saldo per 31 december van het Groenfonds ad. 45 004. 
  
Balansposten 4. Rekening-Courant RHB-Financiën2 208 335
Deze post geeft de vordering- en schuldverhouding weer tussen het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en het Ministerie van Financiën per 31 december 2002. 

Toelichting

 Bedrag
Het saldo rekening courant met het Ministerie van Financiën is als volgt samengesteld: 
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1 777 245
EOGFL-Garantie431 090
  
Totaal2 208 335
Balanspost 5 Uitgaven buiten begrotingsverband636 630
Onder de uitgaven buiten begrotingsverband zijn bedragen opgenomen die niet ten laste van de begroting behoeven te worden gebracht. Dit omdat enerzijds de verwachting bestaat dat deze uitgaven met derden kunnen worden verrekend en anderzijds omdat deze uitgaven behoren bij activiteiten die niet tot de taken van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij worden gerekend. 

Specificatie

 Bedrag
Algemeen40 832
Vordering landbouwheffing8 126
Te verrekenen BTW ivm MKZ26 294
EU EOGFL projecten117 447
Gefinancierde interventievoorraad39 162
EU EOGFL Garantie uitgaven404 769
 636 630

Deze uitgaven zullen naar verwachting in 2003 worden verrekend.

EU EOGFL Garantie-uitgaven

In de onderstaande tabel wordt inzicht gegeven in de totaalbedragen van uitgaven en ontvangsten met betrekking tot het EOGFL-Garantie, van de jaren waarvan de declaraties nog niet door de Europese Commissie zijn vastgesteld.

EOGFL-garantieLNVLNVUitgaven totaalOntvangsten EUNog te ontvangen
BoekjaarBoekjaar 2001Boekjaar 2002  
2000  1 104 1191 104 1154
2002327 649805 2961 132 9451 132 591354
2003 404 411404 411 404 411
Totaal327 6491 209 7072 641 4752 236 706404 769

De EOGFL-uitgaven 2003 hebben betrekking op de (declaratie)maanden november en december 2002 en zijn bevoorschot in januari en februari 2003.

Het saldo van het bedrag over 2001 ad. € 0,004 mln en 2002 ad. € 0,354 mln zullen met de goedkeuring van de jaardeclaraties van de betreffende jaren worden verrekend.

Gefinancierde interventievoorraad:

Beginvooraad599
Inkopen90 912
Verkopen– 3 373
Waardevermindering– 48 976
Eindvoorraad39 162
Balanspost 6 Ontvangsten buiten begrotingsverband59 748
Onder de ontvangsten buiten begrotingsverband zijn de bedragen opgenomen die niet ten gunste van de begroting behoeven te worden gebracht. Dit omdat enerzijds de verwachting bestaat dat deze ontvangsten met derden kunnen worden verrekend en anderzijds omdat deze ontvangsten behoren bij activiteiten die niet tot de taken van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij worden gerekend. 

Specificatie

(bedragen x 1 000)
 Bedrag
Algemeen41 840
EU EOGFL Garantie: Beschikbare gelden voor uitkeringen in het kader van SLOM4 744
Af te dragen loonheffing en sociale premies13 164
Totaal59 748

De ontvangsten zullen naar verwachting in 2003 worden verrekend.

Balanspost 8 Extra Comptabele Vorderingen2 438 103
De extra comptabele vorderingen hebben betrekking op nog te ontvangen middelen, welke voortvloeien uit uitgaven die ten laste van de begroting zijn gebracht en nog met derden zullen worden verrekend, alsmede in rekening gebrachte keuringengelden of opgelegde mestheffingen. 

Specificatie

 Totaalbedrag
Mineralenboekhouding Bureau Heffingen12 252
Landbouwgronden1 453 735
Te vorderen keuringsgelden van de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees11 857
Leningen158 997
Gestelde zekerheden566 015
Vordering op de Europese Unie in verband met de afwikkeling van Klassieke Varkenspestcrisis 1997 (KVP 97)33 558
Varkenspestcrisis 1997 declaratie 19988 035
Te vorderen vergoede BTW component KVP 97 van diverse crediteuren8 513
Te vorderen douanerechten van bedrijfsleven57 743
Algemeen127 398
 2 438 103

Toelichting landbouwgronden:

Het saldo bestaat voornamelijk uit een langlopend renteloos voorschot van € 852 mln., de financiering aan het Bureau Beheer Landbouwgronden. Daarnaast is er een bedrag ad € 443 mln. nog te vorderen uit hoofde van Landinrichtingsrenten, welke in het algemeen in 26 jaar worden geïnd. Voorts heeft de Landinrichtingsdienst nog € 159 mln. te vorderen uit hoofde van landinrichtingsprojecten.

Toelichting KVP-vorderingen:

Het Ministerie van LNV heeft met betrekking tot de afwikkeling van de Klassieke Varkenspestcrisis 1997 nog een vordering op de Europese Unie van EUR 34 mln. De Europese Unie heeft in eerste instantie de declaratie afgewezen. Nederland is hiertegen in beroep gegaan. De zaak is op dit moment voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie. Vooralsnog is besloten de vordering KVP 1997 ad € 8,5 miljoen niet te innen. Door goedkeuring van de rekening wordt definitief van invordering afgezien.

Toelichting leningen:

 Bedrag
Natuurmonumenten5
St. Groninger landschap40
WUR (Stichting DLO)127 010
WUR Praktijkonderzoek26 550
WUR IAC/ILRI5 392
Totaal158 997

Gestelde zekerheden

BetaalorgaanSpecificatie
HPA220 180
PZ221 412
PVVE41 130
PT53 189
LASER30 104
Totaal566 015
Balanspost 9 Extra comptabele schulden2 372
De extra comptabele schulden hebben betrekking op nog te verrichten uitgaven, welke voortvloeien uit ontvangsten die ten gunste van de begroting zijn gebracht en nog met derden zullen worden verrekend. 
 Bedrag
Verschuldigd aan EU2 372
Totaal2 372
Balanspost 10 Voorschotten3 566 817
Onder voorschotten wordt verstaan de vooruit verstrekte gelden, welke op 31 december 2002 nog niet waren verrekend. 
Beleidsartikelen20022001200019 991998 en eerderTotaal
01 Versterking Landelijk gebied46 02531 91817 73218 63827 517141 830
02 Verwerving en inrichting EHS23 27219 1311311 8974 80649 237
03 Beheer EHS48 51135 53612 4013 78211 583111 813
04 Econ.pers.volle agroketens100 45067 98810 1805 75425 591209 963
05 Bevord. Duurzame productie44 47722 88114 51346 68825 893154 452
06 Bevorderen voedselveiligheid32 77621 74113 86512 50014 80095 682
07 Kennisontwikkeling298 572133 652125 149122 843363 8951 044 111
08 Kennisvoorziening400 231352 378336 355270 22879 9941 439 186
09 Kennisverspreiding81 90750 21535 64326 84335 379229 987
11 Algemeen82 313658   82 971
Uszo7 585    7 585
Totaal1 166 119736 098565 969509 173589 4583 566 817

Verloop van de voorschotten gedurende het dienstjaar 2002

 Bedrag
Beginstand 1 januari2 965 286
Verstrekte voorschotten+1 165 990
Eindafgerekende voorschotten-/-564 459
Eindstand 31 december3 566 817

Toelichting:

Medebewindskosten: Op deze post zijn de nog niet afgerekende voorschotten inzake de medebewindkosten opgenomen. Bij de vaststelling van de definitieve bijdrage zullen de voorschotten worden afgeboekt.

  Bedrag
Stand 1–1–2002 107 353
Bij:31 57726 028
Af:–/– 57 605 
Stand 31–12–2002 81 325
ProductschapOmschrijving200220012000199919981997 evTotaal
HPAVs.medebewind13 39313 42812 914   39 735
PZVs.medebewind7 1267 517    14 643
PVVEVs.medebewind6 8098 391    15 200
PTVs.medebewind3 4214 304    7 725
PVIVIVs.medebewind8287126616205946074 022
 Totaal31 57734 35213 57562059460781 325

Subsidievoorschotten

De posten op de overige beleidsterreinen zijn in het algemeen voorschotten op nog definitief vast te stellen subsidies. Vaststelling vindt hoofdzakelijk plaats nadat de definitieve afrekeningen met de daarbij behorende accountantsrapporten zijn ingediend. Daarbij vindt afboeking van de voorschotten plaats.

Balanspost 11 Garantieverplichting221 282

Garanties

Voor de samenstelling wordt verwezen naar paragraaf 2.3, de staat van garantieverplichtingen.

Balanspost 12 Openstaande verplichtingen2 252 698
Het saldo van de openstaande betalingsverplichtingen per 31 december 2002 is opgebouwd uit de in het jaar 2002 aangegane verplichtingen, alsmede de in de voorgaande jaren aangegane nog lopende verplichtingen welke niet tot uitgaven in 2002 hebben geleid. 
HoofdbeleidsterreinenStand per 01–01–2002Realisatie +Negatieve bijstelling -/-Uitgaven -/-Stand per 31–12–2002
01 Versterking landelijk gebied635 127278 66920 816302 527590 453
02 Verwerving/inrichting EHS120 234271 9487 216243 900141 066
03 Beheer EHS287 022170 5749 016141 795306 785
04 Econ.pers.voll.agroketens140 117110 0808 1 21178 73263 344
05 Bevord.duurz.produktie91 612266 20611 793151 325194 700
06 Bevord.voedselveiligheid13 889264 324454257 92519 834
07 Kennisontwikkeling195 553419 64813 235310 275291 691
08 Kennisvoorziening303 709416 549149400 375319 734
09 Kennisverspreiding20 570106 40811 46183 13432 383
11 Algemeen928317 924117318 432303
Subtotaal1 808 7612 622 33082 3782 388 4201 960 293
Buiten begrotingsverband103 365207 5391 27917 221292 405
Totaal generaal1 912 1262 829 86983 6572 405 6412 252 698

Toelichting

Waarderingsgrondslag van de verplichtingen

Beleidsartikel m.b.t. kennis:

Het recht op onderwijssubsidies ligt vast in de basiswet. Indien de subsidiabelen aan de in de basiswet gestelde criteria en voorwaarden voldoen, kan subsidie niet worden onthouden. De uitgaven op dit artikel betreffen over het algemeen lumpsum vergoedingen.

Buiten begrotingsverband

De uitgaven van de verplichtingen buiten begrotingsverband worden verantwoord op uitgaven c.q. ontvangsten buiten begrotingsverband. Het saldo dat in de balans wordt opgenomen betreft de gerealiseerde uitgaven minus de ontvangen bijdragen van derden.

De verplichtingen betreffen veelal projecten in het kader van de uitvoering van verordeningen van de Europese Unie.

Balanspost 13 DeelnemingenPM
In 1998 is de Stichting Landbouwvoorlichting omgevormd tot NV met het Ministerie van LNV als enige aandeelhouder. Deze aandelen zijn niet verhandelbaar in het maatschappelijk verkeer gedurende een periode van 3 jaar en worden daarom als Pro Memorie gewaardeerd. 
Per 1 januari 2003 zijn de deelnemingen overgedragen aan het Ministerie van Financien en aldaar in de administratie opgenomen. 

2.3 De staat van garantie-verplichtingen

Garantie verplichtingen per 31 december 2002

Bel. Artikela) ten behoeve vanb) aanIngangs datumlooptijd in jarenMaximaal verleendLopende verplichting
04a) Stichting Borgstellingsfonds voor de Land- en Tuinbouw  91 61850 198
Subtotaal artikel  91 61850 198 
      
02a) Rente en aflossingen van leningen inzake aankoop van natuurgebieden en landschappen    
 b) AMEV16-05-1994145 1342 759
 b) St. Notarieel Pensioenfonds20-06-1994208 4496 380
  05-02-1993305 4454 801
 b) St. Pensioenfonds Rabobankorg.23-04-1993301 8151 576
  15-09-1993301 5881 367
 b) Alg. Spaarbank voor Nederland01-04-1992303 6303 189
  05-06-1992304 5383 988
  14-08-199851 541336
  15-09-199851 861406
 b) Internationale Nederlanden21-06-1993301 8151 577
  15-11-1993304 5383 883
  17-02-1994305 4454 752
  20-05-1994194 5383 271
  21-04-1994185 8774 066
  12-12-1994302 2692 052
  24-01-199730908843
 b) Algemeen burgerlijk pensioenfonds14-09-1995302 2692 059
  10-02-1995304 0843 763
  26-05-1998303 1762 974
  21-12-1989202 7232 161
  16-07-1990302 7232 290
  27-05-1994303 1762 839
  15-09-1994303 6303 263
  20-05-1994193 7432 723
  28-03-1996304 5384 177
  24-01-1996304 5384 155
  11-07-1997196 0975 097
 b) Bank Nederlandse Gemeenten01-04-1997304 0843 775
  02-06-1997185 9124 809
  22-07-1997204 0563 431
  22-05-1995203 1762 896
  22-12-1997302 7232 517
  22-10-1998304 7764 669
  15-04-1999104 1683 081
  15-06-199953 5271 480
  01-07-1999302 7232 584
  30-06-1999202 3632 127
  15-03-1999304 0843 883
  28–02–2001309 0768 946
  19–11–2001309 0758 929
  30–01–2001202 8342 751
  01–10–2001205 2305 074
  24–12–2002109 1009 100
 b) ASF Graf.Bedr./Telegraaf/Fortis15-12-1997202 3601 995
 FGH13-11-199851 776387
 b) Würtembergische Hypothekenbank14–01–20005932586
 b) Ned. Waterschaps Bank01–09–20021012 94212 942
 Subtotaal artikel  195 005166 709
Artikela)ten behoeve van b) aanIngangs datumlooptijd in jarenMaximaal verleendLopende verplichting
06a) NV Vuilafvoer Maatschappij (VAM)    
 ING bank01–01–72306810
      
 Subtotaal artikel  6810
      
08a) Gebouwen en terreinen voor gesubsidieerde scholen Agrarisch onderwijs  13 8014 100
 a) Gebouwen Stichting Studenten huisvesting in Deventer  749275
 Subtotaal artikel  14 5504 375
      
 Totaal generaal  301 854221 282

BIJLAGE 1

VERDIEPINGSBIJLAGE

(x € 1 000)
01 Versterking landelijk gebiedVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)222 573283 04179 554
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)222 573283 04179 554
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)1054 440 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)1054 440 
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)24 85113 9072006
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 76)24 85113 9072006
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet31 1411 1403 053
4. Vast te stellen mutatie slotwet31 1411 1403 053
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)278 670302 52884 613
(x € 1 000)
02 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)VerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)223 531225 1259 712
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)223 531225 1259 712
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)12 4358 03412 000
Amendement (kmst. 28 306 nr. 5)20002000 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)10 4356 03412000
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)19199 502
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 76)19199 502
    
Mutaties-slotwet   
Ontwerp-slotwet47 06312 722– 9 141
4. Vast te stellen mutatie slotwet47 06312 722– 9 141
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)281 048243 90022 073
(x € 1 000)
03 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)VerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)137 082136 0769 849
Amendement (kmst. 2001–2002 28 000 XIV, nr. 4)10 00010 0005 000
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)147 082146 07614 849
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)19716 303– 5 000
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)197– 16 303– 5 000
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)12 24612 246– 5 814
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 76)12 24612 246– 5 814
    
Mutaties-slotwet   
Ontwerp-slotwet11 049– 224– 102
4. Vast te stellen mutatie slotwet11 049– 224– 102
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)170 574141 7953 933
(x € 1 000)
04 Economisch perspectiefvolle agroketensVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)178 031187 39070 666
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)178 031187 39070 666
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)28 2344 9085 000
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)28 2344 9085 000
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)– 72 079– 21 59136 403
Amendement (kmst. .. , nr. ..)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 76)– 72 079– 21 59136 403
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet– 24 1058 0256 196
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 24 1058 0256 196
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)110 081178 732118 265
(x € 1 000)
05 Bevorderen duurzame productieVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)116 723110 15825 983
Amendement (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 42)7 5007 5003 750
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)124 223117 65829 733
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)244– 8 311– 3 466
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)244– 8 311– 3 466
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)182 65445 69621 093
Amendement (kmst. .. , nr. ..)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 76)182 65445 69621 093
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet– 40 915– 3 717317
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 40 915– 3 717317
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)266 206151 32647 677
(x € 1 000)
06 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheidVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)159 871159 765117 454
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)159 871159 765117 454
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)55 57855 524 59 233 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)55 57855 52459 233
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)35 90233 451– 5 800
Amendement (kmst. .. , nr. ..)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 76)35 90233 451– 5 800
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet12 9749 186– 525
4. Vast te stellen mutatie slotwet12 9749 186– 525
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)264 325257 926170 362
(x € 1 000)
07 Kennisontwikkeling en innovatieVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)286 299287 14212 934
Amendement (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 42)– 3 750– 3 750 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)282 549283 39212 934
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)100 9649 542 953 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)100 9649 542953
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)26 81721 333456
Amendement (kmst. .. , nr. ..)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 20..,)26 81721 333456
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet9 319– 3 991– 869
4. Vast te stellen mutatie slotwet9 319– 3 991– 869
    
Totaal geraamd tevens realisatie 20.. (1+2+3+4)419 649310 27613 474
(x € 1 000)
08 KennisvoorzieningVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)359 925359 925227
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)359 925359 925227
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)50 22018 720 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)50 22018 720 
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)41 16515 440442
Amendement (kmst. .. , nr. ..)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 20..,)41 16515 440442
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet– 34 7606 290132
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 34 7606 290132
    
Totaal geraamd tevens realisatie 20.. (1+2+3+4)416 550400 375801
(x € 1 000)
09 KennisverspreidingVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)88 54386 172 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)88 54386 172 
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)6 2971 897 
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)6 2971 897  
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)8 3103 7931 245
Amendement (kmst. .. , nr. ..)   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 20..,)8 3103 7931 245
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet3 259– 8 728594
4. Vast te stellen mutatie slotwet3 259– 8 728594
    
Totaal geraamd tevens realisatie 20.. (1+2+3+4)106 40983 1341 839
(x € 1 000)
10 Nominaal en OnvoorzienVerplichtingenKasuitgaven
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)5 6505 650
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)5 6505 650
   
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)  
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)51 54751 547
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)51 54751 547
   
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)  
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)– 56 997– 56 997
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 76)– 56 997– 56 997
   
Mutaties slotwet  
Ontwerp-slotwet– 200– 200
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 200– 200
   
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)00
(x € 1 000)
11 AlgemeenVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (kmst. 2001–2002, 28 000 XIV, nr. 206H)228 452228 447288 707
Amendement Bolhuis (kmst 2001–2002,28 000 XIV, nr 4)– 5 000– 5 000 
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 287)223 452223 447288 707
    
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2001–2002, 28 306, nr. 330)3 0843 084– 26 173
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 463)3 0843 084– 26 173
    
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)   
Ontwerp-suppl. begroting (kmst. 2002–2003, 28 709, nr. 1)70 12069 24117 902
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 200, 76)70 12069 24117 902
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp-slotwet   
4. Vast te stellen mutatie slotwet21 26822 66021 244
    
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)317 924318 432301 680

BIJLAGE 2

AANBEVELINGEN AR EN M&O-BELEID

Verantwoording over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van het Rapport bij de financiële verantwoording 2001 van de Algemene Rekenkamer en de huidige stand van zaken omtrent de onderwerpen die aanleiding gaven tot deze opmerkingen, onderwerpen waarbij een verhoogd risico wordt ingeschat en het M&O-beleid.

Algemene Rekenkamer

Het proces van accountantscontrole in 2001:

Alle gesignaleerde knelpunten met betrekking tot het proces van accountantscontrole in het rapport bij de financiële verantwoording 2001 zijn opgenomen in het «verbeterplan accountantscontrole AD-LNV 2002». Dit verbeterplan is zo goed als afgerond. Bovendien heeft de auditdienst hierover regelmatig periodiek overleg met de Algemene Rekenkamer. De Algemene Rekenkamer heeft in de «Secretarisbrief» van 30 januari 2003 haar positieve waardering uitgesproken over de voortgang van het verbeterplan accountantscontrole. De conclusie van de Algemene Rekenkamer is dat de auditdienst haar controleaanpak transparant heeft vastgelegd.

Administratieve organisatie bij LNV:

Ook dit jaar zal vanuit FEZ (sector procesontwikkeling & AO) bij de managers binnen de LNV organisatie aandacht worden gevraagd voor de positie en mogelijkheden van procesinrichting van de eigen organisatie. Dit houdt in dat er nog meer aandacht besteed moet worden aan het onderhoud en de ontwikkeling van de procesinrichting en op welke wijze hierbij gebruik gemaakt kan worden van de blauwdrukken. Daarnaast zal vanuit FEZ onder andere via het kennisnetwerk procesontwikkeling & AO nog actiever ondersteuning worden verleend bij het toepassen van de ontwikkelde blauwdrukken en de implementatie daarvan door de betreffende directie of dienst. Concreet betekent dit dat directies die nog geen blauwdruk aanpak hebben geïmplementeerd, benaderd gaan worden en er activiteiten worden georganiseerd gericht op het management en de procesontwikkelaars per dienstonderdeel. Directie FEZ zal hiertoe uiterlijk in april 2003 een Plan van Aanpak opstellen.

Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst (VIR):

De stafdirectie Informatiemanagement en Facilitaire Zaken (IFA) voert het «Programmaplan Informatiebeveiliging» met voortvarendheid uit. Er zijn inmiddels goede vorderingen gemaakt met de uitvoering van het verbeterplan gemaakt. Het «Standaard beveiligingsniveau» is in 2002 opgesteld en is nu in de afrondende fase beland van een laatste redactieslag en vervolgens het definitief vaststellen. Binnen LNV wordt het «Standaard beveiligingsniveau» al wel gehanteerd bij het opstellen van de afzonderlijke informatiebeveiligingsplannen. Deze plannen voor alle diensten en directies zullen naar verwachting eind eerste kwartaal 2003 zijn afgerond. Daarmee zijn alle mogelijke individuele acties van diensten en directies inzichtelijk gemaakt met aandacht voor de risicovolle systemen.

De aansturing en toezicht van Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT's):

De aandacht voor sturing en toezicht is duidelijk toegenomen, hetgeen in 2002 voor LNV de aanleiding is geweest de Unit Aansturingsaangelegenheden in te stellen. Deze unit heeft tot taak het ondersteunen van de departementsleiding op het gebied van aansturingsaangelegenheden, maar zal ook een onafhankelijke toezichtsfunctie (metatoezicht) voor de uitoefening van wettelijke taken door externe organisaties uitoefenen. Ook is een verbeteringstraject gestart van de aansturingsrelaties met externe organisaties. Basis hiervoor is een quick-scan onderzoek dat begin 2002 is afgerond, waarbij de sturingsarrangementen tussen LNV en ZBO's en RWT's zijn onderzocht. Het verbeteringstraject heeft een doorlooptijd van ca. twee jaar. Het is van belang dat dit resulteert in aansturingsarrangementen waarin verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden ondubbelzinnig en transparant zijn vastgelegd en dat de informatievoorziening voor zowel het beleid als het toezicht beschikbaar is. De gesignaleerde knelpunten van de Algemene Rekenkamer worden in dit verbetertraject meegenomen.

Misbruik en Oneigenlijk gebruik

Het beleid van de afgelopen jaren ten aanzien van het misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O-beleid) is ook in 2002 doorgetrokken. Dit beleid is in de Handleiding Financiële Regelingen en de Kwaliteitsstappen beleidsvoornemens neergelegd en sluit aan op de relevante wetgeving (Algemene Wet Bestuursrecht, Kaderwet e.d.) en de handleiding ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Directie Accountancy Rijksdienst (DAR).

Het beleid met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik is ook gericht op regelingen in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Het betreft hier de exportrestitutie-, Interventie-, Mac Sharry-, en overige steunregelingen. Voor de communautaire regelingen bepaalt de Europese Unie in belangrijke mate het te voeren M&O-beleid. Dit beleid is met name vastgelegd in de algemene voorschriften voor:

– het toepassen van een communautair sanctiebeleid;

– het gestructureerd melden van onregelmatigheden.

In diverse regelingsspecifieke verordeningen is het controlebeleid opgenomen. Deze voorschriften vormen voor de uitvoering van controles de norm.

In de implementatiefase van een regeling is de aandacht gericht op het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidiegelden in de uitvoeringsfase. Bij het implementeren van een regeling ter uitvoering van een verordening van het EOGFL-afdeling Garantie wordt, voordat de regeling voor publicatie wordt vrijgegeven, door de uitvoerende dienst een controlememorandum opgesteld. Dit geldt overigens ook voor veel nationale subsidieregelingen. Hierin worden op basis van een risico-analyse de risico's met betrekking tot het mogelijk misbruik en oneigenlijk gebruik aangegeven en worden administratieve en/of fysieke controlemaatregelen bepaald. Daarbij wordt tevens aangegeven welk orgaan de controlemaatregelen zal uitvoeren. De technische diensten zijn bij het opstellen van het controlememorandum betrokken. De bij het opstellen van het controlememorandum onderkende risico's, de voorgestelde maatregelen en de daarbij behorende kosten kunnen aanleiding zijn de ontwerpregeling op onderdelen te vereenvoudigen of anderszins aan te passen. De technische diensten richten zich door middel van fysieke inspecties en technisch administratieve bedrijvencontroles op de juistheid van de door de begunstigden verstrekte gegevens. Deze controles vormen het sluitstuk van het controleproces. De belangrijkste technische diensten zijn de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van LNV en de Douane (ressorterend onder de Belastingdienst van het Ministerie van Financiën).

Bij bekostiging onderwijs wordt in principe gelijke bekostiging met OCen W in acht genomen. De directie Wetenschap en Kennisoverdacht participeert in het zelfreinigend onderzoek bij onderwijsinstellingen. Consequenties van het zelfreinigend onderzoek zullen door LNV worden opgepakt.

BIJLAGE 3

LIJST MET GEBRUIKTE AFKORTINGEN

AEWA=African-Eurasian Waterbird Agreement
AG=Advocaat Generaal
AID=Algemene Inspectiedienst
AmvB=Algemene Maatregel van Bestuur
AOC=Agarisch Opleidings Centrum
BBI=Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal
BBL=Beroepsbegeleidende Leerweg
BHF=Bureau Heffingen
BSE=Bovine Spongiform Encephalopathy
BZK=Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
CITES=Converntion on International Trade in Endangered Species
CTB=College Toelating Bestrijdingsmiddelen
DAR=Directie Accountancy Rijksdienst
DBR=Dienst Basisregistraties
DLG=Dienst Landelijk Gebied
DLO=Dienst Landbouwkundig Onderzoek
DWK=Directie Wetenschap en Kennisrecht
EC=Europese Commissie
EFRO=Europees Fonds Regionale Ontwikkeling
EHS=Ecologische Hoofdstructuur
EOGFL=Europees Oriëntatie en Garantie Fonds voor de Landbouw
EPD=Enig Programmerings Document
EVC=Erkenning van elders Geworven competenties
FAO=Food and Agricultural Organisation van de Verenigde Naties
FIOV=Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij
GIOS=Groen in en om de stad
GLB=Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
GNO=Gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong
HACCP=Hazard Analysis & Critical Control Points
HBO=Hoger Beroeps Onderwijs
HGIS=Homogene Groep Internationale Samenwerking
I&R=Identificatie en Registratie
IBV=Investeringsregeling Biologische Varkenshouderij
ICES=Interdepartementale Commissie Economische
ICT=Informatie Communicatie Technologie
IFA=Informatiemanagement en Facilitaire Aangelegenheden
IOZV=Regeling Inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij
IRG=Infrastructuurregeling Glastuinbouw
ISV=Investeringsimpuls Stedelijke Vernieuwing
KS 2000=Kwalificatie Structuur 2000 +
LASER=Landelijke Service Regeling
LEI=Landbouw Economisch Instituut
MDA=Medroxy Progesteron Acetaat
LTO=Land- en Tuinbouw Organisatie
MAO=Mestafzetovereenkomst
MINAS=Mineralen aangiftesysteem
MJA's=Meerjarenafspraken
MKZ=Mond- en Klauwzeer
MDA=Medroxy Progesteronacetaat
MVO=Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
NVA=Nederlandse Voedsel Autoritiet
NVM=Natuur voor Mensen
O&S=Ontwikkelings- en Saneringsfonds
OCW=Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
OLS=Ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie
PD=Plantenziektenkundige Dienst
PEBLDS=Pan-Europese Biologische en Landschaps Diversiteits Strategie
PEEN=Pan Europees Ecologisch Netwerk
POP=Plattelandsontwikkelingsplan
RBON=Rijksregelingen Beheersovereenkomsten
RBV=Regeling Beëindiging Veehouderij-takken
ROC=Regionale Opleidings Centrum
ROS=Regeling Organisatiekosten samenwerkingsverbanden
RROG=Regeling Reconstructie Oude Glastuinbouwgebieden
RSBP=Regeling Stimulering Biologische Productiemethoden
RSG=Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw
RVV=Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees
RWT=Rechtspersonen met een wettelijke Taak
SAN=Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer
SBB=StaatsBosbeheer
SBL=Stimulering Bosuitbreiding op Landbouwgronden
SEP=Sociaal Economische Plan
SER=Sociaal Economische Raad
SGB=Subsidieregeling Gebiedsgerichte Beleid
SGR=Structuurschema groene ruimte
SN=Subsidieregeling Natuurbeheer
SNN=Samenwerkingsverband Noord Nederland
STIDUG=Stimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden
SZW=Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
UNFF=UN Forum on Forests
VBTB=Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording
VIA=Regeling Versterking en Innovatie agrarisch Onderwijs
VIR=Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst
VMBO=Voorbereidend Middelbaar Beroeps Onderwijs
VNBL=Versterking Bos- en Landgoedeigenaren
VROM=Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu
VWA=Voedsel en Waren Autoriteit
VWS=Ministerie van Verkeer en Waterstaat
WCL=Waardevolle Cultuur Landschappen
WEB=Wet Educatie en Beroepsonderwijs
WO=Wetenschappelijk Onderwijs
WOT=Wettelijke Onderzoeks Taken
WSSD=World Summit on Sustainable Development
WTS=Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen
WVO=Wet op het Voortgezet Onderwijs
ZBO=Zelfstandige Bestuursorgaan

XNoot
1

* In de begroting 2003 is reeds gemeld dat – in het kader van het groeipad VBTB – gewerkt wordt aan het scherper in kaart brengen van de toekomstige beheerslasten, analoog aan de informatie die in 2001 inzake verwerving en inrichting aan de Kamer is verzonden. Dit zal leiden tot een andere, meer inzichtelijke begroting en verantwoording van de prestatiegegevens inzake beheer in de beleidsartikelen 1.13 en 3.11.

Naar boven