28 880
Jaarverslagen over het jaar 2002

nr. 24
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER (XI)

Aangeboden 21 mei 2003

kst-28880-24-1.gifkst-28880-24-2.gif

Inhoudsopgave

A.ALGEMEEN6
   
VOORWOORD6
   
DECHARGEVERLENING7
   
LEESWIJZER10
   
B.BELEIDSVERSLAG13
   
BELEIDSPRIORITEITEN voor 2002 
 Inleiding13
 Thema 1: Veiligheid en gezondheid13
 Thema 2: Duurzame ontwikkeling16
 Thema 3: Ruimtelijke en stedelijke kwaliteit20
 Thema 4: De positie van de burger23
 Thema 5: Institutioneel kader27
 Thema 6: Handhaving29
 Thema 7: Prioriteiten op grond van politieke en bestuurlijke actualiteit in 200233
 Financiële consequenties en beleidsmatige conclusies m.b.t. de beleidsprioriteiten33
Beleidsartikelen44
Niet-beleidsartiklen189
Mededeling over de bedrijfsvoering197
Bedrijfsvoeringsprioriteiten200
   
C.JAARREKENING206
   
De verantwoordingsstaat van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI)206
Samenvattende verantwoordingsstaat baten-lastendiensten207
Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaten 208
Toelichting bij de beleidsartikelen208
Toelichting bij de niet-beleidsartikelen227
   
BIJLAGE 1232
Verdiepingsbijlage 
   
BIJLAGE 2235
De saldibalans van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer per 31 december 2002 (opgemaakt naar de stand van 12 maart 2003) 
   
BIJLAGE 3242
Aanbevelingen Algemene Rekenkamer 
   
BIJLAGE 4248
Jaarverslag 2002 Agentschap Rijksgebouwendienst 
   
BIJLAGE 5294
Trefwoordenlijst 
   
BIJLAGE 6298
Lijst van gebruikte afkortingen 

A. ALGEMEEN

VOORWOORD

Het jaar 2002 was een politiek turbulent jaar. Voor het ministerie van VROM is dit duidelijk voelbaar geweest. Het Strategisch Akkoord betekende een keuze voor een leefbare (woon)omgeving, een dynamische ruimtelijke ontwikkeling en een duurzame toekomst mét behoud van mogelijkheden voor welvaartsbehoud en groei.

Een doelstelling waarvoor de koers verlegd werd van grote beleidsnota's naar meer aandacht voor de uitvoering van het beleid en het directe belang van burgers. Een aantal prioriteiten uit de begroting 2002 hebben hierdoor een andere invulling gekregen. Deze doel- en koerswijziging zijn in dit jaarverslag herkenbaar.

Nut en noodzaak van het overheidshandelen moeten evident zijn voor de burger. Kan het niet beter, sneller, inzichtelijker? Mag ik dat zelf niet bepalen? Ja, het kan efficiënter en met een groter beroep op zelfhandelend vermogen en verantwoordelijkheid van burgers, instellingen en bedrijven. Daartoe is onder meer een herijking van wet- en regelgeving en vereenvoudiging van procedures in gang gezet. Een operatie die tevens moet leiden tot een effectievere handhaving van VROM-regels.

De overheid stelt grenzen, maar biedt ook kansen en activeert zo het probleemoplossend vermogen in de samenleving. Met dit uitgangspunt verwacht het ministerie van VROM de besluitvormingsprocessen op de terreinen wonen, ruimte en milieu te versnellen en een beter beleid voor burgers te bereiken.

Met een greep uit de thema's van het afgelopen jaar wil ik hieronder aangeven wat VROM zoal concreet heeft beziggehouden in 2002.

• De sloop, nieuwbouw en renovatie in achterstandswijken, maar ook de aanpak van verloedering, illegaliteit en criminaliteit in de steden onder andere met het Actieprogramma Herstructurering.

• Het vlottrekken van de stagnerende woningbouwproductie door middel van aanjaagteams en gestroomlijnde procedures.

• Vertraging uitbetaling huursubsidie en invoering EOS. Daarna is een pakket van maatregelen ter verbetering geïmplementeerd.

• Het bevorderen van dynamiek in de ruimtelijke ordening langs de lijnen van de Stellingnamebrief.

• Voortzetting van beleid gericht op een duurzame toekomst met kostenefficiënte inzet van middelen, uitgewerkt in de nota Vaste waarden, nieuwe vormen.

• Effectievere handhaving en controle op naleving dankzij bundeling in de VROM-Inspectie.

Een bijzonder feit bij dit Jaarverslag 2002 is dat dit het eerste jaarverslag is vanuit het VBTB principe. Uit dit jaarverslag moet blijken of is bereikt wat werd beoogd en of er gedaan is wat was afgesproken. En bovendien: of dit alles binnen de gestelde financiële kaders heeft plaatsgevonden. Met belangstelling wacht ik af op de inhoud van dit Jaarverslag over de begroting van het ministerie van VROM 2002 aan uw verwachtingen heeft voldaan.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

H. G. J. Kamp

DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer decharge te verlenen over het in het jaar 2002 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in de jaarverslagen;

d. de departementale saldibalansen;

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige Jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

b. de slotwet van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over het jaar 2002; deze slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2002 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2002 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2002 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001);

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

Ten behoeve van het politieke oordeel dat door middel van een besluit tot dechargeverlening wordt uitgesproken, is het van belang mee te wegen dat de ondergetekende samen met staatssecretaris drs. P.B.L.A van Geel vanaf 22 juli 2002 de zorg voor het financieel beheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op zich heeft genomen.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

H. G. J. Kamp

mede namens

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

drs. P. L. B. A. van Geel

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van:

(datum)

De Voorzitter van Tweede Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Tweede Kamer, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van:

(datum)

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Eerste Kamer, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

LEESWIJZER

Algemeen

Het jaarverslag 2002 is het spiegelbeeld van de eerste in VBTB termen opgestelde begroting 2002. Consequentie van dit uitgangspunt is dat de kwaliteit van de begroting in hoge mate de kwaliteit van het jaarverslag beïnvloedt. In meer specifieke termen betekent dit dat onvolkomenheden op het gebied van VBTB in de begroting 2002 hun weerslag krijgen in het jaarverslag over 2002. In de komende jaren zullen binnen het departement dan ook de nodige activiteiten ondernomen worden gericht op het verbeteren van de VBTB-kwaliteit van de begroting en het jaarverslag. Een aantal van deze verbeteringen zijn al aangebracht in de begroting 2003. Door de activiteiten die VROM onderneemt op het VBTB-terrein in 2003 is het te verwachten dat de begrotingen en dus ook de jaarverslagen in de toekomst zullen verbeteren.

Enkele opmerkingen met betrekking tot de volgende onderdelen van het jaarverslag:

A. Beleidsverslag

– Beleidsprioriteiten

– Beleidsartikelen

– Mededeling over de bedrijfsvoering

– De bedrijfsvoeringsprioriteiten

B. Jaarrekening

– Jaarverslag Begrotingsfonds

– De samenvattende verantwoordingstaat en toelichting van het agentschap Rgd

C. Bijlagen

Toelichting:

A. Beleidsverslag

A.1. De beleidsprioriteiten

In de beleidsagenda wordt op hoofdlijnen het gerealiseerde beleid afgezet tegen het voorgenomen beleid. Centraal, in de tekst, staat hierbij de beantwoording van de zogenaamde twee H -vragen: Hebben we bereikt wat we hebben beoogd? en Hebben we gedaan wat we daarvoor zouden doen? De teksten in de beleidsagenda zijn relatief beknopt. In het betreffend beleidsartikel wordt uitgebreider terugkomen op de beleidsresultaten. Tot de beleidsprioriteiten worden gerekend de prioriteiten genoemd in de begroting 2002 en onderwerpen die in de loop van het jaar op grond van politieke of bestuurlijke ontwikkelingen tot prioriteit zijn benoemd.

Aan het eind van het beleidsverslag is een tabel opgenomen die inzicht geeft in de budgettaire standen per prioriteit gevolgd door de mutaties en tenslotte de realisatiecijfers. Deze tabel was niet opgenomen in de begroting 2002. De tabel is de uitwerking van de motie Vendrik. Aangezien de uitwerking van de motie eind 2002 bekend is geworden is de VROM-administratie niet geheel toegerust op deze informatie. Hierdoor is voor de invulling gebruik gemaakt van cijfers die afkomstig zijn uit extra-comptabele administraties van VROM.

Een prioriteit kan artikeloverschrijdend zijn. Hierdoor is een strakke afbakening per artikel niet mogelijk. In de toekomst komt dit vaker voor aangezien VROM streeft bij prioriteiten om zoveel mogelijk alle relevante VROM-doelstellingen te betrekken bij gestelde prioriteiten.

Aangezien de tabel met budgettaire standen ook niet was voorgeschreven voor de begroting 2003 zal het jaarverslag 2003 met dezelfde omstandigheden te maken krijgen.

Tenslotte worden op basis van de bereikte resultaten conclusies getrokken in termen van «beleid wordt ongewijzigd voortgezet», «beleid wordt geïntensiveerd» of «beleid wordt geëxtensiveerd» .

A.2. Beleidsartikelen

De beleidsartikelen, artikelen 1 tot en met 14, kennen de volgende opbouw:

– Beschrijving van de algemene doelstelling;

– Opsomming van de operationele doelen;

– Tabellen budgettaire gevolgen van beleid.

Voor zover mogelijk zijn, op het niveau van de operationele doelen, conclusies over het doelbereik 2002 getrokken. Dit is niet altijd mogelijk gezien de opmaak van de begroting 2002. Dit heeft ook consequenties voor het verklaren van de opmerkelijke verschillen in de budgettaire verschillen vanuit een beleidsmatige systematiek. In toekomstige begrotingen zal meer aandacht besteed worden aan het opnemen van doelmatigheids-, volume en prijsgegevens.

Tenslotte wordt vermeld dat voor het invullen van de gegevens die betrekking hebben op de voorgaande jaren, in de tabellen budgettaire gevolgen van beleid een groeipad zal worden gehanteerd.

A.3. De departementale mededeling over de bedrijfsvoering

In het Jaarverslag is voor het eerst een mededeling over de bedrijfsvoering opgenomen. Voor de mededeling bedrijfsvoering is een groeipad ontwikkeld. De mededeling over 2002 beperkt zich tot het financieel en materieel beheer alsmede de daartoe aangehouden administraties. Als uitgangspunt hierbij is de baseline financieel en materieel beheer genomen. M&O problematiek maakt ook onderdeel uit van de mededeling over de bedrijfsvoering en wordt zonodig toegelicht in de jaarrekening. De mededeling over de bedrijfsvoering vormt een integraal onderdeel van de departementale mededeling.

A.3.1. De bedrijfsvoeringsparagraaf

In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt aansluiting gezocht bij de bedrijfsvoeringsprioriteiten zoals opgenomen in de begroting 2002.

B. Jaarrekening

B.1. Jaarverslag Begrotingsfonds

In tegenstelling tot het voorgeschreven model ontbreekt het Jaarverslag Begrotingsfonds. Het bedoelde begrotingsfonds is opgenomen in de saldibalans onder de post «Rekening-courant fonds LUVO».

C. Bijlagen

Reactie op opmerkingen van de Algemene Rekenkamer over de verantwoording 2001.

In deze bijlage wordt ingegaan op de opmerkingen van de Algemene Rekenkamer bij de financiële verantwoording over 2001 en de maatregelen die zijn getroffen om de geconstateerde tekortkomingen op te heffen.

Teneinde de leesbaarheid te vergroten worden ook de gemaakte opmerkingen die betrekking hebben op het agentschap meegenomen.

De financiële verantwoording van het agentschap Rijksgebouwendienst.

De financiële verantwoording van het agentschap Rijksgebouwendienst is onderdeel van de VROM-jaarrekening en bestaat, naast de hoofdstukken Algemeen, missie en doelstellingen, Reactie op opmerkingen van de Algemene Rekenkamer over de verantwoording 2001 , Bedrijfsvoering en de Rijkshuisvesting buiten de Rijksgebouwendienst:

1. De balans per 31 december 2002 met toelichting;

De balans geeft de stand weer per balansdatum en bevat het overzicht van de activa en passiva.

2. De rekening en toelichting op de op de rekening:

a. De rekening van baten en lasten over 2002

In de rekening van baten en lasten is een specificatie opgenomen van de baten en lasten van het agentschap waarbij de realisatie van 2002 wordt afgezet tegen de in de begroting 2000 opgenomen bedragen.

b. De ontwikkeling van het agentschapsvermogen;

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de meerjarige ontwikkeling van het agentschapsvermogen.

c. De rekening van kapitaaluitgaven en -ontvangsten;

De kapitaaluitgaven en -ontvangsten worden toegelicht aan de hand van een kasstroomoverzicht. Het kasstroomoverzicht beslaat alleen het boekjaar; mutaties ten opzichte van de begroting 2000 worden toegelicht.

Saldibalans VROM 2002. In deze bijlage is de saldibalans VROM 2002 opgenomen met toelichting. Hiermee is uitvoering gegeven aan de brief van het Ministerie van Financiën naar aanleiding van opmerkingen van de Algemene Rekenkamer.

B. BELEIDSVERSLAG

Inleiding

De verantwoording is grotendeels gebaseerd op de beleidsagenda in de begroting 2002 en de daarin opgenomen thematische indeling. Zoals aangegeven in het voorwoord is in de loop van 2002 door het Strategisch Akkoord van het Kabinet Balkenende I, het accent op een aantal specifieke beleidsonderwerpen komen te liggen. Dit betrof ondermeer op het terrein van wonen het verhogen van de woningbouwproductie en de herstructurering (zie thema 3 ruimtelijke en stedelijke kwaliteit, prioriteit 3.2). Bovendien rezen op het terrein van wonen problemen bij de uitvoering van de huursubsidie (in de Beleidsagenda toegevoegd als extra thema 7). Ook de verantwoording over genomen maatregelen bij een aantal incidenten is in de beleidsagenda opgenomen. Het betreft het instorten van het parkeerdak van de Van der Valk vestiging in Tiel, het incident met de slooptanker Sandrien en tenslotte de asbest-bodemverontreiniging in een woonwijk en bij een aantal (voormalige) industrieterreinen in Goor en Harderwijk. De verantwoording hierover is opgenomen bij thema 6 Handhaving.

Thema 1: Veiligheid en gezondheid

Prioriteit 1.1

Vergroten van de veiligheid en gezondheid in de leefomgeving

Coördinatie externe veiligheid

In 2002 zijn in het kader van de coördinatiefunctie van VROM op het gebied van externe veiligheid de eerste stappen gezet, onder andere door middel van het instellen van een interdepartementaal directeurenoverleg externe veiligheid en een dg-overleg tussen de departementen V&W, SZW, EZ, BZK en VROM. Daarnaast wordt bij een aantal projecten intensief interdepartementaal samengewerkt, zoals bij ketenstudies voor LPG, ammoniak en chloor. Ook is aan de Tweede Kamer de voortgang van het externe veiligheidsbeleid gemeld bij brieven van 4 april, 16 juli en 7 november 2002.

Voor wat betreft de realisatie van de overige prestaties op het gebied van Externe Veiligheid kunnen de volgende resultaten worden aangegeven:

• de implementatie van het vuurwerkbesluit per 1/3/2002;

• de oprichting van een expertisecentrum bij het RIVM per 1 januari 2002;

• de indiening van een wetsvoorstel voor de oprichting van een onafhankelijke adviesraad gevaarlijke stoffen (start medio 2003 voorzien);

• de indiening van een wetsvoorstel voor de wettelijke registratieplicht gevaarlijke stoffen (inwerkingtreding medio 2003);

• de ontwikkeling van een functioneel ontwerp van een landelijke risico-kaart en de instelling van «lokaal signaal» (vragen/klachtenlijn) bij VROM in het kader van de wettelijke informatieplicht aan de burgers over de veiligheid van hun leefomgeving.

Strategie Omgaan Met Stoffen (SOMS)

De doelstelling van het project SOMS is om een zodanige situatie te bereiken, dat mens en milieu geen of verwaarloosbare risico's lopen bij het gebruik van chemische (grond)stoffen en producten. Op 18 oktober 2002 is de tweede Voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer toegezonden (VROM 020 941). In deze voortgangsrapportage is onder andere aandacht besteed aan de beleidsvernieuwing stoffen in Europa en Nederland, de voortgang van de implementatie en uitvoering van beleidsvernieuwing stoffen in Nederland en de uitvoering door het bedrijfsleven.

De ontwikkeling van een kennisinfrastructuur in het kader van SOMS heeft vorm gekregen middels het ondertekenen van een contract met het RIVM te Bilthoven. In de tweede Voortgangsrapportage is de Tweede Kamer (VROM 020 941) hierover geïnformeerd.

De AMvB die moet leiden tot het opstellen van profielen van elke stof is voor 12 maanden door de Europese Commissie opgeschort, omdat de Commissie zelf regelgeving voorbereidt.

Voorts zijn er in het kader van SOMS zeven proeftuinen gestart. Deze proeftuinen zullen in de loop van 2003 worden afgerond. Het belangrijkste resultaat is, dat het Nederlandse bedrijfsleven actief aan de slag is gegaan met het in praktijk brengen van elementen van het nieuwe stoffenbeleid.

Gezondheid en Milieu

De doelstelling van het programma Gezondheid en Milieu is om een situatie te bereiken waarbij burgers geen of een verwaarloosbaar gezondheidsrisico lopen door milieufactoren. Op 25 april 2002 (TK 2001–2002, 28 089, nr. 2) is een actieprogramma aan de Tweede Kamer gezonden. Het actieprogramma Gezondheid en Milieu richt zich op:

• het terugdringen van milieufactoren die kwantificeerbare gezondheidseffecten veroorzaken,

• het leveren van bijdragen aan oplossingen voor ongerustheid bij burgers door milieufactoren,

• het beter voorzien, beheersen en voorkomen van risico's en het geven van een impuls aan verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving.

De eerste resultaten van het actieprogramma Gezondheid en Milieu worden overeenkomstig de planning in 2003 verwacht.

Implementatie van het actieprogramma Gezondheid en Milieu zal een belangrijke bijdrage leveren aan het aanpakken van gezondheidsproblemen en het betrekken van de burger bij milieuproblemen.

Plan van aanpak goederenemplacementen (PAGE)

In het PAGE-project werken de ministeries van VROM en V&W samen. Uitvoering vindt plaats via de taakorganisatie Prorail onder aansturing door VROM en V&W. Eind 2002 is een actueel overzicht van de veiligheidstechnische oplossingen voor de veertien PAGE-emplacementen naar de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, nr 27 628.3) gestuurd. De informatie, die hierin wordt gegeven, kan niet los worden gezien van twee ontwikkelingen: de afname van het aantal rangeerhandelingen op emplacementen die samenhangen met het wisselen van locomotieven en de toenemende belangstelling vanuit medeoverheden voor de uitplaatsing van goederenemplacementen.

Recent zijn beschikkingen door het Ministerie van V&W afgegeven voor de uitvoering van maatregelen te Venlo en Rotterdam-IJsselmonde. In de loop van het uitvoeringsproces is gebleken dat drie van de veertien emplacementen van de PAGE-knelpuntenlijst geschrapt kunnen worden omdat daar andere veiligheidsmaatregelen zijn uitgevoerd. Het betreft de emplacementen Arnhem Berg, Roermond en Amersfoort.

De in PAGE voorgestelde maatregelen lossen de meeste externe veiligheidsproblemen op, op een aantal groepsrisicoknelpunten na bij (een deel van) de resterende emplacementen, waarbij de waarde van het groepsrisico wordt overschreden. Onderzocht wordt of er in deze gevallen maatregelen mogelijk zijn aan de exploitatieve zijde, zoals het verzoek aan de vervoerder om rangeerhandelingen te beperken (bijv, door inzet van dieselelektrische of multicourante locomotieven). Als meest vergaande oplossingsrichting wordt voor enkele emplacementen, waaronder dat in Venlo, onderzocht of uitplaatsing naar een andere locatie een effectieve maatregel is. Uitplaatsing blijft hoe dan ook een kostbare optie, die bovendien veel proceduretijd vergt. Zoals de minister van VROM in december 2002 aan de Tweede Kamer heeft toegezegd, wordt daarnaast momenteel onderzocht welke structurele (goedkopere en efficiëntere) oplossingen mogelijk zijn zoals door het vermijden van transport (via ketenstudies), het inzetten van multisysteem locomotieven of door middel van een modal shift. De Tweede Kamer is in december 2002 van de voortgang op de hoogte gesteld (Kamerstuk 27 628, nr. 4).

Verminderen chloortransporten

Op 20 december 2002 is door de bewindslieden van VROM en EZ een convenant getekend met AKZO Nobel. Daarin is bepaald dat AKZO Nobel per 1 januari 2006 zal stoppen met de structurele chloortransporten door Nederland. AKZO Nobel zal daarvoor een bijdrage van € 57 mln ontvangen. In 2002 is hiervoor reeds een schadevergoeding van € 32 mln aan AKZO betaald, in 2003 ontvangt zij nog een bijdrage van € 25 miljoen (milieusteunkader) na goedkeuring door Brussel.

Aangezien daarna alleen nog chloortransporten in bijzondere omstandigheden (bijv. voor het onderhoud van fabrieken) voor jaarlijks maximaal 10 000 ton mogelijk zijn, is het streven naar het substantieel (streven: circa 80%; realisatie: minstens 84%) terugbrengen van chloortransporten gehaald.

Prioriteit 1.2.

Beperken van de risico's van woningen en andere gebouwen voor veiligheid en gezondheid van burgers

Doel Actieprogramma «Bouwen, veiligheid en gezondheid: lacunes opheffen in regelgeving, uitvoering en handhaving; aanscherpen regelgeving en intensivering voorlichting, kwaliteitscriteria. Nadere uitwerking van het actieprogramma heeft geleid tot splitsing van het actieprogramma in twee afzonderlijke onderdelen:

Gezondheid in gebouwen

Door VWS en VROM is in samenwerking het Actieprogramma «Gezondheid en Milieu» opgesteld dat in april 2002 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 2001–2002, 28 089 nr. 2). Een deel van de acties heeft betrekking op gezondheid in gebouwen. Deze acties zijn in de tweede helft van het jaar in werking gezet. Het gaat om de ontwikkeling van een instrument waarmee consumenten de kwaliteit van hun woning in beeld kunnen brengen en om het in kaart brengen van de landelijke kwaliteit van woningen en woongebouwen m.b.t. gezondheid. De resultaten zijn in 2004 en 2005 te verwachten.

Veiligheid

Wanneer we het hebben over veiligheid, maakt brandveiligheid daar een belangrijk onderdeel van uit. Naar aanleiding van de cafébrand in Volendam heeft de Vaste Commissie van de Tweede Kamer gevraagd of de regelgeving als afdoende kan worden beschouwd. Toenmalig staatssecretaris Remkes heeft daarop geantwoord dat de regelgeving afdoende is, maar op punten wellicht kan worden verduidelijkt. In dat kader is een aantal onderzoeken opgestart. In art. 3.2.2. zijn de onderzoeksprojecten nader toegelicht.

Prioriteit 1.3

Verkleinen veiligheidsrisico's van ruimtelijke ontwikkelingen

De richtlijn voor ruimtelijke aspecten van activiteiten met grote veiligheidsrisico's is in 2001 geïntegreerd in twee AmvB's (kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen en registratieplicht risicosituaties gevaarlijke stoffen). Hieraan is uitvoering gegeven door in 2002 een organisatie operationeel te hebben, die met name in 2003 tot concrete resultaten in projecten zou moeten leiden. De KIEV (Knelpunten Infragerelateerde Investeringsprojecten en Externe Veiligheid) -organisatie staat. Er wordt intensief samengewerkt met de andere overheden. Er is in het algemeen draagvlak bij andere overheden en initiatiefnemers gecreëerd voor het serieus meenemen van veiligheid in het planningsproces (zie ook artikel 6).

De maatschappelijke effecten die worden beoogd zullen pas na 2002 zichtbaar worden. In de eerste instantie gaat het om duidelijkheid scheppen in de richting van andere overheden en particuliere initiatiefnemers ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportassen. Uiteindelijk gaat het om het creëren van stedelijke milieus, die aansluiten op de behoeften van gebruikers van woningen, kantoren en voorzieningen en die tevens veilig zijn.

De volgende activiteiten zijn ondernomen om bovengenoemde doelstellingen te bereiken:

• Op poten zetten van de KIEV-organisatie (interdepartementale taskforce, projectgroep, werkgroepen (olv gemeente) voor de 8 KIEV projecten. Dit zijn de vijf nieuwe sleutelprojecten in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Arnhem en Breda en het project spoorzone in de Drechtsteden en de projecten Amsterdam overig en Rotterdam overig (met name de overige Randstadcentra)

• Participatie in gemeentelijke werkgroepen. Tot nu toe heeft dit geleid tot het gezamenlijk opstarten van een groot aantal onderzoeken. In Arnhem, Breda en Utrecht zijn deze onderzoeken vergevorderd. In Arnhem en Breda zal in het begin van 2003 besluitvorming plaatsvinden over de vraag of en onder welke condities deze projecten kunnen doorgaan.

Thema 2: Duurzame ontwikkeling

Prioriteit 2.1

Stimuleren van maatschappelijke veranderingen (transities), zodat in de periode 2030–2050 structurele verandering in deelsystemen (energiehuishouding, biodiversiteit en landbouw) van de maatschappij zijn gerealiseerd.

Geconcludeerd mag worden, dat in 2002 de aanpak met transitiemanagement voor de gewenste overgang naar een duurzame energiehuishouding, een duurzame landbouw, een duurzaam mobiliteitsysteem en een goed beheer van de hulpbronnen en biodiversiteit in voldoende mate in gang is gezet.

Het Kabinet heeft in de eerste fase van het proces het initiatief genomen door bij te dragen aan het ontwikkelen van een visie en het verkrijgen van draagvlak door maatschappelijke samenwerkingsverbanden te initiëren en stimuleren. VROM heeft in dit kader een coördinerende rol. De ministers van Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Ontwikkelingssamenwerking zijn de verschillende transities gaan trekken. De coördinerende minister van VROM heeft in april 2002 mede namens de betrokken bewindslieden een eerste voortgangsbericht naar de Tweede Kamer gestuurd (kenmerk brief DGM/SB/S 2002 023 962). Hierin staan de gezamenlijke activiteiten die de departementen ondernemen, de te verwachten resultaten en per transitie de ambitie en aanpak. In de notitie Milieubeleid 2002–2006: «Vaste waarden, nieuwe vormen» (TK 2002–2003, 28 663) is een actuele stand van zaken gegeven van de uitwerking per transitie.

Om maatschappelijke actoren te betrekken en verantwoordelijkheid te laten nemen hebben transities een plaats gekregen in het stimuleringsprogramma burger en milieu, zijn er binnen de transities veel contacten gelegd met mensen uit het bedrijfsleven en kennisinstituten en zijn er stakeholdersanalyses uitgevoerd.

De institutionele vormgeving voor de transities is uitgewerkt. Er zijn transitie-arena's ingericht (vormen van samenwerking, waarin overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties gezamenlijk systeemvernieuwing proberen te ontwikkelen), bedrijvenplatforms opgezet en fora gevormd. De netwerkvorming met en tussen maatschappelijke actoren is verder gestimuleerd via inbreng in congressen, stimulering van netwerkvorming binnen de onderzoekswereld, communicatieactiviteiten zoals een website en een nieuwsbrief.

Aan het doorlichten van het reguliere instrumentarium op de geschiktheid voor transities is in 2002 begonnen met het instrumentarium rond de energiehuishouding.

Het leerproces rond transities is op gang gebracht. Hiertoe zijn bijeenkomsten georganiseerd rond thema's die voor alle transities van belang zijn zoals institutionele belemmeringen en monitoring. Transities spelen zich af in een internationaal krachtenveld. Vanuit de transities is aansluiting gezocht bij internationale netwerken via de inzet van ambassades en bilaterale contacten bijvoorbeeld met het Verenigd Koninkrijk en Duitsland voor de transitie mobiliteit. De voorbereidingen van het Nederlands voorzitterschap van de EU zijn mede gericht op de transities. In 2002 is begonnen met een inventarisatie van de dossiers die van belang zijn voor de transities. Verder is een start gemaakt met het verzamelen van informatie over systeeminnovaties in het buitenland.

De transitiethema's hebben een plaats gekregen in ICES-KIS en er zijn onderzoeksprojecten uitgevoerd gericht op kennismanagement en institutionele belemmeringen.

Prioriteit 2.2

Uitvoeren klimaatbeleid, dat wil zeggen het realiseren van gemiddeld 6 procent reductie bij de emissie van broeikasgassen over de periode 2008–2012 ten opzichte van 1990 en het leggen van fundamenten voor technologische en instrumentele vernieuwing voor de periode na 2012.

De laatste jaren zijn de emissies van broeikasgassen in Nederland min of meer stabiel op een niveau van circa 3% boven dat van 1990. Afnemende emissies van de niet CO2 gassen compenseren een verdere toename. Zonder het gevoerde nationale klimaatbeleid van de jaren negentig zouden de emissies in 2000 ruim 10% hoger zijn geweest.

Nederland heeft ervoor gekozen de beleidsopgave van emissiereductie voor de helft in het buitenland te realiseren via de Kyoto mechanismen. Om dit te bereiken moet uiterlijk in 2012 voor 100 megaton aan reducties in het buitenland zijn aangekocht. Eind 2002 was hiervan circa 75 megaton via Joint Implementation en Clean Development Mechanism gecontracteerd. Nederland en de EU hebben op 31 mei 2002 het Kyoto protocol geratificeerd. Het protocol treedt naar verwachting in 2003 in werking, afhankelijk van de ratificatie door Rusland. De nadruk in 2002 lag vooral op de uitvoering van de afspraken die in het kader van het verdrag en het Kyoto protocol zijn gemaakt. Tijdens CoP8 in New Delhi in november 2002 is vooral veel voortgang geboekt op technische dossiers, die te maken hebben met internationale afspraken over het meten, rapporteren en reviewen van emissies en klimaatbeleid. Ook is er voortgang gemaakt in de samenwerking tussen ontwikkelingslanden en geïndustrialiseerde landen. Daarnaast heeft tijdens CoP8 een eerste discussie plaatsgevonden over de periode na het Kyoto protocol. Afspraken konden daarover nog niet worden gemaakt, omdat de ontwikkelingslanden dat nog te vroeg vonden. Een belangrijke rol daarbij speelt de introductie van een systeem van emissiehandel voor broeikasgassen. Dit op basis van de ontwerprichtlijn terzake, zoals deze eind 2002 door de EU-Milieuraad is aangenomen en voor tweede lezing is voorgelegd aan het Europees Parlement. Het systeem richt zich vooralsnog op uitsluitend CO2-emissies van de grotere industriële bronnen.

Nu Nederland het Kyoto-protocol heeft geratificeerd, is de doelstelling om emissies in de periode 2008–2012 met 6% te reduceren. In 2002 is onverminderd doorgewerkt aan de uitvoering van de vastgestelde binnenlandse maatregelen uit deel 1 van de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (zie ook de verantwoording bij beleidsartikel 11). Ook is er invulling gegeven aan de maatregelen uit het buitenlandse pakket uit deel 2 van deze nota (zie eveneens de verantwoording bij beleidsartikel 11). In februari 2002 heeft de regering in de Evaluatienota Klimaatbeleid (Kamerstukken II 2001–2002, 28 240, nr. 2) gerapporteerd over de voortgang van het nationale klimaatbeleid. Geconcludeerd is dat er voldoende vertrouwen is dat het Kyoto-doel met het huidige beleid realiseerbaar is. Zekerheid hieromtrent is er echter nog niet. In de Notitie «Vaste waarden, nieuwe vormen: Milieubeleid 2002–2006», heeft de regering daarom aangegeven hoe zij de zekerheid over het realiseren van de verplichting wil vergroten. Belangrijk in dit verband zijn, naast het doorzetten van het bestaande beleid, het reduceren van de N2O-emissie in de chemie en het voorbereiden van nieuwe reservemaatregelen. Daarnaast wordt er nauwlettend op toegezien dat de beoogde effecten van de beleidsinzet in binnenen buitenland worden gerealiseerd.

Energiebesparing gebouwde omgeving

Energiebesparingsmaatregelen in de gebouwde omgeving moeten in 2010 leiden tot een CO2-reductie van 3Mton.

In 2002 is met inzet van een aantal instrumenten gewerkt aan de verwezenlijking van deze doelstelling.

Energieprestatieadvies (EPA)

Per 1 juli 2002 is de kwaliteitsborging EPA geïmplementeerd. Vanaf deze datum kan alleen nog subsidie (Energiepremieregeling) worden verkregen indien het EPA advies is uitgebracht door een EPA-gecertificeerd adviseur. In combinatie met een massamediale campagne in het najaar en het gericht stimuleren van lokale EPA-projecten is gewerkt aan het vergroten van het effect van EPA.

Verder is door Novem het «Koepelprogramma CO2-reductie in de gebouwde omgeving» uitgevoerd. Via dit doelgroepgerichte programma is een groot aantal kennisoverdrachts- en procesbegeleidingsactivtiteiten uitgevoerd.

Energieprestatieadvies utiliteitsbouw (EPA-Utiliteitsbouw)

Naast het blijven faciliteren en stimuleren van marktpartijen (bank- en verzekeringswezen, sport en horeca) om EPA-U te ontwikkelen (uitloop activiteiten 2001) is medio 2002 besloten tot en gestart met de ontwikkeling en marketing van één breed inzetbare EPA-U rekenmethodiek. Deze methodiek zal tevens geschikt zijn voor winkels, gezondheidszorg- en bijeenkomstgebouwen. De methodiek moet medio 2003 beschikbaar zijn. De EPA-U loopt vooruit op de Europese Richtlijn «Energieprestaties gebouwen». Een onderdeel van deze Richtlijn betreft een verplicht energieprestatiecertificaat (betreft een soort EPA), te overleggen bij nieuwbouw, ingrijpende verbouw/renovatie voor grotere gebouwen en verkoop of verhuur.

Energiepremieregeling (EPR)

In 2002 is door het nieuwe kabinet besloten om de EPR te defiscaliseren per 1 januari 2003. In de tweede helft van het jaar zijn hiertoe de voorbereidingen getroffen. Per 1 januari 2003 zal de EPR in afgeslankte vorm als subsidieregeling op de VROM begroting staan. Een projectgroep is opgericht om de uitvoering van de regeling vorm te geven. Het project heeft tot doel: Het opzetten van een nieuwe subsidieregeling om de energiebesparing bij huishoudens te stimuleren. De uitgangspunten worden onder art. 3.2.1. nader toegelicht.

Prioriteit 2.3

World Summit on Sustainable Development; nieuwe impuls aan implementatie van Agenda 21

De World Summit on Sustainable Development (WSSD) in Johannesburg is afgerond met de aanname van een implementatieplan en een politieke verklaring evenals de lancering van verschillende partnerships tussen overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Er zijn onder meer afspraken gemaakt over plannen gericht op duurzame productie en consumptie, het ombuigen van de trend tot aantasting van biodiversiteit en de aanpak van chemicaliën in relatie tot gezondheid. Armoedebestrijding is een doorsnijdend thema in het implementatieplan. Er zijn voorts institutionele afspraken gemaakt over milieu en duurzame ontwikkeling. Nederland heeft zich met succes ingezet voor een aanzienlijke middelenaanvulling van goed functionerende milieu-instellingen zoals de Global Environmental Facility (GEF); deze middelenaanvulling is inmiddels formeel bekrachtigd in de GEF Assemblee in oktober 2002 in Bejing. Tevens zal uit ODA-middelen, in aanvulling op de huidige middelen, een partnerprogramma met de UNEP worden opgezet en zal een relatief grote bijdrage aan de nationale plannen tegen verwoestijning worden geleverd (zie ook begroting BuZa).

Over de uitkomsten van de WSSD is de Kamer op 1 oktober 2002 geïnformeerd (Kamerstukken II 2002–2003, 28 600 V, nr. 4). Het uiteindelijke resultaat van de WSSD stemt tevreden. De afspraken van Johannesburg zijn niet vrijblijvend. De verklaring in Johannesburg geeft uitdrukking aan hernieuwd politiek commitment om de natuurlijke hulpbronnen en het milieu te beschermen en ontwikkeling te bevorderen. Men is vastbesloten het gezamenlijke doel van duurzame ontwikkeling te realiseren door gebondenheid aan multilateralisme en verhoogde aandacht voor implementatie.

Thema 3: Ruimtelijke en stedelijke kwaliteit

Prioriteit 3.1

Uitwerken van de stedelijke netwerken uit de Vijfde Nota

De afspraken over verstedelijking tot 2010 tussen het Rijk, de provincies, kaderwetgebieden en G30 zijn door ingewikkelde onderhandelingen niet in het najaar van 2001 afgesloten, maar in februari/maart 2002. Afgesproken is dat er in 2003 definitieve verstedelijkingsafspraken zullen worden gemaakt. Daarbij zal ook worden betrokken hoe het Rijk en de stedelijke netwerken met elkaar samenwerken. De nog op te stellen Nota Ruimte zal hierbij leidend zijn. Ter voorbereiding van de definitieve verstedelijkingsafspraken worden zowel door het Rijk als door provincies, kaderwetgebieden en gemeenten in 2003 plannen uitgewerkt.

In 2002 heeft het Rijk een procesconvenant afgesloten met landsdeel West. Hierin is afgesproken om te komen tot een Landsdeelconvenant begin 2003. In het procesconvenant zijn ter voorbereiding 18 afzonderlijke acties opgenomen. Het doel van deze acties is om in het landsdeelconvenant tot nadere afspraken te komen over de uitwerking van het concept Deltametropool, de wijze waarop het Rijk en de andere overheden hierin samenwerken en welke inhoudelijke en financiële prioriteiten worden gesteld. Deze acties zijn in uitvoering genomen. Het ministerie van VROM heeft dit aan Rijkszijde gecoördineerd.

Als gevolg van de val van het Kabinet is het niet mogelijk om een Landsdeelconvenant af te sluiten begin 2003. De acties zelf zijn wel voortgezet. Gewerkt wordt aan een mogelijk alternatief voor een Landsdeelconvenant, eventueel per actie verschillend. Door de sterk gewijzigde financiële vooruitzichten zijn er geen ICES-voorstellen gehonoreerd. Er zijn dan ook geen afspraken voorbereid die gepaard gaan met financiële gevolgen.

Het locatiebeleid is in 2002 niet uitgewerkt omdat de uitwerking sterk bepaald wordt door de inhoud van de nog op te stellen Nota Ruimte.

Prioriteit 3.2:

Verbeteren kwaliteit van de stad door betere aansluiting van vraag en aanbod op de woningmarkt, vasthouden van midden en hogere inkomens in de stad, vergroten van de woningbouwproductie, transformatie/herstructurering en vergroten van de kwaliteit van de openbare ruimte.

Herstructurering

Grootschalige binnenstedelijke vernieuwing is noodzakelijk om de stedelijke leefomgeving aantrekkelijker te maken, met name voor de midden- en hogere inkomensgroepen, de vraag en het aanbod op de woningmarkt beter op elkaar te kunnen laten aansluiten en de ontwikkeling van wijken met een eenzijdige (etnische) bevolkingssamenstelling tegen te gaan. Dit proces is tijdrovend en complex. Hoewel de jongste monitor ISV (2002) – ten opzichte van eerdere jaren – een positiever beeld laat zien, nemen signalen van vertraging niet af. Het verschil tussen de uitkomst van de monitor en de signalen van vertraging zijn niet te verklaren. Daarom worden individuele gesprekken gevoerd tussen het Rijk en de G30–gemeenten en worden maatregelen om het tempo te verhogen noodzakelijk geacht (zie brief aan Tweede kamer d.d. 23 december 2002, kamerstuk II, 2002–2003, 28 600, nr. 88).

Tegengaan segregatie

Gegeven het Strategisch Akkoord is in de loop van 2002 gewerkt aan de ontwikkeling van nader inzicht in en concrete maatregelen om de ontwikkeling van wijken met een eenzijdige (etnische) samenstelling tegen te gaan. In samenwerking met de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie is eind 2002 een brief met voorstellen aan de Tweede Kamer aangeboden (kamerstuk II, 2002–2003,28 612, nr. 3). De voorgestelde maatregelen en zoekrichtingen richten zich met name op het in regio's en gemeenten gevoerde woningtoewijzingsbeleid en de wettelijke mogelijkheden op dit punt.

Stimuleren van wijkontwikkelingsmaatschappijen (WOM's)

In de begroting 2002 is in dit kader aangekondigd, de totstandkoming van wijkontwikkelingsmaatschappijen (WOM's) te stimuleren. In dat kader is in 2002 samen met het ministerie van Financiën een monitor van start gegaan die in 2003 tot concrete handreikingen leidt.

Voor verdere toelichting wordt verwezen naar beleidsartikel 4.2.

Actieprogramma herstructurering

De corporaties dienen een belangrijke bijdrage leveren aan het tegengaan van een te eenzijdig woningaanbod door een combinatie van verkoop, samenvoeging, sloop, nieuwbouw en aanvullende investeringen in de leefomgeving. De uitvoering van plannen en concrete maatregelen door corporaties is in 2002 echter nog onvoldoende van de grond gekomen. Belangrijke redenen zijn de complexiteit van de herstructurering in combinatie met de benodigde financiële middelen.

In 2002 is via de bestuurlijke lijn aan de sector aandacht gevraagd voor initiatieven van matching van taken en middelen (zie de brief d.d. 21 februari 2002 aan de Tweede Kamer, kamerstuk II, 2001–2002, 27 559, nr. 29). In dit kader is ook advies gevraagd aan de VROM-raad. Een advies is eind 2002 gepubliceerd en zal door het Rijk op zijn haalbaarheid onderzocht worden.

Vanaf eind 2002 wordt tevens gewerkt aan het concreet in beeld brengen van de plannen in onder meer de herstructureringsgebieden (aansluitend op de ISV-systematiek), door de aldaar werkzame woningcorporaties.

Voor verdere toelichting wordt verwezen naar de beleidsartikelen 1 en 4.2.

«Groot Project» Openbare ruimte in revisie

De nota «Mensen, wensen, wonen» legt nadruk op het verbeteren van de woonkwaliteit, met bijzondere aandacht voor de kwaliteit van de openbare ruimte en de woonomgeving.

Het project «Openbare Ruimte in Revisie», dat in 2001 van start is gegaan, is één van de tien Grote Projecten uit de architectuurnota «Ontwerpen aan Nederland». De doelstelling is een positieve impuls te geven aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de leefomgeving. Dit houdt in, dat het project moet leiden tot concrete, overdraagbare en stimulerende resultaten en leerervaringen, vooral voor de lokale overheden.

In juni 2002 is onderzoek afgerond met de presentatie van het «Pleidooi voor de Openbare Ruimte». Naast een verkenning van de problematiek van de openbare ruimte, een netwerkanalyse en een verkenning van de opgave is er een operationeel actieprogramma geformuleerd. Hiermee is voldaan aan de doelstelling. Het «Pleidooi» is de opmaat naar implementatie en realisatie van het genoemde actieprogramma. De openbare ruimte wordt hierin als prioriteit in het ISV2 neergezet. Ook zullen voorbeeldstellende projecten worden ontwikkeld met gemeentelijke overheden, nieuwe experimenten met zeggenschap in de openbare ruimte worden gestart en ontwerpprocessen in de nieuwe sleutelprojecten worden ondersteund. Het pleidooi is ondertekend door de bewindslieden van BZK, OC&W, LNV, Justitie en VROM. De openbare ruimte, c.q. de bijdrage van DGW aan het architectuurbeleid in 2003 is inmiddels tot posterioriteit verklaard.

Vergroten van de woningbouwproductie

De woningbouwproductie loopt sinds enkele jaren terug; in plaats van de benodigde 90 000 woningen is voor 2002 een aantal van ca. 66 000 gereedgekomen woningen geprognosticeerd. De voortgang en de omvang van de woningbouwproductie zijn nadrukkelijk een punt van zorg. Immers minder woningen betekent dat niet aan de kwantitatieve vraag, maar ook niet aan de kwalitatieve, kan worden voldaan, dat daarmee het doorstromingproces onder druk komt te staan omdat er aan de bovenkant van de verhuisketen onvoldoende wordt gebouwd en dat het herstructureringsproces (bij gebrek aan voldoende vervangende nieuwbouw) wordt belemmerd. Vergroten van de productie heeft dan ook prioriteit gekregen.

De in 2001 ingestelde Taskforce Woningbouwproductie heeft in haar rapport van februari 2002 maatregelen voorgesteld. Deze maatregelen, die niet alleen door het Rijk maar ook door de andere overheden en de marktpartijen moeten worden genomen, hebben onder meer als doel het wegnemen van belemmeringen bij woningbouwprojecten en het verhogen van de woningbouwproductie. Daarbij is geen taakstelling in aantal gereed te komen woningen afgesproken.

Maatregelen, die in 2002 in gang zijn gezet, zijn:

• Vereenvoudiging regelgeving: in het kader van het traject «Herijking regelgeving» wordt de VROM-regelgeving bezien op o.a. versnellingsmogelijkheden van procedures. Daarnaast vindt uitwerking, specifiek voor de bouwregelgeving, plaats in de Agenda Bouwregelgeving 2002–2006. Aandachtsveld daarbij is ook het beter toegankelijk maken van de regelgeving en het stroomlijnen van inwerkingtredingmomenten van de regelgeving. Voor de effecten van internationale verdragen en richtlijnen, en de mogelijkheden tot beïnvloeding daarvan, is een onderzoek opgestart dat in het voorjaar 2003 tot resultaten moet leiden.

• De in gang gezette herziening van de WRO moet, door bundeling en stroomlijning van procedures, tot een verkorting in tijd leiden van het doorlopen van het voor woningbouw benodigde proceduretraject, of met andere woorden tot een versnelde bouwproductie.

• Er zijn bij een tiental locaties een aantal pilots gestart van de tijdelijke aanjaageenheden. Na analyse van lokale knelpunten bij de woningproductie, zijn die de gemeenten behulpzaam met het zoeken naar oplossingen van die knelpunten. Het voornemen is deze inzet te intensiveren.

• Met het aantreden van de nieuwe minister is de voorbereiding gestart van het opzetten van «Impulsteams». Zij gaan in de herstructurering actief opereren om onder meer de productie van de woningbouw te vergroten.

• Na evaluatie van het project «Stad en Milieu» ligt er, als vervolg, een voorstel tot uitbreiding van de aanpak tot alle gemeenten in het stedelijk gebied en ontwikkeling van een aanpak voor het landelijk gebied, uit te werken in een wijziging van de experimentenwet.

• In het kader van het ontwikkelen van herstructureringszones is gewerkt aan een voorstel tot instelling van dergelijke zones. Daarbij zijn, na uitgebreid overleg met het Ministerie van Financiën, zowel de regelgeving als fiscale aspecten betrokken. (zie ook kamerstuk II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 88)

• In de Stellingnamebrief Nationaal Ruimtelijk Beleid, die in november naar de Tweede Kamer is gezonden (kamerstuk II, 2002–2003 28 667, nr. 1), wordt de aanzet gegeven voor meer ruimte voor verstedelijking en aan gemeenten op het platteland meer ruimte voor woningbouw om daarmee de eigen bevolkingsgroei op te vangen.

Daarnaast is de sociale huursector nadrukkelijk aangespoord om te komen tot meer collegiale financiering, gegeven de ongelijke verdeling van taken en beschikbare middelen. De Tweede Kamer is eind 2002 geïnformeerd over het voornemen om via een wijziging van het BBSH en het BCFV een mogelijkheid te creëren en zo nodig meer dwingend op te treden (kamerstuk II, 2002–2003, 28 691, nr. 3).

Thema 4: De positie van de burger

Prioriteit 4.1.

Meer zeggenschap van de burger over zijn woning en de woonomgeving, onder meer particulier opdrachtgeverschap bij éénderde van de nieuwe woningen in 2005

Wettelijke waarborgen voor de positie van de burger met betrekking tot de woning en de woonomgeving.

In de ontwerp-Woonwet worden in samenhang met het grote stedenbeleid voorstellen gedaan voor het vergroten van de betrokkenheid van de bewoners bij het tot stand komen van de woonvisies en het beleid van gemeenten en corporaties.

Voor meer bijzonderheden zie bij prioriteit 5.3 en beleidsartikel 1.

Bewonersparticipatie

In 2002 heeft VROM de mogelijkheden voor vergroting van bewonersparticipatie nader onderzocht. De uitkomsten hiervan zullen worden betrokken bij de vormgeving van de procesvoorwaarden van ISV2. Vanuit dit onderzoek worden experimenten met het ontwikkelen van gemeenschappelijke voorzieningen voorzien, worden «best practices» voor bewonersparticipatie verzameld en zal gezamenlijk met de betrokken landelijke organisaties de participatie van eigenaarbewoners worden gestimuleerd.

Huurwetgeving: rechten huurders

Op 19 november 2002 is de herziening van boek 7.4. van het Burgerlijk Wetboek en de invoering van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte door de Eerste Kamer aanvaard.

De inwerkingtreding is echter uitgesteld totdat in de wetsvoorstellen twee wijzigingen zijn aangebracht. Eén daarvan is dat de verruimde mogelijkheden voor zelfwerkzaamheid van de huurder worden beperkt tot de binnenkant van de woning. Een wetsvoorstel dat in deze aanpassing voorziet is eind 2002 bij de Tweede Kamer ingediend (kamerstukken II, 2002–2003, 28 721, nrs. 1–3). De Tweede wijziging betrof het laten vervallen van de mogelijkheid (uit het oorspronkelijke wetsvoorstel) om een kamer zonder toestemming van de verhuurder onder te verhuren.

Zeggenschap kopers

Relevant voor het streven van VROM om ook de zeggenschap van kopers van nieuwbouwwoningen te versterken, is het onderzoek van de MDW-werkgroep waaraan VROM in 2002 heeft deelgenomen. Hierin is het hele traject van de aankoop van een nieuwbouwwoning (van grondaankoop tot oplevering) nader bezien op mogelijkheden om de positie van de koper van zo'n woning te verbeteren. Gekeken is waar de koper in zijn keuzevrijheid en zeggenschap wordt beperkt en welke oplossingen mogelijk zijn. De aanbevelingen richten zich op een betere aansluiting van het nieuwbouwaanbod op de woonvoorkeuren van bewoners en op het versterken van de concurrentie in de sector. Het kabinetsstandpunt over dit MDW-onderzoek wordt in 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Geschillenbeslechting in de bouw

Gezien het groeiend aantal opleveringsgebreken bij nieuwbouwwoningen en onduidelijkheid bij de koper over zijn (rechts-) positie in de procedure van geschilbeslechting is door VROM in 2002 een inventarisatie uitgevoerd onder betrokken partijen om te zoeken naar mogelijkheden voor oprichting van één loket voor een onafhankelijke, voor kopers laagdrempelig loket voor geschilbeslechting.

De consumenten- en producentenorganisaties in de nieuwbouwmarkt hebben in december 2002, overeenstemming bereikt over de uitgangspunten voor het ene loket voor geschilbeslechting (Zie ook beleidsartikel 3).

Experimenten bewonerszeggenschap

In het licht van de voorgenomen ondersteuning van experimenten met bewonerszeggenschap over het corporatiebeleid is de in 2002 door de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) verrichte inventarisatie van vormen van «maatschappelijke verankering» relevant. Gekeken is hoe corporaties de maatschappelijke stakeholders – waaronder de bewoners – betrekken bij het formuleren van het beleid en de invulling van de maatschappelijke taak. Het thema zeggenschap is daarnaast in 2002 in diverse programma-onderdelen van de SEV basis voor experimenten geweest.

Particulier opdrachtgeverschap

In de begroting 2002 is aangekondigd dat tijdens de tweede verstedelijkingsronde de realisatie van 33% eigenbouw wordt vastgelegd. Inmiddels zijn met 20 regio's intentieafspraken gemaakt, waarin deze toezeggen om minimaal 33% van hun bouwprogramma te reserveren voor particulier opdrachtgeverschap. In 2003 zullen deze intenties – na regionale haalbaarheidstoetsen – worden vastgelegd in de Verstedelijkingsafspraken voor de periode 2005–2010.

Woningbouw in opdracht van particulieren is sinds 1980 (op jaarbasis) een vrij constante bouwstroom, die los staat van de aanzienlijke schommelingen in de «institutionele» woningbouw. De eigenbouw vindt immers plaats op andere, meer kleinschalige, locaties en in een ander (meestal duurder) prijssegment. Daarnaast stimuleert eigenbouw de doorstroming naar duurdere bouw op de woningmarkt en de concurrentie binnen de bouwsector.

Particulier opdrachtgeverschap moet worden bevorderd. Dit kan op verschillende manieren: door bestuurlijk overleg, het oprichten van een kennis- en informatiecentrum, maar ook door experimenten en voorbeeldprojecten. Ook is voorzien, particulier opdrachtgeverschap vast te leggen in een Grondexploitatiewet.

In 2001 is een Plan van Aanpak opgesteld om uitvoering te geven aan een tiental projecten particulier opdrachtgeverschap. Deze projecten vallen deels onder de vijf beleidssporen uit de brief aan de Tweede Kamer over het Verstedelijkingsbeleid tot 2010 (kamerstuk II, 2000–2001, 27 562 nr. 2), te weten: bestuurlijk overleg, stimuleren kennisoverdracht, versterken kennisniveau van de burger, wetgeving en faciliteiten voor lagere inkomens (inmiddels als beleidsspoor vervallen). Anderzijds behoren de tien projecten tot het «Grote Project Een eigen huis».

Het Grote Project «Een eigen huis» betreft zowel kennisoverdracht als het ontwerpen van nieuwe oplossingen voor het proces van particulier opdrachtgeverschap.

In de eerste fase van het «Grote Project» lag het accent op kennisoverdracht naar en tussen gemeentelijke bestuurders en functionarissen (drie landelijke werkconferenties, werkboek e.d.), alsmede richting burgers (Handboek, InfoCentrum Eigen Bouw, publieksmarkten). De kennisoverdracht richting gemeenten stond in directe relatie tot de intentieafspraken die eind 2003 uitmonden in Verstedelijkingsafspraken voor 20 regio's.

Bestuurlijk overleg

Het tot het «bestuurlijke spoor» behorende project «Mogelijkheden particulier opdrachtgeverschap in de vier grote steden» is in 2002 afgerond. De resultaten zijn geïntegreerd in de intentie-afspraken en in het traject naar de definitieve verstedelijkingsafspraken die in 2003 worden gemaakt. De specifiek voor woningbouw in particulier opdrachtgeverschap door VROM op te stellen monitor zal bij het handhaven van deze afspraken een belangrijke rol spelen. De monitoring van het particulier opdracht-geverschap is vastgelegd in de «Nota Mensen, Wensen, Wonen». De onderzoeksopzet voor de monitoring is vastgesteld.

Stimuleren kennisoverdracht

In 2002 zijn in het kader van IPSV (projectsubsidies en leertrajecten) een aantal innoverende projecten op het gebied van particulier opdrachtgeverschap geselecteerd. Grote IPSV-projecten waarmee landelijke kennisoverdracht op het punt van particulier opdrachtgeverschap wordt geleverd zijn bijvoorbeeld Steigereiland in Amsterdam en de Amsterdamse buurt in Haarlem.

Versterken kennisniveau burgers

In 2002 zijn de volgende projecten, behorend tot het spoor «versterken kennisniveau burgers», afgerond: Handboek «Bouw uw eigen huis» (in samenwerking met de Vereniging Eigen Huis) en de Werkconferenties met gemeenten over particulier opdrachtgeverschap. De resultaten van de werkconferenties zijn vastgelegd in de documentatiemap «Een eigen huis»; handboek en map zijn toegezonden aan alle gemeenten.

Wettelijk spoor: Wetgeving: grondexploitatiewet

Bij het «wettelijk» spoor ligt het accent op het grondbeleid. Voorbereidend onderzoek is inmiddels nagenoeg gereed om te komen tot een convenant over de grondprijsstelling met betrekking tot casco- en eigenbouw.

In 2003 krijgt de opstelling van de Grondexploitatiewet prioriteit. De Grondexploitatiewet zal deel uit gaan maken van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Via de hierin op te nemen exploitatievergunning wordt het instrumentarium om een groter aandeel eigenbouw binnen een locatie te realiseren aanzienlijk versterkt.

Bouwregelgeving

In het Strategisch Akkoord, wat bij het aantreden van het kabinet Balkenende-1 is gepresenteerd, zijn aangrijpingspunten opgenomen waar het kabinet extra inzet op wil plegen. Één van de aangrijpingspunten betreft vermindering van de regelgeving. Hiertoe is vermindering van de bouwregelgeving aan prioriteit 4.1. toegevoegd. Deregulering heeft tot doel minder administratieve/juridische procedures en kosten, maakt regelgeving toegankelijker en draagt bij tot zeggenschap voor de burger. Hiertoe zijn de volgende activiteiten uitgevoerd (Zie ook artikel 3):

• Conversie en aanpassing van eisen in het Bouwbesluit.

Per 1 januari 2003 is het nieuwe, «geconverteerde» of ook wel vereenvoudigde Bouwbesluit in werking getreden. Hiermee is de bouwregelgeving toegankelijker gemaakt en zijn de functionele eisen die thans nog gelden bij de niet-woningen, uitgebreid met prestatie-eisen, zoals bij woningen al het geval is. Ook is een aantal (minimum) kwaliteitseisen tegelijkertijd verhoogd. In het kader van deregulering zijn onder andere de eisen voor verplichte CAI-aansluiting en buitenberging of buitenruimte vervallen. Daarnaast zijn vijf bestaande ministeriële regelingen samengevoegd tot één regeling.

• Vergunningvrij bouwen en welstand.

Per 1 januari 2003 is de vernieuwde Woningwet, alsmede de bijbehorende AmvB's te weten het Besluit Bouwvergunningvrije en licht-vergunningplichtige bouwwerken en het Besluit Indieningvereisten aanvraag bouwvergunning, in werking getreden. Hiermee is bereikt, dat meer bouwingrepen, met name aan de achterkant van een woning, bouwvergunningvrij kunnen worden gerealiseerd. In het eerstgenoemde besluit is exact aangegeven wanneer een bouwvergunning verplicht is en wanneer dit niet hoeft. Het andere besluit zorgt voor een uniformering en limitering van de in te dienen bescheiden, hetgeen de bouwwereld toejuicht. Beide besluiten dragen bij aan deregulering.

• De toekomst van de bouwregelgeving.

Het zogenaamde derde wijzigingspakket van de bouwregelgeving bevat een omvorming van de Woningwet (v.w.b. de onderdelen die betrekking hebben op het bouwen) tot een Bouwwet in 2006. Daarbij worden tevens de aanbevelingen van de MDW-werkgroep Servicegerichte overheid (stroomlijning procedures, door uit te gaan van een indeling van de wetgeving naar: locatie, bouw en gebruik) geïmplementeerd. De Agenda bouwregelgeving 2002–2006 is besproken in het Algemeen Overleg van 27 juni 2002. In het kader van de aanpak herijking regelgeving VROM is verdere uitwerking en implementatie van de beleidsvoornemens aangemerkt als één van de belangrijke voort te zetten wetgevingstrajecten, omdat ze bijdragen aan afslanking van de regelgeving en versterking van de positie van de burger (kamerstuk II, 2001–2002, 28 325, nr. 1).

Prioriteit 4.2

Grotere keuzevrijheid bij woonzorgarrangementen door stimuleren van variatie in het aanbod, versterken van de vraagsturing en bevorderen van het aanbod van onder meer woonzorgcomplexen, domotica, en levensloop bestendige woningen.

Doel was grotere keuzevrijheid bij woonzorgarrangementen te creëren door stimulering van variatie in het aanbod, versterken van de vraagsturing en bevorderen van het aanbod van onder meer woonzorgcomplexen, domotica en levensloop bestendige woningen. Deze doelen zijn gerealiseerd, met uitzondering van het experiment met persoonsgebonden budgetten.

Het door het vorige kabinet aangekondigde experiment met persoonsgebonden budgetten op het terrein van wonen, zorg en welzijn stuit op belangrijke pragmatische-, onderzoeksmethodologische- en financiële bezwaren. Om die reden is besloten het experiment niet door te laten gaan.

In het najaar is de 3e tender van de Tijdelijke Woonzorgstimuleringsregeling geopend. In totaal zijn ongeveer 350 projecten ingediend, die alle op het terrein van wonen en zorg vernieuwing nastreven (en dus variatie, hetgeen de keuzevrijheid bevordert). Vraagsturing is expliciet een subsidievoorwaarde in deze regeling. Ten behoeve van het vergroten van het aanbod van woonzorgcomplexen is in de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling de mogelijkheid opgenomen subsidie te verlenen voor de bouw van zorginfrastructuur, zowel in woonzorgcomplexen als zelfstandig in een zorgvriendelijke wijk. In 2002 zijn 166 projecten gesubsidieerd voor een totaal van €24,75 miljoen. (zie verder beleidsartikel 5).

Thema 5: Institutioneel kader

Prioriteit 5.1

Herziening Wet milieubeheer, onder meer gericht op het beter realiseren van milieudoelen.

De uitvoering van dit project verloopt conform de planning. In april 2002 is het uitvoerings-programma herziening Wet milieubeheer aan de Tweede Kamer gestuurd, waarin met betrekking tot een groot aantal voorstellen uit de nota «Met Recht verantwoordelijk» aangegeven is wat de stand van zaken is en langs welke inhoudelijke lijnen de verdere invulling zal geschieden. De laatste stand van zaken is opgenomen in de brief aan de Tweede Kamer over de vaststelling van de begroting voor het jaar 2003 (TK 2002–2003, 28 600 XI,75). Er is aansluiting gezocht met ontwikkelingen in het nationale (milieu)beleid, het internationale milieurecht en algemeen maatschappelijke ontwikkelingen zoals een toenemende aandacht voor zelfregulering en een steeds grotere behoefte aan kwalitatief hoogwaardige leefomgeving. Op de prioritaire onderwerpen is in 2002 goede voortgang geboekt:

• Een wetsvoorstel «Beginselen van Milieurecht» is in voorbereiding en zal in 2003 bij de TK aanhangig gemaakt worden;

• Een Proeve van een wetsvoorstel Stoffen en Producten Wm is gereed en dient als basis voor de Nederlandse bijdrage in de discussie over de EU-regelgeving inzake stoffen. Zodra de Europese voorstellen voor regelgeving bekend zijn (Nederland zal deze moeten implementeren) zal de tekst daarop worden aangepast. Vervolgens wordt voortgegaan met de wetgevingsprocedure;

• Voor wat betreft de professionalisering van de handhaving kan gemeld worden dat het Wetsvoorstel handhavingsstructuur Wm in de zomer aan de Raad van State is aangeboden voor advies. De Raad heeft op 20 oktober jl. zijn advies uitgebracht. In het eerste kwartaal van 2003 zal aanbieding aan de Tweede Kamer plaatsvinden;

• In het Professionaliseringsproject (gezamenlijk project van de ministeries van VROM en V&W en IPO, VNG en UvW) is in de loop van 2002 ambtelijk en bestuurlijk overeenstemming bereikt over een set van criteria die gesteld kunnen worden aan professionele handhavingsdiensten. Deze criteria vormen het referentiekader bij de in de eerste maanden van 2003 uit te voeren nulmeting van de kwaliteit van de huidige handhavingsdiensten, die vervolgens het vertrekpunt zal zijn voor het verbetertraject onder provinciale regie. De Tweede Kamer zal in 2003 geïnformeerd worden over de resultaten van de nulmeting.

Verwezen zij voorts naar de brief aan de Tweede Kamer van 23 oktober 2002 (TK 2002–2003, 28 600 XI, nr. 10) met betrekking tot de herijking van de VROM -regelgeving teneinde te komen tot een vereenvoudiging of vermindering van regelgeving. Medio 2003 zal terzake een voorstel aan de TK worden voorgelegd.

Prioriteit 5.2

Regelgeving grondbeleid

In 2002 is op basis van de Nota Grondbeleid een aantal onderzoeken uitgevoerd en opgeleverd. Vanuit VROM betreft het hier onderzoeken naar de open-ruimteheffing en de mogelijkheden voor versnelling van stedelijke herstructurering door aanpassing van de onteigeningswet en stedelijke herverkaveling. De open-ruimteheffing is inmiddels van de beleidsagenda afgevoerd. Het onderzoek naar versnelling van de stedelijke herstructurering geeft voldoende aanleiding om te komen tot operationalisering in de vorm van wetsvoorstellen.

Daarnaast loopt op dit moment nog onderzoek naar concurrentiebevordering op ontwikkelingslocaties. Ten aanzien van de bij gemeentelijke gronduitgifte aan projectontwikkelaars te hanteren grondprijsmethoden is eind 2001 een convenant gesloten. Inmiddels zijn acties om het convenant te monitoren in gang gezet. Daarnaast is ook begonnen met een convenant voor gemeentelijke gronduitgifte aan particuliere opdrachtgevers.

Het reparatiewetsvoorstel tot vermindering van de ontduikingsmogelijkheden van de Wet voorkeursrecht gemeenten is inmiddels wet geworden. Het voorstel tot uitbreiding van het toepassingsbereik van het voorkeursrecht naar alle gemeenten is aan de Tweede Kamer voorgelegd. Voor het voorkeursrecht voor groen in de Wet Agrarisch Grondverkeer zijn stappen gezet in de richting van de PKB Ruimte die voor de feitelijke vestiging nodig is.

In 2002 is verder gewerkt aan een grondexploitatiewet waarin de exploitatievergunning geregeld wordt. Via de exploitatievergunning wordt het instrumentarium versterkt voor, onder meer, het kostenverhaal, de sociale woningbouw, het in handen krijgen van gronden bestemd voor openbare ruimte en het realiseren van een groter aandeel eigenbouw binnen een locatie (particulier opdrachtgeverschap). De voorstellen dienaangaande zijn inmiddels voorgelegd met vertegenwoordigers uit het veld. Het Kennis- en Informatiecentrum Grondbeleid is nog niet gerealiseerd met name omdat aansluiting bij andere kenniscentra overwogen wordt.

Prioriteit 5.3.

Positie van de burger en de ordening van het wonen in één integrale Woonwet.

Als eerste stap streefde VROM ernaar om het wetsontwerp in het voorjaar 2002 aan de Tweede Kamer aan te bieden. Het wetsvoorstel is echter niet in het voorjaar 2002 bij de Kamer is ingediend (zie beleidsartikel 1).

Het wetsontwerp is aan de Raad van State aangeboden. Tevens heeft overleg met Brussel plaatsgevonden in verband met mogelijke staatssteun-elementen in het wetsontwerp. Naar aanleiding van deze discussie met de Europese Commissie en het Strategisch Akkoord zal worden bezien of en in hoeverre de procedure van de Woonwet zal worden gecontinueerd (zie beleidsartikel 1).

Prioriteit 5.4

Fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening

Met de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) streeft VROM naar een grotere ruimtelijke samenhang en een effectievere doorwerking van ruimtelijk beleid. Halverwege 2001 is een voorontwerp van de wet gepresenteerd. Het voorontwerp heeft de basis gevormd voor de wetgevingstoetsen. Het voorontwerp is ook de basis geweest voor een discussie met het veld en voor een Algemeen Overleg in de vaste commissie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (13 november 2001, Kamerstukken II, 27 029 ). De resultaten zijn verwerkt in het conceptwetsvoorstel dat ter advisering aan de Raad van State is voorgelegd. Op basis van dit advies, dat in juli 2002 is uitgebracht, zal het Kabinet het wetsvoorstel naar verwachting tegen de zomer van 2003 aan de Tweede Kamer aanbieden. Dit is drie maanden later dan voorzien en kan ertoe leiden dat publicatie in het Staatsblad ook drie maanden opschuift.

In 2002 is ook gestart met de voorbereidende werkzaamheden voor het opstellen van een nieuwe Algemene Maatregel van Bestuur (Besluit ruimtelijke ordening (Bro)) en een zogenaamde Invoeringswet, die ertoe strekt de met de WRO verband houdende andere wetten aan te passen. De nieuwe WRO kan pas in werkingtreden als ook deze beide regelingen door het parlement zijn vastgesteld en gepubliceerd. Naar verwachting zal dit in de loop van 2005 zijn.

Vooruitlopend op de fundamentele herziening van de WRO is bij de Tweede Kamer eind 2002 een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de huidige WRO, de Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing en Wet op economische delicten dat ertoe strekt overtredingen van bestemmingsplanvoorschriften en daarmee samenhangende overtredingen onder de werkingsfeer van de Wet op de economische delicten te brengen. Het wetsvoorstel voor een nieuwe WRO brengt hierin geen verandering.

Thema 6: Handhaving

Prioriteit 6.1:

Verder versterken van de handhaving van VROM-regelgeving met het accent op de regelgeving gericht op het verbeteren van veiligheid en gezondheid.

Algemeen

De verdere versterking van de handhaving van de VROM-regelgeving stond in 2002 centraal voor het Inspectoraat-generaal van VROM met een accent op veiligheid en gezondheid. In 2002 is hieraan ruim aandacht gegeven, niet alleen in de reguliere taken maar bijvoorbeeld ook in de aanpak van incidenten als het parkeerdak van de Van der Valk vestiging in Tiel, de problemen met de plattedakconstructies van zwembaden en Ikea, en de asbestverontreiniging met asbest in de gemeente Goor. Inspectiebreed is samengewerkt aan een integrale nalevingstrategie voor de VROM-Inspectie die voortaan het fundament voor prioritering en aanpak door de Inspectie vormt.

Voor het Inspectoraat-generaal van VROM was 2002 het eerste jaar als samengevoegde inspectie. De samenvoeging betreft de drie voormalige VROM-Inspecties voor wonen, ruimte en milieu, het MIOT (Milieu Inlichtingen- en Opsporingsteam), het Milieu Bijstandsteam (MBT) en de Dienst Recherche Zaken.

In 2002 was de aanpak van de Inspectie gericht op de volgende speerpunten:

• Handhavingacties gericht op veiligheidssituaties en ruimtelijke inpassing in risicovolle bedrijfstakken.

• Continuering aanpak van het Milieu Inlichtingen- en Opsporingsteam (MIOT).

• Toezicht op de Legionella-problematiek.

• Intensivering tweedelijnstoezicht op de bouwregelgeving (inclusief gedoogsituaties).

• Toezicht op andere overheden, handhandhaving van de Wet op de Ruimtelijke Ordening met nadruk op handhaving door gemeenten.

• Versterking internationale aanpak milieuovertredingen en milieucriminaliteit.

Gedurende het jaar zorgden incidenten voor een extra beslag op de capaciteit van de VROM-Inspectie. In grote lijnen is de inzet op de nieuwe taken niet ten koste is gegaan van de inzet op beleidsprioriteiten. In de meeste situaties kon ruimte worden gecreëerd door going-concern-activiteiten door te schuiven naar 2003.

Belangrijke incidenten waren:

• Het instorten van het parkeerdak van Van der Valk in Tiel.

• Bezwijken platte dakconstructies.

• Bodemverontreiniging met asbest van een woonwijk in Goor.

• Incident slooptanker Sandrien.

In de meeste gevallen heeft het toezicht van de VROM-Inspectie direct geleid tot verbetering van de veiligheid, gezondheid en duurzaamheid van de leefomgeving en tot bestrijding van fraude. Dit betekent niet dat naleving en risico's geheel onder controle zijn. In gevallen zoals 1e lijnstoezicht van kleine gemeenten, het onderzoek naar de Van der Valk vestigingen, de gassingen van containers in Rotterdam en het gedoogbeleid van lagere overheden, moet de conclusie zijn dat niet alleen het toezicht maar ook het beleid, en het draagvlak daarvoor, nader aandacht vragen. Voorts leert de ervaring dat risico's verschuiven. Waar het ene risico onder controle komt, worden andere risico's ontdekt.

Handhavingacties gericht op veiligheidssituaties en ruimtelijke inpassing in risicovolle bedrijfstakken

• De VROM-Inspectie heeft in 2002 conform planning totaal 225 vergunninganalyses en controles gehouden bij risicobedrijven. In geen van de gevallen werden acute gevaarlijke en structureel risicovolle situaties aangetroffen.

• Voor aanpak van vuurwerkrisico's is een unit Toezicht op Vuurwerk ingesteld specifiek gericht op toezicht in het kader van het Vuurwerkbesluit. Hoewel enerzijds de kwaliteit van de naleving verbetert (meldingen vuurwerktransport), blijkt het merendeel van de bedrijven met name waar het gaat om de afstand tot kwetsbare objecten nog aandacht vergt. Conform de overgangsregeling uit het besluit moeten deze bedrijven voor wat betreft de afstandsnormen vanaf 1 maart 2004 aan het Vuurwerkbesluit te voldoen.

• Een belangrijk knelpunt bij aanpak van asbestrisico's blijkt het ontbreken van een meldingsplicht voor sloop van asbesthoudende objecten. Ook voor asbesthoudende wegen is het mankeren van een totaalbeeld een operationeel knelpunt.

• Onder het speerpunt risicovolle bedrijven valt tevens het Toezicht op Kerninstallaties door de Kernfysische Dienst. Voor de nucleaire installaties is geconcludeerd dat de situatie veilig is, ondanks de zorg bij een deel van de bevolking over de hogefluxreactor in Petten. In de toetsing van bestemmingsplannen is de situering van risicovolle bedrijven meegenomen.

• Met het oog op het Besluit detectie radioactief schroot zijn 145 controles uitgevoerd naar het vaak onbewust, voorhanden hebben van radioactief verontreinigd schroot.

Continuering aanpak van het Milieu Inlichtingen- en Opsporingsteam (MIOT)

Met ingang van 2002 is binnen de VROM-Inspectie de VROM-Inlichtingen en (Opsporingsdienst (IOD) opgericht door samenvoeging van het Milieu Inlichtingen & Opsporingsteam (MIOT), de voormalige Dienst Recherchezaken (DRZ) en het Milieu Bijstandsteam (MBT). De VROM-IOD richt zich primair op de strafrechtelijke kant van de VROM-handhaving en met name dat deel dat betrekking heeft op de georganiseerde criminaliteit. Door de IOD is in 2002 een heel breed scala van onderwerpen aangepakt, waaronder de onderzoeken bij de incidenten: Van der Valk in Tiel en de bouwfraude de meest opvallende acties betreffen.

Toezicht op de Legionella-problematiek

Het eerste halfjaar van 2002 is het toezicht door de waterleidingbedrijven uitgevoerd conform de Tijdelijke regeling legionellapreventie in leidingwater uit 2000. In de tweede helft van 2002 is de omzettingsprocedure gestart met het oog op het vervallen van de Tijdelijke regeling en het van kracht worden van het Waterleidingbesluit.

In 2002 heeft het onderzoek van de VROM zich toegespitst op zorginstellingen, hotels en zwembaden. Het aantal meldingen van legionella-gevallen is in 2002 sterk toegenomen.

Intensivering 2e lijnstoezicht bouwregelgeving (incl. gedoogsituaties)

In 2002 werden 180 gemeenteonderzoeken naar brand- en bouwveiligheid uitgevoerd. De conclusie is dat de naleving op deze punten veelal onvoldoende is. Toezicht door gemeenten laat duidelijk te wensen over. Mede naar aanleiding hiervan hebben VNG en VROM een actieprogramma handhaving bouwregelgeving opgesteld.

Handhaving bouwregelgeving

Naast de intensivering van het tweedelijns toezicht op de handhaving van de bouwregelgeving, is in 2002 ook gewerkt aan de implementatie van het, gezamenlijk met de VNG, opgestelde Actieprogramma handhaving bouwregelgeving. Dit draagt direct bij aan toepassing en naleving van vigerende regelgeving. Per 1 maart 2002 is de Helpdesk Bouwregelgeving actief waar per mail vragen over bouwregelgeving gesteld kunnen worden. Geconstateerd kan worden dat dit duidelijk voorziet in een behoefte van gemeenten en bouwpartijen. Een wijzigingspakket 2004 met betrekking tot verbetering van handhaafbaarheid. Daarbij zal onder meer de verplichting richting gemeenten worden geïntroduceerd tot het opstellen van een handhavingsnota (conform aanbeveling van de Commissie Alders) en zal sprake zijn van een aanzienlijke vereenvoudiging van het aanschrijfinstrumentarium. Naar verwachting zal het betreffende voorstel ter wijziging van de Woningwet in de eerste helft van 2003 bij de Tweede Kamer kunnen worden ingediend.

Calamiteiten en objectgericht onderzoek

Naar aanleiding van het instorten van het parkeerdak van de Van der Valk-vestiging in Tiel, begin 2002, is inspectieonderzoek uitgevoerd naar de toepassing van de relevante wet- en regelgeving. De conclusie was dat er niet was gebouwd conform de regelgeving terwijl ook het gemeentelijk toezicht onvoldoende was. In het verlengde van dit onderzoek zijn alle 52 Van der Valk-vestigingen door de VROM-Inspecties onderzocht. Bij 11 vestigingen was de veiligheid dermate in het geding, dat de betreffende gemeenten is verzocht direct handhavend op te treden. De direct noodzakelijke maatregelen zijn vervolgen getroffen en vervolgacties gepland.

Als gevolg van hevige regenval in de zomer van 2002, zijn op één dag 7 platte daken van grote gebouwen ingestort. De onderzoeksconclusie is dat veelal blijkt te zijn gebouwd in strijd met de bouwregelgeving.

Aanscherping toezicht op andere overheden, handhaving van de Wet op de ruimtelijke ordening met nadruk op handhaving door gemeenten

In 2002 was de aanscherping van het toezicht op andere overheden met name gericht op het toezicht door gemeenten. Uit het onderzoek blijkt dat de bestemmingsplannen in veel gevallen zijn verouderd. Ook de uitvoering van de gemeentelijke handhaving vraagt verbetering.

Internationale aanpak milieuovertredingen

In 2002 heeft Nederland in het kader van het International Network for Environmental Compliance and Enforcement (INECE) een mondiale handhavingconferentie gehouden in Costa Rica. In 2002 zijn in Europees verband afspraken gemaakt over de uniformering van kwaliteitscriteria voor milieu-inspecties. In IMPEL-verband is een handboek ontwikkeld over het retourneren van afval (Manual for illegal shipment of waste).

Bodemverontreiniging asbest

De VROM-Inspectie is in 2002 geconfronteerd met ernstige asbestbodem-verontreiniging in een woonwijk en bij een aantal (voormalige) industrieterreinen. Aanleiding was het signaal dat in het verleden in de omgeving van voormalige asbestfabrieken (Goor en Harderwijk), asbesthoudende afval als verhardings- en ophogingsmateriaal was gebruikt. Asbest is geen standaardparameter in bodemonderzoeken.

Incident slooptanker Sandrien

De VROM-Inspectie heeft het geplande vertrek op 5 februari 2001 van de tanker Sandrien vanuit de haven van Amsterdam belet in verband met overtreding van de EVOA (Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen). De eigenaren laten het schip sindsdien aan zijn lot over. Om tot een definitieve oplossing te komen is op initiatief van de staatssecretaris van VROM een onafhankelijke bemiddeling tussen de betrokken partijen gestart.

Prioriteit 6.2:

Intensiveren van het toezicht op de woningcorporaties

Van activiteiten buiten het werkdomein van woningcorporaties (bijv. samenwerking in wijkontwikkeling, activiteiten in zorg-allianties, speciale dienstverlening aan huurders) werd preventief beoordeeld of deze activiteiten een substantieel causaal verband hadden met de kerntaak. Ook de verkoop van bezit werd vooraf door VROM beoordeeld.

In december stelt VROM de Kamer schriftelijk op de hoogte van de prestaties van corporaties in het voorafgaande verslagjaar. De Kamer ontvangt zowel een financieel verslag, opgesteld door het Centraal Fonds Volkshuisvesting, als een volkshuisvestelijk toezichtsverslag opgesteld door VROM.

Het verslag over het jaar 2001 wordt in 2003 naar de kamer gestuurd. N.B. is in procedure. Zie verder beleidsartikel 1.

Thema 7: Prioriteiten op grond van politieke en bestuurlijke actualiteit in 2002

Prioriteit 7.1

Uitvoering huursubsidie

De problemen bij de uitvoering van de huursubsidie ontstonden grotendeels door een onderschatting van het aantal eerste aanvragen dat bij aanvang van het huursubsidietijdvak binnen is gekomen, daardoor stagneerde ook het verdere uitvoeringsproces en schoot de telefonische bereikbaarheid tekort.

Het belangrijkste doel van de maatregelen m.b.t. huursubsidie was te voorkomen dat huishoudens door het niet op tijd ontvangen van de huursubsidie in financiële problemen zouden raken.

Eén van de belangrijkste genomen maatregelen betrof het betalen van voorschotten. Hierbij is de keuze gemaakt om iedereen die een eerste aanvraag had ingediend bij aanvang van het huursubsidietijdvak en waarbij nog geen beschikking kon worden afgegeven in aanmerking te laten komen voor een voorschot op de huursubsidie.

In november 2002 zijn de laatste voorschotten uitgekeerd en is overgegaan tot reguliere betalingen.

De Kamer is uitgebreid geïnformeerd over de oorzaken van de problemen en de maatregelen die zijn genomen op de korte zowel als de langere termijn in de brief «Vertraging uitbetaling huursubsidie» (kamerstuk II, 2002–2003, 28 464, nr. 22.).

In beleidsartikel 2 wordt uitvoeriger ingegaan op de problematiek bij de uitvoering huursubsidie en de gevolgen ervan.

Financiële consequenties en beleidsmatige conclusies m.b.t. de beleidsprioriteiten

Financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2002

ThemaOmschrijving thema/BeleidsprioriteitenStand begroting 2002Nadere Mutaties 2002Realisatie 2002
  € 1 000€ 1 000€ 1 000
1.Veiligheid en gezondheid   
 Prioriteit 1.1.: Vergroten van de veiligheid en gezondheid in leefomgeving:   
 • Strategie Omgaan met Stoffen21 1390719
 • Gezond en Gezondheid24710471
 • Aanpak Goederenemplacementen2000
 • Verminderen Chloortransporten206 60031 600
 • Coördinatie externe veiligheid22 8003 3003 300
 Prioriteit 1.2: Beperken van de risico's van woningen en andere gebouwen voor veiligheid en gezondheid van burgers: Veilig en gezond bouwen3446132578
 Prioriteit 1.3.: Verkleinen veiligheidsrisico's van ruimtelijke ontwikkelingen.10272148
2.Duurzame Ontwikkeling   
 Prioriteit 2.1: Stimuleren van maatschappelijke veranderingen (transities) zodat in de periode 2030–2050 structurele verandering in deelsystemen (energiehuishouding, biodiversiteit en landbouw) van de maatschappij zijn gerealiseerd:   
 • Transitiemanagement2182 75
 Prioriteit 2.2.: Uitvoeren klimaatbeleid, dat wil zeggen het realiseren van gemiddeld 6 procent reductie bij de emissie van broeikasgassen over de periode 2008–2012 ten opzichte van 1990 en fundamenten leggen voor technologische en instrumentele vernieuwing voor de periode na 2012227 15521 71554 004
 Prioriteit 2.2: bijdrage aan DGM Betreft EPA3   
 Prioriteit 2.3.:World summit on sustainable development: nieuwe impuls aan implementatie van Agenda 2125 100 4 750
     
3.Ruimtelijke en stedelijke kwaliteit   
 Prioriteit 3.1.: Uitwerken van de stedelijke netwerken uit de Vijfde Nota ruimtelijke ordening:   
 • Uitwerken en vastleggen van afspraken over stedelijke netwerken, met name voor de Deltametropool10612700
 • Uitvoeren Grote Projecten uit de nota Ontwerpen aan Nederland1000
 Prioriteit 3.2 : Verbeteren van de kwaliteit van de stad door betere aansluiting van vraag en aanbod op de woningmarkt, vasthouden van midden- en hogere inkomens in de stad en vergroten van de kwaliteit van de openbare ruimte.   
 Herstructurering:   
 • Stimuleren van wijkontwikkelingsmaatschappijen331567382
 • Groot Project «Openbare ruimte in revisie»343043
 • Vergroten woningproductie32088108
 • Transformatie/herstructurering35 232– 5194 713
 • Vermogen corporaties (prioriteit Strategisch Akkoord)371– 1655
     
4.Positie van de burger   
 Prioriteit 4.1 Meer zeggenschap van de burger over zijn woning en de woonomgeving, onder meer particulier opdrachtgeverschap bij eenderde van de nieuwe woningen in 2006:   
 • Wettelijke waarborgen voor de positie van de burger met betrekking tot de woning en de woonomgeving3520– 79444
 • Particulier opdrachtgeverschap3896544352
 • Vermindering bouwregelgeving (prioriteit StrategischAkkoord)31 5331 2432 776
 Prioriteit 4.2: Grotere keuzevrijheid bij woonzorgarrangementen door stimuleren van variatie in het aanbod, versterken van de vraagsturing en bevorderen van het aanbod van onder meer woonzorgcomplexen, domotica en levensloop bestendige woningen.31 233– 648585
     
5.Institutioneel kader   
 Prioriteit 5.1.: Herziening Wet milieubeheer, onder meer gericht op het realiseren van milieudoelen (art. 1)2552 464
 Prioriteit 5.2.: Regeling grondbeleid16007
 Prioriteit 5.3.: Positie van de burger en de ordening van het wonen in één integrale Woonwet.3153– 20133
 Prioriteit 5.4.: Fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening7100378
     
6.Handhaving   
 Prioriteit 6.1.: Verder versterken van de handhaving van deVROM regelgeving met het accent op de regelgeving gericht op het verbeteren van veiligheid en gezondheid. 3   
 • Continuering aanpak MIOT41 135– 880200
 • Toezicht op legionella-problermatiek41361484
 • Intensivering tweede lijn toezicht Bouwregelgeving4 (incl. gedoogsituaties)3 199– 1 5491 222
 • Toezicht andere overheden4926– 223363
 • Handhavingsacties in risicovolle bedrijfstakken41364882
 • Versterking internationale aanpak milieuovertredingen en milieucriminaliteit4272– 13220
 Prioriteiten benoemd in de loop van 2002:   
 • Calamiteiten en objectgericht onderzoekt40,–315296
 • Slooptanker Sandrien4,–8888
 • Bodemverontreiniging met asbest40,–22878
 Prioriteit 6.2: intensiveren van het toezicht op woningcorporaties1 2312151 446
7.Prioriteiten op grond van politieke en bestuurlijke actualiteit in 2002   
 Prioriteit 7.1: Uitvoering huursubsidie: Nemen van maatregelen ter oplossing van de medio 2002 gerezen problemen bij de uitvoering van de huursubsidiewet. (prioriteit Strategisch Akkoord).308 2258 225

Toelichting op de cijfers:

1Bron cijfers: DGR

Verkleinen veiligheidsrisico's van ruimtelijke ontwikkelingen: kostenplaats 418 003 «Bestuurlijke overeenkomsten/Deltametropool».

Uitwerken van de stedelijke netwerken uit de Vijfde Nota ruimtelijke ordening: kostenplaats 423 003 «Externe veiligheid bij intensief ruimtegebruik».

Regeling grondbeleid: kostenplaats 412001 «Nota grondbeleid».

Fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening: kostenplaats 411 001 «Fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening».

De afwijking tussen de realisatiecijfers en de begroting is toe te schrijven aan het niet opnemen van de apparaatskosten.

2Bron cijfers: DGM

Inschattingen.

3Bron cijfers: DGW

Stand ontwerpbegroting 2002 = DGW-jaarplan 2002:

• de in de kolom «nadere mutaties 2002» opgenomen bedragen betreffen het verschil tussen de in de DGW-jaarplan 2002 geraamde bedragen en de daadwerkelijk realisatie in 2002 voor de betreffende beleidsprioriteit

• de realisaties 2002 betreffende enerzijds de daadwerkelijk in 2002 aangegane verplichtingen met betrekking tot de kostensoorten externen/uitzendkrachten, automatiseringsuitgaven, materiële uitgaven, onderzoek en VEK en anderzijds de bij de DGW-jaarplan 2002 geraamde inzet van ambtelijk personeel (nacalculatie = voorcalculatie), daar er geen informatie beschikbaar is over de daadwerkelijke inzet van ambtenaren ten behoeve van de beleidsprioriteiten.

• de onderuitputting bij 4.1 Particulier opdrachtgeverschap is een gevolg van doorschuiven ICEB van 2002 naar 2003.

– bij prioriteit 4.2: Doordat de voorbereiding van het voorgenomen experiment met woonzorg persoongebonden budgetten langer duurde dan voorzien, zijn voorgenomen bestedingen in 2002 (€ 250 000) uiteindelijk niet gedaan. Inmiddels is besloten om helemaal van het experiment af te zien mede om onderzoekstechnische redenen. Door het uitstel van de 3e tender van de Tijdelijke woonzorgstimulerings-regeling naar het najaar van 2002 is de beoordeling van de ingediende projecten in 2003 komen te vallen. Hierdoor zijn de kosten voor de inhuur van externe deskundigheid voor deze beoordeling in 2002 komen te vervallen (€ 400 000).

4. Bron cijfers: VI

De vermelde kosten zijn exclusief de kosten van het ambtelijk apparaat van de VROM Inspectie.

De gerealiseerde programma uitgaven voor in de begroting genoemde beleidsprioriteiten zijn minder dan geraamd. Dit heeft onder meer te maken met:

– toezicht bouwregelgeving: de kosten van uitvoering van controles zijn enerzijds licht overschat en anderzijds is specifieke deskundigheid en capaciteit elders ingezet (onderzoeken bij vd Valk vestigingen);

– continuering aanpak Milieu Inlichtingen en Opsporingsteam: enkele projecten waren in het boekjaar in financiële zin nog niet geheel afgerond.

De vermelde bedragen bij de onderscheiden beleidsprioriteiten en beleidsincidenten zijn gebaseerd op de financiële administratie van de VROM Inspectie (VI). De bij de genoemde beleidsprioriteiten behorende projecten zijn bepaalt aan de hand van het jaarplan van de VI. Op grond van het bestedingsplan zijn de begrotingsstanden voor de diverse prioriteiten vastgesteld. De begrotingsmutaties en de realisatie zijn afkomstig uit een uitputtingsoverzicht welke aansluit op de financiële administratie van de VI.

Beleidsmatige conclusies VROM-breed.

ThemaOmschrijving thema/Beleidsprioriteiten jaar 2002Beleidsmatige conclusieTe nemen maatregelen/te ondernemen activiteiten
1.Veiligheid en gezondheid 
 Prioriteit 1.1. Vergroten van de veiligheid en gezondheid in leefomgeving:  
 • Coördinatie externe veiligheidIn 2002 zijn in het kader van de coördinatie-functie van VROM op het gebied van externe veiligheid de eerste stappen gezet, zoals door het instellen van een inter-departementaal directeurenoverleg externe veiligheid en een dg-overleg tussen de departementen V&W, SZW, EZ, BZK en VROM. Andere prestaties op dit gebied zijn:– de implementatie van het vuurwerkbesluit per 1/3/2002;– de oprichting van een expertisecentrum bij het RIVM– de indiening van een wetsvoorstel voor de oprichting van een onafhankelijke adviesraad gevaarlijke stoffen (start medio 2003 voorzien)– de indiening wetsvoorstel wettelijke registratieplicht gevaarlijke stoffen (inwerkingtreding medio 2003)– de ontwikkeling van een functioneel ontwerp van een landelijke risicokaart en de instelling van «lokaal signaal» (vragen/klachtenlijn) bij VROM in het kader van de wettelijke informatieplicht aan de burgers over de veiligheid van hun leefomgeving.De coördinatie wordt geïntensiveerd.
 • Strategie Omgaan Met Stoffen (SOMS)Op 18-10-2002 is de tweede Voortgangs-rapportage naar de Tweede Kamer gezonden (VROM 020 941). De ontwikkeling van een kennisinfrastructuur voor SOMS heeft vorm gekregen middels de oprichting in december 2002 van het Stoffen Expertise Centrum. Voorts zijn er 7 proeftuinen gestart. Het belangrijkste resultaat is, dat het Nederlandse bedrijfsleven actief aan de slag is gegaan met het in praktijk brengen van elementen van het nieuwe stoffenbeleid.Het ingezette beleid wordt in 2003 voortgezet, met groter accent op EU-onderhandelingen.
 • Gezondheid en MilieuOp 25-4-2002 is het actieprogramma Gezondheid en Milieu aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 2001–2002, 28 089, nr. 2). De eerste resultaten van het actieprogramma Gezondheid en Milieu worden overeenkomstig de planning in 2003 verwacht. Implementatie van het actieprogramma levert een belangrijke bijdrage aan het aanpakken van gezondheidsproblemen en het betrekken van de burger bij milieuproblemen.De prioritaire acties van het actieprogramma worden in 2003 voortgezet.
 • Plan van aanpak goederenemplacementen(PAGE)In het kader van PAGE zijn door het plegen van andere veiligheidsmaatregelen drie van 14 emplacementen (Arnhem Berg, Roermond en Amersfoort) van de lijst kunnen worden geschrapt.Daarnaast vindt op verzoek van de Tweede Kamer onderzoek plaats naar oplossingen voor groepsknelpunten d.m.v.:– beperking van rangeerhandelingen;– vermijden van transport;– modal shift;– uitplaatsing.Het ingezette beleid wordt voortgezet
 • Verminderen chloortransportenOp 20-12-2002 is een convenant ondertekend door AKZO, VROM en EZ, waarin is bepaald dat AKZO een bijdrage van 57 mln. zal ontvangen. In ruil daarvoor zullen per 1-1-2006 de structurele chloortransporten van AKZO door Nederland worden gestopt. Aangezien daarna alleen nog chloortransporten in bijzondere omstandigheden (bijv. onderhoud van fabrieken) mogelijk zijn voor max. 10 000 ton per jaar, is het streven naar het substantieel (met circa 80%) terugbrengen van chloortransporten ruimschoots (84% reductie) gehaald.In 2003 wordt het beleid geëxtensiveerd.
 Prioriteit 1.2: Beperken van de risico's van woningen en andere gebouwen voor veiligheid en gezondheid van burgers: Veilig en gezond bouwenDe acties in het kader van het Actieprogramma «Gezondheid en Milieu» leiden in 2004/2005 tot resultaten. Beleid wordt daarom vooralsnog ongewijzigd voortgezet.V.w.b. de acties in het kader van de brandveiligheid moet nog duidelijk worden of verduidelijking van de regelgeving wenselijk en noodzakelijk is. Vooralsnog wordt beleid ongewijzigd voorgezet.In 2003 zal op basis van de resultaten van diverse onderzoeken een beleidsvisie brandveiligheid worden geproduceerd. O.b.v. de onderzoeksresultaten moet worden bezien of beleidsintensivering noodzakelijk is.
 Prioriteit 1.3.: Verkleinen veiligheidsrisico's van ruimtelijke ontwikkelingen.Aan de richtlijn voor ruimtelijke aspecten van activiteiten met grote veiligheidsrisicos is uitvoering gegeven door de oprichting van de organisatie KIEV. De maatschappelijke effecten zullen pas na 2002 zichtbaar worden. Op dit moment is er geen reden om te verwachten dat de maatschappelijke effecten na 2002 op deze wijze niet gehaald worden. Beleid wordt ongewijzigd voortgezet 
    
2.Duurzame Ontwikkeling  
 Prioriteit 2.1: Stimuleren van maatschappelijke veranderingen (transities) zodat in de periode 2030–2050 structurele verandering in deelsystemen (energiehuishouding, biodiversiteit en landbouw) van de maatschappij zijn gerealiseerd.In de notitie Milieubeleid 2002–2006 Vaste waarden, nieuwe vormen is een overzicht opgenomen van de voortgang van de transities. De gekozen benadering wordt doorgezet. Er zijn plannen van aanpak ontwikkeld en de institutionele vormgeving is uitgewerkt.Het beleid wordt ongewijzigd voortgezet.
 Prioriteit 2.2.: Uitvoeren klimaatbeleid, dat wil zeggen het realiseren van gemiddeld 6 procent reductie bij de emissie van broeikasgassen over de periode 2008–2012 ten opzichte van 1990 en fundamenten leggen voor technologische en instrumentele vernieuwing voor de periode na 2012In 2003 zal een doorlichting plaatsvinden van het klimaatbeleid in de Gebouwde Omgeving welke inzicht dient te geven in de effectiviteit en efficiëntie van de gehanteerde beleidsinstrumenten. 
  Over de voortgang van het Nederlandse klimaatbeleid heeft de regering in februari 2002 aan de Kamer gerapporteerd in de Evaluatienota Klimaatbeleid (Kamerstukken II, 2001–2002, 28 240 XI, nr. 2). Geconcludeerd is dat er voldoende vertrouwen is dat het Kyoto-doel met het huidige beleid realiseerbaar is.Zekerheid hieromtrent is er echter nog niet. De zekerheid over de realisatie moet worden vergroot d.m.v. intensivering, bijv. door:– Reduceren van NO2 emissie in de chemie;– Voorbereiden van nieuwe reserve-maatregelen.
  De activiteiten t.b.v. stimulering van het EPA dragen bij aan een forse toename van het aantal uitgevoerde EPA's en toegepaste maatregelen. Of het aantal geplande EPA's gehaald wordt is nog allerminst zeker. De monitorresultaten komen in juni 2003 beschikbaar. Om de reductiedoelstellingen 2010 te kunnen halen zal het beleid ongewijzigd worden voortgezet.In 2003 zal een doorlichting plaatsvinden van het klimaatbeleid in de Gebouwde Omgeving welke inzicht dient te geven in de effectiviteit en efficiëntie van de gehanteerde beleidsinstrumenten.
 Prioriteit 2.3.: World summit on sustainable development: nieuwe impuls aan implementatie van Agenda 21Het resultaat van de WSSD stemt tevreden. Er zijn o.a. afspraken gemaakt over plannen gericht op duurzame productie en consumptie, het ombuigen van de trend tot aantasting van biodiversiteit en de aanpak van chemicaliën in relatie tot gezondheid. Armoedebestrijding is een dwarsdoorsnijdend thema in het implementatieplan. Ook zijn er afspraken gemaakt tot verbetering van de institutionele vormgeving van het milieu-domein van duurzame ontwikkeling en de inzet in VN-verband.De 3e middelenaanvulling van de Global Environmental Facility (GEF) is succesvol afgesloten.Het beleid wordt voortgezet d.m.v. een implementatietraject, zowel op internationaal als op nationaal gebied (zie beleidsartikel 11.2.1 resp. 1.2.1.3).
    
3.Ruimtelijke en stedelijke kwaliteit  
 Prioriteit 3.1.: Uitwerken van de stedelijke netwerken uit de Vijfde Nota ruimtelijke ordening:In 2002 heeft het Rijk een procesconvenant afgesloten met Landsdeel West. Als gevolg van de van val het kabinet is het niet mogelijk om een Landsdeelconcenant af te sluiten begin 2003. Gewerkt wordt aan een mogelijk alternatief voor een landsdeelconvenant.Beleid wordt ongewijzigd voortgezet. 
 Prioriteit 3.2: Verbeteren van de kwaliteit van de stad door betere aansluiting van vraag en aanbod op de woningmarkt, vasthouden van midden- en hogere inkomens in de stad en vergroten van de kwaliteit van de openbare ruimte.  
 • Stimuleren van ontwikkelingsmaatschappijenBeleid geïntensiveerdMaatregelen tot drempelverlaging voor toetreding; vereenvoudiging van regelgeving
 • Groot project «Openbare ruimte in revisie»Beleid geposterioriseerd 
 • WoningproductieNieuw toegevoegde prioriteit t.o.v. begroting 2002Betekent beleidsintensiveringIn verlengde van Taskforce Woningbouwproductie zijn lokale aanjaagteams van start gegaan en zijn voorbereidingen getroffen voor het opzetten van herstructureringszones en de inzet van Impulsteams in de stedelijke vernieuwing.Verder zijn Intentie-afspraken gemaakt met gemeenten/regio's over o.a. de benodigde woningproductie tot 2010, wordt ingezet op vermindering van de bouwregelgeving en andere wet- en regelgeving die relevant is voor de woningbouw en via de in gang gezette herziening van de WRO, door bundeling en stroomlijning van procedures, tot kortere doorlooptijden van het voor woningbouw benodigde proceduretraject.
 • Transformatie/herstructureringNieuw toegevoegde prioriteit t.o.v. begroting 2002Betekent beleidsintensiveringInzetten op een integrale, resultaat gerichte wijkaanpak d.m.v. doelgerichter woningtoewijzingsbeleid, het stimuleren van wijkontwikkelingsmaatschappijen, meer integrale inzet van de sociale huursector (matching van taken en middelen), afspraken met gemeenten, aanpassing van wettelijke instrumenten.
 • Vermogen corporaties t.b.v herstructurering en woningproductieDe druk op de sociale huursector om te komen met initiatieven zal onverminderd worden gecontinueerd. Hiermee wordt beoogd zeker te stellen dat er, ofwel via de lijn van initiatieven vanuit de sector (de primaire weg), ofwel via maatregelen achter de hand (indien nodig in te zetten) daadwerkelijk collegiale matching van taken en middelen zal plaatsvinden.In 2003 zullen maatregelen worden voorbereid om het vermogen van de sociale huursector als geheel ten goede te laten komen aan de voorliggende opgaven in het wonen. Maatregelen om de sociale huursector, indien nodig, tot matching van taken en middelen te bewegen, zullen met name liggen in regelgeving via het Besluit beheer sociale huursector en het Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting.
    
4.Positie van de burger  
 Prioriteit 4.1. Meer zeggenschap van de burger over zijn woning en de woonomgeving, onder meer particulier opdrachtgeverschap bij eenderde van de nieuwe woningen in 2006:  
 • Wettelijke waarborgen voor de positie van de burger met betrekking tot de woning en de woonomgeving  
 • Particulier opdrachtgeverschapHet voornemen is om ICEB (Informatiecentrum Eigen Bouw) in 2003 te realiseren 
 • Vermindering bouwregelgevingIn het kader van de aanpak herijking regelgeving VROM is verder uitwerking en implementatie van de beleidsvoornemens aangemerkt als één van de belangrijke voort te zetten wetgevingstrajecten omdat ze bijdragen aan afslanking van de regelgeving en versterking van de positie van de burger (kamerstuk II, 2001–2002, 28 325, nr. 1). Het beleid zal dan ook ongewijzigd worden voorgezet. 
 Prioriteit 4.2: Grotere keuzevrijheid bij woonzorgarrangementen door stimuleren van variatie in het aanbod, versterken van de vraagsturing en bevorderen van het aanbod van onder meer woonzorgcomplexen, domotica en levensloop bestendige woningen.Het beleid wordt ongewijzigd voortgezet: hoewel belangrijke stappen ten aanzien van het realiseren van deze prioriteit zijn gezet, is de verwezenlijking immers een zaak van lange adem 
    
5.Institutioneel kader  
 Prioriteit 5.1.: Herziening Wet milieubeheer, onder meer gericht op het realiseren van milieudoelen (art.1)  
 Prioriteit 5.2.: Regeling grondbeleidHet initiatiefwetsvoorstel tot vermindering van de ontgaansmogelijkheden van de Wet voorkeursrecht gemeenten is inmiddels wet geworden, het voorstel tot uitbreiding van het toepassingsbereik van het voorkeursrecht naar alle gemeenten is aan de Tweede Kamer voorgelegd. De vormgeving van de juridische instrumenten zak met de huidige intensiteit worden voortgezet.Beleid wordt ongewijzigd voortgezet. 
 Prioriteit 5.3: Positie van de burger en de ordening van het wonen in één integrale Woonwet.Het kabinet beraad zich nu over de afstemming met de Europese regelgeving. Aanbieding van het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer is hiervan afhankelijk.Het wetsontwerp is aan de Raad van State aangeboden, er heeft overleg met Brussel plaatsgevonden in verband met mogelijke staatssteun-elementen en wordt n.a.v. Strategisch Akkoord nader bezien.
 Prioriteit 5.4.: Fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke OrdeningIn 2002 is gestart met de voorbereidende werkzaamheden voor het opstellen van een nieuwe Algemene Maatregel van Bestuur (Besluit ruimtelijke ordening (Bro)) en een zogenaamde Invoeringswet. Bij de Tweede Kamer is eind 2002 een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de huidige WRO, de Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing en Wet op economische delicten.Beleid wordt ongewijzigd voortgezet.De nieuwe WRO wordt in het voorjaar van 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.
    
6.Handhaving  
 Prioriteit 6.1: Verder versterken van de handhaving van de VROM regelgeving met het accent op de regelgeving gericht op het verbeteren van veiligheid en gezondheid.De versterking van de handhaving heeft geresulteerd in een meerjarenvisie voor de VROM-Inspectie en de operationalisering daarvan in een integrale nalevingstrategie. Het versterken van de handhaving van de VROM-regelgeving wordt voortgezet.Implementatie van de nalevingstrategie.
 • Handhaving veiligheid en ruimtelijke inpassing risicovolle bedrijfstakkenRisicobedrijvenOnderzoek bij 225 Risicobedrijven heeft in geen van de gevallen acute gevaarlijke en structureel risicovolle situaties opgeleverd. VuurwerkHoewel de kwaliteit van naleving verbetert blijft de naleving van het Vuurwerkbesluit aandacht vragen. Er geldt nog een overgangsperiode maar het merendeel van de bedrijven blijkt met name waar het gaat om de afstand tot kwetsbare objecten, niet te voldoen aan het nieuwe Vuurwerkbesluit. AsbestEen belangrijk knelpunt blijkt het ontbreken van een meldingsplicht voor sloop van asbesthoudende objecten.Voor asbesthoudende wegen ontbreekt een totaalbeeld. 
    
  Stralingsrisico's– Rond de hogefluxreactor in Petten kan geconcludeerd worden dat de situatie veilig is– De situatie aangaande stralingsrisico's bij schrootbedrijven wijst op noodzaak van detectieapparatuur bij sloopbedrijven.Meldingsplicht wordt meegenomen bij herziening Astbest verwijderingsbesluit 2003/2004
    
  Toezicht wordt ongewijzigd voortgezet.Regelgeving terzake 2003
 • Milieu Inlichtingen- en Opsporingsteam> (MIOT, thans IOD)De oprichting van de VROM-IOD, waarin de beschikbaarheid van uiteenlopende soorten expertise binnen één dienst zijn samengevoegd, blijkt van meerwaarde te zijn geweest bij de diverse onderzoeken.Voortzetting inzet met daarbinnen een intensivering van het fraudebeleid voor VROM-subsidieregelingen. 
 • Toezicht Legionella-problematiekAantal meldingen legionella-gevallen in 2002 sterk toegenomen, als gevolg van de aandacht voor dit onderwerp in de media.De handhaving wordt voortgezet met een intensivering bij de prioritaire doelgroepen.Onderzoeksrapportage in 2003 beschikbaar
 • Toezicht op handhaving bouwregelgeving 2e lijn incl. gedoogsituatiesDe naleving van bouwregelgeving en brandveiligheid blijken slecht. Toezicht door gemeenten laat duidelijk te wensen over.Intensivering van de inzet.In 2003 zullen hercontroles plaatsvinden.
 • Handhaving bouwregelgevingOp basis van het rapport MDW- servicegerichte overheid en het kabinetsstandpunt in deze is extra budget beschikbaar gesteld voor 2003/2004 tbv verbetering eerste lijnstoezicht. Daarmee is intensivering van het beleid een vaststaand feit. 
 • Aanscherping toezicht op handhaving Wet op de Ruimtelijke OrdeningUit het onderzoek blijkt bij gemeenten vaak grote achterstand te bestaan wat betreft handhaving Wet ruimtelijke ordening.Voortzetting van de handhavingsinspanning. 
 • Internationale aanpak milieuovertredingenIngaande 2003 wordt voor de handhaving m.b.t. het retourneren van afval het handboek vant IMPEL (Implementation and Enforcement of Environmental Law)gehanteerd (Manual for illegal shipment of waste).De internationale samenwerking in IMPEL-verband wordt versterkt.INECE-acties worden voortgezet.EU-verbanden worden geïntensiveerd waarbij prioriteit wordt gegeven aan de internationale zeehavens. 
 • Calamiteiten en objectgericht onderzoekOnderzoek bij Van der Valk/Tiel heeft als conclusie dat niet is gebouwd conform de regelgeving en het gemeentelijk toezicht daarop onvoldoende was. Bij onderzoek bij de rest van het concern bleek bij een deel dat de veiligheid dermate slecht was dat de betreffende gemeenten is verzocht direct handhavend op te treden. Uit onderzoek naar instortende daken(o.a. IKEA) na hevige regenval, blijkt dat in het ontwerp van de gebouwen en bij de controle door de gemeenten onvoldoende met het aspect wateraccumulatie rekening is gehouden. In alle gevallen blijkt te zijn gebouwd in strijd met de bouwregelgeving.Toezicht wordt voortgezet. 
 • Bodemverontreiniging asbest: Hof van TwenteDe VROM-inspectie is geconfronteerd met ernstige asbestverontreiniging in een woonwijk en een aantal voormalige industrieterreinen bodemonderzoeken.Voortzetting van toezicht. 
 • Slooptanker SandrienDe handhaving van de regelgeving Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) in geval van sloop van internationale zeeschepen is ingewikkeld gebleken.Voortzetting door middel van o.a. bemiddeling..
 Prioriteit 6.2. Intensiveren van het toezicht op woningcorporatiesEr zal n.a.v. de resultaten over 2002 geen sprake zijn van (verdere) intensivering van het toezicht.De mogelijkheden worden bezien om het toezicht efficiënter uit te voeren. Daarnaast worden via regelgeving in voorbereiding (BBSH) de eisen voor het interne toezicht verscherpt (met name m.b.t. treasury)
7Prioriteit 7.1. Uitvoering huursubsidieNemen van maatregelen ter oplossing van de medio 2002 gerezen problemen bij de uitvoering van de huursubsidiewet. (prio. Strat. Akkoord)Beleid Uitvoering Huursubsidie blijft ongewijzigd.Als gevolg van de situatie in de zomer van 2002 is een groot aantal maatregelen genomen. De maatregelen waren enerzijds gericht op het oplossen van de acute problemen, en anderzijds op het inrichten van de organisatie op een dusdanige wijze dat de problemen in de toekomst voorkomen kunnen worden. De maatregelen in de tweede categorie hebben een meer structureel karakter. Het betreft met name de uitbreiding van de capaciteit voor de beantwoording van telefonische vragen, het structureel inrichten van de piekwerkzaamheden in de aanvraagbehandeling met externe capaciteit.

BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1. Strategische beleidsontwikkeling en monitoring

1.1. Algemene beleidsdoelstelling

Het ministerie van VROM staat voor de zorg voor duurzame kwaliteit van de leefomgeving.

Het Strategisch Akkoord betekende een keuze voor een leefbare (woon-) omgeving, een dynamische ruimtelijke ontwikkeling en een duurzame toekomst mét behoud van mogelijkheden voor welvaartsbehoud en groei. Een doelstelling waarvoor de koers verlegd werd van grote beleidsnota's naar meer aandacht voor de uitvoering van het beleid en het directe belang van burgers.

1.2. Operationele doelstellingen

1.2.1. Strategische beleidsontwikkeling

1.2.1.1. Strategische beleidsontwikkeling wonen

«Mensen, Wensen, Wonen»: beleids- en wetgevingsprogrammaWoonwet en bouwbesluit

De ontwerp Woonwet regelt de positie van de burger (zeggenschap bij het beheer van de woonomgeving en de Wet op het overleg huurders verhuurder), de bestuursketen (rijksbeleidskader en woonvisie), de wooncorporaties (toelating, werkterrein, prestatieplan, toezicht en sancties) en de sectorinstellingen Centraal Toezichtorgaan Wooncorporaties en Centraal Fonds Sectorbeheer. VROM streefde ernaar het wetsontwerp in het voorjaar 2002 aan de Tweede Kamer aan te bieden.

Het wetsvoorstel is niet in het voorjaar 2002 bij de Tweede Kamer ingediend. Indiening is afhankelijk van de uitkomst van de procedure in Brussel (zie hieronder).

Het ontwerp is begin februari 2002 voor advies aan de Raad van State voorgelegd. Het advies van de Raad is op 28 juni uitgebracht. Het nader rapport van de Woonwet is nog in voorbereiding en kan niet in korte tijd worden afgerond. Dit heeft enerzijds te maken met het overleg in Brussel, dat dit voorjaar is gestart, ten aanzien van de vraag of er mogelijke staatssteun-elementen in het wetsontwerp zitten. Het kabinet beraadt zich daarom over de afstemming met de Europese regelgeving.

Tevens dient afstemming plaats te vinden met de Nederlandse fiscale wetgeving. Verder beziet het kabinet welke aanpassingen van het ontwerpwetsvoorstel nog wenselijk zijn in het licht van wijzigingen in het kabinetsbeleid. Hierbij zal worden bezien in hoeverre de procedure van de Woonwet zal worden gecontinueerd.

Voor het bouwbesluit wordt verwezen naar artikel 3.

Rijksbeleidskader wonen

Het streven is erop gericht om in 2002 te gaan werken met een proeve van het Rijksbeleidskader om de praktische toepassing en uitwerking te kunnen beoordelen. Aandachtspunten daarbij zijn of het Rijksbeleidskader voldoende richtinggevend is voor het corporatiebeleid (de doorwerking) en voldoende handvatten biedt voor een transparante verslaglegging van de prestaties (de verantwoording).

In 2002 werd een concept-Rijksbeleidskader opgesteld met aandacht voor de items uit de Nota Mensen, Wensen, Wonen. Tevens werden enkele partijen benaderd om de proeve uit te voeren op basis van het conceptkader. Dit werd nog niet afgerond in 2002. De uitwerking in de regelgeving is in afwachting van de verdere ontwikkelingen omtrent de indiening van de Woonwet vooralsnog geposterioriseerd (zie bij Woonwet).

Wel werd in 2002 bezien in hoeverre de bestaande prestatieafspraken ingaan op de doelstellingen van het concept-Rijksbeleidskader en de items uit de Nota Mensen, Wensen, Wonen. De samenvatting van de bestaande prestatieafspraken tussen gemeenten en corporaties zijn beschreven in het Toezichtsverslag, dat begin 2003 aan de Kamer is gezonden.

Toezicht corporaties

Van activiteiten buiten het werkdomein van woningcorporaties (bijv. samenwerking in wijkontwikkeling, activiteiten in zorg-allianties, speciale dienstverlening aan huurders) werd preventief beoordeeld of deze activiteiten een substantieel causaal verband hadden met de kerntaak. Ook de verkoop van bezit werd vooraf door VROM beoordeeld.

De Kamer ontvangt zowel een financieel verslag, opgesteld door het Centraal Fonds Volkshuisvesting, als een volkshuisvestelijk toezichtsverslag opgesteld door VROM.

Van activiteiten van woningcorporaties (mogelijk) buiten het werkdomein (bijv. samenwerking in wijkontwikkeling, activiteiten in zorgallianties, speciale dienstverlening aan huurders) werd preventief beoordeeld of deze activiteiten een substantieel causaal verband hadden met de kerntaak. In totaal werden 20 nieuwe meldingen beoordeeld. In enkele gevallen is de goedkeuring onthouden indien corporaties als makelaar voor derden wilden optreden bij verkoop van woningen. Ook aan bemiddeling voor niet-woongerelateerde verzekeringen werd geen goedkeuring verleend, noch bouwen van woningen in de Euregio. Het bouwen en onderhouden van niet-woongebouwen werd toegestaan indien er een relatie bestond met het eigen bezit en de leefbaarheid in de wijk. Ook de activiteiten in het kader van wijkontwikkelingsmaatschappijen werden toegestaan, zij het soms onder voorwaarden.

De verkoop van bezit van woningcorporaties werd vooraf door VROM beoordeeld. In 2002 werden nog 488 meldingen betreffende verkoop aan huurders beoordeeld (inclusief 30 meldingen van verkoop onder voorwaarden, waarbij grotere kortingen op de marktprijs werden gegeven). Per 1 januari 2003 is de verkoop aan huurders niet meer meldingsplichtig, dit om de verkoop van huurwoningen niet te hinderen door procedures. Melding van verkoop aan huurders wil niet zeggen dat die woningen daadwerkelijk verkocht zijn in 2002. Enkele corporaties stellen een zeer groot deel van hun totale bezit ter beschikking opdat de huurder de keuze heeft tussen kopen, huren of kopen onder voorwaarden. Daarnaast zijn 5 verkopen aan beleggers gemeld. Dit gebeurde doorgaans in het kader van een saneringstraject. In één geval werd de verkoop opgeschort.

Uit het Toezichtsverslag blijkt dat ultimo 2001 (geanalyseerd in 2002) de financiële positie van de volkshuisvestingssector wederom is verbeterd. Het weerstandsvermogen steeg naar € 14,4 miljard. Door ongeveer 30 fusies in de loop van 2001 bleven er 579 toegelaten instellingen over. Corporaties bouwden 12 582 sociale huurwoningen, 3 573 koopwoningen en kochten 8 419 bestaande woningen aan. Er werden 13 412 huurwoningen verkocht buiten de sector, waarvan 6 570 aan zittende huurders en 4 825 aan andere eigenaar-bewoners. Er werden 8 214 huurwoningen gesloopt, een toename ten opzichte van 2000. In totaal verminderde de sociale huurvoorraad met ongeveer 6 800 woningen. De totale voorraad bestond voor 90% uit betaalbare of goedkope woningen (huur tot€ 427,46). Het gemiddelde huurniveau is in 2001 met 2,7% gestegen en bleef ruim onder het inflatieniveau van 4,5%. De gemiddelde huurprijs per maand steeg naar € 317 per maand in 2001. De mutatiegraad van 8,9% lag in 2001 ongeveer op hetzelfde niveau als in 2000. Ultimo 2001 stond 0,3% van de voorraad minder dan een jaar en 0,25% langer dan een jaar leeg (vergelijkbaar met het voorgaande jaar).

De totale uitgaven voor onderhoud en woningverbetering bedroegen in 2001 iets meer dan € 3 miljard, een stijging van ongeveer 7%. De totale investeringen in leefbaarheid van buurten en wijken zijn ten opzichte van het vorige verslagjaar verder gestegen tot een bedrag van ruim € 346 miljoen. Dit is voor geheel Nederland meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2000 (€ 157 miljoen).

Het financiële verslag, het volkshuisvestelijke Toezichtsverslag en de begeleidende brief worden in 2003 aan de Kamer verzonden.

Corporaties: positie en vermogen corporaties

De sociale huursector speelt een cruciale rol bij het realiseren van de stedelijke vernieuwing. De daartoe benodigde financiële middelen zijn niet altijd overeenkomstig de voorliggende opgaven voor de betrokken organisaties. Collegiale steun binnen de sector na matching van taken en middelen is dan ook noodzakelijk.

In de brief van 21 februari 2002 (kamerstuk II, 2001–2002, 27 559, nr. 29) zijn enkele nieuwe zoekrichtingen voor matching aangegeven: een speciale vorm van projectsteun door het CFV, waarbij steun gekoppeld is aan een concreet verkoopprogramma, de uitgifte van aandelen binnen de corporatiesector, de ontwikkeling van een investeringsmaatschappij en de ontwikkeling van een prestatie-indicator tot een volwaardige benchmark om maatschappelijk presteren van corporaties helder te krijgen.

In de loop van 2002 is de sociale huursector nadrukkelijk aangesproken op het ontwikkelen van initiatieven voor collegiale financiering. Ook is, in de lijn van voornoemde brief, aan het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) verzocht om enkele mogelijke maatregelen op hun mogelijkheden te bezien

Het CFV is gevraagd om het aanvragen van projectsteun (al dan niet gekoppeld aan een verkoopprogramma) actief te bevorderen. Voor het ontwikkelen van een benchmark en prestatie-indicatoren wordt aansluiting gezocht bij initiatieven in de sector zelf.

Tegen de achtergrond van achterblijvende initiatieven in de sociale huursector, de noodzaak van voortvarende aanpak van de problemen in de steden en het in de sector aanwezige vermogen (eind 2002 is de Tweede Kamer over deze «overmaat» aan vermogen nader geïnformeerd, kamerstuk II, 28 600 XI, nr. 91) is bij brief aan de Tweede Kamer van 16 december 2002 aangekondigd dat regelgeving zal worden voorbereid om zo nodig meer dwingend te kunnen optreden (kamerstuk II, 28 600 XI, nr. 88). Uitgangspunt is echter dat de sector zelf voldoende initiatieven onderneemt.

Eveneens heeft een evaluatie plaatsgevonden van het College Sluitend Stelsel (CSS). Het CSS kan het CFV adviseren om projectsteun toe te kennen aan corporaties met een grote opgave en aanzienlijke tekorten.

Genoemde evaluatie, die is uitgevoerd met een rondgang door het CSS zelf en een quick scan onder gemeenten en corporaties, is eind 2002 afgerond. De conclusies worden betrokken in een brief over de matching van taken en middelen. Deze brief zal begin 2003 worden gezonden aan de Tweede Kamer.

Fusies tussen corporaties kunnen ook beschouwd worden als vormen van matching, evenals het overdragen van bezit tussen rijke en arme corporaties. Medio 2002 is, gezien het uitblijven van een fusie-gedragscode in de sector, een circulaire opgesteld met toetsingsregels voor nieuwe fusies.

1.2.1.2. Strategische beleidsontwikkeling ruimte

Ruimte maken, ruimte delen: een nieuwe uitvoeringsstrategieDoelstelling:

In januari 2001 werd PKB deel 1 van de Vijfde Nota uitgebracht en een jaar later in januari 2002 deel 2 en 3. Doel voor 2002 was om de PKB-procedure verder af te ronden en een uitvoeringsprogramma uit te brengen. Door de val van het tweede kabinet Kok en de voorgenomen beleidsaanpassingen van het nieuwe kabinet is dit niet gelukt.

Belangrijke mijlpalen in 2002:

In het Strategisch Akkoord van het nieuwe kabinet zijn wijzigingen in het ruimtelijk beleid aangekondigd. In het bewindsliedenoverleg van 10 september 2002 is besloten een gezamenlijke Stellingnamebrief uit te brengen over de wijze waarop het nationale ruimtelijke beleid aan het strategisch akkoord wordt aangepast. Deze brief is op 1 november 2002 door de Ministerraad vastgesteld en vervolgens aan de Tweede Kamer gezonden. Op basis van de voorstellen uit deze brief wil het kabinet de huidige Vijfde Nota en het Tweede Structuurschema Groene Ruimte integreren in de Nota Ruimte. De PKB-procedure wordt echter niet opnieuw gestart, maar er komt een nieuw PKB deel 3. Verder is in de brief aangekondigd dat het rijk één Uitvoeringsprogramma voor het nationale ruimtelijke beleid zal uitbrengen. De Stellingnamebrief gaat verder in op aanpassingen in het nationale verkeers- en vervoersbeleid. Deze worden vastgelegd in het vernieuwde Nationaal Verkeers- en Vervoersplan. Definitieve besluitvorming over het nieuwe nationale ruimtelijke beleid zal door het volgende kabinet genomen moeten worden.

Geleverde prestaties/activiteiten:

Op 25 maart (eerste termijn) en 15 april (tweede termijn) is PKB deel 3 behandeld in de Tweede Kamer. Op 6 november is de Stellingnamebrief Nationaal Ruimtelijk Beleid aan de Tweede Kamer aangeboden.

Fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening

Het conceptwetsvoorstel is ter advisering aan de Raad van State voorgelegd. Op basis van dit advies, dat in juli 2002 is uitgebracht, zal het Kabinet het wetsvoorstel naar verwachting tegen de zomer van 2003 aan de Tweede Kamer aanbieden. Dit is drie maanden later dan voorzien en kan ertoe leiden dat publicatie in het Staatsblad ook drie maanden opschuift.

In 2002 is ook gestart met de voorbereidende werkzaamheden voor het opstellen van een nieuwe Algemene Maatregel van Bestuur (Besluit ruimtelijke ordening (Bro)) en een zogenaamde Invoeringswet, die ertoe strekt de met de WRO verband houdende andere wetten aan te passen. De nieuwe WRO kan pas in werking treden als ook deze beide regelingen door het parlement zijn vastgesteld en gepubliceerd. Naar verwachting zal dit in de loop van 2005 zijn.

Vooruitlopend op de fundamentele herziening van de WRO is bij de Tweede Kamer eind 2002 een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de huidige WRO, de Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing en Wet op de economische delicten dat ertoe strekt overtredingen van bestemmingsplanvoorschriften en daarmee samenhangende overtredingen onder de werkingsfeer van de Wet op de economische delicten te brengen. Het wetsvoorstel voor een nieuwe WRO brengt hierin geen verandering. (zie ook deel B onderdeel 2).

1.2.1.3 Strategische beleidsontwikkeling milieu

Naar aanleiding van het Strategisch akkoord en de milieubalans is het milieubeleid zoals verwoord in het NMP4 op onderdelen geactualiseerd in de notitie Vaste waarden, nieuwe vormen: Milieubeleid 2002–2006. De notitie bevat een actieagenda. De notitie is op 25 november 2002 in de Tweede Kamer besproken (kamerstuk 2002–2003, 28 663).

De Kamer gaat akkoord met de hoofdlijnen van de notitie om op lange termijn de transitiebenadering te continueren. Op korte termijn wordt prioriteit gegeven aan de ontkoppeling en het uitvoeren van de in Kyoto gemaakte afspraken over het klimaat. In Hoofdstuk 6 van de notitie zijn de belangrijkste acties verwoord.

Het kabinet zet o.a. de volgende instrumenten in:

• Bij het oplossen van nationale problemen is het van belang direct te kijken of een Europese of internationale aanpak niet effectiever is en bij bevestigend antwoord een krachtige Nederlandse inzet te bewerkstelligen. Hierbij kan het Nederlands Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie in de tweede helft van 2004 een bruikbare gelegenheid zijn;

• De decentralisatie oftewel meer beleidsvrijheid voor gemeenten en provincies krijgt vorm via verschillende projecten, zoals Stad & Milieu en MILO (paragraaf 3.3.2); regelgeving binnen Nederland blijft van belang. Wel is het doel om regelzucht en bureaucratie te vermijden en terug te dringen. Daarom wordt een deel van de regelgeving herijkt. In dit licht zet VROM het professionaliseren van de handhaving door;

• Dankzij het internaliseren van milieukosten en een verdere vergroening houden maatschappelijke actoren bij de keuzen die ze maken rekening met schadelijke en ongewenste neveneffecten van hun handelen op mens en milieu;

• Het bevorderen van de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en instellingen zodat ze bijvoorbeeld kiezen voor duurzame technieken. Dat kan door het uitbouwen van systemen om milieukosten in de prijzen te verwerken en nieuwe vormen van maatschappelijke contracten te onderzoeken.

Rond de jaarwisseling 2001/2002 indiening kabinetsstandpunt incl. uitvoeringsprogramma herziening Wet milieubeheer

In april 2002 is het uitvoeringsprogramma herziening Wet milieubeheer aan de Tweede Kamer gestuurd waarin met betrekking tot een groot aantal voorstellen uit de nota «Met Recht verantwoordelijk» aangegeven is wat de stand van zaken is, en langs welke inhoudelijke lijnen de verdere invulling zal geschieden. Zie verder bij de beleidsprioriteit 5.1.

Opzetten van interdepartementaal steunpunt transities

De transitie «energiehuishouding en mobiliteit» is gesplitst, zodat er nu sprake is van 4 transities, namelijk: duurzame landbouw, duurzame energiehuishouding, duurzame mobiliteit en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

De ministers van EZ, V&W, OS en LNV zijn de vier transities gaan trekken. De minister van VROM heeft een coördinerende rol. Zie hoofdstuk beleidsprioriteiten. VROM heeft in 2002 een steunpunt transities opgezet. Het steunpunt ondersteunt de coördinatie door de minister van VROM en coördineert en faciliteert de gezamenlijke activiteiten van de departementen. De minister van VROM heeft in april 2002 mede namens de betrokken bewindslieden een eerste voortgangsbericht naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin staan de gezamenlijke activiteiten van de rijksoverheid, de te verwachten resultaten en per transitie de motivatie, ambitie en aanpak.

Nationale Strategie voor duurzame ontwikkeling (NSDO)

Nederland heeft de verkenning van het rijksoverheidsbeleid in het kader van de nationale strategie voor duurzame ontwikkeling bij de voorbereidingen voor Johannesburg waar de World Summit on Sustainable Development (WSSD) plaatsvond, ingebracht als strategie voor duurzame ontwikkeling van Nederland. Als vervolg op de WSSD wordt nu gewerkt aan het Nationaal Actieprogramma voor Duurzame Ontwikkeling. De geplande dialoog in 2002 met de samenleving en het implementatieplan krijgen logischerwijs in het kader van dit actieprogramma vorm en komen dan ook deels met enige vertraging (eerste helft 2003) gereed.

Inzet van het Nationaal Initiatief voor Duurzame Ontwikkeling (NIDO)

Het NIDO heeft in het kader van de duurzame ontwikkeling in 2002 de volgende programma's uitgevoerd: Van financieel naar duurzaam rendement, duurzame logistiek, wonen leven en werken, waarden van water.

Daarnaast zijn er in 2002 vier nieuwe programma's gestart:

• Marktkansen voor duurzame producten

• Kenniscreatie voor duurzame innovatie

• Duurzaam uitbesteden

• In de eigen omgeving oud worden (sprongprijswinnaar uit 2001).

In 2002 is «Landbouw en groen voor een gezonde samenleving» als nieuwe sprongprijswinnaar uitgeroepen. Dit programma start in 2003.

In 2002 is NIDO in het kader van ICES/KIS 2 geëvalueerd. Uit de evaluatie bleek dat NIDO de programma's redelijk volgens planning heeft uitgevoerd, maar dat de wetenschappelijke inbedding beter kan. NIDO werkt eraan dit te verbeteren. Bij de toetsing van de voorstellen zal VROM beoordelen of de wetenschappelijke inbedding verbeterd is. Over de voortzetting van het NIDO wordt in 2003 besloten omdat de besluitvorming over ICES/KIS III projecten is verschoven van 2002 naar 2003.

Duurzaamheids- en milieuafweging voor beleid

Om ervaring te kunnen opdoen met een integrale afweging bij beleidsvoorbereiding vanuit de optiek van een duurzame ontwikkeling is in 2002 een start gemaakt met het vormgeven van een serie proefprojecten bij diverse departementen. Het gaat om een hulpmiddel waarmee de besluitvorming tijdens de ontwikkeling van beleid of een plan mede richting kan worden gegeven. Naar verwachting kan begin 2003 een begin worden gemaakt met enkele proefprojecten.

De beoogde activiteiten op het gebied van strategische milieubeoordeling hebben in 2002 hun beslag gekregen. Zo is in 2002 een wetsvoorstel voorbereid ten behoeve van de implementatie van de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling.

Dit wetsvoorstel wordt in 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het concept wetsvoorstel heeft mede tot doel het bevorderen en stimuleren van de beoordeling van milieuaspecten aan plannen en programma's.

Het protocol voor Strategische Milieubeoordeling in het kader van het Espoo verdrag heeft in 2002 zijn uiteindelijke tekst gekregen. In mei 2003 zal het voorliggen voor ondertekening tijdens de conferentie Environment for Europe in Kiev, Oekraïne. De tekst van het protocol kent een grote overeenkomst met de EU-richtlijn ter zake.

1.2.1.4 VROM-raad

De VROM-raad streeft naar sectoroverstijgende, niet verkokerende adviezen over strategische keuzen voor de middellange termijn, aan het begin van de beleidscyclus. Ook kan worden geadviseerd over ontwerpen voor beleidsnota's.

De VROM-raad heeft zijn advisering in 2002 gericht op de volgende punten:

– Ruimte: De toekomst van de landbouw en het landelijk gebied.

– Wonen: De toekomst van het woonbeleid.

– Milieu: De toekomst van de energiehuishouding.

– Veiligheid

– Investeringen tegen de achtergrond van de ICES en de nota milieu en economie.

ThemaPrestatie/adviesAfgerond J/NAnders (bijvoorbeeld jaartal van afronding)
RuimteDe toekomst van de landbouw en het landelijk gebiedNHierover is in november 2002 een startnotitie verschenen
WonenDe toekomst van het woonbeleid– Eigen Woning Bezit– Herstructurering– Smaken verschillen (Multicultureel Bouwen) NJJBeginfase van advies
MilieuDe toekomst van de energiehuishouding– Milieu en Economie J 
VeiligheidVeiligheid– Minder blauw op straat J 
ICES etc.Investeringen in het kader van milieu en economieJ 

1.2.2. Monitoring en kennisontwikkeling

1.2.2.1 Monitoring en kennisontwikkeling wonen

Systematische monitoring

Analyses, uitgevoerd op het onderzoeksbestand Kwalitatieve Woningregistratie (KWR) 2000, hebben geresulteerd in een viertal themagerichte publikaties: «Stadsvernieuwing gemeten», «Kwaliteit van stedelijke vernieuwingswijken», «Kwaliteit voor doelgroepen» en «Energiebesparende maatregelen in de woningvoorraad». De beleidsconclusies uit deze onderzoeksrapporten zijn 6 november 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden (kamerstuk II, 2002–2003, VROM 020 994).

Gestart is verder een aantal vervolganalyses op de KWR-gegevens waarin aandacht besteed zal worden aan motieven van eigenaren om (niet) te investeren in energiebesparing, aan het energiegedrag van huishoudens in relatie tot hun energieverbruik, leefstijlen van huishoudens en de door deze huishoudens gewenste woonmilieus.

Tevens is een eerste operationele versie van het energiemodel gereedgekomen waarmee de effecten van energiebesparende maatregelen in de bestaande woningvoorraad op het energieverbruik geraamd kunnen worden. De nieuwe KWR levert voor de vulling van dit model actuele gegevens op.

In 2002 is het grootste deel van het veldwerk van het Woningbehoefteonderzoek (WBO) 2002 uitgevoerd. Tevens is opdracht verstrekt om de veldwerkgegevens geschikt te maken voor het uitvoeren van eerste beleidsanalyses in 2003. Aan gemeenten is de gelegenheid geboden om, ten behoeve van eigen beleidsdoeleinden, te participeren in het WBO door middel van ophoging van het aantal uit te voeren enquêtes. Gemeenten die van dit aanbod gebruik hebben gemaakt, hebben hiervoor een tegemoetkoming in de veldwerkkosten ontvangen, mede namens het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De eerste resultaten van de recent ontwikkelde kwaliteitsmodule (ontwikkeld in het kader van de Monitor Nieuwe Woningen) zijn in juni 2002 verschenen. Het gaat hierbij om kosten en kwaliteitskenmerken van de in 2000 verkochte nieuwe woningen. Eind 2002 zijn de gegevens over de in 2001 verkochte nieuwe woningen beschikbaar gekomen. De Monitor Nieuwe Woningen (MNW) is ontwikkeld vanuit een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van VROM, de NEPROM, Aedes en het AVBB. De MNW meet fluctuaties op de nieuwbouw koopwoningenmarkt (aanbod en afzet) en geeft daardoor op woningmarktniveau belangrijke voortschrijdende informatie over de korte termijn ontwikkelingen.

In november 2002 is de jaarlijkse rapportage «Bewoners Nieuwe Woningen» verschenen. Dit onderzoek betreft een enquête onder bewoners van nieuwbouwwoningen die in 2000 zijn gerealiseerd. In deze enquête wordt aandacht besteed aan actuele thema's zoals de stagnatie in de woningbouwproductie, de toegankelijkheid voor starters, de differentiatie in aanbod, het particulier opdrachtgeverschap, wonen en zorg en wooncarrières.

Eind 2002 is een operationele versie van het marktmodel voor de koopwoningenmarkt ontwikkeld. Dit gedragsmodel geeft inzicht in de effecten van actieve beïnvloeding (direct en indirect) in de ontwikkeling van vraag en aanbod in de koopwoningenmarkt en is tevens een communicatie-instrument. Toegevoegde waarde van dit model is de kwalitatieve beschrijving (oorzaak-gevolg) van de dynamiek van de koopwoningenmarkt, inzicht in de prijsvorming (kwantitatief) en de directe koppeling tussen doelen en middelen (instrumenten).

Een eerste versie van het VBTB-documentatiesysteem is in 2002 gereed gekomen. In dit systeem is op een overzichtelijke wijze de begroting 2003 gedocumenteerd. In het infosysteem is systematisch per beleidsthema vermeld welke prestaties geleverd dienen te worden, welke maatschappelijke effecten beoogd zijn en welke definities en bronnen daarbij gebruikt zijn.

Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting

De Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) houdt zich bezig met vernieuwingen op het terrein van het wonen. Met experimenten kan de SEV vermoedens testen en kennis verwerven, de markt helpen initiële problemen en meerkosten te overwinnen en te demonstreren welke mogelijkheden bestaan. Experimenteren kan ook onderdeel van een veranderingsstrategie zijn. De SEV stelt zich ten doel creativiteit in de sector van het wonen te stimuleren en te organiseren bij het zoeken naar verbeteringen en vernieuwingen.

De SEV werkt met een voortschrijdend meerjarenplan, dat jaarlijks wordt geactualiseerd en ter goedkeuring voorgelegd aan VROM. Tevens stelt de SEV jaarlijks een verslag op van de geleverde prestaties. In het jaar 2002 zijn verschillende experimenten afgerond. Hiervan zijn de navolgende experimenten het vermelden waard.

Het woonruimteverdelings-experiment in het KAN-gebied is afgesloten met het rapport «Het aanbodmodel voorbij». Voorbeeldprojecten vormgeving voor de aanpak van naoorlogse wijken hebben geresulteerd in een 2-delige uitgave «Herwonnen Schoonheid». Het project Woonkeur is afgerond met een evaluatie en overdracht van de werkzaamheden aan een te vormen stichting Woonkwaliteit. Voor het programma Royaal Wonen is een prijsvraagboek samengesteld. In het kader van de aanpassing van de woningvoorraad aan eisen voor ouderen is het eindadvies «Opplussen» uitgebracht. Een experiment met het Franse model voor de registratie van bouwkundige werken heeft geleid tot een advies over mogelijkheden tot invoering hiervan in de Nederlandse situatie. De afschaffing van de Woonwagenwet was de aanleiding tot een herbezinning op de problematiek van de woonwagenbewoners en heeft geleid tot het eindadvies «Meer wonen naar wagens». Dit SEV-experiment is afgesloten met een congres. Op het terrein van wonen, zorg en welzijn is een eindrapportage uitgebracht voor de start van experimenten met persoonsgebonden budgetten.

OverigNethur

In het kader van de meerjarige overeenkomst van het ministerie met de onderzoekschool Nethur zijn een drietal onderzoeken en 2 essays opgedragen. Deze hebben betrekking op de volgende thema's: eigenwoningbezit, culturele identiteit van bewoners en sociale cohesie.

Daarnaast is een viertal studies uit de vorige perioden afgerond.

Volkshuisvesting Internationaal

In relatie tot de drie internationale doelstellingen van het DGW werden in 2002 de volgende belangrijkste activiteiten ondernomen:

M.b.t. de naleving van aangegane internationale verplichtingen:

Ondersteuning werd gegeven aan de Stichting Habitat Platform (SHP). De werkzaamheden van SHP kregen bijzondere internationale erkenning door toekenning door VN-Habitat van de «Scroll of Honour». Stappen werden ondernomen om te komen tot oprichting van een apart Habitat Platform Midden- en Oost-Europa.

Met het oog op een optimale inbreng van VN Habitat op de World Summit on Sustainable Development werd vanuit DGW deelgenomen aan het in Nairobi gehouden «World Urban Forum» dat zich richtte op duurzame stedelijke ontwikkelingsrichtingen.

De samenwerking op Europees niveau kreeg nader gestalte m.n. op het gebied van duurzaam bouwen en wonen; België organiseerde in juni een Europese ministersconferentie; het rapporteurschap van die conferentie is door DGW geleverd. Op de conferentie is aan Nederland verzocht om tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap in 2004 een analyse te maken van de situatie m.b.t. duurzame hoogbouwrenovatie en herstructurering in de woningbouw in 27 Europese landen.

DGW werd verzocht om haar vice-voorzitterschap van de Committee on Human Settlements van de UN Economic Commission for Europe te willen continueren en om het werkprogramma te blijven steunen.

De samenwerking met het Zuid-Afrikaanse collega-ministerie om te komen tot een sociale woningbouwsector in Zuid-Afrika werd onder het dit jaar aflopende «Memorandum of Understanding» (positief) geëvalueerd. Onderhandelingen werden gestart om de samenwerking te verlengen i.s.m. Aedes en de VNG. Diverse verzoeken om specifieke advisering, technische assistentie, training en stages werden toegekend, ook vanuit Zuid-Afrikaans provinciaal en centraal niveau.

De samenwerking met Litouwen, Polen en Slowakije heeft gestalte gekregen door afronding, resp. goedkeuring van MATRA-projecten waarover in een eerdere fase door VROM/DGW werd geadviseerd.

M.b.t. het gericht inwinnen van informatie uit het buitenland:

Er zijn enkele «quick scans» (korte, verkennende internationale vergelijkingen) ondernomen bij collega-departementen in de EU inzake (a) de rol van notarissen bij het verlijden van koop- en hypotheekaktes, (b) de juridische positie van verhuurders bij verhuur aan illegalen, (c) de wetgeving inzake gelijke behandeling, en (d) de verkoop van huurwoningen.

M.b.t. het beschikbaar stellen van informatie over wonen

Aan professioneel geïnteresseerde buitenlanders werden gemiddeld 2 bezoeken per maand ontvangen en werd uitleg gegeven over de Nederlandse situatie m.b.t. wonen.

De Engelstalige website van het ministerie werd in belangrijke mate aangevuld met een groot aantal beschrijvingen van specifieke onderdelen van het woonbeleid in Nederland.

1.2.2.2. Monitoring en kennisontwikkeling ruimte

Monitoring- en evaluatieprogramma

Ten behoeve van de monitoring en evaluatie van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is in 2002 een evaluatiefilosofie ontwikkeld en een (voorlopig) meerjarenonderzoeksprogramma opgesteld. Enkele onderzoeken uit dit evaluatieprogramma zijn in 2002 reeds uitgevoerd dan wel opgestart. In 2002 heeft tevens de nulmeting op basis van deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening plaatsgevonden. De rapportage over de nulmeting zal begin 2003 verschijnen. Doordat deel 3 van de Vijfde Nota nog niet is vastgesteld is ook de uitvoering van het meerjaren onderzoeksprogramma vertraagd.

Het is nog niet mogelijk geweest om in 2002 het evaluatie- en monitoringprogramma van de Vijfde Nota definitief vast te stellen, aangezien de procedure van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening nog niet is afgerond en het beleid nog in ontwikkeling is.

Subsidies vakorganisaties

Op 28 december 2001 en 28 januari 2002 is het subsidiebesluit «doelsubsidies en overige programmasubsidies» gepubliceerd in de Staatscourant.

Meerjarige doelsubsidies zijn verstrekt aan de vakorganisaties NIROV, IFHP en Isocarp. Deze organisaties leveren een belangrijke bijdrage aan het voortdurend ontwikkelen en uitwisselen van kennis op het vlak van planologie en ruimtelijke ordening in Nederland.

Voor de uitvoering van projecten zijn 22 subsidieverzoeken ontvangen. Aan 11 aanvragers is een bijdrage toegezegd, omdat deze projecten nieuwe kennis en inzichten stimuleren op het vlak van planologie en ruimtelijke ordening in Nederland en daarmee ook een vernieuwende bijdrage leveren aan het realiseren van de beleidsdoelstellingen.

Ruimtelijk Planbureau

Ingaande 1 januari 2002 is het Ruimtelijk Planbureau opgericht (Stb 2001, nr. 488). De bezetting van het planbureau per ultimo 2002 bedroeg 54 fte. Gestart is in 2002 met de opbouw van het bureau, werving van onderzoekers en het ontwikkelen van een werkprogramma, op basis waarvan in 2003 de eerste publicaties zullen volgen.

De Ruimtelijke verkenningen waarin de maatschappelijke ontwikkelingen worden beschreven die van invloed zijn op het ruimtegebruik zal najaar 2003 worden opgeleverd.

De Ruimtemonitor waarin een actueel beeld wordt gegeven van het ruimtegebruik, inclusief de ontwikkelingen zoals die zich in samenleving en ruimte voordoen, wordt in het voorjaar van 2004 gepubliceerd. De productie van zowel de Ruimtelijke verkenningen als de Ruimtemonitor ligt op schema.

1.2.2.3 Monitoring en kennisontwikkeling milieu

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)Realisatie beleidsdoelstelling

Het RIVM is zelf verantwoordelijk voor de programmering en de realisatie van de werkzaamheden van het milieuplanbureau. In dat verband is in de wet geregeld dat het RIVM jaarlijks een Milieubalans en eens in de vier jaar een Milieuverkenning oplevert.

Ook in 2002 heeft het RIVM een Milieubalans gepubliceerd.

Voor de bijdrage aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten behoeve van het RIVM worden verder geen eigen inhoudelijke beleidsdoelstellingen geformuleerd. De bijdrage van het RIVM staat ten dienste van het beleid en de handhaving met activiteiten t.b.v. verkenning, onderbouwing, uitvoering of evaluatie van het beleid(voornemens) en de handhaving. Over de inhoud van een specifiek onderzoek of activiteit wordt om die reden hier niet separaat gerapporteerd, maar de resultaten uit onderzoek zijn meegenomen in de rapportages over beleidsonderwerpen en over de handhaving.

Prestaties en effecten 2002

Het RIVM zal per 1 januari 2004 overgaan op het baten-lasten stelsel en meer op output worden gestuurd. Daartoe zijn in 2002 afspraken gemaakt voor het proefjaar 2003. Eveneens zijn afspraken gemaakt voor een noodzakelijke budgetherverdeling tussen VWS en VROM en binnen VROM tussen DGM, de directie Externe Veiligheid en de VROM-inspectie. Onderzoek is geen doel op zich, maar de RIVM producten worden gebruikt bij de verkenning, voorbereiding, uitvoering, handhaving, monitoring en evaluatie van beleid. Wel wordt de doelmatigheid van de bestede onderzoeksmiddelen bewaakt. In 2002 is daarom door een extern bureau nagegaan in welke mate de resultaten van RIVM-onderzoeken uit 2001 daadwerkelijk in het beleid gebruikt zijn. 75% van de producten bleek goed gebruikt te zijn en 24% redelijk. M.a.w. kan gesteld worden dat de middelen voor het RIVM doelmatig worden aangewend. De aanbevelingen zullen worden gebruikt om een verdere verbetering te bewerkstelligen.

Het Meerjaren Actie Programma (MAP) 2002 is uitgevoerd met de wijzigingen die in de loop van het jaar daarin zijn aangebracht.

Groeiparagraaf

Ten behoeve van de monitoring en evaluatie van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is in 2002 een evaluatiefilosofie ontwikkeld en een (voorlopig) meerjarenonderzoeksprogramma opgesteld. In 2002 heeft tevens de nulmeting op basis van deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening plaatsgevonden. Doordat deel 3 van de Vijfde Nota nog niet is vastgesteld is ook de uitvoering van het meerjarenprogramma onderzoek vertraagd.

Het is niet mogelijk geweest om in 2002 het evaluatie- en monitoringprogramma van de Vijfde Nota definitief vast te stellen, aangezien de procedure van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening nog niet is afgerond en het beleid nog in ontwikkeling is. Het toekomstige traject van de Nota Ruimte zal bepalend zijn voor het moment waarop dit wel mogelijk is.

In januari 2001 werd PKB deel 1 van de Vijfde Nota uitgebracht en een jaar later in januari 2002 deel 2 en 3. Doel voor 2002 was om de PKB-procedure verder af te ronden en een uitvoeringsprogramma uit te brengen. Door de val van het Kabinet is dit niet gelukt.

In 2002 is het Begrotingsdocumentatiesysteem gereed gekomen. Naar aanleiding van de ervaringen ermee zal dit systeem verder worden ontwikkeld. Daarbij zal ook worden bezien in hoeverre monitorgegevens in het systeem kunnen worden opgenomen.

Opsomming prestaties DGW

Ontwerp WoonwetHet wetsontwerp is voorgelegd aan de Raad van State, is in Brussel besproken en is niet meer ingediend bij de Tweede Kamer.
Bouwbesluit, vernieuwde woningwetIn werking getreden per 1 januari 2003; zie artikel 3
RijksbeleidskaderEen concept is opgesteld, maar dit project is geposterioriseerd i.v.m. de ontwikkelingen bij de Woonwet
Toezicht corporatiesHet Toezichtsverslag is 2003 naar de Tweede Kamer gezonden. (N.B. In procedure)
Corporaties: positie en vermogenDe sociale huursector is nadrukkelijk aangesproken op het ontwikkelen van initiatieven voor collegiale financiering
Systematische MonitoringRapportages KWR zijn uitgebracht. Voorbereidingen voor analyses WBO zijn getroffen.Eerste versie van het «energiemodel» is gereedgekomen

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 1 Strategische beleidsontwikkeling en monitoringRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen74 88867 9816 907
    
Uitgaven78 64571 4567 189
Programma-uitgaven65 89155 86110 030
Strategische beleidsontwikkeling6 8205 7861 034
Beleidsnota's en wetten ruimte2 3301 702628
Nationaal initiatief voor duurzame ontwikkeling4 4904 084406
    
Monitoring en kennisontwikkeling:57 93048 7909 140
Kennisontwikkeling en onderzoek wonen12 21613 100– 884
Kennisontwikkeling en onderzoek ruimte1 398440958
Bijdrage Planbureau RO5 1571 7023 455
Bijdrage RIVM39 15933 5485 611
    
Onverdeeld programma:1 1411 285– 144
Subsidies vakorganisaties1 031559472
Communicatie-instrumenten110726– 616
    
Apparaatsuitgaven12 75415 595– 2 841
VROM-raad1 8112 124– 313
Forum en RMNO2 0326961 336
Apparaat DGW4 7005 326– 626
Apparaat RPD3 1106 038– 2 928
Apparaat DGM1 1011 411– 310
    
Ontvangsten4 4894 084405
Ontvangsten NIDO4 4894 084405

Toelichting:Strategische beleidsontwikkelingBeleidsnota's en wetten ruimte

Ondanks het feit dat de PKB procedure rond de Vijfde Nota en het uitvoeringsprogramma door de val van het Kabinet niet is afgerond, is strategische beleidsontwikkeling ruimte doorgegaan. Doordat een groot aantal betalingen ten behoeve van het Ruimtelijk Planbureau en de Vijfde Nota die oorspronkelijk gepland waren in 2001, in 2002 zijn gerealiseerd, heeft een overschrijding plaatsgevonden. Daarnaast is € 0,5 mln. overgeheveld naar het Ruimtelijk Planbureau.

Nationaal initiatief voor duurzame ontwikkeling

Door het uitblijven van een beslissing over de inzet van ICES/KIS-middelen is voor NIDO aanvullend een overbruggingskrediet (verplichtingen) gegeven van € 1,75 mln.

De aanvankelijk begrote bijdrage voor het RIVM is bij 1e en 2e suppletore begroting 2002 vanwege enige taakuitbreidingen verhoogd naar in totaal € 39,159 mln.

Monitoring en kennisontwikkelingKennisontwikkeling en onderzoek ruimte

Door uitstel van de Vijfde Nota is de uitvoering van het onderzoeksprogramma vertraagd. Niettemin is er meer uitgegeven dan begroot. Dit vindt zijn oorzaak in een onjuiste budgetverdeling van de onderzoeksuitgaven over de artikelen 1, 6, 8, 9 en 15. Bij miljoenennota 2003 zijn de beschikbare onderzoeksmiddelen budgettair neutraal herverdeeld over de bovengenoemde artikelen. Niettemin is er op dit artikel een tekort ontstaan doordat uitgaven van de Topografische Dienst Nederland hierop zijn geboekt.

Vóór de definitieve overdracht van het Planbureau zijn eind 2001 een groot aantal verplichtingen aangegaan die na de overdracht ten laste van de begroting van DGR zijn gebleven. De bijbehorende betalingen zijn in 2002 gedaan.

Onverdeeld ProgrammaSubsidies vakorganisaties

In 2002 zijn naast enkele nieuw toegekende subsidies ook betalingen gedaan op toegezegde subsidies uit 2001.

ApparaatsuitgavenApparaat RPD

Door verschuiving van taken naar het Ruimtelijk Planbureau heeft er een budgetoverheveling plaatsgevonden naar het RPB.

Apparaat RPB

Het verschil tussen begroting en realisatie is toe te schrijven aan het feit dat bij vaststelling van de ontwerpbegroting het apparaatsbudget van het RPB niet afzonderlijk werd vermeld. Deze maakte toen nog deel uit van het budget «onverdeeld apparaat» van VROM. Pas bij de 2e suppletore begroting is het apparaatsbudget van het RPB verder gespecificeerd.

Artikel 2. Betaalbaarheid van het wonen

2.1. Algemene beleidsdoelstelling

VROM faciliteert, binnen maatschappelijke randvoorwaarden, een vrije en betaalbare woonkeuze voor alle burgers in zowel de huur als de koopsector. Voor mensen die op grond van hun inkomen onvoldoende in staat zijn om zelf in hun vrije woonkeuze te voorzien, draagt de overheid zorg voor een betaalbare woning die voorziet in hun maatschappelijk gerechtvaardigde vraag.

De volgende drie operationele doelstellingen van de betaalbaarheid worden onderscheiden. Deze zijn:

• betaalbare woonkeuze huren;

• bevordering eigen woningbezit;

• versterking van de positie van de burger.

2.2. Operationele doelstellingen

2.2.1. Betaalbare woonkeuze huren

De meeste mensen zijn goed in staat zelf voor hun huisvesting zorg te dragen. Maar een deel heeft daartoe nog altijd minder goede mogelijkheden. Als een probleemloze en evenwichtige verhouding tussen huurders en verhuurders niet vanzelfsprekend in de markt tot stand komt, kan de overheid onder voorwaarden nadere regels hanteren (consumentenbescherming). Ook worden er door de overheid mogelijkheden gecreëerd om kwalitatief goede betaalbare huurwoningen voor huishoudens met lagere inkomens toegankelijk te maken. De instrumenten die daarvoor worden gehanteerd zijn:

• huurwetgeving;

• huur(prijs)beleid;

• huurgeschillenbeslechting;

• huursubsidiewet.

2.2.1.1. Huurwetgeving

Inwerkingtreding van de wetsvoorstellen voor herziening van het huurrecht.

Op 19 november 2002 is de herziening van boek 7.4. van het Burgerlijk Wetboek en de invoering van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte door de Eerste Kamer aanvaard. Daarmee is het zeer complexe en verouderde huurrecht opgeschoond.

De inwerkingtreding is echter uitgesteld totdat in de wetsvoorstellen twee wijzigingen zijn aangebracht. De bepaling in de wetsvoorstellen dat de huurder zonder toestemming van de verhuurder een kamer mag onderverhuren wordt geschrapt en de verruimde mogelijkheden voor zelfwerkzaamheid van de huurder worden beperkt tot de binnenkant van de woning (de zogenaamde zelfaangebrachte voorzieningen of ZAV). Een wetsvoorstel dat in deze aanpassing voorziet is eind 2002 bij de Tweede Kamer ingediend.

In 2002 was eveneens voorzien in de evaluatie van de eerste fase van de integrale herziening van de huurwetgeving. Op deze herziening, waarin onder meer de onderhoudsprocedure is opgenomen, wordt in paragraaf 2.2.1.3 (huurgeschillenbeslechting) ingegaan.

Implementatie van de beleidsvoornemens naar aanleiding van de evaluatie van de Wet op het overleg huurders verhuurder.

Op 6 december 2001 is de evaluatie van de Wet op het overleg huurders verhuurder naar de Tweede Kamer verzonden (kamerstuk II, 2001–2002, 28 160, nr. 1). De implementatie heeft in 2002 zijn beslag gekregen door opname van deze wet in de concept Woonwet. De Woonwet ligt op dit moment onder de Kroon.

Ombudsman

In de begroting 2002 was – afhankelijk van een onder een andere noemer ingediend initiatief wetsvoorstel (kamerstuk II, 2000–2001, 27 236) – voorzien in voorstellen voor de implementatie van een ombudsfunctie voor de huursector. Deze ombudsman kon de vorm aannemen van een door de organisaties van huurders en verhuurders ingesteld instituut. Hiertoe zijn in 2002 nog geen voorstellen gedaan.

Wel is bij de huurcommissie een experiment gestart met mediation (zie § 2.2.3).

2.2.1.2. Huurprijsbeleid

In 2002 is in nauw overleg met de Commissie Huurbeleid II gewerkt aan de concretisering van de voorstellen voor het huurprijsbeleid die in september 2001 naar de Tweede Kamer zijn gestuurd . Uitkomst hiervan is een referentiestelsel dat met ingang van 1 juli 2005 moet worden ingevoerd. Er is naar gestreefd om de Tweede Kamer nog in 2002 te informeren over een nieuw stelsel van referentiehuren. Over de invulling van het referentiestelsel is niet meer in 2002 aan de Tweede Kamer gerapporteerd omdat de uitwerking van de Commissie Huurbeleid meer tijd in beslag heeft genomen. Naar verwachting zal de Tweede Kamer voor de zomer 2003 geïnformeerd worden.

In de begroting is ook toegezegd om de effecten op de huurprijzen in verschillende marktsegmenten te monitoren.

Voor de periode 1 juli 2002 tot en met 1 juli 2005 zijn vijf maatregelen in regelgeving geïmplementeerd. Het gaat om een gestaffelde huurverhoging, een huurverhoging die gerelateerd is aan het vijfjarig gemiddelde inflatiepercentage, een maximale gemiddelde huurstijging voor sociale verhuurders op instellingsniveau, bevriezing van de maximale huurprijsgrenzen en afbouw van de verouderingsaftrek.

Huurbrief

In de brief van 14 september 2001 aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstuk II 2000–2001, 27 926, nr. 1) zijn de hoofdlijnen van het huurbeleid vanaf 1 juli 2002 uiteengezet. Dit huurbeleid zal ook in 2003 worden voortgezet. In de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 27 november 2002 (kamerstuk II, 2002–2003, 27 926, nr. 12) is aangegeven dat zich ten opzichte van 2002 één wijziging zal voordoen te weten: het ontdooien van de maximale huurprijsgrenzen voor onzelfstandige woonruimten. Dit om een niet-bedoeld effect voor onzelfstandige woonruimte recht te trekken en de verhuurders die nu al op de maximale huurprijsgrens zitten de mogelijkheid te bieden om de huur weer jaarlijks (met ten hoogste de gemiddelde inflatie) te verhogen. Het kan bovendien het verhuren van kamers aantrekkelijker maken.

2.2.1.3. Huurgeschillenbeslechting

Het jaar 2002 is grotendeels overschaduwd door de problemen die zijn ontstaan ten gevolge van de reorganisatie van de huurcommissies in 2001. Onder andere door het ontbreken van het geplande nieuwe geautomatiseerde systeem zijn grote werkachterstanden ontstaan. In de loop van 2002 zijn maatregelen genomen waardoor de beheersbaarheid en stuurbaarheid sterk zijn toegenomen. Over deze maatregelen en de voortgang in het wegwerken van de werkachterstanden is de Vaste Kamercommissie voor VROM een aantal keren per brief geïnformeerd (kamerstukken VROM 020 112, VROM 020 662, en II 2002–2003, 28 600 XI, nr. 5).

Een en ander betekent dat enkele maatschappelijke effecten en prestaties in 2002 niet zijn gehaald. Dit geldt met name voor het vergroten van de bekendheid van het instituut Huurcommissie en haar uitspraken en het vergroten van de effecten van de uitspraken van de Huurcommissies. Het meten en beïnvloeden van deze indicatoren is geposterioriseerd ten gunste van het wegwerken van de werkachterstanden en het structureel oplossen van de ontstane problemen.

Dit geldt ook voor het terugbrengen van de doorlooptijd van 70% van de huurgeschillen tot 4 maanden. De doorlooptijden zijn waarneembaar korter geworden door het gericht wegwerken van de achterstanden, en door prioriteit te geven aan het afhandelen van oudere geschillen. Het merendeel van de nieuwe huurgeschillen wordt thans binnen een termijn van 5 tot 6 maanden afgehandeld. In welke mate de gemiddelde doorlooptijd precies is verkort is niet bekend wegens het ontbreken van meetgegevens. Gezien de situatie is het streefgetal voor 2003 teruggebracht van 95 naar 70%.

In 2002 zijn in totaal ruim 23 000 huurgeschillen afgehandeld. Dit is exclusief de procedures waarin een toets op de redelijkheid van de huurprijs wordt uitgevoerd in het kader van de Huursubsidiewet. Van deze toets zijn er in de eerste helft van 2002 ongeveer 6 000 aangevraagd. In deze periode werd de toets door de huurder aangevraagd. Vanaf 1 juli 2002 wordt de toets door het ministerie zelf aangevraagd in het kader van de nieuwe procedure eerste aanvraag van huursubsidie. Ten gevolge van afstemmingsproblemen over criteria, definities en de gerezen problematiek bij de uitvoering van de huursubsidie (zie § 2.2.1.4) is nog niet duidelijk hoeveel van deze toetsen in de tweede helft van 2002 zijn voortgekomen uit de eerste aanvragen. Er wordt uitgegaan van ongeveer 10 000 stuks, maar het is niet uit te sluiten dat het er significant meer zijn. Op het moment van schrijven is nog niet duidelijk wanneer hierover duidelijkheid ontstaat. Door deze onduidelijkheid is de afhandeling van deze aanvragen in de tweede helft van 2002 gestagneerd. Er is in de planning voor 2003 rekening gehouden met afhandeling van 22000 aanvragen. In 2002 zijn in totaal bijna 13 000 toetsen afgehandeld.

Op het terrein van de voorlichting is, ondanks de aanvankelijke problemen omtrent de bereikbaarheid, belangrijke vooruitgang geboekt. Dankzij de inzet van een extern callcentre is in de loop van 2002 de telefonische bereikbaarheid toegenomen tot ruim boven de 80%. Het komt slechts incidenteel voor dat een vraag niet direct kan worden beantwoord.

In 2002 is een aantal activiteiten wel uitgevoerd, die in de begroting 2002 niet waren voorzien. De belangrijkste hiervan zijn het in werking stellen van een noodscenario, nadat duidelijk werd dat de geplande automatisering niet kon worden gerealiseerd, de inhuur van een aanzienlijk aantal uitzendkrachten voor de afhandeling van huurgeschillen en het inschakelen van koeriersdiensten voor het transport van fysieke dossiers. Om deze, in de begroting voor 2002 niet voorziene, activiteiten uit te kunnen voeren zijn extra uitgaven gedaan voor een bedrag van ongeveer € 3,5 miljoen.

Evaluatie IHH-1 (integrale herziening huurprijsregelgeving eerste tranche)

Na evaluatie van de eind 1999 ingevoerde nieuwe onderhoudsprocedure en tweezijdige legesheffing is geconcludeerd dat de onderhoudsprocedure de positie van de huurder duidelijk heeft versterkt. De tweezijdige legesheffing heeft echter niet de beoogde drempelwerking gehad. Om de administratieve belasting te verminderen, is een voorstel in voorbereiding waarin de leges eenzijdig worden geheven bij de verzoeker en de verzoeker de leges terugkrijgt van de wederpartij wanneer de verzoeker gelijk krijgt. Daarmee blijft het principe van betaling voor overheidsdiensten gehandhaafd.

2.2.1.4. Huursubsidiewet

In het jaar 2002 is veel aandacht en energie gegaan naar de problemen bij de uitvoering van de huursubsidie. In verschillende brieven is de Kamer al op de hoogte gesteld van de ontstane problemen en de gekozen oplossingen. (Zie kamerstukken II, 2001–2002, 28 464, nr. 5, nr. 7, nr. 18, nr. 22, en II, 2002–2003, 28 600, XI, nr. 71).

De problemen bij de uitvoering van de huursubsidie ontstonden grotendeels door een onderschatting van het aantal eerste aanvragen dat bij aanvang van het huursubsidietijdvak binnen is gekomen en, hiermee samenhangend, een groot beroep op de telefonische helpdesk waardoor deze niet of nauwelijks bereikbaar was. De Kamer is uitgebreid geïnformeerd over de oorzaken van de problemen en de maatregelen die zijn genomen op de korte zowel als de langere termijn in de brief «Vertraging uitbetaling huursubsidie» (kamerstuk II, 2002–2003, 28 464, nr. 22.) met als bijlage het onderzoeksrapport van de accountantsdienst.

Eén van de belangrijkste genomen maatregelen betrof het betalen van voorschotten. Hierbij is de keuze gemaakt om iedereen, die een eerste aanvraag had ingediend bij aanvang van het huursubsidietijdvak en waarbij nog geen beschikking kon worden afgegeven, in aanmerking te laten komen voor een voorschot op de huursubsidie. De consequentie hiervan is dat ook een groot aantal huishoudens in eerste instantie wel een voorschot aan huursubsidie heeft ontvangen, terwijl zij daar op basis van aanvullende informatie uiteindelijk geen recht op blijken te hebben. In het hieruit voortvloeiend beslag op de middelen was niet voorzien en pas in 2003 zal de terugvorderingprocedure worden gestart.

In november 2002 zijn, voor de maand december, de laatste voorschotten uitgekeerd en is overgegaan tot reguliere betalingen.

Tenslotte hebben de problemen rondom de huursubsidie er toe geleid dat voor een groot aantal zogenaamde haalplichtzaken pas laat in het jaar een verzoek aan de huurcommissies is gericht. Deze haalplichtzaken konden dan ook niet meer in 2002 worden afgedaan en zijn doorgeschoven naar 2003 (zie hiervoor ook 2.2.1.3).

Betaalbare huurlasten

Het effect van huursubsidie op betaalbaarheid van het huren wordt zichtbaar gemaakt met behulp van een drietal indicatoren: de ninki (netto inkomen na kale-huurlasten index), de netto-huurquote en het aandeel huursubsidieontvangers met een «laag netto inkomen na aftrek van de netto huurlasten».

In tabel 2.1 staat de ontwikkeling van het percentage huishoudens met een laag netto inkomen na aftrek van de netto huurlasten weergegeven. Onder netto huurlasten wordt verstaan de huur minus de huursubsidie. Gemeten wordt dus het aandeel huishoudens waarvan het resterende inkomen na woonlasten geringer is dan dat van een huursubsidieontvanger op bijstandsniveau met een huurprijs gelijk aan de aftoppingsgrens.

De resultaten in tabel 2.1 laten zien, dat voor alle onderscheiden categorieën huishoudens het aandeel huishoudens met een «laag netto inkomen» na aftrek van de netto huurlasten is gedaald.

Tabel 2.1 Percentage huishoudens met een laag netto inkomen na woonlasten

 1999/20002000/20012001/2002
Alleenstaande 65-2,8%2,3%2,2%
Meerpersoons 65-5,7%5,0%4,2%
Alleenstaande 65+7,6%6,3%5,4%
Meerpersoons 65+4,0%4,1%3,6%
Totaal5,2%4,5%3,9%

Uitgaande van een minimum netto inkomen, dat hoort bij de Algemene Bijstandswet en de Algemene Ouderdomswet, kan het aandeel huursubsidieontvangers met een «laag netto inkomen na aftrek van netto huur» alleen worden beïnvloed als het aantal huursubsidieontvangers boven de aftoppingsgrens kan worden beperkt.

De toewijzingsruimte voor gemeenten om huishoudens in woningen boven de aftoppingsgrenzen te huisvesten is gemaximeerd. Per gemeente mag hoogstens 4% van de in een tijdvak gedane huursubsidietoekenningen als gevolg van verhuizing betrekking hebben op een woning met een huur boven de aftoppingsgrens. In het subsidietijdvak 2001/2002 heeft circa 2,5% van de verhuizers een woning betrokken met een huur boven de aftoppingsgrens. Van deze groep behoorde ongeveer de helft tot de huishoudens met een minimum netto inkomen.

De ninki geeft de ontwikkeling aan van jaar op jaar van het netto inkomen na aftrek van de netto huurlasten. De relatie tussen betaalbaarheid van het wonen en de ninki is zeer direct, omdat de ninki aangeeft of het bedrag waarover het huishouden beschikt na verrekening van huur en huursubsidie is toegenomen of afgenomen.

De netto huurquote geeft aan welk deel van het netto inkomen wordt besteed aan de netto huurlasten.

In 2002 werd gestreefd naar een gemiddelde ninki die tenminste gelijk is aan de ninki van het subsidietijdvak 1999–2000. De gemiddelde ninki in 2001/2002 voor alle huishoudens bedraagt 113,6. Dit is een gemiddelde procentuele verbetering van 3,3% ten opzichte van 2000/2001 en 7% ten opzichte van 1999–2000 (Zie tabel 2.2). Dit betekent dat de ontwikkeling van de netto huurlasten ruimte laat voor een nominale netto inkomensverbetering na woonlasten van 3,3%, oftewel het gemiddelde bedrag, waarover een huishouden met huursubsidie beschikt na verrekening van de huur en de huursubsidie, is met 3,3% gestegen.

Tabel 2.2 Ninki voor categorieën huursubsidieontvangers(1997/1998=100)

 1999/20002000/20012001/2002
Alleenstaande 65-105,4109,1112,8
Meerpersoons 65-106,2109,6113,2
Alleenstaande 65+108,4111,6114,7
Meerpersoons 65+107,9111,3114,5
Totaal106,6110,0113,6

Tabel 2.3 Netto huurquote voor verschillende groepen huursubsidieontvangers

 1999/20002000/20012001/2002
Alleenstaande 65-25,9%25,6%25,7%
Meerpersoons 65-18,4%18,2%18,3%
Alleenstaande 65+23,1%22,9%22,9%
Meerpersoons 65+19,3%19,1%18,7%
Totaal21,8%21,6%21,6%

De gemiddelde netto huurquote is niet veranderd ten opzichte van 2000/2001 (Zie tabel 2.3). Voor de geringe toename van de netto huurquote van de huishoudens tot 65 jaar is voor de alleenstaanden de wat hogere gerealiseerde gemiddelde huurstijging de belangrijkste verklaring en voor de meerpersoons-huishoudens ook mede de afschaffing van de koopkrachttoeslag in de huursubsidie. De afschaffing van de koopkrachttoeslag in de huursubsidie is fiscaal gecompenseerd middels verhoging van de heffingskorting.

Afschaffen kindertoeslag

Door uitvoering van de kindertoeslag middels huursubsidie wordt onderscheid gemaakt tussen huishoudens met kinderen die huursubsidie ontvangen en huishoudens met kinderen die geen huursubsidie ontvangen. Dit onderscheid is vervallen door het afschaffen van de kindertoeslag en fiscale compensatie van de koopkrachteffecten door verhoging van de kinderkorting met ingang van huursubsidietijdvak 2002/2003. Tot dan toe werden huursubsidiebijdragen van meerpersoons(ouderen)huishoudens met kinderen tot 18 jaar vermeerderd met een kindertoeslag. Voor huishoudens met 1 of 2 kinderen respectievelijk 3 of meer kinderen tot 18 jaar bedroeg de maandelijkse kindertoeslag f 32,– (€ 14,52) en f 43,– (€ 19,51).

Vangnetregeling

De vangnetregeling is onderdeel van de huursubsidiewet. De regeling voorziet er in huurders die gedurende het subsidiejaar een plotselinge inkomensdaling ondervinden en tijdelijk niet of slechts gedeeltelijk door de reguliere huursubsidie worden gecompenseerd financiële hulp te bieden. Voor de bepaling van de vangnetbijdrage wordt uitgegaan van het actuele inkomen en niet het inkomen van peiljaar (t-1), zoals bij de reguliere huursubsidiebijdrage.

Per 2002/2003 is een nieuwe systematiek doorgevoerd voor de behandeling van een (eerste) aanvraag bij de reguliere huursubsidie. De nieuwe systematiek maakt het mogelijk dat huurders, die op 1 juli vanwege de huishoudsituatie met het daarbij behorend inkomen niet in aanmerking kwamen voor huursubsidie op ieder moment alsnog een aanvraag kunnen indienen met een beoordeling naar de huishoudsituatie op dat moment. Huishoudens die een eerste aanvraag indienen vanwege daling van het inkomen door wijziging van de huishoudsituatie, komen hierdoor in aanmerking voor reguliere huursubsidie waar voorheen zij een beroep deden op de vangnetregeling.

Medeverantwoordelijkheid verhuurders (Prestatienormering)

In 2002 is gebleken dat de landelijke uitgavennorm voor verhuurders voor het subsidiejaar 2000–2001 is overschreden; de 636 verhuurders zijn hiervan in kennis gesteld. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 20 november 2002 bepaald dat de opgelegde sancties bij overschrijding van de uitgavennorm huursubsidie niet voldoen aan de eisen die artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) aan de wetgeving bij dergelijke sancties stelt. Daardoor kunnen de bijdragen aan verhuurders niet worden opgelegd.

Als consequentie van deze uitspraak zullen de bijdragen, die 312 verhuurders voor het subsidiejaar 1998–1999 vanwege overschrijding van de uitgavennorm waren opgelegd, worden terugbetaald. Dit betekent een terug te betalen cq. niet in te vorderen bedrag van ca € 10,2 miljoen. In het subsidiejaar 1999–2000 was de norm niet overschreden en zijn derhalve geen bijdragen opgelegd. De uitgavennorm zal met terugwerkende kracht voor het subsidiejaar 2002–2003 uit de Huursubsidiewet worden geschrapt. Er wordt thans gestudeerd op de consequenties van de uitspraak van de ABRS op de mogelijkheden de financiële beheersbaarheid van de huursubsidie vorm te geven.

Met betrekking tot de verhuisnorm is in het kader van de prestatienormering in 2002 aan 21 gemeenten voor € 1,4 miljoen een bijdrage opgelegd, omdat zij voor het subsidietijdvak 2001/2002 de landelijke norm van 4% in hun gemeente hebben overschreden. Van deze 21 gemeenten hebben er 9 een bezwaarschrift ingediend, waarvan 7 ongegrond zijn verklaard en 2 niet ontvankelijk vanwege te late indiening.

Vereenvoudiging van de regelgeving en de uitvoering

Ten aanzien van het Eos-programma is de volgende voortgang te melden. Per 1 juli 2002 is de derde en laatste fase van het automatisch continueren ingevoerd. Tevens is een nieuwe procedure «eerste aanvraag» ingevoerd, die voorziet in het in principe reageren binnen 4 weken. Hiermee is de procedure van het vervolgaanvraagformulier en het hieraan gekoppelde systeem van matiging en bevoorschotting beëindigd. Het papieren loket (eenvoudig aanvraagformulier) is met de invoering van de nieuwe procedure eerste aanvraag gerealiseerd. De afstemming van de loketapplicatie met de VROM database vereiste mede in verband met privacy-aspecten meer voorbereidingstijd. De invoering van ondersteunende klantcontactpunten heeft hierdoor vertraging opgelopen.

Met de uitrol is nu gestart in december 2002. Gestreefd wordt medio 2003 circa 300 klantcontactpunten in werking te hebben. Hierin is de functionaliteit raadplegen mogelijk. De invoering van een telefonisch loket wordt uitgesteld tot naar verwachting 2004. Eerst moet hiervoor de functionaliteit invoeren (en zo mogelijk muteren) worden ingevoerd. Wat het virtueel loket (internet) betreft wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een raadpleegfunctie per 1 mei 2003.

De invoering van bovengenoemde wijzigingen heeft tot startproblemen geleid. Hoewel het proces automatisch continueren (ca. 800 000 huishoudens) vrij goed is gelopen en de betaling conform de toezeggingen is gedaan, deden zich problemen voor met de afstemming met de huurprolongatie (ingeval de huurders de subsidie op rekening van de verhuurders lieten storten). Verder bleef er een groep van circa 45 000 huishoudens waarvan niet alle gegevens bekend waren over. Deze groep reageerde niet met een wijzigingsformulier maar dit was, omdat VROM (mede door het ontbreken van klantcontactpunten) niet goed bereikbaar is geweest, niet verwijtbaar. Aan deze huishoudens is een voorschot verstrekt. Een ander probleem dat zich heeft voorgedaan is de onverwachte toestroom van eerste aanvragers (140 000) in de zomerperiode. Aangezien de aandacht was gericht op de werkzaamheden samenhangend met het automatisch continueren, is dit te laat opgemerkt. Ook was de behandelcapaciteit te gering voor een dergelijk groot aantal aanvragen. Ter vergelijking: gewoonlijk is er een instroom van circa 200 000 huishoudens per jaar. Uiteindelijk is tot bevoorschotting van deze groep overgegaan. De bevoorschotting is in december gestopt, omdat op dat moment sprake was van een reguliere afhandeling. De problematiek heeft tot extra uitgaven geleid, die binnen de VROM-begroting konden worden opgevangen. Voor een overzicht van de hiermee gemoeide kosten wordt verwezen naar tabel B: «Budgettaire en financiële consequenties en beleidsmatige conclusies m.b.t. DGW-beleidsprioriteiten 2002».

Het wetsvoorstel waarin de procedures (eerste aanvraag, uitbreiding automatisch continueren, inrichten klantcontactpunten, en hiermee verband houdende wijzigingen) per 1 juli 2002 zijn beschreven is inmiddels van de Raad van State terugontvangen en is aan de Tweede Kamer aangeboden.

Tabel 2.4. Maatschappelijke effecten en streefwaarden

Maatschappelijke effectenStreefwaarde effectRealisatie 2002
Huurgeschillen  
Verhogen bekendheid van huurders en verhuurders met uitspraken75% bekend met uitsprakenNiet gerealiseerd
Huurcommissie  
Vergroten percentage verhuurders dat rekening houdt met uitspraken Huurcommissies70% houdt hier rekening meeNiet gerealiseerd
   
Huursubsidie  
Gemiddelde ninki voor vier groepen uit de huursubsidiegelijk of hoger dan in 1999/2000 (zie tabel 2.2)gemiddeld 7% hoger dan in 1999/2000 (zie tabel 2.2
Inflatievolgende huurprijsstijgingcontinuering in 2002 op inflatieniveau van 2,5% (afhankelijk van de inflatie)2.8% (inflatie gemiddeld over de afgelopen 5 jaar 2.7%)
Bekendheid met HS95% of meer in 200196%
Stabiliseren niet-gebruikgelijk of lager dan het percentage in 1998 [TK 1999–2000 25 831 nr. 6]Bekend in 2003 op basis van het woning behoefte onderzoek 2002
Minimaliseren percentage mis- en oneigenlijk gebruikminder dan 5% in 2002Niet meetbaar
Stijging gemiddelde huursubsidiebijdragekleiner dan 2,6% in 20023.5%
Percentage van verhuizers dat een woning wordt toegewezen boven de aftoppingsgrenzengelijk of lager dan 4%2,5%

Tabel 2.5. Prestaties 2002

Huurwetgeving 
Evaluatie huurwetgevingDe evaluatie van de eerste fase van de Integrale herziening huurwetgeving is op 21 oktober 2002 aan de Tweede Kamer verzonden (kamerstuk II, 2002/2003, 28 648, nr. 1)
  
Huurprijsbeleid en huurgeschillen 
Uitbrengen van de huurbrief in oktober 2002Op 27 november 2002 zijn de resultaten van de huurverhogingen per 1 juli 2002 aan de Tweede Kamer verzonden.
Beslechten van 20 000 huurgeschillen23 000
20 000 toetsingen van de huurprijs bij nieuwe huursubsidieaanvragen13 000
Terugbrengen doorlooptijd huurgeschillen: 70% wordt binnen 4 maanden in 2002 afgedaan (95% in 2003)Onbekend, meten van effect geposterioriseerd
Professionalisering voorlichting: 80% van de vragen wordt direct beantwoordMeer dan 80% wordt direct beantwoord
  
Huursubsidie 
Invoering klantcontactpunten: 1 papieren, 1 telefonisch, 1 virtueel en zoveel mogelijk fysieke lokettenNiet gerealiseerd, nieuwe planning loopt tot 2005
Automatisch continueren van alle continuanten (circa 800 000) HS-gebruikersGerealiseerd
Invoeren nieuwe procedure alle eerste aanvragen huursubsidie (circa 200 000)Zie tekst vereenvoudiging procedure en uitvoering (eos)

2.2.2. Betaalbare woonkeuze kopen

Nationale Hypotheek Garantie

In 2002 zijn door het Waarborgfonds Eigen Woningen minder garanties dan het voorafgaande jaar verstrekt (ca 58 000). Het pakket van Voorwaarden en Normen van het Waarborgfonds is per 1 januari 2003 zodanig gewijzigd dat het overzichtelijker is voor financiers en het daarmee eenvoudiger wordt om een aanvraag in te dienen. Tevens is hierin de kostengrens verhoogd van € 200 000,– naar € 225 000,–.

Daarnaast bleek de NHG onvoldoende bekend te zijn bij de consument. Het Waarborgfonds zal in dat kader in 2003 gaan werken aan het bevorderen van een grotere naamsbekendheid bij de consument.

Wet bevordering eigenwoningbezit

Naar aanleiding van o.a. de discussie met de sector over de verkoop onder voorwaarden inzake de korting en winstdeling zijn de mogelijkheden voor niet-BEW aanvragers verruimd (zie MG 2002-06). De gelijkschakeling tussen BEW en niet-BEW aanvragers geeft aanleiding tot aanpassing van het BBSH en het gelijktijdig komen te vervallen van art. 22 BEW. Een wijziging van de BEW hiertoe is naar de Raad van State verzonden.

Tabel 2.6 Maatschappelijke effecten en streefwaarden

Maatschappelijke effectenStreefwaarde effect realisatie 2002
Bekendheid BEW-regeling bij financiers95% in 2002Niet gemeten
Aantal NHG-borgstellingen60 000 in 2002Ca. 58 000
Bekendheid NHG-regeling bij Financiers95% in 2002Niet gemeten

Tabel 2.7. Prestaties 2002

Uitvoering Wet BEWGerealiseerd
Eerste rapportage BEWGerealiseerd
100% BEW-aanvragen binnen twee weken verwerkenGerealiseerd

2.2.3. Versterking van de positie van de burger bij huur en koop

Aanpassing in wet- en regelgeving

Een werkgroep (bestaande uit vertegenwoordigers van de ministeries van Justitie en VROM, van het notariaat, de advocatuur, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Vereniging Eigen Huis) heeft een aantal voorstellen gedaan voor een wijziging van het appartementsrecht. Deze voorstellen hebben in 2002 geresulteerd in het wetsvoorstel «Wijziging van titel 5.9 (Appartementsrechten) van het Burgerlijk Wetboek» (kamerstuk II, 2002–2003, 28 614), dat op 24 september 2002 bij de Tweede Kamer is ingediend. Naar verwachting zal het wetsvoorstel pas in 2003 in zowel de Tweede als de Eerste Kamer worden behandeld, waardoor invoering wellicht per 1 januari 2004 zal worden.

Ondersteunen belangenverenigingen

Om de positie van de burger te versterken heeft VROM een totale bijdrage verstrekt van € 1 444 324,– aan de Vereniging Eigen Huis, de Nederlandse Woonbond en aan het Landelijk Contact Vrouwen Adviescommissies.

Ondersteunen belangenverenigingen

Uitgaven 2002 
Vereniging Eigen Huis€    42 202
Nederlandse Woonbond€ 1 184 126
Vrouwen Adviescommissies€   217 996
Totaal€1 444 324

Experimenten Vouchers Wonen en Wonen en zorg

Het kabinet heeft in mei 2002 aan de kamer laten weten dat woonvouchers niet gezien worden als verbetering van de Huursubsidie (kamerstuk II, 2001–2002, 28 377, nr. 1). Het ontwikkelen van vouchers voor wonen en wonen en zorg is heroverwogen. Echter nader onderzoek wijst uit dat een experiment stuit op belangrijke pragmatische, onderzoeksmethodologische en financiële bezwaren. Om die reden is besloten het experiment niet door te laten gaan. Zie artikel 5.

Mediation Huurcommissies

Begin 2002 is het experiment «Mediation bij de Huurcommissies» van start gegaan. Gedurende de eerste maanden zijn hierbij minder geschillen dan verwacht voor mediation doorverwezen. Als gevolg hiervan is de doorverwijzingprocedure aangepast waarna het aantal mediationzaken alsnog op ongeveer 30 van de geplande 50 zaken is gekomen. Een aantal hiervan is eind 2002 nog niet geheel afgehandeld.

Het project is gestart volgens de vooraf afgesproken procedures. Tijdens de uitvoering is de voortgang voortdurend bewaakt en is waar nodig bijgestuurd. De kosten zijn vrijwel gelijk aan het begrote bedrag.

De resultaten van dit experiment worden meegenomen in de beleidsrapportage van het Ministerie van Justitie. De rapportage kan naar verwachting in de tweede helft van 2003 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Overige onderwerpenWetsvoorstel koop van onroerende zaken en aanneming van werk (kamerstukken II, 23 095)

Om de positie van de burger te versterken is er het wetsvoorstel «Aanvulling van titel 7.1 (Koop en ruil) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek met bepalingen inzake de koop van onroerende zaken alsmede vaststelling en invoering van titel 7.12 (Aanneming van werk)».

De voornaamste elementen van dit wetsvoorstel zijn: 3 dagen bedenktijd voor de particuliere koper van een woning; storting in depot bij een notaris van maximaal de laatste 5% van de koop-/aanneemsom, tot het moment waarop de nieuwbouwwoning zonder gebreken is opgeleverd, dan wel de eventuele opleveringsgebreken volledig zijn verholpen.

Het wetsvoorstel is op 19 december 2001 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. Op 29 oktober 2002 heeft de Eerste-Kamercommissie voor de Herziening van het Burgerlijk Wetboek het nader voorlopig verslag uitgebracht en wacht op de nadere memorie van antwoord.

Het voorstel zal later gezamenlijk plenair behandeld worden met het wetsvoorstel Huurkoop onroerende zaken (kamerstukken II, 24 212). Naar verwachting zal de invoering per 1 januari 2004 plaatsvinden.

MDW project Positie van de koper op de Nieuwbouwmarkt

Het kabinet constateert in de nota Mensen, Wensen, Wonen1 dat de keuzevrijheid op de woningmarkt te wensen overlaat. Deze problematiek heeft het kabinet ertoe gebracht in het kader van de operatie Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (MDW) een onderzoek te starten naar de knelpunten voor de consument bij de koop van een nieuwbouwwoning. De werkgroep heeft het rapport in mei 2002 afgerond en aangeboden aan de ministerraad. Het kabinet heeft sindsdien, mede door de kabinetswisseling, nog geen standpunt ingenomen.

Tabel 2.8 Maatschappelijke effecten en streefwaarden

Maatschappelijke effectenStreefwaardenRealisatie
Toename eigen woningbezit (voor zover burgers dat wensen)65% in 201053% in 2002

Tabel 2.9 Prestaties 2002

 Realisatie in 2002
Start experiment Vouchers Wonen 1 juli 2002Heroverwogen
Afhandelen 50 geschillen met behulp van mediation30 gerealiseerd

2.3 Wat hebben we gedaan wat niet was aangekondigd in de begroting 2002

Verkoop huurwoningen (betaalbare woonkeuze kopen)

In 2002 is het aantal verkochte huurwoningen met 7% gestegen ten opzichte van 2001. Volgens Kadastergegevens zijn in 2002 11 605 huurwoningen verkocht. Tabel 2.10 laat zien in welke verhouding dit is gebeurd:

Tabel 2.10: Aantal transactie onroerend goed door Toegelaten instellingen, verkopen aan particulieren in 2002

 Aantal%
Eengezinswoningen  
Aan zittende huurder4 00734,5%
Aan niet-zittende huurder4 59439,6%
Meergezinswoningen  
Aan zittende huurder6505,6%
Aan niet-zittende huurder2 35420,3%
Totaal11 605100,0%

In 2002 is ook het onderzoek naar de verkoop van huurwoningen afgerond. Met dit onderzoek zijn knelpunten aan zowel vraag- als aanbodzijde van de verkoop van huurwoningen geïnventariseerd.

De koopwens van huurders wordt ook in dit onderzoek bevestigd. Ongeveer 38% van de huurders wil een woning kopen. Circa tweederde van deze groep wil de eigen woning kopen. Corporaties bieden echter nog niet voldoende huurwoningen te koop aan. De huizenprijzen zijn de afgelopen jaren dusdanig gestegen dat de stap van huren naar kopen voor veel van deze huurders te groot is geworden.

Onderzoek VvE's (versterking positie burger)

In 2002 is door middel van onderzoek, in de vorm van enquêtes, interviews en KWR- en WBO-analyses, de stand van zaken op de koopappartementenmarkt in kaart gebracht. Hierdoor is basisinformatie verzameld waaraan de komende jaren de ontwikkelingen in dit marktsegment afgelezen kunnen worden. Enkele resultaten van dit onderzoek zijn:

Er zijn ca 374 500 koopappartementen (woningen) in Nederland, 74% ligt in de Randstad;

Er zijn ca 58 300 VvE's (bij deze woningen), waarvan 51% met 1 tot 4 woningen;

Een behoorlijk aantal eigenaren is niet op de hoogte van (hun lidmaatschap van) een VvE bij (koop van) hun appartement;

Bij slechts 4,9% van de VvE's wordt negatief geoordeeld over de onderhoudstoestand van de woning/het gebouw;

De ondersteuning van VvE's door administratie- en beheerkantoren laat te wensen over;

De eindrapporten zijn op www.vrom.nl opgenomen. Mede naar aanleiding van het onderzoek is in december 2002 een informatiefolder voor potentiële kopers van een appartement uitgebracht.

Pilot Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVN)

Het is voor VvE's slecht mogelijk om leningen af te sluiten voor het onderhoud aan de gezamenlijke bouwdelen. Hierdoor wordt het uitvoeren van dit onderhoud onnodig bemoeilijkt. In samenwerking met de stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten is in 2002 in een drietal gemeenten uitvoering gegeven aan een pilot met laagrentende leningen aan VVE's. De uitkomsten van deze pilot en de evaluatie die de SEV zal opstellen kunnen mogelijk in 2003 tot nieuw beleid leiden.

Onderzoek studentenhuisvesting (betaalbare woonkeuze huren)

Naar aanleiding van een Algemeen overleg met de Tweede Kamer in 2001 over studentenhuisvesting is onderzoek verricht naar de actuele huisvestingssituatie en is een pilot naar mogelijke oplossingen gestart in de gemeente Utrecht. Beide rapporten zijn aan de Kamer aangeboden. Inzet van het Rijk is onder meer gericht op stimulering collegiale financiering, verruiming van de termijn in de Leegstandswet van 3 naar 5 jaar voor bewoning van slooppanden en de ontwikkeling van campushuurcontracten waarbij de woonduur gekoppeld wordt aan de duur van de studie.

Illegale bewoning (betaalbare woonkeuze huren)

In 2002 is ook een aanzet gegeven voor een intensivering van de aanpak tegen onrechtmatige doorverhuur van (sociale) huurwoningen, tegen bewoning door illegaal in Nederland verblijvende personen en de praktijken van huisjesmelkers. Inzet is dat gemeenten en woningcorporaties de bestaande mogelijkheden optimaal moeten benutten. Daarnaast is geïnventariseerd op welke punten het instrumentarium kan worden uitgebreid.

In 2003 zal de Tweede Kamer daarover geïnformeerd worden.

Wetsvoorstel één ZBO huurcommissie (betaalbare woonkeuze huren)

De problemen van de reorganisatie van het secretariaat huurcommissies benadrukten de noodzaak om te komen tot één ZBO huurcommissie. Het voornemen daartoe was reeds aangekondigd in de Nota Mensen, Wensen, Wonen, (kamerstuk II, 2000–2001, 27 559, nr. 2). In 2002 is een eerste voorstel totstandgekomen voor de onderbrenging van de thans 59 verschillende huurcommissies in één ZBO. De verschillende landelijke organisaties van huurders en verhuurders hebben aangegeven het in hoofdlijnen eens te zijn met dit eerste voorstel.

De bespreking in de Tweede Kamer heeft voorts geleid tot de toezegging om te komen met een notitie waarin wordt ingegaan op de verschillende opties die denkbaar zijn voor de onderbrenging van de huurgeschillenbeslechting die thans is ondergebracht bij de huurcommissies. Deze notitie zal in 2003 worden toegezonden aan de Tweede Kamer. Een afschrift van deze notitie zal worden toegezonden aan de Eerste Kamer.

NWI-project: Afkopen jaarlijkse bijdragen

Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw wordt er een beleid gevoerd dat leidt tot een verzelfstandiging van de volkshuissector en tot deregulering. In dat kader is de afkoop van subsidieverplichtingen op grond van dynamische kostprijsregelingen (dkp-regelingen) bij en sanering van niet-winstbeogende instellingen vastgelegd in de Regeling eenmalige subsidies niet-winstbeogende instellingen. Het beleid is er op gericht om binnen een tijdsbestek van 4 jaar de financiële verbintenissen van het Rijk met de niet-winstbeogende instellingen te verbreken. Voor de uitvoering van de regeling is een projectbureau in het leven geroepen, waarvan destijds is gesteld dat die in ieder geval tot uiterlijk 1 januari 2003 blijft bestaan.

Geconstateerd kan worden dat er sprake is van een succes. De financiële banden van alle NWI's worden op basis van de vrijwillige regeling verbroken. Slechts met twee instellingen kon niet voor 31-12-2002 tot een administratieve afwikkeling worden gekomen. Dit zal naar verwachting in de eerste maanden van 2003 plaatsvinden. Het projectbureau is eind 2002 opgeheven.

In relatie tot de afkoop van de dkp-regelingen is begin 2002 ook besloten om in afwijking van de regelgeving ook de jaarlijkse bijdragen op grond van de Regeling particuliere huurwoningen 1968 af te kopen. Alle 27 subsidiegerechtigden zijn in 2002 afgekocht.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR 1000

Artikel 2 Betaalbaarheid van het wonenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil
Verplichtingen2 467 3841 809 831657 553
    
Uitgaven1 935 5871 884 19851 389
Programma-uitgaven1 876 9171 833 73843 179
Betaalbare woonkeuze huren1 821 8401 728 92992 911
Huursubsidie1 708 3421 450 379257 963
Bijdrage huurlasten39 37244 017– 4 645
Kostenvergoeding verhuurders5 54805 548
Bijdragen nieuwbouw huurwoningen7 8297 939– 110
Afkoop subsidies NWI's60 295226 140– 165 845
Compensatie huurders Enschede4544540
    
Betaalbare woonkeuze kopen51 948100 827– 48 879
Bevordering eigen woningbezit47156 060– 55 589
Bijdragen woningen marktsector en premiekoop51 24744 2447 003
Gewenningssubsidieregeling eigen woningbezit230523– 293
    
Versterking positie burger bij huur en koop1 4441 480– 36
Subsidie woonconsumenten-organisaties1 4441 480– 36
    
Onverdeeld programma1 6852 502– 817
Woonwagens316375– 59
Kennisoverdracht, experimenten e.a.754530
Onderzoek459737– 278
Communicatie-instrumenten83581718
Nader aan te wijzen0528– 528
    
Apparaatsuitgaven58 67050 4608 210
Ontvangsten42 34274 395– 32 053

Toelichting

Operationeel doel «betaalbare woonkeuze huren»:

De overschrijding van de uitgavenbudgetten met ruim € 90 mln. is met name de resultante van een forse overschrijding bij huursubsidie alsmede een onderuitputting bij de afkoop NWI's (Niet winst beogende instellingen).

Bij de huursubsidiebudgetten is sprake van een hoger aantal (eerste) aanvragen, een hogere gemiddelde bijdrage en nabetalingen over eerdere subsidietijdvakken. Daarnaast leidt het gewijzigde betalingsritme, dat voortvloeit uit de nieuwe uitvoeringssystematiek per 1 juli jl., tot een eenmalige overschrijding, doordat de uit te keren subsidie voor januari 2003 reeds in december 2002 wordt uitgekeerd. In verband met de problemen bij de gewijzigde uitvoering van de huursubsidie (EOS-project) zijn in het najaar van 2002 voorschotten verstrekt bij met name eerste aanvragen. Indien blijkt dat na behandeling van de aanvragen de voorschotverstrekking onterecht is gebeurd, zullen de voorschotten worden teruggevorderd.

In 2002 worden minder afkoopsubsidies betaald aan Niet-Winstbeogende Instellingen, die gesubsidieerde huisvesting voor onder andere ouderen en studenten verzorgen, dan was geraamd. Er resteren ultimo 2002 nog 2 instellingen die afgekocht dienen te worden. Het destijds geraamde bedrag is opgebouwd uit een afkoopdeel (technisch van aard) en een deel voor overname en saneringsbijdragen (hoogte afhankelijk van onderhandeling). Ook deze bijdragen vallen lager uit dan geraamd. In 2003 worden de twee resterende instellingen afgekocht.

Operationeel doel «betaalbare woonkeuze kopen»:

De afwijking ten opzichte van de begroting betreft de resultante van met name de instrumenten BEW (Bevordering Eigen Woningbezit) en Bijdragen woningen marktsector en premiekoop. Het beroep op de BEW-regeling valt aanzienlijk lager uit, nl. 202 beschikkingen, dan de oorspronkelijk bij de ontwerp-begroting 2002 geraamde 20 000 toekenningen.

Bij de dekking van de BEW-regeling is ervan uit gegaan dat met name huursubsidiegebruikers zouden instromen naar de BEW. Nu dit in mindere mate het geval blijkt te zijn is het vrijvallende budget voor de BEW-regeling teruggeboekt naar het huursubsidiebudget.

De overschrijding bij het instrument «Bijdragen woningen marktsector en premiekoop was bij 1e suppletore wet 2002 al vermeld. Reden was dat een verlaging van de raming van toekomstige intrekkingen tot meerjarige hogere uitgaven leidt bij de niet meer vigerende eigen woning regelingen.

Ontvangsten:

De onderuitputting ten opzichte van de begroting betreft ondermeer de niet-inbare middelen prestatienormering (uitgavennorm) als gevolg van de uitspraak van de Raad van State. Tevens is sprake van een onderschrijding van ruim € 23 mln. bij de restituties afkoop NWI's, als gevolg van het niet in 2002 kunnen afwikkelen van de afkoop van twee instellingen.

Apparaatsuitgaven:

Tabel 2.11 Aantallen en kosten beschikte aanvragen

 Realisatie   BegrotingVerschil
 199920002001200220022002
Kosten (in EUR1mln)      
       
Apparaatskosten VROM:30,937,641,039,635,24,4
Kostenvergoeding verhuurders22,117,215,25,50,05,5
Declaratiekosten Gemeenten Vangnetregeling16,817,316,46,18,6– 2,5
Totaal kosten69,872,172,651,243,87,4
       
Aantal beschikte aanvragen      
Aantal beschikkingen huursubsidie1 097 0001 054 5771 263 7971 331 4281 008 000323 428
aantal beschikkingen vangnetn.v.t.42 83440 55034 35647 500– 13 144
aantal beschikkingen GEWn.v.t.472114n.v.t.n.v.t.n.v.t.
aantal beschikkingen BEWn.v.t.n.v.t.366202n.v.t.n.v.t.
       
Totaal aantal aanvragen1 097 0001 097 8831 304 8271 365 9861 055 500310 486
Kosten per aanvraag (in EUR1)6466563842– 4

De aantallen bij huursubsidie en vangnet zijn op basis van het subsidietijdvak 2001–2002. Bij de BEW is de basis het dienstjaar 2002. In de aantallen (realisatie 2002) zitten ook «nihiltoekenningen», te weten 108 011 bij huursubsidie, 7 888 bij vangnet en 47 BEW begrepen.

Toelichting

De overschrijding van het budget bij de apparaatskosten VROM is het gevolg van de situatie bij de Huursubsidie in de zomer van 2002. Er zijn een groot aantal maatregelen genomen gericht op het oplossen van de acute problemen en op het inrichten van de organisatie op een dusdanige wijze dat de problemen in de toekomst voorkomen kunnen worden. Belangrijke structurele maatregelen zijn met name de uitbreiding van de capaciteit voor de beantwoording van telefonische vragen en het inrichten van de piekwerkzaamheden in de aanvraagbehandeling met externe capaciteit. De kosten hiervan zijn gedeeltelijk gedekt door het posterioriseren van andere werkzaamheden.

Ten aanzien van de kostenvergoeding verhuurders was ten tijde van het opstellen van de begroting 2002 de verwachting dat geen budget meer benodigd was in 2002. Met 1e suppletore begroting 2002 is alsnog budget voor dit instrument opgevoerd.

De realisatie van de uitvoeringskosten van de gemeenten voor de Vangnetregeling zijn lager dan geraamd o.a. als gevolg van de wijziging van de peildatum huishoudensamenstelling in de huursubsidiewet waardoor het beroep op de vangnet regeling afneemt.

Artikel 3 Duurzame woningen en gebouwen

3.1. Algemene beleidsdoelstelling

Bij de totstandkoming en verbetering van woningen en gebouwen wordt gestreefd naar duurzame kwaliteit. Hierbij ligt de nadruk op de afstemming van de veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiebesparing en milieubelasting van de woning of het gebouw op de maatschappelijke behoefte. Binnen deze hoofddoelstelling is, op globaal niveau, invulling gegeven aan de volgende operationele doelstellingen:

• garanderen van de minimale kwaliteit van woningen en gebouwen: Naast aanscherping van enige minimale kwaliteitseisen is er echter vooral gewerkt aan het instrumentarium op het gebied van deregulering, vereenvoudiging, en toepasbaarheid;

• verbeteren van de kwaliteit van woningen en gebouwen en het stimuleren van innovatie: Activiteiten zijn vooral gericht geweest op beleidsvoorbereiding. Vooral op het gebied van energiebesparing wordt effect gesorteerd;

• bevorderen van de invloed van de burger op de kwaliteit bij totstandkoming van woningen en gebouwen: Door vermindering van de bouwvergunningplicht is de regeldruk voor de burger daadwerkelijk beperkt. Eén loket voor geschillenbeslechting moet direct bijdragen aan vermindering van opleveringsgebreken en versterkt daarmee de positie van de burger. Op het gebied van particulier opdrachtgeverschap lag de nadruk op beleidsvoorbereiding;

• coördinatie bouwbeleid: Coördinatie bouwbeleid heeft vooral in het teken gestaan van de enquête bouwfraude. Voor wat betreft het aantal leerlingbouwplaatsen is de doelstelling niet gehaald.

3.2. Operationele doelstellingen

3.2.1. Garanderen van een minimale kwaliteit van woningen en gebouwen

Conversie en aanpassing van eisen in het Bouwbesluit

Per 1 januari 2003 is het nieuwe, «geconverteerde» of ook wel vereenvoudigde Bouwbesluit in werking getreden. Hiermee is de bouwregelgeving toegankelijker gemaakt en zijn de functionele eisen die golden bij niet-woningen, vervangen door prestatie-eisen (zoals bij woningen al het geval is). Ook zijn enkele (minimum)kwaliteitseisen tegelijkertijd verhoogd. Het geconverteerde Bouwbesluit was al in 2001 gepubliceerd in het Staatsblad nr. 410. Invoering per 1 juli 2002 bleek niet mogelijk. In 2002 is namelijk nog een aantal inhoudelijke verbeteringen doorgevoerd (gepubliceerd in Staatsblad nr. 203 en 516). Ook is de EPC-eis voor utiliteitsgebouwen aangescherpt (Staatsblad nr. 518). De introductie van het nieuwe Bouwbesluit is gepaard gegaan met de nodige voorlichtingsmiddelen, alsmede het vervaardigen van een ICT (internet)-versie van het Bouwbesluit, voorzien van een gebruiksvriendelijke zoekmachine. De ICT-versie is benaderbaar via de VROM-website, onder: www.vrom.nl/bouwregelgeving.

Voor nieuwe woningen zijn kwaliteitseisen aangescherpt : de eisen voor contactgeluid (verhoging met 5dB); de verhoging van de minimum-eis voor de hoogte van plafonds in woningen (van 2,40 naar 2,60 m); een verbetering van de beloopbaarheid van trappen en de introductie van de verplichting tot het hebben van een op het elektriciteitsnet aangesloten rookmelder (in plaats van de verplichting tot het hebben van brandwerende deuren). In het kader van deregulering zijn onder andere de eisen voor verplichte CAI-aansluiting en buitenberging of buitenruimte vervallen. Daarnaast zijn vijf bestaande ministeriële regelingen samengevoegd tot één regeling.

Naast de intensivering van het tweedelijns toezicht op de handhaving van de bouwregelgeving, is in 2002 ook gewerkt aan de implementatie van het, gezamenlijk met de VNG, opgestelde Actieprogramma handhaving bouwregelgeving. Dit draagt direct bij aan toepassing en naleving van vigerende regelgeving. Per 1 maart 2002 is de Helpdesk Bouwregelgeving actief waar per mail vragen over de bouwregelgeving gesteld kunnen worden. Geconstateerd kan worden dat dit duidelijk voorziet in een behoefte van gemeenten en bouwpartijen.

De toekomst van de bouwregelgeving.

In de brief «Agenda bouwregelgeving 2002–2006» (kamerstuk II 2001–2002, 28 325 nr. 1) is het toekomstperspectief van de bouwregelgeving uiteengezet. Een drietal wijzigingspakketten is hierin voorzien:

• De wijziging van de Woningwet en het Bouwbesluit per 1 januari 2003 (zie ook hiervoor).

• Een wijzigingspakket 2004 met betrekking tot verbetering van de handhaafbaarheid. Daarbij zal onder meer de verplichting richting gemeenten worden geïntroduceerd tot het opstellen van een handhavingnota (conform aanbeveling van de commissie Alders) en zal sprake zijn van een aanzienlijke vereenvoudiging van het aanschrijfinstrumentarium. Naar verwachting zal het betreffende voorstel tot wijziging van de Woningwet in de tweede helft van 2003 bij de Tweede Kamer kunnen worden ingediend.

• Het derde wijzigingspakket bevat een omvorming van de Woningwet (voor de onderdelen die betrekking hebben op het bouwen) tot een Bouwwet in 2006. Daarbij worden tevens de aanbevelingen van de MDW-werkgroep Servicegerichte overheid (stroomlijning procedures, door uit te gaan van een indeling van de wetgeving naar: locatie, bouw en gebruik) worden geïmplementeerd.

De Agenda bouwregelgeving 2002–2006 is besproken in het Algemeen Overleg van 27 juni 2002. In het kader van de aanpak herijking regelgeving VROM is verdere uitwerking en implementatie van de beleidsvoornemens aangemerkt als één van de belangrijke voort te zetten wetgevingstrajecten, omdat ze bijdragen aan vermindering van de regelgeving en versterking van de positie van de burger (kamerstuk II 2001–2002, 28 325 nr. 1).

Certificering

Certificering kan een rol spelen bij de handhaving van de regelgeving. In opdracht van VROM is daarom in 2002 een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van het instrument certificering in het bouwproces. Verder is vervolgonderzoek opgestart in het kader van het landelijk uniformeren van de gebruiksvoorschriften en de rol van certificatie daarbij. Dit conform de toezegging aan de Kamer, bij de kabinetsreactie op het MDW-rapport Openbare inrichtingen.

Ook is een Beoordelingsrichtlijn (BRL) ontwikkeld voor het certificeren van het proces van het verlenen van bouwvergunningen. Deze concept-BRL is door betrokkenen becommentarieerd. Verwachting is dat in 2003 praktijkproeven kunnen starten.

Europa

Binnen de Europese Unie geldt de richtlijn Bouwproducten. Voortvloeiend uit deze richtlijn hebben activiteiten plaatsgevonden ten behoeve van de implementatie van CE-markering en van de EU-brandnormen in regelgeving. Tevens zijn bijdragen geleverd voor het opstellen van de Europese richtlijn energieprestaties gebouwen.

Tabel 3.1. Uitgevoerde prestaties 2002

Operationeel doel: Garanderen van de minimale kwaliteit van woningen en gebouwen.
Wijziging Woningwet per 1-1-2003 incl. bijbehorende AMVB's
Meer toegankelijke structuur van het Bouwbesluit per 1-1-2003 (door middel van conversie) en toevoegen van prestatie-eisen voor de utiliteitsbouw
Aanscherping kwaliteitseisen gerealiseerd in het nieuwe Bouwbesluit
Realisatie voorlichtingsmiddelen omtrent nieuwe Bouwbesluit
Introductie Helpdesk Bouwregelgeving per 1 maart 2002 en beantwoording ca. 3000 vragen.
Opstellen Agenda bouwregelgeving 2002–2006
AO bouwregelgeving dd. 27 juni 2002
Vier maal overleg met belangenpartijen (OPB/JTC)

3.2.2. Verbeteren van de kwaliteit woningen en gebouwen en stimuleren van innovatie

3.2.2.1 Duurzaam bouwen

Op basis van een tussentijdse evaluatie van het Beleidsprogramma duurzaam bouwen 2000–2004, is op 16 april 2002 een brief over duurzaam bouwen naar de Tweede Kamer gestuurd (kamerstuk II, 2001–2002 24 280/26 603, nr. 22). In deze brief is aangegeven onder welke condities de verankering van duurzaam bouwen in beleid en praktijk verder zal worden vormgegeven. Belangrijk hierbij is dat meetbare en afrekenbare doelstellingen worden geformuleerd. De prioriteiten waar het duurzaam bouwen beleid op zal inzetten zijn CO2-reductie in de gebouwde omgeving, milieueffecten van materialen en gezondheid in gebouwen. Aandachtspunten daarbij zijn duurzaam bouwen en de consument en duurzaamheid op locatieniveau. De brief is op 27 juni 2002 in een Algemeen Overleg door de Tweede Kamer besproken en aanvaard.

Actieprogramma Bewoners en Duurzaam Bouwen

Het in 2002 tot stand gekomen Actieprogramma Bewoners en Duurzaam Bouwen, waarmee invulling wordt gegeven aan het aandachtspunt consument uit de hiervoor genoemde beleidsbrief, heeft het oogmerk de bewoner te informeren en te begeleiden bij duurzaam bouwen én wonen. Het actieprogramma is een aanvulling op bestaande initiatieven rond duurzaam bouwen, die vooral gericht zijn op de professionele markt.

Een van de activiteiten van het uitvoeringsprogramma is het faciliteren van het Platform Bewoners en Duurzaam Bouwen. Het platform heeft in 2001 een drietal onderzoeken laten uitvoeren, en op basis daarvan advies aan de Duboraad uitgebracht. Het advies is nadien verwerkt in de beleidsbrief over duurzaam bouwen aan de Tweede Kamer. Thans bereidt het platform een vervolgadvies voor over hoe de consument moet worden benaderd om duurzaam bouwen en wonen succesvol te stimuleren. Hiertoe zijn verschillende deelonderzoeken opgestart. Het platform zal eind 2003 advies hierover aan de Minister van VROM uitbrengen.

Het benutten van de kracht van de bewoner, de professionele markt en de overheid is een belangrijke factor voor het beleid inzake duurzaam bouwen en wonen. Daarbij dient de bewoner niet geïsoleerd te worden benaderd. Het platform stelt zich nadrukkelijk ten doel een schakelfunctie te vervullen tussen de bewoner (middels consumentenorganisaties en belangengroepen), de professionele bouw en de overheid. Het beoogde effect is dat de markt – bestaande uit detailhandel, projectontwikkelaars, makelaars, corporaties en andere aanbieders – min of meer «automatisch» bij de levering of verbouwing van een woning, het plegen van onderhoud e.d., rekening houdt met de milieuaspecten van de te leveren producten en diensten, een en ander in nauwe samenhang met de consumentenwensen en diens gedrag.

Inmiddels zijn verschillende deelonderzoeken opgestart. Een voorbeeld hiervan betreft het onderzoek naar hoe bewoners het dagelijks gebruik van Dubo-maatregelen in de woning en de woonomgeving ervaren. Bij het signaleren van knelpunten in de gebruikskwaliteit van bepaalde toegepaste Dubo-maatregelen, zullen de resultaten naar de producenten van de desbetreffende voorziening worden teruggekoppeld, die deze vervolgens kunnen meenemen ter verbetering van het product of de dienst.

Duurzaam bouwen in de utiliteitssector

Na een onderzoek onder (potentiële) deelnemers van het Duurzaam Bouwen Register werd begin 2002 vastgesteld dat de aantrekkelijkheid van het Register en in de toegankelijkheid van de informatie nog een grote verbeterslag kunnen maken. Samen met marktpartijen is onder leiding van het Nationaal DuboCentrum hiertoe een plan van aanpak (inclusief marketingplan) opgesteld dat nagenoeg is afgerond. Als gevolg van deze activiteiten heeft het accent bij het Register dit jaar niet gelegen op de werving van deelnemers waardoor de beoogde verdubbeling van het aantal inschrijvers (naar 240) in het Register nog niet heeft plaatsgevonden. Momenteel zijn er 130 inschrijvingen.

In 2002 zijn drie demonstratieprojecten duurzaam beslissen in de utiliteitsbouwsector met succes afgerond. De projecten hebben naast sectorspecifieke informatie knel- maar ook veel leerpunten opgeleverd. Gebleken is dat veel behoefte bestaat aan ontwikkeling van instrumenten die duurzaam beslissen ondersteunen. Dit heeft daarom prioriteit gekregen boven het entameren van nieuwe demonstratieprojecten. Voor de methode die o.a. de Rijksgebouwendienst gebruikt om de milieuprestatie in één getal uit te drukken zijn protocollen geschreven en zijn noodzakelijke methodische up-dates doorgevoerd. Tevens is samen met de markt gestart met de ontwikkeling van een verkorte methode voor de bepaling van de milieuprestatie. Een oriënterende studie naar mogelijkheid om een instrument te ontwikkelen dat bouwkosten koppelt aan milieukosten heeft aangetoond dat dit technisch haalbaar is. Operationalisering is afhankelijk van de hanteerbaarheid van de hiervoor benodigde databases.

Programma Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen

Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen (IFD) wordt gestimuleerd vanuit verschillende motieven. Naast milieu- en economische motieven, spelen huisvestingsmotieven een belangrijke rol. Hiermee kan worden ingespeeld op aanpasbaarheid van de woning naar de eigen wensen of behoeften van de (toekomstige) bewoner. Het IFD-programma loopt van 1999 tot en met 2004. In die periode zijn er vier tranches waarvoor opdrachtgevers individueel of in samenwerking met andere bouwpartners hun projecten kunnen aanmelden. Het programma is een samenwerkingsinitiatief van de ministeries EZ en VROM. De SEV voert het voorbeeld- en kennisoverdrachtprogramma uit in opdracht van VROM.

Op basis van in 2001 gehouden tussenevaluatie waaruit bleek dat het programma goed aanslaat bij opdrachtgevers in de bouw, is er in de derde tranche voor gekozen projecten specifiek te werven op de thema-accenten zeggenschap voor de consument en particulier opdrachtgeverschap, renovatie en verbetering, procesinnovatie en nieuwe producten en bouwsystemen. In januari 2002 is de werving gestart. In juli waren 108 projecten ingediend. De projecten zijn door een deskundige jury beoordeeld. Op 12 december 2002 zijn de genomineerde projecten bekendgemaakt. De SEV volgt de uitvoering van de voorbeeldprojecten; van de lopende projecten uit de eerste en tweede tranche is nu ongeveer de helft afgerond of staat op punt van oplevering.

Dubo-prioriteit 1: CO2-reductie gebouwde omgeving

Energiebesparingsmaatregelen in de gebouwde omgeving moeten in 2010 leiden tot een CO2-reductie van 3Mton. In 2002 is met inzet van een aantal instrumenten gewerkt aan de verwezenlijking van deze doelstelling:

Energieprestatieadvies (EPA)

Per 1 juli 2002 is de kwaliteitsborging EPA geïmplementeerd. Vanaf deze datum kan alleen nog subsidie (Energiepremieregeling) worden verkregen indien het EPA advies is uitgebracht door een EPA-gecertificeerd adviseur. In combinatie met een massamediale campagne in het najaar en het gericht stimuleren van lokale EPA-projecten is gewerkt aan het vergroten van het effect van EPA. Verder is door Novem het «Koepelprogramma CO2-reductie in de gebouwde omgeving» uitgevoerd. Via dit doelgroepgerichte programma is een groot aantal kennisoverdrachts- en procesbegeleidingsactivtiteiten uitgevoerd. Monitorgegevens laten een stijgende lijn zien in het aantal uitgevoerde EPA's en uitvoering energiebesparende maatregelen. Juni 2003 wordt de monitorrapportage 2002 verwacht.

Tender Energiebesparing bij Lagere Inkomensgroepen (TELI)

In de periode januari tot en met maart is de Tender Energiebesparing voor huishoudens met Lagere Inkomens (TELI) opengesteld. Er zijn 27 projecten ingediend die zijn beoordeeld door een onafhankelijke begeleidingscommissie. Binnen het gegeven budget van € 2,3mln. konden uiteindelijk 10 projecten worden gehonoreerd. Deze projecten zijn eind 2002 in uitvoering gegaan. Er zijn voorbereidingen getroffen voor een nieuwe tender in 2003.

Energieprestatieadvies utiliteitsbouw (EPA-U)

Naast het blijven faciliteren en stimuleren van marktpartijen (bank- en verzekeringswezen, sport en horeca) om EPA-U te ontwikkelen (uitloop activiteiten 2001) is medio 2002 besloten tot en gestart met de ontwikkeling en marketing van één breed inzetbare EPA-U rekenmethodiek. De methodiek moet medio 2003 beschikbaar zijn. De EPA-U loopt vooruit op de Europese Richtlijn «Energieprestaties gebouwen», die begin 2003 officieel van kracht wordt en daarna in de nationale regelgeving zal moeten worden geïmplementeerd. Een onderdeel van deze Richtlijn betreft een verplicht energieprestatiecertificaat (betreft een soort EPA), te overleggen bij nieuwbouw, ingrijpende verbouw/renovatie voor grotere gebouwen en verkoop of verhuur.

Programma Innovatieve Technieken Rijkshuisvesting (PIT)

In de Uitvoeringsnota klimaatbeleid is het PIT opgenomen. Geëxperimenteerd wordt met nieuwe technieken die naar verwachting binnen circa 5 jaar rendabel zullen worden. Oorspronkelijk was dit programma gepland tot en met 2004. Thans is duidelijk dat, gelet op de lange doorlooptijd van de beoogde projecten, het programma in ieder geval tot en met 2007 zal doorlopen.

Het PIT programma is in 2002 van start gegaan. Tot op heden zijn vijf haalbaarheidsstudies goedgekeurd. Voorbeelden van studies zijn de toepasbaarheid van vacuüm beglazing voor monumenten en een combinatie van duurzame energietechnieken bij het Ministerie van OCW in Zoetermeer. Er is één reeds goedgekeurd project betreffende zonne-energie bij het Ministerie van VROM.

Energie Efficiency Rijkshuisvesting (EER)

Het Energie efficiencyprogramma Rijkshuisvesting (EER) is in een bijeenkomst met alle deelnemende rijksdiensten door de Staatssecretaris van VROM afgesloten. Voor een beperkt aantal gebouwen zijn maatregelen echter nog in uitvoering. Over de resultaten van het EER zal het Parlement begin 2003 worden geïnformeerd.

Energiepremieregeling (EPR)

De EPR kende in 2002 een tweetal nieuwe type maatregelen, namelijk duurzame energie maatregelen voor nieuwbouwwoningen en er kon premie worden verkregen voor nieuwbouwwoningen met een EPC beter dan het wettelijk minimum. In 2002 is door het nieuwe kabinet besloten om de EPR te defiscaliseren per 1 januari 2003. In de tweede helft van het jaar zijn hiertoe de voorbereidingen getroffen. Per 1 januari 2003 zal de EPR in afgeslankte vorm als subsidieregeling op de VROM begroting staan.

Primair doel is geweest het opzetten van een nieuwe subsidieregeling om de energiebesparing bij huishoudens te stimuleren. Om per 1 januari 2003 een nieuwe regeling en een werkende uitvoeringsorganisatie te hebben is ervoor gekozen om gezien de korte voorbereidingstijd zo dicht mogelijk bij de huidige situatie te blijven. Deze regeling heeft in principe alleen betrekking op subsidiejaar 2003.

Uitgangspunten voor de nieuwe subsidieregeling zijn:

– de subsidieregeling richt zich op CO2-reductie bij huishoudens;

– er is een maximaal-budget in 2003 54 miljoen euro voor het verstrekken van subsidies; dit budget loopt in de komende jaren op naar ca. 72 miljoen euro;

– er is een maximaal budget in 2003 van 10 miljoen euro voor de uitvoeringskosten van de regeling waarmee de uitvoeringskosten ten opzichte van 2002 zijn terug gebracht;

– de regeling dient bij voorkeur een naadloze overgang te kennen bij het moment van in werking treden en met het moment dat de bestaande Energiepremieregeling wordt opgeheven;

– subsidies worden verstrekt voor de kosteneffectiefste maatregelen in termen van CO2-reductie en kennen zo min mogelijk freeriders.

Dubo-prioriteit 2: Materiaalgebruik in gebouwen:

VROM heeft als doel de milieubelasting van bouwen te beperken. Om dat te kunnen doen, is het van belang de milieubelasting van gebouwen en bouwwerken te kunnen kwantificeren. Het Nederlands Normalisatie-instituut NEN werkt in samenspraak met de bouwpraktijk en in opdracht van VROM aan de bepalingsmethode materiaalgebonden milieuprofiel voor gebouwen (MMG). De methode is in concept gereed en inmiddels op bruikbaarheid getoetst. Hierover is gerapporteerd aan de normcommissie.

De onderzoeken die zijn uitgevoerd zijn tweeledig. Enerzijds ervaring opdoen met de levenscyclusbenadering en anderzijds productoptimalisatie naar milieueffecten. Dit heeft geleid tot het onderzoek «bechmarking milieueffecten woningen gebouwd met vernieuwbare grondstoffen en een onderzoek naar de synergie tussen de bepalingsmethode van de EnergiePrestatieCoëfficiënt (EPC) en de MMG.

Vanuit haar voorbeeldfunctie is door de RGD een onderzoek uitgevoerd naar de inzetbaarheid van de MMG voor andere gebouwen dan woningen. Gebleken is dat de nu hiervoor door de RGD gehanteerde methode (Greencalc) en het MMG in principe op elkaar kunnen worden afgestemd.

Dubo-prioriteit 3: Gezondheid in gebouwen

Door VWS en VROM is in samenwerking het Actieprogramma «Gezondheid en Milieu» opgesteld (kamerstuk II, 2001–2002, 28 089 nr. 2). Een deel van de acties heeft direct betrekking op gezondheid in gebouwen. Deze acties zijn in de tweede helft van het jaar in werking gezet. Het gaat om het ontwikkelen van een statusrapport waarmee consumenten zelf de kwaliteit van hun woning in beeld kunnen brengen waarmee zij bewust worden van de invloed van het woongedrag op hun gezondheid maar ook met betrekking tot technische tekortkomingen op dat gebied. Het in kaart brengen van de landelijke kwaliteit van woningen en woongebouwen m.b.t. gezondheid moet inzichten opleveren met betrekking tot de noodzaak voor additioneel beleid. De acties zullen respectievelijk in 2003 en 2005 gereedkomen.

Vervanging loden leidingen

Het vervangen van loden drinkwaterleidingen in woningen ligt qua aantal op schema (10 858 t/m 2002). Het gemiddelde subsidiebedrag per woning valt echter iets hoger uit dan waarvan vooraf bij het bepalen van het benodigde budget was uitgegaan. Er zal worden bezien welke maatregelen dienen te worden genomen om de doelstelling nog te kunnen halen.

Handreiking burenlawaai

Op grond van de beleidsbrief «Geluid en wonen» uit 1999 is dit jaar in samenwerking met vertegenwoordigers van de bij burenlawaai betrokken partijen, zoals gemeenten, corporaties, politie, buurtbemiddeling enz., een Handreiking burenlawaai tot stand gekomen. De Handreiking is vooral bestemd voor die partijen die doorgaans optreden als intermediair in een conflict tussen buren over geluidsoverlast. Het eindconcept van de Handreiking moet nog worden bewerkt, zodat die toegankelijk en makkelijk bruikbaar zal zijn voor die partijen, maar ook voor de burger. In de eerste helft van 2003 zal het instrument toegankelijk zijn via de websites van VROM en van de diverse branche- of koepelorganisaties zoals Aedes en VNG.

3.2.2.2. Brandveiligheid

In 2001 zijn twee brieven over brandveiligheid ( d.d. 6-2-2001, VROM-01-102, en d.d. 29-8-2001, VROM 0 000 796) naar de Tweede Kamer gestuurd. Beide brieven zijn behandeld tijdens het AO van de Vaste Kamercommissie VROM op 27 juni 2002. In de brieven is aangegeven dat het Bouwbesluit een goede waarborg is voor de brandveiligheid van gebouwen en dat zal worden onderzocht of verdere verduidelijking op onderdelen wenselijk of mogelijk is. Daarnaast is in beide brieven ingegaan op de actiepunten die voortvloeien uit het rapport van de commissie Alders naar aanleiding van de cafébrand in Volendam.

In 2002 zijn opgestart:

– Onderzoek naar nut en noodzaak van prestatie-eisen voor hoogbouw hoger dan 70 meter in samenwerking met het ministerie van BZK

– Onderzoek naar gelijkwaardige veiligheid van brandcompartimenten groter dan 1000 m2

– Risicoanalyse van gas- en elektravoorzieningen in woningen

In samenwerking met andere departementen wordt gewerkt aan:

– veiligheid en betaalbaarheid bouw patiëntenkamers (ministeries BZK en VWS)

– tunnelveiligheid (ministeries V&W en BZK).

De bedrijfs- en milieueffecten zijn in 2002 in beeld gebracht en met de sector besproken. De vertaling van de brandnormen naar de nederlandse normering heeft zo goed als bedrijfsneutraal plaatsgevonden. Er wordt naar gestreefd per 1 maart 2003 de Europese brandnormen in de Nederlandse bouwregelgeving op te nemen.

Eind 2002 is de risicoanalyse van gas- en elektravoorzieningen gereed gekomen. De resultaten van de overige onderzoeken worden in de loop van 2003 verwacht.

3.2.2.3. Architectuurbeleid

De Nota Architectuurbeleid 2001–2004 vormt het richtinggevend beleidskader tegen de achtergrond waarvan VROM bemoeienis met betrekking tot de totstandkoming van architectonische kwaliteit invulling krijgt. In de nota worden zes acties genoemd voor operationalisering van het deel waarvoor het beleidsveld Wonen verantwoordelijk is. Twee daarvan hebben in 2002 geleid tot de totstandkoming van de handreikingen «Beeldwijzer woonmilieutypen» en «Beeldregie en particulier opdrachtgeverschap» voor de doelgroepen gemeenten, ontwerpers en opdrachtgevers. Beide boekwerken worden begin 2003 uitgegeven. In 2003 worden drie andere onderzoeksprojecten en het voorbeeldenprogramma regiospecifieke architectuur afgerond.

Tabel 3.2. Uitgevoerde prestaties 2002

Operationeel doel: Verbeteren van de kwaliteit woningen en gebouwen en stimuleren van innovatie
Evaluatie en herijking Uitvoeringsprogramma Dubo (inclusief utiliteitssector)
Uitvoeringsprogramma Dubo (na evaluatie en herijking)Faciliteren Energiebesparingsadvies
Tender voor energiebesparing lagere inkomensgroepen
Energiebesparingsmaatregelen uit koepelprogramma CO2-reductie in de gebouwde omgeving
Stimulering Energiebesparingsadvies in de utiliteitsbouw
Voorbereiden overname uitvoering energiepremieregeling a.g.v. defiscalisering per 1-1-2003
Uitvoering van het IFD-demonstratieprogramma incl. de kennisoverdracht
Drie demonstratieprojecten voor Dubo utiliteitssector
Verstrekken beschikkingen loden leidingen
Uitvoeren acties «Actieprogramma Milieu en Gezondheid» m.b.t. gezondheid in gebouwen

3.2.3. Bevorderen van de invloed van de burger bij de totstandkoming van woningen

Particulier opdrachtgeverschap

In 2001 is een Plan van Aanpak opgesteld om uitvoering te geven aan een tiental projecten die betrekking hebben op het thema: particulier opdrachtgeverschap/eigenbouw en zeggenschap van de burger in de woningbouw.

Deels vallen deze projecten onder de vijf beleidssporen uit de brief aan de Tweede Kamer over het Verstedelijkingsbeleid tot 2010 (kamerstuk II, 2001–2002, 27 562 nr. 2), te weten: bestuurlijk overleg, stimuleren, kennisoverdracht, wetgeving en faciliteiten voor lagere inkomens.

Anderzijds maken de projecten deel uit van het Grote Project «Een eigen huis» uit de architectuurnota.

In 2002 zijn de projecten Handboek «Bouw uw eigen huis» (i.s.m. Vereniging Eigen Huis) en de Werkconferenties particulier opdrachtgeverschap met gemeenten afgerond. Van de laatste zijn de resultaten vastgelegd in de documentatiemap «Een eigen huis». Alle gemeenten hebben het handboek en documentatiemap ontvangen.

Met betrekking tot het bestuurlijk spoor is het project «Mogelijkheden particulier opdrachtgeverschap in de vier grote steden» afgerond, in die zin dat de resultaten zijn geïntegreerd in de Intentieafspraken en in het traject van de Verstedelijkingsgesprekken. Voor de grote vier zijn de programma's vergeleken met de «technische» mogelijkheden voor particulier opdrachtgeverschap. Hierbij is rekening gehouden met eigendomsverhoudingen, bouwclaims, gewenste dichtheden en verevening van grondkosten.

In 2002 heeft het accent gelegen op stimulering van en kennisoverdracht over particulier opdrachtgeverschap aan: burgers, gemeenten en andere betrokkenen middels onder andere het handboek en de documentatiemap.

Daarnaast zijn de inhoudelijke en organisatorische voorbereidingen om te komen tot een landelijk InfoCentrum Eigen Bouw inmiddels gereed. Ook is door DG Wonen een bijdrage geleverd aan de tweede editie van de woonmarkt «Heilige Huisjes» in Rotterdam en aan een televisiedocumentaire van 50 minuten over het «Wilde wonen».

Aangaande het wettelijke spoor ligt het accent op het grondbeleid. Daartoe worden voorbereidingen getroffen voor een grondexploitatiewet.

Eind 2002 waren de inhoudelijke voorbereidingen gereed om te komen tot een convenant over de grondprijsstelling m.b.t. casco- en eigenbouw.

Voor het (specifiek) stimuleren van eigenbouw door midden- en lagere inkomensgroepen zullen geen aparte instrumenten ontwikkeld worden. In het kader van de financiële rijkstaakstellingen wordt een dergelijk categoraal beleid niet opportuun geacht.

Wel heeft de SEV begin 2002 een inventarisatie verricht van bestaande mogelijkheden om «betaalbaar particulier opdrachtgeverschap» te realiseren. De hieruit voortgekomen publicatie vormt een belangrijke bouwsteen voor de beleidssporen stimuleren en kennisoverdracht.

Overigens is «zeggenschap» een prestatieveld bij de beoordeling van innovatieprojecten voor toekenning van een IPSV-bijdrage.

In 2003 zal het monitoringsysteem particulier opdrachtgeverschap vorm krijgen. In 2004 zal pas de mate van doelbereiking inzichtelijk worden. Gelet op het voorgaande kunnen nu nog geen uitspraken over het doelbereik worden gedaan.

Tenslotte wordt gewerkt aan meetinstrumenten om de mate van zeggenschap te kunnen bepalen. SEV heeft hiertoe de zeggenschapsmeter ontwikkeld, die bedoeld is om bij woningbouw door projectontwikkelaars of corporaties de mate van «consumentgerichtheid» vast te kunnen stellen. Dit gebeurt in opdracht van een aantal grote gemeenten, in samenwerking met de Vereniging Eigen Huis.

Vergunningvrij bouwen en welstand

Per 1 januari 2003 is de vernieuwde Woningwet, alsmede de bijbehorende AMvB's te weten het Besluit Bouwvergunningvrije en licht-vergunningplichtige bouwwerken en het Besluit Indieningvereisten aanvraag bouwvergunning, in werking getreden. Hiermee is bereikt dat meer bouwingrepen, met name aan de achterkant van een woning, bouwvergunningvrij kunnen worden gerealiseerd. In het eerstgenoemde besluit is exact aangegeven wanneer een bouwvergunning verplicht is en wanneer dit niet hoeft. Het andere besluit zorgt voor een uniformering en limitering van de in te dienen bescheiden, hetgeen de bouwwereld toejuicht. Beide besluiten dragen bij aan deregulering. Tevens zorgt de vernieuwde Woningwet voor meer transparantie en objectiviteit ten aanzien van het welstandstoezicht. Gemeenten dienen (voor 1 juli 2004) een welstandsnota op te stellen. Verwacht mag worden dat de burger hierdoor meer invloed zal hebben op het gemeentelijke welstandsbeleid. Om tegemoet te kunnen komen aan de maatschappelijke behoefte zijn, vooruitlopend op de inwerkingtreding van het bouwbesluit per 1-1-2003, de GSM-antennes en C2000-antennes vergunningvrij gemaakt. Per 15-8-2002 is deze regeling van kracht.

Teneinde zowel de burger, de gemeenten als de bouwpartijen te informeren over deze wetswijziging is er een uitgebreid voorlichtingpakket samengesteld, bestaande uit diverse brochures, een praktijkboek en een CD-rom met alle relevante informatie. Ook is een programma ontwikkeld waarmee in een individueel geval, met behulp van «ja/nee-vragen», snel kan worden nagegaan of een bouwvergunning vereist is. Ook via de Vrom-website (ww.vrom.nl/woningwet) kan al dit voorlichtingsmateriaal worden geraadpleegd dan wel worden gedownload.

Geschillenbeslechting in de bouw

Gezien het groeiend aantal opleveringsgebreken bij nieuwbouwwoningen (ca. 30 gebreken per woning) en onduidelijkheid bij de koper over zijn (rechts)positie in de procedure van geschilbeslechting is in de Nota Mensen Wensen Wonen het streven naar één loket voor geschilbeslechting voor nieuwbouwwoningen vermeld.

De staatssecretaris heeft de betrokken partijen in de nieuwbouwmarkt gevraagd dat loket op te zetten.

Aangezien de betrokken partijen na jarenlange discussie er niet in waren geslaagd het ene loket op te zetten, heeft VROM in 2002 een inventarisatie uitgevoerd onder betrokken partijen om te zoeken naar mogelijke oplossingen voor oprichting van het ene loket voor een onafhankelijke, voor kopers laagdrempelig loket voor geschilbeslechting.

Er heeft overleg plaatsgevonden met VEH (namens de consumentenorganisaties), AVBB, NVB, Bouwned, NEPROM, de Aangesloten Organisaties van GIW (producentenorganisaties in de bouw), het GarantieInstituut Woningbouw, de Raad van Arbitrage voor de bouw (RvA) en Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG).

De consumenten- en producentenorganisaties in de nieuwbouwmarkt hebben in december 2002 overeenstemming bereikt over de uitgangspunten van het ene loket voor geschilbeslechting nieuwbouwwoningen.

Het akkoord betreft een principe-besluit dat nog bekrachtigd moet worden door de besturen van het Garantie Instituut Woningbouw en Raad van Arbitrage.

Tabel 3.3. Uitgevoerde prestaties 2002

Operationeel doel:. Bevorderen van de invloed van de burger bij de totstandkoming van woningen
Bestuurlijke afspraken gemaakt over de beschikbaarheid van vrije kavels
Innovatieprogramma stedelijke vernieuwing ingezet voor experimenten en voorbeeldprojecten gemeenten, corporaties en marktpartijen
Kennisoverdrachtprojecten opgezet en uitgevoerd op het terrein van Particulier Opdrachtgeverschap
Voorbereiding vastlegging Particulier opdrachtgeverschap in de Grondexploitatiewet
Onderzoek naar keuzevrijheid koper (mei 2002)
Welstandsbeleid aangepast via wijziging van de woningwet en bijbehorende AMvB's (per 1 januari 2003)
Één loket bij geschillenbeslechting gestimuleerd

3.2.4. Coördinatie bouwbeleid

Het feit dat VROM op kabinetsniveau het aanspreekpunt is voor de bouwsector, heeft in 2002 geleid tot het instellen van een secretariaat enquête bouwnijverheid om de interdepartementale afstemming van deze parlementaire enquête te coördineren inclusief de gezamenlijke reactie op het resultaat van de enquête. Dit secretariaat heeft ook de inbreng van VROM en de uitvoering van een tiental kabinetsacties gecoördineerd. Eind 2001 waren deze acties omtrent de aanbestedingspraktijk van de rijksoverheid aan de Tweede Kamer toegezegd nog voordat formeel besloten was door de TK om een enquête in te stellen. In de loop van 2002 zijn al deze acties uitgevoerd en gemeld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2001–2002 28 244 nr. 1 en 3).

De heroriëntatie van coördinatie bouwbeleid is een onderwerp dat prominent in de enquête bouwnijverheid aan de orde is gekomen en ook als zodanig meegenomen wordt in de kabinetsreactie op het eindrapport van de enquêtecommissie, dat op 12 december 2002 is gepubliceerd. Dit houdt in dat in het voorjaar 2003, wanneer deze reactie met de Tweede Kamer besproken is, duidelijk is wat de heroriëntatie van coördinatie bouwbeleid heeft opgeleverd.

Op verzoek van de bouwsector is door het ministerie van Economische Zaken besloten vervroegde intrekking van de vestigingswet op 1 januari 2003 niet door te laten gaan. De wet zal nu op 1 januari 2006 worden ingetrokken.

Kansen in de bouw zijn ondermeer gelegen in de activiteiten onder de noemer Proces- en systeeminnovatie in de bouw. De Advies Raad Technologiebeleid Bouwnijverheid heeft in 2002 een Quick Scan Bouwprocesinnovaties laten verschijnen. Nieuwe vormen in de samenwerking moeten er toe leiden dat de bouw beter in staat zal zijn om de omslag van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte markt te kunnen maken.

In 2002 is het jaarlijkse rapport Bouwprognoses uitgebracht. De onderliggende methodiek om tot prognoses te komen is vooraf met andere betrokken in de bouw afgestemd. Hierdoor kon discussie achteraf over cijfers voorkomen worden (Kamerstuk VROM 021 013).

Tabel 3.4 gerealiseerde en geraamde leerlingbouwplaatsweken en subsidie (bedragen in EUR 1)

 BegrotingBegrotingBegrotingRealisatieRealisatieRealisatie
 200020012002200020012002
aantal leerlingbouwplaatsweken22 00021 00021 00010 02618 515p.m.
aantal leerlingen3 1403 0003 0002 7182 645p.m.
subsidie per leerlingbouwplaatsweek3434343439p.m.

In 2002 is een financiële bijdrage toegekend aan de Bouwradius groep voor het organiseren van leerlingbouwplaatsen. In 2002 bleek dat de realisatie van het aantal leerlingbouwplaatsweken in 2001 enigszins is achtergebleven bij de raming voor dat jaar zoals in bovenstaande tabel is op te maken. De verwachting is dat het hier om een tijdelijke dip in het aantal gaat. In 2001 zijn 18 515 leerlingbouwplaatsweken gerealiseerd voor 2 645 leerlingen. De gegevens over 2002 komen pas in de loop van 2003 beschikbaar. In 2002 is een evaluatie gestart naar de doeltreffendheid van leerlingbouwplaatsen en de financiële bijdrage welke medio 2003 zal zijn afgerond.

Tabel 3.5. Uitgevoerde prestaties 2002

Operationeel doel: Coördinatie bouwbeleid
Aanspreekpunt voor de bouwsector; uitkomsten heroriëntatie taken
Een aanzet tot het wegnemen van knelpunten dan wel het benutten van kansen in de relatie bouwsector en overheid
Organisatie conferentie «Rondom de bouw»
Secretariaat enquête bouwnijverheid
Uitvoering stimuleringsovereenkomst leerlingbouwplaatsen en leerlingbouwplaatsen in de rijkshuisvesting
Nota Bouwprognoses

3.3. Groeiparagraaf

Garanderen minimale kwaliteit van woningen en gebouwen

Ontwikkeling van streefwaarde voor verhoging van het minimale kwaliteitsniveau van woningen en gebouwen:

Gebleken is dat het niet mogelijk is een indicator en streefwaarde hiervoor te ontwikkelen. In principe moet alle nieuwbouw 100% voldoen aan het vigerende bouwbesluit waar het minimale kwaliteitsniveau is aangegeven. In hoeverre wordt voldaan aan het bouwbesluit bij oplevering van nieuwbouw is een aandachtspunt bij handhaving (art. 13). Naar verwachting kan de VROM-inspectie hiervoor in 2004 een streefwaarde ontwikkelen. Daarmee komt ontwikkeling van deze streefwaarde in het kader van artikel 3 te vervallen.

Ontwikkeling van streefwaarde voor efficiencyverbetering in de bouwregelgeving:

In tegenstelling tot wat in de groeiparagraaf van de begroting 2002 stond konden voor de OB 2003 nog geen streefwaarden worden opgenomen. In 2003 zal een aantal onderzoeken afgerond worden op basis waarvan het mogelijk is een streefwaarde te ontwikkelen voor vermindering van het aantal aan te vragen bouwvergunningen als gevolg van het vergunningvrij bouwen en een streefwaarde voor vermindering van administratieve lasten bij vergunningprocedures. Deze twee streefwaarden staan dan ook genoemd in groeiparagraaf van de begroting 2003.

Verbeteren van de kwaliteit woningen en gebouwen en stimuleren van innovatie:

Ontwikkeling van indicator voor tevredenheid van bewoners/gebruikers van woningen en gebouwen:

In de bewonersenquête van de Kwalitatieve Woningregistratie 2000 is de tevredenheid over de kwaliteit van de woning opgenomen als item. Hieruit bleek dat 84% van de bewoners tevreden of zeer tevreden was met de kwaliteit van de woning. Deze indicator wordt blijvend in de KWR opgenomen. De KWR wordt één keer per vijf jaar uitgevoerd. Daar een direct verband met prestaties uit de begroting 2002 artikel 3 ontbreekt en daarmee niet in lijn is met de VBTB-filosofie, heeft deze indicator niet geleid tot een indicator en streefwaarde in de begroting 2003 (artikel 3)

Ontwikkeling van streefwaarde en indicator van energiebesparings-maatregelen en duurzame energie-toepassingen in woningen en gebouwen in relatie tot CO2-reductiedoelstelling:

In de begroting 2002 was al sprake van een streefwaarde voor CO2-reductie van 3 Mton. Als indicator voor CO2-reductie zal gebruik worden gemaakt van de referentieramingen welke door het ECN/RIVM worden uitgevoerd en welke ook worden uitgedrukt in Mt CO2-reductie. Op het niveau van prestatie-indicatoren vindt ook monitoring plaats in het kader van het koepelprogramma CO2-reductie in de gebouwde omgeving. Onderdeel hiervan is monitoring van toename van energiebesparingsmaatregelen en duurzame energietoepassingen. Hiervan worden de eerste resultaten in juni 2003 verwacht.

Ontwikkeling van een indicator voor de reductie van milieubelasting van woningen en gebouwen, m.n. bij materialen en grondstoffen:

VROM heeft als doel de milieubelasting van bouwen te beperken. Om dat te kunnen doen, is het van belang de milieubelasting van gebouwen te kunnen kwantificeren. Het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) werkt in samenspraak met de bouwpraktijk en in opdracht van VROM aan een bepalingsmethode. De methode is medio 2002 in concept gereed gekomen en in het najaar op bruikbaarheid getoetst.

Bevorderen van de invloed van de burger bij de totstandkoming van woningen:

Ontwikkeling streefwaarde en indicator voor de mate waarin nieuwbouwwoningen qua ontwerp worden afgestemd op individuele of groepswensen van de burger:

Op basis van het meest recente onderzoek «Bewoners Nieuwe Woningen» blijkt dat 20% van alle nieuwbouwbewoners vindt dat ze zelf opdrachtgever is geweest bij het tot stand komen van hun nieuwbouwwoning. Daarnaast geeft 22% aan dat ze inspraak gehad hebben bij het bepalen van de indeling en het ontwerp. De resultaten komen uit het BNW 2001 en zijn gebaseerd op gegevens van nieuwbouwwoningen die in 2000 zijn opgeleverd. Concluderend kan gesteld worden dat een indicator beschikbaar is.Dit heeft echter nog niet geleid tot het vaststellen van een streefwaarde m.u.v. Particulier opdrachtgeverschap (33%).

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 3 Duurzame woningen en gebouwenRealisatie2002Vastgestelde begroting 2002Verschil
Verplichtingen42 34932 9429 407
    
Uitgaven209 562208 0781 484
Programma-uitgaven206 116204 5831 533
Garanderen minimale kwaliteit van woningen en gebouwen20829179
Toegankelijkheid rijkshuisvesting20829179
    
Verbeteren kwaliteit woningen en gebouwen en stimuleren innovatie23 03522 281754
Duurzaam bouwen4060406
Regeling sanering loden leidingen9791 662– 683
Energiebesparing rijkshuisvesting2 0473 815– 1 768
Duurzaam bouwen rijkshuisvesting350386– 36
Innovatief bouwen9783 158– 2 180
Regeling energiebesparing huishoudens lagere inkomens1 3221 588– 266
Programma energiebudgetten16 95311 6725 281
    
Coördinatie bouwbeleid2 3661 905461
Coördinatie bouwbeleid2 3661 905461
    
Onverdeeld programma180 507180 368139
Budget BWS 199521 23321 2330
Budget BWS 1992–1994154 582154 866– 284
Onderzoek RGD190227– 37
Onderzoek DGW1 7202 418– 698
Volkshuisvestingsinstellingen, experimenten en kennisoverdracht2 5531 1701 383
Communicatie-instrumenten229454– 225
    
Apparaatsuitgaven3 4463 495– 49
Ontvangsten4730473

Toelichting:

Bij een aantal instrumenten welke vallen onder de operationele doelstelling «Verbeteren kwaliteit woningen en gebouwen en stimuleren innovatie» kon worden gestuurd op het behalen van een (beperkte) onderuitputting in de uitgaven. Dit ter tegemoetkoming in de forse overschrijding van de uitgaven bij de Huursubsidie (beleidsartikel 2).

Voor het behalen van doelstellingen zal het begrote budget in volgende jaren aangesproken moeten worden.

Het budget voor toegankelijkheid is op basis van gewijzigde programmering ten tijde van de eerste suppletore wet verhoogd naar 0,747 mln om het programma in het jaar 2002 af te kunnen ronden. Als gevolg van vertragingen in de uitvoering is dit niet gelukt. In het jaar 2003 worden de laatste toegankelijkheidsuitgaven gemaakt.

Het budget voor energiebesparing is als gevolg van vertragingen in de uitvoering in 2001 verhoogd. Echter vanwege de doorloop van een groot aantal projecten naar latere jaren is de realisatie alsnog achtergebleven bij de planning.

Voor wat betreft Duurzaam bouwen rijkshuisvesting kennen enkele projecten een doorloop naar latere jaren, maar de begroting is nagenoeg gerealiseerd.

Het budget voor Coördinatie Bouwbeleid is naar aanleiding van de activiteiten ten behoeve van de Enquête Bouwnijverheid verhoogd. De activiteiten zijn conform planning uitgevoerd.

De voorgenomen onderzoeksactiviteiten zijn nagenoeg volledig gerealiseerd

De voorgenomen onderzoeksactiviteiten zijn nagenoeg volledig gerealiseerd.

Artikel 4. Fysieke stedelijke vernieuwing

4.1. Algemene beleidsdoelstelling

De stad moet – ook op lange termijn – een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bewoners uit alle inkomensgroepen en bedrijven bieden. Daartoe is – na de stadsvernieuwing – die vooral op fysieke achterstanden in de vooroorlogse wijken was gericht een aanpak nodig van in beginsel alle wijken die zonder nadere inspanning niet voldoen aan de (toekomstige) kwaliteitsvraag. Die aanpak moet integraal zijn, d.w.z. niet alleen gericht op fysieke ingrepen maar ook op de sociale structuur en het economische klimaat.

Uit het overzicht Grote Stedenbeleid dat in de begroting (2002) van BZK is opgenomen blijkt deze samenhang op rijksniveau. Dit beleidsartikel richt zich op de herstructurering van wijken en de uitbreiding van de woningvoorraad die nodig is om de groei en de aard van de woningbehoefte op te vangen. Dit is uitgewerkt in de operationele doelstelling herstructurering en nieuwbouw.

4.2. Operationele doelstellingen

Herstructurering en nieuwbouw

Herstructurering en nieuwbouw zijn processen van lange adem. Daarom zijn in het kader van het ISV (Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing) in 2000 met gemeenten vijfjarige prestatieafspraken gemaakt, afspraken die in 2005 tot rapportage en verantwoording leiden.

Om inzicht te krijgen wat de bijdrage van het ISV is geweest in het bereiken van de maatschappelijke resultaten wordt de ISV-monitor ingezet.

4.2.1 Herstructurering

In 2000 zijn de steden begonnen met het uitwerken en uitvoeren van hun vijfjarige ontwikkelingsprogramma's waarin zij hun voornemens om wijken te herstructureren hebben vastgelegd. In juni 2001 is een monitoringsrapportage naar de Tweede Kamer gezonden. Daaruit blijkt dat de steden naar vermogen bezig zijn om hun plannen in de praktijk te brengen maar dat de daadwerkelijke integrale aanpak van buurten en wijken nog maar langzaam op gang komt. Dit heeft verschillende oorzaken zoals belemmeringen in de samenwerking tussen gemeenten, corporaties en ontwikkelaars, een tekort aan kennis en kunde bij gemeenten, het feit dat veel gemeenten nog bouwmogelijkheden hebben op (minder complexe) nieuwe uitleglocaties, stroperige gemeentelijke en/of gerechtelijke procedures.

De voortgang laat te wensen over en een krachtiger aanpak van wijken is noodzakelijk (zie de Nota Mensen, Wensen, Wonen). Zonder extra inspanningen zal de woningvoorraad in 2010 lang niet aan de kwalitatieve vraag, naar centrumstedelijke en groenstedelijke woonmilieus, voldoen.

In 2002 is een aantal beleidsmaatregelen ingezet ten einde de belemmeringen in het proces aan te pakken en de hogere ambities waar te kunnen maken:

• In vervolg op de tweede ronde verstedelijkingsgesprekken in 2001 zijn begin 2002 met provincies, kaderwetgebieden en gemeenten in 20 regio's Intentie-afspraken gemaakt over de verstedelijkingsopgave tot 2010. Naast de transformatie-ambitie behelzen deze voor wat betreft het onderdeel «wonen», afspraken over aantallen nieuw te bouwen, te slopen, en door nieuwbouw te vervangen woningen. Tevens zijn in dit kader afspraken gemaakt over aantallen te verkopen huurwoningen, vergroting van het eigen woningbezit, particulier opdrachtgeverschap en de sociale aspecten van de transformatie (ouderenhuisvesting en wonen-zorg). De ambities in de Intentie-afspraken liggen in bijna alle gevallen lager dan de ambities uit de Nota Mensen, Wensen, Wonen; zij zijn echter hoger dan die door de regio's eerder zelf zijn aangegeven.

In 2002 is gestart met een nadere uitwerking van de Intentie-afspraken, wat in 2003 moet leiden tot definitieve verstedelijkingsafspraken voor de periode tot 2010. De definitieve verstedelijkingsafspraken vormen tevens een kader voor de uiterlijk in 2005 te maken afspraken over de tweede ISV-periode (2005–2009).

In het kader van de Intentie-afspraken zijn met een aantal regio's/gemeenten specifieke afspraken gemaakt over een rijksbijdrage in het oplossen van knelpunten bij de ontwikkeling van bouwlocaties. Doel van deze zgn. «maatwerkafspraken» is het versnellen van de stedelijke vernieuwing (herstructurering en nieuwbouw). In 2002 heeft dit geleid tot beschikkingen voor een totaalbedrag van ruim € 31 mln. verdeeld over veertien projecten. Voorbeelden hiervan zijn de verplaatsing van een station in Emmen, de verplaatsing van een fabriek in Den Bosch, de aanleg van fietstunnels bij Leidschenveen en Ypenburg en de uitvoering van het masterplan Delfzijl.

• Onder de noemer «Actieprogramma Herstructurering» zijn bestaande maatregelen gebundeld en aanvullende maatregelen in werking gezet, waarmee de uitvoering van de aanpak van wijken gestimuleerd en versneld kan worden. De focus ligt hierbij op een wijkgerichte aanpak, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan een resultaatgerichte aanpak van vijftig wijken waar het met de leefbaarheid slecht is gesteld.

Er is een start gemaakt met de uitwerking/voorbereiding van deze wijkaanpak, die in 2003, aanvullend op het bestaande ISV/GSB-beleid, moet leiden tot contracten waarin lokale partijen -gemeente, corporatie(s) en marktpartij(en)- met elkaar afspreken en vastleggen welke resultaten voor de betreffende wijk zijn voorgenomen en wanneer deze worden bereikt. Tevens dient overeenstemming te zijn bereikt over de dekking van de kosten.

• Als uitvloeisel van het Nationaal Akkoord Wonen is in 2002 een eerste onderzoek door VROM en VNG uitgevoerd naar de – wenselijke en mogelijke – regierol van de gemeente.

Dit onderzoek geeft allereerst een weergave van de context waarin gemeenten hun beleid tot stand moeten brengen. In het onderzoek worden voorstellen gedaan die met name gericht zijn op het versterken van de regievaardigheden van de gemeenten. Hierbij moet worden gedacht aan het opstellen van een actieprogramma ter verdere ontwikkeling van kennis en vaardigheden voor de praktijk. Daarnaast is een aanzet gedaan tot aanpassing van het instrumentarium dat gericht is op het versterken en bevorderen van de onderlinge samenwerking in het stedelijke vernieuwingsproces.

Daarbij is aandacht geschonken aan fiscale instrumenten en gebiedsgerichte faciliteiten. In 2003 volgt vervolgonderzoek.

• De totstandkoming van wijkontwikkelingsmaatschappijen (WOM's) is in 2002 gestimuleerd. Er is hierbij sprake van een verregaande samenwerkingsvorm door de bundeling van expertise en belangen, alsmede het delen van risico's en verantwoordelijkheden die van belang zijn voor de aanpak van onrendabele investeringen in te herstructureren wijken.

In 2002 is geregeld dat per 1 januari 2003 de drempel tot participatie in een WOM verlaagd is. Vanaf dat moment hoeven partijen in een WOM slechts eenmaal (in plaats van tweemaal) overdrachtsbelasting af te dragen. Ook is in 2002 met de Ministeries van Financiën en BZK overleg gevoerd over de wijze waarop fiscale maatregelen een bijdrage kunnen leveren aan omvang en tempoverhoging van de herstructurering (zie ook kamerstuk II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 88).

In samenwerking met het ministerie van BZK heeft VROM zes WOM-pilots ingediend bij de PPS-Faciliteit van het ministerie van Financiën. De interdepartementale stuurgroep PPS heeft besloten alle ingediende WOM-pilots te honoreren met de gevraagde bijdrage (totaal ca. € 1,7 miljoen). In 2002 is een monitor van genoemde zes pilots en twee gehonoreerde IPSV-uitvoeringsprojecten gestart. Hiermee wordt getracht de succes- en faalfactoren van PPS in de herstructurering te identificeren. De eerste ervaringen zijn reeds in beeld gebracht (0-meting) en er zijn bijeenkomsten georganiseerd om de ervaringen onderling uit te wisselen. In 2003 volgt een vervolgmeting, waarna de verkregen kennis in producten wordt vertaald.

Naast het stimuleren van WOM's, het aanspreken van corporaties op hun verantwoordelijkheden, het zoeken naar faciliteiten op het gebied van regelgeving, fiscaliteiten en stedelijke herverkaveling (zgn. herstructureringszones) heeft VROM vanaf eind 2002 – op verzoek of naar aanleiding van signalen van lokale partijen – expertise beschikbaar gesteld ten behoeve van wijken.

• Op basis van de Nota Grondbeleid is in 2002 een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden voor versnelling van stedelijke herstructurering door aanpassing van de onteigeningswet en stedelijke herverkaveling. Voor wat betreft de onteigeningswet wordt door de onderzoekers onder meer geconcludeerd, dat artikel 61 (terugvorderingsrecht oorspronkelijke eigenaar) beperkt dient te worden vanwege de thans gebrekkige mogelijkheden om het (bouw)plan ten behoeve waarvan werd onteigend nog te wijzigen.

De stedelijke herverkaveling is volgens het onderzoek een interessant instrument bij versnipperd eigendom. Naar de concrete toepasbaarheid (faciliteren particulier initiatief en mogelijkheden tot dwang) van het instrument stedelijke herverkaveling vindt in 2003 nader onderzoek plaats.

• Woningcorporaties hebben zeer veel woningbezit in de naoorlogse wijken. Zij kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het tegengaan van een te eenzijdig woningaanbod door een combinatie van verkoop, samenvoeging, sloop, nieuwbouw en aanvullende investeringen in de leefomgeving. De uitvoering van plannen en concrete maatregelen door corporaties op dit gebied is in 2002 nog onvoldoende van de grond gekomen.

Belangrijke redenen zijn de complexiteit van de herstructurering in combinatie met aanzienlijke investeringen, die door alle corporaties gezamenlijk te dragen zijn.

Het uitblijven van collegiale financiering van substantiële omvang is dan ook een belangrijk punt van zorg. Toch wordt er van uitgegaan, dat de sector tot medio 2003 voldoende initiatieven ontplooit om collegiale oplossingen van de grond te krijgen ter afdekking van eventuele tekorten.

Via de bestuurlijke lijn zijn de woningcorporaties nadrukkelijk op hun verantwoordelijkheden met betrekking tot de herstructurering van wijken gewezen.

Benadrukt is ook een en ander bij het Aedes-congres in november 2002 en bij brief «Mensen Wensen Wonen: de implementatie» (februari 2002). Hierbij is ook gewezen op het belang van collegiale oplossingen binnen de sector voor de knelpunten in de uitvoering. Verschillende instrumenten zijn voorgesteld. De praktische uitwerking daarvan is met corporaties besproken.

Aan de sociale huursector als geheel is gevraagd, het concreet in beeld brengen van de plannen in onder meer de herstructureringsgebieden (aansluitend op de ISV-ystematiek). De sector is nu aan zet. In twee brieven eind 2002 aan de Tweede Kamer is aangegeven, dat, mochten de corporaties onvoldoende daadkracht tonen en niet vrijwillig komen tot collegiale oplossingen, meer dwingende maatregelen niet worden uitgesloten. In dit kader worden aanpassingen van in elk geval BBSH en BCFV voorbereid. Hiermee worden mogelijkheden gecreëerd die het aanvragen en verkrijgen van projectsteun bevorderen.

In dit kader is ook advies gevraagd aan de VROM-raad. Het eind 2002 gepubliceerde advies zal door het Rijk op zijn haalbaarheid worden onderzocht.

4.2.2 Nieuwbouw: kwantiteit en kwaliteit

In 2002 is, i.s.m. DGR, de rapportage Voortgang Verstedelijking Vinex opgesteld die, na behandeling in de RPC, RROM en Ministerraad, aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Hierin wordt o.a de voortgang van de woningbouw van de VINEX gemonitoord. In zijn algemeenheid blijkt dat de Kaderwetgebieden en overige stadsgewesten op dit moment qua productie achterliggen. De productie in de overige gebieden ligt zodanig hoog, dat de verwachting is dat de aantallen, landelijk gezien, aan het einde van de VINEX-periode eind 2004 nagenoeg gehaald worden (verwachting in de rapportage is landelijk ca. 1% onderschrijding).

In kwalitatief opzicht blijkt er in de grote steden wel vooruitgang te worden geboekt: een steeds groter percentage bestaat uit ruimere en duurdere koopwoningen. Toch blijven de steden nog achter bij de directe omgeving waardoor de relatieve positie van de stad weinig veranderd.

De voortgang en de omvang van de woningbouwproductie blijft een punt van zorg. De bouwproductie van gemiddeld ca. 90 000 woningen per jaar in de periode 1995 t/m 1999 loopt in 2000 terug naar een productie van ca. 70 000. Na een lichte opleving in 2001 met 73 000 woningen is voor 2002 een aantal van ca. 66 000 gereedgekomen woningen geprognosticeerd. Voor de langere termijn (tot 2007) is in de Nota Bouwprognoses van november 2002 een aantal scenario's voor de woningbouwproductie (uitbreiding en vervanging) gepresenteerd waarin het lage scenario uitgaat van gemiddeld 66 000 woningen per jaar en het hoge scenario van bijna 75 000 woningen per jaar.

De huidige (en voor de komende jaren verwachte) jaarlijkse woningbouwproductie kan ertoe leiden dat, in 2005, de woningbouwafspraken VINEX niet helemaal gehaald kunnen worden. Voor de huidige beleidsdoelstelling om in 2010 landelijk ca. 900 000 nieuwe woningen te hebben gerealiseerd, ofwel zo'n 90 000 per jaar, is de actuele verwachting voor de woningbouwproductie absoluut onvoldoende.

Minder woningen betekent dat niet voldaan kan worden aan de kwantitatieve en kwalitatieve vraag. Hiermee komt het doorstromingproces, en daarmee de herstructurering, onder druk te staan (gebrek aan voldoende vervangende nieuwbouw).

De Taskforce Woningbouwproductie heeft hiertoe maatregelen voorgesteld (kamerstuk II, 2001–2002, 27 559, nr. 29). Deze zijn in 2002 deels uitgewerkt en van start gegaan. (zie hiervoor Prioriteit 3.2) Zo zijn bijvoorbeeld lokale aanjaagteams gestart en wordt het concept van speciaal aan te wijzen herstructureringzones nader uitgewerkt. De effecten van al die maatregelen zijn zeker niet op korte termijn merkbaar.

De beleidsambities

In maart 2002 zijn met 20 stedelijke regio's Intentie-afspraken overeengekomen over de verstedelijking tot 2010. Naar aanleiding hiervan zijn de in de begroting 2002 opgenomen beleidsambities met betrekking tot nieuwbouw en verkoop van huurwoningen bijgesteld. Het totale nieuwbouwprogramma voor de periode 2000 tot 2010 blijft gehandhaafd op ca. 900 000 woningen, waarvan 650 000 woningen ter uitbreiding van de voorraad (volgens begroting 2002: 596 000) en ca. 250 000 woningen ter vervanging van te slopen woningen.

Met 13 regio's zijn afspraken gemaakt over de verkoop van huurwoningen. Deze afspraken liggen qua ambitie ca. 1/3 beneden de ambities volgens de Nota Mensen, Wensen, Wonen. Wanneer deze lijn wordt doorgetrokken voor heel Nederland leidt dat tot een bijstelling van de ambities uit de NMWW van 700 000 tot ca. 450 000 te verkopen huurwoningen in de periode 2000–2010.

Ter bevordering van het eigen woningbezit is in het kader van de intentieafspraken overeengekomen dat in de periode 2005–2010, 10% van de nieuw te bouwen woningen op locaties in bestaand bebouwd gebied (grens 1997) als «sociale koopwoning» (stichtingskosten tot € 136 134) zullen worden gerealiseerd (in totaal 7 200 woningen). Daarmee is tevens uitvoering gegeven aan de motie Duivesteijn/Hofstra.

De Intentie-afspraken voorzien naast afspraken over de gewenste kwantiteit ook in afspraken over de ambities ten aanzien van een hogere kwaliteit van de nieuwbouw. Zoals afspraken over verdere concretisering en uitvoering van regionale kwaliteitshandvesten (Vinex). Daarnaast is afgesproken, dat bij opgelopen vertraging in de Vinex-taakstelling tot 2005, waarbij de vertraging aantoonbaar een gevolg is van een substantiële kwaliteitsimpuls, het rijk geen geld zal terugvorderen. In de afspraken is overeengekomen, dat gemeentendaartoe een verzoek kunnen indienen vóór 1 januari 2003. Er is een zestal van dergelijke verzoeken ingediend. De beoordeling van de aanvragen zal in de eerste helft van 2003 plaatsvinden.

4.2.3 Overige maatregelen voor stedelijke vernieuwing

• Ook in 2002 is met het Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing (IPSV) een aantal innovatieve plannen en projecten gestimuleerd, gericht op verbetering en versnelling van de stedelijke vernieuwing. In 2002 zijn ruim 300 aanvragen voor subsidie ingediend, waarvan er 37 zijn gehonoreerd, voor een totaal bedrag van € 52,7 mln. De gehonoreerde plannen en projecten hebben met name betrekking op de thema's herstructurering, transformatie zonder sloop, particulier opdrachtgeverschap, groen, economie, openbare ruimte en cultureel erfgoed. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 23 januari 2003 (kamerstuk VROM 030044).

• De voortgang van de gesubsidieerde projecten wordt gevolgd door middel van halfjaarlijkse voortgangsgesprekken. Uit de gevoerde gesprekken blijkt, dat de projecten, waaraan sinds 2001 subsidie is toegekend, vooralsnog op schema liggen. Het is nog te vroeg om een oordeel te geven over de effecten van de subsidieverlening, omdat deze gesubsidieerde projecten nog in uitvoering zijn. Naar verwachting zal hierover in de loop van 2003 meer bekend zijn.

• In 2001 is het project «Openbare ruimte in Revisie» van start gegaan. In juni 2002 is een onderzoek afgerond waarbij het «Pleidooi voor de Openbare Ruimte» is gepresenteerd.

De problematiek van de openbare ruimte, alsmede de opgave zijn verkend, een netwerkanalyse is gemaakt en er is een operationeel actieprogramma geformuleerd.

Het doel is een positieve impuls te geven aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Hiertoe worden voorbeeldstellende projecten met gemeentelijke overheden ontwikkeld, nieuwe experimenten met zeggenschap in de openbare ruimte gestart en ontwerpprocessen in de nieuwe sleutelprojecten ondersteund.

• In 2002 is een begin gemaakt met de uitwerking van het ISV-2 (periode 2005–2009).

Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de wijze van verdeling van de middelen (ISV-sleutel). Hiertoe is eind 2002 een onderzoek uitgezet, en is met de VNG en het IPO overleg gevoerd. Ook de bepaling van de «reikwijdte» en, daaropvolgend, het beleidskader vindt plaats in overleg met de VNG en het IPO. In 2003 wordt hierover aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

• Ingezet is op versterking van bewonersparticipatie gericht op zowel bestaande wijken als op veranderingsprocessen bij nieuwbouw en/of herstructurering. Hiertoe heeft in 2002 een onderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit onderzoek worden vervolgstappen ondernomen als het starten van experimenten bij de SEV, het verzamelen van best-practises bewonersparticipatie, en het aanscherpen van procesvoorwaarden in het ISV-2 met betrekking tot het onderwerp «zeggenschap burgers».

4.3 Streefwaarden en indicatoren voor succes

De indicatoren waarmee de voortgang van het ISV wordt gevolgd, worden ontleend aan het vierjaarlijkse Woningbehoefte Onderzoek (WBO). De ISV-nulmeting voor de G30 is gebaseerd op gegevens van het WBO1998. Met het ter beschikking komen van de uitkomsten van het WBO2002 (medio 2003) zal voor het eerst een beeld ontstaan van de ontwikkeling in de G30. Wel is er nieuwe informatie over de voortgang van het beleidsproces. Uit de eerste herhalingsmeting van de monitor stedelijke vernieuwing blijkt, dat er op alle onderscheiden prestatievelden sprake is van voortgang: de gemiddelde uitvoeringsfase van de ISV-projecten lag in de G30 tijdens de nulmeting tussen fase 1 (initiële planvorming en consultatie van partners) en fase 2 (bestuurlijke besluitvorming en contractvorming). In 2002 bevinden dezelfde projecten zich gemiddeld tussen fase 2 en fase 3 (uitvoering).

Verder geven 19 (87%) van de 23 steden die informatie hebben aangeleverd aan, dat de in de MOP's geformuleerde doelstellingen aan het einde van de beleidsperiode naar verwachting nog haalbaar zijn.

De ISV-monitor in 2002 geeft alleen een beeld van de voortgang van het proces. In de inhoudelijke zin kan niets uit deze monitor worden afgeleid

Voor de niet-rechtstreekse programmagemeenten is, overeenkomstig een toezegging in de groeiparagraaf, in het afgelopen jaar de nulmeting van de monitor stedelijke vernieuwing beschikbaar gekomen. De uitkomsten van deze nulmeting zijn niet verrassend: het beleidsproces bevond zich ten tijde van de meting op vrijwel alle terreinen in de fase «initiële planvorming en consultatie» en «bestuurlijke besluitvorming en contractvorming».

Het in de begroting gemaakte onderscheid tussen aantallen nieuw gebouwde woningen ten behoeve van vervanging en uitbreiding kan nog niet worden aangebracht. Er is geen monitor beschikbaar waaraan de noodzakelijke cijfers kunnen worden ontleend. Het streven is dit onderscheid in 2003 wel te kunnen maken.

Het benoemen van streefcijfers op rijksniveau voor de verschillende ISV-prestatievelden is bij de start van het ISV bewust achterwege gelaten. Dit om de decentrale verantwoordelijkheid te benadrukken. Het streven is om eind 2004 voor deze parameters een aantoonbare vooruitgang te boeken in iedere G30 stad (de zogenoemde rechtstreekse gemeenten).

4.4 Uitgevoerde prestaties 2002

• De Tweede Kamer is bij brief «Mensen Wensen Wonen: de implementatie» (TK 2001–2002, nr. 29) geïnformeerd over de verstedelijkingsgesprekken met de regio's. De hierover in 2002 gemaakte intentieafspraken zijn op 18 maart 2002 aan de Kamer aangeboden.

• Ten behoeve van het stimuleren van wijkontwikkelingsmaatschappijen hebben zes pilotprojecten een bijdrage ontvangen van de PPS-Faciliteit. Gecombineerd met twee projecten die een IPSV-bijdrage hebben ontvangen, is hiervoor een monitorprogramma gestart.

Daarnaast is in het Belastingplan 2003 vastgelegd dat per 1 januari 2003 voor WOM's éénmaal in plaats van tweemaal overdrachtsbelasting afgedragen hoeft te worden.

• Onderzoek naar de wenselijke en mogelijke regierol van de gemeente is in samenwerking met de VNG afgerond.

• Corporaties zijn op hun verantwoordelijkheid voor de herstructurering van wijken aangesproken en voorbereidingen zijn getroffen om, zonodig, het verkrijgen van projectsteun te vergemakkelijken.

• Rapportage aan de Tweede Kamer over de in 2001 toegekende IPSV-projecten.

• Opstellen praktijkboek stedelijke vernieuwing, op basis van ervaringen IPSV (verschijnt februari 2003).

• Uitvoeren kennis- en leerprogramma, in samenwerking met de kenniscentra op het gebied van stedelijke vernieuwing.

• Toetsing en toekenning nieuwe ronde IPSV projecten (rapportage aan Tweede Kamer begin 2003).

• De monitoringsrapportage «Uitvoering verstedelijking VINEX», waaronder «Voortgang Woningbouw», is opgesteld. In 2003 wordt deze rapportage via de Ministerraad aan de Tweede kamer aangeboden.

• De monitor «Investeringsbudget stedelijke vernieuwing» is eind 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden (kamerstuk II, 2002–2003, 28 600 XI, nr. 88).

• In het kader van het project Openbare ruimte in revisie is het «Pleidooi voor de openbareruimte» uitgebracht.

• Onderzoek naar verdeling van ISV-2 middelen (periode 2005–2009) gestart.

• Onderzoek over versterken van positie van bewoners op wijkniveau afgerond.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 4 Fysieke stedelijke vernieuwingRealisatie2002Vastgestelde begroting 2002Verschil
Verplichtingen151 044149 5251 519
    
Uitgaven187 616276 467– 88 851
Programma-uitgaven184 574271 376– 86 802
Herstructurering en nieuwbouw182 104270 230– 88 126
Investeringen stedelijke vernieuwing123 507203 382– 79 875
Planologische en woningbouw-knelpunten VINEX3 6301 1342 496
Stimulering herstructurering woningvoorraad16 43116 4310
Stedelijke vernieuwing Lelystad3 1763 1760
Innovatiebudget stedelijke vernieuwing30 47740 636– 10 159
Grondzakeninstrumentarium4 8835 471– 588
    
Onverdeeld programma2 4701 1461 324
Onderzoek469669– 200
Volkshuisvestingsinstellingen, experimenten en kennisoverdracht1 9602501 710
Communicatie-instrumenten41227– 186
    
Apparaatsuitgaven3 0425 089– 2 047
Ontvangsten2 4702 473– 3

Toelichting

Herstructurering en nieuwbouw

Bij tweede suppletore begrotingswet 2001 heeft een aanpassing plaatsgevonden van het kasritme voor de investeringsbijdragen stedelijke vernieuwing. Achtergrond van deze kasschuif was het verminderen van de druk op de rijksbegroting voor het jaar 2002. Voor 2002 heeft dat geleid tot lagere uitgaven van circa € 67 mln. Hier tegenover stonden wel hogere gerealiseerde uitgaven in 2001. Daarnaast zijn er in 2002 wijzigingen opgetreden in verband met de aanpassing van het kas/verplichtingenritme bij het innovatiebudget stedelijke vernieuwing (-/- € 10 mln.) en in verband met de inzet van bodemsaneringsgelden (+ € 15 mln.).

Eind 2002 is in verband met de huursubsidieproblematiek gericht gestuurd op de uitputting van de uitgaven en verplichtingenbudgetten. Dit heeft, ten opzichte van de tweede suppletore begrotingswet 2002, geleid tot een onderuitputting van het uitgavenbudget van circa € 21 mln. Voor een deel zal dit tot extra uitgaven in 2003 leiden. De hiervoor genoemde wijzigingen hebben geen invloed gehad op het realiseren van de beleidsdoelstellingen aangezien het hierbij met name om aanpassingen van de uitfinanciering van aangegane verplichtingen is gegaan.

Onverdeeld programma en apparaat

In 2002 heeft een herschikking van budgetten plaatsgevonden tussen de beleidsartikelen 1 tot en met 5 en 15. Deze herschikking is het gevolg van de in het jaarplan 2002 van het Directoraat Generaal Wonen opgenomen beleidsdoelstellingen en prestaties. De oorspronkelijk in de begroting opgenomen budgetten voor «onverdeeld programma» en «apparaatsuitgaven« waren nog niet volledig toegespitst op de nieuwe begrotingsstructuur. Deze actualisatie heeft geleid tot een aanpassing van de budgetten voor «onverdeeld programma» en «apparaatsuitgaven».

Artikel 5. Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving

5.1. Algemene beleidsdoelstelling

Het ministerie van VROM wil een bijdrage leveren aan vergroting van de sociale kwaliteit van het wonen en van de woonomgeving.

Bij het wonen gaat het om vergroting van de zelfredzaamheid van, keuzemogelijkheid voor en vraagsturing door burgers die zorg of begeleiding nodig hebben.

Bij woonomgeving gaat het om het vergroten van de tevredenheid van bewoners met hun buurt en wijk.

5.2 Operationele doelstellingen

5.2.1. Bevorderen van de vernieuwing van beleid voor wonen en zorg

Het vertrekpunt voor de beschrijving van het doelbereik in 2002 vormt het verslag onder de beleidsprioriteit 4.2.

De doelstelling van beleid van wonen en zorg is de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van mensen in alle omstandigheden en fasen van het leven zolang mogelijk en zoveel mogelijk te handhaven.

De operationele doelstelling hiertoe is het versterken van de vraagsturing en het ondersteunen van vernieuwing en experimenten.

Het bereiken van doelen op het terrein van wonen en zorg is een zaak van lange adem. Er zijn in het verslagjaar wel stappen gezet om deze doelen te bereiken: door de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling wordt de vraagsturing versterkt; door ondersteuning van het Innovatieprogramma Wonen en Zorg (IWZ) wordt vernieuwing gestimuleerd en via de SEV lopen enkele experimenten.

Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling

De Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling beoogt vernieuwing van onder meer woonzorgarrangementen te bevorderen alsmede samenwerking tussen woningcorporaties en zorginstellingen door innovatieve projecten op het terrein van wonen, zorg en welzijn te subsidiëren. Vraagsturing is een voorwaarde voor subsidiëring.

In 2002 is de 3e tender van de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling geopend. In totaal zijn er ongeveer 350 aanvragen voor subsidie ingediend voor een totaalbedrag van ongeveer € 31 miljoen. Deze aanvragen zullen voor 1 mei 2003 afgehandeld zijn. Het openstellen van de tender is later dan in de begroting 2002 was voorzien om het veld meer gelegenheid te geven projecten voor te bereiden. Ook is op grond van een evaluatie van de 1e en 2e tender besloten in deze tender prioriteit te geven aan projecten die als thema hebben technologische vernieuwing, welzijn en dienstverlening, vraagsturing of zorgvriendelijke wijken, dan wel gericht zijn op (ex-) dak- en thuislozen, mensen met een psychische beperking, mensen met een zintuiglijke beperking of dementerenden. De resultaten van de 3e tender zijn uiteraard nog niet bekend. Wel zal opnieuw de samenwerking bevorderd worden, immers voor alle projecten is de samenwerking een absolute subsidievoorwaarde.

Vernieuwing is ook bevorderd door de ondersteuning van het Innovatieprogramma Wonen en Zorg (IWZ, een samenwerkingsverband tussen de SEV en het NIZW). Het betreft ondersteuning van de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling en het project Vernieuwing en beleidsontwikkeling wonen en zorg op maat. Voor beide activiteiten is in 2002 € 363 000 subsidie aan IWZ verleend.

Experimenten

Het vorige kabinet kondigde een experiment met persoonsgebonden budgetten op het terrein van wonen, zorg en welzijn aan. Het doel hiervan was vraagsturing vanuit de zorgbehoevende burger een belangrijke impuls te geven door in de praktijk te onderzoeken in hoeverre er sprake zou zijn van substitutie tussen de terreinen van wonen, zorg en welzijn.

Nader onderzoek wijst echter uit dat het experiment stuit op belangrijke pragmatische, onderzoeksmethodologische en financiële bezwaren. Om deze redenen is besloten het experiment niet door te laten gaan. Dit impliceert overigens allerminst dat daarmee de voortgang in de vraagsturing binnen het domein van wonen, zorg en dienstverlening zou stoppen. De ontwikkelingen in de betrokken sectoren i.c. de modernisering van de AWBZ (persoonsgebonden budgetten voor alle extramurale zorg), de mogelijke hervormingen van het zorgstelsel, van de huursubsidie en van de vorming van een dienstenstelsel (inclusief WVG/welzijn) zullen in de komende jaren uitgelezen kansen bieden.

Levensloopbestendig Wonen /Design for All

VROM levert een (niet in de begroting 2002 voorziene) bijdrage aan het Design for All festival. Dit is een door 5 departementen gedragen festival op het brede maatschappelijke terrein van wonen, zorg, en welzijn, arbeid en mobiliteit. Op het terrein van wonen, zorg en welzijn betekent dit het realiseren van een woon – en leefomgeving die voor iedereen bruikbaar is of eenvoudig geschikt is te maken. Het doel is dat de opdrachtgevers en de andere bij de bouw betrokkenen zich bewust zijn van de belangrijke rol die zij spelen op dit terrein. Het Design for All festival heeft de taak om die rol nog eens onder de aandacht te brengen van alle betrokkenen. Het festival met verschillende workshops en netwerkbijeenkomsten loopt tot maart 2003.

Domotica

Het toepassen van domotica (woontechnologie) kan een belangrijke rol spelen bij het vergroten van de mogelijkheden voor de burgers om langer zelfstandig te (blijven) wonen.

Uit een evaluatie van een aantal projecten van ouderenwoningen met domoticavoorzieningen is gebleken dat de ouderen het meeste belang hechten aan voorzieningen op het gebied van veiligheid, zoals inbraakbeveiliging en personenalarmering.

Teneinde de bekendheid en grootschaliger toepassing van domotica op het terrein van wonen en zorg te bevorderen, bereidt het Innovatieprogramma Wonen en Zorg (IWZ) o.a. in overleg met VWS en VROM de publicatie «Handreiking personenalarmering en domotica voor ouderen (en gehandicapten)» voor, waarin o.a. functionele pakketten en technische programma's van eisen worden uitgewerkt. Deze publicatie, die naar verwachting begin 2003 verschijnt (in plaats van in 2002 zoals voorzien in de begroting 2002), is bedoeld om kennis over te dragen aan woningcorporaties en projectontwikkelaars, maar kan ook worden benut door bijvoorbeeld Verenigingen van Eigenaren van seniorenappartementen. De vertraging in de publicatie is ontstaan omdat overleg met zeer veel partijen nodig was, hetgeen meer tijd kostte dan was voorzien.

Tevens zijn handreikingen in ontwikkeling voor domotica-toepassingen voor de doelgroepen dementerenden, verstandelijk gehandicapten en GGZ-cliënten.

Het bevorderen van een optimaal aanbod

Met als doel het bevorderen van de totstandkoming van woonzorgcomplexen en zorgvriendelijke wijken is na 2001 in 2002 opnieuw geld beschikbaar gesteld voor de subsidiëring van zorginfrastructuur. Het Kabinet heeft voor deze subsidiëring op grond van de Tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling in 2002 meer financiële middelen ter beschikking gesteld dan in de begroting voorzien. De facto is er voor € 24,75 miljoen aan subsidie voor dit doel toegezegd (€ 12,60 miljoen meer dan voorzien) aan 166 projecten, waarvan een deel (± € 11 mln.) door VWS wordt gedragen. Met deze middelen zijn alle aanvragen van projecten die voldoen aan de voorwaarden van de regeling gehonoreerd. Projecten die afgewezen zijn of worden voldoen niet aan de voorwaarden van de regeling en zijn over het algemeen niet substantieel genoeg om te mogen veronderstellen dat daadwerkelijk gebouwd gaat worden.

Tabel 5.1. prestaties 2002

Voorgenomen prestatieGerealiseerd
Minimaal 110 projecten wzsr honorerenIn verband met rustjaar is toekenning verschoven naar 2003. Wel zijn 166 projecten voor zorginfrastructuur gesubsidieerd.
2 experimenten vouchers wonen en zorg startenExperiment om diverse redenen afgeblazen
Min. Één voorlichtingsactiviteit over domoticaZal in 2003 gerealiseerd worden
Subsidie aan IWZGerealiseerd.

5.2.2 Bevorderen van de sociale kwaliteit in de woonomgeving

Doel is om naast het bevorderen van de fysieke kwaliteit van de woonomgeving (artikel 4) ook de sociale kwaliteit van de woonomgeving te bevorderen. Richtinggevend voor deze doelstelling zijn de uitgangspunten «de burger centraal» en «verschillen maken kwaliteit». Bij de «burger centraal» ligt het accent vooral op versterking van de vraagzijde: stimuleren van betrokkenheid, zelfredzaamheid, versterken van bestaande netwerken. Bij «verschillen maken kwaliteit» ligt het accent meer op de aanbodzijde: accommoderen van gedifferentieerde wensen voor wonen en woondiensten waarbij zoveel mogelijk tegemoet wordt gekomen aan verschillen in leefstijl en culturele achtergrond.

Het bevorderen van sociale kwaliteit in de woonomgeving werd in 2002 langs verschillende wegen gestimuleerd:

1) Onderzoek naar mogelijkheid en wenselijkheid van sociale woonvisies.

2) Onderzoek naar de mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe woonarrangementen.

3) Onderzoek naar de mogelijkheden om de bewonersparticipatie te vergroten.

4) Analyse van de voorzieningenstructuur op wijkniveau.

Ad 1. Sociale woonvisies.

Voor een integrale aanpak is een integrale visie op wijkniveau nodig. In deze visie worden naast de fysieke problemen die in een wijk aanwezig zijn (verloederde woonomgeving, slechte staat woningen, verhouding koop/huur) ook de sociale problemen (werkloosheid, onveiligheid, drugsproblematiek, gebrek aan scholing) geanalyseerd. Vervolgens wordt een samenhangend pakket van ingrepen, die ook op economisch terrein kunnen liggen, benoemd en wordt de eventuele samenhang in de uitvoering van die ingrepen vastgelegd.

In 2002 is een onderzoek verricht naar de nut en noodzaak van een dergelijke integrale visie «sociale wijkvisie» genoemd (voorheen sociale woonvisie). Vervolgens zijn deze resultaten in een viertal regionale bijeenkomsten met gemeenten en corporaties besproken. Hierbij is gebleken, dat naast VROM vooral ook het ministerie van VWS betrokken zou moeten worden en dat in de praktijk vooral behoefte is aan een praktische handreiking waarin beschreven staat hoe men op wijkniveau de sociale en fysieke problematiek gelijktijdig kan aanpakken. Om deze reden wordt het vervolgtraject gezamenlijk met het ministerie van VWS opgepakt en is met een aantal gemeenten een kennisontwikkelingsprogramma sociaal-fysieke wijkaanpak gestart (eind 2002). Met een sociaal-fysieke aanpak wordt ingezet op het – via nieuwe combinaties – oplossen van problemen in plaats van het verplaatsen van problemen naar andere wijken. Een belangrijk onderdeel is daarbij de inspraak en betrokkenheid van bewoners en andere belanghebbenden.

Ad 2. Nieuwe woonarrangementen

In 2002 is een analyse gemaakt van de mogelijkheden voor realisering van nieuwe typen woonarrangementen. Op basis van deze inventarisatie is gekozen om woonarrangementen voor (probleem)jongeren nader te onderzoeken (de zogenaamde foyers de jeunesses). Foyers de jeunesses bieden jongeren die dat nodig hebben een steuntje in de rug bij het zelfstandig wonen. Ervaring in Engeland en Frankrijk zijn zeer positief te noemen (van alle jongeren doorloopt 80% het project succesvol, d.w.z. een baan of opleiding gestart en doorstromen naar een zelfstandige woning). In Nederland bestaan er slechts een beperkt aantal initiatieven (6). Voor Nederland kunnen foyers een positieve bijdrage leveren aan de stedelijke vernieuwing doordat de leefkwaliteit in de wijk wordt verbetert, er zowel een curatieve (aanpak van zwerfjongeren) als preventieve werking (minder jongeren in de reguliere hulpverlening) vanuit gaat en tenslotte het een positieve aanpak betreft van «moeilijke»huurders. Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende factoren belemmerend werken op het realiseren van woonarrangementen voor specifieke groepen:

• beperkte financieringsmogelijkheden door verkokering door hechte financiële en organisatorische koppeling tussen wonen en welzijn.

• financiële ondersteuning voor tijdelijke onzelfstandige woonruimte ontbreekt (IHS)

• huurbescherming maakt tijdelijke contracten, die voor een aantal woonvormen nodig zijn, lastig.

• angst van de buurt voor overlast betekent vaak lange procedures om voorzieningen gerealiseerd te krijgen

• beter gekwalificeerde starters verdringen in een krappe markt de minder weerbare groepen uit de woonruimte in het souterrain van de woningmarkt

• woningen die geschikt zijn voor begeleid wonen in kleine eenheden worden lang niet altijd gereserveerd voor de groepen die daarop zijn aangewezen

In 2003 worden in samenwerking met de betrokken ministeries (VWS, BZK) acties geformuleerd om de gesignaleerde knelpunten waar mogelijk weg te nemen.

Ad 3. Bewonersparticipatie

In 2002 is een onderzoek verricht naar de mogelijkheden om de betrokkenheid van bewoners te vergroten bij grootschalige herstructurering van wijken – maar ook bij kleinere ingrepen en beheer van wijken. Belangrijkste conclusie hierbij gold de knelpunten die zijn gesignaleerd in de wijze waarop burgers via inspraaktrajecten betrokken worden (communicatie gedurende alle fases van het proces bij uitvoering en beheer van de woonomgeving). In 2003 zal op basis van dit onderzoek een vervolgtraject worden ingegaan, dat zich richt op enerzijds het starten van experimenten en anderzijds het verzamelen van «best practices».

Ad 4. Voorzieningenstructuur op wijkniveau.

De sociale kwaliteit van de woonomgeving hangt in belangrijke mate af van de aanwezigheid van voorzieningen in de buurt of wijk. In 2002 heeft een analyse plaatsgevonden van de voorzieningenstructuur op wijkniveau. Daarbij gaat het om de gebouwde voorzieningen maar ook om de ongebouwde voorzieningen (openbare ruimte). Uit dit onderzoek is gebleken, dat het voorzieningenniveau in probleemwijken in vergelijking met de rest van Nederland niet minder of slechter is, maar in 37 wijken sterk onder de maat blijkt. Ook is uit het onderzoek gebleken, dat met name groen en de speelvoorzieningen een lage waardering krijgt van de bewoners in deze wijken en dat juist in deze wijken de sociale overlast bovengemiddeld groot is. Tenslotte geeft het onderzoek aan dat het aandeel van banken en postkantoren in wijken fors is afgenomen. Voor 2003 zullen aan de hand van deze resultaten vervolgacties geformuleerd worden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 5 Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgevingRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil
Verplichtingen18 03441 348– 23 314
    
Uitgaven43 29371 161– 27 868
Programma-uitgaven41 59469 395– 27 801
Bevorderen vernieuwing beleid voor wonen en zorg41 26044 732– 3 472
Huisvesting gehandicapten24 83729 314– 4 477
Woonzorgstimuleringsregeling16 42315 4181 005
    
Bevorderen sociale kwaliteit in de woonomgeving024 164– 24 164
Sociale vernieuwing024 164– 24 164
    
Onverdeeld programma334499– 165
Onderzoek326340– 14
Kennisoverdracht, experimenten e.a.845– 37
Communicatie-instrumenten0113– 113
    
Apparaatsuitgaven1 6991 766– 67
Ontvangsten2470247

Artikel 6 Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden

6.1 Algemene beleidsdoelstelling

De inrichting van het stedelijk gebied moet beter voorzien in een kwalitatief gedifferentieerde vraag naar ruimte voor uiteenlopende vormen van wonen, werken, voorzieningen, groen, recreatie, sport en infrastructuur. Dit binnen de eisen die verband houden met gezondheid en veiligheid. Dit beleid wordt uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

– verbeteren stedelijke inrichting

– cultuurhistorische identiteit

– architectonische kwaliteit.

6.2 Operationele doelstellingen

6.2.1. Verbeteren stedelijke inrichting

De opschorting van de parlementaire behandeling van de PKB Vijfde Nota en de voorbereiding tot aanpassing van het nationaal ruimtelijk beleid aan het Strategisch Akkoord hebben de totstandkoming van de BIRK-regeling (Budget Investeringen Ruimtelijk Kwaliteit) en de bespreking in de Tweede Kamer van het kabinetsstandpunt over intensief ruimtegebruik op bedrijventerreinen vertraagd. Dit heeft dan ook nog geen bijdrage kunnen leveren aan de operationele doelstelling.

Daarentegen zal de voortgang die conform de begroting is geboekt bij de planvorming voor de Nieuwe Sleutelprojecten de uitvoering van de operationele doelstelling dichterbij brengen, waarmee op termijn de kwaliteit van de stedelijke inrichting is gediend. De verschillende stimuleringsactiviteiten gericht op intensief en meervoudig ruimtegebruik hebben bevorderd dat de aandacht voor deze aspecten van de kwaliteit van de stedelijke inrichting op peil bleef, in het bijzonder bij de projecten die in KIEV-verband aan de orde kwamen. Dat de BIRK-regeling in 2002 nog niet tot stand is gekomen, stond niet in de weg dat vorderingen zijn gemaakt met de voorbereiding van een aantal projecten. De uitvoering van deze projecten zal uiteindelijk bij dragen aan de nagestreefde stedelijke kwaliteit.

Bestuurlijke overeenkomsten

De afspraken over verstedelijking tot 2010 tussen het Rijk, de provincies, kaderwetgebieden en G30 zijn door ingewikkelde onderhandelingen niet in het najaar van 2001 afgesloten, maar in februari/maart 2002. Afgesproken is dat er in 2003 definitieve verstedelijkingsafspraken zullen worden gemaakt. Daarbij zal ook worden betrokken, afhankelijk van de inhoud van de Nota Ruimte, hoe het Rijk en de stedelijke netwerken met elkaar samenwerken. Ter voorbereiding daarvan worden zowel door het Rijk als door provincies, kaderwetgebieden en gemeenten in 2003 plannen uitgewerkt.

Nieuwe Sleutelprojecten

Alle zes Nieuwe Sleutelprojecten bevinden zich in de fase van planvorming. Het rijk is medefinancier van belangrijke planonderdelen (basisvoorzieningen infrastructuur, kwaliteit ov-terminals en inrichting van de openbare ruimte), het stimuleert en faciliteert de integrale planvorming, die wordt getoetst op rijksbeleid. De gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het tempo van de NSP.

Ten opzichte van vorig jaar is bij de projecten Den Haag, Arnhem, Breda en Rotterdam een geringe vertraging opgetreden. Deze vertraging is met name te wijten aan het zorgvuldig onderzoeken van de financieringsmogelijkheden van de projecten, in combinatie met het optimaliseren van de masterplannen. De planning van de projecten Utrecht en Amsterdam Zuidas is ongewijzigd.

De planvormingsfase voor de projecten Den Haag/CS-Kwadrant, Arnhem Centraal/Coehoorn-Noord en Breda Spoorzone is zo goed als afgerond en wordt in 2003 definitief. Het langer doorlopen van de planvormingfase belemmert echter niet het maken van uitvoeringsafspraken tussen rijk en gemeente in 2003.

Bij het sleutelproject Rotterdam Centraal zijn het rijk en gemeente Rotterdam met een nieuw schetsontwerp van de terminal begonnen, vanwege financiële, vervoerskundige en stedenbouwkundige redenen. Als gevolg hiervan loopt de planvorming in 2003 en begin 2004 door. De uitvoeringsafspraken zijn gepland in 2004.

Voor het sleutelproject Stationsgebied Utrecht wordt de fase van planvorming eind 2003 afgerond, omdat in 2002 de gemeente een raadgevend referendum heeft gehouden over het uit te werken stedenbouwkundig plan. De uitvoeringsafspraken vinden in 2004 plaats.

Het project Amsterdam Zuidas doorloopt een tracé/m.e.r. procedure. Deze procedure zal in 2005 worden afgerond. Daarna worden uitvoeringsafspraken gemaakt.

Een en ander leidt tot het volgende overzicht:

Tabel 6.1 Planning en uitvoering nieuwe sleutelprojecten

NSP2002 (planning)2002 (realisatie)2003 (planning)2003 (actuele verwachting)2004 (planning)2004 (actuele verwachting)
AmsterdamPPPPUU
RotterdamP/UPUP P/U
UtrechtPPP/UPUU
Den HaagP/UPUP/U  
BredaP/UPUP/U  
ArnhemP/UPUP/U  

P = planvorming;

P= doorlopen planvorming, verandering t.o.v. vorig jaar;

P/U= afronding planvorming, zo mogelijk uitvoeringsafspraken;

U=uiterste termijn uitvoeringsafspraken

Intensief en meervoudig ruimtegebruik

Een omvangrijk onderzoek leverde een stappenplan met voorbeelden, dat als basis moet dienen voor een «Handreiking capaciteit bestaand bebouwd gebied». Deze handreiking biedt de gemeenten een onderlegger voor een systematische benadering van de capaciteit en de randvoorwaarden voor benutting.

Uit een tweetal vooronderzoeken bleek dat er voldoende informatie en aanleiding bestaat dieper in te gaan op zowel het economisch effect van (grotere) binnenstedelijke projecten, als op mogelijkheden en belemmeringen van het (her-) gebruik van woningen boven winkels.

De positie op afstand die het rijk inneemt bij beslissingen over intensief en meervoudig ruimtegebruik dicteert een instrumentenmix met een overheersend stimulerend karakter. Het onderzoek «Sturen met Stimuleren» bracht de theoretische aspecten van het stimuleren in beeld.

Een internationale vergelijking naar de wijze waarop met externe veiligheid wordt omgegaan is inmiddels afgerond. In opzet bedoeld als basis voor een visie op de samenhang ruimtelijke ordening en externe veiligheid en voor het omgaan met concrete knelpunten.

De beschikbare capaciteit is uiteindelijk niet ingezet om een geïsoleerde visie op te stellen over de samenhang tussen externe veiligheid en ruimtelijke ordening, maar is ingezet om de ruimtelijke inbreng te garanderen in onderstaande trajecten. Aandacht werd enerzijds gegeven aan het oplossen van concrete knelpunten (KIEV project) en anderzijds aan de door de projectdirectie Externe Veiligheid geplande discussie over het groepsrisico en ketenstudies voor een drietal gevaarlijke stoffen. Dat laatste verschafte de gelegenheid om de ruimtelijke zienswijze op te nemen in de desbetreffende beleidsontwikkeling. Uitgangspunt daarbij was dat onnodige belemmering vanwege veiligheidsnormen aan verstedelijkingsmogelijkheden moet worden voorkomen.

De relatie tussen intensief ruimtegebruik en veiligheidseisen vormen expliciet onderdeel van de werkzaamheden van het project KIEV (Knelpunten Infragerelateerde investeringsprojecten en Externe Veiligheid). In dit project wordt in interdepartementaal verband samen met gemeenten besluitvorming voorbereid over projecten waar de ruimtelijke voornemens op gespannen voet staan met het veiligheidsbeleid. (Zie ook beleidsprioriteit «Verkleinen veiligheidsrisico's van ruimtelijke ontwikkelingen»).

Voor de inspanningen voor intensief en meervoudig ruimtegebruik, die in het kader van IPSV plaatsvonden, wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf van het jaarverslag.

De projectgroep Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) heeft in maart 2002 zijn werkzaamheden afgerond. Het rapport van de projectgroep, «Verzameld Werk», is in mei jl. aan de Kamer aangeboden.

Het kabinetsstandpunt luidde dat een herkenbaar nationaal aanspreekpunt moet worden opgericht dat een strategie voor zorgvuldig ruimtegebruik moet ontwikkelen. Belangrijke elementen van die strategie zijn kennisontwikkeling, communicatie, advisering-op-maat en onderzoek naar effecten van financiële prikkels.

De strategie moet belangrijke hindernissen voor intensief en meervoudig ruimtegebruik door ondernemers en gemeenten wegnemen en de prikkel voor gewenste maatregelen versterken.

Duurzame ontwikkeling van stedelijke netwerken

In de begroting 2002 was naast het instellen van een Budget Investeringen Ruimtelijk Kwaliteit (BIRK), met aanwijzing van 3 prioritaire toepassingsgebieden (overkluizing en verdiepte aanleg van infrastructuur, externe veiligheid bij intensief ruimtegebruik en versterking van groen-blauwe kwaliteit in en nabij de stedelijke netwerken), sprake van een aparte saneringsregeling die begin 2002 aan de Tweede Kamer zou worden voorgelegd.

In een brief van 22 maart 2002, (zie kamerstuk 27 578 nr. 13) heeft minister Pronk de Tweede Kamer geïnformeerd over de integratie van de saneringsregeling in het BIRK. Als gevolg van de vertraging van de Vijfde Nota zijn de oorspronkelijke 3 toepassingsgebieden toegespitst tot 2, te weten: 1) centrumvorming in de 30 centra van de nationale stedelijke netwerken en 2) versterking en ontwikkeling van de nationale landschappen. De formulering van deze toepassingsgebieden wijkt daarmee dus af van de in de begroting 2002 omschreven toepassingsgebieden. De minister heeft daarnaast aandacht gevraagd voor 5 urgente projecten en de aanpak van het BIRK. Van deze projecten verkeren er 4 in de uitvoeringsfase, te weten: verplaatsing verffabriek Hasco Schoonhoven, uitkoop kassen Bommelerwaard, verlaagde passage A4-HSL-Zuid bij Hoogmade, W4-Masterplan Leiderdorp. Ten behoeve van het 5e project, sanering LPG-tankstations (urgente gevallen), wordt de laatste hand gelegd aan het opstellen van een Algemene Maatregel van Bestuur.

Naast deze urgente projecten zijn op basis van eerdere toezeggingen van de minister de volgende projecten in voorbereiding genomen: Roosendaal, Venlo, Sittard/Maastricht/Sas van Gent, Midden-Delfland, Renkumse Beek en Chloordeal (AKZO-Nobel). Verder is het project Spoorzone Delft in voorbereiding genomen. Hier is geen sprake van een toezegging, wel is er inmiddels een procesovereenkomst met de gemeente tot stand gekomen. De Tweede Kamer heeft door middel van het budgetrecht bij de departementen van V&W, LNV en VROM financiële middelen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het project «Hart voor Dieren». In 2002 heeft hierover nog geen definitieve besluitvorming plaatsgevonden omdat de planstudie nog niet afgerond is.

Om het BIRK van duidelijke criteria te voorzien is een relatief eenvoudige ministeriële regeling gemaakt, gebaseerd op art. 50 WRO juncto art. 38a BRO. Vervolgens is deze regeling voorgelegd aan de minister. In september heeft de minister aangegeven de BIRK-regeling te willen koppelen aan het Vijfde Nota traject, waartoe de uit te brengen Stellingnamebrief de eerste aanzet zou vormen.

Tabel 6.2 Projecten BIRK Bedragen in EUR 1 mln.

Projecten in de uitvoeringsfase
Uitplaatsing verffabriek Hasco te Schoonhoven
W4-Masterplan bij Leiderdorp
Verlaagde kruising A4-HSL bij Hoogmade
Aankoop kassen in de Bommelerwaard
Sanering LPG-stations (opstelling Algemene Maatregel van bestuur)
Projecten in de uitwerkingsfaseToegezegd
Emplacement Venlo27,2
Emplacementen Sas van Gent, Sittard en Maastricht28,2
Emplacement Roosendaal34,0
Hart voor Dieren15,0
Renkumse Beek6,3
Akzo-deal27,0
Spoortunnel Delft
Midden Delfland

6.2.2. Cultuurhistorische identiteit

Het project Belvedere heeft eraan bijgedragen dat aandacht voor cultuurhistorische identiteit in het beleid van andere overheden een steviger plaats krijgt.

Belvedere

Op grond van de subsidieregeling Belvedere worden stimuleringssubsidies verstrekt aan projecten die de realisering van het beleid bevorderen. De derde subsidieronde van Belvedere heeft 79 subsidieaanvragen opgeleverd. Het Stimuleringsfonds voor Architectuur dat de regeling vanaf 2002 uitvoert heeft de aanvragers intensief begeleid. Doordat de subsidieregeling is aangepast komen alle lokale initiatieven zowel binnen als buiten Belvederegebieden in aanmerking voor subsidie voor een lokaal project. Geslaagde lokale projecten worden uitgedragen via publicaties en minisymposia.

Voor de uitvoering van het Belvedere beleid wordt in eerste instantie gewerkt aan het beter inzetten van bestaande sectorale middelen. Daarbij kan gedacht worden aan ontwikkelingsgerichte gebiedsstrategieën voor het landelijk gebied en aan investeringen in de leefbaarheid van de steden.

Uit de eerste voortgangsrapportage die door de vier verantwoordelijke bewindslieden (OCenW, LNV, VROM en VenW) begin 2002 aan de Tweede Kamer is gestuurd (kamerstuk 26 663, nr. 10) blijkt dat er veel in gang is gezet en dat Belvedere in korte tijd een grote bekendheid heeft verworven. Voor 7 van de 12 provincies vormt cultuurhistorie op dit moment al een hoofdlijn van beleid (in het huidige of toekomstige streek- of omgevingsplan).

Bij gemeenten bestaat echter een kennistekort ten aanzien van cultuurhistorie en ruimtelijke planvorming. Dit is nodig voor een goede integratie van cultuurhistorie in ruimtelijke planvorming. Om de kennis over inhoud en proces te bevorderen is o.a. een website Belvedere.nu ontworpen. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de problemen die gemeenten hebben met de doorwerking van cultuurhistorie in ruimtelijke plannen.

Ook worden via excursies en discussiebijeenkomsten gemeentebestuurders enthousiast gemaakt voor de nieuwe denk- en werkwijze van omgaan met cultuurhistorisch erfgoed in de ruimtelijke planvorming. Er zijn NIROV cursussen «Belvedere op de werkvloer» gestart.

Samen met de VNG wordt gekeken of via een modelverordening Belvedere de doorwerking van Belvedere in het gemeentebeleid bevorderd kan worden.

In 2002 is gewerkt aan het helder krijgen van de kansen voor een tweede nationaal project de Limes. Dit project richt zich op het veiligstellen en tegelijkertijd beleefbaar maken van de in de ondergrond nog aanwezige overblijfselen van de historische noordgrens van het Romeinse rijk, die in Nederland gevormd werd door de Rijn (Zie kamerstuk 26 663, nr. 10).

Beheer rijksmonumenten

De Rgd heeft meer dan 200 monumenten in bezit, waaronder 62 monumenten met een primaire erfgoedfunctie. Deze monumenten maken deel uit van het Nederlandse cultuurhistorisch erfgoed. Tegen deze achtergrond moet de Rijksgebouwendienst inhoud geven aan de plicht zijn monumenten te verzorgen, te conserveren en te restaureren.

Onderhoud en beheer aan de monumenten vindt voortdurend plaats.

Tabel 6.3 Uitgevoerde prestaties 2002

Operationeel doel: Versterken cultuurhistorische identiteit
Beheer 222 (rijks)monumenten met rijkshuisvestingsfunctie
Instandhouding 62 monumenten met een primaire erfgoedfunctie

6.2.3 Architectonische kwaliteit

Met het architectuurbeleid wordt beoogd het scheppen van gunstige voorwaarden voor de totstandkoming van architectonische kwaliteit en tevens het geven van architectonische impulsen aan de stedelijke en landschappelijke ontwikkeling in Nederland. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan de bredere adviestaak van de Rijksbouwmeester die zich verder uitstrekt dan alleen de rijksgebouwen. In de Derde Architectuurnota 2001–2004 is uitwerking gegeven aan dit beleid.

Zo verstrekt VROM subsidie «ter ondersteuning van het vakgebied en de verspreiding van kennis» aan instellingen zoals het Berlage instituut. In de voorbeeldfunctie van het Rijk krijgt het streven naar integrale ontwerpkwaliteit verder gestalte. Daarenboven wordt met de toepassing van beeldende kunst bij rijkshuisvesting een culturele dimensie aan de leefomgeving toegevoegd.

Middels participatie in een groot aantal nieuwbouw- en restauratieprojecten waarborgt de Rijksbouwmeester de architectonische kwaliteit van rijkshuisvesting. Belangrijke projecten die worden voorbereid en waarover advies is uitgebracht zijn onder andere Nieuwbouw en tijdelijke huisvesting Internationaal Strafhof Den Haag en het penitentiair complex Scheveningen. In ontwerpfase zijn onder andere het Nieuwe Rijksmuseum Amsterdam en restauratie van het Catshuis Den Haag.

Het imago van de percentageregeling voor beeldende kunst is verbeterd middels een serie publicaties en de oplevering van de kunst bij verschillende overheidsorganen.

Tabel 6.4 Uitgevoerde prestaties 2002

Operationeel doel: Architectonische kwaliteit
Subsidieverstrekking ter ondersteuning vakgebied en verspreiding kennis
Voorbeeldfunctie rijkshuisvesting
Toepassing beeldende kunst in rijkshuisvesting

6.3. Groeiparagraaf

Ten behoeve van de monitoring en evaluatie van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is in 2002 een evaluatiefilosofie ontwikkeld en een (voorlopig) meerjarenonderzoeksprogramma opgesteld. In 2002 heeft tevens de nulmeting op basis van deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening plaatsgevonden. Doordat deel 3 van de Vijfde Nota nog niet is vastgesteld, is ook de uitvoering van het meerjarenprogramma onderzoek vertraagd.

Niettemin zijn enkele onderzoeken uit dit evaluatieprogramma in 2002 reeds uitgevoerd dan wel opgestart:

Afgeronde onderzoeken

• simulatie rode contouren

• Balans Ruimtelijke kwaliteit 2001

Lopend onderzoek

• nulmeting: stedelijk gebied

• monitor voortgang verstedelijking Vinex

• monitor veroudering en herstructurering bedrijventerreinen

Het is niet mogelijk geweest om in 2002 het evaluatie- en monitoringprogramma van de Vijfde Nota definitief vast te stellen, aangezien de procedure van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening nog niet is afgerond en het beleid nog in ontwikkeling is. Het toekomstige traject van de Nota Ruimte zal bepalend zijn voor het moment waarop dit wel mogelijk is.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 6 Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebiedenRealisatie2002Vastgestelde begroting 2002Verschil2002
Verplichtingen45 93824 18221 756
    
Uitgaven21 01032 940– 11 930
Programma-uitgaven16 15328 175– 12 022
Verbeteren stedelijke inrichting4 96613 716– 8 750
Investeringsbijdrage overkapping A208 168– 8 168
Nieuwe Sleutelprojecten2 2296441 585
Vijfde Nota uit FES-fonds36036
Stimuleringsregeling intensief ruimtegebruik1374 574– 4 437
Stimuleren opzet digitale bestemmingsplannen606330276
Investeringsbijdrage uitvoering verstedelijking1 95801 958
    
Cultuurhistorische identiteit7 2928 264– 972
Belvedere01 815– 1 815
Beheer rijksmonumenten7 2926 449843
    
Architectonische kwaliteit3 2674 433– 1 166
Architectuurbeleid3 2674 433– 1 166
    
Onverdeeld programma6281 762– 1 134
Overig stedelijk146417– 271
Onderzoek RGD1901 232– 1 042
Onderzoek DGR2730273
Communicatie-instrumenten19113– 94
    
Apparaatsuitgaven4 8574 76592
Juridische instrumenten2440244
Apparaat DGR4 6134 765– 152
    
Ontvangsten591357234

Toelichting:

Verbeteren stedelijke inrichting:

De reconstructie/integratie van de A2 draagt bij aan de verbetering van de stedelijke inrichting. VROM heeft daarom aan dit project een financiële bijdrage geleverd. De bijdrage van VROM is overgeheveld naar het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Ook heeft VROM een bijdrage geleverd aan de verlaagde passage A4-HSL Zuid bij Hoogmade. Door deze constructie kan de spoorlijn de weg op maaiveldhoogte kruisen. Bij 1e suppletore wet 2002 is hiervoor een bedrag van € 7,9 mln uit het FES op de VROM begroting bijgeboekt. Bij 2e suppletore wet 2002 is dit bedrag overgeboekt naar het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Het doel van de Nieuwe Sleutelprojecten is dat majeure investeringen in het HSL-netwerk tegelijkertijd worden gebruikt voor stedelijke vernieuwing. Op dit moment vinden alle zes Sleutelprojecten zich nog in de fase van de planvorming. Binnen de VROM-begroting zijn middelen vrijgemaakt voor de, in 2001, nieuw opgezette interdepartementale projectorganisatie.

Om gelijksoortige doelen te bundelen zijn een deel van de activiteiten van het StIR programma overgeplaatst naar het IPSV.

Verder zijn uitgaven gedaan in het kader van het beleid voor de bestuurlijke overeenkomsten en regioconvenanten (waaronder Deltamatropool/Almere) en voor de opzet van de organisaties KIEV en BIRK. Voor Almere is een ontwikkelingsplan opgesteld. Naast een substantiële inhoudelijke bijdrage neemt het rijk ook nog een groot deel van de proceskosten voor zijn rekening.

Cultuurhistorische identiteit

Het project Belvedere draagt eraan bij dat aandacht voor cultuurhistorische identiteit in het beleid van andere overheden een steviger plaats krijgt. Op rijksniveau geven de ministeries van VROM, LNV en OC&W vanuit een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid gestalte aan de uitvoering van dit beleid. Bij 2e suppletore begroting 2002 zijn de VROM middelen hiervoor overgeheveld naar het Ministerie van OC&W dat als coördinerend departement optreedt.

Het budget voor beheer rijksmonumenten is op basis van gewijzigde programmering in 2002 verhoogd. De realisatie is achtergebleven bij de programmering vanwege vertraging in de uitvoering van een aantal projecten waardoor de afronding in latere jaren dan gepland zal plaatsvinden.

Architectonische kwaliteit

De activiteiten van het Architectuurbeleid zijn conform planning uitgevoerd. De bijbehorende uitgaven vinden deels in 2003 plaats.

Onverdeeld programma

Ten behoeve van de monitoring en evaluatie van de Vijfde Nota is in 2002 een evaluatiefilosofie ontwikkeld en een (voorlopig) meerjaren onderzoeksprogramma opgesteld. Enkele onderzoeken zijn in 2002 reeds uitgevoerd dan wel opgestart. Een herverdeling van de beschikbare onderzoeksmiddelen heeft budgettair neutraal plaatsgevonden.

Artikel 7. Verbetering integrale milieukwaliteit op lokaal niveau

7.1 Algemene beleidsdoelstelling

VROM stimuleert de verbetering van de milieukwaliteit van zowel het stedelijk als het landelijk gebied, met het oog op een duurzame ontwikkeling in de directe leefomgeving. Milieuvraagstukken, die spelen op lokaal en regionale schaal, worden bij voorkeur integraal aangepakt aangezien separate thematische benaderingen daar vaak niet leiden tot een optimale oplossing.

Het beleid is met name gericht op het daadwerkelijk voorkomen en terugdringen van geluidhinder, van veiligheidsrisico's van industriële activiteiten en van risico's van lucht- en bodemverontreiniging. Artikel 7 is gericht op het bevorderen van de lokale uitvoering van het milieubeleid; de normstelling en instrumentatie op nationale schaal is onderdeel van artikel 10. Het beleid is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• lokale milieukwaliteit (inclusief gebiedsgericht milieubeleid);

• uitvoering bodemsanering;

• geluidsreductie;

• waarborgen externe veiligheid.

7.2 Operationele doelstellingen

7.2.1 Lokale milieukwaliteit (incl. gebiedsgericht beleid)

Doel van het beleid is het vergroten van de samenhang tussen milieu- en ruimtelijk beleid, tussen het beleid van de verschillende overheden en van de verantwoordelijkheid van andere overheden voor de plaatselijke leefomgeving.

Mede op grond van de onderstaande beleidsprestaties mag geconcludeerd worden, dat in 2002 de samenhang tussen milieu- en ruimtelijk beleid verder vergroot is. De uitspraak van de Tweede Kamer de Stad en Milieu werkwijze structureel in de wet- en regelgeving te willen verankeren, was een belangrijke stap. De voorbereiding van die structurele verankering is in 2002 ter hand genomen en het is de intentie om deze per 1 januari 2004 te doen ingaan. Een van de belangrijkste elementen van deze werkwijze is immers, dat milieu vanaf het begin een integraal onderdeel vormt van de ruimtelijke planvorming.

De voortgang van het gesprek tussen gemeenten, provincies, waterschappen en rijk, ter voorbereiding van een bestuursovereenkomst over Milieu In de Leefomgeving (MILO) heeft betrekking op het vergroten van de samenhang tussen het beleid van de verschillende overheden naar het vergroten van de verantwoordelijkheid van andere overheden voor de plaatselijke leefomgeving. Deze voortgang is zodanig positief, dat verwacht kan worden dat in 2003 een goede bestuursovereenkomst kan worden gesloten.

Het opstellen van een rijksbijdrage inzake bestuursafspraken leefomgeving met andere overheden (minimum- en gebiedskwaliteiten)

In 2002 is een plan van aanpak opgesteld om de opdracht uit het NMP4 uit te werken in een handreiking voor de praktijk en in bestuurlijke afspraken. Vervolgens is een werkstructuur van de vier deelnemende overheidspartijen (IPO, VNG, UvW en VROM) in het leven geroepen en is het werk aan vier deelprojecten gestart, te weten Gebiedstypologie en kwaliteitsambities, Minimumkwaliteit, Proceseisen en Flankerend beleid. In december 2002 hebben deze deelprojecten gerapporteerd en is een proeve van een gebiedstypologie opgeleverd met bijbehorende kwaliteitsambitie alsmede een beschrijving van de werkwijze om in het bijzonder op gemeentelijke niveau tot een milieugebiedsvisie te komen.

Evaluatie van de Stimuleringsregeling Gebiedsgericht Milieubeleid (SGM)

De Stimuleringsregeling Gebiedsgericht Milieubeleid (SGM) is per 2002 opgevolgd door de Stimuleringsregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB). Deze nieuwe regeling valt zowel onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV), Ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W) als van het Ministerie van VROM en zet zodoende een flinke stap op weg naar de ontschotting en ontkokering van het financieel instrumentarium ten behoeve van het landelijk gebied. Een tweetal artikelen (18 en 19) van de regeling zijn nog niet in werking getreden omdat er geen EU-goedkeuring is. Deze goedkeuring is door de EU gekoppeld aan de uitkomst van de discussies over nitraat. Met de provincies zijn afspraken gemaakt over de uitvoering van de SGB in de Bestuursovereenkomst en het Uitvoeringscontract Gebiedsgericht Beleid Landelijk Gebied 2002–2006.

De evaluatie van de SGM is de verantwoordelijkheid van VROM. Omdat de regeling met een jaar is verlengd, is ook de evaluatie later tot stand gekomen. Begin 2003 zal deze naar de Tweede Kamer gezonden worden. Uit deze evaluatie blijkt dat de subsidieregeling zijn doel om gebiedsgericht werken te stimuleren heeft bereikt en dat het geldbedrag, dat via de SGM beschikbaar is gesteld voor projecten, in de regel een relatief klein deel betrof van het totaal benodigde en beschikbaar gekomen bedrag.

Follow up Stad en Milieu

Voor het ruimtelijk en milieubeleid is bundeling van stedelijke functies (de compacte stad) beleidsmatig gewenst, maar analyses van een aantal jaren geleden wezen erop dat het het soms lijkt dat in de uitwerking specifieke normstelling een dergelijke intentie soms tegenwerkt c.q. onmogelijk maakt. In het Stad en Milieu project is bij 25 experimenten ervaring opgedaan met een wijze van planvorming, waarbij milieu vanaf het begin integraal onderdeel vormt van de ruimtelijke planvorming. Het project wil nagaan of bij een dergelijke werkwijze, en bij het maximaal benutten van de regelgeving en bronbeleid, het noodzakelijk blijft in incidentele gevallen af te moeten wijken van bestaande normstelling. Dit blijkt slechts in een zeer beperkt aantal gevallen noodzakelijk.

Op 12 september 2002 heeft overleg plaatsgevonden met de Tweede Kamer, waarbij is geconcludeerd dat een structurele verankering van de Stad & Milieu-aanpak wenselijk is zowel voor het stedelijk als het landelijk gebied.

In een brief die begin november 2002 door de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003) is gezonden, geeft VROM aan dat de wettelijke verankering van Stad en Milieu per 1-1-2004 wordt gerealiseerd. De Staatssecretaris zal nog onderzoeken in hoeverre de uitbreiding naar het landelijk gebied (een verzoek van de Tweede Kamer) hier meteen bij betrokken kan worden.

In 2002 is verder gewerkt aan de 25 experimentprojecten1; in dat kader is in juni 2002 het stap 3-besluit van de gemeente Arnhem voor het experiment Malburgen goedgekeurd door de minister van VROM. De experimenten bevinden zich in zeer verschillende fasen van uitvoering. De verwachting is dat slechts enkele projecten in 2003 kunnen worden afgesloten. Als de overige projecten een afwijkingsmogelijkheid nodig hebben, dan kunnen zij gebruik maken van de bovengenoemde wettelijke verankering van Stad en Milieu per 1 januari 2004.

Het aanbieden van het wetsvoorstel MIG aan de Tweede Kamer

Het wetsvoorstel MIG is niet meer naar de Tweede Kamer gestuurd. Het nieuwe kabinet heeft besloten een fasering in het wetgevingstraject in te bouwen.Een aangepast conceptwetsvoorstel zal in de zomer 2003 voor advisering aan de Raad van State worden voorgelegd en vervolgens in januari 2004 aan de Tweede Kamer.

Het wetsvoorstel naar TK ter implementatie EU-richtljn omgevingslawaai

De voorbereiding van het wetsvoorstel ter implementatie van de EU-richtlijn is in 2002 zodanig gevorderd dat een wetsvoorstel in februari 2003 aan de Raad van State voor advies is voorgelegd. Dit wetsvoorstel zal vervolgens in juni 2003 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. De implementatie van de EU-richtlijn dient (zoals Europees is voorgeschreven) uiteindelijk op 18 juli 2004 te geschieden.

Rapportage Luchtkwaliteit

In 2002 heeft de eerste rapportageronde op basis van het nieuwe besluit aan de EU plaatsgevonden. Uit de rapportage, gebaseerd op RIVM gegevens over gemiddelden voor grotere gebieden, blijkt dat er geen overschrijdingen van plandrempels plaatsvinden. Op basis van deze gegevens is aan de EU gerapporteerd. Daarnaast is door gemeenten en het ministerie van V&W ook de luchtkwaliteit op specifieke locaties berekend. Uit die berekeningen komt een groot aantal overschrijdingen naar voren. Echter bij toetsing van deze modeluitkomsten aan meetgegevens is geconstateerd dat bepaalde modeluitkomsten nog onvoldoende betrouwbaar zijn. Intussen zijn de desbetreffende modellen verbeterd en zal over 2002 een voldoende betrouwbare rapportage kunnen worden gemaakt. Voor de overschrijdingssituaties, die hieruit naar voren komen, zullen bestrijdingsplannen moeten worden opgesteld.

Het opstellen van een wijzigingsAMvB van het Besluit luchtkwaliteit ter implementatie 2e en 3e dochterrichtlijnen luchtkwaliteit

In 2002 is de betreffende wijzingsAMvB voorbereid. De betreffende regelgeving is echter nog niet in procedure gebracht omdat nog overeenstemming moet worden bereikt over het gewenste niveau, waarop de Europese luchtkwaliteitsnormstelling vastgelegd dient te worden. Hierover wordt intensief van gedachten gewisseld met de Tweede Kamer.

7.2.2. Uitvoering bodemsanering

Doel van het beleid is het streven naar een versnelling van de bodemsaneringsoperatie met als concrete doelen (NMP3) van het vernieuwde bodemsaneringsbeleid:

• het in kaart brengen van het landsdekkend beeld inzake de omvang van de bodemverontreiniging voor 2005 (bijvoorbeeld door middel van bodemkwaliteitskaarten);

• de beheersing van de bodemverontreinigingsproblematiek per 2023. Gezien de onderstaande beleidsprestaties mag geconcludeerd worden dat er in 2002 goede vooruitgang is geboekt. De positie van de provincies en gemeenten is versterkt door het feit dat de nieuwe (ruimere) saneringsdoelstellingen wettelijk zijn verankerd en door het feit dat financiële middelen beschikbaar zijn gesteld voor de uitvoering van een meerjaren ontwikkelingsprogramma. In dit programma is ten opzichte van de situatie met aparte jaarbudgetten voor bodemsanering sprake van een aanzienlijke verbetering van de samenhang tussen milieu- en ruimtelijk beleid. Bodemverontreiniging wordt dan ook minder vaak een knelpunt in de aanpak van de stedelijke vernieuwing. De komende jaren zal gestreefd worden naar een vergelijkbare verbetering op het gebied van de plattelands-vernieuwing.

In 2002 heeft de Tweede Kamer het kabinetsstandpunt beleidsvernieuwing bodemsanering (BEVER) besproken. Bij de bespreking daarvan heeft de minister een aantal toezeggingen gedaan.

Ten aanzien van de toezegging dat de inspectie meer toezicht zal uitoefenen bij lopende saneringen kan gemeld worden dat de activiteit en de benodigde capaciteit zijn opgenomen in het werkplan 2003 van de inspectie. Uit eerdere onderzoeken naar de handhaving door het bevoegd gezag bij bodemsaneringen beschikt de inspectie reeds over een inhoudelijk beoordelingskader voor de uitvoering van deze toezichtsactiviteit. De uitvoering zal in 2003 plaatsvinden.

Verder is toegezegd dat het beleid ten aanzien van bodembeheer en bodemsanering beter op elkaar wordt afgestemd. Hiervoor is een werkgroep ingesteld, samengesteld uit vertegenwoordigers van de diverse bodemoverheden, onder voorzitterschap van het IPO.

Zij heeft eind 2002 haar schets voor een herzien beleidskader gepresenteerd. De werkgroep zal medio 2003 haar conclusies en aanbevelingen gereed hebben. De aanbevelingen zullen waar nodig meegenomen worden in het wetsvoorstel wijziging WBB.

In het kader van de eerste doelstelling is in 2002 een Stappenplan Landsdekkend Beeld gepubliceerd. Voor het belangrijkste onderdeel van dat landsdekkend beeld: het in beeld brengen van de omvang van de bodemsaneringsoperatie voor wat betreft de landbodems (in aantallen en kosten) is de eerste peildatum vervroegd tot januari 2004. Het Stappenplan en de daarop gebaseerde Circulaire Landsdekkend Beeld fase 1 Nulmeting Werkvoorraad Landbodems creëren duidelijkheid voor de bevoegde gezagen die dit beeld voor hun regio tot stand moeten brengen. Tevens scheppen ze zoveel mogelijk waarborgen voor een uniforme aanpak.

In het kader van de tweede doelstelling zijn de volgende beleidsmatige keuzes gemaakt:

• Het vervangen van de saneringsdoelstelling «multifunctioneel» door twee nieuwe saneringsdoelstellingen: functiegericht (immobiele verontreiniging in de bovengrond) en kosteneffectief verwijderen (mobiele verontreiniging, veelal in het grondwater); In 2002 zijn het Besluit en de Regeling Locatie Specifieke Omstandigheden tot stand gekomen. Hiermee is voor de functiegerichte aanpak de rechtsgrond gecreëerd.

• Het vijfjaarlijks programmeren van de bodemsaneringsoperatie door de bevoegde gezagen, waardoor er meer flexibiliteit ontstaat in de uitvoering. In 2002 heeft een herijking plaatsgevonden van de bodemmodules in de meerjarenprogramma's ISV 2000 t/m 2004. Er is € 60 miljoen aan verplichtingenbudget extra ter beschikking gesteld aan de bevoegde gezagen. Voor de uitvoering van de bodemsanering in het landelijk gebied zijn in 2002 voor de eerste maal meerjarenprogramma's 2002–2004 vastgesteld en meerjarige budgetten ter beschikking gesteld. Dit laatste was mede mogelijk door de aanpassing van de Regeling Financiële Bepalingen Bodemsanering in 2002. Deze meerjarige toezeggingen aan provincies en gemeenten voor het landelijk gebied zijn uitgebreid met middelen ten behoeve van de uit te voeren programma's 2002–2004 voor de sanering van de gasfabrieksterreinen.

• Het systematisch monitoren van de voortgang van de bodemsaneringsoperatie. In 2002 is het tweede jaarverslag, over het jaar 2001, aan de Tweede en Eerste Kamer aangeboden.

Het wetsvoorstel voor wijziging van de WBB is niet, zoals was voorzien, in 2002 aan de Kamer aangeboden. De reden hiervoor is het feit dat de afstemming van de saneringsdoelstelling voor landbodems en waterbodems meer tijd vraagt dan was voorzien. Functiegericht en kosteneffectief saneren heeft bij waterbodems, die onderdeel zijn van een dynamisch watersysteem, een geheel andere betekenis dan bij landbodems. Verder diende in de departementale voorbereiding nog extra aandacht besteed te worden aan het hoofdstuk met financiële bepalingen en aan de definitieve vormgeving van de bedrijven-regeling met de bijbehorende draagkrachtregeling. Aanbieding van het wetsvoorstel is nu voorzien voor medio 2003.

In de tweede suppletore begrotingswet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 706 nr. 3) is een uiteenzetting gegeven van het nieuwe financiële regime bij bodemsanering. Tevens is ingegaan op de problematiek dat bij het toekennen van de middelen voor een meerjarenperiode nog onvoldoende zicht bestaat op de aard en omvang van de werkelijk in die programmaperiode uit te voeren saneringen. Tenslotte is aangegeven welke maatregelen genomen zijn om deze problematiek op te lossen.

De stand van zaken van de uitvoering van de bodemsaneringsoperatie in 2002 kan aan de hand van de onderstaande tabel worden afgelezen:

Tabel 7.1: Voortgang bodemsaneringsoperatie (in aantallen afgeronde gevallen)

 aantal gepland 2002:aantal uitgevoerd 2002:
* Sanering stedelijke gebieden (in het kader van ISV):  
Oriënterende Onderzoeken400545
Nadere Onderzoeken100160
Saneringen3028
* Sanering in het landelijk gebied en waterbodems (in het kader van Wbb):  
Oriënterende Onderzoeken1 000284
Nadere Onderzoeken10099
Saneringen6050
* Sanering bij bedrijven en branches (sanering in eigen beheer):  
Oriënterende Onderzoekenn.v.t.n.v.t.
Nadere Onderzoeken1 7001 018
Saneringen1 200650

Toelichting:

Eén van de hoofddoelstellingen van het bodembeleid is het wegnemen van ruimtelijke en maatschappelijke stagnatie als gevolg van bodemverontreiniging. In stedelijk gebied is het ISV daarvoor een centraal instrument. Het aantal door de bevoegde overheden gemelde onderzoeken en saneringen in ISV-kader heeft in 2002 een forse stijging te zien gegeven ten opzichte van 2001. De gewenste groei heeft zich voorgedaan. Voor onderzoeken geldt dat de aantallen zelfs groter zijn dan de in 2001 in de begroting voor 2002 opgenomen geraamde aantallen. Aangezien tussen het tijdstip van het eerste onderzoek en de feitelijke sanering vaak sprake is van meerdere jaren, mag er in de komende jaren gerekend worden op een verdere stijging van het aantal afgeronde saneringen in ISV-kader. Hierdoor zal bodemverontreiniging in stedelijk gebied minder aanleiding geven tot ruimtelijke stagnatie.

De bijdrageregeling Wbb was tot 2000 het instrument voor de financiering van alle bodemsanering door de overheid. Sinds die tijd is het een instrument voor met name de aanpak door de overheid in het landelijk gebied. Het aantal afgeronde saneringsprojecten is ten opzichte van 2001 redelijk stabiel gebleven. Het aantal oriënterende onderzoeken is flink achtergebleven bij de ramingen. Dit type onderzoek blijkt veel minder noodzakelijk te zijn voor het totstandbrengen van een landelijk beeld bodemkwaliteit dan aanvankelijk voorzien.

Met name de provincies hebben in 2001 erg veel capaciteit geïnvesteerd in de totstandkoming van dat landsdekkend beeld waardoor er ook minder capaciteit beschikbaar was voor het uitvoeren van oriënterende onderzoeken. Omdat er nog veel niet-gesaneerde locaties zijn waar een saneringsverplichting op rust, zal het aantal saneringen nog niet direct teruglopen als gevolg van het teruglopen van het aantal onderzoeken in Wbb-kader in 2002. Dat wordt anders als er sprake is van een structurele ontwikkeling.

Een andere belangrijke doelstelling van het bodemsaneringsbeleid is het toe laten nemen van de inzet van derden (niet overheden) voor de bodemsaneringsoperatie. De ontwikkelde interim-regeling voor de sanering door bedrijven van in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen is daar een belangrijk voorbeeld van. De cijfers over de behaalde resultaten in 2002 in het segment «saneringen in eigen beheer» stellen daarom in eerste instantie teleur. Verklaringen voor deze cijfers zijn echter dat er in 2002 nog geen gebruik gemaakt kon worden van de bedrijvenregeling en dat er waarschijnlijk door bedrijven «gewacht» is op de totstandkoming van deze regeling. Daarnaast is bij enkele bevoegde overheden in 2002 sprake van forse administratieve achterstanden in de verwerking van evaluatierapporten over bodemsaneringsprojecten. Tenslotte is een belangrijke reden het aflopen van saneringsprogramma's voor enkele grootsaneerders. Met name bij de sanering van benzinetankstations gaat het daarbij om minus 150 saneringen ten opzichte van 2001.

De voortgang van de bodemsaneringsoperatie alleen in «aantallen» onderzoeken en saneringen beoordelen geeft overigens geen volledig beeld. Zo was het oppervlak van de in 2001 afgeronde saneringsprojecten 115 hectare. In 2002 ging het bij minder projecten, om bijna hetzelfde oppervlak, namelijk 110 ha. De schijnbare discrepantie met de forsere terugval bij het aantal afgeronde saneringen kan verklaard worden vanuit het feit dat het bij overheidssaneringen (met ISV- en Wbb-middelen) over het algemeen om grotere (en complexere) projecten gaat.

In het jaarverslag bodemsanering over 2002 – de monitoringsrapportage – zijn meer cijfers over de bodemsaneringsoperatie en een uitgebreidere toelichting opgenomen.

Zodra de omvang van de bodemverontreinigingsproblematiek in 2005 volledig in beeld gebracht is, kunnen de realisatiecijfers afgezet worden tegen de totale werkvoorraad en zijn uitspraken mogelijk over de vorderingen ten opzichte van de doelstelling om in 2023 de bodemsaneringsproblematiek te beheersen.

Ontvangsten uit kostenverhaal

In 2000 is binnen VROM besloten tot een intensievere aanpak van de ontstane werkvoorraad van kostenverhaalszaken. Het beoordelingstraject van de werkvoorraad kostenverhaal is in 2002 afgerond. Hiervoor zijn in 2002 i.p.v. de 500 begrote circa 600 juridische beoordelingen uitgevoerd.

Tabel 7.2: werkzaamheden kostenverhaal in 2002

categorieTotaal verontreinigde locatieswaarvan vóór 2002 afgewikkeldwaarvan in 2002 afgewikkeldresteert voor 2003 en later
1 bevelinstrumentarium8 20008 2000
2 afgewikkeld1 6001 2503500
3 in behandeling200050150
4 voorbereiding behandeling2500 250
5 voorbereiding beh. (gemeenten)2500 250
6 aangemeld voor kostenverhaal0000
Totalen10 5001 2508 600650

Ad 1

Van de 10 500 saneringsprojecten waarvoor geldt dat vóór 1999 ten laste van de overheid kosten zijn gemaakt voor onderzoek en sanering, is van circa 8200 gevallen bepaald dat kostenverhaal (nog) niet aan de orde is. Voor deze gevallen geldt dat het bevelsinstrumentarium van de bevoegde gezagsorganen de noodzaak tot kosten-verhaal voorkomt of heeft voorkomen. Deze conclusie is in 2002 gecommuniceerd met de diverse bevoegde gezagsorganen. Het ministerie van VROM dient de overblijvende 2300 gevallen zelf te beoordelen en af te wikkelen.

Ad 2

In 2002 zijn circa 350 gevallen definitief afgewikkeld nadat uit de beoordeling van het geval is gebleken dat een kostenverhaalsactie, gezien de ouderdom van de verontreiniging, de stand van de jurisprudentie of de financiële situatie van de betrokken partijen, niet tot de mogelijkheid behoord of zinvol is.

Ad 3

Eind 2002 zijn nog circa 650 projecten in behandeling (categorie 3, 4 en 5).In 2002 loopt bij circa 200 gevallen een actieve kostenverhaalsprocedure of een schikkingsonderhandeling. Hiervan zijn er in 2002 circa 50 afgewikkeld.

Ad 4

Van circa 250 gevallen wordt een verhaalszaak/procedure voorbereid ten aanzien van artikel 75, lid 1/6 (onrechtmatige daad) en/of lid 3(ongerechtvaardigde verrijking). Het betreft hier gevallen waarbij particulieren en/of bedrijven en/of gemeenten zijn betrokken.

Ad 5

Bij circa 250 projecten wordt een verhaalszaak voorbereid ten aanzien van artikel 75, lid 3 (ongerechtvaardigde verrijking) waarbij de betrokken partij uitsluitend nog een gemeente betreft die ten tijde van de uitvoering van de sanering eigenaar was van het betreffende terrein.

Ad 6

Aantal nieuwe gevallen dat door het bevoegd gezag is aangemeld voor kostenverhaal. Met de actie (die onder Ad 1 is toegelicht) is tevens aan de diverse bevoegde gezagsorganen gevraagd om van hun totale werkvoorraad te beoordelen of er nog verhaalsacties ex artikel 75 Wbb dienen te worden uitgevoerd en om, indien noodzakelijk, deze projecten aan te melden bij het ministerie. Deze actie loopt nog. In 2003 zullen de resultaten van deze meldingen verwerkt worden in het overzicht.

Bij het kostenverhaal is de piek in de uit te voeren werkzaamheden in 2002 bereikt. In de komende jaren moeten nog 650 zaken afgehandeld worden. De voorbereiding van de afhandeling geschiedt in nauw overleg met en op advies van de Landsadvocaat.

Inkomsten uit kostenverhaal

De inkomsten uit kostenverhaal in 2002 zijn € 6,45 miljoen, waar € 4,5 miljoen was geraamd. Het verloop van individuele kostenverhaalsacties is moeilijk te voorspellen omdat civiele procedures en schikkingsonderhandelingen grillig kunnen verlopen. Extra inspanningen in het laatste kwartaal van 2002 bij diverse kostenverhaalszaken zijn de oorzaak voor deze hogere ontvangsten.

7.2.3 Geluidsreductie

Doel van beleid is om een bijdrage te leveren aan de beperking van de negatieve effecten van de groei van de (auto)mobiliteit in de vorm van geluidsreductie en het tegengaan van geluidhinder.

In 2002 is een succesvolle bijdrage geleverd aan het bereiken van de doelstellingen.

Op internationaal gebied zijn bij de relevante geluidsdossiers de tekortkomingen in de normstelling en de typekeuring geagendeerd. Op nationaal niveau is in het kader van de nota «Nieuwe Vormen, nieuwe Waarden» de Geluidparagraaf van de Uitvoeringsnotitie Milieubeleid geschreven, is het saneringsprogramma Geluid gepresenteerd en zijn de budgetten van de sanering verkeerslawaai volledig besteed. Door de werkzaamheden van de sanering verkeerslawaai zijn ten behoeve van (vooralsnog) 6 250 woningen maatregelen getroffen. In 2002 is het geluidregime rond Schiphol na decennia van discussie vastgelegd.

De uitvoering van projecten sanering verkeerslawaai (weg- en railverkeerslawaai en verkeersmaatregelen)

In een brief aan de Tweede Kamer d.d. 7 november 2002 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 600 XI, nr. 13) heeft de Staatssecretaris aangegeven dat de saneringsoperatie verkeerslawaai met de huidige budgetten niet voor 2010 kan worden afgerond. De urgente situaties kunnen uiterlijk in 2017 zijn aangepakt.

De uitvoering van de projecten sanering verkeerslawaai in 2002 kan aan de hand van onderstaande tabel worden afgelezen:

Tabel 7.3 Geluidsaneringsprogramma 2002, geschat

 VerkeersmaatregelenAfscherming wegAfscherming rail: 
 ProjectenWoningenProjectenWoningenProjectenWoningen
Verwachte aanvragen voorbereiding134 360122 211333 314
Projecten in voorbereiding3870182 17592 082
Projecten in uitvoering167 8541513 83972 118

Tabel 7.4 Geluidsaneringsprogramma einde 2002, werkelijk

 VerkeersmaatregelenAfscherming wegAfscherming rail: 
 ProjectenWoningenKostenProjectenWoningenKostenProjectenWoningenKosten
Projecten in voorbe-reiding51 0822 818 045233 56518 345 977264 98735 015 387
Projecten in uitvoering255 09515 819 2473012 05976 476 16482 56015 397 409
Afgehandeld91 1213 332 05992 12021 270 88571 55712 302 068

De aantallen in de VROM-begroting 2002 zijn schattingen van mogelijke aanvragen voor subsidies. De saneringsoperatie is in 2002 succesvol verlopen, mede gelet op de grootte van het budget, de werkvoorraad en de systematiek, waardoor van de aanvragen de meest ernstige situaties als eerste worden aangepakt.

Naast de in de tabel genoemde activiteiten zijn de gemeenten actief met het aanbrengen van gevelmaatregelen in het kader van sanering verkeerslawaai. Hiertoe heeft VROM € 27,2 miljoen aan de andere overheden ter beschikking gesteld; 4 129 woningen zijn hiermee aangepakt.

Aanpassing en implementatie EU-richtlijnen geluidbronnen

De EU-Richtlijn Bandenlawaai is in samenwerking met het ministerie van VROM geïmplementeerd in het Voertuigreglement van het ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W). Er is niet gekozen voor aparte milieuregelgeving omwille van de eenvoud en de handhaving. In oktober 2002 heeft de Ministerraad ingestemd met het Voertuigreglement. Conform de Richtlijn worden de maatregelen gefaseerd ingevoerd. De eerste stap is de invoering van de normstelling in augustus 2003 voor nieuwe typen banden.

NL-voorstellen van realistischer typekeuring voor voertuig- en bandenlawaai

NL, i.e. het ministerie van VROM, neemt actief deel aan gremia waarin een realistische typekeuring wordt voorbereid. Door weerstand van de auto-industrie verlopen de onderhandelingen moeizaam. Langzamerhand kunnen coalities worden gevormd en gaat de bandenindustrie zich ermee bemoeien ten gunste van het Nederlands standpunt. Het is zeer belangrijk dat er een goede typekeuring komt om mogelijke geluidsreducties door banden en voertuiglawaai ook werkelijk door te voeren. Er is echter nog geen sprake van finale besluitvorming. De discussie in de ECE is gedelegeerd naar een ad hoc werkgroep, die begin 2003 van start gaat.

Regeling stimuleren stil wegdek

Uit het budget om de extra milieudruk, en dan met name van het verkeer, vanwege de hoge economische groei van 1999 en 2000 te compenseren, is in 2002 een bedrag van in totaal ca € 28 mln besteed aan het stimuleren van de andere overheden om stille wegdekken aan te leggen. Hiermee werden de meerkosten van aanleg en onderhoud vergoed. Met het bereiken van het subsidieplafond is de regeling in 2002 beëindigd. Doelen van VROM waren om de gemeenten vertrouwd te maken met deze wegdekken, de verdere technologische ontwikkeling te stimuleren en geluidsknelpunten op te lossen. De belangstelling van gemeenten hiervoor in 2002 is groot gebleken. Het totaal aantal aanvragen van gemeenten bedroeg 297, waarvan 113 aanvragen voor een totaal aantal van 162 strekkende kilometer zijn gehonoreerd.

Geluidnormering goederenwagons

De geluidsproductie van goederenwagons is van belang omdat deze grotendeels de geluidemissie van de spoorinfrastructuur in de nachtelijke uren bepalen. De maatregelen om geluidsreductie te bewerkstelligen zijn relatief eenvoudig en moeten zeker bij nieuw materieel zijn toegepast.

Met het oog op de komende besluitvorming in de EU met betrekking tot geluidseisen voor goederenwagons heeft het ministerie van VROM actief andere lidstaten van informatie voorzien over technische en kosteneffectieve maatregelen. Ook heeft het ministerie van VROM technische expertise ingezet bij de werkgroep in Brussel.

Innovatieprogramma Geluid

In 2002 is het innovatieprogramma Geluid in samenwerking met het ministerie van V&W vastgesteld. Met dit programma worden voornamelijk kosteneffectieve bronmaatregelen ontwikkeld, zodat deze aan het einde van het programma (2006) grootschalig kunnen worden toegepast. De programmaleiding bevindt zich bij het ministerie van V&W.

Spoedwet wegverbreding

Omdat de Spoedwet wegverbreding eerst bij het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende naar voren kwam, was deze wetgeving nog niet als actie voor het jaar 2002 in de begroting opgenomen. In hoog tempo is het wetsvoorstel tot stand gekomen en nog voor het kerstreces door de Tweede Kamer aangenomen. Mede door de inzet van het ministerie van VROM heeft ook het milieuaspect voldoende aandacht in het wetsvoorstel gekregen.

Schiphol

Voor de luchthaven Schiphol is in 2002 het wettelijk kader vastgesteld in de nieuwe Wet luchtvaart. De nieuwe regelgeving bewerkstelligt dat de milieubescherming van het nieuwe stelsel van milieu- en veiligheidsnormen gelijkwaardig is ten opzichte van de PKB Schiphol en Omgeving. In 2006 wordt de gelijkwaardigheid van het nieuwe stelsel van normen voor geluid, externe veiligheid en lokale luchtverontreiniging geëvalueerd. Daarvoor wordt dan een MER uitgevoerd.

De Commissie Deskundigen Vliegtuiggeluid is in 2002 gevraagd voorstellen te doen over de wijze waarop de geluidbelasting in het buitengebied kan worden gehandhaafd en hoe de belasting op basis van metingen kan worden vastgesteld. In de nieuwe Schipholbesluiten zijn ook maatregelen opgenomen ter beheersing van het groepsrisico m.b.t. externe veiligheid. Deze maatregelen zijn gericht op kantoren en bedrijven in de nabijheid van de luchthaven.

7.2.4 Waarborgen externe veiligheid

Het doel van het beleid is om zorg te dragen voor:

– een minimum beschermingsniveau in de woonomgeving tegen gevaarlijke stoffen;

– het bewuster omgaan met het accepteren van risico's bij mogelijke rampen;

– de internalisering van maatschappelijke kosten van gevaarlijke stoffen in het gebruik;

– het veel meer rekening houden bij inrichtingen met de risico's van transport;

– de beperking van het aantal routes waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;

– de verduidelijking van de afstemming en toedeling van verantwoordelijkheden;

– het instellen van een wettelijke registratieplicht voor risicovolle situaties alsmede de verbetering van de informatievoorziening.

Geconcludeerd mag worden, dat het kabinetsbeleid inzake externe veiligheid in 2002 krachtig ter hand is genomen, waarbij de interdepartementale afstemming aanmerkelijk is verbeterd. De voorgenomen prestaties zijn in belangrijke mate gerealiseerd, waarbij in een aantal gevallen wel sprake is van enige vertraging.

AMvB milieukwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen

De ontwerp-AMvB is medio september 2002 (opnieuw) aan de Tweede Kamer toegestuurd.

Met deze AMvB worden de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico rond inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. In afwachting van nadere besluitvorming over het groepsrisico uiterlijk in 2003, is in de ontwerp-AMvB voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht opgenomen. Onderdeel daarvan zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid van de bevolking en voor hulpverlening. De AMvB zal naar verwachting in september 2003 in werking treden.

AMvB milieukwaliteitseisen externe veiligheid transport (inwerkingtreding door V&W).

Deze prestatie is in de begroting van VROM opgenomen, terwijl het een prestatie betreft van V&W.

AMvB vervoersinrichtingen

Er is in 2002 van afgezien om de AMvB te maken omdat er nu al bij andere departementen (Ministerie van BZK en SZW) regels zijn en komen, die de materiële inhoud van de beoogde AMvB grotendeels afdekken.

Aanpassing BRZO

Naar verwachting zal het aangepaste BRZO in het eerste kwartaal 2003 in de Ministerraad worden vastgesteld. Met deze aanpassing wordt ook de door Nederland gewenste aanscherping gerealiseerd van de drempelwaarde voor het opstellen van een veiligheidsrapport. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met explosieven, waaronder professioneel vuurwerk, wordt de drempelwaarde gelegd op 1000 kg.

De coördinatie van de uitvoering van het Vuurwerkbesluit:

Nadat het Vuurwerkbesluit op 1 maart 2002 in werking is getreden hebben VROM, provincies en gemeenten de uitvoering van het besluit ter hand genomen. In de dagelijkse uitvoeringspraktijk constateren zij echter dat op sommige onderdelen (bijv. regels voor theatervuurwerk en opslag consumenten vuurwerk) het Vuurwerkbesluit voor verbetering vatbaar is. Om de doeltreffendheid te verbeteren zal het Vuurwerkbesluit hierop worden aangepast. Naar verwachting zal de aanpassing van het Vuurwerkbesluit voor de zomer van 2003 in procedure worden gebracht.

Nota aan Tweede Kamer over transport chloor

Bij brief van 5 juli 2002 is de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 22 343) over het principe-akkoord met AKZO geïnformeerd en in december 2002 heeft de Tweede Kamer hiermee ingestemd.

Het leveren van een bijdrage aan een nota aan de Tweede Kamer over reguleringsbeleid vervoer gevaarlijke stoffen per spoor

De minister van V&W is primair verantwoordelijk voor het beleid t.a.v. het vervoer van (gevaarlijke) stoffen over alle modaliteiten (weg, water, spoor, buis). Voor het spoor zijn beleidsvoornemens in 2002 door het ministerie van V&W aan de Kamer voorgelegd.

Wettelijke registratieplicht voor risicovolle situaties:

De inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wettelijke Registratieplicht (Registratie gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen) en bijbehorend besluit is voorzien in 2003. Een eerste inventarisatie van risicovolle situaties is verder aangevuld met gegevens uit de risico-atlassen van het ministerie van V&W en met reeds beschikbaar gekomen informatie van de bevoegde gezagen. Deze gegevens vormen de basisgegevens voor het «nulregister». Het nulregister zal door de beheerder, het RIVM, worden gebruikt als referentiebestand bij de eerste vulling van het centrale register in 2003.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 7 Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveauRealisatie2002Vastgestelde begroting2002Verschil2002
Verplichtingen375 324290 37684 948
waarvan garantieverplichtingen331106 003– 105 672
    
Uitgaven280 931255 88725 044
Programma-uitgaven272 249249 21723 032
Lokale milieukwaliteit13 60426 603– 12 999
Subsidies gebiedsgericht milieubeleid12 77124 848– 12 077
Overige instrumenten lokale milieukwaliteit8331 755– 922
    
Uitvoering bodemsanering146 647132 73013 917
Subsidies bodemsanering133 463129 3364 127
Bodemsanering VINEX9 49609 496
Overige instrumenten bodemsanering3 6883 394294
    
Geluidsreductie74 54466 9717 573
Subsidies geluidsreductie railverkeer5 5415 690– 149
Geluidsreductie wegverkeer65 04652 89312 153
Geluidsreductie industrie06 735– 6 735
Overige instrumenten geluidsreductie3 9571 6532 304
    
Waarborgen externe veiligheid33 6622 75230 910
Instrumenten externe veiligheid33 6622 75230 910
    
Onverdeeld programma3 79220 161– 16 369
Onderzoek2 9533 788– 835
Communicatie-instrumenten145– 44
Overige instrumenten83816 328– 15 490
    
Apparaatsuitgaven8 6826 6702 012
Ontvangsten29 308029 308

Toelichting:

De overschrijding van de uitgaven op dit artikel heeft in hoofdzaak de volgende 2 beleidsmatige oorzaken:

Met Akzo Nobel is een akkoord gesloten ad € 31,6 mln over het beëindigen van de structurele chloortransporten door Nederland.

De uitvoeringstermijn voor bodemsanering in VINEX-woningbouwlocaties is verlengd van 2001 tot 2005. In het kader daarvan is in 2002 € 9,5 mln uitgegeven. Dit bedrag wordt gecompenseerd door hogere ontvangsten in het kader van FES-middelen.

Artikel 8. Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden

8.1. Algemene beleidsdoelstelling

Waardevolle gebieden met een bijzonder landschappelijke, cultuurhistorische of ecologische kwaliteit moet behouden en beschermd worden. Daarnaast wordt de identiteit en diversiteit van het Nederlands landelijk gebied versterkt en verder ontwikkeld, zodat een aantrekkelijker land ontstaat om in te wonen, te werken en te recreëren. Dit beleid is uitgewerkt in de volgende operationele doelstelling:

• Bescherming en ontwikkeling van het landelijk gebied

8.2. Operationele doelstellingen

8.2.1. Bescherming en ontwikkeling van het landelijk gebied

Als gevolg van het opschorten van de parlementaire behandeling van de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid is de uitvoering van het beoogde ruimtelijke beleid en daarmee de doelbereiking vertraagd. De werkzaamheden in 2002 zijn vooral gericht geweest op stroomlijning van de lopende uitvoering én op de uitwerking van het voorgenomen beleid, deels in overleg met andere departementen, provincies en gemeenten. Dit laatste binnen het kader van het Strategisch Akkoord en de Stellingnamebrief Nationaal Ruimtelijk Beleid.

Voor de uitvoering van het bufferzonebeleid is het jaardoel bereikt. Zo is er een nieuw bufferzone convenant waarin de resterende afspraken voor grondverwerving zijn geactualiseerd. Hiermee is een goede basis gelegd voor de beoogde transformatie naar de Regionale Parken. Ook zijn de gronden verworven, zoals geprogrammeerd.

Voor de PKB Ruimte voor de Rivier is een Ruimtelijk Kader in voorbereiding genomen om deze opgaven, in samenhang met de veiligheidsopgave (hoogwater) voor het rivierengebied te operationaliseren. Aan de hand van dit Kader zal gestuurd en getoetst worden op de uiteindelijk in de PKB vast te stellen set van rivierverruimende maatregelen. De PKB Ruimte voor de Rivier ligt op koers: in 2002 zijn de Startnotitie en de Richtlijnen voor de MER uitgebracht.

Aan de Provincie Limburg is de gelegenheid geboden om voorstellen te doen om de Beleidslijn Ruime voor de Rivier te amenderen, gericht op het vergroten van de mogelijkheden voor regionale ruimtelijke ontwikkelingspolitiek. Voorts heeft VROM het proces van tot stand brengen van de regionale deelstroomgebiedsvisies actief begeleid, teneinde de gewenste ruimte voor water – na een integrale ruimtelijke afweging tegen andere ruimtelijke belangen – daadwerkelijk in streek- en bestemmingsplannen te verankeren. Het Kabinet heeft besloten om geen uitvoering te geven aan het plan om een Randmeer NoordOostPolder aan te leggen.

Nationale landschappen

1. Voorbereiding planvorming: deels bereikt

Als gevolg van het opschorten van de vaststellingsprocedure van de PKB Vijfde Nota en de beoogde wijziging van deel 3, is de voorbereiding voor de planvorming, namelijk het opstellen van de ontwikkelingsprogramma's tijdelijk opgeschort.

a. mede op basis van gesprekken met provincies is een conceptmodel ontwikkeld voor een uitvoeringsorganisatie Nationale Landschappen in de fase van visie- en planvorming. Definitieve afspraken over de vormgeving van de uitvoeringsorganisatie zijn in overleg met provincies opgeschort tot meer duidelijkheid bestaat over de aanpassingen van het Nationaal beleid.

b. enkele regio's zijn reeds begonnen met het opstellen van een ontwikkelings- of gebiedsprogramma (Hoeksche Waard, Noord-Hollands Midden).

2. Uitwerking beleid Nationale Landschappen in SGR: bereikt

In deel 1 van het SGR2 is het beleid voor Nationale en Provinciale Landschappen nader uitgewerkt. In de Stellingnamebrief Nationaal Ruimtelijk Beleid heeft het kabinet echter aangegeven dat ze voornemens is de PKB-procedure SGR2 te beëindigen en de planologische beleidsuitspraken van de Vijfde Nota en het Tweede Structuurschema Groene Ruimte te integreren in één nota, de Nota Ruimte.

3. Afspraken met provincies over uit te werken onderdelen, tijdpad: deels bereikt

Met de betrokken provincies hebben informatieve gesprekken plaatsgevonden over het te organiseren proces van uitvoering. Informatie is ingewonnen over de lopende visie en planvorming in de regio, over de procesvoorwaarden bij de uitvoering, taakverdeling en financiering. Er is besloten het maken van concrete afspraken op te schorten tot meer duidelijkheid bestaat over de beoogde beleidsaanpassingen.

4. Afronding lopende verplichtingen VINEX (m.n. Nadere Uitwerkingen, Groene Hart en Rivierengebied): niet bereikt.

De lopende VINEX verplichtingen zijn niet afgerond. De VINEX verplichtingen blijven bestaan tot dat het nieuwe Nationaal Ruimtelijk Beleid is goedgekeurd. De afronding wordt in het beleidstraject Nationale Landschappen meegenomen. Dit geldt ook voor een nadere afweging over het beleid ROM-gebieden en de subsidieregeling landelijke gebieden.

Veiligstellen van Bufferzones en ontwikkeling Regionale Parken

De volgende acties waren in 2002 beoogd:

1. Door grondverwerving invulling aan het beleid;

2. Afronding van de grondverwervingtaakstelling in 2008;

3. Actualisering van het bufferzone convenant;

4. Afspraken met de provincies maken over de transformatie van bufferzones naar de zgn. regionale parken;

5. Nadere kaderstelling voor het transformatieproces opnemen in deel van het SGR2.

Het budget voor bufferzone aankopen is in 2002 volledig uitgeput en de geplande oppervlakten zijn daarmee gerealiseerd. Door bezuinigingen op de grondverwerving de komende jaren, zowel bij het ministerie van VROM als LNV, zal het streven om in 2008 de geplande oppervlakten aan te hebben gekocht bijna zeker niet worden gehaald. Na overleg met de provincies is in juni 2002 door de ministeries van VROM en LNV een nieuw bufferzone convenant gesloten. Door de aankondiging van het nieuwe kabinet tot herziening van het ruimtelijk beleid (Vijfde Nota RO én Structuurschema Groene Ruimte) is in 2002 niet tot nadere kaderstelling voor de regionale parken in het SGR 2 (deel 3) gekomen en zijn ook nog geen concrete afspraken met de provincies gemaakt over het transformatieproces van bufferzones naar deze regionale parken.

Grondverwerving bufferzones (VROM-deel in hectaren) Cijfers nog niet binnen van LNV

 Te verwerven vanaf 1996  RealisatieNog te verwerven vanafVerwer-vingsjaren
  t/m 199819992000200120022003 
Amsterdam-Haarlem55684141670?2916
Midden-Delfland7221685115057 2960
Amstelland-Vechtstreek1 03010785360 8026
Utrecht-Hilversum636167137038 34810
Den Haag-Leiden-Zoetermeer828314210 7546
IJsselmonde-Oost2832429392 1892
 4 055581157480157?2 680 

Water als ordenend principe stimuleren

Voor 2002 werden de volgende prestaties voorzien, die na vaststelling van de Vijfde Nota nader geconcretiseerd kunnen worden:

1. in samenwerking met de Ministeries van V&W en van LNV zal uiterlijk in 2004 PKB deel 1 voor het rivierengebied gereed zijn, gericht op rivierverruiming en het eventueel aanwijzen van retentiegebieden; PKB deel II, III en IV zullen dan eind 2005 gereed zijn. In 2002 zijn de Startnotitie en de Richtlijnen voor de MER uitgebracht en ter inzage gelegd en wordt een start gemaakt met de uitvoering van de mer-alternatieven.

2. blijvend uitvoering geven aan de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier. In 2002 heeft de schadecommissie ruimte voor de rivier diverse kwesties in behandeling gehad.

3. een planfase starten voor het realiseren van een nieuw aan te leggen randmeer: er is in opdracht van VROM een haalbaarheidsstudie en een maatschappelijke kosten baten analyse uitgevoerd. Het nieuwe kabinet zal hierover een standpunt moeten innemen;

4. het stimuleren van het opzetten van deelstroomgebiedsvisies voor ingrepen in regionale watersystemen: alle 17 deelstroomgebiedsvisies zijn opgesteld. Op dit moment worden nog laatste aanpassingen en dergelijke uitgevoerd. Belangrijke conclusies en aanbevelingen die getrokken kunnen worden n.a.v. deze deelstroomgebiedsvisies worden opgenomen in het nationaal bestuursakkoord water;

5. het opzetten van een stimuleringsprogramma voor het ontwikkelen van de Natte As, water in combinatie met recreatie, cultuurhistorie en landbouw en water in de stad: Deze toespitsing van functiecombinaties in de Natte As wordt meegenomen in de onderzoeksprogrammering onder de noemer stimulering functiecombinaties. Dit zit momenteel nog in voorbereidende (definitie) fase;

6. stimuleren van provincies en gemeenten tot het aanpassen van streeken bestemmingsplannen aan het ruimtelijke beleid voor water in de Vijfde Nota. In 2002 is het ruimtelijk beleid uit de 5e Nota in diverse (concept) streek- en bestemmingsplannen uitgewerkt.

Het draagvlak voor ruimtelijke watermaatregelen is in 2002/2003 door middel van een uitgebreide literatuurstudie onderzocht. De studie laat zien dat bij de maatschappelijke partijen het ruimte-voor-water beleid goed geïncorporeerd is en de problematiek van veiligheid en wateroverlast door vrijwel iedereen wordt onderkend. Een open en transparant planvormingsproces bij de verwezenlijking van watermaatregelen lijkt een voorwaarde voor succes.

Schadecommissie en -claims beleidslijn Ruimte voor de Rivier

In 2002 zijn 4 schadeclaims afgehandeld en 5 nog in behandeling. In 2002 heeft DGR voor het eerst, in één schadegeval, een schadevergoeding toegekend van € 579 540 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 1997 tot de dag van uitbetaling. In 2003 worden besluiten omtrent toekenning/afwijzing van schadevergoeding inzake de nog lopende schadeclaims verwacht.

8.3. Groeiparagraaf

Ten behoeve van de monitoring en evaluatie van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is in 2002 een evaluatiefilosofie ontwikkeld en een (voorlopig) meerjarenonderzoeksprogramma opgesteld. In 2002 heeft tevens de nulmeting op basis van deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening plaatsgevonden. Doordat deel 3 van de Vijfde Nota nog niet is vastgesteld is ook de uitvoering van het meerjarenprogramma onderzoek vertraagd.

Niettemin zijn enkele onderzoeken uit dit evaluatieprogramma in 2002 reeds uitgevoerd dan wel opgestart:

Afgerond onderzoek:

– balans ruimtelijke kwaliteit 2001

– proeven aan nieuwe landgoederen

– nulmeting: landelijk gebied & water

– draagvlak extra ruimte voor water

Lopend onderzoek:

– evaluatie deelstroomgebiedsvisies toegespitst op ruimtelijke aspecten

Het is niet mogelijk geweest om in 2002 het evaluatie- en monitoringprogramma van de Vijfde Nota definitief vast te stellen, aangezien de procedure van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening nog niet is afgerond en het beleid nog in ontwikkeling is. Het toekomstige traject van de Nota Ruimte zal bepalend zijn voor het moment waarop dit wel mogelijk is.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 8 Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebiedenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen14 83011 9292 901
    
Uitgaven17 40515 1762 229
Programma-uitgaven16 14114 4021 739
Bescherming en ontwikkeling landelijk gebied16 14114 4021 739
Aankoop bufferzones10 9309 2041 726
Ontwikkeling Waddengebied91178– 87
Overige instrumenten landelijk gebied14014
Ontwikkelingsbijdrage landelijk gebied3 9704 821– 851
Beleidslijn Ruimte voor de rivier86368795
Onderzoek DGR273108165
Communicatie-instrumenten023– 23
    
Apparaatsuitgaven1 264774490
Juridische instrumenten1251205
Apparaat DGR1 139654485
    
Ontvangsten1 47201 472

Toelichting:

Bescherming en ontwikkeling landelijk gebied

Met het afsluiten van een nieuw Bufferzoneconvenant is de basis gelegd voor de beoogde transformatie naar Regionale Parken. De extra uitgaven zijn gecompenseerd door extra gegenereerde ontvangsten.

VROM geeft uitvoering aan de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier om water als ordenend principe bij de ruimtelijke inrichting te stimuleren. In het kader van deze beleidslijn heeft het Rijk een schadevergoedingsverplichting. In 2002 is een schadevergoeding toegekend en uitgekeerd.

Artikel 9. Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband

9.1. Algemene beleidsdoelstelling

Nederland streeft een evenwichtige en duurzame Europese ruimtelijke structuur na. De onderlinge afhankelijkheid tussen lidstaten en regio's in Europa is groot. Daarom zal het sectorbeleid van de Europese Unie een meer integraal karakter moeten krijgen. Nederland staat in deze visie niet alleen. Ook de ruimtelijke kwaliteit in Nederland wordt in toenemende mate beïnvloed door internationale ontwikkelingen. Een goed nationaal ruimtelijk beleid kan daarom alleen vorm krijgen met een goede kennis van internationale ruimtelijke processen. Het is noodzakelijk hier door gezamenlijke beleidsvoering met buurlanden en EU-partners op in te spelen.

Het VROM-beleid dat in het kader van de Europese samenwerking wordt nagestreefd is op de (zeer) lange termijn gericht. Wat in een jaar wordt gepresteerd is op zich relatief gering doch van betekenis voor het bereiken van het langetermijn beleidsdoel.

In dit licht is het van belang dat in 2002 de aandacht binnen de Europese instellingen voor de ruimtelijke gevolgen van het EU beleid weer is toegenomen. Territoriale cohesie is een expliciet element geworden in de voorbereiding van het cohesiebeleid na 2006, hetgeen een kans biedt voor een ruimtelijk kader in het toekomstige EU-beleid. De aandacht voor de ruimtelijke impact van het milieu-, platteland en infrastructuurbeleid is in nieuwe beleidsvoornemens eveneens expliciet geworden. Dit biedt op termijn aanknopingspunten voor een meer pro-actieve beïnvloeding van dat EU beleid vanuit onze nationale ruimtelijke beleidsdoelstellingen.

Het potentieel van Interreg als instrument om de transnationale dimensie van het ruimtelijk beleid in Nederland vorm te geven krijgt zichtbaar gestalte. Het relatieve aandeel van Nederlandse partners in de in 2002 goedgekeurde projecten was zeer hoog. Dat biedt een stevige basis voor de langere termijn benutting van dit instrument voor het ruimtelijk beleid in en om Nederland.

Het Memorandum van Overeenstemming inzake mainport Rotterdam en de regelgeving en vaststelling van milieunormen voor Schiphol betekenden een significante ontwikkeling in het mainport beleid.

9.2. Operationele doelstellingen

9.2.1. Internationale afstemming ruimtelijke inrichting

Europees beleid

VROM heeft zich met het oog op het inbouwen van territoriale overwegingen in het EU structuurbeleid actief meegewerkt aan de brede discussies die daarover hebben plaatsgevonden. De in dit proces ontwikkelde ideeën over «territoriale cohesie» zullen pas een formele neerslag krijgen in het 3e Cohesierapport dat eind 2003 zal verschijnen.

VROM heeft ook actief bijgedragen aan de Nederlandse inzet m.b.t. nieuwe EU beleidsinitiatieven die relevant zijn voor het nationale ruimtelijke beleid. De voorbereidingen voor de herziening in 2004 van de richtsnoeren voor Trans-Europese netwerken beginnen nu voorzichtig vorm te krijgen. Daartoe hebben VROM en V&W overleg over een koppeling tussen het operationaliseren van territoriale cohesie en de herziening van de TEN richtsnoeren. De inzet van VROM voor het inbouwen van meer integrale overwegingen in het landelijke beleid komen terug in de voorstellen van de Europese Commissie inzake de mid-term review van het Gemeenschappelijke Landbouw Beleid (GLB). Daarin wordt de tweede pijler van het GLB, integrale plattelandsontwikkeling, versterkt. Vooral in het kader van de Habitatsrichtlijn en Kaderrichtlijn Water is er verder gewerkt aan een scherpere afstemming tussen EU milieubeleid en het nationaal ruimtelijk beleid.

Exportplatform en Internationale Kennisuitwisseling

Naar aanleiding van het in 2001 afgeronde onderzoek naar de behoefte bij het bedrijfsleven aan continuering van het Exportplatform, is dit platform in juli 2002 omgedoopt tot «VROM Platform voor Kennisuitwisseling Internationaal». De taken omvatten kennisuitwisseling op alle VROM-terreinen, van woningbouw tot milieu, van architectuur tot ruimtelijke ordening, vooral met de toekomstige EU-lidstaten in Midden- en Oost Europa.

Gezien deze koerswijziging, die in de loop van 2002 zijn beslag heeft gekregen, hebben er dit jaar minder concrete projecten plaatsgevonden dan in andere jaren. Wel heeft het Platform inhoudelijk bijgedragen en deelgenomen aan de organisatie van enkele seminars en workshops in Oost Europa, zoals seminars in Tsjechië over ruimtelijke ordening met experts van zowel het Tsjechische als Slowaakse departement van ruimtelijke ordening, en over de herstructurering van bedrijventerreinen. Een tentoonstelling over 100 jaar Nederlandse woningwet is naar Praag en Zlin geëxporteerd. In Plovdiv (Bulgarije) heeft het Platform bijgedragen – door middel van een workshop over woningrenovatie aan een technische beurs waar ook veel Nederlandse bedrijven aan deelnamen.

In de loop van 2002 hebben ook verschillende buitenlandse delegaties VROM bezocht, waarbij steeds gepoogd werd te voldoen aan de specifieke kennisverzoeken, door de juiste experts van binnen en buiten het ministerie uit te nodigen om de delegaties te woord te staan. In 2002 zijn o.a. de volgende gasten ontvangen: Slowaakse aannemers, Koreaanse bodemsaneerders en Slowaakse ambtenaren van het ministerie van Bouw.

Daarnaast is veel tijd van het Platform besteed aan de beleidsmatige advisering van concrete projecten die financiële steun van PESP ontvangen.

PESP staat voor Programma Economische Samenwerkings Projecten, dat beheerd wordt door Economische Zaken en een financiële bijdrage (van 67%) geeft aan haalbaarheidsstudies voor investeringen in of transacties naar het buitenland. Bij de beoordeling van projecten geeft het Platform adviezen over projecten op het terrein van VROM (woningbouw, stedelijke ontwikkeling, milieu, toeristische projecten e.d.) Een volledige lijst van projecten waar VROM bij betrokken was, staat in het Jaarverslag 2001.

Interreg III

In de brief van 31 oktober 2002 aan de Tweede Kamer1, is uitgebreid ingegaan op de achtergrond en de voortgang van de Interreg programma's die de minister voor Nederland coördineert. Hieronder zal een zowel een samenvatting van deze brief worden gegeven als het uiteindelijke bereikte resultaat van 2002.

De drie Interreg programma's, die de minister voor Nederland coördineert – de Interreg IIIB programma's «Noord West Europa» (NWE) en «Noordzee» en het Interreg IIIC programma «West Zone» zijn aanzienlijk later door de Europese Commissie goedgekeurd dan verwacht. Daarom is het aantal in 2002 goedgekeurde projecten lager dan aanvankelijk beoogd. In de eerste maanden van 2002 is geïnvesteerd in de goede opzet van de managementstructuur van de programma's en in het tot stand brengen van eerste projectvoorstellen. Dit laatste geschiedt door het creëren van netwerken van mensen bij provincies, gemeenten en water- en recreatieschappen, maar ook bij bureaus en andere organisaties, die projectideeën kunnen hebben, en het leggen van internationale contacten met soortgelijke partners in de overige deelnemende lidstaten.

Pas in de loop van de zomermaanden werden de eerste projecten voor de Interreg IIIB programma's Noordzee en Noord West Europa goedgekeurd. In het Noordzee programma zijn 7 projecten goedgekeurd waarvan 6 met een Nederlandse partner. In het NWE programma zijn 13 projecten goedgekeurd, waarvan 12 met een Nederlandse partner. Vooral vanwege de strakkere EU-brede afstemming voor alle vier de Interreg IIIC programma's, zal pas begin 2003 de eerste aanvraagronde voor projecten openen voor het Westzone programma.

Tot 2008 is een bedrag van ongeveer € 40 miljoen op de begroting van VROM vrijgemaakt voor Nederlandse projecten. Dit bedrag wordt gebruikt voor zowel de voorbereiding van projectaanvragen als voor de cofinanciering van de projectkosten. In 2002 is in totaal aan 8 projectideeën € 136 000 aan voorbereidingskosten en € 910 000 aan nationale cofinanciering toegezegd.

Het voornaamste criterium voor deze cofinanciering is de inhoudelijke aansluiting met het bestaande Deel III van de 5e Nota, het op basis hiervan opgestelde Uitvoeringsprogramma, en de stellingnamebrief Nationaal Ruimtelijk Beleid. In deze documenten zijn de resultaten van het in 2001 gehouden bestuurlijke overleg met de omliggende deelstaten en landen verwerkt. Een 10-tal internationale beleidsthema's vormen de basis van verdere beleidsafstemming en -uitvoering met de buurregio's en -landen. Ofschoon het overleg over deze beleidsafstemming en het gebruik van Interreg daarvoor is voortgezet, is de nadere concretisering van beleidsgeoriënteerde acties belemmerd door de politieke onzekerheid over het Nederlandse ruimtelijk beleid.

INTERACT

Ten aanzien van het programma INTERACT, dat ook door de minister van VROM voor Nederland wordt gecoördineerd, is in 2002 gewerkt aan de opzet van het programma en de managementstructuur. Eind 2002 hebben alle Lidstaten zich gecommitteerd aan het programma en heeft de Europese Commissie het programma goedgekeurd. INTERACT is een kleinschalig internationaal programma ter verbetering van de effectiviteit van de Interreg programma's in het algemeen.

ESPON

Voor het ESPON, dat ook door de minister van VROM voor Nederland wordt gecoördineerd, stond het jaar 2002 in het teken van de formele goedkeuring van het Programma en bijbehorend Complement, het opzetten van de procedures en de organisatiestructuren. Tevens zijn de eerste drie projectrondes gestart.

De Nederlandse inzet heeft zich gericht op een effectieve en efficiënte opzet van de financiële, organisatorische en management structuren en het optimaal stimuleren en faciliteren van Nederlandse instituten met het oog op deelname aan ESPON. Gelet op de projectplanning (presentatie interim rapporten) en de EU beleidsagenda (Derde Cohesierapport) zal de focus in 2003 verschuiven naar de politiekbeleidsmatige dimensie.

Interreg IIC

NWMA en Noordzee zijn allebei succesvol afgerond. Er is een beperkt aantal onregelmatigheden geconstateerd, opgelost door middel van correctieve acties. De artikel 8 verklaring (overkoepelende accountantsverklaring) van de AD was zodoende een «clean opinion». Het succesvol afronden van NWMA en Noordzee heeft veel bruikbare input geleverd voor het verder opbouwen en voortzetten van de werkzaamheden in het kader van INTERREGIIIB en IIIC.

IRMA

VROM coördineert het interregionale Rijn-Maas programma, dat ten doel heeft om de overstromingen in het stroomgebied van Rijn en Maas te bestrijden. De afsluiting van dit programma is voorzien begin 2003. Separaat wordt de Kamer geïnformeerd over de eindevaluatie.

9.2.2. Efficiënte en concurrerende ruimtelijke inrichting mainports

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

Per 1 maart 2002 is een Memorandum van Overeenstemming getekend tussen de ministeries van V&W, VROM, LNV, EZ en Financiën alsmede de provincie Zuid-Holland, de stadsregio Rotterdam en de gemeente Rotterdam. In dit memorandum zijn duidelijke afspraken gemaakt over de drie deelprojecten, namelijk:

de maatregelen in het bestaand Rotterdams Gebied (BRG-pakket);

landaanwinning en compensatie van verloren gegane natuurwaarden;

750 ha natuur- en recreatiegebied.

Daarnaast is in het memorandum vastgelegd, dat de verschillende overheden zich zullen inspannen om de financiering daarvan te regelen. V&W is eindverantwoordelijk. Deze financiële afspraken dienen nog concreet te worden ingevuld. Dit geldt zowel voor de financiering van de BRG-projecten als voor de financiering van het Groenproject (173 miljoen Euro).

Wat betreft de voortgang van de PKB-procedure kan worden opgemerkt, dat PKB deel 3 in de Tweede en Eerste Kamer is behandeld en geaccordeerd. Het vaststellen van deel 4 wacht op de reactie uit Brussel over de Vogel- en Habitat richtlijn. Het is de verwachting dat deel 4 in het voorjaar van 2003 aan het parlement kan worden toegezonden.

Ontwikkeling Nationale Luchthaven en Luchtvaart

De regelgeving voor de nationale luchthaven Schiphol is rond. De Wijziging van de Wet luchtvaart voor Schiphol is aangenomen (Tweede Kamer 2001–2002, nr. 27 603). De AMvB's voor het Luchthavenverkeerbesluit en het Luchthavenindelingbesluit zijn vastgesteld. Het nieuwe stelsel heeft een beschermingsniveau dat gelijkwaardig is aan dat van de PKB Schiphol en omgeving.

Voor de andere luchthavens wordt de Regeling voor de Regionale en Kleine Luchtvaart voorbereid (medio 2004 afgerond). Van de PKB luchtvaartterrein Maastricht en Lelystad is het beleidsvoornemen uitgebracht.

De milieugrenzen zijn vastgelegd in het Luchthavenverkeerbesluit. Deze zijn gelijkwaardig met die van de PKB Schiphol. In het Luchthavenindelingbesluit zijn de ruimtelijke beperkingen voor geluid en veiligheid vastgelegd. Daartoe behoren ook de hoogtebeperkingen. Voor geluid en veiligheid is het Luchthavenindelingbesluit gelijkwaardig aan de PKB Schiphol.

Door het CPB is een Kengetallen Kosten Baten Analyse uitgebracht. Op basis daarvan acht het CPB een verdere ontwikkeling van de luchthaven binnen de gegeven milieurandvoorwaarden tot de mogelijkheden behoren.

9.3. Groeiparagraaf

Ten behoeve van de monitoring en evaluatie van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is in 2002 een evaluatiefilosofie ontwikkeld en een (voorlopig) meerjarenonderzoeksprogramma opgesteld. Enkele onderzoeken uit dit evaluatieprogramma zijn in 2002 reeds uitgevoerd dan wel opgestart. In 2002 heeft tevens de nulmeting op basis van deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening plaatsgevonden. Doordat deel 3 van de Vijfde Nota nog niet is vastgesteld is ook de uitvoering van het meerjarenprogramma onderzoek vertraagd.

Het is nog niet mogelijk geweest om in 2002 het evaluatie- en monitoringprogramma van de Vijfde Nota definitief vast te stellen, aangezien de procedure van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening nog niet is afgerond en het beleid nog in ontwikkeling is. Het toekomstige traject van de Nota Ruimte zal bepalend zijn voor het moment waarop dit wel mogelijk is.

Voor de Interreg programma's waar DGR namens lidstaat Nederland geldt dat de Europese regelgeving Europese evaluatieprogrammering voorschrijft dat evaluaties worden uitgevoerd bij de goedkeuring van (ex ante), in 2003 (mid term) en bij de afsluiting (ex post).

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 9: Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verbandRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen   
waarvan garantieverplichtingen3 35610 541– 7 185
    
Uitgaven4 12510 606– 6 481
Programma-uitgaven3 1169 396– 6 280
Internationale afstemming ruimtelijke inrichting2 9237 941– 5 022
Noordwest metropolitan34034
Interreg III2 8897 941– 5 052
    
Concurrerende ruimtelijke inrichting mainports01 022– 1 022
Project Mainport Rotterdam (PMR)0908– 908
Ontwikkeling nationale luchthaven (ONL)0113– 113
    
Onverdeeld programma193432– 239
Onderzoek1094– 84
Communicatie-instrumenten023– 23
Overige instrumenten DGR183315– 132
    
Apparaatsuitgaven1 0091 210– 201
Juridische instrumenten4041– 1
Apparaat DGR9691 169– 200
    
Ontvangsten000

Toelichting:

Internationale afstemming Ruimtelijke Inrichting:

Door trage internationale besluitvorming kon minder Nederlandse cofinanciering worden verplicht en uitgegeven als bij de opstelling van de begroting werd verwacht. Daarnaast werd door de wijzigingen in het ruimtelijk beleid vertraging opgelopen inzake de publicatie van de co-financieringsregeling, die extra financiering regelt voor projecten die passen binnen dit ruimtelijk beleid.

Artikel 10. Verbeteren nationale milieukwaliteit

10.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het algemene doel van het beleidsartikel «Verbeteren nationale milieukwaliteit» is het bijdragen aan het tot stand brengen van een hoogwaardige leefomgeving en een vitaal platteland. Dit wordt uitgewerkt in operationele doelen gericht op de bevordering van duurzaam bodembeheer, een optimale waterketen, duurzame milieukwaliteit van het landelijk gebied (inclusief biodiversiteit) en duurzame landbouw. De nadruk ligt hierbij op preventie en normstelling op nationale schaal. Voortgang in het bereiken van het algemene doel wordt verantwoord bij de operationele doelen. Het milieubeleid ter bevordering van de daadwerkelijke uitvoering en sanering op lokaal niveau is opgenomen in beleidsartikel 7.

10.2.1 Duurzaam bodembeheer

Duurzaam bodembeheer strekt er onder andere toe te voorkomen dat nieuwe bodemverontreinigingen als gevolg van menselijk bodembedreigend handelen ontstaan.

Hiervoor moeten preventieve en beheersmaatregelen worden getroffen. De zorgplicht op grond van de Wet bodembescherming moet nieuwe bodemverontreinigingen voorkomen.

Op dit moment is niet bekend in hoeverre deze zorgplicht wordt nageleefd. In het kader van een discussie over de herstelplicht probeert VROM meer zicht op deze materie te krijgen.

Financiële ondersteuning aan Plan Bodembeschermende Voorzieningen en aan SIKB

Fase 15 van het Plan Bodembeschermende Voorzieningen is in 2002 financieel ondersteund. In deze fase is gewerkt aan een verdere kwaliteitsbeschrijving- en borging van de bodembeschermende voorzieningen en kennisoverdracht ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten. Aan de SIKB is voor het eerste jaar (in totaal 5 jaren) een subsidie verleend. Deze subsidie maakt het mogelijk dat kwaliteisborgingsinstrumenten worden ontwikkeld op het gebied van het bodembeheer. Deze instrumenten (beoordelingsrichtlijnen, protocollen e.d.) worden vervolgens ingezet ten behoeve van het beleid en regelgeving op het gebied van bodembeheer. In 2002 is gewerkt aan normen voor diverse schakels in de bodemketen o.a. veldwerk, advies en analyses. Daarnaast is een aanvang gemaakt met het formuleren van kwaliteitseisen voor kritische functies in de bodemketen o.a. de milieukundig begeleider. Tevens is er een regeling tot stand gekomen voor de foutloze uitwisseling van data tussen laboratoria, adviesbureaus en diverse betrokken overheden.

Evaluatie BOOT naar Tweede Kamer

De inwerkingtreding van het Besluit Opslag in Ondergrondse Tanks (BOOT) heeft tot nu toe alleen in financiële zin tot enige uitvoeringsproblemen geleid. Op dit moment liggen er nog 19 bezwaren tegen de beschikkingen die door VROM zijn verleend op verzoek om subsidie. De behandeling van deze bezwaren zal begin 2003 worden afgerond. Gelet op het feit dat er zich tijdens de uitvoering van het besluit nauwelijks knelpunten hebben voorgedaan, behoudens financieel, wordt afgezien van een evaluatie.

Uitbrengen laatste 2 hoofdstukken risicomanagement resp. bodemonderzoek en -herstel van de NRB bedrijfsmatige activiteiten

Het instrumenteren van het preventieve bodembeschermingsbeleid bij bedrijfsmatige activiteiten is na tien jaar ontwikkeling in een eindfase gekomen.

De laatste hoofdstukken van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten worden in 2003 afgerond.

Inwerkingtreding Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten

De stuurgroep Bodem heeft op 28 maart 2002 besloten de huidige interim-richtlijn Bodem-kwaliteitskaarten te handhaven.

Nadere besluitvorming over de richtlijn Bodemkwaliteitskaarten zal plaats vinden na de herijking van het kader voor het integrale bodembeleid, die is aangekondigd in de notitie «Vaste waarden, nieuwe vormen, milieubeleid 2002–2006».

Evaluatie van de Vrijstellingsregeling grondverzet

Deze evaluatie is uitgesteld in afwachting van de hiervoor genoemde herijking van het kader voor het integrale bodembeleid. Het voornemen is in 2003 een project te starten dat moet leiden tot een nieuw beleidskader voor grondstromen. In het kader van dit project zal ook een evaluatie van de Vrijstellingsregeling grondverzet worden uitgevoerd.

Inwerkingtreding circulaire «Omgaan met grond en bagger met van nature verhoogde gehalten»

De problematiek van de van nature verhoogde gehalten in grond en bagger blijkt complexer dan aanvankelijk gedacht. Om een oplossing te bieden voor de geconstateerde problemen wordt een Vrijstellingsregeling grond en bagger voorbereid. Deze zal naar verwachting begin 2004 in werking kunnen treden. De staatssecretaris van VROM heeft in december 2002 met deze vrijstellingsregeling ingestemd. Deze regeling is voor accordering voorgelegd aan de Staatssecretaris van VenW

Publicatie HUM voor grondstromen inclusief het ontwerp van een registratiesysteem voor ernstig verontreinigde grond

Het eindconcept van de handhavingsuitvoeringsmethode (HUM) grondstromen is eind 2002 in de Stuurgroep Bodem vastgesteld. De HUM zal in 2003 worden uitgebracht.

Overige relevante beleidsprestaties 2002 Duurzaam bodembeheer

De staatssecretaris van VROM heeft het eindrapport van de evaluatie van het Bouwstoffenbesluit naar de Tweede Kamer gestuurd en voor bouwstoffen een herijking van het beleidskader aangekondigd (niet-dossierstuk 2002–2003, Vrom021 007, Tweede Kamer). Uit de rapportage blijkt dat het Bouwstoffenbesluit een goed kader biedt om het verantwoord hergebruik van bouwstoffen te stimuleren. Samenvattend geeft de evaluatie geen reden om het Bouwstoffenbesluit fundamenteel te veranderen, maar wel om de uitvoering te versimpelen en te verhelderen, en de handhaving te verbeteren.

Voor het omgaan met asbest in bodem, grond en puingranulaat zijn interim-normen vastgesteld die per 1 januari 2003 in werking zijn getreden (TK 2002–2003, 28 600 XI, nr. 81).

In het voorjaar van 2002 is in samenwerking met V&W, UvW, IPO, VNG het Tien jaren scenario waterbodems uitgebracht dat voorstellen voor beheersing van de waterbodem- en baggerproblematiek presenteert. Op basis van een bestuurlijk advies hierover heeft het kabinet doelstellingen en instrumenten vastgelegd in een regeringsstandpunt dat in april 2002 naar de Tweede Kamer is gestuurd (TK 2001–2002, 26 401, nr. 28).

Begin 2002 is baggerspecie onder het regime van de Wet Belastingen op milieugrondslag gebracht. Een onderzoek naar regelnaleving (compliance) en een evaluatie die in 2003 wordt afgerond zullen de basis vormen voor nadere besluitvorming in dit kader.

In december 2002 is een herziening van de AMvB vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen gepubliceerd (Staatsblad 2002, 644).

De herziening van de genoemde AmvB beoogt het huidige wettelijk regime met betrekking tot het verspreiden van onderhoudsspecie op land te continueren. In de genoemde AmvB is 1 januari 2003 als einddatum voor dit regime opgenomen. Met de herziening van de AmvB vervalt deze einddatum. Gebleken is dat het niet mogelijk is voor deze datum een geheel nieuw verspreidingsbeleid in werking te laten treden. Daarnaast is het wenselijk geacht het verspreiden van baggerspecie op land niet langer sectoraal, maar integraal te benaderen.

Daarom is in 2002 gestart met het ontwikkelen van een beleidskader voor het hergebruik van lichtverontreinigde baggerspecie als bodem. Een notitie met de hoofdlijnen van het beleid zal in 2003 aan bestuurders worden voorgelegd.

De coördinatiecommissie overheidsmonitoring (CCO) bereidt verbeteringen voor in de indicator voor het ongedaan maken van nieuw ontstane verontreiniging. Een onderzoek in het kader van de implementatie van de herstelplicht zal moeten uitwijzen of verbetering van de monitoringsstrategie noodzakelijk is. Dit onderzoek is voorzien in 2003.

10.2.2 Optimale waterketen

Een optimale waterketen houdt in dat een maximale dienstverlening wordt gecombineerd met minimale milieubelasting en maatschappelijk verantwoorde kosten.

Drinkwatervoorziening en riolering behoren tot de beleidsverantwoordelijkheid van VROM, waarbij de uitvoering berust bij waterleidingbedrijven, respectievelijk gemeenten. De afvalwaterzuivering is de verantwoordelijkheid van de minister van V&W met als uitvoerende instantie de waterbeheerders (zuiveringsschappen).

In algemene zin kan worden vastgesteld dat de kwaliteit van de uitvoering van taken binnen de waterketen zich op een hoog niveau bevindt. Dit neemt echter niet weg dat verbeteringen mogelijk zijn en blijven. Met name de doelmatigheid binnen deze sectoren, die in belangrijke mate natuurlijke monopolies zijn, vraagt om aandacht.

Rapportage aan TK inzake uitvoering Waterleidingbesluit en tijdelijke regeling en Publicatie wijziging Waterleidingbesluit ter vervanging Regeling legionellapreventie leidingwater

De werking van de Tijdelijke regeling preventie legionella en het Waterleidingbesluit is in 2002 geëvalueerd. De rapportage is aan de TK toegezonden (TK 2001–2002, 28 499, nr 1). Bij de omzetting van de Tijdelijke regeling Legionella in een amvb is mede van de resultaten van deze evaluatie gebruik gemaakt. De discussie rond de inperking van de reikwijdte van de regeling heeft geruime tijd in beslag genomen. Uiteindelijk is ervoor gekozen alleen installaties uit de hoog en midden risicoklassen per direct onder de amvb te brengen en voor de laagste klassen een overgangstermijn van 10 jaar te hanteren. Dit heeft tot vertraging bij de omzetting geleid. De ontwerp-amvb is in juli in het kader van de voorhangprocedure naar de Tweede Kamer (VROM-02–781) en naar betrokken organisaties gezonden.

De op grond van commentaren aangepaste amvb zal begin 2003 ten tweede male aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Door deze vertraging kan de amvb niet in werking treden op het moment dat de Tijdelijke regeling verliep, 15 oktober 2002, maar pas in voorjaar 2003.

Het feit dat er dus momenteel specifieke regelgeving met betrekking tot legionella ontbreekt, wil niet zeggen dat er geen maatregelen kunnen worden genomen indien legionellabesmetting in leidinginstallaties wordt geconstateerd. De Waterleidingwet schrijft namelijk voor dat iedere eigenaar gehouden is om deugdelijk drinkwater ter beschikking te stellen. Er bestaat dus onverkort een eigen verantwoordelijkheid voor de eigenaar.

Drinkwater met hoge gehalten aan legionella kan niet als deugdelijk worden aangemerkt, zodat de VROM-inspectie in principe de mogelijkheid heeft om maatregelen van de eigenaar te eisen.

Er is een nieuw Informatieblad uitgebracht en op VROM-site gezet, waarin de wijzigingen ten opzichte van de Tijdelijke regeling worden beschreven, en waarin wordt aangegeven welke verplichtingen nog voor de eigenaars van collectieve leidingwaterinstallaties blijven bestaan, ook in de periode tussen het aflopen van de Tijdelijke regeling en het inwerkingtreden van de wijziging van het Waterleidingbesluit.

Rapportage aan TK over drinkwaterkwaliteit 2001

Voorjaar 2002 is een rapportage over de drinkwaterkwaliteit in Nederland over 2000 aan de Tweede Kamer aangeboden; de rapportage over 2001 komt in maart 2003 beschikbaar. Geconcludeerd kan worden dat het drinkwater wederom continu van hoge kwaliteit is geweest en er geen risico's voor de volksgezondheid zijn opgetreden. Het aantal incidentele normoverschrijdingen in leidingwater was in 2000 en 2001 zeer beperkt en lager dan in 1999 (peiljaar). De meetprogramma's van de waterleidingbedrijven in 2002 werden geheel volgens het nieuwe waterleidingbesluit uitgevoerd. In hoeverre de eigenaren van collectieve installaties reeds meten volgens de voorgeschreven meetprogramma's is nog niet bekend. De waterleidingbedrijven zijn begin 2002 begonnen met de controle van de op hun distributienet aangesloten collectieve installaties.

In de loop van 2002 zijn de controleprogramma's aangepast in het licht van de gewijzigde regeling inzake legionella-preventie.

Publicatie wijziging Waterleidingwet i.v.m. wettelijke regeling overheidseigendom, inclusief aanwijzing waterleidingbedrijven

In april 2002 is het voorstel tot wijziging van de Waterleidingwet (2de tranche, eigendom waterleidingbedrijven) aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 2001–2002, 28 339). De Nota naar aanleiding van het verslag is in december verstuurd. Mede naar aanleiding van de reacties op het wetsvoorstel zal een evaluatie plaatsvinden van het toezicht op de doelmatigheid van waterleidingbedrijven, alvorens een keuze wordt gemaakt ten aanzien van het toekomstige tarieftoezicht.

Ontwerp algehele herziening Waterleidingwet inzake regelingen bedrijfsplannen, kwaliteitszorg, leveringszekerheid, benchmarking

Parallel aan de afronding van de omzetting van de Tijdelijke regeling preventie Legionella en de 2de tranche herziening Waterleidingwet werd gewerkt aan de algehele herziening van de Waterleidingwet (3de tranche). De 3de tranche moest worden getemporiseerd. Inmiddels is een opzet gemaakt voor het raamwerk van de herziene wet. Bovendien is de inhoudelijke voorbereiding van de meeste nog te regelen onderwerpen afgerond. Binnen het raamwerk krijgen de onderdelen van de 1ste en 2de tranche een plaats, almede de onderwerpen die nog voor herziening/aanvulling in aanmerking komen. Genoemd kunnen worden het tarieftoezicht en de regeling van de leveringszekerheid (waaronder de nooddrinkwatervoorziening). Dit laatste onderwerp is ten gevolge van de gebeurtenissen in september 2001 in een geheel nieuw daglicht komen te staan.

Beleidsstandpunt benchmarking riolering naar TK

In 2002 zijn de resultaten van een proefproject met benchmarking van de gemeentelijke rioleringstaak aan de Tweede Kamer aangeboden (VROM-02–807). Op grond van deze resultaten kon worden geconcludeerd dat benchmarking een veelbelovend instrument is voor het verhogen van de doelmatigheid van deze publieke voorziening.

In september is onder leiding van de Stichting Rioned gestart met een tweede pilot benchmarking riolering waaraan ca. 40 gemeenten deelnemen en waarmee zo'n 25% van de riolering in Nederland wordt bestreken. De resultaten van deze pilot zullen in 2003 beschikbaar komen, waarna een definitief beleidsstandpunt over dit onderwerp zal worden ingenomen.

In maart 2002 heeft de minister van VROM (mede namens de staatssecretaris van V&W, de staatssecretaris van Financiën en de minister van BZK) de Notitie afvalwater buitengebied aan de Tweede Kamer toegezonden (TK 2001–2002, 19 826, nr. 23). In de notitie is een vernieuwing van de aanpak van de afvalwaterproblematiek in het buitengebied aangekondigd. In december 2002 is de notitie in een algemeen overleg met de Kamer besproken. De in de notitie aangekondigde aanpassingen in regelgeving zullen in 2003 worden doorgevoerd.

Uitkomsten tussenevaluatie Gemeentelijke Riolerings Plannen naar TK

Er is een evaluatieonderzoek gestart naar de gemeentelijke rioleringsplannen. Er is enige vertraging opgetreden omdat de evaluatie is verbreed ten opzichte van de oorspronkelijk beoogde opzet. Doel ervan is nu niet alleen inzicht te krijgen in hoeverre gemeenten erin zullen slagen de voor 2005 gestelde doelen te bereiken, maar ook na te gaan waar het achterblijven ten opzichte van de doelstellingen het gevolg zou kunnen zijn van (rijks)beleidstekorten. Indien dat het geval blijkt te zijn, zal op grond van de evaluatie aanpassing van rijksbeleid moeten plaatsvinden. De rapportage over de evaluatie zal omstreeks september 2003 naar de Tweede Kamer worden gezonden.

Impulsen aan aanpak riooloverstorten en aan sanering huishoudelijke lozingen in niet-gerioleerd buitengebied

Eind 2002 zijn de voorbereidingen van de Rijksvisie op de waterketen afgerond; Deze zal waarschijnlijk door het volgende kabinet worden uitgebracht. Deze visie geeft aan welke publieke belangen moeten worden geborgd en op welke wijze (ook) voor de langere termijn dit dient te geschieden. Als publieke belangen zijn aangemerkt volksgezondheid, leveringszekerheid, milieukwaliteit, bescherming tegen wateroverlast en bescherming van de gebonden klant. Een belangrijk element is het anders omgaan met regenwater in stedelijk gebied. Met de uitwerking van de aanpak van regenwater zal ook worden getracht een impuls te geven aan de aanpak van riooloverstorten. Doordat er geen zicht was op het beschikbaar komen van ICES-gelden ten behoeve van het afkoppelen van regenwater van de riolering, is echter nog geen invulling gegeven aan de voorbereiding van proefprojecten op dat terrein.

Binnen de overstortproblematiek is speciale aandacht uitgegaan naar de risicovolle overstorten. De VROM-inspectie is in 2002 een onderzoek gestart naar de mate waarin deze overstorten inmiddels zijn gesaneerd. De rapportage daarover wordt in mei 2003 naar de Tweede Kamer gezonden.

In maart 2002 heeft de minister van VROM (mede namens de staatssecretaris van V&W, de staatssecretaris van Financiën en de minister van BZK) de Notitie afvalwater buitengebied aan de Tweede Kamer toegezonden (TK 2001–2002, 19 826, nr. 23). In de notitie is een vernieuwing van de aanpak van de afvalwaterproblematiek in het buitengebied aangekondigd, gebaseerd op gebiedsgericht maatwerk, onder regie van de gemeenten en gebaseerd op consensus en vrijwilligheid bij de betrokken partijen. In december 2002 is de notitie in een algemeen overleg met de Kamer besproken. De in de notitie aangekondigde aanpassingen in regelgeving zullen in 2003 worden doorgevoerd.

Overige relevante beleidsprestaties Optimale waterketen

Uitbreiding Regeling materialen en chemicaliën het kader van de 1ste tranche is in 2001 een ministeriële regeling materialen en chemicaliën (in contact met drinkwater) ontwikkeld ter implementatie van (een deel) van de EG-Drinkwaterrichtlijn. Mede naar aanleiding van opmerkingen vanuit Brussel bij de notificatie is een herziene versie gemaakt die op 1 januari 2003 van kracht is geworden (in overeenstemming met afspraken met de bouwsector in het kader van het Bouwbesluit). In de komende jaren zal de regeling geleidelijk worden uitgebreid met aanvullende beoordelingsmethoden.

De Europese harmonisatie op dit terrein is in een nieuwe fase gekomen, nu de door de Commissie en enkele lidstaten, waaronder Nederland, ontwikkelde opzet van een Europees beoordelingssysteem (EAS) voor consultatie (tot 1 maart 2003) is gepubliceerd. Deze opzet is in hoge mate gebaseerd op de Nederlandse regeling.

10.2.3 Duurzaam landelijk gebied

VROM streeft naar behoud en waar nodig verbetering van de milieukwaliteit teneinde de veerkracht en het herstelvermogen te waarborgen van bodem- en watersystemen geschikt voor duurzaam gebruik.

In algemene zin kan worden gesteld dat de onderstaande beleidsprestaties een bijdrage hebben geleverd aan het realiseren van het operationele doel «duurzaam landelijk gebied».

Bij de implementatie van het beleid ten aanzien van biodiversiteit, water- en bodembeheer en inrichting en beheer van het landelijk gebied zijn in 2002 kaders en beoordelingscriteria bepaald voor zowel de milieukwaliteit als het gebruik van water en bodem met inachtneming van de verscheidenheid in ecologische condities. Sommige kaders en criteria zijn generiek, andere zijn specifiek voor het landelijk gebied buiten de bebouwde kom van gemeenten. De hieronder vermelde resultaten zijn behaald.

Implementatie afspraken over behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in Nederland

In 2002 heeft de zesde Conferentie van Partijen bij het Biodiversiteitsverdrag plaatsgevonden, waar de implementatie van bestaande afspraken over behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit is besproken en waar nieuwe afspraken over ondermeer bossen, invasieve soorten en toegang tot gebruik van genetische bronnen zijn gemaakt.

De Nederlandse inzet in internationale context is neergelegd in het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal, dat in april 2002 aan de Tweede Kamer is gezonden (Kamerstukken II, 2001–2002, 28 450, nr. 1).

Onder aanvoering van het Directoraat Generaal voor Ontwikkelingssamenwerking wordt een uitvoeringsagenda voor de transitie Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpbronnen opgesteld, waarin ook voor de overheid specifieke activiteiten zullen worden benoemd.

VROM heeft in 2002 medefinanciering gegeven aan een project van de Land- en Tuinbouw Organisatie, waarmee drie experimenten worden uitgevoerd op het vlak van agrobiodiversiteit. Deze experimenten zullen in 2003 worden voortgezet. In deze experimenten wordt op praktijkniveau voor bepaalde ziekten en plagen in bepaalde gewassen een functioneel agrobiodiversiteitsconcept ontwikkeld en toegevoegd aan een functionerende geïntegreerde gewasbescherming.

In 2002 is een project Bodem & Ecologie gestart waarin wordt nagegaan hoe de biologische kwaliteit van de bodem in het beleid kan worden opgenomen en welke aangrijpingspunten voor verbetering er zijn. De resultaten van dit project zullen worden neergelegd in de beleidsnota Duurzaam Bodembeheer, die in 2003 aan de Tweede kamer wordt aangeboden. De beoogde effecten in termen van biotische milieukwaliteit van de bodem zijn pas op langere termijn zichtbaar te maken.

Adviezen TCB en GR inzake evaluatie interventiewaarden bodemsanering naar Tweede Kamer

Bij de vaststelling van de interventiewaarden bodemsanering door de minister van VROM in 1994, na discussie met de Tweede Kamer, is overeengekomen dat na een periode van ca. 5 jaar een evaluatie van de interventiewaarden zal worden uitgevoerd. De evaluatie kent twee fasen: een wetenschappelijke en een beleidsmatige.

De wetenschappelijke fase voorziet in voorstellen door het RIVM. Het RIVM heeft in de periode 1999–2001 de wetenschappelijke evaluatie uitgevoerd. Daarna heeft de minister van VROM in 2001 aan de Technische Commissie Bodembescherming (TCB) en de Gezondheidsraad gevraagd advies uit te brengen over de rapportage van het RIVM.

Op 17 juli 2002 heeft de TCB haar advies aan de minister van VROM aangeboden.

De Gezondheidsraad heeft nog geen adviezen kunnen aanleveren aangezien de hiervoor aangestelde deskundigengroep in de loop van 2002 is samengesteld. In 2003 zal de evaluatie worden afgerond.

ICES-rapportage over SKB 1e traject

De ICES-rapportage over SKB 1e traject is in 2002 afgerond en aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2001–2002, 25 017, nr. 40). Een nieuwe ronde m.b.t. ICES/KIS wordt thans voorbereid.

Implementatie van de EG-Kaderrichtlijn Water (KWA) in de Wet milieubeheer

Het wetsvoorstel voor de EG-Kaderrichtlijn Water (KWA) regelt de overheidsinzet die nodig is voor de uitvoering van de richtlijn. Het gaat om wijzigingen van het planstelsel van de Wet op de waterhuishouding (Wwh) en de regeling van milieukwaliteitseisen in de Wet milieubeheer (Wm). Het wetsvoorstel is in augustus 2002 aangeboden aan de Raad van State voor advies. Het streven is gericht op indiening van het wetsvoorstel in 2003.

Na een proces van uitvoerige raadpleging en inspraak van lidstaten, stakeholders, NGO's etc. is door de Commissie op 24 oktober een voorstel (2002/0254(COD)) voor herziening van de huidige zwemwaterrichtlijn (76/160/EEG) uitgebracht. Aan de totstandkoming van dit voorstel is ook door Nederland een belangrijke bijdrage geleverd o.a. door de inbreng van het advies van de Gezondheidsraad over de risico's van zwemmen in oppervlaktewater en de studies van o.a. RIVM die hebben bijgedragen aan de onderbouwing van de normstelling voor de indicator parameters voor microbiële verontreiniging van het zwemwater.

Afsluiten nieuwe Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied 2002–2005 (inclusief reconstructie traject) en uitvoeringscontract

In februari 2002 is tussen rijk (LNV, VROM en V & W) en provincies een nieuwe bestuursovereenkomst en uitvoeringscontract gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied afgesloten. Tegelijk is besloten om een traject in te gaan ter vereenvoudiging en ontbureaucratisering van deze wijze van programmering van de uitvoering van het beleid voor de inrichting van het landelijk gebied. Een extern adviesbureau is gevraagd om hierover te adviseren. Dit advies is in december 2002 uitgebracht. Dit onderzoek zal tevens bijdragen aan het streven van het rijk om te komen tot verdere integratie van beleid inclusief bijbehorende geldstromen in één Investeringsbudget Landelijk Gebied, naar analogie van het reeds bestaande Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV).

Er zijn 2 handreikingen uitgebracht ter ondersteuning van provincies bij de uitvoering van het gebiedsgericht beleid voor het landelijk gebied. Tevens is een internetsite gebiedsgericht beleid geoperationaliseerd. Uit onderzoek is gebleken dat bij provincies kennistekorten bestaan op het terrein van proceskennis, inhoudelijke kennis en kennis over subsidies en regelingen. VROM zal bijdragen aan versterking van de kennisopbouw en -overdracht.

Ten behoeve van het formuleren van landelijke en regionale beleidsopgaven voor de milieukwaliteit in het landelijk gebied en de formulering van toetsbare overheidsprestaties is door RIVM en Alterra onderzoek uitgevoerd en is in 2002 met V&W, LNV, UvW en IPO een evaluatie uitgevoerd van het verdrogingbeleid. Deze informatie zal tevens worden benut voor het prioritaire project milieu in de leefomgeving (MILO).

10.2.4 Duurzame landbouw

Duurzame landbouw kent een nationale en internationale component. Bij de internationale component gaat het vooral om de ombuiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU in een duurzame richting (zie artikel 11.2.1 Internationale samenwerking milieu). Nationaal staan de thema's mineralen, ammoniak, stank en bestrijdingsmiddelen centraal.

In algemene zin kan worden gesteld dat de onderstaande beleidsprestaties in 2002 een zinvolle bijdrage hebben geleverd aan het realiseren van een duurzame landbouw.

Evaluatie mestbeleid (samen met LNV)

Doel van het mestbeleid is, dat de emissie van nitraat en fosfaat tot een niveau wordt teruggebracht dat in overeenstemming is met de doelstellingen ten aanzien van milieukwaliteit.

In 2002 heeft in dat kader, onder verantwoordelijkheid van het Milieu Natuur Planbureau (MNP) een evaluatie van de Meststoffenwet plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat:

1. Met de in de wet opgenomen stikstofverliesnormen voor 2003 voldaan wordt aan de 50 mg nitraat in het bovenste grondwater met uitzondering van de droge zand- en lössgronden (140 000 ha, 7% van het landbouwareaal).

2. De belasting naar het oppervlaktewater inderdaad wordt verminderd. De 50% emissiereductiedoelstelling voor fosfaat wordt in 2003 nationaal gehaald. Voor stikstof wordt deze niet gehaald (circa 30–35%). Op basis van de meest recente cijfers (2000) blijkt dat nu circa 25% stikstof emissiereductie heeft plaatsgevonden. Uit de evaluatie in 2002 blijkt ook dat de relatie bodembelasting en beïnvloeding van de kwaliteit van oppervlaktewater nog niet eenduidig uit metingen naar voren komt. Dit als gevolg van tekortkomingen in het monitoringsnetwerk voor oppervlaktewater. Ten behoeve van de evaluatie in 2004 zal aanvullend onderzoek plaatsvinden naar de relatie bodembelasting en kwaliteit oppervlaktewater.

3. Nederland onderhandelt met de Europese Commissie over de Nederlandse derogatie. Naar verwachting zal er in 2003 overeenstemming worden bereikt.

De Commissie zal van Nederland verlangen dat de stikstofverliesnormen voor de droge zand- en lössgronden verder zullen moeten worden verlaagd om ook op deze gronden de 50 mg nitraat te kunnen realiseren.

In 2002 zijn brieven naar de Tweede Kamer gestuurd (TRCDL/2002/1898, 2002/3343 en 2002/3985) met de resultaten van de evaluatie meststoffenwet en de beleidsmatige consequenties daarvan. Belangrijkste punten zijn de verliesnormen voor stikstof en fosfaat en de problematiek van de «loze contracten».

De stikstofnormen zoals deze in de wet zijn vastgelegd blijven gehandhaafd m.u.v. de normen voor de droge zandgronden.

Hier is vanwege de spankracht van de sector gekozen voor een temporisering in de aanscherping. Op droge gronden moeten de normen nu in 2004 (i.p.v. 2003) worden gerealiseerd. Daarnaast worden alleen die droge gronden aangewezen waarvan nu zeker is dat hiervoor aanscherping van de stikstofnormen noodzakelijk is.

Vanwege de grote gevolgen voor de intensieve veehouderij is ervoor gekozen om de fosfaatnormen op bouwland minder aan te scherpen. Hierdoor vindt nog steeds verdere ophoping van fosfaat in de bodem plaats. Gezien de fosfaatrijkdom van de meeste bodems is de bijdrage van deze temporisering naar het milieu op de korte termijn gering. Er ligt echter een grote opgave de fosfaatproblematiek op langere termijn op te lossen.

De problematiek van de «loze contracten» speelt met name in de melkveehouderij. Er is een oplossing voorgesteld die het probleem halveert, maar niet wegneemt. Ook hier zijn verdere inspanningen de komende jaren nodig.

Nieuwe stankrichtlijn of stankwet voor de gebieden buiten de reconstructie

In mei 2002 is de «Wet Stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden» (EK 27 835) door de EK aanvaard. Deze wet treedt inwerking op een bij KB te bepalen tijdstip, waarbij in de reconstructiegebieden ruimere stanknormen kunnen worden gehanteerd. Daarna is, op verzoek van de Tweede Kamer, gewerkt aan een nieuwe Stankwet die landelijk van toepassing is.

Deze landelijke Stankwet gaat uit van de huidige jurisprudentie, waarbij de cumulatiebeoordeling is geschrapt. Dit resulteert in een lager beschermingsniveau voor omwonenden en in meer ruimte voor de veehouderij. De nieuwe wet is inmiddels voorzien van een – positief – advies van de Raad van State. Na verwerking van dit advies zal het kabinet de nieuwe Stankwet aanbieden aan de Tweede en Eerste Kamer.

Het stankbeleid streeft naar terugdringing van het aantal stankgehinderden en naar het voorkomen van nieuwe hinder. In 2010 mag er geen ernstige stankhinder meer voorkomen.

De landelijke aanpak van stankemissie vanuit dierenverblijven en mestverwerkinginstallaties gaat uit van de twee beschreven sporen, het emissiespoor en het immissiespoor. Door het toepassen van emissiereducerende technieken kan de emissie worden teruggebracht (het emissiespoor). Parallel, omdat desondanks een zekere restemissie onvermijdelijk is, worden afstandseisen gesteld om hinder te voorkomen dan wel tot een acceptabel niveau te beperken (het immissiespoor). Alleen de afstandseisen worden wettelijk vastgelegd. Naar verwachting kan door toepassing van beide sporen de stankhinder in voldoende mate worden teruggebracht.

Voor wat betreft de reconstructiegebieden geldt dat, in verband met de doelstellingen van de Reconstructiewet, sprake moet zijn van een afname van stankgehinderden. Het samenspel van de gebiedsaanwijzing en de stanknormering van de wet zal voldoende waarborg bieden voor het voorkomen van onaanvaardbare stankhinder.

Informatievoorziening en communicatie over de nieuwe Ammoniak- en stankregelgeving

De Wet ammoniak en veehouderij trad in mei 2002 in werking (EK 27 836). Hierin wordt geregeld dat in een zone van 250 meter rond natuurgebieden geen nieuwvestiging van veehouderijbedrijven mag plaatsvinden en dat voor bestaande bedrijven een emissieplafond geldt. In maart 2002 heeft de minister een brief aan alle gemeentebesturen gestuurd, waarin toelichting wordt gegeven op de wet en adviezen worden verstrekt over de toepassing van onderdelen van de wet. Rond de datum van inwerkingtreding van de wet zijn voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd voor het bevoegde gezag en het bedrijfsleven. Die bijeenkomsten zijn druk bezocht en hebben in een behoefte aan informatie voorzien. Eind 2002 is een monitoringsproject gestart, gericht op de uitvoering van de wet.

Diverse bijdragen aan beleidsprestaties VWS en LNV

In 2002 hebben bij het bestrijdingsmiddelenbeleid belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden. Zo is een aantal voorzieningen tot stand gebracht om het toelatingsbeleid procedureel soepeler te laten verlopen. Het gaat daarbij om de mogelijkheid van voorlopige toelatingen en de zogenaamde uitbreidingstoelatingen. Beide hebben als doel om te zorgen dat nieuwe bestrijdingsmiddelen, die veelal minder milieubezwaarlijk zijn dan oude, geen onnodige procedurele belemmeringen ondervinden bij de beoordeling door het College voor Toelating van Bestrijdingsmiddelen.

Voorts is een wettelijke basis verschaft aan de zogenaamde herprioritering waardoor voor 90% van de bestaande bestrijdingsmiddelen het tempo van de nationale beoordeling in lijn wordt gebracht met dat van de EU. Alleen de meest milieubezwaarlijke middelen worden nog vooruitlopend op de EU beoordeeld.

Er is een traject gestart om met Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO), LNV en de Stichting Natuur en Milieu te komen tot geaccepteerd nieuw beleid. Kern daarvan is het realiseren van een duurzame gewasbescherming en het binnen dat kader bieden van oplossingen voor acute praktijkproblemen. Tevens is voor oplossingen van korte termijnproblemen een vrijstellingsregeling opgesteld.

Bij de biociden is een aanvang gemaakt met de opstelling van Regeling importgassingen die voorwaarden stelt voor de afhandeling van containers die onder gas de haven binnenkomen. Het Besluit niet-landbouw bestrijdingsmiddelen is aangepast ter implementatie van de EU-biocidenrichtlijn. Daarnaast is in overleg met VWS en SZW een voorziening getroffen voor de problematiek die scheepswerven ondervonden bij de aangroeiwerende verven met Tri Butyl Tin (TBT). De voorziening betreft een gedifferentieerd handhavingsbeleid voor de toepassing op zeeschepen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 10 Verbeteren nationale milieukwaliteitRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil2002
Verplichtingen14 03117 412– 3 381
waarvan garantieverplichtingen   
Uitgaven17 31422 484– 5 170
Programma-uitgaven11 01316 725– 5 712
Duurzaam bodembeheer4 3065 232– 926
Subsidies duurzaam bodembeheer4 0454 992– 947
Overige instrumenten duurzaam bodembeheer26124021
    
Optimale waterketen0306– 306
Overige instrumenten optimale waterketen0306– 306
    
Duurzame landbouw0345– 345
Aanvullend stikstofbeleid0345– 345
    
Onverdeeld programma6 70710 842– 4 135
Onderzoek2 6114 008– 1 397
Communicatie-instrumenten8845– 43
Overige instrumenten4 0086 789– 2 781
    
Apparaatsuitgaven6 3015 759542
Ontvangsten2 7754 992– 1 412

Artikel 11. Tegengaan klimaatverandering en emissies

11.1 Algemene beleidsdoelstelling

Om te komen tot een duurzame samenleving streeft VROM naar het voorkomen van klimaatverandering door menselijke beïnvloeding en de bestrijding van verzuring en milieuschadelijke emissies, door de bevordering van een ook in internationaal verband milieuverantwoorde productie en consumptie. Het beleid beoogt door gedragsbeïnvloeding van burgers en bedrijven de emissies die strijdig zijn met een duurzame ontwikkeling (w.o. klimaatverandering) terug te dringen. De eigen verantwoordelijkheid daarin wordt zo groot mogelijk gemaakt binnen de randvoorwaarden van milieudoelen en internationale afspraken daarover. Langs de volgende operationele doelen wordt dit beleid uitgewerkt:

• internationale samenwerking milieu;

• vermindering uitstoot broeikasgassen (binnenland en buitenland);

• vermindering verzuring en grootschalige luchtverontreiniging;

• vermindering algemene uitstoot industrie;

• vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart;

• vermindering milieudruk producten;

• vergroten draagvlak milieubeleid.

11.2 Operationele doelstellingen

11.2.1 Internationale samenwerking milieu

Internationale samenwerking milieu krijgt vorm door het leveren van een bijdrage aan het realiseren van een duurzame ontwikkeling middels het optimaal benutten van de internationale kaders. Hierbij wordt niet alleen duurzame ontwikkeling in Nederland maar ook die daarbuiten ten doel gesteld. Dit vergt van VROM een actieve milieudiplomatie. Dit betekent beïnvloeden van internationale beleidsprocessen zodanig dat Nederlandse standpunten in internationaal milieubeleid worden opgenomen.

Gezien de onderstaande beleidsresultaten in 2002 mag geconcludeerd worden, dat mede dankzij de Nederlandse inzet de internationale samenwerking op het gebied van milieubeleid versterkt is. Dit biedt een goede basis voor intensieve samenwerking in de komende jaren.

Voorbereiding van de WSSD

Tien jaar na de United Nations Conference on Environment and Development (UNCED) in Rio de Janeiro en vijf jaar na Rio + 5 in New York heeft in september in Johannesburg de vervolgconferentie Rio + 10 (World Summit on Sustainable Development) plaatsgevonden.

Ter voorbereiding van de Top werd van de nationale overheden een rapportage verwacht van de wijze waarop Agenda 21 is geïmplementeerd. Nederland heeft eind 2001 haar rapportage «Ten Years After: Implementation Sustainability in The Netherlands» aan de VN aangeboden (zie brief van de minister van BuZa van 10 december 2001 aan de Kamer).

Implementatie van de resultaten van de WSSD

Over de uitkomsten van de WSSD is de Kamer geïnformeerd op 1 oktober 2002 (kamerstukken II 2002–2003, 28 600 V, nr. 4). De voornaamste resultaten van de WSSD zijn verantwoord bij beleidsprioriteit 2.3.

De afspraken van Johannesburg mogen niet vrijblijvend zijn. Op 18 oktober 2002 (BuZa 020 421) is de Kamer over de aanpak van de follow up van de WSSD geïnformeerd. Hierin is een Actieprogramma voor duurzame ontwikkeling aangekondigd. Op 29 november 2002 (BuZa 020477; DGIS 184–2002) is dit actieprogramma onder de titel «Duurzame Daadkracht» aan de Kamer aangeboden.

Subsidieverlening ter bevordering van internationale samenwerking milieu:

Om het internationale milieubeleid te bevorderen zijn in 2002 aan maatschappelijke organisaties subsidies verleend en contributies betaald aan internationale organisaties zoals de UNEP. Hiervoor was in 2002 een verplichtingen- en uitgavenbudget van € 5 mln. beschikbaar. Beide budgetten zijn nagenoeg geheel benut. Het belangrijkste thema hierbij in 2002 was het ondersteunen van ngo's bij hun voorbereiding op en deelname aan de WSSD.

11.2.2 Vermindering uitstoot broeikasgassen

Het klimaatbeleid is de komende jaren gericht op de implementatie van het Kyoto-protocol en van de maatregelen in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, die de doelstelling voor de eerste budgetperiode van het Kyoto-protocol (2008–2012) binnen bereik moeten brengen. Voor de periode 2008–2012 geldt als doelstelling een emissiereductie met gemiddeld 6% (gerekend in CO2-equivalenten) voor de broeikasgassen CO2, CH4, N2O, HFK's, PFK's en SF6 ten opzichte van het basisjaar 1990; voor HFK's, PFK's en SF6 is dat 1995. Deze reductieverplichting betreft het Nederlandse aandeel in de invulling van de doelstelling van de EU in het Kyoto-protocol.

De uitkomsten voor 2002 zijn nog niet bekend. In 2001 viel voor een aantal gassen een lichte reductie waar te nemen, maar de totale reductie t.o.v. 2000 bleek gestabiliseerd (zie hierna het overzicht, in miljarden kilogram CO2-equivalenten). Het overzicht is inclusief temperatuurcorrectie, maar exclusief vastlegging van CO2 in biomassa.

Tabel 11.1. Emissies CO2equivalenten (in miljarden kilogram)

Totaal per gas1990199520002001
CO2166176180183
CH427252120
N2O17181716
HFK's4,463,91,6
PFK's2,41,91,51,5
SF60,20,30,30,3
Totaal217226223223

In 2003 zal een klimaatrapportage worden uitgebracht waarin wordt ingegaan op de emissies tot en met 2002 en de tot dan toe geleverde Rijksbrede beleidsprestaties.

EU-ratificatie van het Kyoto-protocol en Evaluatie Uitvoeringsnota Klimaatbeleid:

Over de realisatie van deze beleidsprestaties is reeds verantwoording afgelegd in het hoofdstuk over de beleidsprioriteiten 2002.

11.2.2.1 Vermindering uitstoot broeikasgassen binnenland

De Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel 1 binnenlandse maatregelen bestaat uit drie pakketten:

1. het Basispakket, dat zich richt op het bereiken van het binnenlandse aandeel in de Kyoto-doelstelling;

2. het Reservepakket, waarbinnen maatregelen worden ontwikkeld die ingezet kunnen worden in geval bij de evaluaties blijkt dat de doelstelling met de inzet van alleen de maatregelen uit het basispakket niet kan worden gehaald;

3. het Vernieuwingspakket, waarbinnen beleidsinstrumenten en technologieën worden ontwikkeld voor de langere termijn. Uitgangspunt daarbij is dat op langere termijn (veel) verdergaande reducties gerealiseerd zullen moeten worden dan in het Kyoto Protocol zijn vastgelegd.

Ad. 1. Maatregelen Basispakket (voorzover onder verantwoordelijkheid van VROM)

Evaluatie convenant CO2-reductie bij kolencentrales:

Het convenant is op 24 april ondertekend. Omdat dit later werd dan verwacht, is op basis van de voorwaarden van het convenant, besloten de aangekondigde evaluatie naar 2003 door te schuiven. Dit heeft geen gevolgen voor het behalen van de doelstelling in 2008–2012.

Uitvoering Bestuursakkoord nieuwe stijl (BANS)-klimaatconvenant:

Op 18 februari 2002 hebben rijk, IPO en VNG het BANS-klimaatconvenant ondertekend. Als onderdeel daarvan is de aangekondigde subsidieregeling ter stimulering van lokaal klimaatbeleid gepubliceerd (Stc. 5 februari 2002, nr. 25). De subsidieregeling is op 1 maart 2002 in werking getreden. Het subsidieplafond voor de periode 2002 tot 2005 bedraagt € 37 mln. Per ultimo 2002 hebben 7 gemeenten een aanvraag bij VROM ingediend. Het aantal aanvragen in 2002 was lager dan verwacht. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn de complexiteit van de aanvraag en de duur van de voorbereiding. In 2003 worden de oorzaken onderzocht en wordt bekeken hoe het gebruik van de subsidieregeling verder kan worden gestimuleerd.

Klimaatprogramma (Loreen II, verlenging van het Loreen I programma van EZ):

Loreen II is een onderdeel van het Koepelprogramma CO2-emissiereductie in de Gebouwde Omgeving, waarvoor VROM de verantwoordelijkheid draagt. Dit programma wordt uitgevoerd door Novem en kent een doelgroepgerichte aanpak. Het is bedoeld als een meerjarig programma en zal ook in 2003 worden voortgezet. In het kader van het Koepelprogramma zijn in 2002 bij 160 gemeenten klimaatscans uitgevoerd, die kunnen resulteren in aanvragen voor subsidie op grond van het BANS-klimaatconvenant.

Besluit Glastuinbouwbedrijven i.v.m. normering energieverbruik (glami):

In dit convenant is een verbetering van de energie-efficiency in 2010 afgesproken van 65% t.o.v. 1980. Het Besluit Glastuinbouwbedrijven, waarin normen zijn aangegeven voor het energieverbruik waaraan de individuele tuinder dient te voldoen, is per 1 april 2002 van kracht geworden na publicatie in het Staatsblad van 28 februari 2002, nr. 109.

Regeling niet-industriële restwarmte infrastructuur (NIRIS):

Met de regeling NIRIS worden projecten ondersteund waarbij restwarmte wordt benut van niet-industriële bronnen zoals centrales, warmtekrachteenheden en afvalverbrandingsinstallaties. De restwarmte wordt geleverd aan woningen, gebouwen en glastuinbouwgebieden. Bij publicatie van de regeling in 1998 is hiervoor € 62 miljoen beschikbaar gesteld, waarvan € 55 miljoen initieel werd toegezegd (hierin o.a. Delfland). Inmiddels is bekend geworden dat Eneco besloten heeft het project «CO2-aanvalsplan Delfland» niet uit te voeren. Hierdoor is de stand van de in het kader van deze regeling aangegane verplichtingen verlaagd tot bijna € 21 mln. Het emissiereductie-effect van het project Delfland werd geraamd op 235 Kton CO2. Het geld dat voor Delfland werd gereserveerd komt weer ten goede aan het CO2-reductieplan. Via de tenderregeling van Economische Zaken komt het bedrag beschikbaar voor andere projecten. De verwachting blijft dat de doelstelling van 4 à 5 Mton CO2-reductie door het CO2-reductieplan zal worden bereikt.

Opzetten uitvoeringsorganisatie voor monitoring van emissies van broeikasgassen:

Een pakket van activiteiten is in voorbereiding genomen, waaronder een wettelijke regeling en protocollen in het kader van het opzetten van een uitvoeringsorganisatie voor monitoring van emissies van broeikasgassen. Het tot stand komen van een wettelijke regeling was in 2002 niet haalbaar. Eind 2002 is ca. 75% van de protocollen gereed gekomen.

De risicofactor van uitstel van de regeling is echter laag, omdat de internationale verplichtingen pas in 2005 gereed moeten zijn. Uitstel heeft geen gevolgen voor het behalen van de doelstelling in 2008–2012.

Uitvoering Reductieplan Overige Broeikasgassen (ROB):

De uitvoering van het Reductieplan Overige Broeikasgassen (ROB) is een voortschrijdend proces en loopt door met het oogmerk om de afgesproken emissies te realiseren in de 1e budgetperiode uit het Kyoto-protocol. Met de opwaardering van de maatregelen voor de reductie van de emissie van N2O naar het basispakket en de oriëntatie van productgerichte maatregelen op EU-regelgeving, heeft een accentverschuiving binnen de uitvoering van het ROB plaatsgevonden.

Tabel 11.2. Verhouding tussen de inzet van uitvoeringsgericht onderzoek en monitoring versus subsidieverlening

(Bedragen in EUR 1)

JaarUitvoe-ringsgericht onderzoek en monitoringSubsidie-budget R,D,DAantal subsidies verwachtWerkelijk aantal ingediendAantal subsidies toegekendTotaal toe-gekend bedragGemiddeld subsi-dieper-centageWerkelijk gerealiseerd subsidieperc.Steun bij invoering van maatregelenReductie-doelstelling (Mton CO2-eq)Reeds gerealiseerd (Mton CO2-eq)
19992 886 325500 000110102 047 07650%50%n.v.t8,22,5
20005 361 3957 000 0005044297 000 00047% n.v.t.8,2pm
20014 000 0007 000 0004036297 000 00026% 2000 0008,2 
20022 437 3037 162 0584052307 162 05825% 4 000 0008,2 
20032 378 2334 407 42045 30 35% 4 000 0008,2 
20041 500 0004 407 42040 25 35% 8 000 0008,2 
20051 000 0004 407 42040 25 35% 12000 0008,2 

De inzet voor de overige broeikasgassen hoeft niet ingrijpend te veranderen als gevolg van het strategisch akkoord. De keuze om voor het productenbeleid te wachten op regelgeving uit Europa houdt in, dat drie projecten voor de beleidsuitvoering pas op de plaats maken. Bij deze projecten wordt gewacht op Europese regelgeving voor fluorhoudende broeikasgassen.

Ad. 2. Maatregelen reservepakket (voorzover onder verantwoordelijkheid van VROM)

CO2-opslagbuffer:

In 2002 is verder gewerkt aan de voorbereiding van een project met ondergrondse CO2-opslag (trekker is EZ). Uit de haalbaarheidsstudies die eind november zijn afgerond bleken twee partijen de mogelijkheid voor ondergrondse CO2-opslag nader te willen onderzoeken. Het gaat om een onshore-project van NAM en een offshore-project van Gaz de France. Voordat een definitieve beslissing kan worden genomen welk project doorgang zal vinden is verder overleg nodig.

Reductie lachgasemissies in de salpeterzuurindustrie:

Naar aanleiding van de uitkomsten van het ijkrapport ROB is een evaluatie gestart welke technologie(en) geïmplementeerd kan (kunnen) worden voor reductie lachgasemissies (N2O) in de salpeterzuurindustrie. In het ijkrapport ROB is beschreven welke mogelijkheden er zijn m.b.t. de reductie van N2O.

In de Notitie «Vaste waarden, nieuwe vormen: Milieubeleid 2002 2006» zet het kabinet in op uitbreiding van het convenant met de chemie teneinde een N2O-reductie bij de salpeterzuurfabricage van ongeveer 5 Mton CO2-equivalenten te bereiken. Omdat de technische ontwikkelingen blijven doorgaan, vindt er voortdurend monitoring plaats.

Ad. 3. Maatregelen vernieuwingspakket (voorzover onder verantwoordelijkheid van VROM)

Verhandelbare CO2-rechten (plafonnering CO2-emissies):

Het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het advies van de Adviescommissie plafonnering CO2-emissie is nader uitgewerkt en op 13 mei 2002 aan de Kamer gezonden (Kamerstukken II 2001–2002, 26 603 XI, nr. 39). In december is in het EU een politiek akkoord m.b.t. de richtlijn emissiehandel in broeikasgassen bereikt. Thans ligt de ontwerprichtlijn, in tweede lezing, voor bij het Europees parlement. In het afgelopen jaar is ook samen met de industrie verkend op welke wijze emissierechten aan bedrijven kunnen worden gealloceerd. Een rapportage hierover is aan de Europese Commissie verstuurd.

Tenderregeling Vernieuwing introductie gasvormige en vloeibare energiedragers (GAVE):

De tenderregeling is op 11 maart 2002 gepubliceerd (Stc. nr. 49, pag. 15). Zes aanvragen zijn ingediend. Hiervan voldeden 4 projecten aan de voorwaarden en konden worden gehonoreerd. De regeling wordt thans geëvalueerd.

Stimuleringsregeling introductie nulemissietechnieken:

De in het kader van de ICES verwachte financiële middelen zijn in 2002 niet beschikbaar gesteld. Dit vormde aanleiding om dit taakveld tegen het licht te houden en na te gaan of in de nieuwe context anders gewerkt zou kunnen worden.

Op basis van onderzoek en na raadpleging van externe belanghebbenden en het ministerie EZ, is besloten dat er onvoldoende gronden bestaan om verder te werken aan een apart stimuleringsprogramma onder regie van VROM. Een stimuleringsregeling voor introductie van nulemissietechnieken zal dus niet gestart worden.

Overige prestaties:

De Inzamelingsregeling CFK en halonen is gepubliceerd in de St.crt. 2002, nummer 167. Voor de regeling, die sinds 4 september 2002 van kracht is, is een totaalbedrag beschikbaar van € 21,2 mln. De uitvoering van de regeling wordt, inclusief de bijbehorende budgetten, verantwoord op beleidsartikel 12.

11.2.2.2 Vermindering uitstoot broeikasgassen buitenland

In de begroting 2002 was als doel voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met buitenlandse maatregelen opgenomen: reductie van 125 Mton CO2-eq. in de periode tot 2012. Na herziening van de berekeningsmethode is het totale reductiedoel bijgesteld tot 200 Mton, waarvan tenminste de helft met binnenlandse maatregelen, en dus max. 100 Mton met buitenlandse maatregelen.

Gezien de onderstaande beleidsresultaten in 2002 mag geconcludeerd worden, dat de inzet van het Clean Development Mechanism (CDM) een belangrijke en kosteneffectieve bijdrage levert aan het bereiken van de gestelde buitenlandse broeikasgas-reductiedoelstellingen.

Voor de buitenlandse maatregelen ter reductie van de uitstoot van broeikasgassen worden thans twee instrumenten ingezet: Joint Implementation (JI), onder verantwoordelijkheid van EZ, en het Clean Development Mechanism (CDM), onder verantwoordelijkheid van VROM. Het derde instrument, International Emission Trading (IET), is nog in ontwikkeling. Deze instrumenten werden geïntroduceerd in het Kyoto protocol, dat op 31 mei 2002 door Nederland is geratificeerd.

Met het CDM-instrument zijn door VROM sinds 2001 de eerste positieve ervaringen opgedaan.

In de periode 2003–2012 moet dit leiden tot de levering van reductiecertificaten (CERs) aan Nederland voor in totaal 60 – 80 Mton CO2-equivalenten; in de begroting 2002 werd als doel nog uitgegaan van 50 Mton.

Door allereerst contracten te sluiten met uitvoerders/intermediairs, die vervolgens potentiële CDM-projecten traceren, tot ontwikkeling brengen en (laten) uitvoeren, wordt een eerste stap gezet in het bereiken van de klimaatdoelstellingen met buitenlandse maatregelen. Met name in 2003 en 2004 zullen de eerste daadwerkelijke contracten voor de levering van CERs aan Nederland worden gesloten, waarna naar verwachting de eerste CERs vanaf 2003 aan Nederland worden geleverd en de eerste betalingen aan de projectontwikkelaars plaatsvinden.

Voor de inschakeling door VROM van uitvoerders/intermediairs wordt inmiddels een viersporenaanpak gevolgd. De resultaten in 2002 zijn als volgt:

1. het multilaterale spoor

Met de Wereldbank is een tweejaarlijks raamcontract gesloten voor 16 Mton CO2 met de mogelijkheid tot een tweejarige verlenging van 16 Mton CO2. Voorts is een driejarig raamcontract gesloten met de International Finance Corporation (IFC) voor 10 Mton CO2 en een driejarig raamcontract met de Corporacion Andina de Fomento (CAF, een Latijns-Amerikaanse Ontwikkelingsbank) voor 10 Mton CO2.

In de raamcontracten verplichten de banken zich in te spannen om binnen de afgesproken termijn met projectontwikkelaars contracten af te sluiten die tot en met 2012 zullen resulteren in de levering van de in de contracten afgesproken hoeveelheid CERs.

Voorts zijn gesprekken met de Asian Development Bank (ADB) ambtelijk afgerond. De ADB-bewindvoerders beraden zich thans op de modaliteiten van de samenwerking; begin 2003 zal het standpunt bekend zijn. In het raamcontract met de ADB wordt uitgegaan van 15 Mton CO2. Gesprekken met de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) zijn vanwege de beperkte CDM-relevantie van de landen waar de EBRD actief is niet voortgezet. Tevens is in overleg met BuZa/DGIS besloten de gesprekken met United Nations Development Programmme (UNDP) vanwege het ontwikkelingskarakter van die organisatie niet te continueren. De gesprekken met de Inter-American Development Bank zijn vanwege een weifelende opstelling bij die instelling niet voortgezet.

2. het bilaterale spoor ( «openbare aanbesteding m.b.v. CERUPT»)

De resultaten van de via SENTER uitgevoerde internationale tender voor de aankoop van CO2 kredieten zijn medio december 2002 bekend geworden. Met de tender zal maximaal ca. 20 Mton CO2 kunnen worden binnengehaald. Medio 2003 zal de balans definitief kunnen worden opgemaakt.

3. het private financiële spoor

De publicatie van een internationale tender gericht op private financiële instellingen is niet nodig gebleken. Er kunnen rechtstreekse contracten worden gesloten. Met de Rabobank is in het voorjaar van 2003 een raamovereenkomst gesloten.

4. bilaterale overeenkomsten

Voor het CDM instrument is een 4e spoor ontwikkeld: bilaterale aankoopcontracten met potentiële gastlanden. In het najaar van 2002 zijn hiervoor de eerste contacten gelegd met Brazilië, China, India en Indonesië. De hoeveelheid te contracteren Mton CO2-eq. is thans nog niet aan te geven.

Tabel 11.3. Samenvatting, planning en resultaten van CDM in 2002

Reductie Mton CO2-eq. d.m.v. CDM:Oorspr. doel:Gecontracteerd/te contracteren:Verwachte realisatie CERs:
Spoor 1:303636
Spoor 2:101610
Spoor 3:10(2003)p.m.
Spoor 4:n.v.t.(2003)p.m.
Totaal:505246

Met de thans gesloten en nog te sluiten overeenkomsten zou het gestelde reductiedoel van 67 Mton CO2-equivalenten gehaald kunnen worden.

Opstart Vervolg Onderzoekprogramma Klimaatverandering (VOK):

In de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 603, nr. 28) deel 2 is aangekondigd, dat een programma op hoofdlijnen in 2001 aan de Tweede kamer zal worden aangeboden en dat het programma, voorzien van de benodigde bestuurlijke inrichting en een uitvoeringsorganisatie, begin 2002 operationeel zal zijn.

Dit tijdpad is niet haalbaar gebleken, omdat VROM eerst besluiten wilde nemen over het vervolgprogramma nadat de evaluatie van het Nationaal Onderzoekprogramma Klimaatverandering en Mondiale Luchtverontreiniging fase II (NOP2, een door VROM en NWO gefinancierd programma dat startte in 1995) was afgerond. De rapportage daarvan is voorjaar 2002 ontvangen. Inmiddels is de bestuurlijke inrichting bijna afgerond en is de uitvoeringsorganisatie operationeel geworden. De hoofdlijnen van het programma zijn in juli 2002 aan de Tweede Kamer toegestuurd (Kamerstukken II, 2001–2002, 200 204 7962. De naam van het programma is gewijzigd in Nationaal Vervolgprogramma Klimaatonderzoek, NVKO. Eind 2002 is een convenant afgesloten met het NWO voor de uitvoering van fundamenteel onderzoek.

Formuleren plan van aanpak voor bijdrage VROM aan internationale waarneming van de gevolgen van klimaatverandering

De formulering van een plan van aanpak is door nadere prioriteitstelling uitgesteld. Het kabinet besluit pas in 2003 over de verdeling van middelen over verschillende ICES-KIS thema's. Bij de verdere uitwerking van het plan zal ook in overweging worden genomen om dit onderwerp onder te brengen bij het NVKO.

11.2.3 Vermindering verzuring en grootschalige luchtverontreiniging

Onder het thema Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging vallen alle luchtverontreinigende stoffen die bodemverzurende, eutrofiërende en negatieve gezondheidseffecten (door ozonvorming en vorming fijn stof) tot gevolg hebben. De belangrijkste stoffen zijn SO2, NOx, vluchtige organische koolwaterstoffen (VOS), NH3 en primair fijn stof (PM). In het NMP4 zijn de nationale doelstellingen als inspanningsverplichtingen opgenomen. Deze reiken verder dan hetgeen in internationaal verband is overeengekomen. In de tabel hierna zijn de doelstellingen en de ontwikkeling van de desbetreffende emissies aangegeven, alsmede de prognose bij voortzetting van het huidige beleid. Het daaruit te constateren beleidstekort is aanleiding voor het opstellen van een Uitvoeringsnotitie Emissieplafonds verzuring en grootschalige luchverontreiniging, die de Kamer aan het eind van 2003 zal worden aangeboden. Daarin worden de keuzes voor aanvullend beleid opgenomen.

Tabel 11.4. voortgang realisatie doelstellingen vermindering verzuring en grootschalige luchtverontreiniging (in kton)

 werkelijk 1980werkelijk 1990werkelijk 2001Goteborg Protocol 2010NEC Richtlijn 2010NMP4 Doelstelling 2010prognose bij huidig beleid
SO24812028950504570
NOx596579410266260230289
VOS569500271191185155219
NH3234231148128128100132

Indienen bij de Europese Commissie van een plan van aanpak realisatie emissieplafonds:

Dit rapport is op 20 december 2002 gereedgekomen en bij de Europese Commissie ingediend, waarmee Nederland aan haar rapportageverplichting heeft voldaan.

Projectplan verbetering bestrijding VOS-emissies: Monitoringsprotocol en Opstellen 1e jaarlijkse monitoringsrapport:

Er zijn twee verbeteracties opgestart. Deze hebben betrekking op diffuse emissies bij op-/overslag bij raffinaderijen en chemie en op de monitoring van procesemissies bij convenantbedrijven en chemie. Rapportages van werkgroepen en een monitoringsprotocol worden in de 1e helft van 2003 opgeleverd. Deze vertraging zal vermoedelijk geen belemmering vormen voor invoering van monitoringsprotocollen voor de desbetreffende sectoren in 2004.

Opzet Integraal stikstofbeleid:

De opzet voor een Integraal Stikstofbeleid verschuift qua verdere uitwerking naar 2003. De analysefase is in 2002 afgerond.

11.2.4 Vermindering algemene uitstoot industrie

Wat NOx (stikstofoxide) betreft is voor de industrie en de energiesector het doel om voor 2010 de uitstoot te reduceren tot 55 kton en de emissie van kleine bronnen tot 10 kton. Wat betreft SO2 (zwaveldioxide) is het doel de emissie te reduceren tot een niveau van 30 kton in 2010. De emissies in 2001 bedroegen voor wat betreft NOx 104 kton voor de industrie en de energiesector en 45 kton voor de overige bronnen. Voor SO2 was de uitworp in 2001 65 kton. Er moeten dus nog flinke reducties plaatsvinden om de doelstellingen te realiseren.

Uitvoeringsplan voorbereidingsfase introductie systeem verhandelbare NOx-emissies:

Momenteel wordt de wetgeving voorbereid in relatie tot het Uitvoeringsplan voorbereidingsfase introductie systeem verhandelbare NOx-emissies. Begin 2003 is een voorontwerp gereed, dat vervolgens in procedure zal worden gebracht.

Plan van aanpak reductiemaatregelen SO2-emissies:

Er is een begin gemaakt met het opstellen van een plan van aanpak reductiemaatregelen SO2-emissies. De hoofdlijnen hiervan zijn opgenomen in de rapportage van 20 december 2002 aan de Europese Commissie in het kader van de NEC-richtlijn. Thans worden meer concrete implementatiemaatregelen uitgewerkt. De resultaten daarvan worden begin 2003 verwacht. Dit is later dan gepland als gevolg van vertraging bij het bedrijfsleven. Rapportage van de resultaten aan de Commissie (medio 2004) komt daardoor echter niet in gevaar.

Uitvoeren Subsidieregeling Schoner Produceren:

In 2002 hebben 20 projecten een bijdrage ontvangen in het kader van deze regeling. Met EZ is het afgelopen jaar overleg gevoerd over een follow-up van de Subsidieregeling Schoner Produceren. Voor deze subsidieregeling blijkt weinig animo te bestaan. Conform afspraak met EZ zal de huidige regeling worden afgebouwd.

Uitvoeren Subsidieregeling Reductie Luchtemissies Bedrijven:

De Subsidieregeling Reductie Luchtemissies bedrijven (RLB) is in 2002 beëindigd. Zulks vanwege de geringe belangstelling voor dit subsidie-instrument mede in relatie tot de aanstaande introductie van het systeem voor verhandelbare NOx-emissies. De afwikkeling van oude subsidies zal uitsluitend nog doorlopen in de betalingssfeer.

Opzet systeem voor elektronische aangifte milieujaarverslagen:

Om de kwaliteit van milieujaarverslagen te verbeteren en de administratieve last voor het bevoegd gezag te verlagen is, na het afronden van een verkennende voorfase, door een extern bureau een systeem voor elektronische aangifte van milieujaarverslagen (EMJV) ontwikkeld. Volgens planning wordt begin 2003 het EMJV (vooralsnog in de vorm van een pilot) in uitvoering genomen, zodat het systeem naar verwachting per 2004 volledig operationeel wordt.

Ondersteunen Facilitaire Organisatie Industrie en VNG:

Ook in 2002 zijn zowel de Facilitaire Organisatie Industrie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten financieel ondersteund. Dit betrof de continuering van de ondersteuning in 2001.

Aangescherpt Besluit typekeuring verwarmingstoestellen:

Na overleg met betrokkenen is eind 2002 besloten dat de AMvB inzake een aangescherpt Besluit typekeuring verwarmingstoestellen wordt aangepast. De aanpassing zal in 2003 worden gerealiseerd.

Kenniscentrum voor milieu-verantwoord ondernemen:

Het voortouw bij dit project ligt bij EZ; VROM participeert hierbij. De opening van een kenniscentrum voor Milieuverantwoord ondernemen wordt in het 2e kwartaal van 2003 verwacht.

Verlening 25 vergunningen o.g.v. Wm voor Defensie-inrichtingen:

In 2002 zijn 39 vergunningen verleend en 9 oude vergunningen ingetrokken.

Uitbrengen 40 externe veiligheidsrapportages voor Defensie-inrichtingen:

In het kader van het munitieactieprogramma zijn 57 Defensie-complexen met opslag van munitie of explosieven in kaart gebracht. In 2002 zijn bij 39 complexen de externe veiligheidszones gecontroleerd en is hierover aan de desbetreffende gemeentes gerapporteerd. Voorts zijn twee munitiecomplexen opgeheven, de vergunning is ingetrokken. Bij de resterende 16 complexen is de controle en rapportage («stap 1 van het munitie-actieprogramma») nog niet afgerond.

Opname in Begroting 2003 van emissiegegevens per industriële bedrijfstak:

In de groeiparagraaf bij de begroting 2002 werd de opname van emissiegegevens aangekondigd, gebaseerd op de jaarrapportages van de diverse bedrijfstakken en de industrie als geheel. In de vorm van de jaarrapportage 2000 over de stand van zaken van het Doelgroepenbeleid Milieu en Industrie in Nederland, zijn deze gegevens inmiddels separaat aan het parlement aangeboden. Dit zal voortaan jaarlijks geschieden.

11.2.5 Vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart

Bij het terugdringen van de emissies door verkeer en binnenvaart gelden de volgende operationele doelstellingen voor 2010. Binnen de operationele doelstellingen vallen: het weg- en railvervoer, de binnenvaart en zeescheepvaart (binnengaats), de luchtvaart (start- en landingscyclus) en mobiele werktuigen en landbouwtrekkers.

Tabel 11.5. Doelstelling 2010 versus realisatiecijfers 2001

UitstootJaarDoelstelling maximale uitstootUitstoot 2001 volgens Milieubalans
NOx2 010150 kton261 kton
SO22 01013 kton21 kton
VOS2 01045 kton111 kton
CO22 010geen plafond bepaald36 kton

De realisatiecijfers over 2001 tonen, dat er bij elke stof nog sprake is van een belangrijk tekort t.o.v. de te in 2010 realiseren doelstellingen.

Uitvoeren Subsidieprogramma Demonstratieprojecten milieu-innovaties bij mobiele bronnen:

Het subsidieprogramma Demonstratieprojecten milieu-innovaties bij mobiele bronnen (gepubliceerd op 11 maart 2002, Stc. nr. 49) is succesvol. Daar waar gerekend was op 10 à 15 subsidies, blijkt er nu sprake te zijn van hogere inschrijving. Op basis van nadere selectie zal worden bezien welke projecten daadwerkelijk in aanmerking komen. De EU heeft echter bepaald dat deze vorm van kennisoverdracht niet meer gesubsidieerd mag worden. Een aantal projecten zal daardoor geen doorgang vinden. De regeling wordt in 2003 voor de laatste maal gepubliceerd.

Stimuleringsprogramma montage roetfilters bij bestaande vrachtwagens: ca. 1 000 roetfilters als doel:

Aangezien de EU-regels inzake steun zodanig stringent bleken te zijn dat de stimulering van roetfilters maar beperkt mogelijk zou zijn, heeft een heroriëntatie plaatsgevonden door een koppeling te leggen met groene zones in steden. Als gevolg hiervan is afgezien van het stimuleringsprogramma, behoudens een financiële bijdrage aan het ministerie van V&W voor het programma «Stiller, Schoner en Zuiniger». De genoemde heroriëntatie heeft niet tot concrete maatregelen geleid. De voor dit onderwerp beschikbare middelen zijn bij de 2e suppletore begroting ingezet voor het oplossen van knelpunten elders in de begroting van VROM/Milieubeheer.

Evaluatierapport energielabel personenauto's:

Na overleg met de doelgroep is het evaluatierapport energielabel personenauto's afgerond en op 23 mei 2002 naar de Kamer gezonden (doc.nr. vrom020 608). De evaluatie is door VROM in samenwerking met alle betrokken partijen, te weten RAI Vereniging, BOVAG, ANWB, Consumentenbond, RDW, FIOD-ECD, Novem, EZ en V&W uitgevoerd. Er is geconcludeerd dat het Nederlandse etiketteringsysteem eenvoudig is uit te leggen: voor de begrijpelijkheid is het voldoende aan te geven dat het energieverbruik van auto's van dezelfde grootte wordt vergeleken en beoordeeld. De veronderstelling dat het systeem fraudegevoelig zou zijn, bleek onterecht. Bij controles zijn geen afwijkingen van de informatie op de etiketten gevonden. Begin 2003 wordt het Nederlandse etiketteringssysteem voor personenauto's opnieuw geëvalueerd. Bij deze evaluatie zal ook de op 1 januari 2002 ingevoerde fiscale maatregel ter stimulering van de verkoop van zuinige personenauto's met A- en B-label worden meegenomen. Vanwege budgettaire ombuigingen is de fiscale maatregel per 1 januari 2003 afgeschaft.

Steekproefcontroleprogramma voor personenauto's en vrachtwagens i.v.m. bepaling praktijkemissies:

In 2002 is in het steekproefcontroleprogramma onder meer onderzoek gedaan naar de emissies van personenauto's bij verschillende mate van congestie op snelwegen. De belangrijkste uitkomst was dat de emissies bij ernstige congestie lokaal fors kunnen toenemen en dat maatregelen om de doorstroming te verbeteren en om de snelheidsvariaties van het verkeer te verminderen, een bijdrage kunnen leveren aan een betere luchtkwaliteit in het gebied langs de snelweg. Mede op basis van dit onderzoek is op de A13 bij Overschie een snelheidsbeperking tot 80 km/uur ingevoerd.

Onderzoek naar koppeling van emissies van de binnenvaart en dieseltreinen aan NOx-emissiehandel:

Onderzoek naar koppeling van emissies van de binnenvaart en dieseltreinen aan NOx-emissiehandel is op dit moment niet zinvol, omdat het handelssysteem te complex is. Verwacht wordt dat in 2005, als het handelssysteem draait voor de industrie, de koppeling van de emissies van binnenvaart en dieseltreinen kans maakt.

11.2.6 Vermindering milieudruk producten

VROM streeft naar een vermindering van de milieudruk als gevolg van consumptie, door:

– het stimuleren van een continue productverbetering;

– een verbetering van het aanbod van duurzame producten;

– een verbetering van het aankoop- en consumptiegedrag.

Het belangrijkste resultaat in 2002 is de opstelling van een integrale uitvoeringsstrategie, die vooral aangrijpt op het generieke producten- en consumentenbeleid. Deze strategie is in het kader van het project «Duurzaam Produceren en Consumeren» (DuProCo) in nauwe samenwerking met de ministeries van EZ en LNV totstandgekomen. Voor de uitwerking daarvan zijn inmiddels zes onderzoekprojecten gestart, die in 2003 gereed komen.

Handreiking uitbrengen voor inkopers bij de aankoop van duurzame producten:

Nadat de milieuspecificaties zijn geactualiseerd en uitgebreid, is een handreiking uitgebracht voor inkopers bij de aankoop van duurzame producten. Voor 27 productgroepen, verdeeld over 5 branches, zijn milieuspecificaties gemaakt.

Deze dienen niet alleen voor de overheidsinkopers van Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, maar zijn ook algemeen beschikbaar als handreiking. De informatie milieuspecificaties is beschikbaar via het Internet op de website www.inkopers.net. De website is weliswaar toegankelijk voor alle inkopers, maar is primair bedoeld voor overheidsinkopers die doelgroep zijn van het programma Duurzaam Inkopen.

Uitbreiding en actualisering milieu-informatie en beschikbaarstelling t.b.v. het inkoopproces en inbedding resultaten evaluatie Programma Duurzaam Inkopen:

Een budget van € 0,45 mln. is besteed voor de uitvoering van het werkplan 2002 voor het programma Duurzaam Inkopen. De resultaten van de evaluatie hebben geleid tot het besluit om het inkoopgedeelte van het Programma Duurzaam Inkopen over te dragen aan EZ. Overdracht van de website wordt nog bezien. Het resterende budget voor de milieuspecificaties inclusief de actualisering wordt opgenomen op beleidsartikel 12 in het uitvoeringsprogramma «Met preventie naar duurzaam ondernemen (Predo)».

Subsidieregeling Productgerichte Milieuzorg:

Het subsidieprogramma stimulering Productgerichte Milieuzorg 2002 is op 13 mei 2002 gepubliceerd (Stc nr. 88). Aanvragen tot subsidieverlening konden tot 15 oktober 2002 worden ingediend. Het subsidiebudget van € 0,724 mln. is toegewezen aan 14 PMZ-projecten. Deze projecten zijn eind 2002 van start gegaan of moeten nog van start gaan.

Tabel 11.6. Productgerichte Milieuzorg (verplichtingenbedragen in EUR1000)

 19992000 2001 2002 2003totaal 
Branchesaantal projectentotaal bedragaantal pro-jectentotaal bedragaantal pro-jectentotaal bedragaantal pro-jectentotaal bedragaantal pro-jectentotaal bedragaantal pro-jectenTotaalBedrag
Industriële producten3257731815473495182231 192
Bouwmaterialen318352271552109414515882
Werktuigen en gereedschappen0 145144  1663154
Woning-inrichting1631450 1341664217
Kantoorartikelen en papier11021451570 1664256
Communicatie en electronica0 1450 0 1662154
Kleding en persoonlijke verzorging21382911451601667374
Wasmiddelen0 1451551591664154
Huishoudelijk0 1451570 1663154
Voeding314252274180153414517841
Toerisme      1501662116
Subtotaal13885251 1331154714714211 000844 279
Uitvoeringskosten 91 136 180 209 113 729
Overig 0 318 19 21 248 606
Totaal13976251 5871174614944211 361845 614

Uitvoering publiekscampagne klimaatverandering:

In het kader van de uitvoering van de publiekscampagne klimaatverandering is een nieuwe Postbus 51 spot gemaakt (dame met de taart). Uitzending hiervan vond plaats in november en december 2002.

Stichting Milieukeur:

De stichting Milieukeur is in 2002 in haar exploitatietekort financieel ondersteund. Uit het nog, uiterlijk per 1 mei 2003, te ontvangen jaarverslag van de stichting zal blijken in hoeverre zij er in is geslaagd het aantal producten onder certificatieschema's t.o.v. de stand per ultimo 2000 te verhogen.

Stichting Milieu Centraal:

Voor de beantwoording van publieksvragen is de stichting Milieu Centraal in 2002 in haar exploitatietekort voor uitvoering van de passieve taak financieel ondersteund.

Ontwikkeling monitoringsmethode voor vermindering van de milieudruk door consumptie:

Op basis van een eerste goedgekeurd conceptrapport «Milieudruk in beeld» werkt het RIVM verder aan de ontwikkeling. De monitoringsmethode komt naar verwachting in het voorjaar van 2003 gereed.

11.2.7 Vergroten draagvlak voor milieubeleid

Ter bevordering van de ontwikkeling en toepassing van milieugerichte technologie en het draagvlak in de samenleving voor integraal milieubeleid worden er drie instrumenten ingezet te weten de subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu, het programma Milieu & Technologie en fiscale instrumenten.

Gezien de onderstaande beleidsprestaties in 2002 kan geconcludeerd worden, dat er bij de drie ingezette instrumenten, te weten de subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu (SMOM), het programma Milieu & Technologie (ProMT) en de fiscale instrumenten de nodige resultaten zijn geboekt. In algemene zin kan gesteld worden dat ieder instrument heeft bijgedragen aan het vergroten van het draagvlak voor het milieubeleid. De in 2002 gehouden evaluatie van Promt onderschrijft het (technologisch) belang van de regeling.

Subsidiëring Maatschappelijke organisaties en Milieu (SMOM)

In 2002 is aan 123 projecten en 20 programma's subsidie verleend. De projecten en programma's hebben betrekking op de thema's: 1) Algemeen; 2) Educatie en Voorlichting op het gebied van Duurzaam Produceren en Consumeren; 3) Burger en Milieubeleid (als onderdeel van het stimuleringsprogramma Burger en Milieubeleid).

Het toevoegen van de speciale modules «Educatie en Voorlichting op het gebied van Duurzaam Produceren en Consumeren» ingevolge motie Augusteijn c.s. en «Burger en Milieubeleid» ingevolge amendement Feenstra c.s. heeft geleid tot relatief meer aanvragen op deze thema's.

Door de grote diversiteit aan projecten en programma-activiteiten en de vaak indirecte doorwerking in de samenleving, zijn de effecten niet concreet meetbaar. In algemene zin kan gesteld worden dat de uitgevoerde projecten ieder op hun eigen wijze en binnen hun eigen deelveld bijgedragen hebben aan de bewustwording en de vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor milieuvraagstukken en duurzame ontwikkeling. Dit gebeurde door het organiseren van maatschappelijk debat, door het verkennen van problemen en het onderzoeken van oplossingsrichtingen, het vormen van coalities waarbinnen aan oplossingen en draagvlak gewerkt wordt, en het faciliteren van burgers bij het ontwikkelen van handelingsperspectief.

De strategische evaluatie SMOM is in het najaar 2002 gestart en zal medio 2003 worden afgerond. Aan de orde komt het formuleren van een strategische visie op de relatie tussen VROM/DGM en non gouvernementele organisaties (ngo's). Ook wordt de huidige subsidiepraktijk in het licht van de huidige doelstellingen en de strategische visie geëvalueerd en wordt bezien of een aangescherpte sturing op resultaten mogelijk is.

Programma Milieu en technologie (ProMT)

In plaats van de beoogde 50 is aan 30 projecten financiële ondersteuning gegeven als gevolg van het uitblijven van nieuwe ICES-middelen. De gehonoreerde projecten zijn verspreid over alle bedrijfstakken waarmee de overheid integrale milieutaakstellingen heeft afgesproken en zijn gericht op het wegnemen van technologische knelpunten bij het realiseren van milieutaakstellingen.

In het kader van kennisoverdracht zijn er regionale themabijeenkomsten over water (3) en metaal-electro (4) georganiseerd en is een nieuwe internetsite gebouwd.

In 2002 is ProMT geëvalueerd. De evaluatie concludeerde dat het programma aan zijn doel beantwoordt. Gebleken is dat 20% van de technologieën die succesvol zijn gedemonstreerd, opgenomen worden op de Vamil/Mia lijst teneinde de algemene toepassing van die technologieën ook fiscaal te bevorderen.

In 2002 is onderzoek in gang gezet naar de mogelijkheden van indicatoren voor het kwantificeren van de bijdrage aan de integrale milieutaakstellingen. Deze indicatoren voor een gerichte monitoring worden niet eerder dan medio 2003 vastgesteld.

Fiscale instrumenten:

VAMIL/MIA

In 2002 zijn ruim 13 000 meldingen gedaan voor een investeringsbedrag van naar raming € 780 mln voor de MIA en € 2,2 miljard voor de VAMIL. Van het VAMIL-bedrag heeft € 1,2 miljard betrekking op investeringen in energie.

De begrote investeringsniveaus (MIA € 681 mln en VAMIL € 771 mln) zijn overschreden. De regelingen zijn daarom in september 2002 gesloten. De belangrijkste oorzaken voor de overschrijding zijn grote investeringen in windenergie en de Groen Label Kassen. Als gevolg van de overschreden begrote investeringsniveau's wordt de VAMIL-regeling in 2003 aangescherpt voor de Groen Label Kassen. De energie investeringen worden met ingang van 2003 niet meer met de VAMIL gestimuleerd.

De raming van het budgettair beslag komt op € 65 miljoen voor de MIA en € 110 miljoen voor de VAMIL (exclusief de energie-investeringen is het beslag € 50 miljoen).

De bekendheid van de VAMIL-regeling is meegenomen in een door Senter gehouden imago-onderzoek naar de energie-investeringsaftrek (EIA). De bekendheid bij de voor milieuinvesteringen relevante doelgroepen komt uit boven 80%. In de eerste helft van 2003 wordt het jaarverslag VAMIL/ MIA 2002 verspreid met de definitieve cijfers en indicatoren waaruit blijkt in welke mate de investeringen in 2002 onder VAMIL en MIA bijdragen aan de vermindering van uitstoot van schadelijke stoffen.

De Milieulijst geeft jaarlijks een actueel overzicht van de best beschikbare milieu- en energietechnologieën. Eind december 2002 is de aangescherpte Milieulijst voor 2003 gepresenteerd.

Groen beleggen

De uitwerking van de notitie Verdonkergroenen regeling groen beleggen heeft begin 2002 geleid tot een aanpassing van de regeling.

In 2002 is vanwege de uitspraken in het Strategisch Akkoord over de regeling Groen Beleggen geen meting voor de bekendheid van de regeling uitgevoerd. In november 2002 is besloten de regeling te continueren. De meting zal in verband hiermee in 2003 worden uitgevoerd.

De milieuresultaten 2002 over groen beleggen wordt gepresenteerd in het Jaarverslag Groen beleggen, dat medio 2003 wordt uitgebracht. Uit het in 2002 uitgebrachte Jaarverslag Groen beleggen 2001 blijkt dat in 2001 € 913 miljoen aan projecten is goedgekeurd. Er hebben 160 000 spaarders geparticipeerd in 2001.

Ten opzichte van het voorgaande jaar was er een groei van het projectvermogen in de sectoren natuur, bos en landschap (groei 69%, in totaal gerealiseerd 11 312 ha), biologische landbouw (groei 77%, in totaal gerealiseerd 3325 ha), Groen label kassen (groei 180%) en duurzame energie (groei 98%). Alleen het onderdeel duurzame woningbouw en duurzame renovatie vertoonde een daling (daling 36%). Ondanks de daling zijn er 1618 duurzame woningen onder de regeling goedgekeurd in 2001. Ook werden 70 windturbines onder de regeling goedgekeurd.

Voor 2001 is de kwantificering van milieu-effecten voor de volgende stoffen per categorie als volgt. Het betreft vermeden milieuschadelijke emissies over de levensduur.

Tabel 11.7. Milieu-effecten 2001 voor CO2, Nox en NH3

ProjectcategorieCO2Kiloton N0xtonNH3ton Toxiciteit in ton equival.
Biologische landbouw2703 0268 190
Duurzame energie7 8163 11600
Biomassa99931700
Windturbines2 9081 40300
Zonnecellen6300
Zonnecollectoren0000
Aardwarmte0000
Waterkracht1000
Warmtepompen9400
Aquifers321500
Stadsverwarming3 8621 37300
Duurzame woningbouw2529000
Andere projecten5 720– 1 40100
Totaal13 8161 8043 0268 190

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 11 Tegengaan klimaatverandering en emissiesRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil2002
Verplichtingen280 424235 82744 597
waarvan garantieverplichtingen70070
    
Uitgaven93 202241 022– 147 820
Programma-uitgaven78 360228 993– 150 633
Internationale samenwerking milieu4 9905 655– 665
Subsidies internationale samenwerking milieu4 1224 848– 726
Overige instrumenten internationale samenwerking milieu86880761
    
Vermindering uitstoot broeikasgassen14 885161 896– 147 011
Clean Development Mechanism4 015136 134– 132 119
Subsidies Reductieplan Overige Broeikasgassen2 09510 104– 8 009
Overige instrumenten vermindering uitstoot broeikasgassen8 77515 658– 6 883
    
Vermindering algemene uitstoot industrie4 3447 661– 3 317
Operationalisering NOx kostenverevening524804– 280
Subsidies vermindering algemene uitstoot industrie1801 350– 1 170
Overige instrumenten vermindering algemene uitstoot industrie3 6405 507– 1 867
    
Vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart5 80912 993– 7 184
Subsidies uitstoot verkeer en binnenvaart2 49811 198– 8 700
Overige instrumenten uitstoot verkeer en binnenvaart3 3111 7951 516
    
Vermindering milieudruk producten4 3488 060– 3 712
Subsidies vermindering milieudruk producten2 4116 129– 3 718
Overige instrumenten milieudruk producten1 9371 9316
    
Vergroten draagvlak voor milieubeleid33 60024 2429 358
Subsidies milieuverantwoorde technologie6 2116 615– 404
Schadevergoedingen96096
Overige instrumenten duurzame samenleving7 9746 2651 709
Subsidies maatschappelijke milieuactiviteiten19 32011 3627 956
    
Onverdeeld programma10 3848 4861 898
Onderzoek6 4854 2392 246
Communicatie-instrumenten3 8991 1342 765
Overige instrumenten 3 113– 3 113
    
Apparaatsuitgaven14 84212 0292 813
Ontvangsten3 0933 176– 83

Toelichting:

Vermindering uitstoot broeikasgassen: Voor Clean Development Mechanism (CDM) was in 2002 € 136 mln. kasbudget beschikbaar. Alhoewel al met meerdere uitvoerders overeenkomsten zijn aangegaan, zullen de uitgaven voor de aankoop van de CERs (certified emission reduction-unit), de grootste uitgavenpost, pas in latere jaren plaatsvinden. Bij 1e suppletore begroting 2002 is dan ook het kasbudget voor 2002 met € 125 mln verlaagd en doorgeschoven naar de jaren 2005 2007.

Het verschil bij het Reductieplan Overige Broeikasgassen (ROB) wordt grotendeels verklaard doordat de in 2002 gestarte stimuleringsregeling ter stimulering van het klimaatbeleid bij gemeenten en provincies in het kader van het BANS-klimaatconvenant langzamer op gang komt dan verwacht, waardoor de betalingen in latere jaren plaatsvinden.

Vermindering algemene uitstoot industrie: In verband met de bekostiging van de ontwikkeling van het elektronisch milieujaarverslag, hetgeen mede van relevantie is voor de opzet van het systeem van NOx-emissiehandel, is uit het instrument Operationalisering NOx-kostenverevening daarvoor een bedrag gecompenseerd.

Vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart: Het verschil bij de subsidies heeft als beleidsmatige oorzaak, dat het budget bestemd voor stimulering van roetfilters bij bestaande vrachtwagens door afstel van de regeling niet is benut.

Artikel 12. Beheersen milieurisico's van stoffen, afvalstoffen en straling

12.1 Algemene beleidsdoelstelling

Centraal in dit beleidsartikel staat de beheersing van risico's voor mens en milieu bij het omgaan met stoffen, afvalstoffen, radioactieve stoffen en straling en met genetisch gemodificeerde organismen, rekening houdend met sociale en economische factoren.

Het beheersen van de genoemde milieurisico's kent als algemene doelen:

• een situatie waarin mens en milieu zo weinig mogelijk risico's lopen als gevolg van de schadelijke effecten van stoffen;

• lekvrij verwijderen van minder afvalstoffen;

• het handhaven van de situatie waarin mens en milieu tegen de gevolgen van straling zijn beschermd;

• een situatie op het gebied van biotechnologie zodanig dat de toepassing van biotechnologie gepaard gaat met optimale waarborgen voor de veiligheid, transparantie van de besluitvorming, keuzevrijheid voor de burger en ethische aanvaardbaarheid.

Operationele doelstellingen

12.2.1 Beheersen milieurisico's van stoffen

Doelstelling van het stoffenbeleid is in 2020 een situatie te hebben waarin mens en milieu effectief tegen de schadelijke effecten van stoffen zijn beschermd. Dit moet in een aantal fasen worden bereikt.

Ten aanzien van de realisatie van dit operationele doel in 2002 kan worden gesteld, dat door middel van de ontwikkeling en aanpassingen van de registratiesystemen, belangrijke stappen zijn gezet in de verbetering van de handhaafbaarheid. Door het werken met proeftuinen voor SOMS is belangrijke ervaring opgedaan voor het werken met het nieuwe stoffenbeleid.

Strategie Omgaan Met Stoffen (SOMS)

In het kader van de uitvoering van het nieuwe stoffenbeleid (programma SOMS) is de 2e Voortgangsrapportage op 18 oktober 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden (VROM 020 941). In deze rapportage is aangegeven welke activiteiten in gang zijn gezet om het doel van de beleidsvernieuwing, (beter) beheersen van risico's van stoffen, te realiseren en welke activiteiten inmiddels zijn afgerond of binnenkort worden afgerond.

De volgende prestaties voor 2002 zijn te noemen:

• Het aan de Tweede Kamer toegezegde Stoffen Expertise Centrum (SEC) is op 3 december 2002 opgericht.

• Een tiental bedrijven/bedrijfsgroepen zijn gestart met het testen van elementen van het nieuwe beleid met als doel de resultaten daarvan in 2003 breder te verspreiden voor de uitvoering van het nieuwe beleid.

• Het nieuwe stoffenbeleid is in 2002 gekoppeld aan het emissiebeleid zoals ook vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (Ner) en de verplichting tot het opstellen van een milieujaarverslag (MJV).

• Voorts is een AMvB bij de Europese Commissie genotificeerd die tot doel heeft bepaalde elementen uit het nieuwe stoffenbeleid wettelijk te regelen.

Afhandeling kennisgevingen nieuwe stoffen

In het kader van de uitvoering van het bestaande EU stoffenbeleid dienen door de overheid kennisgevingen nieuwe stoffen te worden afgehandeld. Doel van dit beleid is om met betrekking tot deze kennisgeving te ontdekken of voldoende kennis over de stof door het bedrijfsleven verzameld is teneinde op basis daarvan adequaat te kunnen handelen.

In de toekomst zal de EU dit beleid vernieuwen zodat beleidsmatig ook een beter beeld ontstaat van de mate waarin deze nieuwe stoffen een risico vormen voor mens en milieu en in hoeverre dit te beheersen is.

Tabel 12.1. Aantal afgehandelde kennisgevingen nieuwe stoffen en beoordelingen bestaande stoffen

 realisatie 1999realisatie 2000realisatie 2001prognose 2002realisatie 2002
Aantal afgehandelde kennisgevingen nieuwe stoffen5457625560
Aantal beoordelingen bestaande stoffen1110151512

Start uitvoering beleidsprogramma gezondheid en milieu

Het actieprogramma Gezondheid en Milieu is op 25 april 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 201–2002, 28 089, nr. 2). In het programma is aangegeven welke activiteiten in gang zijn gezet om het doel van de beleidsvernieuwing, (beter) beheersen van risico's, te realiseren. Naar verwachting komen de eerste resultaten in 2003 beschikbaar. De Tweede Kamer zal door middel van een voortgangsrapportage op de hoogte worden gesteld van de bereikte mijlpalen.

Inwerkingtreding asbestregelgeving

De Staatssecretaris van VROM heeft de voorzitter van de Tweede Kamer, mede namens de Staatssecretaris van SZW, bij brief van 14 november 2002 (VROM 0 201 017) geïnformeerd over de totstandkoming en herziening van de milieuregelgeving voor asbest.

Hieronder volgt een kort overzicht van de stand van zaken.

Productenbesluit asbest

De Staatssecretarissen van VROM en SZW en de Minister van VWS werken thans aan de implementatie van het asbestverbod dat de EU in 1999 heeft afgekondigd in het Productenbesluit asbest. Daarmee zullen de asbestverbodsbepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit, het Besluit asbestvrije frictiematerialen Wet milieugevaarlijke stoffen en het Warenwetbesluit asbest komen te vervallen.

Het ontwerp-Productenbesluit asbest is op 17 april 2002 voorgepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2002, nr. 74). Thans worden de ontvangen reacties verwerkt. Daarbij is vertraging opgetreden als gevolg van opmerkingen van de Europese Commissie op het ontwerp-besluit. In het voorjaar van 2003 wordt het besluit voor advies aan de Raad van State gezonden. Inwerkingtreding zal waarschijnlijk in de tweede helft van 2003 plaatsvinden.

Herziening Asbestverwijderingsbesluit

Het Asbestverwijderingsbesluit bevat voorschriften voor het verwijderen van asbest uit bouwwerken en objecten en asbestinventarisatie voorafgaand daaraan. Het besluit wordt thans herzien. Een belangrijk onderdeel van de herziening van het besluit is de wijziging van de certificatiestructuur voor asbestinventarisatie- en asbestverwijderingsbedrijven. De naleving van de voorschriften door deze bedrijven blijkt, zoals reeds gesteld in de brief van de Minister van VROM aan de Tweede Kamer van 12 december 2001 (TK 2001–2002, 25 834, nr. 21), onvoldoende te zijn. De herziening van het besluit heeft vertraging opgelopen vanwege het langdurige overleg met de maatschappelijke partijen over de gerezen problematiek. Dit overleg was noodzakelijk om voldoende draagvlak voor een goede oplossing te verkrijgen. Bovendien moet de beoogde wijziging passen binnen het kabinetsstandpunt over normalisatie en certificatie, dat thans interdepartementaal wordt voorbereid. Daarbij gaat het met name om de vraag wanneer en onder welke voorwaarden certificatie als wettelijk verplicht instrument kan worden ingezet. De Staatssecretarissen van SZW en VROM nemen begin 2003 een besluit over de te kiezen oplossingsrichting. Inwerkingtreding van het herziene Asbestverwijderingsbesluit zal naar verwachting eind 2004 plaatsvinden.

Besluit asbestinventarisatie in niet-sloopsituaties

Bij brief d.d. 1 mei 2000 (TK 1999–2000, 25 834, nr. 19) heeft de Minister van VROM, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Tweede Kamer toegezegd de invoering van een asbestinventarisatieplicht in niet-sloopsituaties voor circa 60 000 gebouwen waar het grootste risico op asbestblootstelling geldt, voor te bereiden. De mogelijke gezondheidswinst van een dergelijke verplichting is echter zeer beperkt (0,05 tot 0,2 vermeden doden per jaar), terwijl bij de voorbereidingen is gebleken dat invoering hoge lasten voor de betreffende eigenaren van gebouwen tot gevolg heeft (ordegrootte € 1 miljard voor asbestinventarisatie en -verwijdering). Voorts veroorzaakt het besluit zeer hoge uitvoerings- en handhavingslasten bij de rijksoverheid en de gemeenten (ordegrootte 250 mensjaar). Daarom hebben de Staatssecretarissen van VROM en SZW besloten geen asbestinventarisatieplicht in niet-sloopsituaties in te voeren. Verbetering van de naleving van bestaande asbestregelgeving met een hoger rendement heeft naar hun mening een hogere prioriteit. Een motie van de SP om de asbestinventarisatieplicht in niet-sloopsituaties toch in te voeren, is op 18 december 2002 door de Tweede Kamer verworpen.

Saneringsregelingen asbestwegen

In de afgelopen jaren heeft de Minister van VROM geld ter beschikking gesteld voor de sanering van asbestbevattende wegen, paden en erven in Twente en rond Harderwijk die in eigendom zijn van bedrijven, instellingen en particulieren. De sanering van deze asbestwegen op grond van de Saneringsregeling asbestwegen Twente, de Saneringsregeling asbestwegen Haaksbergen en de Saneringsregeling overige asbestwegen onder regie van de provincies Overijssel en Gelderland is inmiddels afgerond. Op 30 januari 2003 is de Saneringsregeling asbestwegen tweede fase in de Staatscourant gepubliceerd. Op grond van deze saneringsregeling kunnen bedrijven, instellingen en particulieren die eigenaar zijn van een asbestbevattende weg in Twente of rond de gemeente Harderwijk en die geen gebruik hebben gemaakt van de eerdere saneringsregelingen, alsnog een subsidieaanvraag indienen. Voor de Saneringsregeling asbestwegen tweede fase hebben zich inmiddels ruim 200 belangstellenden gemeld.

Naar verwachting zal in het eerste kwartaal 2003 de Staatssecretaris van VROM met de provincies Overijssel en Gelderland een bestuursovereenkomst over de uitvoering vande saneringsregeling sluiten.

12.2.2 Beheersen milieurisico's van afvalstoffen

De centrale doelstelling van het afvalstoffenbeleid is «minder afvalstoffen lekvrij verwijderen». Hieraan wordt invulling gegeven middels (in volgorde) de volgende vier subdoelen:

– het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen en het bevorderen van hergebruik;

– het bevorderen dat onvermijdbare afvalstoffen zoveel mogelijk nuttig worden toegepast;

– een zodanig beheer van te verwijderen of nuttig toe te passen afvalstoffen, dat de milieuhygiënische risico's aanvaardbaar zijn;

– het bijdragen aan het klimaatbeleid door stimulering van afvalverbranding met energieterugwinning.

De in 2002 gerealiseerde effecten van het afvalstoffenbeleid, uitgedrukt in hoeveelheden afval die zijn ontstaan en verwerkt, zijn nog niet bekend. De cijfers komen medio 2003 beschikbaar.

De resultaten over 2001 zijn opgenomen in onderstaande tabel, waarin tevens het basisjaar (2000) en de doelstellingen voor 2012 zijn opgenomen. De gegevens over 2000 en 2012 zijn afkomstig uit het Landelijk Afvalbeheerplan 2002–2012 (LAP).

De cijfers van deze tabel wijken enigszins af van de cijfers die opgenomen zijn in de begroting 2002, omdat gebruik is gemaakt van actuelere gegevens.

Tabel 12.2. Doelstellingen algemeen afvalstoffenbeleid en realisatie

Omschrijving2000 (referentiejaar) in MtonRealisatie 2001 in Mton2012 (doelstellingen) in Mton
Totale afvalaanbod, w.v.:575866
– Nuttige toepassing444555
– Verbranden778
– Storten552
– Lozen111

Geconcludeerd kan worden dat het afvalaanbod in 2001 ten opzichte van 2000 globaal niet geleid heeft tot een groei van te verwijderen afvalstoffen (storten en verbranden), maar van een groei in nuttige toepassingen. Dit is een positief milieu-effect in lijn met het beleid dat gericht is op een verdere groei van nuttige toepassing en vermindering van verwijdering van afvalstoffen.

Evaluatie en eventueel verlengen Convenant Afvalverbranders

In juni/juli 2002 heeft een evaluatie plaatsgevonden van het convenant tussen de staat en de afvalverbrandingsinstallaties. Het convenant werd in 1999 getekend en had tot doel een verbetering van het energierendement bij de verbranding van afvalstoffen.

In drie jaar zou het rendement gemiddeld met 23% (= 5,3 pJ) moeten toenemen. De evaluatie leverde op dat het doel van het convenant is bereikt. Voor 80% is dit gerealiseerd door een verbeterde bedrijfsvoering c.q. doorvoer van afval, voor 20% door daadwerkelijke aanpassingen in de zin van rendementsverbeteringen. Het convenant is op 1 augustus 2002 afgelopen.

Er is niet gekozen voor een verlenging in de vorm van een nieuw convenant, maar (in de lijn met het LAP) voor een directe stimulering van aanpassingen en uitbreidingen van avi's voor verbranding met een hoog energierendement. Dit door een nieuwe stimuleringsregeling voor duurzame energie (Milieukwaliteit Electriciteitsproductie: MEP) die in 2003 van kracht zal worden.

Vaststelling en start Uitvoering LAP 2002–2006

Het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) is op 27 januari 2003 vastgesteld, op 3 februari gepubliceerd en is op 3 maart 2003 in werking getreden.

De voortgang bij de uitvoering van het LAP wordt gemonitored en periodiek geëvalueerd.

Er wordt jaarlijks verslag gedaan van de resultaten van het gevoerde beleid en er wordt een integraal overzicht gegeven van met name de uitvoering van specifieke actiepunten uit het LAP. De programmapunten betreffen de monitoring en evaluatie, de handhavingsstrategie, de maatregelen gericht op het realiseren van een gelijk speelveld voor het afvalbeheer in Europa, de maatregelen gericht op het afbouwen van de stort van brandbaar afval en het inzetten van niet herbruikbaar brandbaar afval als brandstof, maatregelen gericht op een intensivering van preventie en gescheiden inzameling en meer specifieke maatregelen rond afvalstromen. In het programma voor de monitoring en evaluatie van het LAP is een verantwoordelijkheids- en taakverdeling opgenomen tussen rijk, provincies, gemeenten en marktpartijen.

Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) afvalverwijdering

In 2002 is de IBO/MDW afvalverwijdering afgerond. De aanbevelingen zijn verwerkt in het definitieve LAP. De belangrijkste aanbevelingen betroffen het opheffen van het moratorium op afvalverbrandingsinstallaties voor de verwijdering van afval en het openstellen van de landgrenzen voor door verbranding te verwijderen afval per januari 2006, mits er sprake is van een voldoende gelijkwaardig speelveld met de omringende landen.

Voorbereiding inwerkingtreding gewijzigde hoofdstuk Afvalstoffen Wet milieubeheer

De wijziging van de afvalonderdelen van de Wet milieubeheer (structuur beheer afvalstoffen) is op 8 mei 2002 van kracht geworden. In het kader van de Wm wordt een aantal uitvoerings amvb's en ministeriële regelingen opgesteld, die volgens planning per 1 januari 2004 van kracht moeten worden. De besluiten en regelingen betreffen onder andere het melden van afvalstoffen, de registratie van vervoerders, inzamelaars, handelaren en bemiddelaars, de inzameling en scheiding van afval en regels voor afvalinrichtingen. Centrale lijn bij deze besluiten en regelingen is een vermindering van de administratieve lasten door uniformering en vereenvoudiging van oorspronkelijke provinciale regelingen en een gerichtheid op een goede uitvoering en handhaafbaarheid. In 2003 worden de besluiten en regelingen daartoe bovendien nog een keer apart doorgelicht in een herijkingsprogramma van alle wet- en regelgeving van VROM, gericht op een verdere deregulering en kwaliteitsverbetering.

Afhandeling van EVOA-kennisgevingen

Er zijn aanzienlijk meer dan de geplande 1 650 EVOA kennisgevingen afgehandeld, namelijk 2 254. Dit wordt veroorzaakt door een groeiende export van afvalstoffen. Bovendien is het aantal te verwerken transportmeldingen toegenomen tot 487 000. Aanvankelijk (in 2000) was rekening gehouden met 150 000 transportmeldingen. In 2002 kwam de groei voornamelijk door de export van bouw- en sloopafval en bedrijfsafval naar Duitsland voor het nuttig toepassen van afvalstoffen.

In het onderstaande overzicht zijn de cijfers weergegeven.

Tabel 12.3. Kengetallen in-, uit- en doorvoer van afvalstoffen (EVOA-regeling) (bedragen in euro 1)

Omschrijving/benamingRealisatie 1998 1999 2000 2001 2002*
Aantal beschikkingen EVOA-kennisgevingen voor invoer en uitvoer8889371 1031 4971 650
Aantal beschikkingen EVOA-kennisgevingen voor doorvoer462382472415604
Subtotaal beschikkingen1 3501 3191 5751 9122 254
Aantal transport meldingen95 000121 000182 000267 000487 000
      
Kosten beschikkingen voor invoer en uitvoer   € 1 018 963€ 1 196 102
kosten per beschikking voor invoer en uitvoer   € 680,67€ 724,91
      
Kosten beschikkingen voor doorvoer ******€ 94 159€ 145 951
Kosten beschikking per doorvoer   € 225,89€ 241,64
      
Kosten transport meldingen   € 301 710€ 589 270
Kosten per transport melding   € 1,13€ 1,21
      
Overige kosten (overheadkosten, analyse, advisering)   € 862 885€ 710 109
Totale kosten per jaar***1 207 4681 372 1401 572 5742 277 7172 641 432

Bron: Jaaroverzicht In-, Uit- en Doorvoer van afvalstoffen, Publicatiereeks Afvalstoffen.

*De cijfers van 2002 zijn voorlopige cijfers. De definitieve cijfers zijn rond 1 juli 2003 bekend.

Per 1 januari 2002 zijn de kosten contractueel aangepast aan de ontwikkeling van de CBS-index

**Met ingang van 2001 worden de kosten van de beschikkingen en de transportmeldingen afgerekend tegen eenstuksprijs. Daarvoor werd een uurtarief vergoed.

***Inclusief BTW en exclusief personeelskosten bij VROM

Implementatie Scheepsafvalstoffenverdrag

Niet alle betrokken staten hebben het Scheepsafvalstoffenverdrag geratificeerd. Hierdoor kan het verdrag nog niet in de AMvB en de bijbehorende ministeriële regelingen worden overgenomen. In internationaal verband wordt getracht de inwerkingtreding te bespoedigen.

Implementatie van de Europese Afvalstoffen Lijst (EURAL)

Op 8 mei 2002 is een ministeriële regeling van kracht geworden waarmee de EURAL is geïmplementeerd.

Voorbereiding systeem van meldingen en registratie van binnenlands afval

De voorbereiding van het systeem van melden en het registratiesysteem zijn in 2002 zover gevorderd dat voor het meldsysteem samen met de provincies de definitiestudie is uitgevoerd op grond waarvan nu het programma van eisen wordt opgesteld. Tevens is met alle betrokkenen (bestuurlijk) vastgesteld dat een meldsysteem voor afvalstoffen nuttig en noodzakelijk is voor een adequate handhaving. Het uitvoeren van deze zogenoemde nut- en noodzaakstudie heeft de geplande realisatie (operationeel per 1-1-2004) met een jaar vertraagd, maar het draagvlak voor het nieuwe systeem bij zowel de provincies als binnen het Ministerie van VROM aanzienlijk vergroot.

Tabel 12.4. Specifieke wijze van beheer van verschillende afvalstoffen

Afvalstroom en doelstellingPrestatie 2002Resultaat 2002
Autobanden> 60% producthergebruik> 20% materiaalhergebruikAanpassing Besluit beheer personenwagenbanden Stb. 1995, nr. 248Het ontwerp Besluit beheer autobanden is in oktober 2002 voorgepubliceerd
   
Autowrakken85% materiaalhergebruikVanaf 2005:95% nuttige toepassing (waarvan tenminste 85% materiaalhergebruik)Aanpassing AMvB autowrakkenHet Besluit beheer autowrakken (Stb. 2002, nr. 259) waarmee de EU-richtlijn autowrakken in Nederlandse regelgeving is omgezet, is in mei 2002 van kracht geworden
   
Bouw- en sloopafval> 90% nuttige toepassingImplementatie van het speerpuntenprogrammaContinuering en ondersteuning huidige beleid Het percentage nuttige toepassing is in 2002 gehaald.
   
Wit- en bruingoed> 45% – 75% hergebruik, afhankelijk van categorieSturing en begeleiding plannen van de industrie. Start aanpassing Besluit beheer wit- en bruingoed als gevolg van Europese regelgevingOvereenstemming op EU niveau over een Richtlijn wit- en bruingoed die in belangrijke mate overeenkomt met de huidige Nederlandse praktijk. Uitvoering gegeven aan Besluit beheer wit- en bruingoedIn 2002 is nuttige toepassing met 20% gestegen tot 4,2 kg per inwoner.Het percentage nuttige toepassing ligt tussen 60% en 90%.
   
AVI-reststoffen100% nuttige toepassing van bodemaskwaliteitsverbetering tot N2-kwaliteit vóór 1-1-2005 30% nuttige toepassing van vliegasBegeleiding onderzoek op het gebied van AVI-reststoffenOnderzoek naar kwaliteitsverbetering avi-bodemas wordt, met bijdrage vanVROM, momenteel uitgevoerd. In afwachting van resultaten is de buitencategorie in het Bouwstoffenbesluit verlengd.
   
Land- en tuinbouwfolies> 70% hergebruikUitvoeringsplannen van de industrie zullen worden begeleidUitvoering gegeven aan Besluit beheer land- en tuinbouwfolies (Stb. 1996, nr. 584). Continuering en ondersteuning huidige beleid
   
Batterijen90% gescheiden inzamelingUitvoeringsplannen van de industrie zullen worden begeleidUitvoering van het Besluit beheer batterijen (Stb. 1995,nr. 45). Het percentage gescheiden inzameling bedroeg in 2002 75%
   
Teerhoudend asfaltRealisatie voldoende verwerkingscapaciteitStimulering realisatie voldoende verwerkingscapaciteit (2 x € 2,27 mln.)Verschillende initiatieven voor verwerking van teerhoudend asfalt (als uitvloeisel van vervallen van de buitencategorie voor teerhoudend asfalt)zijn in stadium van voorbereiding (MER procedure en vergunningen).

Verpakkingen

Tabel 12.5. Doelstellingen verpakkingsafval

VerpakkingsafvalAanbod (1999, kton)Hergebruik 1999Doelstelling 2005*Feitelijk 2001
Papier en karton1 41871%75%66%
Glas (eenmalig)43680%90%78%
Metaal21078%80%78%
Kunststof51018%45%**24%
Subtotaal2 57464%70%61%
Hout47724%25%27%

*Convenant Verpakkingen III

**Deze 45% heeft betrekking op nuttige toepassing, waarvan 27% resultaatsverplichting hergebruik, 10% resultaatsverplichting overige nuttige toepassing en een extra inspanningsverplichting van 8% nuttige toepassing

Toelichting:

In 2002 is het derde convenant Verpakkingen ondertekend. Ook heeft er besluitvorming plaatsgevonden over de (ontwerp) amvb beheer verpakkingen waardoor het ontwerp besluit nu aan de Raad van State kan worden aangeboden. De monitoring resultaten over 2001 gaven een positief beeld te zien. De hoofddoelstelling van het convenant (minder dan 950 kton te storten en te verbranden afval) is blijkens het jaarverslag van de Commissie Verpakkingen over 2001 gehaald.

Stimulering gescheiden inzameling van huishoudelijk en bedrijfsafval

Voor het programma «Schoner produceren» kan het volgende overzicht worden gegeven:

Tabel 12.6. Houding bedrijven tegenover preventie

Omschrijvingrealisatie 1999*prognose 2001*
Non-interesse fase16%14%
Interesse fase35%34%
Implementatiefase30%33%
Routinefase19%19%

*De frequentie van de metingen kan wijzigen. De metingen worden in het begin van het jaar verricht.

Toelichting:

Het programma Schoner Produceren is in 2002 beëindigd, omdat er steeds minder gebruik van werd gemaakt.

Stimulering gescheiden inzameling van huishoudelijk en bedrijfsafval

Tabel 12.7. Doelstellingen en gescheiden inzameling van huishoudelijke afvalstoffen

Door consumenten te scheiden afvalstoffen (LAP)1AanbodGescheiden ingezameldDoelstelling
 (1999, kton)2000 in %2001 in %22006 in %
GFT-afval2 754535055
Papier en karton1 989505375
Glas (eenmalig)5176370390
Textiel1553327350
Wit- en bruingoed16241nog niet bekend90
Klein chemisch afval41586490
Huishoudelijk afval (incl. grof huisafval)8 650454660

1Het LAP heeft 2000 als basisjaar. Daarom wordt in deze tabel ook 2000 als referentie genomen

2Gebaseerd op voorlopige cijfers van het CBS. In voorgaande jaren is gebleken dat de definitieve cijfers niet of nauwelijks afwijken van de voorlopige cijfers.

3De percentages gescheiden ingezameld worden onder meer bepaald door de resultaten van de sorteeranalyses van het huishoudelijk restafval. Kleine verschillen bij sorteeranalyses kunnen tot grote verschillen leiden in de bovenstaande tabel. Zo is bijvoorbeeld de hoeveelheid glas in het restafval tussen 2000 en 2001 met ongeveer 1% afgenomen (van afgerond 5% naar afgerond 4%). Een dergelijke afname in het restafval betekent voor het percentage gescheiden ingezameld glas meteen een stijging van 6%. Voor textiel geldt tussen 2000 en 2001 het tegenovergestelde.

Is er tussen 2001 en 2002 weer een dergelijk klein verschil tussen de resultaten van de sorteeranalyses, bijvoorbeeld een lichte stijging van de hoeveelheid glas in restafval, dan zou het percentage gescheiden ingezameld weer even makkelijk met 6% kunnen dalen. Gelet op deze gevoelige afhankelijkheid wordt momenteel bezien of op deze manier moet worden doorgegaan met de relatie tussen de resultaten van de sorteeranalyses en de gegevens over gescheiden inzameling, mede gelet op de nauwkeurigheid van monstername van huishoudelijk restafval en de opschaling van de resultaten naar heel Nederland.

Toelichting:

Stimulering van gescheiden inzameling van huishoudelijk afval is in 2002 programmatisch aangepakt met het programma STAP (Stimulering gescheiden inzameling en preventie van huishoudelijk afval). De aanpak van bedrijfsafval is gestimuleerd met het programma «met preventie naar duurzaam ondernemen». Laatstgenoemd programma is breder dan alleen afval en omvat ook energiebesparing, waterbesparing etc. De subsidieregeling voor gemeenten ter ondersteuning van beide programma's is in 2002 wederom een succes geweest. Dit blijkt uit het volgende. Beide programma's en de regeling hebben er voor gezorgd dat het onderwerp afvalscheiding weer bij veel gemeenten op de agenda staat.

Na twee jaar zijn met behulp van de regeling circa 200 gemeenten aan de slag met huishoudelijk afval en 300 gemeenten met verbetering van vergunningverlening of handhaving. Dit is mede te danken aan het aantal samenwerkingsverbanden dat projecten uitvoert. De looptijd van de programma's is nog te kort om de resultaten ervan (in termen van een stijging van het percentage hergebruik) te kunnen meten.

12.2.3 Beheersen milieurisico's van straling

Doel van het stralingsbeleid is een situatie te bereiken waarin mens en milieu beschermd zijn tegen de gevolgen van straling. Hiertoe zijn in de Kernenergiewet voor ioniserende straling grenswaarden geformuleerd die niet mogen worden overschreden. Boven deze grenswaarden worden geen vergunningen verleend. Onder deze grenswaarden wordt door middel van actuele vergunningen gestreefd naar blootstelling aan straling van mens en milieu welke zo laag is als redelijkerwijs mogelijk.

Ten aanzien van de realisatie van dit operationele doel in 2002 kan worden gesteld dat door middel van de verlening van vergunningen en ontheffingen belangrijke stappen zijn gezet in de verbetering van de handhaafbaarheid. Dit heeft ertoe geleid dat de aandacht voor de veiligheid bij nucleaire installaties is verhoogd.

Twee niet in de begroting opgenomen onderwerpen hadden in 2002 extra aandacht, te weten (1) de Hoge Flux Reactor te Petten en (2) de Kerncentrale te Borssele.

(1) Hoge Flux Reactor (HFR) in Petten

Met de eigenaar van de HFR is afgesproken dat een aanvraag voor een nieuwe vergunning op grond van de Kernenergiewet in 2003 worden ingediend. Onderdeel van deze vergunning is een MER en een veiligheidsstudie. Vooruitlopend op deze vergunning is in de zomer van 2002 een melding gedaan door de eigenaar van de HFR om de vergunning te wijzigen. Deze melding houdt dat er een externe reactorveiligheidscommissie komt. De minister van VROM heeft als bevoegd gezag op de melding beslist. Samen met EZ, VWS en de Nederlandse Vereniging van nucleaire geneeskunde wordt nagegaan of er alternatieven zijn voor de productie van radio-isotopen. Het eindrapport is begin 2003 aan de Tweede Kamer verzonden.

(2) Kerncentrale Borssele

In september 2002 besliste de rechtbank te Den Bosch dat er juridisch gesproken geen bindende afspraken waren gemaakt tussen de Staat en de exploitant van de kerncentrale (EPZ), om de kerncentrale Borssele (KCB) eind 2003 te sluiten. In het Strategisch Akkoord werd vastgelegd dat, gegeven de Kyoto-verplichtingen, het niet zinvol is om de kencentrale voortijdig te sluiten. Daarom is tegen de uitspraak van de rechtbank Den Bosch geen beroep ingesteld. In gesprekken met EPZ daarna is gebleken dat EPZ de KCB tot tenminste 2013 (dat is na afloop van de 40 jarige technische levensduur van de centrale) in bedrijf wil houden.

In 2009/2010 wil EPZ beslissen over eventuele verlenging na 2013.

Vergunningverlening transport radioactieve stoffen

Vergunningverlening voor het transport is een doorlopende activiteit. Per jaar worden circa 150 vergunningen verleend. In het afgelopen jaar zijn er geen bezwaar- en beroepsprocedures gevoerd tegen verleende transportvergunningen.

Het project HAVIK is gestart om tot een geautomatiseerd systeem te komen. Resultaat van invoering van dit systeem moet zijn: transparantie in de procedure en organisatie; het verhogen van de klantvriendelijkheid; het verbeteren van het uitbestedingsmanagement en het verhogen van kwaliteit van de procedure-uitvoering.

In onderstaande tabel zijn enige kengetallen over de vergunningverlening opgenomen.

Tabe 12.8. Vergunningverlening transport van splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen

 realisatie2001prognose2002realisatie2002
Afhandeling van vergunningen voor transport van radioactieve stoffen met in-, uit- en doorvoer-vergunningen artikelen 15 en 29 KEW150150150
Afhandeling van vergunningen artikel 15 KEW (incl. meldingen)558
Beoordeling door VROM van vergunningen art. 29 en 34 KEW507010
Beoordeling door VROM van meldingen Besluit stralingsbeschermingnvt1000
Afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures KEW12105

Toelichting:

Het lagere dan geprognosticeerde aantal beoordelingen van vergunningen en meldingen op basis van artikelen 29 en 34 van de Kernenergiewet wordt met name veroorzaakt door het nieuwe Besluit stralingsbescherming, dat per 1 maart 2002 van kracht is geworden en waarin een overgangstermijn van 1 jaar is opgenomen. Nieuwe vergunningaanvragen en meldingen hoeven pas na deze overgangstermijn te worden ingediend.

Uitvoering Besluit stralingsbescherming

In maart 2002 is in het kader van de implementatie van de EURATOM basisnormen het geheel herziene Besluit Stralingsbescherming van kracht geworden. In de loop van 2002 is vervolgens nog een aantal richtlijnen in het kader van dit besluit gepubliceerd.

Implementatie Stralings Prestatie Norm (SPN)

In juni 2002 is het gewijzigde Bouwbesluit waarmee de SPN wordt geïmplementeerd aangeboden aan de Ministerraad ter publicatie in het Staatsblad. Over de wijze van implementatie heeft in 2002 geen besluitvorming plaatsgevonden. Besluitvorming wordtnu voorzien in de loop van 2003, waarbij de SPN een onderdeel zal zijn van een brede discussie over risico's.

12.2.4 Beheersen milieurisico's van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's)

Het doel is de situatie waarin biotechnologie wordt toegepast, gepaard te laten gaan met waarborgen voor de veiligheid, de transparantie van de besluitvorming, de keuzevrijheid voor de burger en de ethische aanvaardbaarheid. De toepassingen van biotechnologie roepen thans veel maatschappelijke discussie op.

Ten aanzien van de realisatie van dit operationele doel in 2002 kan worden gesteld dat door middel van de verlening van vergunningen en ontheffingen belangrijke stappen zijn gezet op de weg naar een veilig en verantwoord gebruik van ggo's.

Uitwerking beleid biotechnologie

Op 14, 21 en 30 januari 2002 heeft een debat in de Tweede Kamer plaatsgevonden over onder andere de Integrale Nota Biotechnologie. Het Parlement heeft ingestemd met het kabinetsstandpunt dat kansen van biotechnologie op verantwoorde wijze benut zullen worden. De Kamer heeft tien moties aangenomen die in de tweede helft van 2002 en de eerste helft van 2003 uitgevoerd worden. De belangrijkste moties betreffen onder andere de uitwerking van een integraal toetsingkader voor biotechnologische toepassingen. Dit integraal toetsingskader behelst een explicitering van de ethiek die een rol speelt bij de afwegingen die worden gemaakt bij de toetsing van biotechnologische toepassingen. Daarnaast zal het onderzoek naar de effecten van ggo-gewassen op het functioneren van het ecosysteem worden gestimuleerd.

Implementatie EU-richtlijn 2001/18 en Biosafety protocol in Besluit ggo's

• In 2002 zijn diverse wijzigingen van het Besluit ggo voorbereid. Begin 2003 wordt zowel de implementatie voltooid van de richtlijn 98/81 inzake toepassingen van ggo's binnen inrichtingen als de wijziging van het Besluit ggo (locatiewijziging en verkorting van de vergunningprocedure van ggo-veldproeven).

In 2002 is een concept wijziging opgesteld voor de implementatie van de richtlijn 2001/18 inzake de introductie van ggo's in het milieu. Deze wijziging zal waarschijnlijk in het najaar van 2003 voltooid worden.

• Begin 2002 is een ontwerp EU-verordening gepresenteerd met betrekking tot de implementatie van de grensoverschrijdende bepalingen van het Biosafety Protocol. Het EU-Parlement heeft zijn eerste lezing in oktober 2002 voltooid.

Tijdens de Milieuraad van 17 oktober 2002 is hierover een politiek akkoord bereikt met uitzondering van de bepaling over de labelling van mengsels ggo's. Deze bepaling zal verder besproken worden bij de onderhandelingen over de ontwerpverordening inzake traceerbaarheid en etikettering van ggo's. In 2003 zullen de onderhandelingen over het ontwerp worden voortgezet en zal de verordening waarschijnlijk van kracht worden. In de Nederlandse wetgeving hoeft slechts de strafbaarstelling van de verordening te worden geregeld. Dit zal in 2003 plaatsvinden.

Bijdragen aan COP-6/MOP

Van 22 tot en met 26 april 2002 heeft in Den Haag «back to back» aan de de COP-6 Biodiversiteit de derde Intergouvernementele Bijeenkomst van Partijen bij het Cartagena Protocol over Biosafety (ICCP-3) plaatsgevonden. Tijdens de ICCP-3 zijn de laatste voorbereidingen getroffen voor de 1e bijeenkomst van Partijen bij het Biosafety Protocol. De COPMOP1 wordt met de uitkomsten van ICCP1–3 in staat gesteld om de benodigde beslissingen te nemen voor de goede inwerkingtreding van het Protocol.

Afhandeling van kennisgevingen en vergunningen voor ggo's

In 2002 zijn 811 vergunningen voor het ingeperkt gebruik (inclusief wijzigingen) afgegeven. Daarnaast zijn 5 vergunningen voor gentherapie en 3 voor veldproeven verleend.

Ook zijn 19 vergunningen voor veldproeven geweigerd, omdat deze niet voldeden aan het beleid zoals aangegeven in de Integrale Nota Biotechnologie of het beleid ten aanzien van locaties. Eind 2002 is een dossier voor een markttoelating van de import van koolzaad naar de Europese Commissie doorgeleid.

Tabel 12.9. Kennisgevingen en vergunningen ggo's

OmschrijvingAantal 1999Aantal 2000Aantal 2001Aantal 2002
Kennisgevingen ingeperkt gebruik564453600811
Aanstellingen Biologische veiligheidsfunctionarissen40263250
Vergunningen introductie in het milieu (incl. weigering)*32131027
Vergunningen marktintroductie*9100
Afhandelen bezwaarprocedures*217101
Afhandelen beroepsprocedures*4770
Aantal nietig verklaarde vergunningaanvragen–**–**–**7

*procedures nemen meerdere jaren in beslag

**niet gemeten

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 12 Beheersen milieurisico's stoffen, afvalstoffen en stralingRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen39 35635 5133 843
waarvan garantieverplichtingen   
    
Uitgaven38 77337 781992
Programma-uitgaven31 02631 231– 204
Beheersen milieurisico's van stoffen9 7843 9155 869
Subsidies stoffenbeleid7 51307 513
Overige instrumenten stoffenbeleid2 2713 915– 1 644
    
Beheersen milieurisico's van afvalstoffen17 00119 034– 2 033
Subsidies afvalstoffenbeleid5 2383 6751 563
Overige instrumenten afvalstoffenbeleid11 76315 360– 3 597
Beheersen milieurisico's van straling286678– 392
Overige instrumenten stralingsbeleid286678– 392
Beheersen milieurisico's van GGO's322426– 104
Overige instrumenten GGO-beleid322426– 104
    
Onverdeeld programma3 6337 177– 3 544
Onderzoek3 5535 736– 2 183
Communicatie-instrumenten81908– 827
Overige instrumenten0534– 534
    
Apparaatsuitgaven7 7476 5511 196
Ontvangsten16908– 892

Toelichting:

Bij dit artikel is sprake van één majeure beleidswijziging. Voor de uitvoering van de saneringsregelingen asbestwegen Twente, Haaksbergen en overige Asbestwegen is een hoger aantal subsidieaanvragen en gehonoreerd dan was voorzien. De overschrijding is gecompenseerd door herschikking van de middelen op dit artikel.

Artikel 13. Handhaving

Algemene doelstelling

VROM streeft met een goede handhaving naar:

– de vergroting van de doeltreffendheid van VROM-beleid en -regelgeving

– de vergroting van de veiligheid in de leefomgeving;

– het verminderen van gezondheids en veiligheidsrisico's in de leefomgeving.

Dit streven valt uiteen in de navolgende operationele doelen:

• Strategie,

• Betaalbaarheid en vrije woonkeuze,

• Goede woningvoorraad en duurzaam bouwen,

• Aantrekkelijke fysieke leefomgeving,

• Versterken stedelijke en landelijke gebieden

• Verbeteren milieukwaliteit op nationaal niveau en integratie op lokaal niveau

• Tegengaan klimaatverandering en emissies

• Beheersing milieurisico's, straling afval en stoffen

Operationele doelstellingen

13.2.1 Strategie

De VROM-Inspectie heeft een meerjarenvisie ontwikkeld (Missie-visiedocument 2002–2006) waarin aangegeven staat waar de VROM-Inspectie voor staat, wat van haar verwacht kan worden de komende tijd (zowel qua werk als qua organisatie). In 2002 is de VROM-brede Nalevingstrategie ontwikkeld met een integrale visie op naleving van het VROM-beleid en de wet en regelgeving. De Nalevingstrategie legt de basis voor VROM-brede afspraken over:

• De taak- en rolverdeling ten aanzien van activiteiten die de naleving van VROM-beleid en -regelgeving bevorderen.

• De wijze waarop de prioriteitstelling voor handhavingactiviteiten wordt gemaakt.

Naleving is het gedrag van een burger of bedrijf om zich al dan niet te houden aan het beleid en wet- en regelgeving. Op basis van redenen voor niet-naleving kan door VROM besloten worden welke instrumenten zullen worden ingezet om de naleving te bevorderen. Die naleving kan – als deze achterblijft bij het beoogde niveau – effectief en efficiënt worden bevorderd door «zachte» ( voorlichting, advisering) en «harde» (handhaving en opsporing) interventies. Ex-post beleidsevaluatie die in 2002 een ad-hoc karakter had, zal daar een structureel onderdeel van gaan uitmaken.

De handhavingbevindingen uit het veld zijn teruggekoppeld in een aantal handhavingbrieven aan de Tweede Kamer en in een aantal Algemene Overleggen met de Tweede Kamer.

Voortzetting doelgroep en overheidsmonitoring

De doelgroep- en overheidsmonitoring is in 2002 conform de taakstelling voortgezet met het oog op de vastlegging van de prestaties van overheden en de vastlegging van de emissies van doelgroepen.

Doelgroepmonitoring

In november 2002 zijn de emissiecijfers voor 2000 en ramingen 2001 voor emissies en afval aan de Kamer aangeboden (rapport Milieumonitor Nr 6). Voorts is in 2002 specifieke aandacht gegeven aan de emissies door mobiele bronnen in Nederland. Met het oog op centrale verwerking, opslag en de internationale rapportage van emissiedata is het zg. Datawarehouse emissieregistratie opgezet. De gegevens uit de Emissieregistratie vormen een belangrijke bron voor de Milieubalans.

Overheidsmonitor

De belangrijkste conclusie uit de inspanning op het terrein van de overheidsmonitoring is dat de uitvoering van het milieubeleid door overheden in 2001 ten opzichte van 2000 relatief gezien is verbeterd. Dit geldt ondermeer voor de vergunningverlening Wet milieubeheer, de handhaving van deze vergunningen, bedrijfsinterne milieuzorg en de wijze waarop wordt omgegaan met bedrijfsmilieuplannen in het kader van het doelgroepenbeleid. Voor een aantal andere onderwerpen (verkeerslawaai en woningisolatie, sanering overstorten, vervoer gevaarlijke stoffen, handhaven van naleving van bestemmingsplannen buitengebied) moeten nog forse inspanningen door de overheden worden geleverd, wil er sprake zijn van een mate van uitvoering van het milieubeleid dat op peil is en adequaat genoemd kan worden. Indicatoren daarvoor zijn afkomstig uit het NMP.

Toezicht, handhaving en opsporing

Het afgelopen jaar heeft in het licht gestaan van de formele oprichting van de VROM-IOD. De beschikbaarheid van uiteenlopende soorten expertise binnen één dienst blijkt van meerwaarde te zijn geweest bij de onderzoeken.

Het afgelopen jaar werd daarbij gekenmerkt door een zeer breed scala en een veelheid aan onderzoeken. Hierdoor was steeds een beperkte inzet per onderzoek mogelijk en samenwerking werd dan ook gezocht met andere opsporingsdiensten. Daarnaast werd de VROM-IOD geconfronteerd met spoedeisende onderzoeksvragen (Bouwfraude, RGD-onderzoek en van der Valk/Tiel) die alleen konden worden opgepakt door lopende onderzoeken voor korte of lange termijn stil te leggen, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd.

Er zijn het afgelopen jaar 25 (zelfstandige) strafrechtelijke onderzoeken uitgevoerd en grotendeels afgerond, waarvan er 4 als relatief grootschalig en complex kunnen worden gecategoriseerd. Daarnaast is er bij ongeveer 15 onderzoeken relevante bijstand verleend aan regionale opsporingsdiensten.

De indicatieve taakdoelstellingen uit de begroting kunnen echter nooit met zekerheid worden gehaald, aangezien van te voren niet is te voorzien hoeveel strafrechtelijke zaken zich zullen voordoen.

Het merendeel van de onderzoeken (80%) heeft of hadden betrekking op overtredingen dan wel misdrijven die direct verband houden met de aandachtsgebieden van de VROM-Inspectie: veiligheid, gezondheid en bestuurlijke en maatschappelijke integriteit.

De navolgende onderzoeken hadden het afgelopen jaar de meeste impact. De onderzoeksresultaten zijn in een aantal gevallen niet opgenomen aangezien het gaat om inzet van de IOD in bredere (strafrechtelijke) acties.

Scheepsafvalstoffen binnenvaart

Er is een grootschalig onderzoek afgerond naar malversaties en fraude ter verkrijging van subsidies en overtreding van vergunningen bij de inzameling en verwerking van scheepsafvalstoffen in de binnenvaart. Dit multidisciplinaire onderzoek werd uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de VROM-IOD in samenwerking met de Inspectie Milieuhygiëne, het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) en een drietal regionale politiekorpsen.

Maaswerken

In samenwerking met de politie Limburg-Noord is een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar onregelmatigheden bij de uitvoering van verbredings- en verdiepingswerkzaamheden van delen van de Maas in verband met overstromingsproblematiek. Het betrof het illegaal storten van zwaar vervuild baggerslib in een natuurgebied. Gelet op de strafrechtelijke immuniteit van de Staat heeft het OM besloten het strafrechtelijk onderzoek tussentijds te staken. Het strafrechtelijk onderzoek heeft wel een bestuursrechtelijk vervolg gekregen om herhaling te voorkomen en bij vervolgprojecten scherper vooraf de condities te kunnen bepalen. De Tweede Kamer is geïnformeerd over de uitkomsten (Onderzoek VROM-Inspectie Uitvoering Proefbaggerbestek 2, rapportnr. 17 096/185). Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft maatregelen getroffen om herhaling te voorkomen.

Beleggers

In het kader van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, is een verkennend onderzoek «beleggers» uitgevoerd. Hierbij zijn transacties in de onroerend goedsector (aankoop woningbezit van Toegelaten Instellingen door particuliere beleggers) in kaart zijn gebracht en geanalyseerd. Naar verwachting zullen twee zaken in overleg met het OM als apart opsporingsonderzoek een vervolg krijgen.

Bouwfraude

Geheel 2002 is er geparticipeerd in het strafrechtelijk bouwfraudeonderzoek van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Het betreft het multidisciplinair onderzoek naar aanleiding van informatie van een bouwbedrijf over schaduwadministraties met betrekking tot het verrekenen van illegale prijsafspraken, het toekennen van rekenvergoedingen en het hiertoe ophogen van aanneemsommen bij (grote) infrastructurele werken. Overeenkomstig de afspraken daaromtrent is de inzet van de partners, waaronder de VROM-IOD, per eind 2002 afgebouwd.

Certificering

Er zijn onderzoeken ingesteld naar vermoedelijke valsheid in geschrifte in relatie tot het afgeven van certificaten. Daarbij kan het zowel gaan om het «niet-geaccrediteerd» afgeven van certificaten als om het ten onrechte gebruik maken van woord- en beeldmerk. Fraude met certificering/classificering van stoffen (in het kader van het bouwstoffenbesluit) leidt tot gebruik van verontreinigde of vervuilde grond dan wel reststoffen bij diverse (bouw) werkzaamheden.

Diermeel

Onder leiding van het Expertisecentrum Groen (OM Zwolle) is een onderzoek uitgevoerd naar de illegale opslag van bewerkt destructiemateriaal (diermeel). Aanleiding was de constatering dat er op diverse opslaglocaties (onder slechte tot matige condities) verspreid over Nederland bewerkt hoog risicomateriaal was aangetroffen. Dit betreft destructiemateriaal dat in verband met de mogelijke verspreiding van ziekten naar dieren en mensen apart behandeld en zo spoedig mogelijk door verbranding zou moeten worden vernietigd. Het onderzoek heeft al geleid tot een groot aantal aanpassingen bij betrokken bedrijven en verantwoordelijke overheden.

Export en opslag

Meerdere onderzoeken zijn er uitgevoerd die directe of indirecte relatie hebben met de EVOA (Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen). Daarbij moet worden gedacht aan de illegale import en opslag van gevaarlijke afvalstoffen, productie en export van verboden CFK's (ozon aantastende chloorfluorkoolwaterstoffen), de sloop en export van bouw- en sloopafval alsmede het op illegale en/of milieuhygiënisch onverantwoorde wijze recyclen en exporteren van oude metalen en metaalafval.

Woningcorporaties

Er zijn en worden onderzoeken uitgevoerd naar valsheid in geschrifte, niet ambtelijke omkoping en oplichting bij (grote) woningcorporaties.

Parlementaire Enquête Commissie

De IOD heeft onderzoek gedaan naar de beschuldigingen die waren geuit tijdens het verhoor door de parlementaire enquêtecommissie bouwnijverheid. Vier (oud) VROM-medewerkers werden ervan beschuldigd tussen 1976 en 1986 informatie te hebben gelekt naar bouwondernemers tijdens informele bijeenkomsten. Onderzoek door de VROM-IOD heeft aangetoond dat de beschuldigingen onterecht waren en er geen aanleiding is te twijfelen aan de integriteit van betrokken (oud) medewerkers.

13.2.2 Betaalbaarheid en vrije woonkeuze

– Fraudebeleid

De kabinetsnota «Bestrijding fraude en financieel-economische criminaliteit 2002–2006» (Finec-nota, TK 17 050, nr. 234) geeft richting aan het rijksbreed intensiveren van de fraudebestrijding en de interdepartementale afstemming over de speerpunten (zwarte fraude, identiteitsfraude, horizontale fraude) en de financiering daarvan. Het VROM-fraudebeleid richt zich primair op de intensivering van de bestrijding van zwarte fraude bij huursubsidie door de capaciteitsinzet met betrekking tot deze vorm van fraudebestrijding te verhogen en te verbijzonderen. Vooruitlopend op de uitvoering van de Finec-nota is er binnen VROM een aantal ontwikkelingen in gang gezet. De oprichting van een specifieke afdeling Subsidiefraude bij de VROM-IOD, maakt daar onderdeel vanuit.

In 2002 zijn er, van de 763 signalen, 427 zaken voor onderzoek in behandeling genomen. Hiervan kwamen er na weging 270 zaken niet voor nader onderzoek in aanmerking. Van de 157 zaken die na «weging» nader zijn onderzocht hebben er 127 een «positief» frauderesultaat opgeleverd met een totaal schadebedrag van € 404 469.

Het toezicht op de naleving van de Huisvestingwet

– onrechtmatige bewoning.

De 20 geplande gerichte handhavingacties en de geplande toetsingen van 50 gemeentelijke verordeningen zijn niet uitgevoerd, maar in plaats daarvan is besloten het monitoringsonderzoek uit 2000 te herhalen, Hierbij zijn 60 gemeenten betrokken. Op verzoek van de Minister wordt het aspect van bewoning door illegaal in Nederland verblijvenden meegenomen. Over de uitkomsten van dit onderzoek wordt in 2003 gerapporteerd.

– huisvesting van statushouders.

Staatssecretaris Remkes heeft in mei 2002 samen met IPO en VNG naar aanleiding van het rapport De Taken Hersteld de intentie uitgesproken dat de achterstanden voor statushouders binnen één jaar worden ingelopen. De VROM-inspectie is opgedragen vanuit zijn 2e lijns bevoegdheid jegens provinciale en kaderwetgebieden toeziend en desnoods handhavend op te treden.

– Voorrangsregels woonwagenbewonersDaarbij is nagegaan of de betrokken gemeenten de voorrangsregels voor woonwagenbewoners hebben gehanteerd, conform de wetgeving . Dat blijkt in grote lijn inderdaad het geval te zijn geweest. Uit navraag blijkt dat nauwelijks een beroep op deze voorrangsregels is gedaan, vooral omdat er nauwelijks verhuizingen hebben plaatsgevonden. Op 1 januari 2003 zijn deze voorrangsregels van rechtswege als verplichting vervallen.

Over het toezicht op de Woningbouwcorporaties en het bij het Besluit Beheer Sociale Huursector( BBSH) horende toezichtverslag is reeds in de artikelen 1 en 2 verslag gedaan.

13.2.3 Goede woningvoorraad en duurzaam bouwen

Bij de uitvoering van de bouwregelgeving geeft de VROM-Inspectie invulling aan het toezicht van het Rijk door het verrichten van gemeentelijke onderzoeken naar de eerstelijnshandhaving door gemeenten. In 2001 is begonnen met de uitvoering van het Actieprogramma Handhaving Bouwregelgeving (Kamerstukken II, 2000–2001, 27 400, nr. 51) dat samen met de VNG is vastgesteld. Dit betreft onder andere het versterken van het tweedelijnstoezicht met bevoegdheden, scholings- en voorlichtingsactiviteiten, het stimuleren van gemeentelijke samenwerking op het terrein van bouw- en woningtoezicht.

Tweedelijnsonderzoek

Voor 2002 stonden in de begroting ca.130 onderzoeken aangekondigd en in de prestatietabel 25 onderzoeken in gemeenten. Nu blijkt dat deze aantallen bij elkaar opgeteld moeten worden. Uiteindelijk zijn er 150 gemeenten onderzocht.

Eerste analyses lijken het beeld van 2001 te bevestigen. In het Inspectieonderzoek bouwregelgeving 2000» (Kamerstukken II, 2000–2001, 27 400, nr. 92) is geconcludeerd dat gemeenten hun eerstelijns handhavingstaak ten aanzien van bouw- en regelgeving onvoldoende oppakken. Zo blijkt dat veel gemeenten geen handhavingsbeleidsplannen hadden opgesteld en ook hun bevindingen niet altijd vastlegden. Met de in 2001 onderzochte gemeenten die nog onvoldoende handhaafden, zijn bestuurlijke afspraken gemaakt. De afspraken variëren van het opstellen van (onderdelen van het) handhavingsbeleid tot uitvoering van nacontrole door de VROM-Inspectie van (onderdelen van) dat beleid. In 2002 zijn nacontroles gehouden. Uit deze nacontroles blijkt dat het Inspectieonderzoek voor gemeenten aanleiding is om verbeteringen in de organisatie van het bouw- en woningtoezicht aan te brengen. Tegelijk blijven de prestaties van een aantal gemeenten op onderdelen achter bij het noodzakelijke niveau. Met deze gemeenten zijn nadere bestuurlijke afspraken gemaakt.

De nieuwe taken in het tweedelijnstoezicht op de handhaving van de Bouwregelgeving waren het onderzoeken van niet-woningen en de gebruiksvergunningverlening. Eerste analyses wijzen uit dat er bij de gemeenten weinig tot geen verschil is in de aanpak van de handhaving tussen woningen en niet-woningen. Voor wat betreft de gebruiksvergunningverlening wijzen de eerste cijfers uit dat grote verschillen bestaan tussen gemeenten. Uitgevoerd beleid varieert van slecht tot goed.

Calamiteiten en objectgericht onderzoek

Op 10 februari is een deel van het parkeerdek bij het Van der Valk motel in Tiel ingestort. De VROM-Inspectie heeft onderzoek verricht naar de oorzaak van de instorting en de naleving van de bouw-, ruimtelijke ordenings- en milieuvoorschriften door het bedrijf en de gemeentelijke handhaving. Op 6 mei 2002 is dit onderzoek aan de Tweede Kamer gezonden. De conclusie van dit onderzoek is dat de instorting het gevolg is van een ernstige bouwfout van het eigen bouwbedrijf van het concern. Er was niet gebouwd conform de regelgeving. Bovendien was het gemeentelijk toezicht op de regelgeving nog onvoldoende. Tijdens het Algemeen Overleg van 27 juni 2002 is de brief besproken (kamerstukken II, 2001–2002, 28 325, no. 3).

Gegeven de geconstateerde veronachtzaming van Bouwregelgeving door het (eigen) bouwbedrijf van Van der Valk, is besloten om alle 52 vestigingen van het concern in Nederland te onderzoeken. Speerpunten hierbij waren veiligheid en gezondheid. De resultaten van dit landelijke onderzoek zijn op 7 november 2002 aan de Tweede Kamer gestuurd.

Bij 11 vestigingen was de veiligheid dermate in het geding dat de betreffende gemeenten is verzocht om direct handhavend op te treden. De direct noodzakelijke maatregelen zijn inmiddels getroffen, zodat het gebruik van de gebouwen aanvaardbaar geacht wordt. De situatie is bij veel vestigingen nog voor verbetering vatbaar.

In de zomer zijn bij hevige regenval op één dag zeven platte daken van grotere gebouwen ingestort. Onder deze gebouwen bevonden zich naast bedrijfsgebouwen een IKEA-winkel, een sporthal en twee zwembaden. De afgelopen jaren storten per jaar ongeveer 15 tot 20 van dit soort daken in. De VROM-Inspectie heeft bewerkstelligd dat in de betreffende gemeenten de oorzaak van deze calamiteiten is onderzocht. In alle gevallen blijkt het bezwijken veroorzaakt te zijn door wateraccumulatie in combinatie met een lichte platte-dakconstructies. Er is gebouwd in strijd met de bouwregelgeving. De controle van de gemeenten was niet toereikend.

13.2.4 Aantrekkelijke fysieke leefomgeving

Stedelijke vernieuwing

Aan 30 rechtstreekse gemeenten en provincies is budget voor stedelijke vernieuwing en herstructurering ter beschikking gesteld.Ten behoeve van een adequate financiële verantwoording van deze middelen straks, zijn betrokken gemeenten en provincies in 2002 reeds begeleid vanuit VROM. In 2002, is nog geen aanvang genomen met het ontwikkelen van een rechtmatig- en doelmatigheid gerichte monitor. In 2002 zijn inmiddels wel alle Innovatie Programma's Stedelijke Vernieuwing (IPSV) getoetst op de mate waarin deze aan de regelgeving voldoen. Hierover is een rapportage in voorbereiding.

«Lokaal Signaal»

Lokaal Signaal dat in 2002 nog als meldpunt Leefomgeving bekend stond, is sinds 2001 operationeel als digitaal loket waar burgers terechtkunnen met klachten en bezorgdheid over hun fysieke leefomgeving. Het betreft zaken waarop VROM-regelgeving van toepassing is en waarvan de indiener vermoedt dat de regels niet goed worden nageleefd dan wel worden overtreden.

In totaal kwamen er in het afgelopen jaar 319 klachten binnen waarvan ruim 80% in 2002 beantwoord zijn. Van de binnengekomen klachten is circa 60% gerelateerd aan het beleidsonderwerp ruimte. Milieukwesties en wonen zijn in respectievelijk 30% en 10% aan de orde.

13.2.5 Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke en landelijke gebieden

Voor de toetsing en nazorg voortvloeiend uit WRO-beleid zijn de geplande 27 onderzoeken bij gemeenten uitgevoerd. Het gaat om tweedelijnstoezicht op de rol van gemeenten als bevoegd gezag bij uitvoering en handhaving van ruimtelijke regelgeving. Uit deze onderzoeken blijkt dat in veel gemeenten het bestand aan bestemmingsplannen is verouderd en dat voor de organisatie en de feitelijke uitvoering van de handhaving nog veel extra aandacht nodig is. Dit heeft ertoe geleid dat in de meeste gevallen de gemeenten gevraagd is een Plan van Aanpak op te stellen ter verbetering van de geconstateerde tekortkomingen.

Voor 2002 waren 25 integrale gemeenteonderzoeken gepland. Zeven gemeente-onderzoeken uit 2001 zijn in 2002 afgerond. Voor het jaarprogramma 2002 zijn er 25 VROM-brede gemeenteonderzoeken begroot en opgestart. In de loop van 2002 zijn er nog 4 extra gemeenteonderzoeken toegevoegd. Het betreft hier tweedelijnstoezicht op de uitvoering en handhaving door gemeenten van VROM wet- en regelgeving op het gebied van ruimte, wonen en milieu. Van tweederde van de in totaal 29 onderzoeken is de rapportage afgerond en/of besproken met de verantwoordelijke wethouders.

De resultaten van de integrale gemeenteonderzoeken sluiten aan op de uitkomsten van de bouwregelgeving en ruimtelijke ordening onderzoeken. Het blijkt dat gemeenten ten aanzien van handhaving van de bouwregelgeving onvoldoende hun eerstelijns taken oppakken. Bij de ruimtelijke ordening blijkt dat het bestand aan bestemmingsplannen in veel gevallen verouderd is en ook onvoldoende invulling wordt gegeven aan de handhaving. Ten aanzien van milieu geldt voor handhaving eenzelfde beeld. Ook het inrichtingenbestand blijkt niet in alle gevallen actueel te zijn. Met de onderzochte gemeenten zijn op bestuurlijk niveau afspraken gemaakt om de geconstateerde tekortkomingen op te pakken. Deze gemeenten vallen in een nazorgtraject, waar nacontroles een onderdeel van uitmaken.

Voor het toetsen van bestemmingsplannen aan geldend rijksbeleid voor ruimtelijke ordening waren 1500 acties gepland. Het aantal toetsingen is in de eerste plaats afhankelijk van het aanbod, bovendien was de planning exclusief de toetsing van aanvragen ex artikel 17 en 19 WRO. De planning van 1500 is gehaald Maar door met name het meenemen van artikel 17 en 19 was aanzienlijk extra inzet voor de toetsing nodig en verdubbelde bijna het benodigde aantal acties (2882 acties). Door in een vroeg stadium van de planfase te interveniëren, kon het aantal noodzakelijke vervolgacties beperkt blijven. Een belangrijk knelpunt bij de toetsing van ruimtelijke plannen was, dat het rijksbeleid sterk in verandering was als gevolg van het opstarten van de 5e Nota Ruimtelijke Ordening.

Conform de begroting zijn 3 streekplanherzieningen op handhaafbaarheid getoetst. Het voortouw hierbij lag bij de beleidsdienst (DGR) van VROM.

Voor wat betreft milieutaken is er bij de kleine gemeenten veelvuldig gebrek aan inhoudelijke kennis. Mede hierdoor bestaat bij veel gemeenten een achterstand bij de opstelling van milieubeleidsplannen. In een enkel geval is er tevens een groot gebrek aan handhaving geconstateerd. Toch kan worden gesteld dat ten opzichte van eerdere jaren de uitvoering van het milieubeleid door overheden relatief gezien is verbeterd.

Wat betreft de bouwregelgeving valt op dat veel gemeenten niet systematisch werken met gebruiksvergunningen. Dit raakt met name horeca-inrichtingen en andere inrichtingen met een grote publieksfunctie. Ook bij dit type onderzoeken wordt door middel van plannen van aanpak, hercontrole en zonodig verscherpt toezicht druk uitgeoefend, de geconstateerde gebreken te corrigeren.

Van een aantal kleine acties als het adviseren over en bijdragen aan VNG-brochure over RO-handhaving en een beoogde bijdragen aan handhavingsconferenties, is afgezien, vanwege de inzet voor actuele prioriteiten.

13.2.6 Verbeteren milieukwaliteit op nationaal niveau en integratie op lokaal niveau

Toezicht op uitvoering nieuw Vuurwerkbesluit

Het voornemen om 50 transportcontroles uit te voeren is met een realisatie van 75 onderzoeken ruim gehaald. De kwaliteit van de meldingen (door transporteurs) was, na de aanloopperiode van de toezichtacties, goed te noemen.

Bijzondere aandacht is gegaan naar de import van vuurwerk waarvan de importeur niet kon aantonen dat de classificatie juist was. De VROM-Inspectie heeft samen met provincies, Inspectie Verkeer en Waterstaat en de politie een uitgebreide toezichtactie uitgevoerd die heeft geleid tot de inbeslagname van circa 70 ton vuurwerk. Dit vuurwerk is voor de jaarwisseling grotendeels onder toezicht van de VROM-Inspectie correct ingepakt en vervolgens vrijgegeven om in de handel gebracht te worden.

In het kader van ketentoezicht is in de loop van het jaar onderscheid gemaakt tussen enerzijds ketentoezicht (handelingen met vuurwerk door bedrijven) en anderzijds kwaliteitscontroles (voldoet consumentenvuurwerk aan de eisen). Hiervoor is gekozen omdat de aard van de werkzaamheden te veel van elkaar verschilt. In het geval van monitoring van de keten en van de kwaliteitscontroles gaat het vooral om het voorkomen en bestrijden van illegale handelingen met vuurwerk en het keuren van consumentenvuurwerk. De doelstelling van 50 onderzoeken in het kader van ketentoezicht en kwaliteitscontroles is gerealiseerd. In 5 gevallen zijn illegale bedrijven gecorrigeerd. In 16 gevallen is vuurwerk afgekeurd en uit de handel genomen. Deze partijen zijn in overleg met het OM in beslag genomen. Tegen de bedrijven wordt/is proces-verbaal opgemaakt

De algemene doelstelling bij het toezicht op professioneel vuurwerk is het verbeteren van de naleving van Wet milieubeheer bij de opslag van vuurwerk. Het voornemen om 60 professionele vuurwerkbedrijven te controleren heeft VROM samen met provincies kunnen realiseren. Hiervan heeft de VROM er 40 voor zijn rekening genomen. Door het Wm-bevoegde gezag zijn 20 inspecties overgenomen en uitgevoerd, zodat de VROM -inspectie prioriteit kon geven aan het consumentenvuurwerk. De veiligheidsrisico's daarvan worden immers hoger ingeschat.

De controles hebben aangetoond dat het merendeel van de bedrijven niet kan voldoen aan de het nieuwe Vuurwerkbesluit. Met name de afstandsnormen van vuurwerkopslag in relatie tot kwetsbare gebouwen vergt nog aandacht. Conform de overgangsregeling uit het Vuurwerkbesluit moeten de bedrijven vanaf 1 maart 2004 aan de afstandsnormen uit het besluit voldoen.

Handhaving legionella wet en regelgeving

In 2002 is specifiek brancheonderzoek met monstername van het leidingwater uitgevoerd bij hotels en zwembaden. Bij zwembaden is dit gecombineerd met het veiligheidsonderzoek naar de corrosiebestendigheid van plafondophangsystemen en de bouwkundige zekerstelling van (eventueel overbelaste) platte-dakconstructies. De controle op legionellapreventie is ook uitgevoerd in het project «zelfstandige leidingwatervoorzieningen».

De voorziene 5000 controles uit de begroting van waterleidingbedrijven is door een tekort aan capaciteit mede vanwege een groot aantal vacatures bij de VROM-Inspectie vooraf bijgesteld naar 3000. Dit prestatieaantal voor 2002 is ruim gehaald. Rapportage van de controles zal in 2003 plaatsvinden.

In oktober 2002 is de Tijdelijke regeling legionellapreventie 2000 geëindigd. Een omzettingsprocedure is gestart om legionellapreventie te integreren in het Waterleidingbesluit. Tijdens de omzetting is het besluit genomen om de reikwijdte te beperken tot prioritaire doelgroepen. Dit heeft als resultaat dat de doelgroepomvang met circa 90% is verminderd. Daardoor kon het toezicht op de overgebleven en meest risicovolle locaties worden geïntensiveerd.

Onderzoek 150 Risicobedrijven

225 Risicobedrijven zijn onderzocht. Daarmee is de kwantitatieve doelstelling van 150 onderzoeken ruim gehaald. De bedrijven zijn onderzocht op de naleving van VROM wet- en regelgeving. In een aantal gevallen is handhavend opgetreden. In geen van de gevallen werden acute gevaarlijke en structureel risicovolle situaties aangetroffen.

40 themagerichte handhavingsacties

In 2002 is ervoor gekozen de geraamde capaciteit voor de 40 themagerichte handhavingsacties aangaande het specifiek toezicht op de naleving van de Wet verontreiniging oppervlaktewater, Wet bodembescherming, en op bodemsaneringen in te zetten op specifieke incidenten met directe risico's voor water- en bodemverontreiniging. Uit de toezichtacties blijkt dat het toezicht op bodemsanering in eigen beheer, onvoldoende is. Ook dient er meer capaciteit te gaan naar toezicht op het moment dat «de put nog open ligt». Dit onderzoek heeft onder meer geresulteerd in het rapport «Bodem in zicht» dat op 10 april 2002 in de Kamer is besproken. Op basis van de onderzoekservaringen en van reeds beschikbaar materiaal is gewerkt aan een toetsingslijst voor toezicht op lokale overheden.

10 branchegerichte onderzoeken

in 2002 werden in totaal 7 branchegerichte onderzoeken uitgevoerd. Het capaciteitsbeslag van het incidentele ketenonderzoek zoals dat naar de «Van der Valk»-vestigingen en naar Legionellarisico's bij zwembaden, zorginstellingen en hotels, waarover separaat is gerapporteerd, maakte herprioritering noodzakelijk, waardoor het aantal onderzoeken bleef steken op 7. De 5 andere uitgevoerde onderzoeken richtten zich m.n op afval in een breed scala van branches. Op verschillende plaatsen werd onvoldoende naleving van regels geconstateerd, waarvoor acties

10 Toetsingen gebiedsgericht beleid

VROM-Inspectie heeft de 10 gebiedsgerichte toetsingen conform planning uitgevoerd, waaronder bijvoorbeeld deelname aan de zg. Reconstructiecommissies.

Onderzoek naar 20 hoofdpijnbedrijven

Met de term «hoofdpijnbedrijven» is in de begroting gedoeld op bedrijven die op milieugebied structureel voor overlast zorgen. Dit op basis van structurele klachten of andere signalen. De inschatting van 20 bedrijfsbezoeken bleek aan de hoge kant, omdat bedrijven al in een regulier programma waren opgenomen. In dit kader zijn uiteindelijk 8 hoofdpijnbedrijven onderzocht en is waar nodig handhavend opgetreden.

Gedogen door provincies en gemeenten

In april 2002 is het onderzoek uitgevoerd naar de praktijk van het Gezamenlijk beleidskader inzake het terugdringen van het gedogen van milieuovertredingen uit 1991. Deze is op 10 juli 2002 naar de Tweede Kamer gestuurd. Het onderzoek betreft met name gedoogbeschikkingen die door gemeenten en provincies zijn genomen in de periode oktober 2000 tot oktober 2001 en de in deze periode van toepassing zijnde gedoogbeleidsnota's. Het gaat steeds om bestuurlijk gedogen van milieurechtelijke overtredingen. Het passief of stilzwijgend gedogen maakte geen deel uit van het onderzoek.

Bij gemeenten is sprake van tamelijk veel en soms forse, negatieve afwijkingen van het landelijke beleid, zowel op procedurele als op inhoudelijke punten. Veelal is dit ook niet duidelijk gemotiveerd. Bij de beschikkingen is in 20% van de gevallen ook sprake van nadelige milieuhygiënische gevolgen in vergelijking met een legale situatie.

Bij de provincies is het beeld anders. Acht provincies hebben weliswaar een eigen gedoogbeleid, maar dit komt grotendeels overeen met het landelijke beleid. Met name de vereiste controle, het betrekken van de VROM-Inspectie bij de totstandkoming van de beschikking en de gedoogperiode ontbraken in het provinciale beleid. De overige vier provincies hebben het landelijke beleid geïncorporeerd of overgenomen in eigen beleid.

De aanbevelingen zijn onder de aandacht van het bevoegde gezag gebracht.

Controle alle drinkwaterbedrijven

Het voornemen om alle drinkwaterbedrijven te bezoeken is gerealiseerd. De jaarlijkse rapportage getiteld «De kwaliteit van het drinkwater in Nederland» heeft als voornaamste conclusies:

De wettelijke voorschriften met betrekking tot de kwaliteitscontrole zijn door de waterleidingbedrijven goed nageleefd.

Enkele kortdurende bacteriologische besmettingen zijn na overleg adequaat opgelost.

Als gevolg van verontreiniging van de bronnen voor drinkwater werden wederom enkele lichte normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen geconstateerd.

Geen van de normoverschrijdingen gaf aanleiding tot een bedreiging van de volksgezondheid.

Normoverschrijdingen zijn conform de wettelijke verplichting direct aan de Vrominspectie gemeld en zijn direct afgehandeld. Dit geldt ook voor de problemen die naar aanleiding van meldingen of bij de bezoeken aan de orde kwamen, zoals een bacteriële besmetting van een grondwater winput en de besmetting van het drinkwater met huishoudwater in Leidsche Rijn (Utrecht).

In 2002 heeft de grootschalige samenvoeging van waterleidingbedrijven en waterleidinglaboratoria plaatsgevonden. De VROM-inspectie is hierbij betrokken vanwege het belang van een goede bewaking en borging van de drinkwaterkwaliteit.

Toetsing van gemeentelijke (150) en provinciale (12) verslagen.

Van het voornemen om de provinciale jaarverslagen en 150 gemeentelijke milieuverslagen te toetsen is in 2002 afgezien. De resultaten van de toetsing van 2001 wezen uit dat de uniformiteit in milieuverslagen en milieuprogramma's een belangrijk operationeel knelpunt vormt. Daarom is voor gekozen om samen met de betrokkenen (VNG) de prioriteit te leggen bij het opstellen van een handreiking die moet leiden tot meer uniforme milieuverslagen en milieuprogrammering.

Integrale milieucontroles defensiebedrijven.

De voornemens om 30 milieucontroles bij defensie-inrichtingen uit te voeren is met 33 controles gerealiseerd. Hoewel bijna alle controles aanleiding gaven tot aanschrijving wegens overtredingen, kan wel worden vastgesteld dat de milieukwaliteit bij de gecontroleerde defensie-inrichtingen is of wordt verbeterd. Dit is mede het gevolg van de handhavingactiviteiten. Er is een verscheidenheid aan defensie-inrichtingen gecontroleerd.

De 9 thema's waar de controles op waren gericht, betreffen: ozonlaag aantastende stoffen, bodembescherming, opslag van gevaarlijke stoffen, asbestverwijderingsbesluit, tijdelijke opslag van vervuilde grond of kogelvangerzand, ondergrondse tanks, brandstofafleverpunten, gevaarlijke afvalstoffen en munitie.

13.2.7 Tegengaan klimaatverandering en emissies

In oktober 2002 is het eindrapport van de Landelijke Coördinatie Commissie Milieuwethandhaving (LCCM) over een grote gezamenlijke handhavingsactie in 2001 van het CFK-besluit verschenen. Door VROM zijn 976 bedrijven met koelinstallaties gecontroleerd. Door de andere overheden zijn 800 bedrijven gecontroleerd. Bij ongeveer de helft van de gecontroleerde bedrijven met stationaire koelinstallaties blijkt op één of meerdere punten sprake van overtreding van het CFK-besluit. In verband met een kernovertreding heeft VROM bij 15% van de gecontroleerde bedrijven een proces-verbaal opgemaakt, de andere overheden bij 4% van de controles.

Van de gemeenten heeft 45% aan het gezamenlijk optreden bijgedragen. Aan de gemeenten en provincies is verzocht om de controle van de CFK-regelgeving te integreren in hun reguliere controles van de Wet milieubeheer.

220 Bedrijven met koelinstallaties zijn gecontroleerd in de sectoren waar eerder een hoog lekverlies van koudemiddelen was geconstateerd, zoals de koeling van bloemen, fruit en voor de horeca. Bij 35% van de controles werd een waarschuwing gegeven voor lichte overtredingen en bij 16% van de controles werd een proces-verbaal gegeven vanwege kernovertredingen (zoals te grote lekkages of onvoldoende onderhoud). Om te zorgen dat bepaalde overtredingen alsnog opgeheven worden moest bij 8% van de gecontroleerde bedrijven een bestuurlijke maatregel getroffen worden.

De autodemontagebedrijven zijn in 2002 niet gecontroleerd op het beschikken van een STEK-erkenning bij het aftappen van koudemiddelen uit airco's van auto's. Hier is van af gezien vanwege de onzekerheid die er bestaat over de invoering van een aparte erkenningsregeling voor deze branche.

De Tweede Kamer is geïnformeerd over de controles die verricht zijn bij de zeescheepvaart (rapport «Koudemiddelen het schip in»). In de periode 1996–2001 bleek het jaargemiddeld lekverlies van koudemiddelen aan boord van zowel koopvaardijschepen als trawlers 50% te zijn. Bij de kotters was dit 80%. Dit is veel hoger dan het lekverlies van koelinstallaties op het land. Afgelopen tien jaar is door wetgeving, handhaving en inspanningen van de branches het lekverlies teruggebracht tot het huidige niveau van circa 4,5% per jaar. Ook lopen er twee strafrechtelijke acties, vanwege verwijtbaar te hoge lekkages.

Rapportages waarin de verwijderingstructuren van oude halonen en CFK's geëvalueerd zijn, zijn doorgeschoven naar 2003.

In 2002 is onder leiding van VROM een Europees handhavingproject (EurOzone) gericht op de naleving van de Europese Verordening inzake ozonlaagaantastende stoffen afgerond. In 20% van de controles (535 bedrijven met 2815 koelinstallaties) werden te grote lekverliezen geconstateerd. Bij de Europese Commissie is aandacht gevraagd voor verbetering van de betreffende regelgeving, om de handhaving effectiever te maken. Resultaten zijn in de zomerbrief aan de Kamer gemeld.

13.2.8 Beheersing milieurisico's straling, afval en stoffen

Wet milieu gevaarlijke stoffen (Wms) en genetisch gemodificeerde organismen (GGO's)

Op verschillende manieren is gestart met de controle op illegale activiteiten. In totaal zijn dit jaar 60 controles uitgevoerd. Hierbij zijn geen illegale activiteiten aangetroffen. De volledige onderzoeksresultaten zullen in 2003 gerapporteerd worden. In samenwerking met LNV en de Nederlandse Algemene Keuringdienst (NAK) is geïmporteerde zaaizaad van koolzaad bemonsterd. Het betreft hier een steekproef van ongeveer 5% van de totale invoer. Er werden dit jaar geen verontreiniging met GGO's geconstateerd.

In samenwerking met LNV en de Keuringsdienst van Waren werd gewerkt aan de ontwikkeling van een snellere en meer algemene detectiemethode.

Het overige, meer reguliere toezicht betrof vooral de controle op de invoering van de vereisten inzake administratieve organisatie bij vergunninghouders en het toezicht op veldproeven. In totaal werden ca. 40 vergunninghouders gecontroleerd. Het naleefgedrag is hier in het algemeen goed te noemen.

Handhaving Asbest Wms

In 2002 zijn de landelijke controles uitgevoerd op de naleving van de asbestregelgeving ex Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms). In 2002 stonden hiervoor 1000 administratieve controles en 280 handhavingsacties genoemd, hetgeen indicatief is, omdat de VROM-Inspectie hierbij reactief opereert. Primair richtten de controles zich op asbestverdachte wegen en objecten met een asbest-risico zoals schepen. Voorts zijn ook tweedelijns controles uitgevoerd, met name bij een aantal bodemverontreinigingen met asbest en de sloop van asbesthoudende bouwwerken. In totaal zijn alle meldingen, 64 asbestzaken opgepakt. Bij 40 daarvan betrof het asbestverdachte wegen. Twaalf wegen zijn gesaneerd. Bij 14 loopt momenteel nog onderzoek. De overige wegen bleken niet als asbestweg te kunnen worden beschouwd.

De betrokkenheid bij objecten betrof veelal nazorgacties en hercontroles van scheepsloopactiviteiten. Bij overtreding is in aantal gevallen een preventieve vooraankondiging dwangsom opgelegd om toekomstige overtredingen tegen te gaan. De Mexikaanse Chemicaliëntanker Otapan heeft in 2002 aandacht gekregen van VROM, vanwege de overtreding van het Asbestverwijderingsbesluit.

Ook is VROM geconfronteerd met een aantal ernstige asbestbodemverontreinigingen. Het betrof onder meer een bodemverontreiniging in een woonwijk en een aantal (voormalige) industrieterreinen. Het toezicht betreft dan een controle of het bevoegde gezag van de Wet bodembescherming (veelal de provincie) deze bodemverontreinigingen serieus en adequaat oppakt.

Bij klachten van burgers over de wijze waarop asbest in bouwwerken wordt gesloopt bleek de bezorgdheid in veel gevallen terug te voeren op onvolledige inventarisatie van asbest in gebouwen en onvoldoende communicatie van de uitvoerende instanties met de omgeving. Het bevoegd gezag is gewezen op de noodzaak om aan deze aspecten aandacht te schenken. Er staat eveneens een extra vermelding in een brief aan de Tweede Kamer d.d 14 november en de zomerbrief milieuhandhaving.

Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA),

In april 2002 is voor de achtste maal een landelijke actieweek afvaltransportcontrole gehouden. Hierbij is gecontroleerd op de naleving van internationale en de nationale regelgeving met betrekking tot het transport van afvalstoffen en milieugevaarlijke stoffen. In totaal zijn 4000 transporten gecontroleerd op 111 controlelocaties. In totaal is 464 maal proces-verbaal opgemaakt. Dit betrof 333 maal overtreding van verkeers- en vervoerswetgeving en 131 maal overtreding van de milieuwetgeving. In 38 gevallen is nader onderzoek nodig gebleken. Van alle milieurelevante transporten bleek 10% in overtreding. De controle in samenwerking met andere handhavingspartners vond plaats op de weg, in de havens en op spoorcontainerterminals.

De geconstateerde EVOA-overtredingen betreffen veelal overbrenging zonder de vereiste vergunningen of toestemmingen, het niet doen van melding voorafgaand aan een transport, overtreding van het exportverbod naar derdewereldlanden en het niet voorhanden hebben van verplichte informatie over de herkomst en bestemming van afvalstoffen. Verder hebben de controles informatie opgeleverd die de aanleiding vormt voor twee onderzoeken door de VROM-IOD

De 100 gerichte handhavingsacties internationale afvalhandel gericht op prioritaire stromen en prioritaire bestemmingen zijn in het kader van de Europese netwerkactiviteiten geplaatst.

Slooptanker Sandrien Prioriteit in het kader van EVOA

De VROM-Inspectie heeft het geplande vertrek op 5 februari 2001 van de tanker Sandrien vanuit de haven van Amsterdam voorkomen in verband met overtreding van de EVOA (Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen). Uit certificaten en verklaringen bleek dat het schip op het punt stond om te vertrekken naar Alang in India. Daar zou de tanker op het strand worden gesloopt onder slechte omstandigheden voor mens en milieu. Het vertrek werd niet toegestaan omdat niet aan de EVOA-procedures was voldaan.

De eigenaren laten het schip sinds de uitspraak in de Amsterdamse haven aan zijn lot over. Om tot een definitieve oplossing te komen, is op initiatief van de staatssecretaris van VROM een onafhankelijke bemiddeling gestart tussen de betrokken partijen.

De Tweede Kamer is in 2002 over de ontwikkelingen inzake de Sandrien geïnformeerd bij brief van 24 januari 2002 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 000 XI, nr. 45) en in de zevende en achtste voortgangsbrieven van 5 maart 2002 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 223 434, nr. 66) en 31 oktober 2002 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 22 343, nr. 72).

Controles Bestrijdingsmiddelen/Gassingen

Bij brief van 26 november 2002 is aan de Tweede Kamer het rapport «Gasmetingen in importcontainers» gezonden. In het rapport wordt onder andere geconcludeerd dat 20% van de containers die worden ingevoerd een gezondheids- of veiligheidsrisico vormen voor degenen die deze containers behandelen of er in de buurt van zijn.

Uitgaande van een representatieve steekproef van 303 containers en een aanvoer van ca. vier miljoen containers per jaar in Rotterdam, kan worden gesteld dat in Rotterdam jaarlijks ca. 200 000 containers worden ingevoerd die ten gevolge van bestrijdingsmiddelen een risico vormen voor degenen die deze containers behandelen of er in de buurt van zijn.

In 15% van de 303 onderzochte containers was ook nog sprake van een onacceptabel risico ten gevolge van een te laag zuurstofgehalte, van explosiegevaar of van een kooldioxide- of koolmonoxidegehalte. Jaarlijks worden derhalve ca. 600 000 containers ingevoerd die ten gevolge van deze factoren een risico vormen voor de veiligheid en gezondheid. Slechts drie van de 303 onderzochte containers waren voorzien van een gevaarsetikettering.

Netwerkactviteiten

– Afsluiten 2 Convenanten met de KLPD, Belastingdienst, Douane en Rijksverkeersinspectie

Met KLPD, Douane, Belastingdienst, Rijksverkeersinspectie en Douane partners voor de eerstelijnshandhaving van milieuwetgeving- zijn in de afgelopen jaren convenanten, raamovereenkomsten en intentieverklaringen afgesloten met het oog op het gezamenlijk opereren bij handhavingacties. Dat betekent onder meer dat speciale acties zijn opgezet (bijvoorbeeld de «transportcontroleweek») waarbij door de VROM-Inspectie gezamenlijk met de partners is gecontroleerd. Ook voerden de organisaties conform de afspraken over het hele jaar een aantal gezamenlijke controles uit waarbij is gewerkt conform de handhavingsuitvoeringsmethode (HUM) van de VROM-Inspectie.Voor eventuele knelpunten in de uitvoering is bij VROM-Inspectie een helpdesk opgezet. Voorts zijn themadagen in de regio georganiseerd en bijdragen geleverd aan de opleiding van de zogenaamde vraagbaken bij politie en douane. Door reorganisaties bij de partners kon de indicatieve taakstelling voor 2002 niet voor de volle honderd procent worden gerealiseerd. De lopende reorganisaties bij de meeste betrokkenen partijen (ook de VROM-Inspectie zelf) zijn inmiddels afgerond.

– Transfrontier Shipments of Waste (TFS)

Het «TFS-netwerk» heeft in juni 2002 conform planning een jaarlijkse conferentie gehouden in Wenen. Hier waren alle Europese lidstaten en enkele toetredende staten tot de Europese Unie vertegenwoordigd. Tijdens deze conferentie zijn afspraken gemaakt over gezamenlijke handhaving van de Europese verordening voor de overbrenging van afvalstoffen (EVOA). Als gevolg van deze conferentie is in 2002 een controleproject gestart op transportbedrijven, producenten en verwerkers van afvalstoffen in Europa. Daarnaast wordt gewerkt aan het ontwikkelen van een elektronische database voor de herkenning en indeling van afvalstoffen.

Een ander belangrijk project dat gestart is in 2002 is een samenwerkingsproject op het gebied van de handhaving van de EVOA met de partners uit het «TFS-netwerk» en de toetredende landen tot de Europese Unie. Dit project wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met het secretariaat van het Verdrag van Bazel. Het is hierbij de bedoeling dat in de toetredende landen benodigde handhavingorganisaties worden opgezet, middelen worden vrijgemaakt en controles worden uitgevoerd, zodat deze landen bij toetreding al voorbereid zijn op deze handhavingstaak.

De activiteiten van het IMPEL-TFS-netwerk zijn in de 8e halfjaarlijkse handhavingrapportage aan de 2e Kamer gemeld.

– Organiseren International Network for Environmental Compliance and Enforcement (INECE)-conferentie in Costa RicaVoor rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van diegenen die verantwoordelijk zijn voor het naleven van milieuwetgeving, is het noodzakelijk dat handhaving binnen Nederland maar ook in Europa en de rest van de wereld zo veel mogelijk op een voldoende en gelijkwaardig niveau geschiedt. Op Europees niveau is Nederland (de VROM-Inspectie) actief in het Europees handhavingnetwerk IMPEL (Implementation and Enforcement of Environmental Law).

Op internationaal niveau is de VROM-Inspectie onder andere actief in het International Network for Environmental Compliance and Enforcement (INECE). De Inspecteur-Generaal van de VROM-Inspectie is medevoorzitter van het Executive Planning Committee (EPC) dat de activiteiten van INECE stuurt.

INECE probeert haar doelstelling te bereiken door samenwerking, opleiding, informatieoverdracht en ontwikkeling van internationale handhavingnetwerken. Van 15–19 april 2002 is in San José, Costa Rica de 6de internationale milieuwethandhavingsconferentie gehouden. Met 170 deelnemers uit 80 landen en internationale organisaties was de conferentie zeer succesvol.

– Organiseren Workshop Handhavers Oost Europa.

Van het voornemen om een Workshop Handhavers Oost Europa te organiseren is afgezien, nu in het handhavingsnetwerk van het IMPEL Oost Europese landen zullen toetreden. VROM heeft zich actief ingezet voor de toetreding van deze zogenoemde Accession Countries. In 2002 is een begin gemaakt met de organisatie van de tweede Europese Handhavingconferentie: «IMPEL AT WORK» , 6–8 oktober 2003 te Maastricht.

Toezicht op 7 kernreactoren/kerninstallaties (samen met de Arbeidsinspectie)

Door de Kern Fysische Dienst (KFD) was in 2001 vastgesteld dat er onvoldoende zorg en aandacht was bij het uitvoeren van werkzaamheden op alle niveaus bij de Hoge Flux Reactor (HFR). Toezeggingen van de zijde van de vergunninghouder om de situatie te verbeteren hadden geen resultaat. Een brief van een klokkenluider over misstanden leidde tot Kamervragen en begin februari 2002 was het duidelijk dat er forse ingrepen nodig waren. De minister verzocht de directie van de HFR daarop de reactor uit bedrijf te nemen voor een periode die nodig was om een audit over de safety culture uit te voeren met afspraken voor verbetering en de resultaten van een hernieuwd onderzoek aan een lasnaad bekend waren. Deze zijn uitgevoerd en in de tweede helft van maart is de installatie na toestemming van KFD weer in bedrijf genomen.

In de loop van het jaar ontstond een discussie over het wel of niet kunnen optreden van een reactiviteitsexcursie als gevolg van de breuk van een hoofdkoelmiddelleiding. Gedurende dit gehele proces is de Tweede Kamer hierover geïnformeerd (zie de Kamerstukken 25 422, nr 11 t/m 24, de niet-dossierstukken vrom 020 352, 020 413, 020 705 en Kamervragen met antwoorden nrs. 470, 471, 659, 759)

In de eerste helft van het jaar is er bij de HFR met verhoogde frequentie geïnspecteerd ten koste van de inspecties bij andere installaties en ten koste van andere activiteiten. Een ander gevolg van de gebeurtenissen in Petten is de vertraging van de 10-jaarlijkse evaluatie van de HFR bij de vergunninghouder en daarmee samenhangende aanvraag voor de vergunningsherziening.

In de tweede helft van het jaar is de inspectieplanning bijgesteld waarbij het aantal inspecties van de HFR iets is verminderd om ruimte te scheppen voor meer inspecties bij de andere vergunninghouders/installaties en tevens om voldoende inspectiecapaciteit bij de splijtstofwisselstop van de KCB zeker te stellen.

De geplande inspecties bij de Kerncentrale Borssele zijn alsnog uitgevoerd, inclusief die tijdens de splijtstofwisselstop. Ook de jaarlijkse inspectie bij KCB samen met de Arbeidsinspectie is uitgevoerd. Bij de Hoge Flux Reactor zijn meer inspecties verricht dan gepland en bij de overige installaties, exclusief KCB minder. Hierdoor is er vertraging opgetreden in de Beoordelings / regelgevingwerkzaamheden.

– Controle van alle kerntransporten en nucleaire inrichtingen

De VROM-Inspectie controleert alle transporten van kernafval naar Frankrijk en Engeland en tevens het transport van lege containers voor kernafval dat vanuit die landen naar Nederland plaatsvindt. Met name wordt gecontroleerd op besmetting met radioactieve stoffen van de containers aan de buitenkant en het stralingsniveau rond de containers.Tot nog toe hebben zich slechts twee lichte afwijkingen van de geldende voorschriften voorgedaan. De lichte afwijkingen hebben echter geen risico's voor mens en milieu gegeven en de handhaving is daarom beperkt tot het aanwijzingen geven aan de betrokken bedrijven. De VROM-Inspectie controleert de emissies van en de stralingsniveau's rond de nucleaire inrichtingen. Ook wordt gecontroleerd op niet-nucleaire aspecten. Er hebben zich slechts enkele lichte afwijkingen van de voorschriften voorgedaan. Ook hier hebben de lichte afwijkingen geen risico's voor mens en milieu gegeven en de handhaving is daarom beperkt tot het aanwijzingen geven aan de betrokken bedrijven.

– Controles straling bij ziekenhuizen en schrootbedrijven

Er zijn meer controles (145 in plaats van 100) uitgevoerd bij schrootbedrijven dan gepland om te anticiperen op nieuwe regelgeving die met ingang van 1 januari 2003 van kracht is geworden voor deze bedrijven.

Schrootbedrijven worden geconfronteerd met ladingen schroot die zijn verontreinigd met radioactieve stoffen. Deze bedrijven hebben geen vergunning op basis van de Kernenergiewet en zijn in overtreding als ze dergelijke besmette ladingen voorhanden hebben. De VROM-Inspectie geeft prioriteit aan schrootbedrijven, waarbij de nadruk wordt gelegd op het beëindigen van illegale situaties door middel van het geven van aanwijzingen aan betrokken bedrijven. De Tweede Kamer is hierover in 2002 geïnformeerd over de activiteiten van 2001 van de VROM-Inspectie. De VROM-Inspectie handhaaft de Kernenergiewet (Kew) voor wat betreft de afhandeling van incidentmeldingen. In 2002 zijn er in totaal 321 stralingsincidenten geweest. Ruim meer dan de geraamde 200 gevallen. De meldingen betreffen het in de regel ongewild voorhanden hebben van radioactieve stoffen door bedrijven, instellingen, andere overheden of burgers zonder dat deze daar een vergunning voor hebben op grond van de Kew.

De naleving van de vergunningvoorschriften ten aanzien van stralingshygiëne bij ziekenhuizen was onder de maat. Vier van de zeven ziekenhuizen bleken in overtreding. Er is zowel bestuurs- als strafrechtelijk opgetreden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 13. HandhavingRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen88 34374 10014 243
Uitgaven88 38977 09411 295
Programma   
Onverdeeld programma:38 08524 41213 673
Servicepunten milieuhandhaving4 0503 176874
Bijdrage RIVM7 4037 065338
Overige instrumenten26 62613 80812 818
Onderzoek0250– 250
Communicatie-instrumenten6113– 107
    
Apparaat50 30452 682– 2 378
Ontvangsten2 0678821 185

Per saldo wordt de VI begroting ten opzichte van de oorspronkelijke begroting met € 11 296 mln. overschreden. De additionele middelen zijn voor het merendeel reeds door middel van de suppletore wetten verkregen en zijn besteed aan personele uitgaven.

In het boekjaar bedroegen de uitgaven in verband met de totstandkoming van de VROM Inspectie in totaal € 10 229. De geraamde reorganisatiekosten hadden betrekking op zowel programma als apparaatskosten. Bij het opstellen van de begroting zijn deze kosten destijds geheel als apparaatskosten aangemerkt. De realisatie van deze uitgaven is ondergebracht bij de Programma kosten (Overige instrumenten IG) hetgeen voor het merendeel het verschil verklaart tussen de apparaat – en programma uitgaven.

Artikel 14 Huisvesting Hoge Colleges van Staat, Algemene Zaken en Koninklijk Huis

Algemene doelstelling

Het Ministerie van VROM draagt zorg voor het adequaat huisvesten van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken. Deze huisvesting gaat middels de inputfinanciering.

Operationele doelstelling

In 2001 is gestart met een onderzoek om vast te stellen in hoeverre het huur-verhuurmodel van het rijkshuisvestingsstelsel ook van toepassing kan worden gemaakt op de Hoge Colleges van Staat (HCvS) en het ministerie van Algemene Zaken (AZ). Door een extern bureau is een inventarisatie van de gebouwgerelateerde gegevens uitgevoerd. Op basis van nader onderzoek zullen concrete voorstellen met HCvS, AZ en het minsterie van Financiën worden besproken. Daarna zal worden bepaald of de HCvS en AZ naar het huur-verhuurmodel zullen overgaan. Deze eventuele overgang zal op een passend moment plaatsvinden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 14. Huisvesting Hoge Colleges van Staat, Algemene Zaken en Koninklijk HuisRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen39 65847 504– 7 846
Uitgaven39 65847 504– 7 846
Programma39 65847 504– 7 846
Huisvesting HCvS en AZ27 91335 044– 7 131
Onderhoud4 46710 126– 5 659
Investeringen20 84320 348495
Huren1 0093 126– 2 117
Asbestsanering1 5941 444150
    
Huisvesting koninklijk Huis11 74512 460– 715
Paleizen6 5677 039– 472
Functionele kosten5 1785 421– 243
    
Ontvangsten2 48102 481

Toelichting

Binnen het artikel is sprake van een onderschrijding van circa 16%. Deze onderschrijding doet zich voor op nagenoeg alle artikelonderdelen en wordt veroorzaakt door een te lage bevoorschotting door VROM aan de Rijksgebouwendienst. In de agentschapsparagraaf worden de werkelijke baten en lasten toegelicht. In het jaar 2003 zullen de voorschotten worden verrekend.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel 15. Algemeen

Op dit artikel staan alle uitgaven die niet aan een beleidsartikel zijn toe te rekenen. Het betreft hier zowel programma uitgaven als uitgaven voor het apparaat.

De apparaatsuitgaven omvatten de verplichtingen en uitgaven van het ambtelijk personeel, overige personele uitgaven, materieel en automatisering en postactieven. Het ambtelijk personeel betreft de algemene leiding van het departement en de beleids- en ondersteunende diensten. De overige personele uitgaven betreffen de inzet van externen en uitzendkrachten. De materiële en automatiseringsuitgaven hebben betrekking op de uitgaven voor beheer, exploitatie, huisvesting en investeringen om de voorzieningen van VROM op minimaal het huidige niveau te houden en daar waar mogelijk te verbeteren.

15.1. Algemeen

15.2. Programma

15.2.1. Stichting Advisering Bestuursrechtspraak

Naar aanleiding van de evaluatie in 2001 naar de werking van de StAB, heeft in 2002 een interne en externe trendanalyse plaatsgevonden. Bij de interne analyse is gebleken dat de doelmatigheid die de afgelopen 5 jaar ongeveer gelijk is gebleven, kan worden vergroot. In het beleidsplan 2002–2007 van de StAB wordt aangegeven dat vanaf 1 juli 2002 de StAB moet voldoen aan de drie maanden termijn voor de afhandeling van zaken. Naar aanleiding van de externe analyse van de evaluatie zijn de subsidie en de toezichtrelatie met VROM onderzocht en gekeken naar opties om deze relaties mogelijk te wijzigen. Er wordt bezien of de StAB in 2003 verder verzelfstandigd kan worden.

15.2.2. Voorlichtingsprogramma

In 2002 heeft VROM een nieuwe huisstijl ontwikkeld. Inmiddels is deze huisstijl geïmplementeerd in alle interne en externe uitingen van voorlichting en communicatie.

Verder zijn in het kader van de communicatiestrategie in 2002 vier thema's geïntroduceerd:

– De mens, zijn woning en zijn woonomgeving

– Duurzaam ondernemen

– Kwaliteit van de stad

– Nederland schept ruimte.

Deze thema's bestrijken de beleidsvelden van VROM en moeten leiden tot een betere organisatie van de communicatie. De thema's zijn – indien noodzakelijk – op de desbetreffende artikelen toegelicht.

Voor 2002 waren verder de volgende communicatiedoelstellingen geformuleerd:

– Toelichten van het VROM-beleid.

– Verbeteren van de interne en corporate communicatie

– Versterken van de positie van VROM in functionele netwerken.

In 2002 is de ontwikkeling van de corporate communicatiestrategie en de daarmee samenhangende herpositionering van VROM conceptueel afgerond. Tevens is de implementatie grotendeels afgerond. Als gevolg hiervan heeft VROM een nieuwe huisstijl ingevoerd; nieuwe, integrale communicatieconcepten toepast voor digitale en traditionele communicatie en de arbeidsmarktcommunicatie is vernieuwd waarbij het concept aansluit op de rijksbrede campagne «Werken bij het rijk». De inzet op interne communicatie is vergroot, wat sterk samenhangt met de bij VROM reeds gestarte efficiency-operatie en de taakstelling van het kabinet Balkenende.

Toelichting van de mutaties op de voorlichtingsartikelenVBTB heeft in 2002 haar introductie gemaakt, wat de nodige consequenties met zich mee heeft gebracht. Vooraf is een raming verstrekt van de verdeling van het voorlichtingsbudget over de diverse VBTB-artikelen. De specifieke voorlichtingsactiviteiten op het beleid zijn gedurende 2002 op de daarvoor aangewezen instrumenten verantwoord.

15.2.3. Loket Bouwen en Wonen

Het Loket Bouwen en Wonen stimuleert de totstandkoming van geïntegreerde dienstverlening op het domein van Bouwen en Wonen, gebruik makend van de mogelijkheden die ICT biedt. Hiervoor zijn bij gemeenten en woningcorporaties veldprojecten gestart die in 2002 zijn afgerond. De ervaringen en de opgedane kennis zijn breed verspreid onder gemeenten en woningcorporaties. Aan de lokale voorbeeldprojecten zijn concrete projectresultaten afgesproken. In 2002 is circa € 1,4 mln gerealiseerd op dit onderdeel waarvan de helft met NAP-subsidies van het ministerie van Economische Zaken.

De voortgang bij de lokale voorbeeldprojecten wordt jaarlijks gemeten. Er heeft een eindevaluatie in 2002 plaatsgevonden van het gehanteerde dienstverleningsconcept, inclusief maatschappelijke toets, en de effectiviteit van de gehanteerde werkwijze. De resultaten hiervan zullen in 2003 verder worden uitgewerkt.

Het project is voortgezet met veldprojecten. De voorlopige bijdrage van het ministerie van Economische Zaken is verantwoord op het onderdeel ontvangsten. In 2003 zal de definitieve bijdrage worden bepaald.

15.2.4. Vastgoed- en planinformatieRAVI

Het ministerie van VROM is sinds het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst (1990) verantwoordelijk voor de coördinatie van de Geo-informatievoorziening (GI). Met een impuls van het interdepartementale programma Stroomlijning Basisgegevens, dat per 1 januari 2003 afloopt, wordt onder meer gewerkt aan een stelsel van authentieke basisregistraties over natuurlijke personen, bedrijven, adressen, gebouwen, percelen en kaarten. VROM is verantwoordelijk voor de 4 laatstgenoemde basisregistraties. Momenteel gaat alle aandacht uit naar de registraties voor adressen en gebouwen. De voorbereidingen voor adressen zijn inmiddels afgerond. Voor gebouwen loopt inmiddels een fase van proefnemingen in de praktijk. Op basis van de resultaten zal een kabinetsbesluit tot invoering van de basisregistratie voor gebouwen worden voorbereid. Bij eventuele invoering zullen de adressen daaraan worden gekoppeld.

De introductie van het geografisch kernbestand als basisregistratie speelt op langere termijn (2006).

In 2002 is het volgende bereikt:

– de staatssecretaris heeft de Tweede Kamer bij brief van 3 juli 2002 uitgebreid geïnformeerd over de voortgang van het Geo-informatiebeleid; er is door hem een vervolgaanpak voor de authentieke basis gebouwen registratie (BGR) vastgesteld wat inhoudt dat een ontwerp van zo'n registratie in 2003 in een aantal praktijksituaties zal worden beproefd; in 2002 zijn die proefnemingen voorbereid en is de projectfinanciering rondgekomen;

– het ontwerp van een Basis Adressen Registratie is beproefd en uitontwikkeld, zodat tot voorbereiding van wetgeving en de invoering (gekoppeld aan de BGR) kan worden overgegaan;

– de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen is door de Tweede Kamer aanvaard en momenteel in behandeling bij de Eerste Kamer; de wijze waarop deze raamwet moet worden uitgewerkt is in een aantal praktijksituaties uitgetest;

– er heeft coördinatie en afstemming plaatsgevonden in samenwerking met de Ravi over de totstandkoming van het programmaplan Ruimte voor Geo-informatie, dat in het kader van ICES/KIS3 wordt voorbereid.

Puberr

Het wetsontwerp heeft in 2002, na instemming van de Tweede Kamer, bij de Eerste Kamer vragen opgeroepen die nog beantwoord moeten worden. Dat vraagt meer tijd door andere prioriteiten in de sfeer van wetgeving. Daardoor is in 2002 ook de AmvB niet gepubliceerd. Het wetgevingstraject zal naar verwachting begin 2003 kunnen worden afgerond.

Voor de op te stellen AMvB is in 2002 wel enig voorwerk gedaan. Om de inventarisatie van beperkingenbesluiten van zowel gemeenten, provincies, waterschappen als het rijk compleet te krijgen moet nog het nodige werk worden verzet. Het komend jaar zal worden benut om de AMvB – in overleg met de VNG – in die zin verder uit te werken. Dat vraagt nog het nodige overleg, dat vooral betrekking zal hebben op de beperkingen die van rijkswege zullen moeten worden geregistreerd.

In het belang van de voortgang wordt een projectplan met tijdpad opgesteld. Onderdeel daarvan zal de opstelling van een communicatieplan zijn voor het invoeringstraject.

Verbeteren inzicht in planinformatie

De accenten voor 2002 lagen op «weten» en «willen». Voor wat betreft «weten» is door DG Ruimte en haar partners in DURP veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van een aantal tools (IMRO gecodeerde bestemmingsplankaart, Op digitale leest, Handreiking voor gemeenten) en voorbeeldprojecten, met name gemeenten en provincies die ruimtelijke plannen digitaal maken en digitaal uitwisselen voor bepaalde werkprocessen. De resultaten hiervan zijn breed beschikbaar gesteld op het DURP-congres (29 mei 2002) dat door meer dan 650 mensen is bezocht. Daarnaast wordt internet actueel gehouden en zijn diverse workshops over diverse onderwerpen georganiseerd. Hieraan is niet alleen door DG Ruimte een bijdrage geleverd, maar ook door provincies en gemeenten. Ook hier was de belangstelling steeds groot. Uit peilingen blijkt dat het merendeel van de gemeenten en provincies weet van het fenomeen digitaal uitwisselbare plannen en ook voornemens is er mee te starten.

De invoering is echter weerbarstiger. Uit een meting, begin 2002, is gebleken dat 40% van de gemeenten een of meer digitaal uitwisselbare plannen heeft. Kleine gemeenten geven echter aan grote problemen te zien op het gebied van kennis, techniek en financiën.

Provincies en rijksoverheden zijn tot op heden minder enthousiast aan de slag gegaan. Buiten enkele pilotprojecten waarbij gemeenten gestimuleerd worden om bestemmingsplannen te gaan vervaardigen hebben provincies en rijksoverheden nog niet aangegeven dat ze in de toekomst digitale plannen willen ontvangen. Ook hebben ze de ambitie nog niet uitgesproken dat streekplannen en PKB-kaarten digitaal zullen worden uitgewisseld. Het «willen» bij provincies en rijksoverheden is daarmee niet gerealiseerd.

Vrijwel alle aangegeven acties en activiteiten zijn of opgestart of uitgevoerd.

Ervaring leert dat eerder geformuleerde activiteiten onvoldoende zijn om de gestelde doelen te bereiken. Stimulering van alleen het fenomeen digitaal uitwisselbare ruimtelijke plannen is onvoldoende. Er zal een duidelijke meerwaarde voor alle partijen moeten zijn om hiermee aan de slag te gaan. Hiervoor is vanuit VROM meer sturing nodig.

Uiteindelijk zal ook een aantal zaken rondom ruimtelijke plannen (digitaal, standaarden) in de WRO/BRO moeten worden geregeld.

15.3. Apparaat

15.3.1. Departementsleiding, control, expertdiensten en staf

De stafdirecties doen voorstellen aan de departements- en dienstleiding met betrekking tot de doelstellingen van VROM, de wijze waarop deze worden gerealiseerd en de interne organisatie. Voorts beogen zij de leiding voldoende zekerheid te verschaffen dat de overeengekomen doelstellingen binnen de gestelde voorwaarden worden gerealiseerd en de belangrijkste risico's worden beheerst.

Expertdirecties leveren gespecialiseerde producten en diensten aan de VROM-beleidsonderdelen op een kwalitatief en vakinhoudelijk hoogwaardig niveau. Het betreft hier vooral juridische expertise, voorlichting en interimmanagement. De expertdirecties zijn uit het oogpunt van doelmatigheid of in verband met specifieke kwaliteitseisen centraal binnen de VROM-organisatie geplaatst.

De gemeenschappelijke facilitaire eenheden leveren voor geheel VROM gestandaardiseerde producten en diensten. Deze zijn direct of indirect ondersteunend voor de bedrijfsonderdelen die primaire producten voortbrengen.

Wetgeving

Prioriteiten bij het wetgevingsprogramma waren:

– De implementatie van EG-richtlijnen

– Wetgevingsprojecten voortvloeiend uit het regeerakkoord

– Toezeggingen aan de Staten-Generaal

– Ondersteuning bij initiatiefwetsvoorstellen.

De resterende centrale wetgevingscapaciteit werd ingezet voor de overige VROM-prioriteiten. De belangrijkste in voorbereiding zijnde wetsvoorstellen zijn toegelicht bij de artikelen.

Tabel 15.1. Juridische kwaliteit wetgevingsproducten

 Huidige waardeDoel/normRealisatie
Wetgeving met dictum 1, 2 en 3 van Raad van State80%85 à 90%83%
Implementatietermijn EU-regelgeving niet overschreden40%60%37%
Aantal gegronde beroepszaken afgezet t.o.v. aantal behandelde zaken15%15%22%

Wetgeving met dictum 1, 2 en 3 van Raad van State

Een wetgevingsproduct wordt «goed» beoordeeld wanneer de Raad van State daaraan het dictum 1, 2 of 3 toekent. Het oordeel van de Raad van State omvat zowel de technisch-juridische als de beleidsmatige aspecten van de wetgevingsproducten. In het overzicht wordt vooralsnog geen onderscheid gemaakt tussen de drie dicta.

In 2002 zijn 52 adviezen ontvangen van de Raad van State. Van deze adviezen hadden 43 het dictum 1 of 2 of 3. Daarmee komt het gerealiseerde percentage op 83.

Implementatie van EG-richtlijnen

Dit kengetal ziet toe op de tijdige implementatie van EG-richtlijnen. Voor de registratie van dit kengetal wordt uitgegaan van de datum waarop de richtlijn moet zijn geïmplementeerd. In geval van een overschrijding van de implementatietermijn gaat het om meest geringe termijnoverschrijding.

De voorraad te implementeren richtlijnen bedroeg in 2002 dertig stuks. Een zevental daarvan betreft richtlijnen waarvan de termijn al voor 1 januari 2002 was verstreken, terwijl van tien richtlijnen de termijn pas na 31 december 2002 verstrijkt. Geconstateerd kan worden dat de beoogde verdere verbetering van de tijdigheid van de implementatie van Europese richtlijnen niet werd bereikt. Werkdruk moet als een van de oorzaken worden aangemerkt. Daar komt bij, dat het opnemen van een uitvoerbare implementatietermijn in de Europese richtlijnen een moeilijk te verwezenlijken punt blijft. Dat alles is aanleiding om binnen het ministerie de afspraken die bestaan rond het tijdig en juist implementeren aan te scherpen, via het Internationale VROM-Overleg onder de aandacht te brengen en er vervolgens nog strakker dan voorheen op toe te zien dat die ook werkelijk worden nagekomen.

Beroepszaken

Het kengetal geeft inzicht in het verloop van de procedures en brengt tot uitdrukking of een procedure wordt gewonnen (ongegrond beroep tegen besluit) of verloren (gegrond beroep).

In 2003 zijn door de afdeling 1 382 beroepsprocedures in behandeling genomen. Een stijging van ruim 33%. Die toename is mede veroorzaakt door de opschoning van oude werkvoorraden op het terrein van de huursubsidie. Vooral de verloren procedures op het terrein van de prestatienormering hebben een negatief effect gehad op het percentage gewonnen procedures.

15.3.2 Gemeenschappelijke voorzieningen

ICT-strategie

VROM wil de informatie- en communicatietechnologie aan de steeds hogere eisen van de moderne netwerksamenleving laten voldoen. Dit heeft tot nu geresulteerd in het vaststellen van een ICT-werkprogramma door vernieuwing en beheersing van de ICT voor de beleids- en bedrijfsvoeringprocessen te optimaliseren.Om dit allemaal te bereiken is begin 2002 een aanvang gemaakt met een herziening van de totale ICT-infrastructuur. Dit houdt onder meer in de verplaatsing van functies van de werkplek naar de server en de uitbreiding van het aantal servers en de communicatiestructuren. In het verlengde hiervan zal het aantal applicaties worden verminderd. Teneinde deze actie (die doorloopt tot ultimo 2003) te bekostigen is (1e suppletore begroting) in 2002 circa € 14 mln toegevoegd aan het oorspronkelijk beschikbare budget zoals opgenomen in de ontwerpbegroting.

Wat betreft de automatiseringsuitgaven in algemene zin, kan het volgende worden opgemerkt.

Tabel 15.2. Automatiseringsuitgaven (ICT-dienst) per fte

 Realisatie 2000Realisatie 2001Ontwerp-begroting 2002Realisatie 2002
Raming in € 1mln20,231,720,034,9
Aantal fte3 8773 8983 9924 073
Uitgaven per fte5 2198 1325 0058 568

Het kengetal geeft weer welke uitgaven per fte voor VROM worden gedaan ten behoeve van ICT via de gemeenschappelijke ICT-dienst. Het betreft het totaal beschikbare budget.

VROM is in 2001 gestart met het programma «De ICT-sprong». Doel van dit programma is om met behulp van ICT te kunnen voldoen aan de eisen die de moderne informatiemaatschappij stelt aan een overheidsorganisatie. Dit heeft in 2002 geleid tot een visie op de informatievoorziening voor VROM.

De volgende producten zijn in 2002 gerealiseerd:

– Vraaggestuurde elektronische dienstverlening binnen en buiten VROM van het VROM assortiment.

– Herijking van de ICT-strategie, werkprogramma ICT en de bedrijfsvoering.

– Aanpassing van het meerjarenperspectief aan de ICT-strategie

– Inbedding VROM-intranet en aansluiting op RYX

– Verbetering infrastructuur

– Sanering van de applicatieportfolio

– Verbetering organisatie en sturing

Huisvesting(strategie)

De huisvestingsstrategie binnen VROM is erop gericht om het maximale (voordeel) te halen uit het beheer, onderhoud en inrichting van gebouwen.

Wat betreft de huisvestingsuitgaven in algemene zin kan het volgende worden opgemerkt.

Tabel 15.3. Huisvestingsuitgaven per fte ambtelijk personeel

 Realisatie 1999Realisatie 2000Realisatie 2001Ontwerpbegroting 2002Realisatie 2002
Raming in €1mln32,337,538,534,933,4
Aantal fte3 9373 8773 8983 9924 073
Uitgaven per fte (in €1)8 1959 6799 8778 7508 200

De huisvestingsuitgaven zijn te verdelen in huren, technisch beheer van gebouwen en installaties, en overige huisvestingskosten. Onder overige huisvestingskosten wordt verstaan energiekosten, schoonmaak en klein onderhoud. Het prestatiegegeven geeft weer welke kosten voor het gehele ministerie per fte verbonden zijn aan huisvesting.

De in het jaarplan 2002 aangekondigde strategie is uitgangspunt geweest voor concrete beleidsvoorstellen aan de Bestuursraad van VROM. Vanwege vele reorganisatieprocessen die zich gedurende het jaar hebben voorgedaan, hetgeen grootschalige interne verhuisbewegingen veroorzaakte, is de uitvoering van de strategie gevorderd tot het verder uitwerken en bepalen van de uitgangspunten.

Projecthuisvesting is sedert juli 2002 in de hoofdzetel van VROM gedeeltelijk gerealiseerd. In de loop van 2002 wordt de standaardinrichting voor flexibele huisvesting bij VROM bepaald, zowel wat betreft de samenstelling van het meubilair, alsook voor de beschikbaar te stellen ICT-middelen. Afhankelijk van de vanaf 2004 beschikbare middelen zal de centrale huisvesting vanaf dat jaar, gedurende meerdere jaren, volgens die standaard worden ingericht en gebruikt.

Interne Milieuzorg VROM

In 2002 heeft VROM het project «Certificering milieuzorgsysteem VROM» afgerond. Het milieuzorgsysteem volgens de ISO14 001-norm voor de facilitaire processen is gecontinueerd waarbij activiteiten zijn ontplooid om het certificaat te handhaven. Zo wordt milieuzorg onder andere meegenomen bij het inkoopbeleid van VROM. Het milieuzorgsysteem is vereenvoudigd wat betreft de handboeken en de wijze van rapporteren. In 2002 is besloten om de primaire processen niet in het milieuzorgsysteem te betrekken omdat het niet opportuun was over te gaan tot certificering van de beleidsprocessen vanwege de vele organisatorische veranderingen die in 2002 bij VROM in gang zijn gezet. Prioriteit is daarom gegeven aan het behoud van het ISO 14 001-certificaat voor de facilitaire processen bij VROM.

Energiebesparing binnen VROM (Verbeterd Energie Prestatieprogramma)

VROM gaat uit van een totale besparing van 5% tot en met 2006 ten opzichte van het verbruik over het jaar 2000. Hoewel het niet als zodanig in de begroting van 2002 wordt vermeld, was de doelstelling voor het jaar 2002 een besparing van 1% ten opzichte van het jaar 2000. Het resultaat was circa 2% terwijl het daarnaast is gelukt het gebruik van groene energie bij VROM verder uit te breiden tot circa 86% van de gebouwen die bij VROM in gebruik zijn.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in EUR1000

Artikel 15 AlgemeenRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
  200220022002
Verplichtingen221 982156 47165 511
Uitgaven212 565158 88853 678
     
Programma12 98911 8021 187
Advisering Bestuursrechtspraak4 6034 630– 27
Stichting Advisering Bestuursrechtspraak4 6034 630– 27
     
VROM-brede voorlichting6 3333 7902 543
Communicatieinstrumenten6 3333 7902 543
     
Beleidsontwikkeling   
Ontwerp en beeldontwikkeling94084
     
Vastgoedinformatievoorziening972740232
     
Onverdeeld programma9872 642– 1 655
     
Apparaatsuitgaven:199 576147 08552 491
     
 Departementsleiding, control, expertdiensten en overige staf96 54170 26326 278
 Gemeenschappelijke voorzieningen97 91667 76630 150
 Postactieven6 1199 056– 2 937
     
Ontvangsten37 76318 65419 109

Artikel 16 Nominaal en onvoorzien

Budgettaire gevolgen

Bedragen in EUR1000

Artikel 16 Nominaal en OnvoorzienRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
1. Verplichtingen0– 7 2577 257
2. Uitgaven0– 7 2577 257
• Loonbijstelling (c)000
• Prijsbijstelling (c)000
• Onvoorzien (c)01 818– 1 818
• Nader te verdelen0– 9 0759 075

MEDEDELING OVER DE BEDRIJFSVOERING

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Jaar 2002

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verklaart hierbij als volgt.

In het verslagjaar is, uitgaande van ondermeer de Baseline financieel en materieel beheer, op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het financieel beheer, het materieel beheer en de daartoe bijgehouden administraties bij het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Een en ander heeft in het verslagjaar geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen, met dien verstande dat een belangrijke tekortkoming (huursubsidie) en een aantal punten van aandacht naar voren zijn gekomen ten aanzien waarvan de volgende verbeteracties zijn (worden) gestart.

1. Vertraging uitbetaling huursubsidie en invoering EOS

Door de minister is een AD onderzoek ingesteld naar de gang van zaken rond de invoering van EOS (nieuwe uitvoeringssystematiek huursubsidie) in relatie tot de geconstateerde onvolledigheid van gegevens bij een aantal eerste aanvragers en continuanten. Uit de rapportage van de AD blijkt dat de implementatie van de laatste fase van EOS gebrekkig is verlopen. Dit heeft geleid tot de noodzaak 140 000 eerste aanvragers en 42000 continuanten waarbij aanvullende informatie was opgevraagd, maar niet verkregen, voorlopig te bevoorschotten. In de notitie «Uitweg» en een brief aan de Tweede Kamer (d.d. 8 8 november 2002, 28 646, nr. 22) n.a.v het AD-rapport is een 90-tal korte en lange termijn maatregelen aangekondigd die door de AD met aanvullingen als adequaat zijn beoordeeld. Behalve op het wegwerken van de achterstanden zijn deze maatregelen ook gericht op het verbeteren van de telefonische bereikbaarheid, en het wegwerken van achterstanden in de correspondentie w.o bezwaarschriften. De voortgang van de verschillende maatregelen, die zijn uitgewerkt in een geïntegreerd plan van aanpak wordt nauwlettend gemonitord door IBS. Daarnaast vindt verscherpt toezicht op de voortgang plaats door een controlgroep waarin AD en DFEZ zitting hebben. Een eerste voortgangsrapportage is op 3 februari 2003 aan de Tweede Kamer gezonden. In deze rapportage wordt geconcludeerd dat de korte termijnproblematiek – behoudens nog niet afgeronde acties in het kader van de correspondentie en de bezwaarschriften – is opgelost. Wat betreft de lange termijn acties uit het plan van aanpak dienen nog de nodige stappen te worden gezet. Over het verloop daarvan zal de Tweede Kamer in 2003 door middel van voortgangsrapportages worden geïnformeerd. Mede dankzij het toezicht op de te plegen acties door de hiervoor genoemde controlgroep, heeft de minister er vertrouwen in dat tijdig invulling zal worden gegeven aan alle vereiste maatregelen voor een goed verloop van uitvoering bij de start van het volgende subsidiejaar.

Verder is als gevolg van een incidentele oorzaak een tekort bij de huursubsidie geconstateerd. Een belangrijke oorzaak hiervan is de implementatie van EOS, naast een groter aantal aanvragen dan geraamd. Het gaat om een eenmalige overschrijding als gevolg van het feit dat na implementatie van EOS voorgaand aan de maand wordt betaald, het effect daarvan was ten onrechte niet verwerkt in de ramingen en streefcijfers.

Mede door verzwakte aandacht bij de behandeling als gevolg van de problemen in juni en juli en de daarop volgende noodmaatregelen, en tekortkomingen in de geautomatiseerde controles zijn door de Accountantsdienst financiële fouten geconstateerd.

2. Financieel Beheer Bodemsanering

Bij het toekennen van bijdragen voor de meerjarenprogramma's bodemsanering is de rechtmatigheid in het geding gekomen doordat:

de door de budgethouders te verrichten prestaties onvoldoende meetbaar waren;

het toetsingsproces op de ingediende aanvragen onvoldoende beheersmaatregelen kende;

in de beschikkingen reserveringen waren opgenomen voor de volgende budgetperiode.

Hiervan is melding gemaakt in een separate brief aan de Tweede Kamer d.d. 31 oktober en in de tweede suppletore begroting. Er is een plan van aanpak opgesteld met daarin de activiteiten waarmee de rechtmatigheid voor de 2002 is hersteld en deze in de toekomst wordt gewaarborgd. Het gaat daarbij o.a. om het concretiseren van in de meerjarenprogramma's opgenomen prestaties en aanpassing van de regelgeving. Er zal monitoring plaatsvinden op uitvoering van het plan van aanpak.

3. Financieel en materieel beheer VROM

Enkele grote reorganisaties binnen VROM en de gevolgen daarvan op werkprocessen hebben gezorgd dat in 2002 het financieel en materieel, waaronder het onderhoud van de AO en het beheer van autorisaties en systeemwijzigingen, bij enkele diensten van VROM onder druk heeft gestaan. Door het treffen van maatregelen bij deze diensten (o.a. extra inzet personeel, opstellen verbeterplannen en verbeterde controles) alsmede een nadrukkelijke monitoring door het Audit Committee van de verbetermaatregelen zijn de problemen tot beheersbare proporties teruggebracht.

4. Financieel en materieel beheer VROM Inspectie

Bij de VROM-inspectie is nog niet in alle gevallen sprake geweest van beheerste processen. Dit kan grotendeels toegeschreven worden aan het feit dat de VROM-inspectie nog een jonge organisatie is, die 1 januari 2002 gestart is. In de eerste helft van het jaar was sprake van kwantitatieve en kwalitatieve onderbezetting in de bedrijfsvoering. Ook was geen adequaat geautomatiseerd financieel informatiesysteem beschikbaar. Onder andere daardoor ontstonden achterstanden met name op het gebied van betalingen. Een tweede gevolg van de startproblematiek was, zo bleek recent, dat de openingsbalans niet overeenkwam met de eindbalans en dat de administraties van destijds daarvoor niet op orde waren gebracht.

Getroffen maatregelen:

• met medewerking van de zgn. donordiensten zijn de administratieve gegevens voor 2002 alsnog getraceerd en geverifieerd;

• een meer adequaat ingericht geautomatiseerd systeem voor de verwerking van financiële gegevens is de tweede helft van 2002 gereed gekomen;

• het betalingen- en verplichtingenproces is conform de comptabele regelgeving ingericht en ingeregeld;

• met het oog op de achterstanden is extra capaciteit extern ingehuurd, waarmee de achterstanden zijn weggewerkt.

5. Aanpassing Administratieve Organisatie RGD

De bouw van de nieuwe Administratieve Organisatie in het kader van de reorganisatie van de Rijksgebouwendienst is aangegrepen om het integriteitsbeleid en het aanbestedingsbeleid nader tegen het licht te houden. De openbare verhoren van de parlementaire enquêtecommissie Bouwnijverheid zijn mede aanleiding geweest diverse acties met betrekking tot de integriteit op te zetten en procedures met betrekking tot nevenfuncties aan te scherpen.

De Administratieve Organisatie rond de toepassing van aanbestedingsregels is aangescherpt en wordt thans met voorrang ingevoerd in de organisatie. Ook wordt onderzoek verricht naar de werking in de praktijk van al deze regels en procedures rond het aanbestedingsproces.

BEDRIJFSVOERINGSPRIORITEITEN

De bedrijfvoeringsprioriteiten geven inzicht in de ontwikkelingen op het gebied van de bedrijfsvoering die of cruciaal zijn voor het realiseren van de beleidsdoelstellingen van VROM of zeer risicovol zijn. Hierna volgt de verantwoording over de ontwikkelingen die genoemd zijn in de VROM begroting 2002.

1. Vorming (project)directie inzake coördinatie externe veiligheid

In 2002 zijn in het kader van de coördinatiefunctie van VROM op het gebied van externe veiligheid door de (project)directie de eerste stappen gezet onder andere door middel van het instellen van een interdepartementaal directeurenoverleg externe veiligheid en een dg-overleg tussen de departementen V&W, SZW, EZ, BZK en VROM. Daarnaast wordt bij een aantal projecten intensief interdepartementaal samengewerkt, zoals bij ketenstudies voor LPG, ammoniak en chloor. Ook is aan de Tweede Kamer de voortgang van het externe veiligheidsbeleid gemeld bij brief van 4 april, 16 juli en 7 november 2002.

2. Integratie met betrekking tot gebiedsgericht beleid

Per 1 februari 2002 is de programmastructuur Gebiedsgericht Beleid operationeel geworden. Deze programmastructuur behelst een Stuurgroep Gebiedsgericht Beleid bestaande uit drie directeuren van de regionaal gerichte directies van de verschillende beleidsdiensten onder voorzitterschap van de pDG-Ruimte. In deze stuurgroep is een start gemaakt met integrale gebiedsgerichte beleidsafstemming en een gecoördineerde inzet van rijksmiddelen om het VROM-beleid tot uitvoering te laten komen. In dit kader heeft de stuurgroep in 2002 een werkwijze ontworpen en ingesteld waarbij de uitvoering van het VROM-beleid integraal wordt versterkt. Er zijn twee belangrijke elementen in deze werkwijze:

Uitvoeringsagenda's: ter versterking van de uitvoering van het VROM-beleid worden selectief en strategisch regionale prioriteiten gesteld die in de uitvoeringsagenda's worden vastgelegd.

Regioteams: ter verbetering van de toegankelijkheid voor en communicatie naar andere overheden zijn regioteams ingesteld. Deze regioteams worden gevormd door de VROM-accounts van de verschillende diensten in deze regio. In deze teams vinden afstemming en kennisuitwisseling plaats, worden de uitvoeringsagenda's bijgehouden en verbeterd en wordt het overleg met de betreffende regio gecoördineerd. Daartoe vindt ook overleg met de inspecties plaats.

3. Koppelingsarrangement

Met de oprichting van de VROM-Inspectie op 1 januari 2002 is invulling gegeven aan de integratie van de handhavingstaken van VROM en aan de scheiding tussen beleid en handhaving. Alle beleidsgerelateerde taken van de voormalige inspectie-onderdelen zijn met ingang van die datum overgedragen aan de beleidsverantwoordelijke directoraten-generaal. Hierbij gaat het om taken die betrekking hebben op de doorwerking en uitvoering van nationaal beleid op regionaal niveau. In aanvulling op deze overdracht van taken zijn afspraken gemaakt met de VROM-Inspectie over de betrokkenheid bij en afstemming met het VROM-brede Programma Gebiedsgericht Beleid.

4. Cultuurverandering

Bij VROM is een cultuurtraject ingezet, waarbij alle VROM'mers zijn betrokken. De voorgenomen activiteiten zijn uitgevoerd.

Ten eerste is een gespreksronde gehouden langs de cultuurtrekkers van VROM.

Ten tweede zijn gesprekken gevoerd over de cultuur met medewerkers, waarbij de uitkomsten van de Starters en de in de diensten vergaarde inzichten zijn betrokken.

Ten derde is in de bestuursraad gesproken over cultuurkenmerken, resulterend in een keuze en afspraken over de doorvertaling naar de werkvloer en monitoring.

Op basis hiervan zijn voor de diverse VROM-onderdelen specifieke vervolgactiviteiten benoemd. Bij de Rgd hebben ze een expliciete rol vervuld binnen het kantelingsproces, resulterend in de formulering van een tiental kernwaarden. Deze kernwaarden dienen leidend te zijn in het dagelijks handelen en met behulp van simulatietrainingen wordt hierop geoefend.

5. Het Ontwikkelingsplan DG Ruimtelijke Ordening

Op 1 augustus is de reorganisatie van de RPD naar het DG Ruimte gerealiseerd, conform planning. De organisatie heeft hiermee bereikt wat was beoogd en heeft gedaan wat was toegezegd. De te ondernemen stappen om te komen tot reorganisatie van de RPD naar het DGR zijn in een implementatieplan beschreven. Dit implementatieplan is gevolgd. De reorganisatie is zowel inhoudelijk als conform planning en regelgeving, afgerond.

De nieuwe organisatie is op een dusdanige wijze ingericht dat het de mogelijkheden biedt om aan de voornemens tot organisatieontwikkeling te voldoen.

De topstructuur is aangepast om hiermee de strategische sturing te verbeteren. Deze topstructuur bestaat uit een Directieraad, die zich richt zich op de strategische sturing van de dienst, daarin ondersteund door een Stafbureau Directieraad. Daaronder ressorteren een vijftal directeuren. Zij zijn integraal verantwoordelijk zijn voor de eigen directie. De nieuwe organisatie, met een uitbreiding van 45 fte, heeft een groot deel van de vacatures in 2002 vervuld. Hiermee is de kwalitatieve en kwantitatieve versterking op het personele vlak verkregen.

Het opzetten van een competentieontwikkelingsprogramma, beoogd in 2002, heeft enige vertraging opgedaan. Er is ervoor gekozen om de aandacht vooralsnog op de inrichting van de nieuwe organisatie, inclusief de werving van nieuwe medewerkers, te richten, alvorens de verdere competentieontwikkeling vorm te geven.

6. DG Wonen

Per 1 januari 2002 is het Directoraat-generaal Wonen in de nieuwe opzet van start gegaan. Belangrijkste vernieuwingen in de beleidskern waren de oprichting van de directie Stad en Regio en het bundelen van de strategische beleidsontwikkeling en de kennisontwikkeling op strategisch niveau in de directie Strategie.

De directie Stad en Regio bevordert de realisatie en de realiseerbaarheid van de doelstellingen op het gebied van wonen door contacten met de andere overheden, corporaties en marktpartijen. Belangrijke speerpunten in 2002 waren de aanjaagteams voor het opvoeren van de woningproductie, de intentieafspraken over de verstedelijking en de start van het actieprogramma herstructurering. De versterkte samenhang tussen strategische beleidsontwikkeling en kennisontwikkeling kwam tot uitdrukking in het gezamenlijk uitvoeren van verkenningen.

De meer bedrijfsmatige aansturing van de uitvoerende activiteiten is versterkt door de aansturing van het organisatieonderdeel Secretariaat Huurcommissies op te dragen aan de directeur Informatie, Beheer en Subsidieregelingen.

7. VBTB

De begroting 2002 was de eerste VBTB begroting. Ondertussen is de tweede VBTB begroting ook verschenen en dit is het eerste VBTB jaarverslag. Door deze ervaringen is geconstateerd dat voor de verankering van het VBTB-denken en -werken hieraan een extra impuls moet worden gegeven. Daarmee wordt beoogd om beleidsmedewerkers, financiële medewerkers en managers vanuit de bestaande ervaringen opnieuw het VBTB denken en -werken onder de aandacht te brengen. De voorbereidingen hiervoor hebben in 2002 plaatsgevonden en de uitvoering hiervan zal in 2003 plaatsvinden.

In 2002 zijn veranderingen ingezet om de afstemming te optimaliseren tussen de begrotingscyclus en de interne planning&controlcylus. Daarnaast is veel aandacht uitgegaan naar de eerste mededeling bedrijfsvoering waarvan het resultaat in de jaarverslag is opgenomen.

8. ERP

In de begroting werd uitgegaan van de invoering van ERP als middel om te komen tot een betere ondersteuning van de bedrijfsvoering. Eind 2001 is besloten het project ERP stop te zetten. Redenen tot dit besluit waren o.a. de mogelijke invoering van een baten-lastenstelsel per 2006, de verwachting dat de bedrijfsvoering binnen VROM op korte termijn fundamenteel anders georganiseerd zou gaan worden (project ZEUS) en de hoge kosten die gepaard gaan met ERP. Medio 2002 is besloten om het bestaande financieel systeem SBB uit te breiden met een datawarehouseconcept om de informatievoorziening te verbeteren. Dit vormt de basis voor een aantal ontwikkelingen die in 2003 hun beslag moeten gaan krijgen (ondersteuning planning&controlcyclus, uniformering financiële processen).

9. P&O-beleid

De ontwikkelingen sinds de opstelling van de begroting 2002 hebben er toe geleid dat de genoemde ambities zijn getemporiseerd. De 11% taakstelling uit het Strategisch Akkoord, de ambities op rijksniveau om de kwaliteit van de HRM-functie te verbeteren en de vernieuwing van het beloningsstelsel hebben nadrukkelijk gevolgen gehad voor de uitvoering van de realisatie van de P&O ambities 2002.

Organisatieontwikkeling

Het thema organisatieontwikkeling heeft in 2002 meer aandacht gekregen in de advisering en beleidsvorming. In 2002 is de eerste set standaardfuncties afgerond en de tweede set nagenoeg. Bij de reorganisaties wordt inmiddels uitgegaan van deze set standaardfuncties. De eigenschappen en vaardigheden benodigd voor kennismanagement zijn opgenomen in de competentietaal VROM. De flexibilisering van de organisatie is, naast de eigen beleidsontwikkeling en door de invoering van competentiemanagement, ook in interdepartementaal verband opgepakt.

Managementontwikkeling

De deelname van highpotentials aan het MO-programma is gestegen tot 20 deelnemers. Het doorgroeipotentieel is op diverse niveaus in kaart gebracht en krijgt intern prioriteit. Voor personele competenties wordt het MD-competentieprofiel van de ABD toegepast. Professionalisering van P&O-deskundigheid voor de VROM-manager is onder meer belegd via competentiemanagement, coaching, MD-maatwerk en -opleidingen en het deelproject «stijl van leidinggeven».

Personeelsontwikkeling

De aandacht voor de individuele ontwikkeling is geagendeerd via het Programma Competentiemanagement VROM. Het doorlichten van het huidige instrumentarium op competentiemanagement is gestart in 2002 en wordt voortgezet in 2003. Ten aanzien van mobiliteit worden de onderdelen loopbaanpaden, levensfasebeleid en diversiteit in de lopende discussie over employability uitgewerkt. Ook integriteit heeft een nieuwe impuls gekregen mede naar aanleiding van de parlementaire enquete Bouwnijverheid. Vanuit verschillende invalshoeken is en wordt hard gewerkt aan de verankering van integriteit binnen VROM.

Goed werkgeverschap

De populariteit van de rijksoverheid in het algemeen en VROM specifiek is aantoonbaar verbeterd. Het nieuwe stelsel waarderen en belonen (CAO) is toegevoegd aan het bestaande strategisch P&O-beleid. Ten behoeve van omvangrijke organisatieveranderingen is in 2002 de Leidraad Reorganisaties VROM en het algemeen geldend Sociaal Plan geactualiseerd. Hiermee is een stevige basis gelegd voor het te voeren flankerend beleid bij de komende reorganisaties. Ook is per 1–3-2002 is IKAP van start gegaan

10. Invoering euro

Overeenkomstig de planning is begin 2002 de euro bij VROM probleemloos ingevoerd.

Ten aanzien van de Individuele Huursubsidie geldt dat deze, conform het voornemen, tot 1 juli 2002 in guldens is uitgevoerd met alleen de uitvoer (betalingen, vorderingen, beschikkingen e.d.) in euro's. Per 1 juli 2002 is huursubsidiesysteem volledig aan de euro aangepast. Daarmee is de gehele invoering van de euro binnen VROM afgerond.

11. Terugdringen administratieve lasten

Project Herijking regelgeving VROM

Aan het terugdringen van administratieve lasten veroorzaakt door VROM wet- en regelgeving is in het verslagjaar een belangrijke impuls gegeven door de start van het Project Herijking regelgeving VROM. In het kader van dat project zal het gehele wet- en regelgevingsdomein waarvoor VROM verantwoordelijk is aan een kritische toets worden onderworpen. Belangrijke overweging daartoe is de wenselijkheid dat onnodige regels en bureaucratie worden vermeden en teruggedrongen.

De doorlichting van de regelgeving moet er onder meer toe leiden dat de administratieve lasten voor het bedrijfsleven substantieel worden verminderd.

Tijdens het verslagjaar is het project voorbereid. De herijking vindt plaats in een tiental werkgroepen die ieder een cluster van samenhangende wetgevingsdomeinen aan een onderzoek zullen onderwerpen. Voor de begeleiding van het project is in het verslagjaar een klankbordgroep ingesteld, waarin naast deskundigheid op het gebied van administratieve lasten ook materie deskundigen uit het bedrijfsleven vertegenwoordigd zijn.

De resultaten van het project zullen in de loop van 2003 tot politieke keuzen kunnen leiden.

De Tweede Kamer is bij brief van de minister en staatssecretaris van VROM van 23 oktober 2002 (vergaderjaar 2002–2003, 28 600 XI, nr 10) over het project geïnformeerd.

Wetsvoorstel Wet ruimtelijke ordening

Tijdens het verslagjaar is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de administratieve lasten voortvloeiend uit de Wet ruimtelijke ordening. Belangrijkste conclusies daarvan zijn dat de Wro administratieve lasten veroorzaakt, zowel door noodzakelijk kennisname van de wet als door de bezwaar en beroepsprocedures en verzoeken tot ontheffing. Ook het vergunningstelsel zelf veroorzaakt administratieve lasten. Overigens zal door het van kracht worden van het wetsvoorstel Wro ten opzicht van de vigerende wet sprake zijn – aldus het onderzoek – van een afname van administratieve lasten door een meer heldere structuur en afstemming van procedures.

Naar aanleiding van het rapport is opdracht gegeven tot het opstellen van een nulmeting van de geconstateerde administratieve lasten. Deze nulmeting zal mede worden aangegrepen om de toepassingsmogelijkheden van een standaardkostenmodel VROM breed in beeld te brengen. De bedoeling van dit standaardkostenmodel is dat uiteindelijk op basis van gelijkluidende parameters, eenduidig voor een zo breed mogelijk terrein de administratieve lasten op een coherente wijze in beeld kunnen worden gebracht.

Bouwregelgeving en het beleid ten aanzien van het Wonen

Als gevolg van het uitstel van de invoeringsdatum van het Bouwbesluit naar 1 januari 2003 zal de daardoor te verwachten administratieve lastenreductie eerst later optreden. Een verdere gedachtevorming heeft plaatsgevonden naar een mogelijke verdere vereenvoudiging van de bouwregelgeving naar aanleiding van de toekomstvisie van het Overleg Platform Bouw, die inmiddels is verschenen.

In het verslagjaar is opdracht verstrekt tot de uitvoering van een herziene nulmeting van administratieve lasten van de bouwregelgeving. Ook deze nulmeting zal mede met het oog op de ontwikkeling van een standaardkostenmodel plaatsvinden. (zie boven)De Evaluatie van de Wet op het overleg huurders verhuurders heeft geleid tot voorstellen voor aanpassing van de wet die wordt geïntegreerd in de ontwerp Woonwet, dat voor advies bij de Raad van State ligt. De aanpassingen leiden tot een zekere toename van de administratieve lasten als gevolg van een aangescherpte informatieplicht voor verhuurders aan bewoners (deels gecompenseerd door het vervallen van een standaardformulier bij huurverhoging).

ICT en administratieve lasten.

Tijdens het verslagjaar is een interdepartementale samenwerking tot stand gekomen met het bedrijfsleven in het Platform ICT & Administratieve lasten. In de bestuurlijke sfeer is daartoe de Regiecommissie ICT & Administratieve lasten ingesteld. VROM participeert in beide. De Tweede Kamer is over de opzet van het programma ICT & Administratieve lasten 2003–2006 geïnformeerd bij brief van de staatssecretaris van Economische zaken van 14 januari 2003 (vergaderjaar 2002–2003, 24 036, nr 275). Deze doorbraak in de samenwerking zowel tussen departementale programma's als met het bedrijfsleven zal van cruciaal belang blijken ter realisering van daadwerkelijke efficiëntieverbeteringen bij het voldoen aan informatieverplichtingen.

Met de totstandkoming van deze samenwerkingsverbanden wordt bijgedragen aan het opheffen van de grootste belemmeringen voor het gebruik van ICT op dit terrein, zoals dat ook is geconstateerd in het in het verslagjaar verschenen onderzoeksrapport van PriceWaterhouseCoopers «ICT en Wet milieubeheer: veel kansen, niet vrijblijvend».

Voorts kan worden verwacht dat met de stimulatie van ICT-toepassingen bij de handhaving van de bouwregelgeving een besparing van administratieve lasten kan worden bereikt. Als belangrijke eerste stap zijn dit jaar het Bouwbesluit en de Woningwet, inclusief intelligente zoekmachines, op de VROM-site geplaatst. Door de regelgeving op deze wijze toegankelijk te maken, wordt het voor de gebruiker aanzienlijk eenvoudiger om te bepalen aan welke regelgeving eventueel moet worden voldaan. Daarnaast biedt de site de mogelijkheid tot het downloaden van (thans landelijke) formulieren, voortvloeiend uit VROM wet- en regelgeving.

Milieu

Tijdens het verslagjaar zijn enige wetsvoorstellen bekrachtigd die tot aanzienlijke lasten toenamen hebben geleid. In het verslagjaar is uitvoering gegeven aan een aantal onderzoeken en evaluaties van (voornemens tot) wetgeving. Bij brief van 26 maart 2002 is uitvoerig gerapporteerd aan uw Kamer inzake de nota «Met recht verantwoordelijk». Hierin wordt een visie gegeven over de toekomst van de milieuregelgeving en zijn de lijnen voor de toekomstige milieuwetgeving uitgezet. De geldigheid van de Tijdelijke regeling legionellapreventie in leidingwater is vervallen op 15 oktober 2002. In augustus 2002 is een ontwerp-besluit tot wijziging van het Watreleidingbesluit gepubliceerd (Stcrt. 2002, 154) in verband met de preventie van legionella in leidingwater. Dit wijzigingsbesluit strekt tot opname van de regels van de Tijdelijk regeling legionellapreventie in leidingwater. In het wijzigingsbesluit is de reikwijdte ten opzichte van de Tijdelijke regeling aanzienlijk teruggedrongen, waarmee de administratieve lasten eveneens aanzienlijk zijn gereduceerd. Als gevolg van een AO in uw Kamer in februari 2003 en nadere overleggen is het denkbaar dat de reikwijdte nog verder zal worden beperkt.

Voorstellen ter vermindering van de administratieve lasten mogen verder worden verwacht op grond van het Project Herijking Regelgeving VROM (zie boven)

C. JAARREKENING

De verantwoordingsstaat van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI)

Bedragen in EUR1000

  (1)(2)(3)=(2)–(1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  Verplich-tingenUitgavenOntvang-stenVerplich-tingenUitgavenOntvang-stenVerplich-tingenUitgavenOntvang-sten
 Totaal 3 403 485109 921 3 268 075130 392 – 135 410+ 20 471
           
 Beleidsartikelen         
01Strategische beleidsontwikkeling en monitoring67 98171 4564 08474 88878 6454 489+ 6 907+ 7 189+ 405
02Betaalbaarheid van het wonen1 809 8311 884 19874 3952 467 3841 935 58742 342+ 657 553+ 51 389– 32 053
03Duurzame woningen en gebouwen32 942208 078042 349209 562473+ 9 407+ 1 484+ 473
04Aantrekkelijke fysieke leefomgeving149 525276 4672 473151 044187 6162 470+ 1 519– 88 851– 3
05Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving41 34871 161018 03443 293247– 23 314– 27 868247
06Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden24 18232 94035745 93821 010591+ 21 756– 11 930+ 234
07Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau290 376255 8870375 324280 93129 308+ 84 948+ 25 044+ 29 308
08Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden11 92915 176014 83017 4051 472+ 2 901+ 2 229+ 1 472
09Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband10 54110 60603 3564 1250– 7 185– 6 4810
10Verbeteren nationale milieukwaliteit17 41222 4844 99214 03217 3143 580– 3 380– 5 170– 1 412
11Tegengaan klimaatverandering en emissies235 827241 0223 176280 42493 2023 093+ 44 597– 147 820– 83
12Beheersen milieurisico's van stoffen, afval en straling35 51337 78190839 35638 77316+ 3 843+ 992– 892
13Handhaving74 10077 09488288 34388 38920.67+ 14 243+ 11 295+ 1 185
14Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en Ministerie van Algemene Zaken47 50447 504039 65839 6582 481– 7 846– 7 846+ 2 481
 Niet-Beleidsartikelen         
15Algemeen156 471158 88818 654221 982212 56537 763+ 65 511+ 53 677+ 19 109
16Nominaal en Onvoorzien– 7 257– 7 2570000+ 7 257+ 7 2570

De gerealiseerde bedragen van de uitgaven en de verplichtingen zijn steeds naar boven afgerond (EUR1000).

De gerealiseerde bedragen van de ontvangsten zijn naar beneden of naar boven afgerond (EUR 500)

Samenvattende verantwoordingsstaat baten-lastendiensten

Samenvattende verantwoordingsstaat 2002, inzake Agentschap Rijksgebouwendienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI),

Bedragen in EUR1000

  (1)(2)(3)=(2)-(1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
01Rijksgebouwendienst   
 Totale baten977 4361 157 424179 988
 Totale lasten957 5541 128 170170 616
 Saldo van baten en lasten19 88129 2549 373
     
 Totale kapitaalontvangsten374 045597 859223 814
 Totale kapitaaluitgaven485 021720 002234 981

Mij bekend,

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

FINANCIELE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTATEN

TOELICHTING BIJ DE BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1. Strategische beleidsontwikkeling en monitoring

Bedragen in EUR1000

Artikel 1 Strategische beleidsontwikkeling en monitoringRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen74 88867 9816 907
Uitgaven78 64571 4567 189
Programma-uitgaven65 89155 86110 030
Strategische beleidsontwikkeling6 8205 7861 034
Beleidsnota's en wetten ruimte2 3301 702628
Nationaal initiatief voor duurzame ontwikkeling4 4904 084406
    
Monitoring en kennisontwikkeling:57 93048 7909 140
Kennisontwikkeling en onderzoek wonen12 21613 100– 884
Kennisontwikkeling en onderzoek ruimte1 398440958
Bijdrage Planbureau RO5 1571 7023 455
Bijdrage RIVM39 15933 5485 611
    
Onverdeeld programma:1 1411 285– 144
Subsidies vakorganisaties1 031559472
Communicatie-instrumenten110726– 616
    
Apparaatsuitgaven12 75415 595– 2 841
VROM-raad1 8112 124– 313
Forum en RMNO2 0326961 336
Apparaat DGW4 7005 326– 626
Apparaat RPD3 1106 038– 2 928
Apparaat DGM1 1011 411– 310
    
Ontvangsten4 4894 084405
Ontvangsten NIDO4 4894 084405

Toelichting:

Strategische beleidsontwikkeling

Beleidsnota's en wetten ruimte

Een groot aantal openstaande verplichtingen ten behoeve van de 5e nota uit 2001 zijn in 2002 tot betaling gekomen. Daarnaast is € 0,5 mln. overgeheveld naar het Ruimtelijk Planbureau.

Monitoring en kennisontwikkeling

Bijdrage Planbureau RO

Vóór de definitieve overdracht van het Planbureau zijn eind 2001 een groot aantal verplichtingen aangegaan die na de overdracht ten laste van de begroting van DGR zijn gebleven. De bijbehorende betalingen zijn in 2002 gedaan.

Daarnaast is er sprake van een onjuiste budgetverdeling van de onderzoeksuitgaven over de artikelen 1, 6, 8, 9 en 15. Bij miljoenennota 2003 zijn de beschikbare middelen voor onderzoek budgettair neutraal herverdeeld over deze artikelen. Na deze herverdeling is er sprake van een tekort op artikel 1. Dit wordt veroorzaakt door uitgaven voor de Topografische Dienst Nederland.

Onverdeeld programma

Subsidies vakorganisaties

In 2002 zijn naast enkele nieuw toegekende subsidies ook betalingen gedaan op toegezegde subsidies uit 2001.

Apparaatsuitgaven

Bij de oprichting van het Ruimtelijk Planbureau heeft er een budgetoverheveling van € 3,1 mln. plaatsgevonden.

Artikel 2 Betaalbaarheid van het wonen

Bedragen in EUR1000

Artikel 2 Betaalbaarheid van het wonenRealisatie 2002Vastgestelde begroting2002Verschil
Verplichtingen2 467 3841 809 831657 553
waarvan garantieverplichtingen000
    
Uitgaven1 935 5871 884 19851 389
Programma-uitgaven1 876 9171 833 73843 179
Betaalbare woonkeuze huren1 821 8401 728 92992 911
Huursubsidie1 708 3421 450 379257 963
Bijdrage huurlasten39 37244 017– 4 645
Kostenvergoeding verhuurders5 54805 548
Bijdragen nieuwbouw huurwoningen7 8297 939– 110
Afkoop subsidies NWI's60 295226 140– 165 845
Compensatie huurders Enschede4544540
    
Betaalbare woonkeuze kopen51 948100 827– 48 879
Bevordering eigen woningbezit47156 060– 55 589
Bijdragen woningen marktsector en premiekoop51 24744 2447 003
Gewenningssubsidieregeling eigen woningbezit230523– 293
    
Versterking positie burger bij huur en koop1 4441 480– 36
Subsidie woonconsumenten-organisaties1 4441 480– 36
    
Onverdeeld programma1 6852 502– 817
Woonwagens316375– 59
Kennisoverdracht, experimenten e.a.754530
Onderzoek459737– 278
Communicatie-instrumenten83581718
Nader aan te wijzen0528– 528
    
Apparaatuitgaven58 67050 4608 210
Ontvangsten42 34274 395– 32 053

Toelichting:Operationeel doel «betaalbare woonkeuze huren»:

De overschrijding van de uitgaven is met name de resultante van een forse overschrijding bij huursubsidie alsmede een onderuitputting bij de afkoop NWI's (Niet winst beogende instellingen).

Huursubsidie

Bij de huursubsidiebudgetten zijn de budgetten zowel met 1e als 2e suppletore budgetten (fors) verhoogd als gevolg van de nieuwe werkwijze (EOS). Gevolgen hiervan zijn o.a. dat vanaf coderegeling 34 het totaal van de verplichtingen over een tijdvak in één keer wordt geregistreerd, waardoor verplichtingbudget naar voren gehaald moest worden. Verder vindt er een versnelling van de uitgaven plaats door maandelijks vooraf in plaats van 3 maandelijks achteraf te betalen. Tevens is er sprake van een hoger aantal (eerste) aanvragen, een hogere gemiddelde bijdrage (1 669 i.p.v. 1 481) en nabetalingen over eerdere subsidietijdvakken.

Bijdrage huurlasten (Vangnetregeling)

Het budget is met 1e suppletore begroting 2002 verlaagd op basis van realisatiecijfers tijdvak 2000–2001 alsmede de wijziging van de peildatum huishoudensamenstelling in de huursubsidiewet waardoor het beroep op de vangnet regeling afneemt. Het budget is verlaagd naar € 37,3 mln.

Kostenvergoeding verhuurders

Zowel met 1e als 2e suppletore begroting 2002 zijn de budgetten opgevoerd daar beëindiging per 1 januari 2002 voor dit instrument niet haalbaar is gebleken.

Afkoop subsidies NWI's.

Met 2e suppletore begroting 2002 is het budget al verlaagd naar € 199,8 mln. Echter gebleken is dat nog minder afkoopsubsidies betaald zijn aan Niet-Winstbeogende Instellingen, die gesubsidieerde huisvesting voor onder andere ouderen en studenten verzorgen, dan was geraamd. Er resteren nog 2 instellingen die afgekocht dienen te worden.

In 2003 worden deze resterende instellingen afgekocht.

Operationeel doel «betaalbare woonkeuze kopen»:

De afwijking ten opzichte van de begroting betreft de resultante van met name de instrumenten BEW (Bevordering Eigen Woningbezit) en Bijdragen woningen marktsector en premiekoop.

Bevordering eigen woningbezit (BEW)

Zowel met 1e als 2e suppletore begroting 2002 zijn de budgetten bijgesteld.

Het beroep op de BEW-regeling valt aanzienlijk lager uit (nl. 202 beschikkingen) dan de oorspronkelijk bij de ontwerp-begroting 2002 geraamde 20 000 toekenningen. Bij de dekking van de BEW-regeling is ervan uit gegaan dat huursubsidiegebruikers zouden instromen naar de BEW. Nu dit in mindere mate het geval blijkt te zijn is het vrijvallende budget voor de BEW-regeling teruggeboekt naar het huursubsidiebudget.

Bijdragen woningen marktsector en premiekoop

De overuitputting bij het instrument «Bijdragen woningen marktsector en premiekoop was bij 1e suppletore wet 2002 al vermeld. Reden was dat een verlaging van de raming van toekomstige intrekkingen tot meerjarige hogere uitgaven leidt bij de niet meer vigerende eigen woning regelingen.

Apparaatsuitgaven

Als gevolg van de situatie bij HS in de zomer van 2002 is een groot aantal maatregelen genomen, gericht op het oplossen van de acute problemen, en op het inrichten van de organisatie op een dusdanige wijze dat de problemen in de toekomst voorkomen kunnen worden. Een belangrijke maatregel is met name de uitbreiding van de capaciteit voor de beantwoording van telefonische vragen, het structureel inrichten van de piekwerkzaamheden in de aanvraagbehandeling met externe capaciteit.

Ontvangsten

De onderuitputting ten opzichte van de begroting betreft met name de niet-inbare middelen prestatienormering (huursubsidie) als gevolg van de uitspraak van de Raad van State alsmede het niet afwikkelen van de afkoop van 2 instellingen bij het instrument afkoop subsidies NWI's.

Controle- inclusief M&O-beleid huursubsidie

Van de gemoderniseerde uitvoeringsorganisatie (EOS-programma) is in 2002 de laatste fase gerealiseerd. Dit houdt onder meer in dat nu voor alle huursubsidietoekenningen de gegevens omtrent inkomen, vermogen, huurprijs en bewoningssituatie voor zover mogelijk worden betrokken van de zogenaamde primaire bronnen. Bij goed functioneren van de gegevensuitwisseling zal deze werkwijze een positieve bijdrage kunnen leveren aan het terugbrengen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Immers de gegevens komen nu rechtstreeks van de bronleveranciers (Belastingdienst, GBA en verhuurders).

Voor zover de gegevens afkomstig zijn uit officiële overheidsregistraties (Belastingdienst, GBA) is de inhoudelijke juistheid voor VROM een gegeven en beperkt de verantwoordelijkheid van VROM zich tot een verstandig gebruik van deze gegevens waarbij gelet moet worden op een betrouwbare gegevensuitwisseling en volledigheid van de gegevens op het moment van opvragen.

Bij de uitvoering in 2002 zijn op de volgende gebieden nog tekortkomingen in het controlebeleid (i.c. alle maatregelen gericht op het voorkomen en corrigeren van bewuste of niet bewuste fouten, bij bewuste fouten spreekt men van misbruik en oneigenlijk gebruik) t.a.v brongegevens geconstateerd

De afstemming met de Gemeentelijke Basis Administratie kent problemen: bij ongeveer 10% van de onderzochte steekproefposten worden mutaties niet gesignaleerd waardoor subsidiebepalende gegevens niet bekend zijn bij DG Wonen. In dat geval voorziet de opzet van het controlebeleid erin dat de benodigde gegevens langs andere weg moet worden verkregen. In de toepassing van de werkinstructies zijn in 2002 tekortkomingen geconstateerd.

De door de Belastingdienst verstrekte inkomensgegevens waren bij de eerste opvraging in mei 2002 nog niet in alle gevallen juist en/of volledig. Door het ontbreken van een adequate geautomatiseerde controle vooraf en uitstel van de tijdenscontrole heeft dit in 2002 in een aanzienlijk aantal gevallen geleid tot gebruik van onjuiste subsidiebepalende informatie.

Uit de tweede opvraging (uitgestelde tijdenscontrole) die in maart 2003 heeft plaatsgevonden, blijkt dat bij ca. 9% van de aanvragen sprake is van een afwijking in het inkomen, zodanig dat het subsidiebedrag gewijzigd moet worden.

De aanvrager is weliswaar verplicht bij geconstateerde onjuistheden (ook met betrekking tot het inkomen) schriftelijk te reageren naar VROM, maar dit blijkt gegeven de uitkomsten van de tweede opvraging niet in alle gevallen te gebeuren.

Terugvordering van teveel betaalde subsidie zal alsnog plaatsvinden.

Bij een steekproef door de AD is bij ongeveer 9% van de posten een afwijking gesignaleerd in de huur of de servicekosten ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit soort posten werd voorheen gesignaleerd door ingebouwde controles die in CR 34 niet zijn toegepast wegens het ontbreken van een historie in het vernieuwde huursubsidiesysteem. In een gedeelte van de gevallen resulteerde dit in te veel betaalde subsidie.

Verder kon de haalplicht-controle op de redelijkheid van de huurprijs voor het huursubsidietijdvak 2002/2003 (CR34) in 2002 niet worden uitgevoerd vanwege de tekortschietende capaciteit bij de huurcommissies. Het betreft ongeveer 10 000 gevallen, waarbij dus onzekerheid bestaat over de redelijkheid van de huurprijs. De achterstallige haalplichtcontroles worden in 2003 alsnog uitgevoerd en waar nodig worden correcties aangebracht

Voor het subsidietijdvak 2003/2004 (CR35) zullen maatregelen worden genomen om het controle-, inclusief M&O-risico binnen aanvaardbare grenzen te brengen (zie ook de bedrijfsvoeringsmededeling 2002).

Artikel 3 Duurzame woningen en gebouwen

Bedragen in EUR1000

Artikel 3 Duurzame woningen en gebouwenRealisatie 2002Vastgestelde begroting2002Verschil
Verplichtingen42 34932 9429 407
waarvan garantieverplichtingen000
    
Uitgaven209 562208 0781 484
Programma-uitgaven206 116204 5831 533
Garanderen minimale kwaliteit van woningen en gebouwen20829179
Toegankelijkheid rijkshuisvesting20829179
    
Verbeteren kwaliteit woningen en gebouwen en stimuleren innovatie23 03522 281754
Duurzaam bouwen4060406
Regeling sanering loden leidingen9791 662– 683
Energiebesparing rijkshuisvesting2 0473 815– 1 768
Duurzaam bouwen rijkshuisvesting350386– 36
Innovatief bouwen9783 158– 2 180
Regeling energiebesparing huishoudens lagere inkomens1 3221 588– 266
Programma energiebudgetten16 95311 6725 281
    
Coördinatie bouwbeleid2 3661 905461
Coördinatie bouwbeleid2 3661 905461
    
Onverdeeld programma180 507180 368139
Budget BWS 199521 23321 2330
Budget BWS 1992–1994154 582154 866– 284
Onderzoek RGD190227– 37
Onderzoek DGW1 7202 418– 698
Volkshuisvestingsinstellingen, experimenten en kennisoverdracht2 5531 1701 383
Communicatie-instrumenten229454– 225
    
Apparaatsuitgaven3 4463 495– 49
Ontvangsten4730473

Toelichting:

Bij een aantal instrumenten welke vallen onder de operationele doelstelling «Verbeteren kwaliteit woningen en gebouwen en stimuleren innovatie» kon worden gestuurd op het behalen van een (beperkte) onderuitputting in de uitgaven. Dit ter tegemoetkoming in de forse overschrijding van de uitgaven bij de Huursubsidie (beleidsartikel 2). Voor het behalen van doelstellingen zal het begrote budget in volgende jaren aangesproken moeten worden.

Het budget voor toegankelijkheid is op basis van gewijzigde programmering ten tijde van de eerste suppletore wet verhoogd naar € 0,747 mln. om het programma in het jaar 2002 af te kunnen ronden. Als gevolg van vertragingen in de uitvoering is dit niet gelukt. In het jaar 2003 worden de laatste toegankelijkheidsuitgaven gemaakt.

Het budget voor energiebesparing is als gevolg van vertragingen in de uitvoering in 2001 verhoogd. Echter vanwege de doorloop van een groot aantal projecten naar latere jaren is de realisatie alsnog achtergebleven bij de planning.

Voor wat betreft Duurzaam bouwen rijkshuisvesting kennen enkele projecten een doorloop naar latere jaren, maar de begroting is nagenoeg gerealiseerd.

Het budget voor Coördinatie Bouwbeleid is naar aanleiding van de activiteiten ten behoeve van de Enquête Bouwnijverheid verhoogd. De activiteiten zijn conform planning uitgevoerd.

De voorgenomen onderzoeksactiviteiten zijn nagenoeg volledig gerealiseerd

De voorgenomen onderzoeksactiviteiten zijn nagenoeg volledig gerealiseerd.

Artikel 4 Fysieke stedelijke vernieuwing

Bedragen in EUR1000

Artikel 4 Fysieke stedelijke vernieuwingRealisatie2002Vastgestelde begroting 2002Verschil
Verplichtingen151 044149 5251 519
waarvan garantieverplichtingen000
    
Uitgaven187 616276 467– 88 851
Programma-uitgaven184 574271 376– 86 802
Herstructurering en nieuwbouw182 104270 230– 88 126
Investeringen stedelijke vernieuwing123 507203 382– 79 875
Planologische en woningbouw-knelpunten VINEX3 6301 1342 496
Stimulering herstructurering woningvoorraad16 43116 4310
Stedelijke vernieuwing Lelystad3 1763 1760
Innovatiebudget stedelijke vernieuwing30 47740 636– 10 159
Grondzakeninstrumentarium4 8835 471– 588
Onverdeeld programma2 4701 1461 324
Onderzoek469669– 200
Volkshuisvestingsinstellingen, experimenten en kennisoverdracht1 9602501 710
Communicatie-instrumenten41227– 186
    
Apparaatsuitgaven3 0425 089– 2 047
Ontvangsten2 4702 473– 3

Toelichting:

Herstructurering en nieuwbouw

Bij tweede suppletore begrotingswet 2001 heeft een aanpassing plaatsgevonden van het kasritme voor de investeringsbijdragen stedelijke vernieuwing. Achtergrond van deze kasschuif was het verminderen van de druk op de rijksbegroting voor het jaar 2002. Voor 2002 heeft dat geleid tot lagere uitgaven van circa € 67 mln. Hier tegenover stonden wel hogere gerealiseerde uitgaven in 2001. Daarnaast zijn er in 2002 wijzigingen opgetreden in verband met de aanpassing van het kas/verplichtingenritme bij het innovatiebudget stedelijke vernieuwing (-/- € 10 mln.) en in verband met de inzet van bodemsaneringsgelden ( + € 15 mln.).

Eind 2002 is in verband met de huursubsidieproblematiek gericht gestuurd op de uitputting van de uitgaven en verplichtingenbudgetten. Dit heeft, ten opzichte van de tweede suppletore begrotingswet 2002, geleid tot een onderuitputting van het uitgavenbudget van circa € 21 mln. Voor een deel zal dit tot extra uitgaven in 2003 leiden. De hiervoor genoemde wijzigingen hebben geen invloed gehad op het realiseren van de beleidsdoelstellingen aangezien het hierbij met name om aanpassingen van de uitfinanciering van aangegane verplichtingen is gegaan.

Onverdeeld programma en apparaat

In 2002 heeft een herschikking van budgetten plaatsgevonden tussen de beleidsartikelen 1 tot en met 5 en 15. Deze herschikking is het gevolg van de in het jaarplan 2002 van het Directoraat Generaal Wonen opgenomen beleidsdoelstellingen en prestaties. De oorspronkelijk in de begroting opgenomen budgetten voor «onverdeeld programma» en «apparaatsuitgaven« waren nog niet volledig toegespitst op de nieuwe begrotingsstructuur. Deze actualisatie heeft geleid tot een aanpassing van de budgetten voor «onverdeeld programma» en «apparaatsuitgaven».

Artikel 5 Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving

Bedragen in EUR1000

Artikel 5 Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgevingRealisatie2002Vastgestelde begroting2002Verschil
Verplichtingen18 03441 348– 23 314
waarvan garantieverplichtingen000
    
Uitgaven43 29371 161– 27 868
Programma-uitgaven41 59469 395– 27 801
Bevorderen vernieuwing beleid voor wonen en zorg41 26044 732– 3 472
Knelpunten ouderenbeleid000
Huisvesting gehandicapten24 83729 314– 4 477
Woonzorgstimuleringsregeling16 42315 4181 005
Bevorderen sociale kwaliteit in de woonomgeving024 164– 24 164
Sociale vernieuwing024 164– 24 164
Onverdeeld programma334499– 165
Onderzoek326340– 14
Kennisoverdracht, experimenten e.a.8– 45– 37
Communicatie-instrumenten0113– 113
    
Apparaatsuitgaven1 6991 766– 67
Ontvangsten2470247

Toelichting:

Huisvesting gehandicapten

De oorspronkelijk vastgestelde begroting ad € 29 314 mln. is bij 1e suppletore begroting verlaagd met per saldo € 4 073 mln. tot € 25 241 mln. als gevolg van het verlagen van het aantal afkopen en het nog moeten betalen van een aantal jaarlijkse bijdragen (waaronder 3 ADL-clusters).

Woonzorgstimuleringsregeling:

De oorspronkelijk vastgestelde begroting ad € 15 418 mln. is bij 1e suppletore begroting verhoogd naar € 31 333 mln. vanwege de toevoeging uit de eindejaarsmarge van de onderuitputting 2001 en het grote beroep op de categorie e (zorginfrastructuur).

Bij miljoenennota 2003 is besloten een rustjaar voor de tijdelijke woonzorgstimuleringsregeling in te voeren. Hierdoor is de begroting verlaagd met € 8 mln. Verder bleek dat grote beroep op de categorie e minder groot dan in eerste instantie werd aangenomen. De begroting kon hierdoor verlaagd worden met € 6,05 mln.

Bevorderen sociale kwaliteit in de woonomgeving:

Bij 1e suppletore begroting 2002 is het uitgavenbudget verlaagd met € 19,331 mln. Dat was, zoals gemeld, het gevolg van de aanpassing van de uitfinanciering van de IPSV kasbudgetten naar aanleiding van de eind 2001 aangegane verplichtingen en de daarbij behorende kassleutel.

De middelen voor innovatieve stedelijke vernieuwing, voor de fysieke component, zijn opgenomen op artikel 4, instrument 04.10.59 «innovatiebudget stedelijke vernieuwing (IPSV)». De middelen voor de sociale component zijn geraamd op artikel 5. Het is niet mogelijk de aan de projecten toegekende bijdragen in comptabele zin te verbijzonderen naar «fysiek» en «sociaal». Daarom worden deze budgetten samengevoegd. Het op artikel 5 opgenomen verplichtingen- en uitgavenbudget voor sociale vernieuwing wordt hiertoe overgeboekt naar beleidsartikel 4. Deze technische mutatie leidt bij artikel 5 in 2002 tot een verlaging van het verplichtingenbudget bij slotwet met € 24,164 mln. en een aanvullende verlaging van het uitgavenbudget met € 4,833 mln.

Artikel 6 Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden

Bedragen in EUR1000

Artikel 6 Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebiedenRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen45 93824 18221 756
    
Uitgaven21 01032 940– 11 930
Programma-uitgaven16 15328 175– 12 022
Verbeteren stedelijke inrichting4 96613 716– 8 750
Investeringsbijdrage overkapping A208 168– 8 168
Nieuwe Sleutelprojecten2 2296441 585
Vijfde Nota uit FES-fonds36036
Stimuleringsregeling intensief ruimtegebruik1374 574– 4 437
Stimuleren opzet digitale bestemmingsplannen606330276
Investeringsbijdrage uitvoering verstedelijking1 95801 958
    
Cultuurhistorische identiteit7 2928 264– 972
Belvedere01 815– 1 815
Beheer rijksmonumenten7 2926 449843
    
Architectonische kwaliteit3 2674 433– 1 166
Architectuurbeleid3 2674 433– 1 166
    
Onverdeeld programma6281 762– 1 134
Overig stedelijk146417– 271
Onderzoek RGD1901 232– 1 042
Onderzoek DGR2730273
Communicatie-instrumenten19113– 94
    
Apparaatsuitgaven4 8574 76592
Juridische instrumenten2440244
Apparaat DGR4 6134 765– 152
    
Ontvangsten591357234

Verplichtingen

De verplichtingen overschrijding wordt voornamelijk veroorzaakt door:

– Voor het verlengen van de verdiepte aanleg (ten behoeve van het aquaduct) van de verbrede A4 (W4-Masterplan Leiderdorp) levert VROM een bijdrage van € 24,4 mln. In 2002 is dit bedrag verplicht.

– In 2001 is een deel van de activiteiten -de uitvoering van de subsidieverstrekkingen- van het StIR programma overgeplaatst naar het IPSV. Hiertoe is € 4,2 mln aan verplichtingen bij 1e suppletore begroting 2002 overgeheveld.

– Conform de afspraken met het ministerie van OC&W zijn de op de VROM begroting de verplichtingen ten behoeve van Belvédère (€ 2,2 mln) bij de 2e suppletore begroting 2002 overgeheveld naar de begroting van het ministerie van OC&W.

Uitgaven

Investeringsbijdrage overkapping A2

Bij de 2e suppletore begroting 2002 is € 8,2 mln aan kas overgeheveld naar het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Dit ten behoeve van de reconstructie/integratie A2-Leidsche Rijn. Bij 2e suppletore wet 2001 zijn de verplichtingen reeds overgeheveld.

Daarnaast heeft VROM een bijdrage geleverd aan de verlaagde passage A4-HSL Zuid bij Hoogmade. Bij 1e suppletore wet 2002 is hiervoor een bedrag van € 7,9 mln uit het FES op de VROM begroting bijgeboekt. Bij 2e suppletore wet 2002 is dat bedrag van € 7,9 mln overgeboekt naar het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Nieuwe sleutelprojecten

Om de doelstellingen van het Rijk in het kader van de totstandkoming van de 6 nieuwe sleutelprojecten te realiseren is in 2001 een nieuwe interdepartementale projectorganisatie opgezet. Bij 2e suppletore 2002 zijn hiervoor extra financiële middelen toegevoegd (€ 1,5 mln).

Stimuleringsregeling intensief ruimtegebruik

In 2001 is een deel van de activiteiten – de uitvoering van de subsidieverstrekkingen – van het StIR programma overgeplaatst naar het IPSV. Bij 1e suppletore wet 2002 is het daarbij behorende budget dan ook overgeheveld naar het Innovatiebudget stedelijke vernieuwing (artikel 4).

Investeringsbijdrage uitvoering verstedelijking

Er zijn uitgaven gedaan in het kader van het beleid voor de bestuurlijke overeenkomsten en regioconvenanten (waaronder Deltamatropool/Almere) en voor de opzet van de organisaties KIEV en BIRK. Hiervoor waren in de begroting 2002 geen middelen gereserveerd.

Belvedere

De ministeries van VROM, LNV en OC&W hebben op rijksniveau een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de nota Belvedere. Bij 2e suppletore begroting 2002 zijn de VROM middelen hiervoor overgeheveld naar het Ministerie van OC&W dat als coördinerend departement optreedt.

Beheer rijksmonumenten

Het budget voor beheer rijksmonumenten is op basis van gewijzigde programmering in 2002 verhoogd. De realisatie is achtergebleven bij de programmering vanwege vertraging in de uitvoering van een aantal projecten waardoor de afronding in latere jaren dan gepland zal plaatsvinden.

Architectuurbeleid

De activiteiten van het Architectuurbeleid zijn conform planning uitgevoerd. De bijbehorende uitgaven vinden deels in 2003 plaats.

Onderzoek DGR

Bij miljoenennota 2003 zijn de beschikbare middelen voor onderzoek budgettair neutraal herverdeeld over de artikelen 01, 06, 08, 09 en 15.

Artikel 7 Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau

Bedragen in EUR1000

Artikel 7: Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveauRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen375 324290 37684 948
waarvan garantieverplichtingen331106 003– 105 672
    
Uitgaven280 931255 88725 044
Programma-uitgaven272 249249 21723 032
Lokale milieukwaliteit13 60426 603– 12 999
Subsidies gebiedsgericht milieubeleid12 77124 848– 12 077
Overige instrumenten lokale milieukwaliteit8331 755– 922
    
Uitvoering bodemsanering146 647132 72013 917
Subsidies bodemsanering133 463129 3364 127
Bodemsanering VINEX9 49609 496
Overige instrumenten bodemsanering3 6883 394294
    
Geluidsreductie74 54466 9717 573
Subsidies geluidsreductie railverkeer5 5415 690– 149
Geluidsreductie wegverkeer65 04652 89312 153
Geluidsreductie industrie06 735– 6 735
Overige instrumenten geluidsreductie3 9571 6532 304
    
Waarborgen externe veiligheid33 6622 75230 910
Instrumenten externe veiligheid33 6622 75230 910
    
Onverdeeld programma3 79220 161– 16 369
Onderzoek2 9533 788– 835
Communicatie-instrumenten145– 44
Overige instrumenten83816 328– 15 490
    
Apparaatsuitgaven8 6826 6702 021
Ontvangsten29 308029 308

Toelichting:

Operationele doelstelling Lokale Milieukwaliteit

In plaats van de SGM is in 2002 de Stimuleringsregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB), uit te voeren door het Ministerie van LNV, van start gegaan. Voor de uitvoering daarvan is bij de 2e suppletore begroting een overboeking t.b.v. het nationaal Groenfonds van LNV van een kasbudget ad. € 7,7 mln geautoriseerd. De resterende onderschrijding heeft grotendeels te maken met het achterblijven van betalingen bij de SGM, hetgeen veroorzaakt werd door de te late indiening van de benodigde tussenrapportages alsmede een te hoog geraamde liquiditeitsbehoefte in de jaarrapportages van de provincies.

Operationele doelstelling Uitvoering bodemsanering:

De overschrijding op dit operationele doel heeft als verklaring:

1. Vanaf 2002 geldt een op programmabasis gesteunde aanpak over vijf jaren (huidige, eerste periode drie jaar), waarin alle segmenten van de bodemsanering zijn meegenomen. Voor de financiering van de meerjarenprogramma's bodemsanering 2002–2004 is in 2002 een bedrag van € 109 mln uitgetrokken.

2. Ook heeft in 2002 de betaling op verplichtingen, die op basis van de tot en met 2001 geldende bodemsaneringsregeling aangegaan zijn, plaatsgevonden ad € 25 mln. Dit was € 4,1 mln meer dan geraamd.

3. Bij de Slotwet 2001 is het resterende kasbudget ad € 41 mln doorgeschoven naar 2002, omdat de uitvoeringstermijn voor de aanpak van bodemverontreiniging in VINEX-woningbouwlocaties met FES-middelen, verlengd is van 2001 tot 2005. In 2002 zijn in dit kader uitgaven ad € 9,5 mln gedaan; het resterende kasbudget van € 31,5 mln is bij de Slotwet 2002 doorgeschoven naar 2003 (dit geldt ook voor de ontvangsten).

Operationele doelstelling Geluidsreductie:

De regeling Stiller Wegdek is vanaf 2002 van start gegaan. In dat verband was in de begroting 2002 het kasbudget ad € 13,6 mln onder onverdeeld programma opgenomen. In 2002 is voor een bedrag van € 12,8 mln hieraan uitgegeven. Bij Industrielawaai heeft verder op verzoek van IPO/ provincies aan het eind van 2002 een herverdeling van de gelden over de provincies plaatsgevonden. Het in de begroting 2002 aanwezige kasbudget ad € 6,7 mln is in dat kader echter niet uitgegeven. Uitgaven in deze orde van grootte worden voorzien in 2003 voor industrielawaai.

Operationele doelstelling Externe Veiligheid:

In het kader van de AKZO-deal is na goedkeuring van de Kamer eind 2002 nog een bedrag van € 31,6 mln aan AKZO overgemaakt. Dit bedrag is inclusief de aanvullende post van € 25 mln, die nog bij Financiën stond. Het resterende bedrag van € 2 mln is ingezet voor maatregelen, die verband houden met het verhogen van de veiligheid ten aanzien van de opslag van vuurwerk.

Operationele doelstelling Onverdeeld programma:

Bij de begroting 2002 waren bij het onverdeeld programma de kasgelden opgenomen voor Regeling Stiller Wegdek ad € 13,6 mln. Deze gelden zijn uiteindelijk ondergebracht bij de desbetreffende operationele doelstelling en zo resulteert dus bij dit programma een onderschrijding ad € 16,4 mln.

Apparaatsuitgaven:

In 2002 is de directie Externe Veiligheid opgericht. Met de inzet van 34 fte en bijbehorende materiële uitgaven was nog geen rekening gehouden bij de begroting 2002. Vandaar dat sprake is van extra uitgavenpost op apparaatsuitgaven ad € 1,2 mln.

Ontvangsten:

De ontvangsten ad € 29,31 mln, waarvoor in de begroting van 2002 alleen een raming voor kostenverhaalontvangsten ad € 4,5 mln (overige ontvangsten pm) was opgenomen, hebben voor € 6,45 mln betrekking op resultaten uit kostenverhaalsacties en voor € 9,5 mln op de verrekening van de in 2002 gemaakte uitgaven in het kader van FES/VINEX met het ministerie van EZ. Voorts zijn restituties ontvangen van € 11,69 mln en € 1,75 mln voor bodemsanering respectievelijk geluidsanering.

Artikel 8 Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebieden

Bedragen in EUR1000

Artikel 8: Versterken ruimtelijke kwaliteit landelijke gebiedenRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen14 83011 9292 901
    
Uitgaven17 40515 1762 229
Programma-uitgaven16 14114 4021 739
Bescherming en ontwikkeling landelijk gebied16 14114 4021 739
– Aankoop bufferzones10 9309 2041 726
– Ontwikkeling Waddengebied91178– 87
– Overige instrumenten landelijk gebied14014
– Ontwikkelingsbijdrage landelijk gebied04 821– 851
– Beleidslijn Ruimte voor de rivier86368795
– Onderzoek DGR273108165
– Communicatie-instrumenten023– 23
    
Apparaatuitgaven1 264774490
– Juridische instrumenten1251205
– Apparaat DGR1 139654485
    
Ontvangsten1 47201 472

Toelichting:

Aankoop bufferzones en ontvangsten

De extra uitgaven gedaan voor de verwerving van gronden in het kader van het Bufferzonebeleid (1,4 mln) zijn gecompenseerd door extra gegenereerde opbrengsten uit verkoop van gronden.

Beleidslijn Ruimte voor de rivier:

De instelling van de Beleidslijn Ruimte voor de rivier heeft in 2002 geleid tot een gehonoreerde claim van 1 mln.

Artikel 9 Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verband

Bedragen in EUR1000

Artikel 9: Versterken ruimtelijke kwaliteit in Europees verbandRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen3 35610 541– 7 185
waarvan garantieverplichtingen   
    
Uitgaven4 12510 606– 6 481
Programma-uitgaven3 1169 396– 6 280
Internationale afstemming ruimtelijke inrichting2 9237 941– 5 022
– Noordwest metropolitan34034
– Interreg III2 8897 941– 5 052
    
Concurrerende ruimtelijke inrichting mainports01 022– 1 022
– Project Mainport Rotterdam (PMR)0908– 908
– Ontwikkeling nationale luchthaven (ONL)0113– 113
    
Onverdeeld programma193432– 239
– Onderzoek1094– 84
– Communicatie-instrumenten023– 23
– Overige instrumenten DGR183315– 132
    
Apparaatuitgaven1 0091 210– 201
– Juridische instrumenten4041– 1
– Apparaat DGR9691 169– 200
    
Ontvangsten000

Toelichting:

Internationale afstemming Ruimtelijke Inrichting:

Het aantal goedgekeurde projecten in 2002 was lager dan aanvankelijk beoogd. Redenen hiervan zijn:

• vertraging in de besluitvorming door de Europese Commissie;

• nog niet gereedkomen van de cofinancieringsregeling.

Gevolg hiervan is dat er voor Interreg III in 2002 minder middelen benodigd waren dan oorspronkelijk geraamd..

Concurrerende ruimtelijke inrichting mainports:

VROM levert jaarlijks aan het ministerie van Verkeer en Waterstaat een bijdrage (0,714 mln) ten behoeve van het Project Mainport Rotterdam (PMR). Een deel van deze bijdrage (0,396 mln) is naar de begroting van Verkeer en Waterstaat overgeboekt. Voor het laatste deel van de geplande bijdrage in 2002 is met V&W afgesproken dat deze niet in 2002 maar in 2003 zal plaatsvinden.

Onverdeeld programma:

Bij miljoenennota 2003 zijn de beschikbare middelen voor onderzoek budgettair neutraal herverdeeld over de artikelen 01, 06, 08, 09 en 15.

Artikel 10 Verbeteren nationale milieukwaliteit

Bedragen in EUR1000

Artikel 10: Verbeteren nationale milieukwaliteitRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen14 03117 412– 3 381
waarvan garantieverplichtingen   
    
Uitgaven17 31422 484– 5 170
Programma-uitgaven11 01316 725– 5 712
Duurzaam bodembeheer4 3065 231– 926
Subsidies duurzaam bodembeheer4 0454 992– 947
Overige instrumenten duurzaam bodembeheer26124021
    
Optimale waterketen0306– 306
Overige instrumenten optimale waterketen0306– 306
    
Duurzame landbouw0345– 345
Aanvullend stikstofbeleid0345– 345
    
Onverdeeld programma6 70710 842– 4 135
Onderzoek2 6114 008– 1 397
Communicatie-instrumenten8845– 43
Overige instrumenten4 0086 789– 2 781
    
Apparaatuitgaven6 3015 759542
Ontvangsten3 5804 992– 1 412

Toelichting:

Duurzaam bodembeheer:

Bij de 1e en 2e suppletore begroting is ophoging van het kasbudget 2002 geautoriseerd ten behoeve van subsidieverlening aan de Stichting Kennisontwikkeling en kennisoverdracht Bodem, de gemeente Breda en de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De betalingen zijn evenwel niet volledig in 2002 gerealiseerd. De onderschrijding wordt bij Slotwet 2002 doorgeschoven naar 2003. Dit betreft FES-gelden welke zowel als uitgaven en ontvangsten worden verantwoord en waarvoor de budgetten door het ministerie van Economische Zaken worden gecompenseerd.

Optimale waterketen:

De verplichting heeft in 2002 niet geleid tot kasuitgaven. De onderschrijding is gebruikt voor de dekking van VROM-tekorten

Duurzame landbouw:

De verplichting heeft in 2002 niet geleid tot kasuitgaven. De onderschrijding is gebruikt voor de dekking van VROM-tekorten.

Onverdeeld programma:

Zowel bij de 1e- als bij de 2e suppletore begroting heeft autorisatie plaatsgevonden van overboeking van kasbudgetten naar andere VROM-onderdelen en/of departementen, ten behoeve van gezamenlijke projecten. Dit als gevolg van het penvoerderschap van de andere VROM-onderdelen en/of departementen.

Ontvangsten:

Bij de 1e suppletore begroting is de ophoging van het kasbudget 2002 ad. 261 000 voor de subsidieverlening voor de Stichting Kennisontwikkeling en kennisoverdracht Bodem (SKB), als gevolg van onderuitputting van het kasbudget 2001, geautoriseerd. Bij de Slotwet 2002 heeft vanwege een onderschrijding bij de het operationele doel «Duurzaam bodembeheer» een doorschuif naar 2003 plaatsgevonden. Het betreft hier FES-gelden welke zowel als uitgaven en alsontvangsten worden verantwoord en waarvoor de budgetten door het ministerie van Economische Zaken worden gecompenseerd.

Artikel 11 Tegengaan klimaatverandering en emissies

Artikel 11 Tegengaan klimaatverandering en emissiesRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen280 424235 82744 597
waarvan garantieverplichtingen70070
    
Uitgaven93 202241 022– 147 820
Programma-uitgaven78 360228 993– 150 633
Internationale samenwerking milieu4 9905 655– 665
Subsidies internationale samenwerking milieu4 1224 848– 726
Overige instrumenten internationale samenwerking milieu86880761
    
Vermindering uitstoot broeikasgassen14 885161 896– 147 011
Clean Development Mechanism4 015136 134– 132 119
Subsidies Reductieplan Overige Broeikasgassen2 09510 104– 8 009
Overige instrumenten vermindering uitstoot broeikasgassen8 77515 658– 6 883
    
Vermindering algemene uitstoot industrie4 3447 661– 3 317
Operationalisering NOx kostenverevening524804– 280
Subsidies vermindering algemene uitstoot industrie1801 350– 1 170
Overige instrumenten vermindering algemene uitstoot industrie3 6405 507– 1 867
    
Vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart5 80912 993– 7 184
Subsidies uitstoot verkeer en binnenvaart2 49811 198– 8 700
Overige instrumenten uitstoot verkeer en binnenvaart3 3111 7951 516
    
Vermindering milieudruk producten4 3488 060– 3 712
Subsidies vermindering milieudruk producten2 4116 129– 3 718
Overige instrumenten milieudruk producten1 9371 9316
    
Vergroten draagvlak voor milieubeleid33 60024 2429 358
Subsidies milieuverantwoorde technologie6 2116 615– 404
Schadevergoedingen96096
Overige instrumenten duurzame samenleving7 9746 2651 709
Subsidies maatschappelijke milieuactiviteiten19 32011 3627 956
    
Onverdeeld programma10 3848 4861 898
Onderzoek6 4854 2392 246
Communicatie-instrumenten3 8991 1342 765
Overige instrumenten 3 113– 3 113
    
Apparaatuitgaven14 84212 0292 813
Ontvangsten3 0933 176– 83

Toelichting:

Internationale samenwerking milieu

De verklaring van de onderuitputting is dat declaraties van de gesubsidieerde (internationale) organisaties onregelmatig binnenkomen.

Vermindering uitstoot broeikasgassen:

Voor Clean Development Mechanism (CDM) was in 2002 136 mln. kasbudget beschikbaar. Alhoewel al met meerdere uitvoerders overeenkomsten zijn aangegaan, zullen de uitgaven voor de aankoop van de CERs (certified emission reduction-unit), de grootste uitgavenpost, pas in latere jaren plaatsvinden. Bij 1e suppletore begroting 2002 is dan ook het kasbudget voor 2002 met 125 mln verlaagd en doorgeschoven naar de jaren 2005–2007.

Het verschil bij het Reductieplan Overige Broeikasgassen (ROB) wordt grotendeels verklaard doordat de in 2002 gestarte stimuleringsregeling ter stimulering van het klimaatbeleid bij gemeenten en provincies in het kader van het BANS-klimaatconvenant langzamer op gang komt dan verwacht, waardoor de betalingen in latere jaren plaatsvinden. Het verschil bij de overige instrumenten wordt voor het belangrijkste deel verklaard door een overboeking bij de 1e suppletore begroting 2002 van ruim 4,5 mln naar artikel 3 «Duurzame woningen en gebouwen» i.v.m. de uitvoering van het meerjarige klimaatprogramma LOREEN. Op de in het kader van de NIRIS-regeling aangegane verplichtingen werd minder betaald dan verwacht.

Vermindering algemene uitstoot industrie:

In verband met de bekostiging van de ontwikkeling van het electronisch milieujaarverslag, hetgeen mede van relevantie is voor de opzet van het systeem van NOx «emissiehandel, is uit het instrument Operationalisering NOx-kostenverevening daarvoor een bedrag gecompenseerd.

Het verschil bij het instrument Subsidies Vermindering Algemene Uitstoot Industrie is grotendeels te verklaren door de overboeking naar de begroting van EZ van de VROM-bijdrage aan de stimuleringsregeling voor Schoner Produceren. Daarnaast in geringere mate door de overboeking naar EZ van een bijdrage aan het Global Reporting Initiative. Het verschil bij de overige instrumenten is in hoofdzaak te verklaren door een budgetoverboeking naar instrument Subsidies maatschappelijke milieu activiteiten i.v.m. uitvoeringskosten van het industriebeleid door Infomil, waarvoor de verplichting in 2001 werd aangegaan.

Vermindering uitstoot verkeer en binnenvaart:

Het verschil bij de subsidies is uit vier oorzaken te verklaren:

• Het budget bestemd voor stimulering van roetfilters bij bestaande vrachtwagens is door afstel van de regeling niet benut.

• Bij Voorjaarsnota is voor een bedrag van 4 mln dekking verleend voor intensiveringen op het instrument Subsidies maatschappelijke milieuactiviteiten (amendement Feenstra).

• In verband met de bijdrage aan het programma «Schoner, stiller, zuiniger» is naar V&W een bijdrage van 0,5 mln overgeboekt.

• De uitgaven op de lopende demonstratieregeling voor milieu-innovaties mobiele bronnen (DEMO) zijn door vertragingen in het declareren van kosten door de subsidieontvangers deels doorgeschoven naar latere jaren.

Het verschil bij de overige instrumenten is enerzijds een saldo van een groot aantal niet beleidsmatige ophogings- en verlagingsmutaties. Anderzijds een gevolg van een exogene tempoversnelling van betalingen op in eerdere jaren aangegane verplichtingen die met de uitvoering van het emissiebeleid voor voertuigen samenhangen.

Vermindering milieudruk producten:

Het verschil is enerzijds te verklaren door vertragingen bij het indienen van declaraties door subsidie-ontvangers o.g.v. de stimuleringsregeling Productgerichte Milieuzorg (PMZ). Anderzijds is het uitgavenbudget technisch aangepast (verlaagd) als uitvloeisel van wijziging van de artikelindeling a.g.v. de invoering van VBTB.

Vergroten draagvlak voor milieubeleid:

Bij de 1e en 2e suppletore begroting 2002 is verhoging van budget op dit operationele doel geautoriseerd ten behoeve van de meerjarenopdracht «Infomil», amendement «Feenstra c.s.» en de regeling Subsidiëring Maatschappelijke Organisaties en Milieu (SMOM). Daardoor is het uiteindelijke budget voor dit operationele doel 40,638 mln geworden. De onderuitputting op dit operationele doel wordt veroorzaakt doordat in 2002 minder betalingen voor het stimuleringsprogramma Burger & Milieu en voor het Programma Milieu & Technologie (ProMT) hebben plaatsgevonden. Het als FES-bijdrage voor PROMT resterende kasbudget van 3 mln is bij de Slotwet 2002 doorgeschoven naar 2003.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op de FES-bijdrage t.b.v. PROMT.

Artikel 12 Beheersen milieurisico's stoffen, afvalstoffen en straling

Bedragen in EUR1000

Artikel 12 Beheersen milieurisico's stoffen, afvalstoffen en stralingRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen39 35635 5133 843
waarvan garantieverplichtingen   
    
Uitgaven38 77337 781992
Programma-uitgaven31 02631 231– 204
Beheersen milieurisico's van stoffen9 7843 9155 869
Subsidies stoffenbeleid7 51307 513
Overige instrumenten stoffenbeleid2 2713 915– 1 644
    
Beheersen milieurisico's van afvalstoffen17 00119 034– 2 033
Subsidies afvalstoffenbeleid5 2383 6751 563
Overige instrumenten afvalstoffenbeleid11 76315 360– 3 597
    
Beheersen milieurisico's van straling286678– 392
Overige instrumenten stralingsbeleid286678– 392
    
Beheersen milieurisico's van GGO's322426– 104
Overige instrumenten GGO-beleid322426– 104
    
Onverdeeld programma3 6337 177– 3 544
Onderzoek3 5535 736– 2 183
Communicatie-instrumenten81908– 827
Overige instrumenten0534– 534
    
Apparaatuitgaven7 7476 5511 196
Ontvangsten16908– 892

Toelichting:

Beheersen milieurisicio's van stoffen:

Voor de uitvoering van de saneringsregelingen Asbestwegen Twente, Haaksbergen en overige asbestwegen is een hoger aantal subsidieaanvragen ontvangen en gehonoreerd dan was geraamd. De overschrijding is gecompenseerd door herschikking van de middelen binnen dit artikel.

Beheersen milieurisico's van afvalstoffen:

de uitvoering van de subsidieregeling aanpak milieudrukvermindering heeft grote naijleffecten. De gesubsidieerde projecten worden in de loop van het jaar opgestart en hebben een doorlooptijd van enkele jaren. De kasraming van deze projecten is moeilijk in te schatten.

Beheersen milieurisico's van straling:

eind 2002 is een toekenning gedaan voor een tijdelijke voorziening voor de opslag van radioactief schroot. De uitgaven hiervoor volgen in 2003.

Beheersen milieurisico's van GGO's:

De onderuitputting van het kasbudget heeft geen beleidsmatige oorzaak. Het overschot is door middel van interne herschikking ingezet voor de operationele doelstelling beheersing milieurisico's stoffen.

Onverdeeld programma:

Onder dit programma valt het beleidsonderzoek van geheel artikel 12. Een groot aantal onderzoeksprojecten is later gestart dan was gepland. Om deze reden is een gedeelte van het uitgavenbudget 2002 niet gerealiseerd.

Artikel 13 Handhaving

Artikel 13 HandhavingRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen88 34374 10014 243
    
Uitgaven88 38977 09411 295
Programma   
Onverdeeld programma38 08524 41213 673
Servicepunten milieuhandhaving4 0503 176874
Bijdrage RIVM7 4037 065338
Overige instrumenten26 62613 80812 818
Onderzoek0250– 250
Communicatie-instrumenten6113– 107
    
Apparaat50 30452 682– 2 378
Ontvangsten2 0678821 185

Artikel 14 Huisvesting Hoge Colleges van Staat, Algemene Zaken en Koninklijk Huis

Huisvesting Hoge Colleges van Staat, Algemene Zaken en Koninklijk Huis

Bedragen in EUR1000

Artikel 14 Huisvesting Hoge Colleges van Staat, Algemene Zaken en Koninklijk HuisRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Verplichtingen39 65847 504– 7 846
    
Uitgaven39 65847 504– 7 846
Programma39 65847 504– 7 846
Huisvesting HCvS en AZ27 91335 044– 7 131
Onderhoud4 46710 126– 5 659
Investeringen20 84320 348495
Huren1 0093 126– 2 117
Asbestsanering1 5941 444150
    
Huisvesting koninklijk Huis11 74512 460– 715
Paleizen6 5677 039– 472
Functionele kosten5 1785 421– 243
    
Ontvangsten2 48102 481

Toelichting

Op basis van de bevoorschotting door het moederdepartement voert de Rijksgebouwendienst haar activiteiten uit. De realisatiecijfers op de VROM-begroting betreffen de verleende voorschotten aan de Rijksgebouwendienst. Wanneer de realisatie hoger uitvalt dan de verstrekte voorschotten, dan leidt dit tot het opnemen van een vordering op VROM in de agentschapsparagraaf van de Rijksgebouwendienst.

Het budget voor onderhoud is op basis van gewijzigde programmering naar beneden bijgesteld. Vanwege een doorloop van activiteiten naar latere jaren is de realisatie echter achtergebleven bij deze gewijzigde raming.

De geplande investeringen in 2002 zijn gerealiseerd.

Het budget voor huren is op basis van gewijzigde programmering verlaagd doordat gekozen is voor huisvestingsoplossingen anders dan huur.

Hoewel gedurende het jaar enige vertraging is ontstaan zijn uiteindelijk alle voorgenomen asbest sanerings-activiteiten gerealiseerd, waardoor het oorspronkelijk budget voor asbestsanering meer dan volledig is gerealiseerd.

Het budget voor paleizen is op grond van gewijzigde programmering verhoogd. De realisatie sluit nagenoeg aan op de planning.

Het budget voor functionele kosten is verhoogd naar het niveau van te verwachten uitgaven. De realisatie sluit hierop aan.

TOELICHTING BIJ DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel 15. Algemeen

Op dit artikel staan alle uitgaven die niet aan een beleidsartikel zijn toe te rekenen. Het betreft hier zowel uitgaven voor het apparaat als programma en uitgaven voor postactieven.

Artikel 15 Algemeen

Bedragen in EUR1000

Artikel 15 AlgemeenRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200220022002
Verplichtingen221 982156 47165 511
Uitgaven212 565158 88853 678
    
Programma-uitgaven:12 98911 8021 187
Advisering Bestuursrechtspraak4 6034 630– 27
Stichting Advisering Bestuursrechtspraak4 6034 630– 27
    
VROM-brede voorlichting6 3333 7902 543
Communicatieinstrumenten6 3333 7902 543
    
Beleidsontwikkeling   
Ontwerp en beeldontwikkeling94084
    
Vastgoedinformatievoorziening972740232
    
Onverdeeld programma:9872 642– 1 655
Apparaatsuitgaven:199 576147 08552 491
Departementsleiding, control, expertdiensten en overige staf96 54170 26326 278
Gemeenschappelijke voorzieningen:97 91667 76630 150
Postactieven6 1199 056– 2 937
    
    
Ontvangsten37 76318 65419 109

Toelichting:

15.1. Programma

Onverdeeld programma:

Onverdeeld Rijksgebouwendienst

De Rijksgebouwendienst heeft een bedrag van 1,25 mln aan subsidie ontvangen voor de ontwikkeling van Publiek Private Samenwerking. De uitgaven hiervoor zullen in 2003 en 2004 plaatsvinden. Daarnaast heeft de Rgd de vordering op VROM, bestaande uit het verschil tussen de voorschotten zoals in 2001 verstrekt aan de Rgd en de voorlopige realisatie van de Rgd op de begrotingsartikelen, via artikel 15 ontvangen. Het budget voor apparaat Rgd is verlaagd a.g.v. de bijgestelde programmering.

15.2. Departementsleiding, control, expertdiensten en overige staf

Centrale Sector

Ten opzichte van de oorspronkelijk begroting is de realisatie van de verplichtingen ca. 50% hoger en op kasbasis ca. 38% hoger. Er zijn extra uitgaven gedaan voor het verbeteren en op peil houden van het voorzieningenniveau waaronder huisvesting, ICT en overige voorzieningen. Voorts zijn in het kader van vraaggestuurd werken uitgaven m.b.t. personeel gedaan waarvan voor 2002 de doorbelasting niet heeft plaatsgevonden.

Wonen

Begin 2002 heeft binnen het Directoraat-Generaal Wonen (DGW) een herschikking plaatsgevonden tussen de artikelen 1 t/m 5 en 15. Deze herschikking is het gevolg van de in het jaarplan 2002 van het DGW opgenomen beleidsdoelstellingen en prestaties. De oorspronkelijk in de begroting opgenomen budgetten voor onverdeeld programma en apparaat waren nog niet toegespitst op de nieuwe begrotingsstructuur. Deze actualisatie heeft geleid tot aangepaste budgetten. Voor de apparaatskosten op artikel 15 was met deze herallocatie 3,7 mln (verplichtingen en kas) gemoeid. Gedurende het jaar is gebleken dat het toerekenen van apparaatskosten aan de desbetreffende beleidsartikelen moeilijker en moeizamer is dan vooraf is verondersteld. Het implementeren van het VBTB-gedachtegoed op dit terrein vereist meer inspanning dan in 2002 kon worden waargemaakt. Vandaar dat er uiteindelijk meer apparaatskosten op onderhavig artikel zijn verantwoord dan vooraf gepland. Hiertegenover staat dat op de beleidsartikelen 1 t/m 5 voor ongeveer dezelfde omvang minder apparaatskosten zijn verantwoord. Voorts zijn eind december meerjarige verplichtingen aangegaan voor onderhoud en beheer van diverse systemen (automatisering). Door middel van een verplichtingenschuif uit de jaren 2003 t/m 2005 is hiervoor 3,4 mln verplichtingenbudget in 2002 extra beschikbaar gekomen en besteed.

RuimteVerplichtingen

In 2002 heeft een interne reorganisatie plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot extra verplichtingen voor apparaat.

De in 2002 benodigde middelen voor Puberr zijn bij 2e suppletore begroting aan de begroting toegevoegd (2,2 mln)

UitgavenRaad voor de vastgoedinformatie

De ministeriële toezegging van de incidentele bijdragen voor 2001 en 2002 is in 2002 uitbetaald. In de kasbegroting is alleen rekening gehouden met de bijdrage 2002. Hierdoor is een overschrijding ontstaan.

Apparaat DGR

In 2002 heeft een interne reorganisatie plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot extra uitgaven voor apparaat. Daarnaast zijn onder meer middelen binnen VROM herverdeeld.

Milieubeheer

Het verschil bij wordt grotendeels verklaard door een overboeking naar diverse beleidsartikelen t.b.v. personele inzet voor beleid dat samenhangt met de extra middelen in het kader van milieudrukcompensatie ( 1,4 mln).

15.3. Gemeenschappelijke voorzieningen

Centrale Sector

Totaal is circa 34 mln aan verplichtingenbudget en circa 32,3 mln aan kasbudget bij 1ste en 2e suppletore begroting toegevoegd. De extra budgetten zijn onder andere ingezet voor de bedrijfsvoering van heel VROM (herziening van de totale infrastructuur) en een aantal noodzakelijke projecten waaronder intra-, internet en RYX, omdat steeds hogere eisen worden gesteld aan de informatie- en communicatietechnologie, onder andere vanuit de samenleving, maar ook als gevolg van VROM- en rijksbrede digitalisering.

15.4. Postactieven

Wonen

Naar aanleiding van het jaarplan 2002 is een deel van het budget voor postactieven ingezet voor apparaatskosten op andere artikelen.

Milieubeheer

Er is in het kader van het Najaarsoverleg door het kabinet besloten een financiële bijdrage beschikbaar te stellen door de ministeries voor In- en Doorstroombanen. Voor VROM komt deze bijdrage neer op 0,407 mln die bij slotwet is overgeboekt.

15.5. Ontvangsten

Centrale Sector

In 2002 zijn extra gelden ontvangen ( 10 mln). Het betreft hier ontvangsten uit detacheringen, de verhuur van PC's en inzet in het kader van vraaggestuurd werken. Dit bedrag wordt ter dekking van het restant verschil ingezet.

Milieubeheer

Deze ontvangsten bestaan grotendeels uit ontvangsten bodemsanering (11,4 mln) en ontvangsten van het Bureau Sanering Verkeerslawaai ( 1,8 mln). Deze ontvangsten hebben betrekking op activiteiten die bij art. 7 horen en daar vanaf 2003 ook op verantwoord zullen worden. De ontvangsten van bodemsanering vallen hoog uit omdat in 2002 een groot aantal projecten is afgewikkeld. Het gaat om projecten waaraan in voorgaande jaren bijdragen zijn verleend en waar nu de afrekening heeft plaatsgevonden. Van een aantal projecten is de realisatie goedkoper uitgevallen dan aanvankelijk verwacht waardoor nu geld terug wordt gekregen. Een bijkomende reden voor de hoge realisatie is dat een aantal zaken eerder in behandeling is genomen of sneller is afgewikkeld dan voorzien.

Artikel 16 Nominaal en onvoorzien

Bedragen in EUR1000

Artikel 16 Nominaal en OnvoorzienRealisatieVastgestelde begrotingVerschil
1. Verplichtingen0– 7 2577 257
2. Uitgaven0– 7 2577 257
• Loonbijstelling (c)000
• Prijsbijstelling (c)000
• Onvoorzien (c)01 818– 1 818
• Nader te verdelen0– 9 0759 075

BIJLAGE 1

VERDIEPINGSBIJLAGE

Verantwoordingsstaat van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2002

Bedragen in 1000

   (1)(2)(3) (4)=(1)+(2)+(3)(5)(6)=(5)–(4)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingMutaties (+ of –) op grond van 1e suppletore begrotingMutaties (+ of –) op grond van 2e suppletore begroting Totaal geraamdRealisatieSlotwetmutaties (+ of –) (+ = tekortschietend geraamd beschikbaar bedrag)
   verplich-tingenuitgavenontvangstenverplich-tingenuitgavenontvangstenverplich-tingenuitgavenontvangsten verplich-tingenuitgavenontvangstenverplich-tingenuitgavenontvangstenverplich-tingenuitgavenontvangsten
  Totaal 3 403 485109 921 – 73 103+ 72 789 + 162 288– 13 928 3 492 670168 782 3 268 075130 392 – 224 595– 38 390 
                      
  Beleidsartikelen                   
01Strategische beleidsontwikkeling en monitoring67 98171 4564 084– 467+ 4 832+ 2 201+ 1 028+ 4 522  68 54280 8106 28574 88878 6454 489+ 6 346– 2 165– 1 796
02Betaalbaarheid van het wonen1 809 8311 884 19874 395+ 87 279+ 29 572+ 5 200+ 658 294+ 168 017– 16 700 2 555 4042 081 78762 8952 467 3841 935 58742 342– 88 020– 146 200– 20 553
03Duurzame woningen en gebouwen32 942208 078 + 8 556+ 19 631 – 532– 1 103  40 966226 606 42 349209 562473+ 1 383– 17 044+ 473
04Aantrekkelijke fysieke woonomgeving149 525276 4672 473– 3 627– 81 576 – 13 752+ 11 219  132 146206 1102 473151 044187 6162 470+ 18 898– 18 494– 3
05Sociale kwaliteit van het wonen en de woonomgeving41 34871 161 + 28 736– 7 168 – 28 106– 14 106  41 97849 887 18 03443 293247– 23 944– 6 594+ 247
06Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden24 18232 940357+ 36 959+ 20 549+ 11 680– 15 172– 31 281– 3 000 45 96922 2089 03745 93821 010591– 31– 1 198– 8 446
07Verbeteren integrale milieukwaliteit op lokaal niveau290 376255 887 + 229 787+ 42 143+ 41 044+ 28 784+ 13 843+ 6 680 548 947311 87347 724375 324280 93129 308– 173 623– 30 942– 17 611
08Versterken ruimelijke kwaliteit landelijke gebieden11 92915 176    + 230+ 230  12 15915 406 14 83017 4051 472+ 2 671+ 1 999+ 1 472
09Versterken ruimelijke kwaliteit in Europees verband10 54110 606 – 2 679– 4 651 – 2 852– 1 211  5 0104 744 3 3564 125 – 1 654– 6190
10Verbeteren nationale milieukwaliteit17 41222 4844 992– 60– 351+ 261– 3 256– 2 328  14 09619 8055 25314 03217 3143 580– 64– 2 491– 2 478
11Tegengaan klimaatverandering en emissies235 827241 0223 176+ 235 819– 126 464+ 1 947– 2 558+ 425  469 088114 9835 123280 42493 2023 093– 188 664– 21 781– 2 030
12Beheersen milieurisico's van stoffen, afval en straling35 51337 781908– 2– 2 609 + 3 088+ 2 285– 908 38 59937 457 39 35638 77316+ 757+ 1 316+ 16
13Handhaving74 10077 094882+ 6 560+ 6 560 + 3 562+ 3 164  84 22286 81888288 34388 3892 067+ 4 121+ 1 571+ 641
14Huisvesting Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat en Ministerie van Algemene Zaken47 50447 504 – 3 732– 3 732 + 66+ 66  43 83843 838 39 65839 6582 481– 4 180– 4 180+ 2 481
                      
  Niet-beleidsartikelen                   
15Algemeen156 471158 88818 654+ 31 996+ 30 484+ 10 456+ 1 246+ 565  189 713189 93729 110221 982212 56537 763+ 32 269+ 22 628+ 9 197
16Nominaal en onvoorzien– 7 257– 7 257 – 323– 323 + 7 981+ 7 981  401401    – 401– 4010

Verantwoordingsstaat van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2002

Verdiepingsbijlage

Agentschap: Rijksgebouwendienst

Bedragen in 1000

  (1)(2)(3)(4)=(1)+(2)+(3)(5)(6)=(5)-(4)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingMutaties (+ of –) op grond van 1e suppletore begrotingMutaties (+ of –) op grond van 2e suppletore begrotingTotaal geraamdRealisatieSlotwetmutaties (+ of -) (+ = tekortschietend geraamd bedrag)
 Rijksgebouwendienst      
        
 Totale baten977 4360+ 33 1091 010 5451 157 424+ 146 879
 Totale lasten957 5540+ 47 9121 005 4661 128 170+ 122 704
 Saldo van baten en lasten19 8810– 14 8035 07929 254+ 24 175
        
 Totale kapitaalontvangsten374 045– 13 024+ 150 000511 021597 859+ 86 838
 Totale kapitaaluitgaven485 021– 9 868+ 178 165653 318720 002+ 66 684

BIJLAGE 2

De saldibalans van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer per 31 december 2002(opgemaakt naar de stand van 12 maart 2003)

Bedragen in EUR1000

   31-12-2002 31-12-001   31-12-2002 31-12-2001
1.Uitgaven ten laste van de begroting 2001 3 772 7782.Ontvangsten ten gunste van de begroting 2001 205 590
3.Uitgaven ten laste van de begroting 20023 268 069 4.Ontvangsten ten gunste van de begroting 2002130 391 
5.Liquide middelen1596.Rekening-courant R.I.C.3 126 5523 554 660
      7.Te verrekenen met R.I.C.12
      8.Rekening-courant fonds LUVO2 4382 420
9.Uitgaven buiten begrotingsverband2 15446010.Ontvangsten buiten begrotingsverband10 85610 575
 Subtotaal3 270 2383 773 247 Subtotaal3 270 2383 773 247
11.Extra-comptabele vorderingen111 911103 27211a.Tegenrekening extra-comptabele vorderingen111 911103 272
12.Voorschotten4 824 7125 100 39712a.Tegenrekening voorschotten4 824 7125 100 397
13.Deelnemingen2 652 13a.Tegenrekening deelnemingendeelnemingen  2 652
14a.Tegenrekening extra-comptabele schulden1 9222 43814.Extra-comptabele schulden1 9222 438
15a.Tegenrekening openstaande verplichtingen6 045 2635 653 23215.Openstaande verplichtingen6 045 2635 653 232
16a.Tegenrekening garantieverplichtingen1 640 4013 283 40916.Garantieverplichtingen1 640 4013 283 409
Totaal-generaal15 894 44717 918 647 Totaal-generaal 15 894 44717 918 647

De toelichting bij de saldibalans (bedragen in EUR1000)

Ad 3. Uitgaven ten laste van de begroting 2002

Het bedrag van € 3 268 069 betreft het totaal van de artikelen van uitgaaf m.b.t. het begrotingsjaar 2002 naar de stand van 12 maart 2003 en is gespecificeerd in de verantwoordingsstaat, welke is opgemaakt conform model 4.15, behorende bij de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften 2003. Het verschil tussen het totaal van de begrotingsuitgaven voorkomend in de verantwoordingsstaat en het totaal voorkomend op de saldibalans wordt veroorzaakt door de afrondingsmethodiek zoals is voorgeschreven in vorengenoemde begrotingsvoorschriften.

Ad 4. Ontvangsten ten gunste van de begroting 2002

Het bedrag van € 130 391 betreft het totaal van de ontvangstenartikelen m.b.t. het begrotingsjaar 2002 naar de stand van 12 maart 2003 en is gespecificeerd in de verantwoordingsstaat, welke is opgemaakt conform model 4.15, behorende bij de Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften 2003. Het verschil tussen het totaal van de begrotingsontvangsten voorkomend in de verantwoordingsstaat en het totaal voorkomend op de saldibalans wordt veroorzaakt door de afrondingsmethodiek zoals is voorgeschreven in vorengenoemde begrotingsvoorschriften.

Ad 5. Liquide middelen

Het bedrag van € 15 is als volgt te specificeren:

Bankrekeningen € 1

Kasgelden € 14

Ad 6. Rekening-courant R.I.C.

Het saldo per 31 december 2002 van het Rijksbegroting Informatie Centrum (R.I.C.) bedraagt € 3 126 552 en is als volgt opgebouwd:

Saldo volgens het saldobiljet van het R.I.C. zie brief

BZ 3002–156 M d.d. 5 februari 2003 € 3 115 760

Nagekomen verrekeningen met het FES €    10 792

Totaal € 3 126 552

Ad 7. Te verrekenen met R.I.C.

Het saldo van € 1 heeft betrekking op saldodragende RABO-rekeningen van het DGW.

Ad 8. Rekening-courant Fonds Luchtverontreiniging (LUVO)

Het saldo ultimo december 2002 bedraagt € 2 438. Onder deze balansrekening is de «schuld» van het Rijk aan het fonds LUVO opgenomen. Het jaarverslag en de bijbehorende jaarrekening 2002 van het fonds moeten nog worden goedgekeurd, waarna de rente bij het Ministerie van Financiën kan worden geclaimd. De rente is voorlopig bepaald op € 18.

Ad 9. Uitgaven buiten begrotingsverband

Het bedrag is als volgt opgebouwd:

Te verrekenen met andere departementen € 926

Te verrekenen met lagere overheden/overige derden € 1 228

Totaal € 2 154

Ad 10. Ontvangsten buiten begrotingsverband

Het bedrag is als volgt opgebouwd:

Te verrekenen met andere departementen € 0

Te verrekenen met lagere overheden/overige derden € 10  856

€ 10 856

Het bedrag van € 10 856 bestaat voornamelijk uit af te dragen loonheffing en pensioenpremies (€ 8 673).

Ad 11. Extra-comptabele vorderingen:

Ad 11a. Tegenrekening Extra-comptabele vorderingen

Het verloop van de vorderingen in 2002 (EUR1000)

Stand vorderingen per 31-12-2001 103 272
Bij: In 2002 ontstane vorderingen 112 419
  215 691
Af: Ontvangen90 714 
Ingetrokken6 644 
Definitief buiten invorderingstelling c.q. kwijtschelding6 422 
 103 780 
Stand vorderingen per 31-12-2002 111 911

Overzicht van de vorderingen naar diensten en ouderdom per 31 december 2002 (EUR1000)

DienstenVóór 200120012002Totaal
Algemeen (incl. RPB)153611629
VI285883381 206
Rijkshuisvesting0000
Wonen28 3164 65536 35069 321
Ruimte11311115
Milieubeheer26 76316213 71540 640
Totaal55 4925 70450 715111 911

Toelichting:

Ten opzichte van 2001 is het vorderingensaldo met ca. 8% gestegen (van € 103 mln naar € 112 mln). Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging bij de dienst Wonen (€ 18 mln) en een daling bij de dienst Milieubeheer (€ 11 mln).

Omvangrijke vorderingen:

Van het totale vorderingensaldo heeft ca. 61 mln betrekking op vorderingen die zijn ingesteld in het kader van de huursubsidie (artikel 02 Betaalbaarheid van het wonen) als gevolg van controles op het inkomen en de bewoning.

De omvang van het vorderingensaldo vóór 2001 wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door een in 1996 op artikel 12 Beheersen milieurisico's van stoffen, afval en straling verantwoorde achtergestelde lening van 18,2 mln aan de COVRA. Deze lening zal in principe niet eerder dan per 2016 worden terugbetaald.

Van het totale vorderingensaldo heeft ca. 13,5 mln betrekking op vorderingen die zijn ingesteld in het kader van Kostenverhaal bodemsanering. Deze vorderingen hebben een doorlooptijd die kan oplopen tot enkele jaren, aangezien deze vaak via gerechtelijke weg moeten worden afgedwongen. Invordering vindt plaats via de landsadvocaat.

Daarnaast zal een vordering van 6,7 mln worden ingesteld ter grootte van de uitgaven 2002 in 2003.

Ad 12. Voorschotten

Ad 12a. Tegenrekening voorschotten

Het verloop van de voorschotten binnen en buiten begrotingsverband in 2002

 (EUR1000)
Stand voorschotten per 31-12-2001* 5 116 241
Bij: In 2002 verleende voorschotten1 703 092
 6 819 333
Af: Afgerekende voorschotten1 994 621
Stand voorschotten per 31-12-20024 824 712

* Als gevolg van een overdracht energiebesparende maatregelen van EZ naar dienst Wonen is de eind / beginstand verhoogd met de door EZ betaalde voorschotten ad 15 844.

Overzicht van de voorschotten naar diensten en ouderdom per 31 december 2002 (EUR1000)

Dienstenvóór 200120012002Totaal
Algemeen (incl RPB)3 6866 28111 48321 450
VI4 25713 64919 36637 272
Rijkshuisvesting068 59958 581127 180
Wonen1 036 6372 027 811263 7623 328 210
Ruimte112 55914 6903 673130 922
Milieubeheer397 206294 720397 2011 089 127
Totaal binnen begrotingsverband1 554 3452 425 750754 0664 734 161
Departementen10 98755 44823 42689 861
Derden31341336690
Totaal buiten begrotingsverband11 30055 48923 76290 551
Totaal – generaal1 565 6452 481 239777 8284 824 712

Toelichting:

Ten opzichte van 2001 is het totaal uitstaande bedrag ultimo 2002 met ca. 6% gedaald. Eind 2001 was dit 5,1 mld, terwijl het saldo eind 2002 4,8 mld bedroeg. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een afname van de voorschotten in het kader van de individuele huursubsidie (artikel 02 Betaalbaarheid van het wonen)

Ad 13. Deelnemingen

Ad 13a. Tegenrekening Deelnemingen

COVRA NV:

De deelneming in COVRA NV welke op de saldibalans per 31 december 2001 tegen de oorspronkelijke aankoopprijs van € 368 mln. was opgenomen is per 8 augustus 2002 overgedragen aan het Ministerie van Financiën.

AVR CHEMIE BV:

De deelneming in AVR Chemie welke op de saldibalans per 31 december 2001 tegen de oorspronkelijke aankoopprijs van € 2,284 mln. was opgenomen is per 1 december 2002 overgedragen aan het Ministerie van Financiën.

Ad 14. Extra-comptabele schulden

Ad 14a. Tegenrekening extra-comptabele schulden

Het saldo bestaat uit het totaalbedrag van de onbetaalde facturen waarvoor geen verplichting in de GVKA is geregistreerd (verplichting = kas). Hierbij gaat het om een deel van de materiële en personele uitgaven.

Ad 15. Openstaande verplichtingen

Ad 15a. Tegenrekening openstaande verplichtingen

Het verloop van de verplichtingen binnen en buiten begrotingsverband in 2002 (excl. Garanties) (EUR1000)

Stand verplichtingen per 31-12-2001 * 5 675 477
Bij: Aangegane verplichtingen/verhogingen 3 892 092
  9 567 569
Af: Betalingen3 295 766 
Verlagingen/intrekkingen oude jaren 226 540 
 3 522 306 
Stand verplichtingen per 31-12-2002 6 045 263

* Als gevolg van een overdracht energiebesparende maatregelen van EZ naar dienst Wonen is de eind/beginstand verhoogd met 22 245

Overzicht van de verplichtingen naar diensten en ouderdom per 31 december 2002 (EUR1000)

Beleidsterreinvóór 200120012002Totaal
Algemeen (incl RPB)4 1922 05231 13437 378
VI05 24818 60423 852
Rijkshuisvesting0000
Wonen3 954 544125 458764 8344 844 836
Ruimte9 59510 02836 23655 859
Milieubeheer367 046231 061416 6161 014 723
Totaal binnen begrotingsverband4 335 377373 8471 267 4245 976 648
Departementen59 881885 79965 768
Derden1 7384886212 847
Totaal buiten begrotingsverband61 6195766 42068 615
Totaal – generaal4 396 996374 4231 273 8446 045 263

Toelichting:

Van het saldo m.b.t. de dienst Wonen heeft 0,6 mld betrekking op doorlopende verplichtingen. Het kenmerk van deze verplichtingen is, dat op het moment van de juridische grondslag de omvang van de financiële verplichting nog niet vaststaat. De feitelijke betalingsverplichting wordt jaarlijks berekend op basis van ondermeer de vastgestelde huurtrend (in 2002: 3,2%) en de geldende rente (voor 2003: 5,1% en volgende jaren: 5,0%). Bij deze «verplichtingen» staat op het moment van de juridische grondslag de netto contante waarde van de financiële verplichting in beginsel vast. De nominale verplichting kan als gevolg van de renteconversie wijzigen. Teneinde deze toekomstige (nominale) betalingsverplichting van de doorlopende verplichtingen toch op de saldibalans tot uitdrukking te brengen zijn deze openstaande «verplichtingen» geraamd.

Eind 2002 staat 6,0 mld aan verplichtingen binnen en buiten begrotingsverband open. Hiervan heeft 1,0 mld betrekking op de dienst Milieubeheer en 4,8 mld betrekking op de dienst Wonen.

De verplichtingen «afkoop NWI's» zijn per 31 december 2002 voor € 60 mln opgenomen. In 2003 hebben de laatste afkopen voor € 74 mln (peildatum 31-12-2002) plaats gevonden.

Ten opzichte van 2001 is de stand van de openstaande verplichtingen met ca. 6,5% gestegen. Deze stijging is voornamelijk terug te vinden bij de dienst Milieubeheer.

Ad 16. Garantieverplichtingen

Ad 16a. Tegenrekening garantieverplichtingen

De per 31 december 2002 nog lopende garanties (EUR1000)

ArtikelOmschrijving soort regelingMaximaal garantiebedragStand per 31-12-2002
A. 100% deelname van het Rijk
1. 02StudentenhuisvestingLeningovereenkomst40 000
2. 02HuurwoningenIdem1 555 000
3. 02WoningverbeteringIdem45 000
4. 02IsolatiemaatregelenIdem
5. 02WoonwagensvoorzieningenIdem
B. Specifieke garanties
1. 02St. Waarborgfonds sociale woningbouwMax. miljoen per jaar + achtervang
2. 02St. Waarborgfonds eigen woningenAchtervangfunctie
3. 11St. Bureau Milieu Effect RapportageKwartaal huur (eigendom Spoorwegpensioenfonds)70
4. 07Garantieregeling m.b.t. bodemsaneringskredietenVlgs borgstellingsovereenkomst331
5. 11St. IRCP.M.
6. 10College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB)P.M.
7. 12Garanties HABOG participanten COVRAGeldelijke aansprakelijkheid voor onvoorziene Rijksbesluitvorming na 2014 P.M.
Totaal1 640 401

Toelichting:

Met ingang van 1992 zijn de garanties expliciet op de saldibalans vermeld. De voor de dienst Wonen verantwoorde garantieverplichtingen betreffen de uitstaande garanties die in overeenstemming met het ministerie van Financiën, gebaseerd zijn op ramingen. Het verschil met de onder Ad. 15 verantwoorde openstaande verplichtingen is, dat de uitstaande garanties geen betalingsverwachting betreffen doch zuiver de verstrekte garantiebedragen.

De daling van € 3,3 naar € 1,6 mld van de totale uitstaande garanties is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de dienst Wonen en is onder meer het gevolg van de volgende mutaties:

• Door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw is voor ongeveer € 0,9 mln aan vrijwaringen verleend;

• De stand bij de complexen waarvan de looptijd is verstreken is verminderd met € 500 mln;

• De stand van de NWI's is verminderd met € 51 mln;

• De jaarlijkse toename door de zogenaamde «klim» op de niet gevrijgewaarde complexen bedraagt € 36 mln.

BIJLAGE 3

AANBEVELINGEN ALGEMENE REKENKAMER

Reactie op de opmerkingen van de Algemene Rekenkamer n.a.v. het rechtmatigheidsonderzoek 2001

1. Hoofdbeleidsterrein Algemeen.

Autorisatiebeheer geautomatiseerde systemen en implementatievoorschriften

Bij enkele Directoraten zijn maatregelen genomen om het autorisatiebeheer te verbeteren.

Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksoverheid

Er is een maatregelen-baseline ontwikkeld voor de informatiebeveiliging. Met de implementatie van de 450 maatregelen zal VROM voldoen aan het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksoverheid. De vijftien belangrijkste zijn in 2002 geimplementeerd. De VROM brede baseline is vastgesteld in 2002. Bij diverse organisatieonderdelen wordt aandacht besteed aan de implementatie van het VIR.

Projectmatig zijn de kwetsbare applicaties en kritische systemen in beeld gebracht. Evenzo projectmatig wordt gewerkt aan een incidentenregistratie.

Baseline financieel en materieel beheer

Er is gewerkt aan het wegwerken van de witte vlekken tussen de baseline en het handboek DFEZ en de administratieve organisatie van de diensten. De afronding zal in 2003 plaatsvinden.

Europese aanbestedingsrichtlijnen

Aanbevelingen van de Accountantsdienst voor de beheersmaatregelen rond het inkoopproces zijn in een werkgroep besproken in relatie tot consequenties en oplossingsrichtingen.

Het Vrom Inkoop Centrum (VIC) verzorgt alle Europese aanbestedingen van het kerndepartement. Alle inkopen die verplicht Europees moeten worden aanbesteed worden door het VIC gekanaliseerd.

Ondanks alle maatregelen komt het incidenteel voor dat de grenzen van de Europese aanbestedingsrichtlijnen worden overschreden. Beheersingsmaatregelen terzake zijn geimplementeerd.

Materieel beheer

Voor de registratie van andere materiële goederen dan ICT-middelen en kunstvoorwerpen is een centraal registratie-format ontwikkeld. Inmiddels zijn inventarisaties uitgevoerd.

Kengetallen begroting

Er wordt op meer systematische wijze nagedacht over samenhang tussen prestaties, middelen en zinvolle indicatoren in de vorm van prestatiegegevens of kengetallen. De begroting wordt in het Jaarverslag gevolgd.

VBTB

Ministerie heeft besloten om de nieuwe P&C cyclus te ondersteunen door aanpassing en aanvulling op het huidige financiële informatiesysteem. Daarbij is bekeken hoe de financiële en niet financiële informatie tot elkaar in relatie kunnen worden gebracht. Afgesproken is om middels een groeipad, beginnend met financiële data, toe te werken naar een aanvaardbare datawarehouse.

2. Hoofdbeleidsterrein Wonen

Bestrijden en opsporen van misbruik en oneigenlijk gebruik bij individuele huursubsidie

Hieronder volgen de belangrijkste opmerkingen van de Rekenkamer met daarbij aangegeven de in gang gezette verbeteracties

onduidelijkheden over vermogenstoetsen: er bestaat een convenant tussen VROM en Belastingdienst. De Rekenkamer heeft geconstateerd dat er ultimo 2001 achterstanden waren in de door de Belastingdienst op te leveren periodieke rapportage over de vermogenstoetsen. De rapportage over het subsidiejaar 1998/1999 is eind 2000 opgeleverd. In het Directeurenoverleg Belastingdienst, Directie Particulieren en Directie IBS van 22 november 2000 is besloten dat de rapportage over de subsidiejaren 1997/1998, 1999/2000 en 2000/2001 tegelijkertijd worden opgesteld. Overeenkomstig dit besluit is de rapportage over de laatstgenoemde jaren begin 2002 opgeleverd. Met ingang van 1 januari 2001 is het nieuwe belastingstelsel in werking getreden. Voor de vermogenstoets in het kader van de Huursubsidie wet wordt, met ingang van het subsidiejaar 2002/2003, aangesloten bij het nieuwe vermogensbegrip in box III. Dit betekent een op een controle vooraf, waardoor het aantal ten onrechte verstrekte bijdragen zal afnemen. Inmiddels is met ingang van 1 juli 2002 een nieuw convenant in werking getreden. Een evaluatie van de vermogenstoets in de Huursubsidiewet is in mei 2002 opgeleverd. In verband met de nieuwe Belastingwet en het daaruit voortvloeiende nieuwe vermogensbegrip in box III heeft deze evaluatie geen consequenties voor de informatie uitwisseling met de belastingsdienst. Wel is deze evaluatie gebruikt om verbetering aan te brengen in de interne procedures bij VROM. Zoals hiervoor al is aangegeven is onder andere de nieuwe belastingwetgeving reden geweest om een nieuw convenant met de Belastingsdienst af te sluiten. De vermogenstoets, die viel onder het oude convenant loopt nog door tot het najaar 2003. In het najaar zal een eindrapportage vermogenstoets opgesteld worden (inclusief 2001/2002 ), welke naar de Tweede Kamer zal worden gezonden.

kwaliteit brongegevens (met name inkomensgegevens): naar aanleiding van een onderzoek waaruit bleek dat in 2.8 % van de gevallen verschillen bestaan in de inkomensgegevens volgens de bestanden van de Belastingdienst en het huursubsidiesysteem beveelt de Rekenkamer aan verder maatregelen te treffen om het aantal verschillen tot een aanvaardbaar minimum terug te brengen. VROM heeft met de Belastingdienst een kwaliteitstraject afgesproken om de (volledigheid van) de gegevens te verbeteren (protocol dec. 2001), onder meer bestaande uit een nacontrole in november 2002, april 2003 en juli 2003. Ten aanzien van de restgroep na juli 2003 zal te zijner tijd M&O beleid worden ontwikkeld. Verder is de achterstallige inkomenscontrole voor coderegeling 29 in 2002 uitgevoerd en de terugvorderingen hieruit voortkomend zijn inmiddels ingesteld. De inkomenscontroles voor coderegeling 30 en 34 waren gepland voor november 2002. Deze zijn echter om bedrijfsmatige redenen in verband met de overbelaste uitvoeringsorganisatie van de huursubsidie verplaatst naar begin 2003. De inkomenscontroles voor coderegeling 31 en 35 blijven voor 2003 gepland. Daarmee wordt de achterstand de komende jaren ingelopen. Voor de nieuwe tijdvakken geldt geautomatiseerde afhandeling. Conform afspraak in het protocol is door VROM in 2002 een steekproef uitgevoerd waarvan de bevindingen zijn afgestemd met de Belastingdienst.

Bestrijden en opsporen van huursubsidiefraude in het algemeen:

De kabinetsnota «Bestrijding fraude en financieel-economische criminaliteit 2002–2006» (Finec-nota, TK 17 050, nr. 234) geeft richting aan het rijksbreed intensiveren van de fraudebestrijding en de interdepartementale afstemming over de speerpunten (zwarte fraude, identiteitsfraude, horizontale fraude) en de financiering daarvan. Het VROM-fraudebeleid richt zich in de Finec-nota primair op de intensivering van de bestrijding van zwarte fraude bij huursubsidie door de capaciteitsinzet met betrekking tot deze vorm van fraudebestrijding te verhogen en te verbijzonderen. Intensiever (meer onderzoeken), gerichter (kennis- en gegevensuitwisseling en risico-analyse) en breder (samenhangende aanpak bij samenlopende fraudedelicten). Vooruitlopend op de uitvoering van de Finec-nota zijn er binnen VROM een aantal ontwikkelingen in gang gezet. De oprichting van een specifieke afdeling Subsidiefraude bij de VROM-IOD, maakt daar onderdeel vanuit. De afdeling Subsidiefraude verkeert nog in een projectfase. Het Projectbureau Huursubsidie (4 fte) is in 2002 daartoe tijdelijk uitgebreid met recherchecapaciteit (7 fte). In 2002 zijn er, van de 763 signalen, 427 zaken voor onderzoek in behandeling genomen. Voor de vaststelling of een zaak verder moet worden onderzocht, wordt gebruikt gemaakt van weegcriteria. Van de 427 zaken kwamen er na «weging» 270 zaken niet voor nader onderzoek in aanmerking. In hoofdlijnen zijn de weegcriteria zo opgesteld dat voorrang wordt gegeven aan onderzoeken die «hoog scoren» in relatie tot de bewijsbaarheid van het frauduleus handelen alsmede het vermoedelijke schadebedrag (het aantal jaren dat er mogelijk fraude is gepleegd) voor VROM. Van de 157 zaken die na een eerste beoordeling (weging) nader zijn onderzocht hebben er 127 een «positief» frauderesultaat opgeleverd met een totaal schadebedrag van € 404 469,–. De in te zetten opsporingscapaciteit heeft het afgelopen jaar een directe relatie gehad met het aantal onderzochte fraudegevallen bij de huursubsidie. Met betrekking tot mogelijke huursubsidiefraude is het aanbod van het aantal zaken altijd hoger dan de daarvoor in te zetten opsporingscapaciteit. De verwachting is gerechtvaardigd dat door de gerealiseerde uitbreiding er volgend jaar inhoudelijk meer van de geplande 400 zaken kunnen worden opgepakt en afgehandeld. Daar komt bij dat door het opnieuw op te bouwen regionale netwerk van de rechercheurs, er sprake zal zijn van zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve verbetering van de fraudemeldingen.

Verantwoordings- en controlestructuur gedecentraliseerde regelingen:

Over de reikwijdte van de verantwoording door budgethouders en de ministeriële verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid van de uitgaven door budgethouders bij het ISV heeft overleg plaatsgevonden met de Algemene Rekenkamer. Mede naar aanleiding hiervan heeft de Algemene Rekenkamer haar in het Rfv2001 geformuleerde standpunt geevalueerd. In deze evaluatie is geconcludeerd dat de Algemene Rekenkamer de verantwoordings- en controlestructuur zoals vastgelegd in de wettelijke regeling als uitgangspunt dient te nemen. Dit heeft als consequentie dat de Algemene Rekenkamer het geformuleerde standpunt heeft bijgesteld en dat het ontbreken van jaarlijkse verantwoordingverslagen, zoals geaccordeerd door het parlement, niet meer als onvolkomenheid wordt aangemerkt door de Rekenkamer.

3. Hoofdbeleidsterrein Ruimte

Financiële functie DGR

Onder meer door de nieuwe organisatie, de daarbij behorende structuur en de uitbreiding van de financiële functie is een begin gemaakt met de verbetering van de financiële functie.

Ultimo 2002 heeft de DGR de resterende knelpunten in beeld en middels de in het jaarplan 2003 aangekondigde activiteiten rond de mededeling bedrijfsvoering kan met vertrouwen naar het financieel beheer 2003 worden uitgekeken.

Administratieve processen rond Interreg III

Diverse maatregelen zijn ondernomen om de organisatie(structuur) voor Interreg III in te richten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de ervaringen van zowel de Interreg IIC programma's NWMA en Noordzee als van het Irma programma, waarover door DGRegio een positief auditrapport is opgesteld. In 2002 is door de DGR gewerkt aan de totstandkoming van internationale overeenkomsten die de verantwoordelijkheden tussen de programmapartners regelen. Verder zijn zowel nationaal als internationaal niveau procedures ingericht en opgetekend om de benodigde betrouwbaarheid en rechtmatigheid te kunnen waarborgen. Streven van DGR is om zoveel mogelijk waarborgen op het niveau van de internationale beheersen betaalautoriteiten in te bouwen en op nationaal niveau de eventuele gaten te dichten. Voor de vijf programma's waarbij DGR namens VROM de verantwoordelijkheid van lidstaat Nederland invult, zijn de verantwoordelijkheden verschillend belegd. Daarnaast is een aparte controller voor Interreg aangesteld. Ten slotte worden met EZ en SZW interdepartementaal kennis en documenten gedeeld, bijvoorbeeld m.b.t. de controleprotocollen en het draaiboek voor het melden van onregelmatigheden aan het Europese antifraude bureau OLAF.

4. Hoofdbeleidsterrein Milieu

Beheer overdrachtsuitgaven bodemsanering

De toekenning van de meerjarenbudgetten heeft in 2002 plaatsgevonden. De daarvoor noodzakelijke wijziging van de regelgeving is in mei 2002 gepubliceerd. In afwijking van de voorwaarden gesteld in de Wet Bodem Beheer en de Regeling Financiële Bepalingen zijn de door de provincies en gemeenten te verrichten prestaties, zoals opgenomen in de ingediende meerjarenprogramma's voor de budgetperiode 2002–2004, in onvoldoende mate meetbaar gebleken. Naast de informatie in de tweede suppletore begroting is over de genomen maatregelen informatie aan de Tweede Kamer verstrekt (brief van 31 oktober jl. TK 28 199, nr. 4).

Inmiddels hebben acties ertoe geleid dat de rechtmatigheid voor het kalenderjaar 2002 is hersteld. Daarnaast zijn de zogenaamde lange termijn acties in beeld gebracht in een plan van aanpak met deelprojecten met deadlines die doorlopen naar het realiseren van het programmatisch kader 2005–2009 m.b.t. regelgeving en financiën in samenhang met de verdeelsleutel toekomstige bodembudgetten.

Eén van de deelprojecten is de werkvoorraad kostenverhaalzaken. De totale werkvoorraad is in beeld. Elk kwartaal verschijnt een voortgangsrapportage over de afhandeling van de werkvoorraad.

Grote activiteiten als het stuiten van bekende zaken, het registreren van alle projecten en kosten in een database en het compleet maken van de dossiers zijn afgerond. In 2003 zal naar verwachting het grootste deel van de werkvoorraad worden afgerond. Van de resterende projecten zal de feitelijke afronding na 2004 plaatsvinden omdat deze moeilijk eenzijdig zijn te beinvloeden.

Een ander afgesproken traject is dat de verificatie- en controlstructuur binnen DGM door een werkgroep zal worden herijkt en vormgegeven.

Invordering subsidies gevelisolatie

Opdracht is verstrekt aan Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV) voor invordering. Maandelijks wordt hierover gerapporteerd. Bij de afhandeling van nog niet verjaarde vorderingen is rekening gehouden met de ontstaansdatum.

5. Hoofdbeleidsterrein Rijksgebouwendienst

In het rechtmatigheidsonderzoek bij de jaarverantwoording 2001 is een vervolgbezwarenonderzoek uitgevoerd door de Algemene Rekenkamer. Een vervolgbezwarenonderzoek definieert de Algemene Rekenkamer in haar rechtmatigheidsonderzoek 2001 als een vaste interne procedure in het systeem van het bezwaaronderzoek. De Algemene Rekenkamer concludeerde dat er sprake was een aantoonbare verbetering van het financieel beheer bij de Rgd, en dat er op een aantal punten nog verbeterpunten doorliepen in 2002. Mede om die reden heeft de Algemene Rekenkamer het onderzoek gecontinueerd. Het betreft een vijftal punten waar naar de mening van de AR sprake is van onvolkomenheden. Aan deze punten is in 2002 veel aandacht besteed, waarbij veel aspecten gecombineerd zijn met de voorbereiding van de nieuwe organisatie.

a. Informatievoorziening (o.a. gebruikersvriendelijkheid IRIS en informatiebeveiliging).

In 2002 is veel aandacht besteed aan de verdere optimalisering van het gebruik van IRIS. Het belangrijkste project betrof de conversie van de activa-, contracten- en factureringsgegevens uit een stand-alone-omgeving naar het geïntegreerde informatiesysteem. Ultimo 2002 is project COSI afgerond. Tegelijkertijd is er een project uitgevoerd om de dossiers van de gehele vastgoedadministratie op orde te brengen. Met deze acties is een goede voorbereiding getroffen van de nieuwe organisatie.

Het tweede aspect betreft informatiebeveiliging. In 2002 heeft een audit naar informatiebeveiliging van IRIS plaatsgevonden. Deze audit richtte zich op de beveiligingsmaatregelen rond IRIS en de werking ervan om aan de eisen van beschikbaarheid en exclusiviteit te voldoen. Er zijn inmiddels maatregelen geformuleerd om aan de gestelde, aangescherpte eisen te voldoen.

b. Administratieve organisatie.

Een belangrijk aspect van het financieel beheer, in het bijzonder in transitieperiodes, is de administratieve organisatie. Om die reden zijn alle procesbeschrijvingen vernieuwd c.q. geactualiseerd, waarbij ook intensief de opbouwteams van de nieuwe organisatie zijn betrokken. In dit kader zijn ook de inrichtingsafspraken van de nieuwe organisatie voorbereid, die de basis vormen voor de samenwerking tussen de Rgd bedrijfsonderdelen in de nieuwe organisatie.

c. Inrichting van de financiële functie, onder meer de ontwikkeling van de planning- en control-cyclus en de kwaliteit van de Interne Controlefunctie.

In de nieuwe organisatie van de Rgd verandert ook de financiële functie van de Rgd. De kaderstellende en control-taken worden gescheiden van de financieel-administratieve werkzaamheden, die in de stafafdeling Concern Financiële Zaken worden ondergebracht. Deze stafafdeling werkt ondersteunend voor alle bedrijfsonderdelen van de Rgd. Ter ondersteuning van het management van de afzonderlijke bedrijfsonderdelen is er een controlfunctie binnen dat onderdeel. In de jaren 2003 en 2004 zal er nog sprake zijn van een verbijzonderde gegevensgerichte controle. Door middel van procesverbeteringen en systeemaanpassingen is de verwachting dat deze verbijzonderde gegevensgerichte controle kan worden afgebouwd. De planning- en controlcyclus heeft inmiddels een stevige inbedding gekregen in het agentschap Rgd.

d. Administratie en jaarverantwoording (o.a. realiseren van interne deadlines).

In 2002 zijn er verdere verbeteringen doorgevoerd in het administratieproces. Zo is de jaarverantwoording 2002 geheel binnen het informatiesysteem IRIS tot stand gekomen. De voornaamste problemen die in 2002 zijn opgetreden hebben betrekking op het complexe proces van afsluiten van projecten. Dit proces heeft direct invloed op de facturering en de lening-administratie. Aan het begin van het jaar zijn vertragingen opgetreden in het afsluitingsproces die pas in het laatste kwartaal van 2002 zijn ingelopen. Deels vloeit deze vertraging voort uit het feit dat een deel van de gegevens betrekking heeft op uitgaven uit voorgaande jaren, die niet zijn geconverteerd naar het nieuwe informatiesysteem. De verwachting is derhalve dat dit proces de komende jaren steeds vloeiender zal verlopen.

e. Voorbereiding nieuwe organisatie (stabiele situatie).

In 2002 is door de Rgd en in het bijzonder ook door de financiële kolom veel aandacht besteed aan de voorbereiding van de nieuwe organisatie (zoals de beschrijving van de nieuwe administratieve organisatie). In het tweede half jaar is een audit uitgevoerd naar deze voorbereidingen. Doel van deze audit was om te constateren of de reorganisatie verantwoord plaats kon vinden. Geconcludeerd is dat met inachtneming van een aantal belangrijke aandachtspunten de reorganisatie met ingang van 2003 door kan gaan. Tegelijkertijd is ook een aantal aspecten van het financieel beheer verder verbeterd.

BIJLAGE 4

JAARVERSLAG 2002 AGENTSCHAP RIJKSGEBOUWENDIENST

Leeswijzer

Het jaarverslag van het Agentschap Rgd bestaat uit 2 delen.

Deel A betreft het beleidsverslag.

In hoofdstuk 1 wordt nader ingegaan op de missie, visie en strategie van de Rijksgebouwendienst (Rgd). Dit hoofdstuk gaat tevens in op de hoofddoelstellingen, producten en diensten en resultaten van de Rgd, zoals deze zijn geformuleerd in de Begroting 2002. Door middel van prestatiegegevens wordt inzicht gegeven in de mate waarin de doelstellingen en voorgenomen resultaten zijn gerealiseerd.

Hoofdstuk 2 betreft de bedrijfsvoering. Opgenomen is de mededeling over het financieel en materieel beheer en de daarover bijgehouden administraties. Daarnaast wordt ingegaan op de opmerkingen van de Algemene Rekenkamer (AR) bij de financiële verantwoording 2001, het integriteitbeleid bij de Rgd en de rijkshuisvesting buiten de Rgd.

Deel B betreft de jaarrekening van het Agentschap Rgd.

Hoofdstuk 3 bevat de rekeningstaat.

Hoofdstuk 4 bevat de balans en een toelichting op de balans.

Hoofdstuk 5 bevat de rekening. De rekening bestaat uit het overzicht van baten en lasten, het overzicht van de ontwikkeling van het eigen vermogen, het kasstroomoverzicht en een toelichting op de verschillende staten.

A Beleidsverslag

1. Missie, Visie, Strategie

1.1 Missie

De Rgd wil rijksoverheidsdiensten passende huisvesting bieden waarin het blijvend plezierig werken is.

1.2 Visie

Om ook in de toekomst gezien te worden als dé huisvestingsorganisatie voor en van de rijksoverheid, streeft de Rgd continu naar verdere innovatie en optimalisatie van haar diensten. Hierbij stellen wij de wensen en behoeften van onze opdrachtgevers centraal. In nauw overleg met hen willen we bovendien een actieve bijdrage leveren aan de beleidsdoelstellingen van het rijk ten aanzien van stedelijke ontwikkeling, monumentenzorg en duurzaamheid. Door elke opdracht professioneel, slagvaardig en (kosten)efficiënt te benaderen, moeten onze opdrachtgevers concluderen dat de Rgd de beste partij is om mee samen te werken.

1.3 Strategie

Om de visie met succes te realiseren, hanteert de Rgd een strategie gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

Partnership met de klant:

Wij stellen ons niet op als leverancier, maar als volwaardige en betrouwbare huisvestingspartner die opkomt voor de belangen van de opdrachtgever.

Maatwerk oplossingen:

Wij zijn gewend om ons te verplaatsen in de wensen van onze opdrachtgevers en kunnen voor elk huisvestingsvraagstuk, hoe complex ook, een oplossing op maat ontwikkelen.

Integrale dienstverlening:

Wij willen onze opdrachtgevers álle zorg rond hun huisvesting uit handen nemen in samenwerking met externe specialisten die aan onze hoge kwaliteitscriteria voldoen.

Optimale prijs/kwaliteitverhouding:

Wij zijn permanent uit op efficiencyverbeteringen en het creëren van schaalvoordelen wat voor onze opdrachtgevers resulteert in een optimale prijs/kwaliteitsverhouding.

Investeren in ontwikkeling:

Wij stimuleren al onze medewerkers om hun vakkennis te verbreden en te verdiepen zodat zij berekend zijn op de toekomstige wensen en eisen van onze opdrachtgevers.

Van alle Rgd medewerkers wordt verwacht dat zij de missie, visie en strategie kennen en daar naar handelen.

1.4 Doelstellingen uit de Begroting 2002

In de Begroting 2002 zijn drie doelstellingen met een randvoorwaarde geformuleerd en geoperationaliseerd:

• Het leveren van adequate huisvesting met tevreden klanten.

• De baten en lasten dienen over een langere periode bezien in evenwicht te zijn.

• Het leveren van toegevoegde waarde als overheidsdienst.

Naast deze doelstellingen geldt als randvoorwaarde een goed functionerende Rgd.

Hierna worden de doelstellingen en randvoorwaarde toegelicht en conform de begroting 2002 voorzien van gekwantificeerde prestatiegegevens. De diverse onderwerpen worden nader toegelicht bij de beleidsdoelstellingen en randvoorwaarde, waarop ze betrekking hebben.

1.4.1 Beleidsdoelstelling: Adequate huisvesting

De Rgd draagt zorg voor het adequaat huisvesten van de rijksoverheid in brede zin. Het bijdragen aan een effectief functioneren van het overheidsapparaat als geheel door middel van adequate huisvesting staat daarbij voorop.

Door middel van de omvang en samenstelling van de voorraad wordt inzicht gegeven in de mogelijkheden die de Rgd heeft om op basis van deze voorraad optimaal invulling te geven aan de rijkshuisvesting. De Rgd verzorgt de huisvesting voor de volgende klanten:

Vastgoedportefeuille per 31-12-2001 en 31-12-2002 (in 1000 m2 bvo)

 31-12-200131-12-2002
Categorieën binnen de huur-/verhuursystematiek:  
Buitenlandse Zaken8799
Justitie2 1632 315
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties230242
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen622627
Financiën1 0521 105
Defensie8079
VROM157158
Verkeer en Waterstaat421444
Economische Zaken192196
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij216227
Sociale Zaken en Werkgelegenheid104108
Volksgezondheid, Welzijn en Sport245248
Leegstand binnen huur-/verhuursystematiek135103
Niet-rijksdiensten275281
   
Subtotaal categorieën binnen de huur-verhuursystematiek5 9796 232
   
Categorieën waarvoor de huur-/verhuursystematiek niet geldt:  
Huis der Koningin9090
Hoge Colleges van Staat140139
Algemene Zaken1617
Monumenten met erfgoedfunctie3944
Leegstand buiten de huur-/verhuursystematiek5041
   
Subtotaal categorieën buiten de huur-/verhuursystematiek335331
   
Totaal6 3146 563

De totale vastgoedportefeuille is in m2 bruto vloer oppervlakte (bvo) toegenomen van 6 314 m2 bvo ultimo 2001 naar 6 563 m2 bvo ultimo 2002 (+ 4%). De toename heeft zich met name voorgedaan bij het Ministerie van Justitie (waaronder extra celcapaciteit) en het Ministerie van Financiën (Belastingdienst).

In 2001 is gestart met een onderzoek om vast te stellen in hoeverre het huur-verhuurmodel van het rijkshuisvestingsstelsel ook van toepassing kan worden gemaakt op de Hoge Colleges van Staat (HCvS) en het Ministerie van Algemene Zaken (AZ). Op basis van nader onderzoek zullen concrete voorstellen met HCvS, AZ en het Ministerie van Financiën worden besproken.

De verdeling van de totale voorraad over eigendom en huur respectievelijk monumenten en niet-monumenten is in de volgende tabel aangegeven.

Vastgoedportefeuille per 31-12-2002 (in 1000 m2 bvo)

 31-12-2002In %
Eigendom4 77073
Huur1 79327
Totaal Rgd6 563100
Niet-monumenten5 35882
Monumenten1 20518
Totaal Rgd6 563100

De ontwikkeling van de waarde van het onroerend goed

In relatie met de ontwikkeling in oppervlakte geeft de waardeontwikkeling van de vastgoedportefeuille op basis van historische kostprijs, zoals deze volgt uit vergelijking van de begin- en eindbalans, een weergave van de toegevoegde waarde tengevolge van nieuwe investeringen minus de afschrijvingen en de desinvesteringen. Hiermee geeft de Rgd inzicht in hoeverre de voorraad (eigendomspanden) in stand wordt gehouden en of naar de toekomst toe een toereikende waarde van de portefeuille kan worden gerealiseerd. Uit de waardeontwikkeling blijkt dat de waarde per m2 bvo tussen 1 januari 2002 en 31 december 2002 gemiddeld met 35 is gestegen.

De waarde-ontwikkeling is als volgt:

 Totaal waarde in mln euroWaarde per m2 bvo
Waarde grond en gebouwen beginbalans 20023 985939
Waarde grond en gebouwen eindbalans 20024 049974
Toename waarde grond en gebouwen in 20026435

Operationele doelstelling

De Rgd levert huisvesting die optimaal aansluit bij het primaire proces van de klant. De producten en diensten waarmee de Rgd de beleidsdoelstellingen realiseert zijn onderverdeeld in de volgende vier hoofdgroepen:

• Beheer; omvat die activiteiten die gericht zijn op het in stand houden en garanderen van het gebruik van huisvesting. Deze activiteiten vloeien voort uit de verantwoordelijkheid die de Rgd heeft als eigenaar en beheerder van gebouwen.

• Huisvestingsprojecten; zijn activiteiten die zich richten op het realiseren van een huisvestingsoplossing voor de klant. De klant betaalt voor de huisvesting een gebruiksvergoeding op basis van een gebruiksovereenkomst met de Rgd, tenzij het om inputgefinancierde huisvesting gaat.

• Services; zijn vormen van dienstverlening waarbij de Rgd op verzoek van de klant werkzaamheden uitvoert, die volgens de Regeling Taakverdeling Beheer (RTB) tot de taak van de klant behoren. Ook een beperkt aantal overige services valt hieronder, zoals Facility Management.

• Advisering; betreft het adviseren van de klant over het gebruik van de huisvesting, zonder dat er een directe relatie is met het beheer of een concreet huisvestingsproject.

De Rgd streeft naar tevreden klanten door kwaliteit te leveren. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de functionele kwaliteit, de belevingskwaliteit, de toekomstwaarde, gezondheidsrisico's en een scherpe kosten-kwaliteitsverhouding.

1.4.2 Prestatiegegevens: Adequate huisvesting

Klanttevredenheid

Om te bepalen of de Rgd huisvesting levert die optimaal aansluit bij het primaire proces van de klant en een goede functionele en belevingskwaliteit heeft, is de mate van tevredenheid van de klant een graadmeter. Deze geeft de geschiktheid van de huisvesting voor de klant aan.

Om de mate van tevredenheid te meten heeft de Rgd de klanttevredenheidsmonitor ontwikkeld. Daarmee wordt de tevredenheid gemeten op basis van de volgende indicatoren: de Rgd in het algemeen, de huisvesting, de wijze van onderhoud van de gebouwen, waaronder de afhandeling van storingen, de inhoud van de adviezen, de wijze van communicatie met contactpersonen van de Rgd en de informatievoorziening door de Rgd. De meting vindt jaarlijks plaats. Op basis van de uitkomsten van de meting worden gericht verbeteracties in gang gezet. De resultaten van de jaarlijkse klanttevredenheidsmonitor vormen een onderdeel van de evaluatie van de stelselwijziging in 2004.

Inmiddels is de klanttevredenheidsmonitor voor de vierde keer uitgevoerd. Het algemeen oordeel over het functioneren van de Rgd is uitgekomen op 6,3. Dit is 0,1 punt hoger dan de eerste meting in 1999. Ten opzichte van 2001 (6,4) is dit oordeel iets gedaald.

81% van de klanten geeft een voldoende. Het oordeel van de klanten is gevraagd over 6 onderdelen van de Rgd dienstverlening. De resultaten zijn zowel in een grafiek als cijfermatig in een tabel weergegeven, inclusief de resultaten vanaf de nulmeting (1999).kst-28880-24-3.gif

De klanten beoordelen vier van de zes onderdelen van de dienstverlening met een voldoende (6 of hoger). Het meest tevreden zijn klanten over het functioneren van de accountmanagers. Over de organisatie en werkwijze en het onderhoud is men het minst tevreden.

Uitkomsten klanttevredenheidsmonitor in cijfers:

 1999200020012002
Algemeen oordeel6,26,56,46,3
Onderhoud5,65,96,25,9
Huisvesting6,86,96,86,4
Schriftelijke communicatie6,46,56,36,4
Advisering6,06,66,26,3
Accountmanager6,87,26,77,0
Organisatie en werkwijze6,06,16,15,9

Voor wat betreft organisatie en werkwijze moet de reorganisatie verbetering brengen. De doelen die aan de reorganisatie ten grondslag hebben gelegen zullen vanaf 2003 moeten gaan blijken: de Rgd als klantgerichte, slagvaardige, efficiënte en innovatieve organisatie.

Op basis van de uitkomsten van de meting uit 2001 zijn verbeteracties gestart zoals bijvoorbeeld een informatiecampagne over de Regeling Taakverdeling Beheer en verbetering procedures rond nazorg van projecten. Op basis van de uitkomsten van de meting uit 2002 is besloten de volgende verbeteracties te starten:

• het verbeteren van de communicatie met de klant over de mogelijkheden van de Rgd;

• het doen van onderzoek naar de mogelijkheid om als Rgd toezicht te houden op de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden;

• het doen van onderzoek naar de mogelijkheid om onderhoud van eigendoms- en huurpanden gelijk te trekken;

• het versnellen van de administratieve afhandeling van projecten.

Voor de huisvesting als zodanig is wederom gebleken dat de onderhoudstoestand van groot belang is. Naast de klanttevredenheidsmeting waarmee de gebruikers hun -subjectieveoordeel geven over de onderhoudssituatie van hun huisvesting (inclusief de storingsafhandeling), wordt met de storingsindicator getracht een meer objectief inzicht te geven. Daarnaast wordt een nieuw sturingsinstrument voor planmatig onderhoud ontwikkeld.

Onderhoudsindicator

De afgelopen jaren is in de begroting van de Rgd een indicator opgenomen voor het planmatig onderhoud. Deze indicator, de zogenoemde aspecten-prioriteitenmatrix, is vóór de stelselwijziging ontwikkeld. Sinds de stelselwijziging is de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de gebruikers en de Rijksgebouwendienst betreffende het onderhoud echter veranderd, evenals de financiering van het planmatig onderhoud. Door de veranderde verantwoordelijkheidsverdeling en financiering voldoet de aspecten-prioriteitenmatrix niet meer.

De Rgd is daarom gestart met de ontwikkeling van een nieuw sturingsinstrument voor planmatig onderhoud. Dit nieuwe sturingsinstrument, de meerjarige onderhoudsprognose, is in 2002 gebruikt voor het begroten van middelen voor planmatig onderhoud door de regionale directies. In de toekomst zal het instrument verder worden ontwikkeld en worden gerelateerd aan de gewenste kwaliteit van het betreffende pand. Voorafgaand aan de vaststelling van elke meerjarige onderhoudsprognose per pand zal afstemming met de gebruiker van het pand plaatsvinden. Het nieuwe sturingsinstrument kan naar verwachting in de begroting 2004 voor het eerst worden gepresenteerd. Dit houdt mede verband met de overgang naar het nieuwe informatiesysteem en de daarbij behorende kwaliteitsslag.

In 2002 is gestart met het in kaart brengen van de onderhoudsvoorraad door middel van de uitvoering van inspecties. Aangezien nog geen inzicht bestaat in de gehele voorraad kunnen nog geen conclusies worden getrokken over de eventuele vervolgacties.

Storingsindicator

Naar aanleiding van de resultaten van het klanttevredenheidsonderzoek in 1999 is deze indicator ingevoerd. Bij storingen is het van belang hoe snel een storing kan worden opgelost en de mate waarin zich storingen voordoen.

Voor de afhandeling van storingen hanteert de Rgd als norm:

• binnen 4 uur voor spoedeisende storingen;

• binnen 24 uur voor «normale» storingen.

De doelstelling is om 95% van de storingen binnen deze norm af te handelen.

Sinds 1–1-2000 wordt het aantal storingen voor alle directies op een meer eenduidige manier bijgehouden. De Rgd spant zich in om de technische kwaliteit van de gebouwen en de installaties met behulp van preventief onderhoud en planmatig (vervangings-)onderhoud zo goed mogelijk op peil te houden.

Na de invoering van het uniforme Storingsafhandelingssysteem is merkbaar dat de klanten de Rgd via deze dienstverlening steeds beter weten te vinden. Daarnaast spreken klanten de Rgd, sinds de stelselwijziging, krachtiger aan en hebben daarvoor een dagelijks te hanteren instrument in de storingslijn. Het aantal gemelde storingen is in 2002 met 35 327 dan ook 17% hoger dan in 2001. Sinds 2002 is de storingsindicator gedifferentieerd naar eigenaarsinstallaties en bedrijfsinstallaties van de gebruiker waarvoor de Rgd het onderhoud doet op basis van servicecontracten. Hieruit blijkt dat 10 618 storingen zich hebben voorgedaan in bedrijfsinstallaties, ofwel 30% van alle storingen.

In 2002 is 97% van alle storingen binnen de norm verholpen.

 Objecten in beheerAantal m2 in beheer (x 1000)Aantal storingen Eigenaars installatiesAantal storingen Bedrijfs installatiesTotaal aantal storingen% binnen norm
Totaal 20012 1606 314**30 279 
Totaal 20022 1456 56324 70910 61835 32797

Deze gegevens zijn niet bekend

Gezondheidsrisico's

Adequate huisvesting moet uiteraard ook gezonde huisvesting zijn. Voor wat betreft gezondsheidsrisico's zijn onder meer de thema's legionella, asbest en brandveiligheid van belang.

Legionella; eigendomspanden

De noodzakelijke technische aanpassingen van de leidingwaterinstallaties in eigendomspanden verlopen volgens planning. In januari 2003 zijn de laatste aanpassingen uitgevoerd. Alle beheerplannen zijn in de eerste helft van 2002 met de contactpersonen van de gebruikers in de eigendomspanden afgestemd. Bij deze afstemming is gebleken dat enkele Penitentiaire Inrichtingen problemen hebben met het uitvoeren van de aan hun opgedragen taken uit het beheerplan. De Rijksgebouwendienst helpt de gebruikers op weg door hun problemen te inventariseren en alternatieven aan te dragen. Dit in samenwerking met de Dienst Justitiële Inrichtingen.

Legionella; huurpanden

Ruim 50% van de eigenaren van de gebouwen die voor rijkshuisvesting worden gehuurd heeft uitvoering gegeven aan de Tijdelijke Regeling legionella-preventie in leidingwater. Halverwege 2002 heeft de Rijksgebouwendienst weigeraars doorgegeven aan de VROM-inspectie.

Per 15 oktober 2002 is de tijdelijke regeling vervangen door een nieuwe wet die minder streng is dan de tijdelijke maatregel. Zoals het er nu naar uit ziet zal 99% van de gehuurde panden vallen onder de categorie laag-risico-locaties. Voor deze laag-risico-locaties geldt een overgangstermijn van tien jaar vanaf 2002; dat wil zeggen dat de eigenaren binnen tien jaar een risicoanalyse dienen te maken. Voor panden zonder aërosol tappunten hoeft helemaal geen risicoanalyse gemaakt te worden. Om deze reden heeft de VROM-inspectie besloten geen bestuursdwang uit te oefenen.

De Rijksgebouwendienst laat voor nieuw in te huren panden contractueel vastleggen dat een risicoanalyse wordt gemaakt.

Asbest

De Rijksgebouwendienst levert gezonde huisvesting. Daarom inventariseert de Rgd op eigen kosten alle gebouwen op de aanwezigheid van asbest. Indien uit de inventarisatie naar voren komt dat een gebouw asbest bevat dat directe gezondheidsrisico's kan opleveren, dan wordt dit asbest direct verwijderd. Indien asbest aanwezig is dat geen directe gezondheidsrisico's met zich mee kan brengen, dan stelt de Rgd een beheerplan op voor de gebruiker van het gebouw, en wordt het asbest verwijderd op het moment dat in het gebouw een renovatie plaatsvindt of het gebouw wordt gesloopt. De Rgd beschikt over een voorziening voor asbest, waaruit de uitvoering van het beleid wordt gefinancierd. De inventarisatie van alle gebouwen op de aanwezigheid van asbest loopt volgens planning. Eind 2004 wordt deze inventarisatie afgerond.

Brandveiligheid

In de agentschapsbegroting 2002 is geconstateerd dat de wet- en regelgeving aangaande brandveiligheid complex is en de uitvoering en handhaving ervan door de gemeenten op uiteenlopende wijze wordt opgepakt. Daarnaast blijkt de technische kennis aangaande brandveiligheid bij de gebruikers van Rijkshuisvesting soms onvoldoende.

Om de problematiek te verlichten zijn binnen de Rijksgebouwendienst verschillende initiatieven ontwikkeld, waaronder het inventariseren en uitbouwen van technische kennis, de aanzet tot een Rgd Brandveiligheid- en beveiligingsgids en de ontwikkeling van een klanten-brochure. Tevens vindt overleg plaats met de gemeente Den Haag over een mogelijke samenwerking waar het gaat om de problematiek met betrekking tot gebruiksvergunningen.

Kosten-kwaliteitsverhouding

Ten behoeve van de reorganisatie is in 2002 gestart met een bedrijfseconomische analyse en zijn het primaire en ondersteunende proces in de gekantelde organisatie op een eenduidige wijze beschreven. De Rijksgebouwendienst hanteert een andere prijsopbouw dan in de markt gebruikelijk is. In 2003 wordt bezien in hoeverre deze verschillen inzichtelijk kunnen worden gemaakt ten behoeve van een benchmarking met de markt.

1.4.3 Beleidsdoelstelling: Baten en lasten in evenwicht

De Rgd streeft naar een evenwicht tussen baten en lasten, beschouwd over een langere periode.

 Realisatie 1999 EUR1000Realisatie 2000 EUR1000Realisatie 2001 EUR1000Realisatie 2002 EUR1000
Totaal baten844 896974 8111 008 0251 157 424
Totaal lasten834 375923 204997 1491 128 170
Saldo10 52151 60710 87629 254

Operationele doelstelling

Conclusies of baten en lasten over een langere periode met elkaar in evenwicht zijn kunnen pas over een aantal jaren worden getrokken. Uit de ervaringen tot nu toe blijkt dat mutaties (dotaties en vrijval) in voorzieningen de grootste invloed hebben op de jaarlijkse resultaten. Een goed inzicht in en beheersing van deze bedrijfseconomische risico's en meerjarig vooruitkijken zijn een vereiste. Met maatregelen die voortdurend het financieel beheer verbeteren en de implementatie van het financiële informatiesysteem wordt beoogd dat de administratie een tool of management wordt waarmee risico's kunnen worden beheerst. Daarnaast is in dit kader portefeuillemanagement een belangrijk instrument; onder meer leegstand en de spreiding van de gebruikscontracten over de verschillende looptijden zijn indicatoren voor bedrijfseconomische risico's.

1.4.4 Prestatiegegevens: Baten en lasten in evenwicht

Het leegstandspercentage

De Rgd streeft naar een geringe leegstand zodat de kosten van leegstand worden beperkt. Dynamiek in de huisvestingsvoorraad resulteert per definitie in enige leegstand.

Leegstand in het huur-/verhuurstelselper 31-12-1999per 31-12-2000per 31-12-2001per 31-12-2002
Leegstand in m2 bvo (x 1 000 )114128135103
Totale voorraad huur-/verhuur in m2 bvo (x 1 000)5 7655 8575 9796 232
Leegstandspercentage2,0 %2,2 %2,3%1,7%
Leegstandspercentage in nog verhuurbare m2 bvo  1,0%0,8%

De stijging in m2 bvo leegstand t.o.v. 1999 kan verklaard worden doordat bij de start van het stelsel de Rgd begonnen is met relatief lage leegstand doordat panden die reeds bij Domeinen waren aangemeld voor afstoot niet door de Rgd zijn meegenomen in het huur-/ verhuurstelsel.

De leegstand in m2 bvo betreft alle m2 bvo die ultimo boekjaar niet via een gebruikscontract zijn verhuurd, maar kan onderscheiden worden in:

• Niet verhuurbare m2 bvo; het betreft hier m2 bvo waarvoor reeds een (nieuwe) klant is gevonden die de kosten financiert via een reserveringsvergoeding of meefinanciert tijdens de renovatie in de projectkosten.

• Nog verhuurbare m2 bvo; het betreft hier m2 bvo waarvoor nog geen nieuwe klant is gevonden en waarvan de kosten gedekt moeten worden uit de voorziening leegstand. Dit aandeel is weergegeven in het leegstandspercentage in verhuurbare m2 bvo.

De sturing van de Rgd is het meest gericht op de indicator nog verhuurbare m2 bvo. Deze leegstand moet zo beperkt mogelijk worden gehouden, zonder de mogelijkheden van flexibel verhuren binnen de voorraad te beperken. Genomen maatregelen om leegstand in verhuurbare m2 te beperken zijn het ingeval van overtolligheid direct aanmelden bij Domeinen ter verkoop en ingeval van hergebruik zo spoedig mogelijk realiseren van nieuwe huisvesting. Daarnaast geldt bij nieuwe contracten een variabele opslag voor leegstand, waarvan de hoogte is gerelateerd aan de lengte van het contract. Hiermee is een prikkel bij de klanten geïntroduceerd om langlopende contracten af te sluiten, waarmee op termijn de leegstandsrisico's voor de Rgd worden beperkt.

Looptijd gebruikscontracten

Door de looptijd te volgen van de gebruikscontracten ontstaat een indicatie op welke termijn de Rgd meer dan normale bedrijfseconomische risico's (zie 1.4.3 baten en lasten in evenwicht) loopt en of er sprake is van een trend. Afname dan wel toename van de gemiddelde looptijd kan bijvoorbeeld een aanleiding zijn de leegstandsopslag of de gemiddelde afschrijvingsduur te herzien in relatie tot de respectievelijke toe- dan wel afname van het risico.

Spreiding gebruikscontracten over looptijd (eigendomspanden) ultimo 2001

ContractduurJaarAantal Gebruiksvergoedingen Bruto vloeroppervlak
vanaf 1-1-2002afloopcontracten%EUR1000%m2 bvo%
1 jaar200240,46 6081,459 8901,5
2 jaar20031019,423 3124,9236 1105,7
3 jaar200450,49860,211 7670,3
4,5 jaar200628426,396 83820,4844 28920,5
5 jaar200650,43 5050,720 8740,5
6 jaar200740,41150,01 2160,1
7 jaar200814013,025 3225,3224 7045,5
8 jaar200910,1440,08000,0
9 jaar2 01010,12070,14 8540,1
10 jaar2 011787,226 0795,5237 0445,8
11 jaar2 01250,44 4390,928 5340,7
12 jaar2 01334431,9185 06839,01 596 73038,9
15 jaar2 01610,11 5550,310 0800,2
16 jaar2 01730,33 6670,830 7320,7
17 jaar2 018968,990 07619,0737 49017,9
18 jaar2 01920,24 7561,043 6251,1
21 jaar2 02220,21 3130,38 0050,2
27 jaar2 02830,31 1320,212 4670,3
Totaal 1 079100,0475 022100,04 109 211100,0

Spreiding gebruikscontracten over looptijd (eigendomspanden) ultimo 2002

Contractduur vanaf 1-1-2003Jaar afloopAantal contractenGebruiksvergoedingen (excl. allonges)Gebruiks-vergoedingen ((incl. allonges)Bruto vloeroppervlak (incl. allonges)
   %EUR1000%EUR1000%m2 bvo%
1 jaar2003898,726 3635,528 6865,4247 1296,1
2 jaar200440,41 3530,31 6830,313 9680,3
3 jaar2005131,32 0320,42 8110,522 6010,6
4 jaar200626125,691 40518,996 10718,0767 12418,9
5 jaar200740,42 6700,55 2221,016 1020,4
6 jaar2008787,615 4603,217 8783,4142 2263,5
7 jaar200910,12 5450,53 0040,69 6780,2
8 jaar2 01040,46460,11 3710,36 2370,1
9 jaar2 01150,58280,21 3940,38 7830,2
10 jaar2 01210,1850,04490,11 0580,0
11 jaar2 01337236,4195 84240,5205 48438,61 689 62841,7
12 jaar2 014131,310 0742,113 8612,652 7041,3
13 jaar2 015171,711 2372,316 0073,076 0081,9
14 jaar2 016333,29 5402,010 6572,080 9862,0
15 jaar2 017141,44 1350,97 7841,536 4340,9
16 jaar2 018817,981 96717,082 81015,5645 36115,9
17 jaar2 01930,32 6300,63 4350,720 4760,5
18 jaar2 02050,57 9241,68 2571,547 8401,2
19 jaar2 02170,75 4161,17 8761,351 1231,3
20 jaar2 02240,46 6121,49 3171,760 2101,5
21 jaar2 02310,11090,01090,02 0420,1
29 jaar2 03120,29370,21 1850,212 4660,3
30 jaar2 03280,83 4780,77 1961,343 1391,1
Totaal 1 020100,0483 288100,0532 583100,04 053 323100,0

Bovenstaande tabel laat de ontwikkeling zien in de looptijd van de gebruikscontracten voor de eigendomspanden per eind 2002 inclusief de bijbehorende gebruiksvergoedingen en in de contracten opgenomen m2 bvo (dus exclusief niet verhuurde m2 bvo).

De mutaties tussen de tabellen 2001 en 2002 in het jaar van afloop contracten zijn gering aangezien de meeste contracten als ingangsdatum 1-1-1999 hebben.

De tabel laat verder zien welk deel van de gebruiksvergoeding en de voorraad (het bruto vloeroppervlak, bvo) belegd is met welke resterende contractlengten en geeft hiermee inzicht in de flexibiliteit van de voorraad. Aangezien bij veel contracten allonges zijn afgesloten, worden de gebruiksvergoedingen (en bvo's) van de contracten inclusief allonges afzonderlijk gepresenteerd.

Uit de tabel blijkt dat ruim tweederde van de omzet aan gebruiksvergoedingen voor de eigendomspanden komt van contracten met een resterende looptijd van 11 jaar of langer. Dit is een op zich bedrijfseconomisch gezonde situatie en biedt goede aanknopingspunten voor een -duurzaam- partnership tussen de desbetreffende gebruikers en de Rgd.

Uiteraard zal de Rgd tijdig anticiperen op het in de periode 2003–2006 aflopen van 367 contracten. Ruim voor afloop van de contracten zullen vervolgcontracten worden afgesloten. Er worden prikkels geïntroduceerd om langlopende contracten af te sluiten, waarvan een voorbeeld is genoemd bij leegstand. In het geval van overtolligheid worden objecten afgestoten.

1.4.5 Beleidsdoelstelling: Toegevoegde waarde

De Rgd wil met de rijkshuisvesting en via brede inzet van kennis en expertise toegevoegde waarde leveren. Met de rijkshuisvesting kan worden bijgedragen aan de realisatie van rijksbeleid en kan invulling worden gegeven aan de voorbeeldfunctie van het rijk op onder meer het gebied van duurzaam bouwen en aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van stedelijke gebieden. De brede inzet van kennis en expertise komt onder meer tot uitdrukking in de coördinatie van het bouwbeleid en architectuurbeleid dat zich verder uitstrekt dan alleen rijksgebouwen.

Deze doelstelling is in hoge mate complementair aan de VROM-artikelen 3 «Duurzame woningen en gebouwen» en artikel 6 «Versterken ruimtelijke kwaliteit stedelijke gebieden».

1.4.6 Prestatiegegevens: Toegevoegde waardeDe monumentenvoorraad

Monumenten maken een substantieel deel uit van de Rgd-voorraad: eind 2002 kwam het aandeel van de monumenten op 18% van de totale voorraad. Het aandeel in de eigendomsvoorraad is zelfs nog iets hoger.

In onderstaand overzicht wordt de situatie per 1–1-2002 gegeven.

Monumenten in Rgd-voorraad per 01-01-2002

 Primair huisvestingsfunctie Primair erfgoedfunctieTotaal 
 m2 bvo (x 1 000)aantalm2 bvo (x 1 000)aantalm2 bvo (x 1 000)aantal
Monumenten1 17517558441 233219
Waarvan cat. 153748574059488

In onderstaand overzicht wordt de situatie per 31-12-2002 gegeven.

Monumenten in Rgd-voorraad per 31-12-2002

 Primair huisvestingsfunctie Primair erfgoedfunctieTotaal 
 m2 bvo (x 1 000)aantalm2 bvo (x 1 000)aantalm2 bvo (x 1 000)aantal
Monumenten1 14717258441 205216
Waarvan cat. 1 53748574059488

Het overgrote deel van de monumenten heeft een (rijks-)huisvestingsfunctie.

Enkele tientallen monumenten hebben een primaire erfgoedfunctie: het gaat hier om onder meer graftombes, (ruïnes van) kastelen enz. waarvan de Staat der Nederlanden eigenaar is en die in beheer zijn bij de Rgd.

Duurzaam bouwen

Duurzaamheid als kwaliteitsaspect in de rijkshuisvesting verandert van karakter. Was de inspanning er voorheen vooral op gericht een aantal aansprekende projecten met voorbeeldstatus te realiseren; in de afgelopen jaren is duurzaamheid breder in de advisering van de Rijksgebouwendienst geïmplementeerd. Huisvestingsprojecten voldoen daarmee tenminste aan minimale eisen met betrekking tot duurzaamheid. In diverse projecten is aanwijsbare meerwaarde gerealiseerd. Gelet op de andere prioriteiten van de te huisvesten diensten en het ontbreken van daartoe geëigende budgetten zijn echter geen projecten gerealiseerd, die tot de duurzaam bouwen top in Nederland behoren.

Om de drempel voor ambitieuze projecten te verlagen, wordt samen met marktpartijen gewerkt aan een instrumentarium, waarmee de duurzaamheid van alternatieve oplossingen voor een huisvestingsvraag al vanaf de initiatieffase is te kwantificeren. Tot welke milieuwinst strategische keuzen op dit punt kunnen leiden is onder andere beschreven in het boek «Duurzaam Bouwen/ Buildings that last».

Toegankelijkheid

De Rijksgebouwendienst beschikt vanaf 2002 niet meer over een separaat budget voor toegankelijkheid. Dit thema is geïncorporeerd binnen het bestaande werkproces van de Rgd. Derhalve wordt de toegankelijkheidsprestatie niet (meer) afzonderlijk opgenomen en is dit aspect ook niet opgenomen in het milieuzorgsysteem.

1.4.7 Randvoorwaarde: Goed functionerende Rgd

Naast bovenstaande hoofddoelstellingen heeft de Rgd een randvoorwaarde geformuleerd waarbinnen deze doelstellingen gerealiseerd moeten worden: een goed functionerende Rgd. Hieronder wordt enerzijds verstaan een Rgd die doelmatig en rechtmatig handelt. Anderzijds heeft dit betrekking op factoren als tevreden en gemotiveerde medewerkers en een laag ziekteverzuim. Als indicatoren van een goed functionerende Rgd zijn opgenomen:

• Gemiddelde loonkosten ambtelijk personeel

• Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel

• Ziekteverzuim

In de begroting 2002 zijn twee ontwikkelingen vermeld met betrekking tot het goed functioneren van de Rgd, te weten de verbetering van het financieel beheer en de reorganisatie. In hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op het financieel beheer.

Reorganisatie

De Rgd is in oktober 2001 met een voorgenomen besluit tot reorganisatie een reorganisatietraject gestart. De reorganisatie is erop gericht de werkzaamheden optimaal te organiseren om op efficiënte wijze adequate huisvesting te kunnen leveren binnen het nieuwe financieringsstelsel voor rijkshuisvesting. Klantgerichtheid, efficiëntie, innovatief vermogen en slagvaardigheid staan daarbij voorop.

In 2002 zijn de vervolgstappen in het reorganisatietraject gezet. De laatste stap – het definitieve personeelsplan – is afgerond in december 2002.

In de nieuwe organisatorische opzet kent de Rgd een functionele front-backoffice structuur. Deze houdt in dat het frontoffice gericht is op de klant en zo wordt ingericht dat onderdelen van het frontoffice zich richten op één klant of eenzelfde groep klanten. De expertise die nodig is om de klanten te bedienen wordt ondergebracht in het backoffice. Dat bestaat uit een aantal directies die zich concentreren op de volgende functies: vastgoedmanagement, projectmanagement, gebouwbeheer en technisch advies en architectonisch ontwerp. Hiermee kan binnen het backoffice expertise worden uitgebouwd die wordt ingezet voor alle klanten van de Rgd.

1.4.8 Prestatiegegevens: Goed functionerende Rgd

In onderstaande tabel zijn de gemiddelde loonkosten en bezetting ambtelijk personeel over de afgelopen 4 jaren opgenomen.

Loonkosten per fte 1999Gemiddelde bezetting 1999Loonkosten per fte 2000Gemiddelde bezetting 2000Loonkosten per fte 2001Gemiddelde bezetting 2001Loonkosten per fte 2002Gemiddelde bezetting 2002
48 75887550 89888752 36693554 898977

Gemiddelde loonkosten ambtelijk personeel

Onder de loonkosten ambtelijk personeel vallen de salarissen, inclusief aanspraken vakantiegeld en eindejaarsuitkering, tegemoetkoming ziektekosten, pc-privéregeling en incidentele beloningen.

In de begroting 2002 is de Rgd ervan uitgegaan dat de verwachte gemiddelde loonkosten per fte in 2002 € 54 541 zouden bedragen (totale loonkosten ambtelijk personeel ad € 51,2 mln./gemiddelde bezetting ambtelijk personeel ad 922 fte).

Uit de realisatie blijkt dat de gemiddelde loonkosten per fte € 54 898 bedragen. De toename van de loonkosten in 2002 ten opzichte van 2001 (4,8%) is voor het grootste deel te verklaren door de salarisverhoging als gevolg van de afgesloten CAO.

Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel

In de begroting 2002 heeft de Rgd aangegeven dat de verwachte bezetting over 2002 gemiddeld 922 fte's bedraagt. Bij de bijstelling van de ramingen voor ambtelijk personeel ten behoeve van de 2e suppletore begroting is dit aantal bijgesteld tot 970.

Uit de realisatie blijkt dat over 2002 de gemiddelde bezetting 977 fte's bedraagt. Ten opzichte van 2001 (935 fte's) betekent dit een toename van 42 fte's (4,5%).

Het ziekteverzuim

De Rgd stuurt met de overige VROM-onderdelen op een relatief laag ziekteverzuim. In 2002 is het ziekteverzuim van 6,9% gerealiseerd. Dit is gelijk aan de maximale norm voor 2002 en betekent een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de realisatie in 2001 (7,6%).

2. Bedrijfsvoering

2.1 Mededeling over financieel en materieel beheer en de daarover bijgehouden administraties

In de periode januari t/m december van het begrotingsjaar 2002 is, uitgaande van de baseline financieel en materieel beheer, op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het financieel beheer en het materieel beheer en de daartoe aangehouden administraties.

Een en ander heeft in de periode januari t/m december van het begrotingsjaar 2002 geresulteerd in beheerste processen. Daarbij zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen.

Wat betreft het materieel beheer is gewerkt aan een verdere verbetering van het beheer van de vastgoedportefeuille. Tegelijk met de conversie van het extracomptabele systeem naar het Integraal Rijksgebouwendienst Informatie Systeem (IRIS) is er een project Vastgoed Op Orde uitgevoerd, hetgeen eind 2002 is afgerond, waarmee is bereikt dat ultimo 2002 de vastgoeddossiers de onderbouwing van de in IRIS opgenomen gegevens bevatten. In het 4e kwartaal is een aanzet gemaakt met het opstellen van een eigen richtlijn voor het beheer van onroerend goed vanuit de reeds beschikbare notities inzake deelaspecten; deze richtlijn zal in 2003 worden afgerond.

In 2002 is gestart met de uitvoering van inspecties naar de technische staat van een deel van de eigendomspanden; vervolgens zal uiterlijk in 2004 een geactualiseerde meerjarenraming voor planmatig onderhoud beschikbaar komen.

In 2002 is verder inhoud gegeven aan een geïntegreerd en eenduidig gebruik van IRIS. Op grond van diverse onderzoeken is geconstateerd dat zowel het functioneel en technisch applicatiebeheer van IRIS, als het beleid met betrekking tot de informatiebeveiliging nader vorm gegeven dient te worden in 2003.

De bouw van de nieuwe Administratieve Organisatie in het kader van de reorganisatie van de Rijksgebouwendienst is aangegrepen om het integriteitsbeleid en het aanbestedingsbeleid nader tegen het licht te houden. De openbare verhoren van de parlementaire enquêtecommissie Bouwnijverheid zijn mede aanleiding geweest diverse acties met betrekking tot de integriteit op te zetten en procedures met betrekking tot nevenfuncties aan te scherpen.

De Administratieve Organisatie rond de toepassing van aanbestedingsregels is aangescherpt en wordt thans met voorrang ingevoerd in de organisatie. Ook wordt onderzoek verricht naar de werking in de praktijk van al deze regels en procedures rond het aanbestedingsproces.

2.2 Opmerkingen Algemene Rekenkamer over de financiële verantwoording 2001

In het rechtmatigheidsonderzoek bij de jaarverantwoording 2001 is een vervolgbezwarenonderzoek uitgevoerd door de Algemene Rekenkamer. De Algemene Rekenkamer concludeerde dat er sprake was een aantoonbare verbetering van het financieel beheer bij de Rgd, en dat er op een aantal punten nog verbeterpunten doorliepen in 2002. Mede om die reden heeft de Algemene Rekenkamer het onderzoek gecontinueerd. Het betreft een vijftal punten waar naar de mening van de AR sprake is van onvolkomenheden. Aan deze punten is in 2002 veel aandacht besteed, waarbij veel aspecten gecombineerd zijn met de voorbereiding van de nieuwe organisatie.

1. Informatievoorziening (onder andere de gebruikersvriendelijkheid IRIS en informatiebeveiliging).

In 2002 is veel aandacht besteed aan de verdere optimalisering van het gebruik van IRIS. Het belangrijkste project betrof de conversie van de activa-, contracten- en factureringsgegevens uit een stand-alone-omgeving naar het geïntegreerde informatiesysteem. Ultimo 2002 is project COSI afgerond. Tegelijkertijd is er een project uitgevoerd om de dossiers van de gehele vastgoedadministratie op orde te brengen. Met deze acties is een goede voorbereiding getroffen van de nieuwe organisatie. Het tweede aspect betreft informatiebeveiliging. In 2002 heeft een audit naar informatiebeveiliging van IRIS plaatsgevonden. Deze audit richtte zich op de beveiligingsmaatregelen rond IRIS en de werking ervan om aan de eisen van beschikbaarheid en exclusiviteit te voldoen. Er zijn inmiddels maatregelen geformuleerd om aan de gestelde, aangescherpte eisen te voldoen.

2. Administratieve organisatie.

Een belangrijk aspect van het financieel beheer, in het bijzonder in transitieperiodes, is de administratieve organisatie. Om die reden zijn alle procesbeschrijvingen vernieuwd c.q. geactualiseerd, waarbij ook intensief de opbouwteams van de nieuwe organisatie zijn betrokken. In dit kader zijn ook de inrichtingsafspraken van de nieuwe organisatie voorbereid, die de basis vormen voor de samenwerking tussen de Rgd-directies in de nieuwe organisatie. Tevens is de onderhoudsorganisatie voor de administratieve organisatie opgebouwd.

3. Inrichting van de financiële functie, onder meer de ontwikkeling van de planning- en controlcyclus en de kwaliteit van de Interne Controlefunctie. In de nieuwe organisatie van de Rgd verandert ook de financiële functie van de Rgd. De kaderstellende en control-taken worden gescheiden van de financieel-administratieve werkzaamheden, die in de stafafdeling Concern Financiële Zaken worden ondergebracht. Deze stafafdeling werkt ondersteunend voor alle bedrijfsonderdelen van de Rgd. Ter ondersteuning van het management van de afzonderlijke bedrijfsonderdelen is er een controlfunctie binnen dat onderdeel. In de jaren 2003 en 2004 zal er nog sprake zijn van een verbijzonderde gegevensgerichte controle. Door middel van procesverbeteringen en systeemaanpassingen is de verwachting dat deze verbijzonderde gegevensgerichte controle kan worden afgebouwd. De planning- en controlcyclus heeft inmiddels een stevige inbedding gekregen in het agentschap Rgd.

4. Administratie en jaarverantwoording (onder meer het realiseren van interne deadlines). In 2002 zijn er verdere verbeteringen doorgevoerd in het administratieproces. Zo is de jaarverantwoording 2002 geheel binnen het informatiesysteem IRIS tot stand gekomen. De voornaamste problemen die in 2002 zijn opgetreden hebben betrekking op het complexe proces van afsluiten van projecten. Dit proces heeft direct invloed op de facturering en de lening-administratie. Aan het begin van het jaar zijn vertragingen opgetreden in het afsluitingsproces die pas in het laatste kwartaal van 2002 zijn ingelopen. Deels vloeit deze vertraging voort uit het feit dat een deel van de gegevens betrekking heeft op uitgaven uit voorgaande jaren, die niet op detailniveau zijn geconverteerd naar het nieuwe informatiesysteem. De verwachting is derhalve dat dit proces de komende jaren steeds vloeiender zal verlopen, aangezien het aantal resterende projecten met deze problematiek afneemt.

5. Voorbereiding nieuwe organisatie (stabiele situatie). In 2002 is door de Rgd en in het bijzonder ook door de financiële kolom veel aandacht besteed aan de voorbereiding van de nieuwe organisatie (zoals de beschrijving van de nieuwe administratieve organisatie). In het tweede half jaar is een audit uitgevoerd naar deze voorbereidingen. Doel van deze audit was om te constateren of de reorganisatie verantwoord plaats kon vinden. Geconcludeerd is dat met inachtneming van een aantal belangrijke aandachtspunten de reorganisatie met ingang van 2003 door kan gaan. Tegelijkertijd is ook een aantal aspecten van het financieel beheer verder verbeterd.

2.3 Integriteitbeleid bij de Rgd

Het integriteitbeleid van de Rgd valt onder te verdelen in algemene gedragsregels voor medewerkers en specifieke gedragsregels voor de omgang met marktpartijen.

Het uitgangspunt voor de algemene gedragsregels van de Rgd is het VROM-beleid, zoals dat in de brochure «integer handelen, hoe doe je dat?» (maart 2000) zijn beslag heeft gekregen.

De Rgd heeft daarnaast speciale gedragsregels voor de omgang met marktpartijen («Gedragsregels voor het omgaan met marktpartijen», 1995) en met betrekking tot het aankopen van grond en opstallen («beschrijving van het aankopen van grond en opstallen namens de Rgd» april 1999).

Hoewel de uit 1995 daterende regels nog gerelateerd zijn aan het inmiddels ingetrokken Besluit Aanbesteden Werken 1973 (BAW1973) geven deze het ankerpunt van het integriteitbeleid weer: bij belangrijke beslissingen moet meer dan één persoon betrokken zijn.

In plaats van het inmiddels ingetrokken BAW1973 gelden momenteel de Beleidsregels Aanbesteden Werken 2001. Gelijktijdig met deze beleidsregels is de Rgd-regeling aanbesteden werken (Rgd-RAW2001) van kracht geworden, waarin de voorwaarden voor het direct verstrekken van opdrachten aan één opdrachtnemer zijn aangescherpt (niet toegestaan tenzij na goedkeuring door het bevoegd gezag).

Functiescheiding, mandatering en verantwoording achteraf zijn de sleutelwoorden van het integriteitbeleid.

Op 7 juni 2002 verscheen het concept-audit rapport van het VROM integriteitbeleid (Stuurgroep Integriteitsaudits). Belangrijke aanbevelingen waren:

• het bevorderen van de bewustwording van integriteit bij medewerkers

• het periodiek bespreken van integriteit in werkoverleggen en functionerings- en beoordelingsgesprekken.

De Rgd heeft op voortvarende wijze aan deze aanbevelingen gevolg gegeven. De brochure «Integer handelen, hoe doe je dat?» is opnieuw verstrekt aan de Directieraad-leden. Daarnaast is in de Directieraad besloten dat directies het onderwerp in hun Management Team bespreken, en dat het door middel van werkoverleggen en personeels-bijeenkomsten ook bij werknemers zoveel mogelijk onder de aandacht gebracht wordt. De uitvoering van deze afspraak is in de kwartaalrapportage gemonitord. In de functioneringsgesprekken wordt standaard de integriteit betrokken, met bijzondere aandacht voor de uitoefening van nevenfuncties. Integriteit in relatie tot externen is binnenkort een speciaal onderwerp van behandeling in de Directieraad. In de directieplannen 2003 worden concrete maatregelen opgenomen voor de implementatie van het integriteitbeleid. Dit alles in het licht om een cultuur van openheid en transparantie binnen de Rgd te bevorderen.

In afwachting van de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie Bouwnijverheid heeft de Rgd al met al niet stil gezeten. De Administratieve Organisatie is tegen het licht gehouden en aangepast in het kader van de reorganisatie en het toezicht in het algemeen is sterk verhoogd.

De Afdeling Verificatie dient maandelijks te rapporteren aan het hoofd Financiën van de betreffende directie. De afdeling Interne Controle dient per kwartaal te rapporteren aan het hoofd Financiën, de directeur van de betreffende directie en aan de Rgd Directie Financiën en Economie. Op basis van bevindingen kan een bijstelling van controle werkzaamheden plaatsvinden en worden Verificatieplan en IC-werkprogramma geactualiseerd.

Aanbestedingsbeleid

Het doel van het aanbestedingbeleid is het aanreiken van een transparant kader voor aanbestedingen van werken. Uitgaande van dit transparante kader wordt ook invulling gegeven aan nieuwe ontwikkelingen zoals innovatief aanbesteden.

Deze ontwikkelingen worden gestimuleerd door de Stuurgroep Inkoop Rijksgebouwendienst (StIR), waarbij de samenwerking tussen beleid en uitvoering belangrijk is. Het werkterrein van de StIR omvat alle inkoopactiviteiten van de Rijksgebouwendienst. Aanbestedingen is één van die activiteiten.

Wat betreft het toepassen van nieuwe, bijzondere contracteringsvormen, waaronder vormen van innovatief aanbesteden en PPS, is de expertgroep bijzondere contracten ingesteld. Deze expertgroep heeft tot taak bij alle relevante huisvestingsvragen van klanten te adviseren over de meest geschikte contracteringsvorm (pro-actieve advisering), probleem oplossende advisering (re-actieve advisering) en het opzetten van een toegankelijk kenniscentrum en kennisnetwerk over bijzondere contracteringsvormen.

2.4 Rijkshuisvesting buiten de Rgd

In het statuut van het Agentschap Rijksgebouwendienst is vastgelegd dat voor de producten inzake rijkshuisvesting van de Rgd voor de rijksdiensten een verplichte winkelnering bij de Rgd geldt. Een uitzondering vormen service- en advieswerkzaamheden die door de ministeries optioneel (en op tariefbasis) van de Rgd kunnen worden afgenomen.

Door de Rgd zijn alle ministeries aangeschreven met het verzoek om, ingeval van de verplichte winkelnering is afgeweken, dit aan de Rgd te melden.

Uit de reacties blijkt dat bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties bij de ITO enkele panden rechtstreeks op de markt werden gehuurd. In overleg met de Rgd wordt bezien welke marktcontracten worden omgezet naar Rgd-contracten, waarbij rekening wordt gehouden met de resterende contractduur.

Daarnaast is door het Ministerie van Justitie aangegeven dat overleg gaande is over de overname door de Rgd van een onderdeel van een object van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Met de Immigratie en Naturalisatiedienst zijn aparte afspraken gemaakt.

Vervolgens heeft het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gemeld dat de Algemene Inspectiedienst één object rechtstreeks van de markt heeft gehuurd. Deze huur wordt op korte termijn door de Rgd overgenomen.

Voor het overige zijn geen relevante afwijkingen van de verplichte winkelnering gemeld.

3. Samenvattende verantwoordingsstaat baten-lastendiensten

Samenvattende verantwoordingsstaat 2002, inzake Agentschap Rijksgebouwendienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) Bedragen in € 1000,–

  (1)(2)(3)=(2)-(1) 
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting 
01Rijksgebouwendienst    
      
 Totale baten977 4361 157 424179 988 
 Totale lasten957 5541 128 170170 616 
 Saldo van baten en lasten19 88129 2549 373 
      
 Totale kapitaalontvangsten374 045597 859223 814 
 Totale kapitaaluitgaven485 021720 002234 981 

Mij bekend,

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

4. BALANS VAN BATEN-LASTENDIENST RGD PER 31 DECEMBER JAAR 2002

Balans per 31 december 2002 (EUR1000)

Agentschap Rijksgebouwendienst

 31 december 2002 31 december 2001
ACTIVA   
    
Vaste activa   
Immateriële vaste activa11 319 14 798
Materiële vaste activa:   
Grond en gebouwen3 932 866 3 877 829
Onderhanden investeringsprojecten565 061 293 485
Inventaris en overige bedrijfsmiddelen2 483 2 597
 4 500 410 4 173 911
    
Egalisatierekening435 315 326 913
    
Vlottende activa   
Onderhanden werk adviezen, services en overig35 608 14 284
Debiteuren en overige vorderingen29 181 64 747
Overlopende activa17 944 72 419
 82 733 151 450
    
Liquide middelen207 874 170 450
    
TOTAAL ACTIVA5 237 651 4 837 522
    
PASSIVA   
    
Eigen vermogen   
Exploitatie reserve41 288 39 280
Onverdeeld resultaat29 254 10 876
 70 542 50 156
    
Voorzieningen   
Voorziening Planmatig onderhoud200 483 221 194
Voorziening Asbestverontreiniging61 610 74 303
Voorziening Reorganisatie12 562 19 733
Voorziening Leegstand14 231 3 708
Overige voorzieningen40 011 17 551
 328 897 336 489
    
Langlopende schulden   
Leenfaciliteit Financiën4 623 323 4 194 022
Overige langlopende schulden17 761 16 826
 4 641 084 4 210 848
Kortlopende schulden   
Nazorgbudgetten16 687 16 347
Crediteuren25 108 26 792
Overige schulden en overlopende passiva155 333 196 890
 197 128 240 029
    
TOTAAL PASSIVA5 237 651 4 837 522

4.1 Toelichting op de balans

4.1.1 Algemene grondslagen voor de waardering

De algemene grondslag voor de waardering van de (im)materiële vaste activa is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs inclusief BTW, verminderd met afschrijvingen. De Rgd heeft ook klanten die hebben geopteerd voor het leveren van met BTW belaste prestaties. Objecten welke zijn verhuurd aan deze klanten zijn (voor zover van toepassing) gewaardeerd exclusief BTW. Voor zover niet anders is vermeld, worden de activa en passiva gewaardeerd tegen nominale waarde.

4.1.2 Vaste activaImmateriële vaste activa

Deze post omvat activa die niet stoffelijk van aard zijn, langdurig dienstbaar zijn aan, essentieel zijn voor de bedrijfsvoering van het agentschap en toekomstige economische voordelen in zich hebben. Er wordt lineair afgeschreven met een afschrijvingstermijn van 5 jaar.

Onder deze post is opgenomen het geïntegreerde informatiesysteem (IRIS).

Immateriële Vaste Activa EUR1000

Historische kostprijs17 900 
Cumulatieve afschrijving3 102 
Boekwaarde per 1 januari 2002 14 798
   
Mutaties in de boekwaarde  
Investeringen+ /+101
Afschrijvingen-/-3 580
Boekwaarde per 31 december 2002 11 319

Materiële vaste activa

Deze post omvat alle onroerende en roerende goederen die langdurig dienstbaar zijn aan en essentieel zijn voor de bedrijfsvoering van het agentschap en toekomstige economische voordelen in zich hebben. Deze post valt uiteen in de grond (inclusief afgekochte erfpachtrechten) en gebouwen die de Rgd in economisch eigendom heeft, inclusief de inbouwpakketten in huurpanden, de onderhanden investeringsprojecten en inventaris en overige bedrijfsmiddelen. De materiële vaste activa zijn verminderd, voor zover noodzakelijk, met voorzienbare waardeverminderingen, indien deze naar verwachting duurzaam zullen zijn. Op de post materiële vaste activa is een voorziening voor boekwaarderisico in mindering gebracht. Het boekwaarderisico wordt in de jaarverantwoording opgenomen voor zover een ingeschat risico zich voor zal doen in een periode van vijf jaar na balansdatum.

De afschrijvingen geschieden lineair overeenkomstig de verwachte economische levensduur en zijn berekend op basis van een vast percentage van de historische kostprijs per activa(sub)categorie.

De afschrijvingstermijnen zijn:

ActivacategorieAfschrijvings-termijn in jaren
Grond0
Erfpachtrechten5 – 50
Gebouwen, incl. inbouwpakketten15 – 60
Inventaris en overige bedrijfsmiddelen3 – 15

Grond en gebouwen

De bepaling van de historische verkrijgings- of vervaardigingsprijs van de materiële vaste activa die een onderdeel zijn van het stelsel van huur en verhuur heeft voor de bestaande voorraad per 1-1-1999 plaats gevonden door toepassing van het Lineamodel. Door middel van dit model zijn de (technische) componenten per gebouw geïnventariseerd en gewaardeerd. De nieuw opgeleverde projecten vanaf 1999 zijn gewaardeerd op basis van de daadwerkelijke investeringskosten.

In de markt gehuurde objecten zijn veelal door de Rgd voorzien van een inbouwpakket. De waardering voor de bestaande voorraad inbouwpakketten per 1-1-1999 heeft plaatsgevonden door benadering van de historische kostprijs. Tot en met 2001 is hierop annuïtair afgeschreven en vanaf 2002 wordt hierop lineair afgeschreven. Dit betreft een schattingswijziging, waardoor de afschrijvingskosten in 2002 € 3,3 mln hoger zijn. Het kwantitatieve effect voor toekomstige jaren is praktisch niet te bepalen.

De investeringen in inbouwpakketten vanaf 1999 worden gewaardeerd op basis van de werkelijke investeringskosten. Afschrijving vindt plaats op basis van de vastgestelde levensduur van 15 jaar, dan wel de duur van de huurovereenkomst als deze korter is.

Objecten, welke geen onderdeel vormen van het stelsel van huur en verhuur, zijn voor één Euro op de balans opgenomen. Hieronder vallen alle objecten die volledig worden verhuurd aan derden, het niet verhuurde deel van de Monumenten met een Erfgoedfunctie en de objecten ten behoeve van de huisvesting van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken.

Grond en gebouwen (incl. afgekochte erfpacht en inbouwpakketten in huurpanden) EUR1000

Balanspost per 1 januari 20023 877 829 
Voorziening boekwaarderisico +/+   106 900 
Boekwaarde grond en gebouwen per 1 januari 2002  
  3 984 729
Mutaties in de boekwaarde  
Opgeleverde onderhanden investeringsprojecten (incl. nazorg) +/+   303 651 
Afschrijvingen-/--   228 985 
Desinvesteringen (boekwaarde)-/--   10 771 
    63 895
Boekwaarde grond en gebouwen per 31 december 2002 4 048 624
Voorziening boekwaarderisico -/-   115 758
Balanspost per 31 december 2002 3 932 866

De voorziening boekwaarderisico wordt op de volgende pagina toegelicht.

In het saldo opgeleverde onderhanden investeringsprojecten is deels rekening gehouden met de projecten die zijn opgeleverd in het 4e kwartaal 2002. De overige projecten zijn verantwoord onder de post onderhanden investeringsprojecten.

De desinvesteringen betreffen de verkopen van onroerend goed en niet de afwaardering als gevolg van sloop van objecten, waarbij geen sprake is van verkoop. Deze kosten zijn opgenomen onder de afschrijvingen. Onder de afschrijvingen is tevens opgenomen de kosten van een brand in een cellencomplex op Schiphol.

Op de waarde van de grond, welke de Rgd in economisch eigendom heeft, wordt niet afgeschreven. Grond waarbij sprake is van afgekochte erfpacht, is gewaardeerd tegen het nog niet geamortiseerde deel van de aanschaffingsprijs. Grond waarbij sprake is van erfpacht met een verplichting tot het betalen van een jaarlijkse canon, wordt niet geactiveerd. Dit geldt eveneens voor overige niet in economisch eigendom zijnde gronden.

In het volgende overzicht wordt nader inzicht verschaft in de afgekochte erfpachtrechten, de (resterende) looptijd en het nog niet geamortiseerde bedrag (boekwaarde) ultimo 2002.

Erfpachtrechten

 Afkoopsom EUR1000 Restant looptijd per 31-12-2002Boekwaarde per 31-12-2002 EUR1000
Oorspronkelijke duur 18 jaar (2 percelen)3 67611 jaar2 246
Oorspronkelijke duur 19 jaar (1 perceel)1114 jaar8
Oorspronkelijke duur 23 jaar (1 perceel)5 86719 jaar4 847
Oorspronkelijke duur 50 jaar (2 percelen)58942 jaar495
Totaal10 143 7 596

Voorziening boekwaarderisico

Op de boekwaarde van de materiële vaste activa is, voor zover noodzakelijk, een voorziening voor boekwaarderisico in mindering gebracht, indien de directe opbrengstwaarde bij verwachte afstoot lager zal zijn dan de resterende boekwaarde op het moment van afstoot, inclusief eventuele kosten van sloop. Afwaarderingen van materiële vaste activa in het lopend boekjaar in verband met onverhuurbaarheid en het slopen van objecten zonder verkoop van de grond lopen niet via de voorziening boekwaarderisico.

De directe opbrengstwaarde is minimaal de opbrengst bij sloop van het betreffende object. De voorziening kent een horizon van 5 jaar. Op de risico's ná deze periode wordt nader ingegaan in de risicoparagraaf (paragraaf 4.3).

Voorziening boekwaarderisico EUR1000

Stand per 1 januari 2002 106 900
Mutaties  
Onttrekkingen-/--936
Dotatie+ /+18 478
Vrijval-/-8 684
Stand per 31 december 2002 115 758
   
Verwachte onttrekkingen  
1–2 jaar 22 932
3–4 jaar 63 439
5 jaar 29 387
Totaal 115 758

Onderhanden investeringsprojecten

De onderhanden investeringsprojecten zijn gewaardeerd tegen historische kostprijs, inclusief ontwikkelingskosten en financieringsrente over het gemiddeld geïnvesteerd vermogen. Op de stand onderhanden investeringsprojecten zijn, slechts indien noodzakelijk, voorzienbare negatieve projectresultaten in mindering gebracht.

Onderhanden investeringsprojecten EUR1000

Stand per 1 januari 2002 293 485
Mutaties  
Investeringen+ /+575 227
Opgeleverd onderhanden investeringsprojecten-/-303 651
Stand per 31 december 2002 565 061

De opgeleverde onderhanden investeringsprojecten omvatten alle opgeleverde projecten van het 4e kwartaal 2001 tot en met het 3e kwartaal 2002. De opgeleverde projecten 4e kwartaal 2002, met uitzondering van enkele definitief goedgekeurde opleveringen, worden verwerkt in het 1e kwartaal van 2003. De stand per 31 december 2002 is te verklaren doordat een aantal projecten met relatief hoge investeringen tot en met 2002 nog niet is opgeleverd.

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen

Deze post omvat de overige roerende goederen die langdurig dienstbaar zijn aan de bedrijfsvoering van het agentschap en toekomstige economische voordelen in zich hebben. De inventaris bestaat uit automatiseringsmiddelen, communicatiemiddelen, kantinevoorzieningen, kantoormeubilair en vervoermiddelen voor zover niet in eigendom van het moederdepartement VROM.

De overige bedrijfsmiddelen bestaan uit de installaties ten behoeve van de eigen Rgd-huisvesting waarvoor de Rgd als gebruiker verantwoordelijk is in het kader van de Regeling Taakverdeling Beheer (RTB).

Activering van inventaris en overige bedrijfsmiddelen vindt plaats op het moment van aanschaf. De inventaris en de overige bedrijfsmiddelen zijn gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs minus afschrijvingen. De afschrijving van inventaris en de overige bedrijfsmiddelen vangt aan in het eerste jaar volgend op het jaar van aanschaf en de afschrijvingstermijnen variëren per categorie tussen 3 – 15 jaar.

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen EUR1000

Historische kostprijs4 932 
Cumulatieve afschrijving-/-2 335
Boekwaarde per 1 januari 2002 2 597
   
Mutaties in de boekwaarde  
Investeringen+ /+540
Afschrijvingen-/-641
Desinvesteringen (boekwaarde)-/-  13
Boekwaarde per 31 december 2002 2 483

Egalisatierekening

Deze post heeft betrekking op de egalisatie als gevolg van de huurprijsmethode waarbij er sprake is van een constante huurprijs over de contractperiode, afgezien van de toegepaste indexering. De jaarlijkse opbrengst uit hoofde van de gebruiksvergoedingen kent derhalve een constante reeks, terwijl de kosten van rente en afschrijving over de jaren heen variëren. Het verschil tussen kosten en opbrengsten wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd en in de balans tot uitdrukking gebracht in een langlopende vordering op de gebruikers van de objecten. De vordering wordt over de totale contractperiode geneutraliseerd en is bij afloop van het contract nihil. Bij vroegtijdige contractontbinding wordt de opgebouwde vordering (=egalisatie) door de klant afgekocht.

De egalisatie is berekend op basis van de aannames bij de berekening van de gebruiksvergoeding en de vooraf geraamde inflatie. De verschillen tussen de geraamde en de werkelijke inflatie komen direct tot uitdrukking in het resultaat.

Egalisatierekening EUR1000

Egalisatie afschrijvingskosten 1 januari 2002141 652 
Egalisatie rente 1 januari 2002 +/+ 185 261 
Stand per 1 januari 2002 326 913
   
Mutaties  
Egalisatie afschrijvingskosten 2002 +/+ 51 271 
Egalisatie rentekosten 2002 +/+ 61 908 
Afgekochte egalisatie afschrijvingskosten-/-  2 273 
Afgekochte egalisatie rentekosten-/-  2 504 
Totaal mutaties 2002 108 402
   
Egalisatie afschrijvingskosten per 31 december 2002190 650 
Egalisatie rentekosten 31 december 2002 +/+ 244 665 
Stand per 31 december 2002 435 315

De zuivere berekening van de egalisatie op basis van de aannames bij de berekening van de gebruiksvergoeding heeft in 2002 geleid tot een ophoging van de egalisatie met € 39,9 mln.

Deze ophoging is te verklaren door de volgende aanpassingen in de berekeningsmethodiek.

Ten eerste is in de berekening aangesloten bij de oprenting zoals deze exact is opgenomen in de berekening van de gebruiksvergoeding en niet meer op basis van een veronderstelde oprenting. Dit leidt tot een ophoging van de egalisatie met € 29,9 mln.

Ten tweede worden de effecten van de werkelijke inflatie buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de egalisatie en wordt gerekend met de inflatie zoals deze is opgenomen in de berekening van de gebruiksvergoeding. Dit leidt tot een ophoging van egalisatie met€ 8,5 mln.

Ten derde is de egalisatie van de inbouwpakketten berekend op basis van lineaire afschrijving en niet op basis van annuïtaire afschrijving (zie de toelichting bij de post grond en gebouwen). Dit leidt tot een ophoging van de egalisatie met € 1,5 mln.

4.1.3 Vlottende activa

Onderhanden werk adviezen, services en overig

Onderhanden werk services, adviezen en overig EUR1000

Onderhanden werk services 456
Onderhanden werk adviezen 25 848
Onderhanden werk overig 9 304
Totaal per 31 december 2002 35 608

Het onderhanden werk adviezen, services en overig is gewaardeerd op basis van externe en interne kosten die aan deze activiteiten kunnen worden toegerekend. Het onderhanden werk adviezen, services en overig is, indien noodzakelijk, opgenomen onder aftrek van voorzienbare verliezen en reeds gefactureerde bedragen.

Onderhanden werk services EUR1000

Stand per 1 januari 2002 3 015
   
Mutaties  
Geactiveerde kosten services+ /+9 214
Kostprijs opgeleverde services-/-10 249
Gefactureerde termijnen-/-1 524
Stand per 31 december 2002 456

Het onderhanden werk services betreft de werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend, maar die op verzoek van de afnemer door de Rgd worden verricht.

Onderhanden werk adviezen EUR1000

Balanspost per 1 januari 20026 520 
Gefactureerde termijnen per 1 januari 20021 171 
Stand per 1 januari 2002 7 691
   
Mutaties  
Geactiveerde kosten adviezen+ /+31 442
Kostprijs opgeleverde adviezen-/-11 633
Gefactureerde termijnen-/-1 652
Stand per 31 december 2002 25 848

Het onderhanden werk adviezen betreft de onderhanden advieswerkzaamheden (zowel project als niet-project gebonden). De toename in de stand wordt verklaard door de advisering bij de voorbereiding van huisvestingsprojecten, waarvoor de klant wel heeft ingestemd met de voorbereiding, maar nog geen goedkeuring voor de uitvoering van een huisvestingsproject heeft gegeven.

Onderhanden werk overig (kleine, à fonds perdu gefinancierde projecten) EUR1000

Balanspost per 1 januari 20024 749 
Gefactureerde termijnen per 1 januari 200262 900 
Stand per 1 januari 2002 67 649
   
Mutaties  
Geactiveerde kosten kleine projecten+ /+75 385
Kostprijs opgeleverde kleine projecten-/-85 854
Gefactureerde termijnen-/-47 876
Stand per 31 december 2002 9 304

Het overig onderhanden werk betreft de door de klant à fonds perdu gefinancierde kleine projecten, hetgeen conform bestaande voorschriften beperkt is toegestaan. Waardering vindt plaats tegen kostprijs inclusief een toerekenbaar deel van de apparaatskosten van de Rgd.

Debiteuren en overige vorderingen

De vorderingen zijn, voor zover noodzakelijk, opgenomen onder aftrek van een voorziening voor mogelijke oninbaarheid (dubieuze debiteuren).

Debiteuren en overige vorderingen EUR1000

Debiteuren per 31 december 200212 488 
Voorziening dubieuze debiteuren -/-336 
Saldo per 31 december 2002 12 152
Stand Overige vorderingen per 31 december 2002 17 029
Saldo per 31 december 2002 29 181

De overige vorderingen betreffen onder meer nog te ontvangen gebruiksvergoedingen en nog te ontvangen huur- en afstootopbrengsten van de Dienst der Domeinen.

De voorziening voor dubieuze debiteuren wordt jaarlijks statisch bepaald aan de hand van een inschatting van oninbaarheid per vordering op balansdatum. De volgende specificatie van de voorziening dubieuze debiteuren kan worden gegeven:

Voorziening dubieuze debiteuren EUR1000

Stand per 1 januari 2002 618
Mutaties  
Onttrekkingen-/-79
Vrijval-/-203
Stand per 31 december 2002 336

Overlopende activa

De post overlopende activa per 31 december 2002 bestaat met name uit een vordering op het Ministerie VROM voor gerealiseerde inputactiviteiten in 2002. De specificatie van de post overlopende activa is als volgt:

Overlopende activa EUR1000

Nog te ontvangen 12 345
Vooruitbetaalde posten 5 599
Saldo per 31 december 2002 17 944

Liquide middelen

Onder deze post vallen alle rekening-courant relaties met het Ministerie van Financiën (RIC inclusief depositorekeningen), de bankrekeningen en de kas.

Liquide middelen EUR1000

Rekening-courant RIC 182 679
Depositorekening RIC nazorgbudgetten 21 770
Rabobank 3 423
Kas / bank   2
Saldo per 31 december 2002 207 874

De depositorekening RIC nazorgbudgetten heeft betrekking op een aantal nog af te ronden werkzaamheden (de nazorg) die nog resteert na de eerste oplevering van gebouwen en inbouwpakketten aan gebruikers. De opgeleverde activa worden inclusief de nazorgbudgetten op de balans geactiveerd en voor het volledige bedrag wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit. Het bedrag waarmee de resterende activiteiten zullen worden uitgevoerd, wordt voor maximaal 1 jaar op een depositorekening bij Financiën gezet tegen hetzelfde rentepercentage als waarvoor het leningsconvenant is afgesloten.

4.1.4 Eigen vermogenExploitatiereserve

De hoogte van het eigen vermogen is vastgesteld conform de vigerende regelgeving inzake de vermogensvorming bij agentschappen, de Regeling Vermogensvoorschriften Agentschappen 2000. De exploitatiereserve is bedoeld voor het opvangen van algemene bedrijfsrisico's, welke voortvloeien uit de normale bedrijfsvoering. Voor de ontwikkeling van het eigen vermogen wordt verwezen naar paragraaf 5.2 overzicht vermogensontwikkeling.

Onverdeeld resultaat

Het onverdeelde resultaat maakt onderdeel uit van het eigen vermogen. Indien het eigen vermogen groter is dan 5% van de gemiddelde gerealiseerde omzet, berekend over de laatste 3 jaar, wordt het overschot afgedragen via het moederdepartement aan Financiën. Met Financiën zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop dit afgedragen vermogen beschikbaar zal worden gehouden voor de rijkshuisvesting (zie paragraaf 4.2 Niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen) en de wijze waarop de (relevante) omzet wordt bepaald. Als definitie voor de omzet voor de normering van het eigen vermogen wordt gehanteerd: het totaal aan baten minus de egalisatie, rentebaten en buitengewone baten.

Eigen vermogen EUR1000

Exploitatiereserve per 1 januari 2002  50 156
Afdracht overschot aan moederdepartement-/-8 868 
Onverdeeld resultaat 2002+ /+ 29 25420 386
    
Saldo per 31 december 2002  70 542

De gemiddelde omzet (totale omzet exclusief egalisatie, rente en buitengewone baten) over de afgelopen 3 jaar bedraagt € 933,588 mln. Bij een normering van het eigen vermogen tot 5% bedraagt het eigen vermogen maximaal € 46,679 mln. (zie paragraaf 5.2).

4.1.5 Voorzieningen

De voorzieningen worden gevormd voor egalisatie van kosten en voorzienbare specifieke risico's en verplichtingen die uitgaan boven het algemene bedrijfsrisico dat aan het bedrijfsproces van de Rgd is verbonden. De voorzieningen zijn opgebouwd door kwantificering van de voorzienbare redelijkerwijs in te schatten risico's. Hierna wordt per gevormde voorziening een nadere onderbouwing gegeven.

Voorziening planmatig onderhoud

Planmatig onderhoud van de eigendomspanden vindt periodiek plaats. Ter egalisatie van de kosten van planmatig onderhoud is een voorziening getroffen. De voorziening dient toereikend te zijn voor de toekomstige noodzakelijke planmatig onderhoudsactiviteiten, rekening houdend met de opbouw tot het moment van vervanging, het kostenniveau bij vervanging en de onderhoudscyclus van de diverse gebouwonderdelen. Dotatie aan de voorziening vindt dynamisch plaats op basis van de in de huurprijsmethode opgenomen opslag ter dekking van de planmatig onderhoudskosten.

Op basis van inspecties vindt een statische toetsing plaats van de voorziening. De hoogte van de voorziening wordt aangepast, zodra de inspectieresultaten hiertoe aanleiding geven.

Voorziening Planmatig onderhoud EUR1000

Saldo per 1 januari 2002 221 194
Mutaties  
Onttrekkingen -/- 62 239
Dotatie + /+41 528
Saldo per 31 december 2002 200 483

Voorziening asbestverontreiniging

De voorziening asbestverontreiniging is opgenomen ter bestrijding van de asbestrisico's die aanwezig zijn bij de gebouwenvoorraad. De verwachte uitgaven voor asbest zijn op basis van een deelonderzoek geraamd op basis van het per 1 januari 1999 vigerende asbestbeleid. Het beleid houdt in dat de gehele voorraad eigendomspanden binnen 5 jaar, tot en met 2004, integraal wordt geïnventariseerd op de aanwezigheid van asbest(risico's). Na afronding van de inventarisatie zal de hoogte van de voorziening opnieuw worden bezien. In de periode tot en met 2004 wordt tevens een versnelde uitvoering van maatregelen geëffectueerd om gezondheidsrisico's afdoende te beperken. Gedurende de komende 18 jaar zal alle resterende asbest worden verwijderd in alle te renoveren eigendomsobjecten en worden alle overtollige eigendomspanden asbestvrij afgestoten. De voorziening is niet bedoeld voor de bestrijding van asbestverontreiniging in huurpanden. Hiervoor geldt dat de kosten worden verhaald op de verhuurder. De onttrekkingen aan de voorziening asbestverontreiniging in 2002 hebben derhalve betrekking op uitgevoerde inventarisaties en het verwijderen van asbest in eigendomspanden.

Voorziening Asbestverontreiniging EUR1000

Saldo per 1 januari 2002 74 303
Mutaties  
Onttrekkingen -/- 12 693
Saldo per 31 december 2002 61 610

Voorziening reorganisatie

De voorziening reorganisatie is in 2001 gevormd voor kosten die direct verband houden met de verplichtingen als gevolg van de voorgenomen reorganisatie van de Rgd. De kosten die zijn voorzien vloeien voort uit de kosten die noodzakelijk zijn voor de afbouw van de staande organisatie. In deze voorziening zijn begrepen de resterende kosten van professionalisering, waarvoor eerder een afzonderlijke voorziening was gevormd.

Voorziening Reorganisatie EUR1000

Saldo per 1 januari 2002 19 733
Mutaties  
Onttrekkingen -/- 7 171
Saldo per 31 december 2002 12 562

Voorziening Leegstand

De kosten van leegstand bestaan uit de gederfde inkomsten van de leegstaande panden in het stelsel van huur en verhuur en eventueel extra kosten van het beheer van leegstaande panden. Onttrekkingen vinden plaats op basis van de vastgestelde leegstandskosten. Dotatie aan de voorziening vindt dynamisch plaats op basis van de in de huurprijsmethode opgenomen opslag ter dekking van de leegstandskosten. Periodiek wordt een analyse uitgevoerd op de noodzakelijke hoogte van de voorziening ultimo boekjaar. Bij het bepalen van de hoogte van de voorziening wordt rekening gehouden met de huidige leegstand, de verwachte leegstand in de komende jaren en de verwachte dotaties in de komende jaren. Mede gelet op de verwachte ontwikkeling van leegstand in de komende jaren is geen vrijval verwerkt.

Voorziening Leegstand EUR1000

Saldo per 1 januari 2002 3 708
Mutaties  
Onttrekkingen -/- 5 503
Dotatie + /+16 026
Saldo per 31 december 2002 14 231

Overige voorzieningen

Onder de overige voorzieningen worden verschillende voorzieningen van geringe omvang verantwoord. De onderstaande overige voorzieningen zijn statisch bepaald.

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd:

Specificatie overige voorzieningen per 31-12-2002 EUR1000

Bodemsanering 1 522
Geschillen en Rechtsgedingen 5 208
Verlieslatende contracten 26 940
Wachtgelden 6 341
Saldo per 31 december 2002 40 011

De voorzieningen worden hierna afzonderlijk toegelicht.

Voorziening bodemsanering EUR1000

Saldo per 1 januari 2002 4 177
Dotatie + /+621
Onttrekkingen -/- 3 276
Saldo per 31 december 2002 1 522

De voorziening bodemsanering wordt gevormd voor situaties waar sprake is van grondvervuiling, waarbij de Rgd een saneringsplicht heeft, danwel sanering zelf zeer wenselijk acht. Voor de vorming van de voorziening komen alleen de bekende en taxeerbare saneringsoperaties, die binnen een tijdshorizon van vijf jaar in redelijkheid tot uitvoering zullen komen, in aanmerking.

Voorziening geschillen en rechtsgedingen EUR1000

Saldo per 1 januari 2002 4 820
Dotatie + /+1 513
Onttrekkingen -/- 46
Vrijval -/-1 079
Saldo per 31 december 2002 5 208

De voorziening voor geschillen en rechtsgedingen is opgenomen voor alle lopende geschillen en rechtsgedingen, indien met redelijke mate van zekerheid de uitkomst van deze zaken en de hieraan gerelateerde kosten zijn in te schatten.

Voorziening verlieslatende contracten EUR1000

Saldo per 1 januari 2002 1 594
Dotatie + /+26 370
Onttrekkingen -/- 336
Vrijval -/- 688
Saldo per 31 december 2002 26 940

De voorziening verlieslatende contracten is opgenomen voor verhuurcontracten, waarbij de werkelijke kosten van de Rgd hoger zijn dan de verhuuropbrengsten, voornamelijk afgesloten via de Dienst der Domeinen vóór 1 januari 1999. Daarnaast is in 2002 een dotatie ad € 26,4 mln verwerkt tengevolge van verschillen tussen de aannamen in de huurprijsberekening ten aanzien van de renteopbrengsten en de realiteit. In de huurprijsberekening is uitgegaan van renteopbrengsten over de ontvangen gebruiksvergoedingen alvorens deze worden afgedragen aan Financiën. Hierbij is een rentepercentage verondersteld gelijk aan het rentepercentage leenfaciliteit. In werkelijkheid zijn de renteopbrengsten lager. Tengevolge van dit verschil worden gedurende de contractperiode de hierop betrekking hebbende kosten van de Rgd niet meer volledig gedekt. Het contant gemaakte verlies (met een disconteringpercentage van 6,3%) dat hierdoor optreedt voor alle contracten gedurende de resterende contractperiode is € 26,4 mln en als dotatie aan de voorziening opgenomen. Vanaf 2003 wordt jaarlijks aan de voorziening onttrokken voor het verschil tussen de berekende gebruiksvergoeding en de kostendekkende gebruiksvergoeding.

Voorziening Wachtgelden EUR1000

Saldo per 1 januari 2002 6 960
Dotatie + /+783
Onttrekkingen -/- 1 402
Saldo per 31 december 2002 6 341

Tenslotte is een voorziening opgenomen voor wachtgeldverplichtingen van voormalig personeel. De voorziening wordt jaarlijks opnieuw berekend op basis van actuele gegevens. Bij de vorming van de voorziening wordt rekening gehouden met:

• de totale kosten (inclusief loonindexering) van voormalig personeel, die gebruik (kunnen) maken van de wachtgeldregelingen, gedurende de afgesproken looptijd/einddatum én

• reductiecijfers als gevolg van uitstroom door sterfte.

• Daarnaast is deze voorziening gewaardeerd tegen contante waarde. De gehanteerde disconteringsvoet is afgeleid van de rente leenfaciliteit 15 jaar per 31-12-2002 en bedraagt 4,67%.

4.1.6 Langlopende schulden

Onder de langlopende schulden worden schuldverhoudingen opgenomen met een resterende looptijd van langer dan één jaar. Het kortlopende deel samenhangend met de aflossing die binnen een jaar zal plaatsvinden, is opgenomen onder de kortlopende schulden.

Leenfaciliteit Financiën

Het belangrijkste onderdeel van de langlopende schulden betreft de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën ter financiering van de voorraad panden en de in onderhanden werk zijnde projecten.

Leenfaciliteit EUR1000

Stand per 1 januari 2002 4 194 022
Opgenomen per 1 januari 2002 als kortlopend deel +/+   107 633
Totaal schuld leenfaciliteit per 1 januari 2002 4 301 655
   
Beroep 2002 +/+ 587 075 
Aflossing -/- 135 265 
   451 810
Schuld leenfaciliteit per 31 december 2002  4 753 465
Kortlopend deel per 31 december 2002 -/-   130 142
Stand per 31 december 2002 4 623 323

De opbouw van de leenfaciliteit is conform de vigerende regelgeving vastgelegd in de Regeling Leen- en Depositofaciliteit Agentschappen. De nadere uitwerking van de leenfaciliteit is neergelegd in het mantelconvenant leenfaciliteit, dat op 5 december 2000 is gesloten tussen Financiën en de Rgd. Dit mantelconvenant regelt alle bepalingen omtrent voorlopige en definitieve leningconvenanten:

• Een voorlopig leningconvenant betreft een afroepcontract ter financiering van de onderhanden investeringsprojecten. Het rentepercentage zoals dat is vastgelegd in het voorlopig leningconvenant is tevens de financieringsrente van het project. De financieringsrente tijdens de bouwperiode wordt niet afgedragen maar meegefinancierd in de leenfaciliteit.

• Een definitief leningconvenant betreft een specificatie van projecten die zijn opgeleverd en onderdeel waren van een voorlopig leningconvenant. Per rentetranche wordt een rente- en aflossingsschema opgenomen in het definitief leningconvenant. Het rente- en aflossingsschema is gebaseerd op de nominale rentevariant waarbij, uit de beschikbare som van de rente- en afschrijvingscomponenten, in eerste instantie aan de nominale renteverplichting over de (rest)schuld wordt voldaan.

In 2002 is een extra beroep leenfaciliteit gedaan voor € 0,858 mln die betrekking had op 2001, maar waarvoor de leenfaciliteit nog niet was aangesproken.

Op basis van het reguliere rente- en aflossingsschema is in 2002 afgelost € 117,8 mln. Daarnaast is vervroegd afgelost in verband met afstoot ad € 17,5 mln.

Overige langlopende schulden

Onder deze post zijn leningen/financieringen opgenomen met een looptijd langer dan 1 jaar. Een aantal klanten heeft ervoor gekozen om gebruikerszaken, die vóór de stelselwijziging onder de verantwoordelijkheid vielen van de Rgd, ook ná 1 januari 1999 bij de Rgd onder te brengen. De uit de services vergoeding voortvloeiende vervangingsverplichtingen worden onder de langlopende schulden verantwoord. Deze service contracten zijn afgesloten met een looptijd van 15 jaar. Vervangingen zullen in overleg met de klant worden gepland en uitgevoerd.

Overige langlopende schulden EUR1000

Stand per 1 januari 2002 16 826
Vervangingsverplichting gebruikersinstallaties + /+ 1 673
Realisatie vervangingen-/-  738
Stand 31 december 2002 17 761

4.1.7 Kortlopende schulden

Een belangrijk deel van de kortlopende schulden heeft betrekking op het (kortlopend) deel van de leenfaciliteit bij Financiën dat in het komend jaar zal worden afgelost. Onder de kortlopende schulden zijn ook de nazorgverplichtingen opgenomen. Deze zijn gebaseerd op de resterende betalingen (van zowel interne als externe kosten) tijdens de nazorgfase van investeringsprojecten.

Kortlopende schulden EUR1000

Nazorgverplichtingen 16 687
Kortlopend deel langlopende schulden 130 142
Crediteuren  25 108
Nog te betalen 21 850
Vooruitontvangen bedragen 3 341
Saldo per 31 december 2002 197 128

4.2 Niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen

Niet uit de balans blijkende rechten bestaan uit:

PostOmschrijvingBedrag
Trekkingsrecht op afgedragen eigen vermogen Het totale bedrag waar de Rgd aanspraak op kan maken in het geval er sprake is van interen op het eigen vermogen als gevolg van negatieve resultaten. Van interen is sprake indien het eigen vermogen € 15 mln of minder bedraagt. Zie hiervoor ook toelichting bij hoofdstuk 5.2 Overzicht vermogensontwikkeling.€ 70,3 mln

Niet uit de balans blijkende verplichtingen bestaan uit:

PostOmschrijving Bedrag circa
Markthuren De totale nominale betalingsverplichting voor de gehele contractsduur, die voortvloeit uit panden welke zijn gehuurd uit de markt. De looptijd van deze huren is maximaal 26 jaar. € 1,7 mld
Projecten De definitie voor niet uit de balans blijkende verplichtingen voor projecten stoelt op de voorlopige leningconvenanten. De verplichting is gelijk gesteld aan de geraamde betalingen in 2003 en volgende jaren ten behoeve van de projecten in de voorlopige convenanten. € 1,2 mld
Verplichting afdracht eigen vermogen boven 5% In 2003 draagt de Rgd het eigen vermogen af voor zover dit de norm van 5% over de relevante gemiddelde omzet over 3 jaar overstijgt. In 2003 wordt deze afdracht toegevoegd aan het bestaande trekkingsrecht ad € 70,3 mln € 23,9 mln

4.3 Risicoparagraaf

In de balans zijn voorzieningen opgenomen ter dekking van risico's, verplichtingen en egalisatie van kosten. Bij de vaststelling van de aard en omvang van deze voorzieningen is in beginsel uitgegaan van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, boek 2, titel 9. Daartoe is een risicoprofiel bepaald, waarbij is aangegeven in hoeverre de risico's en verplichtingen kunnen worden gedragen door de Rgd. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is een passende financiering overeengekomen in overleg met zowel het moederdepartement VROM als het Ministerie van Financiën. De voorzieningen voor risico's en verplichtingen zijn gevormd voor zover deze redelijkerwijs kwantificeerbaar zijn. Tevens is een onderscheid te maken in:

• Voorzieningen die gekoppeld zijn aan activa-posten zoals de voorraad gebouwen en het debiteurensaldo;

• Voorzieningen die verantwoord worden aan de passiva-zijde voor risico's, verplichtingen en/of ter egalisatie van kosten.

De voorzieningen worden gevoed door dotaties die ten laste van de exploitatierekening worden verantwoord. De onttrekkingen vinden ten laste van de voorziening plaats.

De financiële gevolgen van niet-voorzienbare en/of niet-redelijkerwijs kwantificeerbare risico's en verplichtingen worden binnen de exploitatierekening gedekt (ten laste van het eigen vermogen gebracht). Voorbeelden zijn brand en schade als gevolg van bouwstoffen en bacteriologische (legionella) besmetting etc. Indien sprake is van aanzienlijke onvoorziene schade zal dit ad hoc leiden tot overleg met het moederdepartement VROM en eventueel met het Ministerie van Financiën over de wijze van dekking van deze kosten. Hierbij moet ook worden gedacht aan kosten van bodemsanering. Deze kosten zijn op dit moment nog slechts beperkt kwantificeerbaar.

Ter nuancering van het bovenstaande geldt het volgende:

De nu reeds voorziene, maar nog niet exact kwantificeerbare boekwaarderisico's ná 2007 zijn niet opgenomen in de jaarverantwoording. De Rgd kan na het jaar 2007 geconfronteerd worden met een extra boekwaarderisico bij objecten die overtollig blijken na het aflopen van de 7,5 jaarscontracten. De dekking van eventuele extra verliezen uit dezen hoofde moet in eerste instantie binnen de exploitatie van de Rgd plaatsvinden.

Of deze oplossing bijsturing behoeft, zal worden bezien bij de evaluatie van het Rijkshuisvestingsstelsel. Deze evaluatie zal 5 jaar na de inwerkingtreding van dit stelsel worden uitgevoerd.

5. De staat behorende bij de rekening, onderdeel baten en lastenGespecificeerde verantwoordingsstaat baten-lastendienstAgentschap Rijksgebouwendienst

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2002

Bedragen in €1000,–
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten
Gebruiksvergoedingen van ministeries 777 739 823 099 45 360
Inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie 66 487 69 2082 721
Services 28 806 21 165– 7 641
Adviezen 3 153 10 108 6 955
Derden14 662 15 276 614
Kleine projecten voor ministeries23 256 85 911 62 655
Egalisatie 56 831113 179 56 348
Rentebaten 6 502 7 8871 385
Overige baten 11 591 11 591 
Buitengewone baten    
Totaal baten977 4361 157 424179 988
    
Lasten   
Apparaatskosten42 622 52 928 10 306
Huren vanuit de markt214 977 233 941 18 964
Inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie 66 487 69 208 2 721
Services28 806 19 287 – 9 519
Adviezen 3 15311 633 8 480
Derden 2 209 2 556347
Kleine projecten voor ministeries 23 256 85 85462 598
Kosten onderzoek rijkshuisvesting 2 042 1 199– 843
Dagelijks onderhoud 40 992 40 519– 473
Rentelasten 255 789 261 9646 175
Afschrijvingen 200 864 233 20632 342
Belastingen 20 775 21 210 435
Mutaties voorzieningen 55 582 94 665 39 083
Overige lasten   
Totaal lasten957 5541 128 170170 616
    
Saldo van baten en lasten19 88129 2549 373

5.1 Toelichting op de rekening, onderdeel baten en lasten

5.1.1 Algemeen

De kostendekkendheid van het Agentschap Rgd wordt in onderstaande tabel nader verklaard door de baten en lasten als volgt aan elkaar te relateren:

Lasten€ mln Baten€ mln
Apparaatskosten 52 928 Gebruiksvergoedingen ministeries 823 099
Huren vanuit de markt 233 941Egalisatie 113 179
Kosten onderzoek 1 199Gebruiksvergoedingen derden 9 818
Dagelijks onderhoud40 519 Derden bijzondere objecten 4 554
Rentelasten261 964 Rentebaten 7 887
Afschrijvingen 233 206  
Belastingen 21 210   
Mutaties voorzieningen94 665   
Derden bijzondere objecten 2 556  
Inputfinanciering 69 208 Inputfinanciering69 208
Services 19 287 Services21 165
  Service derden 6
Adviezen11 633 Adviezen 10 108
  Adviezen derden898
Kleine projecten voor ministeries 85 854Kleine projecten voor ministeries 85 911
Overige lasten 0 Overige baten 11 591
Buitengewone lasten0 Buitengewone baten 0
Totaal lasten1 128 170Totaal baten1 157 424

De meeste lasten betreffen reguliere kosten van rijkshuisvesting die worden gedekt vanuit de gebruiksvergoedingen. Voor inputfinanciering, services, adviezen en kleine projecten voor ministeries geldt dat kosten worden doorberekend. Verschillen tussen de aan elkaar gerelateerde baten en lasten worden onder meer verklaard, doordat de baten derden worden toegerekend aan de diverse producten met uitzondering van de bijzondere objecten, die onder de post lasten derden vallen.

Voor een zuivere analyse van het structureel in evenwicht zijn van baten en lasten is het belangrijk om incidentele resultaten buiten de beschouwing te laten.

5.1.2 Baten

In de oorspronkelijk vastgestelde begroting 2002 waren de baten geraamd op € 977,4 mln. Bij 2e suppletore begroting is de raming met € 33,1 mln. bijgesteld naar € 1 010,5 mln. Deze bijstelling betreft de doorwerking van een hogere indexering en de toevoeging van opgeleverde projecten, waardoor de raming gebruiksvergoeding met € 14,6 mln. is verhoogd. Daarnaast is de raming opbrengsten inputfinanciering aangepast aan de najaarsnota en de raming egalisatie geactualiseerd en verhoogd met € 15,8 mln.

De realisatie 2002 bedraagt € 1 157 mln. De toename ten opzichte van de stand 2e suppletore begroting ad € 146 mln wordt met name verklaard door de hogere gebruiksvergoedingen, de egalisatie en de opbrengsten van kleine projecten. De overige baten zijn niet begroot. De baten van services, adviezen en kleine projecten voor ministeries zijn moeilijk te begroten omdat deze gerelateerd zijn aan klantvragen die veelal pas gedurende het uitvoeringsjaar bekend worden en jaarlijks sterk verschillen.

Gebruiksvergoedingen van ministeries

De gebruiksvergoedingen hebben betrekking op de verkregen opbrengst van ministeries op basis van de in het kader van het huur-verhuurmodel opgestelde interne verhuurcontracten.

Inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie

Onder inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie vallen onder andere de posten huisvesting ten behoeve van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken, het beheer van monumenten met een erfgoedfunctie, de functionele kosten van het Koninklijk Huis, de beleidstaken van de Rgd en het Energie Efficiencyprogramma Rijkshuisvesting. Voor de dekking van de inputfinanciering wordt zorggedragen door het moederdepartement vanuit diverse beleidsartikelen. VROM verstrekt gedurende het jaar voorschotten aan de Rgd en op basis van de definitieve realisatiecijfers worden de kosten afgerekend. Het verschil tussen de voorschotten (en overige ontvangsten) en de realisatie resteert als een vordering op het moederdepartement. De verdeling van de opbrengsten naar de beleidsartikelen kan als volgt worden gespecificeerd:

Specificatie opbrengsten inputfinanciering naar beleidsartikelen VROM EUR1000

Opbrengst vanuit artikel 3  5 161
Opbrengst vanuit artikel 6 10 749
Opbrengst vanuit artikel 14 39 658
Opbrengst vanuit artikel 15 3 013
Vordering op VROM  10 627
Totaal 69 208

Services

Het onderdeel services betreft de opbrengst voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar die op verzoek van de afnemers, voorzover rijksoverheid, door de Rgd worden verricht. Hieronder valt ook het facility-management. Services worden door de Rgd uitgevoerd zowel via incidentele opdrachten als via servicecontracten.

Specificatie opbrengsten services EUR1000

Opbrengst servicecontracten  10 391
Opbrengst incidentele services 9 600
Opbrengsten facility-management 1 174
Totaal  21 165

Adviezen

De opbrengst adviezen heeft betrekking op de opbrengsten van niet-projectgebonden huisvestingsadviezen aan rijksoverheden. Projectgebonden adviezen worden geactiveerd bij de materiële vaste activa. In 2002 is de omzet van adviezen hoger geweest dan vooraf begroot vanwege niet voorziene extra klantvragen.

Derden

Het onderdeel derden betreft de opbrengsten van huisvesting van organisaties op het niveau van de centrale overheid, die (vrijwel) geheel worden bekostigd uit collectieve middelen. De opbrengsten betreffen naast de opbrengsten gebruiksvergoedingen ook opbrengsten voor geleverde adviezen en services. Onder deze post vallen tevens de opbrengsten voor de exploitatie van de bijzondere objecten. Hiertoe behoren met name de opbrengsten van de parkeergarages en de grafelijke zalen.

Specificatie opbrengsten derden EUR1000

Opbrengsten gebruiksvergoedingen  9 818
Opbrengsten bijzondere objecten 4 554
Opbrengsten adviezen  898
Opbrengsten services    6
Totaal 15 276

Kleine projecten voor ministeries

Onder deze post worden de opbrengsten als gevolg van uitgevoerde kleine, à fonds perdu gefinancierde, projecten voor ministeries verantwoord. Het financieren van deze (ver)bouwprojecten door de gebruikers middels een meerjarige gebruiksvergoeding is niet zinvol door de relatief geringe financiële omvang van deze projecten. In een beperkt aantal gevallen is het toegestaan te opteren voor een bijdrage in één keer. Inbouwpakketten kunnen ongelimiteerd à fonds perdu worden gefinancierd. In 2002 is de omzet van kleine projecten voor ministeries relatief hoog, doordat veel investeringsprojecten zijn uitgevoerd die conform de regelgeving direct kunnen worden afgerekend.

Egalisatie

De huurprijsmethodiek Rgd heeft als uitgangspunt een (afgezien van de toegepaste indexering) constante huurprijs over de contractperiode. De jaarlijkse opbrengst uit hoofde van de gebruiksvergoedingen kent derhalve een constante reeks, terwijl de kosten van rente en afschrijving variëren over de jaren. Het verschil tussen deze baten en lasten wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd. In de balans wordt dit tot uitdrukking gebracht in een langlopende vordering op de gebruikers van de objecten onder de post egalisatierekening. (zie voor een verdere toelichting 4.1.2).

Overzicht egalisatie EUR1000

Egalisatie afschrijvingskosten eigendom  51 271
Egalisatie rentekosten eigendom  61 908
Totaal egalisatie 113 179

Rentebaten

De Rgd heeft rentebaten tengevolge van positieve saldi op de rekening-courant RIC en op de depositorekening RIC:

• De rentebaten op de rekening-courant RIC bedragen € 6,7 mln. Deze rentebaten hebben voor € 2,6 mln betrekking op 2001.

• De rentebaten op de depositorekening RIC nazorgbudgetten bedragen € 1,2 mln en betreffen de middelen die reeds zijn opgenomen uit de leenfaciliteit en gedurende één jaar tegen een gelijk rentepercentage als van de leenfaciliteit uitstaan.

Overige baten

Onder deze post worden onder andere boekwinsten verantwoord als gevolg van afstoot van objecten en resultaten op investeringsprojecten.

Overige baten EUR1000

Resultaat op verkopen onroerend goed  5 055
Resultaat op projecten 1 508
Baten voorgaand boekjaar 5 028
Totaal  11 591

5.1.3 Lasten

In de oorspronkelijk vastgestelde begroting 2002 waren de lasten geraamd op € 957,6 mln. Bij 2e suppletore begroting is de raming verhoogd met € 47,9 mln naar € 1 005,5 mln. Deze bijstelling hangt samen met inzet extra personeel en aanvullende kosten van automatisering, een hogere dan geraamde indexering van markthuren en toevoegingen aan de voorraad waardoor de rentelasten en afschrijvingen stijgen met respectievelijk € 6,6 mln en € 21,7 mln.

De hogere realisatie ad € 122,7 mln ten opzichte van de 2e suppletore wordt met name verklaard door de hogere realisatie bij kleinere projecten, de mutaties voorzieningen en de afschrijvingen.

Apparaatskosten

Deze post omvat alle apparaatskosten, zijnde in- en extern personeel, materieel inclusief eigen Rgd-huisvesting, die niet gedekt en verantwoord worden via adviezen, services, kleine projecten ministeries, huisvestingskosten inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie of geactiveerd worden in huisvestingsprojecten. De apparaatskosten dienen gedekt te worden uit de opslagen in de gebruiksvergoedingen.

Overzicht apparaatskosten EUR1000

Totaal (bruto) kosten Personeel 86 423  
Totaal (bruto) kosten Materieel +/+  21 846 
Totaal apparaatskosten (bruto)  108 269
   
Totaal toegerekend aan producten  -/-  55 341
Totaal apparaatskosten (netto)  52 928

Voor de dekking van de saldo-post netto apparaatskosten ad € 52,9 mln dient de opslag voor apparaatskosten in de gebruiksvergoedingen.

In de begroting 2002 is voor (bruto) apparaatskosten een bedrag van € 86,4 mln opgenomen. Bij de 2e suppletore begroting 2002 is dit bedrag reeds gewijzigd in € 98,3 mln in verband met extra apparaatskosten, mede in het kader van de reorganisatie.

De hogere realisatie van de bruto apparaatskosten t.o.v. de 2e suppletore begroting 2002 met een bedrag van € 10,0 mln wordt voor het merendeel verklaard door de kosten van externen, die onder andere ingehuurd zijn in het kader van het verbeteren van het financieel beheer. Tevens worden de hogere apparaatskosten verklaard door de nodige inzet ten behoeve van IRIS en de voorbereidingen voor de kanteling van de Rgd-organisatie.

In de begroting 2002 is voor de toerekening aan de overige producten een bedrag van € 43,8 mln opgenomen. In de 2e suppletore begroting 2002 is dit bedrag verhoogd tot € 48,5 mln in verband met hogere productie. De hogere realisatie van € 6,8 mln betekent meer directe (en dus factureerbare) uren ten opzichte van de begroting. Hiermee is een deel van de hogere bruto apparaatskosten gedekt.

Huren vanuit de markt

Het betreft de door de Rgd aan de markt te betalen huren, exclusief de huren van objecten die vallen buiten de huurverhuurrelatie. Deze laatste worden verantwoord onder de kosten inputfinanciering.

Inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie

De verschillende posten die vallen onder de inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie zijn bij de baten beschreven. Voor de toelichting inzake de realisatie van de inputfinanciering wordt verwezen naar de diverse beleidsartikelen van het moederdepartement VROM, waarvan de specificatie eveneens is opgenomen bij de baten.

Specificatie kosten inputfinanciering naar beleidsartikelen VROM EUR1000

Kosten artikel 3  6 366
Kosten artikel 6  13 261
Kosten artikel 14  45 865
Kosten artikel 15 3 716
Totaal  69 208

Services

De post services betreft de integrale kosten (inclusief apparaatskosten) voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar op verzoek van de afnemers door de Rgd worden verricht en overige services. Hieronder valt ook het facilitymanagement.

Een deel van de kosten bestaat uit de opbouw van een vervangingsverplichting (zie ook langlopende schulden) die de Rgd heeft jegens een aantal klanten ten aanzien van de vervanging van gebruikersinstallaties. Deze kosten zijn opgenomen onder de kosten servicecontracten in de onderstaande specificatie.

Specificatie kosten services EUR1000

Kosten servicecontracten  7 590
Kostprijs service projecten 10 249
Kosten facility-management 1 448
Totaal  19 287

De kosten services omvatten ook de kosten van services afgenomen door derden. In de verantwoording zijn wel de serviceopbrengsten derden afzonderlijk opgenomen maar de kosten van uitgevoerde service werkzaamheden worden integraal verantwoord onder deze post. De kosten services betreffen voor € 3,1 mln opgeleverde serviceprojecten in 2001.

Adviezen

De Rgd verricht op verzoek van de gebruikers niet-projectgebonden adviezen. De kosten betreffen zowel de interne als externe kosten. De projectgebonden adviezen worden geactiveerd onder de materiële vaste activa en komen via afschrijvingen ten laste van het resultaat. De kosten adviezen omvatten ook de kosten van adviezen afgenomen door derden. In de verantwoording zijn wel de adviesopbrengsten derden afzonderlijk opgenomen maar de kosten van advies werkzaamheden worden integraal verantwoord onder deze post.

Derden

De hier verantwoorde kosten betreffen de kosten voor de bijzondere objecten, zoals de grafelijke zalen, parkeergarages en hotelkantoren. Onder deze post worden niet de kosten van aan derden geleverde prestaties verantwoord die integraal zijn ondergebracht bij andere posten, zoals de afschrijvingskosten onroerend goed, rentekosten van de leenfaciliteit, kosten onderhoud en kosten van service en advies werkzaamheden.

Kleine projecten voor ministeries

Onder deze post zijn de integrale kosten opgenomen van de door de Rgd uitgevoerde kleine projecten voor ministeries, hetgeen (ver)bouwactiviteiten van relatief geringe financiële omvang en/of inbouwpakketten betreffen, die à fonds perdu worden gefinancierd.

In 2002 zijn relatief veel kleine projecten uitgevoerd.

Kosten onderzoek rijkshuisvesting

De kosten betreffen de uitvoeringskosten van aan externen opgedragen onderzoek, kennisoverdracht en implementatie.

Dagelijks onderhoud

De kosten van dagelijks onderhoud hebben betrekking op regelmatig terugkerende vaste werkzaamheden, zoals contractonderhoud en wettelijk verplichte keuringen en het oplossen van storingen. De oorspronkelijke begroting is gerealiseerd.

Rentelasten

Onder deze post worden de rentekosten van de rentedragende leningen en (eventuele) debetrente van de rekening courant RIC verantwoord. De rentelasten zijn € 6,2 mln hoger dan oorspronkelijk begroot. Reeds bij 2e suppletore begroting 2002 is de raming met € 6,6 mln. verhoogd.

Afschrijvingskosten

Onder deze post zijn de volgende afschrijvingskosten van de vaste activa opgenomen:

Overzicht afschrijvingskosten EUR1000

Immateriële vaste activa  3 580
Gebouwen, incl. inbouwpakketten 228 985
Inventaris en overige bedrijfsmiddelen  641
Totaal afschrijvingskosten 233 206

De afschrijvingskosten gebouwen, inclusief inbouwpakketten betreffen met name de reguliere afschrijvingen, maar is ook bestemd voor incidentele inhaalafschrijvingen, als gevolg van sloop van objecten of afwaardering in verband met onverhuurbaarheid. De afschrijvingskosten zijn € 32,3 mln hoger dan oorspronkelijk begroot. Reeds bij 2e suppletore begroting 2002 is de raming met € 21,7 mln verhoogd in verband met de toevoegingen aan de voorraad. De extra realisatie wordt verklaard door afschrijvingen ten gevolge van sloop zonder verkoop ad € 6,1 mln. Daarnaast is afgewaardeerd ad € 5,0 mln tengevolge van een brand in een cellencomplex op Schiphol.

Belastingen

Het betreft hier het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting (OZB) over de verhuurde voorraad onroerend goed. De onroerend zaakbelasting wordt afgedragen aan de Dienst der Domeinen.

Mutaties voorzieningen

Deze post bestaat enerzijds uit dotaties aan de voorzieningen (ad € 105,3 mln) en anderzijds uit vrijval van voorzieningen (ad € 10,7 mln). Een specifieke toelichting op de dotatie of de vrijval is terug te vinden bij de toelichting op de balans bij de betreffende voorziening.

De volgende dotaties aan de voorzieningen hebben in 2002 plaatsgevonden:

• dotatie voorziening boekwaarderisico gebaseerd op een actualisatie van de objecten die in de voorziening per 1 januari reeds waren opgenomen en ten behoeve van risico's die optreden in het nieuw toegevoegde jaar (2007) in de periode waarop de voorziening betrekking heeft;

• dotatie aan de voorziening planmatig onderhoud op basis van de opbrengst van de component voor planmatig onderhoud in de gebruiksvergoedingen;

• dotatie aan de voorziening leegstand op basis van de opbrengst van de component voor leegstand in de gebruiksvergoedingen;

• dotatie overige voorzieningen op basis van nieuwe risico's die via de voorziening bodemsanering, wachtgelden, verlieslatende contracten en geschillen en rechtsgedingen zullen worden afgedekt.

Overzicht dotaties voorzieningen EUR1000

Dotatie voorziening boekwaarderisico  18 478
Dotatie voorziening planmatig onderhoud  41 528
Dotatie voorziening leegstand 16 026
Dotatie overige voorzieningen 29 287
Totaal dotatie  105 319

De volgende vrijval heeft in 2002 plaatsgevonden:

• vrijval van de voorziening boekwaarderisico;

• vrijval van de voorziening dubieuze debiteuren;

• vrijval bij de voorziening geschillen en rechtsgedingen en verlieslatende contracten onder de post overige voorzieningen.

Overzicht vrijval voorzieningen EUR1000

Vrijval voorziening boekwaarderisico  8 684
Vrijval voorziening dubieuze debiteuren  203
Vrijval overige voorzieningen 1 767
Totaal vrijval  10 654

Overige lasten

De overige lasten betreft een restcategorie die niet onder de overige posten kunnen worden verantwoord. Deze categorie heeft zich in 2002 niet voorgedaan.

5.2 Overzicht vermogensontwikkeling

Overzicht meerjarige vermogensontwikkeling van een baten-lastendienst

Agentschap Rijksgebouwendienst

Overzicht vermogensontwikkeling (EUR1000)

  t-41999 2000 2001 Begroot 2002 Realisatie 2002
Eigen vermogen per 1 januari nvt38 57149 09287 25013 87750 156
Saldo van Baten en Lasten + /+  10 52151 607 10 876 19 881 29 254
Directe mutaties in het eigen vermogen:        
– uitkering aan moederdepartement -/-   – 13 449– 47 970 0 – 8 868
– bijdrage door moederdepartement +/+       
– overige mutaties +/+       
Eigen vermogen per 31 december nvt49 09287 25050 15633 75970 542

Toelichting directe mutaties in het eigen vermogen

De directe mutatie in het eigen vermogen die bij het agentschap Rgd in 2002 heeft plaatsgevonden, is de afdracht overschot vermogen 2001.

De gemiddelde omzet (totale omzet exclusief egalisatie, rente en buitengewone baten) over de afgelopen 3 jaar bedraagt € 933,588 mln. Bij een normering van het eigen vermogen tot 5% bedraagt het eigen vermogen maximaal € 46,679 mln. Het eigen vermogen ultimo 2002 (€ 70,542 mln) is hoger, zodat het verschil (€ 23,863 mln) in 2003 zal worden afgedragen aan het moederdepartement.

De afdracht is het gevolg van het feit dat het eigen vermogen van de Rgd is gemaximeerd op 5% van de omzet, exclusief egalisatie, rentebaten en buitengewone baten. Het eigen vermogen Rgd ultimo 2001 was € 8,868 mln hoger dan de norm. Dit bedrag is in 2002 conform de regelgeving afgedragen aan het moederdepartement. Op de afgedragen middelen kan de Rgd een beroep doen indien het eigen vermogen, ultimo een boekjaar, minder bedraagt dan € 15 mln. Deze post is derhalve ook terug te vinden onder de niet uit de balans blijkende rechten in hoofdstuk 4.2.

5.3 De staat behorende bij de rekening, onderdeel het kasstroomoverzicht

Inzake de toelichting bij de rekening van een baten-lastendienst(kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten, het kasstroomoverzicht)

Agentschap Rijksgebouwendienst

Het kasstroomoverzicht 2002: confrontatie ontwerpbegroting met de realisatie Bedragen in EUR1000,–

    (1)(2)(3)=(2)-(1)
   OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begroting RealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1.  Rekening courant RIC 1 januari207 855168 285– 39 570
       
2.  Totaal operationele kasstroom146 046158 30712 261
       
 3a.-/-totaal investeringen– 363 024– 575 869– 212 845
 3b+/+totaal boekwaarde desinvesteringen11 02110 784– 237
3.  Totaal investeringskasstroom– 352 004– 565 085– 213 081
       
 4a.-/-eenmalige uitkering aan moederdepartement0 – 8 868– 8 868
 4b+/+ eenmalige storting door moederdepartement    
 4c.-/- aflossingen op leningen– 121 997 – 135 265 – 13 268
 4d+/+beroep op leenfaciliteit 363 024 587 075224 051
4.  Totaal financieringskasstroom241 027442 942201 915
       
5.  Rekening courant RIC31 december(=1+2+3+4)(maximale roodstand 0,5 mln euro)242 925204 449– 38 476

5.4 Toelichting op de rekening, onderdeel het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen in de verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van deze middelen. Aan de hand van het kasstroomoverzicht worden de kapitaaluitgaven en -ontvangsten toegelicht. In dit model vormen de posten 3a, 4a en 4c de kapitaaluitgaven, terwijl de posten 3b, 4b en 4d de kapitaalontvangsten vormen.

Operationele kasstroom

Bij het bepalen van de operationele kasstroom is uitgegaan van het saldo van baten en lasten, dat is gecorrigeerd voor de afschrijvingen en de mutaties in de balansposten egalisatie, voorzieningen en kortlopende activa en passiva.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom bestaat uit het saldo van investeringen en (boekwaarde van de) desinvesteringen. In 2002 is in de volgende vaste activa geïnvesteerd (bedragen x EUR1000):

Immateriële vaste activa € 101

Huisvestingsprojecten (onderhanden

en opgeleverd) € 575 227

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen € 540

De investeringen in huisvestingsprojecten in 2002 zijn hoger uitgevallen dan oorspronkelijk begroot onder meer als gevolg van de aankoop van de Hoftoren te Den Haag, stond begroot in 2003, en de realisatie van extra celcapaciteit voor de zogenaamde bolletjesslikkers in onder andere Zeist en Schiphol.

De desinvesteringen kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen x EUR1000):

Grond en gebouwen € 10 771

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen € 13

Financieringskasstroom

De (eenmalige) uitkering aan het moederdepartement betreft de afdracht van het eigen vermogen, voor het bedrag waarmee het eigen vermogen de norm, van 5% van de gemiddelde omzet van de afgelopen drie jaar, overschrijdt.

De aflossingen op leningen bestaat uit de aflossing op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën en de laatste terugbetaling van de voorfinancieringen van departementen.

Alleen voor de investeringen in huisvestingsprojecten en voor de terugbetaling van de voorfinancieringen wordt een beroep op de leenfaciliteit gedaan.

BIJLAGE 5

TREFWOORDENLIJST

5e Nota Ruimtelijke Ordening 177

Accession Countries 185

Actieprogramma handhaving bouwregelgeving 31, 174

Afvalstoffen 32, 42, 158, 161, 162, 163, 166, 170, 172, 173, 181, 183, 184, 224, 225, 298

Algemene Inspectiedienst 265

Ambtelijke omkoping 173

Asbest 13, 29, 30, 32, 35, 41, 42, 131, 159, 160, 181, 182, 226, 254, 255, 267, 277

Asbestregelgeving 159, 160, 182

Asbestwegen 160, 170, 224

Baseline 11, 197, 242, 261

Bedrijfsvoering 7, 10, 11, 12, 161, 194, 198, 200, 202, 212, 228, 245, 248, 261, 268, 271, 275

Belastingdienst 184, 211, 243, 250

Beleggers 45, 172, 173

Beleidsprioriteiten 5, 10, 30, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 48, 64, 142

Belvedere 104, 105, 107, 108, 215, 216

Bestemmingsplannen 30, 32, 107, 121, 123, 171, 176, 177, 191, 215

Bestrijdingsmiddelen 137, 139, 140, 180, 183, 184, 241

Bouwfraude 31, 73, 172, 173

Bouwregelgeving 22, 25, 26, 30, 31, 32, 34, 35, 39, 40, 41, 42, 73, 74, 75, 80, 85, 174, 175, 176, 177, 204, 205, 300

Branchegerichte onderzoeken 179

Broeikasgassen 17, 18, 34, 38, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 157, 222, 223

Bufferzones 122, 219

Calamiteiten 31, 35, 42, 175, 176

CDM 145, 146, 147, 157, 223, 298

Certificering 75, 173, 195

CFK-besluit 181

Chloortransporten 15, 33, 37, 120

Classificering van stoffen 173

Cultuurhistorische identiteit 100, 104, 105, 107, 108, 215

Deelnemingen 235

Destructiemateriaal 173

DGR 35, 57, 90, 107, 123, 129, 177, 201, 208, 215, 217, 219, 220, 228, 245

Diermeel 173

Digitaal loket 176

Doelgroepmonitoring 171

Douane 184

DURP 191, 298

Duurzaam bouwen 52, 75, 76, 86, 87, 170, 174, 212, 213, 259, 260

Duurzaam landelijk gebied 135

Duurzame ontwikkeling 5, 16, 19, 38, 49, 56, 103, 108, 140, 141, 154, 208

Eerstelijnshandhaving door gemeenten 174

Emissieregistratie 171

Europees 18, 32, 52, 63, 110, 124, 125, 129, 135, 145, 181, 185, 206, 220, 232, 242, 298

Europese Commissie 14, 28, 125, 126, 127, 138, 145, 148, 149, 159, 169, 181, 220

Europese lidstaten 184

Europese Unie 48, 75, 125, 184, 298

EVOA 32, 42, 162, 163, 173, 183, 184, 298

Expertisecentrum Groen 173

Exportplatform 126

Externe veiligheid 13, 16, 33, 35, 36, 102, 103, 108, 118, 119, 120, 149, 200, 217

Financieel 7, 8, 11, 32, 45, 49, 109, 130, 149, 153, 174, 197, 198, 202, 242, 244, 245, 246, 247, 248, 256, 260, 261, 262, 263, 287, 299

Finec-nota 174, 244

Frauderesultaat 174, 244

Fundamentele herziening 28, 29, 34, 35, 40, 47

Fysieke leefomgeving 170, 176, 206

Gebruiksvergunning 175, 177, 255

Gedogen 179

Gemeentelijke milieuverslagen 180

Gezondheid en Milieu 14, 15, 36, 37, 79, 159

Goede woningvoorraad 170, 174

Groeiparagraaf 54, 84, 85, 93, 106, 123, 129, 150

Groen beleggen 155

Grondbeleid 25, 28, 34, 35, 40, 82, 89

Handhavingsbeleidsplannen 175

Herstructurering 6, 13, 20, 21, 22, 28, 34, 39, 50, 52, 87, 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 99, 106, 126, 176, 201, 213

Herziening Wet milieubeheer 27, 34, 40

Hoge Flux Reactor (HFR) 167, 185

Hoofdkoelmiddelleiding 185

Hoofdpijnbedrijven 179

Huursubsidiefraude 244

ICES 17, 20, 49, 50, 56, 134, 136, 145, 147, 154, 191, 299

Illegale prijsafspraken 173

IMPEL-TFS-netwerk 184

Incidenten 13, 29, 30, 31, 35, 179, 242

INECE 32, 42, 184, 185, 299

Inrichtingenbestand 177

Inspectie Verkeer en Waterstaat 178

Integrale gemeenteonderzoeken 176, 177

Intensief en meervoudig ruimtegebruik 100, 102, 103

Interdepartementale afstemming 83, 118, 174, 244

Interreg 125, 126, 127, 128, 129, 220, 245, 299

IRMA 128, 299

KCB 167, 186, 299

Kennisuitwisseling 126, 200

Kern Fysische Dienst (KFD) 185

Kerncentrale Borssele 167, 186, 299

Keuringsdienst van Waren 182

KIEV 16, 37, 100, 102, 107, 216, 299

Klimaatbeleid 17, 18, 34, 38, 78, 141, 142, 143, 147, 157, 161, 223

Kostenverhaal 28, 114, 115, 218, 238, 245

Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) 109

LAP 161, 162, 166

Legionellapreventie 31, 132, 178, 205

Lokaal signaal 13, 36, 176

Luchthaven 118, 128, 129, 220

Luchtvaart 118, 128, 150, 300

Luchverontreiniging 148

Maaswerken 172

Mainport 125, 128, 129, 220, 300

Materieel 7, 11, 117, 189, 197, 198, 242, 248, 261, 287

Mededeling 10, 11, 202, 212, 245, 248, 261

MIG 110

Milieucontroles defensiebedrijven 180

Milieutaken 177

Ministerie van Verkeer en Waterstaat 107, 109, 123, 172, 216

Misbruik 211, 243

Monitoring- en evaluatieprogramma 53

Nationale landschappen 103, 121

NIDO 49, 56, 208

Nieuwe sleutelprojecten 16, 22, 92, 100, 101, 107, 215, 216

Noordzee 126, 127, 128, 245

Nota grondbeleid 35

NSDO 49

Objectgericht onderzoek 31, 35, 42, 175

Onroerend goedsector 173

Ontwikkelingsplan 108, 201

Oplichting 173

Optimale waterketen 130, 132, 135, 140, 221

Ordenend 123, 124

Overdrachtsuitgaven 245

Overheidsmonitoring 132, 171, 298

PAGE 14, 37

PKB 28, 47, 54, 56, 100, 118, 121, 123, 128, 192, 300

Plan van Aanpak 24, 76, 81, 109, 147, 148, 149, 176, 197, 198, 245

Planinformatie 190, 191

Planologische kernbeslissing 300

Platte daken 32, 176

Politiekorpsen 172

Promt 154

Provinciale jaarverslagen 180

Provincies 20, 48, 88, 101, 104, 109, 111, 112, 113, 119, 121, 122, 123, 126, 137, 152, 157, 160, 161, 162, 163, 176, 178, 179, 180, 181, 191, 192, 217, 218, 223, 245

Puberr 191, 228, 300

Radioactieve stoffen 158, 167, 186

Ravi 191

Reactiviteitsexcursie 185

Regelgeving 6, 14, 15, 22, 23, 25, 26, 27, 28, 29, 31, 34, 37, 39, 40, 41, 42, 44, 45, 46, 48, 59, 60, 64, 66, 70, 74, 75, 78, 89, 109, 110, 111, 118, 125, 128, 129, 130, 133, 134, 135, 139, 144, 159, 162, 164, 170, 171, 175, 176, 178, 179, 181, 183, 186, 192, 198, 201, 203, 205, 245, 255, 275, 280, 286, 291, 299

Rijksverkeersinspectie 184

Risicobedrijven 30, 41, 179

Rivier 121, 122, 123, 124, 219

RIVM 13, 14, 36, 54, 56, 85, 110, 119, 136, 137, 153, 187, 208, 225, 300

Ruimtelijke kwaliteit 100, 106, 107, 120, 124, 125, 129, 176, 206, 215, 219, 220, 232, 259

Ruimte 5, 6, 7, 8, 13, 16, 20, 21, 22, 23, 25, 26, 28, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 44, 47, 50, 51, 53, 54, 56, 57, 58, 59, 61, 62, 74, 92, 94, 98, 99, 100, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 107, 109, 110, 111, 113, 121, 122, 123, 124, 125, 126, 127, 128, 129, 138, 175, 176, 177, 185, 189, 191, 192, 197, 200, 201, 204, 206, 207, 208, 209, 215, 216, 219, 220, 228, 232, 234, 237, 238, 240, 245, 266, 298, 300, 301

Saldibalans 5, 7, 11, 12, 235, 236, 239, 240, 241

Schadecommissie 123

Schaduwadministratie 173

Scheepsafvalstoffen binnenvaart 172

Scheepsloopactiviteiten 182

Schiphol 116, 118, 125, 128, 270, 289, 293

Schrootbedrijven 41, 186

SGM 109, 110, 217

SMOM 154, 224

SOMS 13, 14, 36, 158

Stankwet 138, 139

Stedelijke netwerken 20, 34, 35, 38, 101, 103

Stedelijke vernieuwing 20, 39, 46, 50, 83, 88, 89, 92, 93, 94, 98, 107, 111, 176, 213, 215, 216

STEK-erkenning 181

Stellingnamebrief 6, 23, 47, 103, 121, 127

Strafrechtelijke immuniteit 172

Straling 41, 158, 166, 167, 168, 170, 182, 186, 206, 224, 225, 232, 238

Stralingsincidenten 186

Stralingsniveau 186

Strategie 13, 29, 33, 36, 40, 47, 49, 51, 103, 104, 132, 151, 158, 162, 170, 171, 189, 193, 194, 195, 201, 248, 249

Streekplanherziening 177

Subsidies vakorganisaties 53, 56, 57, 208, 209

TEN 125, 200, 208

Territoriale 125

TFS-netwerk 184

Themagerichte handhavingsacties 179

Toetsen van bestemmingsplannen 177

Toetsingen gebiedsgericht beleid 179

Toezichtactie 177, 178, 179

Toezicht 30, 31, 32, 34, 35, 41, 42, 44, 45, 46, 55, 74, 82, 111, 133, 134, 172, 174, 175, 176, 177, 178, 179, 182, 185, 189, 197, 253, 264

Transities 16, 17, 34, 37, 48, 49

Transportcontroleweek 184

Valsheid in geschrifte 173

Verbredings- en verdiepingswerkzaamheden 172

Verdrag van Bazel 184

Verplichtingen 35, 52, 56, 57, 70, 71, 86, 94, 95, 100, 107, 112, 120, 122, 124, 129, 133, 140, 141, 143, 147, 153, 157, 167, 170, 187, 188, 189, 196, 198, 204, 206, 208, 209, 212, 213, 214, 215, 216, 217, 218, 219, 220, 221, 222, 223, 224, 225, 226, 227, 228, 230, 235, 239, 240, 241, 276, 277, 279, 281, 282

Vijfde Nota 20, 34, 35, 38, 47, 53, 54, 56, 100, 103, 106, 107, 108, 121, 122, 123, 124, 129, 215

VINEX 90, 91, 94, 120, 122, 213, 217, 218

VNG-brochure 177

Voorschot 235

Vrije woonkeuze 57, 170, 174

VROM-fraudebeleid 174, 244

VROM-Inspectie 6, 29, 30, 31, 32, 40, 171, 172, 174, 175, 176, 178, 179, 180, 182, 183, 184, 185, 186, 200, 301

Wateraccumulatie 42, 176

Waterleidingbesluit 31, 132, 133, 178

Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 172

Wet milieubeheer 298

Wet op de Ruimtelijke Ordening 28, 30, 34, 35, 40, 42, 47

Workshop Handhavers Oost Europa 185

WSSD 19, 38, 49, 141, 301

BIJLAGE 6

LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN

AfkortingOmschrijving
  
A&K Afhankelijk & Kwaliteitsanalyse
ADAccountantsdienst
ADB Asian Development Bank
AMvBAlgemene Maatregel van Bestuur
AO Administratieve Organisatie
AO Algemeen Overleg
AVBB Algemeen Verbond Bouwbedrijven
AVI Afvalverwerkingsindustrie
AWBZ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
BBSH Besluit beheer sociale huursector
BCFV Besluit Centraal Fonds Volkshuisvesting
BEVERBeleidsvernieuwing bodemsanering
BEW Bevordering eigenwoningbezit
Bggo Besluit Genetisch Gemodificeerd Organisme
BGR Basis Gebouwen Registratie
BIRK Budget Investeringen Ruimtelijk Kwaliteit
BNW Bewoners Nieuwe Woningen
BOOT Besluit Opslag in Ondergrondse Tanks
BroBesluit ruimtelijke ordening
BZK Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties
CAF Corporation Andina de Fomento
CAI Centrale antenne inrichting
CCOCoördinatie Commissie Overheidsmonitoring
CDM Clean Development Mechanism
CFK Chloor Fluor Koolwaterstoffen
CFV Centraal Fonds Volkshuisvesting
CH4 Methaan
CPB Centraal Plan Bureau
CSS College Sluitend Stelsel
DAD Departementale Accountantsdienst
DFEZ Directie Financiële en Economische Zaken
DGWDirectoraat-Generaal Wonen
DKP Dynamische kostprijs
DRZ Dienst Recherchezaken
DURPDigitale Uitvoering Ruimtelijke Plannen
EASEuropean Approval Scheme
EBRD European Bank for Reconstruction
ECN Energiecentrum Nederland
ECWMEvaluatiecommissie wet milieubeheer
EER Energie Efficiency Rijkshuisvesting
EHS Ecologische hoofdstructuur
EMJV Elektronische aangifte van milieujaarverslagen
EPA Energieprestatieadvies
EPA-UEnergieprestatieadvies utiliteitsbouw
EPCEnergieprestatiecoëfficiënt
EPREnergiepremieregeling
EU Europese Unie
EVOA EG-Verordening Overbrenging Afvalstoffen
EVOA Europese richtlijn voor in-, uit- en doorvoer van gevaarlijke afvalstoffen
EVRMEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
EW Eigen woningbezit
EZ Ministerie van Economische Zaken
FES Fonds Economische Structuurversterking
FINECFinancieel-economische criminaliteit
GGDGemeentelijke Gezondheids Dienst
GGO's Genetisch gemodificeerde organismen
GGZ Geestelijke gezondheidszorg
GIGeo informatievoorziening
GIW Garantie-instituut voor de woningbouw
GLB Gemeenschappelijk Landbouw Beleid
GRGezondheidsraad
GSB Grote stedenbeleid
HFK Onvolledig gehalogeneerde fluorkoolwaterstoffen
HFR Hoge Flux Reactor
HSL Hogesnelheidslijn
HUMHandhavingsuitvoeringsmethode
IBS Directie Informatie, Beheer en Subsidieregelingen
IC Interne Controle
ICES Interdepartementale Commissie Economische Structuurfondsen
IET International Emission Trading
IFD Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen
IFHPInternational Federation for House Planning
IHH Integrale herziening huurprijsregelgeving
IHS Individuele huursubsidie
IMPEL Implementation and Enforcement of Environmental Law
INECE International Network for Environmental Compliance and Enforcement
IOD Inlichtingen en Opsporingsdienst
IPO Interprovinciaal Overlegorgaan
IPSVInnovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing
IRMAInterreg Rijn-Maas Activiteiten
ISVInvesteringsbudget Stedelijke Vernieuwing
IWZInnovatieprogramma Wonen en Zorg
KAN Knooppunt Arnhem Nijmegen
KCB Kerncentrale Borssele
KEWKern Energiewet
KFD Kernfysische Dienst
KIEVKnelpunten infragerelateerde Investeringsprojecten en Externe Veiligheid
KLPD Koninklijke (Korps) Landelijke Politie Diensten
KWA Kaderrichtlijn Water
KWR Kwalitatieve Woningregistratie
LCCM Landelijk Coördinatie Commissie Milieuwethandhaving
LNV Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
LTO Landbouw en Tuinbouworganisatie Nederland
M&OMisgebruik en Oneigenlijk gebruik
MAC Maximum Acceptable Concentration
MAP Meerjaren Actie Programma
MATRAMaatschappelijke transformatie (subs.reg. Min.BuZa t.b.v. toetredingslanden EU)
MBT Milieu Bijstandsteam
MDWMarktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit
MEPMilieukwaliteit Electriciteitsproductie
MER Milieu Effect Rapportage
MILO project Milieu in de Leefomgeving
MIOT Milieu Inlichtingen- en Opsporingsteam
MMGMateriaalgebonden milieuprofiel voor gebouwen
MNP Milieu Natuur Planbureau
MNW Monitor Nieuwe Woningen
MOPMeerjarig ontwikkelingsprogramma
NAK Nederlandse Algemene Keuringdienst
NEPROM Vereniging voor Nederlandse Projectontwikkelingsmaatschappijen
NETHUR Netherlands Graduate School of Housing and Urban Research
NHG Nationale Hypotheek Garantie
NHW Nieuwe Hollandse Waterlinie
ninki Index van netto inkomen na kale huurlasten
NIROV Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting
NIZWNederlands Instituut voor Zorg en Welzijn
NMWW Nota Mensen, Wensen, Wonen
NRB Nationaal Ruimtelijk Beleid
NVBNederlandse Vereniging van Bouwondernemingen
NWE Noord West Europa
NWI Niet-winstbeogende instellingen
NWONederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
OESOOrganisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OLAFOffice de la Lutte Antifraude
OM Openbaar Ministerie
ONLOntwikkeling Nationale Luchtvaart
OPBOverlegplatform bouwregelgeving
PESP Programma Economische Samenwerkingsprojecten
PFKPerfluorkoolwaterstoffen
PIT Programma Innovatieve Technieken Rijkshuisvesting
PKB Planologische kernbeslissing
PMR Project Mainport Rotterdam
PMV Provinciale Milieuverordening
PPSPubliek-private samenwerking
Puberr Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
RAVI Raad voor de vastgoedinformatievoorziening
RGD Rijksgebouwendienst
RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne
RPC Rijksplanologische Commissie
RPDRijksplanologische Dienst
RPE Regeling prestatiegegevens en evaluatie onderzoek
RROM Raad voor Ruimtelijke Ordening en Milieu
RAVIRaad van Arbitrage voor de bouw
S&RDirectie Stad en Regio
SBB Systeem begrotingsbeheer
SECStoffen Expertose Centrum
SEV Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting
SF6 Zwavelhexafluoride
SHP Stichting Habitat Platform
STEK Stichting Erkenning Koeltechnisch Installateur
Stir Stimuleringsprogramma intensief Ruimtegebruik
TCB Technische Commissie Bodembescherming
TFS Transfrontier Shipments of Waste
TKTweede Kamer
UN United Nations
UNCED United Nations Conference on Environment Development
V&W Verkeer en Waterstaat
VBTBVan Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording
VEHVereniging Eigen Huis
VI VROM-Inspectie
VNGVereniging van Nederlandse Gemeenten
VROM Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VROM-IOD VROM Inlichtingen- en Opsporingsdienst
VvE Vereniging van Eigenaren
VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WBOWoningbehoefteonderzoek
Wm Wet milieubeheer
WMS Wet milieugevaarlijke stoffen
WOMWijkontwikkelingsmaatschappij
WRO Wet ruimtelijke ordening
WSSD World Summit on Sustainable Development
ZBO Zelfstandig Bestuursorgaan

XNoot
1

Kamerstuk II, 2000–2001, 27 559, nr. 2.

XNoot
1

In 2002 is gesproken over 24 experimenten omdat van de oorspronkelijke 25 er één is afgevallen (Utrecht). In 2002 is daar weer een experiment bijgekomen (Enschede) op verzoek van de gemeente.

XNoot
1

Kamerstuk 28 600 XI, nr 11.

Naar boven