28 880
Jaarverslagen over het jaar 2002

nr. 20
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN FINANCIËN (IXB)

Aangeboden 21 mei 2003

Aandeel in niet-belastingontvangstenkst-28880-20-1.gif

Gerealiseerde ontvangstenkst-28880-20-2.gif

Gerealiseerde uitgavenkst-28880-20-3.gif

INHOUDSOPGAVE Blz.

A.Algemeen6
   
1.Voorwoord6
   
2.Dechargeverlening7
   
3.Leeswijzer10
   
B.Beleidsverslag12
   
4.Budgettaire toelichting op hoofdlijnen12
   
5.Beleidsprioriteiten15
   
6.Beleidsartikelen26
6.1Belastingen26
6.2Financiële markten52
6.3Financieringsactiviteiten publiek-private sector67
6.4Internationale financiële betrekkingen74
6.5Exportkredietverzekering en investeringsgaranties84
6.6Staatsloterij92
6.7Beheer materiële activa93
6.8Financieel-economisch beleid van de overheid100
   
7.Niet-beleidsartikelen109
7.1Algemeen109
7.2Nominaal en onvoorzien109
   
8.Mededeling over de bedrijfsvoering110
   
C.Jaarrekening111
   
9.Verantwoordingsstaat van het Ministerie van Financiën111
   
10.Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaat112
10.1Toelichting bij de beleidsartikelen112
10.2Toelichting bij de niet-beleidsartikelen129
   
11.Saldibalans130
 Toelichting bij de saldibalans130
   
Bijlage 1:Verdiepingsbijlage136
Bijlage 2:Aanbevelingen Algemene Rekenkamer141
Bijlage 3:Lijst met afkortingen143

A. ALGEMEEN

1. VOORWOORD

Voor u ligt het eerste VBTB-jaarverslag. In navolging op de eerste VBTB-begroting 2002 staan in dit jaarverslag de drie H-vragen centraal. Hebben we bereikt wat we wilden? Hebben we gedaan wat we wilden? Heeft het gekost wat het mocht kosten? De VBTB-opzet betekent dat er, in vergelijking tot de verantwoording oude stijl, nu meer aandacht is voor beleidsdoelstellingen, naast de traditionele focus op bestede en ontvangen middelen.

Net zoals bij de totstandkoming van de begrotingen is geconstateerd dat er sprake zal zijn van een VBTB-groeiproces, zal dit naar verwachting ook gelden voor de VBTB-jaarverslagen. Toegankelijkheid van het Jaarverslag en goed zicht op de HHH-vragen zullen hierbij centraal staan. Daarom wordt in dit voorwoord alvast een korte weergave van enkele hoofdpunten gegeven.

Een belangrijke operatie begin 2002 is de invoering van de euro geweest. De algemene conclusie ten aanzien van de euro-omwisseling in Nederland is dat deze tijdig en soepel is verlopen. De bevoorrading van de banken, toonbankinstellingen en publiek, en de omschakeling van guldens naar chartale transacties is zeer voorspoedig gegaan. Ook het elektronische toonbankbetalingsverkeer rond de invoering van de euro verliep probleemloos. De doelstelling om een zo snel mogelijke omschakeling te maken is zo behaald.

Een speerpunt voor de Belastingdienst in 2002 was de verbetering van de dienstverlening. Er is prioriteit gegeven aan verbetering van de bereikbaarheid. Dit heeft geresulteerd in toename van zowel het aantal afgehandelde telefoongesprekken als de servicegraad. Daarnaast is ervaring opgedaan met nieuwe communicatiemogelijkheden gericht op doelmatige dienstverlening.

Op het gebied van de financiële markten was voor 2002 een beleidsprioriteit geformuleerd om het toezicht gelijkvormiger te maken waardoor lacunes en overlap in het toezicht worden voorkomen. Hiervoor is bij het toezicht op de financiële markten het sectorale toezichtsmodel gekanteld naar een functionele indeling, waarbij een splitsing is gemaakt tussen prudentieel toezicht en gedragstoezicht. Het prudentiële toezicht is opgedragen aan De Nederlandsche Bank en de Pensioen- en Verzekeringskamer. Het gedragstoezicht is belegd bij de Autoriteit Financiële Markten, voorheen de Stichting Toezicht Effectenverkeer.

Tot slot is in december 2002 gestart met de veiling van benzinestations langs het hoofdwegennet. Het Marktwerking Deregulering en Wetgevingskwaliteit traject beoogt meer prijsconcurrentie en betere toetredingsmogelijkheden te bewerkstelligen. In december zijn daartoe de eerste negen benzinestations geveild, waarbij vijf van de stations van eigenaar zijn gewisseld.

De Minister van Financiën,

J. F. Hoogervorst

2. DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Financiën aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Financiën decharge te verlenen over het in het jaar 2002 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Ministerie van Financiën.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in de jaarverslagen;

d. de departementale saldibalansen;

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van het Ministerie van Financiën.

Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

b. de slotwet van het Ministerie van Financiën over het jaar 2002; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2002 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2002 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2002 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

Ten behoeve van het politiek oordeel dat door middel van een besluit tot dechargeverlening wordt uitgesproken, is het van belang mee te wegen dat de ondergetekende samen met staatssecretaris S. R. A. van Eijck vanaf 22 juli 2002 de zorg voor het financieel beheer van het Ministerie van Financiën op zich heeft genomen.

De Minister van Financiën,

J. F. Hoogervorst

mede namens

De Staatssecretaris van Financiën,

S. R. A. van Eijck

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Tweede Kamer, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Eerste Kamer, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

3. LEESWIJZER

Algemeen

Hoe hoog waren de belastingontvangsten? Hoeveel euromunten heeft de Staat in omloop gebracht? Hebben we bereikt wat we wilden bereiken? Hebben we gedaan wat we wilden doen? Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In het jaarverslag IXB (ministerie van Financiën) wordt antwoord gegeven op deze en vele andere vragen. Per beleidsterrein of beleidsartikel wordt in dit eerste VBTB-jaarverslag teruggeblikt op de voornemens uit de begroting 2002. Het jaarverslag IXB is opgebouwd uit 8 beleidsartikelen en 2 niet-beleidsartikelen. Deze beleidsartikelen weerspiegelen bijna het gehele werkterrein van het ministerie van Financiën; het beheer van de staatsschuld, het financieringsbeleid en het kasbeheer is in een apart jaarverslag opgenomen, namelijk het jaarverslag IXA (Nationale Schuld).

De beleidsartikelen 1 t/m 8 en de niet-beleidsartikelen (9 en 10) zijn de volgende:

1. Belastingen

2. Financiële markten

3. Financieringsactiviteiten publiek-private sector

4. Internationale financiële betrekkingen

5. Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

6. Staatsloterij

7. Beheer materiële activa

8. Financieel-economisch beleid van de overheid

9. Algemeen

10. Nominaal en onvoorzien.

Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag is opgebouwd uit het beleidsverslag en de jaarrekening. Paragraaf 4 bevat een samenvattend overzicht op hoofdlijnen van de verschillen tussen ontwerpbegroting en realisatie in 2002. In paragraaf 5 (beleidsprioriteiten) van het beleidsverslag wordt teruggeblikt op een selectie van beleidsactiviteiten verricht in 2002. In een tabel in de inleiding worden de beleidsconclusies overzichtelijk gepresenteerd. Waar mogelijk wordt een link gelegd met de voor het beleid gemaakte kosten. In de daaropvolgende paragrafen wordt per beleidsprioriteit, waar mogelijk, ingegaan op de resultaten en op de verrichte activiteiten. Daarnaast wordt in lijn met de motie Vendrik een beleidsconclusie geformuleerd. Ten slotte wordt in de laatste paragraaf ingegaan op de vermindering van de administratieve lasten voor bedrijven.

De opbouw van de beleidsartikelen (paragraaf 6) is zoveel mogelijk identiek om de toegankelijkheid en leesbaarheid van het jaarverslag te optimaliseren. Elk beleidsartikel bevat een algemene doelstelling en een toelichting. Vervolgens zijn alle beleidsartikelen, met uitzondering van artikel 6 Staatsloterij, uitgesplitst in operationele doelstellingen. In de toelichting op deze operationele doelstellingen wordt ingegaan op de vragen «Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?» en «Hebben we gedaan wat we wilden doen?». Zoveel mogelijk wordt, waar zinvol, ook ingegaan op de kostenvraag. Voor het merendeel wordt de derde H-vraag «Heeft het gekost wat het mocht kosten?» beantwoord in de tabel budgettaire gevolgen van beleid en de toelichting daarop. In paragraaf 7 komen de niet-beleidsartikelen aan bod. In de bedrijfsvoeringsmededeling (paragraaf 8) wordt een verklaring afgegeven over de bedrijfsvoering bij het ministerie van Financiën.

In de jaarrekening wordt na de verantwoordingsstaat (paragraaf 9) in paragraaf 10 nogmaals per begrotingsartikel inzicht gegeven in de budgettaire gevolgen van beleid, voorzien van een toelichting. Paragraaf 11 bevat de saldibalans en een toelichting daarop. In de verdiepingsbijlage (bijlage 1) wordt vervolgens door middel van een cijfermatig overzicht per begrotingsartikel de budgettaire geschiedenis over het jaar 2002 gegeven (ontwerpbegroting, suppletore begrotingen, realisatie). In bijlage 2 wordt gerapporteerd over de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer bij de financiële verantwoording 2001, de gedane toezeggingen en de stand van zaken. In bijlage 3 is een lijst met afkortingen opgenomen.

B. BELEIDSVERSLAG

4. BUDGETTAIRE TOELICHTING OP HOOFDLIJNEN

In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de realisatie van de uitgaven en de ontvangsten per beleidsartikel afgezet tegen de ontwerpbegroting. In de toelichtende tekst worden de grootste verschillen bij de uitgaven en de ontvangsten toegelicht.

Tabel 4.1 Begroting en realisatie uitgaven op hoofdlijnen 2002 bedragen x € 1000
 RealisatieOntwerpbegrotingVerschil
art. 1 Belastingen3 066 0662 754 166311 900
art. 2 Financiële markten186 164109 04077 124
art. 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector15 54618 886– 3 340
art. 4 Internationale financiële betrekkingen156 285179 18522 900
art. 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties94 190112 189– 17 999
art. 6 Staatsloterij000
art. 7 Beheer materiële activa111 709119 279– 7 570
art. 8 Financieel-economisch beleid overheid29 44522 9506 495
art. 9 Algemeen83 72777 9835 744
art. 10 Onvoorzien0699– 699
Totaal3 743 1323 394 377348 755

Uitgaven

Het verschil tussen de begroting en de realisatie van artikel 1 Belastingen kan mede verklaard worden door het beleid inhuur personeel te vervangen door eigen personeel.

Dit heeft tot effect gehad dat de Belastingdienst meer personele uitgaven heeft gerealiseerd dan oorspronkelijk is begroot. Een tweede oorzaak zijn de meerkosten van de CAO 2002 (€ 66 mln.). Een derde oorzaak betreft de instroom van extra personeel voor de Douane, FIOD voor de versterking buitengrenzen en terrorismebestrijding en voor de uitvoering van nieuwe fiscale wetten en overige mutaties (€ 40 mln.). Ten vierde is bij de overige onderdelen van de Belastingdienst de uitstroom minder groot gebleken dan voorzien.

Tevens is er gedurende het jaar € 141 mln. meer uitgegeven voor heffings- en invorderingsrente. De oorzaak is de doorwerking van de hoge realisaties in 2001.

Ten slotte is het amendement Atsma (– € 32 mln.) verwerkt op het beleidsartikel Belastingen.

Bij artikel 2 Financiële markten wordt het verschil tussen realisatie en begroting grotendeels veroorzaakt doordat in 2002 per saldo meer guldenmunten uit circulatie zijn genomen dan euromunten in circulatie zijn gekomen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een niet-relevante tegenvaller van € 97,6 mln. Daartegenover staat een onderschrijding van het budget voor voorlichtingsactiviteiten voor de euro van – € 20,1 mln. Er deden zich geen onverwachte ontwikkelingen of calamiteiten voor terwijl hiermee wel in het budget rekening was gehouden.

Het verschil bij artikel 4 Internationale financiële betrekkingen wordt voornamelijk veroorzaakt door een bijdrage in de middelen van de Internationale Ontwikkelingsassociatie (IDA) van € 25,9 mln. die, in plaats van januari 2002, eind 2001 betaald is.

Bij artikel 5 exportkredietverzekering en investeringsgaranties vallen de schade-uitkeringen lager uit dan aan het begin van 2002 was voorzien. Sommige dreigende schades zijn tegen de verwachting in toch binnen de wachttermijn opgelost en hebben daarom niet geleid tot een schade-uitkering.

Ontvangsten

Tabel 4.2 Begroting en realisatie ontvangsten op hoofdlijnen 2002bedragen x € 1000
 RealisatieOntwerpbegrotingVerschil
art. 1 Belastingen91 776 92995 329 110– 3 552 181
art. 2 Financiële markten1 303 2051 048 631254 574
art. 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector184 193160 40023 793
art. 4 Internationale financiële betrekkingen7 7555 1632 592
art. 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties168 050172 890– 4 840
art. 6 Staatsloterij84 624134 589– 49 965
art. 7 Beheer materiële activa275 425316 120– 40 695
art. 8 Financieel-economisch beleid Rijksoverheid3 3572 656701
art. 9 Algemeen4 8466 431– 1 585
art. 10 Onvoorzien000
Totaal93 808 38497 175 990– 3 367 606

Belastingontvangsten

De gerealiseerde belastingontvangsten zijn € 3,7 mld. lager uitgekomen dan bij de ontwerpbegroting werd geraamd. Dit is vooral het gevolg van een lagere economische groei, waardoor de grondslag van de belastingheffing zich minder gunstig heeft ontwikkeld.

Niet-belastingontvangsten

Het verschil op artikel 2 wordt grotendeels verklaard door de winstafdracht DNB. De winstafdracht van DNB is ca € 274 mln. hoger dan was geraamd. Dit is hoofdzakelijk veroorzaakt door hogere dan geraamde verkoopopbrengsten van beleggingen als gevolg van koersstijgingen, die zijn opgetreden door een daling van de EU- en VS-rentes. Bovendien is, op basis van een afspraak met DNB, een deel van het verwachte versterf van guldenbankbiljetten, in de vorm van interim-dividend, vervroegd uitgekeerd in 2002.

De afdracht SENS (artikel 6) is lager uitgekomen dan was begroot. Dit komt door een lagere omzetgroei dan verwacht en daarnaast was de SENS vanwege haar liquiditeitspositie genoodzaakt de voorafdracht over het vierde kwartaal 2002 naar beneden bij te stellen.

Het verschil bij artikel 7 beheer materiële activa valt grotendeels uiteen in een drietal onderdelen. In de eerste plaats zijn de ontvangsten bewaring en vervreemding roerende zaken lager dan begroot. Belangrijkste oorzaak is het achterblijven van de verkopen ten behoeve van Defensie (– € 25,8 mln.). In de tweede plaats is er sprake van een hogere opbrengst uit de werking van agrarische verrekenbedingen bij beheer en verkoop van onroerende zaken ( € 17 mln.). In de laatste plaats zijn in verband met het opheffen van de leningsconstructie voor anticiperende aankopen via de begroting Nationale Schuld de ontvangsten met € 34 mln. verlaagd.

5. BELEIDSPRIORITEITEN

5.1 Inleiding

In onderhavige paragraaf wordt verslag gedaan van de realisatie van de in de begroting 2002 gepresenteerde beleidsprioriteiten. Per beleidsprioriteit wordt – waar mogelijk – ingegaan op de resultaten en op de verrichte activiteiten. Daarnaast wordt in lijn met de motie Vendrik een beleidsconclusie geformuleerd. Een samenvattend overzicht van de beleidsconclusies treft u aan in onderstaande tabel.

Tabel 5.1 Samenvattend overzicht beleidsconclusies 2002
 BeleidsconclusieToelichting
1. FiscaliteitDe afspraken uit het Strategische Akkoord zijn geïmplementeerd in het belastingplan 2003. Uitgangspunten voor het fiscale beleid zijn: doelmatigheid, eenvoud, transparantie en vermindering van administratieve lasten.
2. Dienstverlening BelastingdienstEr is prioriteit gegeven aan verbetering van de bereikbaarheid. Dit heeft geresulteerd in een toename van zowel het aantal afgehandelde telefoongesprekken als de servicegraad. Daarnaast is ervaring opgedaan met nieuwe communicatiemogelijkheden gericht op doelmatige dienstverlening. In 2002 heeft een herbezinning plaatsgevonden over de inrichting van het dienstverleningsproces en het niveau van dienstverlening. De nadruk wordt nog meer gelegd op doelmatige communicatiekanalen. Een aantal investeringen wordt getemporiseerd of aangehouden.
3. Invoering euroDe euro-omwisseling is tijdig en soepel verlopen. Omschakeling van zowel chartale als elektronische toonbanktransacties probleemloos verlopen; publieksvoorlichting was effectief.
4. Vormgeving toezichtHet sectorale toezichtmodel is gekanteld naar een functionele indeling; waarbij een splitsing is gemaakt tussen prudentieel toezicht en gedragstoezicht. 1e fase herziening afgerond; de 2e fase (kanteling wetgeving) is gestart; wetgevingstraject speelt de komende jaren.
5. Publiek-private samenwerkingIn de uitgevoerde evaluatie is geconcludeerd dat de verbreding van de toepassing te langzaam gaat. Hernieuwd commitment is nodig om de snelheid op te voeren. In de brief van december 2002 geven de betrokken departementen in concrete actieplannen aan hoe ze het hernieuwde commitment vormgeven.
6. Anticiperende aankopenIn 2002 is voor € 21,8 mln. anticiperend aangekocht (het budget van de leenfaciliteit bedroeg € 34 mln. In 2002 is er een beleidsbrief met kaders aan Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2001/02, 27 581, nr.31).
7. Inrichting benzinemarktHet veilingreglement is in januari 2002 goedgekeurd. De eerste negen benzinestations zijn geveild voor de duur van 15 jaar. De opbrengst eerste veilingen gaat naar de zittende partijen. De opbrengsten van volgende veilingen zijn voor de Staat.
8. Invoering baten-lasten- stelselEr zijn vorderingen gemaakt op zowel inhoudelijke als procedurele thema's. De Staten-Generaal zal periodiek op de hoogte worden gehouden.

5.2 Fiscaliteit

Het Belastingplan 2003

Vanaf het tweede kwartaal 2002 is veel tijd en capaciteit besteed aan de voorbereidingen en parlementaire behandeling van het Belastingplan 2003. Uitgangspunten voor het fiscale beleid zijn doelmatigheid, effectiviteit, eenvoud, transparantie en vermindering van administratieve lasten. Binnen dit kader zal de bestaande en toekomstige wetgeving zich de komende jaren ontwikkelen. De financiële kaders van het Strategisch Akkoord hebben geleid tot een scherpere prioriteitsstelling en verschuiving van accenten binnen het fiscale stelsel. Het belastingplan 2003 stond derhalve in het teken van deze scherpere prioriteitsstelling en een effectievere inzet van fiscale maatregelen. Het belastingplan 2003 is opgedeeld in twee voorstellen. Deel I vormt de uitwerking van de fiscale maatregelen uit het Strategisch Akkoord en het aanvullend beleidspakket. De maatregelen opgenomen in deel II bestaan voornamelijk uit structuurmaatregelen, deze hebben geleid tot zowel consequente toepassing als technische aanpassingen.

De thema's arbeidsmarkt en armoedeval, inkomenspolitiek, grondslagverbreding- en verschuiving zijn teruggekomen in het Strategisch Akkoord. Arbeidsmarkt en armoedeval zijn uitgewerkt in een beleid gericht op modernisering van de arbeidsmarkt. Een besparing van € 850 mln. zal worden verkregen doordat de afdrachtvermindering voor werkgevers voor werknemers met lage lonen (de SPAK) gefaseerd is afgebouwd en de afdrachtvermindering voor langdurig werklozen is afgeschaft. Hiertegenover is een verhoging van de arbeidskorting voor werkenden ingevoerd.

Directe Belastingen

Belangrijke thema's op het terrein van de directe belastingen waren de verdere inzet op het gebied van de grondslagverbreding en -verschuiving, de voorbereiding van de kabinetsformatie en de uitwerking van het Strategisch Akkoord. In het najaar heeft dit geleid tot een aanzienlijke productie van voorstellen voor wettelijke maatregelen op veel beleidsterreinen. Voorts stond het jaar 2002 in het teken van een afronding van enkele belangrijke wetsvoorstellen op het terrein van het formele belastingrecht. Zo is op basis van de EU-richtlijn 2001/44/EG van 15 juni 2001 de Wet wederzijdse bijstand bij invordering uitgebreid met de directe belastingen en de douane. Daarnaast zijn wetsvoorstellen inzake massale bezwaarschriften, de aansprakelijkheid van de opdrachtgevers in de loonconfectie en het procesrecht ter zake van de aansprakelijkstelling in 2002 verschenen in het Staatsblad.

Na een uitgebreid parlementair proces is het wetsvoorstel fiscale eenheid, vergezeld van een omvangrijke algemene maatregel van bestuur, afgerond. Hierdoor is op 1 januari 2003 inwerkingtreding mogelijk geworden. Voorts is veel wetgevend en beleidsadviserend werk verricht in het belang van het Nederlandse vestigingsklimaat. Ook heeft de afgeronde wet met vervolgwijzigingen samenhangend met de Belastingherziening 2001 de nodige aandacht gevraagd. De verdere uitwerking van de voorstellen inzake een uniformering van het loonbegrip door middel van het wetsvoorstel Walvis (SZW) en de bijbehorende fiscale aansluitingswet is in 2002 goed op gang gekomen, mede door ook de integratie van belastingheffing en premieheffing (samenwerking UWV en Belastingdienst) erbij te betrekken. Ten slotte is de herziening van de successiewet breder aangepakt dan voorzien, hierbij is de aandacht mede als gevolg van de nieuwe prioriteitenstelling van het Strategisch Akkoord enigszins verlegd naar de bedrijfsopvolgingsproblematiek.

Verbruiksbelastingen

Op het terrein van de milieubelastingen heeft er in 2002 een omslag in de activiteiten plaatsgevonden. Waar het eerste deel van 2002 in het teken heeft gestaan van de voorbereiding van besluitvorming over onder meer enkele onderwerpen van de werkgroep Vergroening van het fiscale stelsel II, heeft het tweede deel van 2002 een restrictieve benadering van de fiscale onderwerpen op milieuterrein opgeleverd op basis van het Strategisch Akkoord. Een en ander heeft zijn beslag gekregen in de twee wetsvoorstellen die het Belastingplan voor 2003 hebben gevormd. Dit Belastingplan heeft op milieuterrein met name geleid tot een nieuwe aanpak uitmondende in rationalisering en efficiëntere vormgeving van een aantal milieumaatregelen. Ook bij de voorgenomen kilometerheffing heeft 2002 een omslag laten zien. Begin 2002 is een structuurvoorstel gereedgekomen en gereedgemaakt voor indiening bij de Tweede Kamer. Het Strategisch Akkoord van het aangetreden kabinet heeft meegebracht dat de voorbereidingsactiviteiten voor een kilometerheffing vervolgens medio 2002 zijn stopgezet. Per 1 juli 2002 is de richtlijn op het gebied van de accijns op tabaksfabrikaten (minimum accijnstarief en aanscherping van de definitie van sigaren) geïmplementeerd. Bij de BTW stonden in de eerste plaats de onderhandelingen over wijzigingsrichtlijnen inzake de Zesde Richtlijn centraal. Twee BTW-richtlijnen zijn in 2002 zodanig ver gevorderd dat zij kunnen worden geïmplementeerd in de nationale wetgeving in 2003. Het betreft de zogeheten «e-commerce richtlijn» die de concurrentiepositie van communautaire e-commerce ondernemers in twee opzichten verbetert: zij zijn over hun prestaties naar derde landen niet langer BTW verschuldigd, daarnaast zijn de prestaties van ondernemers uit derde landen binnen de EU aan BTW onderworpen. Voorts kan de richtlijn die eisen stelt aan de BTW-facturen worden geïmplementeerd. Het gaat daarbij enerzijds om een harmonisatie in alle lidstaten van de factuurgegevens (van belang voor internationaal opererende ondernemers) en anderzijds om de introductie van de mogelijkheid om elektronisch te factureren. Inzake de tijdelijke proef met het verlaagde BTW-tarief op bepaalde arbeidsintensieve diensten (kappers, schoen-, kleding- en fietsherstellers, schilders en stukadoors) is de nationale evaluatie afgerond. De EU-evaluatie zou plaatsvinden voor 1 januari 2003. De Europese Commissie heeft echter aangekondigd dat de regeling met een jaar zal worden verlengd om tot een goede evaluatie te kunnen komen van de effectiviteit van de regeling op de werkgelegenheid en het terugdringen van het zwarte circuit.

Douane en internationale kaders

De uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten heeft in 2002 de agenda's van Brusselse overlegcircuits gedomineerd. Het voor de douane-unie van belang zijnde hoofdstuk 25 van de toetredingsonderhandelingen is voorafgaand aan de Europese top te Kopenhagen voor alle kandidaat-lidstaten zonder noemenswaardige voorbehouden afgesloten. In de aanloop naar de top is de aandacht met name uitgegaan naar het bereiken van het acquis communautaire voor de douanewetgeving, de opbouw van de administratieve organisatie en de automatisering van douaneprocessen (vooral op het gebied van het douanevervoer). Voorts is een bijdrage geleverd aan de totstandkoming in Raadskader van de beschikking Douane 2007. In deze beschikking is een actieprogramma vastgelegd, gericht op de voortzetting en verdere uitbouw van het programma Douane 2002. Wezenlijke doelstellingen van het programma zijn de verdere verbetering van het functioneren van de (uitgebreide) Interne Markt en de volledige integratie van de nieuwe lidstaten, opdat alle douaneadministraties in de Gemeenschap werken als waren zij één administratie. Het programma Douane 2007 is gebaseerd op de eerder vastgestelde Strategie voor de Douane-Unie en kent ten opzichte van het eerdere programma duidelijker geformuleerde, meetbare doelstellingen en heldere bepalingen rond rapportage. In de uitvoering van het programma geldt als uitgangspunt dat de Commissie en de Lidstaten als partners samenwerken. In internationale kaders is in 2002 een drietal bilaterale douanesamenwerkingsverdragen gesloten, met Azerbeidzjan, Brazilië (beide zijn inmiddels parlementair goedgekeurd) en Kazachstan. Met de Filippijnen en met Indonesië is een bilateraal douanesamenwerkingsverdrag geparafeerd. Met Frankrijk is een verdrag gesloten over douanesamenwerking in het Caribische gebied, met name op Sint Maarten. De inwerkingtreding van het Verdrag wacht thans op parlementaire goedkeuring in Frankrijk. Het onder auspiciën van de Wereld Douane Organisatie tot stand te brengen multilateraal verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand tussen douaneadministraties is eind 2002 als ontwerp gereed gekomen. Vanuit Nederland is aan de werkzaamheden een wezenlijke bijdrage geleverd. In 2003 zal dit ontwerp ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Raad van de Wereld Douane Organisatie, waarna de (161) lidstaten kunnen overgaan tot ratificatie. Daarmee kan het een wezenlijk instrument gaan vormen in de nagenoeg wereldwijde gegevensuitwisseling over goederenstromen.

Koninkrijksbetrekkingen

Per 1 januari 2002 is de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) gewijzigd op het punt van de belastingheffing over deelnemingsdividend dat vanuit Nederland naar de Nederlandse Antillen vloeit. In het kader van afspraken tussen Nederland en de Nederlandse Antillen over het internationaal aanvaardbaar maken van de Antilliaanse fiscale wetgeving, is in de BRK bepaald dat Nederland de ingehouden dividendbelasting op dit deelnemingsdividend (onder voorwaarden) overmaakt aan de Nederlandse Antillen. De eerste overmakingen hebben plaatsgevonden in 2002.

Zowel met de Nederlandse Antillen als met Aruba heeft dit jaar een doorlopende dialoog plaatsgevonden met betrekking tot de beoordeling van Antilliaanse en Arubaanse fiscale maatregelen in het EU Gedragscode proces.

Bilaterale belastingverdragen

In 2002 is de uitdrukkelijke goedkeuringsprocedure inzake het nieuwe belastingverdrag met België afgerond, zodat het nieuwe belastingverdrag met ingang van 1 januari 2003 van toepassing zal zijn. Met de Verenigde Staten van Amerika is gesproken over een gedeeltelijke herziening van het belastingverdrag. Verder is in het verslagjaar wederom gewerkt aan de uitbreiding en onderhoud van het Nederlandse belastingverdragennetwerk. Zo is over belastingverdragen onderhandeld met Albanië, Jordanië, Slovenië en Uganda. De belastingverdragen met Georgië, Indonesië, Mongolië en Polen (herziening van het bestaande verdrag) zijn ondertekend. De belastingverdragen met Armenië, Oezbekistan en Koeweit zijn in 2002 in werking getreden en het successieverdrag met Oostenrijk is met ingang van 1 januari in werking getreden.

Overig fiscaal beleid en regelgeving in internationaal verband

In april 2002 heeft de OESO het Model Agreement on Exchange of Information on Tax Matters gepubliceerd. Dit model bevat een minimumstandaard voor effectieve informatie-uitwisseling in belastingzaken, welke is ontwikkeld door OESO-landen en voormalige tax havens (waaronder de Nederlandse Antillen en Aruba) die zich aan het OESO-proces hebben gecommitteerd. De minimumstandaard is onder Nederlands co-voorzitterschap ontwikkeld. De verwachting is dat het model zal uitgroeien tot een internationale standaard voor informatie uitwisseling.

5.3 Dienstverlening Belastingdienst

De Belastingdienst heeft in 2002 prioriteit gegeven aan de verbetering van de bereikbaarheid. Het aantal medewerkers in de telefonische dienstverlening is uitgebreid en door een verbetering van de capaciteitsplanning waren op de juiste momenten de juiste medewerkers beschikbaar. Het aantal afgehandelde gesprekken bij de Belastingtelefoon Particulieren is met 20% toegenomen van ruim 2,5 mln. afgedane gesprekken in 2001 naar bijna 3 mln. gesprekken in 2002. Ondanks deze toename is de servicegraad gestegen van 63% in 2001 naar 77% in 2002.

Voor de versterking van het dienstverleningsproces was voor 2002, met het oog op de Belastingherziening, in de begroting IXB een bedrag gereserveerd van € 34 mln. Binnen de financiële administratie van de Belastingdienst is dit bedrag niet geoormerkt, maar wel is nagegaan welke bedragen in 2002 zijn ingezet in de structurele versterking van de belastingtelefoon en het aannemen van extra personeel. Ook de kleinere bedragen voor de versterking van de telefonische dienstverlening op de eenheden, en de omvangrijke campagne voor Hulp bij aangifte zijn geregistreerd. In totaal gaat het om een bedrag van € 37 mln. Het restant van € 3 mln. is binnen het totale budget van de Belastingdienst gevonden.

Het gebruik van andere communicatiemogelijkheden is in 2002 toegenomen. Via de Bestellijn kunnen belastingplichtigen zeven dagen per week gedurende 24 uur per dag bestellingen doen zonder tussenkomst van een medewerker. In 2002 zijn op deze manier ruim 2,3 mln. servicedocumenten als folders en aangifteformulieren besteld, tegen 1,3 mln. in 2001.

In Noord-Holland en Rotterdam zijn proeven gehouden met de openstelling van e-mail. Deze proeven zijn succesvol verlopen, maar uit de proeven is duidelijk geworden dat introductie van e-mail niet leidt tot een verschuiving van de vraag, maar tot een toename daarvan. Daarom is vooralsnog gekozen om e-mail niet landelijk beschikbaar te maken maar alleen daar waar de toegevoegde waarde duidelijk is. Dat is bijvoorbeeld het geval voor buitenlandse belastingplichtigen.

De Belastingdienst is in de loop van 2002 geconfronteerd met een financiële taakstelling. Dit heeft geleid tot een nadere bezinning op de inrichting van dienstverlening en op de geplande investeringen. De nadruk wordt gelegd op de voor de organisatie meest doelmatige kanalen en met name op informatieverstrekking zonder menselijke tussenkomst, zoals internet en de Bestellijn. Daarnaast zal telefonie nog efficiënter kunnen worden ingezet door de afhandeling hiervan op een beperkt aantal locaties te concentreren. Een aantal voorgenomen investeringen, zoals het via internet aanbieden van persoonsgebonden informatie en het elektronisch aanbieden van álle formulieren is getemporiseerd of voorlopig aangehouden.

5.4 Invoering euro

De algemene conclusie ten aanzien van de euro-omwisseling in Nederland is dat deze tijdig en soepel is verlopen. De bevoorrading van banken, toonbankinstellingen en publiek, en de omschakeling van guldens naar euro's bij chartale transacties is zeer voorspoedig gegaan. Ook het elektronisch toonbankbetalingsverkeer rond de invoering van de euro verliep probleemloos. Hiermee is de doelstelling, om een zo snel mogelijke omschakeling te maken, gehaald.

Er is gestuurd op efficiëntie voor de samenleving als geheel. Zowel in de voorbereiding als in de uitvoering is alles op alles gezet om de invoering soepel te laten verlopen en tot een geconcentreerde omschakeling te komen. De samenwerking met De Nederlandsche Bank (DNB) op basis van de uitvoeringsovereenkomst was goed. Ook de gekozen coördinatiestructuur van het Nationaal Coördinatie Centrum heeft goed gefunctioneerd.

De effectiviteit van de publieksvoorlichting was, getuige de snelle omschakeling van gulden naar euro, groot te noemen. Het publiek voelde zich goed geïnformeerd en was ook goed op de hoogte van belangrijke zaken als de invoeringsdatum, de waarde van de euro en de duur van de duale periode. Wel is na de invoering van de euro een perceptie bij het publiek ontstaan dat prijzen zijn gestegen. Uit onderzoek door onder andere de Consumentenbond, DNB, het CPB, en de Europese Commissie blijkt dat, hoewel zich in sommige sectoren aanzienlijke prijsstijgingen hebben voorgedaan, het effect van de omwisseling naar de euro op het algemene prijsniveau zeer beperkt is geweest.

5.5 Vormgeving toezicht

Voor 2002 is een beleidsprioriteit geformuleerd om het toezicht op de financiële markten gelijkvormiger te maken waardoor lacunes en overlap in het toezicht worden voorkomen. In dit verband is een evaluatie van de Raad van Financiële Toezichthouders (RFT) aangekondigd, alsmede de implementatie van het wetsvoorstel tot introductie van een niet-sectorspecifieke toezichtdimensie in de financiële toezichtwetgeving.

De toegenomen vervlechting van financiële instellingen en hun producten en diensten hebben het noodzakelijk gemaakt de institutionele vormgeving van het toezicht grondig te herzien. Het sectorale toezichtmodel is gekanteld naar een functionele indeling, waarbij een splitsing is gemaakt tussen prudentieel toezicht en gedragstoezicht. Hiertoe is de Stichting Toezicht Effectenverkeer omgevormd tot de Autoriteit Financiële Markten, waaraan het gedragstoezicht is opgedragen. Het prudentieel toezicht is opgedragen aan DNB en Pensioen- en Verzekeringskamer, waarbij toenadering heeft plaatsgevonden tussen beide instellingen. De eerste fase van de herziening, die de kanteling betreft op basis van het bestaande wettelijk kader, is in 2002 afgerond. Met deze hervorming is bereikt wat voor 2002 was beoogd. De slagvaardigheid en effectiviteit van het toezichtmodel voor de financiële markten is verder verbeterd; lacunes en overlap in het toezicht tussen de verschillende financiële sectoren zijn, voor zover mogelijk binnen de huidige wetgeving, weggenomen.

In 2002 zijn tevens de voorbereidingen getroffen voor de tweede fase van de herziening, die de kanteling van de financiële toezichtwetgeving inhoudt. Deze majeure wetsoperatie, die de komende jaren zal plaatsvinden, is noodzakelijk om de voordelen van het nieuwe model optimaal te kunnen benutten. De hoofdlijnen van deze operatie, zowel inhoudelijk als qua projectorganisatie, zijn inmiddels opgezet. Zoals in de begroting 2003 is vermeld is met de herziening van het toezicht de aangekondigde evaluatie van de RFT komen te vervallen.

5.6 Publiek-private samenwerking (pps)

In 2002 heeft kabinet verdere stappen gezet in de toepassing van pps bij het realiseren van overheidsinvesteringen. Na de ondertekening in 2001 van HSL infraprovider contract zijn in harde infrastructuur de aanbestedingen gestart van twee wegprojecten, A59 Rosmalen-Geffen en N31 Leeuwarden-Drachten. Het contract voor de A59 is februari 2003 ondertekend en de aanbesteding voor de N31 zal de komende zomer worden afgerond. Zoals aangekondigd in de begroting heeft de verbreding van pps naar andere sectoren verder vorm gekregen. Zo zijn in de nuts en groensectoren een aantal publiek-publiek overeenkomsten gesloten en is in de aanbesteding van het design, build, finance and operations (DBFO)-contract voor het project Afvalwaterzuivering Haagse Regio (Harnaschpolder Delfland) een «preferred bidder» benoemd. In sector overheidsgebouwen zijn twee pilots gestart voor een pps contract in de scholenbouw.

Ondanks de voortgang die ook het afgelopen jaar is geboekt heeft het vorige kabinet in haar evaluatie van het pps beleid geconstateerd dat het sneller had gekund. Alhoewel er een goed beleidskader en goede instrumenten zijn, zijn de concrete resultaten te beperkt. In de evaluatie wordt geconcludeerd, dat het essentieel is dat op basis van een hernieuwd commitment stevig aan de slag wordt gegaan met een concreet vervolgprogramma van kansrijke pps-projecten. Dit hernieuwd commitment is zichtbaar geworden in de brief die de minister van Financiën, mede namens de ministers van VenW, VROM, LNV, EZ, BZK en OCenW, in december aan de Tweede Kamer heeft gezonden. In deze brief worden de concrete actieplannen van de verantwoordelijke departementen beschreven voor de verdere stimulering en toepassing van pps (Kamerstukken II 2002/03, 28 753, nr. 1). De focus in het vervolgprogramma ligt op:

• Marktverdieping in de rail-, wegen- en nutssector, voortbouwend op de daar reeds opgedane ervaring;

• Marktontwikkeling in de overheidsgebouwen- en scholenbouwsector;

• Een nieuw initiatief gericht op de totstandkoming van pps bij gebiedsontwikkeling.

5.7 Anticiperende aankopen

Doelstelling van de beleidsprioriteit Anticiperende aankopen was om versneld grond aan te kunnen kopen en tegen zo laag mogelijke kosten vastgoed beschikbaar te hebben voor het realiseren van publieke doelstellingen. Het beleid was en is er dan ook op gericht om anticiperende aankopen mogelijk te maken. Het rijk neemt hierbij een risico want de latere locatiebeslissing kan anders uitvallen.

In 2002 is, zoals aangekondigd in de begroting, aan de Tweede Kamer een beleidsbrief aangeboden waarin de kaders voor het programma van anticiperende aankopen worden geschetst (Kamerstukken II 2001/02, 27 581, nr.31). Daarbij is ook ingegaan op de wijze waarop de Tweede Kamer wordt geïnformeerd en de verdeling van de verantwoordelijkheden voor anticiperende aankopen tussen de vakministers en de minister van Financiën. Voor de uitvoering van het anticiperend aankopen is een interdepartementaal systeem opgezet.

De in 2001 ingestelde Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR) regisseert op landelijk en regionaal niveau de samenwerking tussen de vastgoeddiensten binnen het Rijk, namelijk die van Financiën, VROM, VenW, LNV en Defensie. De RVR draagt tevens bij aan rijksbeleid waarbij de vastgoeddiensten een gemeenschappelijk belang hebben om publieke doelen effectiever en efficiënter te bereiken.

Voor de realisering van de anticiperende aankopen is bij het Ministerie van Financiën een leenfaciliteit ingesteld. Hiervoor was in de begroting van 2002 een budget opgenomen van € 34,0 mln. Hiervan is € 21,8 mln. daadwerkelijk ingezet.

5.8 Inrichting benzinemarkt

Domeinen is betrokken bij de veiling van benzinestations langs het hoofdwegennet. Het Marktwerking Deregulering en Wetgevingskwaliteit traject beoogt meer prijsconcurrentie en betere toetredingsmogelijkheden te bewerkstelligen. Alle langs het hoofdwegennet door de Staat uitgegeven locaties voor benzinestations worden in een periode van 21 jaar geveild. Daarbij worden contracten voor 15 jaar afgesloten. De vergoeding voor het gebruik van staatsgrond wordt door middel van een nieuwe vergoedingensystematiek op een meer marktconforme wijze vastgesteld.

In dit kader zijn op 11 december 2002 door Domeinen de eerste negen benzinestations geveild. Vijf van de negen benzinestations zijn van eigenaar veranderd. Om deze veiling ordelijk te laten verlopen is in 2001 een veilingreglement opgesteld. Dit veilingreglement is in januari 2002 door de Kamer goedgekeurd. Ook is in 2002 de nieuwe marktconforme vergoedingssystematiek ingevoerd. Hoewel er tegen de vaststelling van de nieuwe vergoeding enkele bezwaren zijn ingediend, is de invoering goed verlopen. Conform de convenanten en overeenkomsten met de huidige concessiehouders gaat de veilingopbrengst van de eerste veiling naar de zittende partijen. Bij elke volgende veiling (na afloop van het erfpachtcontract van 15 jaar) komt de opbrengst ten goede aan de overheid.

5.9 Invoering baten-lastenstelstel

In 2002 is op basis van interdepartementaal overleg gewerkt aan een meerjarig projectplan voor het Eigentijds Begrotingsstelsel (EBS). Daarbij zijn vorderingen gemaakt op zowel inhoudelijke als procedurele thema's. De Staten-Generaal zal periodiek op de hoogte worden gehouden van ontwikkelingen op het gebied van de ontwikkeling en implementatie van EBS.

5.10 Vermindering van de administratieve lasten voor bedrijven

Ontwikkeling administratieve lasten

Fiscaal

Voor de kwantificering van de administratieve lasten zijn vanaf 2002 kostenmodellen beschikbaar voor alle fiscale domeinen. Deze kostenmodellen maken het mogelijk per wetgevingsdomein de totale administratieve lasten aan te geven en de administratieve lastenverlichting of -verzwaring van maatregelen te berekenen. Met ingang van 2002 is het daarom mogelijk om een integraal beeld te geven van de ontwikkeling van de administratieve lasten op fiscaal terrein.

Tabel 5.2 Ontwikkeling in administratieve lasten op fiscaal terrein
 Administratieve lasten (in € mld.)Idem in % (1995 = 100%)
Administratieve lasten in 19952100
Toename/afname 1995–2002– 0,3– 15
Stand per ultimo 20021,785
Verwachte toename/afname in 2003– 0,1– 5
Stand per ultimo 20031,680
Verwachte toename/afname 2004–2006– 0,1– 5
Streefbeeld per ultimo 20061,575

Niet-fiscaal

Op niet-fiscaal terrein is in 2002 een cross-sectoraal onderzoek gestart naar de administratieve lasten voortvloeiend uit de weten regelgeving ten behoeve van het toezicht op de financiële marktsector. In dit onderzoek wordt bepaald wat de omvang en samenstelling van de administratieve lasten zijn op het gebied van het toezicht op de financiële marktsector. Aan de hand van de onderzoeksresultaten zal vervolgens een kostenmodel worden ontwikkeld waarmee de administratieve lasten van wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen worden doorgerekend en waarmee mogelijkheden voor reductie van administratieve lasten inzichtelijk kunnen worden gemaakt.

Bereikte resultaten in 2002

Fiscaal

Het complex van fiscale uitvoeringsbesluiten en -regelingen is in 2001 bezien op vereenvoudiging en terugdringing van administratieve lasten. De resultaten van deze exercitie zijn in het voorjaar van 2002 aan de Tweede Kamer gemeld. De maatregelen in de uitvoeringssfeer die hieruit voortvloeien zijn grotendeels eind 2002/begin 2003 gerealiseerd. De hiermee gemoeide verlichting van de administratieve lasten bedraagt naar verwachting circa € 30 mln. structureel. Samen met de eerder bereikte besparing van € 270 mln. als gevolg van de implementatie van de voorstellen van de Commissie Van Lunteren en de Belastingherziening 2001 bedraagt de afname van de administratieve lasten in de periode 1995 tot en met ultimo 2002 circa € 300 mln.

In de sfeer van de wetgeving zijn naast de effecten van het Belastingplan 2003 (zie hieronder) geen substantiële effecten opgetreden voor de administratieve lasten.

Niet-fiscaal

De financiële toezichtwetgeving bevat bepalingen die ertoe dienen dat de financiële toezichthouders en de minister van Financiën op de hoogte worden gehouden over het verwerven, houden en vergroten van gekwalificeerde deelnemingen (bezit van meer dan 5% dan wel 10% of meer in het aandelenkapitaal) in banken, effecteninstellingen en verzekeraars alsmede door banken verworven gekwalificeerde deelnemingen. Daartoe dient een ieder die voornemens is een gekwalificeerde deelneming te verwerven, houden of vergroten een verklaring van geen bezwaar (vvgb) te hebben verkregen van de financiële toezichthouders of de minister van Financiën. Het vvgb-stelsel leidt in de praktijk tot hoge administratieve lasten omdat momenteel voor iedere (kleine) vergroting van een gekwalificeerde deelneming een vvgb-plicht geldt. In 2002 is gewerkt aan de herziening van het vvgb-stelsel. Doel van de herziening is het vvgb-stelsel eenvoudiger en efficiënter te maken en daarmee de administratieve lasten voor aandeelhouders, financiële instellingen, toezichthouders en het ministerie van Financiën aanzienlijk te beperken. Bij brief van 20 januari 2003 aan de Tweede Kamer is een aantal herzieningsvoorstellen gedaan. Het betreft hier onder meer het voorstel om: (i) een systeem van vaste bandbreedtes te introduceren waardoor niet meer bij elke kleine vergroting van een deelneming een vvgb hoeft te worden aangevraagd; (ii) het beperken van de vvgb-plicht voor banken tot deelnemingen die een materieel bedrijfseconomisch risico voor de bank met zich brengen; en (iii) het voorstel om het aantal aan te vragen vvgb's voor middellijke deelnemingen door banken terug te brengen.Voor een deel van de voorstellen is wetswijziging vereist. Indien de Tweede Kamer zich kan vinden in de herzieningsvoorstellen, zullen de voorstellen zo spoedig mogelijk worden geïmplementeerd en zal tevens een wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State worden gezonden.

Resultaten 2003 en verder

Fiscaal

• Vanaf 2003 zullen de structurele effecten zichtbaar worden van de maatregelen zoals deze in het Belastingplan 2003 zijn opgenomen. Het betreft onder andere de afschaffing van de afdrachtverminderingen lage lonen en langdurig werklozen en het vervallen van de accountantsverklaring bij enkele fiscale regelingen. Als gevolg van deze maatregelen kunnen de administratieve lasten aan de fiscale zijde naar verwachting vanaf 2003 structureel met € 70 mln. verminderen;

• In 2003 vindt de introductie plaats van de mogelijkheid om langs elektronische weg winstaangifte te doen. Naar verwachting zal dit vanaf 2003 tot een lichte daling van de administratieve lasten leiden met circa € 25 mln.;

• De stroomlijning van de heffingsgrondslag tussen de loonheffing en de werknemersverzekeringen bevindt zich momenteel in de wetgevende fase. Een wetsvoorstel voor de invulling op fiscaal terrein (de zogenoemde aansluitingswet Walvis) is in het voorjaar van 2002 aan de Tweede Kamer toegezonden. Samen met de voorstellen over de werknemersverzekeringen (wetsvoorstel Walvis) is hiermee in totaal een administratieve lastenverlichting mogelijk van circa € 150 mln. structureel1. Op fiscaal terrein hebben de maatregelen evenwel een administratieve lastenverzwaring tot gevolg van bijna € 100 mln. Het streven is om de desbetreffende wetgeving in de loop van 2003 in het Staatsblad te plaatsen; de daadwerkelijke invoering vindt naar verwachting per 2006 plaats;

• Naar verwachting in 2006 zal, in aanvulling op het bovenstaande, de inning van premies werknemersverzekeringen worden overgedragen aan de Belastingdienst. Dit heeft naar schatting een verder verlagend effect van circa € 90 mln. structureel;

• Er loopt een aantal projecten binnen en buiten de Belastingdienst om in de periode na 2004 tot een verdere administratieve lastenverlichting te komen. De projecten Frontoffice en Elektronische Heerendiensten dragen bij aan de vergemakkelijking en versnelling van het proces van aangifte doen en het betalen van omzet- en loonbelasting. Ook wordt voorzien in de inrichting van een elektronische dienst voor informatievragen van ondernemers.

Inmiddels is een overheidsbreed programma ICT en Administratieve Lasten vastgesteld. Hierin zullen naast de activiteiten op het vlak van elektronisch berichtenverkeer ook de activiteiten in het kader van de ontwikkeling van een virtueel bedrijvenloket en basisbedrijvenregister worden ondergebracht. In totaliteit wordt met deze meerjarenprojecten in de periode tot en met 2006 aan de fiscale zijde een structurele administratieve lastenverlichting van ruim € 100 mln. beoogd. Naar verwachting zullen vanaf 2004 als gevolg van de beoogde activiteiten de eerste resultaten bij ondernemers zichtbaar worden.

Niet-fiscaal

• In het kader van de hervorming van het toezicht op de financiële marktsector is het sectorale toezichtmodel omgezet in een zogenoemd functioneel toezichtmodel. De herschikking van het toezicht heeft in eerste instantie grotendeels op basis van bestaande wetgeving vorm gekregen. Om vervolgens de voordelen van het nieuwe model volledig tot hun recht te kunnen laten komen, zal ook de huidige wetgevingstructuur worden gekanteld van sectoraal naar functioneel. In 2002 is hierover een plan van aanpak over de hervorming van de financiële toezichtwetgeving voor de financiële marktsector aan de Tweede Kamer gestuurd waarin een herordeningvoorstel van het regelgevingcomplex is neergelegd. In 2003 zal op dit terrein een aantal belangrijke slagen worden gemaakt. Naar verwachting krijgt de juridische implementatie van het nieuwe toezichtmodel zijn verdere beslag in 2003, 2004 en 2005. Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn doeltreffendheid, marktgerichtheid en kostenefficiëntie van het toezicht. De nieuwe toezichtarchitectuur biedt gelegenheid om efficiency-voordelen op te sporen en om overlap binnen het toezicht te vermijden waardoor de kosten van toezicht (waaronder administratieve lasten) kunnen verminderen. Door de heldere scheiding van taken in de nieuwe toezichtstructuur zullen er betere prikkels voor de toezichthouders zijn om verder oog te krijgen voor administratieve lasten;

• In het kader van de algemene herziening van de Wet melding zeggenschap worden de bestaande meldingsplichten kritisch bezien en worden meldingen vereenvoudigd. Daarnaast wordt bezien hoe het one-stop meldingssyteem, waarbij meldingen onder de ene wet tevens dienst doen als meldingen onder de andere wet, en het gebruik van ICT-mogelijkheden verder kunnen worden ontwikkeld.

6. BELEIDSARTIKELEN

6.1 Belastingen

6.1.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het zo optimaal vorm en uitvoering geven aan de fiscale politiek van de regering.

Binnen Financiën is Fiscale Zaken verantwoordelijk voor het fiscale wetgevingsproces en geeft adviezen over het algemeen fiscaal- en douanebeleid. Verder vervult Fiscale Zaken een centrale rol in de bepaling van het standpunt dat Nederland inneemt over voorstellen tot belastingharmonisatie binnen de Europese Unie. Voor 2002 vormde fiscaliteit een beleidsprioriteit. In de beleidsagenda is toegelicht welke activiteiten zijn ondernomen en welke resultaten zijn behaald op dit beleidsterrein.

De Belastingdienst is binnen het ministerie van Financiën verantwoordelijk voor het uitvoeringsaspect van deze doelstelling. Daarbij hanteert zij de volgende strategische doelstelling:

Het onderhouden en versterken van de bereidheid van belastingplichtigen tot nakoming van hun wettelijke verplichtingen (compliance).

Er is sprake van «compliance» als de belastingplichtige fiscaal relevante feiten juist, tijdig en volledig opgeeft en wanneer belastingschuldigen tijdig en het juiste bedrag betalen. Compliance kan op verschillende manieren worden bevorderd. Door dienstverlenend en respectvol optreden, door correctieve actie en desnoods door strafrechtelijk afgedwongen naleving.

Een dienstverlenende attitude van de Belastingdienst versterkt de bereidheid van belastingplichtigen tot het voldoen van hun verplichtingen. In 2002 is prioriteit gegeven aan verbetering van de bereikbaarheid. Dit heeft geresulteerd in toename van zowel het aantal afgehandelde telefoongesprekken als de servicegraad.

Het vertoonde nalevinggedrag is bepalend voor de intensiteit van het toezicht: iedere belastingplichtige krijgt de aandacht die in zijn of haar situatie vereist is. De effectiviteit van het toezicht van de Belastingdienst wordt vergroot door de aandacht, via weging en selectie, vooral te richten op de risicovolle posten.

De resultaten op het gebied van dienstverlening, een effectief toezicht en intensieve opsporing en een doelmatige bedrijfsvoering worden onder de betreffende operationele doelstellingen toegelicht. De resultaten op deze hoofdprocessen kunnen worden samengevat aan de hand van drie strategische kengetallen. De figuur hieronder geeft de ontwikkeling weer van de kengetallen. De cijfers van de kengetallen zijn geïndexeerd, waarbij 1995 het basisjaar is1.

Figuur 6.1: Strategische kengetallenkst-28880-20-4.gif

Uit de grafiek blijkt dat de resultaten van toezicht en opsporing licht zijn gestegen en dat de resultaten van de massale bedrijfsprocessen stabiel zijn gebleven. Daarbij moet worden bedacht dat de resultaten van deze twee kengetallen worden getemperd door de invoering van de belastingherziening 2001 en een verschuiving van een deel van de aanslagen en correcties in de inkomensheffing naar (begin) 2003. Bij het kengetal dienstverlening is sprake van sterke verbetering. Over de volle breedte zijn de resultaten hoger dan in 2001. De toename van het percentage afgehandelde telefoongesprekken draagt het meeste bij aan de stijging van het kengetal.

VerantwoordelijkheidResultaatverantwoordelijk
Wettelijke grondslagAan de Belastingdienst zijn ingevolge verschillende heffingswetten taken opgedragen met betrekking tot de heffing, inning en controle van belastingen, premies volksverzekeringen, premies voor sociale verzekeringen en rechten. De belangrijkste zijn de Algemene wet inzake rijksbelastingen; Invorderingswet 1990 en de Douanewet.

6.1.2 Operationele doelstellingen

6.1.2.1 Operationele doelstelling 1 Financieringsfunctie en instrumentele inzet van de belastingheffing

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsuitgaven en het bijdragen aan de realisatie van niet-fiscale doelstellingen van overheidsbeleid.

Belastinginkomsten

Hoofddoelstelling van de belastingheffing vormt het voortbrengen van inkomsten voor de financiering van de overheidsuitgaven. De totale belastingontvangsten zijn € 6,0 mld. lager uitgekomen dan geraamd. Daarnaast is de afdracht aan het gemeentefonds € 0,8 mld. hoger uitgekomen. Door een positieve bijstelling van de raming met € 3,1 mld. als gevolg van het gedesaldeerd boeken van EU-posten zijn per saldo de gerealiseerde belastingopbrengsten ten bate van begroting IXB€ 3,7 mld. lager uitgekomen op € 90,8 mld. De lagere belastingontvangsten houden verband met een lagere economische groei, waardoor de grondslag van de belastingheffing zich minder gunstig heeft ontwikkeld. De ontwikkeling van de belastinginkomsten is gedurende het jaar gerapporteerd in de suppletore wetten en de budgettaire nota's en heeft een rol gespeeld bij het opstellen van het budgettaire kader door het kabinet aan het begin van de regeerperiode. Na de tabel budgettaire gevolgen van beleid is een nadere toelichting opgenomen van de budgettaire effecten. Inzake de niet-fiscale doelstellingen van de belastingheffing wordt verwezen naar de jaarverslagen van de desbetreffende vakdepartementen.

Misbruik en oneigenlijk gebruik

Belastingheffing is gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (M en O), omdat de hoogte van de heffing en de verplichting om te betalen afhankelijk zijn van gegevens die belastingplichtigen zelf verstrekken. De belastinginkomsten zijn ten gevolge van M en O onvolledig. Bij alle uit te voeren fiscale taken wordt de Belastingdienst, in meer of mindere mate, geconfronteerd met de problematiek van M en O. Het tegengaan van M en O bij de toepassing van fiscale wet- en regelgeving vormt een geïntegreerd onderdeel van het rechthandhavingsbeleid en wordt nader toegelicht onder de operationele doelstellingen Terugkoppeling en Intensief toezicht en opsporing. In het Beheersverslag van de Belastingdienst wordt uitgebreider ingegaan op het M en O-beleid.

Belastinguitgaven en fiscaal beleidsprofiel

Het jaar 2002 was ook politiek gezien turbulent. Het geheel aan activiteiten kende een relatief grote invloed van de dagelijks politieke ontwikkelingen. In de aanloop naar de verkiezingen is een uitgebreide inventarisatie gemaakt van belastinguitgaven. De verkiezingen, de kabinetsformatie, het Strategisch Akkoord en de kort daarop uitgewerkte fiscale voorstellen 2003 hebben geleid tot een aanzienlijk aantal beleidsnotities en wetgevingsvoorstellen waarin het gewijzigde beleidsprofiel zichtbaar werd. Zo zijn om en nabij de twintig wettelijke belastinguitgaven afgeschaft en zijn de uitvoeringslasten en de administratieve lasten voor het bedrijfsleven duidelijk afgenomen. Het instrumentele gebruik van belastingrecht wordt mede bepaald vanuit Europese randvoorwaarden.

6.1.2.2 Operationele doelstelling 2 Terugkoppeling

Het tijdig signaleren en oplossen van knelpunten in de uitvoering van fiscale wetgeving.

Een belangrijke voorwaarde voor adequate fiscale wet- en regelgeving is dat mogelijke knelpunten in de uitvoering ervan tijdig worden gesignaleerd en opgelost.

Voorbereidingsfase

Fiscale wet- en regelgeving moet inhoud geven aan de algemene en specifieke doelstellingen van het fiscale beleid. Dit is alleen maar mogelijk met een adequate uitvoering. De voorgenomen fiscale wet- en regelgeving wordt in de ontwerpfase dan ook getoetst op kwaliteit en op uitvoeringsaspecten. De Belastingdienst kijkt expliciet naar de gevolgen voor de administratieve lasten van belastingplichtigen en naar manieren om de belastingplichtige te helpen. In beeld wordt gebracht hoe het staat met de begrijpelijkheid en de bescherming van de rechten van de belastingplichtige. Ook kijkt de Belastingdienst naar fraudebestendigheid (M en O) en controleerbaarheid en naar de gevolgen voor het eigen personeel en de automatisering.

Uitgangspunt bij nieuwe fiscale wet- en regelgeving is dat de Belastingdienst en indien mogelijk ook maatschappelijke organisaties al in de ontwerpfase bij het wetgevingstraject worden betrokken. Met andere woorden: het handhavingsbeleid begint al bij het schrijven van nieuwe wetteksten. Een voorbeeld van overleg met de werknemers- en ondernemingsorganisaties is het overlegplatform vermindering administratieve lasten bedrijfsleven (Commissie Van Lunteren). Dit platform richt zich op een beperking van administratieve lasten voor bedrijven en burgers. In paragraaf 5 (beleidsprioriteiten) is de doelstelling van vermindering van administratieve lasten nader toegelicht.

De staatssecretaris is in 2002 geadviseerd over voorgenomen fiscale wet- en regelgeving, maar ook over nationale en Europese wet- en regelgeving over uiteenlopende onderwerpen als douanewaarde, automatisering douane- en accijnsvervoer, oorsprong, nomenclatuur accijnsvrijstelling luchtvaart, sanctiebepalingen Irak en wapens en munitie. In 2002 is verder veel aandacht besteed aan het BTW-compensatiefonds.

Implementatie- en uitvoeringsfase

Om nieuwe wetgeving goed te kunnen invoeren, maakt de Belastingdienst een invoeringsplan waarin wordt aangegeven welke product- en procesveranderingen op welk moment klaar moeten zijn. Het kan daarbij gaan om aanpassingen maar ook om compleet nieuwe zaken. Met een vroege start van de invoeringsplannen – nog voordat een wetsvoorstel is ingediend bij de Raad van State – wordt bereikt dat binnen vier weken na de indiening van het wetvoorstel de plannen al gereed zijn. In 2002 kon deze doelstelling steeds worden gehaald.

In 2002 waren de onderwerpen voor implementatie van wetgeving onder meer: herziening regime fiscale eenheid, Belastingplan 2003, «Veegwet III» en het wetsvoorstel wijziging mijnbouwwet. Daarnaast is de Belastingdienst betrokken bij de discussie over een grondige herziening van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De belangrijkste thema's zijn in dat verband de hybride financieringsvormen, kostenaftrek buitenlandse deelnemingen, aankoopkosten deelnemingen en het «Europa-dossier» over «harmful tax competition».

Ondanks het beschreven traject van voorbereiding en implementatie komen in de praktijk na de invoering van fiscale regelgeving voortdurend nieuwe rechtsvragen op: vragen ten aanzien van eenduidige interpretatie van fiscaal relevante feiten en de wet- en regelgeving die van toepassing is in een specifieke context. Rechtsvragen worden behandeld door kennisgroepen, die bestaan uit vaktechnische deskundigen.

De inrichting van de nieuwe organisatie van de Belastingdienst is gericht op het verder verbeteren van de rechtstoepassing. In de managementteams van de nieuwe kantoren is één manager specifiek belast met de fiscale sturing. Hierdoor borgt de Belastingdienst het implementeren van nieuwe regelgeving en het tijdig signaleren van fiscale vraagpunten (rechtsvragen) in de uitvoering. Verder is een vaste procedure ontwikkeld waarmee in principe uiterlijk binnen drie maanden nadat de rechtsvraag is voorzien van een standpunt een beleidspublicatie volgt.

Voor grote projecten wordt het signaleren van knelpunten vaak nog extra geformaliseerd. Een voorbeeld daarvan is de instelling van de Commissie voor de invoerings- en uitvoeringsaspecten van de belastingherziening 2001 (Commissie Thunnissen-De Waard). In 2002 is verder het proces van de signalering van knelpunten gevolgd met een proef voor wet- en regelgeving met betrekking tot de auto. In deze proef is vooral bezien hoe een verdere stroomlijning van knelpunten het beste kan worden aangepakt. De hiermee opgedane ervaringen zullen in de komende jaren toegepast gaan worden op andere wet- en regelgeving.

Evaluatieonderzoeken

De derde benadering voor het signaleren van knelpunten is de periodieke toetsing van de bestaande fiscale regelgeving, vooral door evaluatieonderzoeken. Deze wetsevaluaties richten zich op de werking van de wet en op de grotere knelpunten in de uitvoering, voor zover deze knelpunten zijn toe te schrijven aan de wetgeving.

In 2002 zijn vier evaluatieonderzoeken afgerond: de Evaluatie energiepremieregeling, de Evaluatie BTW-verlaging arbeidsintensieve diensten, de doorlichting Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) en het evaluatieonderzoek Eenheid van beleid en uitvoering (2). Op basis van de resultaten van de Evaluatie energiepremieregeling (lage effectiviteit met betrekking tot energieverbruik in verhouding tot de hoge uitvoeringskosten) is besloten de regeling af te schaffen (Belastingplan 2003). Ook op basis van de Evaluatie BTW-verlaging arbeidsintensieve diensten werd geconcludeerd dat er sprake is van een relatief geringe effectiviteit (weinig effect op de werkgelegenheid). Besloten werd echter de BTW-verlaging nog een jaar te verlengen, aangezien de Europese Commissie eind 2003 met de evaluatie van dit EU-brede experiment komt. De doorlichting van de WVA was gericht op de vraag of het toezicht op de afdrachtverminderingen afdoende is georganiseerd. Op basis van de conclusies van het onderzoek (geen éénduidige uitvoering van dit toezicht) is besloten tot nader onderzoek. De probleemstelling van het onderzoek Eenheid van beleid en uitvoering (2) was in hoeverre er binnen de Belastingdienst beleid voorkwam dat afwijkt van het door of namens de staatssecretaris vastgestelde beleid. De uitkomst van het onderzoek was dat dit slechts in een zeer beperkt aantal gevallen voorkomt.

Voor 2002 stond ten slotte de evaluatie van de wet BTW op beleggingsgoud gepland. Doel van dit onderzoek is zicht te krijgen op de werking van het onderscheid tussen beleggingsgoud (waarvoor een BTW-vrijstelling geldt) en productief/consumptief goud (algemene BTW-tarief). De planning van dit onderzoek is niet gehaald omdat de technische uitwerking van het onderzoek complexer was dan verwacht. Een voorbeeld hiervan is een verschil van inzicht tussen goudhandelaren en de Belastingdienst over de afbakening van het begrip «beleggingsgoud». Pas begin 2003 is met het onderzoek gestart, zodat de afronding van dit onderzoek nu eind juni 2003 wordt verwacht.

6.1.2.3 Operationele doelstelling 3 Dienstverlening

De dienstverlening van de Belastingdienst is er op gericht het voor de Belastingplichtigen zo gemakkelijk en transparant mogelijk te maken om aan hun fiscale verplichtingen te voldoen. De dienstverlening kenmerkt zich door bereikbaarheid, snelheid en klantgerichtheid.

Met dienstverlening wil de Belastingdienst belastingplichtigen helpen aan hun verplichtingen te voldoen. Daarbij kan worden gedacht aan voorlichting en informatieverstrekking, maar bijvoorbeeld ook aan het beschikbaar stellen van elektronische aangiften, een snelle aangiftebehandeling en een snelle teruggaaf van te veel betaalde of te veel ingehouden belasting. Het aanbieden van snelle, kwalitatief goede en toegankelijke dienstverlening ondersteunt de belastingplichtige bij het voldoen aan zijn fiscale verplichtingen. Dienstverlening levert daarmee een bijdrage aan de bereidheid die verplichtingen na te komen.

De Belastingdienst heeft de operationele doelstelling intern uitgewerkt in het Bedrijfsplan. Daarbij richt de aandacht zich in de eerste plaats op de operationele prestaties in 2002. Deze worden uitgedrukt in het kengetal dienstverlening. De streefwaarde voor het kengetal is in 2002 bereikt. Dit is des te meer een goede prestatie omdat de Belastingdienst in 2002 voor de opgave stond om de grote stroom klantcontacten als gevolg van de invoering van het nieuwe belastingstelsel op te vangen en te verwerken. Onder meer door de goede prestaties op het gebied van de dienstverlening is deze invoering zonder problemen verlopen. In de paragraaf «kerncijfers dienstverlening» worden de operationele prestaties toegelicht.

Naast de operationele prestaties richt de Belastingdienst zich op de vernieuwing en verbetering van zijn processen. Bij dienstverlening houdt dat in dat op meerdere kanalen wordt gestreefd naar vernieuwing: bij de inrichting van één gemeenschappelijke klantenbalie, een landelijk telefoonloket, vernieuwing van de website en vergroting van de mogelijkheden tot elektronische transacties.

In de loop van 2002 is de Belastingdienst geconfronteerd met een financiële taakstelling. Dit heeft geleid tot een nadere bezinning op de inrichting en het niveau van dienstverlening en op de geplande investeringen. Budgetten, mensen en middelen voor dienstverlening «going concern» alsmede voor de investeringen om de ontwikkeldoelen te realiseren zijn daardoor verminderd. Deze beleidswijziging heeft tot gevolg dat een aantal procesontwikkelingen wordt getemporiseerd, dan wel voorlopig aangehouden.

Procesvernieuwing in 2002

In 2002 zijn de geïntegreerde klantendiensten in de grote steden volledig ingericht. Voor belastingplichtigen in die plaatsen betekent dit dat zij met hun vragen op het terrein van particulieren en ondernemingen aan één loket terecht kunnen. Andere locaties zijn, dan wel worden op korte termijn, als onderdeel van de nieuwe regiokantoren ook ingericht met één loket voor belastingplichtigen.

De Belastingdienst streefde in 2002 naar de inrichting van één landelijk telefoonnummer. Deze doelstelling is in 2002 nog niet gerealiseerd, en zal in de komende periode zijn beslag krijgen. De versobering van dienstverlening heeft gevolgen gehad voor de inzet van mensen en middelen in het project dat dit ontwikkeldoel moet realiseren. Bezien wordt of dit ontwikkeldoel met een eenvoudigere en goedkopere uitvoering in 2003 toch kan worden gerealiseerd.

In Noord-Holland en Rotterdam zijn proeven gehouden met de openstelling van e-mail. Deze proeven zijn succesvol verlopen, maar uit de proeven is duidelijk geworden dat introductie van e-mail in de daar gekozen vorm niet leidt tot een verschuiving van de vraag, maar tot een toename daarvan. Daarom is vooralsnog gekozen om e-mail niet landelijk beschikbaar te maken maar alleen daar waar de toegevoegde waarde duidelijk is. Dat is bijvoorbeeld het geval voor buitenlandse belastingplichtigen.

De vernieuwing van de website is eind 2002 gefaseerd van start gegaan. In de eerste maanden van 2003 zal dit verder zijn beslag krijgen. Dit is enkele maanden langzamer dan gepland. In 2002 is wel de functionaliteit van de website uitgebreid, onder meer met de zelfhulpprogramma's IB2001 en VT2003.

De mogelijkheden om belastingformulieren elektronisch te versturen nemen toe. In 2003 kan al het merendeel van de winstaangiftes, de aangifte IB-niet winst, Voorlopige Teruggave IB, aangifte LB en aangifte OB elektronisch gedaan worden. Een project om alle formulieren elektronisch beschikbaar te stellen is getemporiseerd, omdat de kosten niet altijd tegen de baten opwegen. In 2003 zullen eerst die formulieren worden ontwikkeld waarvan een groot volume wordt verwacht, en die op een centraal punt worden aangeboden.

De operationele prestaties op het gebied van dienstverlening zijn verbeterd ten opzichte van 2001. Dit blijkt uit de index dienstverlening in de volgende paragraaf. Burgers en ondernemers zijn meer tevreden over de dienstverlening door de Belastingdienst. De kwaliteit van de dienstverlening is ook objectief verbeterd: de telefoon wordt sneller opgenomen en in 2002 zijn meer telefonische vragen beantwoord. De extra vraag naar informatie als gevolg van de invoering van het nieuwe belastingstelsel is in 2002 goed verwerkt. Extra inspanningen bij de Belastingtelefoon, de hulp bij aangifte en de Belastingdienst Bestellijn zorgden voor een soepele verwerking van de vragen. Voor de komende jaren staat het proces dienstverlening echter onder druk door de financiële taakstellingen. Nieuwe ontwikkelingen zullen daardoor in een minder snel tempo worden ingevoerd.

Kerncijfers dienstverlening

De kerncijfers dienstverlening schetsen een beeld van de prestaties van de Belastingdienst op terrein van dienstverlening. De doelstelling – dienstverlening snel en op maat – wordt gemeten met behulp van zes kerncijfers: ervaren snelheid, (telefonische) bereikbaarheid, nakomen van afspraken, duidelijkheid van correspondentie, het aantal afgehandelde telefoongesprekken ten opzichte van het aantal aangeboden telefoongesprekken en het tijdig afdoen van aangiften en bezwaarschriften. De gegevens voor de eerste vier kerncijfers worden ontleend aan de resultaten van enquêtes die jaarlijks onder belastingplichtigen worden gehouden (Fiscale Monitor). De overige twee cijfers zijn afkomstig uit interne registraties. De zes kerncijfers zijn geïndexeerd, waarbij 1995 het basisjaar vormt. De index dienstverlening is opgebouwd uit het gemiddelde van de zes kerncijfers.

Tabel 6.1: Index dienstverlening
19951996199719981999200020012002Raming 2002
1001009797107106104108108

Het indexcijfer dienstverlening is 4 punten gestegen. Het «percentage afgehandelde telefoongesprekken» levert de grootste bijdrage aan de verbetering ten opzichte van 2001. Onderstaande figuur geeft een overzicht van de kerncijfers voor dienstverlening. Hieruit blijkt dat vooral de dienstverlening onveranderd aanzienlijk hoger wordt ervaren dan in 1995. In het vervolg wordt puntsgewijs op de scores ingegaan.

Figuur 6.2: Kerncijfers dienstverlening1kst-28880-20-5.gif

De duidelijkheid van aangiftebiljetten, aanslagen en brieven

De mening over de duidelijkheid van de correspondentie blijft redelijk stabiel. Voor 83% van de particuliere belastingplichtigen is het aangiftemedium duidelijk. Dit is vooral te danken aan de positieve mening over de aangiftediskette. Van alle gebruikers vindt 90% de diskette duidelijk. Het aangiftebiljet wordt door 72% van de particuliere respondenten als duidelijk beoordeeld. De aangiftebiljetten leveren voor grote ondernemingen de minste problemen op, 88% vindt ze duidelijk. Bij ondernemingen ligt dit percentage op 76%.

De aanslagen zijn voor 87% van de belastingplichtigen zeer of tamelijk duidelijk. Particuliere belastingplichtigen zijn hierin met 91% het meest positief. De duidelijkheid van de overige correspondentie van de Belastingdienst beoordeelt 77% van de ondervraagde belastingplichtigen positief.

Tabel 6.2: Duidelijkheid correspondentie1
19951996199719981999200020012002Raming 2002
10010610798108106109110108

1 Het kerncijfer «duidelijkheid correspondentie» is gebaseerd op gegevens over aangiftebiljetten en overige correspondentie en geeft uitsluitend de mening weer van de doelgroep Particulieren; de reden hiervan ligt in het feit dat uitsluitend hiervan een over alle jaren exact met elkaar vergelijkbare reeks gegevens beschikbaar is. Vanaf het jaar 2001 moet voor het kerncijfer onder aangiftebiljet mede worden verstaan de aangiftediskette.

Ervaren snelheid

De Belastingdienst handelt aangiften snel af. Dat is afhankelijk van de doelgroep de mening van twee derde tot ruim driekwart van de belastingplichtigen. De vorig jaar al zichtbare stabilisering lijkt zich door te zetten. De particuliere belastingplichtigen zijn dit jaar met 76% iets minder positief, terwijl douaneklanten met 77% juist weer wat positiever zijn dan vorig jaar. Ondernemers blijven nagenoeg gelijk in hun mening over de snelheid van afhandeling, ruim twee derde is tevreden. Onder de fiscaal adviseurs vindt slechts 42% dat de Belastingdienst aangiften snel beoordeelt.

Over de termijn die de Belastingdienst nodig heeft om geld terug te storten zijn particulieren het meest positief. Van hen vindt 87% dat het geld snel tot zeer snel wordt teruggestort. Ondernemingen en grote ondernemingen zijn eveneens redelijk tevreden over het tempo: 70% van hen is tevreden. Bij douaneklanten is ongeveer twee derde tevreden.

Ruim 60% van de ondernemers en bijna 75% van de douaneklanten en particuliere belastingplichtigen beoordeelt de snelheid waarmee de Belastingdienst een vraag beantwoordt als tamelijk of zeer hoog. Fiscaal adviseurs hebben hierover een minder positieve mening: 52% is tevreden.

Tabel 6.3: Tempo waarmee de Belastingdienst handelt1
19951996199719981999200020012002Raming 2002
100109117125130131132135134

1 Het kerncijfer «tempo waarmee de Belastingdienst handelt» is gebaseerd op de ervaren snelheid waarmee de Belastingdienst een aangifte beoordeelt en de snelheid waarmee de Belastingdienst geld terugstort.

Ervaren telefonische bereikbaarheid

Zestig procent van de belastingplichtigen vindt dat de eenheden tamelijk tot zeer gemakkelijk telefonisch te bereiken zijn. Met bijna 75% zijn douaneklanten het meest tevreden, ondernemers zijn met 47% minder tevreden over de telefonische bereikbaarheid. Fiscaal adviseurs zijn met bijna drie kwart ontevreden het meest negatief in hun oordeel over de telefonische bereikbaarheid.

De tevredenheid over het gemak waarmee men de juiste persoon op het belastingkantoor kan bereiken laat bij ondernemingen en particuliere belastingplichtigen door de jaren heen een (licht) dalende tendens zien. De streefwaarde voor 2002 is niet bereikt. Klanten worden blijkbaar kritischer over de telefonische bereikbaarheid. Tegelijkertijd is er een verband zichtbaar tussen de objectieve prestatie van de Belastingdienst en de ervaren bereikbaarheid. Met name in de eerste helft van 2001 was de Belastingdienst minder goed telefonisch bereikbaar, als gevolg van de grote behoefte aan informatie over het nieuwe belastingstelsel. In de tweede helft van 2001 en in 2002 nam de bereikbaarheid weer toe. De ervaren telefonische bereikbaarheid was in 2001 dan ook laag (indexcijfer 91), in 2002 is de index weer toegenomen tot 95. Vooral de mening van particulieren is ten opzichte van vorig jaar positiever.

Tabel 6.4: Ervaren telefonische bereikbaarheid
19951996199719981999200020012002Raming 2002
100104107101106999195103

Nakomen afspraken

Alle doelgroepen zijn positief over de manier waarop de Belastingdienst toezeggingen, zoals terugbellen of het toesturen van informatie, nakomt. De tevredenheid hierover varieert: 80% bij ondernemingen, 85% bij grote ondernemingen en douaneklanten en 87% bij particulieren.

Wanneer het gaat om het nakomen van meer inhoudelijke afspraken, is gemiddeld 90% van de belastingplichtigen tevreden. Zij vinden dat de Belastingdienst er goed in slaagt om afspraken na te komen. De douaneklanten zijn met 93% het meest positief. De tevredenheid over het nakomen van afspraken was vorig jaar iets afgenomen, maar is dit jaar weer op het niveau van twee jaar geleden. De doelstelling voor 2002 is daarmee echter net niet gerealiseerd.

Tabel 6.5: Nakomen afspraken Belastingdienst
19951996199719981999200020012002Raming 2002
100108108109109105102105107

Percentage afgehandelde telefoongesprekken

In 2002 deden belastingplichtigen voor het eerst aangifte volgens het nieuwe belastingstelsel. Dit heeft er toe geleid dat 2002 een zeer druk telefoniejaar is geweest. Om deze druk op te vangen is het aantal medewerkers van de Belastingtelefoon uitgebreid. De Belastingdienst (inclusief ondernemingen en douane) heeft in 2002 ongeveer 8,7 mln. gesprekken afgehandeld. Van dit aantal zijn ongeveer 6,5 mln. gesprekken afkomstig van particuliere belastingplichtigen.

Het aantal afgehandelde gesprekken bij de BelastingTelefoon Particulieren is met 20% gestegen van ruim 2,5 mln. afgedane gesprekken in 2001 naar bijna 3 mln. gesprekken in 2002.

Tabel 6.6: Afgehandelde telefoongesprekken 2002 (exclusief ondernemingen en douane, in mln.)
TelefoongesprekkenAanbodBehandeldPercentage
Eenheden Particulieren5,23,669%
Belastingtelefoon3,93,077%
CBM1,10,979%
Totaal10,27,473%

Dankzij de inzet van extra medewerkers is de servicegraad bij de Belastingtelefoon toch gestegen, van 63% in 2001 naar 77% in 2002. Daarnaast heeft een goede planning er toe geleid dat op de juiste momenten de juiste medewerkers aan de telefoon zaten. Bij de klantendiensten lag de servicegraad op ongeveer 75%. De index is daardoor toegenomen van 76 tot 92, waarmee de doelstelling voor 2002 ruimschoots gehaald is.

Tabel 6.7: Index van het percentage afgehandelde telefoongesprekken (exclusief ondernemingen en douane)
19951996199719981999200020012002Raming 2002
1007647337985769288

Niet alleen de bereikbaarheid is verbeterd, maar ook de kwaliteit en de uniformiteit van de beantwoording van vragen is gestegen ten opzichte van 2001. Uit permanente metingen bij de BelastingTelefoon Particulieren blijkt dat het aantal gewenste en of acceptabele antwoorden ten opzichte van het voorgaande jaar met 19 procentpunt is gestegen tot 76%. Deze kwaliteitsverbetering vindt onder meer zijn oorzaak in het steeds beter ingewerkt raken van supervisors en in de aandacht die is gegeven aan de verbetering van de intranetsite met vragen en antwoorden.

Tijdigheid afgehandelde aangiften en bezwaarschriften

In dit kengetal wordt de afhandelingstermijn van de aangiften IB en Vpb en de bezwaarschriften IB bekeken. De tijdigheid van de behandeling is nagenoeg onveranderd opzichte van 2001. Van alle bezwaarschriften is 91% afgedaan binnen de gestelde termijn van zes weken.

Tabel 6.8: Tijdigheid afgehandelde aangiften en bezwaarschriften
19951996199719981999200020012002Raming 2002
100102107111111111111111111

Prestaties in het kader van de Belastingherziening

Het nieuwe belastingstelsel heeft in 2001 en 2002 geleid tot een grote stroom klantcontacten. In de indexcijfers dienstverlening is de toename van de telefonische contacten toegelicht. Daarnaast hebben ook andere vormen van dienstverlening te maken gehad met een grotere vraag naar hulp en informatie.

In 2002 is fors ingezet op de Hulp bij aangifte op de belastingkantoren. Vooraf werd ingeschat dat in 350 000 gevallen gebruik zou worden gemaakt van deze service. Uiteindelijk hebben 215 000 mensen hun aangiftebiljet laten invullen bij één van de medewerkers van de Belastingdienst. Naast deze vorm van hulpverlening werden op belastingkantoren ook computers ter beschikking gesteld waarop belastingplichtigen hun eigen aangifte per diskette in konden vullen. Van deze extra service is maar mondjesmaat gebruik gemaakt. Het aantal baliebezoeken, los van de Hulp bij aangifte, beliep in 2002 ongeveer 875 000.

Een bijzondere vorm van telefonische dienstverlening is de Belastingdienst Bestellijn (0800–0043). Met behulp van deze dienst kunnen belastingplichtigen zeven dagen per week gedurende 24 uur per dag bestellingen doen van bijvoorbeeld aangiftebiljetten of folders, zonder tussenkomst van een medewerker. De Belastingdienst Bestellijn is in 2002 voor de eerste keer ook ingezet voor de mogelijkheid om aangiftebiljetten om te wisselen indien belastingplichtigen met het toegezonden aangiftebiljet niet de juiste aangifte konden doen. Om het doen van aangifte in euro's te stimuleren werden aangiftebiljetten standaard toegezonden in euro's. De Belastingdienst Bestellijn bood de mogelijkheid om deze aangiftebiljetten om te wisselen in een guldenbiljet. Van deze mogelijkheid is 137 000 keer gebruik gemaakt.

In totaal zijn via de Belastingdienst Bestellijn 2,3 mln. servicedocumenten verzonden. Gerekend was op grotere aantallen, maar door het succes van de elektronische aangifte zijn veel belastingplichtigen in staat geweest om zonder aanvullende documenten hun aangifte in te vullen. Ook in de komende jaren zal de Belastingdienst Bestellijn een belangrijk middel blijven om zonder menselijke tussenkomst ervoor te zorgen dat de dienstverlening op peil blijft.

6.1.2.4 Operationele doelstelling 4 Intensief toezicht en opsporing (ITO)

Het toezicht van de Belastingdienst is erop gericht op een zo doelmatig mogelijke wijze burgers en ondernemers aan hun fiscale verplichtingen te laten voldoen.

Naast dienstverlening is ook het intensieve toezicht en de opsporing erop gericht belastingplichtigen aan hun verplichtingen te laten voldoen. Het toezicht richt zich erop alle fiscaal relevante feiten tijdig en op de juiste wijze in de behandeling te betrekken. Het risico van non-compliance wordt beperkt wanneer het toezicht zoveel mogelijk aansluit bij het moment waarop deze fiscale feiten zich voordoen. Toezicht dient steeds meer in de actualiteit plaats te vinden.

Het uitoefenen van toezicht vindt plaats vanuit het zicht op de klant, op de doelgroep en op de hieruit voortvloeiende risico's. De specifieke situatie van de belastingplichtige en het daarmee verbonden fiscale belang en financiële risico vormen de basis voor de behandelaanpak. Door de aandacht, via weging en selectie, vooral te richten op de risicovolle posten wordt de effectiviteit van het intensief toezicht vergroot.

Binnen de Belastingdienst is de opsporingsfunctie belegd bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en Economische Controledienst (FIOD-ECD). De FIOD-ECD werkt samen met het Openbaar Ministerie. Strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie is binnen de klantbehandeling het uiterste middel om naleving van de verplichting af te dwingen. Tegen belastingplichtigen die de meest vergaande vorm van non-compliance – fraude – vertonen, wordt repressief opgetreden. Repressief optreden corrigeert allereerst het non-compliance gedrag, maar is ook preventief ter bevordering van compliance in het algemeen. Dit laatste is dan ook eveneens nadrukkelijk een doelstelling van de inzet van het strafrechtelijke instrument.

Het zoveel mogelijk werken in de actualiteit

Werken in de actualiteit wordt bevorderd door een geautomatiseerde ondersteuning van het toezichtproces. In 2002 is daarbij voortgang gemaakt met de geautomatiseerde selectie. De ontwikkeling van de selectiemodule in het Aanslag Belasting Systeem (ABS) en de vulling van de selectieregels ligt op schema. Steeds meer soorten aangiftebiljetten worden onderworpen aan de geautomatiseerde selectie van ABS. Als een benoemd risico zich voordoet, wordt dit gesignaleerd («uitgeworpen»). Door de geautomatiseerde selectie komt de behandelaar sneller aan de wezenlijke risico's toe, waarmee het werken in de actualiteit wordt bevorderd. De behandelaar kan er bij de niet-winstaangifte mee volstaan alleen het uitgeworpen risico of de uitgeworpen risico's te behandelen, omdat de overige elementen van de aangifte geen relevante risico's bevatten. Hierdoor wordt de schaarse capaciteit in het toezicht effectiever benut.

Een zo doelmatig mogelijk toezicht

In de afgelopen periode is verdere invulling gegeven aan het proces van risicobeheersing. De te behandelen risico's zijn opgenomen in de zogeheten risicomix: een mix van te behandelen risico's voor de verschillende branches, middelen, werksoorten enz. Door veel aandacht te besteden aan de «voorkant» van het toezichtsproces, de risicovinding en risico-ontwikkeling, wordt bereikt dat aan de «achterkant», de feitelijke klantbehandeling, sprake is van een op het risicoprofiel van de belastingplichtige toegesneden behandeling. De investering in de «voorkant» krijgt onder andere vorm door de instelling eind 2002 van 30 risicokennisgroepen, waarvan het de taak is binnen een bepaalde branche of ten aanzien van een bepaald goed (douane) aan risicovinding en- ontwikkeling te doen.

In 2002 is een segmentindeling ontwikkeld die met ingang van 2003 zowel aan de «voor-», als aan de «achterkant» in de komende jaren zal worden ingevoerd. De segmenten kunnen zich richten op fiscale risico's, maar ook op eigenschappen van (groepen van) belastingplichtigen. Deze segmentering helpt de Belastingdienst de medewerkers daar in te zetten waar hun rendement het hoogst is (rendement niet alleen op te vatten in termen van correctieresultaat, maar ook in termen van preventie en compliance). Omdat vooraf de resultaten van een risicobehandeling zorgvuldig zijn onderzocht, kunnen er ook uitspraken gedaan worden over het te verwachten resultaat bij de aangiftebehandeling in relatie tot de te leveren inspanning.

De kwaliteit van de toepassing van wet- en regelgeving bij de belangrijkste middelen (IB/LB, OB, Vpb en accijnzen) wordt jaarlijks gemeten door middel van de Fiscale kwaliteitsindex (FIX). Fiscaal specialisten beoordelen op basis van een steekproef de ingenomen fiscale standpunten en geven met een score aan of de wet- en regelgeving juist is toegepast. Het indexcijfer is gestegen van 108 in 2001 naar 116 in 2002. De stijging van het indexcijfer heeft twee redenen die met elkaar in verband staan. Ten eerste daalt het aantal «niet te controleren» posten van 17,5% in 2001 naar 14,5 % in 2002. De kwaliteit van de vastlegging verbetert dus. Ten tweede neemt voor de meeste middelen de verhouding tussen voldoende en onvoldoende scorende posten toe. De kwaliteit van de behandeling is dus ook beter. De verbeteringen zijn het sterkst bij de Inkomstenbelasting, Winst en Omzetbelasting.

Een intensieve en effectieve strafrechtelijke fraudebestrijding

De bijzondere opsporingsdienst FIOD-ECD levert aan de rechtshandhaving een bijdrage door de uitvoering van toezicht- en opsporingstaken. Centraal in het functioneren van de FIOD-ECD staat het voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en regelgeving op de volgende gebieden: fiscale en douanefraude, financieel-economisch, goederen en commune criminaliteit (algemene strafrechtdelicten).

De FIOD-ECD voert strafrechtelijke opsporingsonderzoeken uit binnen het taakgebied fiscaliteit. Daarnaast worden in opdracht van vijf ministeries voor de taakgebieden financieel-economisch en goederen toezicht- en opsporingstaken uitgevoerd. Deze taken betreffen het terrein van economische ordening, financiële integriteit en goederenbewegingen.

De opsporingstaak van de BUMA/Stemra is per 1 januari 2003 overgegaan naar de FIOD-ECD. Onder de nieuwe naam «Team Opsporing Piraterij» vormt dit nu een onderdeel van de bijzondere opsporingsdienst. Een en ander betekent een versterking van de fraudebestrijding op het terrein van het intellectuele eigendom.

De FIOD-ECD werkt op basis van een handhavingsarrangement samen met het Openbaar Ministerie (OM). In dit handhavingsarrangement zijn afspraken opgenomen die overeenkomen met de afspraken met de verschillende ministeries.

Het afgelopen jaar heeft het OM gewerkt aan het inrichten van een Functioneel Parket, dat verantwoordelijk wordt voor de centrale intake, selectie en aansturing van de zaken van de vier bijzondere opsporingsdiensten. Op 1 april 2002 is het Functioneel Parket formeel van start gegaan en vanaf 1 januari 2003 neemt het parket nieuwe zaken in behandeling. In de afgelopen periode hebben de FIOD-ECD en het Expertisecentrum Fiscale Fraude in samenwerking met de regionale parketten een inventarisatie gemaakt van de lopende zaken, opdat de afwikkeling hiervan in 2003 wordt gewaarborgd. Per arrondissement en per zaak worden afspraken gemaakt. Er komt een landelijke taskforce die de voortgang en afdoening van zaken blijft volgen.

Bij de bestrijding van commune criminaliteit werkt de FIOD-ECD nauw samen met (onderdelen van) de politie: met het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD, waaronder de Dienst Recherche Onderzoeken, DRO), met kernteams, met de interregionale rechercheteams (IRT's), met regionale interdisciplinaire fraudeteams (IFT's) en met Hit and Run Container (HARC)-teams. Naast permanente bijstand op basis van convenanten stelde de FIOD-ECD ook in 2002 capaciteit beschikbaar voor projecten waarbij de specifieke deskundigheid van de FIOD-ECD gewenst was. Ter uitwerking van de kabinetsnota «Samenspannen tegen XTC» is voor de handhaving op het terrein van precursoren (grondstoffen voor drugs) en synthetische drugs de deelname aan de Unit Synthetische Drugs (USD) in 2002 versterkt.

Naar aanleiding van de terroristische aanslagen op 11 september 2001 is door het kabinet besloten om de handhaving van wet- en regelgeving op het gebied van geld- en goederenstromen, die raakvlakken kunnen hebben met terroristische en/of criminele netwerken, te intensiveren. Bij de FIOD-ECD is een deel van de versterking van de handhavingsactiviteiten projectmatig opgepakt en ondergebracht in het project Dubbelspoor. In dit project is in 2002 samengewerkt met het KLPD, de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD), het kernteam Noord Oost Nederland en Europol. Verder wordt deelgenomen aan een paar werkgroepen van het Financieel Expertisecentrum (FEC), een breed samenwerkingsverband dat tot doel heeft de integriteit van de financiële sector te versterken. Naast financieel-economische opsporingsonderzoeken zijn toezichtonderzoeken uitgevoerd op de terreinen strategische goederen, chemische wapens en sanctiewetgeving.

Naar het voorbeeld van het taakgebied fiscaliteit zijn ook voor de taakgebieden financieel-economisch en goederen rechtshandhavingsmodellen en de visie op rechtshandhaving beschreven. De rechtshandhavingsmodellen vormen de basis voor de afspraken met de verschillende ministeries en zijn in nauw overleg met de opdrachtgevende departementen, het OM en de betrokken toezichthouders ontwikkeld.

Kerncijfers Intensief Toezicht en Opsporing

De onderstaande figuur geeft inzicht in de ontwikkeling van de inspanningen en effecten in toezicht en opsporing in de periode 1995–2002. Het basisjaar (1995) heeft de indexwaarde 100.

Figuur 6.3: Toezicht en opsporingkst-28880-20-6.gif

Uitgesplitst naar jaar is de ontwikkeling als volgt.

Tabel 6.9: Kengetallen intensief toezicht en opsporing
 19951996199719981999200020012002Raming 2002
Aantal correcties IB (excl. ambtshalve aanslagen)100778184779310173107
Totaal gecorrigeerd belastingbedrag (IB, VpB, LB, OB)1009093110111145153169146
Aantal bekeuringen Douane10099145171196176149151175
Aantal processen-verbaal fiscale en douanezaken100867510910811311612282
Invordering10010410311010076755764
Aantal definitieve aanslagen Inkomensheffing (IH)10098105108102117125108122
Aantal veldtoetsingen1008479757368575368
Aantal fysieke en scancontroles bij invoer en uitvoer*100108105106717610110999
Aantal administratieve controles Douane10012312711710110185104101
Aantal verwerkte renterenseignementen IH100100104104100104108133104
Index10097102109104107107108107

* vanaf 1999 inclusief controles met de containerscanners.

In 2002 zijn 7,2 mln. definitieve aanslagen Inkomensheffing opgelegd, 1,1 mln. minder dan in 2001. In de voorbereiding op het belastingplan IB2001 is erop gestuurd om eind 2001 een zo laag mogelijke voorraad te hebben. Het aantal aanslagen in 2001 was dus incidenteel hoger. Verder ging het belastingplan IB2001 gepaard met een groot aantal inhoudelijke wijzigingen. Het selectieproces is hierop aangepast. Doordat deze programmatuur later beschikbaar was dan in voorgaande jaren, is later begonnen met het opleggen van definitieve aanslagen. Daardoor schuift een deel van deze definitieve aanslagen en de correcties die hierop worden aangebracht door naar 2003.

Bij een nadere afweging is prioriteit gegeven aan een goede invoering van belastingplan IB2001. Er is extra capaciteit ingezet voor het beantwoorden van vragen over de nieuwe wetgeving en het nieuwe formulier en voor de hulp bij het invullen van de aangiften (HUBA). Om goed voorbereid te zijn is ook extra ingezet op de scholing van de medewerkers. Het beleid is verder om de effectiviteit van het toezicht te verhogen door de aandacht via risicoweging en -selectie te richten op de risicovolle posten. Het aantal veldtoetsingen kan daardoor afnemen. Doordat de geselecteerde posten vaker de meer complexe aangiften zijn, is meer tijd nodig per onderzoek; bij ondernemingen stijgt de duur van een onderzoek van 4,9 naar 5,9 dagen gemiddeld. De risicoselectie heeft tot gevolg dat per onderzoek meer wordt gecorrigeerd. Deze stijging overtreft de daling als gevolg van het aantal onderzoeken, zodat per saldo een fors hoger bedrag aan correcties is opgelegd.

De achterstand in de invordering is toegenomen. Naast een beperkte toename van het bedrag aan vorderingen waarvoor een bezwaarschrift is ingediend, vindt de grootste stijging plaats in het onbetwiste deel van de achterstand. Meer bedrijven en particulieren hebben door de verslechterde economische situatie moeite om tijdig aan hun betalingsverplichtingen te voldoen.

Bij de FIOD-ECD heeft de stijgende lijn in het aantal processen verbaal zich voortgezet. Mede door de bijdrage van de Economische Controle Dienst is de realisatie aanmerkelijk hoger dan begroot. De Belastingdienst heeft meer zaken bij de FIOD-ECD aangemeld. Veel daarvan hadden betrekking opéén project. Daarnaast is het aantal kleinere aanmeldingen toegenomen.

Het aantal rente-renseignementen is fors gestegen van 26 mln. naar 32 mln. en heeft daarmee een belangrijke bijdrage aan de stijging van het kengetal.

6.1.2.5 Operationele doelstelling 5 Massale (bedrijfs)processen

De massale processen ondersteunen de dienstverlening en de toezichts- en opsporingsfunctie van de Belastingdienst door het snel afwikkelen van gegevens- en documentstromen.

Alle processen in de organisatie waarin substantiële informatiestromen verwerkt worden, behalve daar waar fiscale kennis nodig is voor de behandeling van de informatiestroom, worden tot de massale processen gerekend. Door een efficiënte verwerking en selectie van informatie in de massale processen en waar mogelijk geautomatiseerde afhandeling van aangiften en andere bescheiden ontstaat meer ruimte voor gericht toezicht en een goede dienstverlening. Door meer stromen ook daadwerkelijk op te nemen in dit sterk geautomatiseerde proces wordt de snelheid en de doelmatigheid van het gehele primaire proces van de Belastingdienst verhoogd.

Het accent in de verdere ontwikkeling van de massale processen ligt op een verdere concentratie van de invoerprocessen. Het centraal ontvangen en verwerken van invoergegevens levert een verdere efficiency op. Waar mogelijk wordt gestreefd naar elektronische verwerking.

Een tweede thema in de ontwikkeling van de massale processen is de geautomatiseerde toetsing van aangiftegegevens en de geautomatiseerde selectie van risicovolle posten. Dit leidt tot een grotere effectiviteit van het toezicht.

De Belastingdienst verwerkt jaarlijks honderden miljoenen gegevens, en dient in het primaire proces snel te kunnen beschikken over gegevens met een historie tot soms meer dan 10 jaar terug. Een blijvend goed georganiseerde gegevenshuishouding is essentieel voor goed werkende massale processen. De Belastingdienst heeft in 2002 daarvoor gewerkt aan het ontwikkelen van een visie op het gegevensbeheer.

Concentratie invoerprocessen

In 2002 zijn belangrijke stappen gezet, zowel in de toename in concentratie en geautomatiseerde verwerking als in de voorbereidingen voor de ontwikkelingen in de komende jaren.

Zo worden nu alle aangiften voor de loonbelasting en de omzetbelasting op één centraal punt aangeleverd. De schriftelijke aangiften worden verwerkt door middel van scanapparatuur. Hiermee worden de regionale eenheden ontlast. De data-entry werkzaamheden op de eenheden zijn afgenomen met circa 6,7 mln. aangiften op jaarbasis ten opzichte van 2001. Tevens wordt door deze wijze van werken het percentage foutieve verwerkingen teruggebracht.

De elektronische aanlevering van IB-aangiften en Voorlopige Teruggaaf (VT)-formulieren is sterk gestegen, voor de inkomstenbelasting is zelfs meer dan een verdubbeling bereikt. Respectievelijk 3,9 mln. aangiften IB2001 en 680 000 verzoeken VT2003 werden elektronisch (per modem) of op diskette aangeleverd. Tabel 6.10 geeft een overzicht van de aanlevering in 2001 en 2002.

Tabel 6.10: Aanlevering VT- en IB-biljetten in 2001 en 2002
  Elektronische aangiftePapieren aangifte  
  modemdiskettevia scandata-entry centraaldata-entry lokaal
2001VT2002287 000174 0001 400 000777 0000
2001IB20001 000 000800 0000800 0005 400 000
2002VT2003390 000290 000500 0001 200 0000
2002IB20011 600 0002 300 00028 0002 000 00080 000

Bij de papieren aangiftes streeft de Belastingdienst naar een toenemend gebruik van de scan of centrale vertoetsing, waardoor de eenheden worden ontlast en kosten worden bespaard. In 2002 zijn 2 mln. schriftelijke aangiften IB2001 door middel van centrale data-entry verwerkt. Bij de verwerking van de VT2003 formulieren kon pas begin november 2002 gebruik worden gemaakt van de scan. De oplevering van de scanprogrammatuur om het VT2003-formulier correct te lezen vond later dan gepland plaats vanwege grote aanpassingen van het formulier. De verwerking van de VT2003 formulieren in oktober en begin november via centrale vertoetsing heeft geleid tot extra kosten.

De Belastingdienst heeft de verwerking van de papieren aangiftes met scanapparatuur in 2002 uitgebouwd naar andere gebieden; met de scanverwerking van de E-, T- en Tj-biljetten is in een pilot een aanvang gemaakt. Ten slotte is in 2002 een start gemaakt met het concentreren van de behandeling van onjuist ingevulde aangiften.

De bestaande doelstelling om álle invoerprocessen te concentreren is bijgesteld omdat is gebleken dat dit niet in alle gevallen effectief en/of kostenbesparend is. Daarbij zijn de omvang van de formulierenstroom en het specifieke karakter vaak bepalend. Bij beslissingen over verdere concentratie zullen alle bedrijfseconomische aspecten worden gewogen en worden afgezet tegen de vereiste investering.

Geautomatiseerde toetsing van aangiftegegevens

Naast de gestandaardiseerde verwerking van grote aantallen gegevens hebben de massale processen een taak bij de ondersteuning van dienstverlening, intensief toezicht en opsporing en de Douane. Het herontwerp van de processen voor de aanslagbelastingen (bijvoorbeeld IB en Vpb) en de ontwikkeling van het AanslagBelastingenSysteem (ABS) is een van de speerpunten binnen de vernieuwing van de massale processen.

Dit herontwerp is in het verslagjaar voortgezet met de ontwikkeling van programmatuur voor de geautomatiseerde controle op volledigheid en voor de geautomatiseerde selectie op basis van vooraf opgestelde risicoprofielen. Daarmee wordt de massale behandeling efficiënter en het toezicht effectiever. Voor verschillende typen aangiften en verzoeken (VT) inkomstenbelasting is in 2002 al de nieuwe programmatuur in productie genomen. Deze voor ABS ontwikkelde selectieprogrammatuur kan ook worden toegepast binnen de toekomstige douanesystemen en binnen de ontwikkelingen bij de aangiftebelastingen en teruggaafregelingen.

De ontwikkelingen voor ABS zijn in 2002 gerealiseerd tegen hogere kosten dan gepland. Voor het verhogen van het prestatieniveau van het systeem van de proeffase naar de operationele fase bleken extra activiteiten nodig, en de complexiteit van de programmatuur was hoger dan verwacht. Inmiddels zijn op deze gebieden belangrijke verbeteringen doorgevoerd.

Kerncijfers massale (bedrijfs)processen

Hieronder wordt een beeld geschetst van de prestaties van de Belastingdienst bij de massale processen. Het kengetal is opgebouwd uit de drie aspecten volumeproductiviteit, arbeidsproductiviteit en tempo kasstroom. Het kengetal (index) voor massale processen is in 2002 stabiel gebleven op 114. In de onderstaande figuur worden deze aspecten grafisch weergegeven. De bijbehorende tabel geeft de ontwikkeling van de aspecten vanaf 1995 weer.

Figuur 6.4: massale processenkst-28880-20-7.gif

Tabel 6.11: Kengetallen massale processen
 19951996199719981999200020012002Raming 2002
Verloop basisgegevens         
Productievolume100101106108119128132132nvt
Apparaatsuitgaven1100101103104106111116117nvt
Bezetting1009998101102103107107nvt
Kengetallen         
Arbeidsproductiviteit100102108108116124124124127
Volumeproductiviteit100100103104112116114113106
Tempo kasstroom100100102104104105103104101
Index100103104105111115114114112

1 De apparaatsuitgaven zijn geschoond voor de invloed van loon- en prijscorrecties, uitvoering van nieuwe of gewijzigde wetgeving, de intensivering van de fraudebestrijding en technische correcties.

2 In de begoting zijn twee reeksen voor productiviteit elk voor de helf meegewogen. Daardoor is de raming daar te laag weergegeven.

De arbeidsproductiviteit geeft de relatie weer tussen het productievolume en de personele bezetting. Dankzij de forse inzet van automatisering is sinds 1995 de arbeidsproductiviteit gestegen met gemiddeld 3,1% per jaar. In het aspect volumeproductiviteit wordt gemeten hoe het productievolume en de apparaatsuitgaven zich tot elkaar verhouden. Het productievolume omvat onder meer de voorlopige en definitieve aanslagen, naheffingsaanslagen en dwangbevelen. De volumeproductiviteit is gerekend vanaf 1995 gestegen met gemiddeld 1¾% per jaar. Ten opzichte van 2001 zijn beide cijfers echter nauwelijks veranderd.

In 2002 zijn veel extra activiteiten verricht voor de introductie van belastingherziening 2001. Het betekende ook computerprogramma's aanpassen aan de wijzigingen. Bij de inkomensheffing is het programma dat de risicovolle posten uitwerpt voor handmatige beoordeling later gedraaid dan in voorgaande jaren. Hierdoor is een deel van de aanslagoplegging verschoven naar (begin) 2003. Zonder deze verschuiving zouden beide productiviteitscijfers licht zijn gestegen.

Het tempo kasstroom geeft aan in welke mate de Belastingdienst erin slaagt de over een belastingjaar verschuldigde belasting al binnen dat jaar te innen. Daartoe wordt de som van de kasopbrengsten van de belastingheffingen inkomensheffing (IH), vennootschapsbelasting (VpB), loonheffing (LH) en omzetbelasting (OB) uitgedrukt in een percentage van de som van de transactieramingen voor hetzelfde jaar. Kaseffecten van oudere belastingjaren hebben geen effect op de uitkomsten. De index van het tempo kasstroom is in 2002 een punt gestegen tot 104.

Tabel Budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:Het zo optimaal mogelijk vorm en uitvoering geven aan de fiscale politiek van de regeringRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen3 074 0322 754 234319 798
    
Uitgaven3 066 0662 754 166311 900
Programma-uitgaven566 584431 228135 356
Doelst. 4 Intensief en effectief toezicht en opsporing   
Programma41 88047 784– 5 904
Doelst. 5 Optimalisatie bedrijfsprocessen   
Heffings- en invorderingsrente524 704383 444141 260
    
Apparaatsuitgaven2 499 4822 322 938176 544
    
Ontvangsten91 776 92995 329 110– 3 552 181
Programma-ontvangsten91 729 79895 305 129– 3 575 331
    
Algemene doelstelling   
Belastingontvangsten90 836 69594 519 000– 3 682 305
Doelst. 4 Intensief en effectief toezicht en opsporing   
Programma240 950196 21544 735
Doelst. 5 Optimalisatie bedrijfsprocessen   
Heffings- en invorderingsrente652 153589 91462 239
    
Apparaatsontvangsten47 13123 98123 150

Programma-uitgaven

De tegenvaller bij de heffings- en invorderingsrente wordt met name veroorzaakt door de relatief lage rentestand.

Apparaatsuitgaven

De Belastingdienst spant zich in om de inhuur van extern personeel terug te dringen en te vervangen door eigen vast personeel. In 2002 heeft dit voornamelijk vanwege de gewijzigde arbeidsmarkt voor ICT-personeel geleid tot een meer dan gebruikelijke indiensttreding van nieuw vast personeel. Daardoor is er sprake van een afname van de kosten voor inhuurkrachten terwijl bij het opstellen van de begroting rekening werd gehouden met een stijging (ca. € 15 mln.). Daarnaast zijn in 2002 ten opzichte van de raming minder materiële uitgaven gedaan in het kader van de verschillende automatiseringsprojecten (€ 20 mln.).

Het hiervoor weergegeven beleid (inhuur vervangen door eigen personeel) heeft mede tot effect gehad dat de Belastingdienst meer personele uitgaven heeft gerealiseerd dan oorspronkelijk is begroot. Een tweede oorzaak zijn de meerkosten van de CAO 2002 (€ 66 mln.). Een derde oorzaak betreft de instroom van extra personeel voor de Douane en FIOD-ECD voor versterking buitengrenzen en terrorismebestrijding (samen ca. € 15 mln.) en voor de uitvoering van nieuwe fiscale wetten en overige mutaties (ca. € 40 mln.). Ten slotte is bij de overige onderdelen van de Belastingdienst de uitstroom minder groot gebleken dan voorzien. Een en ander is het gevolg van de snel veranderende situatie op de arbeidsmarkt. In verband hiermee heeft de Belastingdienst een beperkte vacaturestop afgekondigd.

De overschrijding is tevens voor een belangrijk deel veroorzaakt door het slechts voor 25% toekennen van de prijscompensatie voor 2002. De Belastingdienst houdt binnen zijn begroting op voorhand rekening met het toekennen van de prijscompensatie. Hierdoor waren ombuigingen in het laatste deel van 2002 noodzakelijk. Deze ombuigingen hebben slechts voor een deel kunnen voorkomen dat op deze post een overschrijding ontstond.

Programma-ontvangsten

In 2002 is het werkpakket in de invordering (doelstelling 4) duidelijk gegroeid. Als gevolg daarvan zijn meer aanmaningen, dwangbevelen e.d. verzonden. Aan deze invorderingsmaatregelen zijn tarieven verbonden. De meerontvangsten bij deze tarieven (de zgn. vervolgingskosten) verklaart de meevaller.

De meevaller bij de heffings- en invorderingsrente wordt verklaard door de relatief lage rente stand.

Belastingontvangsten

De gerealiseerde inkomsten over 2002 zijn uitgekomen op € 90,8 mld. Dit is € 3,7 mld. lager dan bij de begroting werd geraamd. Dit is vooral het gevolg van een lagere economische groei, waardoor de grondslag van de belastingheffing zich minder gunstig heeft ontwikkeld. In de volgende paragraaf is een nadere toelichting opgenomen van de budgettaire effecten.

In dit onderdeel zal een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de totale belastingontvangsten. Daarbij zal geanalyseerd worden wat de oorzaken zijn van afwijkingen in de realisaties ten opzichte van de raming zoals die is gepresenteerd in de begroting. In onderstaande tabel staat de aansluiting tussen de totale belastingontvangsten en de ontvangsten zoals die zijn opgenomen in de ontwerp begroting IXB 2002.

Opbouw belastingontvangsten (x € 1 mln.)
 RamingRealisatie
Belastingontvangsten IX B94 51990 837
   
Aandeel EU in de omzetbelasting1 2890
Invoerrechten1 8210
Gemeente- en Provinciefonds13 29614 116
Totale belastingontvangsten110 925104 953

De raming van de belastingontvangsten komt overeen met de raming in bijlage 3 van de Miljoenennota. Onderstaand wordt een vergelijking gemaakt met deze raming.

Uitvoering 2002

De eerste raming voor de belastinginkomsten in 2002 wordt gegeven bij de ontwerpbegroting. Deze raming is gebaseerd op het economisch beeld van de Macro Economische Verkenning (MEV) van 2001 van het CPB en komt tot stand door de vermoedelijke uitkomsten voor 2001 te verhogen met de raming voor autonome en endogene mutaties voor het komende jaar. Autonome mutaties zijn wijzigingen in de belastingontvangsten als gevolg van kabinetsbeleid. Endogene mutaties zijn het gevolg van wijzigingen in het economisch beeld. In tabel 2 van de verdiepingsbijlage in de begroting is aangegeven hoe de raming voor 2002 tot stand is gekomen. In vergelijking met deze tabel, laat de tabel hieronder per belastingsoort de verschillen zien.

Belastingontvangsten 2002 en de afwijking ten opzicht van de raming op kasbasis in mln. euro
 Raming 2002Doorwerking 2001Wijziging autonome mutatieWijziging endogene mutatieRealisatie 2002Verschil
Kostprijsverhogende belastingen57 915– 209– 131– 1 79655 778– 2 137
Invoerrechten1 821– 2481– 1731 401– 420
Omzetbelasting34 977– 217– 82– 1 15833 520– 1 457
Belasting op personenauto's en motorrijwielen2 8651000– 2242 741– 124
Accijnzen8 006– 55404688 459+ 453
– Accijns van lichte olie3 0926402823 438+ 346
– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie2 213– 4001502 323+ 110
– Tabaksaccijns1 828– 720181 774– 54
– Alcoholaccijns409– 640– 35408– 1
– Bieraccijns2799019307+ 28
– Wijnaccijns186– 11035209+ 23
Belastingen van rechtsverkeer4 2872650– 794 473+ 186
– Overdrachtsbelasting3 2342550– 113 478+ 244
– Assurantiebelasting6067054667+ 61
– Kapitaalsbelasting44730– 122328– 119
Motorrijtuigenbelasting1 99952– 50– 311 970– 29
Belastingen op een milieugrondslag3 630– 1120– 5862 932– 698
– Afvalstoffenbelasting273– 540– 36183– 90
– Grondwaterbelasting178490– 84143– 35
– Regulerende energiebelasting2 428– 130– 4361 978– 450
– Waterbelasting100208110+ 10
– Brandstoffenheffingen652– 960– 38518– 134
Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en andere producten2265– 40– 17173– 53
Belasting op zware motorrijtuigen103302108+ 5
       
Belastingen op inkomen, winst en vermogen52 960– 54– 154– 3 65649 096– 3 864
Loon- / Inkomstenbelasting28 315– 220– 13634828 306– 9
Dividendbelasting3 7342350– 4793 490– 244
Kansspelbelasting15220816210
Vennootschapsbelasting19 070– 356– 18– 3 30215 394– 3 676
– Gassector kas1 951– 450– 561 850– 101
– Niet-gassector kas17 118– 311– 18– 3 24513 544– 3 574
Vermogensbelasting0– 40524848
Successierechten1 6892900– 2841 6956
       
Niet nader toe te rekenen belastingontvangsten50– 10318030
       
Totaal belastingen1110 925– 264– 286– 5 450104 953– 5 972

1 Inclusief aandeel EU in de invoerrechten en de omzetbelasting. In de ontwerpbegroting IX B 2002 werden deze buiten de begroting geboekt. Vanaf de 1e suppletore begroting worden de verschillende EU-posten gedesaldeerd binnen de begroting geboekt.

De realisatie voor de belastingontvangsten ten bate van begroting IXB is in 2002 uitgekomen op € 90,8 mld. Dit is € 3,7 mld. lager dan de oorspronkelijke raming. Dit is enerzijds het gevolg van een positieve bijstelling van de raming gedurende het jaar met € 3,1 mld. als gevolg van de overstap naar het gedesaldeerd boeken van EU-posten. Vanaf de 1e suppletore begroting worden de verschillende EU-posten gedesaldeerd binnen de begroting geboekt en wordt het aandeel van de Europese Unie in de invoerrechten en de omzetbelasting meegenomen in de totale belastingontvangsten. Anderzijds is het aandeel van het gemeentefonds € 0,8 mld. hoger uitgekomen en zijn de totale belastingontvangsten € 6,0 mld. lager uitgekomen. Hierna zal nader worden ingegaan op de lagere belastingontvangsten. Deze zijn het gevolg van drie factoren: de realisatie over 2001 en de doorwerking daarvan naar 2002, de autonome mutaties en endogene ontwikkelingen.

Doorwerking realisatie 2001

De raming in de ontwerpbegroting 2002 is gebaseerd op de vermoedelijke uitkomsten over 2001 die tegelijk met de ontwerpbegroting over 2002 wordt gerapporteerd. De realisatie over 2001 is € 0,55 mld. lager uitgekomen dan de vermoedelijke uitkomsten. Indien de realisatie over 2001 afwijkt van de vermoedelijke uitkomsten werkt dit (afhankelijk van in hoeverre de afwijkingen structureel, incidenteel of tijdelijk van aard zijn) door in de raming voor 20021. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 2 van de Voorlopige Rekening 2001. De doorwerking van de realisatie 2001 is uitgekomen op € 0,3 mld. (zie tabel).

Autonome maatregelen

In de ontwerpbegroting werd geraamd dat autonome maatregelen zouden leiden tot een toename van de ontvangsten met € 4,1 mld.2 Vervolgens zijn tijdens de financiële beschouwingen, de behandeling het belastingplan 2002 en gedurende het jaar 2002 aanvullende beleidsmaatregelen genomen die per saldo tot een lastenverlichting hebben geleid van € 0,3 mld. Het totaal van de autonome maatregelen in 2002 is daarmee uitgekomen op € 3,8 mld. De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op een extra verlaging van de motorrijtuigenbelasting, de handhaving van de uitzonderingspositie voor bestelbusjes in de regeling voor bijtelling voor de auto van de zaak en een technische bijstelling die verband houdt met de af te dragen omzetbelasting over investeringen in infrastructuur en openbaar vervoer.

Endogene mutatie

In vergelijking met de ontwerpbegroting is de endogene mutatie van de belastingontvangsten € 5,5 mld. lager uitgekomen. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat de economie zich in 2002 minder sterk heeft ontwikkeld dan aanvankelijk werd aangenomen, wat heeft geleid tot een lagere belastinggrondslag. Onderstaande tabel laat enkele macro-economische kernvariabelen zien, zoals die op verschillende momenten door het CPB zijn geraamd.

Economisch beeld 2002 bij ontwerpbegroting en jaarverslag (mutaties per jaar in %)
 Nominale groei BBPReële groei BBPGroei particuliere consumptie (vol %).Inflatie (CPI)AIQGroei werkgelegenheid (vol %)Contractloon-stijging
Ontwerpbegroting5 ½23 ½2 ½84 ¼¾3 ¾
Jaarverslag4    01    3 ½85 ¾½3 ¾
Mutatie– 1 ½– 2– 2 ½– 1  1 ½–¼0    

Bron: MEV 2002 en MLT 2007

Een lagere economische groei zal leiden tot minder belastingontvangsten. De belastingontvangsten zijn bovendien nog sterker verslechterd dan de economische groei. In de ontwerpbegroting werden de totale belastingontvangsten geraamd op 24,3% van het BBP, terwijl de realisatie is uitgekomen op 23,6% BBP. Het verschil wordt nagenoeg volledig verklaard door een tegenvaller bij de vennootschapsbelasting waarvan de ontvangsten in 2002 veel sterker zijn gedaald dan het BBP.

3. Afwijking per belastingsoort

Wanneer gekeken wordt naar de specifieke belastingsoorten blijkt dat de € 6,0 mld. lagere belastingontvangsten met name veroorzaakt wordt door lagere ontvangsten bij de vennootschapsbelasting, de omzetbelasting, de dividendbelasting en de belastingen op een milieugrondslag.

Vennootschapsbelasting

De realisatie van de vennootschapsbelasting is € 3,7 mld. lager uitgekomen als gevolg van een tegenvallende winstontwikkeling bij bedrijven. Van de tegenvaller heeft € 1,8 mld. betrekking op lagere ontvangsten over oudere transactiejaren wat verband houdt met het feit dat de raming van het winstniveau van deze oude transactiejaren zich op een te hoog niveau bevond. Voor een nadere toelichting van de tegenvaller bij de vennootschapsbelasting wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Omzetbelasting

De omzetbelasting is € 1,5 mld. lager uitgekomen. Dit is in lijn met het verslechterd economisch beeld en de daling van de particuliere consumptie.

Belastingen op een milieugrondslag

De belastingen op een milieugrondslag zijn € 0,7 mld. lager uitgekomen. Deze lagere realisatie wordt vooral veroorzaakt door een tegenvaller van € 0,5 mld. bij de energiebelasting. Daarnaast zijn de realisaties van de brandstoffenheffing en de afvalstoffenheffing beiden € 0,1 mld. lager uitgekomen. Voor een nadere toelichting van de tegenvaller bij de belastingen op een milieugrondslag wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Dividendbelasting

De realisatie van de dividendbelasting is € 0,2 mld. lager uitgekomen. In navolging van de analyse in de Financiële Verantwoording 2001 zal in het Financieel Jaarverslag van het Rijk een nadere toelichting worden gegeven.

6.2 Financiële markten

6.2.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bijdragen aan condities voor goed functionerende en internationaal concurrerende financiële markten

De dynamiek in de financiële sector vergt een alerte houding van de overheid. Primaire drijfveer van het overheidsbeleid is het bevorderen van goed functionerende en internationaal concurrerende financiële markten en van het vertrouwen in het financiële stelsel. Kernelementen zijn het bevorderen van de stabiliteit van het financiële stelsel en van financiële instellingen, goede werking van effectenmarkten, marktwerking, goed gedrag van financiële marktpartijen ten opzichte van de consument, een adequate muntcirculatie, een soepel betalingsverkeer en integriteit van het financiële systeem.

VerantwoordelijkheidSysteemverantwoordelijkheid voor wat betreft het bijdragen aan de condities van financiële markten zoals genoemd bij de operationele doelstellingen die verband houden met het toezicht op de financiële sector en integriteit.Resultaatverantwoordelijkheid voor de operationele doelstellingen die verband houden met het muntwezen en de invoering van de euro, rekening houdend met de daarbij genoemde voorwaarden.
Wettelijke grondslagWet toezicht kredietwezen, Wet toezicht verzekeringsbedrijf, Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, Wet toezicht effectenverkeer, Wet toezicht beleggingsinstellingen, Wet inzake de Wisselkantoren, Wet melding zeggenschap, Wet giraal effectenverkeer, Wet Consumentenkrediet, Muntwet, Wet identificatie bij financiële dienstverlening, Wet melding ongebruikelijke transacties, Wet assurantiebemiddelingsbedrijf, Wet aansprakelijksverzekering motorrijtuigen, Bankwet, Wet aansprakelijkheid kernongevallen, Wet financiering decentrale overheden

6.2.2 Operationele doelstellingen

6.2.2.1 Operationele doelstelling 1 Vormgeving toezicht op de financiële sector

Het creëren van een slagvaardige en effectieve institutionele vormgeving van het toezicht op de financiële markten.

De toegenomen vervlechting van financiële instellingen en hun producten en diensten heeft het noodzakelijk gemaakt de institutionele vormgeving van het toezicht grondig te herzien. Het sectorale toezichtmodel is gekanteld naar een functionele indeling, waarbij een splitsing is gemaakt tussen prudentieel toezicht en gedragstoezicht. Hiertoe is de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) omgevormd tot de Autoriteit Financiële Markten (Autoriteit-FM), waaraan het gedragstoezicht is opgedragen. Het prudentieel toezicht is opgedragen aan De Nederlandsche Bank (DNB) en Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK), waarbij toenadering heeft plaatsgevonden tussen beide instellingen. De eerste fase van de herziening, die de kanteling betreft op basis van het bestaande wettelijk kader, is in 2002 afgerond.

In 2002 zijn tevens de voorbereidingen getroffen voor de tweede fase van de herziening, die de kanteling van de financiële toezichtwetgeving inhoudt. Deze majeure wetsoperatie, die de komende jaren zal plaatsvinden, is noodzakelijk om de voordelen van het nieuwe model optimaal te kunnen benutten. De hoofdlijnen van deze operatie, zowel inhoudelijk als qua projectorganisatie, zijn in 2002 opgezet. Zoals in de begroting van 2003 is vermeld is met deze herziening de aangekondigde evaluatie van de Raad van Financiële Toezichthouders (RFT) komen te vervallen.

De herziening van het toezicht is gericht op de doeltreffendheid en marktgerichtheid van het toezicht, en op de beheersing van de administratieve en toezichtlasten. Daarmee wordt een belangrijke invulling gegeven aan de operationele doelstelling ten aanzien van de vormgeving van het toezicht op de financiële marktsector, namelijk het creëren van een slagvaardige en effectieve institutionele vormgeving van het toezicht op de financiële markten.

In de begroting van 2002 is tevens aangekondigd dat de kaderwet ZBO's zou worden verwerkt in de institutionele vormgeving van het toezicht. Dit is niet gebeurd, aangezien de kaderwet ZBO's in de Eerste Kamer is aangehouden. Herziening van het ZBO-kader ten behoeve van de financiële ZBO's zal nu plaatsvinden in het kader van de herziening van de financiële toezichtwetgeving.

6.2.2.2 Operationele doelstelling 2 Goed functionerende markt voor financiële diensten

Het realiseren van randvoorwaarden voor een goed functionerende markt voor financiële diensten en het bevorderen van een goede positie van de consument door middel van het stellen van eisen aan het gedrag van financiële instellingen en andere marktpartijen.

Bij deze operationele doelstelling ligt de focus op de relatie tussen financiële marktpartijen onderling en de relatie van deze partijen met de consument. Belangrijk uitgangspunt is dat marktpartijen daarbij ook een eigen verantwoordelijkheid hebben. Via publieke en private instrumenten wordt het functioneren van de financiële markt bevorderd, ook op het raakvlak van de collectieve sector met de financiële markten. Onderstaand wordt voor een aantal aandachtsgebieden teruggeblikt op 2002.

Markttransparantie en marktwerking

• Ter verbetering van de inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid van complexe financiële producten is per 1 juli 2002 de financiële bijsluiter verplicht gesteld1. In relatie met operationele doelstelling 1 Vormgeving toezicht is het aantal gedragstoezichthouders op de bijsluiter verminderd van drie naaréén. Ter introductie van de bijsluiter en ter vergroting van de naamsbekendheid van de nieuwe gedragstoezichthouder Autoriteit-FM is in 2002 door de Autoriteit-FM een brede publiekscampagne gestart. Financiën heeft aan deze campagne een financiële bijdrage geleverd. De campagne wordt in 2003 afgerond. Tot nog toe heeft de campagne geresulteerd in een naamsbekendheid van 60% voor de bijsluiter. Ook de naamsbekendheid van de Autoriteit-FM is vergroot door de campagne (momenteel zijn hierover geen cijfers bekend). Zoals aangekondigd in de begroting 2003 wordt eind 2003 gestart met de eerste evaluatie van de bijsluiter.

• Ter bevordering van een efficiënt en veilig betalingsverkeer in Nederland zijn op meerdere terreinen beleidsimpulsen gegeven. Zo is een start gemaakt met de uitvoering van het in 2002 verschenen rapport van DNB over de tariefstructuren en infrastructuur in het betalingsverkeer. Naar aanleiding van dit rapport is met de banken overeengekomen dat de verwerkingsduur van overboekingen tussen Interpay en de Postbank vanaf 1 juli 2002 met een dag wordt verkort. Ter verbetering van de informatieverstrekking aan consumenten inzake de kosten van het betalingsverkeer is met de banken overeengekomen dat vanaf 1 juli 2002 op alle rekeningafschriften de boekings- en valuteringsdatum vermeld wordt. Monitoring van de uitvoering van deze afspraken vindt plaats in 2003.

Een MDW-werkgroep heeft in 2002 onderzoek gedaan naar de overstapkosten in de betaalmarkt. Naar aanleiding van dit rapport is met de banken overeengekomen dat binnen 1 jaar een verhuisservice wordt ingericht, die consumenten de gelegenheid biedt om gemakkelijk te wisselen van bank. Tevens is een wetswijziging aan de Tweede Kamer gezonden ter aanpassing van de Wet grensoverschrijdende betaaldiensten en de Wet economische delicten, strekkende de implementatie van de verordening grensoverschrijdende betalingen in euro's (Kamerstukken II 2002/03, 28 650, nr. 1–4).

• Na de aanslagen van 11 september 2001 hebben verzekeraars de terrorismeverzekeringen van de luchtvaartsector beëindigd. Na afstemming in Europees verband heeft de Nederlandse overheid de terrorismeverzekeringen tijdelijk van de markt overgenomen. Doelstelling was hierbij om zo spoedig mogelijk terugkeer naar commerciële verzekerbaarheid te bewerkstelligen. Via premieverhogingen en aanpassing van de dekking is de overheidsrol geleidelijk aan teruggebracht en na 31 oktober 2002 is de overheidsherverzekering in het geheel beëindigd. De verzekeringsmarkt bleek toen voldoende hersteld om de luchtvaartrisico's weer te kunnen accepteren.

Ook buiten de luchtvaartsector is het verzekeren van terrorisme niet langer vanzelfsprekend. Nederlandse verzekeraars hebben daarnaast aangekondigd particulieren en bedrijven niet langer te willen verzekeren gezien het gebrek aan beschikbare capaciteit op de internationale herverzekeringsmarkt. In reactie heeft een werkgroep van Financiën, PVK en verzekeringssector de situatie op de verzekeringsmarkt geanalyseerd en een aanzet gegeven voor mogelijke oplossingen. In november 2002 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het voornemen om een terrorismepool op te zetten (Kamerstukken II 2002/03, 28 668, nr. 1). Idee is dat verzekeraars en herverzekeraars terrorismerisico's blijven dekken met behulp van een gezamenlijke pool. De overheid biedt dan een tijdelijke ultieme herverzekering aan deze pool. Dankzij deze constructie kunnen particulieren en bedrijven in Nederland tot op zekere hoogte verzekerd blijven tegen terrorisme. In vervolg op het aan de Tweede Kamer gemelde voornemen zijn de pool en benodigde wetgeving verder uitgewerkt. De pool kan naar verwachting medio 2003 operationeel zijn.

Bemiddeling in financiële diensten

• In april 2002 zijn aan de Tweede Kamer concrete beleidsvoornemens voorgelegd inzake de vormgeving van een wettelijk kader voor toezicht op bemiddeling (Kamerstukken II 2001/02, 28 000, nr. 24). Het wetsvoorstel Wet financiële dienstverlening (Wfd) dat in voorbereiding is, bevat gedragsregels voor alle bemiddelaars én aanbieders van financiële producten. Dit wetsvoorstel dient ter uitwerking van de door de sector breed onderschreven uitgangspunten van cross-sector en distributieconsistentie. In de Wfd worden de kwaliteitskenmerken van een goed financieel distributiekanaal verankerd (deskundigheid, betrouwbaarheid, zorgvuldig behandelen en informeren van consumenten, goede bedrijfsvoering en financiële zekerheid). De Autoriteit-FM zal met het toezicht op de naleving van de Wfd worden belast.

Uit het in oktober 2002 uitgebrachte SER-advies over de balans tussen wettelijke regelgeving en zelfregulering blijkt een brede instemming met de kabinetsvoornemens voor het wettelijk kader toezicht op bemiddeling. Eind 2002 is naar aanleiding van het advies een instemmende kabinetsreactie aan de Tweede Kamer gezonden. De SER ziet voor brancheorganisaties een ondersteunende rol weggelegd: deze kunnen zelfreguleringafspraken voorleggen aan de Autoriteit-FM, die bij goedkeuring een verlicht toezichtregime kan toepassen op deelnemers aan de zelfregulering. Door het instellen van het Platform invoering toezicht op tussenpersonen beoogt de Autoriteit-FM in dat kader een bijdrage te leveren aan verbetering van de zelfregulering.

• In 2002 zijn de onderhandelingen over de richtlijn Verzekeringsbemiddeling afgerond. De implementatie van deze richtlijn zal in het kader van de Wfd plaatsvinden.

• Over de conclusies van het onderzoek naar marktwerking en concurrentie in het assurantietussenpersonenkanaal en naar de effecten van het afschaffen van het begunstigingsverbod in de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (Wabb II), is de Tweede Kamer in november 2001 geïnformeerd1. Het onderzoek onderschreef het voornemen van de regering om de beloningsregels in de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf te schrappen. Het hiertoe gepubliceerde besluit is op 1 april 2002 in werking getreden.

Consumentenbescherming

• In 2002 heeft de werkgroep van het Verbond van Verzekeraars en de PVK, onder voorzitterschap van Financiën, haar onderzoek naar de mogelijkheid en uitvoerbaarheid van een vangnetconstructie voor schadeverzekeringen afgerond. Momenteel wordt onderzocht op welke wijze beleidsmatige invulling kan worden gegeven aan de voornoemde vangnetconstructie. De minister van Financiën zal het eindrapport van de werkgroep in de eerste helft van 2003 aan de Tweede Kamer aanbieden en daarbij beleidsconclusies schetsen.

• De Wet op het consumentenkrediet (Wck) is, in aangepaste vorm, vanwege de sterke samenhang met het toezicht op andere vormen van financiële dienstverlening geïntegreerd in de Wfd. In verband met de herziene vormgeving van het toezicht is het toezicht op de Wck gemandateerd aan de Autoriteit-FM. In september heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor een nieuwe richtlijn Consumentenkrediet. De Commissie streeft er naar de onderhandelingen over deze richtlijn in 2003 af te ronden.

De hierboven beschreven beleidsinitiatieven hebben bijgedragen aan de realisatie van randvoorwaarden voor een goed functionerende markt voor financiële diensten. Tevens bevatten de initiatieven elementen die bijdragen aan verbetering van de transparantie financiële dienstverlening (prestatiegegeven uit de begroting 2002).

6.2.2.3 Operationele doelstelling 3 Bevordering goede werking van effectenmarkten

Het bevorderen van een goede werking van effectenmarkten waarbij de kernelementen zijn toezicht op de infrastructuur, regels omtrent transparantie en gedrag van marktpartijen, en adequate zeggenschapsstructuren binnen (beursgenoteerde) vennootschappen.

Het doel bij deze doelstelling is het vanuit effectentypische invalshoek bevorderen van de transparantie en de integere werking van de effectenmarkten, en het versterken van de positie van de beleggers vis-à-vis uitgevende instellingen, andere beleggers en de bewaarders van effecten.

In 2002 hebben de volgende activiteiten plaatsgevonden:

• In het kader van het EU Actieplan Financiële Diensten is in 2002 significante voortgang geboekt op diverse richtlijnen. In juni is de collateralrichtlijn aangenomen die voorziet in een erkenning van bepaalde vormen van zekerheid en zekerheidsoverdrachten met betrekking tot effecten. De richtlijn voorwetenschap/koersmanipulatie is in december aangenomen. Ten aanzien van de richtlijn prospectus is in november politiek akkoord bereikt en de richtlijn inzake toezicht op effecteninstellingen en effectenbeurzen is formeel gepubliceerd (de onderhandelingen zijn in januari 2003 gestart). De Nederlandse inzet heeft op de diverse richtlijnen inzake beleggingsdiensten tot bevredigende resultaten geleid. Tevens is in 2002 parallel aan de richtlijnonderhandelingen gewerkt aan de voorbereidingen van de implementatie van de richtlijnen in nationale wet- en regelgeving. Ter implementatie van de collateralrichtlijn, de richtlijn voorwetenschap/koersmanipulatie en de prospectusrichtlijn zijn wetsontwerpen ambtelijk voorbereid, zodat de implementatie binnen de daarvoor gestelde termijnen kan plaatsvinden.

• Ten behoeve van het toezicht op Euronext is in 2002 een rechtsvergelijkend onderzoek afgerond. Doel van het onderzoek was om inzicht en overzicht te bieden omtrent de rechtsstelsels van de drie (oorspronkelijke) Euronext landen (NL, B, FR). De diverse in het onderzoeksverslag geconstateerde verschillen in (toepassing van) de regelgeving worden door de toezichthouder op Euronext (Autoriteit-FM) gebruikt in hun overleg met de toezichthouders uit de andere bij Euronext betrokken landen en door het ministerie van Financiën bij het overleg in Brussel over richtlijnvoorstellen (bijvoorbeeld richtlijn overnamebiedingen) en nationale wetgevingstrajecten.

• Op basis van de bevindingen uit de consultatie «Introductie toezicht op verslaggeving van beursgenoteerde ondernemingen» is op 31 mei 2002 het kabinetsstandpunt inzake het toezicht op de externe financiële verslaggeving van beursgenoteerde ondernemingen aan de Tweede Kamer aangeboden. Inmiddels is volop overleg gevoerd met de betrokken departementen en de Autoriteit-FM als beoogd toezichthouder. Een wetsvoorstel kan in de eerste helft van 2003 tegemoet worden gezien.

• De versterking en modernisering van de wet- en regelgeving ten behoeve van het effectenverkeer heeft in 2002 onder meer gestalte gekregen door:

• Als onderdeel van de tweede fase van de Wet openbare biedingen op effecten is in januari 2002 het consultatiedocument «Invoering verplicht openbaar bod in Nederland» gepubliceerd. De consultatie heeft belangrijke input geleverd voor de gedachten over invoering van het verplichte bod. Op 2 oktober is een nieuw voorstel voor een 13e richtlijn verschenen (richtlijn inzake overnamebiedingen). Dit richtlijnvoorstel introduceert o.a. een verplicht bod bij het bereiken van controle door een aandeelhouder in een vennootschap. Op 25 november 2002 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd dat het de besprekingen binnen de Raad over dit richtlijnvoorstel afwacht voordat het met nationale wetgeving op het terrein van het verplichte bod komt (brief d.d 25 november 2002, nr. fin 0200591).

• Naar aanleiding van alle (internationale) ontwikkelingen op het gebied van het (grensoverschrijdende) girale effectenverkeer (settlement) zowel in de markt als in het beleid is in december een consultatiedocument over dit onderwerp gepubliceerd. De reacties zullen onder meer gebruikt worden bij de herziening van de Nederlandse Wet girale effectenverkeer.

• In 2002 is een wetsvoorstel tot herziening van de Wet melding zeggenschap goedgekeurd door de Ministerraad en voor advies naar de Raad van State gezonden. Met de herziening wordt beoogd een volledig geautomatiseerd informatie- en meldingssysteem mogelijk te maken dat administratieve lasten verlicht en informatiewaarde verhoogt.

• Tevens is in 2002 is een wetsvoorstel tot herziening van de Wet toezicht beleggingsinstellingen door de Ministerraad aangenomen en naar de Raad van State gezonden. In het wetsvoorstel worden tevens twee wijzigingen van de ICBE-richtlijn (richtlijn inzake toezicht op beleggingsinstellingen) geïmplementeerd.

• In de sfeer van corporate governance is op 8 januari 2002 het wetsvoorstel betreffende de aanpassing van de structuurregeling bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 1–2). In dit wetsvoorstel wordt op een aantal punten de zeggenschap van aandeelhouders binnen vennootschappen vergroot. Het wetsvoorstel is inmiddels aangemeld voor plenaire behandeling. Tevens is op 1 september 2002 de Wet openbaarmaking bezoldiging en aandelenbezit van bestuurders en commissarissen in werking getreden. De wet verplicht open naamloze vennootschappen ertoe om in hun jaarverslag te vermelden wat de bezoldiging per bestuurder en commissaris is en uit welke onderdelen de bezoldiging bestaat.

Ten aanzien van het voor 2002 gestelde prestatiegegeven «mate van realisatie van de beoogde versterking, modernisering en toepassing van het wettelijk kader» kan op basis van de hiervoor beschreven regelgevingstrajecten geconcludeerd worden dat zowel op EU-niveau als op nationaal niveau belangrijke voortgang is geboekt in de totstandkoming van regelgeving die de goede werking van de effectenmarkten zal bevorderen.

6.2.2.4 Operationele doelstelling 4 Bevorderen van een stabiel financieel stelsel

Het bevorderen van een stabiel financieel stelsel door de soliditeit en continuïteit van afzonderlijke instellingen te bevorderen, primair gericht op de interne bedrijfsvoering en de solvabiliteit van financiële instellingen.

Randvoorwaarden bij deze doelstelling zijn effectiviteit en (kosten-) efficiëntie. Vanuit deze optiek worden beleid en regelgeving ten aanzien van het bedrijfseconomische toezicht op financiële instellingen geformuleerd, zowel binnen Nederland als internationaal. Onderstaand een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van 2002.

Bedrijfseconomisch toezicht

• De Tweede Kamer is op 11 april 2002 (Kamerstukken II 2000/01, 28 000 IXB, nr. 23) geïnformeerd over ontwikkelingen rond het nieuwe kapitaalakkoord voor banken (Bazel II). Het nieuwe kapitaalakkoord zal in het najaar van 2003 worden afgerond. In Europa is eind 2002 de voorontwerprichtlijn waarin het kapitaalakkoord is neergelegd voor commentaar voorgelegd aan belanghebbenden. Het streven is onder Nederlands voorzitterschap in de tweede helft van 2004 een Politiek Akkoord over het richtlijnvoorstel te bereiken. Voor de nieuwe Europese kapitaaleisen voor verzekeraars (Solvency II) is in 2002 besloten dezelfde structuur als voor banken te volgen, dat wil zeggen ook een 3 pijler-benadering die uitgaat van minimum solvabiliteitseisen, supervisory review en marktdiscipline/transparantie. Momenteel ligt een discussiepunten-notitie voor bij de EU-lidstaten over de te volgen aanpak voor Solvency II.

• De richtlijn inzake het aanvullende toezicht op financiële conglomeraten is op 16 december 2002 tot stand gekomen. De implementatietermijn verstrijkt op 11 augustus 2004. Er is in 2002 een aanvang gemaakt met het voorbereiden van een wetsvoorstel dat uitvoering geeft aan de implementatie van de richtlijn, en aan de beleidsvoornemens uit de nota financiële conglomeraten (Kamerstukken II 1999/00, 27 241, nr. 1).

• Bij brief van 25 juni 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 26 489, nr. 5) is de Tweede Kamer geïnformeerd over het voornemen om de kernaanbevelingen van de deskundigengroep Traas in wet- en regelgeving te implementeren. In het afgelopen jaar is daartoe overleg gevoerd met de PVK, het ministerie van Justitie, almede de belanghebbende marktpartijen. Dit heeft geresulteerd in een wetsvoorstel dat momenteel in behandeling is bij de Tweede Kamer.

• In mei 2002 is een rapport van het Europese Economisch Financieel Comité verschenen over integratie van de EU financiële markten. Naar aanleiding van dit rapport is kritisch gekeken naar de EU-toezichtcomités die zich bezighouden met de opstelling van regelgeving voor de financiële sector. Met het oog op de op handen zijnde EU-uitbreiding en om adequaat te kunnen reageren op ontwikkelingen in de financiële sector, is een eenduidige en slagvaardige structuur van EU-toezichtcomités van groot belang. De Ecofin heeft op 3 december 2002 een voorstel voor een nieuwe structuur voor EU-toezichtcomités aangenomen dat in belangrijke mate voldoet aan de Nederlandse inzet in de discussie. De Ecofin heeft vanwege een algemeen gevoel van urgentie besloten zo snel mogelijk te starten met de nieuwe comité-structuur.

• De EU-richtlijnen inzake een toezichtkader voor de uitgifte van elektronisch geld maken het mogelijk dat ook niet-bancaire instellingen elektronisch geld uitgeven, mits zij zijn geplaatst onder bedrijfseconomisch toezicht. Om deze richtlijnen te implementeren is in het afgelopen jaar de Wet van 26 juni 2002 tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) in verband met de invoering van bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor elektronisch geld (Stb 2002, 330) tot stand gebracht. Voorts is de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 (Strct. 2002, 120) gewijzigd om kleinschalige elektronische geldstelsels vrij te stellen. Tevens is lagere regelgeving tot stand gebracht om de diensten van elektronische geldinstellingen onder de anti-witwaswetgeving te brengen (Stb. 2002, 273). Al deze regelgeving is op 1 juli 2002 in werking getreden.

Systeemstabiliteit en noodmaatregelen

• Bij brief van 20 december 2002 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de nadere uitwerking ten aanzien van de hervorming van de toezichtwetgeving (Kamerstukken II 2002/03, 28 122, nr. 9). In deze brief is aangekondigd dat de infrastructurele aspecten van de financiële markten zullen worden geregeld in een apart deel van de nieuw op te stellen Wet op het financieel toezicht. In dezelfde brief is aangekondigd dat dit deel als voorlooptraject zal worden ingevoerd. In het afgelopen jaar is dan ook veelvuldig overleg gevoerd met DNB en de Autoriteit-FM over de uitgangspunten en reikwijdte van het wetsvoorstel infrastructuur financiële markten. Hierdoor is er aanmerkelijke voortgang geboekt met de wettelijke inkadering van het toezicht op betaal- en effectenafwikkelsystemen. In de eerste helft van 2003 zal het wetsvoorstel dan ook aan de ministerraad worden gezonden.

• In 2001 is het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn sanering en liquidatie verzekeraars reeds ter hand genomen. Met de PVK en het ministerie van Justitie is regelmatig overleg gevoerd over het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel is eind oktober 2002 voor advies gezonden aan de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht. Dit advies is uitgebracht op 15 maart 2003. Het Verbond van Verzekeraars heeft in februari 2003 commentaar gegeven op het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel zal in maart aan de ministerraad worden verzonden, waarna het voor advies aan de Raad van State kan worden voorgelegd.

In oktober 2001 is een eerste nulmeting verricht in het kader van de omslag richting risicogeoriënteerd toezicht. Thans vindt nog een nadere invulling plaats die het regelgevend kader betreft. In 2004/2005 zal de eindmeting plaatsvinden aan de hand waarvan de realisatie van de omslag richting risicogeoriënteerd toezicht kan worden beoordeeld. Zoals eerder gemeld in deze paragraaf is het afgelopen jaar op Europees niveau goede voortgang geboekt bij het ontwikkelen van nieuwe risicogeoriënteerde kapitaaleisen voor banken en verzekeraars.

Geconstateerd kan worden dat in 2002 temidden van een dynamische financiële wereld veel gedaan is aan de bevordering van een stabiel financieel stelsel. Dit gebeurt niet alleen via de opstelling en implementatie van (Europese) regelgeving en de ontwikkeling van nationaal beleid, maar ook door te werken aan internationale overlegstructuren.

6.2.2.5 Operationele doelstelling 5 Integriteit

Het bevorderen van de integriteit van het financiële stelsel door het stellen van randvoorwaarden voor onder meer anti-witwaswet- en regelgeving en voor het toezicht op de financiële sector.

De nota «integriteit financiële sector en terrorismebestrijding» (Kamerstukken II 2001/02, 28 106, nr. 2) die naar aanleiding van de aanslagen van 11 september 2001 is opgesteld, heeft het werkprogramma voor 2002 grotendeels bepaald. Een belangrijk deel van de in deze nota geformuleerde actiepunten zijn inmiddels gerealiseerd. Nederland voldoet nu volledig aan de 40 aanbevelingen van de Financial Action Task Force on money laundering (FATF) met betrekking tot de bestrijding van het witwassen en de 8 specifieke FATF-aanbevelingen ter bestrijding van terrorismefinanciering.

Ten aanzien van de specifieke – in de begroting van 2002 – genoemde activiteiten, kan het volgende worden gemeld:

• De Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt) is in juli 2002 in werking getreden, tezamen met de hieraan verbonden lagere regelgeving. Met de inwerkingtreding van de Wgt is het toezicht op de wisselkantoren geactualiseerd (de Wgt is de opvolger van de Wet inzake de wisselkantoren) en zijn de money transfer-kantoren onder de reikwijdte van het toezicht gebracht.

• Ten aanzien van de versterking van de handhavingsketen toezicht-opsporing-vervolging is de overlegstructuur en het karakter van de handhavingsafspraken in 2002 versterkt. Voor een slagvaardig optreden van de handhavingsketen, waarin vele partijen een taak hebben, is een efficiënte overlegstructuur onontbeerlijk. Lacunes in de overlegstructuur zijn aangevuld en overlappingen zijn weggenomen. Voorts zijn de afspraken over ieders taken en de hoeveelheid te leveren inspanning (de zogeheten handhavingsafspraken) door een nieuwe gestandaardiseerde en meeromvattende wijze van totstandkoming van deze afspraken, transparanter geworden. Tenslotte is van belang dat de handhavingsketen over een adequaat stelsel van handhavingsinstrumenten beschikt. Dit instrumentarium ondergaat een constante analyse ter optimalisering hiervan. Op diverse terreinen wordt momenteel ingezet op een breder instrumentarium voor de diverse partners.

• De implementatie van de tweede EU-witwasrichtlijn (o.a. uitbreiding van de meldplicht voor vrije beroepsgroepen) is nagenoeg afgerond. In 2001 was reeds een onderdeel van de richtlijn geïmplementeerd (meldplicht voor handelaren in artikelen van grote waarde). Op 1 mei 2003 treedt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) in werking waarmee advocaten, notarissen, makelaars, accountants, belastingadviseurs en mensen die soortgelijke werkzaamheden verrichten, onder de identificatie- en meldplicht van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties brengt. Bij het opstellen van de AMvB heeft in het afgelopen jaar uitgebreid overleg plaatsgevonden met het ministerie van Justitie en vertegenwoordigers van de verschillende beroepsgroepen. Na inwerkingtreding van deze AMvB zal de richtlijn volledig geïmplementeerd zijn.

• De voorziene FATF evaluatie voor 2002 is nog niet door de FATF gestart. Reden voor de vertraging is de herziening van de 40 aanbevelingen, een project dat langer duurt dan voorzien was. Pas wanneer de herziening is afgerond (gestreefd wordt nu naar afronding vóór 1 juli 2003) zal de evaluatieronde gestart kunnen worden.

Voor het jaar 2002 geldt als prestatiegegeven de mate van realisatie van versterking van de handhavingsketen toezicht-opsporing-vervolging. Daarbij zij opgemerkt dat de versterking van de handhavingsketen een proces is waarvoor een aantal jaren is uitgetrokken. In 2002 is hiervoor een stevige basis gelegd, waarop in de komende jaren kan worden voortgebouwd. Er zijn nu kwantitatieve afspraken voor 2003 gemaakt over de vervolging van zaken, die door de toezichthouders bij de FIOD-ECD ingebracht worden. Daarbij zijn er ook afspraken over de hiervoor benodigde capaciteit bij het OM. Aan de hand van de realisatie van deze kwantitatieve afspraken kan inzichtelijk worden gemaakt welke schakels van de handhavingsketen aandacht behoeven.

6.2.2.6 Operationele doelstelling 6 Muntwezen

Het zorgdragen voor een goed functionerend chartaal betalingsverkeer via een ongestoorde muntvoorziening van voldoende munten met als randvoorwaarde kostenefficiëntie.

Het bevorderen van een adequate muntcirculatie

Op grond van de Muntwet 2002 worden uitsluitend in opdracht van de Staat munten vervaardigd en uitgegeven. Op grond van een overeenkomst met De Koninklijke Nederlandse Munt NV (KNM) worden de euromunten in opdracht van de Staat door KNM vervaardigd. De distributie van de munten wordt in opdracht van de Staat door DNB verzorgd.

De monitoring van de muntproductie vindt plaats door controle op de naleving van KNM van het muntcontract. Gelet op de vraag naar euromunten en de daarmee verband houdende ontwikkeling van de voorradenmunten, is de productie van euromunten in de loop van 2002 naar beneden bijgesteld. De productie van euromunten heeft plaatsgevonden overeenkomstig de in het muntcontract neergelegde voorwaarden.

In 2002 is daarnaast overleg gevoerd tussen Financiën en KNM over de toekomst van KNM en over de relatie Financiën-KNM. Dit heeft mede plaatsgevonden in verband met het afsluiten van een nieuw muntcontract. Besloten is het muntcontract 1999–2002 in geactualiseerde vorm met een jaar te verlengen voor 2003, omdat het overleg over toekomst en relatie pas aan het einde van 2002 richting heeft gekregen, en in verband daarmee de tijd voor onderhandelingen voor een meerjarig contract te kort werd bevonden. Daarnaast bestaat er nog onvoldoende inzicht in de meerjarige ontwikkeling van de muntvraag en dus in de in het contract op te nemen jaarlijkse bestellingen van nieuwe munten en het daarmee verbonden muntloon.

Ten behoeve van de (re)circulatie van euromunten is tussen DNB en Financiën een nieuw memorandum opgesteld, dat per 1 januari 2003 in werking is getreden en een looptijd heeft van vijf jaren. In de nieuwe systematiek heeft DNB slechts de positie van depothouder euromunten. De commerciële activiteit van het sorteren, tellen en rolleren van munten wordt door DNB niet meer aangeboden, maar aan de markt overgelaten. Slechts commerciële muntverwerkers die een contract met DNB hebben gesloten, hebben toegang tot het muntendepot voor het afstorten van in de markt overtollige hoeveelheden euromunten, dan wel voor het afnemen van benodigde euromunten. Banken dienen met de muntverwerkers contracten af te sluiten over het afstorten en opnemen van euromunten. Met de ingang van de nieuwe distributiesystematiek is de kostenbijdrage van Financiën (circa € 2,1 mln. per jaar) komen te vervallen (verrekening via de winstafdracht DNB). In 2006 zal de nieuwe distributiesystematiek worden geëvalueerd.

In 2002 is een inwisselpunt voor bijzondere euromunten uit andere eurolanden ingesteld (stcrt. 2001, nr 249). Tevens is een overeenkomst met KNM aangegaan over het ontwaarden van de voormalige euromunten. De bij de banken ingeleverde voormalige guldenmunten zijn door DNB opgeslagen in het Opslag- en Distributiecentrum (ODC) te Lelystad. De ontwaarding van de munten vindt ook in het ODC plaats. De ontwaarding is in de loop van september 2002 gestart.

Aan de hand van drie prestatie-indicatoren is de doelstelling gemonitord:

• Muntvoorziening ten opzichte van muntvraag:

Ten einde te voorzien in de omschakeling van de chartale gulden op de chartale euro waren per 1 januari 2002 2,9 mld. euromunten beschikbaar en was voor 2002 voorzien in een productie van circa 400 mln. stuks euromunten (totaal 3,3 mld.). Als gevolg van omvangrijke voorraden euromunten zijn in 2002 242 mln. stuks geproduceerd. Ultimo 2002 bedroeg het aantal euromunten dat over 2002 in omloop is gebracht 2,2 mld. stuks. De eindvoorraad euromunten ultimo 2002 is daarmee uitgekomen op 0,9 mld (voor een weergave hiervan op denominatieniveau zie tabel hieronder). Derhalve kon in voldoende mate worden voorzien in de vraag naar munten. Tevens is hieronder een tabel opgenomen die laat zien dat eind 2002 nog 3,6 mld. guldenmunten in omloop zijn terwijl er begin 2002 nog 6,4 mld. guldenmunten in omloop waren.

• Werkelijke ten opzichte van geplande productie:

De productie van euromunten is ten aanzien van een aantal denominaties in 2002 naar beneden bijgesteld toen in de loop van het jaar bleek dat de voorraad euromunten ruim voldoende was om aan de vraag naar munten te voldoen.

• Kosten muntvoorziening:

De kosten van de muntvoorziening zijn lager uitgevallen als gevolg van een bijgestelde productie van euromunten.

Tabel 6.12 Voorraadverloop muntdepot in 2002 (aantallen x 1000)
 BeginvoorraadProductieIn circulatieEindvoorraad
2 euro180 80036 432155 96461 268
1 euro193 60022 560149 13467 026
50 eurocent265 60080 160202 539143 221
20 eurocent246 30050 691261 81135 180
10 eurocent500 6000299 725200 875
5 eurocent603 6000353 327250 273
2 eurocent373 10052 224414 83310 491
1 eurocent504 4000399 090105 310
 2 868 000242 0672 236 423873 644
Tabel 6.13 Retouren guldenmunten in 2002 (aantallen x 1000)
 Nog in circulatie Nog in circulatie
    
 BeginRetourEind
50 gulden4 8418084 033
10 gulden14 9741 74113 233
5 gulden187 328140 21147 117
Rijksdaalder179 305106 59572 710
Gulden744 307405 569338 738
Kwartje1 374 768596 754778 014
Dubbeltje2 254 537810 2651 444 272
Stuiver1 633 420687 306946 114
 6 393 4802 749 2493 644 231

Vastgesteld kan worden, dat alle onderwerpen voor het jaar 2002 zijn gerealiseerd.

In 2002 waren er voldoende munten beschikbaar om tegemoet te komen aan de muntvraag en behoefden er niet meer munten geproduceerd te worden dan gepland.

6.2.2.7 Operationele doelstelling 7 Invoering van de euro

Het bevorderen van een soepele overgang van de Nederlandse samenleving op de euro, met als randvoorwaarden tijdigheid en zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Gestreefd wordt om de omschakeling begin 2002 binnen twee weken goeddeels te laten plaatsvinden.

De algemene conclusie ten aanzien van de euro-omwisseling in Nederland is dat deze tijdig en soepel is verlopen. De bevoorrading van banken, toonbankinstellingen en publiek, alsmede de omschakeling van chartale transacties op euro's verliep voorspoedig. Ook het elektronisch toonbankbetalingsverkeer rond de invoering van de euro is probleemloos verlopen. Daarmee werd de doelstelling om een zo snel mogelijke omschakeling te maken gehaald. Naast de chartale omwisseling is ook de omschakeling in de publieke sector en het private domein soepel en tijdig verlopen. Er hebben zich geen grote incidenten voorgedaan waarvan maatschappelijke groepen of de overheden zelf nadelige gevolgen hebben ondervonden.

Ook de effectiviteit van de publieksvoorlichting, die voor het grootste deel in 2001 plaatsvond, is groot te noemen. Het publiek voelde zich goed geïnformeerd en was op de hoogte van belangrijke zaken als de invoeringsdatum, de waarde van de euro en de duur van de duale periode. Op de eerste zaterdag van 2002 (5 januari) werd al 90% van de contante transacties in euro afgerekend. Op 9 januari was dit al 97% (Kamerstukken II 2001/02, 25 107, nr. 61). Er is in 2002 slechts de helft van het begrote budget besteed aan voorlichtingsactiviteiten euro-introductie omdat zich in die periode geen onverwachte ontwikkelingen of calamiteiten hebben voorgedaan. Hiermee was in het begrote budget wel rekening mee gehouden. Met name massa mediale middelen zoals print, radio en televisie zijn in 2002 achterwege gelaten.

Door de invoering van de euro is er wel een perceptie bij het publiek ontstaan dat de prijzen als gevolg van de euro zijn gestegen. Hier is onder andere door de Consumentenbond, DNB, het CPB, en door de Europese Commissie onderzoek naar gedaan. De EC heeft in december 2002 een rapport1 gepubliceerd waarin het eerste jaar na de introductie van de euro is geëvalueerd. Hierin wordt gemeld dat sommige sectoren in de eurozone aanzienlijke prijsstijgingen hebben gekend als gevolg van de invoering van de euro, maar dat het effect van de invoering van de euro op het algemene prijsniveau zeer beperkt is geweest. Het door Eurostat gemeten effect van de invoering van de euro op de inflatie in de eurozone bedraagt 0–0,20 procentpunt. Volgens de Consumentenbond hebben zich ook in Nederland aanzienlijke prijsstijgingen voorgedaan in bepaalde sectoren, maar de Consumentenbond kon geen van de waargenomen prijsstijgingen direct associëren met de invoering van de euro. DNB concludeerde in augustus 2002 dat het euro-effect op inflatie 0,60 procentpunt is geweest. Het CPB concludeerde in september 2002 dat met name de horeca de invoering van de euro had aangegrepen om prijzen te verhogen, maar dat er geen significant euro-effect is geweest op het algemene prijsniveau.

De vroegtijdige en gedegen voorbereiding op de omwisseling heeft een grote bijdrage geleverd aan het slagen van de overgang op de euro. De publieke en private sector hebben, ondersteund door het ministerie van Financiën, een grote inspanning geleverd om de invoering van de euro succesvol te laten verlopen. Streven daarbij was om met een gedegen voorbereiding zoveel mogelijk maatschappelijke kosten te voorkomen die konden ontstaan bij problemen met de invoering van de euro. Ook de samenwerking met DNB op basis van de uitvoeringsovereenkomst en de gekozen coördinatiestructuur van het Nationaal Coördinatie Centrum heeft goed gefunctioneerd.

In Nederland zijn er in 2002 twee rapporten gepubliceerd waarin de invoering van de euro is geëvalueerd. In het rapport «Evaluatie Invoering Euro», dat is uitgevoerd in opdracht van Financiën, zijn de uitkomsten van de deelonderzoeken naar de omschakeling van de overheid, de omschakeling van het bedrijfsleven, de chartale omschakeling en de publieksvoorlichting uitvoerig onderzocht (Kamerstukken II 2001/02, 25 107, nr. 66). In het rapport wordt het europroject «bijzonder geslaagd» genoemd, met als belangrijke succesfactor de vroegtijdige en gedegen voorbereiding van publieke en private partijen vanuit het gemeenschappelijke belang van een soepele overgang, waarbij een uiterste inspanningsverplichting is aangegaan om problemen en incidenten te voorkomen. Geconcludeerd wordt dat de omschakeling, zonder dat primair op budgetten is gestuurd, niet alleen doelmatig maar in algemene zin ook efficiënt is verlopen. Met «preventieve investeringen» zijn de maatschappelijke kosten zoveel mogelijk beperkt. Ook het actief «netwerk-management» van het ministerie van Financiën en DNB heeft daaraan bijgedragen.

Daarnaast is in opdracht van Justitie en BZK uitvoering gegeven aan het deelonderzoek «Veilig gewisseld: van gulden naar euro», waarin de justitiële en veiligheidsaspecten van de introductie euroconversie zijn onderzocht. Samenvattend wordt gesteld dat de euroconversie uiterst succesvol is verlopen. Beide onderzoeken concluderen dat alle gestelde doelen zijn bereikt en in een aantal gevallen (o.a. veiligheid, snelheid van de omschakeling) zelfs overtroffen.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid (Bedragen x € 1000)
Algemene beleidsdoelstelling:Het bijdragen aan condities voor goed functionerende en internationaal concurrerende financiële marktenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen152 66166 83885 823
    
Uitgaven186 164109 04077 124
Programma-uitgaven180 380104 47275 908
    
Doelst. 2 Bevorderen consumentenpositie   
Overige programma-uitgaven4 30004 300
Doelst. 5 Bevorderen van de integriteit   
Bijdrage toezicht3000300
Caribbean Financial Action Taskforce3032– 2
Doelst. 6 Zorgdragen chartaal betalingsverkeer   
Muntcirculatie24 54427 744– 3 200
Afname munten in circulatie97 642097 642
Doelst. 7 Bevorderen soepele overgang euro   
Voorlichting euro12 73232 890– 20 158
Publiekssets euromunten40 83243 805– 2 973
    
Apparaatsuitgaven5 7844 5681 216
    
Ontvangsten1 303 2051 048 631254 574
Programma-ontvangsten1 303 2051 048 631254 574
    
Doelst. 4 Bevorderen stabiel financieel stelsel   
Winstuitkering DNB1 277 2741 002 854274 420
Doelst. 6 Zorgdragen chartaal betalingsverkeer   
Ontvangsten muntwezen9 81325 442– 15 629
Toename munten in circulatie020 012– 20 012
Budgetten met meer dan 1 doelstelling   
Overige programma-ontvangsten16 11832315 795

Uitgaven

Overige programma-uitgaven

– Publiekscampagne Financiële Bijsluiter

In 2002 heeft de Autoriteit-FM de Financiële Bijsluiter via een uitgebreide publiekscampagne massamediaal geïntroduceerd. Het ministerie van Financiën heeft € 3,5 mln. aan deze campagne bijgedragen.

– Wet toezicht consumentenkrediet

In 2002 is de wet toezicht consumentenkrediet overgedragen van DNB aan de Autoriteit-FM. In de begroting 2002 was een bedrag ad € 0,8 mln. gereserveerd voor de hiermee gepaard gaande eenmalige overgangskosten alsmede de reguliere kosten van toezicht in 2002. Deze kosten zijn opgenomen in de aanvullende begroting 2002 van de Autoriteit-FM, die door de minister van Financiën is goedgekeurd.

Bijdrage toezicht

Om de integriteit van het financiële stelsel te waarborgen wordt toegezien op de naleving van de meldplicht in het kader van de wet melding ongebruikelijke transacties en de wet identificatie bij dienstverlening. Er is besloten beroepsgroepen als advocaten, notarissen, accountants en belastingadviseurs ook onder dit toezicht te brengen. In de eerste suppletore begroting is hiervoor € 4,5 mln. meerjarig begroot. De vaststelling van de AMvB waarmee deze beroepsgroepen onder de meld- en identificatieplicht komen te vallen, duurt langer dan verwacht. Hierdoor komt ook het toezicht op de naleving van de meld- en identificatieplicht door deze beroepsgroepen later op gang. Het begrote bedrag voor toezicht is daarom bij de tweede suppletore begroting teruggebracht tot € 4,1 mln. Uiteindelijk is € 0,3 mln. gerealiseerd.

CFATF

In 2002 heeft Nederland weer een bijdrage geleverd aan de Caribbean Financial Action Task Force (CFATF). Het bedrag wordt gebruikt ter dekking van de algemene begroting van de CFATF, die zich richt op het voorkomen en bestrijding van witwassen in de Caribische regio.

Afname munten in circulatie

In 2002 zijn 2 236 mln. euromunten in omloop gebracht met een totale nominale waarde van € 674 mln., daarnaast zijn 2 747 mln. guldenmunten retour ontvangen met een totale nominale waarde van € 743 mln. Ook zijn in 2002 ruim 2,5 mln. bijzondere vijftig- en tien-guldenmunten teruggekomen met een totale nominale waarde van € 26,2 mln. Daarnaast zijn er 1 mln. bijzondere tien-euromunten ter gelegenheid van het huwelijk van de Prins van Oranje uitgegeven en leverde de verkoop van setjes euromunten € 2,4 mln. op.

Dit heeft per saldo geresulteerd in een uitgave op afname munten in circulatie aangezien het in circulatie brengen van munten een ontvangst is voor de Staat en het retourontvangen van munten een uitgave.

Muntcirculatie

Voor 2002 was een muntproductie begroot van circa 400 mln. euromunten. In de loop van 2002 bleek dat de tot ultimo 2001 geproduceerde munten hoeveelheid munten (2 868 mln. stuks) plus de productie in de eerste maanden van 2002 voldoende was om aan de vraag naar munten te voldoen. Derhalve is besloten de muntproductie aanzienlijk terug te brengen. In 2002 zijn uiteindelijk 242 mln. euromunten aangemaakt, waardoor minder rondellen behoefden te worden aangeschaft. In februari 2002 is ter gelegenheid van het huwelijk van Prins van Oranje een bijzondere tien-euromunt uitgegeven. Het zilver voor de aanschaf van de rondellen is ten laste van 2002 gekomen (€ 1,9 mln.). De promotie-, distributie- en overige kosten in verband met de uitgifte beliepen circa € 0,85 mln. Ook is in 2002 is het ontwaardingsproject guldenmunten van start gegaan. De kosten voor het project bedroegen€ 5,4 mln.

Voorlichting publiekssets euromunten en voorlichting euro

De effectiviteit van de publieksvoorlichting, die voor het grootste deel in 2001 plaatsvond, is groot te noemen. De voorlichtingsuitgaven zijn in verband met de succesvol verlopen introductie van de euro lager uitgevallen. Er is slechts de helft van het begrote budget in 2002 besteed aan voorlichtingsactiviteiten euro-introductie omdat zich in die periode geen onverwachte ontwikkelingen of calamiteiten hebben voorgedaan terwijl hiermee wel in het begrote budget rekening was gehouden. Met name massamediale middelen zoals print, radio en televisie zijn in 2002 achterwege gelaten.

Het project publiekssets euromunten is afgerond. Het ophaalpercentage is 90 geworden in plaats van de geraamde 93,5 procent. De definitieve afrekening in 2002 bedraagt € 40,8 mln.

Ontvangsten

Winstuitkering DNB

De winstafdracht bedroeg in 2002 € 1,277 mld. Dit is ca. € 274 mln. hoger dan geraamd in de begroting 2002. De meevaller is hoofdzakelijk veroorzaakt door hogere dan geraamde verkoopopbrengsten van beleggingen als gevolg van koersstijgingen, die zijn opgetreden door een daling van de EUen VS-rentes. Bovendien is, op basis van een afspraak met DNB, een deel van het verwachte versterf van guldenbankbiljetten, in de vorm van interim-dividend, vervroegd uitgekeerd in 2002.

Ontvangsten muntwezen

In 2002 is ook de verkoop van metaalschroot uit het ontwaardingproject guldenmunten op gang gekomen. Er is uiteindelijk een opbrengst gerealiseerd van € 9,8 mln.

Toename munten in circulatie

Doordat in 2002 de retourontvangst van guldens het in circulatie brengen van euro's overtreft is per saldo sprake van een afname van munten in circulatie in plaats van een toename munten in circulatie. Dit betekent per saldo een uitgavenpost voor de Staat die is verantwoord onder «afname munten in circulatie».

Overige programma-ontvangsten

Luchtvaartverzekering

Na de aanslagen van 11 september 2001 hebben verzekeraars vrijwel direct de terrorismeverzekeringen van de luchtvaartsector beëindigd. Na afstemming in Europees verband heeft de Nederlandse overheid besloten om de terrorismeverzekeringen tijdelijk van de markt over te nemen. Doelstelling van het Rijk was om een zo spoedig mogelijke terugkeer naar commerciële verzekerbaarheid te realiseren. Via premieverhogingen en aanpassing van de dekking is de overheidsrol geleidelijk aan teruggebracht. Na 31 oktober 2002 is de overheidsherverzekering in het geheel beëindigd, aangezien de verzekeringsmarkt voldoende hersteld bleek om de luchtvaartrisico's weer te kunnen accepteren. In 2002 is € 12,4 mln. aan verzekeringspremies ontvangen.

6.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

6.3.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het wegnemen van knelpunten voor ondernemingsfinanciering, het beheren van overheidsdeelnemingen, het bijdragen aan de totstandkoming van overheidsinvesteringen en het bereiken van meerwaarde door publiek-private samenwerking (pps).

VerantwoordelijkheidVoor operationele doelstelling 1 en 2 systeemverantwoordelijkheid en resultaatverantwoordelijkheid, voor operationele doelstelling 3, 4 en 5 systeemverantwoordelijkheid.
Wettelijke bepalingenRegeling Bijzondere Financiering 1971, Garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen 1981 en Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland

6.3.2 Operationele doelstellingen

6.3.2.1 Operationele doelstelling 1 Staatsdeelnemingen

Het – in samenwerking met andere departementen – aangaan (verwerven en creëren), beheren en afstoten van staatsdeelnemingen en de coördinatie daarvan.

Eind 2001 is een nieuwe nota deelnemingenbeleid tot stand gekomen en aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2001/03 28 165, nrs. 1–5). Het was de bedoeling deze nota in 2002 met de Tweede Kamer te bespreken zodat met betrekking tot het aangaan, beheren en afstoten van staatsdeelnemingen de beleidslijnen uit deze nota gevolgd kunnen worden. Bespreking met de Tweede Kamer heeft echter nog niet plaatsgevonden. De overdracht van aandeelhouderschappen van vakdepartementen naar het ministerie van Financiën, zoals in de nota beschreven is, heeft wel doorgang gevonden met instemming van de Tweede Kamer. Vrijwel alle aandeelhouderschappen in staatsdeelnemingen zijn nu bij het ministerie van Financiën gecentraliseerd. In 2003 zullen deze overdrachten ook budgettair worden verwerkt.

In 2002 heeft de Staat de naamloze vennootschap KLIQ NV opgericht. Hierover is de Tweede Kamer door middel van brieven (Kamerstukken II 2000/01, 27 296, nr. 6, 9 en 13) geïnformeerd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Financiën. Een tweede deelneming die de Staat in 2002 is aangegaan is Covra NV. De Tweede Kamer is door de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu en de minister van Financiën hierover door middel van brieven (Kamerstukken II 2001/03, 27 566, nr. 1 en 3) geïnformeerd. Tenslotte is in 2002 een klein pakket cumulatief preferente aandelen ING NV vervreemd. Dit is de Tweede Kamer door de minister van Financiën in een brief (van de minister van Financiën d.d. 2 april 2002, kenmerk Fin 02002163) medegedeeld.

6.3.2.2 Operationele doelstelling 2 Bijzondere marktgerelateerde operaties

Het bewerkstelligen van een optimale opbrengst van bijzondere marktgerelateerde operaties, zoals de uitgifte van vergunningen.

In het Strategisch Akkoord is afgesproken dat de vergunningen voor het gebruik van commerciële radiofrequenties door middel van een vergelijkende toets verdeeld worden, waarbij het financiële bod een belangrijke component is. Het vakdepartement is in 2002 met name bij de financiële dimensie van deze uitgifte geadviseerd en ondersteund. De uitgifte heeft echter nog niet plaatsgevonden (zie hiervoor ook de brieven van het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen en het ministerie van Economische Zaken (Kamerstukken II 2002/03, 24 095)).

6.3.2.3 Operationele doelstelling 3 Het verhelpen van knelpunten in de ondernemingsfinanciering

Het verhelpen van knelpunten in de ondernemingsfinanciering van goed geleide, rendabele Nederlandse ondernemingen met positieve rendementsvooruitzichten, met name door de regeling Bijzondere Financiering (BF-regeling).

Om knelpunten in de financiering van goed geleide, rendabele Nederlandse ondernemingen te verhelpen, zijn in 2002 twaalf kredieten verstrekt door NIB Capital Bank NV op grond van de BF-regeling. De Staat heeft zich voor 90% van het verstrekte krediet garant gesteld. Het totale bedrag waarvoor de Staat in 2002 een garantie heeft afgegeven is € 79,4 mln. Het maximumbedrag voor het aangaan van verplichtingen uit hoofde van de BF-regeling bedraagt € 79,4 mln. Het maximumbedrag is dus volledig benut.

De BF-regeling heeft in 2002 € 5,4 mln. aan ontvangsten opgeleverd. Begroot was € 9,5 mln. Oorzaak is dat de restituties afnemen door geringe schades alsmede het feit dat in een later stadium tot afdekking wordt overgegaan. De schades bedroegen dat jaar € 6,1 mln. Dit is € 9,3 mln. minder dan begroot omdat minder bedrijven failliet zijn gegaan. In geval van faillissement spreekt NIB Capital Bank vervolgens de garantie die de Staat heeft gesteld aan.

6.3.2.4 Operationele doelstelling 4 en 5 Publiek private samenwerking

Voorbereiden en tot stand brengen van hoogwaardige publiek-publieke overeenkomsten en pps-arrangementen voor overheidsinvesteringen en overheidsactiviteiten.

Het ontwikkelen van en breed verspreiden van beleidskaders, instrumenten en kennis die bijdragen aan de algemene doelstelling van brede acceptatie van pps en verbreding van de pps-praktijk in Nederland.

In de VBTB Groeiparagraaf is aangekondigd dat onderzocht zal worden of voor de prestatie-indicatoren streefwaarden konden worden vastgesteld. In dit onderzoek is geconcludeerd dat de geformuleerde operationele doelstellingen niet één op één aansluiten bij het door het kabinet geformuleerde pps beleid en de rolverdeling tussen de betrokken departementen en het kenniscentrum PPS. Een departement is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van pps op zijn beleidsterrein en de uitvoering van de concrete projecten. De departementen worden hierbij ondersteunt door het kenniscentrum PPS. Om deze reden is besloten om de twee operationele doelstellingen te herformuleren in de volgende doelstelling:

Het bijdragen aan de acceptatie en de toepassing van publiek private samenwerking bij de totstandkoming van overheidsinvesteringen.

In welke mate het kenniscentrum PPS heeft bijgedragen aan de acceptatie en toepassing van pps zal eens in de twee jaar worden geëvalueerd. Bij deze evaluatie wordt ook gekeken in hoeverre de overheid er in geslaagd is om meer gebruik te maken van pps bij het realiseren van haar doelstellingen. De eerste evaluatie is in de eerste helft van het jaar uitgevoerd en in mei naar de Tweede Kamer gezonden.

Algemeen

In 2002 zijn twee evaluaties naar het pps beleid van de afgelopen 3 jaar uitgevoerd. In mei 2002 heeft het vorige kabinet haar evaluatie naar de Tweede Kamer gestuurd en in juni heeft de Algemene Rekenkamer haar evaluatie aan de Tweede Kamer aangeboden. Beide evaluaties komen tot de conclusie dat de voortgang van pps beter had gekund. Alhoewel er een goed beleidskader en goede instrumenten zijn, zijn de concrete resultaten te beperkt. Er zijn twee belangrijke oorzaken. Ten eerste betekent pps een fundamenteel andere werkwijze voor de overheid en stuit (dus) op de nodige weerstand bij de betrokken uitvoeringsdiensten van de ministeries.Ten tweede is de leercurve bij de huidige kleinschalige aanpak met incidentele projecten voor zowel bedrijfsleven als de overheid beperkt en zijn de transactiekosten relatief hoog.

In de evaluatie komt het toenmalige kabinet tot de conclusie, dat het essentieel is om op basis van een hernieuwd commitment stevig aan de slag te gaan met een concreet vervolgprogramma van kansrijke pps-projecten. Geprofiteerd moet worden van de goede instrumentele basis die is gelegd en de ervaringen die zijn opgedaan in de eerste pps-projecten. Ten aanzien van het kenniscentrum PPS wordt geconcludeerd dat de rol van het kenniscentrum als adviseur, coördinator en kennisleverancier van en voor de overheid voorlopig noodzakelijk blijft.

In het Strategisch Akkoord ziet het kabinet pps als één van de middelen om een bijdrage te leveren aan een sterkere economische structuur en productiviteitsbevordering. Het kabinet zal de ontwikkeling van pps dan ook stimuleren. Deze ambities zijn nog eens bevestigd in de Rijksbegroting 2003. In december 2002 heeft de minister van Financiën, mede namens de ministers van VenW, VROM, LNV, EZ, BZK en OCenW, de Tweede Kamer geïnformeerd over de pps-plannen van het kabinet. In deze brief wordt de voortgang beschreven van de concrete actieplannen van de verantwoordelijke departementen voor de verdere stimulering en toepassing van pps in de sectoren weginfrastructuur, railinfrastructuur, scholenbouw, overheids- en zorghuisvesting, nuts en stedelijke ontwikkeling (Kamerstukken II 2002/03, 28 753, nr. 1).

Projecten

In de evaluatie en de brief van december 2002 wordt de eerder ingezette lijn van gecontroleerde verbreding voortgezet. Dat betekent dat het accent ligt op die sectoren waar in Nederland al ervaring is opgedaan met nieuwe vormen van aanbesteding en waar tevens gebruik kan worden gemaakt van internationaal gangbare pps-concepten. De focus in het vervolgprogramma ligt op:

• Marktverdieping in de rail-, wegen- en nutssector, voortbouwend op de daar reeds opgedane ervaring;

• Marktontwikkeling in de overheidsgebouwen- en scholenbouwsector;

• Een nieuw initiatief gericht op de totstandkoming van pps bij gebiedsontwikkeling.

Het Kenniscentrum PPS levert een bijdrage aan het realiseren van deze doelstelling van het kabinet door de overheden die de regie voeren over pps-projecten te adviseren over de toepassing van pps. Daarbij wordt de volgende werkwijze gevolgd: het kenniscentrum is actief betrokken bij de eerste pps-projecten in een bepaalde sector, waarna het vakdepartement de opgedane kennis/ervaring zelf moet toepassen in de volgende lichting projecten. Het kenniscentrum dient zich daarna op andere sectoren te richten.

Na de ondertekening in 2001 van het HSL infraprovider contract zijn de aanbesteding in harde infrastructuur gestart van twee wegprojecten, A59 Rosmalen-Geffen en N31 Leeuwarden-Drachten. Het contract voor de A59 is februari 2003 ondertekend en de aanbesteding voor de N31 zal de komende zomer worden afgerond. De verbreding van pps naar andere sectoren heeft verder vorm gekregen. Zo is in de nuts- en groensectoren een aantal publiek-publieke overeenkomsten gesloten. Tevens is in de aanbesteding van het design, build, finance and operations (DBFO)-contract voor het project Afvalwaterzuivering Haagse Regio (Harnaschpolder Delfland) een «preferred bidder» benoemd. In de sector overheidsgebouwen zijn twee pilots gestart voor een pps contract in de scholenbouw.

Op het terrein van gebiedsontwikkeling gecombineerd met Rijksinfrastructuur zijn in 2002 onder andere publiek-publieke overeenkomsten getekend voor de Nieuwe SleutelProjecten Hoog Hage en Breda en voor Delft Spoorzone, nadat in 2001 overeenkomsten waren getekend voor Amsterdam Zuidas en Groningen Meerstad.

Ontwikkelen en verspreiden pps kennis

Op het punt van de beleidsontwikkeling en kennisverspreiding heeft het kenniscentrum verschillende activiteiten ontplooid. Er is onder andere een vernieuwde handleiding uitgebracht voor de toepassing van de vergelijkingsinstrumenten «Public Private Comparator» en «Public Sector Comparator». Er is het rapport over pps bij zorghuisvestingsprojecten uitgebracht en het rapport «Samen werken aan de weg». Gezamenlijk met Verkeer en Waterstaat en andere partijen zijn de congressen «PPS op de agenda» en «De PPS Agenda: De Werking» georganiseerd.

Figuur 6.5 Voortgang Infra, Nuts + Huisvestingsprojectenkst-28880-20-8.gif

Figuur 6.6 Voortgang Stedelijke ontwikkeling en groene projectenkst-28880-20-9.gif

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene doelstelling: Het wegnemen van knelpunten voor ondernemingsfinanciering, beheer overheidsdeelnemingen, totstandkoming van overheidsinvesteringen en meerwaarde door ppsRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen89 08782 4166 671
    
Uitgaven15 54618 886– 3 340
Programma-uitgaven6 78915 883– 9 094
Doelst. 3 Verhelpen knelpunten in ondernemingsfinanciering   
Regeling BF6 13615 429– 9 293
Regeling PPM370454– 84
Tijdelijke regeling subsidie tankstations35035
Uitvoeringskosten tijdelijke regeling tankstations2480248
Doelst. 2 Aangaan, beheren en afstoten staatsdeelnemingen   
Verwerving vermogenstitels   
Overig000
    
Apparaatsuitgaven8 7573 0045 753
    
Ontvangsten184 193160 40023 793
Programma-ontvangsten184 193160 40023 793
    
Doelst. 3 Verhelpen knelpunten in ondernemingsfinanciering   
BF/PPM5 3539 529– 4 176
Doelst. 2 Aangaan, beheren en afstoten staatsdeelnemingen   
Dividend staatsdeelnemingen56 05947 9198 140
Opbrengst vermogenstitels13 765013 765
Overig programmaontvangsten4 70004 700
Rente en aflossing div. leningen103 547102 951596
Tijdelijke regeling subsidie tankstations7690769

Uitgaven

BF regeling

De uitgaven in het kader van de BF-regeling blijken lager te zijn dan geraamd na declaratie van de schades door de uitvoerder van de regeling NIB Capital Bank NV. In 2002 zijn er als nasleep van de hoogconjunctuur weinig ondernemingen failliet gegaan en is er dus weinig gedeclareerd.

Apparaatuitgaven

De mutatie heeft vooral betrekking op advieskosten in verband met de verkoop van staatsdeelnemingen (€ 5,6 mln.), de toedeling van de loon- en prijsbijstelling (€ 0,1 mln.) en een overboeking van V & W ( € 0,1 mln.) in verband met de overgang van staatsdeelnemingen naar Financiën.

Ontvangsten

Regeling BF

De ontvangsten in het kader van de BF-regeling bestaan uit garantieprovisies en restituties. Als pendant van de geringe schades zijn de restituties lager uitgevallen dan verwacht.

Dividend staatsdeelnemingen

Het verschil betreft enerzijds hogere dividenduitkeringen van de Bank Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Waterschapsbank, anderzijds is er een structurele dividendderving door de verkoop van de aandelen in Internationale Nederlanden Groep in 2002.

Opbrengst vermogenstitels

Het verschil heeft betrekking op de verkoop van de aandelen in Internationale Nederlanden Groep in 2002.

Overige programmaontvangsten

Het verschil in overige programmaontvangsten hangt samen met de uitbreiding van het aandelenbezit van de Staat in Covra van 10% naar 100%. De betaling is gedaan door de uittredende aandeelhouders en vloeit voort uit de afkoop van de toekomstige exploitatieverliezen van Covra.

6.4 Internationale financiële betrekkingen

6.4.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bevorderen van een duurzame internationale financieel-economische ontwikkeling en monetaire stabiliteit, via Nederlandse deelname in internationale instellingen en fora, en het bevorderen van een beheerste ontwikkeling van de Europese uitgaven.

Het jaar 2002 is een moeilijk jaar geweest voor de financieel-economische ontwikkeling en de monetaire stabiliteit. De mondiale economische teruggang werd overal gevoeld: in de Europese Economische en Monetaire Unie hadden verschillende lidstaten grote moeite om de gezette tekortgrenzen van het Stabiliteits- en Groeipact niet te overschrijden – en waren enkelen daartoe ook niet in staat – maar ook daarbuiten waren effecten zichtbaar. Opkomende economieën als Turkije, Brazilië en Argentinië ondergingen scherpe veranderingen in marktsentimenten die vrijwel direct consequenties hadden voor hun financiële en economische ontwikkeling. Ontwikkelingslanden in alle werelddelen integreren in toenemende mate in de mondiale economie: de kansen en voordelen voor ontwikkeling op alle terreinen zijn zeer groot, maar minder voorspoedige tijden worden ook harder gevoeld, met name als het gevoerde financieel-economische beleid niet adequaat is.

Nederland heeft via zijn opstelling in de Internationale Financiële Instellingen en binnen de Europese Unie in 2002 een bijdrage geleverd aan de bevordering van duurzame internationale financieel-economische ontwikkeling en monetaire stabiliteit. Het actief nastreven van coalities met andere landen speelt daarbij een belangrijke rol. Zoals aangegeven in de ontwerp-begroting is het echter niet altijd mogelijk te verwezenlijken dat de relatie tussen de Nederlandse inzet en de uiteindelijke uitkomst van een proces één op één loopt.

In de Europese Unie is in 2002 het historische besluit genomen de Unie in 2004 uit te breiden met tien nieuwe lidstaten. Voor de ontwikkeling van de Europese uitgaven zal dat onvermijdelijk consequenties hebben. Nederland heeft er zich in 2002 hard voor gemaakt dat de financiële kant van de uitbreiding op een verantwoorde wijze vorm gegeven zou worden, en is daarin geslaagd. Ook binnen de Europese Unie geldt – net zoals in internationaal verband – dat door het zoeken van strategische allianties en het opzetten van overlegstructuren met gelijkgezinden de invloed van Nederland vergroot kan worden.

VerantwoordelijkheidSysteemverantwoordelijkheid

6.4.2 Operationele doelstellingen

6.4.2.1 Operationele doelstelling 1 Europese Unie (EU)

Het bevorderen van een beheerste ontwikkeling van de EU-uitgaven, mede in het licht van de uitbreiding van de EU en met het oog op een aanvaardbare ontwikkeling van de bruto-afdrachten aan de EU en de Nederlandse netto-positie ten aanzien van de EU.

Een zeer belangrijk onderwerp in de EU het afgelopen jaar was de onderhandeling over de uitbreiding van de EU met tien nieuwe lidstaten. Voor Nederland was het hierbij tevens van belang dat deze uitbreiding op een budgettair verantwoorde manier zou geschieden. Randvoorwaarde was dat de kosten van de uitbreiding binnen de daarvoor voorziene plafonds in de Financiële Perspectieven (FP's) van Berlijn zouden blijven. Dit is gelukt. De kosten van de uitbreiding zullen in de jaren 2004 – 2006 (de jaren waarin de Unie daadwerkelijk zal zijn uitgebreid en waarvoor de huidige FP's nog gelden) zelfs iets onder de voorziene plafonds uitkomen.

Van groot belang is tevens dat deze bedragen hard zijn vastgelegd in de annex die op Nederlands voorstel aan de conclusies van de Europese Raad van Kopenhagen is toegevoegd, en die vervolgens ook in het Toetredingsverdrag opgenomen moeten worden.

Een ander aandachtspunt voor Nederland vormde de plafonnering van de uitgaven voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Hierover is op de Europese Raad van Brussel afgesproken dat de totale uitgaven voor het GLB1 in de jaren 2007 – 2013 jaarlijks met maximaal 1% mogen stijgen ten opzichte van het FP-niveau van 2006, hetgeen een duidelijke rem op de GLB-uitgaven heeft gezet. Oorspronkelijk waren Frankrijk en Duitsland in onderling overleg voorafgaand aan de Top een maximale stijging van de landbouwuitgaven met 1½% per jaar overeengekomen, maar dit groeipercentage is onder Nederlandse druk naar beneden bijgesteld tot 1% per jaar.

Om deze doelen te bereiken was een grote inzet van het Ministerie van Financiën noodzakelijk. Deze inzet was niet alleen gericht op de afstemming en coördinatie van heldere standpunten binnen Nederland, maar vergde ook veelvuldig internationaal overleg met de huidige en de nieuwe lidstaten, en dan met name met de groep van netto-betalende landen. Daarnaast werd ook deel genomen aan de onderhandelingen in de EU-Raadswerkgroep Uitbreiding wanneer onderwerpen met budgettaire consequenties aan de orde waren.

Het jaar 2002 vormde daarnaast ook het startpunt voor de discussie over de Mid-Term Review (MTR) van het GLB, waarvoor de Europese Commissie in juli voorstellen presenteerde. Voor het Ministerie van Financiën lag de nadruk hierbij vooral op liberalisering van het landbouwbeleid, waarbij vergroting van de marktwerking – ook in het kader van de Wereldhandelsorganisatie WTO – de basis vormt voor het ook in budgettaire zin houdbaar houden van het landbouwbeleid in een uitgebreide Europese Unie alsmede het vergroten van de handelskansen voor ontwikkelingslanden.

De doelstelling om de Structuurfondsen drastisch te hervormen om de uitgaven van de EU beter beheersbaar te houden is – net als die van het GLB – een doelstelling van de lange adem. De hervorming heeft betrekking op de periode na 2007. Niettemin heeft het Ministerie van Financiën dit jaar veel activiteiten ontplooid om het uiteindelijke doel dichterbij te brengen. Begin dit jaar vond voor het eerst op Raadswerkgroepniveau een bespreking over de toekomst van de Structuur- en Cohesiefondsen plaats. Zowel voor- als achteraf bracht dat veel internationale afstemming met zich mee, om het Nederlandse standpunt voor het voetlicht te brengen. Nederland heeft een aantal hervormingsvoorstellen gedaan die de kosten van het structuur- en cohesiebeleid moet beperken zonder de nieuwe toetreders te benadelen. De door Nederland voorgestane cohesiebenadering heeft als kern dat de huidige rijke en relatief rijke landen van de EU respectievelijk geen dan wel minder steun moeten ontvangen. Dit Nederlandse standpunt is inmiddels een factor van betekenis geworden in de onderhandelingen. Daarbij valt bijvoorbeeld te constateren dat ook het Verenigd Koninkrijk ideeën heeft gelanceerd die in dezelfde richting gaan.

Een ander langdurig proces, namelijk de herziening van het Financieel Reglement, is in juni 2002 na uitvoerige besprekingen in het Begrotingscomité onder Spaans voorzitterschap afgesloten: het nieuwe Financieel Reglement, is per 1 januari 2003 in werking getreden. In het Financieel Reglement wordt een aanzet gegeven tot een vorm van VBTB-begroting op Europees niveau, in de vorm van het zogenaamde Activity Based Budgeting. De introductie van een volgende logische stap in dit proces naar een nieuwe manier van Europees begroten moet in de volgende jaren gestalte krijgen, evenals de modernisering van het boekhoudstelsel van de Commissie. Al deze maatregelen ter modernisering van de werking van de Commissie, van de modernisering van de wijze van begroten tot de verantwoording van de bestede middelen, vloeien voort uit het Witboek over hervorming van de Commissie uit maart 2000, dat een reactie vormde op het gedwongen aftreden van het voorgaande College.

Voor een overzicht van de omvang van de Financiële Perspectieven, de marge tussen de Financiële Perspectieven en het Eigen Middelen-plafond, de marge tussen de EU-begroting en de Financiële Perspectieven, en de omvang van de Nederlandse (bruto en netto) afdracht aan de EU zij verwezen naar het gepubliceerde overzicht in de afgelopen Staat van de Unie.

6.4.2.2 Operationele doelstelling 2 Economische en Monetaire Unie (EMU)

Het bevorderen van een stabiele en gezonde Economische en Monetaire Unie (EMU), door een stabiele macro-economische ontwikkeling in de huidige en toekomstige EMU-landen na te streven.

Nederland heeft zich het afgelopen jaar sterk ingezet voor een strikte naleving en juiste interpretatie door de lidstaten van de Europese afspraken. De discussie hierover speelde in de Eurogroep en de Ecofin, waarover de Tweede Kamer gedurende het jaar meermaals is geïnformeerd in geannoteerde agenda's en verslagen.

Nederland heeft in de eerste plaats in 2002 het belang van het Stabiliteits- en Groeipact en het vereiste van «close to balance or in surplus» benadrukt. Door de internationale groeivertraging in 2001 en 2002 kon niet voorkomen worden dat een aantal lidstaten uit de pas ging lopen met de Europese begrotingsregels. In die gevallen heeft Nederland zich ingezet voor het nemen van de juiste maatregelen. Nederland steunde in dit licht in begin 2002 openlijk het initiatief van de Commissie om een voortijdige waarschuwing te richten aan Duitsland en Portugal. Deze steun heeft bijgedragen aan de garanties van beide lidstaten om de komende jaren maatregelen te nemen om op de middellange termijn een begrotingssituatie nabij evenwicht of in overschot te behalen. Desondanks bleek in 2002 dat Portugal het voorafgaande jaar een tekort van meer dan 3% BBP had geboekt en doorbrak ook Duitsland in 2002 de 3%-grens. Nederland onderschreef daarom het opstarten van de buitensporige tekort procedure tegen Portugal en Duitsland. Ook steunde Nederland eind 2002 het voorstel van de Commissie een early warning te richten aan Frankrijk.

Nederland heeft zich daarnaast hard gemaakt voor handhaving van een strikte interpretatie van het Pact in lijn met de afspraken daarover in het Strategisch Akkoord. Door deze inzet heeft Nederland bijgedragen aan de juiste richting van de discussies in de EU-Ministerraden, de Eurogroep en voorportalen daarvan over het al dan niet aanpassen van het Pact. Eind 2002 presenteerde de Europese Commissie op basis van deze discussies een aantal voorstellen die het Stabiliteits- en Groei Pact intact houden en de coördinatie van het Europese begrotingsbeleid verder kunnen versterken en aanscherpen. De discussie hierover wordt in 2003 voortgezet.

Met betrekking tot de overige Europese economische coördinatieprocessen, waaronder de Globale Richtsnoeren voor het economisch beleid en (onderdelen van) het Lissabon proces, heeft Nederland ingezet op strikte richtlijnen en duidelijke deadlines. Nederland heeft beoogd de naleving van richtlijnen en de prestaties van lidstaten te verbeteren. In dit licht heeft Nederland ook het voorstel van de Commissie gesteund om de Europese economische coördinatieprocessen (zoals de Globale Richtsnoeren en het werkgelegenheidsbeleid) te stroomlijnen. Zo wordt meer transparantie en efficiëntie bereikt en kan eveneens meer aandacht uitgaan naar de implementatie van maatregelen.

Naar verwachting zullen de kandidaat-lidstaten op termijn toetreden tot de Eurogroep. Nederland hechtte daarom in het afgelopen jaar groot belang aan het verkrijgen van de garantie – en het heeft daarop ook sterk aangedrongen – dat de economische en structurele hervormingen in de kandidaat-lidstaten ook na toetreding tot de Unie zouden worden voortgezet. Mede door de Nederlandse inspanning is in de conclusies van de Europese Raad van Kopenhagen opgenomen dat de ministers de monitoring van economische, budgettaire en structurele hervormingen in de kandidaat-lidstaten in 2003 en na toetreding van deze landen binnen de bestaande processen zullen voortzetten.

In de stabiliteits- en convergentieprogramma's van 2001/2002 moest voor het eerst, mede dankzij Nederland, verplicht aandacht worden besteed aan de lange-termijn houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Bij de beoordeling van de programma's heeft de Ecofin de lange-termijn houdbaarheid serieus ter harte genomen, wat zich uitte in de Raadsopinies die allen aandacht besteedden aan de vergrijzing en in voorkomende gevallen ook opriepen tot maatregelen om de lange-termijn houdbaarheid van de overheidsfinanciën te garanderen. In de programma's 2002/2003 wordt wederom aandacht besteed aan dit onderwerp, waarbij een verbetering van de analyse ten opzichte van vorig jaar is op te merken.

Voor een overzicht van het functioneren van de EMU zij verwezen naar het gepubliceerde overzicht in de afgelopen Staat van de Unie (Kamerstukken II 2002/03, 28 604).

6.4.2.3 Operationele doelstelling 3 Internationale financiële en monetaire stelsel

Bevorderen van de stabiliteit van het internationale financiële en monetaire stelsel, via Nederlandse deelname in internationale fora zoals IMF, G-10, en OESO.

Aangespoord door Nederland via de Raad van Bewindvoerders, de Raad van Gouverneurs, de G10, de Ecofin en bilaterale contacten heeft het Internationaal Monetair Fonds in 2002 belangrijke nieuwe stappen gezet ter versterking van de internationale financiële architectuur. Zo besteedt het Fonds op basis van de tweejaarlijkse beoordeling van zijn surveillancetaak en de recente ervaringen in Turkije en Latijns-Amerika voortaan bijzondere aandacht aan schuldhoudbaarheidsanalyses. Het heeft hiertoe een raamwerk ontwikkeld om de houdbaarheid van de nationale schuldontwikkeling te beoordelen aan de hand van basisprojecties en uitgebreide stresstests. Dit is essentieel voor een beter financieel-economische beleid in de landen, een soepele werking van internationale kapitaalmarkten en verantwoorde kredietbeslissingen door het Internationale Monetaire Fonds (IMF).

Daarnaast is afgesproken dat IMF surveillance transparanter, doortastender en onafhankelijker moet worden, onder meer door rekenschap af te leggen over eerdere advisering en de mate waarin landen die hebben opgevolgd. Ten slotte hebben het IMF en de Wereldbank hun activiteiten voortgezet op twee andere pijlers van het crisispreventiebeleid: Financial Sector Assessment Programs (FSAP) en de Reports for the Observance of Standards and Codes (ROSC). In de FSAP-beoordelingen, waaraan Nederland in 2003 zal worden onderworpen, wordt de financiële sector en het toezicht daarop doorgelicht. Aan de internationale standaarden is dit jaar een module toegevoegd over de strijd tegen terrorismefinanciering en het witwassen. Om de Nederlandse steun aan deze laatste missie kracht bij te zetten heeft de minister van Financiën tijdens de laatste IMF/WB Jaarvergadering een financiële bijdrage toegezegd voor technische assistentie op dit terrein (€ 400 000 ten laste van de begroting van Buitenlandse Zaken verantwoord).

Ook op het terrein van crisisresolutie is belangrijke voortgang geboekt. Het IMF is met een nadere uitwerking gekomen van een formele surseanceregeling voor een ordelijke herstructurering van overheidsschulden van crisislanden, die uiteindelijk in de Articles of Agreements van het IMF zou moeten worden verankerd. Complementair hieraan wordt door de G10, in samenwerking met de G7, het IMF en de EU, inhoud gegeven aan een contractuele benadering die is gebaseerd op de opname van collective action clauses (CAC's) in obligatiecontracten. In dit verband is het positief dat de Ecofin – met uitdrukkelijke steun van Nederland – in september 2002 overeengekomen is CAC's op te nemen in internationale obligaties. Beide benaderingen vormen een uitwerking van het beleid om de betrokkenheid van particuliere sector bij het oplossen van financiële crisis te vergroten.

In het afgelopen jaar heeft het Nederland in het bijzonder aangedrongen op nieuwe conditionaliteitsrichtlijnen, die tijdens de Jaarvergadering zijn aangenomen. De nieuwe richtlijnen beogen dat voorwaarden van IMF-leningen worden beperkt tot condities die cruciaal zijn voor het realiseren van macro-economische doelstellingen. Een voorlopige evaluatie1 geeft aan dat de pogingen hiertoe vooral bij programma's aan lage-inkomenslanden redelijk succesvol zijn. Daarnaast heeft het IMF zich voorgenomen om meer te sturen op beoogde resultaten en minder op specifieke maatregelen met als doel het ownership in landen en daarmee de duurzaamheid van het aanpassingsprogramma te bevorderen. Ook heeft Nederland bijval gekregen in zijn pleidooi voor een doelmatige coördinatie tussen het IMF en de Wereldbank ten aanzien van conditionaliteit.

Nederland heeft een voortrekkersrol gespeeld met betrekking tot een constructieve betrokkenheid van het Fonds in lage inkomenslanden. Het heeft zowel een inhoudelijke als financiële bijdrage geleverd aan de oprichting van de African Technical Assistance Centers (AFRITAC's), die tot doel hebben het nationale beleid gericht op armoedebestrijding met advies en training te ondersteunen (€ 250 000). Ook draagt Nederland meerjarig een totaal van ca. € 275 mln. bij aan de financiering van het Heavily Indebted Poor Countries (HIPC-) initiatief en de Poverty Reduction and Growth Facility (PRGF) en het rentesubsidiefonds voor post-conflictlanden (US$ 2 mln.). Genoemde bedragen zijn op de begroting van Buitenlandse Zaken verantwoord. Een en ander is niet zonder resultaat gebleven. Uit een interne PRGF-evaluatie2 bleek onder meer dat het maatschappelijk draagvlak voor aanpassingsprogramma's was versterkt, de begrote uitgaven aan gezondheidszorg en onderwijs elk jaar met tien procent stijgen, meer dan driekwart van de programma's maatregelen bevat om het begrotingsbeheer te verbeteren en de belastinggrondslag te verbreden en PRGF-programma's steeds vaker een analyse van de effecten van het beleid op armoede bevatten.

Ten slotte heeft het nieuwe Onafhankelijke Evaluatiekantoor van het IMF zijn eerste studie uitgebracht over het langdurig beroep van sommige landen op IMF-krediet. Tijdens de afgelopen twee decennia is deze groep uitgegroeid tot een derde van alle IMF-leden, mede door de bewuste keuze van het IMF om actiever betrokken te zijn in lage inkomenslanden. In andere gevallen komt het veelal voort uit gebrekkige voortgang in het uitvoeren van een aanpassingsprogramma. De aanbevelingen in de rapportage zullen door speciale IMF Taakgroep nader worden besproken en uitgewerkt.

Zowel voor als na de halfjaarlijkse vergaderingen van het International Monetary and Financial Committtee/Development Committee (IMFC/DC) is de Tweede Kamer in 2002 geïnformeerd over IMF-aangelegenheden. In 2003 zal bovendien een vierjaarlijkse rapportage worden opgesteld over de internationale financiële en monetaire stelsel en de rol die Nederland daarin speelt.

Voor een overzicht van IMF-activiteiten zij verwezen naar de «Overzichtstabel indicatoren van de Internationale Financiële Instellingen».

6.4.2.4 Operationele doelstelling 4 Financieel-economische ontwikkeling, structuurversterking en armoedebestrijding

Bevorderen van financieel-economische ontwikkeling, structuurversterking en armoedebestrijding in minder ontwikkelde landen en transitielanden, via internationale financiële instellingen (IFI's). De financiële soliditeit van deze instellingen heeft, om te voorkomen dat het Nederlands garantiekapitaal wordt ingeroepen, extra aandacht.

In het jaar 2002 heeft het Ministerie van Financiën zoals gebruikelijk in nauwe samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Nederlandse standpuntbepaling in de multilaterale ontwikkelingsbanken vormgegeven. Via de Raden van Bewindvoerders en Raden van Gouverneurs heeft Nederland zijn invloed op de beleidsvorming van de multilaterale ontwikkelingsbanken uitgeoefend. Uiteraard is deze beleidsvorming normaliter bankspecifiek, maar enkele onderwerpen kwamen terug in de beleidsdiscussies van verschillende banken. Hierbij kan gedacht worden aan een grotere nadruk dan voorheen op resultaatgerichte inspanningen, de discussie schenkingen-versus-leningen – die o.m. speelde bij de onderhandelingen over middelenaanvullingen van de concessionele fondsen – en de vraagstukken rondom de additionaliteit van financiering door multilaterale banken. Ook is er, mede in het licht van de mondiale teruggang van de economie, in het afgelopen jaar meer aandacht gekomen voor het belang van de financiële soliditeit van de multilaterale banken. Nederland participeert actief in deze discussies bij verschillende banken, die overigens in 2002 nog niet zijn afgerond.

Belangrijke momenten in 2002 waren de afronding van de onderhandelingen over de kapitaalverhoging bij de Europese Investeringsbank (EIB), twee middelenaanvullingen – de middelenaanvulling van de International Development Association (IDA-13) en de aanvulling van het African Development Fund (AfDF-9) – en de Nederlandse toetreding tot het Multilateraal Investeringsfonds (MIF) van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB).

• Wereldbank-groep (IBRD, IDA, IFC, MIGA)

In 2002 zijn de IDA-13 onderhandelingen over een nieuwe middelenaanvulling afgerond. Uitkomst hiervan was onder andere de introductie van een schenkingenloket van 18 tot 21% van de totale IDA-13-omvang. Ondanks aandringen van Nederland is nog geen toereikende oplossing gevonden voor de volledige dekking van kosten die op termijn ten laste van IDA zullen komen. Het gaat met name om de financiering van het schenkingenloket en het HIPC-initiatief. Deze onderwerpen zullen tijdens de tussentijdse evaluatie van IDA-13 (eind 2003) en de volgende onderhandelingsronde (IDA-14) wederom aan de orde komen. Het Nederlandse aandeel in de financiering van de totale IDA-13-middelenaanvulling is gelijk gebleven aan dat van IDA-12. De kamer is hierover separaat geïnformeerd (nr.BFB 2002/916M; 15-10-2002).

• Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank-groep (IDB, FSO, IIC, MIF)

De herziening van het leenraamwerk van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) is in januari 2002 voltooid, maar de daaropvolgende voorziene herziening van het uitleeninstrumentarium van de IDB is in 2002 niet van start gegaan. Naar verwachting gebeurt dat dit jaar. Tijdens de jaarvergadering heeft Nederland het belang van de participatie van de private sector, gerichte handelsliberalisatie in ontwikkelings- én ontwikkelde landen en een resultaatgerichte werkwijze benadrukt. Het rapport van de External Advisory Group over de toekomst van de IDB is door Nederland met gemengde gevoelens ontvangen. De discussie hierover loopt ook in 2003 door. In 2002 is Nederland tot het MIF, het fonds voor het klein- en microbedrijf in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied, toegetreden.

• Aziatische Ontwikkelingsbank-groep (AsDB, AsDF)

De Aziatische Ontwikkelingsbank (AsDB) heeft in het jaar 2002 – door Nederland gesteund – verder invulling gegeven aan de reorganisatie, waarvan het de bedoeling is te komen tot een betere afstemming tussen de uitvoering van de armoedestrategieën en de organisatiestructuur. Nederland heeft herhaaldelijk gewezen op nog te finaliseren aspecten van de reorganisatie. Daarnaast heeft Nederland ook in 2002 scherp oog gehad voor het continueren van een solide financieel beleid en een transparante en tijdige financiële rapportage. De huidige kapitaalmiddelen zijn op dit moment toereikend; er is nog geen begin gemaakt met onderhandelingen voor een kapitaalverhoging (GCI-5). Desalniettemin heeft Nederland bij de Bank aangedrongen tijdig met de GCI-5 onderhandelingen te beginnen om de financiële soliditeit van de Bank niet in gevaar te brengen. Nederland heeft tevens bij de Bank aangedrongen op het aanpassen van de Inspectie Functie om zo de Bank meer in lijn te brengen met de heersende normen op het gebied van accountability.

• Afrikaanse Ontwikkelingsbank-groep (AfDB, AfDF)

In 2002 is een akkoord bereikt over de middelenaanvulling van het AfDF. Nederland zal hiervan 3,7% financieren, hetgeen meer is dan oorspronkelijk voorzien. Redenen hiervoor waren het feit dat de prioriteiten die voor ADF-9 zijn geformuleerd – met uitzondering van de omvang van het schenkingenloket – in hoge mate overeenkomen met de beleidsprioriteit voor Afrika en dat er concrete stappen zijn gezet om de kosten van schenkingen te financieren. Daarbij komt dat Nederland, in vergelijking met andere donoren en zijn ODA-budget (0,8% BNP) een relatief te laag aandeel innam binnen ADF. De Kamer is hierover separaat geïnformeerd (nr. BFB 2002/926M; 13-12-2002). Verder heeft de AfDB voortgang geboekt bij het bestrijden van betalingsachterstanden. HIPC-landen worden hierdoor in staat gesteld om het beslispunt te bereiken en tegelijk wordt de financiële positie van de AfDB-groep verbeterd. Tenslotte is vooruitgang geboekt met de reorganisatie van de bank en is een middellange-termijn strategie opgesteld, waardoor de bank in de toekomst slagvaardiger en klantgerichter zal kunnen opereren. Eind 2002 is de politieke situatie in vestigingsland Ivoorkust dusdanig verslechterd dat het een normaal opereren van de Bankgroep ernstig gehinderd heeft.

• Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD)

Gedurende 2002 heeft Nederland zich actief ingezet voor uitbreiding van operaties van de EBRD in de armste lidstaten van de Bank. Meer in het bijzonder heeft Nederland daarbij aandacht gevraagd voor de positie van kiesgroeplid Mongolië, waar de Bank vooralsnog geen projecten uit kan voeren. Helaas hebben de Nederlandse inspanningen op dit vlak nog geen concreet resultaat opgeleverd. Verder heeft Nederland ten aanzien van EBRD-operaties in de kandidaat-lidstaten met succes diverse malen het belang benadrukt van beleidscoherentie met de EIB.

• Europese Investeringsbank (EIB, EIB-Lomé en Cotonou)

Bij de in 2002 overeengekomen kapitaaluitbreiding (gefinancierd uit de eigen middelen van de EIB) heeft Nederland bewerkstelligd dat deze gebonden wordt aan de voorwaarde dat EIB-kredietverlening zich nadrukkelijker moet richten op projecten waarbij de EIB een duidelijke toegevoegde waarde kan bieden. De nieuwe overeenkomst met de voormalige koloniën van de EU-landen (de zgn. ACS- en LGO-landen), waarbinnen de EIB een mandaat krijgt op het vlak van private sectorontwikkeling, zal naar verwachting pas in 2003 in werking treden. Eerder werd nog uitgegaan van 2002. Op basis van een Nederlands voorstel is tevens overeenstemming bereikt over de bestuursstructuur van de EIB na toetreding van de Kandidaat-Lidstaten tot de Bank.

Voor een overzicht van de omvang van de uitgeleende middelen van de IFI's, het Nederlandse aandeel in de instellingen en de financiële positie van de instellingen zij verwezen naar de «Overzichtstabel indicatoren van de Internationale Financiële Instellingen».

Tabel 6.14 Overzicht indicatoren van de Internationale Financiële Instellingen
Internationale Financiële Instelling Omvang goedgekeurde leningenAantal goedgekeurde leningenRating1NL aandeel
    S & PMoody's 
Internationaal Monetair FondsIMFSDR 40,4 mld.202,4%
       
WereldbankgroepIBRDUSD 11,5 mld. 96AAAAaa2,3%
 IFCUSD 3,8 mld.223AAAAaa2,4%
 MIGAUSD 1,2 mld.583,3%
 IDAUSD 8,1 mld.1333,7%
       
Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank-groepIDBUSD 4,2 mld. 62AAAAaa0,3%
 IICUSD 114 mln.20AAAa21,5%
 FSOUSD 410 mln.250,4%
 MIFUSD 94 mln.670,9%
       
Aziatische Ontwikkelingsbank-groepAsDBUSD 5,7 mld.93AAAAaa1,0%
 AsDFUSD 1,6 mld.532,2%
       
Afrikaanse Ontwikkelingsbank-groepAfDBSDR 875 mln.30AA+Aaa0,8%
 AfDFSDR 662 mln.762,9%
       
Europese Bank voor Wederopbouw en OntwikkelingEBRD€ 4,2 mld.116AAAAaa2,5%
       
Europese InvesteringsbankEIB€ 58,8 mld.373AAAAaa4,9%

1 « – » betekent geen rating.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:het bevorderen van een duurzame internationale financieel-economische ontwikkeling, monetaire stabiliteit en een beheerste ontwikkeling van EU-uitgavenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen511 777678 955– 167 178
waarvan betalingsverplichtingen505 565282 937222 628
waarvan garantieverplichtingen6 212396 018– 389 806
    
Uitgaven156 285179 185– 22 900
Programma-uitgaven153 256176 851– 23 595
Doelst. 4 Fin.-econ. ontwikkeling, structuurversterking en armoedebestrijding   
Deelneming multilarale ontwikkelingsbanken en -fondsen153 256176 851– 23 595
    
Apparaatsuitgaven3 0292 334695
    
Ontvangsten7 7555 1632 592
Doelst. 4 Fin.-econ. ontwikkeling, structuurversterking enarmoedebestrijding   
Programma-ontvangsten7 7555 1632 592

Verplichtingen

In 2002 is Nederland twee nieuwe betalingsverplichtingen aangegaan, voor respectievelijk de 9e middelenaanvullingen van AfDF en de 13e aanvulling van IDA. De Kamer is hierover door middel van 2 brieven separaat geïnformeerd (nr. BFB 2002/926M; 13-12-2002 en BFB 2002/916M; 15-10-2002).

Voor beide verplichtingen geldt dat het verschil vooral verklaard wordt doordat de aangegane verplichtingen voortvloeiende uit de onderhandelingsovereenkomsten hoger waren dan de in de begroting verwerkte stelposten.

Bij de garantieverplichtingen wordt het verschil verklaard doordat de voor 2002 voorziene kapitaalverhoging van de Aziatische Ontwikkelingsbank (AsDB) eerst in 2003 wordt verwacht. Verder was voorzien dat er een toename zou zijn van de garanties aan de EIB uit hoofde van de verdragen van Lomé en Cotonou als gevolg van het inwerkingtreden van het verdrag van Cotonou. Nederland heeft het verdrag in 2002 geratificeerd, maar omdat België het verdrag nog moet ratificeren heeft de inwerkingtreding in 2002 niet plaatsgevonden. De garantieverplichting is zodoende in 2002 niet gerealiseerd. In de begroting was voorts een stelpost opgenomen met het oog op een mogelijke deelneming door DNB in de door de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) te verstrekken kredietfaciliteiten. In 2002 zijn geen kredieten door de BIS verstrekt.

Uitgaven

Het verschil van – € 23,6 mln. heeft voornamelijk betrekking op een bijdrage in de middelen van de Internationale Ontwikkelingssassociatie (IDA) van € 25,9 mln. die in plaats van in januari 2002 eind 2001 betaald is. Na het bekend worden van de laatste inzichten in de beschikbare budgettaire ruimte voor HGIS in 2001 is op voorstel van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking besloten genoemde betaling te verrichten.

Een voor Nederland gunstige ontwikkeling van de koers van de Amerikaanse dollar ten opzichte van de euro (zie ook grafiek) heeft eveneens bijgedragen aan het negatieve verschil. Sinds juni viel deze hoger uit dan de geraamde gemiddelde koers voor 2002 en daardoor zijn de betalingen van het Nederland in dollar goedkoper uitgevallen in euro.

Figuur 6.7 Koersontwikkeling 2002 dollar / eurokst-28880-20-10.gif

Ontvangsten

De hogere programma-ontvangsten zijn met name ontstaan door terugontvangsten van de EIB inzake betalingen die in het verleden zijn gedaan in het kader van de overeenkomsten van Lomé.

6.5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

6.5.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bevorderen van een gezonde concurrentiepositie voor het bedrijfsleven wat betreft risico's verbonden aan export en investeringen in het buitenland die niet door de markt kunnen worden gedragen.

Omdat de markt onvoldoende in staat is om risico's van export en buitenlandse investeringen te verzekeren, is de Nederlandse overheid bereid onder bepaalde voorwaarden risico's, die niet door de markt kunnen worden gedragen over te nemen teneinde een gezonde concurrentiepositie van het nationale bedrijfsleven te bevorderen. Een tweetal instrumenten, de exportkredietverzekering (EKV) en de Regeling herverzekering investeringen (Rhi), is in 2002 ingezet om dit marktfalen te verhelpen. Over de vorm en de inzet van het EKV en Rhi instrumentarium heeft ook in 2002 nauwe beleidsafstemming met het ministerie van Economische Zaken plaatsgevonden.

VerantwoordelijkheidSysteem- en resultaatverantwoordelijkheid
Wettelijke grondslagWet van 31 januari 1996, houdende regels betreffende de financiële verstrekkingen ten laste van de begroting van het ministerie van Financiën (Staatsblad 1996.98); ministeriële regeling nr. 183/1988 dd 14 juni 1983 (Stcrt. 1983, 132) en de ministeriële regeling van 15 oktober 1997 (Stcrt. 1997, 193)

6.5.2 Operationele doelstellingen

6.5.2.1 Operationele doelstelling 1 Herverzekeren van risico's door de Staat

Het herverzekeren door de Staat van aanvaardbare risico's verbonden aan export en investeringen in het buitenland die niet door de markt kunnen worden gedragen.

De Staat neemt risico's over door deze risico's via de EKV en de Rhi in herverzekering te nemen. GERLING NCM heeft toestemming om dit soort verzekeringen of garanties tegen betaling van premies bij de Staat te herverzekeren en draagt zorg voor de uitvoering. In 2002 is voor ruim € 4 mld. aan risico's verzekerd onder de EKV en de Rhi.

Ook bij herverzekering door de Staat is rekening gehouden met het feit dat één en ander niet mag indruisen tegen internationale afspraken. In dit verband was de in 2001 ingevoerde milieutoets in 2002 voor 10 aanvragen aanleiding om een onafhankelijke milieubeoordeling te vragen. Sinds begin 2002 zijn bovendien bepalingen met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen in de polis opgenomen.

In 2002 zijn verschillende maatregelen genomen om de aanbevelingen uit de evaluatie van de verzekeringsfaciliteiten (uitgevoerd in 2000) verder op te volgen. Innovatief was de proef die gedaan is met het onder voorwaarden afkopen van het eigen risicodeel (tegen marktwaarde) van verzekerden in de geconsolideerde schuld van Polen. Het doel is een dienst aan te bieden aan verzekerden die het om administratieve overwegingen bezwaarlijk vinden het eigen risico-deel van de vordering voor lange tijd in hun boeken te houden. In 2003 zal deze eerste proef van afkoop van het eigen risico op Polen geëvalueerd worden, aan de hand waarvan besloten zal worden over eventuele afkoop van het eigen risicodeel van verzekerden in de geconsolideerde schuld van andere landen.

Een andere aanbeveling uit de voornoemde evaluatie is flexibelere acceptatie van individuele aanvragen. In 2002 is in enkele gevallen maatwerk geleverd. Zo is bijvoorbeeld op verzoek van een klant een nieuw product ontwikkeld in de vorm van een nieuwe polis. Het streven blijft om ook in de toekomst binnen de afgesproken beleidskaders maatwerk te leveren. Sinds 2001 is gehoor gegeven aan een andere aanbeveling uit de evaluatie, namelijk meer aandacht voor het midden- en kleinbedrijf (MKB). Zo is in het stelsel van landenplafonds speciale ruimte gecreëerd voor kleine transacties en is in de Rijkscommissie voor Export-, Import- en Investeringsgaranties een speciaal MKB-lid aangesteld.

Verzekerden krijgen de mogelijkheid het gedekt percentage voor politieke risico's te verhogen naar maximaal 98% voor ORET/MILIEV transacties en onder voorwaarden wanneer meerdere kredietverzekeraars betrokken zijn bij een transactie (zgn. multisourced transacties). Het maximaal gedekt percentage voor commerciële risico's blijft gehandhaafd op 95. Hierover is de Tweede Kamer per brief (kenmerk fin0200275, 17/5/2002) geïnformeerd. Verder is in 2002 gewerkt aan de polismodernisering en de invoering van een positieve risico-omschrijving.

In vervolg op het in 2001 afgeronde marktonderzoek naar het gebruik van de Rhi, is de Rhi in 2002 onderwerp geweest van een werkgroep van de Rijkscommissie. Over de conclusies van het onderzoek is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd (kenmerk fin0200359, 15/7/2002). Naar aanleiding van het onderzoek is inmiddels gestart met modernisering van de regeling. Het streven is de herziening van de regeling in het eerste kwartaal van 2003 af te ronden, zodat deze na goedkeuring door de Europese Commissie nog datzelfde jaar in werking kan treden.

6.5.2.2 Operationele doelstelling 2 Kostendekkendheid van herverzekeringsfaciliteiten

Het streven naar kostendekkendheid van het pakket aan herverzekeringsfaciliteiten.

Kostendekkendheid is vanwege de lange looptijd van risico's een begrip op lange termijn. Schades treden meestal pas enkele jaren nadat een transactie in herverzekering is genomen op. Provenu's kunnen nog vele jaren nadat de schade is uitgekeerd worden ontvangen. Volledig inzicht zal daarom zelfs ver in de toekomst zeer moeilijk te verkrijgen zijn. Niettemin wordt gewerkt aan het verkrijgen van meer inzicht in de kostendekkendheid. Daarvoor zijn een goede bedrijfseconomische resultaatbepaling en completere managementinformatie van groot belang. In 2002 is gewerkt aan aansluiting van de bedrijfseconomische resultaatbepaling op de voorgenomen invoering van het baten-lastenstelsel bij het Rijk. Momenteel wordt bezien op welke wijze de bedrijfseconomische resultaatbepaling verbeterd en in de begroting opgenomen kan worden. Evaluatie van de bedrijfseconomische resultaatbepaling voor berekening van de kostendekkendheid zal in 2006 worden uitgevoerd. Veel voortgang is geboekt met het ontwikkelen van een managementinformatiesysteem EKV (zie verder operationele doelstelling 5).

Vanwege internationale ontwikkelingen en de invoering van de euro is besloten om kritisch te kijken naar de structuur van de huidige koersrisicoverzekering. In dat kader is de Rijkscommissie in 2002 een werkgroep modernisering koersrisicoverzekering gestart. Het onderzoek dat de werkgroep uitvoert richt zich op de vraag hoe het product vorm kan worden gegeven met het doel de (valuta)positie van de Staat beter te kunnen bepalen, het product beter tegemoet te laten komen aan de behoefte van exporteurs en duidelijk aanvullend te laten blijven aan wat de markt kan. De afronding van het rapport wordt in het eerste kwartaal van 2003 verwacht.

De middellange obligoportefeuille van de EKV wordt gekenmerkt door een hoge mate van concentratie op een beperkt aantal debiteurlanden. Door obligoswaps kan het risico beter gespreid worden; obligo op een van de groot-obligolanden wordt dan met een collega-kredietverzekeraar geruild tegen obligo op een land met een beperkt uitstaand obligo. Gezocht wordt naar een geschikte partner om een eerste obligo-swap mee te doen, wat als testcase kan dienen.

6.5.2.3 Operationele doelstelling 3 Minimalisering concurrentieverstoring

Het minimaliseren van concurrentieverstoring tussen landen met als inzet minimalisering van overheidssteun.

Het minimaliseren van concurrentieverstoring tussen landen kan alleen internationaal geregeld worden. Zoals bekend is dat een continu proces. Zo worden in internationaal verband (Consensus, OESO, WTO, EU) afspraken gemaakt over de voorwaarden waarop transacties door de Staat in herverzekering kunnen worden genomen of anderszins gesteund. Nederland participeert actief in deze fora. De belangrijkste onderwerpen die in 2002 op de agenda stonden zijn de volgende.

Vanwege recente WTO paneluitspraken is besloten om de Arrangement (afspraak tussen OESO landen over voorwaarden aan de overheidsgesteunde exportkredieten) meer transparant te maken en waar nodig aan te passen. Nederland heeft een aantal voorstellen ingediend ter verbetering van de Arrangement-tekst evenals een werkdocument waarin wordt aangegeven hoe «pure cover» (het Nederlandse systeem van herverzekeren van exportkredieten, in tegenstelling tot directe kredietverlening door de Staat) binnen de WTO subsidiecode past. Dat is nu onderdeel van de onderhandelingsstrategie van de Europese Unie in de WTO onderhandelingen (Doha).

Verder zet Nederland zich in voor grotere convergentie van en transparantie over debiteurenpremies. In de OESO is op dit gebied inmiddels behoorlijke voortgang geboekt. In het kader van in de OESO gemaakte afspraken over milieu en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) heeft Nederland in 2001 en 2002 de milieutoets geïmplementeerd en voorwaarden over MVO in de polis opgenomen (zie ook operationele doelstelling 1). Nederland heeft zich in 2002 ingezet voor meer transparantie over exportkredietverzekering door meer openbaarmaking van gegevens en meer contact met belanghebbenden (zoals bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en ontvangende landen). In dit kader is ook in Nederland in 2002 een nieuw transparantiebeleid ingevoerd (zie ook operationele doelstelling 5).

In augustus van het afgelopen jaar heeft de «World Summit on Sustain-able Development» (WSSD) in Johannesburg zijn beslag gekregen. De hierboven genoemde afspraken over milieutoets en MVO bepalingen in de polis passen binnen de uitkomsten van de WSSD. De ontwikkelingen van de nieuwe kapitaalsregels voor banken (Bazel II) met betrekking tot EKV en risicoweging worden nauwgezet gevolgd. Naar het zich laat aanzien zijn hieruit mogelijk voortkomende problemen oplosbaar door het overhevelen van de verzekeringsactiviteiten van GERLING NCM ten behoeve van de Staat naar een aparte juridische entiteit (zie operationele doelstelling 5). Om toe te zien op de naleving van internationale afspraken worden jaarlijks verschillende vragenlijsten (bijvoorbeeld over premies, milieu, omkoping, MKB) door de betrokken landen, waaronder Nederland, ingevuld en gerapporteerd. Een aantal daarvan wordt na afronding van de bespreking openbaar gemaakt. Nederland maakt regelmatig, en zeker bij belangrijke beleidswijzigingen, vergelijkingen met andere landen. Voorbeelden zijn vergelijkingen van het landenbeleid, transparantie en het eigen risico van verzekerden. Naar aanleiding van een dergelijke vergelijking zijn per 1 januari 2002 de Nederlandse premies naar beneden bijgesteld.

6.5.2.4 Operationele doelstelling 4 Recuperatie van schades

Het recupereren van uitstaande schades en het treffen van schuldenregelingen voor debiteurenlanden.

In 2002 is er in totaal ruim € 142 mln. aan uitstaande schades gerecupereerd, waarvan het grootste deel door middel van met debiteurenlanden getroffen schuldenregelingen. Overheidsschulden (schulden van de overheid van een debiteurland aan de overheid van een crediteurland) kunnen, wanneer een debiteurland niet meer aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen, op verzoek van een debiteurland worden geherstructureerd in de Club van Parijs. Overheidsschulden van een debiteurland kunnen voortvloeien uit door de overheid van het crediteurland herverzekerde export- of investeringskredieten tegen een commerciële marktrente (commerciële vorderingen) of uit direct door of vanwege deze overheid verleende ontwikkelingskredieten op concessionele voorwaarden (concessionele kredieten).

Een schuldenherstructurering in de Club van Parijs heeft ten doel om de uitvoering van een tussen het debiteurland en het IMF overeengekomen aanpassingsprogramma mogelijk te maken en daardoor de betalingscapaciteit van het betrokken debiteurland ten opzichte van de crediteuren te verbeteren. Voor verschillende categorieën debiteurlanden gelden in de Club van Parijs afgesproken voorwaarden die kunnen variëren van vormen van herfinanciering tot kwijtschelding, afhankelijk van de financieel-economische situatie van het land. Besluitvorming over schuldenregelingen in de Club van Parijs vindt plaats per geval.

Als standaardvormen van herfinanciering van de geconsolideerde schuld zonder dat sprake is van kwijtschelding worden onderscheiden de zogenaamde Klassieke voorwaarden (voor hogerinkomenslanden) en Houstonvoorwaarden (voor middeninkomenslanden). Bij kwijtschelding gelden als standaardvoorwaarden de zogenaamde Napelsvoorwaarden (67% kwijtschelding van de geconsolideerde schuld) voor zeer arme ontwikkelingslanden met hoge buitenlandse schuldverplichtingen en Keulenvoorwaarden (90% kwijtschelding van de geconsolideerde schuld) voor de categorie van de armste ontwikkelingslanden (Highly Indebted Poor Countries, HIPC's). Voor deze laatste categorie verleent Nederland, in navolging van een aantal andere crediteurlanden, een volledige kwijtschelding van de in de Club van Parijs geherstructureerde schuld na het bereiken van het zgn. eindpunt van een 3-jarig IMF-programma gericht op economisch herstel en armoedebestrijding (Poverty Reduction Growth Facility). HIPC-landen waarmee Nederland een structurele ontwikkelingsrelatie heeft, ontvangen reeds 100% kwijtschelding van de geconsolideerde schuldendienstverplichtingen na het bereiken van het zgn. beslispunt van een dergelijk IMF-programma. Kwijtschelding van commerciële schulden van ontwikkelingslanden in de Club van Parijs geldt als ODA en wordt toegerekend aan de 0,8% BNP inspanning voor ODA.

Voorzover deze kwijtschelding van commerciële vorderingen op HIPC's verder gaat dan is vastgelegd in een multilaterale overeenkomst van de Club van Parijs met een individueel debiteurland, dan wordt de kwijtschelding van het proportionele deel van het eigen risico van verzekerden in de betreffende vorderingen aan verzekerden vergoed. Dit staat bekend als compensatie van het eigen risico. De Tweede Kamer is hierover per brief (kenmerk fin0200040, 25/1/2002) geïnformeerd. Tanzania en Mauretanië zijn de eerste landen die het eindpunt van het HIPC programma hebben bereikt in 2002 en waarvoor het eigen risico van de verzekerden voor de extra Nederlandse kwijtschelding zal worden gecompenseerd.

In 2002 was Nederland betrokken bij de volgende Club van Parijs-akkoorden.

Tabel 6.15 Nederlandse betrokkenheid bij Club van Parijs (CvP)-akkoorden
DebiteurlandDatum CvP-akoordVoorwaarden schuldenregeling
IvoorkustApril 2002Lyon flow*
EthiopiëApril 2002Keulen flow
Sierra LeoneJuli 2002Keulen flow
RwandaMaart 2002Keulen flow
GhanaMei 2002Keulen flow
Rep. KongoSeptember 2002Napels flow
TanzaniaJanuari 2002Keulen stock**
MauretaniëJuli 2002Keulen stock
Burkina FasoJuli 2002Keulen stock
NicaraguaDecember 2002Keulen stock

* Flow betreft kwijtschelding van geconsolideerde rente- en aflossingsverplichtingen.

** Stock betreft kwijtschelding van geconsolideerde hoofdsom.

Tabel 6.16 Kwijtschelding commerciële schulden in 2002 (x € 1 mln.)
Kwijtscheldingen na HIPC-beslispunt 
Ivoorkust23,10
Ethiopië0,07
Senegal0,09
Benin0,23
Kameroen1,91
Sierra Leone1,59
Tsjaad0,09
Rwanda0,07
Ghana11,00
Mali0,09
Kongo129,14
  
Kwijtscheldingen na HIPC-eindpunt 
Tanzania-stock53,50
Mauretanië28,90
Burkina Faso4,40
  
Overige CvP-kwijtscheldingen 
Joegoslavië31,11
  
Totaal285,29

6.5.2.5 Operationele doelstelling 5 Doelmatige uitvoering herverzekeringsfaciliteiten

Het creëren van voorwaarden voor een doelmatige uitvoering van de herverzekeringsfaciliteiten op basis van een gelijkwaardige behandeling van aanvragen.

Voor de uitvoering van de herverzekeringsactiviteiten gelden afspraken tussen de Staat, GERLING NCM en DNB. In 2002 zijn stappen ondernomen om de verzekeringsactiviteiten ten behoeve van de Staat onder te brengen in een afzonderlijke juridische eenheid. Dit heeft begin 2003 geresulteerd in een geparafeerde herstructureringsovereenkomst tussen de Staat en GERLING NCM. Deze herstructureringsovereenkomst met GERLING NCM zal in de eerste helft van 2003 worden geïmplementeerd.

Mede op basis van de eerder genoemde evaluatie van de verzekeringsfaciliteiten zijn maatregelen genomen om de kwaliteit van de uitvoering te verbeteren. Voor stroomlijning van de informatievoorziening is in samenwerking met GERLING NCM en DNB begonnen met de ontwikkeling van een management informatiesysteem EKV. Dit heeft in het najaar van 2002 geresulteerd in een testversie. De resultaten daarvan waren bemoedigend. Momenteel wordt het systeem gecompleteerd. De eerste fase van het management informatiesysteem EKV zal in 2003 operationeel worden.

De verbetering van de doorlooptijden is ter hand genomen; vanaf volgend jaar worden daarvoor streefwaarden opgenomen in de begroting. Accountmanagement bij GERLING NCM is in 2001 ingevoerd, evenals het dekkingsadvies.

Een nieuwe beloningsregeling met GERLING NCM, lopend tot en met 2004, is ingegaan. De totale door de Staat te betalen vergoeding bestaat uit een vaste component en een variabele component. Het variabele deel van de kostenvergoeding is afhankelijk van het aantal bij de Staat herverzekerde transacties dat door NCM wordt verwerkt.

Een nieuw transparantiebeleid is ingesteld. Sinds 1 augustus wordt na polisafgifte informatie over transacties gepubliceerd (Kamerstuken II 2001/02, 28 000 IXB, nr. 34). Met verschillende maatschappelijke organisaties is begin 2002 een bijeenkomst gehouden. Met het bedrijfsleven wordt op verschillende manieren overlegd. De Rijkscommissie heeft zich in 2002 over verschillende beleidsonderwerpen gebogen, zoals over de prijsstructuur van dekkingstoezeggingen en dekkingsadviezen. Een beleidsreactie hierop zal uitgaan in de eerste helft van 2003. Over de polismodernisering vindt klankbordoverleg met exporteurs plaats. Waar GERLING NCM normaal het aanspreekpunt voor exporteurs is, vroeg ook in 2002 de aard van een aanvraag tot herverzekering soms om direct overleg tussen de Staat en de betreffende exporteur.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:Het bevorderen van een gezonde concurrentiepositie voor het bedrijfsleven wat betreft risico's verbonden aan export en investeringen in het buitenland die niet door de markt kunnen worden gedragenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen4 037 47711 799 632– 7 762 155
waarvan betalingsverplichtingen13 38213 576– 194
Kostenvergoeding NCM11 90712 695– 788
    
waarvan garantieverplichtingen4 024 09511 786 056– 7 761 961
EKV4 003 09511 332 276– 7 329 181
RHI21 000453 780– 432 780
    
Uitgaven94 190112 189– 17 999
Programma-uitgaven80 81598 613– 17 798
    
Doelst. 1 Herverzekeren door de Staat   
EKV-schades80 81598 613– 17 798
RHI-schades000
    
Apparaatsuitgaven13 37513 576– 201
Personeel en materieel1 468881587
Kostenvergoeding NCM11 90712 695– 788
    
Ontvangsten168 050172 890– 4 840
Programma-ontvangsten168 050172 890– 4 840
    
Doelst. 1 Herverzekeren door de Staat   
Premies EKV24 19634 034– 9 838
Premies RHI1 5424541 088
Doelst. 4 Recupereren schades   
Schaderestituties EKV142 312138 4033 909

Verplichtingen

Hoewel er in 2002 meer nieuwe kredieten zijn verzekerd dan in 2001, is het totaal van uitstaande verplichtingen gedaald. Dit wordt verklaard doordat er meer verzekeringen zijn komen te vervallen dan dat er nieuwe verzekeringen zijn aangegaan. Zoals bekend kunnen het aantal en de bedragen van de afgegeven verzekeringen sterk fluctueren.

Uitgaven

De schade-uitkeringen vallen lager uit dan aan het begin van 2002 was voorzien. Sommige dreigende schades zijn tegen de verwachting in toch binnen de wachttermijn opgelost en hebben daarom niet geleid tot een schade-uitkering.

Ontvangsten

De premieontvangsten waren in 2002 aanzienlijk lager dan werd verwacht. De verwachtingen waren gebaseerd op de realisaties van voorgaande jaren, waarbij was uitgegaan van een licht negatief effect als gevolg van de in 2002 ingegane premiebijstelling. Ondanks dat de omvang van de verzekerde bedragen groter is dan vorig jaar, zijn de premie-ontvangsten lager. Dit wordt verklaard doordat de premie-ontvangsten niet alleen afhankelijk zijn van de bedragen van de afgegeven verzekeringen, maar ook van de risicocategorie waarin wordt verzekerd.

De realisaties van de schaderestituties komen redelijk overeen met hetgeen begroot was; hoewel de grootste betalers van vorig jaar (Argentinië en Nigeria) dit jaar slechts een (zeer) geringe bijdrage in de aflossing van hun schulden deden, werd er over het algemeen onder de Club van Parijs-akkoorden goed betaald.

6.6 Staatsloterij

6.6.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het mede reguleren van de kansspelmarkt door het uitvoeren van de Staatsloterij. Hiermee wordt een opbrengstenstroom voor de schatkist gerealiseerd.

VerantwoordelijkheidSysteemverantwoordelijkheid
Wettelijke grondslagWet op de Kansspelen (Wet van 10 december 1964, Stb. 1964, 483); Beschikking van 15 juni 1992 (Stcrt 1992, 121)

Op grond van de Wet op de Kansspelen (artikel 9, eerste lid) kan de minister van Financiën een vergunning verlenen voor het organiseren van de Staatsloterij. De uitvoering van de Staatsloterij is, bij beschikking van 15 juni 1992, in handen gelegd van de Stichting Exploitatie Staatsloterij (SENS). De afdracht aan de Staat is de resultante van de omzet van de Staatsloterij na aftrek van de uitgekeerde prijzen en ter uitvoering van de Staatsloterij gemaakte kosten. De omzet hangt samen met de ontwikkelingen van het marktaandeel en de autonome groei van de kansspelmarkt.

Eind 2001 heeft de Tweede Kamer ingestemd met een nieuw kansspelbeleid. Het kansspelbeleid beoogt de komende jaren de verschillende vergunningvoorwaarden van de loterijen, waaronder de Staatsloterij, te harmoniseren. Op verzoek van de Tweede Kamer wordt het overgangsproces geregeld gevolgd. Zo is de Tweede Kamer met een eerste voortgangsrapportage in de zomer van 2002 (Kamerstukken II 2001/02, 24 557, nr. 257) nader geïnformeerd over de voortgang van het project Kansspelen.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:Het mede reguleren van de kansspelmarkt door het uitvoeren van de Staatsloterij. Hiermee wordt een opbrengstenstroom voor de schatkist gerealiseerdRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Ontvangsten84 624134 589– 49 965
Programma-ontvangsten84 624134 589– 49 965
    
Algemene doelstelling   
Afdracht SENS84 624134 589– 49 965

De afdracht SENS is lager uitgekomen dan was begroot. Dit komt ten eerste omdat de groei van de omzet in 2002 lager is geweest dan aan het begin van het jaar werd verwacht. Daarnaast was de SENS vanwege een krappe liquiditeitspositie genoodzaakt om de voorafdracht over het vierde kwartaal naar beneden bij te stellen.

De ontwikkeling van de omzet en de afdracht Staatsloterij vanaf 1994, alsmede die van de prijzen en kosten zijn hieronder weergegeven. Bij onderstaande gegevens moet in ogenschouw genomen worden dat deze vooral een referentiemaatstaf zijn. De ontwikkeling van de totale kansspelmarkt en het marktaandeel van de SENS zijn autonome grootheden. Vanwege dit gegeven en het feit dat de afdracht aan de Staat een resultante vormt van omzet, prijzen en kosten kan het ministerie de hoogte van de afdracht nauwelijks beïnvloeden.

Tabel 6.17 Ontwikkeling omzet, afdracht, kosten en prijzen
 19951996199719981999200020012002
Omzet390419472514575596659689
Kasafdracht657488969613112785
Kosten545971687692115148
Prijzen265284318344386398428458
Marktaandeel45464847484848n.b.

6.7 Beheer materiële activa

6.7.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het doelmatig beheren en verkopen van roerende en onroerende zaken van het Rijk en het bevorderen van een optimale allocatie van onroerende zaken benodigd voor het Rijk.

Deze beleidsdoelstelling wordt binnen het ministerie van Financiën uitgevoerd door de dienst Domeinen (zie operationele doelstellingen 1 en 2) en door de projectdirectie Vastgoed (zie operationele doelstelling 3). Domeinen is een facilitaire organisatie voor overheidsorganisaties op het gebied van vastgoed en bij de verkoop en bewaring van roerende goederen.

De algemene beleidsdoelstelling wordt uitgevoerd door middel van de instrumenten verwerving, beheer en vervreemding van materiële activa. Daarnaast wordt intensieve samenwerking nagestreefd tussen de vastgoedbeherende departementen gericht op het tijdig en zo goedkoop mogelijk beschikbaar hebben van vastgoed voor publieke doelen van het Rijk. Onderstaand is aangegeven op welke wijze de algemene doelstelling is geconcretiseerd in drie operationele doelstellingen.

VerantwoordelijkheidDe verantwoordelijkheid van de minister van Financiën is voornamelijk een systeemverantwoordelijkheid. Domeinen en de projectdirectie Vastgoed hebben geen financiële verplichtingen bij het resultaat. Doelmatigheid is belangrijk in combinatie met de kwaliteit van de dienstverlening. Deze aspecten komen tot uitdrukking in de prestatiegegevens.
Wettelijke grondslagIn de Comptabiliteitswet 2001 is vastgelegd dat de minister van Financiën verantwoordelijk is voor de uitoefening van het privaatrechtelijk beheer van zaken en het beheer van overtollige zaken van de Staat (artikelen 27, tweede lid, en 19 vijfde lid).

6.7.2 Operationele doelstellingen

6.7.2.1 Operationele doelstelling 1 Bewaring en vervreemding roerende zaken

Efficiënte bewaring en vervreemding van roerende zaken van de Staat.

Domeinen Roerende Zaken wil zo doelmatig mogelijk roerende zaken bewaren en vervreemden voor overheidsorganisaties en hen daarbij adviseren. Uitgangspunt hierbij is kostendekkende dienstverlening.

De instrumenten die Domeinen Roerende Zaken hanteert om deze doelstelling te bereiken zijn opslag en verkoop. Hiervoor heeft Domeinen een directie roerende zaken en vijf regio-eenheden ingericht, die geografisch zijn verspreid over het land. Deze regio-eenheden bewaren in beveiligde opslagplaatsen goederen die door Justitie in beslag zijn genomen. Op basis van een beslissing van de strafrechter of het Openbaar Ministerie worden de zaken teruggegeven aan de beslagene, dan wel worden zij verkocht of vernietigd.

Het realiseren van de doelstelling wordt gemeten met prestatiegegevens. Hieronder worden in tabelvorm de realisaties met betrekking tot deze prestatiegegevens afgezet tegen wat begroot was in 2002.

Tabel 6.18 Prestatiegegevens operationele doelstelling 1
 Begroting 2002Realisatie 2002
De kostendekkendheid van de bewaartaak70%72%
De kostendekkendheid van de verkooptaak70%67%
De gemiddelde bezettingsgraad80%75%
Klanttevredenheid67,2

De afwijking bij de gemiddelde bezettingsgraad (75% in plaats van 80%) is te wijten aan de verhuizing naar een grotere opslagplaats, waardoor tijdelijk een hogere onderbezetting is opgetreden. Voor klanttevredenheid is een 7,2 behaald, de doelstelling was een 6. Domeinen Roerende Zaken haalde vooral goede scores op het gebied van integriteit, klantvriendelijkheid en vakbekwaamheid.

In 2002 zijn, naast de reguliere activiteiten met betrekking tot de efficiënte bewaring en vervreemding van roerende zaken, de onderstaande beleidsactiviteiten verricht om de doelstelling te bereiken.

Landelijk beslaghuis

In 2002 is in overleg met Justitie en Politie gewerkt aan de voorbereiding van het Landelijk Beslaghuis. Onder andere is gewerkt aan de stroomlijning van de logistieke processen en informatievoorziening. Het Landelijk Beslaghuis betekent centralisatie van de bewaartaak bij Domeinen Roerende Zaken. Voordelen zijn dat het proces van inbeslagname efficiënter kan plaatsvinden; dat organisaties in de keten van inbeslagname zich kunnen richten op de kerntaken; en dat de versnippering van het proces, welke risico's meebrengt voor de integriteit, ongedaan wordt gemaakt. Na goedkeuring door de betrokken bewindslieden van de uitgewerkte voorstellen voor de over te hevelen taken en bijbehorende middelen, zal in de loop van 2003 worden overgegaan tot daadwerkelijke invoering van het Landelijk Beslaghuis.

Baten-lastendienst

Om de efficiëntie van de productieprocessen te bevorderen, heeft Domeinen Roerende Zaken in 2002 voorbereidingen getroffen om in 2003 te gaan proefdraaien als baten-lastendienst. Onderdeel hiervan is dat vooraf afspraken worden gemaakt met klanten over prestaties, kwaliteit en kosten, en dat hierover achteraf verantwoording wordt afgelegd. In 2002 zijn de belangrijkste producten uit de instellingsvoorwaarden voor baten-lastendiensten opgeleverd.

6.7.2.2 Operationele doelstelling 2 Beheer en verkoop onroerende zaken

Efficiënt beheren en verkopen van onroerende zaken van de Staat.

Om efficiënt onroerende zaken van de Staat te kunnen beheren en verkopen bemiddelt Domeinen als facilitaire organisatie in en bij vastgoedtransacties van de rijksoverheid en daaraan gelieerde instellingen. Domeinen brengt daarbij verschillende overheidsbelangen bij elkaar. Hierbij wordt gestreefd naar een marktconform resultaat en een transparant proces waarbij het publieke belang voorop staat. De instrumenten zijn beheer (waaronder onder andere exploiteren) en verkoop. Daarnaast worden incidenteel ook zaken aangekocht. Domeinen heeft vier regionale directies, met een geografisch afgebakend beheersgebied die deze activiteiten uitvoeren.

Het realiseren van de doelstelling wordt gemeten met prestatiegegevens, welke in de begroting zijn opgenomen in het overzicht «Prestatiegegevens en beleidsevaluatieonderzoek van de doelstellingen». Hieronder worden in tabelvorm de realisaties met betrekking tot deze prestatiegegevens afgezet tegen wat begroot was in 2002.

Tabel 6.19 Prestatiegegevens operationele doelstelling 2
 Begroting 2002Realisatie 2002
Klanttevredenheid66,7
Klanttevredenheid: Aanvragen naar advies en bemiddeling024

In 2002 is voor de klanttevredenheid een 6,7 behaald, de doelstelling was een 6. Domeinen Onroerende Zaken deed het goed op gebied van integriteit, klantvriendelijkheid en productkennis.

Er zijn dit jaar 24 aanvragen naar advies en bemiddeling door Domeinen ontvangen, deze vorm van dienstverlening wordt dit jaar voor het eerst gemeten. Het jaar 2002 zal worden gehanteerd als referentiejaar voor latere jaren.

In 2002 zijn de onderstaande beleidsactiviteiten verricht om de doelstelling te bereiken.

Bijdrage aan Raad voor Vastgoed Rijksoverheid

Om de publieke belangen goed op elkaar af te stemmen, werkt Domeinen intensief samen met andere departementen. In dit kader participeert Domeinen in de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR) en de daarbij ondersteunende projectdirectie Vastgoed waarin drie medewerkers van Domeinen zijn gedetacheerd. Besluiten die in de RVR worden genomen en die de processen van Domeinen beïnvloeden zijn door Domeinen geïmplementeerd. Zie hieronder verder over de RVR bij operationele doelstelling 3.

Benzinestations

Domeinen is betrokken bij de veiling van benzinestations langs het hoofdwegennet. Het Marktwerking Deregulering en Wetgevingskwaliteit-traject beoogt meer prijsconcurrentie en betere toetredingsmogelijkheden te bewerkstelligen. Alle langs het hoofdwegennet door de Staat uitgegeven locaties voor benzinestations worden in een periode van 21 jaar geveild. Daarbij worden contracten voor 15 jaar afgesloten. De vergoeding voor het gebruik van staatsgrond wordt door middel van een nieuwe vergoedingensystematiek op een meer marktconforme wijze vastgesteld.

In dit kader zijn op 11 december 2002 door Domeinen de eerste negen benzinestations geveild. Vijf van de negen benzinestations zijn van eigenaar veranderd. Om deze veiling ordelijk te laten verlopen is in 2001 een veilingreglement opgesteld. Dit veilingreglement is in januari 2002 door de Kamer goedgekeurd. Ook is in 2002 de nieuwe marktconforme vergoedingssystematiek ingevoerd. Alhoewel er tegen de vaststelling van de nieuwe vergoeding enkele bezwaren zijn ingediend, is de invoering goed verlopen.

De biedingen op de negen geveilde benzinestations bedroegen € 29 mln. Conform de convenanten en overeenkomsten met de huidige concessiehouders gaat de veilingopbrengst van de eerste veiling naar de zittende partijen. Bij elke volgende veiling (na afloop van het erfpachtcontract van 15 jaar) komt de opbrengst ten goede aan de overheid.

6.7.2.3 Operationele doelstelling 3 Optimaal handelen in vastgoed

Het leveren van een bijdrage aan publieke doelen door samen met andere vastgoedbeherende departementen optimaal te handelen in vastgoed.

Naar aanleiding van de werkzaamheden van de interdepartementale Stuurgroep Activabeheer en de IBO werkgroep Grondbeleid heeft het ministerie van Financiën het initiatief genomen om een samenwerkingsverband tussen de vastgoedbeherende departementen te creëren (VROM, V&W, LNV, Defensie en Financiën). Dit heeft in de Nota Grondbeleid geleid tot de volgende besluiten:

– Instelling Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR), waarin de vastgoedbeherende departementen zijn vertegenwoordigd, met een eigen facilitaire organisatie (de projectdirectie Vastgoed).

– Evaluatie van de effectiviteit en doelmatigheid van de RVR in 2004.

– Het creëren van een voorfinancieringsfaciliteit bij Financiën voor anticiperende aankopen en het in portefeuille houden van vastgoed.

De RVR is officieel geïnstalleerd op 15 oktober 2001 op basis van een instellingsbesluit van de vijf betrokken ministers, gehoord de Ministerraad (Staatscourant 28 september 2001, nr. 188 / pag. 14). De projectdirectie Vastgoed is medio 2001 van start gegaan.

De RVR bevordert het doelmatig aankopen, verkopen en beheren van vastgoed voor het Rijk om publieke doelen te realiseren (vastgoed is een middel, geen doel op zich). De RVR stimuleert onder andere een gebiedsgerichte/projectmatige aanpak voor de verwerving en afstoot van vastgoed in regio's waar meerdere departementen beleidsdoelen willen realiseren. Zoals afgesproken in de begroting 2002 heeft de RVR een werkprogramma 2003/2004 opgesteld dat ter goedkeuring aan de betrokken bewindslieden is aangeboden.

De voorfinancieringsfaciliteit bij Financiën voor anticiperende aankopen en het in portefeuille houden van vastgoed heeft als doelstelling het tijdig en tegen een niet onevenredig hoge prijs kunnen beschikken over vastgoed, waarmee kan worden voorzien in de (toekomstige) behoefte van het Rijk. In 2002 hebben alle vastgoedbeherende departementen gebruik gemaakt van het instrument anticiperend verwerven. De Staatssecretaris van Financiën heeft de nadere kaders voor het anticiperend verwerven uitgewerkt in een beleidsbrief die in mei 2002 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2001/02, 27 582, nr. 31) is aangeboden.

Voor Vastgoed waren in de begroting 2002 geen prestatiegegevens geformuleerd, behalve de evaluatie in 2004.

Tabel budgettaire gevolgen van beleidBedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:doelmatig beheren en verkopen van roerende en onroerende zaken en optimale allocatie van onroerende zaken voor het RijkRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen111 722119 279– 7 557
    
    
Uitgaven111 709119 279– 7 570
Programma-uitgaven72 86389 267– 16 404
Doelst. 1 Bewaring/vervreemding Roerend   
Beheerskosten1 1701 564– 394
Doelst. 2 Beheer/verkoop Onroerend   
Onderhoud en beheerskosten6 2917 144– 853
Zakelijke lasten36 75346 525– 9 772
Doelst. 3 Optimaal handelen in vastgoed   
nticiperende aankopen21 80034 034– 12 234
    
Overige programma-uitgaven6 849 6 849
Apparaatsuitgaven38 84630 0128 834
    
Ontvangsten275 425316 120– 40 695
Programma-ontvangsten271 385314 389– 43 004
Doelst. 1 Bewaring/vervreemding Roerend   
Verkoop roerende zaken38 88164 117– 25 236
Doelst. 2 Beheer/verkoop Onroerend   
Verkoop onroerende zaken69 40882 406– 12 998
Beheerontvangsten96 905101 139– 4 234
Overige programma-ontvangsten59 72232 69327 029
Doelst. 3 Optimaal handelen in vastgoed   
Anticiperende aankopen6 46934 034– 27 565
    
Apparaatsontvangsten4 0401 7312 309

Voor de belangrijkste ontvangsten- en uitgavencategorieën wordt uitgegaan van individuele objecten en daarbij behorende prijzen of tarieven. Ook uitgavenposten als onderhoud gronden en gebouwen, kapitaalinvesteringen en beheerskosten zijn gebaseerd op aantal maal de verwachte prijs.

Uitgaven

Bewaring en vervreemding van roerende zaken

Beheerskosten

Onder deze categorie worden uitgaven verantwoord voor in beslag of in bewaring genomen zaken, zoals schade-uitkeringen, indien in bewaring genomen zaken ten onrechte blijken te zijn verkocht, vernietiging van in beslag genomen zaken, advertenties met betrekking tot voorgenomen openbare verkopen, taxaties van in beslag genomen goederen.

De hogere uitgaven in 2002 (+ € 0,4 mln.) hangen samen met hogere kosten van bewaring en vernietiging van in beslaggenomen goederen.

Beheer en verkoop van onroerende zaken

a. Onderhoud en beheerskosten

Hieronder vallen drie posten: onderhoud van grond en gebouwen (waaronder ook de kosten van bodemverontreiniging), kapitaalinvesteringen en beheerskosten.

De lagere uitgaven in 2002 ( – € 0,9 mln.) zijn voornamelijk veroorzaakt doordat een aantal voor 2002 geplande saneringen zijn doorgeschoven naar 2003.

b. Zakelijke lasten

Domeinen betaalt het eigenaarsdeel van de zakelijke lasten over onroerende zaken die eigendom zijn van de Staat. Indien in de betreffende panden overheidsdiensten zijn gehuisvest, betaalt Domeinen eveneens het gebruikersdeel. Onder deze categorie vallen twee grote posten, te weten onroerende zaakbelasting en waterschapslasten.

De uitgaven in 2002 blijven met € 9,8 mln. achter bij de begroting. Een belangrijke oorzaak is dat van een aantal gemeenten in 2002 nog geen WOZ-beschikkingen zijn ontvangen, waardoor geen aanslagen OZB en waterschapslasten 2001 en 2002 kunnen worden opgelegd. Naar verwachting zullen de gemeenten die achterstand in 2003 hebben ingelopen.

Optimaal handelen in vastgoed

Anticiperende aankopen

Voor anticiperende aankopen is in de begroting € 34,0 mln. opgenomen. Dit bedrag kan worden uitgeleend aan de vastgoedbeherende departementen. In overeenstemming met het gestelde in het beleidskader anticiperend verwerven moeten departementen eerst trachten binnen de eigen begroting fondsen vrij te maken. Zowel het aantal aanvragen als het bedrag van de verstrekkingen van gelden is lager uitgekomen dan verwacht, waardoor voor € 21,8 mln. aan leningen is verstrekt.

De verdeling over de departementen met bijbehorende projecten is als volgt: Verkeer en Waterstaat € 5,3 mln. (A2, A4 en N61), Defensie € 2,5 mln. (De Kooy), Financiën € 7,0 mln. (Luttelgeest en Minderhoudhoeve) en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij € 7,0 mln. (Fochteloërveen).

Apparaatsuitgaven

In 2002 is ongeveer € 8,8 mln. meer uitgegeven dan begroot als gevolg van de invoering van een nieuw automatiseringssysteem (€ 4,9 mln.) en extra uitgaven voor huisvesting, waaronder de ingebruikneming van een nieuwe opslagplaats in Veldhoven (€ 3,5 mln.).

Ontvangsten

Bewaring en vervreemding van roerende zaken

Verkoop van roerende zaken

Bij de verkoopontvangsten roerende zaken worden de opbrengsten geraamd van verkochte overtollige zaken en in beslag genomen goederen. De dekking van de verkoopactiviteiten van Domeinen vindt plaats door een opslag van 15% op de opbrengstprijs, het zogenaamde opgeld (zie apparaatsontvangsten). Een deel van de opbrengsten wordt weliswaar als opbrengst Domeinen begroot, maar komt vanwege afgesloten middelenafspraken ten goede aan de begroting van andere departementen.

De ontvangsten zijn € 25,2 mln. lager dan begroot. Belangrijkste oorzaak is het achterblijven van verkopen ten behoeve van Defensie (– € 25,8 mln.).

Beheer en verkoop van onroerende zaken

Verkoop onroerende zaken

De verkopen van Domeinen omvatten zaken zoals: landbouwgronden in verpachte en pachtvrije staat, boerderijen en erven, landbouwgronden met niet-agrarische bestemming en bij andere departementen overtollige onroerende zaken, bijvoorbeeld gebouwen en kantoren.

De verkopen onroerende zaken blijven met € 13,0 mln. achter ten opzichte van de begroting (waarvan € 6,1 mln. betrekking heeft op middelenafspraken). Belangrijkste oorzaak van de achterblijvende verkoopopbrengsten is het niet doorgaan van aankopen voor uitbreiding door gemeenten in de provincie Flevoland (– € 19 mln.).

Beheerontvangsten

Hieronder vallen inkomsten uit hoofde van pacht of huur voor onroerende zaken die permanent of tijdelijk in materieel beheer bij Domeinen zijn, ontvangsten uit zand- en grondwinning en verleende gebruiksrechten aan benzinemaatschappijen en exploitanten om langs rijkswegen benzinestations te mogen exploiteren.

De ontvangsten zijn € 4,2 mln. lager dan begroot, m.n. door een in 2002 uitgevoerde overheveling van de huuropbrengsten musea naar de begroting van OC&W (– € 7,6 mln.).

Overige programma-ontvangsten

Hieronder zijn onder meer de volgende opbrengsten ondergebracht: renteontvangsten, onbeheerde nalatenschappen, opbrengsten van de werking van het anti-speculatiebeding, vergoedingen van Justitie voor bewaring van «pluk ze» zaken, vergoeding van de RGD ter compensatie van het door Domeinen betaalde eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting.

De ontvangsten zijn in 2002 € 27,0 mln. hoger dan begroot, met name door hogere opbrengsten uit de werking van agrarische verrekenbedingen (ongeveer € 17 mln.) en de ontvangst van € 7,0 mln. aan leningen voor de uitvoering van twee anticiperende aankopen.

Optimaal handelen in vastgoed

Anticiperende aankopen

Het verschil is vooral een gevolg van het opheffen van de leningsconstructie voor anticiperende aankopen via de begroting Nationale Schuld.

Van de verstrekte leningen voor anticiperende aankopen is gedurende het jaar € 6,2 mln. afgelost omdat het desbetreffende departement alsnog binnen de eigen begroting fondsen kon vrijmaken. De rest van de ontvangsten heeft betrekking op de ontvangen rente.

Apparaatsontvangsten

De apparaatsontvangsten bestaan voornamelijk uit opgelden vanwege verkopen van roerende zaken en voor een gering bedrag aan personele ontvangsten, zoals ontvangen WAO-uitkeringen. Het opgeld berekent Domeinen Roerende Zaken over de door haar gerealiseerde verkopen, uitgezonderd de strategische verkopen Defensie, en bedraagt 15% over de opbrengst.

De opgelden zijn in 2002 € 1,0 mln. hoger dan begroot door meer verkopen van geschoonde pc's en enkele incidentele grote partijen. Daarnaast heeft zich een meevaller van € 0,9 mln. voorgedaan bij de overige apparaatsontvangsten.

6.8 Financieel-economisch beleid van de overheid

6.8.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het vormgeven en uitvoeren van het financieel-economisch beleid van de overheid, het bevorderen van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de overheidsuitgaven en het waarborgen van de rechtmatigheid daarvan.

De coördinatie van het begrotingsbeleid van de rijksoverheid heeft twee aspecten. In de eerste plaats gaat het om het algemene financiële beleid. Ten tweede is het doelmatige beheer van de overheidsgelden belangrijk. De coördinerende taak wordt uitgevoerd door middel van procedures rondom de jaarlijkse voorbereiding van de begroting. Deze procedures leiden er toe dat het ministerie van Financiën kaders geeft «waarbinnen» de begroting moet worden opgesteld. Ook houdt het directoraat-generaal toezicht op de uitvoering van de begroting.

Als indicatie voor het antwoord op de vraag of deze doelstelling is bereikt, worden de volgende prestatiegegevens c.q. streefwaarden gehanteerd:

• de netto-uitgaven moeten ieder begrotingsjaar binnen het uitgavenkader blijven;

• de mate waarin de doelmatigheid en de doeltreffendheid van overheidsbeleid – zoals opgenomen in de ontwerpbegrotingen – wordt gevolgd c.q. geëvalueerd met reguliere prestatiegegevens en/of periodiek evaluatieonderzoek.

• van de gerealiseerde verplichtingen, uitgaven en ontvangsten op de rijksbegroting moet ten minste 99,0% rechtmatig zijn.

VerantwoordelijkheidDe minister van Financiën is resultaatverantwoordelijk voor operationele doelstelling 1 en systeemverantwoordelijk voor operationele doelstellingen 2 tot en met 5. De Comptabiliteitswet 2001 stelt iedere minister – voor zijn of haar begroting – verantwoordelijk voor de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid en de bedrijfsvoering die aan die begroting ten grondslag ligt. Uit hoofde van diezelfde Comptabiliteitswet 2001 heeft de minister van Financiën verschillende coördinerende verantwoordelijkheden en bevoegdheden.
Wettelijke grondslagComptabiliteitswet 2001, Financiële Verhoudingswet

6.8.2 Operationele doelstellingen

6.8.2.1 Operationele doelstelling 1 Optimaal begrotingsbeleid en transparantie informatievoorziening

Zorgdragen voor een optimaal begrotingsbeleid en een transparante informatievoorziening over de uitkomsten van budgettaire besluitvorming.

Beleidsontwikkeling

De beleidsontwikkeling op het terrein van het begrotingsbeleid stond in 2002 vooral in het teken van de verkiezingen en de kabinetsformatie. De beleidsinhoudelijke ondersteuning had vooral betrekking op het informeren over relevante budgettaire ontwikkelingen (op korte, middellange- en lange termijn) en het aangeven van de budgettaire gevolgen van beleidskeuzes uit het Strategisch Akkoord en de Miljoenennota 2003. Wat betreft de begrotingsregels is een uitwerking en nadere invulling gemaakt van de afspraken uit het Strategisch Akkoord. De regels zijn opgenomen in bijlage 10 van de Miljoenennota 2003. Tenslotte zijn de uitgavenkaders voor de kabinetsperiode opgesteld.

Het voorzien in informatie en het handhaven van de rijksbegrotingsvoorschriften

De Rijksbegrotingsvoorschriften hebben gediend als leidraad voor het succesvolle technische en procedurele verloop van het begrotingsproces. Daarbij is in voldoende mate geanticipeerd op de afronding van de formatie en de budgettaire verwerking van het Strategisch Akkoord. De technische infrastructuur en de strakke procedures die aan dit begrotingsproces ten grondslag liggen, worden jaarlijks geactualiseerd. In 2002 is met de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer van gedachten gewisseld over de voorschriften voor het departementale jaarverslag 2002, dat in mei 2003 als sluitstuk op de VBTB-begroting is aangeboden.

Prestatiegegeven en beleidsonderzoek

Uitgaven binnen kader

De Voorlopige Rekening laat zien dat de uitgaven in 2002 binnen het vaste kader voor de totale uitgaven zijn gebleven. Tegenover een onderschrijding van het uitgavenkader Rijksbegroting in enge zin (– € 0,5 mld.) en het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (– € 0,3 mld.) is sprake van een forse overschrijding van het kader Zorg (€ 0,6 mld.). In totaal zijn de uitgaven derhalve € 0,2 mld. binnen het totale uitgavenkader gebleven.

Jaarlijkse beoordeling Nederlands Stabiliteitsprogramma door EFC

De update van het stabiliteitsprogramma 2001 is begin 2002 in het Economisch en Financieel Comité (EFC) besproken, mede aan de hand van de beoordeling ter zake van de Europese Commissie. De beoordeling van de Europese Commissie en de bespreking in het EFC was positief en een ondersteuning voor het gevoerde structurele begrotingsbeleid in Nederland. Later in het jaar heeft de Ecofinraad het Nederlands stabiliteitsprogramma goedgekeurd.

Jaarlijkse IMF artikel IV consultatie

In het voorjaar 2002 heeft de jaarlijkse IMF artikel IV consultatie plaatsgevonden. Ter voorbereiding stuurt het IMF van te voren een vragenlijst rond. Deze vragenlijst is uitgebreid en volledig beantwoord. Tijdens het bezoek zelf is onder meer de actuele stand van zaken van het Nederlandse begrotingsbeleid toegelicht. Het ging hierbij voor de realisaties 2001 en het lopende jaar 2002. Voorts was er bijzondere aandacht voor mogelijke beleidswijzigingen op middellange termijn vanwege de toen aanstaande verkiezingen van mei 2002. Voorts werd ingegaan op de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn met het oog op de toename in de vergrijzingskosten.

6.8.2.2 Operationele doelstelling 2 en 3 Doelmatigheid en doeltreffendheid van overheidsbeleid

Beoordelen van beleidsvoorstellen op doeltreffendheid, doelmatigheid, rechtmatigheid, budgettaire inpasbaarheid en het bredere financieel economisch perspectief.

Het initiëren en ontwikkelen van voorstellen die de doelmatigheid en doeltreffendheid van overheidsbeleid ten goede komen respectievelijk de financieel-economische structuur versterken.

De minister van Financiën heeft het afgelopen jaar vanuit een brede economische benadering vele beleidsvoorstellen van departementen getoetst. Hierbij is onder meer gekeken naar doeltreffendheid, doelmatigheid, budgettaire inpasbaarheid alsmede naar de macro- en micro-economische doorwerking. De minister van Financiën heeft de verschillende budgettaire nota's verzorgd en de begrotingen en suppletore wetten van de departementen beoordeeld. Tevens zijn in het kader van de formatie nieuwe begrotingsregels opgesteld en heeft de minister van Financiën op verzoek van de informateur een lijst met mogelijke besparingen geleverd. Om een bijdrage te leveren aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van het overheidsbeleid is Financiën nauw betrokken bij de ontwikkeling en uitwerking van beleidsvoorstellen zoals bijvoorbeeld bij het persoonsgebonden budget in de AWBZ, de stelselwijziging in de gezondheidszorg en de hervorming van het arbeidsmarktbeleid.

Ook is in 2002 veel gebeurd op het terrein van Interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO's). De onderzoeken waartoe reeds in het jaar 2001 besloten is (zie tabel hieronder) zijn in 2002 afgerond. Het onderzoek inzake Beleidskader werving en opvang internationale organisaties zal in 2003 zo spoedig mogelijk naar de Kamer worden gestuurd.

Van enkele afgeronde rapporten uit de ronde 2001–02 is gebruik gemaakt bij het opstellen van het Strategisch Akkoord. Het betreft de rapporten over de doelmatigheid van het inburgeringsbeleid en over het alimentatiebeleid (zie ook MN 2003, bijlage 8).

Tabel 6.20 Interdepartementale onderzoeken 2001/02 (IBO's)
DepartementInterdepartementale Onderzoeksvoorstellen (IBO's)
JustitieRechtsbijstand
BZKDoelmatigheid inburgeringsbeleid
OCWBeroepsonderwijs
SZWAlimentatiebeleid
VWSBeheersing arbeidsvoorwaardenontwikkeling in de zorgsector
V&WBenuttingsmaatregelen spoor
VROMAfvalverwijdering
BuZaBeleidskader werving en opvang internationale organisaties
EZ/FINTechnologiebeleid
LNVHeroriëntatie landbouwbeleid

In het najaar van 2002 is eveneens een nieuwe ronde met IBO-onderzoeken gestart (zie tabel hieronder). De resultaten hiervan komen eerst in 2003 beschikbaar.

Tabel 6.21 Onderwerpselectie IBO's voor de ronde 2002/03
DepartementOnderwerp
BuZaEffectiviteit en coherentie van ontwikkelingssamenwerking
Justitie/BZKDoorlichting regelgeving executieve politietaken
OCWCollegegelddifferentiatie
FIN/VWS/SZWUitvoering inkomensafhankelijke regelingen
DefensieEuropese defensiecapaciteiten
V en WBekostiging waterbeheer
LNV/VROMVogelrichtlijn en Habitat richtlijn
VWSMaatschappelijke opvang
HorizontaalDecentralisatie arbeidsvoorwaardenbeleid

Vanuit de coördinerende en toezichthoudende rol die de minister van Financiën heeft voor het financieel beheer en materieel beheer bij het Rijk is het toezicht ingebed in een planning en controlcyclus. In 2002 is de cyclus voor 2001 afgerond met de verzending van de financieel beheer- en bedrijfsvoeringsbrieven van de minister van Financiën aan zijn collega's. Het rijksbrede beeld en de behandeling van de verantwoordingen hierover in de Tweede Kamer vormde mede input voor het Toezichtprogramma 2002 dat medio 2002 voorafgaande aan de nieuwe toezichtcyclus aan de departementen is verzonden. Daarin zijn (rijksbrede) thema's van toezicht en departementsspecifieke verdiepingen aangekondigd. In de early signalbrieven (oktober 2002) is de tussentijdse stand van zaken aan de orde gekomen. Op deze manier is invulling gegeven aan het kader van toezicht en een goede communicatie richting departementen. De benadering van het toezicht vanuit de P&C-cyclus begint zijn vruchten af te werpen voor alle partijen. Er is vooraf duidelijkheid waar het (rijksbrede) toezicht zich op zal richten; de follow up door de departementen van de constateringen en aanbevelingen blijft in beeld en de programmering van thema's biedt de mogelijkheid voor het opstellen van rijksbrede overzichten.

Prestatiegegevens en beleidsonderzoek

Rechtmatigheid uitgaven, verplichtingen en ontvangsten

Op het niveau van de departementale jaarrekeningen 2001 wordt een 99,0% rechtmatigheid gehaald; in alle gevallen zijn daarbij goedkeurende verklaringen afgegeven.

6.8.2.3 Operationele doelstelling 4 Financieel overheidsmanagement

Vormgeven en uitvoeren van het financieel overheidsmanagement, gericht op een meer resultaatgerichte beleids- en bedrijfsvoering bij het Rijk.

Wet- en regelgeving

In 2002 is de Comptabiliteitswet (CW) 2001 in werking getreden, ter vervanging van de CW 1976. Op basis van de CW 2001 en daarop gebaseerde lagere wet- en regelgeving is VBTB formeel verankerd.

In 2002 is tevens de eerste wijziging op de CW 2001 (inzake geïntegreerd middelenbeheer) aangenomen door de Tweede Kamer en aanhangig gemaakt bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Brede auditfunctie

Het kabinetsstandpunt bij het rapport Kordes (Kamerstukken II 2000/01, 27 891, nr. 1) over de gevolgen van VBTB voor de departementale auditfunctie, heeft begin 2002 geleid tot de vaststelling van het Kwaliteitsplan auditfunctie Rijksoverheid. Daarin wordt onder meer voorzien in de ontwikkeling van een «brede» auditfunctie en de transitie naar departementale auditdiensten op centraal niveau ultimo 2004. Het implementatietraject is in 2002 voortvarend ingezet met inventarisatieronden binnen het Rijk en daarbuiten (bedrijfsleven, andere, ook buitenlandse, overheden) en met seminars. Door het projectmanagement zijn in 2002 daarover twee voortgangsrapportages uitgebracht die inzicht bieden in leerpunten voor het implementatietraject.

Opstellen van meerjarig plan voor invoering BLS/EBS

In 2002 is op basis van interdepartementaal overleg gewerkt aan een meerjarig projectplan voor het Eigentijds Begrotingsstelsel. Daarbij zijn vorderingen gemaakt op zowel inhoudelijke als procedurele thema's. De Staten-Generaal zal periodiek op de hoogte worden gehouden van ontwikkelingen op het gebied van de ontwikkeling en implementatie van EBS.

Opleidingen en arbeidsmarkt

In 2002 is de Rijksacademie voor Financiën en Economie opgericht. De Rijksacademie moet een bijdrage leveren aan het arbeidsmarktbeleid rondom de financiële en auditfunctie (deze functie aantrekkelijk maken en houden). In de Rijksacademie gaan de ACRO en VOF opleidingen samen. Er is overeenstemming over het studieprogramma en de ontwikkeling van de nieuwe leergangen ligt op schema. In 2002 zijn veel activiteiten ontplooid om Academie te promoten richting klanten en opdrachtgevers. Er is in 2002 een pand verworven waar de Rijksacademie gehuisvest wordt. Op 1 april 2003 zal dit pand betrokken worden. Over het algemeen is in 2002 sprake geweest van een verdere groei in het aantal cursisten. De waardering voor de cursussen van de deelnemers in 2002 was conform doelstelling (waardering > 4, op schaal van 6).

Prestatiegegevens en beleidsonderzoek

Indicatoren VBTB-gehalte

De voor de ontwerpbegroting 2003 aangekondigde indicatoren voor het volgen van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het overheidsbeleid kunnen ook al in het jaarverslag 2002 worden opgenomen. Indicatoren zijn:

• Effectgeoriënterende algemene doelstellingen: 95% van de algemene doelstellingen is effectgeörienteerd ten opzichte van 91% in 2001. Bij 47% van die doelstellingen is het effect ook benoemd en daarvan is het bij 24% daadwerkelijk opgenomen.

• Beschikbaarheid evaluatieonderzoek: Voor 47% van alle (operationele) doelstellingen is evaluatieonderzoek beschikbaar, waarmee in 29% van die gevallen de operationele doelstelling volledig wordt afgedekt.

Evaluatie agentschapsmodel

In 2002 is een (tweede) rijksbrede evaluatie naar het agentschapmodel uitgevoerd. In december is het evaluatierapport voorzien van een kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer aangeboden. De conclusies uit de evaluatie worden op hoofdlijnen onderschreven. De onderzoekers concluderen dat het agentschapmodel bijdraagt aan doelmatigheid. De contouren van het eigentijds begrotingsstelsel zijn geen adequate vervanging voor het baten-lastenstelsel dat de agentschappen hanteren. In het kabinetsstandpunt worden diverse vervolgactiviteiten genoemd, die inmiddels in gang zijn gezet.

Klanttevredenheidsonderzoek begeleiding BLS-diensten

Ieder jaar komen er nieuwe agentschappen bij. De begeleiding c.q. toetsing van de kandidaat-agentschappen gebeurt op basis van de instellingsprocedure agentschappen. Om de kwaliteit van de begeleiding te meten wordt een klanttevredenheidsonderzoek gedaan; gebaseerd op het INK-model. Een vragenlijst wordt daartoe uitgezet bij zowel het kandidaat-agentschap als de directie FEZ. De begeleiding wordt in drie fasen opgedeeld waarvan de eerste twee fasen worden afgesloten door een gesprek dan wel een brief van de Toetsingscommissie Verzelfstandigingen. De eerste fase richt zich op het ontwerp van de bestuurlijke relatie en het gebruik van prestatie-indicatoren (VBTB). De tweede fase richt zich op de (voorbereiding op de) meer technische en administratieve aspecten.

In het jaarplan 2002 wordt voor de begeleiding c.q. toetsing van de kandidaat-agentschappen als prestatie-indicator tenminste een 7 genoemd. De klanttevredenheid is als volgt (tussen haakjes staan het aantal ontvangen vragenlijsten):

Tabel 6.22 Klanttevredenheid begeleiding BLS-diensten
Fase 1FEZ 8,0 (2)
 Agentschappen7,6 (3)
Fase 2FEZ8,0 (2)
 Agentschappen9,0 (4)
Gewogen gemiddelde 8,2 (11)

6.8.2.4 Operationele doelstelling 5 Beheersing en allocatie van middelen van decentrale overheden

Scheppen van randvoorwaarden voor en transparantie over een optimale beheersing en allocatie van middelen van decentrale overheden.

Mede onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën worden de gemeente- en provinciefondsbegroting opgesteld en uitgevoerd. Het betreft hier onder meer de algemene uitkering. Teneinde de gemeenten en provincies adequaat te kunnen informeren over de hoogte van de uitkeringen in het komende jaar en de voorgenomen verdeling van die uitkering over de gemeenten en provincies, ontvangen de decentrale overheden periodiek circulaires.

In 2001 heeft het kabinet uitgebreid overleg gevoerd met de VNG en het IPO over de inzet van de accressen van het gemeentefonds voor de kabinetsprioriteiten onderwijs, zorg en veiligheid. Voor wat betreft het onderdeel onderwijs zijn in het voorjaar van 2002 concrete afspraken gemaakt over een gerichte toedeling van een deel van het accres (oplopend tot € 68 mln. in 2006) aan onderwijshuisvesting.

Zoals aangekondigd in de voortgangsrapportage plan van aanpak transparantie is dit voorjaar het Financieel Overzicht Gemeenten (FOG) aan de Kamer aangeboden. In de terugblik kwam naar voren dat de financiële positie van de gemeenten de afgelopen jaren is verbeterd, mede door de relatief hoge inkomsten. Op dit moment wordt de haalbaarheid bezien van een soortgelijk overzicht voor provincies (FOP).

In 2002 stond in de discussie over de toekomst van het decentrale belastinggebied centraal het voornemen in het strategisch akkoord om te komen tot een afschaffing van de OZB voor woningen per 1 januari 2005. In 2002 is begonnen met de uitwerking van dit voornemen, waaronder het in gang zetten van de benodigde wijzigingen van wet- en regelgeving en het vormgeven van de compensatie aan gemeenten.

Op grond van artikel 2 van de Financiële Verhoudingswet worden beleidsvoornemens van het Rijk die leiden tot taakwijzigingen voor gemeenten en provincies getoetst op de financiële consequenties en de bekostigingswijze. In dit kader vindt regelmatig overleg plaats met andere ministeries, bijv. als het gaat om de kosten dualisering van het gemeentebestuur of onderwijshuisvesting. Vanwege de grote financiële belangen is verder een bijdrage geleverd gericht op de verdere vergroting van doelmatigheid en doeltreffendheid op het gebied van het Grote Stedenbeleid, het waterbeheer, de wijzigingen op het gebied van de uitvoering de Algemene Bijstandswet, het Fonds Werk en Inkomen en de reïntegratie.

Daarnaast is in het kader van deze doelstelling de invoering van het BTW-compensatiefonds relevant. Dit fonds is per 1 januari 2003 in werking getreden en heeft tot doel verstoringen die de heffing van omzetbelasting heeft op afwegingen door gemeenten, provincies en kaderwetgebieden op te heffen. Voor meer achtergrond wordt verwezen naar de begroting van het BTW-compensatiefonds.

Prestatiegegevens en beleidsonderzoek

Evaluatie Normeringssystematiek

De fondsbeheerders zien onder meer toe op een adequate omvang van de fondsen. Deze wordt mede bepaald door de normeringssystematiek die de jaarlijkse groei van de fondsen vaststelt. Het afgelopen jaar is de systematiek geëvalueerd. Geconcludeerd is dat de evenredigheid binnen de normeringssystematiek in de vorige kabinetsperiode is gehandhaafd. De invulling van het begrip evenredigheid is niet veranderd en het bestuurlijk overleg met de VNG en het IPO daarover heeft goed gefunctioneerd. Tegelijkertijd is geconstateerd dat als gevolg van de combinatie van een netto uitgavenkader, behoedzame ramingen en strikte toepassing van de regels budgetdiscipline de gemeentelijke en provinciale accressen de laatste jaren sterker zijn toegenomen dan de uitgaven in het kader van de Rijksbegroting in enge zin. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie is besloten de systematiek te wijzigen in de zin dat ontwikkelingen in de rente-uitgaven van het Rijk voortaan doorwerken naar de ontwikkeling van de fondsen. Bij de kabinetsformatie in 2002 zijn deze conclusies doorgevoerd.

Periodiek Onderhoudsrapport

Over de verdeling van de fondsen wordt door de fondsbeheerders verantwoording aan de Tweede Kamer afgelegd in het Periodiek Onderhoudsrapport. Het POR heeft geen aanleiding gegeven de verdeling van de beide fondsen te wijzigen. In het Overzicht Specifieke Uitkeringen en de Monitor Inkomsten uit Lokale Heffingen (MILH) is inzicht gegeven in de ontwikkeling van respectievelijk de specifieke uitkeringen en de lokale heffingen. In de MILH is de conclusie getrokken dat in 2002 wederom sprake was van een beheerste ontwikkeling van de lokale heffingen.

De laatste jaren is de aandacht voor de transparantie van de geldstromen van decentrale overheden verder toegenomen. In het voorjaar van 2002 heeft de Tweede Kamer daartoe het eerste Financieel Overzicht Gemeenten ontvangen (FOG). De uitkomsten van dit overzicht spelen een belangrijke rol in het bestuurlijke overleg tussen het Rijk en de VNG en het IPO. In het FOG is geconcludeerd dat op grond van de raming van het accres van het gemeentefonds een aanzienlijke vrije bestedingsruimte voor gemeenten kan worden verwacht, oplopend tot € 0,4 mld. in 2006. Voor meer achtergrond over de omvang en verdeling van middelen over decentrale overheden wordt verwezen naar de verantwoording van de begrotingen van het gemeente- en provinciefonds.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:Het vormgeven en uitvoeren van het financieel-economisch beleid van de overheid, het bevorderen van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de overheidsuitgaven en het waarborgen van de rechtmatigheid daarvanRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen29 63822 9506 688
Apparaatsuitgaven29 63822 9506 688
    
Uitgaven29 44522 9506 495
Apparaatsuitgaven29 44522 9506 495
    
Ontvangsten3 3572 656701
Apparaatsontvangsten3 3572 656701

Uitgaven

Het verschil is met name te verklaren doordat een bedrag van € 1,8 mln. is uitgegeven aan de kwaliteitsverbetering van de financiële en auditfunctie. Tevens is voor de oprichting van de «competence centers» een bedrag van € 0,8 mln. uitgegeven. Deze uitgaven waren nog niet geraamd in de vastgestelde begroting en zijn gedurende het jaar 2002 door het ministerie van BZK aan de begroting toegevoegd.

Aan hogere lonen en prijzen is ongeveer € 1 mln. extra uitgegeven.

Ontvangsten

Het verschil wordt verklaard door extra personele ontvangsten doordat medewerkers op IF-basis bij een ander departement werkzaam zijn geweest.

7. NIET-BELEIDSARTIKELEN

7.1 Algemeen

Tabel budgettaire gevolgen Algemeen Bedragen x € 1000
AlgemeenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002
Verplichtingen82 74777 983
   
Uitgaven83 72777 983
Apparaatsuitgaven81 02577 983
– Apparaatsuitgaven75 95873 037
– Niet toedeelbare uitvoerende organisatieonderdelen5 0664 946
   
Programmauitgaven2 7030
– departementsbrede programma-uitgaven2 7030
Ontvangsten4 8456 431

7.2 Nominaal en onvoorzien

Tabel budgettaire gevolgen Nominaal en onvoorzien Bedragen x € 1000
Nominaal en onvoorzienRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002
Verplichtingen0699
   
Uitgaven0699
– loonbijstelling00
– prijsbijstelling00
– onvoorzien0699

8. MEDEDELING OVER DE BEDRIJFSVOERING

In het begrotingsjaar 2002 is op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan de bedrijfsvoering. Op basis van een risicoanalyse is een systematische afweging gemaakt inzake de in te zetten instrumenten van sturing en beheersing. Dit omvat mede het vaststellen van het van toepassing zijnde normenkader en de uitgangspunten voor opname van aandachtspunten in deze mededeling. Een en ander heeft in het begrotingsjaar geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen.

C. JAARREKENING

9. VERANTWOORDINGSSTAAT

Verantwoordingstaat 2002 van het Ministerie van Financiën (IXB)(bedragen x € 1000)

 
  (1)(2)(3)=(2)–(1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  verplich-tingenuitgavenontvang-stenverplich-tingenuitgavenontvang-stenverplich-tingenuitgavenontvang-sten
 TOTAAL 3 394 37797 175 990 3 743 13293 808 384 348 755– 3 367 606
           
 Beleidsartikelen 3 315 69597 169 559 3 659 40593 803 538 343 710– 3 366 021
           
01Belastingen2 754 2342 754 16695 329 1103 074 0323 066 06691 776 929319 798311 900– 3 552 181
02Financiële Markten66 838109 0401 048 631152 661186 1641303 20585 82377 124254 574
03Financieringsactiviteiten publiek-private sector82 41618 886160 40089 08715 546184 1936 671– 3 34023 793
04Internationale financiële betrekkingen678 955179 1855 163511 777156 2857 755– 167 178– 22 9002 592
05Exportkredietverzekering en investeringsgaranties11 799 632112 189172 8904 037 47794 190168 050– 7 762 155– 17 999– 4 840
06Staatsloterij00134 5890084 62400– 49 965
07Beheer materiële activa119 279119 279316 120111 722111 709275 425– 7 557– 7 570– 40 695
08Financieel-economisch beleid van de overheid22 95022 9502 65629 63829 4453 3576 6886 495701
           
 Niet-beleidsartikelen 78 6826 431 83 7274 846 5 045– 1 585
           
09Algemeen77 98377 9836 43182 74783 7274 8464 7645 744– 1 585
10Nominaal en onvoorzien6996990000– 699– 6990

Mij bekend,

De Minister van Financiën,

10. FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSTAAT

10.1 Toelichting bij de beleidsartikelen

Art.1 Belastingen

Tabel budgettaire gevolgen van beleidBedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:Het zo optimaal mogelijk vorm en uitvoering geven aan de fiscale politiek van de regeringRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen3 074 0322 754 234319 798
    
Uitgaven3 066 0662 754 166311 900
Programma-uitgaven566 584431 228135 356
Doelst. 4 Intensief en effectief toezicht en opsporing   
Programma41 88047 784– 5 904
Doelst. 5 Optimalisatie bedrijfsprocessen   
Heffings- en invorderingsrente524 704383 444141 260
    
Apparaatsuitgaven2 499 4822 322 938176 544
    
    
Ontvangsten91 776 92995 329 110– 3 552 181
Programma-ontvangsten91 729 79895 305 129– 3 575 331
    
Algemene doelstelling   
Belastingontvangsten90 836 69594 519 000– 3 682 305
Doelst. 4 Intensief en effectief toezicht en opsporing   
Programma240 950196 21544 735
Doelst. 5 Optimalisatie bedrijfsprocessen   
Heffings- en invorderingsrente652 153589 91462 239
    
Apparaatsontvangsten47 13123 98123 150

Programma-uitgaven

De tegenvaller bij de heffings- en invorderingsrente wordt met name veroorzaakt door de relatief lage rentestand.

Apparaatsuitgaven

De Belastingdienst spant zich in om de inhuur van extern personeel terug te dringen en te vervangen door eigen vast personeel. In 2002 heeft dit voornamelijk vanwege de gewijzigde arbeidsmarkt voor ICT-personeel geleid tot een meer dan gebruikelijke indiensttreding van nieuw vast personeel. Daardoor is er sprake van een afname van de kosten voor inhuurkrachten terwijl bij het opstellen van de begroting rekening werd gehouden met een stijging (ca. € 15 mln.). Daarnaast zijn in 2002 ten opzichte van de raming minder materiële uitgaven gedaan in het kader van de verschillende automatiseringsprojecten (€ 20 mln.).

Het hiervoor weergegeven beleid (inhuur vervangen door eigen personeel) heeft mede tot effect gehad dat de Belastingdienst meer personele uitgaven heeft gerealiseerd dan oorspronkelijk is begroot. Een tweede oorzaak zijn de meerkosten van de CAO 2002 (€ 66 mln.). Een derde oorzaak betreft de instroom van extra personeel voor de Douane en FIOD-ECD voor versterking buitengrenzen en terrorismebestrijding (samen ca. € 15 mln.) en voor de uitvoering van nieuwe fiscale wetten en overige mutaties (ca. € 40 mln.). Ten slotte is bij de overige onderdelen van de Belastingdienst de uitstroom minder groot gebleken dan voorzien. Een en ander is het gevolg van de snel veranderende situatie op de arbeidsmarkt. In verband hiermee heeft de Belastingdienst een beperkte vacaturestop afgekondigd.

De overschrijding is tevens voor een belangrijk deel veroorzaakt door het slechts voor 25% toekennen van de prijscompensatie voor 2002. De Belastingdienst houdt binnen zijn begroting op voorhand rekening met het toekennen van de prijscompensatie. Hierdoor waren ombuigingen in het laatste deel van 2002 noodzakelijk. Deze ombuigingen hebben slechts voor een deel kunnen voorkomen dat op deze post een overschrijding ontstond.

Programma-ontvangsten

In 2002 is het werkpakket in de invordering (doelstelling 4) duidelijk gegroeid. Als gevolg daarvan zijn meer aanmaningen, dwangbevelen e.d. verzonden. Aan deze invorderingsmaatregelen zijn tarieven verbonden. De meerontvangsten bij deze tarieven (de zgn. vervolgingskosten) verklaart de meevaller.

De meevaller bij de heffings- en invorderingsrente wordt verklaard door de relatief lage rentestand.

Belastingontvangsten

De gerealiseerde inkomsten over 2002 zijn uitgekomen op € 90,8 mld. Dit is € 3,7 mld. lager dan bij de begroting werd geraamd. Dit is vooral het gevolg van een lagere economische groei, waardoor de grondslag van de belastingheffing zich minder gunstig heeft ontwikkeld. In de volgende paragraaf is een nadere toelichting opgenomen van de budgettaire effecten.

In dit onderdeel zal een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de totale belastingontvangsten. Daarbij zal geanalyseerd worden wat de oorzaken zijn van afwijkingen in de realisaties ten opzichte van de raming zoals die is gepresenteerd in de begroting. In onderstaande tabel staat de aansluiting tussen de totale belastingontvangsten en de ontvangsten zoals die zijn opgenomen in de ontwerp begroting IXB 2002.

Tabel 10.1 Opbouw belastingontvangsten (x € 1 mln)
 RamingRealisatie
Belastingontvangsten IX B94 51990 837
   
Aandeel EU in de omzetbelasting1 2890
Invoerrechten1 8210
Gemeente- en Provinciefonds13 29614 116
Totale belastingontvangsten110 925104 953

De raming van de belastingontvangsten komt overeen met de raming in bijlage 3 van de Miljoenennota. Onderstaand wordt een vergelijking gemaakt met deze raming.

Uitvoering 2002

De eerste raming voor de belastinginkomsten in 2002 wordt gegeven bij de ontwerpbegroting. Deze raming is gebaseerd op het economisch beeld van de Macro Economische Verkenning (MEV) van 2001 van het CPB en komt tot stand door de vermoedelijke uitkomsten voor 2001 te verhogen met de raming voor autonome en endogene mutaties voor het komende jaar. Autonome mutaties zijn wijzigingen in de belastingontvangsten als gevolg van kabinetsbeleid. Endogene mutaties zijn het gevolg van wijzigingen in het economisch beeld. In tabel 2 van de verdiepingsbijlage in de begroting is aangegeven hoe de raming voor 2002 tot stand is gekomen. In vergelijking met deze tabel, laat de tabel 10.2 hieronder per belastingsoort de verschillen zien.

Tabel 10.2 Belastingontvangsten 2002 en de afwijking ten opzicht van de raming op kasbasis in mln. euro
 Raming 2002Doorwerking 2001Wijziging autonome mutatieWijziging endogene mutatieRealisatie 2002Verschil
Kostprijsverhogende belastingen57 915– 209– 131– 1 79655 778– 2 137
Invoerrechten1 821– 2481– 1731 401– 420
Omzetbelasting34 977– 217– 82– 1 15833 520– 1 457
Belasting op personenauto's en motorrijwielen2 8651000– 2242 741– 124
Accijnzen8 006– 55404688 459+ 453
– Accijns van lichte olie3 0926402823 438+ 346
– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie2 213– 4001502 323+ 110
– Tabaksaccijns1 828– 720181 774– 54
– Alcoholaccijns409– 640– 35408– 1
– Bieraccijns2799019307+ 28
– Wijnaccijns186– 11035209+ 23
Belastingen van rechtsverkeer4 2872650– 794 473+ 186
– Overdrachtsbelasting3 2342550– 113 478+ 244
– Assurantiebelasting6067054667+ 61
– Kapitaalsbelasting44730– 122328– 119
Motorrijtuigenbelasting1 99952– 50– 311 970– 29
Belastingen op een milieugrondslag3 630– 1120– 5862 932– 698
– Afvalstoffenbelasting273– 540– 36183– 90
– Grondwaterbelasting178490– 84143– 35
– Regulerende energiebelasting2 428– 130– 4361 978– 450
– Waterbelasting100208110+ 10
– Brandstoffenheffingen652– 960– 38518– 134
Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en andere producten2265– 40– 17173– 53
Belasting op zware motorrijtuigen103302108+ 5
       
Belastingen op inkomen, winst en vermogen52 960– 54– 154– 3 65649 096– 3 864
Loon- / Inkomstenbelasting28 315– 220– 13634828 306– 9
Dividendbelasting3 7342350– 4793 490– 244
Kansspelbelasting15220816210
Vennootschapsbelasting19 070– 356– 18– 3 30215 394– 3 676
– Gassector kas1 951– 450– 561 850– 101
– Niet-gassector kas17 118– 311– 18– 3 24513 544– 3 574
Vermogensbelasting0– 40524848
Successierechten1 6892900– 2841 6956
       
Niet nader toe te rekenen belastingontvangsten50– 10318030
       
Totaal belastingen1110 925– 264– 286– 5 450104 953– 5 972

1 Inclusief aandeel EU in de invoerrechten en de omzetbelasting. In de ontwerpbegroting IX B 2002 werden deze buiten de begroting geboekt. Vanaf de 1e suppletore begroting worden de verschillende EU-posten gedesaldeerd binnen de begroting geboekt.

De realisatie voor de belastingontvangsten ten bate van begroting IXB is in 2002 uitgekomen op € 90,8 mld. Dit is € 3,7 mld. lager dan de oorspronkelijke raming. Dit is enerzijds het gevolg van een positieve bijstelling van de raming gedurende het jaar met € 3,1 mld. als gevolg van de overstap naar het gedesaldeerd boeken van EU-posten. Vanaf de 1e suppletore begroting worden de verschillende EU-posten gedesaldeerd binnen de begroting geboekt en wordt het aandeel van de Europese Unie in de invoerrechten en de omzetbelasting meegenomen in de totale belastingontvangsten. Anderzijds is het aandeel van het gemeentefonds € 0,8 mld. hoger uitgekomen en zijn de totale belastingontvangsten € 6,0 mld. lager uitgekomen. Hierna zal nader worden ingegaan op de lagere belastingontvangsten. Deze zijn het gevolg van drie factoren: de realisatie over 2001 en de doorwerking daarvan naar 2002, de autonome mutaties en endogene ontwikkelingen.

Doorwerking realisatie 2001

De raming in de ontwerpbegroting 2002 is gebaseerd op de vermoedelijke uitkomsten over 2001 die tegelijk met de ontwerpbegroting over 2002 wordt gerapporteerd. De realisatie over 2001 is € 0,55 mld. lager uitgekomen dan de vermoedelijke uitkomsten. Indien de realisatie over 2001 afwijkt van de vermoedelijke uitkomsten werkt dit (afhankelijk van in hoeverre de afwijkingen structureel, incidenteel of tijdelijk van aard zijn) door in de raming voor 20021. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 2 van de Voorlopige Rekening 2001. De doorwerking van de realisatie 2001 is uitgekomen op € 0,3 mld. (zie tabel).

Autonome maatregelen

In de ontwerpbegroting werd geraamd dat autonome maatregelen zouden leiden tot een toename van de ontvangsten met € 4,1 mld.2 Vervolgens zijn tijdens de financiële beschouwingen, de behandeling het belastingplan 2002 en gedurende het jaar 2002 aanvullende beleidsmaatregelen genomen die per saldo tot een lastenverlichting hebben geleid van € 0,3 mld. Het totaal van de autonome maatregelen in 2002 is daarmee uitgekomen op € 3,8 mld. De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op een extra verlaging van de motorrijtuigenbelasting, de handhaving van de uitzonderingspositie voor bestelbusjes in de regeling voor bijtelling voor de auto van de zaak en een technische bijstelling die verband houdt met de af te dragen omzetbelasting over investeringen in infrastructuur en openbaar vervoer.

Endogene mutatie

In vergelijking met de ontwerpbegroting is de endogene mutatie van de belastingontvangsten € 5,5 mld. lager uitgekomen. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat de economie zich in 2002 minder sterk heeft ontwikkeld dan aanvankelijk werd aangenomen, wat heeft geleid tot een lagere belastinggrondslag. Onderstaande tabel laat enkele macro-economische kernvariabelen zien, zoals die op verschillende momenten door het CPB zijn geraamd.

Tabel 10.3: Economisch beeld 2002 bij ontwerpbegroting en jaarverslag (mutaties per jaar in %)
 Nominale groei BBPReële groei BBPGroei particuliere consumptie (vol %).Inflatie (CPI)AIQGroei werkgelegenheid (vol %)Contractloon-stijging
Ontwerpbegroting284¼¾
Jaarverslag4 01 85¾½
Mutatie– 1½– 2– 2½– 1 –¼0

Bron: MEV 2002 en MLT 2007

Een lagere economische groei zal leiden tot minder belastingontvangsten. De belastingontvangsten zijn bovendien nog sterker verslechterd dan de economische groei. In de ontwerpbegroting werden de totale belastingontvangsten geraamd op 24,3% van het BBP, terwijl de realisatie is uitgekomen op 23,6% BBP. Het verschil wordt nagenoeg volledig verklaard door een tegenvaller bij de vennootschapsbelasting waarvan de ontvangsten in 2002 veel sterker zijn gedaald dan het BBP.

3. Afwijking per belastingsoort

Wanneer gekeken wordt naar de specifieke belastingsoorten blijkt dat de € 6,0 mld. lagere belastingontvangsten met name veroorzaakt wordt door lagere ontvangsten bij de vennootschapsbelasting, de omzetbelasting, de dividendbelasting en de belastingen op een milieugrondslag.

Vennootschapsbelasting

De realisatie van de vennootschapsbelasting is € 3,7 mld. lager uitgekomen als gevolg van een tegenvallende winstontwikkeling bij bedrijven. Van de tegenvaller heeft € 1,8 mld. betrekking op lagere ontvangsten over oudere transactiejaren wat verband houdt met het feit dat de raming van het winstniveau van deze oude transactiejaren zich op een te hoog niveau bevond. Voor een nadere toelichting van de tegenvaller bij de vennootschapsbelasting wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Omzetbelasting

De omzetbelasting is € 1,5 mld. lager uitgekomen. Dit is in lijn met het verslechterd economisch beeld en de daling van de particuliere consumptie.

Belastingen op een milieugrondslag

De belastingen op een milieugrondslag zijn € 0,7 mld. lager uitgekomen. Deze lagere realisatie wordt vooral veroorzaakt door een tegenvaller van € 0,5 mld. bij de energiebelasting. Daarnaast zijn de realisaties van de brandstoffenheffing en de afvalstoffenheffing beiden € 0,1 mld. lager uitgekomen. Voor een nadere toelichting van de tegenvaller bij de belastingen op een milieugrondslag wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Dividendbelasting

De realisatie van de dividendbelasting is € 0,2 mld. lager uitgekomen. In navolging van de analyse in de Financiële Verantwoording 2001 zal in het Financieel Jaarverslag van het Rijk een nadere toelichting worden gegeven.

Art. 2 Financiële markten

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:Het bijdragen aan condities voor goed functionerende en internationaal concurrerende financiële marktenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen152 66166 83885 823
    
Uitgaven186 164109 04077 124
Programma-uitgaven180 380104 47275 908
    
Doelst. 2 Bevorderen consumentenpositie   
Overige programma-uitgaven4 30004 300
Doelst. 5 Bevorderen van de integriteit   
Bijdrage toezicht3000300
Caribbean Financial Action Taskforce3032– 2
Doelst. 6 Zorgdragen chartaal betalingsverkeer   
Muntcirculatie24 54427 744– 3 200
Afname munten in circulatie97 642097 642
Doelst. 7 Bevorderen soepele overgang euro   
Voorlichting euro12 73232 890– 20 158
Publiekssets euromunten40 83243 805– 2 973
    
Apparaatsuitgaven5 7844 5681 216
    
Ontvangsten1 303 2051 048 631254 574
Programma-ontvangsten1 303 2051 048 631254 574
    
Doelst. 4 Bevorderen stabiel financieel stelsel   
Winstuitkering DNB1 277 2741 002 854274 420
Doelst. 6 Zorgdragen chartaal betalingsverkeer   
Ontvangsten muntwezen9 81325 442– 15 629
Toename munten in circulatie020 012– 20 012
Budgetten met meer dan 1 doelstelling   
Overige programma-ontvangsten16 11832315 795

Uitgaven

Overige programma-uitgaven

Publiekscampagne Financiële Bijsluiter

In 2002 heeft de Autoriteit-FM de Financiële Bijsluiter via een uitgebreide publiekscampagne massamediaal geïntroduceerd. Het ministerie van Financiën heeft € 3,5 mln. aan deze campagne bijgedragen.

Wet toezicht consumentenkrediet

In 2002 is de wet toezicht consumentenkrediet overgedragen van DNB aan de Autoriteit-FM. In de begroting 2002 was een bedrag ad € 0,8 mln. gereserveerd voor de hiermee gepaard gaande eenmalige overgangskosten alsmede de reguliere kosten van toezicht in 2002. Deze kosten zijn opgenomen in de aanvullende begroting 2002 van de Autoriteit-FM, die door de minister van Financiën is goedgekeurd.

Bijdrage toezicht

Om de integriteit van het financiële stelsel te waarborgen wordt toegezien op de naleving van de meldplicht in het kader van de wet melding ongebruikelijke transacties en de wet identificatie bij dienstverlening. Er is besloten beroepsgroepen als advocaten, notarissen, accountants en belastingadviseurs ook onder dit toezicht te brengen. In de eerste suppletore begroting is hiervoor € 4,5 mln. meerjarig begroot. De vaststelling van de AMvB waarmee deze beroepsgroepen onder de meld- en identificatieplicht komen te vallen, duurt langer dan verwacht. Hierdoor komt ook het toezicht op de naleving van de meld- en identificatieplicht door deze beroepsgroepen later op gang. Het begrote bedrag voor toezicht is daarom bij de tweede suppletore begroting teruggebracht tot € 4,1 mln. Uiteindelijk is € 0,3 mln. gerealiseerd.

CFATF

In 2002 heeft Nederland weer een bijdrage geleverd aan de Caribbean Financial Action Task Force (CFATF). Het bedrag wordt gebruikt ter dekking van de algemene begroting van de CFATF, die zich richt op het voorkomen en bestrijding van witwassen in de Caribische regio.

Afname munten in circulatie

In 2002 zijn 2 236 mln. euromunten in omloop gebracht met een totale nominale waarde van € 674 mln., daarnaast zijn 2 747 mln. guldenmunten retour ontvangen met een totale nominale waarde van € 743 mln. Ook zijn in 2002 ruim 2,5 mln. bijzondere vijftig- en tien-guldenmunten teruggekomen met een totale nominale waarde van € 26,2 mln. Daarnaast zijn er 1 mln. bijzondere tien-euromunten ter gelegenheid van het huwelijk van de Prins van Oranje uitgegeven en leverde de verkoop van setjes euromunten € 2,4 mln. op.

Dit heeft per saldo geresulteerd in een uitgave op afname munten in circulatie aangezien het in circulatie brengen van munten een ontvangst is voor de Staat en het retourontvangen van munten een uitgave.

Muntcirculatie

Voor 2002 was een muntproductie begroot van circa 400 mln. euromunten. In de loop van 2002 bleek dat de tot ultimo 2001 geproduceerde munten hoeveelheid munten (2 868 mln. stuks) plus de productie in de eerste maanden van 2002 voldoende was om aan de vraag naar munten te voldoen. Derhalve is besloten de muntproductie aanzienlijk terug te brengen. In 2002 zijn uiteindelijk 242 mln. euromunten aangemaakt, waardoor minder rondellen behoefden te worden aangeschaft. In februari 2002 is ter gelegenheid van het huwelijk van Prins van Oranje een bijzondere tien-euromunt uitgegeven. Het zilver voor de aanschaf van de rondellen is ten laste van 2002 gekomen (€ 1,9 mln.). De promotie-, distributie- en overige kosten in verband met de uitgifte beliepen circa € 0,85 mln. Ook is in 2002 is het ontwaardingsproject guldenmunten van start gegaan. De kosten voor het project bedroegen € 5,4 mln.

Voorlichting publiekssets euromunten en voorlichting euro

De effectiviteit van de publieksvoorlichting, die voor het grootste deel in 2001 plaatsvond, is groot te noemen. De voorlichtingsuitgaven zijn in verband met de succesvol verlopen introductie van de euro lager uitgevallen. Er is slechts de helft van het begrote budget in 2002 besteed aan voorlichtingsactiviteiten euro-introductie omdat zich in die periode geen onverwachte ontwikkelingen of calamiteiten hebben voorgedaan terwijl hiermee wel in het begrote budget rekening was gehouden. Met name massamediale middelen zoals print, radio en televisie zijn in 2002 achterwege gelaten.

Het project publiekssets euromunten is afgerond. Het ophaalpercentage is 90 geworden in plaats van de geraamde 93,5 procent. De definitieve afrekening in 2002 bedraagt € 40,8 mln.

Ontvangsten

Winstuitkering DNB

De winstafdracht bedroeg in 2002 € 1,277 mld. Dit is ca. € 274 mln. hoger dan geraamd in de begroting 2002. De meevaller is hoofdzakelijk veroorzaakt door hogere dan geraamde verkoopopbrengsten van beleggingen als gevolg van koersstijgingen, die zijn opgetreden door een daling van de EU- en VS-rentes. Bovendien is, op basis van een afspraak met DNB, een deel van het verwachte versterf van guldenbankbiljetten, in de vorm van interim-dividend, vervroegd uitgekeerd in 2002.

Ontvangsten muntwezen

In 2002 is ook de verkoop van metaalschroot uit het ontwaardingproject guldenmunten op gang gekomen. Er is uiteindelijk een opbrengst gerealiseerd van € 9,8 mln.

Toename munten in circulatie

Doordat in 2002 de retourontvangst van guldens het in circulatie brengen van euro's overtreft is per saldo sprake van een afname van munten in circulatie in plaats van een toename munten in circulatie. Dit betekent per saldo een uitgavenpost voor de Staat die is verantwoord onder «afname munten in circulatie».

Overige programma-ontvangsten

Luchtvaartverzekering

Na de aanslagen van 11 september 2001 hebben verzekeraars vrijwel direct de terrorismeverzekeringen van de luchtvaartsector beëindigd. Na afstemming in Europees verband heeft de Nederlandse overheid besloten om de terrorismeverzekeringen tijdelijk van de markt over te nemen. Doelstelling van het Rijk was om een zo spoedig mogelijke terugkeer naar commerciële verzekerbaarheid te realiseren. Via premieverhogingen en aanpassing van de dekking is de overheidsrol geleidelijk aan teruggebracht. Na 31 oktober 2002 is de overheidsherverzekering in het geheel beëindigd, aangezien de verzekeringsmarkt voldoende hersteld bleek om de luchtvaartrisico's weer te kunnen accepteren. In 2002 is € 12,4 mln. aan verzekeringspremies ontvangen.

Art.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene doelstelling: Het wegnemen van knelpunten voor ondernemingsfinanciering, beheer overheidsdeelnemingen, totstandkoming van overheidsinvesteringen en meerwaarde door ppsRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen89 08782 4166 671
    
Uitgaven15 54618 886– 3 340
Programma-uitgaven6 78915 883– 9 094
Doelst. 3 Verhelpen knelpunten in ondernemingsfinanciering   
Regeling BF6 13615 429– 9 293
Regeling PPM370454– 84
Tijdelijke regeling subsidie tankstations35035
Uitvoeringskosten tijdelijke regeling tankstations2480248
Doelst. 2 Aangaan, beheren en afstoten staatsdeelnemingen   
Verwerving vermogenstitels   
Overig000
    
Apparaatsuitgaven8 7573 0045 753
    
Ontvangsten184 193160 40023 793
Programma-ontvangsten184 193160 40023 793
    
Doelst. 3 Verhelpen knelpunten in ondernemingsfinanciering   
BF/PPM5 3539 529– 4 176
Doelst. 2 Aangaan, beheren en afstoten staatsdeelnemingen   
Dividend staatsdeelnemingen56 05947 9198 140
Opbrengst vermogenstitels13 765013 765
Overig programmaontvangsten4 70004 700
Rente en aflossing div. leningen103 547102 951596
Tijdelijke regeling subsidie tankstations7690769

Uitgaven

BF regeling

De uitgaven in het kader van de BF-regeling blijken lager te zijn dan geraamd na declaratie van de schades door de uitvoerder van de regeling NIB Capital Bank NV. In 2002 zijn er als nasleep van de hoogconjunctuur weinig ondernemingen failliet gegaan en is er dus weinig gedeclareerd.

Apparaatuitgaven

De mutatie heeft vooral betrekking op advieskosten in verband met de verkoop van staatsdeelnemingen (€ 5,6 mln.), de toedeling van de loon- en prijsbijstelling (€ 0,1 mln.) en een overboeking van V & W ( € 0,1 mln.) in verband met de overgang van staatsdeelnemingen naar Financiën.

Ontvangsten

Regeling BF

De ontvangsten in het kader van de BF-regeling bestaan uit garantieprovisies en restituties. Als pendant van de geringe schades zijn de restituties lager uitgevallen dan verwacht.

Dividend staatsdeelnemingen

Het verschil betreft enerzijds hogere dividenduitkeringen van de Bank Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Waterschapsbank, anderzijds is er een structurele dividendderving door de verkoop van de aandelen in Internationale Nederlanden Groep in 2002.

Opbrengst vermogenstitels

Het verschil heeft betrekking op de verkoop van de aandelen in Internationale Nederlanden Groep in 2002.

Overige programmaontvangsten

Het verschil in overige programmaontvangsten hangt samen met de uitbreiding van het aandelenbezit van de Staat in Covra van 10% naar 100%. De betaling is gedaan door de uittredende aandeelhouders en vloeit voort uit de afkoop van de toekomstige exploitatieverliezen van Covra.

Art.4 Internationale financiële betrekkingen

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:het bevorderen van een duurzame internationale financieel-economische ontwikkeling, monetaire stabiliteit en een beheerste ontwikkeling van EU-uitgavenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen511 777678 955– 167 178
waarvan betalingsverplichtingen505 565282 937222 628
waarvan garantieverplichtingen6 212396 018– 389 806
    
Uitgaven156 285179 185– 22 900
Programma-uitgaven153 256176 851– 23 595
    
Doelst. 4 Fin.-econ. ontwikkeling, structuurversterking en armoedebestrijding   
Deelneming multilarale ontwikkelingsbanken en -fondsen153 256176 851– 23 595
    
Apparaatsuitgaven3 0292 334695
    
Ontvangsten7 7555 1632 592
Doelst. 4 Fin.-econ. ontwikkeling, structuurversterking en armoedebestrijding   
Programma-ontvangsten7 7555 1632 592

Verplichtingen

In 2002 is Nederland twee nieuwe betalingsverplichtingen aangegaan, voor respectievelijk de 9e middelenaanvullingen van AfDF en de 13e aanvulling van IDA. De Kamer is hierover door middel van 2 brieven separaat geïnformeerd (nr. BFB 2002/926M; 13-12-2002 en BFB 2002/916M; 15-10-2002).

Voor beide verplichtingen geldt dat het verschil vooral verklaard wordt doordat de aangegane verplichtingen voortvloeiende uit de onderhandelingsovereenkomsten hoger waren dan de in de begroting verwerkte stelposten.

Bij de garantieverplichtingen wordt het verschil verklaard doordat de voor 2002 voorziene kapitaalverhoging van de Aziatische Ontwikkelingsbank (AsDB) eerst in 2003 wordt verwacht. Verder was voorzien dat er een toename zou zijn van de garanties aan de EIB uit hoofde van de verdragen van Lomé en Cotonou als gevolg van het inwerkingtreden van het verdrag van Cotonou. Nederland heeft het verdrag in 2002 geratificeerd, maar omdat België het verdrag nog moet ratificeren heeft de inwerkingtreding in 2002 niet plaatsgevonden. De garantieverplichting is zodoende in 2002 niet gerealiseerd. In de begroting was voorts een stelpost opgenomen met het oog op een mogelijke deelneming door DNB in de door de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) te verstrekken kredietfaciliteiten. In 2002 zijn geen kredieten door de BIS verstrekt.

Uitgaven

Het verschil van – € 23,6 mln. heeft voornamelijk betrekking op een bijdrage in de middelen van de Internationale Ontwikkelingssassociatie (IDA) van € 25,9 mln. die in plaats van in januari 2002 eind 2001 betaald is. Na het bekend worden van de laatste inzichten in de beschikbare budgettaire ruimte voor HGIS in 2001 is op voorstel van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking besloten genoemde betaling te verrichten.

Een voor Nederland gunstige ontwikkeling van de koers van de Amerikaanse dollar ten opzichte van de euro (zie ook figuur) heeft eveneens bijgedragen aan het negatieve verschil. Sinds juni viel deze hoger uit dan de geraamde gemiddelde koers voor 2002 en daardoor zijn de betalingen van het Nederland in dollar goedkoper uitgevallen in euro.

Figuur 10.1 Koersontwikkeling 2002 dollar / eurokst-28880-20-11.gif

Ontvangsten

De hogere programma-ontvangsten zijn met name ontstaan door terugontvangsten van de EIB inzake betalingen die in het verleden zijn gedaan in het kader van de overeenkomsten van Lomé.

Art. 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:Het bevorderen van een gezonde concurrentiepositie voor het bedrijfsleven wat betreft risico's verbonden aan export en investeringen in het buitenland die niet door de markt kunnen worden gedragenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen4 037 47711 799 632– 7 762 155
waarvan betalingsverplichtingen13 38213 576– 194
Kostenvergoeding NCM11 90712 695– 788
    
waarvan garantieverplichtingen4 024 09511 786 056– 7 761 961
EKV4 003 09511 332 276– 7 329 181
RHI21 000453 780– 432 780
    
Uitgaven94 190112 189– 17 999
Programma-uitgaven80 81598 613– 17 798
    
Doelst. 1 Herverzekeren door de Staat   
EKV-schades80 81598 613– 17 798
RHI-schades000
    
Apparaatsuitgaven13 37513 576– 201
Personeel en materieel1 468881587
Kostenvergoeding NCM11 90712 695– 788
    
Ontvangsten168 050172 890– 4 840
Programma-ontvangsten168 050172 890– 4 840
    
Doelst. 1 Herverzekeren door de Staat   
Premies EKV24 19634 034– 9 838
Premies RHI1 5424541 088
Doelst. 4 Recupereren schades   
Schaderestituties EKV142 312138 4033 909

Verplichtingen

Hoewel er in 2002 meer nieuwe kredieten zijn verzekerd dan in 2001, is het totaal van uitstaande verplichtingen gedaald. Dit wordt verklaard doordat er meer verzekeringen zijn komen te vervallen dan dat er nieuwe verzekeringen zijn aangegaan. Zoals bekend kunnen het aantal en de bedragen van de afgegeven verzekeringen sterk fluctueren.

Uitgaven

De schade-uitkeringen vallen lager uit dan aan het begin van 2002 was voorzien. Sommige dreigende schades zijn tegen de verwachting in toch binnen de wachttermijn opgelost en hebben daarom niet geleid tot een schade-uitkering.

Ontvangsten

De premieontvangsten waren in 2002 aanzienlijk lager dan werd verwacht. De verwachtingen waren gebaseerd op de realisaties van voorgaande jaren, waarbij was uitgegaan van een licht negatief effect als gevolg van de in 2002 ingegane premiebijstelling. Ondanks dat de omvang van de verzekerde bedragen groter is dan vorig jaar, zijn de premie-ontvangsten lager. Dit wordt verklaard doordat de premie-ontvangsten niet alleen afhankelijk zijn van de bedragen van de afgegeven verzekeringen, maar ook van de risicocategorie waarin wordt verzekerd.

De realisaties van de schaderestituties komen redelijk overeen met hetgeen begroot was; hoewel de grootste betalers van vorig jaar (Argentinië en Nigeria) dit jaar slechts een (zeer) geringe bijdrage in de aflossing van hun schulden deden, werd er over het algemeen onder de Club van Parijs-akkoorden goed betaald.

Art.6 Staatsloterij

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:Het mede reguleren van de kansspelmarkt door het uitvoeren van de Staatsloterij. Hiermee wordt een opbrengstenstroom voor de schatkist gerealiseerdRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Ontvangsten84 624134 589– 49 965
Programma-ontvangsten84 624134 589– 49 965
    
Algemene doelstelling   
Afdracht SENS84 624134 589– 49 965

De afdracht SENS is lager uitgekomen dan was begroot. Dit komt ten eerste omdat de groei van de omzet in 2002 lager is geweest dan aan het begin van het jaar werd verwacht. Daarnaast was de SENS vanwege een krappe liquiditeitspositie genoodzaakt om de voorafdracht over het vierde kwartaal naar beneden bij te stellen.

Art.7 Beheer materiële activa

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:doelmatig beheren en verkopen van roerende en onroerende zaken en optimale allocatie van onroerende zaken voor het RijkRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen111 722119 279– 7 557
    
Uitgaven111 709119 279– 7 570
Programma-uitgaven72 86389 267– 16 404
Doelst. 1 Bewaring/vervreemding Roerend   
Beheerskosten1 1701 564– 394
Doelst. 2 Beheer/verkoop Onroerend   
Onderhoud en beheerskosten6 2917 144– 853
Zakelijke lasten36 75346 525– 9 772
Doelst. 3 Optimaal handelen in vastgoed   
Anticiperende aankopen21 80034 034– 12 234
    
Overige programma-uitgaven6 849 6 849
Apparaatsuitgaven38 84630 0128 834
    
Ontvangsten275 425316 120– 40 695
Programma-ontvangsten271 385314 389– 43 004
Doelst. 1 Bewaring/vervreemding Roerend   
Verkoop roerende zaken38 88164 117– 25 236
Doelst. 2 Beheer/verkoop Onroerend   
Verkoop onroerende zaken69 40882 406– 12 998
Beheerontvangsten96 905101 139– 4 234
Overige programma-ontvangsten59 72232 69327 029
Doelst. 3 Optimaal handelen in vastgoed   
Anticiperende aankopen6 46934 034– 27 565
    
Apparaatsontvangsten4 0401 7312 309

Voor de belangrijkste ontvangsten- en uitgavencategorieën wordt uitgegaan van individuele objecten en daarbij behorende prijzen of tarieven. Ook uitgavenposten als onderhoud gronden en gebouwen, kapitaalinvesteringen en beheerskosten zijn gebaseerd op aantal maal de verwachte prijs.

Uitgaven

Bewaring en vervreemding van roerende zaken

Beheerskosten

Onder deze categorie worden uitgaven verantwoord voor in beslag of in bewaring genomen zaken, zoals schade-uitkeringen, indien in bewaring genomen zaken ten onrechte blijken te zijn verkocht, vernietiging van in beslag genomen zaken, advertenties met betrekking tot voorgenomen openbare verkopen, taxaties van in beslag genomen goederen.

De hogere uitgaven in 2002 (+ € 0,4 mln.) hangen samen met hogere kosten van bewaring en vernietiging van in beslaggenomen goederen.

Beheer en verkoop van onroerende zaken

a. Onderhoud en beheerskosten

Hieronder vallen drie posten: onderhoud van grond en gebouwen (waaronder ook de kosten van bodemverontreiniging), kapitaalinvesteringen en beheerskosten.

De lagere uitgaven in 2002 ( – € 0,9 mln.) zijn voornamelijk veroorzaakt doordat een aantal voor 2002 geplande saneringen zijn doorgeschoven naar 2003.

b. Zakelijke lasten

Domeinen betaalt het eigenaarsdeel van de zakelijke lasten over onroerende zaken die eigendom zijn van de Staat. Indien in de betreffende panden overheidsdiensten zijn gehuisvest, betaalt Domeinen eveneens het gebruikersdeel. Onder deze categorie vallen twee grote posten, te weten onroerende zaakbelasting en waterschapslasten.

De uitgaven in 2002 blijven met € 9,8 mln. achter bij de begroting. Een belangrijke oorzaak is dat van een aantal gemeenten in 2002 nog geen WOZ-beschikkingen zijn ontvangen, waardoor geen aanslagen OZB en waterschapslasten 2001 en 2002 kunnen worden opgelegd. Naar verwachting zullen de gemeenten die achterstand in 2003 hebben ingelopen.

Optimaal handelen in vastgoed

Anticiperende aankopen

Voor anticiperende aankopen is in de begroting € 34,0 mln. opgenomen. Dit bedrag kan worden uitgeleend aan de vastgoedbeherende departementen. In overeenstemming met het gestelde in het beleidskader anticiperend verwerven moeten departementen eerst trachten binnen de eigen begroting fondsen vrij te maken. Zowel het aantal aanvragen als het bedrag van de verstrekkingen van gelden is lager uitgekomen dan verwacht, waardoor voor € 21,8 mln. aan leningen is verstrekt.

De verdeling over de departementen met bijbehorende projecten is als volgt: Verkeer en Waterstaat € 5,3 mln. (A2, A4 en N61), Defensie € 2,5 mln. (De Kooy), Financiën € 7,0 mln. (Luttelgeest en Minderhoudhoeve) en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij € 7,0 mln. (Fochteloërveen).

Apparaatsuitgaven

In 2002 is ongeveer € 8,8 mln. meer uitgegeven dan begroot als gevolg van de invoering van een nieuw automatiseringssysteem (€ 4,9 mln.) en extra uitgaven voor huisvesting, waaronder de ingebruikneming van een nieuwe opslagplaats in Veldhoven (€ 3,5 mln.).

Ontvangsten

Bewaring en vervreemding van roerende zaken

Verkoop van roerende zaken

Bij de verkoopontvangsten roerende zaken worden de opbrengsten geraamd van verkochte overtollige zaken en in beslag genomen goederen. De dekking van de verkoopactiviteiten van Domeinen vindt plaats door een opslag van 15% op de opbrengstprijs, het zogenaamde opgeld (zie apparaatsontvangsten). Een deel van de opbrengsten wordt weliswaar als opbrengst Domeinen begroot, maar komt vanwege afgesloten middelenafspraken ten goede aan de begroting van andere departementen.

De ontvangsten zijn € 25,2 mln. lager dan begroot. Belangrijkste oorzaak is het achterblijven van verkopen ten behoeve van Defensie (– € 25,8 mln.).

Beheer en verkoop van onroerende zaken

Verkoop onroerende zaken

De verkopen van Domeinen omvatten zaken zoals: landbouwgronden in verpachte en pachtvrije staat, boerderijen en erven, landbouwgronden met niet-agrarische bestemming en bij andere departementen overtollige onroerende zaken, bijvoorbeeld gebouwen en kantoren.

De verkopen onroerende zaken blijven met € 13,0 mln. achter ten opzichte van de begroting (waarvan € 6,1 mln. betrekking heeft op middelenafspraken). Belangrijkste oorzaak van de achterblijvende verkoopopbrengsten is het niet doorgaan van aankopen voor uitbreiding door gemeenten in de provincie Flevoland (– € 19 mln.).

Beheerontvangsten

Hieronder vallen inkomsten uit hoofde van pacht of huur voor onroerende zaken die permanent of tijdelijk in materieel beheer bij Domeinen zijn, ontvangsten uit zand- en grondwinning en verleende gebruiksrechten aan benzinemaatschappijen en exploitanten om langs rijkswegen benzinestations te mogen exploiteren.

De ontvangsten zijn € 4,2 mln. lager dan begroot, m.n. door een in 2002 uitgevoerde overheveling van de huuropbrengsten musea naar de begroting van OC&W (– € 7,6 mln.).

Overige programma-ontvangsten

Hieronder zijn onder meer de volgende opbrengsten ondergebracht: renteontvangsten, onbeheerde nalatenschappen, opbrengsten van de werking van het anti-speculatiebeding, vergoedingen van Justitie voor bewaring van «pluk ze» zaken, vergoeding van de RGD ter compensatie van het door Domeinen betaalde eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting.

De ontvangsten zijn in 2002 € 27,0 mln. hoger dan begroot, met name door hogere opbrengsten uit de werking van agrarische verrekenbedingen (ongeveer € 17 mln.) en de ontvangst van € 7,0 mln. aan leningen voor de uitvoering van twee anticiperende aankopen.

Optimaal handelen in vastgoed

Anticiperende aankopen

Het verschil is vooral een gevolg van het opheffen van de leningsconstructie voor anticiperende aankopen via de begroting Nationale Schuld.

Van de verstrekte leningen voor anticiperende aankopen is gedurende het jaar € 6,2 mln. afgelost omdat het desbetreffende departement alsnog binnen de eigen begroting fondsen kon vrijmaken. De rest van de ontvangsten heeft betrekking op de ontvangen rente.

Apparaatsontvangsten

De apparaatsontvangsten bestaan voornamelijk uit opgelden vanwege verkopen van roerende zaken en voor een gering bedrag aan personele ontvangsten, zoals ontvangen WAO-uitkeringen. Het opgeld berekent Domeinen Roerende Zaken over de door haar gerealiseerde verkopen, uitgezonderd de strategische verkopen Defensie, en bedraagt 15% over de opbrengst.

De opgelden zijn in 2002 € 1,0 mln. hoger dan begroot door meer verkopen van geschoonde pc's en enkele incidentele grote partijen. Daarnaast heeft zich een meevaller van € 0,9 mln. voorgedaan bij de overige apparaatsontvangsten.

Art.8 Financieel-economisch beleid van de overheid

Tabel budgettaire gevolgen van beleid Bedragen x € 1000
Algemene beleidsdoelstelling:Het vormgeven en uitvoeren van het financieel-economisch beleid van de overheid, het bevorderen van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de overheidsuitgaven en het waarborgen van de rechtmatigheid daarvanRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil 2002
Verplichtingen29 63822 9506 688
Apparaatsuitgaven29 63822 9506 688
    
Uitgaven29 44522 9506 495
Apparaatsuitgaven29 44522 9506 495
    
Ontvangsten3 3572 656701
Apparaatsontvangsten3 3572 656701

Uitgaven

Het verschil is met name te verklaren doordat een bedrag van € 1,8 mln. is uitgegeven aan de kwaliteitsverbetering van de financiële en auditfunctie. Tevens is voor de oprichting van de «competence centers» een bedrag van € 0,8 mln. uitgegeven. Deze uitgaven waren nog niet geraamd in de vastgestelde begroting en zijn gedurende het jaar 2002 door het ministerie van BZK aan de begroting toegevoegd.

Aan hogere lonen en prijzen is ongeveer € 1 mln. extra uitgegeven.

Ontvangsten

Het verschil wordt verklaard door extra personele ontvangsten doordat medewerkers op IF-basis bij een ander departement werkzaam zijn geweest.

10.2 Toelichting bij de niet-beleidsartikelen

Art. 9 Algemeen

Tabel budgettaire gevolgen Algemeen Bedragen x € 1000
AlgemeenRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002
Verplichtingen82 74777 983
   
Uitgaven83 72777 983
Apparaatsuitgaven81 02577 983
– Apparaatsuitgaven75 95873 037
– Niet toedeelbare uitvoerende organisatieonderdelen5 0664 946
   
Programmauitgaven2 7030
– departementsbrede programma-uitgaven2 7030
   
Ontvangsten4 8456 431

Art. 10 Nominaal en onvoorzien

Tabel budgettaire gevolgen Nominaal en onvoorzien Bedragen x € 1000
Nominaal en onvoorzienRealisatie 2002Vastgestelde begroting 2002
Verplichtingen0699
   
Uitgaven0699
– loonbijstelling00
– prijsbijstelling00
– onvoorzien0699

11. SALDIBALANS

MINISTERIE VAN FINANCIËN (IXB)

SALDIBALANS PER 31 DECEMBER 2002 (bedragen x € 1000)

DEBET CREDIT
OMSCHRIJVING31–12–0231–12–01 OMSCHRIJVING31–12–0231–12–01
1. Uitgaven t.l.v. de begroting 200103 673 590 2. Ontvangsten t.g.v. de begroting 2001088 342 570
Uitgaven t.l.v. de begroting 20023 743 1270  Ontvangsten t.g.v. de begroting 200293 808 3800
3. Liquide middelen913(2 781) 6. Ontvangsten buiten begrotingsverband100 05552 094
4. Rekening-courant RHB90 132 09984 721 492    
5. Uitgaven buiten begrotingsverband32 2962 363    
Sub-totaal93 908 43588 394 664 Sub-totaal93 908 43588 394 664
7. Openstaande rechten22 719 68820 118 226 7a. Tegenrekening openstaande rechten22 719 68820 118 226
8. Extra-comptabele vorderingen3 090 5683 199 056 8a. Tegenrekening extra-comptabele vorderingen3 090 5683 199 056
9a. Tegenrekening extra-comptabele schulden770 9. Extra-comptabele schulden770
10. Voorschotten24 12236 605 10a. Tegenrekening voorschotten24 12236 605
11a.1 Tegenrek. openst. garantieverplichtingen46 902 86150 478 322 11.1 Openstaande garantieverplichtingen46 902 86150 478 322
11a.2 Tegenrek. openst. betalingsverplichtingen1 119 180903 818 11.2 Openstaande betalingsverplichtingen1 119 180903 818
12. Deelnemingen1 377 1031 447 818 12a. Tegenrekening deelnemingen1 377 1031 447 818
Totaal-generaal169 142 034164 578 509 Totaal-generaal169 142 034164 578 509

Toelichting bij de saldibalans per 31 december 2002 van het ministerie van Financiën (begroting IXB)

Algemene toelichting

Alle bedragen zijn opgenomen tegen nominale waarden en vermeld in duizenden euro's tenzij anders vermeld. In de tabellen zijn specificaties cursief weergegeven. Belangrijke posten worden hieronder nader toegelicht. Hierbij is de nummering van de saldibalans aangehouden. De gehanteerde valutakoersen zijn in onderstaand overzicht samengevat.

Valutakoersen t.o.v. de euro
ValutaUltimo 2002Ultimo 2001
USD0,95361,1217
SDR1,296391,41155

Specifieke toelichting per saldibalanspost

3. Liquide middelen

De liquide middelen bestaan uit de saldi op bank- en girorekeningen en de bij kasbeheerders aanwezige kasgelden.

4. Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

Deze post geeft de financiële verhouding met de Rijkshoofdboekhouding weer. De bedragen zijn overeenkomstig de opgave van de Rijkshoofdboekhouding ultimo 2002.

5. Uitgaven buiten begrotingsverband

De stand ultimo 2002 heeft betrekking op voorschotten, Invoerrechten Belastingdienst en nog te verrekenen posten van Domeinen en met de Nederlandse Credietverzekering Maatschappij (NCM).

6. Ontvangsten buiten begrotingsverband

De stand ultimo 2002 heeft grotendeels betrekking op de loonheffing en pensioenpremie die in december 2002 op de salarissen van het personeel is ingehouden (en in januari 2003 is afgedragen), alsmede op bedragen die de Belastingdienst en Domeinen nog moeten verrekenen met derden.

7. Openstaande rechten

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2002Ultimo 2001
Belastingvorderingen22 288 91119 739 561
   
Vorderingen Domeinen:380 890372 175
Defensiegoederen368 965360 964
Overige11 92511 211
   
Overige49 8876 490
 22 719 68820 118 226

Belastingvorderingen

De belangrijkste vorderingen hebben betrekking op de vennootschapsbelasting (€ 11,0 mld.), inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen (€ 4,2 mld.), omzetbelasting (€ 2,6 mld.), loonbelasting/premies volksverzekeringen (€ 1,6 mld.), de tabaksaccijns (€ 0,9 mld.) en successierechten (€ 0,6). De belastingvorderingen zijn voor 62% ontstaan in 2002, voor 16% in 2001, voor 9% in 2000, voor 4% in 1999 en dateren voor 9% van vóór 1999.

Over de invorderbaarheid wordt opgemerkt dat van het totale te vorderen bedrag uiteindelijk een aanzienlijk deel niet inbaar zal zijn. Bij 61% van de openstaande vorderingen is de betalingstermijn verstreken. Van deze achterstandsposten bestaat circa 54% uit betwiste rechten, bijvoorbeeld omdat een bezwaarschrift is ingediend. Ook van de niet-betwiste rechten met een betalingsachterstand zal een gedeelte niet of moeilijk inbaar zijn, bijvoorbeeld door faillissementen.

Verloop van de belastingvorderingen
Ultimo 200119 739 561
Ontstane rechten89 946 350
  
Vervallen rechten: 
– ontvangsten– 16 706 103
– verleende verminderingen en negatieve aanslagen– 69 285 037
– oninbaarlijdingen en kwijtscheldingen– 1 405 860
Ultimo 200222 288 911

Vorderingen Domeinen

De vorderingen van Domeinen houden voornamelijk verband met verkopen van Defensiegoederen aan diverse landen. De boeking van de debiteuren uit verkopen van Defensiegoederen vindt plaats op het moment dat de contracten worden afgesloten.

Van het totale openstaande bedrag is € 14,6 mln. direct opeisbaar en € 366,2 mln. op termijn opeisbaar.

Een bedrag van € 0,1 mln. is voorlopig buiten invordering gesteld, danwel waarschijnlijk niet inbaar.

8. Extra-comptabele vorderingen

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2002Ultimo 2001
Geconditioneerde vorderingen export-kredietverzekering (NCM)2 330 4812 380 396
   
Leningen u/g530 923593 554
   
Geconditioneerde vorderingen BF-regeling180 062173 693
   
Overige49 10251 413
 3 090 5683 199 056

Geconditioneerde vorderingen exportkredietverzekering (NCM)

Verreweg het grootste deel van de geconditioneerde vorderingen (excl. consolidatierente) op de NCM ad € 2,3 mld. is opgenomen in consolidatie-overeenkomsten in het kader van de Club van Parijs. Vorderingen begrepen in consolidatieregelingen zijn door landen erkende schulden waar een betalingsregeling voor geldt en kunnen derhalve worden beschouwd als recuperabel. Landen zijn echter niet altijd in staat de betalingsverplichtingen uit hoofde van zo'n regeling na te komen. In die gevallen worden doorgaans herconsolidaties afgesloten. Hierdoor verschuift de geplande ontvangst van provenu's door NCM naar de toekomst. Dit betekent dat de afdracht aan de Staat van ontvangen provenu's overeenkomstig verschuift. In de Club van Parijs is gesproken over verdergaande kwijtschelding van schulden van de allerarmste landen (HIPC). Als gevolg hiervan zullen deze landen in aanmerking komen voor verdergaande kwijtschelding van hun schulden uit hoofde van de exportkredietverzekering.

Geconditioneerde vorderingen BF-regeling (NIB)

De rechten van de Staat jegens derden (te weten de kredietnemers van de NIB) ter zake van reeds afgedekte kredieten in het kader van de BF-regeling worden beschouwd als geconditioneerde vorderingen. Zodra de ondernemingen weer voldoende liquide zijn, moet het door de Staat afgedekte krediet worden terugbetaald. In het verleden is gebleken dat slechts een gering bedrag uiteindelijk wordt gerestitueerd (vanwege faillissement e.d.).

10. Voorschotten

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2002Ultimo 2001
Personeel en materieel15 67430 569
   
Overige8 4486 036
 24 12236 605

Personeel en materieel

Deze post betreft voornamelijk voorschotten aan leveranciers van de Belastingdienst, aan rijksadvocaten en aan gemeenten inzake de kostenvergoeding ten gevolge van de Wet waardering onroerende zaken. Daarnaast betreft het voorschotten aan de Uitkeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO) en voorschotten aan ambtenaren van het kernministerie en de Belastingdienst voor studiekosten, reis- en verblijfkosten, verhuiskosten, vakantie-uitkeringen e.d. De voorschotten stammen grotendeels uit 2002 en 2001. Voorts betreft het voorschotten inzake materiële uitgaven, die in 2002 zijn ontstaan.

11.1 Openstaande garantieverplichtingen

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2002Ultimo 2001
Deelnemingen21 458 46423 333 701
IMF11 599 82412 630 252
Ontwikkelingsbanken/NWB/BNG9 858 64010 703 449
   
Kernongevallen (WAKO)15 882 30715 882 307
   
Herverzekeringen7 593 0948 888 194
Exportkredietverzekering6 837 0947 946 146
Herverzekering investeringen756 000942 048
   
Overige1 968 9962 374 120
 46 902 86150 478 322

Deelnemingen

• IMF: DNB neemt namens de Staat, onder Staatsgarantie, deel in het kapitaal van het Internationale Monetaire Fonds (IMF). De daling ten opzichte van ultimo 2001 is het gevolg van een daling van de koers van de SDR.

• Ontwikkelingsbanken (Wereldbank, Regionale Ontwikkelingsbanken, EIB, EBRD, MIGA), NWB en BNG: dit betreft het garantiekapitaal (de niet volgestorte aandelen) inzake de deelneming van de Staat in het kapitaal van de betreffende banken. Slechts indien de banken in ernstige financiële problemen komen, kan om storting (vol- of bijstorting) van het garantiekapitaal worden gevraagd. De daling ten opzichte van ultimo 2001 is het gevolg van een daling van de koers van de USD en SDR.

Kernongevallen (WAKO)

Op grond van de Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen (WAKO) staat de Staat, voor zover de vergoedingen uit andere hoofde niet toereikend zijn, voor maximaal € 2,27 mld. per vergunning garant ten einde schade ten gevolge van een kernongeval te vergoeden. Het uitstaand risico heeft betrekking op 7 installaties.

Herverzekeringen

De openstaande verplichting betreft voornamelijk het risico (obligo) van de Staat als herverzekeraar uit hoofde van de door de NCM verzekerde kredieten en koersrisico's. Daarnaast betreft de openstaande verplichting het risico uit hoofde van de door de NCM verzekerde investeringen in het kader van de regeling Herverzekering Investeringen (RHI incl. WHI).

11.2 Openstaande betalingsverplichtingen

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2002Ultimo 2001
Deelnemingen ontwikkelingsbanken978 852639 420
Overige140 328264 398
Totaal1 119 180903 818

12. Deelnemingen

De post deelnemingen bestaat uit de aandelen in Nederlandse ondernemingen en de aandelen in internationale instellingen. De deelnemingen zijn als volgt gewaardeerd:

• Nederlandse ondernemingen: op basis van het gestorte kapitaal (oorspronkelijke aankoopprijs).

• Internationale instellingen: op basis van het gestorte kapitaal (oorspronkelijke aankoopprijs) en nog te storten kapitaal uit hoofde van een betalingsverplichting (paid-in capital). Voor het restant dat niet als deelneming is opgenomen, is een garantieverplichting verstrekt (callable capital), die onder saldibalanspost 11 is opgenomen.

De deelnemingen kunnen als volgt gespecificeerd worden. In de laatste kolom van het overzicht is het deelnemingspercentage ultimo 2001 vermeld.

 ultimo 2002Ultimo 2001Aandeel in %
Nederlandse ondernemingen   
De Nederlandsche Bank (DNB)500 000500 000100
Bank Nederlandse Gemeenten (BNG)69 61363 17850
Nationale Investeringsbank (NIB)11 47211 47214,7
Overige15 14019 683div.
Subtotaal596 225594 333 
Internationale instellingen   
Wereldbank (IBRD)252 069297 0262,3
Europese Investeringsbank (EIB)228 202228 2024,92
Europese Bank voor Wederopbouw   
en Ontwikkeling (EBRD)130 200130 2002,71
Internationale Financieringsmij. (IFC)53 43362 9622,4
Overige116 974135 095div.
Subtotaal780 878853 485 
Totaal1 377 1031 447 818 

De daling ten opzichte van ultimo 2001 is het gevolg van de waarde van de euro ten opzichte van de USD en SDR.

Niet uit de saldibalans blijkende deelneming

Tot de deelnemingen kan ook de SENS worden gerekend. De relatie tussen het ministerie van Financiën en de SENS is voornamelijk financieel van aard.

BIJLAGE 1:

VERDIEPINGSBIJLAGE

Art. 1 Belastingen

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 1 BelastingenVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)2 754 2342 754 16695 329 110
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)2 754 2342 754 16695 329 110
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)249 357249 3571 544 236
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)3 003 5913 003 52396 873 346
Amendement (28 320, nr.4)– 32 000– 32 000 
    
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)217 357217 3571 544 236
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)77 06477 8032 751 280
Ontwerp-suppl. begroting (28 704, nr. 1)3 048 6553 049 32694 122 066
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)77 06477 803– 2 751 280
Mutaties slotwet25 37716 740– 2 345 137
Ontwerp-slotwet3 074 0323 066 06891 776 929
    
4. Vast te stellen mutatie slotwet25 37716 740– 2 345 137
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)3 074 0323 066 06691 776 929

Art. 2 Financiële markten

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 2 Financiële marktenVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)66 838109 0401 048 631
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)66 838109 0401 048 631
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)2 637– 63183 000
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)69 475108 9771 231 631
    
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)2 637– 63183 000
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)89 07787 70713 057
Ontwerp-suppl. begroting (28 704, nr. 1)158 552196 6841 218 574
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)89 07787 707– 13 057
Mutaties slotwet– 5 891– 10 52084 631
Ontwerp-slotwet152 661186 1641 303 205
    
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 5 891– 10 52084 631
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)152 661186 1641 303 205

Art. 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 3 FinancieringenVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)82 41618 886160 400
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)82 41618 886160 400
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)451451 
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr.1)82 86719 337160 400
    
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)4514510
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)10 8855 45726 199
Ontwerp-suppl. begroting ( 28 704, nr. 1)93 75224 794186 599
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)10 8855 45726 199
Mutaties slotwet– 4 665– 9 248– 2 406
Ontwerp-slotwet89 08715 546184 193
    
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 4 665– 9 248– 2 406
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)89 08715 546184 193

Art. 4 Internationale financiële betrekkingen

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 4 Internationale financiële betrekkingenVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)678 955179 1855 163
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)678 955179 1855 163
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)– 140 782– 23 564 
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr.1)538 173155 6215 163
    
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)– 140 782– 23 564 
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)144 066972 700
Ontwerp-suppl. begroting ( 28 704, nr. 1)682 239155 7187 863
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)144 066972 700
Mutaties slotwet– 170 462567– 108
Ontwerp-slotwet511 777156 285– 7 755
    
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 170 462567– 108
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)511 777156 2857 755

Art. 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 5 Exportkredietverzekering en InvesteringsgarantiesVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)11 799 632112 189172 890
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)11 799 632112 189172 890
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)6565– 37 000
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)11 799 697112 254135 890
    
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)6565– 37 000
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)403– 9 5978 564
Ontwerp-suppl. begroting (28 704, nr. 1)11 800 100102 657144 454
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)403– 9 5978 564
Mutaties slotwet– 7 762 623– 8 46723 596
Ontwerp-slotwet4 037 47794 190168 050
    
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 7 762 623– 8 46723 596
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)4 037 47794 190168 050

Art. 6 Staatsloterij

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 6 StaatsloterijKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)134 589
  
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)134 589
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)0
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)134 589
  
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)0
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)– 10 589
Ontwerp-suppl. begroting (28 704, nr. 1)124 000
  
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)– 10 589
Mutaties slotwet– 39 376
Ontwerp-slotwet84 624
  
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 39 376
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)84 624

Art. 7 Beheer materiële activa

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 7 Beheer materiële activaVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)119 279119 279316 120
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)119 279119 279316 120
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)3 8833 88319 556
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)123 162123 162335 676
    
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)3 8833 88319 556
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)5 0135 013– 13 243
Ontwerp-suppl. begroting (28 704, nr. 1)128 175128 175322 433
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)5 0135 013– 13 243
Mutaties slotwet– 16 453– 16 466– 47 008
Ontwerp-slotwet111 722111 709275 425
    
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 16 453– 16 466– 47 008
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)111 722111 709275 425

Art. 8 Financieel-economisch beleid van de overheid

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 8: Financieel-economisch beleid van de overheidVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)22 95022 9502 656
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)22 95022 9502 656
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)6 3736 373 
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)29 32329 3232 656
    
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)6 3736 373 
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)1 1551 155133
Ontwerp-suppl. begroting (28 704, nr. 1)30 47830 4782 789
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)1 1551 155133
Mutaties slotwet– 840– 1 033568
Ontwerp-slotwet29 63829 4453 357
    
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 840– 1 033568
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)29 63829 4453 357

Art. 9 Algemeen

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Niet-beleidsartikel 9 AlgemeenVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)77 98377 9836 431
    
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)77 98377 9836 431
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)11 07311 0730
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)89 05689 0566 431
    
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)11 07311 0730
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)– 3 306– 3 3060
Ontwerp-suppl. begroting (28 704, nr. 1)85 75085 7506 431
    
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)– 3 306– 3 3060
Mutaties slotwet– 3 003– 2 023– 1 585
Ontwerp-slotwet82 74783 7274 846
    
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 3 003– 2 023– 1 585
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)82 74783 7274 846

Art. 10 Nominaal en onvoorzien

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002 Bedragen x € 1000
Niet-beleidsartikel 10 «Nominaal en Onvoorzien»VerplichtingenKasuitgaven
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)699699
   
1. Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)699699
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)73 11973 119
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)73 81873 818
   
2. Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)73 11973 119
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)– 71 101– 71 101
Ontwerp-suppl. begroting (28 704, nr. 1)2 7172 717
   
3. Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 82)– 71 101– 71 101
Mutaties slotwet– 2 717– 2 717
Ontwerp-slotwet00
   
4. Vast te stellen mutatie slotwet– 2 717– 2 717
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)00

BIJLAGE 2:

AANBEVELINGEN ALGEMENE REKENKAMER

In deze bijlage wordt ingegaan op de stand van zaken van de toezeggingen, die het ministerie van Financiën naar aanleiding van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer in haar rapport bij de financiële verantwoording 2001, heeft gedaan. In onderstaande tabel zijn de toezeggingen samengevat, waarna vervolgens de stand van zaken is weergegeven.

Aanbevelingen Algemene Rekenkamer

Opmerking Rekenkamer in rapport bij de financiële verantwoording 2001 IXB ( ministerie van Financiën)Gedane toezeggingen aan Algemene Rekenkamer n.a.v. opmerkingen in het rapport bij de financiële verantwoording 2001 IXB (ministerie van Financiën)Stand van zaken
Financieel beheer directie Roerende Zaken van de Dienst Domeinen  
De Algemene Rekenkamer concludeert dat de weerbaarheid tegen integriteitsaantastingen dient te worden vergroot. In eerste instantie zou, Domeinenbreed, een risico-analyse dienen te worden uitgevoerd. Vervolgens zou een plan opgesteld en uitgevoerd dienen te worden om de integriteit, organisatie breed, en rekeninghoudend met specifieke risico's, te borgen. Het bestaande integriteitsbeleid bij Domeinen zal verder worden aangescherpt en meer bekendheid worden gegeven. Daarnaast zal een inventarisatie worden gemaakt van integriteitsrisico's en een plan worden opgesteld voor integriteitsborging. In 2002 is een integriteitsplan opgesteld. Inmiddels is gestart met de invulling van de in dit plan van aanpak beschreven acties. De acties vormen samen een programma, dat tot een integrale inbedding van integriteit binnen de organisatie leidt. Overigens concludeerden de externe opstellers van het plan dat integriteit bij Domeinen regelmatig een onderwerp van gesprek is en dat iedereen op de hoogte lijkt te zijn van enkele algemeen geldende regels en het belang van preventiemaatregelen ter bescherming van de eigen medewerkers. Verbeteringen zijn mogelijk in de vastlegging van regels, duidelijkheid over de sancties bij misstappen en eenduidig omgaan met integriteitsschendingen door leidinggevenden.
   
Financieel beheer directie Roerende Zaken van de Dienst Domeinen  
De adequate uitvoering van de VIC's (Verbijzonderde Interne Controles) bij de directie Roerende Zaken dient te worden gestimuleerd. Dit om waar nodig tijdig en adequaat gedurende het jaar bij te kunnen sturen.AO/IC is als speerpunt benoemd binnen Roerende Zaken en dat betekent dat primair vanuit Roerende Zaken, maar ook vanuit de directie Domeinen, scherp wordt toegezien op de adequate werking/uitvoering hiervan. De controles zoals opgenomen in het kwaliteits- en controleprogramma zijn uitgevoerd. De bevindingen zijn vastgelegd en waar nodig is actie ondernomen. In verband met de overgang per 1 oktober 2002 van Domeinen RZ op een baten-lastenstelsel en de invoering van een nieuw geautomatiseerd informatiesysteem is het kwaliteits- en controleprogramma aangepast. De controles over het laatste kwartaal zijn in januari 2003 afgerond.
   
Toezichtvisie  
De minister van Financiën neemt het standpunt in dat geen algemene toezichtvisie voor het departement wordt ontwikkeld, omdat taak, vormgeving en omvang van de aan het Ministerie van Financiën gelieerde RWT's te veel van elkaar afwijken. Wel is de visie van de minister per RWT te ontlenen aan bepalingen in de desbetreffende wet- en regelgeving. De minister is overigens voornemens op termijn een toezichtvisie per RWT te formuleren en toezichtsarrangementen vast te stellen. Er zal een algemene toezichtvisie op het terrein van de financiële marktsector worden vastgesteld, waarbij de Nota Hervorming van het toezicht op de financiële marktsector de basis zal vormen.In het Algemeen deel van de Wet op het financieel toezicht zal worden ingegaan op de institutionele verhouding minister-toezichthouder en daarbij zal ook een algemene toezichtvisie worden opgenomen. Dit wetgevingstraject is vorig jaar opgestart. Het streven is het Algemeen deel voor de zomer naar de Ministerraad te sturen.
   
Aanbevelingen Algemene RekenkamerFinancieel beheer Belastingdienst  
De Algemene Rekenkamer constateerde dat het financieel beheer bij de Belastingdienst in 2001, mede als gevolg van de reorganisatie, een licht negatieve tendens vertoonde, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in een verminderde kwalitatieve en kwantitatieve uitvoering van de interne controles. Door de geconstateerde verslechtering is er bij bepaalde processen sprake van een onvoldoende beheersing. De Algemene Rekenkamer beveelt de minister dan ook aan om maatregelen te treffen die moeten waarborgen dat het financieel beheer gedurende de reorganisatie op een adequaat niveau gehandhaafd wordt. De bevindingen van de Algemene Rekenkamer t.a.v. het automatiseringscentrum zijn aanleiding voor de Belastingdienst maatregelen te treffen, die erop gericht zijn de kwaliteit (inclusief de tijdigheid) van de interne controle bij het Automatiseringscentrum (B/CICT) in 2002 te verbeteren. In 2002 is de interne controle binnen B/CICT planmatig opgepakt en conform planning uitgevoerd. Tegelijkertijd heeft een inhaalslag plaatsgevonden om de interne controleprogramma's aan te laten sluiten op de procesinrichting van de nieuwe organisatie B/CICT en hebben samenvoegingen van aan elkaar gerelateerde interne controleprogramma's plaatsgevonden. Tevens is het niveau van de interne controle versterkt door het leggen van totaalverbandscontroles die voorheen niet werden toegepast en het aanvullend uitvoeren van steekproeven naast de reguliere interne controle. Ook is interne controle opgezet en uitgevoerd voor processen die vanuit de centrale beheereenheden naar B/CICT zijn gekomen.De kwaliteit van de interne controleprogramma's, het niveau en de tijdigheid van de uitvoering van de interne controle en het gebruik van de resultaten vanuit de interne controle is hiermee in 2002 duidelijk verbeterd ten opzichte van de situatie in 2001.Voor 2003 is daarnaast nog een kwalitatieve verbeterslag gepland om werkende weg op het vereiste niveau te komen.

BIJLAGE 3:

LIJST MET AFKORTINGEN

AAWAlgemene Arbeidsongeschiktheids Wet
ABPAlgemeen Burgerlijk Pensioenfonds
ACS-LandenLanden in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan
AfDBAfrikaanse Ontwikkelingsbank
AfDFAfrikaanse Ontwikkelingsfonds
ALNAlgemene Loterij Nederland
ARGIAandacht voor risicobeheersing, gegevensbeveiliging en integriteit
AsDBAziatische Ontwikkelingsbank
AsDFAziatische Ontwikkelingsfonds
AWBAlgemene Wet Bestuursrecht
BBPBruto Binnenlands Product
BC MOTBegeleidingscommissie melding ongebruikelijke transacties
BFBijzondere Financiering
BISBank for International Settlements
BRKBelastingregeling voor het Koninkrijk
BTWBelasting toegevoegde waarde
BZKBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
CBFComprehensive Development Framework
CFATCaribbean Financial Action Taskforce
CWComptabiliteitswet
DNBDe Nederlandsche Bank
EBSEigentijds Begrotingsstelsel
EBRDEuropese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling
ECDEconomische Controledienst
EDPElectronic Data Processing
EIAEnergie-investeringsaftrek
EIBEuropese Investeringsbank
EKIExportkredietverzekering- en investeringen
EKVExportkredietverzekering
EMUEuropese Monetaire Unie
EUEuropese Unie
EZEconomische Zaken
FATFFinancial Action Task Force on money laundering
FIODFiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst
FIXFiscale kwaliteitsindex
FMOFinancierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden
FSOFonds voor Speciale Operaties
FPFinanciële Perspectieven
GCIGeneral Capital Increase
GFGemeentefonds
GLBGemeenschappelijk Landbouwbeleid
HIPCHeavily indebted poor countries
IBInkomstenbelasting
IBOInterdepartementaal Beleids Onderzoek
IBRDInternational Bank for Reconstruction and Development (Wereldbank)
ICTInformatie en Communicatietechnologie
IDAInternationale Ontwikkelingsassociatie
IDBInter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank
IFCInternational Finance Corporation
Lijst met afkortingen IFIInternationale Financiële Instelling
IHInkomensheffing
IICInter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij
IMFInternationaal Monetaire Fonds
IPOInterprovinciaal Overleg
ITOIntensief toezicht en opsporing
KCKenniscentrum PPS
KNMKoninklijke Nederlandse Munt
LBLoonbelasting
LGO-landenLanden en Gebieden Overzee
LHLoonheffing
LNVLandbouw, Natuurbeheer en Visserij
MDWMarktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit
MENAMiddle East and North Africa
MIFMultilateraal Investerings Fonds
MIGAMultilateral Investment Agency
MILHMonitor Inkomsten uit Lokale Heffingen
MKBMidden- en kleinbedrijf
NAVMNationaal Analysecentrum voor Valse Munten
NCMNederlandsche Credietverzekeringmaatschappij
NFENationaal Forum voor de introductie van de euro
NILNationale Instantloterij
NPLNationale Postcodeloterij
OBOmzetbelasting
OC&WOnderwijs, Cultuur en Wetenschappen
ODAOfficial Development Assistance
OESOOrganisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling
OZBOnroerend Zaak Belasting
PFProvinciefonds
PIOFHAPersoneel, informatisering, organisatie, financiën, huisvesting en automatisering
PPMRegeling Particuliere Participatiemaatschappijen
PPSPubliek-private samenwerking
PRGFPoverty Reduction and Growth Facility
RFTRaad van Financiële Toezichthouders
RGDRijksgebouwendienst
RHIRegeling Herverzekering Investeringen
RVRRaad voor Vastgoed Rijksoverheid
SDRSpecial Drawing Rights
SENSStichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij
SFPStichting Fondsenpromoties
SNSStichting de Nationale Sporttotalisator
STEStichting Toezicht Effectenverkeer
SUFAStichting Uitvoeringsorgaan Financiële Akties
SZWSociale Zaken en Werkgelegenheid
TKTweede Kamer
USDUnited States Dollars
V&WVerkeer en Waterstaat
VBTBVan beleidsbegroting tot beleidsverantwoording
VNGVereniging voor Nederlandse Gemeenten
VpbVennootschapsbelasting
VROMVolkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VTVoorlopige Teruggaaf
VWSVolksgezondheid, Welzijn en Sport
WabbWet assurantiebemiddelingsbedrijf
WAKOWet Aansprakelijkheid Kernongevallen
WBWereldbank
WckWet consumentenkrediet
WifWet indentificatie bij financiële dienstverlening
WOIITweede Wereldoorlog
WOZWet waardering onroerende zaken
WTOWereldhandelsorganisatie
ZBOZelfstandig Bestuursorgaan

XNoot
1

De beoogde verlichting zoals gepresenteerd in de wetsvoorstellen Walvis en Aansluitingswet Walvis bedraagt € 186 mln. Inmiddels is in het Belastingplan 2003 een maatregel inzake de feestgeschenkenregeling opgenomen die dit cijfer amendeert. Als gevolg hiervan zal de besparingspotentie van beide wetsvoorstellen gezamenlijk met circa € 30 mln. afnemen tot ruim € 150 mln. De verzwaring aan de fiscale zijde loopt op tot circa € 100 mln.

XNoot
1

De Belastingdienst hanteert deze kengetallen al geruime tijd. De kengetallen voldoen niet op alle onderdelen voor 100% aan de eisen die genoemd staan in de Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid (RPE), die 1 januari 2002 van kracht is geworden. De huidige set van kengetallen wordt heroverwogen. Dit hangt samen met de reorganisatie van de Belastingdienst en de invoering van het baten- en lastenstelsel en het resultaatgericht sturen. In de begroting 2004 zal een nieuwe set kengetallen worden gebruikt. Daarom is besloten geen energie te steken in het volledig aanpassen van de huidige kengetallen aan de eisen van het RPE.

XNoot
1

De resultaten van de enquêtes die zijn gehouden onder particulieren, ondernemingen en douaneklanten zijn als één resultaat gepresenteerd.

XNoot
1

In de Voorlopige Rekening 2002 werd over 2001 een lagere realisatie gemeld van € 1,07 mld. ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten. Deze lagere realisatie was voor € 0,65 mld. tijdelijk lager, voor € 0,92 mld. structureel lager en voor € 0,5 mld. incidenteel hoger van aard. Het structurele deel van de tegenvaller werkt door in 2002. De tijdelijke tegenvaller in 2001 leidt tot een tijdelijke meevaller in 2002. In de Voorlopige Rekening zijn de nabetalingen van € 0,51 mld. buiten beschouwing gelaten. Deze zijn incidenteel van aard.

XNoot
2

In MN 2002 staat toegelicht dat dit een raming op kasbasis betreft en dat op transactiebasis een lastenverlichting resulteert.

XNoot
1

Staatsblad 2001, 670.

XNoot
1

Kamerstukken II 2001/02, 28 112, nr. 1.

XNoot
1

Commission of the European Communities, Communication from the Commission to the Council, the European Parliament, the Economic and Social Committee, the Committee of the Regions and the European Central Bank, The introduction of euro banknotes and coins – one year after, Brussels, 19–12–2002, COM 747.

XNoot
1

Categorie 1a van de EU-begroting.

XNoot
1

IMF, Lessons from the real-time assessments of structural conditionality, maart 2002.

XNoot
2

IMF, Review of the key features of the PRGF – Staff analysis, maart 2002.

XNoot
1

In de Voorlopige Rekening 2002 werd over 2001 een lagere realisatie gemeld van € 1,07 mld. ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten. Deze lagere realisatie was voor € 0,65 mld. tijdelijk lager, voor 0,92 mld. structureel lager en voor € 0,5 mld. incidenteel hoger van aard. Het structurele deel van de tegenvaller werkt door in 2002. De tijdelijke tegenvaller in 2001 leidt tot een tijdelijke meevaller in 2002. In de Voorlopige Rekening zijn de nabetalingen van € 0,51 mld. buiten beschouwing gelaten. Deze zijn incidenteel van aard.

XNoot
2

In MN 2002 staat toegelicht dat dit een raming op kasbasis betreft en dat op transactiebasis een lastenverlichting resulteert.

Naar boven