28 880
Jaarverslagen over het jaar 2002

nr. 18
JAARVERSLAG VAN DE NATIONALE SCHULD (IXA)

Aangeboden 21 mei 2003

Gerealiseerde ontvangstenkst-28880-18-1.gif

Toelichting op de ontvangsten-grafiek: In de ontvangsten zijn bedragen van 1,9 en 8,4 mld. verwerkt in respectievelijk artikel 1 Financiering Staatsschuld en artikel 2 Kasbeheer die betrekking hebben op de stelselwijziging die in 2002 op IXA is doorgevoerd. Het betreft louter mutaties om een boekhoudkundige openingsbalans per 1 januari 2002 mogelijk te maken; er is geen sprake van feitelijke uitgaven of ontvangsten in 2002. Voor een verdere toelichting op deze stelselwijziging wordt verwezen naar beleidsverslag en jaarrekening.

Gerealiseerde uitgavenkst-28880-18-2.gif

INHOUDSOPGAVE blz.

AAlgemeen6
1Voorwoord6
2Dechargeverlening7
3Leeswijzer10
   
BBeleidsverslag11
4Beleidsprioriteiten11
5Beleidsartikelen16
5.1Financiering Staatsschuld16
5.2Kasbeheer31
6Niet-beleidsartikel39
6.1Nominaal en onvoorzien39
7Mededeling over de bedrijfsvoering40
   
CJaarrekening41
8Verantwoordingsstaat van de Nationale Schuld41
9Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaat42
9.1Toelichting bij de beleidsartikelen42
9.2Toelichting bij het niet-beleidsartikel56
10Saldibalans57
10.1Toelichting bij de saldibalans57
   
Bijlage 1Verdiepingsbijlage60
Bijlage 2Begrippenlijst61

A. ALGEMEEN

1. VOORWOORD

Het Jaarverslag IXA 2002 reflecteert de ingrijpende financieel-economische veranderingen die sinds september 2001, toen begroting IXA werd ingediend, zijn opgetreden. Zo is de schuld van de Staat eind 2002 hoger dan begroot (circa € 193 mld. in plaats van circa € 176 mld.). Dit komt door de sterk verslechterde economische situatie in de wereld en in Nederland. In plaats van een begrotingsoverschot en schulddaling is sprake van een tekort en daardoor een oplopende nominale schuld. Dit beeld moet echter wel in het juiste perspectief worden gezien: als percentage van het BBP stabiliseert de EMU schuld zich.

Een geluk bij dit ongeluk is dat de rente op de geld- en kapitaalmarkt is gedaald. Hierdoor heeft de gestegen schuld tot nauwelijks hogere rentekosten aanleiding gegeven. In 2002 werd namelijk circa € 10,3 mld. aan rentekosten op de staatsschuld betaald, vergelijkbaar met het begrote bedrag. Echter, mocht de rente op geld- en kapitaalmarkt stijgen, dan zal de gestegen schuld onherroepelijk tot hogere rentekosten op de begroting leiden. Het beleidskader voor de jaren 2003–2006, dat onder andere in dit jaarverslag wordt toegelicht, is erop gericht juist dit risico van budgettaire tegenvallers te sturen binnen aanvaardbare marges.

De Minister van Financiën,

J. F. Hoogervorst

2. DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Financiën aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Financiën decharge te verlenen over het in het jaar 2002 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van de Nationale Schuld.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in de jaarverslagen;

d. de saldibalans;

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van de Nationale Schuld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

b. de slotwet van de Nationale Schuld over het jaar 2002; deze slotwet is als bijlage bij het jaarverslag in dit boekwerk opgenomen.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2002 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2002 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2002 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

Ten behoeve van het politieke oordeel dat door middel van een besluit tot dechargeverlening wordt uitgesproken, is het van belang mee te wegen dat de ondergetekende samen met staatssecretaris S. R. A. van Eijck vanaf 22 juli 2002 de zorg voor het financieel beheer van de Nationale Schuld op zich heeft genomen.

De Minister van Financiën,

J. F. Hoogervorst

mede namens

De Staatssecretaris van Financiën,

S. R. A. van Eijck

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Tweede Kamer, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Eerste Kamer, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

3. LEESWIJZER

Hoe hoog was de staatsschuld, hoeveel rente is hierover betaald? Hebben we bereikt wat we wilden bereiken? Hebben we gedaan wat we wilden doen? Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In het jaarverslag IXA wordt antwoord gegeven op deze en vele andere vragen. Per beleidsterrein of beleidsartikel wordt in dit eerste VBTB-jaarverslag teruggeblikt op de voornemens uit de begroting 2002. Het jaarverslag IXA is opgebouwd uit 2 beleidsartikelen en 1 niet-beleidsartikel. Deze beleidsartikelen weerspiegelen het gehele werkterrein van de Nationale Schuld; hieronder vallen in concreto het beheer van de staatsschuld, het financieringsbeleid en het kasbeleid.

De beleidsartikelen 1 en 2 en het niet-beleidsartikel 3 zijn de volgende:

1. Financiering Staatsschuld

2. Kasbeheer

3. Nominaal en onvoorzien

Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag is opgebouwd uit het beleidsverslag en de jaarrekening.

In paragraaf 4 (beleidsprioriteiten) van het beleidsverslag wordt teruggeblikt op een selectie van beleidsactiviteiten verricht in 2002. Waar mogelijk wordt een link gelegd met de voor dit beleid gemaakte kosten en in een tabel worden de beleidsconclusies overzichtelijk gepresenteerd. De opbouw van de beleidsartikelen (paragraaf 5) is zoveel mogelijk identiek om de toegankelijkheid en leesbaarheid van het jaarverslag te optimaliseren. Elk beleidsartikel bevat een algemene doelstelling, een aantal operationele doelstellingen en een toelichting hierop. In de toelichting op deze operationele doelstellingen wordt ingegaan op de vragen «Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?» en «Hebben we gedaan wat we wilden doen?». Zoveel mogelijk wordt, waar zinvol, ook ingegaan op de kostenvraag. Voor het merendeel wordt de derde H-vraag «Heeft het gekost wat het mocht kosten» beantwoord in de tabel budgettaire gevolgen van beleid en de toelichting daarop (omdat op grond van de comptabiliteitswet 2001 de verplichtingen zijn gelijkgesteld aan de uitgaven zijn de verplichtingen hierin niet opgenomen). In paragraaf 6 komt het niet-beleidsartikel aan bod. In de bedrijfsvoeringsmededeling (paragraaf 7) wordt een verklaring afgegeven over de bedrijfsvoering Nationale Schuld.

In de jaarrekening wordt na de verantwoordingsstaat (paragraaf 8) in paragraaf 9 nogmaals per begrotingsartikel inzicht gegeven in de budgettaire gevolgen van beleid, voorzien van een toelichting. Paragraaf 10 bevat de saldibalans en een toelichting daarop. In de verdiepingsbijlage (bijlage 1) wordt vervolgens door middel van een cijfermatig overzicht per begrotingsartikel de budgettaire geschiedenis over het jaar 2002 gegeven (ontwerpbegroting, suppletore begrotingen, realisatie).

In bijlage 2 is een begrippenlijst opgenomen.

B. BELEIDSVERSLAG

4. BELEIDSPRIORITEITEN

4.1 Algemeen

In dit beleidsverslag wordt eerst ingegaan op de hoogte van de rentekosten in 2002. Hierbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de raming van het bedrag in de ontwerpbegroting 2002 en de realisatie. Daarna wordt ingegaan op het beleid en de beleidsprioriteiten van 2002.

4.2 Rentekosten in 2002

Eind 2002 bedroeg de staatsschuld € 192,9 mld. Tijdens het jaar 2002 was de schuld gemiddeld € 191,2 mld. Hierover is voor 2002 een bedrag van € 10,3 mld. aan rentekosten toegerekend. De realisatie van de rentekosten is hiermee vrijwel gelijk aan de ten tijde van de conceptbegroting geraamde omvang van € 10,3 mld.

Tabel 1: Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties 2002 (x € 1 mld.)
 ontwerpbegrotingrealisatie verschil
EMU schuld216,9233,81+ 16,9
Staatsschuld conform EMU-definitie175,6192,9 + 17,3
Rentekosten staatsschuld10,310,3 0
Rentekosten interne schuldverhoudingen1,21,0 – 0,2

1Stand VR 2002

Om de schuld te financieren werden in 2002 langjarige leningen (looptijd 3 en 10 jaar) aangegaan voor € 23 mld. Daarnaast werd tijdens het jaar steeds een deel van de schuld met DTC's gefinancierd, eind 2002 was dit gelijk aan € 16,1 mld. De onderstaande tabel geeft inzicht in de opbouw van de financieringsbehoefte.

Tabel 2: Dekking van de financieringsbehoefte van het Rijk in 2002 (x € 1 mld.)
 RealisatieOntwerpbegrotingVerschil
Aflossingen25,424,41,0
Feitelijk financieringssaldo18,0– 5,313,3
Financieringsbehoefte33,419,114,3
    
Dekking door:   
–Kapitaalmarktberoep23,019,13,9
–Hogere uitgifte DTC's10,3010,3
–Overig0,100,1
Totale dekking33,419,114,3

1Inclusief de inleg bij het rijk in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer (artikel 2 Kasbeheer). Bij het opstellen van de ontwerpbegroting werd deze post nog niet als onderdeel van het feitelijk financieringssaldo van het Rijk gepresenteerd.

De tabel laat een verhoging van de financieringsbehoefte zien ten opzichte van ontwerpbegroting IXA. Dit weerspiegelt de omslag in de budgettaire situatie die sinds midden 2001 is opgetreden. Hierdoor is de schuld hoger dan geraamd ten tijde van de ontwerpbegroting. Echter, in combinatie met lager dan geraamde rentevoeten en het risicomanagement, zijn de rentekosten vrijwel gelijk aan de begrotingsraming.

Door de tegenvallende economische situatie in Nederland is het bij ontwerpbegroting verwachte financieringsoverschot van € 5,3 mld. in 2002 veranderd in een financieringstekort van € 8,0 mld. bij jaarverslag 2002. Het hieruit voortvloeiende hogere kapitaalmarktberoep heeft geleid tot een tegenvaller van € 268 mln. in de rentekosten.

Daar tegenover staat dat het economische ongunstige klimaat heeft bijgedragen tot «flight to quality», dat wil zeggen dat beleggers meer geld in veilige staatsleningen beleggen. Dit heeft geresulteerd in een lager gemiddeld effectief rendement dan waar bij ontwerpbegroting mee werd gerekend. In 2002 zijn de twee nieuwe leningen uitgegeven tegen een gemiddeld effectief rendement van 4,47%. De lange rekenrente bij ontwerpbegroting 2002 was 5,00%. Op vergelijkbare wijze geldt dat het gemiddelde effectief rendement op schatkistpapier in 2002 gelijk was aan 3,27%, ten opzichte van een korte rekenrente van 4,00% bij ontwerpbegroting. Gedurende de begrotingscyclus is de rekenrente aangepast aan de ramingen die worden gemaakt door het CPB. Deze aanpassingen hebben geleid tot een meevaller van € 98 mln.

Tijdens 2002 is de looptijd van de schuld verder verkort in het kader van het risicomanagement waarbij de modified duration werd gestuurd. Het beleid in 2002 was gericht op het realiseren van een streefwaarde voor de modified duration van 3,9. Mede in verband daarmee is de oplopende schuld tijdens 2002, conform de financieringsplannen 2002, voor een belangrijk deel met DTC's gefinancierd. Op voorhand was de financieringsbehoefte in 2002 € 19 mld. Tijdens het jaar is de geraamde behoefte gestaag gestegen. Dit heeft ertoe geleid dat, conform de bekendgemaakte financieringsplannen (zie ook jaarbericht 2002) € 4 mld. meer dan de initieel geraamde € 19 mld. met lange leningen is gefinancierd. Tegen het einde van 2002 bleek dat de oploop tot € 15 of 16 mld. DTC's de modified duration zou verlagen tot 3,8 in plaats van 3,9. Gelet op het beleidskader 2003–2006 bleek het niet verstandig en onnodig kostbaar dit te redresseren. Uitvloeisel van het nieuwe beleidskader is de introductie van een nieuwe stuurvariabele, het niet langer uitgeven van leningen met een looptijd van meer dan 10 jaar en het brengen van de structurele omvang van de DTC's op € 15–20 mld. in plaats van de gebruikelijke € 5–7 mld. voorafgaand aan 2002. De uitkomst van 2002 is hiermee in lijn. Bij de bespreking van de beleidsartikelen wordt nader ingegaan op het nieuwe kader en de stuurvariabele in de komende jaren. De verdere verkorting heeft in 2002 een budgettair voordeel van € 135 mln. opgeleverd.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de mutaties die sinds de ontwerpbegroting zijn opgetreden in de rentekosten.

Tabel 3: Belangrijkste beleidsmatige mutaties sinds ontwerpbegroting 2002 (x € 1 mln.)
 2002artnr.
Stand ontwerpbegroting 2002111 562 
   
Belangrijkste beleidsmatige mutaties  
Risicomanagement– 601
   
Overige mutaties  
Bijstelling kapitaalmarktberoep2681
Bijstelling rekenrente– 981
Bijstelling interne schuldverhoudingen– 2162
Overig– 961,2
   
Stand slotwet 200211 360 

1Stand ontwerpbegroting betreft in deze tabel het saldo van de programma-uitgaven en ontvangsten vermeerderd met het saldo van de overige apparaatsuitgaven en -ontvangsten.

Het gebruik van swaps voor de sturing van het renterisico heeft geleid tot een voordeel van € 60 mln. bovenop het bij ontwerpbegroting geraamde voordeel van € 16 mln. Het totale voordeel van het gebruik van swaps voor de rentekosten van de Staat in 2002 komt hierdoor uit op € 76 mln1 en wordt weergegeven in de post risicomanagement in tabel 3. De verkorting van de staatsschuld zoals deze volgde uit de ALM studie in 1998 behelst naast de renteswaps ook een gewijzigde verdeling tussen 10- en 3-jarige leningen bij uitgifte. In 2002 heeft ook de additionele uitgifte in DTC's een bijdrage geleverd aan een lagere modified duration van de schuldportefeuille. Als er een vergelijking wordt gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met de geleidelijke daling van de modified duration sinds 1999 door zowel de veranderde verhouding van 10- en 3-jarige leningen en de DTC-portefeuille als het gebruik van swaps, heeft het risicomanagement over 1999–2002 een cumulatief voordeel van € 244 mln. op de rentekosten behaald.

Het saldo van rentelasten en -baten uit hoofde van interne schuldverhoudingen is € 216 mln. lager uitgekomen dan geraamd bij Ontwerpbegroting. Dit wordt in hoofdzaak verklaard door de volgende posten. Wat betreft de rentelasten is sprake van een lagere rentevergoeding aan de sociale fondsen (€ 146 mln.), vooral door een afname van hun rekening-courantsaldi. Voorts werd aan het Fonds Economische Structuurversterking minder rente toegevoegd (€ 46 mln.). Hiertegenover staan hogere rentelasten, welke vergoed werden aan derden (RWT's) over hun toegenomen rekening-courantsaldi bij de schatkist (€ 73 mln.). Wat betreft de rentebaten is sprake van hoger dan geraamde rente-inkomsten over door RWT's en baten-lastendiensten bij de schatkist nieuw opgenomen leningen (€ 100 mln.).

4.3 Financieringsbeleid en beleidsprioriteiten 2002

Het financieringsbeleid betreft de regels en gebruiken die de Staat in acht neemt bij het beheren van de bestaande schuld en het lenen van geld door het uitgeven van nieuwe schuld. De laatste jaren heeft het verantwoorden en monitoren van beleid een steeds belangrijker rol gekregen bij het beheren van de staatsschuld. Om deze reden lagen de voornaamste beleidsprioriteiten in de ontwerpbegroting van 2002 dan ook op het vlak van het risicomanagement:

1. Het streven naar een schuldportefeuille per ultimo 2002 met een modified duration van 3,9 gegeven de rentestanden ultimo 2000.

2. Het ontwikkelen van een prestatie-indicator voor het inlenen en uitlenen van korte gelden.

De onderstaande tabel laat zien hoe deze twee beleidsprioriteiten vertaald zijn naar beleidsmatige conclusies en de wijze waarop deze gerealiseerd kunnen worden:

BeleidsprioriteitBeleidsmatige conclusieTe nemen maatregelen/te ondernemen activiteiten
Het realiseren van een schuldportefeuille met een modified duration van 3,9, gegeven de rentestanden ultimo 2000Eind 2002 werd een modified duration van 3,8 bereikt. Achtergrond en toelichting zijn vervat in de tekst bij operationele doelstelling 1 in paragraaf 5 over de beleidsartikelen.Voortzetten van het beleid van looptijdverkorting overeenkomstig het aangepaste risicokader voor de jaren 2003–2006. Zie de toelichting bij operationele doelstelling 1.
Het ontwikkelen van een prestatie-indicator voor het inlenen en uitlenen van korte gelden.In 2001 en 2002 is onderzoek gedaan naar rentebewegingen op de geldmarkt dat geresulteerd heeft in identificatie van een mogelijke indicator, het EONIA tarief. In december 2001 is besloten om in 2002 een pilot programma te starten om de praktische uitvoerbaarheid te toetsen en ervaringsgegevens te verzamelen. In begroting IXA 2003 zijn het onderzoek en de pilot beschreven. Actualisatie en aanvulling is vervat in de tekst bij operationele doelstelling 3 in paragraaf 3 over de beleidsartikelen.Evaluatie van ervaringen en prestatie van de geldmarkt pilot over het jaar 2002.

4.4 Kasbeheer en beleidsprioriteiten 2002

De rijksoverheid en de aan haar gelieerde instellingen trachten de hen toegewezen middelen zo efficiënt mogelijk te beheren. In de afgelopen jaren is het besef gegroeid dat efficiencyvoordelen te behalen zijn door de geldstromen van de rijksoverheid en van de aan haar gelieerde instellingen te bundelen. Het integreren van publieke middelen kan risicoarm kasbeheer vereenvoudigen en maakt rentevoordelen mogelijk. Met het oog hierop is het «geïntegreerd middelenbeheer» van toepassing op de ministeries, de baten-lastendiensten en begrotingsfondsen (onder andere AOW Spaarfonds) en de beheerders van de sociale fondsen en een aantal rechtspersonen met een publieke taak. In 2002 zijn voorbereidingen getroffen om het geïntegreerd middelenbeheer uit te breiden naar een grote groep rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT's). Hiertoe is het wetsvoorstel «1e wijziging Comptabiliteitswet 2001» door de Tweede Kamer aangenomen waarna het door de Eerste Kamer controversieel is verklaard. Dit wetsvoorstel voorziet erin dat bepaalde RWT's bij AMVB worden aangewezen hun publieke liquide middelen in de vorm van rekening-courant en deposito's rentedragend aan te houden bij het Rijk, terwijl tevens onder garantie van het vakdepartement leningen mogelijk zijn. Daarnaast zullen voor RWT's met een kleine financiële omvang regels gesteld worden om een risicoarm kasbeheer te waarborgen. In 2002 is door het ministerie van Financiën gestart met het treffen van de nodige voorbereidingen om geïntegreerd middelenbeheer op grotere schaal toe te passen. Hiertoe zijn met een aantal grootbanken afspraken gemaakt voor automatische saldoregulatie tussen instellingen en de schatkist. Voorts wordt de systematiek van geïntegreerd middelenbeheer op basis van vrijwilligheid toegepast. Per ultimo 2002 gebeurde dat voor ongeveer 25 RWT's.

Naast het geïntegreerd middelenbeheer heeft het kasbeheer betrekking op het verzorgen van een efficiënte en betrouwbare infrastructuur voor de rijksoverheid om haar betalingsverkeer af te wikkelen. In 2002 zijn, nadat de dienstverlening door de banken in een evaluatie positief beoordeeld werd, de contracten met de twee «huisbankiers» van de rijksoverheid verlengd tot 2006 onder handhaving van het prijsniveau dat in 1999 bij de toenmalige Europese aanbesteding was overeengekomen.

In onderstaande tabel wordt aangegeven hoe beleidsmatig wordt omgegaan met de verschillen tussen de beleidsmatige intenties en de realisatie van het beleid.

BeleidsprioriteitBeleidsmatige conclusieTe nemen maatregelen/te ondernemen activiteiten
Uitbreiding geïntegreerd middelenbeheerDe uitbreiding van geïntegreerd middelenbeheer naar daarvoor in aanmerking komende rechtspersonen met een wettelijke taak is in gang gezet. De wettelijke grondslag daarvoor is in 2002 door de Tweede Kamer aanvaard. Het wetsvoorstel is echter door de Eerste Kamer controversieel verklaard.Naar verwachting zal de behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer medio 2003 plaatsvinden.
Betalingsverkeer rijksoverheidNa een positieve evaluatie van de dienstverlening door de «huisbankiers» zijn de desbetreffende contracten in 2002 verlengd.In 2004 zal de dienstverlening opnieuw worden geëvalueerd.

5. BELEIDSARTIKELEN

5.1 Financiering Staatsschuld

5.1.1 Algemene beleidsdoelstelling

Een efficiënt en effectief beheer van de staatsschuld en het voorzien in financieringsbehoeften van de Staat door het inlenen en uitlenen van gelden.

Het financieringsbeleid vindt plaats binnen de volgende randvoorwaarden en aannames:

1. De financieringsbehoefte in een gegeven jaar is grotendeels uitvloeisel van het algemene economische beleid en de conjunctuur. De financieringsbehoefte in een gegeven jaar wordt gedefinieerd als de herfinanciering van in dat jaar aflopende leningen vermeerderd met het feitelijk tekort of verminderd met het feitelijk overschot van de Staat.

2. Leningen worden aangegaan in euro.

3. Leningen worden aangegaan ten behoeve van de Nederlandse Staat.

4. Leningen hebben een vaste looptijd en een vaste couponrente en kennen geen vervroegde aflossingsclausules.

5. Leningen worden aangegaan op zodanige wijze dat de soliditeit van het beleid is gewaarborgd en de positie van de Nederlandse Staat als eersteklas debiteur geen schade wordt toegebracht.

6. Emissie tegen voor de Staat zo gunstig mogelijke condities is gebaat bij een brede en actieve markt voor staatsleningen. Dit houdt in dat een groot aantal partijen Nederlandse staatsleningen (DSL's) vraagt en aanbiedt en dat prijsvorming tot stand komt zonder dat individuele partijen deze prijsvorming naar hun hand kunnen zetten. Belemmeringen en obstakels voor het functioneren van deze markt, zoals complexe, ondoorzichtige producten en (voor buitenlandse beleggers) ingewikkelde uitgifte- of betalingsprocedures zijn overeenkomstig dit uitgangspunt negatief.

VerantwoordelijkheidResultaat- en in mindere mate systeemverantwoordelijkheid
Wettelijke grondslagComptabiliteitswet

5.1.2 Operationele doelstellingen

Uit de algemene doelstelling zijn drie operationele doelstellingen afgeleid:

1. Het lenen van lange gelden, voor herfinanciering van de bestaande staatsschuld en de financiering van het tekort, tegen zo laag mogelijke kosten binnen een aanvaardbaar risico op fluctuaties in de budgettaire rentelasten.

2. Het bevorderen van de distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit in DSL's en DTC's. Gestreefd wordt naar een zo hoog mogelijke concentratie van de staatsschuld in leningen met een minimale omvang van € 10 mld. en naar een permanente verbetering van de markt voor DSL's en DTC's.

3. Het lenen en uitlenen van korte gelden, voor het reguleren van het dagelijkse schatkistsaldo tussen € 0 en 50 mln., tegen zo laag mogelijke kosten respectievelijk zo hoog mogelijke opbrengsten binnen een aanvaardbaar risico.

Hieronder worden deze drie operationele doelstellingen nader toegelicht. Tevens wordt aandacht besteed aan een internationale vergelijking.

5.1.2.1 Operationele doelstelling 1 Lenen lange gelden

Lenen van lange gelden tegen zo laag mogelijke kosten binnen een aanvaardbaar risico.

De essentie van het financieringsbeleid is de staatsschuld zo goedkoop mogelijk te financieren, zonder onaanvaardbare risico's voor de rijksbegroting. Het is hierbij niet de bedoeling dat rentekosten alleen maar worden doorgeschoven naar de toekomst. Het risicomanagement is gericht op het beheersen van dat renterisico. In dat kader moet een afweging gemaakt tussen goedkoper (korter) financieren en minder risicovol (langer) financieren. Bij een normale rentestructuur betekent korter financieren immers voordeliger financieren. Korter financieren leidt echter ook tot meer herfinanciering per jaar en daarmee tot een hoger risico voor de begroting als gevolg van een rentestijging in enig jaar.

Om een goede afweging te kunnen maken tussen goedkoper (korter) financieren en minder risicovol (langer) financieren is in 1998 een Asset and Liability Management studie (ALM) uitgevoerd. Uit deze studie kwam naar voren dat het mogelijk was om te sturen op een lange termijn schuldportefeuille met lagere rentelasten bij een aanvaardbaar budgetrisico. De resulterende doelportefeuille wordt sinds 1999 in beginsel gerealiseerd met de uitgifte van grote, liquide euroleningen in het 3- en 10-jaars segment (DSL's) en kortlopende leningen met een looptijd van 3, 6, 9 en 12 maanden (DTC's). Sinds 2001 kunnen er eveneens renteswaps worden ingezet om het risicoprofiel van de staatsschuldportefeuille los van het uitgiftebeleid te kunnen sturen. Bij een renteswap wordt de (lange) renteverplichting van de ene partij geruild tegen de (korte) renteverplichting van de andere partij. Door een renteswap af te sluiten waarbij de Staat de 10-jaars rente ontvangt en de 6-maands rente betaalt, wordt de modified duration1 van de staatsschuldportefeuille verlaagd. De doelstelling voor 2002 was een verkorting van de staatsschuld te bereiken die leidt tot een verlaging van de modified duration van 4,0 naar 3,9, gegeven het kader waarbij op lange termijn gestreefd werd naar een modified duration van 3,4. Deze doelstelling is ruimschoots gehaald doordat de modified duration eind 2002 uitkomt op 3,8.

Figuur 4: Modified duration eind 2002
 Eind 2002
Doelstelling3,9
Ontwerpbegroting 2002 
Realisatie3,8
Jaarverslag 2002 

Per saldo is sinds toepassing van de ALM studie de modified duration teruggebracht van 4,3 in 1999, via 4,2 in 2000 en 4,0 in 2001 naar 3,8 eind 2002. De verkorting van de staatsschuld in 2002 van 4,0 naar 3,8 is uitvloeisel van de wijze waarop de toegenomen schuld is gefinancierd.

Doordat zich in de laatste helft van het jaar aanzienlijke tegenvallers in het financieringssaldo hebben voorgedaan, zijn deze, overeenkomstig het voorgenomen beleid, door middel van DTC's gefinancierd. Aanpassing van de uitgiftekalender van de DSL's was op dat moment niet meer mogelijk zonder tot ongewenste reacties in de markt aanleiding te geven. De toename van de financieringsbehoefte en de daaruit voortkomende oploop van de DTC's heeft tot een zodanige verkorting van de schuldportefeuille geleid dat halverwege 2002 bleek dat de benodigde renteswaps, geraamd op € 1–6 mld., aan de onderkant van die range uit zouden komen en dat geen additionele swaps nodig waren boven de reeds uitgevoerde. In de ontwerpbegroting werd aangegeven dat er naar verwachting voor een hoofdsom van € 1 tot 6 mld. geswapt zou moeten worden van 10-jaars naar 6-maands rente. Uiteindelijk is in 2002 slechts voor een hoofdsom van € 700 mln. aan renteswaps afgesloten.

Het belang van de modified duration als stuurvariabele is in 2002 onder de loep genomen. Tijdens de periodieke herijking van het risicomanagement is nagegaan op welke wijze de evolutie van de schuld en de samenstelling van de uitgifte op elkaar dienen te zijn afgestemd. Gevolg hiervan is dat in het beleidskader voor de jaren 2003–2006 naast de modified duration een additonele stuurvariabele wordt ingevoerd. Eind 2002 is de herijking van het risicomanagement en een beschrijving van het beleidskader 2003–2006 aan de tweede kamer aangeboden1. Onderstaand een korte weergave van de belangrijkste punten.

In de herijking van het risicomanagement hebben drie factoren centraal gestaan. Dit zijn respectievelijk de internationale context, het streven naar schuldafbouw en de eisen die de VBTB-systematiek aan begrotingen en jaarverslagen stelt.

De internationale omgeving speelt de laatste jaren een grotere rol in het financieringsbeleid dan in het verleden. Sinds de introductie van de euro in 1999 geven alle lidstaten van de Eurozone hun schuldtitels in euro's uit, waardoor deze landen direct met elkaar concurreren. De voornaamste concurrenten van de Nederlandse staatsleningen zijn Frankrijk en Duitsland, landen die net als Nederland overheidsschuld uitgeven met de hoogste kredietwaardigheid.

Er bestaat een brede politieke consensus over de wenselijkheid van gezonde overheidsfinanciën en het streven om de staatsschuld af te lossen. Dit betekent dat in de formulering van het financieringsbeleid voor de komende jaren rekening dient te worden gehouden met een verdere daling van de schuldquote. Sinds 1993 heeft de schuldquote reeds een belangrijke daling ondergaan, en een verdere verlaging zal leiden tot een daling van de rentelasten, zowel in termen van de totale uitgaven van de Rijksoverheid als in termen van het BBP. Dit houdt in dat bij een verdere daling van de schuldquote het rentekostenrisico voor de begroting, oftewel het begrotingsrisico, steeds verder zal afnemen.

Eveneens heeft de nieuwe opzet van begroting en begrotingsverantwoording binnen het Rijk een belangrijke rol gespeeld in de herijking. De VBTB-systematiek stelt hoge eisen aan het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid. Een belangrijke doelstelling van de herijking is daarom het meer inzichtelijk maken van de afweging tussen kosten en risico's die centraal staat in het risicomanagement geweest.

Voor de komende jaren bestaat behoefte aan een additionele risicomaatstaf. De modified duration is een nationaal en internationaal veel gebruikte variabele en blijft daarmee een belangrijke vergelijkingsmaatstaf. Echter, het is ook een tamelijk technische variabele die bovendien geen inzicht geeft in de meerjarige ontwikkeling van dat deel van de schuld dat jaarlijks opnieuw moet worden gefinancierd. Daarnaast kan met recht worden gevraagd of met het gebruik van uitsluitend de modified duration voldoende rekening wordt gehouden met veranderingen in de omvang van de nationale schuld als percentage van het BBP. Immers, bij een relatieve toename van de schuld daalt de capaciteit om begrotingstegenvallers ten gevolge van rentestijging op te vangen. Als de schuld wordt afgebouwd, neemt deze capaciteit toe.

Uit de herijking is het «risicobedrag» in termen van het BBP naar voren gekomen als nieuwe risicomaatstaf en zal deze voortaan een centrale rol krijgen binnen het financieringsbeleid.

Het «risicobedrag» is het bedrag waarvoor in een gegeven begrotingsjaar de rente zal moeten worden vastgezet. Dit bedrag is opgebouwd uit twee delen, een basisrisico en een incidenteel risico. Het basisrisico in een gegeven jaar is gelijk aan de aflossingen van reeds uitgegeven leningen vermeerderd met de hoofdsom van de swaps waarover de rente opnieuw wordt vastgesteld. In 2002 was het basisrisico bijvoorbeeld circa € 38 mld.: 24 mld. aflossingen DSL's, € 10,5 mld. aflossingen DTC's en geldmarkt + € 3 mld. resets op swaps. Het basisrisico geeft hiermee het risico aan dat verbonden is aan de bestaande portefeuille. Het incidentele risico wordt bepaald door (onvoorziene) schuldmutaties die leiden tot meer of minder financiering. Eind 2001 werd het incidentele risico in 2002 op circa € - 5 mld. geschat (ofwel een schulddaling van € 5 mld.). Uiteindelijk kwam het incidentele risico op circa + € 8 mld. uit. Zoals blijkt, kan het incidentele risico gedurende het jaar fluctueren maar staat het basisrisico vast. Het «risicobedrag» in termen van het BBP, oftewel het begrotingsrisico, legt op deze wijze een direct verband met de budgettaire mee- en tegenvallers.

Het nieuwe beleid betekent voornamelijk dat het «risicobedrag» constant blijft in termen van de staatsschuld. Bij een afnemende schuldquote zal het begrotingsrisico afnemen indien het «risicobedrag» nominaal constant wordt gehouden. Vanuit het oogpunt van de begroting is het echter correcter om het begrotingsrisico over de tijd constant te houden en op deze wijze te komen tot lagere verwachte rentekosten. Rekening houdend met de uitkomsten van het financieringsbeleid in de landen van de euro-zone met een vergelijkbare kredietwaardigheid – Duitsland en Frankrijk – zal worden gestuurd op een risicobedrag van 9% van het BBP. Dit betekent dat ernaar wordt gestreefd om het bedrag waarover jaarlijks de rente wordt vastgesteld ex-ante niet groter of kleiner te doen zijn dan 9% BBP.

Het kader dat de afgelopen jaren is gehanteerd bleek onvoldoende toegesneden op de soms aanzienlijke jaarlijkse veranderingen van de financieringsbehoefte. Als gevolg van het doorgaans onvoorziene karakter van deze veranderingen wordt een aanpassing doorgevoerd in het geldmarktbeleid. Het deel van de schuld dat met geldmarktleningen (DTC's) wordt gefinancierd is vanaf 2002 met circa € 15–20 mld. structureel hoger dan de € 5–7 mld. in voorgaande jaren. Hierdoor kan dit deel als buffer dienen om plotselinge fluctuaties in de schuldomvang op te vangen. De gevolgen van deze component voor de looptijd (duration) van de portefeuille worden geheel binnen het bestaande risicomanagement opgevangen.

Voor de kapitaalmarktfinanciering betekent het aangepaste kader dat de Staat ieder jaar nieuwe leningen blijft uitgeven van 3 jaar en 10 jaar, maar ook dat met het oog op de noodzakelijke flexibiliteit van het financieringsbeleid heropening van leningen met een resterende looptijd van 2, 4 of 5 jaar mogelijk is. De afgelopen drie jaar zijn geen leningen uitgegeven met een langere looptijd dan 10 jaar. Naar aanleiding van de resultaten uit de herijking van het risicomanagement zal dit beleid ook voor de komende jaren worden gecontinueerd. Gezien de dynamische omgeving van de financiële markten blijft het belangrijk om op periodiek basis het bestaande risicomanagement beleid te herijken.

5.1.2.2 Operationele doelstelling 2 Bevorderen distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit

Bevordering van distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit.

De Nederlandse Staat hecht groot belang aan een goed ontwikkelde markt in Nederlandse staatsleningen. Een efficiënte, liquide markt schept een gunstig klimaat voor de uitgifte van nieuwe leningen. Hierdoor kunnen de rentelasten voor de Staat dalen. Het stelsel van Primary Dealers en het nauw daarmee verbonden handelsplatform MTS Amsterdam hebben een belangrijke bijdrage aan het vergroten van de verhandelbaarheid en daarmee de liquiditeit van het Nederlandse schuldpapier.

Er wordt naar gestreefd om een zo groot mogelijk deel van de staatsschuld te concentreren in leningen met een minimale omvang van € 10 mld. Vanaf 1 januari 1999 worden daarom nog slechts leningen uitgegeven met een uiteindelijk uitstaand volume van minimaal € 10 mld.

Daarnaast wordt ook door middel van vervroegde aflossing, die is toegestaan bij een aantal leningen, en door middel van inkoop van openbare leningen met een klein uitstaand volume in de komende jaren het beleid tot concentratie voortgezet. Daartoe is in 2002 een permanente inkoopfaciliteit voor staatsleningen geïntroduceerd. Sinds januari kunnen delen van leningen waarvan het totaal uitstaand volume kleiner is dan € 2,5 mld. bij de Nederlandse Staat worden aangeboden voor terugkoop. In totaal is er in 2002 voor € 831 mln. aan openbare leningen teruggekocht. Daarnaast is er circa € 449 mln. aan onderhandse leningen vervroegd afgelost. De openbare inkoop faciliteit zal ook in 2003 worden voortgezet.

Voor 2002 was de doelstelling het aandeel van liquide leningen op minimaal 75 % te laten uitkomen. Eind 2002 is er een aandeel van 81% liquide leningen gerealiseerd. Dit beter dan verwachte resultaat komt enerzijds voort uit de genoemde terugkoop en anderzijds uit de schuldtoename, die de in 2002 uitgegeven bedragen heeft verhoogd.

Figuur 5: de ontwikkeling van het aandeel liquide leningen in de vaste schuld sinds 1999kst-28880-18-3.gif

5.1.2.3 Operationele doelstelling 3 Lenen en uitlenen van korte gelden

Lenen en uitlenen van korte gelden tegen zo laag mogelijke kosten respectievelijk zo hoog mogelijke opbrengsten binnen een aanvaardbaar risico.

De uitgaven en ontvangsten van de Staat leiden dagelijks tot fluctuaties in het schatkistsaldo, dat wordt aangehouden op een rekening bij De Nederlandsche Bank (DNB). Daarnaast houden de instellingen die deelnemen aan het geïntegreerd middelenbeheer hun liquiditeitspositie aan in de schatkist. De dagelijkse liquiditeitsbehoefte van het Rijk en de instellingen gelieerd aan de schatkist tezamen wordt gedekt op de geldmarkt. Het saldo van de schatkist dient iedere dag door de Staat gereguleerd te worden binnen een bandbreedte van € 0 tot 50 mln. Hiervoor worden verschillende instrumenten ingezet, waarvan DTC's en call-geld de belangrijkste zijn. De DTC wordt vooral gebruikt om een groot negatief schatkistsaldo, dat zich over een periode van meerdere maanden voordoet, te dekken. De DTC-programma's kennen een looptijd van 3, 6, 9 en 12 maanden. De omvang van ieder programma wordt afgestemd op de ontwikkeling van het schatkistsaldo. Het call-geld wordt gebruikt voor de dekking van de dagelijkse tekorten in de schatkist. Daarnaast wordt bij gelegenheid gebruik gemaakt van buy-and-sell-back transacties. Een eventueel kasoverschot wordt rentedragend in de geldmarkt uitgezet, meestal met een deposito.

Zoals in de begroting voor 2002 is aangegeven is dit jaar gewerkt aan de ontwikkeling van een prestatie-indicator voor het lenen en uitlenen van gelden voor de regulering van het schatkistsaldo. Het bepalen van een optimale strategie voor de financiering van het schatkistsaldo vormt de opmaat voor de ontwikkeling van de prestatie-indicator. In de loop van 2001 is een interne studie verricht naar de optimale financieringsstrategie. Hieruit kwam naar voren dat Eonia daggeldfinanciering de meest efficiënte vorm van geldmarktfinanciering is op basis van historische gegevens. Eonia staat voor Euro OverNight Index Average. De Europese Centrale Bank berekent dagelijks dit gemiddelde van daggeldtransacties in de interbancaire markt. De uitkomsten van de interne studie zijn gecontroleerd door de researchafdelingen van twee Primary Dealers. De second opinions van JP Morgan en Société Générale bevestigen de conclusies.

Op 1 maart 2002 is gestart met een pilot met als doel te bezien of het Eonia daggeldtarief in de praktijk bruikbaar is voor de beoogde prestatiemeting. Het gebruik van een benchmark maakt het mogelijk de prestaties van de Nederlandse Staat af te meten aan het gemiddelde van andere professionele partijen op de Europese geldmarkt. Aangezien vanuit liquiditeitsoverwegingen het niet mogelijk is om het gehele schatkistsaldo en de DTC-portefeuille op het Eonia daggeld tarief te financieren kunnen er Eonia-swaps worden ingezet. Eonia-swaps komen overeen met de swaps die kunnen worden afgesloten voor het sturen van het risicoprofiel van de lange schuld, echter de looptijd van een Eonia-swap varieert van 1 tot 12 maanden en het variabele deel van de rente is gelijk aan het Eonia daggeldtarief. Voor het afsluiten van Eonia-swaps maakt de Staat gebruik van de swapcontracten die met alle Primary Dealers zijn afgesloten. Daarnaast zijn ook met de Single Market Specialists voor DTC's swapcontracten afgesloten.

In 2003 vindt evaluatie plaats van de ervaringen en prestaties van de geldmarkt pilot. Hierbij komen verschillende aspecten van de bedrijfsvoering aan bod, zoals de financiële resultaten, de operationele gevolgen, de invloed van de invoering van de pilot op de organisatie en de consequenties voor de begroting. Resultaten en aanbevelingen zullen in begroting 2004 worden vervat.

5.1.2.4. Internationale vergelijking

Sinds de introductie van de Euro in 1999 is het internationale perspectief voor Nederlandse staatsobligaties een zeer belangrijk aandachtspunt binnen het uitgiftebeleid geworden. Door de toegenomen concurrentie bij de uitgifte van staatsleningen is het van belang om een brede internationale klantenbasis te hebben voor Nederlandse staatsleningen. Om deze reden heeft de Staat sinds 1999 verschillende wijzigingen in zijn beleid doorgevoerd, waaronder de invoering van het Primary Dealerstelsel.

De groep Primary Dealers bestaat uit 13 banken, die elk jaar door middel van een contest worden geselecteerd. Bij de samenstelling van de groep van primary dealers wordt rekening gehouden met een evenwichtige samenstelling van banken met een internationale, Europese of nationale oriëntatie. De Primary Dealers leveren op maandelijkse basis verplichte omzet rapportages aan die inzicht geven in de geografische distributie van DSL's. Sinds de invoering van het Primary Dealerstelsel in 1999 is er uit deze cijfers een duidelijke toename in de geografische spreiding te zien.

Figuur 6: Geografische spreiding van handel DSL's door Primary Dealers vanaf 1999kst-28880-18-4.gif

Bron: Primary Dealers

Het aandeel van Nederlandse tegenpartijen is sinds 1999 gedaald van 56% naar 28% in 2002. Deze daling wordt met name veroorzaakt door het sterk stijgende aandeel van tegenpartijen in de overige EMU landen en het Verenigd Koninkrijk. De sterke groei in het aandeel van de overige EMU-landen is mede veroorzaakt door de portefeuillediversificatie die beleggers hebben doorgevoerd sinds de introductie van de Euro. Door het invoeren van een gemeenschappelijke munt voor een groep landen is het wisselkoersrisico tussen deze landen weggevallen. Hierdoor is het voor beleggers aantrekkelijker om risico's te spreiden over deze verschillende landen. Zo kan er bijvoorbeeld worden aangenomen dat zelfs rekening houdend met gemeenschappelijke factoren, het risico dat de economische groei in zowel in land A als in land B en land C tegenvalt nog altijd kleiner is dan het risico dat de economische groei in één van de willekeurige landen tegenvalt of in dezelfde mate als de andere landen tegenvalt. Het grootste deel van de groei in het aandeel van de overige EMU-landen in de omzet heeft in 2000 plaatsgevonden en lijkt zich in 2002 iets boven 30% te hebben gestabiliseerd.

Ter stimulering van de handel in schatkistpapier (DTC's) zijn de Primary Dealers samen met de Single Market Specialists sinds 2001 eveneens verantwoordelijk voor de distributie van DTC's op de secundaire markt. De rapportages die de Primary Dealers en Single Market Specialists aanleveren over de handel in DTC's laten voor 2002 een gelijksoortige internationale spreiding zien als bij de DSL's.

Figuur 7: Geografische spreiding van handel DTC's over 2002kst-28880-18-5.gif

Bron: Primary Dealers

Het aandeel van de overige EMU-landen is bij de DTC's groter dan bij de DSL's. Dit wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door het feit dat Frankrijk en België reeds voor de introductie van de Euro een goed ontwikkelde markt voor kort papier hadden. Hierdoor zijn veel Franse en Belgische partijen nog steeds zeer actief op de geldmarkt en zijn deze partijen ook goed vertegenwoordigd binnen de groep van Single Market Specialists.

5.1.3 Budgettaire gevolgen van beleid

In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de ontvangsten en uitgaven voor het beleidsartikel financiering staatsschuld, waarbij raming, realisatie en het verschil hiertussen voor het jaar 2002 worden aangegeven. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat de begroting van de staatsschuld verschilt van andere begrotingen in de zin dat de rentelasten niet een specifiek beleidsdoel dienen. De rentelasten zijn uitvloeisel van de beleidsprioriteiten en beleidsafwegingen van deze en voorgaande kabinetten ten aanzien van de eigenlijke overheidsdoelen, die betrekking hebben op, in willekeurige volgorde, infrastructuur, sociale zekerheid, defensie, onderwijs, milieu of ontwikkelingshulp.

De operationele doelstellingen voor het beleidsartikel financiering staatsschuld zijn alle drie gericht op het tegen zo laag mogelijke kosten lenen bij een aanvaardbaar risico op fluctuaties in de rentelasten. Dit blijkt met name uit de formulering van de eerste en de derde doelstelling, die betrekking hebben op de afweging tussen kosten en risico voor lange respectievelijk korte leningen. Bij de tweede doelstelling, die betrekking heeft op de distributie, promotie en verhandelbaarheid van DSL's, is er sprake van een indirecte relatie met kostenreductie. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een goede verhandelbaarheid en een actieve markt voor DSL's bijdraagt aan een klimaat waarin de Staat tegen zo laag mogelijke rentes kan lenen.

Om de bovenstaande redenen zijn de drie operationele doelstellingen allen gekoppeld aan de programma-uitgaven rentelasten schuld en programma-ontvangsten rentebaten schuld. Met betrekking tot de gepresenteerde bedragen is het van belang te onderstrepen dat het, conform Europese voorschriften (ESR 95) cijfers op transactiebasis betreft.

Tabel budgettaire gevolgen artikel 1 Financiering Staatsschuld (*€ 1000)
Algemene beleidsdoelstelling:Een efficiënt en effectief beheer van de staatsschuld en het voorzien in financieringsbehoeften van de Staat door het inlenen en uitlenen van gelden.RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Uitgaven38 512 43434 774 2713 738 163
    
Programma-uitgaven38 504 13634 753 2553 750 881
Doelst. 1 Lenen van lange gelden   
Doelst. 2 Distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit   
Doelst. 3 Lenen en uitlenen van korte gelden   
Rentelasten schuld12 955 51010 366 0632 589 447
Aflossing vaste schuld25 398 25024 387 1921 011 058
Uitgaven voortijdige beëindiging150 376150 376
Mutatie vlottende schuld
    
Apparaatsuitgaven8 29821 016– 12 718
Personeel en materieel3 8652 7521 113
Overige apparaatsuitgaven4 43318 265– 13 832
    
Ontvangsten37 941 14919 149 16818 791 981
    
Programma-ontvangsten37 940 94319 149 11118 791 832
Doelst. 1 Lenen van lange gelden   
Doelst. 2 Distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit   
Doelst. 3 Lenen en uitlenen van korte gelden   
Rentebaten schuld2 775 89171 1482 704 743
Uitgifte vaste schuld22 993 45719 077 9633 915 494
Ontvangsten voortijdige beëindiging7 4537 453
Mutatie vlottende schuld10 230 76110 230 761
Stelselwijziging1 933 3811 933 381
    
Apparaatsontvangsten20657149
Apparaatsontvangsten1315774
Overige apparaatsontvangsten7575

Met ingang van begrotingsjaar 2002 is er een stelselwijziging doorgevoerd op begroting IXA. De stelselwijziging houdt in dat de registratie van de rentelasten op transactiebasis plaatsvindt. Tevens wordt naast de uitgifte en aflossing van vaste schuld nu ook de mutatie in de vlottende schuld en vlottende vorderingen begroot en verantwoord.

Het hanteren van een administratie op transactiebasis houdt in dat het tijdstip waarop de economische waarde tot stand komt bepalend is voor de registratie en niet het feitelijke moment van kasbetaling. Dit heeft tot gevolg dat de toewijzing van betalingen en ontvangsten anders wordt verdeeld over de tijd. De overgang van kasbasis naar transactiebasis in een gegeven jaar brengt als gevolg een openingsbalans met zich mee. Met deze openingsbalans wordt voorkomen dat bepaalde uitgaven door de stelselwijziging zouden worden onthouden van parlementaire goedkeuring. Omdat het hierbij enkel om een boekhoudkundige toewijzingsystematiek gaat, is er geen sprake van een echte uitgave of ontvangst. De mutatie is verwerkt door een netto bedrag van € 1,9 mld. te boeken op het daartoe in het leven geroepen nieuwe artikel, stelselwijziging, bij de ontvangsten.

Programma-uitgaven

Rentelasten schuld

De rentelasten schuld bestaan uit de rentelasten van zowel de vaste als de vlottende schuld.

De rentelasten vaste schuld zijn opgebouwd uit de rentelasten van de uitstaande leningen en de uitgaven voor langlopende renteswaps. De rentelasten van de vlottende schuld bestaan uit de rentelasten van het uitstaande en uitgegeven schatkistpapier (DTC's), de opgenomen gelden en de uitgaven voor Eonia swaps.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Rentelasten swaps2 635
Hogere financieringsbehoefte1526
Lagere rente2– 240
Nieuw schuldregistratiesysteem– 323
Overig– 9
Totaal2 589

1Dit omvat zowel het kapitaalmarktberoep als het geldmarktberoep

2Realisaties ten opzichte van de rekenrente bij ontwerpbegroting 2002

Het verschil in de realisatie ten opzichte van de geraamde rentelasten schuld bedraagt € 2 589 mln. Een belangrijk deel van dit verschil wordt veroorzaakt door de verslechtering van het begrotingssaldo van de Staat sinds de ontwerpbegroting 2002. Samen met de eveneens afgenomen saldi sociale fondsen en overig geïntegreerd middelenbeheer heeft dit geleid tot een toename van de financieringsbehoefte met € 12,5 mld. Het grootste deel van deze extra financieringsbehoefte is opgevangen door additionele uitgifte van vlottende schuld. Door het lagere rentetarief van de kortlopende schuld ten opzichte van langlopende schuld vallen de extra rentekosten in 2002 € 59 mln. lager uit dan wanneer de toegenomen financieringsbehoefte enkel door middel van DSL's zou zijn gefinancierd.

Tegenover de hogere financieringsbehoefte staat een lager dan verwachte rente. Dit heeft ertoe geleid dat de rentelasten op de nieuw uitgegeven leningen (DSL's), het nieuw uitgegeven schatkistpapier (DTC's) en de dagelijkse opnames lager zijn uitgevallen.

De belangrijkste oorzaak van de toename in de rentelasten is de introductie van Eonia-swaps. Swaps genereren zowel een betalende als een ontvangende kasstroom, waardoor een evenredige grote toename bij de rentebaten is opgetreden. Enkel de netto kasstroom is direct relevant voor beleid.

Tenslotte heeft de stelselwijziging in de boekhouding een ingrijpende wijziging van het geautomatiseerde schuldregistratiesysteem met zich meegebracht. Als gevolg van het intracomptabel maken van de begroting en verantwoording op transactiebasis zijn er verschillen ontstaan in vergelijking met de tot nog toe gevolgde extracomptabele administratie op transactiebasis. Het gaat hierbij echter om een boekhoudkundige aanpassing en niet om een daadwerkelijke uitgave.

Aflossing vaste schuld

Er wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere, eenzijdig vervroegde en tweezijdig vervroegde aflossingen. Reguliere aflossingen zijn aflossingen aan het einde van de looptijd van de lening. Eenzijdig vervroegde aflossingen is een aflossing van een lening voor het verstrijken van de looptijd, waarbij het recht op aflossing is bedongen bij uitgifte. Een tweezijdig vervroegde aflossing, of terugkoop, is het voortijdige aflossen overeengekomen door geldgever en geldnemer gedurende de looptijd van de lening.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Reguliere aflossingen– 268
Eenzijdige vervroegde aflossingen3
Tweezijdige vervroegde aflossingen1 276
Totaal1 011

Het verschil in de realisatie ten opzichte van de geraamde aflossing vaste schuld bedraagt € 1 011 mln. Het grootste deel van de toename in aflossingen vaste schuld wordt veroorzaakt door de tweezijdig vervroegde aflossingen. Met name de doorlopende inkoopfaciliteit voor openbare leningen, waarmee in 2002 gestart is, heeft hiertoe bijgedragen. De regeling houdt in dat delen van leningen waarvan het totaal uitstaande volume kleiner is dan € 2,5 mld. bij de Nederlandse Staat kunnen worden aangeboden voor terugkoop. Als gevolg van vervroegd afgeloste leningen in de tweede helft van 2001, vallen de reguliere aflossingen € 268 mln. lager uit dan geraamd.

In geheel 2002 is in het kader van de permanente inkoopfaciliteit € 830 mln. aan staatsleningen door de Nederlandse staat teruggekocht. Dit bedrag komt overeen met ruim 12% van dat deel van de uitstaande schuld dat volgens deze regeling voor inkoop in aanmerking komt. Deze regeling draagt hierdoor bij aan het bereiken van operationele doelstelling 2, het bevorderen van distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit.

Uitgaven voortijdige beëindiging

De uitgaven bij voortijdige beëindiging bestaan uit betaalde boetes bij vervroegde aflossing van leningen, meegekochte agio en de uitgaven bij een voortijdige beëindiging van renteswaps. De kosten bij vervroegde aflossingen worden niet geraamd omdat dit een uitvloeisel is van de rentestanden. Eveneens geldt dat er weinig uitstaande schuld is die clausules in de overeenkomsten bevat die de Staat de mogelijkheid geeft voortijdig te beëindigen. Deze post zal in de toekomst nog kleiner worden aangezien het huidige uitgifte beleid inhoudt dat er geen nieuwe leningen met aflossingclausules worden uitgegeven.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Agio bij inkoop schuld150
Boete vervroegde aflossingen0
Totaal150

De uitgaven voortijdige beëindiging bedroegen € 150 mln. Deze uitgaven komen voort uit agio bij inkoop schuld. Doordat de rente bij inkoop lager lag dan de coupon van de ingekochte leningen zijn de leningen boven pari ingekocht, waardoor agio is gerealiseerd.

Apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven van het Agentschap ministerie van Financiën ten behoeve van het beheer van de staatsschuld bestaan uit de uitgaven voor personeel en materieel en uit de overige apparaatsuitgaven. De overige apparaatsuitgaven bestaan uit de kosten die worden gemaakt voor het Primary Dealerstelsel, zoals het plaatsen van advertenties. Andere kosten zijn provisie voor geldmarktintermediairs, de kosten voor een notering aan de beurs en de kosten voor de clearing en settlement van transacties.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Personeel en materieel1 113
Overige apparaatsuitgaven– 13 832
Totaal– 12 718

Ten behoeve van het VBTB-traject worden sinds ontwerpbegroting 2002 de personele en materiële kosten van het Agentschap op IXA zichtbaar gemaakt. Voorheen waren de personele en materiële uitgaven besloten in de begroting IXB. De realisatie is na de verdeling van de begrotingsbedragen die hieraan voorafging 1,1 mln. hoger uitgekomen dan begroot. De mutatie bij overige apparaatsuitgaven komt voort uit de gewijzigde beloningsstructuur voor primary dealers. In 2002 ontvingen zij minder fees.

Programma-ontvangsten

Rentebaten schuld

De rentebaten schuld omvatten de ontvangen rente over een positief schatkistsaldo en de ontvangende rentestroom van de renteswaps. Renteswaps genereren een kasstroom bij zowel rentebaten als rentelasten.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Rentebaten swaps2 695
Overig10
Totaal2 705

Sinds 2001 is er sprake van een stijging in de ontvangsten ten gevolge van de inzet van langlopende swaps ten behoeve van het risicomanagement. Met ingang van 2002 zijn de ontvangsten met € 2 695 mln. toegenomen door het gebruik van Eonia swaps. Hier staat echter een evenredig grote toename in het artikelonderdeel rentelasten schuld tegenover.

Uitgifte vaste schuld

De uitgifte van vaste schuld (het kapitaalmarktberoep) in een gegeven jaar wordt bepaald door de omvang van de financieringsbehoefte van het Rijk en de wijze waarop deze behoefte wordt gedekt. De financieringsbehoefte is gedefinieerd als de herfinanciering van de aflossingen vermeerderd met het financieringssaldo van de Staat. Het financieringssaldo wordt, naast de uitgaven en ontvangsten van de departementen, ook bepaald door de mutaties in de saldi van instellingen in het geïntegreerd middelenbeheer. Deze instellingen houden hun overschot bij de Staat aan, of als ze een tekort hebben, maken ze gebruik van een leenfaciliteit bij de Staat. Afnemende saldi betekenen een hogere financieringsbehoefte voor de Staat.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Financieringssaldo2 906
Aflossingen1 009
Totaal3 915

Het verschil in de realisatie ten opzichte van de geraamde uitgifte vaste schuld bedraagt € 3 915 mln. In 2002 viel het financieringssaldo € 13,3 mld. slechter uit dan geraamd, hetgeen deels is opgevangen door hogere uitgifte van vaste schuld (+ € 2,9 mld.), maar vooral door een toename van de vlottende schuld. Deze toename valt terug te zien op het artikelonderdeel mutaties in vlottende schuld.

Daarnaast hebben terugkoop en vervroegde aflossingen voor een toename in de omvang van de aflossingen gezorgd, waardoor het kapitaalmarktberoep verder is toegenomen.

Ontvangsten voortijdige beëindiging

De ontvangsten bij vervroegde beëindiging bestaan uit disagio bij inkoop schuld en de ontvangsten bij beëindiging swaps. Gegeven dat het beleid er niet op gericht is om disagio te realiseren en/of swaps voortijdig te beëindigen, wordt dit artikel niet geraamd.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Disagio bij inkoop schuld7
Ontvangsten beëindiging swaps0
Totaal7

De realisatie bedraagt € 7 mln. Dit wordt veroorzaakt doordat bij inkoop de coupon lager lag dan de marktrente, waardoor disagio werd gerealiseerd.

Mutatie in vlottende schuld

Op 31 december worden de mutaties in de uitstaande vlottende schuld en de uitzettingen ten opzichte van 31 december van het voorafgaande jaar geboekt. Betreft de mutatie per saldo een ontvangst (meer vlottende schuld en /of minder uitzettingen), dan wordt deze verantwoord onder de programma-ontvangsten. In het geval van een netto uitgave (minder vlottende schuld en/of meer uitzettingen) wordt deze mutatie geboekt onder de programma-uitgaven.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Schatkistpapier (DTC's)10 328
Overig– 97
Totaal10 231

Het verschil in de realisatie ten opzichte van de geraamde uitgifte vaste schuld bedraagt € 10 231 mln. Deze toename ten opzichte van de begroting wordt veroorzaakt doordat het grootste deel van de stijging van de financieringsbehoefte is opgevangen door additionele uitgifte van DTC's. Zoals aangegeven is deze mutatie gemeten van 31 december 2001 tot en met 31 december 2002.

Apparaatsontvangsten

De apparaatsontvangsten bestaan uit de apparaatsontvangsten staatsschuld en de overige apparaatsontvangsten. De apparaatsontvangsten staatschuld zijn de kosten die in rekening worden gebracht aan derden voor het doen van betalingen en beheer van stukken in depot. De overige apparaatsontvangsten hebben betrekking op de correctie van ten onrechte geïnde coupons, de zogenaamde kapitaalcoupons.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Apparaatsontvangsten staatsschuld74
Overige apparaatsontvangsten75
Totaal149

5.2 Kasbeheer

5.2.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het optimaliseren van het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

Algemene doelstelling van het beleid is het bundelen van geldstromen onder gelijktijdige aanbieding van een infrastructuur waarmee het betalingsverkeer van het Rijk en van de instellingen, die aan de schatkist zijn gelieerd, zo efficiënt mogelijk wordt afgewikkeld. Belangrijkste oogmerk van het beleid is om financiële risico's bij het beheer van publieke geldstromen te voorkomen en publieke middelen doelmatig te beheren.

VerantwoordelijkheidResultaatverantwoordelijk voor het optimaliseren van het beheer van de schatkist
Wettelijke grondslagComptabiliteitswet en de wetten in verband met het integreren van het middelenbeheer van de sociale fondsen

5.2.2 Operationele doelstellingen

5.2.2.1 Operationele doelstelling 1: Doelmatige inrichting van het kasbeheer.

Bij het realiseren van een doelmatige inrichting van het kasbeheer wordt gestreefd naar een risicoarm beheer van publieke middelen met zo laag mogelijke rentelasten. Belangrijkste instrument hierbij is het bundelen van publieke geldstromen, terwijl de financiering eveneens centraal, via 's Rijks Schatkist, wordt afgewikkeld. Voor 2002 was een uitbreiding voorzien van het geïntegreerd middelenbeheer naar een grote groep rechtspersonen met een wettelijke taak. Het daartoe strekkende wetsvoorstel «1e wijziging Comptabiliteitswet 2001» is in 2002 door de Tweede Kamer aanvaard. Het wijzigingsvoorstel is echter, na de val van het kabinet, door de Eerste Kamer controversieel verklaard. Naar verwachting zal de behandeling nu medio 2003 plaatsvinden.

Al langere tijd nemen de circa 25 baten-lastendiensten en drie beheerders van de sociale fondsen (UWV, CVZ en SVB) deel aan geïntegreerd middelenbeheer. Daarnaast zijn in de afgelopen jaren met diverse instellingen, met name rechtspersonen met een wettelijke taak, afspraken gemaakt over de toepassing van geïntegreerd middelenbeheer. Los van de voorziene wetswijziging kan de systematiek van geïntegreerd middelenbeheer immers op verzoek, en zo nodig tevens na verkregen instemming van het vakministerie worden toegepast. In 2002 is het aantal vrijwillige deelnemers uitgebreid tot ongeveer 25. Tevens zijn mantelcontracten gesloten met de grootbanken om automatische saldoregulatie tussen de schatkist en de instellingen mogelijk te maken. Ook zijn kennismakingsgesprekken met tientallen instellingen van start gegaan.

Een uitgangspunt bij de bundeling van geldstromen is dat baten-lastendiensten, sociale fondsen en andere publieke instellingen – afhankelijk van specifieke afspraken – in de gelegenheid zijn om gelden à deposito uit te zetten, terwijl krediet- en leningfaciliteiten eveneens tot de mogelijkheden behoren. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de tegoeden en leningen bij de schatkist, onderverdeeld naar type deelnemer van geïntegreerd middelenbeheer.

(x € 1 mln.)Ultimo 2000Ultimo 2001Ultimo 2002
Rekening-courant (incl deposito's)   
–Baten-lastendiensten588490259
–Sociale Fondsen9 79410 5379 444
–Derden (o.a. RWT's)8362 5532 582
Leningen   
–Baten-lastendiensten4 2764 6744 923
–Derden (o.a. RWT's)664871 447

In 2002 zijn de tegoeden in rekening-courant (inclusief deposito's) van Agentschappen, RWT's en sociale fondsen met € 1,3 mrd. afgenomen. De belangrijkste bijdrage hieraan kwam van de sociale fondsen met een afname van € 1,1 mrd. In 2002 zijn de uitstaande leningen aan baten-lastendiensten met € 0,2 mrd. toegenomen tot € 4,9 mrd. Hiervan neemt de Rijksgebouwendienst veruit het grootste gedeelte voor zijn rekening. De uitstaande leningen aan RWT's zijn in 2002 met €1,0 mrd. toegenomen, vooral door een grote lening aan Railinfrabeheer.

5.2.2.2 Operationele doelstelling 2: Betrouwbare en efficiënte infrastructuur voor afwikkeling betalingsverkeer

Dit betreft het aanbieden van een betrouwbare en efficiënte infrastructuur voor de afwikkeling van het betalingsverkeer van het Rijk – en voor zover van toepassing – van de instellingen, die aan de schatkist zijn gelieerd. Het betalingsverkeer van de rijksoverheid wordt afgewikkeld door twee «huisbankiers», waarmee na een Europese aanbesteding contracten zijn afgesloten. In verband met het aflopen van deze contracten in 2003 is de dienstverlening door de «huisbankiers» geëvalueerd, waarna de contracten zijn verlengd voor de periode 2003–2005. Op onderdelen is hierbij aanvullende dienstverlening overeengekomen dan wel aangescherpt; tarieven blijven nagenoeg onveranderd. De ministeries blijven hiermee verzekerd van een betrouwbare en efficiënte afhandeling van hun betalingsverkeer.

De infrastructuur voor het betalingsverkeer is tevens van belang voor een effectief cashmanagement. De geldstromen, die via de schatkist worden afgewikkeld, worden immers eerst gebundeld zodat slechts het netto tekort of overschot in het schatkistsaldo moet worden opgevangen in de geld- en/of de kapitaalmarkt. Hiervoor is een goede liquiditeitsprognose van evident belang. Bij de uitgaven werd de doelstelling voor de kasraming van één dag vooruit (raming en realisatie moeten gemiddeld voor minstens 95% met elkaar overeenkomen) net niet gehaald. De realisatie bedroeg 93%. Een vergelijkbare uitkomst was er bij de ontvangsten, namelijk een doelstelling van 86% tegenover een realisatie van 82%. Overigens zullen deze doelstellingen in toekomstige jaren niet meer in de begroting worden opgenomen, daar ze betrekking hebben op hoofdzakelijk interne processen.

5.2.3 Budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de realisaties in 2002 van de uitgaven en ontvangsten van het beleidsartikel kasbeheer naast de desbetreffende ramingen uit de begroting voor 2002.

Tabel budgettaire gevolgen artikel 2 Kasbeheer (x € 1000)
Algemene beleidsdoelstelling:Het optimaliseren van het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Uitgaven4 147 8091 546 1552 601 654
    
Programma-uitgaven4 146 4671 544 8922 601 575
Doelst. 1 Doelmatige inrichting kasbeheer   
Doelst. 2 Betrouwbare en efficiënte infrastructuur   
Rentelasten1 389 6561 510 859– 121 203
Verstrekte leningen1 433 16734 0341 399 133
Mutaties in rekening-courant en deposito's1 323 64401 323 644
Uitgaven bij voortijdige beëindiging leningen000
    
Apparaatsuitgaven1 3421 26379
Personeel en materieel980809171
Overige apparaatsuitgaven362454– 92
    
Ontvangsten9 038 806328 0008 710 806
    
Programma-ontvangsten9 038 806328 0008 710 806
Doelst. 1 Doelmatige inrichting kasbeheer   
Doelst. 2 Betrouwbare en efficiënte infrastructuur   
Rentebaten357 132262 65694 476
Ontvangen aflossingen224 82265 344159 478
Mutaties in rekening-courant en deposito's28 270028 270
Ontvangsten bij voortijdige beëindiging leningen000
Stelselwijziging8 428 58208 428 582
    
Apparaatsontvangsten000

Met ingang van begrotingsjaar 2002 is een stelselwijziging doorgevoerd op begroting IXA. Om de presentatie van de rentelasten conform de Europese voorschriften (ESR 95) mogelijk te maken is hiervoor het wettelijk kader gecreëerd in artikel 7 van de Comptabiliteitswet 2001. Bij transactiebasis is het tijdstip waarop de economische waarde tot stand komt bepalend voor de registratie en niet het feitelijke moment van kasbetaling. Door de overgang van verantwoording van rente op kasbasis naar rente op transactiebasis worden aan 2001 nog € 10,3 mln. aan rentebaten toegerekend over aan derden ten laste van 's-Rijks schatkist verstrekte leningen. Hiertegenover staat dat aan 2001 nog € 0,1 mln. aan rentelasten worden toegerekend over door derden ten gunste van 's-Rijks schatkist afgesloten deposito's.

Tevens worden – op grond van artikel 7 van de CW 2001 – de geldstromen, die samenhangen met het geïntegreerd middelenbeheer (waar de baten-lastendiensten, sociale fondsen en enkele derden aan deelnemen), verantwoord op het beleidsartikel Kasbeheer. Het gaat hierbij om mutaties in de posities van leningen en tegoeden die deze instellingen bij de schatkist hebben. Ultimo 2001 hadden baten-lastendiensten en derden voor € 5,2 mld. aan leningen en voor € 13,5 mld. aan tegoeden uitstaan bij 's Rijks schatkist. Deze zijn als uitgaven respectievelijk ontvangsten in het jaarverslag verwerkt; het betreft louter mutaties om een boekhoudkundige openingsbalans per 1 januari 2002 mogelijk te maken; er is geen sprake van feitelijke uitgaven of ontvangsten in 2002. De uiteindelijke mutatie bedraagt € 8,4 mld.

Toelichting op de budgettaire gevolgen van beleid

De programma-uitgaven en -ontvangsten zijn onder te verdelen naar een viertal hoofdcategorieën, te weten:

1. rentelasten en -baten;

2. mutaties in rekening-courant en deposito's;

3. verstrekte leningen en ontvangen aflossingen;

4. uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging leningen.

Hieronder worden deze categorieën beknopt toegelicht. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de aan het eind van deze paragraaf opgenomen onderverdeling van de tabel budgettaire gevolgen.

Rentelasten en -baten

Op grond van de Comptabiliteitswet 2001 worden met ingang van 2002 de rentelasten en -baten verantwoord op transactiebasis. Dit betekent, dat de rente wordt toegerekend aan de periode waarop deze betrekking heeft. Anders dan bij het kasstelsel is het moment van feitelijke betaling dus niet relevant. De rentelasten over 2002 bedragen € 1 390 mln., € 121 mln. minder dan begroot. Vooral een lagere rentevergoeding aan de sociale fondsen is hiervoor verantwoordelijk. De rentebaten bedragen € 357 mln., € 94 mln. meer dan geraamd bij ontwerpbegroting. De belangrijkste reden hiervoor is een hogere dan geraamde rentebate van batenlasten-diensten en RWT's als gevolg van nieuw verstrekte leningen. In onderstaande grafieken is de onderverdeling van de rentebaten en -lasten weergegeven.

Rentelasten interne schuldverhoudingen (x € 1 mln.)kst-28880-18-6.gif

Rentebaten interne schuldverhoudingen (x € 1 mln.)kst-28880-18-7.gif

Mutaties in rekening-courant en deposito's

Op basis van de Comptabiliteitswet 2001 worden met ingang van 2002 de mutaties in de rekening-courantsaldi van de instellingen, die hun saldi bij de schatkist aanhouden, in de slotwet van de begroting opgenomen. Tot en met 2001 werden de mutaties in de rekening-courant van instellingen buiten begrotingsverband gehouden. Om deze mutaties budgettair transparant te maken, er kan immers ook sprake zijn van kredietverlening in rekening-courant, is voorgeschreven dat jaarlijks in de slotwet opgenomen moet worden de mutatie van jaar op jaar per 31 december in het totaalsaldo van de rekening-courant die baten-lastendiensten en derden (sociale fondsen en RWT's) bij het ministerie van Financiën aanhouden. Per saldo zijn de rekening-courantsaldi (inclusief deposito's) van baten-lastendiensten, RWT's en sociale fondsen in 2002 met € 1,3 mrd. afgenomen. De belangrijkste bijdrage hieraan kwam van de sociale fondsen met een afname van € 1,1 mrd. De afname van de saldi van de instellingen is opgevangen door meer externe financiering.

Verstrekte leningen en ontvangen aflossingen

In 2002 is € 1,4 mrd. aan leningen verstrekt, waarvan aan RWT's voor € 1,0 mrd. en aan baten-lastendiensten voor € 0,4 mrd. Het betreft voornamelijk leningen aan de Rijksgebouwendienst en Railinfrabeheer. Door de baten-lastendiensten werd voor ruim € 0,2 mrd. afgelost.

Uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging leningen

In 2002 zijn geen leningen voortijdig beëindigd.

In onderstaande tabel wordt in navolging van de begroting een overzicht gegeven van de realisaties in 2002 van de uitgaven en ontvangsten van het beleidsartikel kasbeheer naast de desbetreffende ramingen uit de begroting voor 2002 op een gedetailleerd niveau.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid-onderverdeling artikel 2 kasbeheer (x € 1000)
 Realisatie 2002Begroting 2002Verschil
Uitgaven4 147 8091 546 1552 601 654
    
Totaal apparaatsuitgaven1 3421 26379
    
Apparaatsuitgaven980809171
Overige apparaatsuitgaven362454– 92
    
Programma-uitgaven4 146 4671 544 8922 601 575
    
Rentelasten1 389 6561 510 859– 121 203
Rente baten-lastendiensten11 92117 536– 5 615
Rente RWT's en derden82 3199 52972 790
Rente Sociale Fondsen378 503524 393– 145 890
Rente AOW-spaarfonds536 632538 247– 1 615
Rente FES374 166420 700– 46 534
Overige rentelasten6 1154545 661
    
Mutaties in rekening-courant en deposito's1 323 64401 323 644
Mutaties in rek-crt en deposito's baten-lastendiensten230 8620230 862
Mutaties in rek-crt en deposito's RWT's000
Mutaties in rek-crt en deposito's overige instellingen1 092 78201 092 782
    
Verstrekte leningen1 433 16734 0341 399 133
Verstrekte leningen baten-lastendiensten473 7970473 797
Verstrekte leningen RWT's959 3700959 370
Verstrekte leningen overige instellingen034 034– 34 034
    
Uitgaven bij voortijdige beëindiging leningen000
Uitg bij voort beëindiging len baten-lastendiensten000
Uitg bij voort beëindiging len RWT's000
Uitg bij voort beëindiging len overige instellingen000
    
Ontvangsten9 038 806328 0008 710 806
    
Apparaatsontvangsten000
    
Programma-ontvangsten9 038 806328 0008 710 806
    
Rentebaten357 132262 65694 476
Rente baten-lastendiensten286 244226 47359 771
Rente RWT's en derden62 57122 68939 882
Rente Sociale Fondsen000
Rente overige instellingen000
Rente FMS-account4 28712 587– 8 300
Overige rentebaten4 0299083 121
    
Mutaties in rekening-courant en deposito's28 270028 270
Mutaties in rek-crt en deposito's baten-lastendiensten000
Mutaties in rek-crt en deposito's RWT's28 270028 270
Mutaties in rek-crt en deposito's overige instellingen000
    
Ontvangen aflossingen224 82265 344159 478
Aflossingen leningen baten-lastendiensten224 82265 344159 478
Alfossingen leningen RWT's000
Aflossingen leningen overige instellingen000
    
Ontvangsten bij voortijdige beëindiging leningen000
Ontv bij voort beëindiging len baten-lastendiensten000
Ontv bij voort beëindiging len RWT's000
Ontv bij voort beëindiging len overige instellingen000
    
Correctie stelselwijziging8 428 58208 428 582

In overeenstemming met artikel 1 is op artikel 2 ook een stelselwijziging doorgevoerd. Deze stelselwijziging houdt in dat de registratie van de rentelasten op transactiebasis plaatsvindt. Om de presentatie van de rentelasten conform de Europese voorschriften (ESR 95) mogelijk te maken is hiervoor het wettelijk kader gecreëerd in artikel 7 van de Comptabiliteitswet 2001. Bij transactiebasis is het tijdstip waarop de economische waarde tot stand komt bepalend voor de registratie en niet het feitelijke moment van kasbetaling. Door de overgang van verantwoording van rente op kasbasis naar rente op transactiebasis worden aan 2001 nog € 10,3 mln. aan rentebaten toegerekend over aan derden ten laste van 's Rijks schatkist verstrekte leningen. Hiertegenover staat dat aan 2001 nog € 0,1 mln. aan rentelasten worden toegerekend over door derden ten gunste van 's Rijks schatkist afgesloten deposito's.

Tevens worden – op grond van artikel 7 van de CW 2001 – de geldstromen, die samenhangen met het geïntegreerd middelenbeheer (waar de baten-lastendiensten, sociale fondsen en enkele derden aan deelnemen), verantwoord op het beleidsartikel Kasbeheer. Het gaat hierbij om mutaties in de posities van leningen en tegoeden die deze instellingen bij de schatkist hebben. Ultimo 2001 hadden baten-lastendiensten en derden voor € 5,2 mld. aan leningen en voor € 13,5 mld. aan tegoeden uitstaan bij 's Rijks schatkist. Deze zijn als uitgaven respectievelijk ontvangsten in het jaarverslag verwerkt; het betreft louter mutaties om een boekhoudkundige openingsbalans per 1 januari 2002 mogelijk te maken; er is geen sprake van feitelijke uitgaven of ontvangsten in 2002. De uiteindelijke mutatie bedraagt € 8,4 mld.

De belangrijkste uitgaven en ontvangsten worden hieronder kort toegelicht.

Uitgaven

Rente baten-lastendiensten

Doordat deze diensten inteerden op hun tegoeden in rekening-courant werd aan hen € 12 mln. rente vergoed, tegenover een raming van € 18 mln. Ultimo 2002 hadden deze diensten voor € 259 mln. aan rekening-courant tegoeden bij de schatkist.

Rente RWT's en derden

Over de tegoeden in rekening-courant van RWT's en derden werd € 82 mln. aan rente vergoed, € 73 mln. meer dan begroot vanwege de – in 2001 al ingezette – stijging van die tegoeden. Ultimo 2002 hadden derden voor € 2,5 mld. aan rekening-courant tegoeden bij de schatkist.

Rente Sociale Fondsen

Aan de sociale fondsen is € 379 mln. rente vergoed over hun saldi in de schatkist. Dit is € 146 mln. minder dan begroot, hetgeen samenhangt met een in 2002 lagere dan geraamde rentevoet en een lager dan geraamd rekening-courantsaldo van de fondsen. Ultimo 2002 hadden de fondsbeheerders € 9,4 mld. tegoed in rekening-courant bij de schatkist.

Rente AOW-spaarfonds

Aan het AOW-spaarfonds is € 537 mln. rente vergoed. Dit begrotingsfonds had ultimo 2002 een saldo van € 12,7 mld.

Rente FES

Aan het Fonds Economische Structuurversterking (FES) is € 374 mln. aan rente toegevoegd, € 47 mln. minder dan begroot als gevolg van een verlaging van de verkooptaakstelling staatsdeelnemingen.

Mutaties in rekening-courant en deposito's

Op basis van de Comptabiliteitswet 2001 worden met ingang van 2002 de mutaties in de rekening-courantsaldi van de instellingen, die hun saldi bij de schatkist aanhouden, in de slotwet van de begroting opgenomen. Tot en met 2001 werden de mutaties in de rekening-courant van instellingen buiten begrotingsverband gehouden. Om deze mutaties budgettair transparant te maken, er kan immers ook sprake zijn van kredietverlening in rekening-courant, is voorgeschreven dat jaarlijks in de slotwet opgenomen moet worden de mutatie van jaar op jaar per 31 december in het totaalsaldo van de rekening-courant die baten-lastendiensten en derden (sociale fondsen en RWT's) bij het ministerie van Financiën aanhouden. Per saldo zijn de rekening-courantsaldi (inclusief deposito's) van baten-lastendiensten, RWT's en sociale fondsen in 2002 met € 1,3 mld. afgenomen. De belangrijkste bijdrage hieraan kwam van de sociale fondsen met een afname van € 1,1 mld. De afname van de saldi van de instellingen is opgevangen door meer externe financiering.

Verstrekte leningen

In 2002 is € 1,4 mld. aan leningen verstrekt, waarvan aan RWT's voor € 1,0 mld en aan de baten-lastendiensten voor € 0,4 mld. Het betreft voornamelijk leningen aan de Rijksgebouwendienst en Railinfrabeheer.

Ontvangsten

Rente baten-lastendiensten

Bij baten-lastendiensten werd over de door hen bij de schatkist afgesloten leningen € 286 mln. aan rente in rekening gebracht, € 60 mln. meer dan geraamd.

Rente RWT's en derden

Van RWT's is in 2002 € 63 mln. aan rente ontvangen, € 40 mln. meer dan geraamd vanwege in 2002 voor € 959 mln. aan RWT's nieuw verstrekte leningen.

Rente FMS-account

In 2002 is het saldo op de FMS-account (Foreign Military Sales-account) met $ 100 mln. afgenomen, waardoor de rentevergoeding over dit saldo € 8 mln. lager uitkwam dan begroot.

Mutaties in rekening-courant en deposito's

Op basis van de Comptabiliteitswet 2001 worden de mutaties in de rekening-courantsaldi van de instellingen, die hun saldi bij de schatkist aanhouden, pro memorie in de ontwerpbegroting opgenomen. De realisatiegegevens worden bij slotwet opgenomen. Het rekening-courantsaldo (inclusief deposito's) van RWT's nam toe met € 28 mln. tot een stand van € 2582 mln. per ultimo 2002.

Aflossingen

In 2002 is door de baten-lastendiensten voor € 225 mln. aan leningen afgelost.

6. NIET-BELEIDSARTIKEL

6.1 Nominaal en onvoorzien

In 2002 is loon- en prijsbijstelling verkregen en toegekend aan beide beleidsartikelen. In onderstaande tabel met toelichting wordt deze verdeling weergegeven.

Tabel verdeling loon- en prijsbijstelling niet-beleidsartikel 3 Nominaal en onvoorzien (x € 1000)
Nominaal en OnvoorzienVerplichtingenUitgaven
Loonbijstelling150150
Verdeeld over de volgende artikelen  
Beleidsartikel 1104104
Beleidsartikel 24646
Totaal van de verdeling150150
Nog niet verdeeld00
Prijsbijstelling1212
Verdeeld over de volgende artikelen  
Beleidsartikel 11111
Beleidsartikel 211
Totaal van de verdeling1212
Nog niet verdeeld00

Toelichting:

Het totaal van de loonbijstelling ad € 150 000 is in 2002 bij de Voorjaarsnota aan IXA toegewezen en in de 2e suppletore aan de beleidsartikelen toegekend.

Het totaal van de prijsbijstelling ad € 12000 is in 2002 bij de Voorjaarsnota aan IXA toegewezen en in de 2e suppletore aan de beleidsartikelen toegekend.

7. MEDEDELING OVER DE BEDRIJFSVOERING

In het begrotingsjaar 2002 is op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan de bedrijfsvoering. Op basis van een risicoanalyse is een systematische afweging gemaakt inzake de in te zetten instrumenten van sturing en beheersing. Dit omvat mede het vaststellen van het van toepassing zijnde normenkader en de uitgangspunten voor opname van aandachtspunten in deze mededeling. Een en ander heeft in het begrotingsjaar geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen.

C. Jaarrekening

8. VERANTWOORDINGSSTAAT VAN DE NATIONALE SCHULD

Verantwoordingsstaat van de Nationale Schuld voor het jaar 2002 (bedragen x € 1000)
  (1)(2)(3) 
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting 
  verplich-tingenuitgavenontvangstenverplich-tingenuitgavenontvangstenverplich-tingenuitgavenontvangsten
 TOTAAL 36 320 42619 477 168 42 660 24346 979 955 6 339 81727 502 787
           
 Beleidsartikelen 36 320 42619 477 168 42 660 24346 979 955 6 339 81727 502 787
           
01Financiering Staatsschuld34 774 27134 774 27119 149 16838 512 43438 512 43437 941 1493 738 1633 738 16318 791 981
02Kasbeheer1 546 1551 546 155328 0004 147 8094 147 8099 038 8062 601 6542 601 6548 710 806
03Nominaal en onvoorzien000000000

Mij bekend,

De Minister van Financiën,

9. FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTAAT

9.1 TOELICHTING BIJ DE BELEIDSARTIKELEN

Art.1 Financiering Staatsschuld

Budgettaire gevolgen van beleid

In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de ontvangsten en uitgaven voor het beleidsartikel financiering staatsschuld, waarbij raming, realisatie en het verschil hiertussen voor het jaar 2002 worden aangegeven. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat de begroting van de staatsschuld verschilt van andere begrotingen in de zin dat de rentelasten niet een specifiek beleidsdoel dienen. De rentelasten zijn uitvloeisel van de beleidsprioriteiten en beleidsafwegingen van deze en voorgaande kabinetten ten aanzien van de eigenlijke overheidsdoelen, die betrekking hebben op, in willekeurige volgorde, infrastructuur, sociale zekerheid, defensie, onderwijs, milieu of ontwikkelingshulp.

De operationele doelstellingen voor het beleidsartikel financiering staatsschuld zijn alle drie gericht op het tegen zo laag mogelijke kosten lenen bij een aanvaardbaar risico op fluctuaties in de rentelasten. Dit blijkt met name uit de formulering van de eerste en de derde doelstelling, die betrekking hebben op de afweging tussen kosten en risico voor lange respectievelijk korte leningen. Bij de tweede doelstelling, die betrekking heeft op de distributie, promotie en verhandelbaarheid van DSL's, is er sprake van een indirecte relatie met kostenreductie. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een goede verhandelbaarheid en een actieve markt voor DSL's bijdraagt aan een klimaat waarin de Staat tegen zo laag mogelijke rentes kan lenen.

Om de bovenstaande redenen zijn de drie operationele doelstellingen allen gekoppeld aan de programma-uitgaven rentelasten schuld en programma-ontvangsten rentebaten schuld. Met betrekking tot de gepresenteerde bedragen is het van belang te onderstrepen dat het, conform Europese voorschriften (ESR 95) cijfers op transactiebasis betreft.

Tabel budgettaire gevolgen artikel 1 Financiering Staatsschuld (*€ 1000)
Algemene beleidsdoelstelling:Een efficiënt en effectief beheer van de staatsschuld en het voorzien in financieringsbehoeften van de Staat door het inlenen en uitlenen van gelden.RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Uitgaven38 512 43434 774 2713 738 163
    
Programma-uitgaven38 504 13634 753 2553 750 881
Doelst. 1 Lenen van lange gelden   
Doelst. 2 Distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit   
Doelst. 3 Lenen en uitlenen van korte gelden   
Rentelasten schuld12 955 51010 366 0632 589 447
Aflossing vaste schuld25 398 25024 387 1921 011 058
Uitgaven voortijdige beëindiging150 376150 376
Mutatie vlottende schuld
    
Apparaatsuitgaven8 29821 016– 12 718
Personeel en materieel3 8652 7521 113
Overige apparaatsuitgaven4 43318 265– 13 832
    
Ontvangsten37 941 14919 149 16818 791 981
    
Programma-ontvangsten37 940 94319 149 11118 791 832
Doelst. 1 Lenen van lange gelden   
Doelst. 2 Distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit   
Doelst. 3 Lenen en uitlenen van korte gelden   
Rentebaten schuld2 775 89171 1482 704 743
Uitgifte vaste schuld22 993 45719 077 9633 915 494
Ontvangsten voortijdige beëindiging7 4537 453
Mutatie vlottende schuld10 230 76110 230 761
Stelselwijziging1 933 3811 933 381
    
Apparaatsontvangsten20657149
Apparaatsontvangsten1315774
Overige apparaatsontvangsten7575

Met ingang van begrotingsjaar 2002 is er een stelselwijziging doorgevoerd op begroting IXA. De stelselwijziging houdt in dat de registratie van de rentelasten op transactiebasis plaatsvindt. Tevens wordt naast de uitgifte en aflossing van vaste schuld nu ook de mutatie in de vlottende schuld en vlottende vorderingen begroot en verantwoord.

Het hanteren van een administratie op transactiebasis houdt in dat het tijdstip waarop de economische waarde tot stand komt bepalend is voor de registratie en niet het feitelijke moment van kasbetaling. Dit heeft tot gevolg dat de toewijzing van betalingen en ontvangsten anders wordt verdeeld over de tijd. De overgang van kasbasis naar transactiebasis in een gegeven jaar brengt als gevolg een openingsbalans met zich mee. Met deze openingsbalans wordt voorkomen dat bepaalde uitgaven door de stelselwijziging zouden worden onthouden van parlementaire goedkeuring. Omdat het hierbij enkel om een boekhoudkundige toewijzingsystematiek gaat, is er geen sprake van een echte uitgave of ontvangst. De mutatie is verwerkt door een netto bedrag van € 1,9 mld. te boeken op het daartoe in het leven geroepen nieuwe artikel, stelselwijziging, bij de ontvangsten.

Programma-uitgaven

Rentelasten schuld

De rentelasten schuld bestaan uit de rentelasten van zowel de vaste als de vlottende schuld.

De rentelasten vaste schuld zijn opgebouwd uit de rentelasten van de uitstaande leningen en de uitgaven voor langlopende renteswaps. De rentelasten van de vlottende schuld bestaan uit de rentelasten van het uitstaande en uitgegeven schatkistpapier (DTC's), de opgenomen gelden en de uitgaven voor Eonia swaps.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Rentelasten swaps2 635
Hogere financieringsbehoefte1526
Lagere rente2– 240
Nieuw schuldregistratiesysteem– 323
Overig– 9
Totaal2 589

1Dit omvat zowel het kapitaalmarktberoep als het geldmarktberoep

2Realisaties ten opzichte van de rekenrente bij ontwerpbegroting 2002

Het verschil in de realisatie ten opzichte van de geraamde rentelasten schuld bedraagt € 2 589 mln. Een belangrijk deel van dit verschil wordt veroorzaakt door de verslechtering van het begrotingssaldo van de Staat sinds de ontwerpbegroting 2002. Samen met de eveneens afgenomen saldi sociale fondsen en overig geïntegreerd middelenbeheer heeft dit geleid tot een toename van de financieringsbehoefte met € 12,5 mld. Het grootste deel van deze extra financieringsbehoefte is opgevangen door additionele uitgifte van vlottende schuld. Door het lagere rentetarief van de kortlopende schuld ten opzichte van langlopende schuld vallen de extra rentekosten in 2002 € 59 mln. lager uit dan wanneer de toegenomen financieringsbehoefte enkel door middel van DSL's zou zijn gefinancierd.

Tegenover de hogere financieringsbehoefte staat een lager dan verwachte rente. Dit heeft ertoe geleid dat de rentelasten op de nieuw uitgegeven leningen (DSL's), het nieuw uitgegeven schatkistpapier (DTC's) en de dagelijkse opnames lager zijn uitgevallen.

De belangrijkste oorzaak van de toename in de rentelasten is de introductie van Eonia-swaps. Swaps genereren zowel een betalende als een ontvangende kasstroom, waardoor een evenredige grote toename bij de rentebaten is opgetreden. Enkel de netto kasstroom is direct relevant voor beleid.

Tenslotte heeft de stelselwijziging in de boekhouding een ingrijpende wijziging van het geautomatiseerde schuldregistratiesysteem met zich meegebracht. Als gevolg van het intracomptabel maken van de begroting en verantwoording op transactiebasis zijn er verschillen ontstaan in vergelijking met de tot nog toe gevolgde extracomptabele administratie op transactiebasis. Het gaat hierbij echter om een boekhoudkundige aanpassing en niet om een daadwerkelijke uitgave.

Aflossing vaste schuld

Er wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere, eenzijdig vervroegde en tweezijdig vervroegde aflossingen. Reguliere aflossingen zijn aflossingen aan het einde van de looptijd van de lening. Eenzijdig vervroegde aflossingen is een aflossing van een lening voor het verstrijken van de looptijd, waarbij het recht op aflossing is bedongen bij uitgifte. Een tweezijdig vervroegde aflossing, of terugkoop, is het voortijdige aflossen overeengekomen door geldgever en geldnemer gedurende de looptijd van de lening.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Reguliere aflossingen– 268
Eenzijdige vervroegde aflossingen3
Tweezijdige vervroegde aflossingen1 276
Totaal1 011

Het verschil in de realisatie ten opzichte van de geraamde aflossing vaste schuld bedraagt € 1 011 mln. Het grootste deel van de toename in aflossingen vaste schuld wordt veroorzaakt door de tweezijdig vervroegde aflossingen. Met name de doorlopende inkoopfaciliteit voor openbare leningen, waarmee in 2002 gestart is, heeft hiertoe bijgedragen. De regeling houdt in dat delen van leningen waarvan het totaal uitstaande volume kleiner is dan € 2,5 mld. bij de Nederlandse Staat kunnen worden aangeboden voor terugkoop. Als gevolg van vervroegd afgeloste leningen in de tweede helft van 2001, vallen de reguliere aflossingen € 268 mln. lager uit dan geraamd.

In geheel 2002 is in het kader van de permanente inkoopfaciliteit € 830 mln. aan staatsleningen door de Nederlandse staat teruggekocht. Dit bedrag komt overeen met ruim 12% van dat deel van de uitstaande schuld dat volgens deze regeling voor inkoop in aanmerking komt. Deze regeling draagt hierdoor bij aan het bereiken van operationele doelstelling 2, het bevorderen van distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit.

Uitgaven voortijdige beëindiging

De uitgaven bij voortijdige beëindiging bestaan uit betaalde boetes bij vervroegde aflossing van leningen, meegekochte agio en de uitgaven bij een voortijdige beëindiging van renteswaps. De kosten bij vervroegde aflossingen worden niet geraamd omdat dit een uitvloeisel is van de rentestanden. Eveneens geldt dat er weinig uitstaande schuld is die clausules in de overeenkomsten bevat die de Staat de mogelijkheid geeft voortijdig te beëindigen. Deze post zal in de toekomst nog kleiner worden aangezien het huidige uitgifte beleid inhoudt dat er geen nieuwe leningen met aflossingclausules worden uitgegeven.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Agio bij inkoop schuld150
Boete vervroegde aflossingen0
Totaal150

De uitgaven voortijdige beëindiging bedroegen € 150 mln. Deze uitgaven komen voort uit agio bij inkoop schuld. Doordat de rente bij inkoop lager lag dan de coupon van de ingekochte leningen zijn de leningen boven pari ingekocht, waardoor agio is gerealiseerd.

Apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven van het Agentschap ministerie van Financiën ten behoeve van het beheer van de staatsschuld bestaan uit de uitgaven voor personeel en materieel en uit de overige apparaatsuitgaven. De overige apparaatsuitgaven bestaan uit de kosten die worden gemaakt voor het Primary Dealerstelsel, zoals het plaatsen van advertenties. Andere kosten zijn provisie voor geldmarktintermediairs, de kosten voor een notering aan de beurs en de kosten voor de clearing en settlement van transacties.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Personeel en materieel1 113
Overige apparaatsuitgaven– 13 832
Totaal– 12 718

Ten behoeve van het VBTB-traject worden sinds ontwerpbegroting 2002 de personele en materiële kosten van het Agentschap op IXA zichtbaar gemaakt. Voorheen waren de personele en materiële uitgaven besloten in de begroting IXB. De realisatie is na de verdeling van de begrotingsbedragen die hieraan voorafging 1,1 mln. hoger uitgekomen dan begroot. De mutatie bij overige apparaatsuitgaven komt voort uit de gewijzigde beloningsstructuur voor primary dealers. In 2002 ontvingen zij minder fees.

Programma-ontvangsten

Rentebaten schuld

De rentebaten schuld omvatten de ontvangen rente over een positief schatkistsaldo en de ontvangende rentestroom van de renteswaps. Renteswaps genereren een kasstroom bij zowel rentebaten als rentelasten.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Rentebaten swaps2 695
Overig10
Totaal2 705

Sinds 2001 is er sprake van een stijging in de ontvangsten ten gevolge van de inzet van langlopende swaps ten behoeve van het risicomanagement. Met ingang van 2002 zijn de ontvangsten met € 2695 mln. toegenomen door het gebruik van Eonia swaps. Hier staat echter een evenredig grote toename in het artikelonderdeel rentelasten schuld tegenover.

Uitgifte vaste schuld

De uitgifte van vaste schuld (het kapitaalmarktberoep) in een gegeven jaar wordt bepaald door de omvang van de financieringsbehoefte van het Rijk en de wijze waarop deze behoefte wordt gedekt. De financieringsbehoefte is gedefinieerd als de herfinanciering van de aflossingen vermeerderd met het financieringssaldo van de Staat. Het financieringssaldo wordt, naast de uitgaven en ontvangsten van de departementen, ook bepaald door de mutaties in de saldi van instellingen in het geïntegreerd middelenbeheer. Deze instellingen houden hun overschot bij de Staat aan, of als ze een tekort hebben, maken ze gebruik van een leenfaciliteit bij de Staat. Afnemende saldi betekenen een hogere financieringsbehoefte voor de Staat.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Financieringssaldo2 906
Aflossingen1 009
Totaal3 915

Het verschil in de realisatie ten opzichte van de geraamde uitgifte vaste schuld bedraagt € 3 915 mln. In 2002 viel het financieringssaldo € 13,3 mld. slechter uit dan geraamd, hetgeen deels is opgevangen door hogere uitgifte van vaste schuld (+ € 2,9 mld.), maar vooral door een toename van de vlottende schuld. Deze toename valt terug te zien op het artikelonderdeel mutaties in vlottende schuld.

Daarnaast hebben terugkoop en vervroegde aflossingen voor een toename in de omvang van de aflossingen gezorgd, waardoor het kapitaalmarktberoep verder is toegenomen.

Ontvangsten voortijdige beëindiging

De ontvangsten bij vervroegde beëindiging bestaan uit disagio bij inkoop schuld en de ontvangsten bij beëindiging swaps. Gegeven dat het beleid er niet op gericht is om disagio te realiseren en/of swaps voortijdig te beëindigen, wordt dit artikel niet geraamd.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Disagio bij inkoop schuld7
Ontvangsten beëindiging swaps0
Totaal7

De realisatie bedraagt € 7 mln. Dit wordt veroorzaakt doordat bij inkoop de coupon lager lag dan de marktrente, waardoor disagio werd gerealiseerd.

Mutatie in vlottende schuld

Op 31 december worden de mutaties in de uitstaande vlottende schuld en de uitzettingen ten opzichte van 31 december van het voorafgaande jaar geboekt. Betreft de mutatie per saldo een ontvangst (meer vlottende schuld en/of minder uitzettingen), dan wordt deze verantwoord onder de programma-ontvangsten. In het geval van een netto uitgave (minder vlottende schuld en/of meer uitzettingen) wordt deze mutatie geboekt onder de programma-uitgaven.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Schatkistpapier (DTC's)10 328
Overig– 97
Totaal10 231

Het verschil in de realisatie ten opzichte van de geraamde uitgifte vaste schuld bedraagt € 10 231 mln. Deze toename ten opzichte van de begroting wordt veroorzaakt doordat het grootste deel van de stijging van de financieringsbehoefte is opgevangen door additionele uitgifte van DTC's. Zoals aangegeven is deze mutatie gemeten van 31 december 2001 tot en met 31 december 2002.

Apparaatsontvangsten

De apparaatsontvangsten bestaan uit de apparaatsontvangsten staatsschuld en de overige apparaatsontvangsten. De apparaatsontvangsten staatschuld zijn de kosten die in rekening worden gebracht aan derden voor het doen van betalingen en beheer van stukken in depot. De overige apparaatsontvangsten hebben betrekking op de correctie van ten onrechte geïnde coupons, de zogenaamde kapitaalcoupons.

OorzaakVerschilx € 1 mln.
Apparaatsontvangsten staatsschuld74
Overige apparaatsontvangsten75
Totaal149

Art. 2 Kasbeheer

Budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de realisaties in 2002 van de uitgaven en ontvangsten van het beleidsartikel kasbeheer naast de desbetreffende ramingen uit de begroting voor 2002.

Tabel budgettaire gevolgen artikel 2 Kasbeheer (x € 1000)
Algemene beleidsdoelstelling:Het optimaliseren van het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
Uitgaven4 147 8091 546 1552 601 654
    
Programma-uitgaven4 146 4671 544 8922 601 575
Doelst. 1 Doelmatige inrichting kasbeheer   
Doelst. 2 Betrouwbare en efficiënte infrastructuur   
Rentelasten1 389 6561 510 859– 121 203
Verstrekte leningen1 433 16734 0341 399 133
Mutaties in rekening-courant en deposito's1 323 64401 323 644
Uitgaven bij voortijdige beëindiging leningen000
    
Apparaatsuitgaven1 3421 26379
Personeel en materieel980809171
Overige apparaatsuitgaven362454– 92
    
Ontvangsten9 038 806328 0008 710 806
    
Programma-ontvangsten9 038 806328 0008 710 806
Doelst. 1 Doelmatige inrichting kasbeheer   
Doelst. 2 Betrouwbare en efficiënte infrastructuur   
Rentebaten357 132262 65694 476
Ontvangen aflossingen224 82265 344159 478
Mutaties in rekening-courant en deposito's28 270028 270
Ontvangsten bij voortijdige beëindiging000
Stelselwijziging8 428 58208 428 582
    
Apparaatsontvangsten000

Met ingang van begrotingsjaar 2002 is er een stelselwijziging doorgevoerd op begroting IXA. Om de presentatie van de rentelasten conform de Europese voorschriften (ESR 95) mogelijk te maken is hiervoor het wettelijk kader gecreëerd in artikel 7 van de Comptabiliteitswet 2001. Bij transactiebasis is het tijdstip waarop de economische waarde tot stand komt bepalend voor de registratie en niet het feitelijke moment van kasbetaling. Door de overgang van verantwoording van rente op kasbasis naar rente op transactiebasis worden aan 2001 nog € 10,3 mln. aan rentebaten toegerekend over aan derden ten laste van 's Rijks schatkist verstrekte leningen. Hiertegenover staat dat aan 2001 nog € 0,1 mln. aan rentelasten worden toegerekend over door derden ten gunste van 's Rijks schatkist afgesloten deposito's.

Tevens worden – op grond van artikel 7 van de CW 2001 – de geldstromen, die samenhangen met het geïntegreerd middelenbeheer (waar de baten-lastendiensten, sociale fondsen en enkele derden aan deelnemen), verantwoord op het beleidsartikel Kasbeheer. Het gaat hierbij om mutaties in de posities van leningen en tegoeden die deze instellingen bij de schatkist hebben. Ultimo 2001 hadden baten-lastendiensten en derden voor € 5,2 mld. aan leningen en voor € 13,5 mld. aan tegoeden uitstaan bij 's-Rijks schatkist. Deze zijn als uitgaven respectievelijk ontvangsten in het jaarverslag verwerkt; het betreft louter mutaties om een boekhoudkundige openingsbalans per 1 januari 2002 mogelijk te maken; er is geen sprake van feitelijke uitgaven of ontvangsten in 2002. De uiteindelijke mutatie bedraagt € 8,4 mld.

Toelichting op de budgettaire gevolgen van beleid

De programma-uitgaven en -ontvangsten zijn onder te verdelen naar een viertal hoofdcategorieën, te weten:

1. rentelasten en -baten;

2. mutaties in rekening-courant en deposito's;

3. verstrekte leningen en ontvangen aflossingen;

4. uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging leningen.

Hieronder worden deze categorieën beknopt toegelicht. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de aan het eind van deze paragraaf opgenomen onderverdeling van de tabel budgettaire gevolgen.

Rentelasten en -baten

Op grond van de Comptabiliteitswet 2001 worden met ingang van 2002 de rentelasten en -baten verantwoord op transactiebasis. Dit betekent, dat de rente wordt toegerekend aan de periode waarop deze betrekking heeft. Anders dan bij het kasstelsel is het moment van feitelijke betaling dus niet relevant. De rentelasten over 2002 bedragen € 1 390 mln., € 121 mln. minder dan begroot. Vooral een lagere rentevergoeding aan de sociale fondsen is hiervoor verantwoordelijk. De rentebaten bedragen € 357 mln., € 94 mln. meer dan geraamd bij ontwerpbegroting. De belangrijkste reden hiervoor is een hogere dan geraamde rentebate van batenlasten-diensten en RWT's als gevolg van nieuw verstrekte leningen. In onderstaande grafieken is de onderverdeling van de rentebaten en -lasten weergegeven.

Rentelasten interne schuldverhoudingen (x € 1 mln.)kst-28880-18-8.gif

Rentebaten interne schuldverhoudingen (x € 1 mln.)kst-28880-18-9.gif

Mutaties in rekening-courant en deposito's

Op basis van de Comptabiliteitswet 2001 worden met ingang van 2002 de mutaties in de rekening-courantsaldi van de instellingen, die hun saldi bij de schatkist aanhouden, in de slotwet van de begroting opgenomen. Tot en met 2001 werden de mutaties in de rekening-courant van instellingen buiten begrotingsverband gehouden. Om deze mutaties budgettair transparant te maken, er kan immers ook sprake zijn van kredietverlening in rekening-courant, is voorgeschreven dat jaarlijks in de slotwet opgenomen moet worden de mutatie van jaar op jaar per 31 december in het totaalsaldo van de rekening-courant die baten-lastendiensten en derden (sociale fondsen en RWT's) bij het ministerie van Financiën aanhouden. Per saldo zijn de rekening-courantsaldi (inclusief deposito's) van baten-lastendiensten, RWT's en sociale fondsen in 2002 met € 1,3 mrd. afgenomen. De belangrijkste bijdrage hieraan kwam van de sociale fondsen met een afname van € 1,1 mrd. De afname van de saldi van de instellingen is opgevangen door meer externe financiering.

Verstrekte leningen en ontvangen aflossingen

In 2002 is € 1,4 mrd. aan leningen verstrekt, waarvan aan RWT's voor € 1,0 mrd en aan de baten-lastendiensten voor € 0,4 mrd. Het betreft voornamelijk leningen aan de Rijksgebouwendienst en Railinfrabeheer. Door de baten-lastendiensten werd voor ruim € 0,2 mrd. afgelost.

Uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging leningen

In 2002 zijn geen leningen voortijdig beëindigd.

In onderstaande tabel wordt in navolging van de begroting een overzicht gegeven van de realisaties in 2002 van de uitgaven en ontvangsten van het beleidsartikel kasbeheer naast de desbetreffende ramingen uit de begroting voor 2002 op een gedetailleerd niveau.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid-onderverdeling artikel 2 kasbeheer (x € 1000)
 Realisatie 2002Begroting 2002Verschil
Uitgaven4 147 8091 546 1552 601 654
    
Totaal apparaatsuitgaven1 3421 26379
    
Apparaatsuitgaven980809171
Overige apparaatsuitgaven362454– 92
    
Programma-uitgaven4 146 4671 544 8922 601 575
    
Rentelasten1 389 6561 510 859– 121 203
Rente baten-lastendiensten11 92117 536– 5 615
Rente RWT's en derden82 3199 52972 790
Rente Sociale Fondsen378 503524 393– 145 890
Rente AOW-spaarfonds536 632538 247– 1 615
Rente FES374 166420 700– 46 534
Overige rentelasten6 1154545 661
    
Mutaties in rekening-courant en deposito's1 323 64401 323 644
Mutaties in rek-crt en deposito's baten-lastendiensten230 8620230 862
Mutaties in rek-crt en deposito's RWT's000
Mutaties in rek-crt en deposito's overige instellingen1 092 78201 092 782
    
Verstrekte leningen1 433 16734 0341 399 133
Verstrekte leningen baten-lastendiensten473 7970473 797
Verstrekte leningen RWT's959 3700959 370
Verstrekte leningen overige instellingen034 034– 34 034
    
Uitgaven bij voortijdige beëindiging leningen000
Uitg bij voort beëindiging len baten-lastendiensten000
Uitg bij voort beëindiging len RWT's000
Uitg bij voort beëindiging len overige instellingen000
    
Ontvangsten9 038 806328 0008 710 806
    
Apparaatsontvangsten000
    
Programma-ontvangsten9 038 806328 0008 710 806
    
Rentebaten357 132262 65694 476
Rente baten-lastendiensten286 244226 47359 771
Rente RWT's en derden62 57122 68939 882
Rente Sociale Fondsen000
Rente overige instellingen000
Rente FMS-account4 28712 587– 8 300
Overige rentebaten4 0299083 121
    
Mutaties in rekening-courant en deposito's28 270028 270
Mutaties in rek-crt en deposito's baten-lastendiensten000
Mutaties in rek-crt en deposito's RWT's28 270028 270
Mutaties in rek-crt en deposito's overige instellingen000
    
Ontvangen aflossingen224 82265 344159 478
Aflossingen leningen baten-lastendiensten224 82265 344159 478
Alfossingen leningen RWT's000
Aflossingen leningen overige instellingen000
    
Ontvangsten bij voortijdige beëindiging leningen000
Ontv bij voort beëindiging len baten-lastendiensten000
Ontv bij voort beëindiging len RWT's000
Ontv bij voort beëindiging len overige instellingen000
    
Correctie stelselwijziging8 428 58208 428 582

In overeenstemming met artikel 1 is op artikel 2 ook een stelselwijziging doorgevoerd. Deze stelselwijziging houdt in dat de registratie van de rentelasten op transactiebasis plaatsvindt.Om de presentatie van de rentelasten conform de Europese voorschriften (ESR 95) mogelijk te maken is hiervoor het wettelijk kader gecreëerd in artikel 7 van de Comptabiliteitswet 2001. Bij transactiebasis is het tijdstip waarop de economische waarde tot stand komt bepalend voor de registratie en niet het feitelijke moment van kasbetaling. Door de overgang van verantwoording van rente op kasbasis naar rente op transactie-basis worden aan 2001 nog € 10,3 mln. aan rentebaten toegerekend over aan derden ten laste van 's Rijks schatkist verstrekte leningen. Hiertegenover staat dat aan 2001 nog € 0,1 mln. aan rentelasten worden toegerekend over door derden ten gunste van 's Rijks schatkist afgesloten deposito's.

Tevens worden – op grond van artikel 7 van de CW 2001 – de geldstromen, die samenhangen met het geïntegreerd middelenbeheer (waar de baten-lastendiensten, sociale fondsen en enkele derden aan deelnemen), verantwoord op het beleidsartikel Kasbeheer. Het gaat hierbij om mutaties in de posities van leningen en tegoeden die deze instellingen bij de schatkist hebben. Ultimo 2001 hadden baten-lastendiensten en derden voor € 5,2 mld. aan leningen en voor € 13,5 mld. aan tegoeden uitstaan bij 's Rijks schatkist. Deze zijn als uitgaven respectievelijk ontvangsten in het jaarverslag verwerkt; het betreft louter mutaties om een boekhoudkundige openingsbalans per 1 januari 2002 mogelijk te maken; er is geen sprake van feitelijke uitgaven of ontvangsten in 2002. De uiteindelijke mutatie bedraagt € 8,4 mld.

De belangrijkste uitgaven en ontvangsten worden hieronder kort toegelicht.

Uitgaven

Rente baten-lastendiensten

Doordat deze diensten inteerden op hun tegoeden in rekening-courant werd aan hen € 12 mln. rente vergoed, tegenover een raming van € 18 mln. Ultimo 2002 hadden deze diensten voor € 259 mln. aan rekening-courant tegoeden bij de schatkist.

Rente RWT's en derden

Over de tegoeden in rekening-courant van RWT's en derden werd € 82 mln. aan rente vergoed, € 73 mln. meer dan begroot vanwege de – in 2001 al ingezette – stijging van die tegoeden. Ultimo 2002 hadden derden voor € 2,5 mld. aan rekening-courant tegoeden bij de schatkist.

Rente Sociale Fondsen

Aan de sociale fondsen is € 379 mln. rente vergoed over hun saldi in de schatkist. Dit is € 146 mln. minder dan begroot, hetgeen samenhangt met een in 2002 lagere dan geraamde rentevoet en een lager dan geraamd rekening-courantsaldo van de fondsen. Ultimo 2002 hadden de fondsbeheerders € 9,4 mld. tegoed in rekening-courant bij de schatkist.

Rente AOW-spaarfonds

Aan het AOW-spaarfonds is € 537 mln. rente vergoed. Dit begrotingsfonds had ultimo 2002 een saldo van € 12,7 mld.

Rente FES

Aan het Fonds Economische Structuurversterking (FES) is € 374 mln. aan rente toegevoegd, € 47 mln. minder dan begroot als gevolg van een verlaging van de verkooptaakstelling staatsdeelnemingen.

Mutaties in rekening-courant en deposito's

Op basis van de Comptabiliteitswet 2001 worden met ingang van 2002 de mutaties in de rekening-courantsaldi van de instellingen, die hun saldi bij de schatkist aanhouden, in de slotwet van de begroting opgenomen. Tot en met 2001 werden de mutaties in de rekening-courant van instellingen buiten begrotingsverband gehouden. Om deze mutaties budgettair transparant te maken, er kan immers ook sprake zijn van kredietverlening in rekening-courant, is voorgeschreven dat jaarlijks in de slotwet opgenomen moet worden de mutatie van jaar op jaar per 31 december in het totaalsaldo van de rekening-courant die baten-lastendiensten en derden (sociale fondsen en RWT's) bij het ministerie van Financiën aanhouden. Per saldo zijn de rekening-courantsaldi (inclusief deposito's) van baten-lastendiensten, RWT's en sociale fondsen in 2002 met € 1,3 mld. afgenomen. De belangrijkste bijdrage hieraan kwam van de sociale fondsen met een afname van € 1,1 mld. De afname van de saldi van de instellingen is opgevangen door meer externe financiering.

Verstrekte leningen

In 2002 is € 1,4 mld. aan leningen verstrekt, waarvan aan RWT's voor € 1,0 mld en aan de baten-lastendiensten voor € 0,4 mrd. Het betreft voornamelijk leningen aan de Rijksgebouwendienst en Railinfrabeheer.

Ontvangsten

Rente baten-lastendiensten

Bij baten-lastendiensten werd over de door hen bij de schatkist afgesloten leningen € 286 mln. aan rente in rekening gebracht, € 60 mln. meer dan geraamd.

Rente RWT's en derden

Van RWT's is in 2002 € 63 mln. aan rente ontvangen, € 40 mln. meer dan geraamd vanwege in 2002 voor € 959 mln. aan RWT's nieuw verstrekte leningen.

Rente FMS-account

In 2002 is het saldo op de FMS-account (Foreign Military Sales-account) met $ 100 mln. afgenomen, waardoor de rentevergoeding over dit saldo € 8 mln. lager uitkwam dan begroot.

Mutaties in rekening-courant en deposito's

Op basis van de Comptabiliteitswet 2001 worden de mutaties in de rekening-courantsaldi van de instellingen, die hun saldi bij de schatkist aanhouden, pro memorie in de ontwerpbegroting opgenomen. De realisatiegegevens worden bij slotwet opgenomen. Het rekening-courantsaldo (inclusief deposito's) van RWT's nam toe met € 28 mln. tot een stand van € 2582 mln. per ultimo 2002.

Aflossingen

In 2002 is door de baten-lastendiensten voor € 225 mln. aan leningen afgelost.

9.2 TOELICHTING BIJ HET NIET-BELEIDSARTIKEL

Art. 3 Nominaal en onvoorzien

In 2002 is loon- en prijsbijstelling verkregen en toegekend aan beide beleidsartikelen. In onderstaande tabel met toelichting wordt deze verdeling weergegeven.

Tabel verdeling loon- en prijsbijstelling niet-beleidsartikel 3 Nominaal en onvoorzien (x € 1000)
Nominaal en OnvoorzienVerplichtingenUitgavenOntvangsten
Loonbijstelling150150 
Verdeeld over de volgende artikelen   
Beleidsartikel 1104104 
Beleidsartikel 24646 
Totaal van de verdeling150150 
Nog niet verdeeld00 
Prijsbijstelling1212 
Verdeeld over de volgende artikelen   
Beleidsartikel 11111 
Beleidsartikel 211 
Totaal van de verdeling1212 
Nog niet verdeeld00 

Toelichting:

Het totaal van de loonbijstelling ad € 150 000 is in 2002 bij de Voorjaarsnota aan IXA toegewezen en in de 2e suppletore aan de beleidsartikelen toegekend.

Het totaal van de prijsbijstelling ad € 12 000 is in 2002 bij de Voorjaarsnota aan IXA toegewezen en in de 2e suppletore aan de beleidsartikelen toegekend.

10. SALDIBALANS

NATIONALE SCHULD (IXA)

Saldibalans per 31-12-2002

DEBET   CREDIT
OMSCHRIJVING31-12-02 OMSCHRIJVING31-12-02
1.Uitgaven t.l.v. de begroting 200242 660 241 665 2.Ontvangsten t.g.v. de begroting 200246 979 954 380
3.Liquide middelen3 236   
4.Rekening-courant RHB GM4 886 588 151   
Rekening-courant RHB Agent7 510 684 620   
5.Uitgaven buiten begrotingsverband2 307 854 122 6.Ontvangsten buiten begrotingsverband10 385 417 414
Sub-totaal57 365 371 794 Sub-totaal57 365 371 794
7.e.c. vorderingen6 572 435 565 7a.Tegenrekening e.c. vorderingen6 572 435 565
9a.Tegenrekening e.c. vaste schuld172 001 405 527 9.e.c. vaste schuld172 001 405 527
Tegenrekening e.c. vlottende schuld20 860 960 370 e.c. vlottende schuld20 860 960 370
Tegenrekening e.c. schuld12 284 399 898 e.c. schuld12 284 399 898
10.Voorschotten900 10a.Tegenrekening voorschotten900
Totaal-generaal269 084 574 054 Totaal-generaal269 084 574 054

10.1 TOELICHTING OP DE SALDIBALANS

Algemene Toelichting

Alle bedragen zijn opgenomen tegen nominale waarden en vermeld in duizenden euro's tenzij anders aangegeven. Relevante posten worden hieronder nader toegelicht. Hierbij is de nummering van de saldibalans aangehouden. Door afronding van bedragen op duizenden euro's, kunnen tellingen niet aansluiten bij de som der delen.

In de saldibalans is de beginbalans van 2002 opgenomen en niet de eindbalans van ultimo 2001, dit komt door de stelselwijziging, deze houdt in dat er in 2002 op transactiebasis wordt geadministreerd in plaats van op kasbasis.

Specifieke toelichting

3. Liquide middelen.

De liquide middelen bestaan uit de saldi op bank- en girorekeningen en bij de kasbeheerders aanwezige kasgelden.

4. Rekening-courant RHB.

Deze post geeft de financiële verhouding met de Rijkshoofdboekhouding weer. Er zijn twee rekening-courant verhoudingen nl. Geïntegreerd Middelen Beheer en het Agentschap.

De bedragen zijn overeenkomstig de opgave van de Rijkshoofdboekhouding per 31 december 2002.

5. Uitgaven buiten begrotingsverband.

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2002Primo 2002
Te realiseren disagio985 393945 683
Vooruitbetaalde rente OHL436432
Ingekochte rente OHL024 361
Te ontvangen renteswaps95 05364 882
Te ontvangen rente call u/g0685
Vooruitbetaalde disconto148 03894 394
Te ontvangen rente vlottend1 028 6930
Te betalen rente RWT's en derden49 77210 304
Te verrekenen met de RHB08 418 347
Te verrekenen rente FMS4690
Totaal2 307 8549 559 088

6. Ontvangsten buiten begrotingsverband.

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2002Primo 2002
Rentefonds409405
Diversen601741
Te realiseren agio2 219 3572 475 900
Te betalen rente OHL77 376115 716
Te betalen rente OPS6 928 1456 980 038
Te betalen renteswaps31 42029 153
Te betalen rente onderpanden1102
Te betalen rente call o/g02 038
Geblokkeerde rente schuldregister1 12711
Te betalen rente vlottend1 021 9460
Te boeken bedragen1780
Ontvangsten in behandeling– 1890
Waarborgkapitalen onderpand swaps58 1020
Te ontvangen RWT's46 83569
Totaal10 385 4179 604 073

7. Extra comptabele vorderingen

Deze post kan als volgt worden gespecificeerd.

 Ultimo 2002Primo 2002
Callgeldleningen u/g202 662173 000
Te ontvangen repotax0161
Periodieke kosten schuldregister02
Verstrekte leningen agentschappen4 922 9664 673 990
Verstrekte leningen RWT's en derden1 446 808487 439
Totaal6 572 4365 334 592

9. Extra comptabele vaste schuld.

 Ultimo 2002Primo 2002
Vaste Schuld172 001 406174 406 738
Totaal172 001 406174 406 738

9. Extra comptabele vlottende schuld.

Vlottende SchuldUltimo 2002Primo 2002
Dutch Treasury Certificates16 130 0005 802 000
Callgeldleningen o/g4 725 0004 798 700
Sell/Buy back transacties5 9600
Totaal20 860 96010 600 700

9. Extra comptabele schuld.

Overige SchuldUltimo 2002Primo 2002
RC Agentschappen239 618477 461
Deposito's Agentschappen19 04912 071
RC RWT's en derden1 511 9342 530 842
Deposito's RWT's en derden1 069 67722 500
RC Sociale Fondsen9 444 12210 536 903
Totaal12 284 40013 579 777

BIJLAGE 1

VERDIEPINGSBIJLAGE

Art.1 Financiering Staatsschuld

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002

Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 1 Financiering StaatsschuldVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)   
1.Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)34 774 27134 774 27119 149 168
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)53 21553 2154 518 556
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)34 827 48634 827 48623 667 724
2.Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)53 21553 2154 518 556
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)3 085 1263 085 1263 607 209
Ontwerp-suppl. begroting (28 703, nr. 1)37 912 61237 912 61227 274 933
3.Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 81)3 085 1263 085 1263 607 209
Mutaties slotwet599 822599 82210 666 216
Ontwerp-slotwet38 512 43438 512 43437 941 149
4.Vast te stellen mutatie slotwet599 822599 82210 666 216
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)38 512 43438 512 43437 941 149

Art. 2 Kasbeheer

Verdiepingsbijlage: budgettaire geschiedenis 2002

Bedragen x € 1000
Beleidsartikel 2 KasbeheerVerplichtingenKasuitgavenKasontvangsten
Ontwerp-begroting 2002 (28 000 IXB, nr. 1)   
1.Vastgestelde begroting (Stb. 2002, 16)1 546 1551 546 155328 000
Mutaties 1e suppletore begroting (Voorjaarsnota)276 693276 693159 696
Ontwerp-suppl. begroting (28 320, nr. 1)1 822 8481 822 848487 696
2.Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, 280)276 693276 693159 696
Mutaties 2e suppletore begroting (Najaarsnota)481 195481 1958 462 435
Ontwerp-suppl. begroting (28 703, nr. 1)2 304 0432 304 0438 950 131
3.Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, 81)481 195481 1958 462 435
Mutaties slotwet1 843 7661 843 76688 675
Ontwerp-slotwet4 147 8094 147 8099 038 806
4.Vast te stellen mutatie slotwet1 843 7661 843 76688 675
Totaal geraamd tevens realisatie 2002 (1+2+3+4)4 147 8094 147 8099 038 806

BIJLAGE 2

BEGRIPPENLIJST

Agio

De premie die wordt betaald boven op de nominale waarde van een obligatie. Als de couponrente van een lening hoger is dan de marktrente, heeft de betreffende lening een agio.

Amortisatie

Aflossing op eerder uitgegeven leningen door middel van inkoop.

Basispunt

Een honderdste deel van een procent (0,01%).

Baten-lastendienst

Een onderdeel van de rijksoverheid waarvoor afwijkende beheersregels gelden gericht op het bevorderen van bedrijfsmatig werken. Belangrijk aspect hierbij is dat het batenlastenstelsel wordt toegepast en de dienst toegang heeft tot een leen- en depositofaciliteit bij de minister van Financiën.

Benchmarklening

Toonaangevende lening die een referentiekader biedt voor een bepaald looptijdsegment.

Buy- en sellbacktransactie

Een buy- en sellbacktransactie is een contante aankoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnverkoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of DTC's). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt uitgezet, waarover een rentevergoeding wordt ontvangen.

Call- en call-fixe leningen

Dagelijks opvraagbare geldmarktlening zonder onderpand met een looptijd van meestal 1 dag (call) tot enkele dagen (call-fixe).

Cashflow-at-risk

Cashflow-at-risk of budgetrisico is een risicomaatstaf die de mogelijke fluctuaties in de rentelasten ten opzichte van de rentelasten van de oorspronkelijke schuldportefeuille weergeeft over een bepaalde periode bij een gegeven waarschijnlijkheid.

Clearing and settlement

Systeem van collectieve afwikkeling van effectentransacties door af/bijschrijving op geld- en effectenrekeningen.

Disagio

De korting die wordt ontvangen op de nominale waarde van een obligatie. Als de couponrente van een lening lager is dan de marktrente, heeft de betreffende lening een disagio.

Disconto

Rente die vooraf wordt betaald.

DTC-marktstelsel

In 2001 is op initiatief van de Nederlandse Staat gestart met een DTC-marktstelsel. Onderdeel van het stelsel is de quotering van DTC's op MTS Amsterdam. In het stelsel nemen zowel Primary Dealers als een aantal geselecteerde banken deel, die zich Single Market Specialists mogen noemen. Naast de verplichting tot het quoteren krijgen deze partijen exclusief toegang tot de elecktronische veilingen DTC's. Ook kunnen de partijen beroep doen op een repofaciliteit voor DTC's.

Duration of Macauley duration

De Macauley duration is een maatstaf voor de looptijd van een schuldportefeuille. Macauley duration of kortweg duration is een gewogen gemiddelde looptijd van de schuldportefeuille met de contante waarde van de betalingen (rente en aflossing) als gewicht (zie ook modified duration).

Dutch State Loans (DSL's)

Engelse benaming voor Nederlandse staatsleningen.

Dutch Treasury Certificates (DTC's)

Schuldbewijzen met een korte looptijd uitgegeven door het Rijk om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. DTC's worden uitgegeven en verhandeld op discontobasis.

Eonia-swap

Een Eonia-swap is een specifieke vorm van een renteswap, waarbij een vaste rente wordt geruild tegen de variabele Eonia rente (European OverNight Index Average). Eonia is de gemiddelde daggeld rente, die dagelijks wordt vastgesteld door de ECB.

EMU-saldo

Het EMU-saldo heeft betrekking op het vorderingensaldo van de overheid op transactiebasis. Het vorderingensaldo geeft de mutatie in het saldo van de financiële activa en passiva van de collectieve sector weer. Omdat het EMU-saldo betrekking heeft op de totale collectieve sector is niet alleen het vorderingensaldo van het Rijk van belang, maar ook de vorderingensaldi van de sociale fondsen en de lokale overheid. Weergave op transactiebasis wil zeggen dat de economische handeling die leidt tot de uitgave of ontvangst (transactie) zoveel mogelijk als meetmoment wordt genomen.

EMU-schuld

Het totaal van de uitstaande leningen ten laste van de gehele collectieve sector. Dit is de optelsom van de uitstaande leningen ten laste van het Rijk, de sociale fondsen en de lokale overheid, minus de onderlinge schuldverhoudingen tussen deze drie subsectoren. De EMU-schuld is een brutoschuldbegrip.

Financieringsbehoefte van het Rijk

De aflossingen op de gevestigde staatsschuld vermeerderd met het feitelijk tekort van het Rijk of verminderd met het feitelijk overschot van het Rijk.

Financieringstekort of -overschot van het Rijk (feitelijk)

Het saldo van de relevante uitgaven en ontvangsten, minus de mutatie in het saldo van de derdenrekening.

Geïntegreerd middelenbeheer

Het bundelen van publieke middelen gericht op een doelmatig kasbeheer. Publieke middelen zijn middelen die verkregen zijn bij of krachtens de wet ingestelde heffing(en).

Gevestigde Schuld

Zie vaste schuld.

Liquiditeit

In een markt met voldoende liquiditeit kunnen grote posten verhandeld worden zonder dat dit een substantieel effect op de prijs (koers) heeft.

Macauley duration

De Macauley duration is een maatstaf voor de looptijd van een portefeuille. De Macauley duration wordt berekend door voor iedere toekomstige (rente- of aflossings)betaling de contante waarde te berekenen, waarna deze contante waardes als gewichten dienen om de resterende looptijden van iedere betaling te wegen.

Modified duration

De modified duration is een maatstaf voor de looptijd en prijsgevoeligheid van een portefeuille. De modified duration is een verhoudingsgetal dat uitdrukt in welke mate de contante waarde van een portefeuille wijzigt bij een verandering van de rentecurve met 1/100 procent. De modified duration is daarmee een maat voor de prijsgevoeligheid van een portefeuille bij een verandering in het rendement (een prijselasticiteit).

MTS Amsterdam

In september 1999 heeft de Staat samen met de Primary Dealers en MTS SpA het handelsplatform MTS Amsterdam opgericht. In korte tijd heeft MTS Amsterdam zich ontwikkeld tot een succesvol platform voor de handel in Nederlandse staatsleningen. De Primary Dealers hebben de verantwoordelijkheid de handel op MTS Amsterdam te stimuleren. Dit gebeurt vooral doordat de Primary Dealers verplicht zijn om gedurende een groot deel van iedere dag bieden laatprijzen te quoteren. Andere partijen kunnen direct op deze quotes handelen. Dankzij het electronische systeem kan een transactie zeer snel worden uitgevoerd, waarbij clearing en settlement automatisch worden voltooid.

Nationale schuld

Gevestigde en vlottende schuld van de Staat zoals die samenhangt met het artikel Financiering staatsschuld en het artikel Kasbeheer in deze begroting.

Primaire markt

De markt voor de uitgifte van effecten. Nederlandse staatsobligaties worden uitgegeven via het stelsel van Primary Dealers.

Primary Dealers

Sinds 1999 maakt de Staat gebruik van een stelsel van Primary Dealers voor de distributie en promotie van Nederlandse staatsleningen. Het stelsel bestaat uit 13 banken. Bij het samenstellen van de groep Primary Dealers wordt veel aandacht besteed aan een goede balans tussen banken die zijn gericht op de lokale, de regionale, en de globale markten. Deze balans is gewenst met het oog op het bereiken van een brede spreiding aan eindbeleggers in Nederlandse staatsobligaties.

Het belangrijkste doel van de samenwerking met de Primary Dealers is om de markt voor Nederlandse staatsleningen liquide te houden. Met alle Primary Dealers is een éénjarig contract aangegaan. De Primary Dealers verplichten zich om DSL's af te nemen, te verspreiden en te promoten. Tot de verplichtingen hoort ook een maandelijkse rapportage over de verrichte activiteiten. Tegenover deze verplichtingen staat het exclusieve recht om DSL's bij het Agentschap af te nemen en gebruik te maken van de repo- en stripfaciliteit. De Primary Dealers ontvangen daarnaast een financiële vergoeding die afhankelijk is van de afgenomen hoeveelheid DSL's bij emissies.

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak (RWT)

Een zelfstandige organisatie die in een wet geregelde taak uitvoert met behulp van publiek geld, welk geld is verkregen bij of krachtens de wet ingestelde heffing.

Rekening-courant

Een rekening waarover in de regel giraal betalingsverkeer wordt afgewikkeld en waaruit (een deel van) de onderlinge financiële verhouding is op te maken tussen de houder van de rekening en de instelling alwaar de rekening wordt aangehouden.

Rekenrente

Boekhoudkundig veronderstelde rente in begroting en meerjarencijfers.

Renteswap

Een renteswap is een contract tussen twee partijen waarin wordt overeengekomen om gedurende de looptijd een vaste rente te ruilen tegen een variabele rente (meestal 6 of 3 maanden).

Repofaciliteit

Een instrument om de liquiditeit van staatsleningen en DTC's te garanderen. Onder bepaalde condities kunnen Primary Dealers (en in het geval van DTC's ook Single Market Specialists) in geval van schaarste staatsleningen of DTC's lenen van de Staat tegen een vergoeding.

Schatkistsaldo

Saldo op de rekening van het Rijk bij De Nederlandsche Bank.

Secundaire markt

De markt voor bestaande effecten. De handel in Nederlandse staatsobligaties vindt grotendeels plaats via MTS Amsterdam.

Sell- en buybacktransactie

Een sell- en buybacktransactie is een contante verkoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnaankoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of DTC's). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt opgenomen, waarover een rentevergoeding wordt betaald.

Single Market Specialists

Een aantal geselecteerde banken die naast de Primary Dealers deelnemen aan het DTC-marktstelsel.

Spread

Positief of negatief renteverschil, bijvoorbeeld tussen leningen met een verschillende looptijd of tussen leningen van verschillende landen.

Staatsschuld

Het totaal van de uitstaande geldelijke leningen van de Staat (gevestigde en vlottende schuld) is de bruto staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd van twee jaar of langer vormen de gevestigde staatsschuld. Leningen met een oorspronkelijke looptijd korter dan twee jaar vormen de vlottende staatsschuld. De staatsschuld is niet gelijk aan de EMU schuld, die een breder begrip meet. EMU schuld bestaat uit de staatsschuld vermeerdert met de vlottende schuld alsook vermeerdert met de schuld van mede overheden.

Swapcurve

De swapcurve geeft de relatie weer tussen de looptijd van een swapcontract en de swaprente. Bij iedere looptijd geeft de swapcurve de vaste rente aan waartegen de markt op dat moment bereid is een variabele rente te ruilen (meestal de 6-maandsrente).

Tender

Inschrijving op een openbare lening door opgaven van bedragen en maximum koersen waartegen men de obligaties wenst te verkrijgen.

Toonbankuitgifte

Uitgiftesysteem van openbare staatsleningen waarbij de inschrijving gedurende een langere periode openstaat. Gedurende deze periode kan de uitgiftekoers worden aangepast. Dit biedt de mogelijkheid om flexibel in te spelen op zich wijzigende marktomstandigheden.

Vaste of gevestigde schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar.

Vlottende schuld

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van één jaar of minder.

Yieldcurve

De yieldcurve (of rentecurve) is de relatie tussen de resterende looptijd van staatsleningen en de bijbehorende rendementen.


XNoot
1

Dit resultaat bevat eveneens het resultaat van de Eonia swaps die worden afgesloten in het kader van de Eonia geldmarktbenchmark. Een toelichting op de Eonia geldmarktbenchmark wordt gegeven bij operationele doelstelling 3, lenen en uitlenen van korte gelden.

XNoot
1

De modified duration is een maatstaf voor de looptijd van de schuld. De modified duration wordt door financiële partijen vaak gebruikt als kengetal in hun risicomanagement. Alternatieve maatstaven voor de looptijd van vorderingen of bezittingen die naast of in plaats van modified duration worden gebruikt zijn: gewogen gemiddelde resterende looptijd van de hoofdsommen, gewogen gemiddelde resterende looptijd van hoofdsom en rentebetaling, Macauley duration. De reden voor het gebruik van meerdere maatstaven ligt in het feit dat de ene dan wel de andere maatstaf geschikter is afhankelijk van wat precies moet worden gemeten. Voor de Nederlandse Staatsschuld is het risicobedrag de belangrijkste maatstaf voor renterisico, daarnaast worden de modified duration en de gewogen gemiddelde looptijd van de hoofdsom bijgehouden en als kengetallen gebruikt. De (modified) duration en gemiddelde resterende looptijd zijn gelijksoortige maatstaven, maar er zijn twee verschillen. Ten eerste neemt de (modified) duration alle kastromen uit hoofde van de lening mee, dus hoofdsom en rentebetaling. Daarnaast houdt de (modified) duration rekening met de tijdswaarde van geld.

XNoot
1

Zie Kamerstukken II, 2001/02, 28 600 IXA, nr. 5.

Naar boven