28 880
Jaarverslagen over het jaar 2002

nr. 16
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN (VIII)

Aangeboden 21 mei 2003

Ontvangsten 2002 naar artikel

kst-28880-16-1.gif

Uitgaven 2002 naar artikel

kst-28880-16-2.gif

INHOUDSOPGAVE

A.ALGEMEEN 
 Voorwoord6
 Dechargeverlening7
 Leeswijzer10
   
B.HET BELEIDSVERSLAG 
 Beleidsprioriteiten12
 De beleidsartikelen23
1.Basisonderwijs23
2.Expertisecentra23
3.Voortgezet onderwijs53
4.Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie80
 Overzichtsconstructie beroepkolom100
5.Technocentra105
6.Hoger beroepsonderwijs108
7.Wetenschappelijk onderwijs121
8.Internationaal onderwijsbeleid139
 Overzichtsconstructie internationaal beleid140
9.Onderwijspersoneel155
 Overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid160
10.Informatie- en communicatietechnologie (ict)193
 Overzichtsconstructie ict194
11.Studiefinanciering211
12.Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten219
13.Lesgelden226
14.Cultuur228
15.Media249
16.Onderzoek en wetenschappen259
 De niet-beleidsartikelen282
 Bedrijfsvoeringparagraaf288
   
C.JAARREKENING 
 Verantwoordingsstaat van het ministerie van OCenW300
 Verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten301
 Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaat OCenW302
 Financiële toelichting bij de verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten322
   
BIJLAGEN
1.Verdiepingsbijlage351
2.Saldibalans363
3.Afkortingen372
4.Trefwoorden379
5.Begrippen383

VOORWOORD

«Jaarverslag in de politieke arena» heette de nota waarmee de aanzet werd gegeven tot de operatie Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording of kortweg vbtb. Inmiddels is het 2003 en is voor de eerste keer een beleidsverantwoording opgesteld conform de uitgangspunten van vbtb. De door mijn voorganger ingediende begroting 2002, waar deze verantwoording betrekking op heeft, was immers de eerste begroting die op basis van de uitgangspunten van vbtb is opgesteld. De nadruk in dit jaarverslag ligt dan ook op de beleidsresultaten die in het afgelopen jaar zijn geboekt. Daarmee is een duidelijk verschil met de vroegere financiële verantwoording gemarkeerd. Bij het lezen van dit jaarverslag moet de lezer wel bedenken dat de begroting 2002 nog niet op alle fronten voldeed aan de vereisten van vbtb. Zo waren het concretiseren van doelstellingen en het formuleren van streefwaarden nog voor verbetering vatbaar. De begroting was niet vbtb-proof. Hoewel dat vanzelfsprekend zijn invloed heeft op dit jaarverslag, is het mogelijke gedaan om de Kamer in dit jaarverslag, dat dus ook niet vbtb-proof is, inzicht te bieden in wat er het afgelopen jaar is bereikt.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

M. J. A. van der Hoeven

DECHARGEVERLENING

Verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen decharge te verlenen over het in het jaar 2002 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in de jaarverslagen;

d. de departementale saldibalansen;

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. Het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden.

b. De slotwet van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over het jaar 2002; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2002 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van 's Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2002 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2002 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2002 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 84, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001). Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

Ten behoeve van het politieke oordeel dat door middel van een besluit tot dechargeverlening wordt uitgesproken, is het van belang mee te wegen dat de ondergetekende vanaf 22 juli 2002 de zorg voor het financieel beheer van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op zich heeft genomen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

M. J. A. van der Hoeven

mede namens

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

A. D. S. M. Nijs, MBA

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

C. H. J. van Leeuwen

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van ........ (datum).

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Tweede Kamer, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van .......(datum).

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Naam:

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen aantekening door de voorzitter van de Eerste Kamer, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

LEESWIJZER

Het departementaal jaarverslag 2002 bestaat uit de volgende onderdelen:

A. Een algemeen deel

B. Het beleidsverslag

C. De jaarrekening

D. Bijlagen

A. Het algemeen deel bevat het voorwoord, de dechargeverlening en deze leeswijzer.

B. Het beleidsverslag kent de volgende elementen:

1. Terugblik beleidsprioriteiten

2. De beleidsartikelen

3. De niet-beleidsartikelen

4. Overzichtsconstructies

5. Bedrijfsvoeringparagraaf

1. Terugblik beleidsprioriteiten

In dit onderdeel worden de resultaten belicht van de beleidsprioriteiten die voor het jaar 2002 waren gesteld. Het betreft zowel de prioriteiten uit de begroting als uit de suppletore begrotingswetten.

2. De beleidsartikelen

De begroting 2002 is vanzelfsprekend leidraad geweest voor het opstellen van het departementaal jaarverslag: op de onderwerpen die daar aan de orde zijn gekomen wordt in dit jaarverslag teruggeblikt. Bij de presentatie van de beleidsartikelen is er naar gestreefd een zo transparant en logisch mogelijk geheel te maken en om onnodige doublures te voorkomen. Hierdoor zijn er hier en daar wat afwijkingen ten opzichte van de begroting 2002, waar transparantie en logische opbouw aandachtspunten waren.

De belangrijkste afwijking ten opzichte van de begroting is het hanteren van kopjes, wat de leesbaarheid van het jaarverslag in vergelijking met de begroting sterk vergroot. Deze kopjes luiden:

• Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

• Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

• Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Door het hanteren van deze kopjes is het de lezer in één oogopslag duidelijk wat het doel was van het beleid, welke middelen daartoe zijn ingezet, en wat het kostenplaatje was.

Ten tweede zijn breed spelende aspecten als beroepskolom, internationaal beleid onderwijspersoneelsbeleid en ict in principe opgenomen in de overzichtsconstructies over die thema's. De toelichting op het beleid van de beleidsartikelen internationaal beleid en ict is geïntegreerd in de overzichtsconstructies over die thema's.

Waar relevant is onder het kopje «Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen» een overzicht gegeven van de informatie die de Kamer in 2002 over het betreffende onderwerp heeft ontvangen.

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid is aangesloten bij de opstelling van de tabel budgettaire gevolgen van beleid in de begroting 2002. Destijds is in overleg met het ministerie van Financiën op enkele plekken afgeweken van de rijksbegrotingvoorschriften. Die afwijking komt hier derhalve terug. Overigens is de tabel budgettaire gevolgen van beleid overal op dezelfde plek opgenomen in de beleidsartikelen, namelijk voor het onderdeel terugblik groeiparagraaf 2002, aan het einde van het onderdeel. In de begroting 2002 was deze tabel nog niet op een unieke plaats gepresenteerd.

Tot slot wordt teruggeblikt op de groeiparagrafen die in de begroting 2002 waren opgenomen.

Tegelijkertijd met dit departementaal jaarverslag wordt Kerncijfers 1998–2002 gepubliceerd, waarin veel achtergrondinformatie is opgenomen over Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

3. De niet-beleidsartikelen

In de begroting 2002 waren de apparaatuitgaven nog niet toegerekend aan de beleidsartikelen. In dit jaarverslag is dat vanzelfsprekend ook niet gedaan. In de begroting 2003 is aangekondigd dat de apparaatuitgaven vanaf de begroting 2004 op de beleidsartikelen worden verantwoord.

4. Overzichtsconstructies

Net als in de begroting 2002 zijn de volgende overzichtsconstructies opgenomen:

• Beroepskolom

• Internationaal beleid

• Onderwijspersoneel

• ICT

Om doublures in de tekst te voorkomen wordt op de beleidsartikelen vaak verwezen naar de overzichtsconstructies voor een toelichting op bepaalde aspecten. Dit leidt er toe dat toelichtingen in dit jaarverslag niet altijd op dezelfde plek staan als in de begroting 2002. Zie voor een nadere toelichting hierboven onder 2 De beleidsartikelen. De overzichtsconstructies zijn opgenomen na de beleidsartikelen waaraan ze gerelateerd zijn (dus beroepskolom na bve, overzichtsconstructie internationaal beleid na het beleidsartikel internationaal beleid enzovoort).

5. Bedrijfsvoeringparagraaf

In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt ingegaan op een aantal aspecten met betrekking tot de bedrijfsvoering. De paragraaf bevat tevens de mededeling bedrijfsvoering en gaat in op het aspect toezichtrelaties. Ook wordt ingegaan op de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer

C. De jaarrekening bevat de verantwoordingsstaten en een toelichting op de verantwoordingsstaten per beleidsartikel. Voor de tabellen budgettaire gevolgen van beleid geldt wat is opgemerkt bij de beleidsartikelen in het beleidsverslag.

D. De volgende bijlagen zijn opgenomen:

• Verdiepingsbijlage

• Saldibalans

• Afkortingen

• Trefwoorden

• Begrippen

Conform de Rijksbegrotingvoorschriften wordt een overzicht van moties en toezeggingen als bijlage opgenomen in de begroting 2004. Een dergelijk overzicht is ook opgenomen in de begroting 2003.

BELEIDSPRIORITEITEN 2002

1. Inleiding/sturingsfilosofie

In de beleidsagenda 2002 is een sturingsfilosofie uitgezet die uitgaat van meer ruimte en autonomie voor de instellingen, waarbij zij achteraf rekenschap dienen af te leggen over de behaalde resultaten. Ruimte voor leerlingen en studenten, om de leerwegen te kiezen die het beste aansluiten bij hun capaciteiten. Ruimte voor onderzoekers om de interactie met de maatschappelijke omgeving te versterken. Ruimte voor cultuurinstellingen om het culturele ondernemerschap te versterken. Die ruimte is geen doel op zich, die ruimte is nodig om de kwaliteit van onderwijs, onderzoek en cultuur te verbeteren.

Bij het vergroten van de ruimte voor instellingen om eigen beleid te voeren, hoort dat deze verantwoording afleggen over de wijze waarop zij dit beleid invullen. Het gaat daarbij zowel om het afleggen van verantwoording aan de overheid als aan leerlingen, studenten, ouders, bedrijven en andere bij scholen en instellingen betrokken partijen. Het is daarom van belang dat de overheid het speelveld waarin de instellingen opereren zodanig ordent, dat er sprake is van evenwichtige verhoudingen. Transparantie over de resultaten en over de wijze waarop deze bereikt worden, vormt hiervoor een belangrijke voorwaarde. Ordening van het speelveld betekent voor de overheid dus ook het garanderen van transparantie door de kwaliteit(en) van instellingen in beeld te brengen.

Het accent is in 2002 verder verschoven van een regelende overheid naar een overheid die kwaliteitseisen op hoofdlijnen formuleert en actualiseert, die faciliteert en verantwoordelijk is voor een stelsel waarin leerlingen, studenten en ouders, de professionals, management en bestuur, en de Inspectie voor het Onderwijs goed in positie zijn gebracht. Het gaat niet alleen om minder overheid, maar ook om een andere overheid. De overheid blijft eindverantwoordelijk voor een stelsel waarin kwaliteit, variëteit en toegankelijkheid worden gewaarborgd.

2. Koers: kwaliteit, variëteit en toegankelijkheid

In de beleidsagenda is de koers van het beleid op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschappen uiteengezet. Drie kernbegrippen spelen hier een rol, te weten kwaliteit, variëteit en toegankelijkheid. Kwaliteit, omdat de ontwikkeling van de samenleving gebaat is bij goed onderwijs, goed onderzoek en goede culturele voorzieningen. Variëteit, omdat geen mens hetzelfde is en behoeften dus sterk uiteenlopen. Toegankelijkheid, omdat onderwijs er voor iedereen moet zijn, onderzoek in contact moet staan met de omgeving en omdat een brede cultuurparticipatie de sociale cohesie versterkt. Hieronder wordt weergegeven hoe deze koers in 2002 – concreet – vorm heeft gekregen.

2.1 Kwaliteit

Kwaliteit in het onderwijs betekent dat iedereen in staat moet zijn het maximale uit zichzelf te halen. Goed onderwijs heeft niet alleen betrekking op basiskennis, maar ook op sociale vaardigheden en competenties. Bovendien biedt goed onderwijs een basis voor een leven lang leren. Ook in het onderzoek staat kwaliteit voorop. Goed onderzoek draagt bij aan toekomstige innovaties, die van groot maatschappelijk en economisch belang kunnen zijn. Hoewel over smaak niet valt te twisten, is de overheid ook in de cultuursector verantwoordelijk voor een kwalitatief hoogwaardig aanbod.

Onlosmakelijk verbonden met goede kwaliteit is een sterke maatschappelijke verantwoording over behaalde resultaten. In april 2002 heeft de taskforce Rekenschap een rapport opgesteld waarin verbetermaatregelen zijn geformuleerd om de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitgaven te verbeteren. In het verlengde hiervan zijn tevens maatregelen geformuleerd voor accountability, toezicht en controle.

In het systeem van kwaliteitsborging en kwaliteitstoezicht vormt de Inspectie van het Onderwijs het sluitstuk. De versterking van de onafhankelijke rol van de inspectie bij het kwaliteitstoezicht is neergelegd in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT), die door de Eerste Kamer in juni 2002 is aanvaard. De WOT maakt het mogelijk voor de inspectie om in professionele onafhankelijkheid te opereren en geeft vorm aan stimulerend toezicht door de inspectie. Daarbij sluit de inspectie aan op de eigen kwaliteitszorg van de instellingen. Op haar advies kan de minister de kwaliteitsverbeteringen die instellingen zelf inzetten ondersteunen. De inspectie zal ouders en leerlingen een brede kijk bieden op de kwaliteit van het onderwijs door publicatie van de rapporten op haar internetsite.

Een goed en professioneel lerarenbestand is een essentiële waarborg voor de kwaliteit van het onderwijs. Vandaar dat er in 2002 structureel € 556 miljoen is uitgetrokken voor – modernisering van – de arbeidsvoorwaarden van leraren. Onder andere zijn de carrièrelijnen van leraren ingekort van 21 naar 18 jaar. Een andere belangrijke stap in het bestrijden van het lerarentekort is de (interim)wet zij-instromers. Vanaf 2000 maakt deze wet het mogelijk voor instellingen in het primair en voortgezet onderwijs om leraren te werven via een andere route dan de reguliere lerarenopleiding. Ook in 2002 is geprobeerd zoveel mogelijk zij-instromers aan te trekken.

Tevens draagt het bestrijden van het ziekteverzuim in het onderwijs bij aan een vermindering van de lesuitval en dientengevolge een verbetering van de kwaliteit. Het ziekteverzuim zowel in het basisonderwijs als in het speciaal- en voortgezet onderwijs daalt.

Daarnaast is in 2002 ook de laatste tranche uit het regeerakkoord 1998 ten behoeve van de klassenverkleining in het primair onderwijs tot besteding gekomen. Hierdoor is niet alleen de gemiddelde onderbouw gedaald. Tevens hebben veel scholen ervoor gekozen om de beschikbare middelen te besteden aan «meer handen in de klas». Hierdoor kan er meer aandacht aan de leerlingen worden besteed en wordt de werkdruk van de leraren verlicht.

Goede materiële voorzieningen zijn belangrijke randvoorwaarden voor onderwijskwaliteit. In 2002 zijn hiervoor extra middelen beschikbaar gesteld voor inventaris, leermiddelen en ict in het basis- en voortgezet onderwijs. Zo is inmiddels gemiddeld bij deze instellingen per 10 leerlingen 1 computer beschikbaar.

Ter verbetering van de kwaliteit van het beroepsonderwijs is € 136 miljoen uitgetrokken. De inzet van deze middelen sluiten aan bij het hoofddoel, namelijk het realiseren van aantrekkelijk beroepsonderwijs, zowel voor wat betreft de kwaliteit van de onderwijssectoren afzonderlijk als de kwaliteit van de verschillende aansluitingsmomenten binnen de beroepskolom. Immers door het aantrekkelijker maken van het beroepsonderwijs worden leerlingen gemotiveerd om langer door te leren. Dit kan bijdragen aan meer kwalificatiewinst: meer gekwalificeerden op alle niveaus (vanaf startkwalificatie tot en met hbo), doordat uitval daalt en de doorstroom stijgt.

Om de kwaliteit van de opleidingen die door de diverse bekostigde en aangewezen instellingen worden aangeboden openbaar en onderling vergelijkbaar te maken is de Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO) opgericht. De wetgeving in verband met de invoering van de accreditatie in het hoger onderwijs per 1 augustus 2002 afgerond en de NAO is per deze datum tot stand gekomen. Volgens het in de wetgeving vastgelegde tijdpad wordt het stelsel van accreditatie geleidelijk ingevoerd. Dit betekent dat de NAO begin 2003 volledig operationeel is.

Daarnaast is de invoering van de bachelor-master structuur in het hoger onderwijs gestimuleerd om beter in te kunnen spelen op (internationale) ontwikkelingen. Het proces was erop gericht dat per ultimo september 2005 bij alle universiteiten de opleidingen volgens de bachelor-master structuur zouden zijn opgezet. Uit gegevens van de VSNU blijkt dat circa 92% van de universitaire opleidingen reeds per september 2002 is omgezet.

Uiteraard speelt ook kwaliteit bij het onderzoeksterrein een grote rol. Het tekort aan onderzoekers kan deze kwaliteit in gevaar brengen. Vandaar dat in de begroting 2002 structureel € 11 miljoen is toegevoegd aan de vernieuwingsimpuls om voldoende jonge onderzoekers aan te trekken. Daarnaast is overheidsbreed € 189 miljoen ter beschikking gesteld voor de periode van 2001 tot 2006 ter stimulering van het genomics-onderzoek, waarmee het Nederlandse onderzoek binnen vijf jaar bij de top kan horen. In 2002 is goede voortgang geboekt met het verder ontwikkelen van het strategische en organisatorische kader voor deze lange termijn gerichte onderzoeksstimulering.

In de cultuursector heeft het kabinet geld vrijgemaakt voor de voorbereidende kosten van de uitvoering van het verdrag van Malta om ons archeologisch erfgoed zo goed mogelijk te conserveren. Ook is geïnvesteerd in de arbeidsvoorwaarden van de kunstensector.

2.2 Variëteit

De tijd van uniformiteit in onderwijs, cultuur en wetenschap is voorbij. Mensen verschillen en hebben derhalve verschillende wensen en behoeften. Meer nadruk op de vraag beoogt het tot stand brengen van variëteit, diversiteit en flexibiliteit. Dit betekent dat de overheid meer verantwoordelijkheid en ruimte geeft, zodat instellingen worden geprikkeld tot vernieuwingen en maatwerk en de vragende partij meer te kiezen heeft. Kortom onderwijs op maat.

De behoefte aan meer variëteit in het onderwijs stelt nieuwe eisen aan de curricula. Het afgelopen decennium heeft de overheid veel nieuwe eisen en doelen toegevoegd aan de curricula voor het primair en voortgezet onderwijs. Dit heeft geleid tot een lesprogramma dat in de praktijk om een nadere prioritering door scholen vraagt.

Het inzetten van ict is een manier om meer variëteit/maatwerk in het onderwijs te bewerkstelligen, hetgeen een positieve invloed heeft op de motivatie van leerlingen en leraren. Kennisnet en de Stichting ict op school spelen hierin een belangrijke rol, omdat deze stichtingen de scholen daadwerkelijk ondersteunen bij het gebruik van ict.

Geleidelijk aan is het accent verschoven van projecten gericht op brede introductie van ict in het onderwijs naar activiteiten gericht op de verankering hiervan: van «leren ict te gebruiken» naar «ict gebruiken om te leren».

Op het terrein van het leraren- en arbeidsvoorwaardenbeleid zijn belangrijke stappen gezet om te komen tot meer differentiatie. Dit heeft zich onder andere geuit in functiedifferentiatie, meer onderwijsassistenten en de – gedeeltelijke – decentralisering van schoolbudgetten voor arbeidsvoorwaarden. Laatstgenoemde heeft de scholen in staat gesteld om middelen in de arbeidsvoorwaardensfeer naar eigen inzichten te besteden en hierdoor beter in te spelen op de knelpunten die er op dit terrein lokaal spelen. Zo kan de ene school kiezen om docenten een extra beloning toe te kennen, terwijl de andere school deze middelen aanwendt voor scholing van zijn of haar docenten.

Maatwerk is ook de beste aanpak voor het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. In 2000 is de aanpak van onderwijsachterstanden geïntensiveerd en is het actieplan «Onderwijskansen» opgesteld. Hierbij zijn met 36 grote gemeente convenanten afgesloten. In deze gemeenten zullen de onderwijskansen van achterstandsleerlingen effectief worden vergroot. Hoewel harde monitorgegevens nog ontbreken zijn er wel sterke aanwijzingen uit onderzoeksresultaten dat het tot heden gevoerde beleid resultaten afwerpt. De Minderhedenrapportage 2001 (SCP) wijst op het inlopen van achterstanden van allochtone leerlingen van 30% tussen 1987 en 2001.

Ter voorbereiding op de lumpsumfinanciering voortgezet onderwijs in het schooljaar 2005 is in 2002 een pilotproject ingericht. Aan deze pilot doen grote en kleinere schoolbesturen uit heel Nederland mee. De Tweede Kamer heeft bij de afgelopen begrotingsbehandeling aangedrongen op zo'n brede opzet van de pilot. De resultaten van de pilot worden gebruikt ter ondersteuning van de landelijke introductie van de lumpsumfinanciering.

Op het terrein van onderzoek en cultuur is door het verminderen van regels en voorschriften, meer autonomie en handelingsvrijheid voor instellingen gecreëerd en invulling gegeven aan vernieuwing en maatwerk.

Op het terrein van cultuur komt variëteit tot uitdrukking in het bevorderen van de deelname van nieuwe doelgroepen aan het aanbod en in de vraag. Er is meer ruimte gemaakt voor multiculturele initiatieven en kunstenaars met een niet-Nederlandse achtergrond.

Zo is het erfgoed van minderheden toegankelijker gemaakt door projecten op het terrein van de islam, slavernijverleden en migratiegeschiedenis. Door middel van de landelijke 2%-stimuleringsmaatregel is ook bij gevestigde culturele instellingen meer aandacht gevraagd voor andere bevolkingsgroepen, ander cultureel aanbod en aanbod op bijzondere plekken. Daarnaast hebben de landelijk gesubsidieerde culturele instellingen, fondsen en adviesorganen de taak om de toetreding van culturele minderheden te bevorderen tot hun besturen of adviescommissies.

2.3 Toegankelijkheid

Toegankelijkheid betekent dat goed onderwijs er moet zijn voor iedereen. Het houdt ook in dat elke leerling vanaf de startsituatie met succes het basisonderwijs kan doorlopen. Vroegen voorschoolse educatie (vve) en de onderwijskansenaanpak kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Met ingang van 1 augustus 2002 zijn de budgetten voor onderwijskansen, vve en gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa) gebundeld. Hiermee wordt beoogd dat op lokaal niveau gemeenten en schoolbesturen gezamenlijk zorgen voor een lokaal onderwijs(achterstanden)beleid.

Waarborgen van de toegankelijkheid beperkt zich niet tot het begin van het onderwijs maar strekt zich ook uit over latere stadia van leerwegen. De Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) dragen er aan bij, dat er geen financiële drempel bestaat voor het volgen van onderwijs. In 2001/2002 zijn in de WTOS inkomensgroepen uitgebreid die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Ook de normvergoedingen zijn aanzienlijk verhoogd ten opzichte van het schooljaar 2000–2001. De tegemoetkoming lerarenopleidingen (ook onderdeel van de WTOS) is aanzienlijk verruimd. De WTOS draagt op deze manier ook bij aan het oplossen van het lerarentekort. Ruim 7 800 studenten en zij-instromers hebben hiervan in 2002 gebruik gemaakt.

Om te waarborgen dat er in de toekomst voldoende artsen zijn, moeten meer studenten in staat te worden gesteld om een zorgopleiding te volgen. In 2002 is de numerus fixus daarom opnieuw verhoogd.

Op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek is de toegankelijkheid ook een belangrijk begrip, maar met een andere betekenis. In het onderzoek gaat het om het ontwikkelen en laten doorstromen van kennis van en naar publieke kennisinstellingen, naar maatschappelijke partijen en het bedrijfsleven en naar het brede publiek. Er is op dit punt in 2002 het nodige gebeurd. Te denken valt aan de start van 5 innovatieve clusters op het gebied van genomics, de publiek-private samenwerking in de FES-projecten die verder vorm heeft gekregen, de verbeteringen van de elektronische toerusting van het onderzoeksbestel.

Toegankelijkheid van cultuurvoorzieningen en brede cultuurparticipatie versterken de sociale samenhang. Het voucherplan dat sinds 2001 in werking is, beoogt scholieren kennis te laten maken met kunst- en cultuuruitingen in al hun verscheidenheid. In het schooljaar 2000–2001 hebben zo'n 120 000 scholieren, van vmbo tot vwo hiervan gebruik gemaakt. Medio 2003 worden de resultaten over het schooljaar 2001–2002 bekend.

3. Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2002

Tabel 1: Budgettaire gevolgen beleidsprioriteiten 2002 (x € 1 000)
 Artikel-nummerOntwerp-begroting 2002Nadere mutatiesRealisatie 2002
Beleidsmatige prioriteiten begroting 2002    
Arbeidsmarkt1, 2, 3, 4, 6, 7, 14, 16555 8805 351561 231
Zorg/diversiteit deelnemers po en vo1, 2, 379 412 70 511
Materieel po en vo1, 2, 390 757 90 704
Impuls beroepsonderwijs3, 4, 6136 134– 635134 621
Kennis, onderzoek en innovatie1656 725 57 906
Cultuur1435 849 36 043
Diversen4, 6, 7, 17, 18, 19, 2141 749 43 549
Fiscale maatregelen 88 487 88 487
     
1e suppletore begroting 2002    
Versterken materiële bekostiging door het afschaffen van de rentekorting1, 2, 3 24 00024 000

Deze tabel wordt verder toegelicht in paragraaf 3.1.

Tabel 2: Amendementen op de begroting 2002 (x € 1 000)
 Artikel-nummerAmendementen begroting 2002
Aanpassen van de opleidingen tandheelkunde (28 000 VIII, nr. 40)750
Uitbreiden ondersteuning aan de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs om de positie van de deelnemer beroepsonderwijs te versterken (28 000 VII nr. 41)4534
Verbeteren kwaliteit van het muziekonderwijs in het basis- en speciaal onderwijs door het starten met een opleiding vakleerkracht muziek voor basisscholen (28 000 VIII, nr. 43)6450
Het in stand houden van het Steunpunt Onderwijs aan Schipperskinderen van het BSOS (28 000 VIII, nr. 45)157
Voortzetten project Wadden on Line (28 000 VIII, nr. 46)1091
Aanstellen onderwijsconsulenten voor persoonlijke ondersteuning voor leerlingen die door hun gedrag en/of handicap in het reguliere onderwijs-syteem moeilijk kunnen worden geplaatst (28 000 VIII, nr. 47)1900
Het structureel ongedaan maken van de korting op de rijksbijdrage aan de Open Universiteit (28 000 VIII, nr. 50)74 500
Opstellen van een regeling om de deskundigheid van overblijfkrachten te vergroten (28 000 VIII, nr. 84)11 000
Rijksbijdrage voor schoolinternaten (28 000 VIII nr. 85)31 125
Het ongedaan maken van de verlaging van de algemene omroepreserve (28 000 VIII nr. 88)1532 000

Deze tabel wordt verder toegelicht in paragraaf 3.2.

3.1 Beleidsmatige prioriteiten

Arbeidsmarkt

Adequaat onderwijs is gebaat bij een goed professioneel lerarenbestand en op de middellange en lange termijn moet er voldoende personeel zijn. Vandaar dat er in 2002 structureel € 556 miljoen extra is uitgetrokken voor de – modernisering van de arbeidsvoorwaarden van leraren. Niet alleen zijn hiermee de carrièrelijnen van leraren ingekort van 21 jaar aan 18 jaar, ook heeft de verlenging van de cao geresulteerd in een marktconforme loonontwikkeling voor leraren in het primair en voortgezet onderwijs alsmede de bve-sector. Hiernaast zijn de schoolbudgetten aanzienlijk verhoogd. Onder andere kunnen scholen en instellingen met deze vrij besteedbare middelen zij-instromers of onderwijsassistenten aantrekken, ouderschapsverlof betalen of beloningsdifferentiatie mogelijk maken.

De eerste gegevens over 2002 laten zien dat deze gelden hun doel niet voorbijschieten. Zo zijn in het po, vo en bve 1 340 zij-instromers aan het werk gegaan. Dit zijn er 340 meer dan geraamd. Het aantal onderwijsassistenten in het primair onderwijs is gestegen van 750 personen in 1998 naar bijna 4 000 in 2002. Verdere concrete gegevens over de inzet van de schoolbudgetten in 2002 komen naar verwachting in juni 2003 beschikbaar.

Zorg/diversiteit deelnemers po en vo

Om ervoor te zorgen dat kinderen een goede eerste stap in het onderwijs kunnen zetten, is aandacht voor de verschillen in deelnemers onontbeerlijk. Daarom is in 2002 € 79 miljoen extra geïnvesteerd in de bestrijding van onderwijsachterstanden. Vroeg en voorschoolse educatie (vve) en de onderwijskansenaanpak kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Inmiddels zijn 315 gemeenten gestart met de daadwerkelijke aanpak van vve-programma's. Het onderwijskansenbeleid dat zich richt op scholen met veel achterstandsleerlingen kent inmiddels een landelijk dekking; dat wil zeggen dat met alle 357 betrokken gemeenten afspraken zijn gemaakt over kwaliteitsverbetering van het onderwijs. Met ingang van 1 augustus 2002 zijn de budgetten voor onderwijskansen, vroeg- en voorschoolse educatie en gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid gebundeld. Hiermee wordt beoogd dat op lokaal niveau gemeenten en schoolbesturen gezamenlijk zorgen voor een lokaal onderwijs(achterstanden)beleid. In de eerste helft van 2003 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de kwaliteit van de plannen in het kader van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.

In het voortgezet onderwijs is binnen het kader van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid gewerkt aan onderwijskansenbeleid door middel van het uitvoeren van schoolontwikkelingsplannen. Op alle scholen met meer dan 40% cumi-leerlingen is in 2002 taalbeleid geformuleerd. Voor de zomer 2003 wordt de Tweede Kamer over de resultaten geïnformeerd.

Materieel po en vo

Goede materiële voorzieningen zijn belangrijke randvoorwaarden voor onderwijskwaliteit. In 2002 is hiervoor € 91 miljoen extra toegevoegd aan de lumpsumbedragen voor materiële instandhouding in het primair en voortgezet onderwijs. Het percentage scholen in het basisonderwijs met een leerstofaanbod dat dekkend is voor de kerndoelen is in 2002 toegenomen tot 81%. Ten aanzien van de schoonmaakkwaliteit kan worden gemeld dat de algehele schoonmaakkwaliteit verbeterd is ten opzichte van 1999.

In het voortgezet onderwijs is met ingang van het schooljaar 2001/2002 de exploitatiekostenvergoeding als volgt structureel verhoogd: € 10,4 miljoen voor administratie, beheer en bestuur en € 15 miljoen voor het verkorten van de afschrijvingstermijn van inventaris in het vo. Overigens hebben scholen bestedingsvrijheid bij de aanwending van de middelen, waardoor eigen accenten kunnen worden gelegd, afhankelijk van de specifieke situatie op schoolniveau.

De vergoeding voor administratie, beheer en bestuur is verhoogd zodat scholen beter kunnen inspelen op hun toegenomen zelfstandigheid en veranderende rol.

Met de verhoging van de vergoeding voor inventaris is een stap gezet bij het terugbrengen van de (lange) afschrijvingstermijn, waarop in de loop der jaren een achterstand is ontstaan.

Impuls beroepsonderwijs

Uiteindelijk doel van deze impuls is het versterken van het beroepsonderwijs, het vergroten van de doorstroom binnen de beroepskolom en verbeterde aansluiting op de arbeidsmarkt. In 2002 is hiertoe € 136 miljoen geïnvesteerd in de beroepskolom (vmbo-mbo-hbo). Er is onder meer geïnvesteerd in de verbetering van de inventaris in het vmbo, versterking van het leerproces waaronder de kwaliteit van de examens en impulsmiddelen voor vmbo, mbo en hbo.

De ontwikkeling van de beroepskolom wordt via twee monitors in kaart gebracht. Ten eerste de kwantitatieve monitor van het Stoas over de ontwikkeling van de kwalificatiewinst. Deze monitor bestaat uit een nulmeting over het jaar 2000 en drie vervolgmetingen over 2001, 2002 en 2003. Ten tweede de kwalitatieve monitor van het Cinop over de inhoudelijke en procesmatige ontwikkeling van de beroepskolom vanaf 2001. De eerste rapportages zijn eind 2002 via de «Eerste monitorbrief voor de beroepskolom» aan de Tweede Kamer aangeboden.

Kennis, onderzoek en innovatie

Doel is dat het Nederlandse genoom-onderzoek binnen vijf jaar aan de top behoort. In 2002 is hiermee een start gemaakt met een 9-tal programma's. Vijf betrokken departementen (OCenW, EZ, VWS, LNV en VROM) hebben in 2002 bijgedragen aan een extra impuls van € 45 miljoen voor het genomics-onderzoek.

Daarnaast is in 2002 meer ruimte geboden aan jonge talentvolle onderzoekers middels de vernieuwingsimpuls. In 2002 zijn ten laste van het budget voor de vernieuwingsimpuls 220 onderzoekers benoemd, die hiermee onder meer in staat zijn gesteld om innovatieve ideeën te ontwikkelen en onderzoeksgroepen op te zetten.

Om het effect van al deze inspanningen te meten, is eind 2002 een nulmeting verricht. Medio 2004 vindt een tussenevaluatie plaats, waarna eind 2006 de eindmeting plaatsvindt.

Cultuur

Op het terrein van Cultuur wordt niet alleen geprobeerd een divers en hoogwaardig aanbod van cultuuruitingen te waarborgen, ook is geprobeerd de publieke belangstelling en participatie te bevorderen. In 2002 is € 9 miljoen uitgetrokken om knelpunten op te lossen waarvoor de Cultuurnota nog geen soelaas bood. Een deel van deze middelen is beschikbaar gesteld voor het Verdrag van Malta, waarbij de regering zich heeft verplicht om ons archeologisch erfgoed zoveel als mogelijk en verantwoord in de bodem te bewaren. Tevens is in 2002 ongeveer € 5 miljoen uitgetrokken voor een muziekinstrumentenfonds, waaruit vereenvoudiging en verbetering van leenfaciliteiten voor musici is gefinancierd.

Om de achterstanden op het terrein van de arbeidsvoorwaarden in de kunstensector weg te werken heeft het kabinet als bijdrage in de oplossing van deze problematiek vanaf 2002 een structureel bedrag van € 7,7 miljoen beschikbaar gesteld. Bij brief van 17 september 2001 is de Tweede Kamer ingelicht over de besteding van deze middelen. Een bedrag van ruim € 3,5 miljoen is ingezet voor verbetering van de salarispositie van een aantal beroepscategorieën, waaronder acteurs en orkest- en ensemblemusici. Voor een pensioenregeling voor zelfstandig werkende kunstenaars is bijna € 3 miljoen ingezet. Daarnaast is een bijdrage geleverd aan een aantal structuurverbeteringen, onder meer op het gebied van (om)scholing.

Bij de begrotingsbehandeling 2003 is de bijdrage verhoogd met een bedrag van € 1 miljoen. Dit bedrag wordt besteed aan verdere verbetering van de salarispositie in de sector, en het omscholingsfonds dansers. De staatssecretaris heeft bij deze laatste gelegenheid meegedeeld deze bijdrage te beschouwen als de laatste extra bijdrage van het kabinet aan de oplossing van deze problematiek. De eventueel resterende problematiek ten aanzien van de achterstanden op het terrein van de primaire arbeidsvoorwaarden is hiermee een zaak geworden voor het overleg tussen werkgevers en werknemers.

Diversen

Om het tekort aan afgestudeerde artsen en tandartsen terug te dringen is door verhoging van de opleidingscapaciteit naar verwachting een substantiële bijdrage geleverd aan de oplossing van de problematiek. De capaciteitsverhoging in 2002 betreft een verhoging van 2 140 naar 2 550 opleidingsplaatsen. Ook is een start gemaakt met de gefaseerde uitbreiding van de capaciteit voor mondhygiëne (van 210 naar 300 plaatsen). De cijfers wijzen uit dat de fixus voor het studiejaar 2002–2003 is verhoogd van 223 naar 255 plaatsen.

Tenslotte is voor invoering van het bachelors-mastermodel € 22,7 miljoen beschikbaar gesteld aan het wetenschappelijk onderwijs. Circa 92% van de universitaire opleidingen zijn inmiddels volgens de bachelor-masterstructuur opgezet.

Fiscaal

In 2002 is ook een drietal maatregelen getroffen in de fiscale sfeer die van belang zijn voor het onderwijs. Het betrof hierbij algemene fiscale maatregelen die ook van invloed zijn op de onderwijssector. Ten eerste betreft het een stimuleringsmaatregel voor herintreders in het onderwijs waarmee de spanning op de arbeidsmarkt aanzienlijk verminderd is. Ten tweede is een maatregel ingesteld die het aantrekkelijk maakt om oudere werknemers langer voor het onderwijs te behouden. Ten slotte is in 2002 de afdrachtvermindering onderwijs voor werkgevers verruimd. Hiermee zijn werkgevers gestimuleerd voormalig langdurig werklozen van 32 jaar en ouder aan een regionaal opleidingscentrum een opleiding op kwalificatieniveau 1 of 2 laten volgen.

3.2 Nieuwe prioriteiten tijdens 2002: amendementen

Aanpassen van de opleidingen tandheelkunde (28 000 VIII nr. 40)

Naar aanleiding van het amendement is een onderzoek uitgezet met betrekking tot tandheelkunde. De eindrapportage «Tandheelkundige professionals van morgen, flexibele teamplayers» is inmiddels ontvangen. De resultaten van het onderzoek leveren een bijdrage aan het implementatieplan van de Regiegroep Opleidingen Mondzorg.

Uitbreiden ondersteuning aan de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) om de positie van de deelnemer beroepsonderwijs te versterken (28 000 VII nr. 41)

In lijn met de wens van de Tweede Kamer is de positie van de deelnemer versterkt. Hiertoe is € 0,5 miljoen ingezet voor de versterking van de positie van de deelnemer. Dit geld is deels toegekend aan de JOB en deels aan COMBO, het servicecentrum voor de mbo-deelnemers.

Verbeteren kwaliteit van het muziekonderwijs in het basis- en speciaal onderwijs door het starten met een opleiding vakleerkracht muziek voor basisscholen (28 000 VIII nr. 43)

Het amendement Barth had als strekking de kwaliteit van het muziekonderwijs in het basisonderwijs en het speciaal onderwijs te verbeteren en te starten met een opleiding voor vakleerkracht muziekonderwijs. Voor 2002 is € 0,3 miljoen ter beschikking gesteld aan de Hogeschool van Beeldende kunsten, Muziek en Dans die samen met de Amsterdamse hogeschool voor de Kunsten gerichte lesmethoden en bijpassend curriculum gaat ontwikkelen. De activiteiten, gericht op inhoudelijke verbetering van het muziekonderwijs worden tot en met 2004 financieel ondersteund.

Het in stand houden van het Steunpunt onderwijs aan schipperskinderen van het BSOS (28 000 VIII nr. 45)

Dit amendement beoogde het steunpunt van schipperskinderen van het BSOS in stand te houden teneinde in de loop van de jaren opgedane kennis niet verloren te laten gaan. Het steunpunt heeft daarom een subsidie ontvangen, waarmee de belangenbehartiging van het onderwijs aan schipperskinderen voor 2002 gecontinueerd is. Tenslotte wordt nagegaan op welke wijze de ondersteuning van scholen met schippersleerlingen een structurele plaats kan krijgen binnen het Landelijk informatie- en steunpunt speciale doelgroepen (LISD).

Voortzetten project Wadden on Line (28 000 VIII nr. 46)

Dit amendement stelde € 91 000 beschikbaar voor voortzetting van het project Wadden on line. Voor het schooljaar 2002–2003 is dit bedrag eenmalig aan het project toegekend.

Aanstellen onderwijsconsulenten voor persoonlijke ondersteuning aan leerlingen die door hun gedrag en/of handicap in het reguliere onderwijssysteem moeilijk kunnen worden geplaatst (28 000 VIII nr. 47)

De onderwijsconsulenten zijn per 1 oktober 2002 van start gegaan. Er zijn 22 onderwijsconsulenten – verspreid in het land – die in de eigen regio adviseren bij plaatsingsproblematiek. In afwachting van de instelling van de Adviescommissie toelating en begeleiding (per 1 augustus 2003) zijn de onderwijsconsulenten organisatorisch ondergebracht bij de «Wegbereiders leerlinggebonden financiering».

Het structureel ongedaan maken van de korting op de rijksbijdrage aan de Open Universiteit (28 000 VIII nr. 50)

Het amendement Cornielje heeft aangegeven dat de Open Universiteit een nieuwe taak op zich dient te nemen, namelijk de ontwikkeling van lange-afstandsonderwijs voor met name zij-instromers. Hiertoe heeft de Open Universiteit in 2002 € 4,5 miljoen ontvangen.

Opstellen van een regeling om de deskundigheid van overblijfkrachten te vergroten (28 000 VIII nr. 84)

Dit amendement is uitgevoerd. Er is een subsidieregeling opgesteld, die op 19 juni 2002 is gepubliceerd in het Gele Katern van Uitleg, onder de naam: «subsidieregeling cursus overblijfkrachten 2002». De regeling is volledig uitgeput. 693 schoolbesturen hebben de subsidie aangevraagd voor 8 590 cursusplaatsen. Hiervan zijn 4 533 overblijfkrachten opgeleid. Ook voor opleidingen tussenschoolse opvang zal in 2003 € 2,0 miljoen worden uitgetrokken op de OCenW-begroting.

Rijksbijdrage voor schoolinternaten (28 000 VIII nr. 85)

Ten gevolge van amendementen zijn de begrotingen van OCenW en VWS voor het jaar 2002 verhoogd met respectievelijk € 1,1 miljoen en € 0,9 miljoen ten gunste van (school)internaten danwel internaatachtige voorzieningen.

Deze middelen zijn gekoppeld en – in overleg met OCenW, VWS, BZK en Justitie – eind 2002 eenmalig toegekend aan nieuwe of bestaande initiatieven in lijn met de amendementen. Oogpunt hierbij is de uitval van (allochtone) risicojongeren tegen te gaan. Een preventief voortijdig schoolverlaten (vsv)- en criminaliteitsprogramma in afstemming met scholen, ouders, voogden of verzorgers van leerlingen is essentieel, alsmede verbetering van leerlingprestaties in het reguliere onderwijs. Een inhoudelijke beleidsmatige evaluatie op de besteding van de middelen vindt na de zomer 2003 plaats.

Het ongedaan maken van de verlaging van de algemene omroepreserve (28 000 VIII nr. 88)

In december 2001 heeft de Tweede Kamer het amendement Atsma (nr. 88) op de OCenW-begroting 2002 aangenomen. In de toelichting op het amendement wordt gesteld dat er als gevolg van de fiscalisering van de omroepbijdrage sprake is van een neerwaartse bijstelling van de omroepreserve. Het amendement beoogt de bijstelling met een bedrag van € 32 miljoen ongedaan te maken, en op deze manier te bewerkstelligen dat de omroepreserve per 31 december 1999 niet lager uitkomt dan zonder de fiscalisering het geval zou zijn geweest. Dit in lijn met de toezegging van het toenmalige kabinet dat de afschaffing geen nadelige gevolgen mocht hebben voor de publieke omroep.

In een brief aan de Tweede Kamer d.d. 4 april 2002 heeft het kabinet aangegeven dat de neerwaartse bijstelling van de algemene omroepreserve en de nadelige gevolgen voor de publieke omroep feitelijk niet hebben plaatsgevonden, en heeft het kabinet besloten het amendement Atsma bij hoge uitzondering ongedaan te maken. Vervolgens heeft de Tweede Kamer op 24 april 2002 opnieuw een amendement met dezelfde strekking aangenomen, en weer € 32 miljoen aan de mediabegroting toegevoegd. Deze middelen zijn toegevoegd aan de algemene omroepreserve.

3.3. Eerste suppletore begroting

Versterken materiële bekostiging door het afschaffen van de rentekorting

Bij Voorjaarsnota 2002 heeft het kabinet besloten de rentekorting af te schaffen. Hiermee wordt de materiële bekostiging van het primair onderwijs (inclusief vso) structureel versterkt met € 24 miljoen.

3.4 Tweede suppletore begroting

Restitutie oorlogskunst

Ten einde aan de kosten voor restitutie van de in de Nederlandse kunstbezit collectie aan Gutmann toegeschreven voorwerpen tegemoet te komen is er bij Najaarsnota 2002 € 2 miljoen beschikbaar gekomen. Het betreft hier met name kosten voor transport en verzekering van de te restitueren oorlogskunst.

1. BASISONDERWIJS EN 2. EXPERTISECENTRA

1.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling van de minister voor het primair onderwijs is dat alle kinderen in de leeftijdscategorie van ongeveer 4 tot 12 (maximaal 14) jaar en jongeren van ongeveer 4 tot en met 19 jaar die door een handicap of een gedragsstoornis zijn aangewezen op een orthopedagogische en orthodidactische benadering, passend en kwalitatief goed onderwijs krijgen in deugdelijk toegeruste scholen.

Om deze doelstelling te realiseren is in de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op de expertisecentra (WEC) vastgelegd dat de (rijks)overheid een stelsel van basisscholen, respectievelijk een stelsel van scholen voor speciaal onderwijs in stand houdt. Beide wetten hebben elk een eigen beleidsartikel (WPO: artikel 1 en WEC: artikel 2). De algemene doelstelling van de WPO en WEC en de uitwerking hiervan in operationele doelstellingen en instrumenten zijn vrijwel gelijk. Om teveel overlap te voorkomen worden beide artikelen toegelicht in één hoofdstuk.

1.2 Het stelsel: de staat van de sector primair onderwijs

1.2.1 Toegankelijkheid

Onderwijs helpt kinderen hun talenten te ontwikkelen. Door een stelsel van scholen in stand te houden wordt het voor alle kinderen mogelijk dat onderwijs te volgen dat bij hen past. Op dit moment is er op centraal niveau geen systeem om vast te stellen of alle kinderen (die dat kunnen) naar het onderwijs gaan. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leerplicht. Gemeentelijke leerplichtambtenaren zien toe op de naleving van de leerplicht. In de toekomst, na invoering van het onderwijsnummer, zal het mogelijk zijn om via een leerplichtmonitor met de gemeentelijke gegevens over naleving van de leerplichtwet een volledig beeld te vormen van het aantal leerplichtige kinderen dat (nog) geen onderwijs volgt. Het is op dit moment wel mogelijk een indicatie te geven van het aantal leerplichtige leerlingen dat niet naar school gaat, op basis van het onderzoek «Thuiszitters met een licht verstandelijke handicap en gedragsproblemen» (Van Veen e.a. NIZW 2003). Uit dit onderzoek blijkt dat er in de periode juli 2001-januari 2002 ongeveer 430 thuiszitters waren. Dit aantal ligt waarschijnlijk hoger, omdat de respons op het onderzoek niet volledig was. De oorzaken van het thuiszitten zijn met name het gevolg van ontwikkelingsstoornissen en gedragsproblemen (27%), problemen met de medewerking van ouders (16%), het weigeren van leerlingen om naar school te komen (15%), lichamelijke en psychische toestand van de leerlingen (14%) en problemen in de thuissituatie (11%). Een beperkt deel van de thuiszitters zwerft of is onbereikbaar (6%). Voor meer details wordt verwezen naar het betreffende onderzoek.

Het is niet alleen noodzakelijk dat er genoeg scholen zijn, maar ook dat kinderen die ondersteuning krijgen die voor hen van belang is om onderwijs te kunnen volgen in een veilige omgeving. Voorbeelden van groepen die ondersteuning nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen, zijn kinderen met leermoeilijkheden, lichamelijke handicaps die een belemmering kunnen zijn bij het volgen van regulier onderwijs of grote leerachterstanden.

Een indicator om vast te stellen of basisscholen voldoende in staat zijn om leerlingen met zorgbehoeften op te vangen, is het percentage scholen waar de onderwijsinspectie een goede zorgstructuur aantreft. Het aantal basisscholen met een goede zorgstructuur bedraagt in 2002 bijna 55% (Onderwijsverslag 2002). In voorgaande jaren constateerde de onderwijsinspectie een achteruitgang in de leerlingenzorg. Het lijkt erop dat de negatieve spiraal gestopt is. Kennelijk lukt het scholen toch het fundament van de leerlingenzorg te handhaven en – ondanks personeelsgebrek – de cyclus signalering, diagnose, remedie en evaluatie vast te houden. De belangrijkste oorzaak voor het tekort aan scholen met een goede zorgstructuur is het lerarentekort. Individuele begeleiders voor zorgleerlingen worden door het lerarentekort ingezet als groepsleerkracht. Dat gaat ten koste van de leerlingenzorg op een school. Maatregelen die zijn genomen ter vermindering van het lerarentekort worden toegelicht in de overzichtsconstructie Onderwijspersoneel.

1.2.2 Variëteit

Het primair onderwijs omvat scholen voor basisonderwijs en voor speciaal basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. Het speciaal basisonderwijs is onderwijs aan leerlingen met leer- en opvoedingsproblemen. Het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs is onderwijs aan leerlingen met een handicap. Dit schooltype is verdeeld in clusters naar onderwijssoorten op basis van de soort handicap of onderwijsbelemmering van de leerlingen. In «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen» is meer informatie te vinden over het aantal scholen en de verdeling van leerlingen over deze scholen.

Tabel 1.1: Aantal leerlingen in het primair onderwijs (x 1 000)
   RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022002 
Aantal ingeschreven leerlingen op teldatum 1 oktober1 644,31 652,11 654,31 655,7– 1,4
a.1. basisonderwijs1 546,91 552,11 550,11 555,4– 5,3
a.2. speciaal basisonderwijs51,651,852,151,11
a.3. (voortgezet) speciaal onderwijs45,848,252,149,22,9
      
Aantal ingeschreven leerlingen naar kalenderjaar1 641,11 647,01 652,41 652,8– 0,4
b.1. basisonderwijs1 544,81 548,91 551,11 553,2– 2,1
b.2. speciaal basisonderwijs51,851,551,951,20,7
b.3. (voortgezet) speciaal onderwijs44,546,649,348,31,0
      
Aantal leerlingen voor de personele bekostiging naar kalenderjaar1 632,91 641,11 647,61 647,00,6
c.1. basisonderwijs1 537,91 544,81 549,11 548,90,2
c.2. speciaal basisonderwijs53,051,851,751,50,2
c.3. (voortgezet) speciaal onderwijs42,144,546,846,60,2

In tabel 1.1 wordt een overzicht gegeven van de ontwikkeling van het aantal leerlingen in het primair onderwijs. Het totaal aantal leerlingen in het primair onderwijs was op 1 oktober 2002 lager dan geraamd in de begroting 2002. In de raming voor 2002 is uitgegaan van een hoger aantal asielzoekers en een hoger migratiesaldo dan uiteindelijk is gerealiseerd.

Het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs is hoger dan geraamd in de begroting 2002. Dit is onder meer het gevolg van het wegwerken van de wachtlijsten in het speciaal basisonderwijs (zie § 1.3.2 Weer Samen naar School). Ook het aantal leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs is meer toegenomen dan verwacht. Dit wordt veroorzaakt door de toevoeging van het onderwijs in de Rijks Justitiële Jeugdinrichtingen aan de begroting van OCenW per augustus 2002. Daarnaast is er sprake van een toename van het aantal kinderen met een verstandelijke handicap en met gedragsproblemen.

1.2.3 Kwaliteit

Het primair onderwijs moet kwalitatief van een dusdanig niveau zijn, dat het de leerling voorbereidt op de Nederlandse samenleving en het de leerling mogelijk maakt om naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij zijn of haar talenten.

De kwaliteit van het primair onderwijs staat onder druk door het lerarentekort. Ouders ervaren de tekorten als het grootste zorgpunt voor het onderwijs op dit moment. Het aantal vacatures stijgt nog steeds. Het onderwijsveld zit echter niet stil. Op diverse terreinen wordt actie ondernomen om de tekorten aan te pakken en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.

De kwaliteit van het basisonderwijs

De kwaliteit van het basisonderwijs in 2002 is behoorlijk te noemen. In tabel 1.2.2 is een overzicht opgenomen van de ontwikkeling van basisscholen in de periode 1999–2002 op de kwaliteitskenmerken voor goed basisonderwijs.

Tabel 1.2: Percentage scholen dat voldoet aan de kwaliteitskenmerken voor goed basisonderwijs
 199819991999–20002000–20012001–2002
Leerstofaanbod:     
Dekkend voor de kerndoelen60,469,674,281,0
Doorgaande lijn, afgestemd op onderwijsbehoeften42,341,130,834,1
      
Leertijd:     
Voldoende tijd om het leerstofaanbod eigen te maken89,695,696,193,193,1
      
Pedagogisch klimaat:     
Veilig en structurerend96,598,896,596,298,5
Uitdagend en stimulerend66,069,064,464,671,3
      
Didactisch handelen:     
Helder en gestructureerd91,691,693,594,695,4
Activerend81,674,970,366,972,8
Gebruik leerstrategieën50,741,946,2
Afstemming op onderwijsbehoeften29,139,436,430,538,3
Doelmatige klassenorganisatie95,097,497,099,699,6
Leerlingenzorg58,758,456,846,154,8
      
Opbrengsten:     
Opbrengsten eind Bao ten minste op verwacht niveau66,367,570,887,7
Opbrengsten eind Bao onder verwacht niveau5,16,38,54,6
Opbrengsten eind Bao onbekend28,626,320,87,7
      
Condities:     
Kwaliteitszorg28,831,636,626,424,9
Professionalisering66,764,866,273,0
Interne communicatie88,187,486,783,587,3
Externe contacten98,096,597,595,898,0
Contacten met ouders97,495,694,597,398,9
Doelmatige inzet personele middelen94,595,396,197,3
Doelmatige inzet materiele middelen94,495,393,198,5

Bron: Inspectie van het Onderwijs (2002)

De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich de leerstof eigen te maken, ze vinden op school een veilig en ondersteunend pedagogisch klimaat en krijgen les van leraren die hun lessen goed structureren en organiseren. Op steeds meer scholen bevat het leerstofaanbod de kerndoelen voldoende. Scholen schaffen steeds vaker betere methoden aan. Het leerstofaanbod voorziet nog niet voldoende in een ononderbroken ontwikkelingsproces. Vooral met de overgang van de kleutergroepen naar groep drie blijken scholen moeite te hebben. Het gegeven dat 90% van de leraren vrijwel nooit wisselt tussen onder- en bovenbouwgroepen en dat de «bouwen» vaak weinig van elkaar weten, draagt niet bij aan een versterking van de doorgaande lijn.

De kwaliteit van de leerlingenzorg staat op bijna de helft van de scholen onder druk (zie par. 1.2.1 Toegankelijkheid). De kwaliteitszorg staat op veel scholen nog in de kinderschoenen. Het zijn vooral de scholen die kampen met een lerarentekort en zwakke scholen, waar de kwaliteitszorg onder druk staat. Ook scholen in Amsterdam, islamitisch onderwijs, vrije scholen en samenwerkingsscholen blijven achter bij het landelijk beeld van kwaliteitszorg. Daltonscholen en scholen in Rotterdam onderscheiden zich positief van het landelijk beeld van kwaliteitszorg (Onderwijsverslag 2002).

De kwaliteit van het speciaal basisonderwijs

In 2002 heeft de inspectie van het onderwijs een eerste meting verricht naar de kwaliteit van het speciaal basisonderwijs. Op basis van de verzamelde gegevens komt de inspectie tot de conclusie dat er tekortkomingen zijn in met name het leerstofaanbod en de leerlingenzorg. Voor wat betreft het leerstofaanbod constateert de inspectie enerzijds dat dit verouderd is, anderzijds dat het niet of onvoldoende dekkend is voor de kerndoelen. De kwaliteit van de leerlingenzorg baart zorgen, omdat het van essentieel belang is voor de inhoud van het onderwijsleerproces. Over het algemeen hebben scholen onvoldoende zicht op vorderingen en ontwikkelingen van leerlingen.

De inspectie stelt vast dat het pedagogisch en didactisch handelen van de leraren op niveau is. De leraren realiseren een ondersteunend en veilig pedagogisch klimaat. Ook houden leraren tijdens de lessen voldoende rekening met verschillen tussen leerlingen. De inspectie constateert ook dat leraren in het speciaal basisonderwijs meer ruimte nemen en krijgen voor hun leerlingen, maar zich minder verplicht voelen onderdelen van de leerstof in een vastgestelde tijd af te ronden.

Als mogelijke oorzaken voor de knelpunten spreekt de inspectie van een context waarin een complex van factoren zoals reorganisaties, personele problemen, taakwijzigingen en veranderende leerlingpopulaties een zware wissel trekken op de (ontwikkeling van) de kwaliteit van het speciaal basisonderwijs.

Anticiperend op de uitkomsten van het inspectierapport zijn vorig jaar projecten gestart, gericht op verbetering van het taal- en rekenonderwijs op de scholen voor speciaal basisonderwijs. Deze projecten hebben in 2002 een extra impuls gekregen. In par. 1.3.2 wordt nader ingegaan op maatregelen in het speciaal basisonderwijs.

De kwaliteit van het (voortgezet) speciaal onderwijs

Het beeld van scholen en instellingen voor (voortgezet) speciaal onderwijs vertoont veel overeenkomsten met de situatie in het speciaal basisonderwijs. Leerlingen treffen een warm en ondersteunend pedagogisch klimaat en leraren die de lessen goed organiseren. Het leerstofaanbod, de leerlingenzorg en de kwaliteitszorg vertonen daarentegen vaak duidelijke tekorten (onderwijsverslag 2002).

Om de kwaliteit van het speciaal onderwijs te verbeteren is een aantal maatregelen genomen. Per cluster worden doelen ontwikkeld die zijn afgestemd op de mogelijkheden van de leerlingen. Ook worden nieuwe leermiddelen ontwikkeld. Er worden programma's ontwikkeld voor deskundigheidsbevordering en scholing van teams en leraren in zowel het speciaal onderwijs als in het regulier onderwijs. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in onderwijsondersteunend personeel, om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen en de werkdruk van de leerkrachten te verlichten. In par. 1.3.5 wordt nader ingegaan op diverse maatregelen in het speciaal onderwijs.

Kwaliteit van het onderwijs aan kinderen van asielzoekers

Het onderwijs op het overgrote deel van de onderwijsvoorzieningen bij asielzoekerscentra (ongeveer 120 voorzieningen) voldoet aan de kwaliteitseisen die er, gezien de bijzondere aard van de leerlingenpopulatie, aan gesteld mogen worden. De kwaliteit doet in het algemeen, voor zover vergelijkbaar, niet onder voor de kwaliteit van reguliere basisscholen.

De taalprestaties van de leerlingen komen overeen met die van kinderen van Marokkaanse en Turkse herkomst. Gemiddeld is hun achterstand één tot anderhalf jaar op het landelijk gemiddelde. Bij begrijpend lezen scoren de kinderen op AZC-scholen hoger dan bij de overige taalonderdelen, vergelijkbaar met het niveau van Surinaamse kinderen. In alle opzichten is overigens sprake van grote verschillen naar land van herkomst, al nemen de verschillen iets af (onderwijsverslag 2002).

Uitgebreide informatie over de kwaliteit van het primair onderwijs is te vinden in het onderwijsverslag 2002.

Kwaliteit van het primair onderwijs in internationaal perspectief

De kwaliteit van het primair onderwijs in internationaal perspectief is goed te noemen. Het Nederlandse primair onderwijs participeert in twee internationaal vergelijkende onderzoeken waarin leerprestaties van leerlingen in groep 5 en/of 6 van het basisonderwijs worden vergeleken met die van een grote groep landen.

Voor rekenen/wiskunde en natuurkunde/biologie (science) is dat het TIMSS onderzoek. TIMSS onderzoekt afwisselend in het basisonderwijs en (verschillende leerjaren van het) het voortgezet onderwijs. De laatste TIMMS-afname in groep 5 en 6 van het basisonderwijs was in 1995. De resultaten van Nederlandse leerlingen waren op alle onderzochte leergebieden goed te noemen. TIMSS wordt in 2003 opnieuw afgenomen in het basisonderwijs.

Voor (begrijpend) lezen neemt Nederland deel aan het PIRLS-onderzoek. De eerste studie heeft in 1991 plaatsgevonden. De resultaten van de Nederlandse kinderen op de verschillende onderdelen van begrijpend lezen waren ruim beneden gemiddeld ten opzichte van de andere deelnemende landen. Dit heeft tot een aanzienlijke beleidsintensivering geleid (oprichting Expertisecentrum Nederlands, ontwikkeling van nieuwe leermethoden Nederlandse taal, een versnelde afschrijving van oude methodes). Recentelijk zijn de resultaten bekend geworden van de tweede meting van PIRLS, die heeft plaatsgevonden in 2001. De resultaten van de Nederlandse kinderen uit groep 6 op het gebied van begrijpend lezen behoren nu tot de top van de wereld. In de landenrangorde neemt Nederland nu de tweede plaats in.

Op het gebied van (voorzieningen in het) speciaal onderwijs participeert Nederland in een reeks studies van de OECD. Deze beogen uitsluitend inzicht te bieden in stelsels en voorzieningen die in de OECD-landen bestaan voor kinderen met speciale behoeften in het onderwijs (special needs education) en leveren geen concreet vergelijkingsmateriaal op. Tevens wordt beoogd meer internationale eenheid te verkrijgen ten aanzien van gehanteerde begrippen en definities. Internationale vergelijking op deze terreinen blijft moeilijk, vanwege grote verschillen in landen met betrekking tot eigenheid in cultuur en samenleving, het onderwijssysteem, de maatschappelijke en economisch situatie, de bevolkingsdichtheid en de urbanisatie.

1.2.4 Wijze van bekostiging

De reguliere bekostiging voor de scholen van het basis- en speciaal onderwijs bestaat uit bekostiging voor personeel, materieel en huisvesting. Middelen voor personeel en materieel ontvangen scholen van het Rijk. De middelen voor huisvesting worden via het Gemeentefonds over gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de verdeling van de huisvestingsmiddelen over de scholen. De uitgaven van het Rijk voor het primair onderwijs bedragen bijna € 7,0 miljard (excl. huisvesting). De personele uitgaven hebben hierin het grootste aandeel, 86%. Informatie over personeel is te vinden in de overzichtsconstructie arbeidsmarktbeleid. Kengetallen over personeel en materieel zijn te vinden in «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen».

De bekostiging is voor het grootste deel gebaseerd op het leerlingenaantal van de school. Naast de reguliere bekostiging ontvangen scholen middelen via specifieke uitkeringen aan gemeenten en via samenwerkingsverbanden. In het kader van projecten ontvangen scholen van het ministerie ook incidentele middelen. Daarnaast kunnen scholen een ouderbijdrage vragen en middelen aanvaarden van sponsors en donateurs. Voor sponsorgelden zijn met de organisaties in het veld gedragscodes overeengekomen. Bovendien is in de wet vastgelegd dat de ouderbijdrage vrijwillig is.

1.2.5 Rendement

Een indicator om het rendement vast te stellen in het basisonderwijs is het aantal basisscholen dat opbrengsten (de bijdragen van de school aan de ontwikkeling van kinderen) genereert aan het eind van de basisschool op of boven het verwachte niveau van de leerlingenpopulatie. Uit tabel 1.2.2 blijkt dat het aantal scholen met opbrengsten op of boven het verwachte niveau 87,7% bedraagt in 2002. 4,6% van de scholen heeft opbrengsten onder het verwachte niveau van de leerlingen en op 7,7% van de scholen is het niveau van de opbrengsten niet vast te stellen in verband met het ontbreken van betrouwbare en genormeerde gegevens. Het aandeel scholen waarvan de opbrengsten aan het eind van de basisschool niet is vast te stellen neemt af.

De scholen waarvan de opbrengsten beneden het verwachte niveau liggen zijn met name scholen in de plattelandsgemeenten met meer dan 50% autochtone achterstandsleerlingen (0.25 leerlingen) en scholen met meer dan 50% allochtone achterstandsleerlingen (0.9 leerlingen).

1.2.6 Verantwoordelijkheidsverdeling overheid, veld en toezicht

De rijksoverheid is verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel. De relatie tussen de rijksoverheid en de scholen in het primair onderwijs is vastgelegd in de WPO en de WEC: de rijksoverheid faciliteert de scholen onder bepaalde voorwaarden, daarnaast stelt de rijksoverheid eisen aan de scholen omtrent toegankelijkheid en kwaliteit van het geboden onderwijs. Tot de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid behoort ook het zorgdragen voor een adequate inrichting van het uit te voeren toezicht (waaronder Onderwijsinspectie en accountants). Uit dat toezicht komt naar voren of het onderwijs op individuele scholen voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en of de door de (rijks)overheid ter beschikking gestelde middelen zijn besteed overeenkomstig de daaraan verbonden voorwaarden. Uit het toezicht komt informatie naar voren die de rijksoverheid in staat stelt om te beoordelen of met het bestaande bestel de doelstellingen (kunnen) worden bereikt of dat een aanpassing van het bestel geboden is.

1.3 Operationele doelstellingen

In deze paragraaf wordt verantwoording afgelegd over verschillende beleidsmaatregelen in het primair onderwijs. Deze maatregelen dragen alle bij aan het realiseren van de algemene beleidsdoelstelling voor het primair onderwijs.

De effecten van de verschillende beleidsmaatregelen kunnen moeilijk los van elkaar worden gezien. Er is sprake van synergie-effecten tussen de verschillende maatregelen. Zo kan de extra formatie die scholen krijgen voor de operatie «Groepsgrootte en kwaliteit» voor een school met zorgleerlingen bijdragen aan het meer op maat lesgeven. Met andere woorden, de groepsgrootteverkleining kan bijdragen aan de implementatie van het Weer Samen Naar School-beleid of het Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid. Een ander voorbeeld is het lerarentekort. De inspectie heeft in 2001 in haar onderwijsverslag al opgemerkt dat de leerlingenzorg en kwaliteitszorg onder druk staan door het lerarentekort. Als de reeds genomen maatregelen om het lerarentekort te bestrijden een positief effect hebben, zal dit waarschijnlijk ook positieve gevolgen hebben voor de kwaliteitszorg en de leerlingenzorg.

1.3.1 Groepsgrootte en kwaliteit

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Voor leraren vormen grote groepen een belemmering om het onderwijs af te stemmen op de diversiteit tussen leerlingen. Beoogd is leraren in staat te stellen het onderwijsaanbod beter af te stemmen op de behoeften en mogelijkheden van de leerlingen door middel van formatieverruiming in de onderbouw. Scholen kunnen kiezen of zij in de onderbouw met deze formatie de groepen verkleinen of kiezen voor «meer handen in de klas».

Uit onderzoek (Universiteit Twente, 2001) is gebleken dat leraren in kleinere klassen beter kunnen inspelen op de verschillen tussen leerlingen. Daarnaast constateert de Inspectie dat leraren die met «meer handen in de klas» werken beter in staat zijn het onderwijs adequaat af te stemmen op de onderwijsbehoeften. Zo is 63% van de leraren die met «meer handen in de klas werken» voldoende beoordeeld op dit kwaliteitskenmerk tegenover 48% van de leraren die alleen voor de groep staan.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In augustus 2002 is de doelstelling de formatietoekenning voor de onderbouw te verruimen naar 20 leerlingen per leraar gehaald. Hiermee is de laatste stap van het project «groepsgrootte en kwaliteit» gezet. Naast formatiegegevens zijn ook gegevens bekend over de gemiddelde groepsgrootte. Deze was op 1 oktober 2002 20,9 in de onderbouw. Dit gemiddelde ligt boven de toekenning van 20 leerlingen per leraar, omdat scholen er vaak voor kiezen niet de groepsgrootte te verkleinen, maar «meer handen in de klas» in te zetten.

In oktober 2002 zet 57% van de scholen «meer handen in de klas» in (extra bevoegde leraren, lio's, zij-instromers, onderwijsassistenten) naast de reguliere groepsleraren. 73% zet meer onderwijzend personeel in (o.a. remedial teachers, vakleraren) en 85% zet coördinatoren onderbouw in. De optelling van deze percentages komt boven de 100 uit en dat betekent dat veel scholen kiezen voor een gecombineerde inzet van middelen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.3: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
  RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200120022002 
Groepsgrootteverkleining*326,5451,5432,519,0

*Incl. personeel en materieel, excl. huisvesting

Het verschil tussen de raming en realisatie wordt veroorzaakt door loon- en prijsontwikkelingen en door tussentijdse correcties op het oorspronkelijke budget (o.a. als gevolg van hogere gemiddelde personele lasten).

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

31 januari 2002Negende voortgangsrapportage Groepsgrootte en Kwaliteit, Kamerstuk 2001–2002 25 065 nr. 24

1.3.2 Weer samen naar school

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van het Weer samen naar school-beleid is om zoveel mogelijk kinderen zorg op maat te bieden en hen in de gelegenheid te stellen hun schoolloopbaan in het basisonderwijs af te ronden. Basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs werken samen in samenwerkingsverbanden Weer samen naar school (WSNS). De deelnemende scholen maken gezamenlijk beleid ten aanzien van de wijze waarop zorg aan leerlingen wordt georganiseerd. De kwaliteit van de leerlingenzorg in het basisonderwijs is een indicator om vast te stellen of kinderen daadwerkelijk zorg op maat krijgen. In 2002 werd door de Onderwijsinspectie op ongeveer 55% van de basisscholen een goede zorgstructuur aangetroffen (zie ook par. 1.2.1 Toegankelijkheid).

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Er is een aantal maatregelen dat bijdraagt aan het verzorgen van onderwijs op maat.

Ten eerste is in de financieringssystematiek voor de samenwerkingsverbanden WSNS een prikkel verwerkt die ertoe moet leiden dat basisscholen zoveel mogelijk zorg op maat bieden voor zoveel mogelijk leerlingen. Scholen voor speciaal basisonderwijs krijgen zorgmiddelen op basis van 2% van het aantal leerlingen in het samenwerkingsverband. Als meer leerlingen naar de school voor speciaal basisonderwijs worden verwezen, vloeit een deel van de zorgformatie van de basisscholen naar de school voor speciaal basisonderwijs.

Ten tweede zijn er maatregelen genomen om wachtlijsten voor het speciaal basisonderwijs weg te werken en te voorkomen.

Eén van die maatregelen is het vergroten van de zorgcapaciteit in de samenwerkingsverbanden. Om dit te realiseren hebben de gezamenlijke onderwijsorganisaties «de stuurgroep WSNS+» opgericht. Deze stuurgroep ondersteunt samenwerkingsverbanden op een aantal terreinen. Deze ondersteuning moet ertoe leiden dat de zorgcapaciteit van basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs vergroot wordt. Zij worden hiervoor door Het Rijk gedurende twee jaren met in totaal€ 6,8 miljoen gefaciliteerd. De stuurgroep WSNS+ heeft zich concrete en meetbare doelen gesteld. In 2004 moet de vergroting van de zorgcapaciteit van alle samenwerkingsverbanden zijn gerealiseerd.

Daarnaast is in 2001 opdracht gegeven aan de expertgroep Plaatsingsbeleid een inventarisatie en analyse te maken naar de omvang en het ontstaan van de wachtlijsten. Mede op basis van de resultaten van de inventarisatie zijn in 2002 maatregelen genomen die moeten leiden tot het oplossen en structureel voorkomen van plaatsingslijsten. Voor het uitvoeren van de specifieke aanpak is totaal € 6,8 miljoen beschikbaar voor 2002 en 2003. Deze specifieke aanpak is gericht op het uitvoeren van 49 door samenwerkingsverbanden ingediende verbeterplannen. De inspanningen zijn hierbij gericht op het structureel oplossen van wachtlijsten, in ieder geval voor 2004.

Als sluitstuk van een aantal maatregelen gericht op het oplossen en structureel voorkomen van wachtlijsten is voorgesteld in de wet op het primair onderwijs drie uiterste plaatsingsdata op te nemen. Dat betekent dat leerlingen die na indicatie door de Permanente Commissie Leerlingenzorg een toelatingsbewijs hebben voor de school voor speciaal basisonderwijs kunnen rekenen op plaatsing binnen een redelijke termijn. De plaatsingsdata die in het wetsvoorstel worden voorgesteld zijn: de dag na de zomervakantie, de dag na de kerstvakantie en per 1 april. Inmiddels heeft de Tweede Kamer, in een wetgevingsoverleg op 9 december 2002, ingestemd met het opnemen van uiterste plaatsingsdata in de wet.

De inspectie van het onderwijs heeft in 2002 opnieuw onderzoek verricht naar wachtlijsten in het speciaal basisonderwijs. De inspectie geeft in dit onderzoek aan dat per 1 oktober 2002 475 leerlingen op een wachtlijst stonden, per 1 oktober 2001 waren dat er nog 620. Ook het aantal samenwerkingsverbanden met een wachtlijst is in 2002 afgenomen. In 2002 hadden 79 samenwerkingsverbanden een wachtlijst, in 2001 waren dat er nog 91. De inspectie geeft als verklaring voor de afname van het aantal leerlingen op een wachtlijst en de afname van het aantal samenwerkingsverbanden met een wachtlijst het effect van het ingezette beleid van het Rijk, ter bestrijding van wachtlijsten.

Tabel 1.4: Deelname (in procenten) aan het speciaal basisonderwijs
 1999200020012002
Landelijk gemiddeld3,263,233,233,25
Maximum6,355,515,395,47

Het landelijk deelnamepercentage is ten opzichte van 2001 licht gestegen. Dit is het gevolg van een lagere instroom in het basisonderwijs. Het aantal samenwerkingsverbanden met een hoog deelnamepercentage neemt af.

Het maximum deelnamepercentage is eveneens licht toegenomen. Ook hier is de toename te verklaren door de terugloop van het aantal leerlingen in het regulier basisonderwijs.

Om de kwaliteit van het speciaal basisonderwijs te verbeteren hebben de onderwijsorganisaties een specifiek ondersteuningsaanbod voor het speciaal basisonderwijs ontwikkeld. Het plan van aanpak voorziet in een aantal activiteiten, gericht op het vergroten van de onderwijskundige en organisatorische kwaliteiten in het speciaal basisonderwijs, uiteraard in samenhang en afstemming met de inhoudelijke ontwikkelingen binnen het samenwerkingsverband.

Daarnaast hebben alle samenwerkingsverbanden in 2002 een bedrag per leerling ontvangen (totaal € 4,6 miljoen) om specifiek leerstofmateriaal voor de school voor speciaal basisonderwijs aan te kunnen schaffen, voor taal en rekenen is inmiddels materiaal voor drie leerjaren beschikbaar.

Voor meer informatie over het Weer samen naar school beleid wordt verwezen naar de vierde voortgangsrapportage Weer Samen Naar School.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.5: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
  RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200120022002 
Weer Samen Naar School (personeel en materieel)312,9298,5278,520,0

Het verschil tussen raming en realisatie is het gevolg van de toedeling van loonbijstelling en de stijging van de gemiddelde personele lasten in het primair onderwijs.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

7 februari 2002Brief van de staatssecretaris over het rapport «Wachtlijsten speciaal onderwijs 2001» van de Inspectie van het Onderwijs. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200111
28 maart 2002Weer samen naar school: brief van de staatssecretaris met een overzicht van de beschikbare middelen voor WSNS in de periode 2000–2003. Kamerstuk 2001–2002 21 860 nr. 65
29 mei 2002Brief van de staatssecretaris bij de aanbieding van de overeenkomst «Weer samen naar school». Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200462
30 juli 2002Voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs onder meer in verband met de vereenvoudiging van de voorschriften verband houdend met Weer samen naar school. Kamerstuk 2001–2002 28 493 nr. A-3, 6–7
6 november 20024e voortgangsrapportage WSNS en de bijlagen van het rapport. Kamerstuk 2001–2002 21 860 nr. 68
11 november 2002Brief van de minister inzake extra ondersteuning samenwerkingsverbanden WSNS om leerstofaanbod voor zorgleerlingen te verbeteren. Kamerstuk 2001–2002 21 860 nr. 69

1.3.3 Schoolbegeleidingsdiensten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Schoolbegeleidingsdiensten (SBD's) ondersteunen alle scholen bij het invoeren van onderwijsvernieuwingen en het oplossen van problemen die zij ondervinden in het onderwijsleerproces. Om zo tot een kwaliteitsverbetering van scholen te komen.

De inspectie gaat na of externe contacten, waaronder die met een schoolbegeleidingsdienst, functioneel zijn voor het onderwijs. In het onderwijsverslag 2002 concludeert de inspectie dat 98% van de scholen goede contacten onderhoudt met externe partijen, waaronder schoolbegeleidingsdiensten. Het onderzoek «Evaluatie decentralisatie schoolbegeleiding» (Research voor beleid, 2000) toont een toenemend positief beeld ten aanzien van de opvattingen die scholen hebben over het nut van de schoolbegeleiding door SBD's. Deze uitkomst bevestigt het beeld van de onderwijsinspectie.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Gemeenten worden door middel van een specifieke uitkering in staat gesteld schoolbegeleidingsdiensten in stand te houden. De rijksmiddelen voor schoolbegeleiding zijn in 2002 uitgekeerd aan de gemeenten en alle gemeenten houden, alleen of samen met andere gemeenten, een schoolbegeleidingsdienst in stand. Alle scholen hebben de ondersteuning van schoolbegeleidingsdiensten in kunnen roepen; de hulp kan zowel leerlingbegeleiding als systeembegeleiding zijn.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.6: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
  RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200120022002 
Schoolbegeleidingsdiensten55,057,255,02,2

Het verschil tussen raming en realisatie op het budget schoolbegeleidingsdiensten is het gevolg van de toedeling van prijsbijstelling in 2002.

1.3.4 Leerplicht voor vierjarigen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Vrijwel alle kinderen gaan op vierjarige leeftijd naar het primair onderwijs. In de huidige situatie vangt de leerplicht aan wanneer een kind vijf jaar wordt. Om de groep vierjarigen die geen onderwijs volgt zo klein mogelijk te laten zijn is voorgenomen om de leerplichtige leeftijd te verlagen van vijf naar vier jaar.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Nee, omdat de verlaging van de leerplicht niet aansloot bij de afspraak in het strategisch akkoord om te komen tot deregulering, is de leerplichtverlaging niet ingevoerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.7: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
 Realisatie 2002Voorjaarsnota 2001Verschil
Verlaging leerplicht0,07,0– 7,0

Bij Voorjaarsnota 2001 zijn middelen beschikbaar gesteld voor de verlaging van de leerplichtige leeftijd. Als gevolg van het niet invoeren van de leerplichtverlaging, zijn de beschikbare middelen niet besteed.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

8 maart 2002Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en de Leerplichtwet 1969 in verband met onder meer de wijziging van enkele leeftijdsgrenzen. Nota van wijziging. Kamerstuk 2001–2002 28 085 nr. 6
17 mei 2002Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en de Leerplichtwet 1969 in verband met onder meer de wijziging van enkele leeftijdsgrenzen brief staatssecretaris over huisvestingskosten die met dit wetsvoorstel gemoeid zijn, de inwerkingtreding en de bekostiging van Duitse leerlingen in het Nederlandse onderwijs. Kamerstuk 2001–2002 28 085 nr. 11
7 november 2002Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en de Leerplichtwet 1969 in verband met onder meer de wijziging van enkele leeftijdsgrenzen Brief minister over het plan om dit wetsvoorstel in te trekken. Kamerstuk 2002–2003 28 085 nr. 12
18 december 2002Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en de Leerplichtwet 1969 in verband met onder meer de wijziging van enkele leeftijdsgrenzen. Brief minister over intrekking van dit wetsvoorstel. Kamerstuk 2002–2003 28 085 nr. 92

1.3.5 Leerlinggebonden financiering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In de algemene beleidsdoelstelling van het primair onderwijs staat dat kinderen passend en kwalitatief goed onderwijs dienen te krijgen in deugdelijk toegeruste scholen. Om dit te realiseren is voor kinderen met een handicap of stoornis het wetvoorstel LGF (wetswijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs ten behoeve van de invoering van de leerlinggebonden financiering) geformuleerd. Als gevolg van het uitstellen van de invoering van het wetsvoorstel LGF heeft 2002 er anders uit gezien dan was voorzien. Het bereiken van het doel is dan ook minder dichterbij dan gedacht. Ook het evaluatieonderzoek is door de vertraging van de invoering verschoven. Het onderzoek zal nu starten in augustus 2003. De eerste resultaten van het onderzoek worden eind 2004 verwacht.

De wet wijzigt de huidige regelgeving op de volgende punten ingrijpend:

• Introductie van een nieuwe systematiek van indicatiestelling (landelijk vastgestelde criteria);

• Vorming van regionale expertisecentra (REC's);

• Introductie van leerlinggebonden financiering voor geïndiceerde leerlingen in het regulier onderwijs.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Het was de bedoeling het wetsvoorstel LGF per 1 augustus 2002 in te voeren. Dit is echter niet gebeurd. De reden hiervoor is dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel na de val van het kabinet Kok II controversieel heeft verklaard. Inmiddels heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel LGF aanvaard en is invoering per 1 augustus 2003 mogelijk.

Om op schema te blijven met de voorbereidingen van het scholenveld op de invoering van het wetsvoorstel LGF is «De vijfde faciliteringsregeling regionale expertisecentra schooljaar 2002/2003» geformuleerd. Op basis van deze regeling draaien de REC's dit schooljaar proef met de wettelijke taken, waaronder de nieuwe systematiek van indicatiestelling.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.8: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
  RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200120022002 
Totaal31,961,253,87,4
Aanvullende toekenning basisonderwijs31,942,134,67,5
REC9,09,00,0
Kwaliteitsverbetering onderwijsinhoudelijke maatregelen2,93,0– 0,1
Onderwijsondersteunend personeel7,27,20,0

De overschrijding op de aanvullende toekenning basisonderwijs wordt veroorzaakt door een loonstijging en door een toename van het aantal gehandicapte leerlingen in het basisonderwijs.

In het schooljaar 2002/2003 wordt proefgedraaid. De beschikbare middelen zijn conform de begroting 2002 ingezet.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

12 maart 2002Wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoe- ring van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra. Brief staatssecretaris ter aanbieding van amvb's in kader wetsvoorstel wijziging WEC, WPO, WVO. Kamerstuk 2001–2002 27 728 nr. 53
27 maart 2002Wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoe- ring van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra. Brief staatssecretaris met 3e voortgangsrapportage leerlinggebonden financiering. Kamerstuk 2001–2002 27 728 nr. 54
11 september 2002Wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoe- ring van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra. Brief staatssecretaris inzake de uitkomsten van het jaarlijkse onderzoek van de inspectie naar de plaatsingsproblematiek in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Kamerstuk 2001–2002 27 728 nr. 57 H

1.3.6 Verhogen zwemvaardigheid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om het aantal onveilige situaties als gevolg van onvoldoende zwemvaardigheid bij kinderen te verminderen, worden gemeenten in staat gesteld maatregelen te treffen om de zwemvaardigheid van kinderen te verbeteren. In 2002–2004 wordt gestart met de 36 gemeenten waar de zwemvaardigheid onder kinderen het slechtst is. Halverwege 2003 worden de tussenrapportages van de gemeenten verwacht over de in 2002 uitgevoerde activiteiten.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 is een regeling gepubliceerd waarin wordt aangegeven welke gemeenten voor welk bedrag in aanmerking komen voor een specifieke uitkering voor verbetering zwemvaardigheid. Op basis van globale gemeentelijke plannen hebben 35 van de 36 gemeenten het voor hen beschikbare bedrag toegekend gekregen. De laatste gemeente had in 2002 geen plannen en geen eigen budget, maar zal de bijdrage vanaf 2003 aanvragen.

Alle 35 gemeenten hebben maatregelen voor verbetering van de zwemvaardigheid ontwikkeld en hebben deze in uitvoering genomen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.9: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
 Realisatie 2002Voorjaarsnota 2002Verschil
Verhogen zwemvaardigheid4,44,5– 0,1

Bij Voorjaarsnota 2002 zijn middelen aan de begroting van OCenW toegevoegd voor het verhogen van de zwemvaardigheid. Omdat één gemeente nog geen plannen had ingediend, heeft deze geen financiële middelen ontvangen in 2002. Dit verklaart de lichte onderuitputting op het budget.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

8 oktober 2002Brief van de minister van OCenW ter aanbieding van resultaat onderzoek «zwemachterstanden op de basisschool» en de brochure met handreikingen voor hetzelfde probleem. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200786

1.3.7 Doelgroepenbeleid

1.3.7.1 Achterstandenbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Van de circa 1,6 miljoen kinderen in het basisonderwijs behoren ongeveer 400 000 kinderen tot de doelgroep van het achterstandenbeleid. De helft daarvan zijn autochtone leerlingen uit een achterstandsituatie. De overige 200 000 zijn leerlingen van allochtone afkomst. De achterstand komt met name tot uiting in een slechtere beheersing van de Nederlandse taal. Het doel is om in de periode 2002–2006 deze achterstand met 25% te verkleinen. Tegen het einde van de 4-jaarlijkse periode wordt door middel van onderzoek gemeten of deze streefwaarden zijn gehaald. Tussentijdse streefwaarden zijn niet geformuleerd. Daarnaast kan door de invoering van het onderwijsnummer in het primair onderwijs veel informatie geput worden uit de monitor gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Hoewel harde monitorgegevens nog ontbreken zijn er wel sterke aanwijzingen uit onderzoeksresultaten dat het tot heden gevoerde beleid resultaten afwerpt. De Minderhedenrapportage 2001 (SCP) wijst op het inlopen van achterstanden van allochtone leerlingen van 30% tussen 1987 en 2001.

In de concept studie van prof. dr. G. W. Meijnen e.a., «Onderwijsachterstanden: ontwikkelingen in prestaties en beleid» wordt gesproken over aanzienlijke verbeteringen tussen 1988 en 1998 van de prestaties van de 0.9-leerlingen op het gebied van rekenen en in mindere mate van taal. Weliswaar zijn de achterstanden van leerlingen in groep 2 nog zeer groot, maar vooral tussen groep 4 en 6 vindt een grote inhaalslag plaats. Meijnen schrijft dit in belangrijke mate op het conto van de scholen. De prestaties van de zgn. «zwarte scholen» zijn daarbij niet minder dan van de zgn. «witte scholen». In onderzoek van het GION (Suhre, Kansen voor kinderen, 2002) worden vergelijkbare conclusies getrokken, vooral ten aanzien van de ontwikkelingen bij rekenen. Voor taal wordt eveneens een (lichte) vooruitgang vastgesteld.

De onderzoeksresultaten over de 0.25 leerlingen zijn minder gunstig. De prestaties van 0.25 leerlingen laten geen groei zien en de verwachting is gerechtvaardigd dat zij qua prestaties op termijn worden ingehaald door de 0.90 leerlingen. Uit een onderzoek naar de prestaties van de achterstandsgroepen in het voortgezet onderwijs (Suhre e.a., GION, 1999) wordt aangegeven dat de 0.25 leerlingen qua prestaties iets lijken te verliezen. Dit vertaalt zich onder meer in een schoolkeuze voor de «lagere» vormen van het vmbo.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Er wordt aan de realisatie van deze doelstelling gewerkt via scholen en via gemeenten. Scholen krijgen financiële middelen in het kader van de gewichtenregeling. Gemeenten krijgen financiële middelen voor Gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid (GOA), Voor- en vroegschoolse educatie (vve) en Onderwijskansen. De middelen voor GOA, VVE en Onderwijskansen zijn met ingang van 1 augustus 2002 gebundeld tot één budget en over de GOA-gemeenten verdeeld. Tegelijkertijd is de middelenstroom voor asielzoekers uit het GOA-budget gehaald. In par. 1.3.7.2 wordt hier nader op ingegaan.

Gewichtenregeling

De gewichtenregeling stelt scholen met veel achterstandsleerlingen in staat om deze leerlingen onderwijs op maat te geven. Zo draagt de gewichtenregeling bij aan de doelstelling van het achterstandenbeleid. De regeling houdt in dat basisscholen met een substantieel aantal achterstandsleerlingen op basis van een «weging» van de leerlingen in aanmerking komen voor extra personeelsformatie. De hoeveelheid extra formatie die een school ontvangt hangt af van de gewichten die aan de desbetreffende achterstandsleerlingen worden toegekend. Achterstandsleerlingen worden in vier categorieën ingedeeld. Iedere categorie kinderen krijgt een extra gewicht, dat meetelt in de formatieberekening van de school. Nederlandse kinderen van ouders met een lagere opleiding krijgen een extra gewicht van 0.25, schipperskinderen krijgen een extra gewicht van 0.40, woonwagen- en zigeunerkinderen krijgen een extra gewicht van 0.70 en allochtone leerlingen van ouders met een laag opleidings- en beroepsniveau krijgen een extra gewicht van 0.90. Een basisschool krijgt niet voor alle gewichtenleerlingen extra formatie. Voordat een basisschool in aanmerking komt voor extra formatie, moet eerst een drempel van 9% worden gehaald. Er wordt van een basisschool verwacht dat een beperkt percentage achterstandsleerlingen binnen de reguliere formatie kan worden opgevangen.

Tabel 1.10: Aantal gewichtenleerlingen in het basisonderwijs (x 1 000) op teldatum 1 oktober van het kalenderjaar
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022002 
Gewichtenleerlingen in het basisonderwijs     
Geen gewicht1 113,21 132,81 147,21 139,18,1
0.25228,0212,6198,1205,0– 6,9
0.41,11,11,11,10
0.73,33,33,43,40
0.9200,7202,3200,0206,5– 6,5
Subtotaal1 546,31 552,11 549,81 555,1– 5,3
Leerlingen trekkende bevolking0,30,30,30,30
Totaal1 546,61 552,41 550,11 555,4– 5,3

In tabel 1.3.8 is een overzicht gegeven van de ontwikkeling van het aantal gewichtenleerlingen in het basisonderwijs. Het aantal leerlingen zonder gewicht neemt toe, dit wordt met name veroorzaakt door een lager aantal kinderen met een 0.25 gewicht. Het aantal kinderen met 0.9 gewicht neemt af als gevolg van een daling in het aantal asielzoekers en een daling in het migratiesaldo. Dit is ook de oorzaak voor de afname van het totaal aantal leerlingen.

Uit PRIMA-cohortonderzoek 2000–2001 blijkt dat de gewichtenmiddelen voor 24,1% volledig voor verkleining van de groepen worden gebruikt, voor 57,8% gedeeltelijk voor verkleining van de groepen én voor specifieke activiteiten en voor 18,1% volledig voor specifieke activiteiten. Bij specifieke activiteiten valt te denken aan remedial teaching, Nederlands als tweede taal, extra voorzieningen voor achterstandsleerlingen, interne begeleiding en contacten met ouders. In de eerste helft van 2003 vindt de nieuwe meting van het PRIMA-cohort plaats.

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOA)

Na bespreking van de resultaten van de eerste planperiode voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid heeft de Tweede Kamer een nieuw landelijk beleidskader GOA vastgesteld. Hierin is een beperkt aantal concrete, meetbare doelstellingen opgenomen, dat dient te worden geconcretiseerd in gemeentelijke GOA-plannen.

Op 1 augustus 2002 is dit nieuwe landelijk beleidskader onderwijsachterstanden in werking getreden. Deze is in een algemene maatregel van bestuur (AMVB) vastgelegd. Hierin staan de landelijke doelstellingen die met het GOA-beleid worden nagestreefd. Op basis van het landelijk beleidskader hebben de GOA-gemeenten hun lokaal onderwijsachterstandenbeleid vastgesteld. De gemeenten zijn ondersteund bij het opstellen van de lokale plannen. Hiertoe heeft het Rijk een subsidie verstrekt aan de VNG. Per gemeente is het lokaal onderwijsachterstandenbeleid vastgelegd in een lokaal plan voor de periode van 1 augustus 2002 tot 1 augustus 2006. Vaststelling van het plan is gebeurd na op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met schoolbesturen. Op basis van een analyse van de GOA-plannen wordt de Tweede Kamer in de eerste helft van 2003 geïnformeerd over de kwaliteit van de plannen.

Voor- en vroegschoolse educatie (vve)

Vve is met ingang van het landelijk beleidskader 2002–2006 onderdeel van het GOA-beleid. Vve is opgezet om er voor zorg te dragen dat taal- en ontwikkelingsachterstanden in een vroeg stadium worden aangepakt, om de startpositie van kinderen in het basisonderwijs te verbeteren. Daarbij is het in ieder geval van belang dat bij de aanvang van het leesonderwijs in de basisschool de doelgroepleerlingen voldoende zijn toegerust om het verdere basisonderwijs met succes te kunnen vervolgen. Er wordt naar gestreefd in 2006 een deelname aan vve-programma's door 50% van de doelgroep te realiseren.

2002 kenmerkte zich door verdergaande voorbereidingen en implementatie van activiteiten ten behoeve van het realiseren van een vve-aanbod voor kinderen van 2 tot en met 5 jaar met een aanzienlijke taal- en ontwikkelingsachterstand. De € 105,0 miljoen structurele middelen voor vve zijn met ingang van 1 augustus 2002 opgenomen in het GOA-budget.

In de periode 2000 tot en met augustus 2002 hebben 357 gemeenten vve-middelen gekregen. 79% van de gemeenten gebruikt met behulp van vve-middelen een gestructureerd vve-programma. Dit betekent dat in een groot aantal gemeenten in een relatief korte periode een forse ontwikkeling heeft plaatsgevonden met betrekking tot de implementatie van vve. In driekwart van de gemeenten is het opleidingsniveau van leidsters in voorschoolse instellingen mbo of hoger. Geconstateerd kan worden dat op een groot aantal «vve-peuterspeelzalen» met professionele krachten wordt gewerkt. Naarmate gemeenten groter worden, wordt meer een relatie gelegd tussen vve en het oudkomersbeleid. Meer dan de helft van de gemeenten heeft de middelen onder meer besteed op het gebied van ict.

Bijna alle gemeenten bevestigen dat, als gevolg van het vve-beleid, de voorschoolse instelling en de basisschool elkaar nu kennen. Voor de meerderheid geldt dat voorschoolse instellingen en basisscholen samenwerken bij de toeleiding en doorstroom van jonge risicokinderen. In de grotere gemeenten is sprake van periodiek overleg tussen vve-instellingen over de ontwikkeling van kinderen uit de doelgroep. Dit geldt in mindere mate voor kleine gemeenten. Structureel overleg over visie en aanpak achterstandsbestrijding jonge kinderen gebeurt in eenderde van de gemeenten. In een beperkt aantal gemeenten is sprake van bestuurlijke samenwerking tussen voorschoolse en vroegschoolse instellingen.

Onderwijskansen

De onderwijskansenaanpak is gericht op kwaliteitsverbetering van individuele scholen met veel achterstandsleerlingen, waarbij wordt uitgegaan van de specifieke situatie op en in de omgeving van die scholen.

In het kader van het onderwijskansenbeleid zijn extra faciliteiten beschikbaar gesteld aan scholen met veel achterstandsleerlingen (in de G4 hoofdzakelijk 70% of meer gewichtenleerlingen; in de overige 353 gemeenten 50% of meer gewichtenleerlingen) waarvan de kwaliteit van het onderwijs te wensen overlaat of de prestaties van de leerlingen achterblijven bij de verwachtingen.

Met de gemeenten die in aanmerking komen voor de onderwijskansenaanpak zijn afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in convenanten. Conform deze afspraken hebben de gemeenten een lokaal plan van aanpak gemaakt, gericht op specifieke scholen met concrete problemen. De gemeenten hebben met de onderwijskansenscholen afspraken gemaakt over de totstandkoming van een schoolanalyse en een schoolontwikkelingsplan, gericht op verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. De schoolontwikkelingsplannen zijn in uitvoering genomen. In 2003 doen de gemeenten aan de hand van tussenrapportages aan het Rijk verslag van de stand van zaken en de voortgang binnen het lokale beleid en de onderwijskansenscholen.

Ook is een pakket aan breedtemaatregelen gemaakt ter ondersteuning van het onderwijskansenbeleid. Hierbij moet gedacht worden aan een reeks van praktische maatregelen die variëren van netwerkbijeenkomsten, onderzoek, ontwikkeling en productie van brochures, beoordeling van methodes, handreikingen, de website, tot financiële maatregelen als het vervroegd afschrijven van taalmethodes door scholen. Dit pakket aan breedtemaatregelen is inmiddels uitgevoerd. Experts en scholen zijn te spreken over deze activiteiten, zo blijkt uit het onderzoek «Visies op de breedtemaatregelen en het onderwijskansenbeleid» (Krooneman en Vermeij, 2002, Regioplan).

Conform de toezegging aan de Tweede Kamer is er in 2002 een dekkende aanpak van onderwijskansengemeenten gerealiseerd. Na de G4 en de G32 zijn ook in kleinstedelijke en plattelandsgemeenten afspraken gemaakt over het ontwikkelen van een onderwijskansenbeleid ten behoeve van scholen met veel gewichtenleerlingen en zijn middelen beschikbaar gesteld. Op dit moment zijn er 447 onderwijskansenscholen en participeren 357 gemeenten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.11: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
  RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200120022002 
Totaal    
GOA-beleid, vve, onderwijskansen (excl. asielzoekers)193,1222,620022,6
Gewichtenregeling266,6266,5250,915,6

De overschrijding van het GOA-budget en het budget voor de gewichtenregeling wordt in belangrijke mate veroorzaakt door verschillende generieke en specifieke salarismaatregelen die in 2002 zijn genomen.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

30 januari 2002Voor- en vroegschoolse educatie. Brief staatssecretaris over de mogelijkheid om het peuterspeelzaalwerk onder de werkingssfeer van de WBK te brengen. Kamerstuk 2001–2002 27 190 nr. 9
21 februari 2002Brief van de staatssecretaris over twee adviezen van de Onderwijsraad en de RMO inzake o.a. de gewichtenregeling. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 200317
4 maart 2002Aanpak onderwijsachterstanden. Brief staatssecretaris met een beschrijving van de laatste stand van zaken van het onderwijsachterstandenbeleid. Kamerstuk 2001–2002 27 020 nr. 32
21 maart 2002Voor- en vroegschoolse educatie: brief van de staatssecretaris over het gezinsgericht stimuleringsprogramma Opstap Opnieuw. Kamerstuk 2001–2002 27 190 nr. 10
4 april 2002Brief van de staatssecretaris met afschrift van de vervolgadviesaanvraag over herijking van de gewichtenregeling (basisonderwijs). Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200303
20 juni 2002Brief van de staatssecretaris inzake rapport verkenning van drie beleidsopties voor voor- en vroegschoolse educatie. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200513
2 juli 2002Aanpak onderwijsachterstanden. Brief staatssecretaris over Molukse leerplichtige leerlingen. Kamerstuk 27 020 nr. 34
10 juli 2002Brief van de staatssecretaris OCenW en de staatssecretaris VWS inzake adviezen van de onderwijsraad en de RMO over voor- en vroegschoolse educatie. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200587
13 september 2002Brief van de minister inzake advies van de onderwijsraad over de herziening gewichtenregeling «de gewichten herijkt» met bijbehorende studie «elke leerling telt». Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200695

1.3.7.2 Onderwijs aan asielzoekers in het eerste jaar van opvang

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Asielzoekers in de leerplichtige leeftijd hebben net als alle andere kinderen recht op en plicht tot het volgen van onderwijs. Er wordt naar gestreefd deze kinderen na binnenkomst zo snel mogelijk te laten instromen in het onderwijs.

Scholen ontvangen voor elke leerling een reguliere bekostiging. Daarnaast kunnen gemeenten in aanmerking komen voor een specifieke uitkering als in de gemeente tenminste 10 schoolgaande asielzoekers onderwijs volgen. De uitkering is bedoeld om gemeenten in staat te stellen door middel van een flexibele bekostigingssystematiek deze groep leerlingen, die vaak niet aan het begin van een schooljaar instromen, toch in het eerste jaar van hun verblijf in Nederland onderwijs te bieden.

Alle gemeenten waar 10 of meer asielzoekers primair of voortgezet onderwijs volgen kunnen nu aanvullende middelen voor het onderwijs aan schoolgaande asielzoekers aanvragen via onderstaande regeling. Ook kunnen gemeenten die voor het eerst onderwijs aan asielzoekers organiseren met deze regeling ook een startsubsidie aanvragen. Dat kon voorheen niet.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Toegezegd is een flexibelere bekostigingssystematiek te ontwikkelen.

Hiertoe is per 1 augustus 2002 de middelenstroom voor asielzoekers uit het GOA-budget gehaald en samengevoegd met de «Regeling tegemoetkoming voor gemeenten bij exceptionele toename van het aantal schoolgaande asielzoekers in het basis en voorgezet onderwijs», waarmee een afzonderlijk regeling in werking is getreden: de «Regeling specifieke uitkering voor gemeenten voor onderwijs aan schoolgaande asielzoekers in het primair en het voortgezet onderwijs 2002–2003». Met de bekostigingssystematiek van deze specifieke uitkering zijn drie telmomenten geïntroduceerd waarop de gemeenten een bekostigingsaanvraag kunnen indienen: 1 oktober, 1 februari en 1 juni.

Vóór 1 augustus 2002 werd onderscheid gemaakt tussen gemeenten mét en gemeenten zonder een specifieke uitkering in het kader van het GOA. Er waren GOA gemeenten die geen beroep konden doen op de regeling omdat het GOA-budget toereikend geacht werd voor het onderwijs aan schoolgaande asielzoekers. Met de nieuwe bekostigingssystematiek verdwijnt het verschil tussen GOA- en niet-GOA gemeenten.

In 2003 zal de specifieke uitkering structureel worden geregeld.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.12: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
 Realisatie 2002Voorjaarsnota 2002Verschil
Onderwijs aan asielzoekers in het eerste jaar van opvang primair en voortgezet onderwijs26,231,1– 4,9

Bij Voorjaarsnota 2002 zijn middelen voor onderwijs aan asielzoekers in het eerste jaar van opvang toegevoegd aan de begroting van OCenW. Er is minder uitgegeven dan begroot door de daling van de instroom van asielzoekers in 2002.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

30 januari 2002Brief van de staatssecretaris bij het rapport «Bekostiging onderwijs asielzoekers». Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200155
17 juli 2002Brief van de staatssecretaris inzake schoolgaande asielzoekers. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200595

1.3.7.3 Onderwijs in allochtone levende talen (oalt)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Onderwijs in allochtone levende talen is er op gericht allochtone leerlingen de eigen moedertaal te leren zodat zij contact kunnen houden met de eigen cultuur (cultuureducatie) én met behulp van de eigen moedertaal de Nederlandse taal te leren (taalondersteuning). Een belangrijk uitgangspunt is daarbij, dat deze leerlingen door kennis van de eigen culturele achtergrond zelfbewuster kunnen integreren en participeren in de Nederlandse samenleving. Er zijn geen streefwaarden geformuleerd bij het opstellen van het oalt-beleid. Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat 35% van de allochtone leerlingen in het primair onderwijs deelneemt aan oalt, dit zijn 61 000 leerlingen van voornamelijk Turkse (29 000) en Marokkaanse (22000) afkomst. De meeste middelen worden besteed aan taalondersteuning, ongeveer 70%. 32 500 leerlingen nemen deel aan oalt in de vorm van taalondersteuning, 29 000 in de vorm van cultuureducatie. De belangrijkste conclusie uit het SCP-rapport is dat de beleidsimplementatie van oalt problematisch verloopt. Er ontbreekt voldoende lokaal draagvlak en de organisatorische problemen – mede het gevolg van een toenemende heterogeniteit – zijn groot. Het SCP adviseert om het oalt-beleid niet in deze vorm te continueren (SCP, 2002).

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om bovenstaande doelstelling te realiseren zijn gemeenten in staat gesteld om het aanbod van lessen in allochtone levende talen en taalondersteuning te organiseren. Er zijn 216 gemeenten die in 2002 een specifieke uitkering oalt hebben ontvangen.

Om de kwaliteit van het onderwijs in allochtone levende talen te waarborgen zijn de bevoegdheidseisen voor docenten taalondersteuning met ingang van 1 augustus 2002 aangescherpt. In 2002 is, in overleg met het veld, begonnen met de voorbereiding van flankerend beleid voor de aanscherping van de bevoegdheidseisen. In het strategisch akkoord van het kabinet Balkenende is voorgenomen de oalt-bekostiging te beëindigen omdat prioriteit moet worden gegeven aan het leren van Nederlands. Op 27 september 2002 is de Tweede Kamer nader geïnformeerd over de stand van zaken aangaande het overleg met het veld over het oalt-beleid, in verband met het voornemen onderwijs in allochtone levende talen af te schaffen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.13: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil 
 200120022002 
Onderwijs in allochtone levende talen64,769,268,01,2

Het verschil tussen raming en realisatie is te verklaren door de toevoeging van loonbijstelling in 2002.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

11 april 2002Wijziging van de werkingsduur van de gemeentelijke plannen inzake onderwijs in allochtone levende talen. Kamerstuk 2001–2002 28 293 nr. A t/m 3
25 juni 2002Brief van de staatssecretaris inzake het rapport «Taal lokaal: gemeentelijk beleid onderwijs in allochtone levende talen» van het SCP. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200523
8 oktober 2002Brief van de minister met haar standpunt ten aanzien van diverse aan de Tweede Kamer gezonden brieven en de stand van zaken aan- gaande het overleg met het veld over het onderwijs in allochtone levende talen. Niet- dossierstuk 2002–2003 OCenW 0200772

1.3.8 Bestuurlijke krachtenbundeling (bkb)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van bestuurlijke krachtenbundeling is het bevorderen van de bestuurlijke samenwerking tussen scholen in het primair onderwijs en daarmee de bestuurs- en managementkracht van deze scholen.

Sinds de invoering van de stimuleringsregeling is de reikwijdte gestaag toegenomen. Per 1 augustus 2002 maakt ruim 51% van de schoolbesturen, al dan niet in samenwerking met andere besturen, gebruik van de regeling. Deze besturen vertegenwoordigen bijna 80% van de scholen, leerlingen en fte's.

In het licht van de definitieve afloop van de bkb-regeling per 1 augustus 2004 en met het oog op de inrichting van het gewenste flankerend beleid voor de invoering van lumpsum bekostiging zal in 2004 een afrondende, kwalitatieve eindevaluatie van het effect van de regeling plaatsvinden.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Vanaf het schooljaar 1997/1998 is de stimuleringsregeling bkb van kracht. Deze regeling beoogt bestuurlijke samenwerking en daarmee de bestuurs- en managementkracht in het primair onderwijs te bevorderen. De regeling zou oorspronkelijk per 1 augustus 2002 aflopen, maar is met een verlengingsregeling (april 2002) verlengd voor de periode 1 augustus 2002–1 augustus 2004. Naast de positieve effecten van de regeling op de intensiteit van de bestuurlijke samenwerking is deze verlenging geplaatst in het perspectief van de invoering van lumpsum bekostiging. Dit omdat de invoering van lumpsum in ieder geval vraagt om een verdere ontwikkeling van de bestuurskracht en de professionaliteit van het schoolbestuur, het bovenschools management en de schoolleiders.

Het stimuleren van bestuurlijke samenwerking en krachtenbundeling tussen scholen vindt inmiddels in 500 gevallen plaats door middel van een jaarlijkse bijdrage.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 1.14: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
  RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200120022002 
Bestuurlijke krachtenbundeling30,030,732,6– 1,9

De miljoenennotastand is begin 2002 als gevolg van een taakstelling ter compensatie van de overschrijding van de bkb-regeling in 2001 verlaagd. Uiteindelijk heeft dit, door gebruik te maken van de loonbijstelling, geresulteerd in een lichte temporisering van de uitgaven voor de bkb-regeling in 2002. Dit verklaart de lichte onderuitputting op het budget in 2002.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

29 mei 2002Brief van de staatssecretaris met reactie op brieven VSWO van 22 februari 2002 en 19 december 2001 over de verlenging van de bestuurlijke krachtenbundeling primair onderwijs. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0200459

1.3.9 Materieel en huisvesting

Informatie over informatie en communicatietechnologie in het primair onderwijs is te vinden in de overzichtsconstructie ICT.

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Beoogd is scholen in staat te stellen docenten en leerlingen een goed onderhouden, schone, eigentijdse werkomgeving te bieden, moderne effectieve leermethoden aan te schaffen en in alle andere materiële randvoorwaarden op adequate wijze te voorzien.

Het percentage scholen met een leerstofaanbod dat dekkend is voor de kerndoelen is in 2002 toegenomen tot 81,0% (Onderwijsverslag 2002). Ten aanzien van de schoonmaakkwaliteit kan worden gemeld dat eind november 2002 de tweede rapportage over de schoonmaakmonitor is verschenen. Het rapport is op 19 december 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden. De belangrijkste conclusie is dat de algehele schoonmaakkwaliteit verbeterd is ten opzichte van het onderzoek in 1999. Dit blijkt met name bij het sanitair in de scholen. In 1999 is 92,4% als onvoldoende beoordeeld, in 2002 76,5%.

De effecten van de maatregelen ten aanzien onderwijshuisvesting zullen de komende jaren in beeld worden gebracht. De huisvestingsmonitor zal daarvoor worden gecontinueerd. De eerstvolgende rapportage zal in september 2003 beschikbaar zijn.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Materieel

Scholen voor het primair onderwijs ontvangen een lumpsum bedrag voor de materiële instandhouding van ongeveer € 0,8 miljard dat gebaseerd is op het aantal leerlingen van de school en het daaruit afgeleide aantal groepen. Deze vergoeding wordt op normatieve wijze bepaald met zogenaamde programma's van eisen. Bij de vereenvoudiging van het bekostigingsstelsel in 1997 is besloten tot een vijfjaarlijkse evaluatie. Met deze normering wordt een bodem gelegd voor materiële instandhouding. Nadat de normen zijn vastgesteld, is de bekostiging binnen dat kader voor 100% kostendekkend. In het kader van de evaluatie van de programma's van eisen is in 2000 onderzoek gedaan naar een aantal programma's van eisen en de hoogte van de vergoedingen. Uit die evaluatie bleek dat de programma's van eisen niet meer voldeden aan de eisen van deze tijd. In overleg met de Tweede Kamer heeft dit geleid tot een structurele verhoging van het budget voor de materiële instandhouding, dat is verdeeld over de verschillende programma's van eisen.

Vanuit wet- en regelgeving, zoals voor arbeidsomstandigheden en veiligheid, worden er nieuwe eisen gesteld aan schoolgebouwen en mede als gevolg van beleidsmaatregelen van de rijksoverheid hebben zich onderwijskundige ontwikkelingen voorgedaan met consequenties voor de leermiddelen.

In 2006 zullen de programma's van eisen opnieuw worden geëvalueerd. Vooruitlopend wordt nu in overleg met de besturenorganisaties overlegd op welke wijze deze evaluatie het beste voorbereid kan worden. In de loop van 2003 zal daartoe onderzocht worden hoe het programma van eisen administratie, beheer en bestuur inzichtelijker en verder vereenvoudigd kan worden.

Bij Voorjaarsnota 2002 is besloten de rentekorting af te schaffen. Scholen werden genormeerd gekort op de jaarlijkse vergoedingsbedragen (gebouwonderhoud, meubilair en leermiddelen) die op een bankrekening werden gezet voor meerjarige investeringen. Het afschaffen van de rentekorting heeft geleid tot een structurele verhoging van het budget met € 23 miljoen.

In 2002 is gestart met het digitaal beschikbaar stellen van de vergoedingsbedragen en de onderbouwingen van de programma's van eisen. Voorheen gebeurde dit door jaarlijkse publicaties in brochurevorm. Twee grote vergoedingstabellen voor gebouwonderhoud en meubilair zijn vereenvoudigd.

Huisvesting

In lijn met de prioriteitstelling van het Kabinet en de gemeenten, voor onderwijs, zorg en veiligheid, is onderzoek gedaan naar de situatie van de schoolgebouwen in het primair en voortgezet onderwijs.

In mei 2002 is, als invulling van het plan van aanpak kosten onderwijshuisvesting van het primair en het voortgezet onderwijs, aan de Kamer verslag gedaan over de stand van zaken rond de onderwijshuisvesting. Eén en ander naar aanleiding van de uitkomsten van de huisvestingsmonitor en conform de verzoeken neergelegd in de motie Crone en de motie Noorman-Den Uyl.

Bij Voorjaarsnota 2002 is besloten een extra investering van € 45 miljoen in te zetten voor de onderwijshuisvesting in het primair en voortgezet onderwijs. Dit bedrag wordt toegevoegd aan het gemeentefonds. Met de VNG is overeengekomen dat zij hieraan (van de beschikbare accressen de komende jaren) een bedrag van € 68 miljoen toevoegen.

Met deze impuls, waardoor op termijn een structureel bedrag beschikbaar komt van € 113 miljoen, wordt het mogelijk functionele aanpassingen in schoolgebouwen te plegen. Hierdoor kunnen de onderwijskundige vernieuwingen beter tot hun recht komen. De functionele verbeteringen hebben betrekking op de integratie van ict in het onderwijs, ontwikkelingen rond het wsns-beleid in het primair onderwijs en de ontwikkelingen bij leerlinggebonden financiering. Een apart punt van aandacht is de werkplek van de docenten. De realisatie van de aanpassingen vergt tijd. De VNG zal de modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs fasegewijs aanpassen zodat gemeenten, in samenspraak met de schoolbesturen aan de slag kunnen met de uitbreidingen van de schoolgebouwen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Materieel

Tabel 1.15: Beschikbare middelen (x € 1 miljoen)
  RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 200120022002 
Materieel basisonderwijs757,9779,4710,668,8
Materieel speciaal basisonderwijs41,844,138,35,8
Materieel speciaal onderwijs67,167,764,23,5
Totaal866,8891,2813,178,1

Het verschil tussen het budget voor materieel in de vastgestelde begroting en de realisatie in 2002 wordt verklaard door het afschaffen van de rentekorting in 2002 en door de toedeling van prijsbijstelling.

Huisvesting

Op de OCenW begroting staan geen middelen voor onderwijshuisvesting. Onderwijshuisvesting is een taak van gemeenten en wordt ook door gemeenten bekostigd uit de algemene uitkering van het Gemeentefonds.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer in 2002 heeft ontvangen

Materieel

12 april 2002Brief van de staatssecretaris inzake de doorvergoeding van uitgaven voor administratie, beheer en bestuur in de gemeente Achtkarspelen. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 200340
10 oktober 2002Programma's van eisen basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en praktijkonderwijs voor het jaar 2003. Kamerstuk 2002–2003 28 623 nr. 1
15 november 2002Brief van de minister over school voor kinderen van asielzoekers in Dronten. Niet-dossierstuk 2002–2003 OCenW 0200866
22 november 2002Brief van de minister over doorvergoeding van uitgaven voor administratie, beheer en bestuur in de gemeente Achtkarspelen. Niet-dossierstuk 2002–2003 OCenW 200958

Huisvesting (primair en voortgezet onderwijs)

11 januari 2002Brief van de staatssecretaris over de voortgang van de campagne Veiligheid op school. Niet-dossierstuk 2001–2002 OCenW 0001327
24 mei 2002Brief van de staatssecretaris over extra investeringen in schoolgebouwen in het primair en voortgezet onderwijs t.b.v. onderwijskundige vernieuwingen. Kamerstuk 2001–2002 28 000 VIII nr. 136
19 december 2002Brief van de minister over het verloop van de campagne «Veiligheid op de basisschool». Kamerstuk 2002–2003 28 600 VIII nr. 100

1.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.16: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (x € 1 000)
   RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022002 
Verplichtingen5 108 5165 672 2666 165 2286 014 194151 034
– waarvan garanties00000
Uitgaven5 117 9755 671 3146 168 2946 019 434148 860
Personeel basisonderwijs3 932 6654 468 2014 914 6044 841 11973 485
Personeel speciaal basisonderwijs302 373334 936358 268357 477791
Materieel basisonderwijs785 843757 865779 389710 59968 790
Materieel speciaal basisonderwijs31 86441 79844 10838 2775 831
Overig65 23068 51471 92571 961– 36
– waarvan schoolbegeleidingsdiensten52 18054 72957 21254 7362 476
– waarvan stimuleringsuitgaven13 05013 78514 71317 225– 2 512
Ontvangsten22 57519 83546 67017 87628 794
– waarvan basisonderwijs21 90118 45144 86017 39927 461
– waarvan speciaal basisonderwijs6741 3841 8104761 334

Tabel 1.17: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022002 
Verplichtingen525 853618 867709 403676 15833 245
– waarvan garanties00000
Uitgaven525 888618 761708 697676 15832 539
Personeel473 196550 081638 894609 68029 214
Materieel50 56867 14867 66564 1633 502
Overig2 1251 5322 1382 315– 177
Ontvangsten5 2003 2292 9202 723197

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

1.5 Terugblik op groeiparagraaf 2002

In de begroting 2002 is aangegeven dat de uitwerking van vbtb voor het beleid van primair onderwijs de komende jaren gecontinueerd zal worden en waar mogelijk verbeterd. Daarbij is een aantal concrete verbeteringen genoemd. Aan deze punten is in de begroting 2003 het volgende gedaan:

• Concretisering van de operationele doelen en streefwaarden formuleren:

In de begroting 2003 is een grote stap gemaakt met het formuleren van operationele doelen en het werken aan bijbehorende streefwaarden. Daarbij is opgemerkt dat voor sommige operationele doelstellingen het nog ontbreekt aan gegevens om een nulmeting te doen. Dat zijn problemen die de eerste fase van een groeiproces als vbtb kenmerken. Waar mogelijk is wel een streefbeeld opgenomen in de begroting bij de operationele doelstellingen.

• Verbetering van de informatievoorziening:

Met de wet op het onderwijsnummer (in 2002 aangenomen) en de invoering van het informatiestatuut, wordt de informatie tussen scholen, instellingen en het Rijk gestroomlijnd. Met name het onderwijsnummer is een omvangrijke operatie. Zoals aangegeven in de begroting 2003 zal het onderwijsnummer pas in 2005 gebruikt worden in het primair onderwijs.

• Nieuw beleid met zodanig geformuleerde operationele doelen dat deze passen binnen de vbtb-ambitie voor de langere termijn:

Bij dit punt wordt het het meest duidelijk dat vbtb een groeiproces is. De situatie is momenteel zo dat er nog veel (ouder) beleid is dat destijds niet vbtb-proof is opgesteld. Nieuw beleid wordt wel volgens vbtb-richtlijnen opgesteld. Een goed voorbeeld daarvan is het nieuwe GOA-beleid, zoals vastgesteld in het landelijk beleidskader 2002–2006. Dit beleid kent duidelijke en meetbare doelstellingen.

1.6 Veronderstellingen die ten grondslag lagen aan de effectbereiking en de wijze waarop de prestatiegegevens zijn verkregen.

Van scholen wordt verwacht dat zij bij de vormgeving van het onderwijs maatwerk leveren. De vraag van de leerlingen naar onderwijs en zorg moet daarbij zoveel mogelijk richtinggevend zijn. Scholen worden daarom van overheidswege steeds nadrukkelijker in de positie gebracht van autonome instellingen met een eigen verantwoordelijkheid voor het realiseren van passend onderwijs voor ieder kind en voor de inzet van de financiële middelen. Concreet kan dit betekenen dat een school besluit geld in te zetten voor andere zaken dan de intentie was van de overheid bij het beschikbaar stellen van middelen. Zo is het denkbaar dat geld bestemd voor leermiddelen door de school ingezet wordt voor schoonmaak. Het is duidelijk dat de bestedingsvrijheid van de scholen een effect kan hebben op de mate waarin doelstellingen van de rijksoverheid worden gerealiseerd. Scholen krijgen zoals gezegd binnen kaders een steeds grotere keuzevrijheid om maatwerk te kunnen leveren. Daarom toetst de overheid, naast de rechtmatigheid en doelmatigheid van de bestede middelen, de doeltreffendheid van beleid steeds meer binnen het geheel van maatregelen dat wordt ingezet voor het onderwijs in brede zin.

In toenemende mate is de gemeente beleidsverantwoordelijk voor belangrijke delen van het onderwijsbeleid. Dit is onder meer het geval voor de onderwijshuisvesting en het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, waaronder voor- en vroegschoolse educatie. Kenmerkend hierbij zijn beleidsautonomie en bestedingsvrijheid van de gemeenten, binnen de (globale) koorden van rijksvoorschriften, zoals een landelijk beleidskader.

Of met het beleid effect wordt gesorteerd is mede afhankelijk van de situatie op de arbeidsmarkt. Wanneer scholen er door de krapte op de arbeidsmarkt onvoldoende in slagen voldoende personeel van goede kwaliteit aan te trekken, wordt een verbetering van de kwaliteit van het geboden onderwijs moeilijker gerealiseerd. Ook het vermogen van scholen en schoolbesturen een eigen beleid te voeren is mede bepalend voor de mate waarin scholen autonoom en vernieuwend werken.

3. VOORTGEZET ONDERWIJS

3.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het hoofddoel van het voortgezet onderwijs is leerlingen in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 à 18 jaar het voor hen hoogst haalbare en meest passende onderwijsdiploma te laten halen waarmee ze recht hebben op toegang tot het vervolgonderwijs en voorbereid worden op het bereiken van een volwaardige arbeidsplaats in de samenleving. Om dit doel te bereiken zijn in 2002 diverse beleidsinstrumenten ingezet die in paragraaf 3.3 zullen worden geëvalueerd. Daarbij dient men zich te realiseren dat onderwijsbeleid lange termijnbeleid is.

3.2 Stelsel: de staat van de sector voortgezet onderwijs

3.2.1 Toegankelijkheid

Het stelsel van voortgezet onderwijs kent een evenwichtige spreiding van onderwijslocaties. De 675 scholen zijn gehuisvest in circa 2 700 gebouwen (schatting). Daarmee wordt bereikt dat elke leerling een school(gebouw) van de gewenste onderwijssoort in zijn/haar omgeving aantreft.

Uitgaande van het basisschooladvies en (veelal) de Cito-toets en rekening houdend met de richting van de school staat niets een leerling in de weg om de school van zijn/haar keuze te bezoeken. Praktisch alle leerlingen in de leerplichtige leeftijd volgen vanaf 11/12 jaar een school voor het voortgezet onderwijs.

De grote spreiding van onderwijssoorten, van praktijkonderwijs tot en met het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs voorziet in de vraag. Er zijn geen signalen dat de vrijwillige ouderbijdrage of het schoolgeld als onoverkomelijke bezwaren worden aangevoerd voor het schoolbezoek.

3.2.2 Variëteit

Vanaf 1 augustus 2002 hebben alle vmbo-scholen in de bovenbouw, de vier leer-wegen ingevoerd. Bovendien is op 1 augustus 2002 de omzetting van het oude speciaal onderwijs vso-lom/mlk in vmbo-lwoo en/of scholen/afdelingen voor praktijkonderwijs voltooid.

De toegang tot de vmbo-lwoo en het praktijkonderwijs kan vanaf 1 augustus 2002 alleen verkregen worden via een beschikking van een Regionale Verwijzings-Commissie. Asielzoekers leerlingen kunnen de RVC-toelatingstest niet afleggen zonder een zekere kennis van de Nederlandse taal. Bovendien diende aan de ongelijke positie van scholen zonder lwoo/pro afdelingen ten opzichte van scholen met een dergelijke afdeling een einde te worden gemaakt.

Daarom ontvangen de scholen voor asielzoekers leerlingen die op 1 oktober 2002 geteld zijn vanaf 1 augustus 2003 voor het eerste schooljaar een gunstiger leraar/leerling ratio op basis van de Cumi-vo-regeling, en kunnen deze leerlingen niet in aanmerking komen voor vmbo-lwoo of pro-onderwijs.

Voor de geraamde aantallen leerlingen basisvorming, bovenbouwen vmbo en avo, zie de begroting 2002.

3.2.3 Kwaliteit

De inspectie constateert op vele kwaliteitskenmerken hoge percentages (meer dan 80%) voldoende presterende scholen. Enkele kwaliteitskenmerken liggen lastiger. Het gaat dan om het aanbieden van de kerndoelen in de basisvorming plus de examenprogramma's in de bovenbouw van het algemeen vormend onderwijs. Daarnaast dalen de percentages van voldoende presterende scholen die er in slagen de leerlingen «actief en zelfstandig te laten leren» en die de kwaliteit «bewaken en verbeteren». Bij genoemde drie kwaliteitsdomeinen bedragen de aandelen onvoldoende presterende scholen respectievelijk 68, 47 en 62%. Voor overige (positief getinte) kwaliteitskenmerken, zie paragraaf 3.3.5.

In december 2002 ontving de Tweede Kamer de Voortgangsrapportage Deregulering waarin het beleid van autonomievergroting en deregulering de komende jaren verder gestalte krijgt. Deregulering en autonomievergroting is mogelijk door de per 1 augustus 2002 in werking getreden Wet op het onderwijstoezicht (WOT) waarmee toezicht en verantwoording over de kwaliteit van het onderwijs op schoolniveau geregeld wordt. Het streven is dat de overheid stuurt op hoofdlijnen. De school is verantwoordelijk voor goed (op de leerling afgestemd en toegesneden) onderwijs.

3.2.4 Bekostiging

Een voorbeeld van deregulering en autonomievergroting biedt de modernisering (verantwoording) van de bekostiging, waarmee in 2002 een voorbereidende stap is gezet. Inleidend overleg met de besturenorganisaties heeft plaatsgevonden. In dat kader zal ook de regeling nascholing onder de lumpsum bekostiging gaan vallen. Zodra de Wet leerlinggebonden financiering in werking treedt zal analoog de regeling «visueel of auditief gehandicapte leerlingen WVO» onder de lumpsum bekostiging gaan vallen.

Voor een uitgebreide toelichting op de vereenvoudiging van de bekostiging, zie de pagina's 98 tot en met 100 van de begroting 2003.

Voor deregulering, zie tevens paragraaf 3.3.9.

Kerncijfers voortgezet onderwijs

Tabel 3.1: Kerncijfers voortgezet onderwijs 2002
Totaal aantal ingeschreven leerlingen incl. cumi's875 233
Totaal aantal ingeschreven cumi's78 213
Totaal aantal normatieve fte's72 313
Waarvan onderwijzend58 459
Totaal aantal scholen675
Totaal aantal vestigingen1 094
Gemiddeld aantal leerlingen per school1 297
Gemiddeld aantal leerlingen per vestiging800
Gemiddeld aantal leerlingen per gebouwca 325
Bruto uitgaven per leerling excl. huisvesting (€)5 636
Lesgeld160 100

Kosten per leerling voortgezet onderwijs in internationaal perspectief

De efficiëntie van het voortgezet onderwijs in Nederland kan worden geoperationaliseerd in de kosten per leerling. Zoals sinds jaar en dag door de OECD gepubliceerd liggen deze kosten lager dan in de met ons vergelijkbare landen.

Grafiek 3.1: Uitgaven per leerling internationaal

kst-28880-16-3.gif

Bron: OECD Education at a Glance 2002, Nederlandse vertaling

Ten aanzien van het nog goedkopere Engeland is een kanttekening op zijn plaats. Leerlingen in de bovenbouw van dat voortgezet onderwijs – dat voorbereidt op het hoger onderwijs – hoeven slechts een beperkt aantal vakken te volgen, hetgeen lagere kosten voor het voortgezet onderwijs met zich meebrengt.

3.2.5 Rendement

Een indicator voor de kwaliteit en doelmatigheid van het onderwijs is het aantal leerlingen dat zonder studievertraging een diploma heeft behaald.

Tabel 3.2: Onvertraagde doorstroom in %
  2000/20012001/2002
Basisvormingvanaf leerjaar 1 naar leerjaar 39091
 havo 3 naar havo 48179
 vwo 3 naar vwo48685
Vmbovbo3 naar vbo-d8586
 mavo3 naar mavo-d8082
2e fasehavo4 naar havo-d6667
 vwo-4 naar vwo-d7068

Bron: Inspectie van het Onderwijs (Kwaliteitskaart)

In 2002 is in het voortgezet onderwijs gestart met de implementatie van het persoonsgebonden nummer (Onderwijsnummer). Het schooljaar 2002/2003 wordt gezien als een proefjaar. Wanneer de proef succesvol verloopt, zullen vanaf het schooljaar 2003/2004 de met behulp van het Onderwijsnummer verzamelde voortgezet onderwijs leerlinggegevens, beschikbaar komen. Voorbeeld: de mate waarin vmbo-leerlingen presteren in het eerste jaar van het mbo kan te zijner tijd nauwkeurig gevolgd worden.

3.2.6 Continuïteit

Financiële positie van het voortgezet onderwijs

Doelmatige financiering moet ervoor zorgen dat de door het rijk bekostigde scholen de in de aanhef van het hoofdstuk voortgezet onderwijs genoemde hoofddoelstelling kunnen realiseren. Daartoe moet de continuïteit van het stelsel van scholen verzekerd zijn. Om na te gaan hoe het scholenveld ervoor staat wordt de financiële positie van het veld gevolgd aan de hand van de ingediende jaarrekeningen.

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De financiële positie van het totale voortgezet onderwijs kan als «goed» gekwalificeerd worden. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat het beeld vertekend is. Extra middelen die het vorige kabinet beschikbaar heeft gesteld zijn laat in het jaar betaald (deze zitten nog in «kas»).

Analyse van de jaarrekeninggegevens van de instellingen over het meest recente verslagjaar 2001 laat zien dat de solvabiliteit en de rentabiliteit zijn toegenomen en de liquiditeit is afgenomen. De spreiding van de kengetallen is wel toegenomen, wat wijst op toenemende verschillen in de resultaten tussen de scholen. Hoewel het totale exploitatieresultaat is toegenomen is de financiële positie vrij stabiel.

Het exploitatieresultaat is ten opzichte van 2000 toegenomen met € 48,0 miljoen tot € 121,0 miljoen. Besturen/scholen die blijkens de financiële monitoring in hun continuïteit worden bedreigd worden nader onderzocht en zijn onderwerp van gesprek met het ministerie.

De financiële positie wordt geschetst aan de hand van de volgende drie kengetallen. Solvabiliteit zegt iets over de financiële positie voor de langere termijn. Het gaat om het aandeel van het eigen vermogen in het totaal vermogen. Liquiditeit laat de mate zien waarin de instelling haar korte termijnschulden kan terugbetalen. Rentabiliteit laat het resultaat zien van de instelling in een bepaald jaar: zijn de uitgaven en de inkomsten in evenwicht. Voor deze kengetallen met een signaalfunctie zijn kwalificaties gegeven op grond van de volgende normering:

Tabel 3.3: Financiële kengetallen
 19971998199920002001
Solvabiliteit 1 (excl. Voorzieningen)0,500,500,500,500,50
Solvabiliteit 2 (incl. Voorzieningen)0,670,670,670,660,67
Liquiditeit (current ratio)2,252,211,981,861,85
Rentabiliteit1,2%1,0%*1,0%*1,5%2,5%

*De rentabiliteit over in 1998 en 1999 heeft de kwalificatie matig/voldoende gekregen. Dit betekent dat er niet direct sprake is een zorgwekkende positie, maar dat extra oplettendheid geboden is. De overige kengetallen geven een gunstig beeld aan.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De instellingen voortgezet onderwijs zijn wettelijk verplicht om jaarlijks voor 1 juli de jaarrekening bij het ministerie van OCenW in te dienen. Hiermee wordt financiële verantwoording afgelegd over het afgelopen verslagjaar. De financiële gegevens in deze jaarrekeningen (in dit geval de jaarrekeningen 2001) vormen de basis voor deze paragraaf. Het ministerie van OCenW heeft aan de instellingen voortgezet onderwijs voorschriften verstrekt omtrent de wijze waarop zij de jaarrekening dienen op te stellen en in te richten. Deze voorschriften zijn opgesteld met in achtneming van bedrijfseconomische principes, zoals verwoord in het Burgerlijk Wetboek.

Het is de taak van de instellingsaccountants om te controleren of de instelling de voorschriften heeft nageleefd bij het samenstellen van de jaarrekening. In de accountantsverklaring moet de naleving van de door OCenW voorgeschreven richtlijnen zelfs worden verklaard. OCenW heeft per jaarrekening getoetst of er een goedkeurende accountantsverklaring is verstrekt. Voor het verslagjaar 2001 is het voor het eerst mogelijk gemaakt om de jaarrekening elektronisch bij OCenW in te dienen. In verband met vermindering van administratieve lasten voor de instellingen zal deze ontwikkeling verder gestimuleerd worden. Het in beeld brengen van de totale financiële positie van het voortgezet onderwijs doet recht aan het beleid gericht op sterke, zelfstandige instellingen (zie «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen», in het hoofdstuk Voortgezet Onderwijs onder het kopje Financiën van Instellingen).

Tenslotte

Het externe onderzoek van eind 2001 (zie paragraaf 3.3.9) richtte zich specifiek op de toereikendheid van de materiële bekostiging. Naast dit onderzoek worden de jaarrekeningen van de scholen voor voortgezet onderwijs jaarlijks geanalyseerd. In de jaarverslagen 2000 en 2001 zijn de uitkomsten van de eerste twee bsm-monitors opgenomen, gebaseerd op de jaarrekeningen 1999 en 2000. Op basis van de bsm-monitors konden geen uitspraken worden gedaan over de toereikendheid van specifiek de materiële bekostiging. Omdat bij het hanteren van de monitor als instrument om de toereikendheid van de materiële bekostiging te bepalen enige voorzichtigheid geboden is.

Door de lumpsumbekostiging en bestedingsvrijheid kan bijvoorbeeld geen één-op-één relatie gelegd worden tussen inkomsten en uitgaven. Het is niet mogelijk onderscheid te maken tussen de materiële uitgaven die betaald worden vanuit de (materiële) rijksbijdrage of vanuit de overige inkomsten. Bij de analyse van de financiële jaarverslagen zijn daarom enkele aannames gemaakt met betrekking tot de toedeling van baten aan lasten, onder andere op basis van een onderzoek van Regioplan uit 1998.

Scholen geven ook aan te opereren binnen de beschikbare financiële kaders. Dat betekent dat een af- of toename van bijvoorbeeld de post «overige inkomsten» (in 2001 ruim € 300 miljoen) zal leiden tot een af- of toename van de uitgaven. Met andere woorden: scholen zullen de «tering naar de nering» zetten.

De monitoruitkomsten beantwoordden dus niet de vraag of het daadwerkelijke uitgavenniveau toereikend is om de leeromgeving duurzaam in de gewenste staat te brengen en te houden, maar kunnen een indicatie geven van mogelijke knelpunten.

Dit jaar is bij de analyse van de jaarrekeningen van de scholen voortgezet onderwijs de nadruk gelegd op de onderlinge samenhang tussen de personele en materiële component. Dit betekent dat de monitortabel zoals opgenomen in de jaarverslagen 2000 en 2001 is vervangen door de gecumuleerde balans en exploitatierekening van de scholen voortgezet onderwijs. Het in beeld brengen van de totale financiële positie van de scholen voortgezet onderwijs (zie «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen») doet recht aan het beleid gericht op sterke, zelfstandige instellingen. Ook ligt het in lijn met één van de doelstellingen bij de invoering van de lumpsumbekostiging, namelijk het vergroten van de beleidsruimte van scholen.

Uit onderzoek van Regioplan blijkt dat de meeste scholen bij hun interne bestedingsbeslissingen werken op basis van een integrale bedrijfsvoering en niet (meer) werken met een onderscheid tussen personeel en materieel qua toedeling van de inkomsten. Ook in de OCenW-richtlijnen voor de jaarverslaggeving wordt dit onderscheid naar personeel en materieel, voor wat betreft de inkomsten, niet gemaakt. De mate van toereikendheid van specifiek de materiële bekostiging zal, conform de wet, weer over 5 jaar worden onderzocht. Dit betekent dat de Kamer hierover uiterlijk in 2007 zal worden geïnformeerd.

3.3 Operationele doelstellingen

3.3.1 Basisvorming

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met de basisvorming wordt beoogd het algemeen peil van het jeugdonderwijs te verhogen en de studie- en beroepskeuze van leerlingen uit te stellen. Dit is in de wet vastgelegd. De basisvorming is in 1993 gefaseerd ingevoerd en daarna geëvalueerd (Inspectie van het Onderwijs, Werk aan de basis, 1999).

We hebben nog niet helemaal bereikt wat we wilden bereiken. De inspectie gaf in 1999 aan dat het programma basisvorming overladen en versnipperd was en dat scholen onvoldoende recht konden doen aan verschillen tussen leerlingen. In algemene zin was het probleem dat het aanbieden van het programma basisvorming aan alle leerlingen voor scholen onvoldoende organiseerbaar was. Daar moest dus wat aan gedaan worden. Met de (tijdelijke) maatregelen wordt beoogd de knelpunten ten aanzien van het overladen programma en de versnippering te verminderen en ervoor te zorgen dat scholen een zo hoog mogelijke dekkingsgraad van de kerndoelen realiseren. De bijstelling behelst deregulering van het onderwijsaanbod en is tijdelijk van aard.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2001 zijn (tijdelijke) maatregelen getroffen met als doel scholen beter in staat te stellen de doelstellingen van de basisvorming te realiseren (OCenW, Ruimte voor kwaliteit in de basisvorming, 2000).

De effectiviteit van de «tijdelijke maatregel» wordt bepaald door de mate waarin scholen de doelstellingen van de basisvorming sinds 2001 beter kunnen realiseren dan in de periode 1993–2001. Omdat de maatregel pas vanaf het schooljaar 2001/2002 van kracht is, is het niet mogelijk om nu al aan te geven of de maatregel bijdraagt aan de effectiviteit van het programma basisvorming. Indicatief zijn wel de geluiden uit het scholenveld dat de organiseerbaarheid van het programma is toegenomen.

Alle scholen die de inspectie in 2001/2002 bezocht boden de 15 verplichte vakken aan, zoals bedoeld met de tijdelijke maatregelen. Op ruim 90% van de scholen vindt de inspectie waarborgen aanwezig voor een evenwichtig leerstofaanbod in de basisvorming (Onderwijsverslag 2002). Dat wil zeggen, scholen maken een evenwichtige keuze uit het grote aantallen kerndoelen. In het schooljaar 2001/2002 boden de scholen 68% van alle door de overheid voorgeschreven kerndoelen basisvorming aan. In het schooljaar 2000/2001 was dat nog 51%. Vervolgens constateert de inspectie minder knelpunten in de doorstroom van basisvorming naar de bovenbouw (2002: 83% voldoende, 2001: 79%).

Dit suggereert dat de kwaliteit van de basisvorming in termen van opbrengst (goede doorstroom) omhoog is gegaan omdat, door de tijdelijke maatregelen, scholen de wettelijke kaders minder naar de letter hoeven te volgen en er beter in slagen eigen professionele keuzes te maken. De positieve geluiden uit de scholen over de verbeterde organiseerbaarheid van het programma ondersteunen deze veronderstelling.

Dit pleit er des te meer voor om de kerndoelen basisvorming tegen het licht te houden. Met die opdracht is op 9 oktober 2002 de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming ingesteld. Verzocht is te adviseren over de inrichting van de onderbouw van het voortgezet onderwijs, waarmee enerzijds de doelstellingen van de basisvorming kunnen worden gerealiseerd en anderzijds het onderwijs beter te organiseren is. Scholen zullen hiermee vanaf 2004 aan de slag kunnen.

Het percentage leerlingen dat doorstroomt in het derde leerjaar naar de havo/vwo richtingen is licht stijgende. Het aandeel leerlingen afkomstig uit de culturele minderheden stijgt mee.

Tabel 3.4: Aantal en procentuele verdeling van havo en vwo leerlingen in het derde leerjaar t.o.v. alle vo-leerlingen.
 1998/1999 1999/2000 2000/2001 2001/2002 2002/2003
 aantal%aantal%aantal%aantal%aantal%
Havo/vwo 3e leerjaar70 9008,374 1008,678 1009,177 5008,978 8009,0

Bron: Cfi (ILT, cumi-telling)

Toelichting: in 2002/2003 zaten er 78 800 havo en vwo leerlingen in het derde leerjaar. Dat is 9% van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs.

Tabel 3.5: Aantal en procentuele verdeling van cumi-leerlingen in het derde leerjaar havo en vwo t.o.v. alle leerlingen in 3 havo en 3 vwo.
 1998/1999 1999/2000 2000/2001 2001/2002 2002/2003
 aantal%aantal%aantal%aantal%aantal%
Cumi-leerlingen havo/vwo 3e leerjaar2 7003,82 9003,93 0003,82 9004,13 0004,3

Bron: Cfi (ILT, cumi-telling)

Toelichting: in 2002/2003 zaten er in het derde leerjaar van het havo en vwo 3 000 cumi-leerlingen. Dat is 4,3% van alle havo en vwo leerlingen in het derde jaar.

In het schooljaar 2001/2002 is het aantal leerlingen dat naar havo/vwo doorstroomt voor het eerst in een aantal jaren lager dan het voorgaande jaar. Daar staat tegenover dat meer leerlingen uit culturele minderheden naar deze schoolsoorten gaan. Wellicht komt dit door een positievere uitstraling van het vmbo.

Tijdens de twee of drie jaren waarin de leerlingen de basisvorming volgen worden zij geleid naar de vmbo-leerwegen of de bovenbouw havo of vwo. Voor de leerlingen zijn dit belangrijke keuzes. Eerst in de loop van de basisvorming ontstaat duidelijkheid; zie in onderstaande tabel de verschillen tussen het advies van de basisschool en de onderwijssoort die de leerlingen na het tweede schooljaar volgen. De tabel geeft inzicht in de effectiviteit van het onderwijs.

Tabel 3.6: Adviesstructuur
  (i)vbomavohavovwo
Adviesstructuur na 2e leerjaar
Advies onder niveau in98/9923%17%37%62%
Advies onder niveau in99/0023%18%37%60%
Advies onder niveau in00/0125%17%35%60%
Adviesstructuur na 2e leerjaar
Advies op niveau in98/9945%45%33%38%
Advies op niveau in99/0045%44%33%40%
Advies op niveau in00/0145%45%34%40%
Adviesstructuur na 2e leerjaar
Advies boven niveau in98/9932%38%31%0%
Advies boven niveau in99/0033%39%30%0%
Advies boven niveau in00/0130%38%31%0%

Bron: Inspectie van het Onderwijs

Toelichting: In de tabel is te lezen welk deel van de leerlingen volgens het (basisschool)advies na het 2e leerjaar te laag of te hoog in een bepaalde schoolssoort zit. In het schooljaar 2000/2001 zat bijvoorbeeld 17% van de leerlingen op het mavo met een lager advies. In hetzelfde schooljaar zat 38% van de leerlingen met een hoger advies op het mavo.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

OCenW heeft voor de inrichting van de basisvorming middelen beschikbaar gesteld aan scholen en ondersteuningsinstellingen voor (door-)ontwikkeling van de basisvorming in de scholen. Het betreft:

• Vernieuwingsgelden voor schoolontwikkeling (€ 27,2 miljoen) die onder andere voor de ontwikkeling van de basisvorming op schoolniveau ingezet kunnen worden;

• Projectsubsidies voor (her)ontwerp van de basisvorming, onder andere een groot VVO-project. Scholen hebben hierin activiteiten ondernomen gericht op herinrichting van de basisvorming. Daarin werden ze ondersteund;

• SLOA-middelen ten behoeve van de ontwikkeling door SLO van vakdossiers van de vakken in de basisvorming. Deze vakdossiers, met een uitvoerige beschrij-ving van de verschillende vakken, leveren een bijdrage aan de werkzaamheden van de recent ingestelde Taakgroep Vernieuwing Basisvorming.

• Zie verder de tabel 3.12.

De «tijdelijke maatregelen» hebben als zodanig geen geld gekost.

3.3.2 Tweede fase havo/vwo

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Voor de tweede fase havo/vwo zijn in de wet twee hoofddoelen vastgelegd:

• Verbetering van de aansluiting tussen het voortgezet en het hoger onderwijs, zowel tussen havo en hbo als tussen vwo en wo;

• Modernisering en actualisering van de inhoud en de werkwijze binnen het havo en vwo.

Verbetering aansluiting voortgezet en hoger onderwijs (hbo en wo)

De aansluiting tussen voortgezet en wetenschappelijk onderwijs komt tot uitdrukking in:

• het percentage leerlingen dat naar het hoger onderwijs doorstroomt (zie Kerncijfers 1998–2002 OCenW);

• het daarbij gerealiseerde succes in het vervolgonderwijs (zie tabel 3.7 hierna);

• de keuze binnen het hoger onderwijs: de tweede fase zou mede als gevolg moeten hebben dat vwo-gediplomeerden kiezen voor het wo in plaats van het hbo en havo-gediplomeerden vaker kiezen voor het hbo in plaats van het mbo (zie Kerncijfers 1998–2002 OCenW);

• uiteraard past bij de ambitie tot verbetering van de doorstroom van havo- en vwo-gediplomeerden dat het aantal leerlingen dat het diploma behaalt tenminste op het oude niveau blijft en dat dit niet met meer vertraging (doubleren) gepaard zal gaan (zie Kerncijfers 1998–2002 OCenW). Hoewel marginaal, zijn in de 2e fase de percentages zittenblijvers op het havo gedaald en op het vwo gestegen.

Onderstaande tabel geeft een indicatie voor het succes van de tweede fase.

Tabel 3.7: Percentage gediplomeerde havo en vwo studenten dat na 1 jaar hoger onderwijs de propedeuse haalt
  2001
havo-hbomeisjes76
 jongens87
vwo-hbomeisjes89
 jongens93
vwo-womeisjes73
 jongens83

Bron: OCenW/Cfi-IBG

Omdat 2001 het eerste jaar was waarin een aanzienlijk aantal van de havo- en vwo-leerlingen nieuwe stijl het diploma behaalden, heeft medio 2002 het eerste cohort van deze leerlingen het eerste studiejaar van het hoger onderwijs achter de rug. Daarover zijn nog geen totaalcijfers bekend. Wel zijn er uit een aantal instellingen onderzoeksgegevens beschikbaar die een indruk geven van de mate waarin deze nieuwe stroom leerlingen is voorbereid op het hoger onderwijs.

Aansluiting vwo en wetenschappelijk onderwijs

Onderzoeksinstituut IOWO voert een jaarlijks onderzoek uit («Instroommonitor») onder eerstejaars universiteitsstudenten, waarin ook de tevredenheid over de aansluiting tussen voortgezet en wetenschappelijk onderwijs aan de orde komt. In het studiejaar 2001–2002, het eerste jaar waarin een deel van de nieuwe studenten via de nieuwe tweede fase op de universiteit waren voorbereid, bleek dat vwo-ers nieuwe stijl de aansluiting vwo-wo in vergelijking met vwo-ers oude stijl als beter beoordelen op het gebied van studievaardigheden zoals zelfstandig studietaken aanpakken, kunnen plannen, communicatieve vaardigheden, ict-vaardigheden en basale onderzoeksvaardigheden. Minder tevreden tonen de vwo-ers nieuwe stijl zich op het gebied van de vakinhoudelijke kennis, met name binnen de sector techniek. Bij deze gegevens past de kanttekening dat het hier gaat om meningen, nog niet om feitelijke studieresultaten. Tevens gaat het hier om een jaargang studenten, waarin de vwo-ers nieuwe stijl nog een minderheid vormen.

Over de feitelijke prestatie van vwo-ers nieuwe stijl op de universiteit zijn enkele deelonderzoeken beschikbaar. Aan de Universiteit van Amsterdam zijn de cijfers van propedeuse-studenten biologie en biomedische wetenschappen geanalyseerd; die van de vwo-ers nieuwe stijl bleken over het gehele jaar significant hoger dan die van (vergelijkbare) vwo-ers oude stijl. Aan de Katholieke Universiteit Nijmegen hebben vwo-ers nieuwe stijl in het studiejaar 2001/2002 gemiddeld twee studiepunten meer behaald dan hun medestudenten die vwo-oude stijl, zo blijkt uit onderzoek. Uiteraard betreft het hier nog slechts beperkte gegevens, gebaseerd op ervaringen van slechts één jaar. Veel aandacht dient dan ook uit te gaan naar de ervaringen die in de komende jaren worden opgedaan.

Aansluiting havo en hoger beroeps onderwijs

Omdat het havo zijn nieuwe-stijl leerlingen een jaar eerder afleverde, is op de hogescholen al wat meer ervaring beschikbaar. Gegevens hierover waren al in 2001 beschikbaar gekomen vanuit met name de Hanze Hogeschool Groningen, Fontys en de Saxion Hogeschool. Meer recent zijn resultaten beschikbaar gekomen van de Haagse Hogeschool, Hogeschool Leiden en TH Rijswijk. De uitkomsten van deze instellingen zijn in hoge mate gelijkluidend.

Het belangrijkste verschil dat aan het licht treedt is, dat de profiel-instromers de overgang naar hbo als minder groot ervaren dan de leerlingen voortgezet onderwijs oude-stijl. Daarnaast beschikken de profielleerlingen over meer algemene vaardigheden, zoals zelfstandig studeren, samenwerken in groepen, een actieve opstelling en omgaan met ICT. De studenten nieuwe stijl kunnen ook beter reflecteren op de eigen studievaardigheden, en hun schriftelijke uitingen worden hoger aangeslagen. Wel blijkt, evenals bij vwo-ers, bij sommige vakken de zuiver vakmatige kennis wat geringer dan voorheen. Dit punt geldt echter zeker niet voor alle vakken.

De beoordeling van de docenten over deze verschuivingen vallen over het algemeen positief uit. Echt zorgelijk wordt de teruggang in kennis niet gevonden, zolang ze de hoofdlijnen blijven zien: minder kennis is repareerbaar. Dat algemene studievaardigheden vooruit zijn gegaan wordt door de docenten als belangrijker beoordeeld.

Modernisering en actualisering van inhoud en werkwijze in havo en vwo

Met profielen (verplichte combinaties van vakken) en nieuwe examenprogramma's (een omschrijving van kennis en vaardigheden die aan het einde van de opleiding dienen te worden beheerst) is de nieuwe inhoud van het onderwijs vastgelegd. Een nieuwe werkwijze is niet bij regelgeving opgelegd, maar dit is bevorderd door het benadrukken van de voordelen van meer zelfstandig leren, met het «studiehuis» als metafoor voor de school die de leerling hiertoe optimaal in staat stelt.

Het SLO heeft in het kader van het kwaliteitsbeleid het project kwaliteitszorginstrument tweede fase uitgevoerd. Conform de opdracht is een digitaal instrument ontwikkeld dat scholen de mogelijkheid biedt te meten welke punten aangaande de schoolontwikkeling en/of ontwikkeling van de tweede fase voor verbetering vatbaar zijn dan wel reeds succesvol verlopen. Hierbij wordt gewerkt met zogenaamde quickscans die ontstaan door schoolleiders, leraren, leerlingen en ouders digitale vragenlijsten te laten invullen. Het instrument brengt de antwoordresultaten in beeld, vergelijkt de totaalscores van de verschillende respondentgroepen en biedt mogelijkheden tot diagnoses en verbeteracties.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Sinds de invoering van de nieuwe tweede fase in 1999 is uit diverse onderzoeken gebleken (onder meer Onderwijsverslag 2002) dat de examenprogramma's en de profielen lijden aan een zekere mate van overladenheid en versnippering. Dit heeft geleid tot tijdelijke verlichtingsmaatregelen en voor de langere termijn tot voorstellen voor bijstelling van het systeem (notitie Continuïteit en Vernieuwing).

Deze voorstellen worden in 2003, in samenspraak met het onderwijsveld, nader geconcretiseerd. Vooruitlopend hierop is reeds bij brief aan de Tweede Kamer (6 december 2002) meegedeeld, dat op een aantal punten per 1 augustus 2003 kleine aanpassingen in de examenprogramma's zullen worden aangebracht, die leiden tot een vermindering van belasting voor scholen en leraren en waar mogelijk tot een grotere keuzevrijheid.

Mede als gevolg van de bovengenoemde knelpunten is op de meeste scholen een breed didactisch handelen zoals in het «studiehuis» kan worden verwacht nog niet in volle omvang tot stand gekomen. Verwacht kan worden dat dit op langere termijn meer het geval zal zijn, door gewenning van de docenten en ook door de bovengenoemde maatregelen, die moeten leiden tot het wegnemen van huidige knelpunten.

Overigens hebben de genoemde aanloopproblemen geen negatieve invloed gehad op het percentage leerlingen dat in het nieuwe systeem voor het havo- en vwo-examens is geslaagd: dit percentage is zelfs wat hoger dan in voorafgaande jaren.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De bekostiging van de leerjaren 4 en hoger op havo en vwo is niet veranderd als gevolg van de nieuwe tweede fase. Wel zijn ten tijde van de invoering (1998 en 1999) éénmalige bedragen beschikbaar gesteld ten behoeve van personeel (voorbereidingstijd) en materieel (mediatheek, aanpassing gebouw). Zie verder onder tabel 3.11.

Welke informatie is in 2002 aan de Kamer gezonden?

• Continuïteit en Vernieuwing, Tweede Kamer 2001–2002, 28 000 VIII, nr. 98.

• Aanpassingen havo/vwo per 1 augustus 2003, VO/BOB/2002/565 471, d.d. 6 december 2002.

3.3.3 VMBO

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In 1998 is besloten het mavo en het vbo te herstructureren tot het vmbo waarbij de diverse opleidingen zijn omgezet in leerwegen. Het vmbo is per 1 augustus 2002 ingevoerd. Het doel van deze operatie is meerledig:

• het vergroten van een succesvolle doorstroom vmbo-roc met als doel het halen van een startkwalificatie;

• de nieuwe structuur moet zoveel mogelijk leerlingen een kans bieden het vmbo-diploma te behalen, voorwaarde is evenwel dat alle scholen op 1 augustus 2002 de leerwegen hebben ingevoerd;

• volledige integratie van lom en mlk in het voortgezet onderwijs en voor wat betreft het lom binnen de scholen voor vmbo;

• budgettering van de zorgstructuur;

• het verlagen van het voortijdig schoolverlaten in de periode 2002–2006.

Op dit moment is het niet mogelijk om aan te geven in hoeverre het doel van deze operatie is bereikt. Een deel van de scholen heeft de nieuwe vmbo-leerwegen op 1 augustus 2001 ingevoerd en een deel op 1 augustus 2002. De eerste centrale examens vmbo zullen in april 2003 worden afgelegd. De leerwerktrajecten binnen de basisberoepsgerichte leerweg zijn per 1 augustus 2002 gestart. Eerst in 2006 zal een structureel beeld ontstaan rond het effect van de beoogde doelen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Gestart is tevens met het inventariseren van belemmerende wetgeving rond het vmbo en de doorstroom naar mbo (als onderdeel van de beroepskolom).

Grafiek 3.2: Leerlingen naar bestemming Gediplomeerde vbo-leerlingen naar bestemmingGediplomeerde mavo-leerlingen naar bestemming

kst-28880-16-4.gifkst-28880-16-5.gif

Bron: OCenW

Toelichting gediplomeerden naar bestemming:

Meer dan 50% van de vbo-leerlingen vervolgt na behaling van het eindexamen hun opleiding op het bol. Een zeer klein deel komt terug in het (i)vbo. Waarschijnlijk gaat het hier met name om herprofileerders die op het vbo een andere/aanvullende richting volgen. De twee gelijke delen van ruim 20% gaan naar het bbl of verlaten het onderwijs. De groep onderwijsverlaters is de snelst groeiende groep.

Bijna 70% van de gediplomeerde mavo-leerlingen gaat naar het bol. De stroom naar het havo wordt van jaar op jaar dunner. Ook hier neemt de groep onderwijsverlaters zonder arbeidsmarktkwalificatie toe.

Start met leerwegen/nieuwe examens

In de periode tot 1 augustus 2002 zijn alle scholen in staat gesteld maatregelen te treffen om met de leerwegen te starten. Een deel van de scholen is per 1 augustus 2001 gestart, de rest per 1 augustus 2002. Door middel van extra financiering, voorlichting en scholing, hulpmiddelen en extra ondersteuning van een projectorganisatie vmbo zijn de scholen geholpen. Via diverse experimenten is ervaring opgedaan met de nieuwe (centrale) examinering in het vmbo. In 2003 (eerste lichting van het schooljaar 2002/2003) wordt deze voor alle scholen verplicht.

Binnen de basisberoepsgerichte leerweg is tevens een project gestart rond leerwerktrajecten. Dit project gaat ervan uit dat voor een bepaalde groep leerlingen de kans van het behalen van het diploma groter wordt door in de praktijk reeds ervaring met de uitwerking van de theorie op te doen. De Tweede Kamer heeft ingestemd met het opnemen van deze pedagogisch/didactische benadering binnen de basisberoepsgerichte leerweg in de WVO. Een verdere uitbreiding naar de andere leerwegen is in studie.

Integratie lom/mlk en zorgstructuur

De omzetting van het lom en het mlk tot lwoo en praktijkonderwijs is op 1 augustus 2002 volledig afgerond. Alle scholen en afdelingen voor lom zijn omgezet in leerwegondersteunend onderwijs binnen het vmbo. Alle scholen of afdelingen voor mlk zijn omgezet in scholen voor praktijkonderwijs of afdelingen voor praktijkonderwijs aan vmbo-scholen. De juridische omzetting/integratie is geslaagd. Aan de feitelijke onderwijsinhoudelijke integratie wordt nu gewerkt. Deze integratie moet tevens leiden tot een kwalitatief beter zorgaanbod binnen het vmbo en pro.

Budgettering zorgstructuur

Om het vmbo-diploma te halen heeft een aantal leerlingen extra zorg nodig. De vraag om zorg en daarmee de kosten nam dermate toe dat in 1998 besloten is tot een budgettering van de zorg. Bij de uitwerking van de voorstellen bleek dit niet haalbaar. Teneinde toch de groei enigszins af te remmen is in overleg met het veld gekozen voor een gemengd model. Dit houdt in een financiering van geïndiceerde leerlingen voor lwoo en pro op basis van een vooraf vastgestelde lijst van geaccepteerde toetsen en testen. Voor alle overige leerlingen is een bovenschools zorgbudget per samenwerkingsverband beschikbaar.

Alle scholen voor vmbo en praktijkonderwijs zijn opgenomen in samenwerkingsverbanden. Dit samenwerkingsverband maakt een zorgplan. Voor de geïndiceerde leerlingen is een handelingsplan verplicht. De inrichting van de RVC-structuur (Regionale Verwijzings Commissies), de procedure rond de indicatieaanvraag en afhandeling en de vasttelling en publicatie van de eerder genoemde lijst is bij ministeriële regeling vastgelegd. Vanaf het schooljaar 2003/04 zal dit gebaseerd zijn op een AMvB.

Uit de cijfers van de integrale leerlingtelling (ILT) per 1 oktober 2001 en 2002 is zichtbaar dat de extreme groei in het aantal geïndiceerde zorgleerlingen zich niet meer voordoet. Er is zelfs sprake van een lichte stabilisatie van geïndiceerde leerlingen.

Verlaging ongediplomeerde uitval en verbeterde doorstroom

De feitelijke streefwaarden van de vmbo-operatie en de daaraan gerelateerde doelen worden eerst in de komende jaren zichtbaar. Op basis van de vmbo-monitor (oktober 2002) en voor wat betreft de zorgstructuur de zorgmonitor 2002 (januari 2003) blijkt dat de invoering gehaald is en dat in de komende jaren nog gewerkt moet worden aan een verdere invulling en verfijning van de leerwegen en de kwaliteit van de zorg.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het vorige kabinet heeft bij voorjaarsnota 2001 intensiveringsmiddelen voor het actieprogramma vmbo/beroepskolom beschikbaar gesteld. Het betreft structureel € 55 miljoen. Hiernaast zijn nog projectsubsidies en sloa-middelen ingezet resp. € 6,2 en € 5,4 miljoen. De geraamde en de feitelijke kosten komen overeen. Zie verder tabel 3.11.

3.3.4 Praktijkonderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De leerlingen die niet in staat zijn om een vmbo-diploma te halen worden opgevangen in het praktijkonderwijs met als doel deze leerlingen naar de regionale arbeidsmarkt te geleiden. Gezien de recente start van het praktijkonderwijs is daar nu nog geen uitspraak over te doen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Ja, met de omzetting naar scholen en afdelingen voor praktijkonderwijs hebben we het volgende tot stand gebracht:

• integratie van het onderwijs aan moeilijk lerende kinderen binnen het voortge-zet onderwijs en in het bijzonder het vmbo;

• verbeteren van de aansluiting praktijkonderwijs met de lokale arbeidsmarkt;

• het opnemen van de scholen voor praktijkonderwijs binnen de samenwerkings-verbanden vmbo;

• uitwisselen van expertise op het gebied van zorg aan leerlingen in het vmbo.

Om dit te bereiken was het noodzakelijk dat alle scholen en afdelingen voor mlk per 1 augustus 2002 zouden zijn omgezet in scholen of afdelingen voor praktijk-onderwijs (pro). Dit is ook gebeurd. Het merendeel is omgezet in scholen voor praktijkonderwijs (pro). Een aantal heeft direct de aansluiting bij het vmbo gezocht via een afdeling voor praktijkonderwijs.

Op deze wijze is juridisch de eerste doelstelling gehaald. De onderwijskundige integratie is volop in gang gezet. Bij enkele scholen zelfs al volledig gerealiseerd. Voor de tweede doelstelling zullen de gegevens van de komende jaren uitsluitsel moeten geven. Via een wettelijke bepaling is doelstelling drie juridisch gerealiseerd. Bij een aantal samenwerkingsverbanden is ook al sprake van een uitwisseling van expertise. De noodzakelijke structuur is gerealiseerd. Voor de verdere invulling zullen de scholen nog tijd nodig hebben. Bij de behandeling van de VMBO-monitor in oktober 2002 is dit de Kamer gemeld.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Binnen de begroting 2002 waren overgangsvoorzieningen tot een bedrag van € 4 miljoen geraamd voor de omzetting van mlk tot pro. De feitelijke kosten komen overeen met de raming.

3.3.5 Kwaliteit

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is dat in 2005 de overgrote meerderheid van de scholen over een systeem van kwaliteitszorg beschikt. Onder het begrip kwaliteitszorg verstaat de projectgroep Q5: «de permanente, systematische en cyclische aandacht voor het bepalen (evalueren), bewaken en verbeteren van «kwaliteit».»

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om scholen te ondersteunen bij de invoering en verbetering van een kwaliteitszorgsysteem is in 2000 gestart met het Q5 project. Teneinde na te gaan of het Q5 project effect sorteert worden er door het bureau Van Beekveld en Terpstra periodieke voortgangsmetingen gehouden voor het in kaart brengen van de ontwikkeling(en) inzake kwaliteitszorg bij de scholen voor voortgezet onderwijs en voor de bepaling van de relatieve bijdrage van het project «Q5» aan deze ontwikkeling(en) van kwaliteitszorg als aanwijsbaar gevolg van de activiteiten van het project, de deelprojecten en de projectgroep. De nulmeting was in het voorjaar 2000 de vervolgmeeting in december 2001.

Enkele resultaten uit de vervolgmetingen zijn:

• De aandacht voor kwaliteitszorg op scholen neemt toe. De nadruk blijft liggen op het onderwijs en het onderwijzend personeel;

• Scholen passen in toenemende mate de principes vanuit (onder andere) de kwaliteitszorg toe (meetbaar maken van doelstellingen, tevoren bepalen van normen). Daarentegen zijn scholen minder goed in staat, wellicht door de toenemende informatiestroom, de bereikte resultaten van kwaliteitszorg toegankelijk te maken en te ordenen;

• Er zijn voldoende instrumenten voor kwaliteitszorg beschikbaar. Het is wel de vraag in hoeverre deze voldoen aan de wensen en eisen van de gebruikers, de scholen. De scholen zijn in toenemende mate in staat hun eigen koers te bepalen met betrekking tot kwaliteitszorg. Externe ondersteuning is (op den duur) in mindere mate noodzakelijk. Scholen maken in toenemende mate gebruik van kengetallen, waarbij de «externe» oriëntatie van scholen toeneemt;

• Bijna 60 procent van de scholen hanteert periodiek een vorm van zelfevaluatie.

Naast deze monitoring via het Q5 project, maakt het beschikken over een systeem van kwaliteitszorg deel uit van de periodieke kwaliteitsonderzoeken van de inspectie. Ook de inspectie rapporteerde in het Onderwijsverslag 2001 een percentage van 60 procent bij de scholen voortgezet onderwijs met zo`n kwaliteitszorgsysteem. Vanaf de invoering van de WOT in 2002 is de inspectie strengere criteria gaan aanleggen voor het beschikken over een voldoende mate van kwaliteitszorg bij scholen. Het Onderwijsverslag 2002 maakt dan ook melding van een percentage van 40 procent van de scholen voortgezet onderwijs dat voldoende scoort. Dat zijn met name grotere scholen (bijna 50 procent, bij kleinere scholen 33 procent).

Evenals in het Onderwijsverslag 2001 meldde de inspectie over 2002 een toenemende aandacht voor kwaliteitszorg op scholen voortgezet onderwijs. Ondanks het aanleggen van andere strengere criteria is de conclusie dat het beleid ter bevordering van kwaliteitszorg positief uitwerkt, zij het niet in een tempo als gewenst. Gezien de omvangrijke onderwijsvernieuwingen die scholen doorvoeren, worden er geen extra beleidsimpulsen ingezet op de invoering van kwaliteitszorg.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Aan de besturenorganisaties en de Vereniging voor Voortgezet Onderwijs is een subsidie verstrekt van circa € 0,5 miljoen per jaar, gedurende vijf jaar.

Kwaliteit resultaten volgens internationale maatstaven

In de begroting over 2002 is als ambitie geformuleerd dat Nederlandse leerlingen gemiddeld in internationaal vergelijkende assessments bij de drie beste Europese landen scoren. Dat is het geval geweest bij de PISA meting in 2000 (CITO 2001):

Tabel 3.8: PISA meting 2000
leesvaardigheidwiskundige vaardigheidvaardigheid science
FinlandNederlandFinland
NederlandFinlandEngeland
IerlandZwitserlandNederland

Internationale vergelijking: instroom in hoger onderwijs

Het functioneren van het Nederlandse voortgezet onderwijs kan internationaal worden afgemeten aan het percentage leerlingen dat aan een volwaardige hoger onderwijs opleiding begint. De instroom in een volledige 4-jarige hbo of wo opleiding ligt in Nederland boven de 50 procent (dat is dus inclusief de instroom in het hbo via het mbo). Dat is het hoogste percentage van de voor ons belangrijke referentielanden. Beduidend lager in Nederland is de deelname aan kort hoger onderwijs. Het equivalent van kort hoger onderwijs opleidingen in andere landen is in Nederland vaker te vinden in het mbo.

Grafiek 3.3: instroom tertiair onderwijs, internationaal

kst-28880-16-6.gif

Bron: OECD Education at a Glance 2002, Nederlandse samenvatting

Recentelijk zijn discussies in de media en de politiek gevoerd over het niveau van prestaties van leerlingen in het vmbo (in 2000 nog mavo en vbo leerlingen). Of die prestaties laag zijn kan ook in internationaal perspectief worden bezien. Voor Duitsland en Vlaanderen, die het meest met Nederland vergelijkbare stelsel van voortgezet secundair onderwijs kennen, zijn de PISA resultaten per schoolsoort opgevraagd. Dat geeft het volgende beeld:

• het Vlaamse algemeen secundair onderwijs (aso) presteert tussen havo en vwo;

• het Duitse Gymnasium presteert op havo-niveau;

• de Nederlandse vbo leerlingen doen het vooral met wiskunde maar ook bij de andere vaardigheden beter dan de leerlingen in de vergelijkbare schoolsoorten: beroepssecundair onderwijs (bso) en de Hauptschulen;

• bij het ivbo in Nederland en het buitengewoon secundair onderwijs (buso) in Vlaanderen gaat het overigens om slechts ten dele vergelijkbare groepen leerlingen.

Tabel 3.9: PISA 2002 scores schoolsoorten in Vlaanderen, Duitsland en Nederland
  LezenWiskundeNatuurwetenschappen
(Voorbereidend op) hoger onderwijsASO (Vlaanderen)595600579
 Gymnasium (Duitsland)582579578
 HAVO (Nederland)585617580
 VWO (Nederland)623653632
     
(Voornamelijk voorbereidend op) beroeps-TSO (Vlaanderen)532550512
onderwijsBSO (Vlaanderen)446456434
 Realschule (Duitsland)494496492
 Integrierte Gesamtschule (Duitsland)459464457
 Hauptschule (Duitsland)394404400
 MAVO (Nederland)528559528
 VBO (Nederland)450485441
     
Speciaal onderwijsBUSO (Vlaanderen)343364356
 IVBO (Nederland)380414384

In het algemeen dient er bij geuite zorgen over het niveau van het vbo of van de beroepsgerichte leerwegen in het vmbo bedacht te worden dat deze leerlingen beter presteren dan vergelijkbare groepen leerlingen in andere landen en dat zij zelfs relatief hoger scoren dan havo/vwo leerlingen afgezet tegen hun buitenlandse referentiegroepen. Een en ander kan geïllustreerd worden door van de best scorende landen de gegevens van het hoogste en het laagste kwartiel (voor Nederland gaat het dan om de kwartielen waarin respectievelijk vooral vwo leerlingen en vbo leerlingen zitten.

Tabel 3.10: PISA scores zes beste landen in leesvaardigheid, gemeten in 2000
In laagste kwartiel In hoogste kwartiel 
Zuid Korea442Nieuw Zeeland650
Finland441Finland645
Nederland424Australië643
Canada422Canada641
Ierland414Ierland631
Australië406Nederland630

Het vbo of de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo zijn dus geen restonderwijs maar dragen meer dan volwaardig bij aan de hoge gemiddelde kwaliteit van het Nederlandse onderwijs in internationaal perspectief.

In Nederland haalt een relatief laag aantal leerlingen een diploma op het niveau van hoger secundair onderwijs (havo, vwo, mbo). Het niet hebben van zo`n diploma wordt internationaal gedefinieerd als voortijdig schoolverlaten.

Grafiek 3.4: voortijdig schoolverlaters, internationaal

kst-28880-16-7.gif

Bron: OECD Education at a Glance 2002, Nederlandse samenvatting

3.3.6 Jeugdbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In het voortgezet onderwijs wordt gericht aandacht besteed aan begeleiding en opvang van leerlingen die op grond van sociale, economische of culturele omstandigheden belemmeringen ondervinden in hun schoolcarrière. Daartoe zijn doelstellingen geformuleerd ten aanzien van het bestrijden van achterstanden, het tegengaan van uitval en voor een sterk en veilig schoolklimaat:

• het aantal voortijdig schoolverlaters tot 23 jaar is in 2006 met 30% gedaald ten opzichte van het aantal op 1 augustus 2002 (zie «Kerncijfers 1998–2002 OCenW»);

• in 2006 moeten er 4% meer allochtone havo en vwo leerlingen zijn vanaf leerjaar 3 dan in 2002;

• alle scholen met doelgroepleerlingen hebben een taalbeleid;

• op alle scholen heerst een veilig schoolklimaat.

Voor de resultaten van het voortijdig schoolverlaten wordt verwezen naar het hoofdstuk Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (4.3.9). Hier wordt nader ingegaan op de resultaten t.a.v. een veilig schoolklimaat en allochtone leerlingen in het havo en vwo.

De inspectie geeft vrijwel alle scholen in Nederland (99%) een positief oordeel over het schoolklimaat (Onderwijsverslag 2002). De school besteedt voldoende aandacht aan leerlingen met een zorg behoefte. Het scholierenonderzoek van het NIBUD (voorlopige gegevens 2001) laat zien dat ruim 90 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs zich veilig voelt op school en ruim 80 procent van de scholen heeft een adequaat systeem voor signalering van hulpvragen en kent een organisatie voor specifieke begeleiding.

De inspectie constateert ook dat problemen van leerlingen soms moeilijk oplosbaar of beheersbaar voor de scholen zijn: een toename in de zwaarte van de problematiek eist de inzet van meer deskundigheid, faciliteiten en middelen.

In de meeste samenwerkingsverbanden bestaan inmiddels time-out projecten.

Ten aanzien van aantal allochtone leerlingen in het havo en vwo is er – hoewel het beeld niet overtuigt – sprake van een licht stijgende tendens. Het aantal allochtone leerlingen in het havo/vwo in schooljaar 3 neemt toe, het aandeel allochtone leerlingen binnen de groep havo/vwo scholieren ligt laag en stijgt heel licht, zie tabel 3.5. De slaagpercentages voor de havo en vwo-examens van de «niet westerse allochtone leerlingen» lagen in de examenjaren 2000 en 2001 circa 15% lager dan die voor de autochtone leerlingen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Het is duidelijk dat de school de problemen niet zonder inzet van deskundigheid van buitenaf het hoofd kan bieden. Samenwerking met de leerplicht, maatschappelijk werk, hulpverlening, jeugdgezondheidszorg en politie is daarvoor een voorwaarde. Inmiddels zijn alle samenwerkingsverbanden vo-svo betrokken bij de vormgeving van een structurele ondersteuningsstructuur met de genoemde partijen. Daar hoort bij dat op de scholen zorgadviesteams of kernteams worden gevormd waarin de leerlingzorg een plek krijgt. Met de gemeenten en provincies heeft OCenW daarover nadere afspraken gemaakt (Bestuurs Akkoord Nieuwe Stijl).

De Tweede Kamer wordt voor de zomer over de resultaten geïnformeerd. In de Wet op de Jeugdzorg die inmiddels door de Eerste Kamer is aangenomen is het belang van samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg bevestigd.

Het Transferpunt Jongeren, school en veiligheid heeft een pesttest ontwikkeld die via internet, ouders, leerlingen en scholen de kans geeft inzicht te krijgen op het pestgedrag op scholen en de wijze waarop daartegen gereageerd kan worden (www.pestweb.nl).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor het bevorderen van de samenwerking is in 2002 € 0,5 miljoen besteed. Daarnaast is er voor het transferpunt jongeren, school en veiligheid circa € 0,7 miljoen beschikbaar gesteld, hetgeen tevens bestemd was voor de onderwijstelefoon en het beleid tegen seksuele intimidatie.

3.3.7 Doelgroepenbeleid

3.3.7.1 Gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid, onderwijskansen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Allochtone leerlingen vormen een kwetsbare groep in het Nederlandse voortgezet onderwijs. De beheersing van de Nederlandse taal vormt een belemmering. In het kader van het gemeentelijk onderwijsbeleid moeten alle scholen met doelgroep-leerlingen een taalbeleid hebben.

In 2002 constateert de inspectie een verbetering van de resultaten van de scholen in de grote steden ten opzichte van het landelijk gemiddelde, maar de positie blijft kwetsbaar. Ook nemen scholen met veel leerlingen uit een achterstandssituatie een moeilijke positie in. Het probleem van het lerarentekort doet zich vooral voelen op deze scholen, dit werkt zwakkere prestaties in de hand. Als het gaat om doorstroming van leerlingen in de bovenbouw, de examenresultaten vbo, actief en zelfstandig leren, de kwaliteitsbewaking en de functionele externe contacten blijken uit het verslag van de inspectie over 2002 de scholen met veel allochtone leerlingen net zo goed te presteren als de niet-achterstandsscholen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Vanaf augustus 2001 maken, in het kader van het Gemeentelijk Onderwijs achterstandenbeleid, gemeenten en scholen afspraken over de wijze waarop de in het beleidskader genoemde doelen zullen worden bereikt. Het Transferpunt Onderwijsachterstanden bewaakt en ondersteunt de afspraken. Voor de zomer 2003 zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd.

In onderwijskansenbeleid is gericht gewerkt aan versterking van het schoolklimaat door het ontwikkelen en uitvoeren van schoolontwikkelingsplannen. Voor het voortgezet onderwijs zijn alle scholen met meer dan 40% cumileerlingen daarmee bereikt. Op al deze scholen is een taalbeleid geformuleerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Aan het onderwijskansenplan is € 0,5 miljoen voor flankerend beleid uitgegeven. Voorts is onder voor gerichte begeleiding en ondersteuning van taalbeleid € 0,4 miljoen uitgegeven. Het aandeel voortgezet onderwijs in het GOA-beleid bedroeg € 20,0 miljoen. Zie ook paragraaf 1.3.7.1.

3.3.7.2 Onderwijs aan asielzoekers in eerste jaar van opvang

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Leerplichtige asielzoekers leerlingen moeten zo snel mogelijk zelfstandig deelnemen aan het Nederlandse onderwijs (zie ook beleidsartikel 1, Basisonderwijs). Daartoe is kennis van de Nederlandse taal onontbeerlijk. Uit dien hoofde kan indicatiestelling voor nieuwkomers voor lwoo mogelijk pas plaatsvinden na 1 jaar Nederlands onderwijs. Daarnaast kreeg het voortgezet onderwijs in 2002 te maken met een aanzienlijke instroom van alleenstaande minderjarige asielzoekers, de zogenaamde ama's.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 is mede op grond van het vreemdelingenbeleid met het scholenveld nagedacht over mogelijkheden om in het onderwijs rekening te houden met de consequenties van het zogenaamde terugkeerbeleid dat door het ministerie van Justitie is neergelegd in de beleidsbrief van 1 mei 2001. Het KPC heeft in overleg met LOWAC, Justitie, OCenW en COA een model ontwikkeld voor onderwijs voor asielzoekers leerlingen in een terugkeervariant binnen de kaders van de WVO dat te gebruiken is in de zogenaamde ama-campussen. Inmiddels functioneert in Vught het eerste opvangkamp.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Aan beleidsontwikkeling en ontwikkeling van programma's voor ama's is in 2002 € 0,2 miljoen besteed.

Om de scholen voorts de gelegenheid te geven nieuwkomers gedurende het eerste jaar adequaat op te vangen is de regeling «aanvullende personele bekostiging culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen» per 1 augustus 2002 aangepast.

3.3.8 Onderwijsondersteunende en overige projecten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De onderwijsondersteunende activiteiten onder de Wet SLOA geven vorm aan de uitvoering van het onderwijsbeleid en steunen scholen bij het invoeren van nieuwe werkwijzen op velerlei gebied. Het innovatiebeleid heeft zowel betrekking op de inhoud als de organisatie van het onderwijs.

De eindverslagen van de ondersteunende instellingen over de activiteiten van 2002 zijn momenteel nog niet beschikbaar. Uit tussenrapportages blijkt echter dat het merendeel van de projecten goed op schema verloopt en in (vaak intensieve) samenwerking met scholen wordt uitgevoerd. Uit de eindverslagen over 2001 van de SLOA-instellingen blijkt dat voor 2001 vrijwel alle beoogde uitkomsten zijn gerealiseerd. Gezien het gebruik van praktijkkennis en -ervaringen in het scholenveld is de aansluiting bijna altijd in orde.

De Vereniging de Samenwerkende Landelijke Pedagogische Centra (LPC) publiceren jaarlijks een gezamenlijk overzicht met producten voor het voortgezet onderwijs. Daarnaast zetten alle SLOA-instellingen, evenals voor 2001, in een zogenoemd Spoorboekje de vernieuwingsoperaties voor het voortgezet onderwijs in 2002 op een rij en geven zij aan welke rol zij hebben gespeeld qua producten (ontwikkeling) en diensten. Ook voor het primair onderwijs verschijnen zulke overzichten.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Bijna alle activiteiten zijn uitgevoerd volgens planning. In een enkel geval zijn inhoudelijke wijzigingen gedaan op verzoek van OCenW, het veld of de uitvoerende instelling. Zo is bijvoorbeeld in overleg met de Referentiegroep Praktijkonderwijs een deelactiviteit van het project Praktijkonderwijs in de steigers (KPC Groep) vervangen voor een activiteit rond toelating en toelaatbaarheid.

Een ander voorbeeld van inhoudelijke wijziging is de bijstelling van het project Tweede Fase Innovaties (CPS) op onderdeel gebouwen en inventaris. Er is gebleken dat veel scholen bezig zijn met de logistiek van het studiehuis en automatisering van administratieve processen hierbij. Over de logistieke kant zijn daarom twee aparte conferenties gehouden, bezocht door in totaal zo'n 140 schoolleiders en roostermakers. Over nieuwbouw en verbouwing worden aparte bijeenkomsten georganiseerd.

Productie landelijke examens voortgezet onderwijs

Tussen overheid en deskundigen functioneert de CEVO: de CEVO coördineert de organisatie van het centraal examen en geeft sturing aan de deskundigen. De CEVO maakt niet zelf de opgaven voor het centraal examen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de productie van de centrale examens (Cito-groep met zogenaamde constructiegroepen) en de vaststelling ervan door de CEVO namens de minister.

De Cito-groep produceert in opdracht van de CEVO de eindexamenopgaven voortgezet onderwijs, evenals het schoolexamen CKV2. Jaarlijks verantwoordt de Cito-groep de productie en de examenresultaten in zogenoemd «Examenverslag vbo/mavo/havo/vwo 2002». Naast inhoudelijke ontwikkeling en niveaubepaling is een substantieel deel van de werkzaamheden gericht op normvergelijking casu quo equivalering. De CEVO ziet ook toe op de kwaliteit van de examenopgaven.

De marktwerking in de landelijke onderwijsondersteuning is in 2002 verder toegenomen. Dit heeft, zoals beoogd, gevolgen voor de verhoudingen tussen het ministerie en de ondersteunende instellingen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde kosten en de feitelijke kosten voor de reguliere SLOA-activiteiten komen overeen. Wel hebben de instellingen diverse financiële mutaties gemeld. Het gaat hier om hoger en lager uitgevallen kosten van activiteiten. De instellingen compenseren deze zelf en eventuele overschrijdingen zijn voor eigen rekening. Er wordt echter niet geschoven met middelen tussen de afzonderlijke mantels innovatie, denktank etcetera en ook niet tussen de sectoren primair, voortgezet en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. In een enkel geval heeft OCenW extra middelen beschikbaar gesteld voor innovatieprojecten die uitbreiding behoefden, bijvoorbeeld in het vmbo.

Tabel 3.11: SLOA-activiteiten VO 2002 (x € 1 miljoen)
Basisvorming1 377
Vmbo4 396
Tweede fase2 444
Vo algemeen2 767
Examenontwikkeling12 724
Denktank5 473
Veldaanvragen/onderzoek2 668

3.3.9 Materieel

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Kwalitatief goed onderwijs, een goede aansluiting op het vervolgonderwijs en een aantrekkelijk leraarberoep vereisen onder andere een structureel toereikende materiële bekostiging, gecombineerd met weggewerkte ontstane achterstanden.

Het Kabinet heeft tot en met 2001 flink geïnvesteerd in de materiële vergoeding voor scholen met incidentele en structurele impulsen. De incidentele impulsen waren vooral gericht op het inlopen van ontstane achterstanden in inventaris en bouwonderhoud. De structurele impulsen richtte zich vooral op het op voldoende niveau brengen en houden van de materiële toerusting.

Eind 2001 is extern onderzoek gedaan naar de toereikendheid van specifiek de materiële bekostiging. Het onderzoeksrapport kwalificeert de materiële bekostiging van 24 procent van de scholen als matig en van 5 procent als slecht.

Als gevolg van recente ontwikkelingen in het onderwijs is de materiële bekostiging van de scholen voortgezet onderwijs, ondanks de diverse investeringen van de afgelopen jaren, onder druk komen te staan. Dit uit zich in een gebrekkige inbedding van de diverse onderwijsvernieuwingen en een toenemende druk op het exploitatie-budget als gevolg van verscherpte eisen op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu.

Daarnaast constateren de onderzoekers een tekort aan docentwerkplekken, die juist nodig zijn met het oog op een aantrekkelijk leraarberoep. Het realiseren van deze docentwerkplekken is deels de verantwoordelijkheid van de gemeente (daar waar het gaat om uitbreiding) en deels van de scholen zelf (daar waar het gaat om aanpassingen aan de binnenzijde van het gebouw). Bij Voorjaarsnota 2002 zijn extra middelen uitgetrokken voor de uitbreiding. De reguliere materiële bekostiging staat op dit moment onder te zware druk om nu ook al aanpassingen aan de binnenzijde van de gebouwen adequaat te realiseren.

In aanvulling hierop, waardeert de inspectie in haar laatste onderzoek, vergeleken met vorig jaar, de inzet van onder andere de materiële middelen op iets minder scholen als voldoende of goed. Daarnaast constateert de inspectie dat de aanpassing van gebouw en inrichting hoog op de agenda staan, maar niet overal adequaat gerealiseerd zijn. Huisvesting, inventaris en werkdruk worden door de scholen regelmatig in combinatie met elkaar genoemd als belemmeringen bij de realisering van het vmbo. Een onderzoek naar de fysieke leeromgeving van het vmbo wijst technische tekortkomingen aan.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om in alle geledingen van het voortgezet onderwijs met eigentijds materieel en in functionele gebouwen onderwijs te volgen, ontvangen de scholen per schooljaar een exploitatiekostenvergoeding. De mate waarin scholen deze vergoeding ook daadwerkelijk investeren in materieel is een eigen verantwoordelijkheid van de scholen, afhankelijk van de eigen keuzes en prioriteiten.

Daarnaast zijn met ingang van het schooljaar 2002/2003 de aparte regelingen voor ict en dyslexie niet verlengd maar de daarmee gepaard gaande vergoedingen zijn aan de materiële exploitatiekostenvergoeding toegevoegd. Een aparte ict-regeling was niet meer nodig omdat met ingang van 1 augustus 2002 alle vo-scholen een gelijk bedrag per leerling voor ict ontvangen. Daarnaast hoeven scholen geen arbeidsintensieve aanvragen meer in te dienen voor een aanvullende bekostiging voor leerlingen met dyslexie. Hiervoor is een bedrag van € 2 500 per school aan de exploitatiekostenvergoeding toegevoegd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Bij Voorjaarsnota 2002 is € 45,0 miljoen extra uitgetrokken voor onderwijshuisvesting die loopt via het Gemeentefonds (uitbreiding). Omdat in 2002 onder andere de economische ontwikkelingen geen verdere additionele impuls op het gebied van de materiële bekostiging toelieten, werd het voor scholen des te belangrijker om keuzes te maken en prioriteiten te stellen binnen de beschikbare kaders. Ter ondersteuning van de scholen is gestart met het kritisch op nut en noodzaak bezien van de administratieve lasten die op scholen drukken. Het opheffen van de aparte regeling voor dyslexie en het daarvoor ophogen van de exploitatiekostenvergoeding is hier een eerste voorbeeld van.

Welke informatie is in 2002 aan de Kamer gezonden?

Op 25 maart 2002 is een onderzoeksrapport van Deloitte & Touche Bakkenist Onderwijsconsulting, inclusief een beleidsreactie, aan de Kamer aangeboden (kenmerk VO/FB/2002/9676).

3.3.10 Infrastructuur

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het streven is er op gericht een evenwichtig en bereikbaar geheel van onderwijsvoorzieningen in stand te houden. Binnen een straal van 1 uur reizen met het openbaar vervoer of 16 kilometer op de fiets vindt elke leerling een school van de gewenste richting. Ook is het de bedoeling dat het grote aantal (te) kleine vmbo-afdelingen zou afnemen als gevolg van een leerlingverschuiving van de theoretische leerweg en gemengde leerweg (voorheen mavo) naar de kader- en basisberoepsgerichte leerweg (voorheen vbo).

Er is over het algemeen sprake van een evenwichtig en bereikbaar onderwijsaanbod. Samenvoegingen leiden veelal niet tot sluiting van vestigingen. Nieuwe richtingen zijn groeiende en op VINEX-locaties komen nieuwe vestigingen tot stand (in 2001 bedroeg de totale groei circa 14 nieuwe vestigingen). Daarmee wordt tegemoetgekomen aan het door ouders naar richting verlangde onderwijs en is ook betere spreiding bereikt.

De gerealiseerde (beperkte) verschuiving van leerlingen van het mavo naar de kader- en basisberoepsgerichte leerwegen heeft het probleem van te veel te kleine afdelingen niet opgelost. De verwachting is dat het beleggen van een grotere verantwoordelijkheid bij de regio voor het v(m)bo-aanbod, via de regionale arrangementen, in de toekomst een bijdrage kan leveren aan een meer levensvatbaar aanbod.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 is een voorzichtige start gemaakt met het instrument van regionale arrangementen. Dit is er op gericht om scholen, die met elkaar sluitende afspraken maken over een vernieuwd aanbod voor vmbo in de regio in overleg met mbo en de regionale werkgevers, daartoe ook de ruimte te bieden. In 2002 zijn er 3 regionale arrangementen van start gegaan. Inmiddels zijn er 16 regio's, waarin regionale arrangementen in voorbereiding zijn (15 à 20% van de leerlingen in het vmbo zijn daarbij betrokken).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor de uitvoering van de beleidsregel voor stichting is € 0,1 miljoen geraamd. Omdat de stichting van de Evangelische school in Rotterdam is uitgesteld zijn de kosten van stichting nihil. Aan de beleidsregel voor verplaatsing en samenvoeging zijn geen kosten verbonden.

3.4 Budgettaire gevolgen van het beleid

Tabel 3.12: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000)
 Realisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil
Verplichtingen5 165 2494 938 207227 042
– waarvan garanties000
Uitgaven4 932 0214 911 74820 273
Basisvorming2 348 7402 340 7118 029
VMBO-leerwegen1 402 9021 398 4064 496
Tweede fase havo/vwo820 055817 4272 628
Onderwijsverzorging en projecten71 92867 0994 829
Overige voorzieningen288 396288 105291
Ontvangsten3 2211 3611 860

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

3.5 Groeiparagraaf

In de begroting werd geconstateerd dat de drie grote vernieuwingsoperaties het voortgezet onderwijs sterk in beweging hebben gezet. Dat is nog steeds het geval.

Grote voortgang is gemaakt met de herinrichting van het vmbo. In plaats van vso, lom/mlk, (i)vbo en mavo kennen we nu het vmbo met daarbinnen het leerwegondersteunend onderwijs en een regionaal zorgbudget. De leerlingen waarvoor het werkend leren de aangewezen weg is, is er het leerwerktraject binnen de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo. Als sluitstuk in de zorgstructuur functioneert het praktijkonderwijs. De nieuwe structuren waren per 1 augustus 2002 compleet. Resultaten in de betekenis van succes op het vervolgonderwijs of op de regionale arbeidsmarkt (pro) kunnen we pas in de komende jaren verwachten.

De implementatie van het onderwijsnummer heeft enige vertraging ondervonden. Of dit uiteindelijk zal leiden tot latere invoering valt nog te bezien. Alleen invoering in het hele onderwijs leidt tot succes; eerst dan kan gemeten worden hoe bijvoorbeeld de leerlingen voortgezet onderwijs per profiel presteren in het eerste vervolgjaar in het mbo, hbo of op de universiteit.

4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

4.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene doelstelling voor de Bve-sector is zorgen voor een stelsel van kwalitatief hoogwaardig, toegankelijk en doelmatig functionerend onderwijs en het creëren van de randvoorwaarden voor dit stelsel.

De ambitie van het kabinet om Nederland binnen Europa één van de krachtigste economische regio's te laten zijn, maakt dat de Bve-sector een belangrijk onderdeel is van het sociaal-economisch domein. De verhoging van het onderwijspeil van de (potentiële) beroepsbevolking zal worden bevorderd door het verbeteren van de kwaliteit en het rendement van het beroepsonderwijs.

De overtuiging heerst dat de doelstellingen van de Bve-sector het meest gediend zijn bij actoren die vanuit hun eigen opdracht en verantwoordelijkheid handelen. De resultaten rondom kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid worden dan ook beïnvloed door het functioneren van het stelsel, maar ook door sociaal-economische ontwikkelingen.

4.2 Het stelsel: de staat van de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4.2.1 Toegankelijkheid

De toegankelijkheid van het onderwijs omvat zowel de fysieke toegankelijkheid als de toegankelijkheid voor bepaalde doelgroepen.

Over de toegankelijkheid van scholen voor gehandicapten is in 2002 een onderzoek1 afgerond. Het onderzoek gaat in op de aard en omvang van de belemmeringen die gehandicapten in het (v)mbo ondervinden bij hun dagelijks onderwijsdeelname, en naar de gevolgen die dat heeft voor de doorstroom naar mbo en hbo en de positie op de arbeidsmarkt. Er werden betrekkelijk weinig problemen gesignaleerd rond de bereikbaarheid of toegankelijkheid van de instellingen. Uit de resultaten van de enquête onder gehandicapten in het vmbo en mbo blijkt dat de problemen voor gehandicapten enerzijds liggen op het vlak van studietempo en prestaties, anderzijds op het vlak van de begeleiding en houding van docenten en het contact met klasgenoten.

Over de toegankelijkheid voor kansarme doelgroepen meldt het Onderwijsverslag 2002 van de inspectie van het onderwijs dat in tweederde van de opleidingen op de lagere niveaus activiteiten zijn waargenomen die gericht zijn op de instroom van zwakke doelgroepen.

Met name op de laagste niveaus zijn activiteiten waargenomen gericht op de instroom van kansarme doelgroepen. Bij opleidingen op de hogere niveaus is dat aanzienlijk minder het geval. De opleidingen op de lagere niveaus voldoen daarmee meer en meer aan de behoefte waarvoor zij in het leven zijn geroepen.

De inspectie constateert verder dat doorstroom vanuit de educatie naar het beroepsonderwijs nog altijd beperkt is. In de sector Educatie zelf is het aanbod zelfs versmald. Deze versmalling heeft gevolgen voor de doelgroepen die daadwerkelijk bereikt worden. Over het geheel genomen is de samenstelling van de deelnemerspopulatie een afspiegeling van de doelgroep.

4.2.2 Variëteit

De inspectie onderzoekt de spreiding van deelnemers over de vier niveaus:

• Assistentenopleiding (niveau 1)

• Basisberoepsopleiding (niveau 2)

• Vakopleiding (niveau 3)

• Middenkader/specialistenopleiding (niveau 4)

De aantallen deelnemers in opleidingen op niveau 1 en 2 stijgen in 2002. Daar staat tegenover dat het aantal deelnemers in de opleidingen op niveau 4 een terugloop vertoont. In tabel 4.1 zijn de aantallen deelnemers mbo opgenomen. De aantallen deelnemers niveau 1 en 2 zijn apart zichtbaar. De realisatie 2002 is voor wat betreft de niveaus 1 en 2 iets lager dan oorspronkelijk geraamd. Het betreft voorlopige cijfers.

Tabel 4.1: Deelnemers mbo in 2002 (aantal x 1 000)
 Begroting 2002Realisatie 2002Verschil
MBO433,1441,48,3
– bol253,4259,15,7
waarvan niveau 1 en 255,254,5– 0,7
– bbl149,0154,85,8
waarvan niveau 1 en 278,372,7– 5,6
– bol-dt30,727,5– 3,2
waarvan niveau 1 en 2Niet in raming opgenomen13,6 

Bron: referentieraming 2002, bekostigingstelling 2001 en referentietelling 2002

Tabel 4.2 geeft de aantallen deelnemers aan educatie weer. Ook hier gaat het om voorlopige cijfers.

Tabel 4.2: Deelnemers educatie (inclusief inburgering) (aantal x 1 000)
 Begroting 2002Realisatie 2002Verschil
Educatie163,0153,3– 9,7

Bron: beleidstelling 2001, referentietelling 2002

4.2.3 Kwaliteit

In 2002 is een onderzoek uitgevoerd waarin Nederlanders gevraagd worden naar hun mening over onderwijs. Voor het eerst zijn in 2002 ook vragen over beroepsonderwijs gesteld. De Nederlanders gaven de kwaliteit van het beroepsonderwijs een 7,11. Ter vergelijking: het vmbo scoort hierop een 6,7 en het vwo een 7,3.

Over de kwaliteit van het onderwijsleerproces is de inspectie2 over het algemeen tevreden. De onderwijstijd wordt goed benut en inhoud en didactische werkvormen sluiten aan bij het beroepsprofiel en de eindtermen dit geldt tevens voor de leerplaatsen en de leermiddelen. De kwaliteitsaspecten beroepspraktijkvorming en maatwerk en flexibiliteit blijven enigszins achter bij de verwachtingen.

De bve-instellingen streven ernaar de deelnemers een opleiding te bieden op het voor hen maximaal haalbare niveau. De doelgroepen die zich bij de bve-instellingen melden worden steeds heterogener. Er is dan ook steeds meer aandacht voor Intake en Assessment. In de Bedrijfsvoeringsmonitor bve-sector is een meting gedaan naar de gediplomeerde uitstroom van deelnemers. Ook de Bve Raad1 doet onderzoek naar onder andere de uitstroomgegevens van deelnemers. Uit de meting van de Bve Raad blijkt dat vrijwel alle deelnemers die een bve-instelling verlaten vrijwel direct een baan hebben.

4.2.4 Bekostiging

De verdeling van de rijksbijdrage over de instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs is gebaseerd op het aantal ingeschreven deelnemers en het aantal afgegeven diploma's. Daarnaast worden middelen voor voorbereidende en ondersteunen activiteiten (voa) toegekend, bestemd voor deelnemers die – in verband met beperkte vooropleiding – extra ondersteuning kunnen gebruiken om de opleiding met gunstig gevolg af te ronden. Deze voa-middelen worden verdeeld over de deelnemers ingeschreven op niveau 1 of (40% van) 2.

Tabel 4.3: Uitgaven per deelnemer mbo (bedragen x € 1 000)
 Begroting 2002Realisatie 2002Verschil
Uitgaven per deelnemer mbo6,36,1– 0,2

De verdeling van rijksbijdrage over de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven is gebaseerd op het aantal opleidingen dat zij hebben ontwikkeld en onderhouden, het aantal erkende leerbedrijven en het aantal deelnemers, ingeschreven bij de instellingen, waarvoor een praktijkplaats nodig is.

De verdeling van de rijksbijdrage educatie over de gemeenten is gebaseerd op het aantal volwassen inwoners, de volwassen inwoners met een bepaalde etnische achtergrond en de volwassen inwoners met een laag opleidingsniveau. De rijksbijdrage voor de inburgering van nieuwkomers wordt verdeeld over de gemeenten aan de hand van prestaties van de gemeenten. De prestaties worden gemeten aan de hand van twee criteria: het aantal door de gemeente afgegeven beschikkingen en het aantal van de instellingen (roc's) ontvangen verklaringen dat het educatieve deel van het inburgeringsprogramma is afgerond. Met deze middelen kopen gemeenten via contracten educatieve activiteiten in bij roc's.

4.2.5 Rendement

Rendement bestaat uit intern en extern rendement. Het gaat hierbij om opstroom, doorstroom, het verminderen van voortijdige ongediplomeerde uitval en het behalen van een diploma en een beter resultaat in vervolgopleiding en/of aansluiting op de arbeidsmarkt. Verbetering van het rendement is een continue opdracht voor de bve-sector. Hierop is het beleid rond de versterking van de beroepskolom gebaseerd (zie verder de overzichtsconstructie beroepskolom). Ook het beleid rond bestrijding voortijdig schoolverlaten moet bijdragen aan het verbeteren van het rendement (zie hiervoor paragraaf 4.3.10).

Tabel 4.4: Gediplomeerde uitstroom in het mbo in 2001 (aantal x 1 000)
 DiplomaTotale uitstroomDiploma (in %)
bol-vt69 848115 46060%
waarvan 1–216 35232 36451%
waarvan 3–453 49683 09664%
    
bbl46 34581 34957%
waarvan 1–224 31046 01053%
waarvan 3–422 03535 33962%
    
bol-dt4 17212 31434%
waarvan 1–26756 15011%
waarvan 3–43 4976 16457%
Totaal120 365209 12358%

Bron: bekostigingstelling 01/02 en beleidstelling 01/02

Slechts een deel van de ongediplomeerde uitstroom betreft voortijdig schoolverlaters. Een groot deel heeft eerder in het mbo een diploma gehaald.

Verder doet zich bij deeltijd-bol het verschijnsel voor dat veel deelnemers zich inschrijven voor een bepaald vak en niet het doel hebben een volledig diploma te behalen.

Daarnaast is in het kader van de beroepskolom door Stoas een nulmeting uitgevoerd naar de kwalificatiewinst. Zie hiervoor ook de overzichtsconstructie beroepskolom en OCenW in kerncijfers. In dit onderzoek is sprake van slaagkans, verblijfsduur, rendement en doorstroomkans. De cijfers over rendement uit dit onderzoek wijken af van die in de tabel hierboven omdat rendement daar anders is gedefinieerd. Het onderzoek van Stoas zal de komende jaren herhaald worden.

4.2.6 Continuïteit

Op grond van de financiële kengetallen solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit kan worden gesteld dat de financiële positie van de bve-sector in 2001 gemiddeld genomen gezond was. Het gaat hier om een momentopname voor de hele sector (regionale opleidingscentra, vakinstellingen en overige onderwijsinstellingen).

Solvabiliteit is goed

De solvabiliteit (eigen vermogen inclusief voorzieningen/totaal vermogen) van de sector bevond zich ook in 2001 op een relatief hoog niveau van 61%. Ten opzichte van 2000 is het eigen vermogen met 12% gestegen, het vreemd vermogen met 7%.

De toename van het eigen vermogen werd met name veroorzaakt door het positieve exploitatieresultaat. De toename van het vreemd vermogen had zowel betrekking op de kortlopende schulden als op de langlopende schulden. Wordt dit kengetal nader ontleed naar de afzonderlijke organisaties, dan kan worden gesteld dat de solvabiliteit van vakinstellingen gemiddeld genomen beter was dan de solvabiliteit van de roc's. In 2001 waren er drie roc's die een relatief mindere solvabiliteit hadden (< 0,3). Ten opzichte van 2000 is dit een stabiel beeld.

grafiek 1: Solvabiliteit

kst-28880-16-8.gif

Liquiditeit is goed

Hoewel de liquiditeit (vlottende activa/kortlopende schulden) ten opzichte van vorig jaar iets is afgenomen tot 1,31, is deze nog steeds goed te noemen. De toename van de kortlopende schulden is vrijwel geheel gecompenseerd door een toename van de vlottende activa. Daarnaast is een aanzienlijke toename waar te nemen bij de post kortlopende effecten. Acht roc's kenden in 2001 een zwakke liquiditeit (< 0,6). Dit is vrijwel gelijk aan het aantal in 2000.

grafiek 2: Liquiditeit

kst-28880-16-9.gif

Rentabiliteit is goed

De rentabiliteit (resultaat uit gewone bedrijfsvoering/totale baten uit gewone bedrijfsvoering) van de bve-sector is in 2001 verdubbeld ten opzichte van 2000 tot 2,6. Dat is goed te noemen. Het resultaat uit gewone bedrijfsvoering is toegenomen doordat de baten sneller zijn toegenomen (11%) dan de lasten (10%). Het totale exploitatieresultaat bedroeg in 2001 € 71,7 miljoen. Niettemin werden 10 roc's en 1 vakinstelling geconfronteerd met een negatief exploitatieresultaat. Ten opzichte van 2000 is de rentabiliteit echter flink verbeterd.

grafiek 3: Rentabiliteit

kst-28880-16-10.gif

Contractactiviteiten afgenomen

De omvang van de contractactiviteiten is ten opzichte van de totale baten vergeleken met 2000 afgenomen tot 3,8%. De opbrengst van werk voor derden bedroeg in 2001 € 103,9 miljoen.

Voorzieningen stabiel

De relatieve omvang van de voorzieningen (circa 8% van het balanstotaal) is ten opzichte van vorig jaar iets afgenomen. Voor een belangrijk deel worden voorzieningen getroffen voor huisvesting, inventaris en apparatuur en ten behoeve van personeel en wachtgelden.

Algemene reserves groeien

De post algemene reserves van de instellingen bedroeg in 2001 € 981,2 miljoen, een stijging van meer dan 9% ten opzichte van 2000.

Beleggen en belenen

De post effecten is ten opzichte van 2000 aanzienlijk toegenomen. Met name de deposito's die voor langere termijn worden aangegaan, zijn toegenomen. De post effecten bedroeg in 2001 € 8,6 miljoen. Er is een verschuiving waar te nemen van vaste activa naar vlottende activa. Deze verschuiving heeft plaats gevonden zowel bij de obligaties als bij de aandelen.

4.2.7 Deregulering

In 2002 is de vergroting van autonomie van de scholen een speerpunt geweest van beleid. De ambities voor het versterken van de beroepskolom bijvoorbeeld, zijn tot nu toe voornamelijk geformuleerd in termen van inhoudelijke vernieuwing. Deze vernieuwingsslag richt zich vooral op het verbeteren van het primaire proces op de eigen instelling en is van groot belang omdat het de opmaat vormt tot verdergaande institutionele vernieuwing – over de grenzen van de eigen instelling – met nieuwe onderwijsarrangementen. Dit vraagt om verdere deregulering. Verder is gestart met een inventarisatie van de administratieve belasting van de instellingen en knelpunten van procedures.

Zoals geconstateerd in de middellange termijnverkenning «Van binnen naar buiten», is het van groot belang ook de institutionele vernieuwing in gang te zetten. Verkenning van het moderniseren van wet- en regelgeving als gevolg van de verschuiving van het denken in de vormgeving van het onderwijs via de instellingen naar denken over vormgeving van het onderwijs via de loopbaan van de leerling – het «Beroepskolom denken» is noodzakelijk.

Binnen het project initiatiefrijke scholen draaien pilots waarin scholen meer ruimte krijgen om hun onderwijspraktijk zelf vorm te geven. De instellingen krijgen daarbij vrijstelling van bepaalde regelgeving.

Voor het vergoten van de beleidsruimte voor de instellingen is het van belang dat overeenstemming bestaat over de omvang en inhoud van die ruimte en waar de door de overheid te stellen ondergrens ligt. Een en ander dient zijn beslag te krijgen in de onderwijswetgeving.

4.3 Operationele doelstellingen

4.3.1 Kwaliteitszorg

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Vanaf 2003 zou 100% van de onderwijsinstellingen over een volwaardig en adequaat functionerend kwaliteitszorgsysteem moeten beschikken. De inspectie beoordeelt bij bijna 40% van de instellingen de kwaliteitszorg als voldoende. (Bestandsopname 2000–2002). Onderdelen van deze beoordeling zijn: het organiseren van kwaliteitszorg, de kwaliteitsbeoordeling, de kwaliteitszorgcyclus en de toegankelijkheid.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De Rijksoverheid heeft in de begroting aangegeven de ontwikkeling van de kwaliteitszorg in 2002 te willen ondersteunen en stimuleren door:

• Een bestuurlijk traject waarbij de Bve Raad, Paepon (platform van particuliere onderwijsinstellingen) en Colo (Vereniging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven) een stimulerende functie zullen vervullen bij de verdere verbetering van de kwaliteitszorg door respectievelijk de bekostigde onderwijsinstellingen, de niet-bekostigde instellingen en de Kenniscentra beroepsonderwijs-bedrijfsleven.

• In het periodiek overleg wordt de voortgang van de ondersteunende activiteiten van Bve Raad, Paepon en Colo besproken. De Bve Raad is inmiddels bezig met de uitvoering van een plan van aanpak ter ondersteuning van de kwaliteitszorg van instellingen. Colo onderneemt eveneens activiteiten ter versterking van de kwaliteit, kwaliteitszorg en publieke verantwoording van Kenniscentra beroepsonderwijs-bedrijfsleven. Voorts wordt met de instellingen die lid zijn van de Bve Raad een meerjarenconvenant voorbereid waarin afspraken worden vastgelegd over te bereiken resultaten t.a.v. kwaliteitszorg en meervoudig publieke verantwoording.

• Besluitvorming over een vervolg op de regeling «inrichting kwaliteitszorgverslag» die per 1 januari 2002 eindigde.

Om meerdere redenen werd deze regeling «inrichting kwaliteitszorgverslag» niet verlengd. Het verslag werd te veel gezien als een «verplichte exercitie voor de inspectie», bleek onvoldoende de werkelijkheid weer te geven en werd door de instellingen te weinig ervaren als een eigen verantwoordingsinstrument naar belanghebbenden. Het niet verlengen van de regeling past in de beleidslijn van deregulering.

Een wetswijziging wordt voorbereid waarbij de instellingen meer bewegingsvrijheid krijgen t.a.v. de verantwoording over de kwaliteit van het onderwijs via verantwoordingsdocumenten zoals het jaarverslag. Daarnaast worden de bekostigde instellingen middels een convenant gestimuleerd om zelf de verantwoording naar de verschillende belangengroeperingen vorm te geven.

Met de inwerkingtreding van het proportionele toezicht van de Inspectie (WOT) krijgt de zelfevaluatie en de kwaliteit van de verantwoording van de instellingen tevens een impuls omdat de Inspectie zich in haar toetsing van de kwaliteit mede op de zelfevaluatie van de instelling baseert.

Met het wetsvoorstel Wet onderwijstoezicht (WOT) en de uitwerking van het toezichtskader wordt verder vormgegeven aan het inspectietoezicht. In 2002 heeft op basis van de WOT, die inmiddels als wet is aangenomen, een nadere uitwerking plaatsgevonden van het toezichtskader van de inspectie. Vertegenwoordigers van het onderwijsveld werden hier nauw bij betrokken. Het toezichtskader ligt nu ter goedkeuring bij de minister van OCenW. Per 1 januari 2003 oefent de inspectie toezicht uit conform het goedgekeurde toezichtskader.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Kwaliteitszorg wordt via de rijksbijdrage (lumpsum) gefinancierd.

4.3.2 Meervoudige publieke verantwoording

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is te komen tot een versterking van de kwaliteit, de kwaliteitszorgcyclus en het zelfcorrigerend vermogen van de instellingen te ontwikkelen. Eén instrument daarvoor is meervoudig publieke verantwoording (mpv). In 2002 is om dit te bereiken een impuls van € 4,5 miljoen voor publieke verantwoording aan de instellingen ter beschikking gesteld.

De inspectie constateert dat meervoudig publieke verantwoording de laatste twee jaar een sleutelbegrip is geworden in de bve-sector. In het verslagjaar heeft de inspectie ervaring opgedaan met zelfevaluatieve documenten, die voor het inspectieonderzoek zijn aangeleverd. Bij ruim de helft van de bve-instellingen wordt de kwaliteit van de zelfevaluaties als voldoende beoordeeld. De inspectie merkt verder op dat de externe bve-omgeving sterk in beweging is. In toenemende mate zullen belanghebbenden de onderwijsaanbieder vragen zich over de kwaliteit van het onderwijs te verantwoorden. In de vorm en betekenis van meervoudige publieke verantwoording zal naar verwachting de externe druk de nu ingezette ontwikkeling van systematische kwaliteitsborging en -verbetering binnen de bve-instellingen versnellen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Instellingen dienen zich publiek te verantwoorden aan diverse belanghebbenden, vooraf en achteraf, om daarmee te komen tot een versterking van de kwaliteit, de kwaliteitszorgcyclus en het zelfcorrigerend vermogen van de instellingen te ontwikkelen.

In 2002 is er met de Bve Raad overleg gevoerd over het moderniseren van de bestuurlijke verhoudingen. Dit leidt in 2003 tot een document waarin bestuurlijke uitgangspunten, randvoorwaarden en afspraken tussen OCenW en de Bve Raad vermeld staan. Deze afspraken dienen als basis voor afspraken over andere beleidsthema's. Over het beleidsthema meervoudige publieke verantwoording worden direct na afronding van de afspraken over de bestuurlijke verhoudingen afspraken gemaakt met de Bve Raad in de vorm van een convenant.

OCenW heeft een wetsvoorstel ontwikkeld voor de verankering van Raden van Toezicht in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). De betrokken departementen, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Justitie bespreken momenteel dit voorstel. Naar verwachting zal het wetsvoorstel in de zomer gereed zijn om naar de Tweede Kamer te worden verzonden.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De impuls publieke verantwoording was begroot op € 4,5 miljoen. Dit bedrag is toegevoegd aan de rijksbijdrage 2002. De impulsmiddelen zijn ingezet voor het versterken van de basisadministratie in brede zin en langs die lijn ook voor een goede invoering van het onderwijsnummer. Overige activiteiten vonden plaats binnen het kader van de rijksbijdrage.

4.3.3 Versterking beroepspraktijkvorming

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Instellingen moeten aan kwaliteitseisen voldoen. Eén van de eisen is de standaard beroepspraktijkvorming van de inspectie. Hierbij gaat het om de voorbereiding op de bpv, de afstemming tussen onderwijsinstellingen en bedrijf, de kwaliteit van de begeleiding, de aansluiting van het onderwijs bij de ervaring van de deelnemers, de wijze van beoordeling, alsmede of de praktijkovereenkomst voldoet aan de wettelijke eisen en naar behoren functioneert.

In het Onderwijsverslag 2002 van de inspectie wordt het aspect leerlingbegeleiding positief beoordeeld (bij 90% van de opleidingen vindt voorbereiding van de deelnemers op een zorgvuldige wijze plaats en bij 79% van de opleidingen is ook de begeleiding van voldoende kwaliteit, bij roc's is dit zelfs 81%). De opleidingen sluiten echter met hun binnenschoools programma maar matig aan op de bpv-ervaringen van de deelnemers.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Colo en Bve Raad hebben voorstellen gedaan die gericht zijn op verbetering van de verschillende facetten van de bpv, zoals de leerlingbegeleiding op de bpv plek en de praktijkbegeleiding bij de leerbedrijven. Tijdens de conferentie in mei 2002 is een aantal afspraken gemaakt over de verbetering van de beroepspraktijkvorming. Deze afspraken zijn dat de contactgroep werkend leren (cwl) de volgende activiteiten zal uitvoeren:

• de verbeteragenda onderhouden;

• een meetarrangement ontwikkelen;

• de informatie verspreiden (via internet).

Basis hiervoor was een door de cwl opgesteld overzicht van verantwoordelijkheden voor de bpv, en een door diezelfde contactgroep geformuleerde schijf van vier belangrijkste aandachtspunten voor de kwaliteitsverbetering. Dit zijn integratie praktijk en onderwijs, visieontwikkeling, ketenbesef en communicatie.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De activiteiten vonden plaats binnen het kader van de rijksbijdrage.

In kerncijfers 1998–2002 wordt de systematiek en de omvang van de beroepspraktijkvorming nader toegelicht.

4.3.4 Kwalificatiestructuur

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is het vereenvoudigen en flexibiliseren van de kwalificatiestructuur en het daarop gebaseerde opleidingenaanbod. Met deze vereenvoudiging en flexibilisering kan pas gestart worden als de wetgeving is aangepast.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Via een gefaseerd traject worden in 2006 ten eerste alle kwalificaties uit de kwalificatiestructuur vernieuwd en moeten ten tweede alle opleidingen binnen de roc's hierop in 2006 zijn aangepast.

Om dit streven te bereiken moest in de zomer van 2002 definitieve besluitvorming plaatsvinden, zodat met de wijziging van wet- en regelgeving begonnen kon worden. Hoewel in juli 2002 door de betrokken partijen is overeengekomen dat de omslag naar competenties definitief is, kan nog niet begonnen worden met de wijziging van wet- en regelgeving. Dit, omdat de voorstellen op een aantal essentiële onderdelen nog concreter moeten worden ingevuld door de betrokken partijen. Hierdoor loopt het proces een jaar vertraging op.

De betrokken partijen (Colo en Bve Raad) hebben hiervoor een projectorganisatie ingericht, dat deze voorstellen concreet uitwerkt. Planning is om voor de zomer van 2003 te komen tot definitieve besluitvorming, zodat begonnen kan worden het wetgevingstraject.

• In 2002 heeft de Vereniging Colo, gezamenlijk met de andere betrokken partijen, een voorstel gedaan voor een nieuwe manier van werken met de kwalificatiestructuur. Dit voorstel voor een nieuwe systematiek voor de beschrijving van de beroepsinhouden aan de hand van competenties wordt gesteund door alle betrokkenen (Bve Raad, sociale partners en ministerie).

• In het najaar van 2002 heeft Colo, op basis van het voorstel voor de opzet van de nieuwe kwalificatiestructuur, een implementatieplan opgesteld voor de invoering van het competentiedenken in de nieuwe kwalificatiestructuur. Daarnaast zijn de kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven (voorheen landelijke organen beroepsonderwijs) begonnen met de ontwikkeling van vernieuwde kwalificaties.

• De Bve Raad heeft in het najaar van 2002 een implementatieplan opgesteld voor de invoering van het competentiegerichte kwalificatiestructuur in het onderwijs en het herontwerp van de opleidingen.

Vanaf 2003 sluit eerder genoemde projectorganisatie de implementatieplannen van Colo en Bve Raad op elkaar aan en wordt zal begonnen worden met de voorbereiding van de invoering van het competentiedenken op de onderwijsinstellingen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De activiteiten van roc's en kbb's vinden plaats binnen de rijksbijdrage.

Welke stukken zijn naar Tweede Kamer gestuurd?

De Tweede Kamer is per brief van 24 april 2002 (met het kenmerk Bve/KenO/2002/10797) geïnformeerd over de stand van zaken van dit ontwikkelingsproces.

4.3.5 Onderwijsintensiteit

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het oorspronkelijke doel (Regeerakkoord 1998) was het aantal contacturen voor het voltijds beroepsonderwijs naar analogie van de wet voortgezet onderwijs te regelen (1000 uur). In 2001 hebben de minister van OCenW en de Bve Raad het convenant onderwijsprogrammering ontwikkeld, als alternatief voor de 1000-urennorm.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In het convenant onderwijsprogrammering zijn vier zaken geregeld:

• Wijziging van WEB en WSF/WTS.

De zogenoemde 850- en 1600-urennorm worden in de WEB opgenomen, waarbij een voltijdse opleiding wordt gedefinieerd als een opleiding met 1600 uur, waarvan 850 uur zogenoemde IIVO-uren zijn (In Instellingstijd Verzorgd Onderwijs).

• Plan van aanpak optimalisering en verantwoording opleidingsprogramma's.

• Verkenningen studiefinanciering.

• Verkenningen bekostiging.

Het convenant is in de zomer van 2001 naar de Tweede Kamer gezonden en aan de orde gekomen tijdens het AO Beroepsonderwijs op 17 oktober 2001. Voordat de Kamer akkoord kon gaan met het alternatief, wilde zij eerst het plan van aanpak standaarden en normen beoordelen. In 2002 zijn de vier onderdelen van het convenant verder uitgewerkt en voortgezet. Het plan van aanpak optimalisering en verantwoording opleidingsprogramma's wordt opgesteld en uitgevoerd door de Bve Raad.

Op 25 juni 2002 is de Kamer geïnformeerd over de voortgang op het gebied van het convenant onderwijsprogrammering mbo. De Vaste Kamercommissie heeft in haar procedurevergadering besloten om de voortgangsbrief aan te houden in afwachting van het voor het najaar van 2002 toegezegde wetsvoorstel 850-urennorm en de toegezegde informatie over studiefinanciering en bekostiging. Planning is om het wetsvoorstel in juni 2003 aan te bieden aan de Tweede Kamer.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De acties rondom de onderwijsintensiteit zijn gerealiseerd binnen de rijksbijdrage.

Welke stukken zijn naar de Tweede Kamer gestuurd?

Op 25 juni 2002 is de Kamer geïnformeerd over de voortgang op het gebied van het convenant onderwijsprogrammering mbo (Bve/B/2002/17068).

4.3.6 Examens

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het streven is dat in 2005 de onderwijsinstellingen voor 85% van de aangeboden opleidingen een kwalitatief voldoende examenpraktijk hebben gerealiseerd, volgens de landelijk standaarden die het Kenniscentrums examens mbo (KCE) hanteert.

Realisatie: het beleidsdoel heeft betrekking op de beoogde nieuwe examensystematiek. Onderstaande realisatie van de kwaliteit van de examenpraktijk heeft betrekking op de bestaande examensystematiek.

De inspectie heeft de centrale vraag over de kwaliteit van de examens van onderwijsinstellingen gesplitst in twee delen: de kwaliteit van de examentoetsen en de kwaliteit van de door de instelling gerealiseerde voorwaarden voor een deugdelijke examinering.

• Uit het diepteonderzoek gericht op de vraag «In hoeverre voldoen de examens aan de inhoud en niveau van de eindtermen?» blijkt dat 100% van de examentoetsen van de onderzochte opleidingen een voldoende beoordeling van de inspectie krijgen. (Het onderzoek in 2002 had betrekking op de examens van 5 deelkwalificaties bij 20 opleidingstrajecten bij 9 instellingen.)

• Uit de onderzoeken in het kader van het integraal instellingstoezicht naar de vraag «In hoeverre zijn de voorwaarden aanwezig die een goede uitvoering op het juiste niveau kunnen waarborgen?» blijkt dat bij ongeveer de helft van de onderzochte opleidingen sprake was van voldoende voorwaarden voor een deugdelijke examinering.

Eén van de voorwaarden is het voldoen aan de wettelijke verplichting van externe legitimering van de examens van bepaalde deelkwalificaties. Het blijkt dat bij ruim een kwart van de onderzochte opleidingen de betreffende onderwijsinstellingen hier niet aan voldoen.

Hier is sprake van geen of onvoldoende afspraken tussen de onderwijsinstelling en de exameninstelling, of te late uitvoering van de externe legitimering, of het ontbreken van de goedkeuring door de exameninstelling vanwege onvoldoende kwaliteit van het examen van de betreffende deelkwalificaties.

Tevens heeft de inspectie bij exameninstellingen de kwaliteit van de uitvoering van de externe legitimering onderzocht. De inspectie constateert dat in 60% van de onderzochte gevallen de exameninstelling in voldoende mate uitvoering geeft aan de externe legitimering en daarmee de kwaliteit van de desbetreffende examens voldoende heeft gewaarborgd.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Voornemen is per 1 augustus 2003 een nieuwe examensystematiek mbo in te voeren. Kern van de nieuwe systematiek is: externe kwaliteitsbewaking van de examens van beroepsopleidingen door één instantie, het Kwaliteitscentrum examens mbo (KCE), op basis van landelijke standaarden voor de examenkwaliteit.

Realisatie: De voorbereiding van het wetsvoorstel heeft de nodige tijd gevergd. Het wetsvoorstel is opgesteld en voor advies aan de Raad van State voorgelegd. Gelet op de procedure van verdere afhandeling van het wetsvoorstel is de beoogde formele invoeringsdatum van 1 augustus 2003 evenwel niet meer haalbaar. De nieuwe beoogde invoeringsdatum is 1 augustus 2004.

Het KCE is in 2002 opgericht en begonnen met ontwikkeling van de landelijke standaarden en de voorbereiding van de uitvoeringswijze van de externe bewaking van de examenkwaliteit.

Onderwijsinstellingen hebben in samenwerking met leerbedrijven, zoveel mogelijk toegewerkt naar (of werken al conform) de nieuwe examensystematiek. Ook hebben instellingen gewerkt aan vernieuwing en doelmatigheidsverbetering van de examinering. De Bve Raad en Colo verrichtten hierbij ondersteunende activiteiten verrichten voor hun leden. Verder is in aansluiting op 2001, in 2002 een nieuwe ronde stimuleringsprojecten toegekend en van start gegaan. Bve Raad, Colo en Paepon voeren stimulerende activiteiten uit.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor examens was een bedrag van € 11,3 miljoen begroot, er is € 10,6 miljoen gerealiseerd.

Het bedrag aan specifieke middelen voor examens mbo is ingezet voor de voorbereiding van het KCE, stimuleringsprojecten ter verbetering en vernieuwing van de examenpraktijk, en voor het ondersteuningsplan Colo.

De realisatie is lager dan het oorspronkelijk geraamde bedrag. Dit komt omdat er middelen gereserveerd waren voor bezwaarschriftenprocedures die allen zijn gehonoreerd dan wel afgehandeld zijn in het betreffende jaar.

Welke stukken zijn naar Tweede Kamer gestuurd?

Beleidsreactie examenverslag 2001 (BVE/KenO/2002/716), d.d. 26 februari 2002.

4.3.7 Inburgering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het streven is om de zelfredzaamheid van de nieuwkomers en oudkomers zo spoedig mogelijk op het niveau te brengen waarop men zelfstandig in de samenleving kan functioneren. Onder andere aan de hand van de evaluatie van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) is over de mate waarin de doelstelling wordt bereikt het volgende geconstateerd:

• het inburgeringtraject is voor de nieuwkomers een nuttige eerste stap op weg naar integratie. Een groot deel van de nieuwkomers krijgt een inburgeringtraject aangeboden en maakt kennis met de Nederlandse instanties;

• slechts een minderheid van de inburgeraars heeft na afronding van het inburgeringstraject het beoogde niveau van zelfredzaamheid bereikt.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De gemeenten hebben de zorgplicht nieuwkomers in te burgeren. In dit verband is het van belang aandacht te schenken aan de Taskforce Inburgering en vervolgens aan de Regionale Taskforces Inburgering.

Taskforce Inburgering

Ter ondersteuning van het inburgeringbeleid van gemeenten is in 2000 de Taskforce Inburgering opgericht. De doelstellingen waren:

• het wegwerken van de wachtlijsten voor lessen Nederlands als tweede taal voor oudkomers;

• de uitvoering, samenwerking en regie;

• het verbeteren van de sturingsinformatie en de monitoring.

Wegwerken van de wachtlijsten

De Taskforce Inburgering heeft een 10-punten plan ontwikkeld om verzuim- en uitval terug te dringen. Dit plan is ontwikkeld in nauwe samenwerking met de VNG en de Bve Raad en gaat onder meer in op het belang van nauwe samenhang met verbeteringen op andere terreinen van het inburgeringsbeleid, het gebruik maken van de motivatie van de inburgeraars, het maken van afspraken tussen inburgeraar, de gemeente en roc's over onder andere sanctiemogelijkheden.

Uit de tweede voortgangsrapportage Groot Project Inburgering blijkt dat het aantal oudkomers dat op de wachtlijst staat voor een taalcursus in de gemeten periode (van 1 december 2001 tot en met 1 mei 2002) is gestegen met ruim een kwart. Daarentegen lijkt het aantal mensen dat tussentijds uitvalt te dalen (van 22% naar 17%).

Uitvoering, samenwerking en regie

Ter verbetering van de uitvoering, samenwerking en de regie heeft de taskforce verschillende activiteiten ondernomen. Zo heeft de taskforce intensief samengewerkt met 10 gemeenten en 1 roc bij het opzetten van zogenaamde duale trajecten.

In 41 gemeenten zijn aan de hand van verbeteragenda's oplossingen voor de geconstateerde knelpunten ontwikkeld en geïmplementeerd. De onderwerpen verbeteren gemeentelijke regievoering, samenwerking met de ketenpartners en onder andere het opzetten van duale trajecten staat in veel gemeenten hoog op de agenda.

Verbetering van de sturingsinformatie en monitoring

In steeds meer gemeenten krijgt het verbeteren van de informatievoorziening meer en meer bestuurlijke prioriteit. Het feit dat gemeenten zich ieder half jaar via de zogenaamde Monitor Oudkomers moeten verantwoorden aan het rijk over de behaalde resultaten met de oudkomersmiddelen vormt daartoe een extra stimulans.

Over de mate waarin de taskforce haar doelstellingen heeft behaald is begin 2003 een rapportage naar de Kamer gestuurd. In deze afrondende verantwoordingsrapportage beoogde de projectleiding van de taskforce een overall inzicht te geven in de door haar behaalde resultaten. Uit verschillende rapportages bleek dat het is gelukt een groot deel van de personen die op een wachtlijst stonden een onderwijsaanbod te doen. Tegelijkertijd werd duidelijk dat er sprake was van een vrij constante nieuwe instroom van mensen op de wachtlijsten.

Recentelijk is een kort onderzoek afgerond naar de tevredenheid onder gemeenten over de dienstverlening van de taskforce en de behoefte aan verdere ondersteuning in de toekomst. Mede op basis van dit onderzoek hebben de betrokken departementen de conclusie getrokken dat de taskforce vooralsnog 2 jaar lang in afgeslankte vorm een vervolg moet krijgen om de resultaten van de afgelopen jaren voldoende in de uitvoeringspraktijk te verankeren.

Regionale taskforces inburgering

Met de oprichting van regionale taskforces inburgering werd een nagenoeg landelijke infrastructuur opgezet waarmee het verbeteren van het inburgeringsproces ter hand werd genomen. Gemeenten en uitvoeringsorganisaties stelden samen verbeteragenda's op, met de uitvoering daarvan is zoveel mogelijk planmatig te werk gegaan. Niet alle verbeterpunten zijn voor 2003 afgerond, daarom is in het laatste kwartaal van 2002 met de gemeenten gewerkt aan het actualiseren van de verbeteragenda ten behoeve van het jaar 2003.

De verbetering van de informatievoorziening werd gericht op:

• stroomlijning van de informatievraag van het rijk aan gemeenten;

• verbetering van de kwaliteit van de informatie;

• vermindering van de administratieve last.

Eén en ander heeft geresulteerd in een implementatiemodel Inburgering Rijk en in een implementatieplan ten behoeve van de gemeenten.

Streven was om naar aanleiding van de evaluatie WIN in de kabinetsreactie aandacht te besteden aan de afschaffing van de gedwongen winkelnering, de gewenste splitsing van toetsing en afrekening en de stroomlijning van de regelgeving. Onder andere door de val van het kabinet is deze reactie nog niet opgesteld.

In september 2002 is als uitvloeisel van de kabinetsformatie besloten om het inburgeringsbudget van OCenW over te hevelen naar Justitie. Daarmee is de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie per 1 januari 2003 belast met het verstrekken van de rijksbijdrage aan gemeenten voor de inburgering van zowel nieuwkomers als oudkomers

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De rijksbijdrage van OCenW voor inburgering bedroeg in 2002 € 117,1 miljoen. Begroot was € 108,1 miljoen. Het verschil wordt veroorzaakt door loonbijstelling.

Daarnaast zijn middelen besteed aan toetsontwikkeling en aan de Taskforce Inburgering. In totaal was hiervoor begroot € 4,7 miljoen. De realisatie is iets hoger uitgekomen, namelijk € 5,1 miljoen.

Welke stukken zijn naar Tweede Kamer gestuurd?

• Tweede voortgangsrapportage Groot Project Inburgering (d.d. 2 juli 2002, met het kenmerk CIM2002/78096)

• Over de mate waarin de Taskforce Inburgering haar doelstellingen heeft behaald is begin 2003 een rapportage naar de Kamer gestuurd (Tweede Kamer, 2002–2003, 27 083, nr. 31, d.d. 13 januari 2003)

• De rapporten van de evaluatie van de Wet Inburgering Nieuwkomers (niet-dossierstuk 2001/2002; in maart 2002 aangeboden aan de TK per brief met het kenmerk BZK/0200158) en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek naar de doelmatigheid van het inburgeringsbeleid zijn naar de Tweede Kamer gestuurd. Een kabinetsreactie op beide rapporten is nog niet opgesteld.

4.3.8 Educatie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Educatie is een laagdrempelige voorziening die gemakkelijk toegankelijk is, ook voor mensen in een achterstandssituatie. Gemeenten beslissen over de inzet en prioriteiten binnen het educatiebudget en sluiten contracten met de roc's. Het onderwijsaanbod is onder te verdelen in vavo (voortgezet algemeen volwassenen onderwijs), sociale redzaamheid , breed maatschappelijk functioneren en NT2.

De afgelopen jaren is gebleken dat er veel analfabete autochtonen zijn. Er leek verdringing op te treden in de zin dat gemeenten en roc's vooral veel cursussen aanboden voor allochtonen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om de verdringing van autochtonen door allochtonen tegen te gaan, is in september 2002 een campagne gestart om analfabetisme onder autochtonen te verminderen.

Uit de eerste resultaten van de campagne Alfabetisering autochtone Nederlanders (gegevens van de landelijke bellijn) blijkt dat de doelgroep moeilijk te bereiken is. Vooralsnog belopen de nieuwe aanmeldingen honderdtallen. Daarom is besloten ook in het meerjarenplan 2003–2006 dat onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden, campagneactiviteiten voorop te stellen. De campagne concentreert zich dit jaar op de landelijke media. Gezien de recente inspanningen is de drempel laag. Mogelijk wordt deze echter nog steeds als hoog ervaren. Bekend is dat autochtone analfabeten meer schaamte moeten overwinnen om zich voor een cursus aan te melden dan migranten.

Tussen de VNG en OCenW is een intentieverklaring getekend (in januari 2002 naar de Tweede Kamer gezonden), met de volgende inzet van de zijde van OCenW:

• uitwerking van een verkenning rondom de aansturing van het vavo,

• uitwerking van het vraagstuk gedwongen winkelnering, en

• stroomlijning van beleid en informatie.

Eerste prioriteit is daarbij gegeven aan de vavo-verkenning en de gedwongen winkelnering.

In 2002 is gewerkt aan de vavo-verkenning. Deze zal begin 2003 met de direct betrokkenen uit het veld besproken worden.

In de kabinetsreactie op het MDW-rapport «Slagvaardig Scholen» is aangegeven dat het kabinet positief staat tegenover de gefaseerde afschaffing van de gedwongen winkelnering bij zowel de inburgering als de educatie. In de kabinetsreactie is tevens aangegeven dat bij de uitvoering van deze maatregel de toegankelijkheid, de kwaliteit en de continuïteit van de educatie en de inburgering gewaarborgd moeten blijven. In verband met de overheveling van het budget van de inburgering naar Justitie, fungeert Vreemdelingenzaken en Integratie als gesprekspartner over de wijze van fasering en de mogelijkheden voor de borging. Voor het onderdeel educatie is een aantal varianten voor de fasering en de borging geformuleerd. Deze worden in het kader van de beleidsnota Koers BVE II eveneens met het veld besproken.

Wat betreft de stroomlijning wordt in 2003 een start gemaakt met de voorbereidingen voor een discussie met betrokken departementen over een mogelijke afstemming van de informatievraag richting de gemeenten en het beleid.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De rijksbijdrage educatie bedroeg in 2002 € 233,7 miljoen. Begroot was € 215,7 miljoen. Het gerealiseerde bedrag is hoger dan geraamd. Dit verschil wordt veroorzaakt door loonbijstelling. Daarnaast is een bedrag van € 0,2 miljoen uitgegeven voor de campagne alfabetisering (dit is € 14 000 lager dan begroot).

Welke stukken zijn naar de Tweede Kamer gestuurd?

• Meerjarenplan alfabetisering 2003–2006 (Kamerstuk 2002–2003, 28 760, nr. 1, Tweede Kamer)

• Intentieverklaring VNG/OCenW

• Kabinetsreactie op het MDW-rapport «Slagvaardig Scholen» (Kamerstuk 2001–2002, 24 036, nr. 231, Tweede Kamer)

4.3.9 Bestrijding voortijdig schoolverlaten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In navolging van de afspraken in Lissabon (maart 2000) over de vermindering van het aantal 18–24 jarigen zonder startkwalificatie in 2010, is het doel gesteld het voortijdig schoolverlaten te halveren in 2010. Inzet is al in 2006 30% van deze reductie te realiseren.

De Tweede Kamer ontvangt ieder voorjaar een voortgangsrapportage, die is gebaseerd op een analyse van effectrapportages door de contactgemeenten van 39 aangewezen regionale meld- en coördinatieregio's (RMC). De voortgangsrapportage van 15 april 2002 laat zien dat het aantal gemelde en geregistreerde voortijdige schoolverlaters in 2001 is gestegen tot ruim 47 000. In voorafgaande jaren bedroeg dit aantal zo'n 40 000.

Opgemerkt wordt dat een sluitende meld- en registratiepraktijk voorwaarde is voor succes van het gevoerde beleid, dat er immers op gericht moet zijn de hele populatie voortijdige schoolverlaters in beeld te brengen om vervolgens voor een zo groot mogelijk deel daarvan een succesvolle herplaatsing te realiseren. Het aantal herplaatsingen in het onderwijs is blijven stijgen en bedroeg in 2001 48%.

Vanwege controles en aanvullingen uit de tweede formele beoordelingsronde van de RMC-effectrapportages zijn de cijfers over 2002 nog niet definitief bekend, maar het ziet ernaar uit dat het totale aantal gemelde en geregistreerde voortijdige schoolverlaters opnieuw is gestegen. Vooral het aantal boven-leerplichtige voortijdige schoolverlaters dat is gemeld (van 17–23 jaar) is sterk toegenomen. De validiteit van de cijfers over de afgelopen jaren zal een aandachtspunt vormen in de eerstvolgende voortgangsrapportage die de Kamer in het voorjaar van 2003 tegemoet mag zien.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Gemeenten hebben de regierol bij de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten. De rijksoverheid stimuleert en ondersteunt hen daarbij, draagt zorg voor de verspreiding van innovatieve projecten en volgt en signaleert relevante ontwikkelingen. Daarnaast worden met inzet van ESF geld projecten op roc's mogelijk gemaakt die als doel hebben het voortijdig schoolverlaten te voorkomen.

Ook in 2002 hebben de gemeenten middelen ontvangen:

• in het kader van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa-beleidskader 2002–2006)

• in het kader van het grote stedenbeleid, via de bijdrageregeling Sociale integratie en veiligheid (€ 22 miljoen per jaar)

• voor de regionale meld- en coördinatiefunctie (€ 10 miljoen per jaar).

Sinds 1995 was sprake van een tijdelijke RMC-regeling. Eind 2001 is deze vervallen met de inwerkingtreding van de RMC-wet. Aansluitend zijn de 39 regio's opnieuw bij AMvB vastgesteld. In 2002 is, als sluitstuk van de codificatie, een nieuwe Uitvoeringsregeling RMC in werking getreden.

Op grond hiervan dienen de effectrapportages jaarlijks vóór 1 december bij OCenW te worden ingediend volgens een modelformulier, waarin voortaan onderscheid wordt gemaakt tussen «oude» en «nieuwe» aanmeldingen. Het formulier vraagt een aantal specificaties waarvoor eerder een afzonderlijke steekproef (het «diepteonderzoek») moest worden verricht. Gemeenten die de gevraagde specificaties nog niet kunnen leveren, mogen volstaan met eenvoudiger opgaven totdat over enkele jaren sprake zal zijn van een geïntegreerde leerplicht/rmc-registratie op basis van het onderwijsnummer.

Met steun van OCenW is in 2002 is een VNG-project gestart om deze geïntegreerde registratie tot stand te brengen. Het project is onder meer onder de aandacht gebracht met een landelijke «RMC-conferentie» in Utrecht die een hoge opkomst kende. Tevens is op grote schaal een brochure van OCenW verspreid om de scholen ervan te doordringen dat zij nu wettelijk gehouden zijn voortijdige schoolverlaters te melden.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor bestrijding vsv was op het bestedingsplan € 11,1 miljoen beschikbaar. De realisatie was 10,9 miljoen (hiervan is 10,6 miljoen besteed aan de rmc-functie).

Welke stukken zijn naar de Tweede Kamer gestuurd?

• De voortgangsrapportage van 15 april 2002 (Kamerstukken II 2001–2002, OCenW 0200408)

4.3.11 Stimulering innovatie bve-onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is het tot stand brengen van nieuwe vormen of systemen van kennisuitwisseling tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk en het innoveren van opleidingen of delen daarvan door een aantrekkelijke en rijk gedifferentieerde leeromgeving te ontwikkelen en deze te implementeren.

Uit de evaluaties tot en met 2001 blijkt dat ieder project leidt tot de ontwikkeling of implementatie van één of meer leermiddelen of leermethodes voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Ieder project verbetert de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk. Bij de Silo-regeling blijkt dat projecten zich steeds meer op vernieuwing van complete opleidingen richten in plaats van op delen van opleidingen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Met twee regelingen – Kennisuitwisseling beroepsonderwijs bedrijfsleven (KeBB) en Stimulering innovatieve leeromgevingen (Silo) – zijn innovaties binnen het bve-onderwijs gestimuleerd. Deze regelingen zijn gericht op het tot stand brengen van nieuwe vormen of systemen van kennisuitwisseling tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk (KeBB-regeling) (Silo-regeling). In 2002 zijn in totaal 41 projecten gestart. De subsidieplafonds zijn ter beschikking gesteld en subsidies zijn verstrekt aan de kwalitatief beste projecten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Begroot was € 14,2 miljoen. Uiteindelijk is € 9,9 miljoen gerealiseerd voor de bovengenoemde regelingen. Het verschil is voornamelijk te verklaren doordat oorspronkelijk ook een bedrag voor aantrekkelijk technisch beroepsonderwijs (atb) begroot was. Dit is niet doorgegaan.

4.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.5: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022002 
Verplichtingen  2 631 0642 581 41049 654
– waarvan garanties  000
Uitgaven  2 545 6432 557 251– 11 608
Mbo  2 148 1782 179 836– 31 658
Educatie en inburgering  350 839323 76527 074
Specifieke stimulering  46 62653 649– 7 023
Ontvangsten  17 78127 227– 9 446

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

4.5 Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf

Monitor kwalificatiewinst

De ontwikkeling van de monitor waarin de resultaten van het beleid op het punt van de kwalificatiewinst worden gemonitord is weergegeven in de overzichtsconstructie beroepskolom.

Vernieuwingsmonitor

Daarnaast is in 2001 de laatste versie van de vernieuwingsmonitor verschenen. In 2002 is gewerkt aan de opzet van een nieuwe monitor. Dit is echter nog niet tot afronding gekomen. De reden van deze vertraging is dat de samenhang met andere monitors bezien moet worden.

Informatiemodel inburgering

In 2003 wordt gestart met de implementatie van een nieuw informatiemodel inburgering ten behoeve van de eigen taken van de gemeenten. Dit model is door de Taskforce Inburgering, in samenwerking met de betrokken departementen, gemeenten en VNG, ontwikkeld. Het model beschrijft de informatiebehoefte van de gemeenten en het Rijk en maakt het voor de gemeenten inzichtelijk welke gegevens zij moeten vastleggen om aan deze informatiebehoefte te voldoen. Rapportage aan het Rijk op basis van dit model zal naar verwachting plaatsvinden over het jaar 2004.

OVERZICHTSCONSTRUCTIE BEROEPSKOLOM

Goed beroepsonderwijs legt de basis voor volwaardige participatie in de samenleving en is van belang voor onze (kennis)-economie. Helaas spoort de waardering van het beroepsonderwijs niet met het maatschappelijk en economisch belang van de sector. Dit geldt in versterkte mate voor het vmbo, het fundament van de beroepskolom. Investeren in de kwaliteit van het beroepsonderwijs en het imago van met name het vmbo is dan ook van belang voor de ontwikkeling van de beroepskolom als koninklijke leerweg naast het algemeen vormend onderwijs. Om dit te realiseren is een ver(der)gaande institutionele vernieuwing vereist, waarin partijen – onderwijsinstellingen, bedrijven en intermediaire organisaties als de kenniscentra voor beroepsonderwijs bedrijfsleven – zich gezamenlijk garant stellen voor het organiseren van doorlopende leerwegen (op maat). Dit vereist een flexibel onderwijsaanbod; waarin leerwegen doorlopen en waar mogelijk worden geïntegreerd; waarin theorie én praktijk elkaar versterken en waarin leerlingen voldoende ruimte én ondersteuning krijgen om zich optimaal te ontwikkelen.

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Hoofddoel is het realiseren van aantrekkelijk beroepsonderwijs, zowel voor wat betreft de kwaliteit van de onderwijssectoren afzonderlijk als de kwaliteit van de verschillende aansluitingsmomenten binnen de beroepskolom. Een versterking van het beroepsonderwijs, die leidt tot kwalificatiewinst: meer gekwalificeerden op alle niveaus (vanaf startkwalificatie tot en met hbo), doordat uitval daalt en de doorstroom stijgt. De beroepskolom gaat niet alleen over doorstromen naar het hoogste niveau. Het gaat over instellingen die investeren in aantrekkelijk onderwijs, zodat meer leerlingen hun talenten kunnen ontwikkelen en een kwalificatie behalen op een niveau dat bij hen past.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De ontwikkeling van de beroepskolom wordt via twee monitors in kaart gebracht. De kwantitatieve monitor van het Stoas over de ontwikkeling van de kwalificatiewinst. Deze monitor bestaat uit een nulmetingop basis van de bekostigingstelling van over het jaar 2000 en drie vervolgmetingen over 2001, 2002 en 2003. En de kwalitatieve monitor van het Cinop over de inhoudelijke en procesmatige ontwikkeling van de beroepskolom vanaf 20011. De eerste rapportages zijn eind 2002 via de «Eerste monitorbrief voor de beroepskolom» aan de Kamer aangeboden.

De eindrapportage van de kwalitatieve monitor (over bve en hbo) van het Cinop2  bevestigt het beeld zoals dat in de monitorbrief3 is gepresenteerd: er is een breed draagvlak ontstaan voor innovaties, waarin wordt geïnvesteerd in het ontwikkelen van een (beleids)visie, draagvlak en samenwerkingsrelaties. Kijken we naar de ontwikkeling van de versterking van de beroepskolom dan kunnen we stellen dat vernieuwingen zich bevinden in de ontwerp- of ontwikkelfase en zijn ingezet op het niveau van een opleiding danwel sector. Verbreding van de inzet wordt afhankelijk gesteld van de impulsmiddelen die beschikbaar worden gesteld. Achter dat globale beeld gaan duidelijke verschillen schuil. Of zoals door Cinop wordt geformuleerd «....in vergelijking tot de vorige meting zien we dat er meer gezaaid wordt. Daarnaast constateren we dat er her en der ook al wel geoogst wordt. Een goed voorbeeld is het groeiend (ofschoon nog altijd zeer klein) aantal operationeel zijnde geïntegreerde, longitudinale leerwegen. Een niet te onderschatten succes, gelet op het feit dat het tot stand brengen van zo'n leerweg een enorme tour de force is.

Voor het vmbo is de inzet van de impulsmiddelen in 2001 in kaart gebracht door het NEI1. Het rapport bevat conclusies en aanbevelingen over het Actieprogramma versterking vmbo, zoals gestart in 2000. In het kader van de impuls is uitvoering gegeven aan inhoudelijke vernieuwing, toegespitst op regionale en sectorale variëteit en maatwerk, ontwikkelen van doorlopende leerlijnen, versterking van de relatie met het bedrijfsleven en bijscholing van docenten. Het georganiseerde bedrijfsleven staat achter de doelstellingen van het actieprogramma. Dit komt tot uitdrukking in een sterke betrokkenheid bij de uitvoering en co-financiering.

In het rapport «Invoering leerwerktrajecten: een goede start!» van de vmbo-projectorganisatie wordt de voortgang van de invoering van leerwerktrajecten beschreven. Hieruit blijkt dat er sprake is van een goede, zorgvuldige start van leerwerktrajecten op in de eerste tranche ca. 170 scholen voor bijna 4000 leerlingen.

De conclusie, op basis van deze bevindingen, is dat de extra middelen een flinke stimulans zijn voor het starten van activiteiten dan wel het intensiveren van reeds lopende initiatieven. Instellingen worden uitgedaagd zelf beleid te gaan maken op het punt van versterking van de beroepskolom. De beroepskolom is een sterk concept dat in het veld voortvarend wordt opgepakt. Centrale vraag die partijen zich moeten stellen is «Wat is het effect van onze activiteiten op de ontwikkeling van de doorstroom en de beperking van de uitval?» en «Hoe kunnen we dat het beste aanpakken?». Hierop zullen zowel op landelijk als op regionaal niveau – binnen samenwerkingsverbanden afspraken moeten worden gemaakt. Zo kan gekomen worden tot nader geoperationaliseerde doelstellingen.

Om de kwantitatieve effecten te kunnen volgen, is in 2002 de «nulmeting» uitgevoerd door Stoas. De komende jaren wordt deze meting herhaald.

Er worden vier indicatoren onderscheiden;

• slaagkans: de kans dat een leerling daadwerkelijk met een diploma vertrekt;

• doorstroomkans: de kans om met een diploma door te stromen naar een vervolgopleiding in het beroepsonderwijs;

• verblijfsduur: het aantal jaren dat het duurt om een diploma te behalen of om uit te stromen;

• rendement: het product van de kans om te slagen (slaagkans) en de kosten (verblijfsduur)

Deze vier indicatoren geven samen een beeld van de kwantitatieve ontwikkeling van de beroepskolom in zijn geheel, waarbij de onderzoekers zich vooral hebben gericht op het in kaart brengen van de reguliere in- en doorstroom; vmbo'ers in het mbo en mbo'ers in het hbo. Om dit beeld te concretiseren zijn berekeningswijzen voor de betreffende onderwijssectoren gestandaardiseerd, zodat de uitkomsten goed met elkaar te vergelijken zijn. Dat is winst, in een breed onderwijsveld waarin elke onderwijssector werkt met eigen definities en verschillende soorten gegevens. Gevolg is echter dat resultaten (kunnen) afwijken van indicatoren en waarden die – op dit moment – in de verschillende sectoren worden gebruikt. Idealiter zou de meting volledig leerlinggebonden en leerroute-onafhankelijk moeten zijn: een dergelijke cohortmeting is pas mogelijk als het onderwijsnummer volledig is geïmplementeerd. Vooralsnog zullen de indicatoren zoals die door Stoas zijn ontwikkeld als basis dienen voor de inzet, rekening houdend met het feit dat cijfers per onderwijssector (kunnen) afwijken.

Verder is in 2002 het Platform Beroepsonderwijs opgericht. Dit is een samenwerkingsverband van HBO-Raad, Bve Raad, VVO/VSWO en Colo. De AOC-raad participeert in de Taskforce beroepsonderwijs, de inhoudelijke motor van het Platform. Het Platform wil een belangrijke rol spelen, als regisseur én als aanjager van de noodzakelijke vernieuwing van het beroepsonderwijs. Hiervoor wordt vanuit OCenW gedurende de komende vier jaar – parallel aan de impuls beroepskolom (2002–2005) – gefaciliteerd. Sinds september 2002 is het platform operationeel in de vorm van een transferpunt dat partijen actief ondersteunt bij het versterken van de beroepskolom in de regio.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor de beroepskolom was in 2002 een bedrag van € 136,1 miljoen beschikbaar. Dit is in een verhouding 3:2:1 verdeeld over de sectoren vmbo, mbo en hbo.

Tabel 1: Overzicht investeringen beroepskolom (x € 1 miljoen)
OnderwerpRealisatie 2002Begroting 2002Verschil 2002
Versterking kwaliteit leeromgeving   
Vmbo inventaris9,19,1
Bve verbetering verantwoording4,54,5
Versterking kwaliteit leerproces/doorstroom   
Vmbo:actieprogramma/doorstroom43,443,6– 0,2
Vmbo:leerwerktrajecten en flex/maatw10,910,40,5
BVE impulsregeling26,426,6– 0,2
BVE verbetering kwaliteit examens10,611,3– 0,7
HBO: doorstroom21,921,80,1
Specifieke stimulering:   
Platform beroepsonderwijs, monitoring en voorlichting1,91,60,3
LNV7,07,1– 0,1
Totaal beroepskolom135,6136,1– 0,5

Het verschil tussen realisatie en begroting wordt veroorzaakt door onderuitputting op het onderdeel examens. Deze onderuitputting wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Verder zijn er kleine verschuivingen tussen verschillende onderwerpen binnen de beroepskolom.

Versterken kwaliteit leeromgeving

• Een eerste aanzet voor de verbetering van de inventaris is deels gegeven via het actieprogramma vmbo (zie hieronder) en deels door een normatieve verhoging van het lumpsum bedrag in het kader van het BSM.

• In de bve-sector is € 4,5 miljoen ingezet voor verbetering van de verantwoording. In hoofdstuk 4 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie is dit verder toegelicht.

Versterken kwaliteit leerproces/doorstroom

• Een belangrijk deel van de middelen voor de beroepskolom wordt via een regeling beschikbaar gesteld aan vmbo-scholen, bve-instellingen, aoc's en de kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven. (kenmerk Bve/B/2002/11 829), een subsidieregeling met een lumpsumkarakter. De looptijd van deze regeling is 4 jaar (2002 tot en met 2005). De hoogte van de impulsbedragen wordt jaarlijks vastgesteld.

• De Impulsmiddelen voor het hbo (ook hbo groen onderwijs) zijn via de rijksbijdragebrief direct toegevoegd aan de lumpsum, met dien verstande dat de inhoud van het beleid – als het gaat om doelstelling, investeringsthema's en monitoring -voor de hele beroepskolom (ook voor het hbo) gelijk is, zodat instellingen voldoende ruimte hebben om gezamenlijk beroepskolombreed – activiteiten te ontwikkelen en uit te voeren.

• Een deel van de middelen in de bve-sector is ingezet om de kwaliteit van de examens te verbeteren. voor een verdere toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 4 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Specifieke stimulering

• Het platform beroepsonderwijs heeft in 2002 in totaal € 1,36 miljoen (1% van de totale impulsmiddelen) ontvangen voor het ondersteunen van de ontwikkeling van de beroepskolom in de regio.

• Daarnaast zijn middelen besteed aan monitoring en voorlichting.

Welke stukken zijn naar de TK gestuurd?

• Een middellange termijn verkenning voor het beroepsonderwijs «Van binnen naar buiten; de innovatie van het beroepsonderwijs in een hogere versnelling» (kenmerk bve/b/2002/12493). Deze notitie is op 25 april 2002 door de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen mede namens de minister van Landbouw Natuur en Visserij en de staatssecretaris van Onderwijs aan de Tweede Kamer aangeboden.

• Eind 2002 zijn via de «Eerste monitorbrief beroepskolom» (kenmerk Bve/02/60099) twee monitorraportages (STOAS en Cinop) aangeboden. Het NEI heeft de inzet van de impulsmiddelen in het vmbo afzonderlijk in kaart gebracht. De rapportage van dit onderzoek is in mei 2002 aan de Kamer aangeboden1.

Hoe gaan we verder? Afspraken over prestaties

Zoals aangegeven in de monitorbrief beroepskolom is het van belang om op korte termijn – los van de exacte cijfers – afspraken te maken over de resultaten die we op de middellange en de lange termijn willen bereiken. Bij voorkeur in de vorm van een hoofdlijnenakkoord prestaties beroepskolom, zoals ook door onderwijsinstellingen en sociale partners wordt onderschreven in hun gezamenlijke brief2 aan de Kamer in februari 2003. In de komende maanden zal OCenW met het veld verenigd in het Platform Beroepsonderwijs – afspraken maken, over de mate waarin en de termijn waarop genoemde doelen aantrekkelijk beroepsonderwijs en kwalificatiewinst – kunnen worden gerealiseerd, zoals in de genoemde monitorbrief aangegeven.

In december 2002 is een start gemaakt met het opzetten van een innovatie-arrangement beroepskolom. Doel hiervan is te komen tot landelijk nieuwe, in samenwerking met het bedrijfsleven gerealiseerde, projecten op het gebied van onderwijs en scholing die, van onderop aangestuurd, op regionaal en/of sectoraal niveau een herkenbare bijdrage leveren aan de vernieuwing van het beroepsonderwijs en die zijn gericht op het versterken van de beroepskolom. De met het innovatiebudget ontwikkelde innovaties zullen met impulsmiddelen en middelen uit de lumpsum worden geïmplementeerd in het primaire proces.

5. TECHNOCENTRA

5.1. Algemene beleidsdoelstelling

De algemene doelstelling van de technocentra kan worden omschreven als «het versterken van de kennisinfrastructuur binnen de technische sector, als bijdrage aan de versterking van de economische structuur».

Reeds in 1995 zette de nota «Kennis in beweging» het beroepsonderwijs op de kaart van de kennisinfrastructuur door de uitvoering van projecten als Transito Cognito en Aantrekkelijk Technisch Beroepsonderwijs (ATB). In 1998 heeft de regering besloten binnen het programma ICES/KIS II € 90,8 miljoen in het FES te reserveren voor het project technocentra. Hiervan is € 18,2 miljoen onmiddellijk beschikbaar gesteld voor de periode tot en met 2002. De overige gelden werden gereserveerd, waarbij vrijgave van deze middelen afhankelijk is gesteld van een evaluatie in 2002.

Bij de beschrijving van de operationele doelstellingen wordt gebruik gemaakt van de Monitor Technocentra die in 2002 is uitgevoerd. De vraag «heeft het gekost wat het mocht kosten?» wordt voor het totaal beantwoord en is niet uitgesplitst per operationele doelstelling.

5.2 Het stelsel: de staat van de technocentra

Er zijn 15 technocentra. Dit zijn intermediaire organisaties die op regionale schaal een makel- en schakelfunctie vervullen: hun kerntaak is het tot stand brengen van samenwerkingsverbanden tussen bedrijfsleven, (technisch) beroepsonderwijs en regionale en lokale overheden, gericht op de drie doelstellingen van het project. De technocentra baseren hun inzet op een regioanalyse die inzicht geeft in knelpunten in de regionale kennisinfrastructuur enerzijds en in kansen en speerpunten anderzijds.

Er zijn twee perioden onderscheiden met betrekking tot de technocentra, te weten:

• de startfase (2000–2002),

• de uitvoeringsfase (2003–2010).

In de startfase dienden de kenniscentra zich te ontwikkelen tot «organisaties die in hoofdzaak een makelaars-, een schakel- en een organisatiefunctie vervullen om de regionale samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en andere relevante actoren te faciliteren en te stimuleren.» In deze periode hebben de technocentra de gelegenheid gekregen om het concept technocentrum voor hun regio verder uit te werken, een gezaghebbend netwerk in hun regio te vormen maar ook het ondernemen van de eerste activiteiten.

Tot en met 2002 werken zij op basis van de zgn. startsubsidie, waardoor zij nog niet aan alle vereisten van de Kaderregeling (met name de subsidiëring op basis van gerealiseerde baten) hoeven te voldoen. Zo kunnen zij geleidelijk naar deze vereisten toegroeien.

Het kader voor de technocentra is gewijzigd door de afkondiging van een nieuwe Kaderregeling Technocentra in november 2001. Doel van de wijziging was vooral verduidelijking van het kader en vermindering van de plan- en informatielast van de technocentra.

5.3 Operationele doelstellingen

5.3.1 Versnellen van de kennisdiffusie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is: versnellen van de circulatie, diffusie en toepassing van kennis. Volgens de Monitor Technocentra vindt dit inderdaad plaats en dan vooral op basis van structureel overleg tussen onderwijs en bedrijfsleven gekoppeld aan een bepaalde sector in de techniek. De technocentra hebben daarin veelal een initiërende en/of faciliterende rol.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In veel sectoren zijn dergelijke regionale overleggen opgezet. Binnen deze overleggen vindt kennisuitwisseling plaats en worden vele projecten uitgevoerd gericht op het implementeren van kennis uit de bedrijven in de opleidingen vmbo, mbo en hbo, op verbetering van de aansluiting op de opleidingsbehoefte van de bedrijven en aansluiting onderwijs op de beroepspraktijk. In sommige platforms wordt tevens de kennisuitwisseling gebruikt om de instroomproblematiek op te lossen in de regio.

5.3.2 Gezamenlijke benutting van hoogwaardige moderne apparatuur

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De Monitor Technocentra geeft aan dat 13 van de 15 technocentra actief zijn op het terrein van gezamenlijk gebruik van hoogwaardige apparatuur binnen de sector techniek.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De technocentra hebben dit op de volgende manieren aangepakt:

• 8 van de 15 technocentra hebben een actieve rol in het opzetten van gezamenlijke praktijkcentra (soms aangevuld met simulaties);

• 5 technocentra hebben de beschikbare en benodigde hoogwaardige apparatuur geïnventariseerd.

• 4 technocentra hebben voor vraag, aanbod, reserveren en eventueel verhuren van hoogwaardige apparatuur een speciale website of databank opgezet voor zowel het onderwijs als het bedrijfsleven;

• 1 technocentrum heeft actie ondernomen om tijdens stages in bedrijven efficiënter gebruik van bestaande apparatuur te maken.

5.3.3 Effectieve en efficiënte aansluiting beroepsonderwijs en arbeidsmarkt

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is verbetering van de kennisinfrastructuur in aansluiting op de economische structuur in de regio. Uit de Monitor Technocentra blijkt dat alle technocentra hard hebben gewerkt aan de verbetering van de kennisinfrastructuur zeker als het gaat om effectieve en efficiënte aansluiting van het technische beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

10 van de 15 technocentra zijn samen met basisscholen bezig om leerlingen goed kennis te laten maken met techniek. Alle technocentra zijn actief betrokken bij het verbeteren van technische opleidingen en/of het verbeteren van de infrastructuur voor de opleidingen in de regio. Het bedrijfsleven is actief betrokken bij deze ontwikkelingen.

Sommige technocentra hebben ook specifiek op de werking van de arbeidsmarkt gerichte projecten.

• 8 van de 15 technocentra zijn via websites, databanken, opleidingscatalogi en dergelijke actief op het terrein van vraag en aanbod van technische opleidingen en/of op vraag en aanbod van technische vacatures, beroepspraktijkvorming (bpv) plaatsen en stages.

• 7 technocentra doen, samen met onderwijs en bedrijfsleven, onderzoek en voeren inventarisaties uit.

5.3.4 Kosten van operationele doelstellingen

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De Adviescommissie Technocentra, ingesteld in oktober 2000, heeft in 2001 adviezen uitgebracht over het speerpuntenbeleid (maart). Vanaf november 2001 is de Adviescommissie bezig met de beoordeling van de businessplannen van de technocentra. De businessplannen moeten de grondslag bieden voor de beoordeling welke technocentra (onder voorbehoud van de evaluatie van de regeling als zodanig) in 2003 definitief door kunnen gaan.

5.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.1: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022002 
Verplichtingen  000
– waarvan garanties  000
Uitgaven  5 4465 4451
Ontvangsten  5 4455 4450

6. HOGER BEROEPSONDERWIJS

6.1 Algemene beleidsdoelstelling

In de begroting 2002 werd de algemene beleidsdoelstelling voor het hbo als volgt aangeduid: «Het zorgdragen voor de toegankelijkheid en kwaliteit van het hoger beroepsonderwijs, onder waarborging van de rechtmatige en doelmatige besteding van middelen».

Om deze doelstelling te realiseren is in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) vastgelegd dat de overheid een stelsel van hogescholen in stand houdt.

6.2 Het stelsel: de staat van de sector hoger beroepsonderwijs

6.2.1 Toegankelijkheid

Het hbo is toegankelijk voor iedereen met een afgeronde havo, vwo- of vierjarige mbo-opleiding. Via de Wet studiefinanciering (WSF) wordt een tegemoetkoming aan studenten geboden in de kosten van studie en levensonderhoud. Dit draagt bij aan de financiële toegankelijkheid van het hbo.

In de publicatie «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen» is een meerjarig cijferbeeld opgenomen van de directe en indirecte instroom in het hbo. Hieruit blijkt dat gemiddeld 42% afkomstig is uit het havo, 14% uit het vwo, 31% uit het mbo en 13% overig (dit betreft studenten met een buitenlands diploma en/of een colloquium doctum).

Gegevens over aantallen ingeschreven studenten in het hbo geven het volgende beeld:

Tabel 6.1: Aantal studenten op peildatum 1 oktober 2002 (x 1 000)
 BegrotingRealisatie
Voltijd237,9247,6
Deeltijd66,361,7
Totaal ingeschreven studenten304,2309,3

Bron begroting: Referentieraming 2001, excl. studenten in de sector Landbouw en natuurlijke omgeving; deze zijn opgenomen in de begroting van LNV.

Bron realisatie: CRIHO, voorlopige gegevens, idem excl. studenten in de sector Landbouw en natuurlijke omgeving

Voor een uitgebreider beeld van de student in het wo en het hbo wordt verwezen naar de «Studentenmonitor 2001» en bijbehorende beleidsreactie (brief WO/A/2002/29439) die aan de Tweede Kamer is gezonden.

6.2.2 Variëteit

De studentenpopulatie wordt steeds heterogener en de behoefte aan individuele mogelijkheden, variaties en keuzes binnen het onderwijs neemt toe. Toegankelijkheid hangt dus ook samen met de variatie en differentiatie in het onderwijsaanbod. De variëteit in het hbo is onder meer versterkt door het aanbieden van nieuwe opleidingen en leerwegen.

Zie voor het opleidingenaanbod in het hbo, verdeeld naar HOOP-gebieden de «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen».

Om beter in te kunnen spelen op internationale ontwikkelingen is in het studiejaar 2002–2003 de bachelor-masterstructuur ingevoerd in het hoger onderwijs. Doelstellingen van de bachelor-masterstructuur zijn gericht op de kwaliteit van het hoger onderwijs en de openheid, flexibiliteit en internationale herkenbaarheid van het stelsel. Het wetsvoorstel voor de invoering van de bachelor-masterstructuur is voor de zomer van 2002 aangenomen en met ingang van het studiejaar 2002–2003 in werking getreden. Hierdoor zijn per 1 september 2002 de hbo-opleidingen met een studielast van 240 ECTS-studiepunten omgezet in hbo-bacheloropleidingen. Daarnaast zijn mogelijkheden geïntroduceerd voor de wettelijke erkenning van een hbo-masteropleiding. Zie ook paragraaf 7.3.1. van hoofdstuk 7 «het Wetenschappelijk onderwijs».

Met betrekking tot de variëteit voor de student wordt de mogelijkheid tot invoering van vraagsturing en vraagfinanciering onderzocht. Invoering van vraagsturing en vraagfinanciering in het hbo wordt momenteel onderzocht middels het experiment vraagfinanciering (zie paragraaf 6.3.7).

6.2.3 Kwaliteit

In het onderwijsverslag 2002 wordt door de inspectie gerapporteerd over visitaties van 139 hbo opleidingen in het cursusjaar 2001–2002 (10% van het totaal) en over 2 proefaccreditaties. Aan de onderzochte opleidingen studeren 28 600 studenten ofwel 9,3% van alle studenten in het hbo.

In de analyse van de uitkomsten van bovengenoemde visitatierapporten in het onderwijsverslag 2002 constateert de inspectie dat de visitatiecommissies in het hbo zich in meerderheid tevreden tonen over het niveau en de inhoud van de onderzochte opleidingen.

Bij de meeste hbo-opleidingen zijn de gerealiseerde kwalificaties, dit is de mate waarin studenten de einddoelen van de opleiding bereiken, voldoende tot goed. Er is wel kritiek op de bewaking van de kwalificaties bij veel opleidingen. Opleidingen hebben wel zicht op het gerealiseerde eindniveau, maar gaan onvoldoende na of afgestudeerde studenten in de praktijk over de benodigde kennis en vaardigheden beschikken om adequaat te kunnen functioneren.

Bij 63,5% van de beoordeelde hbo-opleidingen is sprake van een voldoende tot goed rendement. Bij 19% is dat matig en bij 17,5% onvoldoende.

De inspectie concludeert dat veel opleidingen nog geen expliciet personeelsbeleid hebben. Ook vorig jaar werd dat vastgesteld. Bij bijna 48% van de onderzochte opleidingen acht de inspectie het personeelsbeleid onvoldoende; in de overige gevallen is sprake van een matig (8%) of voldoende personeelsbeleid (44%). Een aantal instellingen voeren tijdgebrek en werkdruk als medeveroorzakers hiervan aan.

Op grond van de bestuurlijke afspraken over het toezicht op het hoger onderwijs stelt de inspectie in vervolgonderzoeken na visitaties (zogenaamde meta-evaluaties en evaluaties bestuurlijke hantering) vast of er bij een opleiding «ernstige tekortkomingen» dan wel «langdurig ernstige tekortkomingen» in de kwaliteit van het onderwijs bestaan. De inspectie baseert haar oordeel op de visitatierapporten en op de evaluatie van de wijze waarop instellingen omgaan met de aanbevelingen uit de visitatierapporten.

In het onderhavige cursusjaar werd in het kader van bovengenoemde vervolgonderzoeken bij 42 van 169 opleidingen ernstige tekortkomingen vastgesteld. Met de opleidingen waar deze ernstige tekortkomingen zijn geconstateerd voert de Inspectie thans overleg over verbetertrajecten om de tekortkomingen zo snel mogelijk op te heffen. In één geval werd geconstateerd dat er sprake was van langdurig ernstige tekortkomingen en deelde de minister een waarschuwing uit. Inmiddels heeft de inspectie vastgesteld dat de betreffende hogeschool toereikende maatregelen genomen heeft om de tekortkomingen op te heffen.

Conform het voornemen in de begroting 2002 is het stelsel van kwaliteitszorg voor het hoger onderwijs uitgebreid met een stelsel van accreditatie. Hiermee wordt beoogd de positie van Nederland in de internationale onderwijswereld te versterken. De accreditatie, het verlenen van een keurmerk, is de taak van de Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO). Zie ook paragraaf 7.3.2 van hoofdstuk 7 «Wetenschappelijk onderwijs».

6.2.4 Bekostiging

De rijksbijdrage voor het hoger beroepsonderwijs wordt berekend op basis van de volgende parameters:

• het aantal ingeschrevenen;

• het aantal afgestudeerden;

• het totaal aantal inschrijvingsjaren per afgestudeerde;

• het aantal uitvallers;

• het totaal aantal inschrijvingsjaren per uitvaller.

Er worden negen prijsfactoren gehanteerd, afhankelijk van het onderscheiden bekostigingsniveau: opleidingen met een hoog en een laag bekostigingsniveau. Daarnaast zijn er nog zeven specifieke bekostigingsniveaus voor (voortgezette) opleidingen op het gebied van de kunst. Voor de opleidingen tot leraar basisonderwijs is een structurele vergoeding voor vernieuwing beschikbaar.

Het hbo heeft in 2002 een totaal budget van € 1,6 miljard (exploitatie, huisvesting, overig) gekregen. Dit zogenaamde macrobudget wordt verdeeld over de hogescholen. Er wordt bekostigd op basis van gegevens van twee jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar. De bekostigingssystematiek is vastgelegd in het bekostigingsbesluit WHW en de regeling bekostiging hoger onderwijs 2002.

De onderwijsuitgaven per student kunnen uit het macrobudget worden afgeleid.

Tabel 6.2: Onderwijsuitgaven per student (x € 1 000)
 BegrotingRealisatie
Uitgaven per student excl. WSF incl. huisvesting in constante prijzen4,85,0*
Collegegeld per student1,41,4

* Op basis van voorlopige studentenaantallen

De stijging in de uitgaven per student laat zich onder meer verklaren door loon- en prijsbijstellingen.

Voor een historisch overzicht wordt verwezen naar het hoofdstuk hbo in «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen», onder het kopje Stelsel en Financiën.

6.2.5 Rendement

De onderwijskundige doelmatigheid geeft aan in hoeverre de opleidingsinhoud bijdraagt aan de door- en uitstroom van studenten (intern rendement/slaagkans) en de arbeidsmarktpositie van afgestudeerde hbo-ers (extern rendement).

Het intern rendement (percentage gediplomeerden met een hbo-bachelor opleiding op basis van totaal aantal ingeschreven studenten per jaar) geeft het volgende beeld:

Tabel 6.3: Verwacht rendement HBO-bachelor opleidingen in %
 19981999*200020012002
Gemiddeld7169677068

Bron: CRIHO

* In de begroting 2002 is het percentage 65%. Dit percentage was echter nog op basis van voorlopige cijfers, omdat ten tijde van het opstellen van de begroting 2002 nog niet alle behaalde diploma's bekend waren.

Uit bovenstaande cijfers blijkt dat het verwachte rendement per jaar wat schommelt, maar gemiddeld stabiel blijft op gemiddeld 69%.

Voor een overzicht van de behaalde rendementen van het opleidingenaanbod in het hbo, verdeeld naar HOOP-gebieden wordt verwezen naar de tabel in «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen».

Over het extern rendement (het percentage afgestudeerden dat 1,5 jaar na afstuderen betaald werk verricht) valt op te merken dat pas afgestudeerde hbo-ers een goede arbeidsmarktpositie hebben: 83%1 (vt-hbo: 81%; dt-hbo: 92%) van de afgestudeerden uit het cursusjaar 1999/2000 is niet werkloos geweest tussen het behalen van het diploma en het enquête-moment. In het algemeen geldt voor afgestudeerde hbo-ers nog steeds een zeer lage werkloosheid.

6.2.6 Continuïteit

Indicatoren over de financiële continuïteit van de hogescholen betreffen de solvabiliteit, de liquiditeit en de rentabiliteit.

In het algemeen is er eind 2001 wederom sprake van een lichte verbetering ten opzichte van het jaar ervoor. Het collectief van hogescholen heeft sinds 1999 jaarlijks een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De financiële positie eind 2001 van het hoger beroepsonderwijs is voldoende, waarbij met name de rentabiliteit als goed kan worden gekwalificeerd.

Aan de hand van de indicatoren solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit wordt hierna de financiële trend grafisch weergegeven. Voor wat betreft de liquiditeit wordt daarbij voor de kwalificatie «goed» een ondergrens aangehouden van 1,2%, voor de solvabiliteit van 0,5% en voor de rentabiliteit een gemiddelde – op langere termijn – van 1%.

grafiek 1: Solvabiliteit (gewogen gemiddelde)

kst-28880-16-11.gif

grafiek 2: Liquiditeit (gewogen gemiddelde)

kst-28880-16-12.gif

grafiek 3: Rentabiliteit (gewogen gemiddelde)

kst-28880-16-13.gif

Bron: jaarrekeningen 1997–2001, Cfi

Zie voor meer cijfers over de financiële positie van het hbo de «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen».

6.3 Operationele doelstellingen

6.3.1 Capaciteit mondhygiëne

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is het voorkomen van tekorten aan mondhygiënisten op de arbeidsmarkt door verhoging van het aantal afgestudeerde mondhygiënisten.

Na afloop van het studiejaar 2005–2006 zal kunnen worden vastgesteld of de opleidingscapaciteit is opgehoogd naar 300 plaatsen.

De fixus cijfers van de IB-groep wijzen uit dat voor het studiejaar 2002–2003 de fixus is opgehoogd van 223 naar 255 plaatsen.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In de begroting 2002 is vastgelegd dat vanaf 2002 de opleidingscapaciteit voor de opleidingen mondhygiëne gefaseerd wordt uitgebreid van 210 naar 300 plaatsen. De 4 betrokken opleidingen hebben een verdeling gemaakt van de 90 extra opleidingsplaatsen en de daarbij behorende middelen; na afloop van het studiejaar 2005–2006 zal deze verdeling geëvalueerd worden.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 is aan de hogescholen met een opleiding mondhygiëne het in de begroting geraamde bedrag van € 0,5 miljoen beschikbaar gesteld.

6.3.2 Lectoren/kenniskringen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling van lectoren en kenniskringen is het vergroten van kennisinnovatie in het hbo en de daarmee samenhangende kwaliteitsverbetering van het onderwijs enerzijds en versterking van de externe oriëntatie anderzijds.

Met de HBO-raad zijn in 2002 de beoogde afspraken over de indicatoren en streefwaarden gemaakt. Deze zullen bij de evaluatie in 2004 worden benut om te monitoren in hoeverre aan de doelstellingen is voldaan. De uitkomsten worden betrokken bij de besluitvorming over continuering van het afgesloten convenant en de financiële bijdrage na 2005.

Hebben we gedaan wat we zouden doen?

In 2001 is tussen de HBO-raad en de minister een convenant gesloten waarbij voor de periode 2001–2004 subsidie wordt verleend om lectoren en kenniskringen in het hbo te introduceren. In het convenant zijn daartoe meetbare indicatoren vastgelegd die betrekking hebben op het instellen van kenniskringen en lectoraten, de relatie met het onderwijsproces en de invulling van de externe oriëntatie.

De HBO-raad is verantwoordelijk voor een doelmatige en doeltreffende inzet van de middelen. Hiertoe heeft zij de stichting kennisontwikkeling hoger beroepsonderwijs (SKOHBO) opgericht, welke de aanvragen beoordeelt. Instellingen ontvangen middelen wanneer op basis van een goedgekeurd businessplan een lector is aangesteld. De verantwoording door de HBO-raad geschiedt jaarlijks. Hierbij wordt een (financieel) jaarverslag van de SKOHBO meegezonden.

De volgende indicatoren over de toewijzing van lectoren zijn beschikbaar:

Tabel 6.4: Indicatoren lectoren en kenniskringen
Meet-momentPer jaar ingediende aanvragenStand goedgekeurde aanvragen (cumulatief)Streefwaarde minimaal aantal lectoren per jaar (in fte)Aantal aangestelde lectoren (in personen)
20018986627
20029917012855

Bron: Stichting Kennisontwikkeling hbo (stand december 2002)

De hogescholen hebben conform de afspraken die in het convenant zijn gemaakt businessplannen ingediend. De planvorming heeft zorgvuldig plaatsgevonden, maar heeft meer tijd in beslag genomen dan was verwacht. Om deze reden is het aanstellen van lectoren in de tijd verschoven.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 is aan de HBO-raad een subsidie verleend van € 30,4 miljoen, inclusief het aandeel van LNV van € 0,7 miljoen. De definitieve subsidie wordt jaarlijks vastgesteld op basis van het aantal aangestelde lectoren in fte. De definitieve subsidie voor 2002 is nog niet vastgesteld, omdat het aantal aangestelde fte nog niet bekend is.

6.3.3 Lerarenopleidingen vo/bve

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken ?

Doelstelling is het lerarenaanbod op de arbeidsmarkt te verruimen en beter te laten aansluiten op de vraag van enerzijds de student en anderzijds het afnemend scholenveld. Zie ook de overzichtsconstructie Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De volgende drie instrumenten zijn ingezet om de doelstelling te realiseren:

Een convenant over ondersteuning van de lerarenopleidingen vo/bve

Door de kleinschaligheid van de reguliere voltijd lerarenopleidingen vo/bve én door de hoge kosten van de noodzakelijke vernieuwingen van het bestaande aanbod, hebben de lerarenopleidingen vo/bve te kampen met een negatief bedrijfsresultaat. Om de continuïteit van de lerarenopleidingen te garanderen ten behoeve van een voldoende aanbod van leraren op de arbeidsmarkt, is in 2001 met de 10 hogescholen, welke de lerarenopleidingen vo/bve aanbieden, het convenant arbeidsmarkt 2001–2004 afgesloten.

De doelstelling is geoperationaliseerd door:

• handhaving van het huidige aanbod en de spreiding van lerarenopleidingen vo/bve tot in elk geval 1 januari 2005;

• een positief bedrijfsresultaat per 1 januari 2005.

Afgesproken is dat er per hogeschool een nulmeting zou komen en een jaarlijks inhoudelijk en financieel verslag. De hogescholen hebben voor het toezicht op de verwezenlijking van de doelstellingen een overleg ingesteld, waaraan de minister waarneemt. In 2002 hebben alle hogescholen conform afspraak een nulmeting ingediend, waarin ze onder andere aangeven wat de oorzaken zijn van de financiële problematiek, welke oplossingsrichtingen ze zien, wat de doelen per 1 januari 2005 zijn en waarin een plan van aanpak wordt gepresenteerd.

Op dit moment kan worden geconstateerd dat nog geen van de 10 hogescholen een bedrijfseconomisch gezonde situatie heeft bereikt. Wel is een verbetering ten opzichte van de nulmeting geconstateerd. Pas in 2005 kan worden vastgesteld of de doelstelling is bereikt.

Een omslag in de werkwijze van de lerarenopleidingen vo/bve

Het jaar 2002 is het eindjaar van de regeling welke als instrument voor het realiseren van de doelstelling is ingezet. In 2003 zal over de effectiviteit van de regeling worden gerapporteerd.

Een indicatie voor het opleiden van meer docenten kan afgeleid worden uit gegevens van het CRIHO. Hieruit blijkt een toename in de instroom in 2002 ten opzichte van 2001 van de studenten voor de lerarenopleiding vo/bve van in totaal 7,5% (van 5 266 naar 5 659). Voor de voltijdstudenten is de toename 3,5% (van 3 165 naar 3 275), voor duale studenten 7,5% (van 159 naar 171) en voor deeltijdstudenten 14,0% (van 1 942 naar 2 213).

Om de doelstelling te realiseren is het noodzakelijk dat de lerarenopleidingen vo/bve zich meer gaan richten op de vraag van enerzijds de student en anderzijds het afnemend scholenveld. Dit betekent een omslag naar een vraaggerichte werkwijze. Hiertoe is de regeling «omslag werkwijze eerste- en tweedegraads leraren-opleidingen hbo 1999–2004» opgesteld.

Uit het oordeel van de inspectie en de jaarverslagen van de lerarenopleidingen blijkt dat de lerarenopleidingen grote vorderingen hebben gemaakt in het meer flexibel maken van hun leerroutes en in het afstemmen van hun opleidingen op de behoeften van het scholenveld. Inspanningen dienen vooral nog gericht te zijn op een beroepsuitoefening als leraar waarbij ict intensief als pedagogisch-didactisch instrument wordt ingezet.

Stagebeleid voor studenten aan de lerarenopleiding vo/bve

De realisatie van de doelstelling vergt dat er goede stageplekken beschikbaar zijn voor studenten aan lerarenopleidingen vo/bve. Door middel van een subsidie-regeling krijgen hogescholen die een lerarenopleiding vo verzorgen € 454 per student toegekend. Dit geld keren hogescholen uit aan scholen die een stageplek aanbieden aan studenten aan de lerarenopleidingen vo/bve. Door de extra bijdrage hebben de scholen meer dan voorheen, naast de verkregen subsidie, eigen middelen vrijgemaakt voor: een stageplek; is de bereidheid een stageplek aan te bieden verhoogd en is de stagebegeleiding verbeterd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 6.5: Kosten realisering doelstellingen (x € 1 miljoen)
 Raming begroting 2002Realisatie 2002
Convenant66
Omslag in werkwijze2,82,8
Stageplekken5.95.9

Convenant over ondersteuning van de lerarenopleidingen vo/bve

Uit de jaarverslagen en de jaarlijkse monitor van de inspectie over de inhoudelijke activiteiten en vorderingen blijkt dat het geld is besteed aan de daarvoor bestemde doelen.

Omslag in de werkwijze van de lerarenopleidingen vo/bve

Voor de periode 1999–2004 is een budget beschikbaar gesteld van € 32 miljoen. In 2001 is de uitvoering van de regeling versneld en zijn de gelden voor de jaren 2003 en 2004 al in 2001 uitgekeerd. Met deze versnelde beschikbaarstelling in 2001 is de financiering van de beoogde omslag in overeenstemming gebracht met de looptijd van de activiteiten. Door deze versnelling vormt het jaar 2002 het eindjaar voor de genoemde regeling.

6.3.4 Doelgroepenbeleid

6.3.4.1 Deelname allochtonen aan het hoger onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is het bevorderen van een evenwichtige deelname van allochtonen aan het hoger onderwijs.

In december 2002 is door ECHO het eerste landelijke onderzoek naar deelname en uitval van allochtonen1 over de periode 1997–2001 gepresenteerd. In het onderzoek zijn de vier grootste groepen niet-Westerse allochtonen in Nederland onder de loep genomen: Surinamers, Marokkanen, Turken en Antillianen. Hieruit blijkt een licht positieve trend in de deelname van allochtonen in het hoger onderwijs. Meer kwantitatieve gegevens over onder meer instroom en uitval, tevens uitgesplitst naar de sectoren hbo en wo, zijn gepubliceerd in «Verantwoording in Kerncijfers 2002».

De stijgende trend kan ook geïllustreerd worden met gegevens over de doorstroom van geslaagden uit het havo en vwo naar het hbo, waarbij opvalt dat met name de instroom vanuit het havo naar het hbo een stijgende lijn laat zien.

Tabel 6.6: Instroom geslaagden havo-opleiding in %
 199819992000
Autochtone studenten636871
Niet-westerse allochtone studenten697680
Westerse allochtone studenten586568

Bron: Onderwijsverslagen Inspectie 1999, 2000, 2001

Tabel 6.7: Instroom geslaagden vwo-opleiding in %
 199819992000
Autochtone studenten252422
Niet-westerse allochtone studenten151411
Westerse allochtone studenten171816

Bron: Onderwijsverslagen Inspectie 1999, 2000, 2001

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De bevordering van deelname door allochtonen aan hoger onderwijs is sinds 1994 belegd bij ECHO, het landelijk expertisecentrum voor allochtonen in het hoger onderwijs. ECHO voert projecten uit welke gericht zijn op het bevorderen van de instroom en doorstroom van allochtone studenten en op het reduceren van de uitval.

In maart 2003 wordt een doeltreffendheidsonderzoek naar ECHO verricht. Hieruit zal moeten blijken in hoeverre met ECHO als instrument de beleidsdoelstelling is bereikt.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Doordat de projecten van ECHO in 2002 zijn vertraagd, was het niet noodzakelijk de gereserveerde gelden voor de tranche 2002 (€ 2,0 miljoen) uit te keren. Uitkering zal in 2003 geschieden.

6.3.4.2 Bevordering deelname aan technische studies

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Er is een tekort aan technisch opgeleiden op de arbeidsmarkt en de aansluiting tussen technische hbo-opleidingen en de arbeidsmarkt moet worden verbeterd. De doelstelling is dan ook het ontwikkelen van een kennisstrategie ten aanzien van het bèta/techniekprobleem.

Eind 2002 heeft Axis, in samenwerking met het CWI (Centrum voor Werk en Inkomen) «Techniek in de peiling» gepubliceerd. Uit deze publicatie blijkt onder meer dat de lichte groei in de instroom in hbo-techniekopleidingen sinds 1996, de laatste jaren stagneert en zelfs weer daalt. Volgens Axis hangt dit sterk samen met ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs (invoering van de profielen). De belangstelling voor technische duale en deeltijd opleidingen groeit evenwel.

Tabel 6.8: Rendement techniek*
Verwacht intern rendement cohorten1998199920002001
Voltijd67636465
Deeltijd37373541
Duaal 555138
sector techniek66636463

* Cijfers wijken af van de begroting 2002 door een nieuwe tellingssystematiek

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om de doelstelling te bereiken heeft de overheid (OCenW, EZ, SZW en LNV) samen met het onderwijs, werkgevers en de arbeidsvoorziening in 1998 de stichting AXIS opgericht.

AXIS heeft de hoofddoelstelling vertaald in een drietal operationele doelstellingen:

• analyseren van het bèta/techniekprobleem en het geven van oplos-singsrichtingen;

• aanzetten tot verbetering van de inhoudelijke afstemming tussen onderwijs en beroepenveld op basis van de kennisstrategie;

• aanzetten tot vergroten van de instroom in de bèta/technische opleidingen en reduceren van de uitval op basis van de kennisstrategie.

Deze doelstellingen hebben invulling gekregen via allerhande projecten die zich richten op alle onderwijssectoren; van primair onderwijs tot en met het bedrijfsleven. Voorbeelden van projecten zijn het Verbredingsplan Techniek Basisonderwijs en het Innovatieprogramma vmbo.

Axis maakt uitkomsten van de projecten schriftelijk toegankelijk alsmede via haar website www.platform-axis.nl.

De eindevaluatie van AXIS zal plaatsvinden nadat AXIS in juni 2004 wordt opgeheven. Hieruit zal moeten blijken of het instrument AXIS heeft bijgedragen aan de realisatie van de doelstelling. Medio 2003 verschijnen de resultaten van een tussentijdse beleidsinventarisatie, waarin nagedacht wordt over eventueel nieuw beleid ten aanzien van het bèta/techniekvraagstuk. Hierover is eind 2002 overleg gevoerd. Duidelijk is dat het bèta/techniekvraagstuk «na AXIS» niet is opgelost.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 is door OCenW aan AXIS de begrote subsidie ad € 3,4 miljoen verleend via het Ministerie van Economische Zaken.

6.3.5 Decentrale toelating

Zie hiervoor paragraaf 7.3.5 van hoofdstuk 7 «Wetenschappelijk onderwijs».

6.3.6 Versterking beroepskolom

Zie hiervoor de overzichtsconstructie beroepskolom.

6.3.7 Experiment vraagfinanciering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is de mogelijkheden voor invoering van vraagfinanciering en vraagsturing te verkenen. In 2003 zullen de resultaten van het experiment als ingezet instrument worden gepubliceerd.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Het experiment heeft twee centrale doelstellingen:

• opdoen van ervaring met vergroting van flexibiliteit en vraagsturing van (duale) leerroutes;

• verkrijgen van ervaring voor de gedachtevorming over het eventueel invoeren van vouchers of andere vormen van vraagfinanciering.

Het experiment in het hbo is gestart in januari 2001 en loopt tot en met augustus 2003. De opdrachtgevers zijn MKB-Nederland en de HBO-Raad. Aan het experiment nemen 10 hogescholen en (per december 2002) meer dan 1000 duale studenten deel. De uitkomsten van het experiment zijn bedoeld als input voor het formuleren van beleid ten aanzien van vraagsturing en vraagfinanciering. Jaarlijks wordt het experiment geëvalueerd vanuit het perspectief van de verschillende participanten, met name studenten en docenten/begeleiders. De jaarrapportages en de eind-rapportage bevatten zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens met betrekking tot de centrale doelstellingen.

Het experiment richt zich met name op het vergroten van de flexibiliteit en efficiëncy van leerwegen, waarin een voorname rol is weggelegd voor het opdoen van ervaring en competenties in de beroepspraktijk. Een viertal instellingen heeft het initiatief genomen om binnen het experiment zich meer toe te leggen op vraagfinanciering. Van dit verdiepte subexperiment wordt met name input verwacht voor de discussie rond vraagfinanciering.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het experiment wordt gefinancierd door OCenW, EZ, hogescholen en branches. In 2002 bedroeg de subsidie € 1,2 miljoen. Het subexperiment is zonder extra uitgaven ingepast in het lopende experiment.

6.3.8 Taakstelling 2e en 3e studies

Zie hiervoor paragraaf 7.3.9 van hoofdstuk 7 «Wetenschappelijk onderwijs».

6.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.8: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen1 209 1861 319 4381 466 4191 708 77 21 727 5351 478 112249 423
– waarvan garanties0000000
Uitgaven1 215 0051 286 2031 331 9491 491 3941 603 5691 500 507103 062
Reguliere bekost. (6.1)  1 284 1001 426 1211 545 8081 438 096107 712
Specifieke bekost. (6.2)  47 84965 27357 76162 411– 4 650
Ontvangsten7 6664 7111 10512135817341

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

6.5 Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf 2002

Lopend specifiek beleid en nieuw beleid

Voor het lopende specifieke beleid en het nieuwe beleid geldt dat de doelstelling is aangescherpt en dat er meer aandacht is voor de koppeling tussen de doelstelling, het daarvoor in te zetten instrument en het formuleren van indicatoren om te kunnen monitoren of de doelstelling wordt bereikt. Met diverse instellingen zijn afspraken gemaakt over de levering van gegevens en formulering van prestatie-indicatoren. Daarnaast worden de beschikkingen behorend bij subsidiebrieven inmiddels VBTB-proof geformuleerd.

De reguliere bekostiging

Wat de reguliere bekostiging betreft, is in 2002 verder gewerkt aan het benoemen van indicatoren die op stelselniveau inzicht moeten bieden in het functioneren.

Informatie

De intentie voor 2002 was om de verantwoording van de instellingen richting de overheid, maar ook richting andere partijen, verder uit te bouwen. De aandacht voor de koppeling tussen beleid en jaarverslag is hiervoor vergroot en conclusies daaruit zijn daarmee openbaar geworden. In de «Wijziging Regeling jaarverslaggeving hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek» van 3 juli 2002 is expliciet opgenomen, dat door de instelling bereikte resultaten (beleidsmatig) moeten worden vergeleken met de door de instelling geformuleerde beleidsvoornemens.

Het streven naar toegankelijke, betrouwbare informatie betekent een balans tussen de vraag naar extra informatie in het kader van beleidsvorming en het streven de administratieve lastendruk bij de instellingen zoveel mogelijk te beperken. De ontwikkeling van een betrouwbaar instrument om de hiervoor geformuleerde ambitie te realiseren is nog niet afgerond.

7. WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS

7.1 Algemene beleidsdoelstelling

Wetenschappelijk onderwijs is van groot belang voor de ontwikkelings- en ontplooiingsmogelijkheden van individuen en voor de maatschappij. De moderne samenleving staat voor complexe problemen. Gezien de ontwikkelingen in de internationalisering moet het wetenschappelijk onderwijs voorzien in de grote en groeiende vraag naar academici op de arbeidsmarkt én in de vraag van studenten naar brede academische vorming én in de maatschappelijke wens naar cultureel gewenste opleidingen. Verder moeten de studenten de competenties onderwezen worden om zelf onderzoek te kunnen uitvoeren en met deze kennis te kunnen functioneren in de maatschappij. Ten slotte moeten de instellingen wetenschappelijk onderzoek verrichten en bestaande en nieuw ontwikkelde kennis overdragen aan de maatschappij. Door hun economische, sociale en culturele functie geven de academische instellingen aldus mede kleur aan de kennissamenleving.

7.2 Het stelsel: de staat van de sector wetenschappelijk onderwijs

De algemene sturingsfilosofie gaat uit van zelfstandige, autonome universiteiten die zelf hun eigen weg kiezen binnen de randvoorwaarden van het stelsel als geheel, die in regelgeving zijn vastgelegd en waarvoor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen verantwoordelijk is. De algemene controle op de werkzaamheden van de instellingen en de monitoring vanuit Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is primair gericht op de volgende randvoorwaarden:

– de kwaliteit van onderwijs en onderzoek;

– de toegankelijkheid van het onderwijs;

– de doelmatigheid en rechtmatigheid van de besteding van overheidsmiddelen;

– bevordering van variëteit;

– handhaven van continuïteit.

Bezien op deze randvoorwaarden is voor het wetenschappelijk onderwijs sprake van een overwegend positief beeld met een aantal punten van kritiek en ruimte voor verdere verbeteringen.

Tabel 7.1: Kerncijfers wetenschappelijk onderwijs (kalenderjaar)
Aantal instellingen: 
– universiteiten13
– academische ziekenhuizen8
– overige instellingen32
Aantal studenten: 
– universiteiten (kalenderjaar 2002)173 270
– overige instellingencirca 5 000
Omvang universitair personeel (in fte):per 31-12-2001
– wetenschappelijk personeel21 058
– ondersteunend personeel20 341
Omvang rijksmiddelen voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (incl. AZ) 2002€ 3.0 miljard

Bron: o.a. WOPI

7.2.1 Toegankelijkheid

De toegankelijkheid van het hoger onderwijs is in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gewaarborgd. Een ieder die voldoet aan onderwijskundige, administratieve, maar ook financiële voorwaarden, kan zich als student of extraneus laten inschrijven. Een beperking daarvan is mogelijk in specifiek in de WHW omschreven gevallen, die hun grondslag vinden in het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs of die te maken hebben met een maatschappelijk onaanvaardbaar overschot op de arbeidsmarkt.

Gezien dit toegangsrecht (onder voorwaarden) is de instroom vanuit het voortgezet onderwijs in het wetenschappelijk onderwijs hoog. Een aandachtspunt bij de instroom is de deelname van het aantal allochtonen in het wetenschappelijk onderwijs. Het aandeel allochtonen in het wetenschappelijk onderwijs stijgt, maar er is nog sprake van ondervertegenwoordiging. Oorzaken hiervan liggen vaak in het voortraject naar het hoger onderwijs.

In het kader van de instroom wordt gemonitord op sterke fluctuaties in studentenstromen. Maatregelen kunnen worden genomen indien mogelijke belemmeringen (bijvoorbeeld financiële, zoals studiefinanciering, of onderwijskundige) voor studenten een opleiding te kunnen volgen, ontstaan. De instroom vanuit het voortgezet onderwijs naar het wetenschappelijk onderwijs is een indicator voor de aansluiting van het voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs. De volgende tabel geeft een beeld van de instroom van studenten in het wetenschappelijk onderwijs. Van de vwo-gediplomeerden stroomt circa 65% van het totaal direct door naar het wo. Van de hbo-gediplomeerden stroomt circa 10% van het totaal door naar het wetenschappelijk onderwijs.

Tabel 7.2: Doorstroom naar wetenschappelijk onderwijs in %
 97/9898/9999/0000/0101/`02
Vwo-gediplomeerden dat direct instroomt (concept RR2003)59,463,364,363,164,7
Directe doorstroom hbo-getuigschrift (concept RR2003)6,37,79,59,39,8
Allochtone studenten in HO (telling ECHO, zie ook art 6, ECHO)14,915,615,816,817,0
Buitenlandse studenten ingeschreven voor hele studie (telling OCenW)3,03,02,83,13,3

Bron: CRIHO/concept referentieraming 2003, rapportage ECHO «talent gewonnen, talent verspeeld, 1997–2001».

Voor de definitie van allochtone studenten en de onderbouwing van de gepresenteerde cijfers wordt verwezen naar de Verantwoording in Kerncijfers 2002.

In de volgende tabel wordt weergegeven hoe de aantallen eerstejaarsstudenten, de deelname van het totaal aantal studenten en het aantal behaalde diploma's er uit zien:

Tabel 7.3: Instroom, totaal deelname en uitstroom (collegejaar) x 1000
 raming begroting 2002 (RR2001)realisatie 2002* (RR2003)
Eerstejaars (2002/2003)29,834,2
Deelname totaal aantal studenten (2002/2003)166,1175,1
Getuigschriften (2001/2002) (ongedifferentieerd)19,020,0

Bron: CRIHO

* In de Referentieraming 2003 (CRIHO) zijn de aantallen over 2002 definitief vastgesteld en blijken de aantallen ten opzichte van de referentieraming 2001 aanzienlijk te zijn toegenomen. Dit hangt deels samen met de ramingsmethode en deels met exogene factoren.

Voor een uitgebreider beeld wordt verwezen naar het RISBO-rapport «Studeren in het Wetenschappelijk Onderwijs, Trends in de tweede helft van de jaren negentig» (brief WO/A/2002/26331 en de Studentenmonitor 2001 en bijbehorende beleidsreactie (brief WO/A/2002/29439) die aan de Tweede Kamer zijn gezonden.

7.2.2 Variëteit

De minister bekostigt naast de algemene en technische universiteiten onder meer de Open Universiteit Nederland (OUNL). De OUNL neemt een bijzondere positie in het hoger onderwijs in en verzorgt zowel wetenschappelijk onderwijs als hoger beroepsonderwijs al dan niet via afstandsonderwijs. Specifieke taak hierbij is het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Als aanvulling op de onderwijsvoorzieningen van de bekostigde instellingen draagt ook het onderwijs aan de aangewezen instellingen bij aan de variëteit in het hoger onderwijs.

In het kader van variëteit en de internationale ontwikkelingen wordt per 2003 het hoger onderwijs vormgegeven volgens het bachelor-master model. Hierbij wordt met name ook gestreefd naar brede en innovatieve bacheloropleidingen alsmede selectieve en internationaal geprofileerde masteropleidingen (zie ook paragraaf 7.3.1).

Voor een totaaloverzicht van het aanbod van de opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs (en hoger beroepsonderwijs), verdeeld naar HOOP (hoger onderwijs en onderzoek plan)-, dan wel CRIHO (centraal registerinstellingen hoger onderwijs)-gebieden wordt verwezen naar de «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen».

7.2.3 Kwaliteit

De Onderwijsinspectie constateerde dat het systeem van kwaliteitsbewaking naar tevredenheid functioneerde. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van onderwijs en onderzoek is opgedragen aan de instellingen, waarbij de inspectie voor het hoger onderwijs toezag op een verantwoorde uitvoering van het systeem van kwaliteitszorg. Het stelsel van kwaliteitszorg van de instellingen krijgt vorm door middel van visitaties door visitatiecommissies, die door de Vereniging van Universiteiten (VSNU) zijn samengesteld. De visitatiecommissies bestaan uit onafhankelijke, externe deskundigen. Elke opleiding wordt één keer in de vijf jaar gevisiteerd.

In het onderwijsverslag 2002 werd door de inspectie gerapporteerd over visitaties van 27 wo opleidingen (4% van het totaal). Op basis van de bevindingen van de visitatierapporten zijn bij 5 van de 27 opleidingen ernstige tekortkomingen vastgesteld. Uit het onderwijsverslag 2002 bleek dat de kwaliteit van de wo afgestudeerden beoordeeld wordt van ruim voldoende tot uitstekend. Ook blijkt dat de werkelijke cursusduur als te lang beoordeeld wordt. Bij de helft van de universiteiten hebben de visitatiecommissies aanmerkingen op de effectiviteit van de organisatie, waaronder het personeelsbeleid.

Ook de kwaliteit van onderzoek wordt getoetst. Hierbij speelt de KNAW (Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen) naast de VSNU een belangrijke rol met betrekking tot de onafhankelijkheid van de visitaties, deze rol zal in de toekomst groter worden. De resultaten van de onderzoeksvisitaties leiden in sommige gevallen binnen de instellingen tot reallocaties.

In 2002 is het stelsel van kwaliteitszorg voor het hoger onderwijs uitgebreid met een stelsel van accreditatie door de instelling van de zogenaamde Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO) Hieronder ressorteren de Accreditatieraad voor het wetenschappelijk onderwijs en de Accreditatieraad voor het hoger beroepsonderwijs. Het orgaan accrediteert bestaande opleidingen in het hoger onderwijs en neemt de toets «nieuwe opleiding » af. De resultaten van de zelfevaluaties en visitaties vormen de basis bij accreditatie van opleidingen.

In 2002 is voorts de evaluatie van de invoering van de Modernisering Universitair Bestuur (MUB) en een beleidsreactie met brief WO/A/2002/12866 en WO/A/2002/12869 aan de Tweede Kamer gezonden.

7.2.4 Bekostiging

Het budget voor de universiteiten, het zogenaamde macrokader, wordt verdeeld over de universiteiten op basis van een algemene berekeningswijze, vastgelegd in het Bekostigingsbesluit WHW. Deze gaat in grote lijnen uit van twee zogenaamde delen: het onderwijsdeel en het onderzoekdeel. Beide delen bestaan uit een vaste component, alsmede een component die wordt verdeeld op basis van parameters ontleend aan het onderwijs en aan het onderzoek. Er wordt bekostigd op basis van gegevens van twee jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar. Op het moment van vaststelling van de rijksbijdrage per instelling zijn deze gegevens bekend en van een accountantsverklaring voorzien. In het zogenaamde Prestatie Bekostigings Model (PBM), dat met ingang van 2000 in werking is getreden, is de verdeling van het onderwijsdeel over de universiteiten tot en met 2002 afhankelijk van daadwerkelijk gerealiseerde prestaties in de vorm van uitgereikte getuigschriften en eerstejaars studenten. Daarnaast ontvangen acht universiteiten een vergoeding ten behoeve van de werkplaatsfunctie in de academische ziekenhuizen.

In september 2002 is met de wijziging van de WHW de zogenaamde bachelor-master structuur per 2003 binnen het hoger onderwijs ingevoerd (zie ook paragraaf 7.3.1).

De bekostigingsparameters die gelden voor 2002 zien er (conform begroting) als volgt uit:

Tabel 7.4: Bekostigingsparameters
 Studiejaar 1999/2000Studiejaar 2000/2001
Aantal eerstejaars studenten34 02934 666
Aantal getuigschriften incl. beroepsdiploma's medisch20 58820 113
Aantal proefschriften (respectievelijk kalenderjaar 1999 en 2000)2 2222 158
Aantal ontwerperscertificaten (respectievelijk kalenderjaar 1999 en 2000)125135

Bron: CRIHO en CROHO

Tabel 7.5: Lumpsum universiteiten (x € 1 000,–)
 Vastgestelde begroting 2002 Realisatie 2002
Bekostigde instellingen (7.1)2 332 2832 432 476
Academische ziekenhuizen455 263473 777
Totaal2 787 5462 906 253

Voor een historisch overzicht wordt verwezen naar het hoofdstuk wo in de «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen», onder het kopje stelsel en financiën.

De onderwijscomponent binnen de lumpsum wordt niet geoormerkt aan de instellingen beschikbaar gesteld en is in de aanwending niet als zodanig te herkennen. Voor de bepaling van de onderwijsuitgaven per student dient derhalve een schatting te worden gemaakt. Met nadruk wordt vermeld dat de volgende tabel illustratief is bedoeld.

Tabel 7.6: Onderwijsuitgaven per student (x € 1 000)
 BegrotingRealisatie
Uitgaven per student excl. WSF incl. huisvesting4,74,9
Collegegeld per student1,41,4

De stijging in de uitgaven per student laat zich onder meer verklaren door loon- en prijsbijstellingen en budgetverhogingen voor de gestegen capaciteit van de medische opleidingen.

7.2.5 Rendement

Het percentage afgestudeerden ten opzichte van het aantal 18-jarigen op t-5 is een indicator voor de bijdrage aan de beroepsbevolking. De overheid streeft naar een goede invulling van de maatschappelijke behoefte aan hoger opgeleiden. Tegelijkertijd heerst het besef dat wel streefcijfers kunnen worden geformuleerd, maar dat realisatie van deze streefcijfers vanwege het niet kunnen beïnvloeden van de instroom, en persoonlijke en/of sociaal-economische factoren, niet door de overheid te garanderen is.

Uit de tabel blijkt dat het aandeel wetenschappelijk opgeleiden in de jongerenpopulatie stabiel is. De vraag naar en het aanbod van hoger opgeleiden wordt gemonitord door middel van de zogenaamde wo-monitor van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Uit deze onderzoeken blijkt dat er op de arbeidsmarkt een grote behoefte is aan hoger opgeleiden.

Tabel 7.7: wo-afgestudeerden in % van 18-jarigen op t-5
 95–9696–9797–9898–9999–0000–01
wo-afgestudeerden11,811,210,710,210,610,5

Bron: CRIHO en CBS

De hoge uitstroom in 1996 wordt verklaard door het versneld afstuderen als gevolg van de verkorting van de duur van de studiefinancieringsperiode.

De gemiddelde studieduur is een indicator van studierendement. Een hoger studierendement draagt bij aan een doelmatige besteding van rijksmiddelen en aan het tegengaan van het tekort op de arbeidsmarkt. De in de tabel gepresenteerde cijfers zijn afkomstig uit de Kengetallen Universitair Onderwijs (KUO) van de VSNU. In de begroting 2002 worden cijfers uit CRIHO/CROHO gepresenteerd.

Tabel 7.8: Gemiddelde studieduur (in maanden) van afgestudeerden naar jaar van afstuderen voor het wo totaal, uitgesplitst naar vooropleiding en geslacht.
Geslaagd inTotaal wovwo-ershbo-ersMannenVrouwenLandbouwNatuurTechniekGezond-heidEco-nomieRechtG&MT&C
1993/9463694165615962696166675661
1994/9563694165616260696165685661
1995/9661664163606260695961655660
1996/9761664263595960695861645660
1997/9861664364596059705761635860
1998/9962664465606260715961636062
1999/0062664464606260745961635961
2000/0161664264596458735860635861

Bron: KUO

Voor een overzicht van de behaalde rendementen van het opleidingenaanbod in het wo, verdeeld naar HOOP-gebieden wordt verwezen naar de tabel in de «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen», hoofdstuk wo.

De cijfers omtrent het aantal getuigschriften over 2002 komen medio 2003 beschikbaar. Voor de proefschriften en ontwerperscertificaten geldt dat de referentieraming geen prognose geeft over het gerealiseerde aantal. Deze cijfers worden aangeleverd door de universiteiten en zullen eveneens medio 2003 beschikbaar zijn.

Een aantal opleidingen van geringere omvang is met name van belang voor de variëteit van het hoger onderwijs.

7.2.6 Continuïteit

De financiële weerbaarheid van de universitaire sector, exclusief Wageningen Universiteit en Researchcentrum (LNV) en de Open Universiteit Nederland (OUNL), vertoont al jaren een daling.

Met betrekking tot de liquiditeit wordt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen daarbij een ondergrens voor de kwalificatie «goed» aangehouden van 1,2%, voor de solvabiliteit van 0,5% en voor de rentabiliteit een gemiddelde – op langere termijn – van 1%.

Vanwege deze daling zijn in de zogenaamde enveloppebrief vanaf 2003 extra middelen gereserveerd, oplopend tot € 40 miljoen structureel vanaf 2006, als tegemoetkoming voor het oplossen van knelpunten bij de financiering van de huisvesting. Over deze reservering vindt nog besluitvorming plaats en zal nog een financieringsarrangement worden ontwikkeld.

Verwacht wordt dat ondanks deze bijdrage de universiteiten vanwege de omvang de investeringen in toenemende mate met vreemd vermogen zullen financieren. Aan de hand van enkele financiële indicatoren wordt hierna de financiële trend grafisch weergegeven.

Grafiek 1: Liquiditeit (current ratio):

kst-28880-16-14.gif

Definitie: vlottende activa/kortlopende schulden

Grafiek 2: Solvabiliteit (exclusief voorzieningen):

kst-28880-16-15.gif

Definitie: eigen vermogen/totaal vermogen

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1997–2001, door CFI.

Grafiek 3: Rentabiliteit gewone bedrijfsvoering (%)

kst-28880-16-16.gif

Definitie: resultaat uit gewone bedrijfsvoering/totale baten uit gewone bedrijfsvoering

Bron: Financiële Analyse, jaarrekeningen 1997–2001, door CFI.

Deze drie financiële kengetallen tonen op enkele afwijkingen na (solvabiliteit ultimo 2000 en rentabiliteit over 1997 en 1998) een voortdurende, neergaande trend. Daarbij is het goed te benadrukken dat wijzigingen in de grondslagen voor het opstellen van jaarrekeningen de kengetallen zowel in positieve als in negatieve zin kunnen beïnvloeden («stelselwijzigingen»).

Een vergelijking in absolute zin tussen de beschouwde jaren kan daarom niet zonder meer gemaakt worden. Voor meer financiële kengetallen wordt verwezen naar «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen».

7.3 Operationele doelstellingen

7.3.1 Invoering bachelor-master structuur

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van de invoering van de bachelor-master structuur is het hoger onderwijs in staat te stellen beter in te kunnen spelen op (internationale) ontwikkelingen en daarmee studenten en afgestudeerden eenvoudiger een weg laten vinden in een meer internationaal gerichte opleiding of carrière. Beoogd was een hoogwaardige en snelle invoering van het bachelor-master stelsel als hoofdstructuur aan alle universiteiten.

Daarnaast is het doel het tot stand brengen van brede (ook internationaal georiënteerde) bacheloropleidingen en innovatieve (selectieve of internationaal geprofileerde) master opleidingen. Het proces was erop gericht dat per ultimo september 2005 aan alle universiteiten de opleidingen volgens de bachelor-master structuur zouden zijn opgezet. Uit gegevens van de VSNU blijkt dat circa 92% van de universitaire opleidingen reeds per september 2002 is omgezet.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Vooruitlopend op de wijziging van de WHW voor de invoering van de bachelor-master structuur in het najaar van 2002 zijn universiteiten voortvarend aan de slag gegaan met de invoering van de nieuwe structuur. In het voorjaar van 2003 zal de monitoring van de onderwijsinspectie beschikbaar komen. Uiteindelijk zal het percentage van 92% al veel eerder dan 2005 oplopen naar 100%. (Enige vertraging ontstaat met name bij de opleidingen geneeskunde.) Deze percentages worden meegenomen in de monitoring door onderwijsinspectie en de evaluatie in 2006.

Op basis van voorstellen vanuit het veld voor vormen van gecoördineerde introductie van de bachelor-master structuur bij instellingen is, na toetsing van bovengenoemde plannen door een selectiecommissie, een bedrag van € 18 miljoen beschikbaar gesteld. Een bedrag van € 3,6 miljoen is beschikbaar gesteld aan de Informatie Beheer Groep voor aanpassingen in het kader van de invoering van de bachelor-master structuur. € 1,1 miljoen is aangewend om een bijdrage te leveren aan de oplossing van bachelor-master gerelateerde problematiek bij een aantal universiteiten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De bijdrage van het Rijk in de kosten voor invoering van de bachelor-master structuur bedraagt in totaal € 45,4 miljoen. In 2001 is hiervan € 22,7 miljoen beschikbaar gekomen en in 2002 eveneens. Met betrekking tot de beide tranches is aan de universiteiten gevraagd over de besteding gedurende 2002 en 2003 verantwoording af te leggen. Deze wordt in het voorjaar van 2004 verwacht.

7.3.2 Accreditatie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om de kwaliteit van de opleidingen die door de diverse bekostigde en aangewezen instellingen worden aangeboden openbaar en onderling vergelijkbaar te maken is de Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO) opgericht.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De wetgeving in verband met de invoering van de accreditatie in het hoger onderwijs is in 2002 afgerond. De NAO is tot stand gekomen met ingang van de datum van in werking treden van de wet, 1 augustus 2002. Daarnaast is de huisvesting van het ondersteunend bureau van de NAO gefaciliteerd en zijn de voorzitter en een aantal leden per 1 januari 2003 benoemd. Volgens het in de wetgeving vastgelegde tijdpad wordt het stelsel van accreditatie geleidelijk ingevoerd. Dit betekent dat de NAO begin 2003 volledig operationeel is. Vastgesteld kan worden dat de doelstellingen voor 2002 wat betreft de opbouw van het accreditatiestelsel zijn gerealiseerd.

Daarnaast wordt overleg gevoerd met België (Vlaanderen) over samenwerking met betrekking tot de accreditatie, is overleg met inspectie en Advies Commisse onderwijsaanbod gevoerd in verband met overgangsproblematiek en is overleg gevoerd met Europese partners met het oog op internationale afstemming van de accreditatie.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 is een bedrag van € 1,8 miljoen beschikbaar gesteld ten behoeve van de opbouw en functioneren van de NAO. De NAO voert accreditaties uit voor wo en hbo, dus genoemd bedrag is betaald uit de beleidsterreinen 6 en 7 van de begroting.

7.3.3 Capaciteitsuitbreiding medische opleidingen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het tekort aan artsen en tandartsen is een belangrijk knelpunt in de zorg. Het doel is deze tekorten terug te dringen door verhoging van het aantal afgestudeerde artsen en tandartsen en het opleiden van beroepsbeoefenaren in de zorg die het werk van de artsen en tandartsen kunnen verlichten. Door verhoging van de opleidingscapaciteit zal de uitstroom na 6 respectievelijk 5 jaar naar verwachting een substantiële bijdrage leveren aan de oplossing van de problematiek.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Artsen

Om de urgente problematiek in de zorg het hoofd te kunnen bieden heeft het kabinet besloten een tweesporenbeleid te volgen.

Een geleidelijke ophoging van de opleidingscapaciteit van de opleiding geneeskunde

Aanvankelijk werd er aan gedacht de opleidingscapaciteit van medische opleidingen vanaf 2000 tot 2004 stapsgewijs te laten toenemen van 1875 tot 2400. De capaciteit van de opleiding geneeskunde is van 2140 per eind 2001 verhoogd tot 2550 in 2002.

Steun verlenen aan de ontwikkeling van nieuwe opleidingen in de zorg

Naast de activiteiten die zijn ondernomen voor de verhoging van de opleidingscapaciteit tot 2550 is steun verleend aan de ontwikkeling van een opleiding op het grensvlak van geneeskunde en technologie, leidend tot het beroep van klinisch technoloog van de Universiteit Twente, de masteropleiding medisch ingenieur van de Technische Universiteit Eindhoven en de ontwikkeling van de «Brabant Medical School».

Tandartsen/mondhygiëne

Met betrekking tot de opleidingscapaciteit van tandartsen zijn in 2001 reeds maatregelen genomen om de opleidingscapaciteit van 240 naar 300 te verhogen. In 2002 zijn geen extra maatregelen genomen om het aantal opleidingsplaatsen in het wo te verhogen. Wel is in het hbo in 2002 de opleidingscapaciteit voor de opleidingen mondhygiëne uitgebreid. (Zie art. 6.3.1.)

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 zijn de volgende middelen voor de verhoging van het aantal opleidingsplaatsen additioneel beschikbaar gekomen. Deze bedragen zullen in de komende begrotingsjaren nog toenemen.

Tabel 7.9: Ophoging numerus fixus geneeskunde (x € 1 miljoen)
 2002
Van 2010 naar 2400 plaatsen4,3
Versnelde ophoging 20020,8
Additionele ophoging van 2400 naar 25501,0

In 2002 is het advies van de Commissie Marktprikkels Medische Opleidingen met brief WO/2002/15404 aan de Tweede Kamer gezonden.

7.3.4 Universitaire lerarenopleidingen (ulo)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van het «ulo-convenant» 1999–2005 is te komen tot een toename van het aantal universitair opgeleide leraren van 600 tot 1200 per jaar. Om dit te bereiken is een meerjarig traject in gang gezet. In 2002 zijn 707 studenten ingeschreven.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 hebben de universiteiten een scala van leerwegen ontwikkeld om de ulo aantrekkelijker te maken. Geconstateerd is dat het aantal opgeleide leraren na 1998 is toegenomen, maar het heeft zich vanaf 2000 gestabiliseerd op ruim 700. De vernieuwing van opleidingen en begeleiding is in gang gezet conform ulo-convenant 1998. De tussenevaluatie van het ulo-convenant was gepland voor 2002, maar om overlap te voorkomen is besloten om de evaluatie op te nemen in de geplande visitatie van de ulo's, eind 2002. De publicatie van de visitatierapporten zal naar verwachting in het voorjaar van 2003 plaatsvinden.

Tabel 7.10: Aantal ingeschreven studenten
 1999200020012002
Raming600700800900
Gerealiseerd560*728*724**707**

*CRIHO, peildatum 1 oktober

**telling op basis van nieuwe bekostigingssystematiek

Het aantal behaalde diploma's is (vanaf 1999) beduidend lager dan het aantal ingeschrevenen.

Om meer gefundeerde uitspraken over dit verschil te kunnen doen, wordt thans onderzoek verricht. In het voorjaar van 2003 zijn de resultaten naar verwachting bekend.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Naar aanleiding van het convenant zijn in 2002 middelen ter hoogte van € 5,0 miljoen beschikbaar gesteld voor de opleiding van leraren. De bekostiging van de opleiding van leraren is gebaseerd op de instroomaantallen in 2001.

In 2002 was op basis van de regeling begeleiding ulo-studenten 2000–2003 € 1,1 miljoen beschikbaar. Dit bedrag is conform de regeling aangewend. Daarnaast is ten behoeve van de imagocampagne leraren vanaf 2002 jaarlijks € 320 000 beschikbaar tot en met 2006.

7.3.5 Decentrale toelating

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is, naar aanleiding van de uitkomsten van een experiment en na een evaluatie (door de Commissie Sorgdrager), te komen tot een meer definitief stelsel voor toelating tot numerus fixus opleidingen als mogelijk alternatief voor het huidige stelsel van gewogen loting. In het voorjaar van 2003 wordt het eindrapport hieromtrent opgeleverd.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 is het experiment met decentrale selectie, dat in 2001 is gestart, voortgezet. Ter begeleiding van het experiment is een commissie ingesteld onder leiding van mw. W. Sorgdrager, die het proces begeleidt en jaarlijks aan de minister rapporteert over de werking van het experiment. In februari 2002 heeft de begeleidingscommissie haar rapportage over het tweede jaar van het experiment (2001–2002) vergezeld van een beleidsreactie (brief WO/B/2002/7054) uitgebracht aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Die rapportage geeft inzichten in de activiteiten van de commissie en de instellingen met betrekking tot het experiment. De minister zal de reactie op het definitieve evaluatierapport van de commissie Sorgdrager in het voorjaar van 2003 aan de Tweede Kamer zenden.

Heef het gekost wat het mocht kosten?

Voor het experiment in 2002 is aanvankelijk € 511 000 beschikbaar. In 2002 zijn de kosten voor de commissie ter hoogte van € 30 000 uitbetaald. De eindafrekening in verband met het experiment is doorgeschoven naar 2003 omdat de einddatum in het voorjaar van 2003 ligt en dan de totale omvang van de kosten bekend is.

7.3.6 Carrièreperspectieven jonge wetenschappers

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om tijdig op de tekorten aan jonge wetenschappers te anticiperen en deze terug te dringen (onderzoeken van o.a. van Vucht Tijssen «Talent voor de Toekomst, Toekomst voor Talent», OCenW 2000 en het rapport van de commissie Van Rijn, «De arbeidsmarkt in de collectieve sector, investeren in mensen en kwaliteit», 2001) zijn binnen de universiteiten maatregelen ontwikkeld om wetenschappelijke functies voor jonge onderzoekers en docenten aantrekkelijker te maken en hen zo mogelijk een loopbaanperspectief in de wetenschap te bieden. De rapportage van de VSNU over de inzet van de Van Rijn-middelen door de instellingen zal volgens afspraak in het voorjaar van 2003 beschikbaar zijn.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft € 12 miljoen in 2001 en vanaf 2002 € 32 miljoen jaarlijks in de lumpsum beschikbaar gesteld voor de door de commissie Van Rijn genoemde maatregelen. Deze maatregelen hebben vooral betrekking op het terugdringen van vergrijzing en toename van instroom van jong wetenschappelijk personeel. Ter verbetering van de salarispositie van assistenten in opleiding (aio's) en promovendi zijn vanaf 2000 specifieke middelen ten behoeve van deze personeelscategorieën beschikbaar gesteld. Het betreft € 18,2 miljoen structureel vanaf 2000.

Uit de verantwoording van de VSNU met betrekking tot de besteding van deze aio-middelen blijkt dat de instellingen voor genoemde maatregelen in 2001 € 27,2 miljoen hebben besteed. Het betreft circa € 10 miljoen aan verhoging van aio-salariëring circa € 10,7 miljoen voor inkomensmaatregelen voor promovendi/postdoc's en circa € 6,5 miljoen aan faciliteiten ter versterking van het loopbaanperspectief en overige maatregelen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 is € 32 miljoen beschikbaar gesteld aan de respectievelijke instellingen voor Van Rijn-middelen. De verantwoording over de besteding van de aio- en Van Rijn-middelen over 2002 wordt in februari 2003 verwacht.

7.3.7 Internationalisering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstelling van de beurzenprogramma's is bevordering van de mobiliteit van studenten. Dit levert een bijdrage aan de internationale positionering van het Nederlands hoger onderwijs.

Er bestaat een grote belangstelling voor de beursprogramma's. Hierdoor komt een kwart van de aanmeldingen in aanmerking voor een beurs.

Daarnaast is een doelstelling van het grenslandenbeleid dat de instellingen in de grensregio zich van hun strategische positie bewust worden wat betreft hun mogelijkheden tot samenwerking met buitenlandse instellingen. De bedoelde instellingen zijn zich hiervan inmiddels bewust: een groot aantal samenwerkingsverbanden is tot stand gekomen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat de belangstelling van studenten voor de programma's in 2002 groot was. Er melden zich veel goede kandidaten voor o.a. het Fullbrightprogramma en het Talentenprogramma. In het totaal van de uitgaande mobiliteit nemen deze programma's een beperkte plaats in. Toch bestaat er een grote belangstelling voor, blijkend uit het feit dat meestal niet meer dan een kwart van de aanmeldingen kan worden gehonoreerd. Het beleid om studentenmobiliteit te bevorderen met behulp van beurzenprogramma's wordt voortgezet.

Het percentage afgestudeerden in het wetenschappelijk onderwijs (wo) dat een periode in het buitenland studie of stage heeft gedaan, ligt in 2001/2002 voor heel Nederland op 38% (bron: BISON monitor 2001).

De favoriete bestemmingslanden zijn alle in de Europese Unie (EU) gelegen, wat wordt verklaard door het feit dat de meeste mobiliteit in het kader van EU-programma Erasmus (als onderdeel van Socrates) plaatsvindt.

Tabel 7.11: Kengetallen internationalisering
 97/9898/9999/0000/0101/02
Percentage afgestudeerden met buitenlandervaring36,138,338,138,138,1
Volume uitgaande programmamobiliteit (aantal wo-studenten)5 1695 4085 5455 4945 898

Bron: BISON-monitor

Tabel 7.12: Internationalisering inkomende programmamobiliteit
 97/9898/9999/0000/0101/02
Inkomende programmamobiliteit (1999–2000)*6 8057 9378 2007 8818 851

Bron: BISON-monitor

* Buitenlandse studenten die tijdens hun studie in Nederland studeren.

Tabel 7.13: Aantal studenten* internationale opleidingen
 199920002001
MSM727593305
ITC8969221 001
IHS305383357
ISS245**263**270**
IHE11 876**2 060**1 987**

Bron: jaarverslagen

* Student: iemand die in dat jaar tenminste één opleiding en/of cursus heeft gevolgd.

** Resp. collegejaar 1999/2000, 2000/2001 en 2001/2002.

1 Het betreft hier het aantal aanmeldingen

Belangrijke uitkomst van de evaluatie omtrent het grenslandenbeleid («Sta niet met je rug naar de grens», eindrapport evaluatie Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997–2000) is dat de instellingen in de grensregio zich bewust zijn (geworden) van hun strategische positie, en op basis daarvan ook in de toekomst afwegingen zullen maken voor samenwerking met instellingen aan de andere zijde van de grens. Het grenslandenbeleid heeft een vaste plaats verworven in het instellingsbeleid. De stimuleringsregeling wordt dan ook niet voortgezet. Dit eindrapport is in 2002 aan de Tweede Kamer gezonden (brief WO/A/2002/31323 en WO/A/2002/31770).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het gereserveerde bedrag van € 2,3 miljoen voor deze specifieke ondersteuning van het internationaliseringsbeleid is met name aangewend voor specifieke beursprogramma's.

Voor meer informatie omtrent het internationale onderwijs wordt verwezen naar artikel 8, Internationaal Beleid.

7.3.8 Simulatie vraagfinanciering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is het verkennen van mogelijkheden en problemen voor de invoering van vraagfinanciering.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De centrale doelstellingen van het experiment zijn het opdoen van ervaring met vergroting van flexibiliteit en het verkrijgen van meer inzicht ten behoeve van de gedachtevorming over het mogelijk invoeren van vouchers of andere vormen van vraagfinanciering. Voor het jaar 2002 was het voornemen voor het wetenschappelijk onderwijs een simulatie vraagfinanciering voor de masterfase te ontwikkelen. Deze simulatie is ontwikkeld en twee keer uitgevoerd. De rapportage wordt in het eerste kwartaal van 2003 verwacht. Op grond daarvan zal worden besloten hoe verder te gaan, voortzetting van de simulatie of een experiment in de werkelijkheid.

Bij vraagfinanciering staat de gedachte centraal om de vrager (de student) met zijn individuele behoeften een sterkere positie geven. Invoering van vraagfinanciering betekent een ingrijpende wijziging van het huidige bestel. Voordat een besluit tot invoering kan worden genomen zijn experimenten nodig om effecten van vraagfinanciering te onderzoeken. Er is voor het wo in eerste instantie gekozen voor een simulatie, omdat dan relevante maatschappelijke partijen bij de opzet en uitvoering van de beleidsmaatregelen kunnen worden betrokken, terwijl er geen afbreukrisico aan verbonden is. Er ontstaat op deze manier inzicht in de gedragsreacties van partijen, waardoor (ook eventuele onvoorziene en onbedoelde) effecten in beeld kunnen worden gebracht.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor de ontwikkeling van de simulatie «Vraagfinanciering in het hoger onderwijs» en de organisatie van twee simulatiesessies is € 130 000 beschikbaar gesteld.

7.3.9 2e en 3e studies

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In de begroting 2001 is een taakstelling opgenomen in het kader van de 2e en 3e studies voor het wo en voor het hbo. De taakstelling is in mindering gebracht op de rijksbijdrage van de instellingen voor wo en hbo vanaf het begrotingsjaar 2002. Het voornemen is maximaal één bachelor- en één mastergetuigschrift per student in het hoger onderwijs mee te laten tellen voor de bekostiging. Een voorstel tot wijziging van de regelgeving is in voorbereiding genomen, waarbij bepaalde groepen van opleidingen van de taakstelling worden uitgezonderd.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 is de begrote taakstelling gerealiseerd en zijn gesprekken gevoerd met de vereniging van universiteiten VSNU en de HBO-raad over de uitwerking van deze maatregel.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De taakstelling ziet er als volgt uit:

Tabel 7.14: Taakstelling 2e en 3e studies (x € 1 000)
 200220032004
HBO4 50012 10015 100
WO2 3006 0007 600
Totaal6 80018 10022 700

De taakstelling is conform fasering verwerkt in de begroting en in mindering gebracht op de rijksbijdragen van de instellingen.

7.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 7.15: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen  2 908 5463 108 9783 192 2862 918 000274 286
– waarvan garanties  480 870464 865449 011449 0110
Programma-uitgaven  2 713 2392 901 9083 045 2442 915 797129 447
Bekostigde instellingen (7.1)  2 577 1672 757 9722 906 2532 787 546118 707
Gesubsidieerde instellingen (7.2)  118 431120 320124 678117 1457 533
Stimuleringsuitgaven (7.3)  16 67122 10612 54610 9331 613
Overige uitgaven (7.4)  9701 5101 7671731 594
Ontvangsten  1 2041 0981 3901 198192

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

7.5 Terugblik op de groeiparagraaf

De intentie voor 2002 was de verantwoording van de instellingen richting de overheid, maar ook richting andere partijen, verder uit te bouwen. De aandacht voor de koppeling tussen beleid en jaarverslag is hiervoor vergroot en conclusies daaruit zijn daarmee openbaar geworden. In de Wijziging Regeling jaarverslaggeving hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van 3 juli 2002 is expliciet opgenomen, dat door de instelling bereikte (beleidsmatige) resultaten moeten worden vergeleken met de door de instelling geformuleerde beleidsvoornemens. Voor de monitoring en evaluatie van het beleid is in aanvulling daarop in 2002 een nieuwe Informatieafspraak gemaakt met de VSNU. Daarnaast formuleert de directie de beschikkingen behorend bij subsidiebrieven VBTB-proof.

Met de ontwerpbegroting 2004 wordt gestreefd naar kerncijfers over de levensbeschouwelijke instellingen. In 2003 zal dit verder worden uitgebouwd. Drie van de vijf instellingen voor internationaal onderwijs te weten: de stichting Maastricht School of Management (MSM), Internationaal Instituut voor Ruimtekaartering en Aardkunde (ITC) en het Institute of Social Studies (ISS) zijn in 2002 een penvoerderovereenkomst met een Nederlandse universiteit aangegaan. International Institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering (IHE) heeft een zogenaamde UNESCO-status gekregen en het Institute for Housing and Urban Developement Studies (IHS) is op dit moment nog in onderhandeling over een penvoerderovereenkomst. Met de penvoerders zijn of zullen afspraken worden gemaakt over de wijze waarop voor deze instellingen verantwoording wordt afgelegd.

8. INTERNATIONAAL ONDERWIJSBELEID

Voor de inhoudelijke verantwoording van de onderstaande uitgaven op beleidsartikel 8 van de directie Internationaal Beleid inzake internationaal onderwijsbeleid wordt verwezen naar de paragrafen 1.2, 1.3 en 1.4 onder de kopjes «onderwijs centraal» van de overzichtsconstructie Internationaal Beleid. Deze overzichtsconstructie biedt een geïntegreerd overzicht van alle internationale uitgaven van het ministerie van OCenW in 2002.

8.1 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschilHGIS realisatie
 1998199920002001200220022002 
Verplichtingen9 7486 7037 05215 22420 99816 8824 116 
Waarvan garantieverplichtingen        
Uitgaven7 5007 2957 33912 60418 03917 8561832 179
Mobiliteit   4 2449 2384 9124 3261 781
Samenwerkingsverbanden   4 2263 2173 552– 335 
Institutionele subsidies Nederland   3 2774 4567 946– 3 490398
Instellingen buitenland   546711812– 101 
Overig   311417634– 217 
Ontvangsten66857291 01252599426 

Over de jaren de jaren 1998 tot en met 2000 is geen onderverdeling te geven. Tot 2002 gold een andere artikelindeling (artikel 26.05) met andere artikelonderdelen.

Bij de omzetting van de oude artikelindeling (26.05) naar de nieuwe artikelindeling (08.01 tot en met 08.05) zijn per abuis programma's en activiteiten op een ander artikelonderdeel ondergebracht, dan waar zij thuishoorden. Deze omissie is bij eerste suppletore wet gecorrigeerd. De onderstaande tabel geeft de correctie weer.

Tabel 8.2: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (gecorrigeerde begroting 2002) (x € 1 000)
 Vastgestelde begrotingVastgestelde begroting (gecorrigeerd)Verschil HGIS begroting
 2002200220022002
Verplichtingen16 88216 882  
Waarvan garantieverplichtingen    
Uitgaven17 85617 856 2 179
Mobiliteit4 9129 2214 3091 781
Samenwerkingsverbanden3 5523 218– 334 
Institutionele subsidies Nederland7 9464 386– 3 560398
Instellingen buitenland812778– 34 
Overig634253– 381 
Ontvangsten9999  

Een nadere toelichting is opgenomen in de jaarrekening.

OVERZICHTSCONSTRUCTIE INTERNATIONAAL BELEID

1. Algemene beleidsdoelstelling

Het primaire doel van de internationale uitgaven is bij te dragen aan de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschappen in Nederland. Verder wordt beoogd een goede verbinding te leggen met het Nederlandse buitenlandbeleid.

Internationalisering heeft een belangrijk aandeel in de vorming van het individu tot Europees en mondiaal burger. Het verrijkt de opleiding met kennis en vaardigheden die nodig zijn om te functioneren in een internationaal georiënteerde en multiculturele samenleving en een mondiale economie en arbeidsmarkt. Daarnaast kan door internationale samenwerking relevante kennis voor Nederland worden ontsloten. Daarbij wordt de positionering van het Nederlandse onderwijs en onderzoek en van de Nederlandse cultuur op internationaal niveau gestimuleerd.

2. Operationele doelstellingen

Onder de operationele doelstellingen wordt in deze overzichtsconstructie een overzicht geboden van de internationale uitgaven van OCenW per sector. De verantwoording van beleidsartikel artikel 8 is opgenomen onder de kop Onderwijs centraal. De internationale uitgaven van de onderwijsbeleidartikelen zijn opgenomen en verantwoord onder de kop Onderwijs decentraal.De internationale uitgaven op het terrein van Cultuur en Onderzoek zijn eveneens opgenomen. Voor de inhoudelijke verantwoording van deze uitgaven wordt verwezen naar het desbetreffende beleidsartikel.

2.1 De bevordering van mobiliteit

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Internationale ontwikkelingen als globalisering en Europeanisering creëren een toenemende maatschappelijke en economische behoefte aan interculturele kennis en vaardigheden. Door mobiliteit (zowel inkomende als uitgaande) in nationaal en Europees verband te bevorderen kan beter aan deze behoefte tegemoet worden gekomen. Voor scholieren en studenten kunnen de mogelijkheden worden vergroot om een internationale oriëntatie te verkrijgen. Mobiliteit van docenten bevordert een internationaal georiënteerd docentenkorps. Door mobiliteit te faciliteren wordt ook het internationale profiel en de concurrentiepositie op de internationale markt van instellingen versterkt.

Uit een vergelijking van de cijfers uit de BISON Monitor 2000 en de BISON Monitor 2001 van internationale mobiliteit in het onderwijs (Monitor), die respectievelijk zijn opgenomen in de Rijksbegroting van het ministerie van OCenW in 2002 en 2003, blijkt dat de totale internationale uitgaande mobiliteit in het onderwijs in het academisch jaar 1999/2000 ten opzichte van het academisch jaar 1998/1999 is toegenomen.

Over 1998/1999 kan op basis van programmagegevens (nationaal en Europees) worden gesteld dat ca. 28 000 leerlingen en studenten naar het buitenland zijn gegaan. Over 1999/2000 betrof het 29 645 leerlingen en studenten.

Met name in het hoger onderwijs is met het oog op de concurrentiepositie op de internationale onderwijs markt ook inkomende mobiliteit van belang. Op basis van programmagegevens uit de BISON Monitor 2001 kan worden geconcludeerd dat in het academisch jaar 1999/2000 een programma-instroom van 8 200 studenten is gerealiseerd. Na een kleine daling in 2000/2001 wordt verwacht dat dit aantal, vooral ten gevolge van de instelling van het DELTA-beurzenprogramma (Dutch education: learning at top level abroad) in 2001/2002 is gestegen (zie hieronder).

Onderwijs centraal (artikel 8)

De in 2002 ondernomen activiteiten betroffen vooral de bevordering van inkomende mobiliteit in het hoger onderwijs en internationale uitwisseling binnen de nationale programma's voor het primair en voortgezet onderwijs:

Mobiliteit in het primair- en voortgezet onderwijs

De streefnormen voor uitwisseling in 2002 van 15 000 leerlingen en 3 000 leerkrachten zijn ruimschoots gehaald. Afgelopen jaar werden 18 172 leerlingen en 3 381 leerkrachten bediend.

Naar schatting maakt 10% van de leerlingen 1 keer tijdens de schoolloopbaan gebruik van één van de regelingen. De nationale programma's voor internationalisering in het primair- en voortgezet onderwijs, looptijd 1998–december 2002 zijn in 2002 extern geëvalueerd. Deze programma's zijn ingesteld ter bevordering van internationale mobiliteit en projecten in het primair- en voortgezet onderwijs. De programma's zijn complementair aan de Europese programma's. Van de totale leerlingenuitwisseling vindt 90% plaats binnen de nationale programma's. Er zijn 5 programma's met specifieke doelstellingen per programma.

Ten aanzien van de algemene beleidsdoelen van internationalisering is door de jaren heen vooruitgang geboekt. Gemeten naar het aantal aanvragen en de verhouding tussen middelen en deelname waren de programma's in 1998 minder effectief en doelmatig om daarna in doelmatigheid en effectiviteit te stijgen. Dit geldt zowel voor de doelstellingen van het programma als voor het beheer door het Europees Platform.

Inkomende mobiliteit in het hoger onderwijs

Voor de bevordering van inkomende mobiliteit in het hoger onderwijs zijn een aantal instrumenten voorhanden, te weten:

• DELTA-beurzenprogramma;

• Huygensprogramma;

• Netherlands Education Support Offices (NESO's).

Aan de NESO's wordt tevens bijgedragen door de directies Hoger Beroeps Onderwijs (HBO) en Wetenschappelijk Onderwijs (WO).

Mede door de start van het DELTA-beurzenprogramma in het academisch jaar 2001/2002 bestaat de verwachting dat de instroom van buitenlandse studenten is toegenomen. Met voorlopige cijfers uit de Tussenrapportage DELTA 2001 van de Nuffic (Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs) wordt dit voor wat betreft de totale instroom van studenten uit de doelgebieden China, Taiwan en Indonesië in het academisch jaar 2001–2002 bevestigd.

Volgens deze voorlopige cijfers is het aantal studenten uit Taiwan ten opzichte van het voorgaande jaar verdubbeld. Toename van het aantal studenten uit China met 963 en uit Indonesië met 141. De meest recente cijfers over het effect op de totale instroom van studenten zullen worden weergegeven in de in het voorjaar te verschijnen Monitor.

Voorts toont de jaarlijkse rapportage over het Huygensprogramma dat sinds 1999 het aantal aanvragen voor dit programma van buitenlandse studenten is toegenomen in kwantiteit en kwaliteit. In 1999 werden in totaal 551 aanvragen voor een Huygensbeurs ontvangen. Uit de evaluatie van de Huygens-selectieronde 2002–2003 blijkt dat in 2002 ruim 700 aanvragen werden ontvangen, waaruit 175 studenten zijn geselecteerd. Dit pleit voor de zichtbaarheid van dit programma en daarmee van het Nederlandse hoger onderwijs. Via verschillende informatiebronnen wordt getracht de bekendheid van de beurzenprogramma's te vergroten, waaronder de NESO's, internet, de Nederlandse instellingen en de Nederlandse Ambassades.

Onderwijs decentraal

De activiteiten van de onderwijsdirecties betroffen de bevordering van uitgaande mobiliteit in het hoger onderwijs en de mobiliteit in het beroepsonderwijs.

Uitgaande mobiliteit in het hoger onderwijs

Aan de bevordering van de uitgaande mobiliteit in het hoger onderwijs hebben verschillende programma's bijgedragen, zoals het Talentenprogramma en het Fullbrightprogramma op de begroting van de directie WO. Voorts maken ieder jaar meer studenten gebruik van het VISIE-programma van de directie Studiefinancieringsbeleid (SFB).

Mobiliteit in het beroepsonderwijs

Het programma Onbegrensd Talent van de directie Beroepsonderwijs en Volwassen Educatie (BVE) ter bevordering van mobiliteit in het beroepsonderwijs is per 1 januari 2002 beëindigd. De middelen beschikbaar voor de ontwikkeling van een vervolg van dit programma op basis van een dieptestrategie, zijn als gevolg van de verplichtingenstop in 2002 verminderd. Er zijn nog geen gegevens beschikbaar over de effecten hiervan op de mobiliteit in het beroepsonderwijs.

De meest recente cijfers over de ontwikkeling van zowel de uitgaande als inkomende mobiliteit in het onderwijs zullen ter beschikking komen in de Monitor 2002. De monitor wordt in het voorjaar 2003 gepubliceerd. Naast de gegevens uit deze Monitor zullen de geplande evaluaties van de programma's ter stimulering van de inkomende mobiliteit in het hoger onderwijs (positioneringbeleid ho), meer kwantitatieve en kwalitatieve informatie bieden voor nadere vormgeving van het instrumentarium in de toekomst. De geplande evaluaties zijn in de onderstaande tabel weergegeven.

Tabel 1: Evaluaties mobiliteit
MobiliteitThemaType evaluatieJaar/datum evaluatie
DELTA-beurzenprogrammaPositionering HOExterne evaluatie2003
NESO'sPositionering HOExterne evaluatie2003
HuygensbeurzenprogrammaInstroom talentvolle studentenRapportage NufficJaarlijks

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Ter bevordering van de instroom en uitstroom zijn in 2002 verschillende beurzenprogramma's ingezet, die gebaseerd zijn op (subsidie)regelingen dan wel voortvloeien uit Culturele Verdragen. Tevens zijn instrumenten ingezet die de bekendheid met studie in het (hoger) onderwijs in Nederland moeten vergroten, zoals de NESO's. Op basis van het aantal aanvragen voor beurzen uit de programma's, blijkt de grote interesse onder Nederlandse studenten voor studie in het buitenland en, andersom, onder buitenlandse studenten voor studie in Nederland. Dit blijkt onder meer bij het Huygensprogramma, het Talentenprogramma en het Fullbrightprogramma.

Voorts is op nationaal niveau en in Europees verband gewerkt aan mobiliteitsstimulerende maatregelen, zoals Europass, en het wegnemen van niet-functionele mobiliteitsobstakels. Op 9 oktober 2002 heeft een Nationale Europass Conferentie plaatsgevonden met als doel meer bekendheid aan de Europass te geven door intensieve communicatie naar de intermediairs en toekomstige houders van de Europass zelf.

In de overzichtsconstructie Internationaal Beleid 2002 is meegedeeld dat de Nederlandse overheid studenten die aan een instelling voor hoger onderwijs binnen de Europese economische ruimte (eer) willen studeren financieel wil ondersteunen door de studiefinanciering meeneembaar te maken. Het was de bedoeling in 2002 een wetsvoorstel inzake Studeren zonder Grenzen aan de Kamer voor te leggen. Een steeds verdergaande invulling van het begrip «Europees burgerschap» binnen de EER, waardoor een steeds toenemend aantal Europese onderdanen aanspraak kan maken op de Nederlandse voorzieningen met financiële risico's als gevolg, houden dit voornemen tegen. Voor de komende tijd wordt gekozen voor continuering van het huidige beleid op dit gebied. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de toelichting onder 11.3.3 bij beleidsterrein 11.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 2: Mobiliteit (x € 1 000)
 Raming 2002*Realisatie 2002HGIS-deel
Onderwijs centraal:   
Internationaal onderwijsbeleid9 5799 2381 781
Onderwijs decentraal:   
Basisonderwijs136148 
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie2 0231 023 
Hoger beroepsonderwijs136136136
Wetenschappelijk onderwijs1 4991 467 
Studiefinanciering1 0001 249 
Totaal14 37313 2611 917

* Raming 2002 uit begroting 2003 (zie tabellen 9 en 10 «Budgettaire gevolgen beleid»).

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen:

BISON-monitor voor internationale mobiliteit in het onderwijs, kenmerk IB/2002/24109, datum 25 juni 2002.

2.2 De stimulering van samenwerkingsverbanden

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Door stimulering van samenwerkingsverbanden kan kennis worden ontsloten die in Nederland niet voorhanden is. Samenwerkingsverbanden leiden tot wederzijdse kennisuitwisseling en mobiliteit van onder meer studenten, docenten en wetenschappers. Hiermee wordt een kwaliteitsversterking van onderwijs, cultuur en onderzoek in Nederland beoogd en wordt bijgedragen aan de profilering van Nederlandse instellingen en kennis in het buitenland. Voorts hebben samenwerkingsverbanden tot doel een bijdrage te leveren aan ontwikkelingen die van belang zijn voor de buitenlandse politiek en de economie van Nederland, zoals de ondersteuning van het EU-toetredingsproces in de kandidaat-lidstaten in Midden-Europa.

Onderwijs centraal (artikel 8)

In 2002 zijn een aantal samenwerkingsverbanden geëvalueerd. Deze evaluaties bieden inzicht in de bereikte resultaten en betreffen de bilaterale onderwijssamenwerking met Rusland (2000–2002) en Hongarije (2000–2002) en de multinationale samenwerking met Hongarije, Tsjechië, Slovenië en Polen (2000–2002), alsmede in de resultaten van de samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba.

Samenwerking Midden- en Oost-Europa

De evaluatie van de samenwerking met Rusland is uitgevoerd door een onderwijsspecialist van de Wereldbank. De conclusie van de evaluatie is dat de samenwerking in algemene zin succesvol is geweest. In de periode 2000–2002 zijn 26 projecten uitgevoerd op verschillende niveaus van onderwijs, waarvan 23 projecten hun doelstellingen binnen het beoogde budget hebben bereikt.

Dit heeft geresulteerd in een groot aantal onderwijsproducten, zoals publicaties, lesplannen en onderzoeksinstrumenten.

De onderwijssamenwerking met Hongarije is eveneens extern geëvalueerd door dezelfde onderwijsspecialist van de Wereldbank. Ook de resultaten van deze samenwerking worden in algemene zin positief beoordeeld. In de periode 2000–2002 zijn 19 projecten uitgevoerd. In het bijzonder de projecten muziekonderwijs, «testing of academic skills», Hongaarse studies in Nederland en de betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven bij beroepsonderwijsprojecten in Hongarije worden daarbij aangewezen als van belang voor Nederland. Voorts hebben de projecten bijgedragen aan het toetredingsproces van Hongarije tot de Europese Unie. Uit de evaluatie blijkt dat een sterkere focus op een beperkt aantal projecten wenselijk wordt geacht.

De multinationale samenwerking met Hongarije, Tsjechië, Slovenië en Polen is geëvalueerd door de gezamenlijke commissie voor de multinationale onderwijssamenwerking. In de periode 2000–2002 zijn 5 projecten uitgevoerd. De evaluatie wijst erop dat 4 van de 5 projecten succesvol zijn uitgevoerd binnen de doelstellingen, tijdspanne en beschikbaar budget. Een algemene conclusie van de evaluatie is dat (de resultaten van) de multinationale samenwerking tevens van nut kan zijn voor de overige kandidaat-lidstaten in Midden-Europa.

Samenwerking Nederlandse Antillen en Aruba: Het KANS-programma (Koninkrijk der Nederlanden, algemeen programma voor nauwe samenwerking tussen scholen) beoogt sinds het schooljaar 1998/1999 de samenwerking tussen scholen voor algemeen en beroepsonderwijs van primairen voortgezet niveau uit het Koninkrijk der Nederlanden te bevorderen. Het programma liep op 1 augustus 2001 af. Een – budgetneutrale – overgangsregeling voor het schooljaar 2001/2002 is ingesteld om op grond van een in 2001/2002 uitgevoerde externe evaluatie te kunnen beslissen over de voortgang. Blijkens de evaluatie dient het KANS-programma zich te richten op concrete operationele doelstellingen, een eenvoudiger uitvoeringsstructuur, meer heldere financiële bedrijfsvoering en scherpere selectiecriteria. Een besluit betreffende de voortzetting van Kans zal in mei 2003 op de Koninkrijksministersconferentie inzake onderwijssamenwerking worden genomen, aangezien besluitvorming in Koninkrijksverband is vereist.

Tijdens het afgelopen overgangsjaar hebben 13 projecten goedkeuring gekregen hun derde jaar af te maken. In dat kader hebben 28 docenten uit Nederland de Antillen en Aruba bezocht en 26 docenten uit deze landen een tegenbezoek aan Nederland gebracht.

Onderwijs decentraal

In 2002 is de Eindrapportage evaluatie Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs (1997–2000) gepubliceerd, betreffende de samenwerking met de grenslanden Vlaanderen, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Bremen.

Evaluatie onderwijssamenwerking grenslanden

Het grenslandenbeleid, zoals werd vormgegeven in de Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997–2000 (OCW-02-269), was naar zijn aard een eenmalige voorziening. De regeling beoogde mede om een leerproces in gang te zetten voor oplossing van mogelijke knelpunten. Gebleken is uit het eindrapport Sta niet met je rug naar de grens dat de regeling succesvol genoemd kan worden, omdat vrijwel alle betrokken projecten tot een goed einde zijn gebracht.

Een belangrijke uitkomst van de evaluatie is dat de instellingen in de grensregio zich bewust zijn (geworden) van hun strategische positie, en op basis daarvan ook in de toekomst afwegingen zullen maken voor samenwerking met instellingen aan de andere zijde van de grens.

Het grenslandenbeleid heeft een plek verworven in het instellingsbeleid. Dat is goed, want een afweging tot samenwerking hoort ook primair bij de instellingen van hoger onderwijs zelf te liggen. Voor inzicht in de specifieke effecten van de regeling wordt verwezen naar het eindrapport. Het eindrapport is bij brief van 15 maart 2002, kenmerk IB/2002/8800, naar de Tweede Kamer gestuurd.

De samenwerkingsverbanden op het terrein van onderwijs met andere prioritaire landen worden eveneens periodiek geëvalueerd. De samenwerking met o.m. Indonesië en China zal aan de orde komen in het kader van de voorgenomen externe evaluatie van de positioneringinstrumenten voor het hoger onderwijs in 2003. Gegevens uit deze en overige evaluaties over effectbereiking komen in de toekomst beschikbaar volgens onderstaande agenda:

Tabel 3: Evaluaties samenwerkingsverbanden
SamenwerkingsverbandenThemaType evaluatieJaar/datum evaluatie
GENT-VOnderwijssamenwerking Vlaanderen 2003
MoU ChinaOnderdeel Positionering HOExterne evaluatie2003
IndonesieOnderdeel Positionering HOExterne evaluatie2003
CENESA-programmaOnderwijssamenwerking Zuid-AfrikaExterne evaluatie2003/2004
Plato-programmaOnderwijssamenwerking TurkijeZelfevaluatie2003

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Ter stimulering van internationale samenwerkingsverbanden zijn in 2002 samenwerkingsovereenkomsten in de vorm van onder meer Memoranda van Overeenstemming en Werkplannen uitgevoerd, die het kader van de samenwerking aangeven. De samenwerking en uitvoering van deze overeenkomsten wordt in het algemeen gecoördineerd door organisaties als Nuffic en Bureau CROSS.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 4: Samenwerkingsverbanden (x € 1 000)
 Raming 2002*Realisatie 2002HGIS-deel
Onderwijs centraal:   
Internationaal onderwijsbeleid3 2443 217 
Onderwijs decentraal:   
Hoger beroepsonderwijs351259159
Informatie en communicatietechnologie300130 
Onderzoek:   
Onderzoek en wetenschappen3 9873 967 
Cultuur:   
Media1 1002 140 
Totaal8 9829 713159

* Raming 2002 uit begroting 2003 (zie tabellen 9 en 10 «Budgettaire gevolgen beleid»).

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Eindrapportage evaluatie Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997–2000, kenmerk IB/2002/8800, 15 maart 2002.

2.3 Institutionele subsidies Nederland

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Institutionele subsidies in Nederland beogen onder meer de Nederlandse belangen in het buitenland te behartigen. Tevens wordt ernaar gestreefd bij te dragen aan de algemene positionering van het beeldmerk Nederland in het buitenland en van het Nederlandse (hoger) onderwijs en de Nederlandse cultuur in het bijzonder. Hiermee wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht met het Nederlandse buitenlandbeleid. Daarnaast worden institutionele subsidies aangewend voor de directe bekostiging van Nederlandse instellingen en organisaties die een actieve rol spelen in de stimulering van internationalisering. Veruit de grootste uitgave in 2002 betreffen de bijdragen aan de instellingen voor Internationaal Onderwijs en Onderzoek (IO-instellingen) van de directie Wetenschappelijk Onderwijs (WO).

Onderwijs centraal (artikel 8)

Uit de begroting van de directie IB worden verschillende instellingen gesubsidieerd ten behoeve van (de coördinatie van) de uitvoering van internationaliserings-programma's. Het Europees Platform (primair- en voortgezet onderwijs en lerarenopleidingen) en de Nuffic (hoger onderwijs) hebben in 2002 uitvoering gegeven aan programma's gericht op de ondersteuning onderwijsinstellingen en studenten bij internationaliseringactiviteiten en uitwisselingen.

Het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) coördineert het Duitslandprogramma gericht op versterking en verspreiding van kennis over het hedendaagse Duitsland. De Nationale Unesco Commissie (NUC) is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de Nederlandse inbreng in de Unesco (United Nations educational scientific and cultural organisation). De Nederlandse Taalunie (NTU) is belast met de zorg voor de Nederlandse Taal in opdracht van Vlaanderen en Nederland. Deze organisaties hebben de hen opgedragen taken in 2002 kunnen uitvoeren door de institutionele subsidies.

Onderwijs decentraal

Ter stimulering van internationalisering zijn in 2002 verschillende institutionele subsidies verstrekt. De omvangrijkste betreffen de subsidies aan de IO-instellingen (zie hieronder).

Belangrijke institutionele subsidies zijn daarnaast door de directie WO verstrekt aan de Nuffic (basissubsidie op basis van de bestuurlijke overeenkomst), door directies WO en BVE ten behoeve van de nationale agentschappen voor de EU-stimuleringsprogramma's SOCRATES en LEONARDO, door de directie Primair Onderwijs (PO) ten behoeve van de Stichting Nederlands Onderwijs in het buitenland (SNOB), en door de directies PO en VO (Voortgezet Onderwijs) ten behoeve van het internationaal georiënteerd basisonderwijs (igbo) en van het internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo). Over het igvo zijn gegevens over effectbereiking in het afgelopen jaar gepubliceerd.

Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo)

De «Dutch International Secundary Schools» vervaardigen op het verzoek van het ministerie van OCenW een jaarverslag met kerncijfers. Het eerste verslag over 2001 verscheen afgelopen jaar. In 2001 bezochten 1920 leerlingen de acht igvo afdelingen (in 1992 waren dat 1531 leerlingen). De hiermee gemoeide middelen staan niet afzonderlijk op de begroting maar maken deel uit van de lumpsumbekostiging van vo scholen.

In 2001 behaalden 145 leerlingen het IGCSE examen en 226 leerlingen het IB examen. Naast het verzorgen van adequate bekostiging van dit onderwijs voor de leerlingen is een nevendoelstelling om Nederland als vestiging voor internationale organisaties en bedrijven aantrekkelijk te maken en te houden. De aanwezigheid van betaalbaar internationaal onderwijs is een van de overwegingen voor het kiezen van een vestigingsplaats. Zeker voor Den Haag met de grootste igvo afdeling lijkt deze nevendoelstelling met succes bereikt te zijn.

IO-instellingen

De IO-instellingen staan in grote lijnen twee doelstellingen voor ogen:

• De ontwikkeling van menselijk potentieel door onderwijs en training in Nederland om op korte termijn te voorzien in zowel kwantitatieve als kwalitatieve tekorten aan geschoold kader in ontwikkelingslanden;

• Het bijdragen aan de ontwikkeling, verbetering en versterking van het algehele functioneren van hoger onderwijsinstellingen in ontwikkelingslanden teneinde een duurzame capaciteitsversterking te realiseren.

Op basis van programmagegevens uit de BISON-monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs 2001 kan worden geconstateerd dat het aantal buitenlandse studenten aan de IO-instellingen is toegenomen van 1699 in het academisch jaar 1998/1999 naar 1793 in 1999/2000. Meer recente gegevens over de effecten van het internationaal onderwijs zullen beschikbaar komen in de BISON-monitor 2002, die in het voorjaar van 2003 wordt gepubliceerd.

Voorts zijn stappen ondernomen om de positie van de Nederlandse onderwijsinfrastructuur op de internationale onderwijsmarkt te versterken. In het HOOP 2000 (hoger onderwijs en onderzoek plan) was daartoe, mede naar aanleiding van het IBO-IO onderzoek, de integratie van de IO-instellingen (ITC, IHS, IHE, ISS en MSM) met de universiteiten opgenomen. Deze integratie zou recht doen aan het feit dat de IO-instellingen en de universiteiten de afgelopen jaren dichter bij elkaar zijn gekomen. In 2002 hebben International Institute for Aerospace Survey and Earth Sciences (ITC), Institute of Social Studies (ISS) en Maastricht School of Management (MSM) een zogenaamde penvoerderovereenkomst getekend met een desbetreffende universiteit.

Hiermee is invulling gegeven aan het geformuleerde integratiebeleid als mede de «going-concern» gedachte van de IO-instellingen. Met Institute for housing and urban development studies (IHS) zijn vervolgafspraken gemaakt om alsnog met een universiteit te integreren. De International institute for infrastructural, hydraulic and environmental engineering (IHE) is «gevrijwaard» van een dergelijke integratie aangezien IHE een UNESCO-instituut is geworden.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Onderwijs centraal (artikel 8)

Met het Europees platform voor het Nederlandse onderwijs (EP) is een bestuurlijke overeenkomst getekend voor 2003 tot en met 2005, die de verhoudingen tussen het EP en het ministerie vaststelt. Het EP voert namens het ministerie internationaliseringsactiviteiten uit voor het primair- en voortgezet onderwijs en de lerarenopleidingen. Jaarlijks zal op basis van deze afspraken ook een resultaatsgericht beleidsplan en begroting worden voorgelegd.

Met de Nuffic is in 2002 het gesprek begonnen over een meer éénduidige subsidiesystematiek voor de uitvoering van verschillende programma's, waaronder het DELTA-beurzenprogramma en het Huygensprogramma. Bedoeling is om in 2003 tot een nieuwe systematiek te komen met vaste verhoudingen voor programma- en apparaatskosten.

Het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) heeft als coördinerend instituut subsidie ontvangen voor het eerste jaar van het Duitslandprogramma HO 2002–2005. Dit programma beoogt de versterking van opbouw en verspreiding van kennis over het hedendaagse Duitsland in Nederland. Belangstelling vanuit de onderwijsinstellingen blijkt uit de brede deelname aan het programma. Ten behoeve van de zelfevaluatie van dit programma (eind 2004) is op voorstel van het DIA vastgesteld op basis van welke indicatoren naar het effectbereik zal worden gekeken.

Voor de Nederlandse Taalunie (NTU) is een nieuw Meerjarenbeleidsplan 2003–2007 vastgesteld. Met Vlaanderen is besloten om de NTU voor deze meerjarenperiode een lumpsumbijdrage toe te kennen met meer beleidsvrijheid voor de Taalunie binnen de door het Comité van Ministers vastgestelde beleidskaders. Tevens is besloten een externe evaluatie te laten uitvoeren gericht op de kwaliteit van de werkzaamheden van de Nederlandse Taalunie.

In 2002 heeft de Nationale Unesco Commissie (NUC) zijn ondersteunende werkzaamheden met name kunnen richten op de Nederlandse inbreng in de Uitvoerende Raad van de UNESCO. Nederland maakt hier deel van uit tot en met 2003.

Onderwijs decentraal

Met de institutionele subsidies zijn de instellingen in 2002 in staat gesteld hun coördinatie- en uitvoeringstaken op het terrein van internationalisering gestand te doen.

IO-instellingen

De middelen die het ministerie van OCenW in 2002 aan een zevental IO-instellingen ter beschikking heeft gesteld (IHE, ITC, IHS, MSM, ISS, ASC en UNU) zijn bedoeld om de apparaatskosten te dekken om zodoende de noodzakelijke onderwijsinfrastructuur in stand te houden. Daarnaast krijgen deze IO-instellingen middelen uit andere bronnen (o.a. Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking). Met behulp van het totale financiële plaatje is het de bedoeling dat deze IO-instellingen het internationaal hoger onderwijs bevorderen.

De effecten van de institutionele subsidies op het terrein van onderwijs worden periodiek geëvalueerd. Gegevens uit deze evaluaties met betrekking tot effectbereiking komen in de toekomst beschikbaar volgens onderstaande agenda:

Tabel 5: evaluaties institutionele subsidies Nederland
Institutionele subsidies NLThemaType evaluatieJaar/datum evaluatie
Duitslandprogramma HOKennisopbouw/ verspreiding over DuitslandZelfevaluatie2004
Nederlandse TaalunieSamenwerking o.g.v. NL taal met VlaanderenExterne evaluatie2003
Nationale Unesco CommissieFunctioneren NUC 2004

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 6: Institutionele subsidies Nederland (x € 1 000)
 Raming 2002*Realisatie 2002HGIS-deel
Onderwijs centraal:   
Internationaal onderwijsbeleid4 5884 456398
Onderwijs decentraal:   
Basisonderwijs13 09013 224 
Voortgezet onderwijs1 4001 400 
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie324426 
Wetenschappelijk onderwijs53 86956 53749 140
Informatie en communicatietechnologie410350 
Onderzoek:   
Onderzoek en wetenschappen454454454
Cultuur:   
Algemeen cultuurbeleid1 8071 613979
Kunsten5 3035 275 
Media46 00344 870 
Cultureel erfgoed135135 
Totaal127 383128 74050 971

* Raming 2002 uit begroting 2003 (zie tabellen 9 en 10 «Budgettaire gevolgen beleid»).

2.4 Instellingen buitenland

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met de Nederlandse bijdragen of contributies en deelname aan instellingen in het buitenland wordt beoogd relevante kennis voor Nederland te ontsluiten op het terrein van onderwijs en onderzoek. Deze instellingen zijn door hun grotere financiële slagkracht en hun bredere deelnemersveld beter toegerust om resultaten te boeken op verschillende deelterreinen van onderwijs en onderzoek dan Nederland alleen. Een speerpunt in het beleid vormen daarbij de bijdragen op basis van verdragsverplichtingen aan de internationale onderzoeksinstellingen.

Zie hiervoor het beleidsartikel van de directie Onderzoek en Wetenschapsbeleid.

Onderwijs centraal (artikel 8)

De ontsluiting van voor Nederland relevante kennis kan onder andere worden bereikt door het deelnemen aan internationaal vergelijkend onderzoek van multilaterale organisaties als de OESO. Met de deelname aan «PISA 2000» (programme for international student assessment) is bereikt wat was beoogd; uit dit onderzoek is veel kennis omtrent prestatiescores van 15-jarigen in Nederland in vergelijking met meer dan 30 andere deelnemende OESO-landen naar voren gekomen. Overigens is het inhoudelijk de ambitie van Nederland om bij elk van de onderzochte domeinen van pisa tot de drie beste Europese landen te blijven behoren. Zie hiervoor ook de verantwoording over het beleidsartikel van de directie VO.

Onderwijs decentraal

Vanuit de decentrale middelen zijn bijdragen aan verschillende buitenlandse instellingen geleverd. Een voorbeeld daarvan is de door de directie PO geleverde bijdrage aan het European Agency, dat als doelstelling heeft de bevordering van de intergratie van leerlingen met een handicap in het onderwijs door uitwisseling van kennis en ervaringen tussen deelnemende landen. In de afgelopen jaren is ernaar gestreefd het European Agency te ontwikkelen tot een professioneel functionerende organisatie. Dit proces is nu bijna voltooid.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Onderwijs centraal (artikel 8)

Nederland heeft in OESO-verband deelgenomen aan «PISA 2000», een internationaal vergelijkend onderzoek naar de prestaties van 15-jarigen op het gebied van begrijpend en studerend lezen, wiskunde en natuurwetenschappelijke vakken. Meer dan 30 landen namen hieraan deel. In ieder van de drie domeinen eindigt Nederland in de kop van de ranglijst: lezen staat Nederland op de derde plaats, voor wiskunde op de eerste plaats en voor natuurwetenschappen op de zesde plaats. Daarnaast scoort Nederland goed op kansengelijkheid, in tegenstelling tot veel andere West Europese landen.

Hoewel aangetoond is dat de Nederlandse gegevens representatief zijn is Nederland niet in alle tabellen opgenomen in dit onderzoek om reden van het niet behalen van de respons rate, waardoor volgens de OESO (Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling) representativiteit niet gegarandeerd kan worden. Desalniettemin zijn de Nederlandse gegevens wel allemaal opgenomen in de database en is de kennis dus beschikbaar. Nederland doet nu mee aan het vervolgonderzoek, «PISA 2003», waarvan nu inmiddels al bekend is dat op basis van de scholen die hebben toegezegd deel te nemen de respons rate wél behaald is.

Onderwijs decentraal

In 2002 zijn bijdragen geleverd aan verschillende buitenlandse instellingen geleverd, die voor Nederland van belang waren. Als lid van de management board van het European Agency kon Nederland zijn sturing op vorm en inhoud van het werk van dit agentschap vergroten. Er zijn een groot aantal producten opgeleverd, zoals een website, databases en uitwisselingsprogramma's die bijdragen aan de vergroting van de kennis over en de verbetering van de kwaliteit van onderwijs aan kinderen met een handicap.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 7: Instellingen buitenland (x € 1 000)
 Raming 2002*Realisatie 2002HGIS-deel
Onderwijs centraal:   
Internationaal onderwijsbeleid778711 
Onderwijs decentraal:   
Basisonderwijs7810 
Voortgezet onderwijs4545 
Wetenschappelijk onderwijs1 5811 170 
Informatie en communicatietechnologie7070 
Onderzoek:   
Onderzoek en wetenschappen67 53067 832 
Cultuur:   
Algemeen cultuurbeleid90107107
Cultureel erfgoed2831 
Totaal70 20069 976107

* Raming 2002 uit begroting 2003 (zie tabellen 9 en 10 «Budgettaire gevolgen beleid»).

2.5 Overig

Onder de categorie overig hebben in 2002 verschillende kleinschalige activiteiten plaatsgevonden, variërend van beleidsonderzoek tot Europese studiebezoeken.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 8: Internationaal beleid (bedrag x € 1 000)
 Raming 2002*Realisatie 2002HGIS-deel
Onderwijs centraal   
Internationaal onderwijsbeleid463417 
Onderwijs decentraal   
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie437333 
Hoger beroepsonderwijs6587 
Wetenschappelijk onderwijs112175 
Onderzoek   
Onderzoek en wetenschappen2020 
Cultuur:   
Algemeen cultuurbeleid282275275
Cultureel erfgoed302293 
Totaal2 2741 520275

* Raming 2002 uit begroting 2003 (zie tabellen 9 en 10 «Budgettaire gevolgen beleid»).

3. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9: Budgettaire gevolgen van beleid Overzichtsconstructie (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschilHGIS realisatie
 19981999200020012002200220022002
Mobiliteit    13 2619 5463 7151 917
Samenwerkingsverbanden    9 7139 364349159
Institutionele subsidies Nederland    128 740117 74710 99350 971
Instellingen buitenland    69 97670 096– 120107
Overig    1 5202 547– 1 027275
Totaal Programma-uitgaven    223 210209 30013 91053 429

Ten opzichte van de oorspronkelijke begroting zijn correcties aangebracht op de geraamde bedragen van de overzichtsconstructie voor het jaar 2002. De meerjarenreeksen waren niet volledig. De belangrijkste correcties zijn:

• In de overzichtsconstructie voor het jaar 2002 waren voor Hoger beroepsonderwijs (€ 1,1 miljoen) en ICT (€ 0,8 miljoen) geen bedragen opgenomen, terwijl deze middelen wel op de beleidsartikelen 6 en 10 beschikbaar waren;

• Bij Internationaal onderwijsbeleid ontbraken in de meerjarenraming de financiële middelen voor het Europees Platform (€ 4,6 miljoen), terwijl deze middelen wel bij beleidsartikel 8 waren opgenomen;

• Bij Basisonderwijs en Voortgezet Onderwijs zijn ten behoeve van het internationaal georiënteerd basisonderwijs (igbo) en van het internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo) financiële middelen opgevoerd (totaal € 2,6 miljoen). De bedragen ontbraken in voorgaande overzichtsconstructies;

• Bij Wetenschappelijk onderwijs is voor IO-instellingen een te laag bedrag opgenomen in de oorspronkelijke raming. De raming dient € 3,3 miljoen hoger te zijn.

Daar deze correcties substantieel zijn, dienen ze bij de verantwoording over het jaar 2002 te worden betrokken. Ze zijn in de overzichtsconstructie van de begroting 2003 opgenomen. De overzichtconstructie 2002 uit de begroting voor het jaar 2003 ziet er als volgt uit:

Tabel 10: Budgettaire gevolgen van beleid Overzichtsconstructie op basis van begroting 2003 (x € 1 000)
 RealisatieAangepaste begrotingVerschilHGIS realisatie
 19981999200020012002200220022002
Mobiliteit    13 26114 373– 1 1121 917
Samenwerkingsverbanden    9 7138 982731159
Institutionele subsidies Nederland    128 740127 3831 35750971
Instellingen buitenland    69 97670 200– 224107
Overig    1 5202 274– 754275
Totaal programma-uitgaven    223 210223 212– 253 429

De verantwoording 2002 bij de Operationele doelstellingen is gebaseerd op de raming voor 2002, zoals opgenomen in de overzichtsconstructie in begroting 2003.

4. Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf

De mobiliteitsmonitor Monitor 2001, die is gepubliceerd in 2002, heeft gewonnen aan scope, zowel waar het gaat om kwantitatieve als om kwalitatieve informatie. In de Monitor 2002 zal de verbreding naar internationaliseringsmonitor verder worden voortgezet. Momenteel worden kwalitatieve artikelen voor deze monitor voorbereid, die het begrip internationalisering en de effectiviteit ervan verder in beeld moeten brengen. De verschijning van de Monitor 2002 is gepland voor eind april 2003.

Kwantitatief

In toenemende mate worden de gegevens over programmamobiliteit, zoals die bekend zijn bij het Europees Platform, Cinop (Centrum voor Innovatie van Opleidingen) en Nuffic, aangevuld met cijfermatige gegevens van andere programmabeheerders, instellingen en beheerders van nationale en internationale registratiesystemen. Deze aanvulling leidt tot een steeds vollediger beeld, dat in de Monitor 2001 verder is aangevuld met cijfers over de internationale ervaring van afgestudeerden.

Kwalitatief

De ontwikkeling van de Mobiliteitsmonitor naar een Internationaliseringsmonitor heeft verder vorm gekregen. In de Monitor 2001 zijn de eerste resultaten toegelicht van een onderzoek naar betekenis en resultaten van internationalisering in het voortgezet onderwijs. Op het terrein van het beroepsonderwijs is ingegaan op de uitkomsten van een onderzoek naar de Europass (die het een onderwijsdeelnemer mogelijk maakt aan te tonen dat hij of zij een deel van zijn opleiding in een andere EU-lidstaat heeft gevolgd). De Monitor 2001 bevat aanbevelingen over een effectieve implementatie van de Europass. Inzake het hoger onderwijs gaat de Monitor 2001 in op de ontwikkeling, met andere EU-lidstaten, van mobiliteitsconcepten en indicatoren, gericht op versterkte transparantie en vergelijkbaarheid.

9. ONDERWIJSPERSONEEL

9.1 Algemene beleidsdoelstelling

De algemene doelstelling is het bevorderen van een open en transparante onderwijsarbeidsmarkt in samenwerking met organisaties van werkgevers en werknemers, alsmede van een structuur voor overleg over de arbeidsvoorwaardenontwikkeling.

Tevens staan op dit artikel de middelen voor de regeling ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekspersoneel (zvoo). Deze regeling beoogt relatief hoge ziektekosten voor genoemd personeel en een beperkt deel van het gewezen personeel, te beperken.

Op dit artikel wordt een beperkt deel van de (financiële) inzet en activiteiten op het terrein van arbeidsmarkt en personeelsbeleid begroot. Het grootste deel van de personele uitgaven wordt begroot op de artikelen van de subsectoren. Om die reden is in de begroting na dit artikel een Overzichtsconstructie Personeel opgenomen, die een overzicht biedt over het totaal van de activiteiten op het gebied van arbeidsmarkt en personeel.

Als tegenhanger van de overzichtconstructie Onderwijspersoneel in de begroting, is hier direct na de verantwoording van artikel 9, de verantwoording naar aanleiding van de overzichtsconstructie opgenomen onder de kop «Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid».

Overigens wordt in dit kader ook verwezen naar de nota Werken in het Onderwijs (WIO) die jaarlijks bij de onderwijsbegroting aan de Tweede Kamer wordt toegezonden. Ook deze nota bevat een (uitgebreidere) beschrijving van de resultaten op het terrein van arbeidsmarkt en personeelsbeleid van het afgelopen jaar naar de stand van medio het kalenderjaar, naast een middenlange termijn raming van de onderwijsarbeidsmarkt.

9.2 Operationele doelstellingen

9.2.1 Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (SBO)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het SBO is als samenwerkingsverband van sociale partners in het onderwijs aanspreekpunt voor de minister van OCenW inzake arbeidsmarktbeleid. Binnen de door de minister bepaalde strategische beleidskaders neemt het SBO verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en de uitvoering van het arbeidsmarktbeleid in de sector onderwijs. Het SBO is het kennis- en expertisecentrum van en voor de sociale partners en vormt het platform voor ontmoeting en de uitwisseling van ideeën, visies en ervaringen op en rond de onderwijsarbeidsmarkt. Het SBO draagt hierbij zorg voor afstemming tussen decentrale cao-tafels en met subsectorale organen.

Het SBO adviseert de minister gevraagd en ongevraagd over het te voeren arbeidsmarktbeleid en ontwikkelt arbeidsmarktinstrumenten. Voorts zal het SBO actief en gestructureerd werken aan zowel verspreiding van de ontwikkelde kennis en expertise inzake beleidsinitiatieven en beleidsontwikkelingen op de arbeidsmarkt alsook aan de implementatie hiervan.

Op 20 december 2002 is een convenant gesloten tussen OCenW en het SBO met als doel de aanpak van het lerarentekort. In het convenant zijn afspraken gemaakt over landelijk te realiseren doelstellingen voor 2003 over onder meer zij-instromers, onderwijsassistenten en het realiseren van regionale netwerken van scholen en lerarenopleidingen, waarin de regionale partijen van vraag- en aanbodzijde op de onderwijsarbeidsmarkt gezamenlijk afspraken kunnen maken over knelpunten en wensen in de regio. Bovendien gaat het SBO scholen, lerarenopleidingen en andere partijen in de regio stimuleren tot en ondersteunen bij het afsluiten van regionale convenants.

Tevens is afgesproken dat de verdeling van de budgetten voor arbeidsmarktbeleid over de sectorfondsen gefaseerd wordt overgeheveld naar het SBO. Over de uitvoering van de afspraken in het convenant vindt regulier voortgangsoverleg plaats.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 is in mijn opdracht de werking van het voorgaande convenant met het SBO geëvalueerd. Het evaluatierapport zal in de eerste helft van 2003 beschikbaar komen en zal tevens een uitgebreide beschrijving geven van de activiteiten en resultaten daarvan van het SBO en de sectorfondsen (Participatiefonds, Sofokles, Mobiliteitsfonds en BVE raad) over de afgelopen subsidieperiode van 2001 en 2002.

Deze evaluaties en een nieuwe analyse van de knelpunten op de arbeidsmarkt van het SBO vormen de basis voor subsidietoekenning en -verdeling voor de volgende periode van twee jaar aan de sociale partners en voor nadere invulling en uitwerking van het nieuwe convenant.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het voor 2002 beschikbaar gestelde bedrag (€ 9,6 miljoen) is gerealiseerd.

9.2.2 Vernieuwingsprojecten en Vakbondsfaciliteiten

9.2.2.1 Vernieuwingsprojecten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is vernieuwende projecten te ontwikkelen in het onderwijsveld op het gebied van arbeidsvoorwaarden, personeelsbeleid en arbeidsmarkt. Het gaat om de ontwikkeling en het op brede schaal invoeren van de projecten uit de nota's Maatwerk 2 en 3. In dit kader is in 2002 verder gewerkt aan de in tabel 9.1 genoemde projecten.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De projecten zijn in 2002 in het algemeen overleg met de Kamer besproken op 30 januari en 12 december. Voor dit laatste algemeen overleg is op 2 december de voortzetting van deze activiteiten in het Plan van Aanpak Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid 2003 aan de Kamer aangeboden, met de Kamer besproken en door de Kamer goedgekeurd.

Tabel 9.1: Projecten uit het Plan van aanpak arbeidsmarkt en personeels- beleid 2003
Integraal Personeelsbeleid 
Bevorderen van zij-instroom in het beroep 
Pilot vaklieden voor de klas vmbo 
Functiedifferentiatie, de ontwikkeling van bekwaamheidseisen voor beroepen in het onderwijs en een platform van beroepsbeoefenaren 
Wet op de beroepen in het onderwijs 
Opzetten en uitvoeren van een pilot-project voor duobanen in de directiefunctie binnen het primair onderwijs 
Duaal leren en opleiden in de school 
Begeleidingsvergoeding voor de scholen van lio's en stagiaires 
Extra voorziening kinderopvang 
Onderwijsassistenten in tekortgebieden 

Zie ook de overzichtsconstructie «Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid» hierna.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De kosten in 2002 bedroegen € 20,3 miljoen.

9.2.2.2 Vakbondsfaciliteiten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is het faciliteren van het arbeidsvoorwaardenoverleg voor werknemersorganisaties. Dit doel is nader geoperationaliseerd in de bekostiging van het secretariaat voor het arbeidsvoorwaardenoverleg met werknemers- en werkgeversorganisaties in het onderwijs. De bekostiging van het secretariaat heeft in 2002 plaatsgevonden.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De regeling «GO1- en vakbondsfaciliteiten 1998» is de tegenhanger van het zogenaamde vakbondstientje dat ongeveer 40 jaar geleden in de (financiële) verhoudingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties is overeengekomen, alsmede van regelingen voor vrijstelling van werk voor vakbondsactiviteiten in bedrijven en instellingen in de marktsector. In het onderwijs impliceert vrijstelling dat er vervanging moet worden geregeld.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De kosten in 2002 bedroegen € 11,0 miljoen.

9.2.3 Ziektekostenvoorziening voor onderwijs en onderzoekspersoneel (zvoo)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is te voorkomen dat (voormalige) onderwijs- en onderzoekspersoneelsleden voor ziektekostenverzekeringen duurder uit zijn dan vergelijkbaar personeel in de marktsector dat in het ziekenfonds zit. Deze doelstelling is bereikt door in 2002 aan 35 159 personen een zvoo-vergoeding te verstrekken.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De zvoo stelt actieven (werknemers) en post-actieven (voormalige werknemers) uit de sector onderwijs in de gelegenheid hun ziektekosten gelijk te laten zijn aan die van een vergelijkbare werknemer in de marktsector die ziekenfondsverzekerd is. Omdat de zvoo het meerdere volledig vergoed wordt de doelstelling per definitie gehaald. In 2002 hebben in totaal 35 159 personen een zvoo-vergoeding gekregen. Zie onderstaande tabel.

Tabel 9.2: Aantal zvoo-uitkeringen 2000–2002
 200020012002
Actieven3 6563 0052 845
Post-actieven28 89932 59232 314
Totaal32 55535 59735 159

Bron: KPMG-Flexsourcing

Voor post-actieven bedroeg in 2002 de gemiddelde uitkering € 983 en voor actieven € 344. Zie onderstaande tabel. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van het inkomen van de betrokkene, de gezinssamenstelling en de ontwikkeling van de ziekenfondspremie ten opzichte van die van de particuliere verzekeringen.

Tabel 9.3: Gemiddelde hoogte zvoo-uitkering (x € 1)
 200020012002
Actieven233256344
Post-actieven813862983

Bron: KPMG-Flexsourcing

De genoemde bedragen zijn netto-uitkeringen aan betrokkenen. Door de fiscus wordt over de aanspraken (bij wijze van vervangende loon-/inkomstenbelasting) belasting geheven bij de uitkeringsinstellingen (met name UWV en ABP). Deze aansprakenbelasting wordt eveneens uit dit budget vergoed.

Actief personeel maakt veel minder gebruik van de regeling en krijgt een gemiddeld lagere uitkering vanwege het hogere inkomen en met name door de ziektekostenregeling zkoo, op grond waarvan actieven wél een compensatie krijgen en post-actieven niet (met uitzondering van fpu-ers). Actieven hebben hierdoor gemiddeld lagere (netto) ziektekosten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De kosten in 2002 bedroegen € 44,1 miljoen.

9.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Tabel 9.4: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 2000200120022002 
Verplichtingen  74 85569 4005 455
– waarvan garanties  000
Uitgaven  84 93569 40015 535
Arbeidsmarkt  9 5759 720– 145
Vakbondsfaciliteiten en Voorzieningen  31 30218 40012 902
Zvoo  44 05841 2802 778
Ontvangsten  68068

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

9.4 Groeiparagraaf

De voorgenomen verbeteringen zijn ter hand genomen. In de begroting 2003 is meer beschrijvende informatie opgenomen. Zo is de informatie over de zvoo-uitkeringen uitgebreid (onderscheid naar actieven en niet-actieven, en er wordt informatie verschaft over de gemiddelde hoogte van de uitkering). Zoals reeds is aangegeven worden de resultaten van de evaluatie van het SBO in de begroting 2004 opgenomen.

OVERZICHTSCONSTRUCTIE ARBEIDSMARKT EN PERSONEELSBELEID

1. Algemene beleidsdoelstelling

De algemene doelstelling is het zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit, ook op middellange en lange termijn. Dit betekent dat het beleid zich richt op zowel het oplossen van de huidige problemen, zoals de tekortenproblematiek, als op de structurele personeelsvoorziening in het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek.

In het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie ligt de prioriteit van de maatregelen bij het terugdringen van het dreigende lerarentekort. Voor het hoger beroepsonderwijs, het wetenschappelijk onderwijs en de onderzoekinstellingen zijn de maatregelen gericht op het versterken van de arbeidsmarktpositie en het aantrekken en behouden van jonge wetenschappers.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

De algemene beleidsdoelstelling is uitgewerkt in ruim 30 operationele doelstellingen (zie tabel 1) behorend bij evenzoveel maatregelen en projecten. Al deze maatregelen en het effect ervan zijn beschreven in de paragrafen 2.1 tot en met 2.4 van deze overzichtsconstructie.

Per maatregel wordt specifiek ingegaan op de drie zogeheten h-vragen volgens de gehanteerde VBTB-vereisten. Bij enkele maatregelen met beknopte tekstomvang is vanwege de leesbaarheid hiervan afgeweken.

Het merendeel van de maatregelen is gericht op het actuele probleem van het lerarentekort in het funderend onderwijs (sectoren po, vo en bve). Een beperkt aantal maatregelen is gericht op de langere termijn of op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (sectoren hbo, wo en owb). Bij de doelstelling van de maatregelen wordt duidelijk gemaakt voor welke sectoren zij gelden en of zij gericht zijn op de actuele problematiek of dat zij bijdragen aan de structurele personeelsvoorziening. De vier categorieën waarin de maatregelen zijn onderverdeeld kunnen worden samengevat met de volgende doelen:

• het verruimen van de onderwijsarbeidsmarkt en het verbeteren van de structuur en de werking van de arbeidsmarkt;

• het versterken van de concurrentiepositie van de sector onderwijs;

• het bevorderen van de kwaliteit van het personeel en het versterken van de organisatie binnen de instelling en

• het terugdringen van uitval van personeel.

In de onderstaande tabel zijn alle maatregelen volgens deze indeling weergegeven. Hierbij is ook aangegeven of de maatregel effect heeft op het vergroten van het aanbod van personeel, dan wel op het verkleinen van de vraag naar personeel. Maatregelen gericht op het behouden van personeel zijn hierbij gerangschikt onder vraag. Het gaat immers in dat geval om het voorkomen van vraag naar personeel die ontstaat doordat leerkrachten (tijdelijk) stoppen met werken of uitstromen naar een inactiviteitsregeling.

Tabel 1: Overzicht van de maatregelen ingedeeld naar doel en vraag en aanbod
DoelMaatregelAanbod of vraag
Het verruimen van de onderwijsarbeidsmarkt en het verbeteren van de structuur en de werking van de arbeidsmarkt.Imagocampagneaanbod
Lerarenopleidingen 
Herintreders 
Onderwijsassistenten 
Leraren in opleiding 
Zij-instroom 
Bedrijf voor de klas 
Vakmensen voor de klas 
SBO-convenantaanbod en vraag
Regionale convenants 
Het versterken van de concurrentiepositie van de sector onderwijs.Marktconforme loonontwikkelingaanbod
Carrièrepatronenaanbod en vraag
Decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming po en vo 
Evaluatie decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming ho 
Kinderopvangvraag
Betaald ouderschapsverlof 
Spaarverlof 
Adv-verzilvering 
Het bevorderen van de kwaliteit van het personeel en het versterken van de organisatie binnen de instellingOpleiden in de schoolaanbod
Opvangpools 
Duobanen 
Functiedifferentiatie 
Wet op de beroepen in het onderwijsaanbod en vraag
Netwerk arbeidsmarkt en personeelsbeleid 
Schoolbudgetten 
Lectoren en kenniskringen in het hbo 
Carrièreperspectieven jonge wetenschappers 
Stimuleringsprogramma's wetenschappelijk onderzoek 
Integraal personeelsbeleidvraag
Het terugdringen van uitval van personeel.Ziekteverzuimvraag
Arbeidsongeschiktheid 
Werkloosheid 
Arbeidsparticipatie ouderen 

Aan het einde van elke paragraaf is een overzicht opgenomen van informatie die de Kamer heeft ontvangen over de maatregelen.

Werkgelegenheid in het onderwijs

In 2001 zijn er 401 000 personen werkzaam in het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. Dit komt overeen met 316 000 voltijdse banen. De werkgelegenheid is sinds 1997 met 16% gegroeid. In de sectoren po, vo en bve bedraagt de groei in de periode van 1997 tot 2001 rond de 20% en in het hbo en wo ruim 3%.

Figuur 1: Ontwikkeling van de werkgelegenheid in het onderwijs, 1997–2001 (personen en fte)kst-28880-16-17.gif

Bron: Ministerie van BZK, Kerngegevens Overheidspersoneel

De werkgelegenheid in de sectoren po, vo en bve is in 2002 ten opzichte van 2001 met 12 000 fte toegenomen. Dat is een groei van 5,2%. Deze toename is het gevolg van een instroom van 23 400 fte en een uitstroom van 13 600 fte (zie tabel 2 en 3) en door uitbreiding van de deeltijdfactor.

Tabel 2: In- en uitstroom onderwijspersoneel naar sector, 2001–2002 (x 1 000 fte).
SectorWerkgelegenheid 2001Uitstroom 2001–2002Instroom 2001–2002Werkgelegenheid 2002
Primair onderwijs103,05,28,2106,6
Voortgezet onderwijs62,23,65,264,6
Bve-sector23,01,21,823,7
Totaal188,210,014,4194,9

Bron: OCenW, basisregistratie personeel (BRP). De cijfers hebben betrekking op directeuren en leerkrachten.

Tabel 3: In- en uitstroom onderwijsondersteunend naar sector, 2001–2002 (fte).
SectorWerkgelegenheid 2001Uitstroom 2001–2002Instroom 2001–2002Werkgelegenheid 2002
Primair onderwijs15,41,54,318,2
Voortgezet onderwijs14,11,12,515,6
Bve-sector12,21,02,313,5
Totaal41,73,69,047,2

Bron: OCenW, basisregistratie personeel (BRP). De aantallen zijn inclusief in- en doorstroombanen.

Vacatures in het onderwijs

De bedoeling van de maatregelen in de sectoren po, vo en bve is het probleem van het dreigende lerarentekort het hoofd te bieden, of met andere woorden vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen. Voor de sectoren primair en voortgezet onderwijs is in 2002 een raming gemaakt, waardoor het mogelijk is nader in te gaan op enkele kwantitatieve ontwikkelingen in deze sectoren. Wat de vraag betreft was er in deze sectoren in 2002 rond 15 000 fte aan instroom van nieuw onderwijspersoneel voorzien in de raming. Daar staat in de eerste plaats een aanbod van 10 200 afgestudeerden van de bacheloropleidingen «leraar»1 tegenover.

Hierbij moet worden opgemerkt dat niet alle gediplomeerden in het onderwijs gaan werken en ook niet in een voltijdbaan. Gemeten in voltijdbanen is de geschatte instroom van afgestudeerden in 2002 in het primair en voortgezet onderwijs rond de 5 000 fte. Het overige deel van het aanbod moet gevonden worden uit andere bronnen zoals herintreders, zij-instroom, lio's en taakuitbreiding. In 2002 was de instroom uit andere bronnen 10 000 fte. Aan het eind van het derde kwartaal van 2002 waren voor directeuren en leraren in het primair en voortgezet onderwijs circa 2000 vacatures niet vervuld (zie tabel 4).

Ten opzichte van 2001 is het aantal onvervulde vacatures licht toegenomen (met 56 fte). Geconstateerd kan worden dat het gerealiseerde tekort lager is dan op grond van het recente verleden verwacht zou mogen worden. Omdat voor het gehele funderend onderwijs inclusief het ondersteunend personeel sprake is van een toename van het aantal vacatures van rond de 200 fte is een onverminderde inspanning noodzakelijk om in de komende jaren aan de vraag naar onderwijspersoneel te kunnen blijven voldoen.

Tabel 4: Openstaande vacatures 3e kwartaal 2001 en 3e kwartaal 2002 (fte).
SectorDirectieLerarenOndersteunend personeelTotaal
 20012002200120022001200220012002
Primair onderwijs3103451 1211 1532063231 6371 821
Voortgezet onderwijs4858430409169133647600
Bve-sector152216631119093371426
Totaal3734251 7171 8735655492 6552 847

Bron: Regioplan Arbeidsmarktbarometer po, vo, bve. Voor het voortgezet onderwijs zijn de cijfers van 2001 geactualiseerd.

Elk jaar wordt in opdracht van het ministerie van OCenW onderzoek gedaan naar de vacatures in het onderwijs (po, vo en bve). Tot voor kort werd alleen gekeken naar de vacatures voor leerkrachten. Sinds het schooljaar 2001/2002 wordt onderzoek gedaan naar de vacaturesituatie voor zowel leerkrachten, onderwijsondersteunend personeel als directieleden.

Begin 2003 is door Regioplan de rapportage opgeleverd met de resultaten voor de sectoren po, vo en bve over het derde kwartaal 2002. Een vergelijking met de cijfers van het derde kwartaal 2001 laat zien dat de situatie op de onderwijsarbeidsmarkt voor leraren ongeveer gelijk is gebleven. Vooral voor het primair onderwijs is dat een prestatie van formaat, omdat met de invoering van de laatste fase van de klassenverkleining in het schooljaar 2002/2003 een groot probleem werd verwacht. Het tekort aan directieleden in het primair en voortgezet onderwijs is daarentegen wel iets toegenomen.

2.1 Onderwijsarbeidsmarkt

Het arbeidsmarktbeleid heeft verruiming van de onderwijsarbeidsmarkt en het verbeteren van de structuur en de werking van de arbeidsmarkt tot doel.

In deze paragraaf komen de verschillende maatregelen aan de orde die gericht zijn op de verruiming van het aanbod op de onderwijsarbeidsmarkt. Om meer inzicht te krijgen in het effect van de maatregelen is eind 2002 een onderzoek gestart onder de titel «Aandachtsgroepenmonitor». Deze monitor levert halverwege 2003 de eerste resultaten op. In de nota Werken in het onderwijs (WIO) die bij de onderwijsbegroting 2004 uitkomt, worden deze resultaten opgenomen.

2.1.1 Imagocampagne «Je groeit in het onderwijs»

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In navolging op eerdere campagnes loopt sinds september 2001 de imagocampagne «Je groeit in het onderwijs». De campagne richt zich op het algemene publiek en de potentiële doelgroepen voor een baan in het onderwijs. Het primaire doel van de campagne is het imago van het beroep van leraar te verbeteren. Daarnaast moet de campagne ook de voedingsbodem leggen voor de werving van leraren door scholen en fungeren als paraplucampagne voor alle andere communicatieactiviteiten over het lerarenbeleid. De effecten van de campagne zijn positief.

Het beroep leraar wordt door het algemeen publiek, maar met name ook onder de potentiële zij-instromers, als maatschappelijk relevant en positief beoordeeld. De website www.leraar.nl wordt goed bezocht en zowel scholen als potentiële leraren tonen grote belangstelling voor de informatiebrochures.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In de maanden maart, april, september en oktober van 2002 zijn de commercials «Je groeit in het onderwijs» uitgezonden op televisie. Daarnaast is er gedurende de tweede helft van 2002 een aparte campagne gevoerd speciaal gericht op de doelgroep potentiële zij-instromers en wervingsverantwoordelijken bij scholen. Naast bovenstaande campagne fungeert de website www.leraar.nl als informatiepunt voor potentiële belangstellenden voor een baan in het onderwijs. In aanvulling hierop is een (gratis) telefonisch informatiepunt ondergebracht bij Postbus 51 voor vragen over werken in het onderwijs. Verder zijn er brochures verschenen over onder andere functiedifferentiatie en duobanen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven (€ 3,2 miljoen) zijn gerealiseerd.

2.1.2 Lerarenopleiding – tegemoetkoming studiekosten

Met de invoering van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) in het schooljaar 2001/2002 is de tegemoetkoming lerarenopleiding verruimd. Doel hiervan is om meer studenten aan te trekken voor het volgen van een lerarenopleiding. Zie voor meer informatie beleidsartikel 12, paragraaf 12.3.2 Lerarenopleidingen en zij-instroom.

2.1.3 HBO lerarenopleiding – voortgezet onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is te komen tot meer en kwalitatief goede docenten voor het voortgezet onderwijs. Uit gegevens van het CRIHO blijkt een toename van de instroom in 2002 ten opzichte van 2001 van de studenten voor de lerarenopleiding vo/bve van in totaal 7,5% (van 5 266 naar 5 659). Deze aantallen betreffen de bacheloropleiding en de voortgezette opleiding. Uit het oordeel van de inspectie en de jaarverslagen van de lerarenopleidingen blijkt dat de lerarenopleidingen grote vorderingen hebben gemaakt in het meer flexibel maken van hun leerroutes en in het afstemmen van hun opleidingen op de behoeften van de scholen, gericht op kwalitatief betere studenten. Zie ook beleidsartikel 6 (hoger beroepsonderwijs) paragraaf 6.3.3 lerarenopleiding vo/bve.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om de doelstelling verder te realiseren is het noodzakelijk dat de lerarenopleidingen voortgezet onderwijs de relatie versterken tussen de studenten die leraar willen worden en de instellingen die leraren willen aannemen. Dit betekent een omslag naar een vraaggerichte werkwijze. Hiertoe is de regeling «Omslag werkwijze eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen hbo 1999–2004» opgesteld.

Inspanningen dienen vooral nog gericht te zijn op een beroepsuitoefening als leraar waarbij ict intensief als pedagogisch-didactisch instrument wordt ingezet. De regeling is versneld uitgevoerd (zie hieronder) waardoor 2002 het laatste jaar is dat de regeling van kracht is geweest. In 2003 wordt over de effectiviteit van de regeling worden gerapporteerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor het jaar 2002 is de begrote € 2,8 miljoen uitgekeerd.

2.1.4 Universitaire lerarenopleiding

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van het Ulo-convenant 1999–2005 is te komen tot een toename van het aantal universitair opgeleide leraren van 600 tot 1200 per jaar. Bij een groei van 100 afgestudeerden per jaar wordt de doelstelling gehaald. Uit tabel 5 blijkt dat het aantal inschrijvingen de afgelopen jaren is toegenomen (voor 2002/2003 is nog geen definitief aantal bekend). Het aantal studenten dat met getuigschrift de opleiding verlaat is lager (zie figuur 3). Onderzoek naar de oorzaken van het lage rendement is meegenomen in de gecombineerde ulo-visitatie en de tussenevaluatie van het ulo-convenant. De resultaten worden voorjaar 2003 gepubliceerd.

Tabel 5: Aantal ingeschreven studenten aan de universitaire lerarenopleidingen.
 1999200020012002
Streefwaarde600700800900
Realisatie7969871 018857

Bron: CRIHO. Aantal studenten dat zich in een studiejaar heeft ingeschreven (volumemeting). De realisatie voor het studiejaar 2002/2003 is een voorlopig aantal (aan het begin van 2003).

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De universiteiten hebben een scala van leerwegen ontwikkeld om de ulo aantrekkelijker te maken. Daarnaast is de vernieuwing van de opleidingen en begeleiding in gang gezet. De tussenevaluatie van het ulo-convenant was gepland voor 2002, maar om overlap met visitaties te voorkomen is besloten om de evaluatie op te nemen in de visitatie van de ulo's eind 2002. De resultaten van de evaluatie worden in het voorjaar 2003 gepubliceerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 is € 1,1 miljoen uitgegeven. Dit is minder dan begroot omdat het aantal opgeleide leraren lager was dan geraamd. Zie voor meer informatie beleidsartikel 7 Wetenschappelijk Onderwijs, paragraaf 7.3.4, universitaire lerarenopleidingen (ulo).

In figuur 2 is de ontwikkeling weergegeven van de instroom1 in de opleidingen voor leraar primair en voortgezet onderwijs. In 2002 is sprake van een toename van de instroom in de bacheloropleidingen (7%). In figuur 3 is de ontwikkeling van het aantal gediplomeerden van de lerarenopleidingen weergegeven (voor de ulo's: het aantal getuigschriften).

Figuur 2: Ontwikkeling van de instroom in de lerarenopleidingen, 1997–2002.

kst-28880-16-18.gif

Bron: CRIHO. Het aantal inschrijvingen aan de ulo in 2002 is een voorlopig cijfer.

Figuur 3: Ontwikkeling van het aantal gediplomeerden van de lerarenopleidingen, 1997–2002.

kst-28880-16-19.gif

Bron: CRIHO

2.1.4 Herintreders

Hebben we bereikt wat we willen bereiken?

Om het aanbod van onderwijspersoneel te verruimen zijn diverse maatregelen genomen. Eén hiervan was het aanschrijven van de zogenaamde stille reserve. Dit zijn mensen met een onderwijsbevoegdheid die niet (meer) in het onderwijs werken: potentiële herintreders. Doel is om zoveel mogelijk herintreders te werven voor het onderwijs. Vanaf 1998 is een groot aantal herintreders aan de slag gegaan in het primair onderwijs: het Career Center Onderwijs (CCO) meldt dat er eind 2002 totaal ruim 5 600 herintreders zijn geplaatst. Inmiddels lijkt het aantal herintreders zich te stabiliseren: in 2002 zijn aan het eind van het derde kwartaal ruim 300 herintreders geplaatst.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om zoveel mogelijk herintreders in het onderwijs aan het werk te laten gaan, wordt subsidie verleend aan opleidingsinstituten voor het geven van de «opfriscursus herintreders». In 2002 zijn 428 cursisten gestart met deze opfriscursus. Bemiddeling en plaatsing van herintreders is uitbesteed aan het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (SBO). In totaal 5 687 cursisten zijn geplaatst, waarvan 322 in 2002 (kwartaalrapportage van het SBO). Het contract met het SBO voor bemiddeling en plaatsing van herintreders is per september 2002 beëindigd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 is € 0,9 miljoen gereserveerd voor de opfriscursus herintreders. In totaal is € 0,7 miljoen toegekend aan diverse opleidingsinstituten voor het geven van de cursus. De kosten van de cursus per herintreder bedragen € 1 275. Aan het SBO is voor bemiddeling en plaatsing van de cursisten geen extra budget toegekend voor 2002. Kosten zijn gedekt met reserves die nog beschikbaar waren. Bovendien is het contract voor bemiddeling en plaatsing van cursisten met SBO per september 2002 beëindigd. Voor de «Opfriscursus herintreders speciaal onderwijs» is in 2002€ 22 500 toegekend.

2.1.5 Onderwijsassistenten

Hebben we bereikt wat we willen bereiken?

Het aandeel van onderwijsassistenten op de onderwijsarbeidsmarkt moet worden vergroot, zowel om de werkdruk van de leraren te verlagen en meer «onderwijs op maat» te bieden, als om een bijdrage te leveren aan het bestrijden van de tekortenproblematiek. Kortom: «meer handen in de klas». Het aantal onderwijsassistenten in het primair onderwijs is gestegen van 750 personen in 1998 naar bijna 4 000 in 2002 (stand december). Dit laatste aantal komt overeen met 2 400 voltijdbanen.

Tabel 6: Aantal onderwijsassistenten in het primair onderwijs in 2002 (personen)
 StreefwaardeRealisatie
Primair onderwijs4 0003 946

Bron: CASO.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om het doel te bereiken zijn twee tijdelijke regelingen in werking gesteld, te weten «Onderwijsassistenten primair onderwijs 2002» en «Onderwijsondersteunend personeel 2002». Op basis van de eerste regeling konden scholen de salariskosten en werkgeverslasten van nieuw aangestelde onderwijsassistenten declareren. Deze regeling gold voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 juli 2002. Daarbij gold de voorwaarde dat de onderwijsassistent met ingang van 1 augustus 2002 een reguliere aanstelling zou krijgen. Op dat moment werd immers de laatste tranche middelen groepsgrootte en kwaliteit beschikbaar gesteld. Ongeveer 160 onderwijsassistenten zijn op grond van deze regeling ingestroomd.

Doel van tweede regeling was om de aanstelling van onderwijsondersteuners (waaronder onderwijsassistenten) te bevorderen evenals het stimuleren van beroepsgerichte scholing (in deeltijd of duaal) en begeleiding van onderwijsondersteuners. Het aantal aanvragen voor deze regeling overtrof de beschikbare capaciteit. In totaal konden 800 aanvragen worden gerealiseerd.

Verder is in de eerste helft van 2002 (zoals aangekondigd in Maatwerk 3) aan alle scholen voor primair onderwijs de brochure «Meer handen in de school» gezonden. Deze brochure bevat praktische informatie over klassenassistenten, onderwijsassistenten en lerarenondersteuners. Uit de extra aanvragen (bij postbus 51) kan opgemaakt worden dat deze brochure voorziet in een behoefte.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het budget dat voor beide regelingen beschikbaar was (€ 7,6 miljoen) is volledig gerealiseerd.

2.1.6 Leraren in opleiding (lio's)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is het bevorderen van de instroom van leraren. De maatregel heeft als effect dat de student ervaring in het zelfstandig lesgeven opdoet en daardoor beter is toegerust op een toekomstig leraarschap. In tabel 7 zijn de streefwaarden en realisaties opgenomen. Zie ook de toelichting op de tabel.

Tabel 7: Aantal lio's in 2002 (fte)
 Streefwaarde 2002Realisatie maart 2002Realisatie oktober 2002
Primair onderwijs900958342
Voortgezet onderwijs1 000223270
Bve-sector421915
Totaal1 9421 200626

Bron: CASO.

Toelichting op tabel 7

Niet alle vierdejaars studenten verwerven een leerarbeidsplaats als lio. Een deel van de laatstejaarsstudenten krijgt een stageplaats. CASO registreert alleen de lio-werknemers en neemt de vierdejaars stagiairs niet mee in de telling. Om die reden zijn in de begroting 2003 de streefwaarden bijgesteld, en aangepast aan het aantal lio's met een aanstelling bij een school. In tabel 7 zijn de streefwaarden uit de begroting van 2003 overgenomen.

Lio's hebben bij een school een tijdelijk dienstverband van vijf maanden bij een volledige werkweek of een periode die daarmee overeenkomt bij een niet-volledige werkweek. Hierdoor kan niet worden volstaan met het tellen van de lio's op een enkel peilmoment. Daarom zijn in de tabel de realisaties van 2 peilmomenten opgenomen. Het totaal aantal lio's dat gedurende een schooljaar werkzaam is geweest is de som van de gegevens van de 2 peilmomenten. Een aantal lio's kan hierbij dubbel geteld worden, namelijk dat deel dat langer dan een half jaar werkt in een niet-volledige werkweek. In de aandachtsgroepenmonitor die eind 2002 van start is gegaan, wordt hiermee rekening gehouden. De eerste rapportages uit deze monitor komen halverwege 2003 beschikbaar.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Eind 2002 is besloten de bestaande subsidieregelingen leraren-in-opleiding voor primair en voortgezet onderwijs en de bve-sector te verlengen met één jaar. Op basis van die regeling kunnen scholen geld aanvragen voor de begeleiding van (betaalde) lio's en stagiaires met 126 studiepunten. Door deze regeling wordt een motie van de Tweede Kamer bij de behandeling van de lio-wet uitgevoerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 is het beschikbare budget niet volledig uitgeput. Het plafond in de regeling toekenningen leraren in opleiding en stagiaires 2002–2003 is vastgesteld op € 5,2 miljoen.

2.1.7 Zij-instroom

Hebben we bereikt wat we willen bereiken?

Doel is het bevorderen van diversiteit in het personeelsbestand doordat mensen met andere maatschappelijke ervaring leraar worden. Vanaf 2000 is het op basis van de Interim Wet zij-instroom primair en voortgezet onderwijs mogelijk geworden om leraar te worden via een andere route dan de reguliere lerarenopleiding.

Ook in 2002 is geprobeerd zoveel mogelijk zij-instromers aan te trekken. Doelstelling was om 400 plaatsingen in het primair onderwijs te realiseren en 200 in het voortgezet onderwijs. In 2002 zijn 585 plaatsingen in het primair onderwijs en 337 plaatsingen voortgezet onderwijs (cijfers 4e kwartaal 2002) gerealiseerd. Voor de bve-sector is de opleidingscapaciteit volledig benut. In totaal 428 zij-instromers in het beroep namen deel aan een didactische cursus bve.

Tabel 8: Aantal door bemiddeling geplaatste zij-instromers in 2002.
 StreefwaardeRealisatie
Primair onderwijs400585
Voortgezet onderwijs200337
Bve-sector400428

Opmerking: Voor po en vo zijn in de tabel het aantal te plaatsen en geplaatste zij-instromers opgenomen. Voor de bve-sector gaat het om het aantal deelnemers aan de didactische cursus BVE.

Bron: Realisatiegegevens 4e kwartaal 2002 van Career Center Onderwijs, Onderwijs BV en Word Leraar!

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om zij-instroom in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs te bevorderen, wordt subsidie verstrekt aan besturen van scholen die zij-instromers aanstellen en kosten voor assessment, scholing, begeleiding en loonverlet moeten maken. In de bve-sector kunnen instellingen voor de didactische cursus bve een tegemoetkoming in de scholingskosten krijgen.

Om de matching van zij-instromers en scholen soepel te laten verlopen is aan het SBO subsidie verleend. Bemiddelingsorganisaties Career Center Onderwijs (CCO), Onderwijs BV en Word Leraar! zijn aangetrokken als uitvoeringsorganisaties.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Van het voor de sectoren po, vo en bve beschikbare budget van € 9,2 miljoen is € 9,1 miljoen gerealiseerd.

2.1.8 Bedrijf voor de klas

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In april 2001 werd een convenant gesloten tussen VNO/NCW, het beroepsonderwijs (de BVE raad en de HBO-raad), besturenorganisaties, vakorganisaties en het ministerie van OCenW. Het convenant heeft tot doel de uitwisseling tussen bedrijfsleven en onderwijs te versterken, onder andere door detachering van mensen die werkzaam zijn in bedrijven naar het onderwijs. Dit initiatief is onder de projecttitel «Bedrijf voor de klas» uitgewerkt door het SBO in samenwerking met de convenantpartners. Het project loopt van 1 september 2001 tot 1 september 2003.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In het verslagjaar is vooral gewerkt aan de totstandkoming van de benodigde infrastructuur in de regio. Er is samenwerking en uitwisseling tot stand gekomen in de regio's Utrecht, Rotterdam, Eindhoven, Den Haag, Noord Nederland, Haarlemmermeer en Limburg. De regio's Noordwest Nederland, Amsterdam en Midden Nederland zitten in de fase van opbouw.

De belangstelling bij bedrijven en scholen neemt langzaam toe. Scholen herkennen in de mogelijkheden die het project biedt nog niet altijd een instrument dat zij kunnen inzetten in het kader van het eigen personeelsbeleid. Detacheringen komen daardoor langzaam op gang. Aan het eind van het verslagjaar waren circa 60 detacheringen gerealiseerd. De website van het project heeft per dag gemiddeld 45 bezoekers.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven (€ 0,2 miljoen) zijn gerealiseerd.

2.1.9 Vakmensen voor de klas

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is het bevorderen van de instroom van leraren. In 2000 is in de regio Rijnmond een opleiding gestart om vakmensen uit de metaalsector op te leiden tot deeltijdleraar in het vmbo. Vervolgens is een opleiding in de regio Twente/Overijssel van start gegaan, waaraan naast het opleidingsfonds van de sector metaal ook de sectoren bouw, horeca, bakkers en installatietechniek meedoen. De pilot in de regio Rijnmond is met succes afgerond. In maart 2002 hebben 14 nieuwe leraren hun getuigschrift ontvangen. In Twente/Overijssel zijn 21 vakmensen begonnen aan de laatste opleidingsfase. Er zijn twee regiogroepen samengesteld. Deze hebben de voorbereidingen getroffen voor een start van de opleiding in de regio Noord-Holland en Noord-Brabant in 2003.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Cinop is aangetrokken als projectcoördinator. Cinop heeft de opdracht gekregen om met de ervaringen van de projecten in de regio Rijnmond en Twente/Overijssel te komen tot een landelijk dekkend stelstel van het opleidingsaanbod. Tevens ontwikkelt Cinop een structuur, waarin de diverse betrokken partijen elkaar in de toekomst zelfstandig kunnen vinden. De evaluatie van de pilot in de regio Rijnmond is afgerond en gepubliceerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven in 2002 (€ 0,9 miljoen) zijn gerealiseerd.

2.1.10 SBO-convenant

Eind 2002 is een convenant gesloten tussen OCenW en het SBO met als doel de aanpak van het lerarentekort. In het convenant zijn afspraken gemaakt over landelijk te realiseren doelstellingen voor 2003 over onder meer zij-instromers, onderwijsassistenten, leraarondersteuners, allochtone leraren, de doorstroom van leraren naar managementfuncties en het realiseren van regionale netwerken.

2.1.11 Regionale convenanten

Het doel is dat scholen een sterkere positie innemen om een actief personeelsbeleid te kunnen voeren. Om dit te bereiken worden in 2003 tien regionale convenanten binnen het primair onderwijs afgesloten en tien regionale convenanten binnen het voortgezet onderwijs. Naast scholen en opleidingen kunnen hierbij ook gemeenten en het bedrijfsleven een rol spelen. In de regionale convenanten worden afspraken gemaakt over de behoefte aan personeel voor de korte en lange termijn, over het gezamenlijk organiseren van regionale campagnes voor werving van personeel, over het soepel laten verlopen van assessments en over het «inkopen» en organiseren van scholing. Het SBO gaat bij het tot stand komen een stimulerende en ondersteunende rol spelen. Voor meer informatie zie beleidsartikel 9, paragraaf 9.2.1 Sectorbestuur voor de Onderwijsarbeidsmarkt.

2.1.12 Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

• Rapport Zij-instroom in het beroep. Evaluatie van het eerste jaar: 2000–2001. Brief van 23 januari 2002.

• Voortgangsrapportage over de nota's Maatwerk en de Arbeidsmarktbarometer (april 2002). Brief van 18 april 2002.

• Rapport Wervings- en bindingspremies in Onderwijs, Zorg en Welzijn. Brief van 26 april 2002.

• Rapportage Vacaturecijfers van het 4e kwartaal 2001 in het po, vo en bve bij brief van 24 juni 2002.

• Rapport Arbeidsmarktbarometer Primair Onderwijs 2001–2002, Rapport Arbeidsmarktbarometer Voortgezet Onderwijs 2001–2002 en Rapport Arbeidsmarktbarometer bve-sector. Brief van 2 december 2002.

• Plan van aanpak Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid. Brief van 2 december 2002.

• Rapport Evaluatie van het zij-instroomtraject in het voortgezet onderwijs. Brief van 5 december 2002.

2.2 Arbeidsvoorwaarden

Het arbeidsvoorwaardenbeleid heeft tot doel de concurrentiepositie van de sector onderwijs te versterken en de arbeidsvoorwaarden te verbeteren.

2.2.1 Bevorderen marktconforme loonontwikkeling

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is een marktconforme loonontwikkeling in de onderwijssectoren, ook conform de afspraken in het najaarsakkoord 2002. De realisatie van de contractloonontwikkeling in 2002 in de verschillende onderwijssectoren varieert van 3,8 tot 6,7% (zie tabel 10). De realisatie van de contractloonontwikkeling in de marktsector komt voor 2002 volgens het CPB uit op 3,75%. Geconstateerd kan worden dat de contractloonontwikkeling in 2002 in de sector onderwijs als marktconform kan worden aangemerkt. Bij de decentrale onderwijssectoren is sprake van een bovengemiddelde contractloonontwikkeling, met een uitschieter voor de sector Onderzoeksinstellingen.

Tabel 9: Contractloonstijging in de onderwijssectoren in 2002.
SectorStijgingspercentage
Onderwijs (po, vo en bve)3,82%
Hogescholen4,21%
Universiteiten4,86%
Onderzoeksinstellingen6,72%

Bron: Cao's van de betreffende sectoren.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Medio 2001 is met de Centrales van overheids- en onderwijspersoneel een akkoord gesloten over een maatregelenpakket naar aanleiding van de het rapport van de commissie van Rijn over de arbeidsmarktknelpunten in de collectieve sector. Bij die gelegenheid is tevens de centrale cao voor de sector onderwijs (po, vo, bve) verlengd tot 1 februari 2003. Voor de sectoren Hogescholen, Universiteiten en Onderzoeksinstellingen zijn in het jaar 2002 nieuwe cao's gesloten.

Onderdeel van de verlenging van de cao voor de sector onderwijs is een afspraak over opbouw van een 13e maand (eindejaarsuitkering), binnen een marktconforme loonontwikkeling. Voor het jaar 2002 is een generieke salarisverhoging van 2%, per 1 juni overeengekomen. De opbouw van de 13e maand bedraagt ultimo 2002 4,05% (2,75% structureel en 1,3% incidenteel). Een deel van deze opbouw is gefinancierd uit de opbrengst van de bevriezing van de ziektekostenvergoeding (zkoo).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De generieke salarismaatregelen zijn gefinancierd uit de reguliere bijdrage van het kabinet aan de arbeidskostenontwikkeling.

2.2.2 Inkorting carrièrepatronen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Carrièrelijnen in het onderwijs zijn langer dan in andere sectoren. Als (in po, vo en bve) de carrièrepatronen meer in de pas lopen met andere sectoren dan wordt de mobiliteit tussen onderwijs en andere sectoren vergroot, het aantrekken van zij-instromers gemakkelijker en het onderwijs aantrekkelijker. In 2002 is een flinke stap in de goede richting gezet.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Van de maatregelen naar aanleiding van het rapport van de commissie van Rijn is per 1 augustus 2002 de tweede tranche van de inkorting van de carrièrepatronen geëffectueerd. Dit betekent dat de carrièrepatronen van leraren per die datum zijn teruggebracht tot 18 jaar. Inkorting van de carrièrepatronen draagt, naast functiedifferentiatie, bij aan een verbetering van het loopbaanperspectief.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De beschikbare middelen zijn volledig gerealiseerd.

2.2.3 Decentralisatie arbeidsvoorwaarden po, vo en bve

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling van de decentralisatie is bevoegdheden en taken neer te leggen op dat niveau waarop de arbeidsvoorwaarden zo goed mogelijk kunnen worden afgestemd op de arbeidsmarktsituatie van de instellingen. In de reeds (volledig) gedecentraliseerde hoger-onderwijssectoren worden afspraken gemaakt op sectorniveau – tussen werkgeversorganisaties en centrales – over de zogenaamde protocol-onderwerpen. De secundaire arbeidsvoorwaarden kunnen op instellingsniveau onderwerp van overleg zijn.

Per 1 februari 2003 is de arbeidsvoorwaardenvorming in de sector bve gedecentraliseerd. Voor het primair en voortgezet onderwijs wordt met de decentralisatie een soortgelijke verantwoordelijkheidsverdeling nagestreefd. In deze sectoren kan volledige decentralisatie alleen dan plaatsvinden indien aan een aantal randvoorwaarden is voldaan.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Najaar 2002 is het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) «Decentralisatie arbeidsvoorwaarden: marktwerking en resultaatgerichte bekostigingsstructuur» gestart. Het IBO heeft als probleemstelling: Onder welke randvoorwaarden kunnen publieke organisaties geprikkeld worden om resultaatgericht en efficiënt om te gaan met een gedecentraliseerd arbeidsvoorwaardenoverleg en de daarbij passende budgettaire verantwoordelijkheid zonder dat de arbeidsvoorwaarden ten koste gaan van volume of kwaliteit van de dienstverlening? Het IBO resulteert in het formuleren van een aantal randvoorwaarden bij decentralisatie van het arbeidsvoorwaardenoverleg. De uitkomsten van dit IBO zijn naar verwachting voorjaar 2003 gereed en worden betrokken bij de besluitvorming over decentralisatie in het primair en voortgezet onderwijs.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Geen middelen begroot. Decentralisatie als zodanig verloopt budgettair neutraal.

2.2.4 Evaluatie decentralisatie hoger onderwijs

Conform de afspraak in de decentralisatieconvenants voor hbo, wo en de onderzoekinstellingen is in 2002 gestart met de evaluatie van de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming in het hoger onderwijs. Er vindt zowel een inhoudelijke als een financiële evaluatie plaats. De uitkomsten van de evaluatie worden in het voorjaar van 2003 verwacht.

2.2.5 Kinderopvang

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van de regeling kinderopvang onderwijspersoneel is te voorkomen dat personeel in de sectoren po, vo en bve uitstroomt in verband met zorgtaken en te bevorderen dat nieuwe werknemers worden aangetrokken die arbeid willen combineren met de zorg voor kinderen. Deze regeling heeft in 2002 aan zijn doelstelling voldaan. Iedere werknemer in de sectoren po, vo en bve die behoefte had aan kinderopvang kon direct een beroep doen op een bijdrage van de werkgever.

Tabel 10: Aantal voltijdse opvangplaatsen
 1996199719981999200020012002
0–4 jarigen1 7371 8911 9092 0152 8163 6774 308
4–13 jarigen    2639481 592
Totaal1 7371 8911 9092 0153 0794 6255 890

Bron: Kintent, peilmoment ultimo het jaar.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

OCenW heeft aangegeven te willen voorkomen dat in 2002 wachtlijsten voor kinderopvang moesten worden ingesteld, gegeven de arbeidsproblematiek. Door inzet van extra begrotingsmiddelen is het niet nodig gebleken wachtlijsten in te stellen. Daarmee is voorkomen dat de kinderopvang een belemmerende factor was in het aantrekken of behouden van personeel.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Aan het begin van 2002 was al duidelijk dat het structurele budget kinderopvang onvoldoende zou zijn om tegemoet te komen aan de stijgende vraag. Op basis van prognoses van Kintent, de organisatie die de kinderopvangregeling voor ons uitvoert, is geraamd hoeveel extra middelen nodig zouden zijn in 2002. Deze ramingen zijn uitgekomen. Het structurele budget (€ 17,7 miljoen) is in 2002 eenmalig opgehoogd met € 8,4 miljoen. Het totale budget van € 26,1 miljoen is volledig gerealiseerd.

2.2.6 Betaald ouderschapsverlof

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is de aantrekkelijkheid van het beroep te vergroten door de introductie van de mogelijkheid voor betaald ouderschapsverlof in de sectoren po, vo en bve. De maatregel is met ingang van het schooljaar 2001/2002 in deze sectoren ingevoerd.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De regeling wordt gefaseerd ingevoerd en wordt gefinancierd vanuit de schoolbudgetten. Uiteindelijk moet het schoolbudget ruimte bieden voor betaald ouderschapsverlof voor kinderen tot acht jaar. Op 1 januari 2002 besteedde al meer dan de helft van de scholen een deel van het schoolbudget aan betaald ouderschapsverlof. Voor de sectoren vo en bve is betaald ouderschapsverlof een onderwerp van decentraal overleg. Met ingang van 1 augustus 2002 is ook voor de sector po de regeling betaald ouderschapsverlof gedecentraliseerd. Met sociale partners is in april 2002 een convenant gesloten over decentralisatie van de overige verlofregelingen in het po. Deze decentralisatie zal per 1 augustus 2004 worden geëffectueerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De middelen maken deel uit van het schoolbudget.

2.2.7 Spaarverlof

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van het spaarverlof is uitstroom van personeel te verminderen. De veronderstelling is dat het bieden van de mogelijkheid de arbeidslevensloop meer naar eigen inzicht te kunnen inrichten een positief effect heeft op het langer doorwerken van personeel. Het spaarverlof wordt opgebouwd door het werken gedurende adv-uren. In 2002 is in het primair onderwijs voor 232 fte gespaard (Stichting Spaarfonds).

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Uit gegevens van de Stichting Spaarfonds, waar circa 80% van het verloftegoed is ondergebracht, blijkt dat er een piek wordt verwacht in de vrijval van het spaarverlof in 2003, en in mindere mate in 2004 en 2005. De regeling spaarverlof primair onderwijs biedt de mogelijkheid de opname van het verlof uit te stellen tot uiterlijk het derde schooljaar na het aflopen van de spaarperiode. De piek in de vrijval van het spaarverlof leidt als gevolg hiervan niet automatisch tot een zelfde piek in de vervangingsvraag.

Gezien de bestaande tekorten in het onderwijs is het relevant te weten hoe groot de vervangingsvraag daadwerkelijk zal zijn. Om deze reden is eind 2002 een onderzoek van start gegaan naar spaarverlof in het primair onderwijs. De resultaten van dit onderzoek komen in februari 2003 beschikbaar. Met dit onderzoek wordt in kaart gebracht hoe groot de vervangingsvraag als gevolg van de opname van spaarverlof in het primair onderwijs in 2003, 2004 en 2005 zal zijn en er wordt inzicht verkregen in de voorwaarden waaronder spaarders bereid zijn het verlof uit te stellen of de spaarperiode te verlengen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De geraamde uitgaven zijn gerealiseerd.

2.2.8 Adv-verzilvering

Doel is het vergroten van de betrekkingsomvang zodat een bijdrage geleverd wordt aan het terugdringen van het lerarentekort. In het onderwijs bestaat de mogelijkheid de betrekkingsomvang uit te breiden door onder andere verzilvering en het sparen van adv-uren. In 2000 is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van adv-verzilvering in het schooljaar 2000/2001. Hierover is in het jaarverslag over 2001 gerapporteerd.

Over de periode van 1997 tot 2001 valt een stijging van de betrekkingsomvang van het personeel dat in deeltijd werkt, waar te nemen. Zie figuur 4 hieronder. De toename van de gemiddelde betrekkingsomvang is ruim 13% voor het docerend en onderzoekspersoneel. Voor het ondersteunend en beheerpersoneel is die toename 8,5%. Deze cijfers hebben betrekking op de gemiddelde ontwikkeling in alle onderwijssectoren. De stijging van 1998 bij het docerend en onderzoekspersoneel is grotendeels het gevolg van het vergroten van de betrekkingsomvang bij het invoeren van de adv in dat jaar.

Figuur 4: Ontwikkeling gemiddelde betrekkingsomvang deeltijdpersoneel in het onderwijs, 1997–2001.

kst-28880-16-20.gif

Bron: Ministerie van BZK, Kerngegevens Overheidspersoneel.

2.3 Schoolorganisatie en beroepskwaliteit

Het beleid heeft tot doel de kwaliteit van het zittend personeel te bevorderen en het personeelsbeleid en de organisatie binnen de instelling te versterken.

2.3.1 Opleiden in de school

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In Maatwerk 2 en Maatwerk 3 is aangekondigd scholen toe te rusten om medeverantwoordelijk te zijn voor het opleiden van (nieuw) onderwijspersoneel. Voor scholen in het primair onderwijs geldt dat op steeds meer scholen gewerkt wordt met een divers samengesteld team. Ook in het voortgezet onderwijs en in de bve-sector zijn steeds meer mensen werkzaam met gevarieerde achtergrond in verschillende functies. Dat vraagt om goed opleidingsbeleid, bijvoorbeeld om het personeel binnen de school op te scholen. Daarnaast komt lang niet al het personeel volledig gekwalificeerd de school binnen. Voor een groot deel worden die mensen al werkend in de school opgeleid.

Genoemde redenen zijn voor veel scholen en roc's een stimulans om aan de slag te gaan met opleiden in de school, dan wel deze activiteiten te intensiveren. Essentie van de ontwikkeling van het opleiden in de school is dat scholen een visie op het opleiden in de school ontwikkelen als onderdeel van integraal personeelsbeleid. Ook de vormgeving van de opleidingsfunctie binnen de school en het zicht krijgen op verschillende varianten van werkplekleren – waarbij duidelijk wordt wat men het beste op school kan leren en wat in de opleiding – zijn essentieel. Een ander aspect van de ontwikkeling van het opleiden in de school is (de versterking van) de samenwerking tussen scholen en (leraren)opleidingen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In het primair onderwijs is in juni 2002 de regeling «Ontwikkelprojecten opleiden in de school 2002–2004» gestart. Er zijn 163 projectaanvragen ingediend, waarvan er 111 zijn gehonoreerd (ruim 350 scholen). De schoolbesturen/scholen zullen in (5) regionale netwerken ervaringen uitwisselen en samenwerken. Ook zullen de resultaten van het project (zoals vormgeving van de opleidingsfunctie) via deze netwerken worden overgedragen naar andere scholen. Het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC) organiseert dit communicatie- en overdrachtstraject.

Al in 2001 zijn in het voortgezet onderwijs diverse projecten opleiden in de school gestart waarin scholen werken aan de ontwikkeling van de opleidingsfunctie. Er zijn 11 projecten ondersteund waarin scholen (variërend van 5 tot 15 per project) en één of meer lerarenopleidingen samenwerken. Ook is een netwerk van scholen voor voortgezet onderwijs van start gegaan dat als doel heeft de verschillende projecten met elkaar in contact te brengen en spin-off van de gezamenlijke projecten te optimaliseren. Ook wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een opleidingsdidactiek voor het werkplekleren.

Vanaf augustus 2002 is aan het instellingsbudget van de bve-instellingen een budget toegevoegd voor opleidingsmanagement. Dat is bedoeld om instellingen in staat te stellen om personeel dat zich via een (duaal) opleidingstraject verder kwalificeert en/of nieuw benoemd personeel op te leiden en te begeleiden in hun pas verworven functie. Voorts is in het najaar een pilot «Opleiden in de school» gestart voor onderwijsfuncties in de bve-sector. 7 deelnemende bve-instellingen werken samen met de lerarenopleidingen aan de ontwikkeling van de opleidingsfunctie, passend bij de desbetreffende instelling, alsmede aan het werkplekleren.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het beschikbare budget in het primair onderwijs voor 2002 bedroeg € 3,3 miljoen. Aan de scholen is in 2002 circa € 3,0 miljoen toegekend. De KPC-groep heeft voor de selectiewerkzaamheden en voor een deel van de communicatie/overdracht werkzaamheden circa € 0,3 miljoen ontvangen. Het beschikbare budget bedroeg in het voorgezet onderwijs voor 2002 circa € 1,3 miljoen. Dit bedrag is toegekend aan scholen binnen de 11 projecten. Per 1 augustus is het beschikbare bedrag in de bve-sector van € 0,7 miljoen toegevoegd aan het instellingsbudget. Aan de zeven pilots «Opleiden in de school» is in totaal een budget van € 0,7 miljoen toegekend.

2.3.2 Opvangpools

Hebben we bereikt wat we willen bereiken?

In Maatwerk 2 werd voor de vervangingsproblematiek onder andere het project opvangpool Amsterdam Zuidoost aangekondigd. Deze opvangpool is een noodmaatregel die de continuïteit van het onderwijs waarborgt om te voorkomen dat groepen van leerlingen naar huis worden gestuurd. De doelstelling is bereikt.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Het project opvangpool Amsterdam Zuid-Oost beslaat de schooljaren 2001/2002 en 2002/2003. In 2002 zijn 50 onderwijsassistenten ingezet op 26 scholen voor primair onderwijs in Amsterdam Zuidoost. Op verschillende scholen heeft de inzet van de onderwijsassistent geleid tot een andere organisatie van het onderwijs: meer handen in de klas.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Aan dit project is in 2002 € 1,8 miljoen besteed.

2.3.3 Duobanen

Hebben we bereikt wat we willen bereiken?

In Maatwerk 3 is in september 2001 aangekondigd dat experimenten met duobanen in het primair onderwijs gestart zullen worden. Uit onderzoek is gebleken dat het in voltijd moeten vervullen van een directeursfunctie voor veel vrouwen een belemmering vormt. In dit project wordt nagegaan of het samen vervullen van een directeursfunctie in een duobaan hiervoor een werkbaar en aantrekkelijk alternatief is.

In december 2001 is het project gegund aan DUOJOB en Interstudie. Uit het project moest het volgende worden afgeleid:

• Technische analyse van de mogelijkheden tot splitsing van de taken van de schoolleider;

• Randvoorwaarden waaraan een school moet voldoen om een geslaagd duaal leiderschap mogelijk te maken;

• Criteria voor matching en selectie van kandidaten;

• Welke (extra) voorzieningen nodig zijn voor scholen en kandidaten om duaal leiderschap mogelijk te maken.

De informatievoorziening rond het fenomeen duobanen, en de randvoorwaarden in de school daarbij, heeft plaatsgevonden. Zo is de website ter ondersteuning van het project gereed en zijn alle informatiebijeenkomsten gehouden.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Doelstellingen van het project waren:

• Het realiseren van minimaal 25 en maximaal 75 duobanen in managementfuncties in primair onderwijs in 2002;

• Deelnemende scholen worden ondersteund bij de werving en selectie van de kandidaten;

• Duobaners ontvangen gedurende een jaar coaching en intervisie.

Het eerste gedeelte van het project is inmiddels voltooid. Dit heeft geresulteerd in 48 aanmeldingen van geïnteresseerde besturen. Op dit moment worden 38 scholen ondersteund bij het zoeken naar geschikte kandidaten voor de duobaan. Inmiddels zijn de eerste drie duo's aangesteld als directeur. Zij zijn inmiddels gestart met het traject van coaching en intervisie.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 was voor het primair onderwijs € 0,4 miljoen uitgetrokken. Dit bedrag is geheel uitgeput. Verder is er voor 2003 nog € 0,5 miljoen beschikbaar om uit te keren als stimuleringsbijdrage in het kader van de regeling duobanen in het primair onderwijs.

2.3.4 Functiedifferentiatie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Functiedifferentiatie kan een oplossing bieden ten aanzien van veranderingen binnen het onderwijs, de onderwijsorganisatie en de arbeidsmarkt. Scholen passen functiedifferentiatie op beperkte schaal toe als het gaat om een andere organisatie van hun onderwijs. Om deze vernieuwing te stimuleren is een aantal projecten gestart. Doel van deze projecten is de ervaring van de deelnemende scholen breed te verspreiden. In het primair onderwijs is hiervoor al geruime tijd een website geopend. De website voor het voortgezet onderwijs is sinds 15 januari 2003 operationeel. Daarnaast besteden ook allerlei bladen aandacht aan de projecten. Over de concrete resultaten zal vanaf 2003 worden gerapporteerd.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In het primair onderwijs zijn in november 2001 vijftien scholen van start gegaan met het project Teamonderwijs op maat (tom). In het voortgezet onderwijs zijn in het schooljaar 2002/2003 tien scholen gestart met het project «Lesgeven anders organiseren» (lao). In de bve-sector zijn vier instellingen in het schooljaar 2002/2003 gestart met het project functiedifferentiatie bve. De projecten hebben een looptijd van twee jaar. In het primair onderwijs zijn in het kader van het project al concrete stappen gezet in de richting van teamonderwijs op maat. In voorgezet onderwijs en de bve-sector zijn inmiddels voorbereidende activiteiten gestart.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De voor 2002 geraamde uitgaven (€ 5,2 miljoen) zijn gerealiseerd.

2.3.5 Wet op de beroepen in het onderwijs

Op 24 januari 2002 is door de Tweede Kamer het verslag vastgesteld naar aanleiding van het op 13 november 2001 ingediende voorstel van Wet op de beroepen in het onderwijs. Op 15 april 2002 is in reactie daarop door toenmalig minister Hermans een nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer gezonden alsmede een nota van wijziging mede naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer.

Bij het aantreden van het nieuwe Kabinet is, onder meer in de begroting 2003, aangekondigd dat een tweede nota van wijziging zou worden ingediend. De inhoud van die nota van wijziging is in grote lijnen opgenomen in het «Plan van aanpak arbeidsmarkt- en personeelsbeleid» dat op 2 december 2002 aan de Tweede Kamer is gezonden en op 12 december 2002 in een algemeen overleg aan de orde is geweest.

2.3.6 Netwerk arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In december 2001 is besloten tot de instelling van het Netwerk arbeidsmarkt en personeelsbeleid. Het doel van het netwerk is dat vragende en aanbiedende partijen op de onderwijsarbeidsmarkt – in samenspraak met elkaar – die vernieuwingen bespreken en begeleiden waardoor scholen gefaciliteerd en gestimuleerd worden om een zelfbewust en effectief personeelsbeleid te voeren.

Het netwerk heeft twee componenten: het Bestuurlijk netwerk arbeidsmarkt en personeelsbeleid en het Netwerk van sleutelfiguren.

Het doel van het bestuurlijk netwerk is om op meer strategisch niveau de ontwikkelingen en beleidslijnen te bespreken. Hieraan nemen tenminste vragers (VSWO, BVE raad, AVS, VVO) en aanbieders (BVE raad, HBO-Raad en VSNU) deel. Het netwerk van sleutelfiguren heeft tot doel op het niveau van ontwikkelprojecten en stimuleringsprogramma's vernieuwende initiatieven te bundelen, om samenhang te brengen in de verschillende projecten die lopen en om tot gezamenlijk gedragen innovaties vanuit de scholen te komen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Het bestuurlijk netwerk is in 2002 conform de raming vier maal bijeen geweest. Er is onder andere gesproken over de beleidsvoornemens die dit jaar zijn vastgelegd in de nota «De school centraal» (op 28 maart 2002 aan de Tweede Kamer gezonden) en het Plan van aanpak Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid (op 2 december aan de Tweede Kamer aangeboden). Ook zijn de arbeidsmarktrealisaties en -prognoses besproken die zijn opgenomen in de nota «Werken in het onderwijs» (op 28 oktober 2002 aan de Tweede Kamer gezonden).

Het netwerk van sleutelfiguren is eenmaal bijeen geweest. In deze bijeenkomst is onder andere gebrainstormd over de mogelijkheden tot uitwerking van de voornemens om tot een samenhangende en transparante educatieve infrastructuur te komen, waarin de school als vrager van personeel en educatieve diensten centraal staat.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Er zijn geen extra uitgaven gedaan.

2.3.7 Schoolbudgetten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het schoolbudget is in 2001 ingevoerd met als doel een kwaliteitsimpuls te geven aan de professionalisering van de onderwijsinstelling als arbeidsorganisatie. Door geen bestedingverplichtingen aan het schoolbudget te koppelen, worden de instellingen in staat gesteld de besteding af te stemmen op de instellingsspecifieke omstandigheden en problemen. Hiermee wordt tevens beoogd een bijdrage te leveren aan een verdere vergroting van de autonomie van instellingen. In dat kader zijn in het primair onderwijs per 1 augustus 2001 het nascholingsbudget, het arbeidsmarktknelpuntenbudget, de vergoeding voor (invoering van) integraal personeelsbeleid en de middelen die in het regeerakkoord 1998 beschikbaar zijn gesteld voor bestuur en management toegevoegd aan het schoolbudget. Per 1 augustus 2002 is in het primair onderwijs ook het schoolprofielbudget aan het schoolbudget toegevoegd.

In het kader van de uitwerking van de maatregelen naar aanleiding van het rapport van de werkgroep Van Rijn zijn de schoolbudgetten per 1 augustus 2001 substantieel verhoogd. Daarbij zijn onder meer de volgende doelen worden nagestreefd:

• verbeteren van het loopbaanperspectief via functiedifferentiatie binnen de leraarsfuncties, functiedifferentiatie binnen de onderwijsondersteunende functies, extra inzet van onderwijsondersteunend personeel en beloningsdifferentiatie;

• versterken van de schoolontwikkeling in het voortgezet onderwijs;

• scholen en begeleiden van zij-instromers en uitbreiden van betaald lio-schap;

• introduceren van een vorm van betaald ouderschapsverlof.

In januari 2002 is een onderzoek uitgevoerd om al snel inzicht te krijgen in de wijze waarop de (verhoogde) schoolbudgetten in het schooljaar 2001/2002 worden besteed (Monitor decentrale budgetten 2001/2002). Daarbij is specifiek aandacht geschonken aan de doelen die met de verhoging van het schoolbudget per 1 augustus 2001 zijn beoogd.

Tabel 11: De meest genoemde doelen bij de besteding van het schoolbudget, schooljaar 2001/2002.
Primair onderwijsVoortgezet onderwijsBeroepsonderwijs en volwassenen-educatie
Professionalisering management en schoolorganisatieVerlichting werkdrukVerlichting werkdruk
Invoering integraal personeelsbeleidProfessionalisering schoolorganisatieProfessionalisering schoolorganisatie
Verlichting werkdrukOnderwijsvernieuwing/schoolontwik-kelingCreëren ondersteunende functies
 Functiedifferentiatie 
 Verbetering arbeidsvoorwaarden 
Tabel 12: De meest genoemde concrete bestedingen van het schoolbudget, schooljaar 2001/2002.
Primair onderwijsVoortgezet onderwijsBeroepsonderwijs en volwassenen-educatie
Betaald ouderschapsverlofBetaald ouderschapsverlofBetaald ouderschapsverlof
Scholing lerarenExtra onderwijsondersteunend personeel voor het primaire procesExtra onderwijsondersteunend personeel voor het primaire proces
Scholing managementWerkdrukverlagende maatregelen in het taakbeleidProfessionalisering van de schoolorganisatie
Afsluiten arbo-contractenVormgeven van onderwijsvernieuwingScholing management en docenten

De genoemde doelen en concrete bestemmingen zijn divers. Het schoolbudget voorziet dus in de behoefte van instellingen om maatwerk te kunnen leveren. In alle sectoren is het betaald ouderschapverlof een belangrijke bestemming. Met de verhoging van het schoolbudget wordt ook duidelijk voorzien in een behoefte.

Begin 2003 wordt opnieuw onderzoek naar de besteding van de schoolbudgetten uitgevoerd. Dit onderzoek betreft de besteding in het schooljaar 2002/2003. Naar verwachting komen de onderzoeksresultaten in juni 2003 beschikbaar.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De verhoging van de schoolbudgetten per 1 augustus 2001 en de samenvoeging van de verschillende budgetten in het primair onderwijs zijn via algemeen verbindende voorschriften, bekostigingsbrieven en voorlichtingspublicaties aan de instellingen bekend gemaakt. Om scholen in het primair en voortgezet onderwijs te helpen bij de keuzen die zij moeten maken voor de besteding van het schoolbudget hebben de Vereniging van Samenwerkende Werkgeversorganisaties in het Onderwijs (VSWO) en de Algemene Vereniging van Schoolleiders (AVS) een gezamenlijke voorlichtings- en ondersteuningscampagne opgezet. De regionale bijeenkomsten die in maart 2002 zijn gehouden, zijn goed bezocht. Sinds maart vinden er ook maatwerkbezoeken plaats en worden er via bestaande netwerken spreekuren georganiseerd in de diverse regio's.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De verhoging van de schoolbudgetten vanaf 1 augustus 2001 was voor 2002 geraamd op € 264,2 miljoen, waarvan € 119,9 miljoen voor het primair onderwijs, € 112,0 miljoen voor het voortgezet onderwijs en € 32,3 miljoen voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. De realisaties 2002 voor deze sectoren zijn respectievelijk € 286,0, € 292,0 en € 127,8 miljoen.

2.3.8 Project schoolbudgetten, personeelsbeleid en schoolontwikkeling

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het project «schoolbudgetten, personeelsbeleid en schoolontwikkeling» (sps) is gestart om scholen in primair en voortgezet onderwijs te informeren over en te ondersteunen bij de besteding van hun schoolbudget. De uitvoering van het sps-project is belegd bij de VSWO en de organisaties voor school leiders (AVS en VVO).

In het primair onderwijs zijn de regionale bijeenkomsten goed bezocht en het informatiemateriaal (de brochure «budgetten voor personeelsbeleid») is goed ontvangen. Dit bleek voor scholen een stimulans te zijn een consult aan te vragen. In 2002 zijn 1 100 scholen bezocht.

In het voorgezet onderwijs is de startconferentie eveneens zeer goed bezocht. Het vervolg bleek echter teleurstellend. Er werden 10 bijeenkomsten in het land georganiseerd, waarvan 7 niet zijn doorgegaan vanwege te weinig belangstelling. De collegiale consultaties bleken evenmin een succes: uiteindelijk zijn 70 scholen bezocht.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

VSWO en AVS/VVO hebben gezamenlijk het sps-project ter hand genomen. Het departement werd geïnformeerd via begeleidingsgroep en tussenrapportages. Indien nodig (zoals bij het voorgezet onderwijs) werd bijgestuurd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het beschikbare budget van circa € 2,7 miljoen is volgens de tussenrapportage van oktober 2002 bijna uitgeput (op dat moment resteerde nog circa € 0,8 miljoen).

2.3.9 Lectoren en kenniskringen in het hbo

Om in het hoger beroepsonderwijs de kennisinnovatie te vergroten, de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en de arbeidsmarktpositie van de hogescholen te versterken is in 2001 tussen de HBO-raad en de minister een convenant gesloten over het introduceren van lectoren en kenniskringen. In het vervolg hiervan heeft de HBO-raad de stichting Kennisontwikkeling hbo (SKOHBO) opgericht. Zie voor meer informatie beleidsartikel 6 Hoger Beroepsonderwijs, paragraaf 6.3.2.

2.3.10 Carrièreperspectieven jonge wetenschappers

Doel is het bevorderen van de instroom van jong wetenschappelijk personeel aan de universiteiten. Om dit doel te bereiken zijn binnen de universiteiten maatregelen ontwikkeld die gericht zijn op het aantrekkelijk maken van wetenschappelijke functies voor jonge onderzoekers en docenten, en op het bieden van een loopbaanperspectief in de wetenschap. Er zijn specifieke middelen beschikbaar gesteld om dit beleid van de instellingen te ondersteunen. Zie voor meer informatie beleidsartikel 7 Wetenschappelijk Onderwijs, paragraaf 7.3.6.

2.3.11 Stimuleringsprogramma's wetenschappelijk onderzoek

Doel is creatieve en kwalitatief goede jonge onderzoekers (met name ook vrouwelijke) voor de wetenschap te winnen en te behouden, en het aandeel vrouwelijke universitaire hoofddocenten te verhogen. Om het doel te bereiken zijn twee projecten gestart: «Vernieuwingsimpuls» en het «Aspasia-programma». De Vernieuwingsimpuls wordt in 2003 geëvalueerd. Het «Aspasia-programma» loopt door tot 2004, waarna een evaluatie plaatsvindt. Zie voor meer informatie beleidsartikel 16 Onderzoek en Wetenschappen, paragraaf 16.3.5.

2.3.12 Bevorderen integraal personeelsbeleid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is de systematische afstemming van kennis en vaardigheden van het personeel op de doelstellingen van de onderwijsinstelling. De scholen slagen ten opzichte van 2001 beter in hun integraal personeelsbeleid te laten aansluiten op de doelen van de school. In het primair onderwijs waren scholen actiever in het opstellen van competentieprofielen en persoonlijke ontwikkelingsplannen. In het voortgezet onderwijs was meer sprake van een goede aansluiting tussen doelen en personeelsbeleid.

Tabel 13: Kengetallen invoering integraal personeelsbeleid in 2002.
SectorStreefwaardeRealisatie
Primair onderwijs0,500,49
Voorgezet onderwijs0,500,45
Bve-sector0,800,80

Bron: Onderwijsverslag 2002. De realisatie is berekend aan de hand van de gemiddelde vooruitgang van de invoering van het integraal personeelsbeleid in 2002 in de sectoren po, vo en bve. De vooruitgang ten opzichte van 2001 is 32%.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Uitvoering van de overeenkomst met het VSWO en het IPB-bureau is volgens plan verlopen. Eind 2002 zijn voorbereidingen getroffen voor een nieuwe IPB-organisatie en activiteiten.

Daarnaast heeft de tweede meting van IPB door de Inspectie plaatsgevonden. Eveneens zijn een aantal schoolportretten afgerond.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het voor de sectoren po, vo en bve geraamde bedrag van € 22,7 miljoen is gerealiseerd. De middelen maken deel uit van de schoolbudgetten in de sectoren. Voor het procesmanagement is in 2002 € 1,4 miljoen uitgegeven.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen:

• Rapport Monitor Integraal Personeelsbeleid, bij brief van 28 januari 2002.

Monitor Schoolbudgetten (april 2002), bij brief van 18 april 2002.

• Rapport Duobanen voor schoolleiders in het primair onderwijs, bij brief van 2 december 2002.

2.4 Sociale zekerheid en ouderen

Het beleid op het terrein van de sociale zekerheid en ouderen heeft tot doel de inactiviteit ten gevolge van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid te verminderen en de arbeidsparticipatie van ouderen te vergroten.

2.4.1 Terugdringen ziekteverzuim

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het beleid is gericht op daling van het ziekteverzuim. Het ziekteverzuim in zowel het basisonderwijs als in het speciaal en voortgezet onderwijs daalt. Deze daling is het grootst in het basisonderwijs, waar het ziekteverzuim in 2001 met een half procentpunt is afgenomen ten opzichte van 2000. Het ziekteverzuim in het voortgezet onderwijs is ook afgenomen. De meest recente trendcijfers ziekteverzuim over het derde kwartaal van 2002 bevestigen dit beeld. Medio 2003 zal duidelijk worden of de afspraak in het deelconvenant «Verzuimbegeleiding en reïntegratie po en vo» om het ziekteverzuim in drie jaar tijd terug te brengen met één procentpunt ten opzichte van het niveau in 1999, is gehaald.

Tabel 14: Ontwikkeling ziekteverzuimpercentage in het po, vo, hbo en wo, 1997–2001
 19971998199920002001
Basisonderwijs6,97,88,78,98,4
(Voortgezet) speciaal onderwijs8,38,49,49,69,7
Voortgezet onderwijs6,77,07,47,97,8
Hoger beroepsonderwijs 4,85,44,94,5
Wetenschappelijk onderwijs3,84,04,34,54,1

Bron: B&A, Regioplan, HBO-raad en VSNU. Met uitzondering van het wetenschappelijk onderwijs zijn de percentages exclusief het langdurig ziekteverzuim (langer dan 1 jaar). In 1999 is in het wetenschappelijk onderwijs het ziekteverzuim exclusief het langdurig verzuim 3,5%. Voor de overige jaren zijn deze percentages niet bekend.

Het ziekteverzuim aan de universiteiten lijkt geleidelijk te dalen. In 2001 was dat ruim 4%.

Ruim zestig procent van het personeel aan de universiteiten meldde zich in 2001 geen enkele maal ziek.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In het deelconvenant «Verzuimbegeleiding en Reïntegratie» is afgesproken dat scholen met een structureel hoog verzuim zullen worden begeleid door een regioadviseur van het Vf. Deze begeleiding richt zich op de verzuimproblematiek en tevens op het opzetten en implementeren van een adequaat arbo- en verzuimbeleid.

Inmiddels heeft het bureau Research voor Beleid het rapport «Eerste evaluatie regioadviseurs» afgerond. Hieruit blijkt dat 90% van het schoolmanagement van de convenantscholen de begeleiding van de regioadviseurs positief heeft ervaren. Uit cijfers van het Vf blijkt bovendien dat bij 70% van deze scholen het ziekteverzuim is gedaald. Bij circa 200 convenantscholen, waarbij in 2001 het begeleidingstraject afgesloten is, daalde het ziekteverzuim met gemiddeld 3,5 procentpunt.

Twee andere maatregelen uit het bovengenoemde deelconvenant zijn de «Subsidie Individuele Reïntegratie (SIR)» en «de Subsidie Voorkoming Uitval Onderwijspersoneel (SVUO)». Beide subsidies worden in grote mate aangevraagd. Er zijn sinds medio 2000 reeds 5 250 SIR-aanvragen toegekend, waarmee een bedrag van € 6,4 miljoen is gemoeid. Het succes van de regeling is groot. Uit retour ontvangen evaluatieformulieren blijkt dat 72% van de uitvallers na het begeleidingstraject het werk geheel of gedeeltelijk heeft hervat. Met de SVUO, een subsidie die zowel door de werknemer als werkgever kan worden aangevraagd, wordt beoogd door tijdige interventie te voorkomen dat onderwijspersoneel om psychische redenen uitvalt. Inmiddels zijn er 646 aanvragen toegekend en is€ 756 411 uitgekeerd.

Het arbeidszorgsysteem is eind 2001 van start gegaan. Sinds september 2002 is op alle 10 pilot-scholen het arbeidszorgsysteem ingevoerd. Na enige opstart- en communicatieproblemen zijn de eerste resultaten positief. Op de scholen waar in begin 2002 het systeem is ingevoerd begint het ziekteverzuimpercentage omlaag te gaan. Het opzetten van het resultaat verantwoordelijk verzuimmanagement heeft meer tijd gekost dan geraamd was en het is gebleken dat de invoering hiervan ook erg afhankelijk is van de houding en inzet van de individuele directies. De pilot loopt tot juli 2003 door; in het jaar 2002 is de opstart- en initiëringfase succesvol afgerond.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Kosten zijn binnen het budget gebleven. Vanwege de grote aantallen aanvragen voor de SIR heeft een incidentele extra investering plaatsgevonden van € 1,95 miljoen om de SIR vanaf oktober 2002 tot voorjaar 2003 te laten continueren.

2.4.2 Arbeidsongeschiktheid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is de instroom in de WAO te doen afnemen door een intensief beleid op het terrein van preventie, begeleiding en reïntegratie in het eerste ziektejaar (afspraken «Arboconvenant O en W», diensten van het VF). Dit beleid is gericht op reductie van het (langdurig) ziekteverzuim en daarmee op een afname van de instroom in de WAO. Hierboven is aangegeven dat er in het primair en voortgezet onderwijs sprake is van een afnemend ziekteverzuim. Dit zal naar verwachting op termijn een positief effect hebben op de WAO-instroom.

Figuur 5: Ontwikkeling aantal personen in de WAO en in- en uitstroom 1997–2001 (personen)

kst-28880-16-21.gif

Bron: UWV, Statistiek Arbeidsongeschiktheid 2001. Peildatum ultimo het jaar.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) ingevoerd: een geheel nieuwe structuur in de sociale zekerheid rond uitkeringen en reïntegreren op het gebied van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. In de nieuwe structuur krijgen werkgevers een steeds grotere verantwoordelijkheid bij de reïntegratie van werklozen en arbeidsgehandicapten. Door het opdrachtgeverschap bij de werkgevers te leggen, wordt ingezet op een betere en snellere reïntegratie. Met de sociale partners in de sectoren po, vo en bve is een convenant gesloten om dit opdrachtgeverschap reeds in 2002 vrijwillig ter hand te nemen. In de wet verbetering Poortwachter, die op 1 april 2002 van kracht is geworden, wordt bij (dreigende) langdurige ziekte nog nadrukkelijker aangegeven dat zowel de werkgever, de zieke werknemer als de arbodienst verantwoordelijk zijn voor reïntegratie, zowel binnen als buiten de onderwijssector.

Het kabinet wil de regelingen op het gebied van arbeidsongeschiktheid ingrijpend wijzigen. Door onder andere alleen nog duurzaam, volledig arbeidsongeschikten tot de WAO toe te laten, wil men de groei van de WAO tegengaan. Als deze plannen doorgang vinden, betekent dit voor de onderwijssector dat een grote groep gedeeltelijk arbeidsongeschikt onderwijspersoneel niet in de WAO terecht komt en moet reïntegreren naar werk. De herplaatsingsmogelijkheden op een andere functie binnen het onderwijs zijn echter beperkt (met name in primair en voortgezet onderwijs). Daarmee komt reïntegratie buiten de sector in beeld en als dat niet lukt zelfs werkloosheid. Tegen deze achtergrond is in opdracht van OCenW onderzoek gedaan naar reïntegratiemogelijkheden van gedeeltelijk arbeidsongeschikt onderwijspersoneel. De conclusies zijn hieronder schematisch weergegeven.

Tabel 15: Mogelijkheden en knelpunten voor reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikt personeel uit het onderwijs naar type reïntegratie.
 Oude werkgever Nieuwe werkgever
     
 MogelijkhedenKnelpuntenMogelijkhedenKnelpunten
Oude functieZeer goed: circa 40% lijkt in oude functie aan het werk te zijnGrote kans op hernieuwde uitvalGoed, werknemers kunnen hun vak blijven uitoefenenKans op hernieuwde uitval
  Werkgever moet zelf reïntegratietraject bekostigenUWV subsidieert reïntegratietrajectWerknemers blijven het liefst op de oude school
Nieuwe functieRedelijkWerkgever moet zelf reïntegratietraject bekostigenGoed, competenties van onderwijsgevend personeel veelWerknemers blijven het liefst in het vak op de eigen school
 Minder kans op hernieuwde uitvalFunctiedifferentiatie en taakbeleid is beperkt UWV subsidieert reïntegratietraject  

Bron: TNO, Reële integratie mogelijkheden voor gedeeltelijk arbeidsongeschikt onderwijspersoneel (juni 2002).

De reïntegratiemogelijkheden voor onderwijspersoneel zijn op dit moment goed, maar dat is met behoud van de WAO-uitkering. Om de reïntegratiemogelijkheden optimaal te benutten is het van belang dat er extra aandacht wordt besteed aan preventieve maatregelen. Voorbeelden daarvan zijn het verder ontwikkelen van taakbeleid en functiedifferentiatie, het verlengen van het schooljaar en andere initiatieven ter spreiding van de werklast.

Algemene conclusie van het rapport is dat er wat betreft competenties, ervaring en opleiding – ondanks de geconstateerde knelpunten – voldoende reïntegratiemogelijkheden zijn voor onderwijspersoneel bij de oude en nieuwe werkgever. Als echter het aantal werknemers dat (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt raakt, gaat toenemen, zullen de mogelijkheden op de scholen kleiner worden vanwege het beperkt aantal (nieuwe) functies waarop plaatsing mogelijk is. Er zal dan gezocht moeten worden naar werk buiten de onderwijssector.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De kosten van onderzoek zijn binnen het budget gebleven.

2.4.3 Werkloosheid

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het beleid is gericht op reductie van uitkeringsuitgaven en reïntegratie van werkloos onderwijspersoneel. De dalende trend van de werkloosheidsuitgaven die in 1997 is ingezet, is ook in 2002 doorgegaan. Ten behoeve van het Wachtgeld informatiesysteem (WIS) is in 2001 gestart met de bouw van een nieuwe interface om de informatie over de WW-uitkeringen elektronisch beschikbaar te krijgen voor beleids- en managementinformatie. De verwachting is dat deze informatie in de eerste helft van 2003 regulier beschikbaar komt. Over de ontwikkeling van het aantal uitkeringen in 2002 zijn nu schattingen gemaakt op basis van de Begrotingsuitvoeringsrapportages van UWV USZO, informatie uit het WIS en maandelijkse rapportages van UWV USZO over de WW- en bovenwettelijke uitkeringen.

Onderstaande tabel toont de werkloosheidsontwikkeling in 2002 ten opzichte van die van 2001. Het betreft hier de realisaties 2001 en 2002 zoals deze blijken uit de opgaven van respectievelijk UWV USZO Groningen en Heerlen. Er is een uitsplitsing is gemaakt naar wettelijke en bovenwettelijke regelingen.

Tabel 16: Uitgaven werkloosheidsregelingen per onderwijssector, 2001–2002 (x € 1 000)
 20012002BWOOWWBW
Primair onderwijs67 50066 40058 7006 1001 500
Voortgezet onderwijs74 40070 60064 9004 800800
Bve-sector55 00051 40047 9002 900600
Hoger beroepsonderwijs55 00051 80048 6002 600600
Wetenschappelijk onderwijs86 40077 80068 2008 5001 100
Onderzoek en wetenschap5 6005 8003 1002 600200
Totaal343 800323 800291 40027 5004 800

Uitsplitsing uitgaven in 2002. BWOO: uitkeringen die voor 1 januari 2001 zijn aangevangen. WW en BW: uitkeringen die vanaf 1 januari 2001 zijn aangevangen (wettelijke en bovenwettelijke uitgaven); de bedragen zijn geschat omdat over maanden november en december 2002 nog geen opgave van UWV USZO is ontvangen. De uitgaven voor BWOO zijn inclusief de suppletieregeling BZA.

In de volgende tabel is de ontwikkeling van de omvang van werkloosheid weergegeven, uitgedrukt in personen en fte (fulltime equivalent).

Tabel 17: Ontwikkeling omvang van de werkloosheid per onderwijssector, 2001–2002 (personen en fte)
 Personenfte
 2001200220012002
Primair onderwijs4 8484 0802 3922 160
Voortgezet onderwijs4 3743 6512 4822 137
Bve-sector2 8222 3541 4251 252
Hoger beroepsonderwijs2 5242 1411 3871 192
Wetenschappelijk onderwijs4 9184 2962 7302 447
Onderzoek en wetenschap476326328233
Totaal19 96216 84810 7449 421

Bron: Wachtgeldinformatiesysteem, peildatum 1 januari, gecorrigeerd voor UvA en AMC1.

In de volgende tabel is de gemiddelde leeftijd aangegeven.

Tabel 18: Gemiddelde leeftijd deelnemers werkloosheidsregeling naar onderwijssector, 2001–2002 (jaar)
 20012002
Primair onderwijs55,155,3
Voortgezet onderwijs57,257,8
Bve-sector58,258,4
Hoger beroepsonderwijs58,058,3
Wetenschappelijk onderwijs49,350,5
Onderzoek en wetenschap38,641,1
Totaal54,455,1

Bron: Wachtgeldinformatiesysteem, peildatum 1 januari.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De inspanningen die zijn gericht op het terugdringen van de werkloosheidsuitkeringen worden onverminderd gecontinueerd door middel van preventief beleid en volumebeleid. Ook de huidige arbeidsmarktsituatie in het onderwijs zorgt voor een vermindering van de werkloosheidsuitgaven. De vermindering van de uitgaven leidt bij de instellingen die op lumpsum basis worden bekostigd tot financiële ruimte die door de instellingen wordt benut voor seniorenbeleid en voor de financiering van maatregelen gericht op het terugdringen van de werkloosheidsuitgaven.

Uit de cijfers blijkt tevens de vergrijzing van het bestand. De gemiddelde leeftijd ligt rond de 55 jaar. 78% van de personen met een werkloosheidsuitkering is thans 50 jaar of ouder. Reïntegratiebeleid gericht op ouderen is een belangrijk aandachtspunt geweest in het volumebeleid in 2002.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De uitgaven aan preventief beleid en volumebeleid zijn binnen het budget gebleven.

2.4.4 Bevorderen arbeidsparticipatie ouderen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is de arbeidsparticipatie van ouderen in de sector onderwijs te vergroten. De arbeidsdeelname van ouderen in Nederland neemt de laatste jaren flink toe. Op dit moment heeft één op de drie 55- tot 65-jarigen betaald werk. De stijging is vooral groot bij 55- tot 60-jarigen.

Uit onderzoek naar arbeidsparticipatie van ouderen dat in 2002 verricht is, blijkt dat de meeste medewerkers in de sectoren po, vo en bve op hun 61ste jaar willen stoppen met werken. Twintig procent is bereid en 43% is misschien bereid om onder omstandigheden langer door te werken. Minder werkdruk, vermindering weektaak, meer verlof, flexibeler vakantie, betere arbeidsvoorwaarden en betere afstemming takenpakket, functie en rooster zijn dan belangrijke gewenste veranderingen. Een actief ouderenbeleid wordt nog op slechts weinig instellingen gevoerd.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om het voor ouderen aantrekkelijk te maken na hun 61ste door te blijven werken is in de Pensioenkamer een andere financiering van het vervroegde pensioen (fpu) afgesproken en een herziening van het pensioenreglement. Voor de financiering van de fpu wordt overgestapt op een (geleidelijk) in te voeren volledige kapitaaldekking. Daardoor wordt het aantrekkelijker om langer door te werken. Immers: onderwijswerknemers die hun vervroegde uittreding een of meerdere jaren uitstellen, worden daarvoor beloond met een navenant hogere fpu-uitkering of indien niet van de fpu gebruik wordt gemaakt, met een hoger ouderdomspensioen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Er zijn geen extra uitgaven gedaan. Om het langer doorwerken toch op korte termijn verder te bevorderen zijn sociale partners overeengekomen dat tot 2009 een bonusregeling geldt voor de werknemers die vallen onder het overgangsrecht dat bij de invoering van de fpu in 1997 is vastgesteld.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen:

• Rapport Trendcijfers ziekteverzuim vierde kwartaal 2001 en Kwartaalrapportage uitvoering deelconvenanten po en vo 4e kwartaal 2001, bij brief van 26 maart 2002.

• Brief van 24 juni 2002 over ziekteverzuimcijfers van het onderwijspersoneel in het jaar 2001, de trendcijfers ziekteverzuim en de kwartaalrapportage uitvoering deelconvenanten primair- en voortgezet onderwijs van het eerste kwartaal 2002.

• Rapport Taakbesteding en taakbelasting van leraren, bij brief van 24 juni 2002.

• Rapport Verzuim onder personeel in het onderwijs in 2001, bij brief van 26 september 2002.

3. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 19: Financiële kerncijfers maatregelen commissie Van Rijn naar sector (x € 1 000)
 Realisatie 2002Vastgestelde begroting 2002Verschil
Primair onderwijs203 800203 8000
Voortgezet onderwijs161 400161 4000
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie59 40059 4000
Totaal424 600424 6000

De beschikbare middelen zijn volledig gerealiseerd. De middelen voor de schoolbudgetten zijn aan de schoolbudgetten toegevoegd en de middelen voor het inkorten van de carrièrelijnen zijn verwerkt in de cao van de sector onderwijs. Voor de middelen voor arbeidsmarktknelpunten in de sectoren hbo, wo en owb wordt verwezen naar de desbetreffende beleidsartikelen.

4. Groeiparagraaf

Doel van dit onderdeel is de begroting toegankelijker te maken en de informatie helder te presenteren, volgens de uitgangspunten van het VBTB-concept. De verbeteringen betreffen het nauwkeuriger omschrijven de de beoogde effecten en het daaraan koppelen van streefwaarden. In de begroting 2002 is al betoogd dat de effecten van de verschillende maatregelen zich niet gemakkelijk laten vertalen naar één enkel streefgetal. Het totaal aan maatregelen zal een positief effect hebben op het oplossen van de arbeidsmarktknelpunten, maar van elke maatregel afzonderlijk is dat niet altijd aan te geven hoe groot die bijdrage in kwantitatieve zin is.

Eind 2002 is een onderzoek gestart onder de titel «Aandachtsgroepenmonitor». Doel van dit onderzoek is een integraal beeld te geven van alle werknemersgroepen en hun kenmerken.

Aandachtspunt hierbij is de invoering van taak- en functiedifferentiatie. De eerste rapportages worden halverwege 2003 verwacht.

10. INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE

De beschikbare middelen voor informatie- en communicatietechnologie (ict) in het onderwijs maken deel uit van de onderwijsbegroting (en voor wat betreft het landbouwonderwijs van de begroting van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij).

De middelen voor de basisvergoeding en bijdrage kennisnet maken deel uit van de artikelen voor de betrokken onderwijssectoren (artikelen 1 t/m 4). Artikel 10 van de onderwijsbegroting omvat de centraal gefinancierde ict activiteiten. De centrale middelen omvatten ook de subsidies aan de stichtingen Kennisnet (€ 19,2 miljoen) en Ict op school (€ 2,7 miljoen).

Tabel 10.1: Bestedingen centraal/decentraal (x € 1 000)
 200020012002
Ict-budget OCenW333 538357 026304 461
Centraal58 538102 02679 269
Decentraal275 000255 000225 192
Tabel 10.2: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen 15 88058 991102 026127 71540 09087 625
– waarvan garanties 000000
Uitgaven 15 58058 537102 02679 26979 024245
Nader te verdelen over scholen/instellingen  00000
Generiek beleid 15 88021 78149 91635 32033 0242 296
Overige uitgaven  36 75652 11043 94946 000– 2 051
Ontvangsten  58 99158 99147 91845 3782 540

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

Voor een toelichting verwijs ik naar de overzichtsconstructie ict op de volgende pagina.

OVERZICHTSCONSTRUCTIE INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE

1. Algemene beleidsdoelstelling

Het beleid van het ministerie van OCenW is erop gericht het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ict) te bevorderen in de hele onderwijskolom. Ict moet een plaats krijgen in het onderwijs om zo de scholen en onderwijsinstellingen in staat te stellen leerlingen en studenten voor te bereiden op de arbeidsmarkt van morgen en het nieuwe leren (toegespitst op de individuele capaciteiten en behoeften, plaats- en tijdsonafhankelijk) mogelijk te maken. Het belang van ict in het onderwijs is onderstreept tijdens de dot-com-top van EU regeringsleiders in Lissabon (maart 2000) en tijdens de Europese Raad in Barcelona in 2001.

Door de regeringsleiders van de Europese Unie is afgesproken dat lidstaten zich verplichten alle scholen op het internet aan te sluiten vóór 2002 en dat er voor elke 15 leerlingen minimaal 1 on-line computer beschikbaar is. Ook is afgesproken ervoor te zorgen dat docenten over voldoende ict-vaardigheden beschikken om binnen het onderwijs gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden van internet en multimedia. Nederland heeft deze doelstellingen inmiddels grotendeels gerealiseerd. Alle scholen, die dat willen, zijn aangesloten op het internet. In het schooljaar 2001–2002 is per 10 leerlingen gemiddeld 1 computer beschikbaar, waarvan 39% (in het basisonderwijs) en 86% (in het voortgezet onderwijs) en aangesloten op het internet (bron: ICT in cijfers, ITS en IVA, 2002).

In 2002 hebben veel leraren hun deskundigheid vergroot op het gebied van de ict-basisvaardigheden. Maar de vaardigheid om ict didactisch te benutten blijft een aandachtspunt. Met het amendement Bonke c.s. wordt voor 2003 de mogelijkheid geboden om de professionaliteit van docenten verder te versterken.

Het programma «Onderwijs on line» omvat het primair en voortgezet onderwijs, het beroepsonderwijs, de volwasseneneducatie en de lerarenopleidingen. Het bestuurlijk uitgangspunt is dat de integratie van ict in het onderwijs een zaak is van de onderwijsinstellingen. Het ministerie is verantwoordelijk voor het systeem: de onderwijsinstellingen moeten in staat worden gesteld om ict in het onderwijs te integreren en bepalen zelf hoe zij gebruik maken van ict om het onderwijs te vernieuwen en verbeteren. De overheid zorgt ervoor dat scholen voldoende middelen krijgen, en geeft scholen de ondersteuning, die zij nodig hebben om hun verantwoordelijkheid te kunnen waarmaken.

In maart 2002 is de eindrapportage Onderwijs on line naar de Tweede Kamer gestuurd. Conclusies zijn:

• dat de infrastructuur grotendeels op orde is;

• steeds meer docenten ict in de klas gebruiken;

• steeds meer educatieve software en content beschikbaar komt;

• de stichtingen Kennisnet en Ict op School scholen daadwerkelijk ondersteunen bij het gebruik van ict;

• meer kennis beschikbaar komt over de mogelijkheden van ict.

Geleidelijk aan is het accent verschoven van projecten gericht op brede introductie van ict in het onderwijs naar activiteiten gericht op de verankering hiervan: van «leren ict te gebruiken» naar «ict gebruiken om te leren».

De onderwijsinspectie heeft eind 2001 een rapport uitgebracht over de resultaten van vier jaar ict beleid in het onderwijs. De belangrijkste conclusie is dat ict steeds meer een geïntegreerd onderdeel wordt van het schoolbeleid: de ict uitrusting van scholen is sterk verbeterd en leraren en schoolleiders zijn overtuigd van het belang, nut en mogelijkheden van ict-toepassingen voor het onderwijs.

Jaarlijks wordt een monitor gemaakt van het ict-gebruik op de scholen. Uit de ict-onderwijsmonitor over het schooljaar 2000/2001 blijkt dat het gebruik van ict in het onderwijs intensief is. Het gebruik van de computer door docenten was het hoogst in het primair onderwijs (98%), gevolgd door het beroepsonderwijs (94%) en het voortgezet onderwijs (80%). Het internetgebruik door leerlingen was het hoogst in het voortgezet onderwijs (85%), gevolgd door het beroepsonderwijs (79%) en het primair onderwijs (67%). De volgende ict-onderwijsmonitor, over het schooljaar 2001/2002, zal in het voorjaar 2003 worden aangeboden aan de Tweede Kamer. Het kwantitatieve gedeelte ict in cijfers is maart 2002 gepubliceerd.

Voor het hoger onderwijs is het ict beleid geformuleerd in het HOOP 2000 (hoger onderwijs en onderzoek plan). Hierin wordt gemeld dat een verschuiving plaatsvindt van docent gecentreerd onderwijs naar student gecentreerd leren. Ict maakt het mogelijk om de doelen van deze nieuwe onderwijsvormen te realiseren. In de periode 2000–2002 is vanuit dit kader meer dan € 10 miljoen subsidie verstrekt aan het SURF Educatiefonds. Voorts is het consortium digitale universiteit van start gegaan. In 2001 is aan het consortium een subsidie van € 11,3 miljoen verstrekt voor de periode 2001–2003.

Voor het hoger onderwijs leverde de in mei 2002 gepubliceerde audit van het SURF Educatiefonds een positief beeld op van het belang van het fonds. In 2003 is een externe evaluatie voorzien.

Met betrekking tot de digitale universiteit worden de eerste resultaten zichtbaar. In de afgelopen periode zijn veel projecten in gang gezet. Op basis van nader onderzoek is door de digitale universiteit een meerjarenplan 2003–2006 opgesteld, waarin de ambities nader zijn geconcretiseerd.

In 2002 is voor de hele onderwijskolom een kader geformuleerd voor het toekomstige ict onderwijsbeleid, wat heeft geleid tot de discussienota ICT na 2002. Het nieuwe kabinet zal op basis van deze notitie haar beleid bepalen.

2. Operationele doelstellingen

Het beleid van ict volgt twee stromen: decentraal beleid en centraal beleid.

Bij het decentraal beleid zijn de scholen aan zet voor de integratie van ict in het onderwijs, die daarvoor een structurele vergoeding ontvangen. De bestedingen van de scholen worden gevolgd met de ict-onderwijsmonitor.

De centrale activiteiten zijn gericht op het ondersteunen van scholen bij het in gang zetten van ontwikkelingen die de spankracht van een individuele school te boven gaan. Hierbij ging het in 2002 vooral om het verbinden van de scholen met het internet. Verder is door de activiteiten van de stichtingen Kennisnet en Ict op School en via projectmatige activiteiten de integratie van ict in het onderwijs gericht gestimuleerd.

2.1 Centraal

2.1.1 Aansluiting van scholen op het internet

Hebben we bereikt, wat we wilden bereiken?

Medio 2002 zijn alle scholen, die dit wilden, in het primair onderwijs, het voorgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie aangesloten op het internet. Met de huidige infrastructuur kunnen scholen ervaring opdoen en gebruik maken van de mogelijkheden van het internet. Op deze manier is een goede basis gelegd voor het gebruik van ict in het onderwijs.

Nu de integratie van ict in het onderwijs steeds meer vorm krijgt blijkt dat scholen meer opteren voor het zelf regelen van de internetvoorziening en minder waarde hechten aan een centraal geregelde infrastructuur. Na overleg met de Tweede Kamer is in december 2002 besloten om de centrale voorziening af te bouwen. Vanaf 1 januari 2004 krijgen de scholen een bedrag, waarmee ze in staat worden gesteld om hun eigen internetvoorziening te regelen. Dit betekent dat de aansluiting van de scholen niet meer per definitie centraal georganiseerd wordt.

Tabel 1: Aansluiting van scholen op het internet
 povobvelnvTotaal
Standaard6 9721 060190648 286
ISDN1 22516017311 433
Satelliet6891131704
Leaseline2251230
Totaal8 8881 2562119810 453

Bron: rapportage opleverprotocollen kennisnet

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Eind 2001 is intensief overleg geweest met de leverancier, direct en via de stichting Kennisnet (de toezichthouder). Daarbij zijn een aantal aanvullende afspraken gemaakt, welke zijn vastgelegd in een addendum op het contract. In het addendum zijn afspraken gemaakt over het aansluiten van de resterende locaties en het ophogen van de bandbreedte van de internetverbinding. Scholen in gebieden zonder kabel zijn via de satelliet aangesloten en met het verhogen van de bandbreedte is een meer geavanceerd gebruik van het internet door de scholen mogelijk.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De aanvullende afspraken in het kader van het addendum hebben geleid tot hogere kosten (in totaal € 18,2 miljoen, waarvan € 6,1 miljoen in 2002 is vergoed en € 12,1 miljoen in 2003 wordt betaald). De extra uitgaven zijn opgevangen binnen het meerjarige uitgavenkader van de ict begroting.

2.1.2 Stichting Kennisnet

Hebben we bereikt, wat we wilden bereiken?

Kennisnet biedt ruimte om te leren met behulp van ict. Dit doet Kennisnet voornamelijk door het aanbieden van content dat geordend, transparant, aansprekend, veilig en op maat is. Hiervoor exploiteert de stichting de portalsite www.kennisnet.nl. De begin 2002 gestelde doelen voor deze site zijn grotendeels bereikt. Het NIPO (Nederlands Instituut voor de Publieke Opiniepeiling) onderzoekt eenmaal per jaar het gebruik en de tevredenheid van gebruikers van de portal kennisnet. Dit heeft in 2002 plaatsgevonden in de maanden oktober en november 2002. Uit het NIPO-onderzoek blijkt dat de streefcijfers van 2002 voor het maandelijks gebruik van docenten nagenoeg zijn gehaald. Voor managers liggen de cijfers zelfs boven de verwachting. Dit was ook de bedoeling. Stichting Kennisnet had in 2002 de docent als speerpunt aangemerkt en daar haar inspanningen vooral op gefocust. Daarentegen blijft het gebruik van leerlingen achter bij de verwachting, met name in de bve-sector. In 2003 zal Kennisnet dan ook, naast de te handhaven focus op de docent, zich nadrukkelijker richten op de leerling. De verkiezingensite en de examensite waren in 2002 een groot succes. De door Kennisnet ontwikkelde dienst Entree maakt het mogelijk dat gebruikers eenvoudig bij hun content kunnen komen. Deze dienst is daarmee een schakel tussen aanbieders, zoals de uitgevers maar ook Cfi, de gebruikers, de leerlingen en docenten.

Tabel 2: Streefcijfers Stichting Kennisnet
Doelen voor de markt educatieve ContentStartsituatie 2001Doelen 2002Realisatie 2002
Maandelijks gebruik van kennisnet door docentenpo 37%vo 52%bve 30%po 45%vo 65%bve 40%po 42%vo 56%bve 36%
Maandelijks gebruik van kennisnet door managerspo 20%vo 40%bve 40%po 30%vo 50%bve 50%po 69%vo 64%bve 61%
Maandelijks gebruik van kennisnet door leerlingenpo 5%vo 15%bve 15%po 15%vo 20%bve 20%po 13%vo 11%bve 3%
Oordeel managers en ict-coördinatoren over kennisnetGemiddeld cijfer 5,0Gemiddeld cijfer 6,0Gemiddeld cijfer 6,7
Oordeel docenten Gemiddeld cijfer 7,0Gemiddeld cijfer 6,8

Bron: 2e meting NIPO-enquete 2002

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In september is de vernieuwde portalsite www.kennisnet.nl gepresenteerd. Hierbij is het aanbod op de portal geordend per onderwijssector en daarbinnen naar de doelgroepen. De stichting bve-net is in 2002 geïntegreerd met stichting Kennisnet en daarnaast is een vergaande samenwerking met de stichting Thinkquest gerealiseerd.

Als beveiligd netwerk is kennisnet bestand tegen aanvallen van buitenaf, maar deze beveiliging biedt geen bescherming tegen ongewenste content, zoals bijvoorbeeld geweld, discriminatie en porno. Dit omdat centrale filtering in strijd is met de in de grondwet vastgelegde vrijheid van meningsuiting. Stichting Kennisnet heeft een etalage ingericht waar de verschillende aanbieders van filteroplossingen en hun producten en diensten door stichting Kennisnet worden vergeleken en scholen zelf de mogelijkheid hebben om filteroplossingen te kiezen. Enige honderden scholen hebben een contract met een filterleverancier afgesloten of staan op het punt dit te doen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Op grond van de subsidiebeschikking bedroeg de basissubsidie € 19,2 miljoen. Daarnaast is voor aanvullende projectopdrachten een bedrag van € 2,7 miljoen betaald, waarvan € 1,6 miljoen voor Entree en € 1,1 miljoen voor de integratie van de stichting bve-net in kennisnet. De stichting legt verantwoording af door vóór 1 april 2003 haar jaarverslag en financiële verantwoording over 2002 in te dienen. Op basis daarvan wordt de definitieve subsidie voor 2002 vastgesteld.

2.1.3 Stichting Ict op School (samenwerking en beheer)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstelling van stichting Ict op School is het versterken van de positie van het onderwijsveld als consument van producten en diensten gericht op de integratie van ict in het primair en voortgezet onderwijs. Ook wil de stichting scholen in staat stellen op effectieve en efficiënte wijze ict in het onderwijs te integreren. Zij doet dit door het stimuleren van regionale samenwerking en kennisuitwisseling en stimulering van deskundigheidsbevordering van ict-coördinatoren, managers en docenten.

Door middel van de publicatie Vier in balans is in beeld gebracht welke aspecten van belang zijn voor een succesvolle integratie van ict in het onderwijs, te weten: visie op het onderwijs, vaardigheden van leraren, beschikbare programmatuur en apparatuurvoorzieningen. De maatvoering ofwel de balans tussen deze ingrediënten is bepalend voor het krijgen van het gewenste resultaat. Met andere woorden: wil een school efficiënt en effectief ict gebruiken in het onderwijs, dan mogen de vier ingrediënten qua niveau niet te veel van elkaar verschillen. Vanuit dit concept en op basis van de behoeften van de scholen heeft de stichting Ict op School haar activiteiten in 2002 ingevuld.

Volgens een gehouden NIPO-onderzoek heeft de aanpak van de stichting Ict op School succes gehad. Er is gekeken naar onder andere naamsbekendheid, imago en bekendheid met producten van ict op school binnen samenwerkingsverbanden. Het blijkt dat alle samenwerkingsverbanden en 70% van de schoolbesturen bekend zijn met de stichting. Wat het imago betreft laten de resultaten zien dat Ict op School door alle ondervraagde groepen (samenwerkingsverbanden, schoolbesturen en schoolmanagers) wordt geassocieerd met de begrippen informatief en deskundig. Voor bekendheid met de producten van Ict op School geldt dat de samenwerkingsverbanden het merendeel van de producten kent en hier tevreden tot zeer tevreden over oordelen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Voor de ondersteuning bij organisatie en leerprocessen heeft de stichting vastgesteld dat het bij verbetering van de professionalisering van leraren en schoolleiders gaat om een complexe materie. De onderwijsraad bevestigt dit in haar advies Toerusten = uitrusten, 2002). Ict op School heeft een project voor de deskundigheidsbevordering nog in ontwikkeling. Voor de ondersteuning op het gebied van techniek en beheer heeft de stichting gebruik gemaakt van kennisuitwisseling via conferenties, regionale bijeenkomsten en participatie in verschillende uitwisselingsgremia.

Het stimuleren en ondersteunen van regionale samenwerking heeft in 2002 hoge prioriteit gekregen. Het aantal samenwerkingsverbanden is in het jaar 2002 gestegen van 40 naar 62. Dit betekent dat ruim 2500 scholen thans samenwerken aan verbetering van ict (bron: site Ict op School/regiokaart). Daarnaast heeft de stichting in haar rol van «kennisactivist» bijgedragen aan kennisontwikkeling op het terrein van ict in het onderwijs door het verspreiden van informatie en ervaringen en het genereren van nieuwe kennis en inzichten naar aanleiding van vragen die in de onderwijspraktijk leven.

In het kader van onderzoek en analyse heeft de stichting een enquête gehouden onder de besturenorganisaties, heeft er een klanttevredenheidsonderzoek plaatsgevonden en is er onderzoek gedaan naar behoefte en gebruik.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Aan de stichting Ict op school is op basis van de subsidiebeschikking en het jaarlijkse activiteitenplan in 2002 een subsidie toegekend van € 2,7 miljoen.

De stichting dient in 2003 haar jaarverslag en financiële verantwoording over 2002 in, die dan door het departement wordt beoordeeld.

2.1.4 Deskundigheidsbevordering

Hebben we bereikt, wat we wilden bereiken?

Via specifieke projecten is aandacht besteed aan het ondersteunen van leraren, schoolleiders, schoolbesturen en anderen bij het vergroten van hun deskundigheid over de integratie van ict in de onderwijspraktijk:

• Met de uitvoering van «Grassroots» starten kleinschalige ict projecten, waarin leraren en docenten positieve ervaringen opdoen bij het gebruik van ict in het onderwijs.

• Het project «Stimulering digitaal rijbewijs onderwijs» is in 2002 afgerond. Het Digitaal Rijbewijs Onderwijs (DRO) is ontwikkeld met de bedoeling het onderwijs een standaard te verschaffen voor instrumentele, didactische en organisatorische vaardigheden op het gebied van ict voor onderwijsgevenden. Het behalen van het DRO is en wordt niet verplicht gesteld door de overheid, maar natuurlijk kan dat wel gebeuren door scholen zelf. Veel docenten hebben al het nodige geleerd. Zij kunnen op de website www.dro.nl een diagnostische toets doen. Aan het eind van de toets wordt een scholingsadvies gegeven. Mede op grond daarvan kunnen docenten en scholen vervolgens zelf bepalen of ze (delen van) een cursus DRO volgen en of ze de eindtoets maken.

• Om ict-praktijkvoorbeelden en suggesties voor deskundigheidsbevordering voor leraren en docenten toegankelijk aan te bieden, is de Didactobank in de vorm van een webapplicatie ontwikkeld.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Voor de bovengenoemde projecten zijn door het ministerie de projectplannen beoordeeld, goedgekeurd en toegekend. Aan de «Grassroots», het project «Stimulering digitaal rijbewijs onderwijs» en het bestaan van de Didactobank is op brede schaal ruchtbaarheid gegeven:

• Het pilotproject «Grassroots in Nederland» is gestart bij acht coördinerende pilot locaties in het primair en voortgezet onderwijs, het groen onderwijs, de bve-sector en de lerarenopleidingen. Op meer dan 400 scholen zijn bijna 1000 projecten (rapportage oktober 2002) in de klas uitgevoerd. Deze projecten zijn bij de scholen goed aangeslagen, omdat de pilots echt bij de leraar en het werk in de klas komen.

• Het toetssysteem van het project «Stimulering digitaal rijbewijs onderwijs» is in exploitatie genomen. Gebruikers kunnen tegen kostendragende vergoeding hiervan gebruik maken.

• Voorts is bijgedragen aan de voorbereiding en de ontwikkeling van de «Didactobank». In 2002 is het project afgerond en wordt gestreefd naar kostendekkende exploitatie van de site door de opdrachtnemer.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De genoemde projecten zijn via subsidietoekenningen conform de begroting gerealiseerd. Het gaat om de volgende bedragen: «Grassroots» € 1,2 miljoen, project «Stimulering digitaal rijbewijs onderwijs» € 25 000,– en de ontwikkeling «Didactobank» € 20 000,–.

2.1.5 Methoden en educatieve programmatuur

Binnen het thema methoden en educatieve programmatuur is vooral aandacht besteed aan het ondersteunen van ict-projecten in de onderwijspraktijk en het ontwikkelen en verspreiden van expertise.

2.1.5.1 Ict-projecten in de onderwijspraktijk

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met de subsidieregeling Ict-projecten in het onderwijs zijn projecten gesubsidieerd met als thema cultuur of diversiteit. In deze projecten is het de bedoeling dat onderwijsinstellingen in samenwerking met andere organisaties ict-rijke leeromgevingen en educatieve content ontwikkelen die vrij beschikbaar komen voor het onderwijsveld. In implementatie- en netwerkprojecten krijgt bovendien de deskundigheidsbevordering van leraren, docenten en schoolleiders een extra impuls. In de «projectenetalage» worden alle lopende ict-projecten zichtbaar gemaakt en de eindproducten (deels) vrij beschikbaar gesteld voor het onderwijsveld.

Naast deze subsidieregeling zijn proeftuinen ict en innovatief onderwijs ondersteund, gericht op de mogelijkheden die ict biedt bij de herinrichting van het onderwijs.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De uitvoering van de subsidieregeling en het beheer van de toegekende projecten is belegd bij de uitvoeringsorganisatie Senter. Tot en met 2002 zijn door hen 240 netwerkprojecten beoordeeld en toegekend en zijn 26 implementatieprojecten door een onafhankelijke jury goedgekeurd en van start gegaan. Het aantal ontwikkelprojecten cultuur is in 2002 bijna verdubbeld met 18 nieuwe projecten. (bron: projectenetalage kennisnet en rapportageoverzichten projectaanbesteding Senter). Aan drie projecten van ict en innovatief onderwijs is subsidie toegekend: «Slash 21», «proeftuin Nijmegen» en «Wadden On Line».

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De subsidies worden toegekend binnen het voor de subsidieregeling beschikbare budget (€ 8,3 miljoen). De omvang van de aanvragen lag hoger dan het beschikbare budget. Het budget is dan ook volledig uitgeput. Aan de proeftuinen is in 2002 een budget toegekend van € 0,7 miljoen.

2.1.5.2 Ontwikkelen en verspreiden van expertise

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om het ontwikkelen en verspreiden van expertise te realiseren zijn in 2002 de volgende voornemens uitgewerkt:

• De expertisecentra ict vervullen hun rol bij het verzamelen, verspreiden van informatie en adviseren bij innovatieve projecten.

• Het inrichten van een expertiseboulevard op kennisnet als vindplaats van expertise, materiaal en ervaringen over ict op de verschillende vakgebieden.

• Uitgebreide informatie beschikbaar stellen over beschikbare educatieve programmatuur via de Programmamatrix po en vo en het leermiddelenplein van het NICL.

• Het digitaal aanbod van educatief cultureel materiaal versterken om een grotere zichtbaarheid en beschikbaarheid te verkrijgen. Voor de ontsluiting van de informatie van de openbare bibliotheken is aan een plan gewerkt om met behulp van kennisnet de toegankelijkheid te vergroten.

• Op kennisnet een diversiteitsplein inrichten, met aandacht voor de toegankelijkheid van ict voor mensen met sociale, culturele en economische verschillen, sekse en mensen met een handicap.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

• De expertisecentra hebben uitvoering gegeven aan de projectplannen op basis waarvan de subsidie is toegekend. De expertisecentra hebben producten ontwikkeld als lesmateriaal en docentenhandleidingen, voorstellen voor invoeringstoepassingen in de klas en websites voor leerlingen.

• Op de Programmamatrix po en vo zijn uitgebreide beschrijvingen van meer dan duizend educatieve softwarepakketten beschikbaar. Op de leermiddelenbank van het NICL (Nationaal informatiecentrum leermiddelen) is informatie beschikbaar over alle leermiddelen voor het po, vo en bve. Aan het aps (algemeen pedagogisch studiecentrum), het cps (christelijk pedagogisch studiecentrum) en het NICL zijn via aanvullende SLOA-toekenningen (subsidiering landelijke onderwijsondersteunende activiteiten) opdrachten verstrekt.

• Met de educatieve uitgevers zijn afspraken gemaakt voor het aanbod en beheer met de Stichting Kennisnet. De activiteiten zijn opgenomen in het werkplan van de stichting. Daarnaast is de toegankelijkheid verbeterd door het aanbod te ontsluiten via de kennisnetportal.

• De inrichting van het cultuurplein is inmiddels gerealiseerd. Het beheer is belegd bij de stichting Kennisnet. Voor de ontsluiting van de informatie van de bibliotheken is van het Nederlands Bibliotheek en Lectuurcentrum (NBLC) in 2001 een projectplan goedgekeurd en budget toegekend op basis van de Wet overige OCenW-subsidies. Voor het aanbod van digitaal educatief materiaal is op kennisnet een diversiteitsplein ingericht.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Aan de acht expertisecentra is op basis van de voortgangsrapportage € 0,5 miljoen betaald. De totale kosten voor de Programmamatrix po/vo en leermiddelenbank NICL bedroegen € 0,4 miljoen. De kosten voor het beschikbaar maken van de methodensites, het cultuurplein en het diversiteitsplein zijn opgenomen in het activiteitenplan en daarmee de subsidie aan de stichting Kennisnet. Voor de ontsluiting van de bibliotheken is aan het NBLC € 0,6 miljoen betaalbaar gesteld.

2.1.6 Overige activiteiten

2.1.6.1 Platform onderwijs en informatiesamenleving

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel is het bevorderen van participatie van bedrijven in de ontwikkeling en ondersteuning van scholen bij de integratie van ict in het onderwijs.

Het projectplan van de stichting Platform onderwijs en informatiesamenleving omvat verschillende trajecten waarlangs bedrijven benaderd worden. Het projectplan is financieel ondersteund.

De resultatenrapportage van november 2002 maakt duidelijk dat de stichting kampt met een afwachtende houding van het bedrijfsleven als gevolg van de slechte economische situatie. Het grote aantal bedrijven wat de stichting zou mobiliseren (50) is in 2002 niet gerealiseerd. Eind 2002 waren er 7 bedrijven die toegezegd hadden mee te werken.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De stichting O&I (onderwijs en informatie samenleving) heeft op basis van het activiteitenplan actief geworven bij bedrijven en overkoepelende instanties. De stichting heeft op beursen, conferenties, congressen e.d. en via diverse mailings en persoonlijke contacten bedrijven benaderd met het verzoek voor bijdragen. Er zijn meer dan honderd bedrijven benaderd.

De stichting heeft twee instrumenten ontwikkeld op basis waarvan bedrijven informatie en (technische) ondersteuning aan het onderwijs kunnen verlenen.

De in het activiteitenplan voorgenomen activiteiten zijn uitgevoerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De stichting heeft op basis van het projectplan een subsidie toegekend gekregen van € 0,5 miljoen. De stichting dient in 2003 haar jaarverslag en financiële verantwoording over 2002 in, die dan door het departement wordt beoordeeld.

2.1.6.2 Activiteiten op het gebied van internationalisering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Nederland heeft het initiatief genomen om een «ict Liga» op te zetten met Canada en de Noorse landen. Uitwisseling over ict-beleid heeft geleid tot intensieve contacten en adoptie van buitenlandse programma's (Grassroots Canada, ItiS Zweden) en implementatie in de Nederlandse situatie.

Nederland participeert op het gebied van ict in het onderwijs aan het Europese Schoolnet consortium (EUN), de OESO (Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling) en werkgroepen van de Europese Commissie.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Gerichte opdrachten aan Nederlandse sleutelspelers, brede bekendmaking van ontwikkelde internationale ict-mogelijkheden, bilaterale of Europese samenwerking op het gebied van ict projecten zijn gerealiseerd.

De opbrengsten en resultaten van internationale activiteiten en contacten worden op het internationaal plein geplaatst voor zover directe spreiding voor het onderwijs van belang is.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In de begroting was een bedrag van € 0,8 miljoen geraamd. De besteding in 2002 bedraagt € 0,6 miljoen, waarvan € 0,4 miljoen voor bevordering internationalisering en € 0,2 miljoen voor uitwisseling en samenwerking.

2.1.6.3 Onderzoek, evaluatie en verantwoording

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van het plegen van onderzoek is de kwaliteit te meten van de integratie van ict in het onderwijs. De inspectie begeleidt en stuurt de ict-onderwijsmonitor en waarborgt de kwaliteit van dit onderzoek. Zij beschrijft en beoordeelt innovatieve praktijken in het onderwijs door het maken van ict-schoolprojecten. Daarnaast wordt, om de integratie van ict te borgen, in het schooltoezicht aandacht gegeven aan de vormgeving van de volgende onderdelen:

• schoolbeleid;

• scholing en functieontwikkeling;

• voorzieningen: infrastructuur en toegankelijkheid;

• de betekenis van ict voor onderwijsdoeleinden;

• evenwicht en samenhang in ict door schoolleiding, leraren en leerlingen;

• gebruik van ict door schoolleiding, leraren en leerlingen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Door de inspectie is in 2002 veel werk verzet om de kwaliteit van ict in het onderwijs te bevorderen. Zo heeft de inspectie in 2002 zes bundels ict-schoolportretten gepubliceerd. Het betrof zowel portretten van afzonderlijke scholen als thematische portretten. Op de website van de inspectie is tevens het eerste deel gepubliceerd van een drieluik over «Slash 21», een school met een nieuw onderwijsconcept. Het schoolportret over Frankrijk is tevens in het Frans vertaald.

In 2002 is veel informatie verzameld voor bundels die worden gepubliceerd in 2003. Zo werden scholen bezocht in Canada en Schotland. Tevens werd voorwerk gedaan voor de thema's lokale samenwerking in Den Haag, nieuwe rollen en taken in het onderwijs, beroepsonderwijs technische vakken, cultuur, miniaturen, en internationalisering. Ook werd een aantal eerder geportretteerde scholen opnieuw bezocht, om te zien hoe de integratie van ict zich op deze scholen verder heeft ontwikkeld.

In het najaar is een rapportage gepubliceerd over de oordelen en het gebruik van kennisnet in het voortgezet onderwijs. De daarbij gebruikte informatie is verzameld tijdens reguliere schoolbezoeken.

Ict-eminencies

In februari werd door de inspectie een internationaal symposium georganiseerd met ict-onderwijspioniers uit de schoolpraktijk in Frankrijk, Ierland, Zweden en Nederland onder de titel «ICT-eminencies». Het symposium ging over hoe het onderwijs in 2007 er uit moet zien, en welke rol ict dan zal spelen. Het resultaat is vastgelegd in een rapport.

Inspecteurs hebben op de landelijke manifestatie KIC 2002 in workshops en in een stand belangstellenden geïnformeerd over ict in de onderwijspraktijk, en met hen daarover gediscussieerd.

Website ict-schoolportretten

In november is de website van de ict-schoolportretten (www.onderwijsinspectie.nl/ictschoolportretten) volledig vernieuwd. De site is opnieuw vormgegeven en de navigatie is sterk verbeterd. Om de schoolportretten en de website meer bekendheid te geven is een flyer gemaakt. Deze is meegestuurd met Uitleg, en uitgedeeld op diverse plekken. Naar aanleiding van de schoolportretten zijn diverse artikelen verschenen in de Automatiseringsgids, Introspectie, Uitleg en het Schooljournaal. Tevens zijn er diverse presentaties gegeven onder andere bij de Onderwijsraad, de I&I-dagen en bij de Vereniging Onderwijsresearch. Op enkele congressen zijn de schoolportretten over natuurwetenschappelijke vakken uitgedeeld en toegelicht. Tot slot is er een interview geweest op Radio Postbus 51.

SICI-workshop

Met inspecties uit andere landen is tijdens een SICI-workshop in Dublin in kaart gebracht wat de betekenis van ict kan zijn voor de beoordeling van onderwijskwaliteit. Samen met European Schoolnet (EUN) is bij de Europese Commissie een projectvoorstel ingediend om systematisch informatie over ict in de onderwijspraktijk te verzamelen en te presenteren. Onderdeel daarvan is de vervaardiging van schoolportretten naar Nederlands model door een aantal andere Europese inspecties. Het voorstel is in december 2002 goedgekeurd en wordt in 2003 en 2004 uitgevoerd.

Ict-onderwijsmonitor

In 2002 zijn de resultaten gepubliceerd van de vierde meting van de ict-onderwijsmonitor. Voor de vijfde meting is – na consultatie van betrokkenen uit het onderwijsveld en het departement-een nieuwe opzet vastgesteld. Daarin wordt kwantitatieve en kwalitatieve dataverzameling gecombineerd. In maart is als eerste product een kwantitatieve quick scan gepubliceerd. In december zijn de concepten voor de overige rapportages besproken. Publicatie is voorzien in het voorjaar van 2003. In 2002 is de ict-monitor hoger onderwijs aanbesteed en gestart na een vooronderzoek.

Internationale vergelijking

In 2002 zijn de resultaten gepubliceerd van een internationale vergelijking op basis van de door European Schoolnet gemaakte landenrapporten. Tevens is er een instrument ontwikkeld om de EUN-site door het onderwijs te laten beoordelen en met dit instrument is een eerste meting verricht in Nederland. Zowel over de instrumentenontwikkeling als over de meting in Nederland zijn Engelstalige rapporten gepubliceerd. In 2002 zijn Nederlandse case-studies gepubliceerd die in het kader van het project «ICT and the quality of learning» van de Organisation for Economic Cooperation and Development (OECD) eerder zijn uitgevoerd.

Joint venture OCenW-Onderwijsinspectie

Tussen de inspectie en de directie ICT van het ministerie van OCenW is een verlenging afgesproken van de samenwerkingsovereenkomst rond evaluatie en monitoring van ict-ontwikkelingen tot 1 juni 2003. In die periode worden onder meer de lopende ict-schoolportretten afgerond, worden de ict-onderwijsmonitor en de ict-monitor hoger onderwijs begeleid, en wordt een afrondende rapportage aan de minister opgeleverd.

Een intersectorale inspectiewerkgroep is gestart met de ontwikkeling van voorstellen voor nieuwe toezichtinstrumenten die rekening houden met de toenemende rol van ict in de onderwijspraktijk. In het Onderwijsverslag 2001 is over ict gerapporteerd. De ict-schoolportretten, de ict-onderwijsmonitor en de toezichtgegevens vormen daarbij de basis.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De kosten voor ict onderzoek en de meting van de monitor bedroegen € 0,9 miljoen en zijn binnen het beschikbare budget vergoed.

2.2 Decentraal

De integratie van ict in het onderwijs is vooral een zaak van de scholen. De overheid zorgt voor een aantal voorzieningen en voor structurele middelen. De koopkracht van de scholen in het po, vo en bve bestaat uit de ict bijdrage per leerling: € 57,86 exclusief de correctie voor gestegen prijzen. Inclusief deze vergoeding komt de werkelijke vergoeding op ruim € 60,– uit.

Daarnaast is in het beroepsonderwijs ict gestimuleerd via sectorspecifieke regelingen en in het primair en voortgezet onderwijs via de SLOA (subsidiering landelijke onderwijsondersteunende activiteiten). Het hoger onderwijs heeft ict in het onderwijs bevorderd via twee grote innovatieve projecten met een instellingsoverschrijdend belang.

2.2.1 Primair onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De fase waarbij het ict-gebruik vooral werd gedragen door enkele enthousiaste ouders en docenten lijkt achter de rug, de stap naar (verdere) professionalisering kan worden gezet. Uit de beschikbare gegevens van de ict-monitor blijkt dat scholen voor primair onderwijs de afgelopen tijd flink hebben geïnvesteerd in hardware. Inmiddels is er voor elke 8 leerlingen een computer beschikbaar. De helft hiervan heeft een Pentium-processor. Alle scholen die dit wilden zijn inmiddels aangesloten op kennisnet, en daarmee ook op het internet. In vergelijking met een jaar geleden zijn vorderingen te melden wat betreft het intern netwerk, internet in school en de kwaliteit van het computerpark. De episode van gebrekkige ict-infrastructuur is bijna afgesloten en de fase van integratie van ict in het onderwijsproces kan een aanvang nemen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Naast het treffen van de centrale voorzieningen hebben scholen ook in 2002 een ict-bijdrage ontvangen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Vanaf 1 augustus 2002 krijgen alle basisscholen en speciale scholen voor het basisonderwijs een structurele bijdrage van € 64,16 per leerling voor ict en € 5,96 voor kennisnet. Voor speciaal onderwijs ontvangen scholen gedifferentieerde bedragen. De hoogte van die bedragen is afhankelijk van de soort handicap van de leerling. Bij basisonderwijs en speciaal basisonderwijs maakt de ict-vergoeding deel uit van de exploitatievergoeding (materiële instandhouding).

In 2002 zijn de volgende bedragen aan de scholen vergoed:

Tabel 3: Vergoeding basisonderwijs en speciaal basisonderwijs (x € 1 000)
 ictkennisnet
Basisonderwijs en speciaal basisonderwijs102 6569 436
(Voortgezet) speciaal onderwijs3 700400

2.2.2 Voortgezet onderwijs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met de ict-bijdrage binnen de lumpsum wordt scholen de ruimte geboden om naar eigen inzicht ict toe te passen in het onderwijsleerproces en vernieuwingen hierbinnen te stimuleren. De infrastructuur is snel verbeterd. Inmiddels is er voor elke 12 leerlingen een computer beschikbaar (zie ict monitor 2001/2002) en zijn alle instellingen die dit wilden aangesloten op kennisnet en daarmee op het internet. De meeste docenten kunnen inmiddels omgaan met de computer. Hiermee is een basis gelegd voor de verdere integratie van ict in het onderwijsleerproces. Op de meerderheid van scholen is educatieve software aanwezig: het betreft zowel algemene als vakspecifieke software. Uit verschillende onderzoeken blijkt ook dat nog niet alle knelpunten zijn opgelost (met name goed inpasbare educatieve programmatuur en vaardig personeel) en dat blijvende aandacht voor de daadwerkelijke integratie van ict nodig is.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De koopkracht voor de scholen in het voortgezet onderwijs is ook in 2002 opgehoogd. In het schooljaar 2001/2002 bedroeg de ict vergoeding per leerling € 83,–. Vanaf 1 augustus 2002 krijgen scholen een structurele bijdrage van € 58,– per leerling toegevoegd aan de lumpsum. Daarnaast hebben de scholen nog een vergoeding ontvangen voor de kennisnetaansluiting.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Per 1 augustus 2002 maakt de ict-vergoeding deel uit van de exploitatiekosten vergoeding in het voortgezet onderwijs.

Dit heeft geleid tot de volgende vergoedingen en uitgaven in 2002:

• 01/01/2002 tot 01/08/2002: € 83,– per leerling (incl. vergoeding voor beveiliging);

• 01/08/2002 tot 31/12/2002: € 58,– per leerling;

• voor het gebruik van kennisnet is een bedrag toegekend van € 11,– per leerling;

Uitgaande van ongeveer 850 000 leerlingen in het voortgezet onderwijs komt dit bij benadering neer op een uitgave van € 62 miljoen voor ict en € 9 miljoen voor kennisnet.

2.2.3 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In bve-sector wordt ict steeds meer en integraler gebruikt. De standaardisering en koppeling van informatiesystemen zet door en het bve-net is op 1 januari 2002 geïntegreerd met de portal kennisnet. Gemiddeld hebben de bve-instellingen één computer per negen deelnemers (zie Ict-monitor 2001/2002) . Meer dan 80% van de computers heeft toegang tot internet en het merendeel van de computers is geschikt voor multimedia. De e-mail faciliteiten voor de cursisten zijn daarentegen nog ontoereikend. Vrijwel alle instellingen beheren de licenties voor algemene software centraal. Voor educatieve software is dit minder vaak het geval.

Het aantal docenten dat voldoende vaardig is om ict didactisch in te zetten, is gelijk gebleven aan dat van vorig jaar. Sommige docenten ervaren de tijd die nodig is om zich de ict-vaardigheden eigen te maken als problematisch.

De kwaliteit van de computers is goed. De feitelijke inzet van ict in het primaire proces is in vergelijking met het daaraan voorafgaande jaar gelijk gebleven.

Het sectorspecifieke beleid kreeg vorm via twee subsidieregelingen. Een regeling voor het tot stand brengen van nieuwe vormen of systemen van kennisuitwisseling tussen het beroepsonderwijs en de beroepspraktijk (KeBB-regeling) en een regeling voor het innoveren van opleidingen of delen daarvan door een aantrekkelijke en rijk gedifferentieerde leeromgeving te ontwikkelen en deze te implementeren (Silo-regeling).

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 hebben bve-instellingen middelen ontvangen om ict in het onderwijs te kunnen integreren. In het kader van de KeBB- en Silo-regeling (zie boven) zijn in 2002 in totaal 41 projecten van start gegaan (rapportage uitvoeringsorganisatie Senter).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De beschikbare middelen zijn via de bekostiging aan de lumpsum van de scholen toegevoegd. In de lumpsum is een bedrag van € 23 miljoen opgenomen. De projecten in het kader van de KeBB- en Silo-regeling zijn gerealiseerd binnen de beschikbaar gestelde middelen.

2.2.4 Hoger onderwijs

Het hoger onderwijs heeft ict in het onderwijs bevorderd via twee grote innovatieve projecten met een instellingsoverschrijdend belang.

2.2.4.1 Subsidiëring Surf-educatief fonds

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van het Surf-educatief fonds is het stimuleren van innovatieve projecten met een instellingsoverschrijdend belang op het gebied van de toepassing van ict. Dit doel is gerealiseerd door, op basis van toetsbare criteria, projecten te selecteren door middel van een tenderprocedure.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De in mei 2002 gepubliceerde audit van het Surf-educatief fonds leverde een positief beeld op van het belang van het Surf-educatief fonds. Medio 2003 is een externe evaluatie gepland, die informatie moet opleveren over de beslissing over voorzetting van de subsidie voor Surf.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In de begroting 2002 was een subsidie van € 4,5 miljoen opgenomen voor het Surf-educatief fonds. Deze subsidie is daadwerkelijk verstrekt.

2.2.4.2 Digitale universiteit

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Ter bevordering van het gebruik van ict in het hoger onderwijs wordt het consortium Digitale Universiteit (DU) gesubsidieerd. De DU heeft als doel een toonaangevend centrum in Nederland te zijn voor het ontwikkelen en exploiteren van hoger onderwijs in een elektronische leeromgeving en voor het implementeren van innovaties rondom het hoger onderwijs. De DU positioneert zich niet als nieuwe instelling, maar als aanbieder van een samenhangend pakket van producten en diensten voor instellingen en bedrijven.

In de loop van 2001 is de Digitale Universiteit van start gegaan. De eerste resultaten worden thans zichtbaar. In de afgelopen periode zijn vele projecten in gang gezet. Niettemin is te constateren dat ten opzichte van de oorspronkelijke plannen er bij de Digitale Universiteit sprake is van vertragingen en van een onderbesteding in vergelijking met het oorspronkelijke businessplan. Om in dit euvel te voorzien zijn op basis van een door de Digitale Universiteit opgesteld meerjarenplan, tussen het departement en de Digitale Universiteit concrete werkafspraken gemaakt.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om een goed vervolg van de Digitale Universiteit te waarborgen zijn door het ministerie van OCenW in 2002 een tweetal onderzoeken uitgezet. Een eerste onderzoek bevestigde de vertragingen die binnen de Digitale Universiteit zijn opgelopen. De belangrijkste aanbeveling betrof het aanbrengen van vergaande verbeteringen in de projectorganisatie van de Digitale Universiteit. Na het verschijnen van het eerste rapport heeft de Digitale Universiteit een meerjarenplan 2003–2006 opgesteld, waarin de hernieuwde ambities en doelstellingen van de Digitale Universiteit geconcretiseerd werden. OCenW heeft dit meerjarenplan extern laten beoordelen en de conclusies met de Digitale Universiteit besproken. In overleg met de Digitale Universiteit is overeengekomen dat de Digitale Universiteit alle concrete verbetervoorstellen voor de korte termijn, die voortkwamen uit de beide onderzoeken, doorvoert en voor de langere termijn streeft naar een nauwe samenwerking en afstemming met stichting Surf.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2001 is er een subsidie van € 11,3 miljoen aan de Digitale Universiteit verstrekt, voor de gehele periode 2001–2003.

3. Budgettaire gevolgen van beleid

De gerealiseerde uitgaven 2002 voor ict in het onderwijs waren nagenoeg gelijk aan de voorziene budgetten.

Tabel 4: Bestedingen ict (x € 1 000)
 BegrotingRealisatie
Ict-budget OCenW* 280 024304 461
Centraal79 02479 269
Decentraal* 201 000225 192

* exclusief prijscompensatie

De begroting 2002 van artikel 10, welke de centrale uitgaven omvat, was vastgesteld op € 79,0 miljoen. De gerealiseerde uitgaven kwamen iets hoger uit door een combinatie van kaseffecten (€ 79,3 miljoen).

Op de begrotingen van de directies, inclusief het hoger onderwijs, was in totaal € 201 miljoen opgenomen, exclusief de vergoeding voor de stijging van de prijzen. Deze prijscompensatie wordt in de loop van het begrotingsjaar uitgekeerd. Vandaar de p.m. post. Van de € 201 miljoen was € 197 miljoen beschikbaar voor het primair, voortgezet en beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Met de werkelijk uitgekeerde prijscompensatie kwamen de gerealiseerde uitgaven € 24 miljoen hoger uit. De ict begroting 2002 voor het hoger onderwijs bedroeg € 4,5 miljoen. Deze middelen zijn rechtstreeks aan de instellingen overgemaakt. De decentrale uitgaven worden geboekt en verantwoord op de begrotingen van de desbetreffende velddirecties.

Tabel 5: decentrale bestedingen (bedragen x € 1 000)
 Realisatie
Decentrale voorzieningen onderwijsinstellingen/scholen 
Primair onderwijs116 192
Voortgezet onderwijs71 000
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie23 000
Groen onderwijs8 000
Overig2000
Sectorspecifiek of projectmatig ict-beleid 
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie De regelingen KBB en SiloOpgenomen onder verantwoording van artikel 4
Hoger onderwijs5 000
Subtotaal decentraal225 192
Centrale bestedingen 
Internetvoorziening scholen43 949
Stichting Kennisnet19 200
Stichting Ict op school2 723
Methoden en programmatuur8 272
Overige activiteiten5 125
Subtotaal79 269
Totaal304 461

Voor het doen van de bestedingen van de centrale uitgaven is voor € 190 miljoen verplichtingen aangegaan. Hiervan heeft € 84 miljoen betrekking op kasuitgaven 2003 in verband met de verlenging van het centrale contract voor de kosten van de internetverbinding (€ 63 miljoen) en de subsidieverlening voor de stichtingen Kennisnet en Ict op School (€ 21 miljoen).

Op het ontvangstartikel is een bijdrage ontvangen van het Fonds Economische Structuurversterking van het ministerie van Economische Zaken van € 48 miljoen. Dit fonds draagt bij in de dekking van de jaarlijkse decentrale bestedingen.

4. Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf

In de groeiparagraaf in de begroting 2002 is aangegeven, dat het ict beleid zich in een overgangsfase bevindt tussen de afronding van «Onderwijs On Line» en het ict-beleid van een volgende kabinet. Vanuit dit perspectief is in de begroting 2002 vorm gegeven aan de uitgangspunten van VBTB (Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording). In de begroting 2003 is het VBTB-gehalte verder verhoogd. Het oordeel van de Algemene Rekenkamer is voldoende tot goed.

Met name is de directie ict erin geslaagd het maatschappelijk effect aan te geven. Het nu voorliggende jaarverslag 2002 is de opmaat om VBTB ook voor de begrotingsuitvoering en begrotingsevaluatie een vaste vorm te geven.

11. STUDIEFINANCIERING

11.1 Algemene beleidsdoelstelling

Studiefinanciering is een zaak van drie partijen: de overheid, studenten en hun ouders. Alle drie leveren ze een onmisbare bijdrage. De overheid zet de middelen voor studiefinanciering in op een zodanige wijze, dat het onderwijs voor iedereen toegankelijk is, ook voor mensen met een lager inkomen. Van degene die voor studiefinanciering in aanmerking komt, wordt een tegenprestatie verwacht.

11.2 Het stelsel

De middelen die de overheid voor studiefinanciering beschikbaar stelt, zijn zowel voor een bijdrage in de kosten die direct samenhangen met het volgen van onderwijs, als voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud.

Het beleid richt zich daarbij op de volgende doelgroepen:

• deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg;

• studenten in het hoger beroepsonderwijs;

• studenten in het wetenschappelijk onderwijs.

Het beleid is vastgelegd in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000), die sinds 1 september 2000 van kracht is.

Hierin hebben studenten ruime mogelijkheden om hun studiefinanciering flexibel op te nemen. Zo kunnen studenten tot aan 30-jarige leeftijd hun studiefinanciering opnemen, en is de diplomatermijn 10 jaar.

Onderdeel van de studiefinanciering is de reisvoorziening. Met deze reisvoorziening wordt beoogd bij te dragen in de reiskosten van studenten. Het contract voor de ov-studentenkaart liep tot en met 2002. Inmiddels is een nieuw contract gesloten.

In de WSF 2000 is exact beschreven welke bijdragen de overheid aan studerenden beschikbaar stelt en aan welke voorwaarden studerenden moeten voldoen om voor studiefinanciering in aanmerking te komen.

Maandbudget

Studiefinanciering bestaat uit een basisbeurs voor iedereen, een aanvullende beurs die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen en (eventueel) een rentedragende lening. Tezamen is dit het maandelijkse normbudget. Dit maandbudget is opgebouwd uit componenten voor de kosten van levensonderhoud, kosten voor boeken en leermiddelen, kosten van de onderwijsbijdrage en ziektekosten. Ook een reisvoorziening vormt onderdeel van het normbudget.

De diverse normbedragen worden jaarlijks geïndexeerd.

Voor 2002 staan in tabel 11.1 de belangrijkste normbedragen vermeld.

Tabel 11.1: Normbedragen WSF 2000 per maand in euro's (per 1 januari 2002 en 1 augustus/september 2002)
 1-1-20021-8/9-2002
Wo en hbo  
Basisbeurs  
– thuiswonend68,5568,55
– uitwonend211,09211,09
Maximale aanvullende beurs216,53222,05
Rekenmaximum rentedragende lening234,29234,29
Maximaal normbudget661,91667,43
Bol  
Basisbeurs  
– thuiswonend51,6651,66
– uitwonend194,20194,20
Maximale aanvullende beurs293.92296,65
Rekenmaximum rentedragende lening128,14128,14
Maximaal normbudget616,26618,89

Aantallen studiefinancieringsgerechtigden

De toegankelijkheid van het onderwijs wordt gewaarborgd door een basisbeurs voor iedereen. De doelstelling dat het onderwijs ook voor mensen met een lager inkomen toegankelijk is, komt in het studiefinancieringsstelsel tot uiting in de verstrekking van de aanvullende beurs.

In tabel 11.2 worden de aantallen, zoals die zijn vermeld in de begroting 2002, vergeleken met de gerealiseerde aantallen over het jaar 2002.

Tabel 11.2: Aantallen studiefinancieringsgerechtigden
 Begroting 2002Realisatie 2002
Basisbeursgerechtigden wo95 97598 215
– waarvan prestatiebeurs91 06894 243
– waarvan tempobeurs4 9073 972
Basisbeursgerechtigden hbo201 839202 738
– waarvan prestatiebeurs201 452200 173
– waarvan tempobeurs3872 565
Basisbeursgerechtigden bol160 392156 144
Totaal458 206457 097
Aanvullende beursgerechtigden  
– wo26 56325 847
– hbo81 32077 182
– bol88 12082 427
Totaal196 002185 456

Bovengenoemd aantal aanvullende beursgerechtigden kan worden uitgedrukt in een percentage van het aantal basisbeursgerechtigden. Tabel 11.3 geeft de gerealiseerde percentages weer ten opzichte van de percentages zoals in de begroting 2002 vermeld.

Tabel 11.3: Percentage aanvullende beursgerechtigden t.o.v. de basisbeurs
 Begroting 2002*Realisatie 2002
Wo28%26%
Hbo40%38%
Bol55%53%
Totaal43%41%

* Dit is het in 2000 gerealiseerd percentage

Het percentage aanvullende beursgerechtigden wordt vooral bepaald door de hoogte van het ouderlijk inkomen. Waar het totaal aantal basisbeursgerechtigden nagenoeg gelijk is gebleven is het aantal aanvullende beursgerechtigden in 2002 duidelijk lager uitgevallen dan geraamd (zie tabel 11.2). Dit uit zich tevens in de in tabel 11.3 gepresenteerde percentages.

Tabel 11.4: Aantal gerechtigden ov-studentenkaart
 BegrotingRealisatieVerschil
Wo121 629124 8493 220
Hbo221 980231 3099 329
Bol160 392156 144– 4 248
Totaal504 001512 3028 301

Het totaal aantal ov-kaartgerechtigden bestaat uit degenen die recht hebben op een basisbeurs én degenen die uitsluitend recht hebben op een rentedragende lening. De stijging van het aantal ov-kaartgerechtigden in 2002 is dus zowel het gevolg van een wijziging in het aantal basisbeursgerechtigden in de diverse onderwijssoorten (zie tabel 11.2), als in het gebruik van de reguliere rentedragende leningen (tabel 11.5).

Rentedragende leningen

Naast een basisbeurs voor iedereen en een aanvullende beurs, die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen, kan de student zijn maandbudget verruimen door naast de studie te gaan werken of een rentedragende lening op te nemen.

Het verschil tussen het normbudget enerzijds en het totaal van de ontvangen basisbeurs en aanvullende beurs anderzijds, bepaalt het maximaal op te nemen bedrag aan rentedragende lening.

Met de invoering van de prestatiebeurs in 1996 is het aantal jaren dat een student recht heeft op een basisbeurs gelijkgesteld aan het aantal jaren dat zijn opleiding formeel duurt. Nadat een student zijn basisbeursrechten heeft verbruikt, heeft hij nog drie jaar recht op een rentedragende lening. De opgenomen lening kan worden uitgedrukt als percentage van het maximum te lenen bedrag.

Tabel 11.5 geeft de gerealiseerde percentages over 2002 weer ten opzichte van de percentages zoals die in de begroting 2002 staan vermeld.

Er wordt meer geleend. In 2001 was dit nog totaal € 398,7 miljoen, in 2002 is dit totaal € 477,9 miljoen. Uit de tabel valt op te maken dat dit zich vooral voordoet bij het wetenschappelijk onderwijs (wo) en in iets mindere mate bij het hoger beroepsonderwijs (hbo).

Het percentage opgenomen leningen bij de beroepsopleidende leerweg (bol) is ongewijzigd gebleven.

Tabel 11.5: Percentage opgenomen reguliere rentedragende leningen
 Begroting 2002Realisatie 2002
Wo31%38%
Hbo17%19%
Bol6%6%
Totaal18%20%

11.3 Operationele doelstellingen

11.3.1 WSF 2000: kwijtschelding aanvullende beurs

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In 1999 is bij de behandeling van de volledig herziene Wet studiefinanciering 2000 door de Tweede Kamer een amendement aangenomen, waarin wordt bepaald dat de schuld uit hoofde van de aanvullende beurs afhankelijk van het inkomen van de student wordt kwijtgescholden als die student zijn diploma niet binnen de diplomatermijn haalt. Prestatiebeursstudenten die minimaal dertien maanden studiefinanciering hebben gehad vanaf het studiejaar 2000–2001 kunnen van deze maatregel profiteren. Bij het bepalen van de draagkracht wordt ook rekening gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur. Maatgevend voor de draagkracht is het inkomen in het derde jaar na beëindiging van de studie.

Het effect van deze maatregel is dat studenten met een aanvullende beurs die uiteindelijk geen diploma halen dezelfde uitgangssituatie hebben als ze de arbeidsmarkt betreden als studenten zonder aanvullende beurs die het diploma wel behalen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De kwijtschelding aanvullende beurs is geregeld in een algemene maatregel van bestuur (Besluit van 20 februari 2002, Stb. 132), die op 1 januari 2003 in werking treedt (Besluit van 3 oktober 2002, Stb. 507).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Niet van toepassing. De kwijtscheldingsmogelijkheid heeft pas in 2006 budgettaire gevolgen.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Brief minister aan de Vaste Kamercommissie van 30 mei 2002, Kamerstukken II, 2001–2002, 28 249, nr. 2.

Brief minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 11 juli 2002, Kamervragen met antwoord 2002–2002, nr. 1422.

11.3.2 Reisvoorziening WSF: verlenging contract

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het contract voor de ov-studentenkaart liep eind 2002 af. Het doel was om in 2002 een nieuw contract te sluiten voor de periode ná 2002. Dat voornemen is gerealiseerd.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De bedoeling was een voor alle partijen (studenten, vervoersbedrijven en OCenW) aanvaardbaar resultaat te bereiken. Dit resultaat is bereikt. Zo kunnen studenten ten opzichte van de vorige ov-studentenkaart langer reizen op vrijdag.

Het nieuwe contract loopt vanaf 2003 voor onbepaalde tijd.

Een reisvoorziening voor studenten maakt deel uit van de studiefinanciering.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het nieuwe contract loopt vanaf 2003 en had dus nog geen budgettair effect in 2002.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

• Brief minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 4 april 2002;

• Brief minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 17 april 2002;

• Brief minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 3 juni 2002;

• Brief staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 1 november 2002 (Kamerstukken II, 2001–2002, 24 724, nr. 58).

11.3.3 Internationalisering; studeren zonder grenzen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstelling van studeren zonder grenzen is mobiliteit van studenten stimuleren en faciliteren, waardoor zij een breder scala aan mogelijkheden krijgen aangeboden om zich optimaal te ontwikkelen en op de arbeidsmarkt voor te bereiden, waarbij voor de student geen financiële belemmeringen zijn.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Bovenstaande zou kunnen worden bereikt door studiefinanciering voor studenten meeneembaar te maken voor een studie in het buitenland (hoger onderwijs) en het starten van een pilot voor het middelbaar beroepsonderwijs.

Het was de bedoeling in 2002 een wetsvoorstel aan de Kamer voor te kunnen leggen waarin bovenstaande doelstelling werd gerealiseerd. Onderzoek heeft echter een aantal dilemma's zichtbaar gemaakt, waardoor herziening van het beleidsplan noodzakelijk was.

Hoger onderwijs

Als gevolg van uitspraken van het Europees Hof van Justitie en een steeds verdergaande invulling van het begrip «Europees burgerschap» kan een toenemend aantal Europese onderdanen aanspraak maken op de Nederlandse voorzieningen voor studiefinanciering. De inperking van rechthebbenden tot de primaire doelgroep is niet haalbaar zoals bleek uit ex-ante evaluatieonderzoek. Daarom is voor het hoger onderwijs voor de korte termijn gekozen voor continuering van het huidige beleid.

Voor de langere termijn is het noodzakelijk te onderzoeken of er toch mogelijkheden zijn studiefinanciering mee te nemen naar het buitenland zonder onbedoeld gebruik op te roepen.

Dit aspect zal een rol spelen bij het formuleren van uitgangspunten voor een nieuw stelsel van studiefinanciering.

Middelbaar beroepsonderwijs

Een wetsvoorstel om een pilot voor het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) mogelijk te maken is vertraagd door het dilemma dat hierboven is geschetst. In tegenstelling tot het hoger onderwijs zal de pilot voor het mbo wel doorgang vinden. De reden hiervoor is dat het mbo achter loopt bij het hoger onderwijs en een inhaalslag dus noodzakelijk is. Daarnaast kunnen de risico's die hierboven zijn genoemd sterk beperkt worden. Een wetsvoorstel om de pilot voor het mbo mogelijk te maken is thans in voorbereiding.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Er zijn voor dit onderwerp nog geen kosten gemaakt.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Brief minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 17 juni 2002 (Kamerstukken II, 2001–2002, 24 724, nr. 56).

11.3.4 Bachelor-master

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.3 en 7.3 (hbo en wo).

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De invoering van het bachelor-masterstelsel brengt geen wijzigingen aan in de structuur van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000). De invoering van het bachelor-masterstelsel brengt voor de studiefinanciering twee veranderingen met zich mee, die een verruiming betekenen voor de student. Ten eerste betreft dit het creëren van een extra tussenmoment in het wetenschappelijk onderwijs door de introductie van het bachelorgetuigschrift. Studenten kunnen er ook voor kiezen dit niet te doen en bijvoorbeeld enkel na het behalen van het bachelorgetuigschrift hun studiefinanciering tijdelijk stop te zetten. In het geval van een tussentijdse stopzetting vindt er geen omzetting plaats en blijft de student aanspraak behouden op een prestatiebeurs voor het volgen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs. Ten tweede betreft dit een verruiming op het vlak van de resterende studiefinancieringsrechten. Studenten zullen deze rechten, behalve voor de opleidingen in de zin van de WSF 2000, dan ook kunnen inzetten voor geaccrediteerde postinitiële masteropleidingen. Door de goedkeuring van het wetsvoorstel zijn deze zaken inmiddels een feit.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De invoering van het bachelor-masterstelsel zal voor de studiefinanciering budgettair neutraal zijn.

11.3.5 Koppeling WSF 2000 aan GBA

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van de Wet koppeling is het optimaliseren van de betrouwbaarheid van de Gemeenschappelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) als unieke kernbron van persoonsgegevens. Dit als instrument van het kabinetsbeleid inzake bestrijding van fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik. In 2002 is conform de doelstelling bereikt dat de Wet koppeling overheidsprestaties aan correcte inschrijving in de GBA (Wet koppeling) voor wat betreft de WSF 2000 in werking is getreden.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Ja, maar met het volgende voorbehoud. Volgens de Wet koppeling zou bij discrepantie tussen woonadres en GBA-adres de uitwonendebeurs voor nieuwe studenten vanaf het studiejaar 2002–2003 vanaf het moment van aanvraag worden omgezet in een beurs voor thuiswonenden.

Na vragen in de Tweede Kamer van het lid Lambrechts (D66) is besloten de sanctie later te doen ingaan. Studerenden die op 1 juli 2003 niet aan de eis voldoen, betalen de hun toegekende uitwonendecomponent vanaf 1 april 2003 terug en niet al vanaf 1 september 2002.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Bovenstaande heeft niet tot financiële effecten geleid.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Brief staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 5 december 2002, Kamerstukken II, 2002–2003, 24 724, nr. 59.

11.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.6: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen   1 987 4901 804 2541 719 94684 308
– waarvan garanties   0045– 45
Totaal uitgaven   1 987 4901 804 2541 719 94684 308
        
Waarvan relevante uitgaven:   1 173 700920 5031 010 273– 89 770
11.1 Basis- en aanvullende beurs   854 077840 501937 893– 97 392
11.2 Reisvoorziening   251 21229 88713829 749
11.3 Overige uitgaven   68 41150 11572 242– 22 127
        
Waarvan niet-relevante uitgaven:   813 790883 751709 673174 078
11.4 Prestatiebeurs   415 089405 823343 00262 821
11.5 Reguliere rentedragende lening   398 701477 928366 671111 257
Totaal ontvangsten   331 928332 613344 329-11 716
11.1 Relevant   254 541245 571246 902– 1 331
11.2 Niet-relevant   77 38787 04297 427– 10 385

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

11.5 Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf

Monitoring van inkomens en uitgaven van studenten

De uitkomsten van het jaarlijkse onderzoek «studentenmonitor» geven onder andere inzicht in de inkomenspositie en de sociaal-economische achtergrond van de student.

In het Algemene Overleg op 19 juni 2002 (Kamerstukken 25 374, nrs. 12–14) zijn de resultaten van de studentenmonitor besproken. Geconcludeerd is dat de student een aanvaardbaar inkomen heeft.

Aflossingen van studieleningen

De beleidsinformatie over aflossing van studieleningen is nog niet veel verder in beeld gebracht. In 2002 is van 2 700 debiteuren die aan het eind van de aflosfase waren, de resterende schuld (€ 13,2 miljoen) kwijtgescholden. In 2003 zal naar «lenen en aflossen» verder onderzoek plaatsvinden.

Studievoortgang

Het streven is om effecten van het prestatiebeursregime weer te geven in een percentage van de studenten dat aan de studievoortgangseisen voldoet.

De diplomatermijn is met de WSF 2000 voor alle studenten opgerekt tot 10 jaar.

Prestatiebeursstudenten hebben dus tot 2006 de tijd om het diploma te behalen. Omdat met de diplomaomzetting alsnog eerstejaars leningen kunnen worden omgezet in een gift zijn definitieve gegevens over eerstejaars omzettingen ook nog niet beschikbaar. Informatie over de diplomaomzettingen is dus nog niet volledig.

12. TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

12.1 Algemene beleidsdoelstelling

Schoolgaande kinderen kosten geld. De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat er geen financiële drempel kan bestaan voor het volgen van onderwijs. De toegankelijkheid wordt erdoor gewaarborgd.

Het beleid richt zich daarbij op de volgende doelgroepen:

• Ouders van leerlingen tot 18 jaar in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg (afgekort TS17-). Voor deze doelgroep is een lesgeldvergoeding en een tegemoetkoming in de schoolkosten beschikbaar, afhankelijk van het inkomen van de ouder(s) en de leeftijd van de kinderen.

• Leerlingen van 18 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs (afgekort VO18+). Alle leerlingen in deze doelgroep hebben recht op een basistoelage. Daarnaast kunnen zij, afhankelijk van het inkomen van de ouder(s), een lesgeldvergoeding en een tegemoetkoming in de schoolkosten ontvangen.

• Leerlingen van 18 jaar en ouder die (deeltijd) voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgen en die geen recht meer hebben op WSF (afgekort TS18+). Afhankelijk van het eigen inkomen ontvangt deze doelgroep een les- of collegegeldvergoeding en een tegemoetkoming in de schoolkosten.

12.2 Het stelsel

12.2.1 Toegankelijkheid

Door uitbreiding naar inkomensgroepen met een belastbaar inkomen van € 24 950 (voor 2002 is deze grens geïndexeerd tot circa € 25 750), invoering van de glijdende schaal en verhoging van de normvergoedingen vormt de WTOS een aanzienlijke verruiming ten opzichte van de WTS, die tot schooljaar 2000–2001 van kracht was. Daardoor is de toegankelijkheid meer gewaarborgd.

In de diverse hoofdstukken van de WTOS is exact beschreven om welke tegemoetkomingen het gaat en aan welke voorwaarden voor tegemoetkoming moet worden voldaan.

Normen

De genormeerde tegemoetkomingen voor de diverse groepen van leerlingen/studenten, zoals bij 12.1 zijn beschreven, worden jaarlijks geïndexeerd.

In onderstaande drie tabellen staan de normen aangegeven die voor het school/studiejaar 2001–2002 en 2002–2003 zijn gehanteerd voor de hoofdstukken III, IV en V van de WTOS.

Tabel 12.1: Normbedragen WTOS hoofdstuk III (TS17-) in euro's
Schooljaar 2001/02vo-onderbouwvo-bovenbouwbol(v)so
Schoolkosten504,60572,67845,390
Onderwijsbijdrage852,20852,20852,20852,20

* het betreft de normbedragen tot een belastbaar inkomen van € 24 950 over het peiljaar 1999

Schooljaar 2002/03vo-onderbouwvo-bovenbouwbol(v)so
Schoolkosten517,16586,93866,440
onderwijsbijdrage885,00885,00885,00885,00

* het betreft de normbedragen tot een belastbaar inkomen van € 24 748,40 over het peiljaar 2000

NB: lesgeldvergoeding wordt uitsluitend toegekend aan lesgeldplichtige studerenden

Tabel 12.2: Basistoelage per maand WTOS hoofdstuk IV (VO18+) in euro's
Kalenderjaar 2002vo/(v)so
Uitwonenden202,12
Thuiswonenden86,70
Tabel 12.3 Normbedragen WTOS hoofdstuk V (TS18+) in euro's
 Schooljaar 2001/2002 Lesminuten per weekVavo ho
     
Schoolkosten270–540 min158,37Schoolkosten549,33
 > 540 min235,06  
Onderwijs-270–540 min174,25Onderwijsbijdrage567,23
bijdrage> 540 min261,38  
 Schooljaar 2002/2003 Lesminuten per weekVavo ho
     
Schoolkosten270–540 min162,31Schoolkosten563,04
 > 540 min240,91  
Onderwijs-270–540 min182,40Onderwijsbijdrage567,23
bijdrage> 540 min273,60  

Aantallen WTOS-gerechtigden

In tabel 12.4 worden de aantallen WTOS-gerechtigden voor de hoofdstukken III, IV en V vermeld, zoals die staan opgenomen in de begroting 2002 en vergeleken met de realisatie over het jaar 2002.

Tabel 12.4: Aantallen WTOS-gerechtigden
 Begroting 2002Realisatie 2002
TS17-362 250362 703
– waarvan vo291 900299 962
– waarvan bol70 35062 741
   
VO18+27 10026 192
– waarvan (v)so2 5871 745
– waarvan vo24 51324 447
   
TS18+8 4539 704
– waarvan vo4 2641 882
– waarvan hbo4 1897 822
Totaal397 803398 599

Ten opzichte van de begroting 2002 wijkt het gerealiseerde totaal aantal rechthebbenden slechts weinig af. Het aantal rechthebbenden TS17- in de beroepsopleidende leerweg ligt in de realisatie lager en in het voortgezet onderwijs hoger.

12.3 Operationele doelstellingen

12.3.1 Effecten 2002 van de invoering WTOS in 2001

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met de invoering van de WTOS met ingang van het schooljaar 2001–2002 is bereikt dat de financiële tegemoetkomingen voor mensen met schoolgaande kinderen en leerlingen van 18 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs en de lerarenopleidingen zijn verruimd, waardoor meer mensen in aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming. Daarnaast is het stelsel op enkele onderdelen verbeterd. Dit is gerealiseerd door verhoging van de inkomensgrens, invoering van de glijdende schaal en de invoering van de telkindersystematiek. Daarnaast zijn ook de tegemoetkomingen verhoogd.

Een groter aantal mensen is in aanmerking gekomen voor een tegemoetkoming in het kader van de WTOS. Voorgaande tabel 12.4 toont het aantal WTOS-gerechtigden in 2002. Het gerealiseerde totaal aantal WTOS-gerechtigden komt aardig overeen met het begrote aantal in 2002.

Onderstaande tabel toont het extra aantal gerechtigden als gevolg van de invoering van de glijdende schaal met daarbij de extra uitgaven die hiermee gepaard zijn gegaan.

Tabel 12.5: Aantal leerlingen schooljaar 2001/2002 in de glijdende schaal en bijbehorende uitgaven (x € 1 miljoen)
 BegrotingRealisatieVerschilRealisatie uitgaven
TS17-    
– vo56 83146 916– 9 91524,4
– bol23 32017 586– 5 73417,2
Totaal80 15164 502– 15 64941,6

Het totaal aantal gerechtigden in de WTOS is weliswaar iets gestegen, uit tabel 12.5 blijkt dat het aantal gerechtigden in de glijdende schaal minder hoog is dan verwacht. Omdat de glijdende schaal voor het eerst ingevoerd is in het schooljaar 2001–2002 was het lastig hier een nauwkeurige schatting van te maken.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Met ingang van het schooljaar 2001–2002 is in de WTOS het volgende gerealiseerd:

• armoedeval aangepakt door invoering glijdende schaal;

• tegemoetkoming houdt rekening met aantal kinderen in een gezin door de telkindersystematiek;

• inkomensgrens is verhoogd;

• tegemoetkomingen schoolkosten zijn verhoogd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Onderstaande tabel toont de gerealiseerde relevante uitgaven voor de WTOS in 2002 in relatie tot de begroting.

Tabel 12.6: Uitgaven WTOS 2002 (x € 1 000)*
 BegrotingRealisatieVerschil
TS 17-274 716289 26314 547
VO 18+53 59149 429– 4 162
WTOS 18+5 5819 0593 478
Totaal333 888347 75113 863

* Realisatie is inclusief € 1,0 miljoen niet-relevante uitgaven.

Bij de TS17- is de toename ten opzichte van de begroting 2002 goeddeels het gevolg van de jaarlijkse indexering van normbedragen. Het verschil bij de VO18+ heeft voor een groot deel te maken met een lager aantal gerechtigden en een lager uitgevallen vergoeding van het lesgeld.

Het verschil bij de WTOS18+ betreft een groter aantal gerechtigden dan geraamd (1 251 meer).

Daarnaast treedt bij de WTOS18+ een verschuiving op tussen vo'ers (2 382 minder) en hbo'ers (3 633 meer dan begroot). Het normbedrag voor een hbo'er is hoger dan voor een vo'er.

12.3.2 Lerarenopleidingen en zij-instromers

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Met de invoering van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) in het schooljaar 2001–2002 is tevens de tegemoetkoming lerarenopleiding verruimd. Doel hiervan was om meer studenten die een lerarenopleiding volgen in aanmerking te laten komen voor een tegemoetkoming, waardoor er meer studenten aangetrokken werden om een lerarenopleiding te volgen. Doordat het partnerinkomen middels een beleidsregel buiten werking is gesteld, is het aantal gerechtigden aanzienlijk hoger dan begroot.

Tabel 12.7: Aantallen gerechtigden tegemoetkoming lerarenopleiding 2002
BegrotingRealisatieVerschil
4 1897 8223 633

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In het kader van de harmonisatie met de WTOS zijn met ingang van het studiejaar 2001–2002 de volgende aanpassingen aan de regeling tegemoetkoming lerarenopleiding gerealiseerd:

• de normbedragen zijn verhoogd;

• de inkomensgrens is opgehoogd en voorzien van een glijdende schaal;

• de regeling geldt nu voor alle lerarenopleidingen in plaats van alleen voor de tekortvakken;

• het gebruik van de regeling is gemaximeerd tot 24 maanden;

• daarnaast wordt bij het vaststellen van de inkomensgrens uitgegaan van het gezinsinkomen. Het inkomen van de partner wordt nu dus meegerekend.

Dit laatste punt leidde tot veel kritiek van studenten die buiten de boot vielen, doordat er uitgegaan werd van het gezinsinkomen. Vanwege de parlementaire behandeling van de WTOS waren studenten pas op een zeer laat tijdstip voorgelicht over de wijziging van het inkomensbegrip.

Daarom is besloten om voor het schooljaar 2001–2002 en 2002–2003 het partnerinkomen buiten beschouwing te laten en de regeling te evalueren. Deze evaluatie vindt begin 2003 plaats.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Met name als gevolg van het buiten beschouwing laten van het partnerinkomen zijn meer studenten dan begroot in aanmerking gekomen voor een tegemoetkoming. De uitgaven zijn dan ook hoger dan begroot (zie tabel 12.8).

Tabel 12.8: Uitgaven tegemoetkoming lerarenopleiding 2002 (x € 1 000)
BegrotingRealisatieVerschil
4 0597 8793 820

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Toezegging (ID 144) van de minister aan de Kamer bij het AO Inkomenspositie/OVSK van 19 juni 2002: «Er zal evenwel onderzocht worden of het buiten beschouwing laten van het inkomen van de partner bij de vaststelling van de inkomensgrens ertoe kan leiden dat er substantieel meer mensen naar de deeltijd-pabo komen».

12.3.3 Ontwikkelingen van de schoolkosten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel hiervan was om, gezien de voortdurende veranderingen in het onderwijs, de ontwikkelingen van de schoolkosten systematisch en periodiek te volgen.

Daarvoor is begin 2002 door de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO) onderzoek gedaan naar hoe de schoolkosten beheerst kunnen worden en in hoeverre dit al gebeurt.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Door de uitbreiding van de WTOS vanaf 2001–2002 is het bereik van de regeling aanzienlijk toegenomen. Er is meer geld (hogere normbedragen) voor meer mensen (hogere inkomensgrens, glijdende schaal) beschikbaar. Er is niet voor gekozen om de kostenontwikkeling in het onderwijs automatisch door te vertalen in de normvergoeding in de WTOS. Immers, daardoor wordt iedere rem weggenomen op kostenbeheersing van de kant van de onderwijsinstellingen en ouders.

In een brief aan de Kamer d.d. 26 april 2002 is een pakket van maatregelen voorgesteld met als doel de schoolkosten beter te beheersen en ouders als betaler van de schoolkosten meer in stelling te brengen. Deze maatregelen zijn inmiddels in gang gezet en omvatten de volgende punten:

• verbeteren voorlichting over schoolkosten en financiële voorzieningen;

• verbeteren transparantie schoolkosten;

• meer en betere inspraak ouders en leerlingen;

• verbeteren marktpositie scholen voortgezet onderwijs op schoolboekenmarkt;

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Niet van toepassing.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Brief minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 26 april 2002 (28 000 VIII nr. 128).

12.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 12.9: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen   330 651347 751333 88813 863
– waarvan garanties   0000
Uitgaven   330 651347 751333 88813 863
Ontvangsten   14 79213 02511 9341 091

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

12.5 Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf

Ontwikkeling van de schoolkosten

Over de ontwikkeling van de schoolkosten is de Tweede Kamer al in 2001 geïnformeerd. In 2003 zal opnieuw worden gemonitord hoe de schoolkosten zich ontwikkelen (zie ook paragraaf 12.3.3).

Invoering van de WTOS

Over de effecten van de invoering van de WTOS is zowel bij het jaarverslag 2001 als ook in dit jaarverslag (zie paragraaf 12.3.1) gerapporteerd.

13. LESGELDEN

13.1 Algemene beleidsdoelstelling

Voor het volgen van onderwijs door niet-leerplichtige leerlingen vraagt de overheid een bijdrage in de kosten in de vorm van lesgeld. Het ministerie zorgt ervoor dat deze lesgelden efficiënt geïnd worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de betalingsmogelijkheden van de lesgeldplichtigen.

Tot de doelgroep behoren (de ouders van) leerlingen van 16 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg.

13.2 Het stelsel

In de Les- en cursusgeldwet (LCW) is bepaald vanaf welke leeftijd leerlingen in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg lesgeldplichtig zijn.

Daarnaast is in de LCW vastgelegd wanneer en op welke wijze de hoogte van het les-en cursusgeld wordt vastgesteld.

Lesgeldplichtigen zijn (de ouders van) leerlingen van 16 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg.

Hoogte van het lesgeld

Vanaf het schooljaar 2000–2001 wordt voor de bepaling van de hoogte van het lesgeld aangesloten bij de algemene prijsontwikkeling.

Tabel 13.1 Lesgeldbedrag peildatum 1 januari 2000 (x € 1)
 2001/20022002/2003
Lesgeld852,20869

Het lesgeld in de ontwerpbegroting voor het schooljaar 2002/2003 betrof een raming. Voor het schooljaar 2002/2003 is het lesgeldbedrag in het najaar van 2001 (op basis van de algemene prijsontwikkeling in de periode 2000–2001) vastgesteld op € 885,–.

Lesgeldplichtigen

In tabel 13.2 worden de aantallen lesgeldplichtigen vermeld zoals die staan opgenomen in de begroting 2002 vergeleken met de realisatie over het jaar 2002.

Tabel 13.2: Aantallen lesgeldplichtigen
 BegrotingRealisatieVerschil
Totaal437 295446 4269 131
– waarvan bol252 183262 59010 408
– waarvan vo167 898173 7215 823
– waarvan (v)so17 21510 115– 7 100

13.3 Operationele doelstellingen:

Salderen van lesgeld met beschikbare tegemoetkomingen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In de begroting 2002 is gerapporteerd over het interdepartementaal beleidsonderzoek naar de mogelijkheden om de ontvangen lesgelden (en cursus- en collegegelden) te salderen met de tegemoetkomingen die via WTOS en WSF voor leerlingen en studenten beschikbaar zijn.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Het toegezegde kabinetsstandpunt is in 2002 opgesteld en aangeboden aan de Tweede Kamer.

Conclusie van het onderzoek is dat saldering slechts een beperkte besparing op de uitvoeringskosten met zich meebrengt. Doordat huishoudens met lagere inkomens het lesgeld vergoed krijgen, draagt het afschaffen niet bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. In het onderzoek worden verschillende varianten van het afschaffen van het lesgeld gepresenteerd:in de meest eenvoudige variant kost dit € 245 miljoen. Het toenmalige kabinet heeft in zijn reactie aangegeven andere prioriteiten te stellen, gezien het budgettaire beslag dat het afschaffen met zich meebrengt.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Niet van toepassing.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Brief minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 28 januari 2002 (Kamerstukken II, 2001–2002, 28 205 nr. 1).

13.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13.3: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Ontvangsten   370 931388 764375 18513 579

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

13.5 Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf

Niet van toepassing.

14. CULTUUR

14.1 Algemene beleidsdoelstelling

De tweeledige doelstelling van het beleid is het waarborgen van een hoogwaardig en divers aanbod van cultuuruitingen en het bevorderen van de publieke belangstelling daarvoor.

De ministeriële verantwoordelijkheid betreft primair het scheppen van voorwaarden voor een bloeiend cultureel leven.

14.2 Het stelsel

De verdeling van de grootste geldstroom voor het beleidsterrein cultuur vindt iedere vier jaar plaats. Het betreft hier de meerjarige instellingensubsidies in het kader van de cultuurnota. Hierbij is een belangrijke rol voor de Raad voor Cultuur weggelegd. Over het te voeren beleid wordt advies gevraagd aan de Raad voor Cultuur. De beleidsvoornemens worden in het jaar voorafgaand aan de cultuurnota opgenomen in een uitgangspuntenbrief die aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd.

De wetgever heeft bepaald dat de cultuurnota niet alleen beleidsvoornemens voor de volgende periode van vier jaar bevat, maar ook een verslag van de uitvoering in de voorafgaande periode en van belangrijke ontwikkelingen die daarop van invloed zijn geweest (art. 3, tweede lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid). Er is sprake van voortdurende interactie tussen evaluatie en ontwikkeling van cultuurbeleid.

In het kader van de cultuurnota 2001–2004 worden 455 instellingen gesubsidieerd. De te subsidiëren voormalige Rijksmusea maken ook onderdeel uit van de vierjaarlijkse cyclus. Onderdeel van de cultuurnota 2001–2004 is het actieplan cultuurbereik. De culturele instellingen die op grond van de cultuurnota worden gesubsidieerd leggen jaarlijks een tussentijdse verantwoording af aan OCenW middels jaarverslagen en jaarrekeningen. Aan het eind van de cultuurnotaperiode wordt verantwoording afgelegd over de gehele periode.

14.2.1 Toegankelijkheid

In de uitgangspuntenbrief voor de cultuurnota 2001–2004 zijn speerpunten van het beleid waaronder diversiteit en bereik opgenomen. Deze worden in paragraaf 14.3 beschreven.

Voor cijfers die uitdrukking geven aan de deelname aan cultuuruitingen wordt verwezen naar «Verantwoording in kerncijfers» (tabellen 3.2 tot en met 3.10).

14.2.2 Variëteit

Het beleidsterrein cultuur wordt ingedeeld naar sectoren die onderling veel diversiteit vertonen. Daarnaast is de diversiteit van de subsidieontvangende instellingen binnen de sectoren ook vaak groot. De sectoren van het beleidsterrein cultuur zijn als volgt:

• Kunsten: podiumkunsten, beeldende kunst, film, amateurkunst en architectuur;

• Cultureel erfgoed: musea, archieven, monumentenzorg, archeologie;

• Letteren en bibliotheken.

14.2.3 Kwaliteit

De Raad voor Cultuur geeft een kwaliteitsoordeel over de instellingen die een aanvraag indienen om voor subsidie middels de cultuurnota in aanmerking te komen. Bij zijn integrale advisering in het kader van de cultuurnota houdt de Raad voor Cultuur rekening met de financiële kaders van het ministerie van OCenW en de inhoudelijke richtlijnen, die door de bewindspersoon zijn opgesteld in de uitgangspuntenbrief.

Op basis van de kwaliteitsafweging van de Raad voor Cultuur wordt een integrale afweging van subsidieaanvragen gemaakt. Het resultaat wordt samengevat en toegelicht in de cultuurnota.

Aan het eind van de 4-jarige cultuurnotaperiode geeft de Raad voor Cultuur een kwaliteitsoordeel over de afgelopen periode.

14.2.4 Subsidies en rijksbijdragen

Voor cultuur worden de uitgaven gerangschikt naar de verschillende sectoren. Zie hiervoor ook de tabel «budgettaire gevolgen van het beleid».

De uitgaven in 2002 worden in onderstaande tabel gerangschikt naar cultuurnota-uitgaven en overige uitgaven per sector. De uitgaven aan de cultuurnota omvat 72% van het totaal en de uitgaven aan overige subsidies omvat 28% van de totale uitgaven.

Tabel 14.1: Uitgaven cultuur 2002 (x € 1 miljoen)
 CultuurnotaOverig
Totaal uitgaven cultuur 2002471,1182,9
Kunsten24552
Podiumkunsten168,46,1
Film9,41,1
Beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving41,83,8
Amateurkunst en kunsteducatie13,210,5
Overige subsidies kunsten12,230,5
   
Letteren en bibliotheken26,412,7
Bibliotheken19,210,5
Letteren7,20,7
Overig01,5
   
Fondsen74,30
   
Cultureel erfgoed123,8113,9
Musea123,017,0
Monumentenzorg0,477,3
Archeologie0,43,8
Archieven03,6
Erfgoed algemeen012,1
   
Overig1,64,3

14.2.5 Continuïteit (financiële positie)

Informatie uit de jaarrekeningen van de instellingen die middels de cultuurnota subsidie ontvangen worden jaarlijks geanalyseerd. De resultaten van deze evaluatie worden gebundeld in een rapport. Begin dit jaar is de evaluatie van de jaarrekeningen van het eerste jaar (2001) van de cultuurnota 2001–2004 afgerond. Ten aanzien van de financiële positie van de instellingen wordt gekeken naar de solvabiliteit en de liquiditeit. Een aanzienlijk aantal instellingen voldoet niet aan de normen op het gebied van solvabiliteit en/of liquiditeit. Voor de solvabiliteit wordt als norm een bandbreedte gehanteerd van 0,15–0,25. Voor de liquiditeit wordt als norm een bandbreedte gehanteerd van 0,80–1,2. Deze bandbreedte wordt specifiek voor cultuurinstellingen gebruikt. Indien een instelling buiten deze bandbreedte valt is dit een signaal dat niet automatisch leidt tot een negatief oordeel. Onderzocht zal worden of de normen naar de vorm van de subsidierelatie die met de instelling bestaat gedifferentieerd kunnen worden.

Voor de sectoren van cultureel erfgoed geldt dat circa eenderde van de instellingen een solvabiliteit hebben die kleiner is dan 0,15. De liquiditeit is bij 20% van de instellingen kleiner dan 0,8 en bij 20% van de instellingen groter dan 2,0.

Voor de sectoren van kunsten is het beeld redelijk vergelijkbaar. Een aanzienlijk aantal sectoren heeft ofwel problemen met de solvabiliteit of de liquiditeit (of beide). Voor de solvabiliteit zijn dat vooral instellingen in de sector podiumkunsten.

Voor de sectoren letteren en bibliotheken geldt dat gemiddeld 40% van alle instellingen een te lage solvabiliteit hebben en 25% van de instellingen hebben een bovengemiddelde liquiditeit.

14.2.6 Fondsen

Het is de taak van de cultuurfondsen, op basis van positieve beoordeling van subsidieaanvragen, projectsubsidies toe te kennen. De fondsen hebben een stimulerende, ondernemende en soms ook initiërende rol. De doelstellingen van de fondsen zijn gericht op meer doorstroming van talent, bevordering van diversiteit, een groter maatschappelijk bereik en een betere aansluiting op de vraag in de markt.

Wat betreft de vraag of de fondsen erin geslaagd zijn om aan deze doelstellingen te beantwoorden geldt, dat deze iedere vier jaar aan de orde komt bij de vaststelling van de nieuwe cultuurnota. De resultaten van de laatste cultuurnota (2001–2004) van de fondsen worden door de Raad voor Cultuur gemonitord. Die monitoring speelt een rol bij de advisering van de raad voor de nieuwe cultuurnota (2005–2008).

Voor de fondsen is voor de periode van de cultuurnota (2001–2004) een bedrag uitgetrokken van € 70 miljoen per jaar. Behalve het Fonds voor de Letteren dat in 1965 is opgericht, zijn alle door het Rijk gefinancierde cultuurfondsen opgericht bij notariële akte krachtens artikel 9 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid. De minister (c.q. de staatssecretaris) van OCenW benoemt de bestuursleden van ieder fonds en moet wijzigingen van statuten of (subsidie-) reglementen goedkeuren.

Er zijn zeven fondsen op het terrein van de kunsten actief: Fonds voor de amateurkunst en podiumkunsten, Fonds beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst, Fonds voor de podiumprogrammering en marketing, Fonds voor de scheppende toonkunst, Mondriaanstichting, Nederlands Fonds voor de film, Stimuleringsfonds voor architectuur. Deze fondsen hebben een totaal budget van circa € 50 miljoen per jaar.

Er zijn twee privaatrechtelijke fondsen op het terrein van het cultureel erfgoed actief: De Mondriaanstichting voor het verstrekken van met name incidentele subsidies ten behoeve van het museale veld en het Stimuleringsfonds voor architectuur, die de subsidieregeling in het kader van Belvedère uitvoert. Het totaal budgettair beslag van beide cultureel erfgoed fondsen beslaat circa € 13 miljoen per jaar (dat is inclusief de rijksmiddelen die in het kader van Belvedère door de ministeries van OCenW, LNV en VROM daartoe ter beschikking worden gesteld). De volgende fondsen zijn actief op het gebied van letteren en bibliotheken: Fonds voor de letteren en het Nederlands literair productie- en vertalingenfonds. De letterenfondsen beschikken gezamenlijk over een budget van € 7,8 miljoen. Het Fonds voor het bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden is per 1.1.2002 geliquideerd. Per die datum vindt de bekostiging van de blindenbibliotheken rechtstreeks plaats vanuit het departement. Met de bekostiging van deze specifieke bibliotheekvoorziening is € 15,2 miljoen gemoeid.

14.3 Operationele doelstellingen

14.3.1 Cultuurbrede operationele doelstellingen

Het streven is erop gericht enerzijds een kwalitatief hoogwaardig en divers aanbod van cultuuruitingen te waarborgen en anderzijds de vraag ernaar te bevorderen, onder andere door middel van de subsidiëring van relevante instellingen en infrastructuur op het desbetreffende terrein.

Voor wat betreft het aanbod worden instellingen gesubsidieerd die zich op de volgende terreinen inzetten: kunsten, cultureel erfgoed en letteren en bibliotheken. Ook enkele distributie-instellingen ontvangen subsidie.

De vraagzijde wordt vooral door lokale overheden bekostigd, maar ook in de huidige cultuurnota 2001–2004 en via het «Actieplan cultuurbereik». Dit plan is onderdeel van de cultuurnota 2001–2004 en is opgezet om in nauwe samenwerking met gemeenten en provincies zoveel mogelijk mensen te betrekken bij cultuur. De beleidsinstrumenten die in dat kader zijn of worden ingezet, kunnen een landelijke, regionale en lokale regie hebben.

Het regionale/lokale deel van het Actieplan cultuurbereik, is gebaseerd op de bestuurlijke afspraken tussen IPO, VNG en OCenW (16 maart 2000), en vindt zijn uitwerking in de vorm van de stedelijke en provinciale programma's cultuurbereik 2001–2004. Door onderzoekers van de Erasmus Universiteit worden deze programma's gemonitord. Het onderzoek legt zich toe op de registratie van gegevens over de uitvoering en effecten van het Actieplan cultuurbereik, casestudies van afzonderlijke projecten en bevolkingsonderzoek door middel van gemeentelijke omnibusenquêtes. De gegevens die worden verzameld ten behoeve van de monitoring zullen na verloop van tijd ook te gebruiken zijn voor de evaluatie van het effect van het Actieplan cultuurbereik. De eerste resultaten van deze monitor (namelijk over het jaar 2001) worden in het voorjaar van 2003 gepubliceerd.

In het voorjaar 2003 zal de visitatiecommissie cultuurbereik haar eindrapport aanbieden aan de opdrachtgevers IPO, VNG en OCenW. De commissie heeft in de tweede helft van 2002 en de eerste maanden van 2003 de 42 deelnemende gemeenten en provincies bezocht. In haar eindrapport gaat de commissie in op de eerste effecten van het Actieplan cultuurbereik.

Ook het reguliere cultuurbeleid van gemeenten en provincies draagt veelal bij aan de realisering van de doelstellingen van het Actieplan cultuurbereik.

Op landelijk niveau is daarnaast per doelstelling een aantal instrumenten ingezet die hierna worden toegelicht.

Vijf doelstellingen zijn in de cultuurnota 2001–2004 en het Actieplan gepresenteerd, namelijk:

1. Versterking van de programmering;

2. Culturele diversiteit verbeteren;

3. Investeringen in jeugd;

4. Cultureel vermogen beter zichtbaar maken;

5. Culturele planologie op de agenda zetten.

14.3.1.1 Versterking van de programmering

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

OCenW bevordert de ontwikkeling van stedelijke en provinciale programma's Cultuurbereik. Deze programma's wortelen in de plaatselijke of provinciale cultuurgemeenschap en zijn gericht op een bredere publieksparticipatie, door middel van een kwalitatieve, innovatieve en cultureel gedifferentieerde programmering. De stimulans van OCenW heeft de vorm van meerjarige doeluitkeringen, op basis van beleidsplannen van gemeenten en provincies.

Daarnaast wilde OCenW inhoudelijke en financiële impulsen geven aan de Nederlandse podia, ter versterking van de programmering en ter vergroting van de sociale spreiding. De eerste impulsen zijn inmiddels gegeven door het Fonds voor podiumprogrammering en marketing, dat in 2002 is ingesteld door OCenW. Het eerste jaarverslag van dit fonds verschijnt in het voorjaar van 2003. Dan worden de eerste beleidsresultaten bekend.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

OCenW heeft de desbetreffende afspraken met de gemeentelijke en provinciale partners nageleefd. Het Fonds voor podiumprogrammering en marketing is in 2002 gestart.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De doeluitkeringen aan de provincies en gemeenten in het kader van het Actieplan cultuurbereik bedroegen in totaal € 32 miljoen. Dit bedrag komt overeen met de begroting, behoudens de gebruikelijke indexaties.

Voor het Fonds voor podiumprogrammering en marketing en de daaromheen georganiseerde infrastructuur heeft OCenW in 2002 een bedrag van € 7,5 miljoen uitgetrokken. Dit bedrag komt overeen met de begroting, behoudens de gebruikelijke indexaties.

14.3.1.2 Culturele diversiteit verbeteren

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De cultuurnota 2001–2004 opteert voor meer multiculturele initiatieven en voor extra ruimte voor kunstenaars met een niet-Nederlandse achtergrond. Bij de herverdeling van middelen in het kader van deze cultuurnota is een aanzienlijk aantal bestaande initiatieven vervangen door nieuwe. Een precieze calculatie van het aantal nieuwe instellingen met een niet-Nederlandse achtergrond is niet te geven, omdat dit niet als zodanig formeel is vastgelegd. Het is echter evident dat er in het kader van de nota Cultuur als confrontatie meer ruimte is geschapen voor culturele initiatieven met een niet-Nederlandse achtergrond.

Daarnaast is het de bedoeling om de gesubsidieerde kunstinstellingen te stimuleren om extra aandacht te schenken aan nieuwe doelgroepen (waaronder culturele minderheden). Deze stimulans houdt in dat de instelling 2% doelgroepensubsidie kan ontvangen, indien men aannemelijk kan maken dat de instelling minimaal 3% van de reeds verkregen subsidie van OCenW besteedt aan het werven van nieuwe doelgroepen.

Dit programma heeft tot resultaat gehad dat een ruime meerderheid van de culturele instellingen plannen heeft ingediend om nieuwe doelgroepen te bereiken. Wat betreft de effecten van de stimuleringsmaatregel is het evident dat de aandacht voor culturele diversiteit binnen de culturele sector is toegenomen. In veel van de jaarverslagen van de instellingen wordt in meerdere of mindere mate inhoudelijk op dit onderwerp ingegaan. OCenW heeft een aanzet gegeven aan het kwantificeren deze beleidseffecten op basis van de jaarverslagen van de culturele instellingen betreffende het jaar 2001. Tijdens dit onderzoek is gebleken dat deze jaarverslagen in het algemeen geen bruikbare informatie opleveren voor een betrouwbare effectrapportage. Ook wanneer de instellingen belast zouden worden met zwaardere administratieve eisen en controles, is het nog maar de vraag of het beeld representatief is. Mede met het oog op het belang van een beperking van de administratieve lastendruk is daarvan afgezien.

Tenslotte hebben de landelijk gesubsidieerde culturele instellingen, fondsen en adviesorganen van het ministerie de opdracht gekregen, te rapporteren over de toetreding van culturele minderheden tot hun besturen of adviescommissies. In veel gevallen hebben de instellingen nog niet aan die opdracht voldaan. Op dit moment wordt overwogen of de instellingen alsnog strikt aan die opdracht moeten worden gehouden, gezien het belang van die rapportage.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De voornemens zoals vastgelegd in de cultuurnota 2001–2004 zijn (op een uitzondering na) volledig tot uitvoering gebracht. Naast subsidiering van meer cultuurproducenten met een niet-Nederlandse achtergrond worden enkele instellingen gesubsidieerd die de toetreding bevorderen, van minderheden tot het culturele leven. Een voorbeeld van dergelijke instellingen is Atana. Deze instelling brengt kandidaat-bestuursleden van culturele minderheden en andere bevolkingsgroepen en culturele instellingen met een vacature in het bestuur bij elkaar.

De landelijke 2% stimuleringsmaatregel is ook in het jaar 2002 volledig tot uitvoering gebracht; het overgrote deel van de culturele instellingen heeft een meerjarige suppletie ontvangen in het kader van deze maatregel.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In 2002 zijn geen wezenlijke veranderingen aangebracht in het contingent gesubsidieerde culturele instellingen. Ook zijn de toegewezen subsidiebedragen nauwelijks gewijzigd, behoudens de gebruikelijke indexaties. Met ingang van 2001 wordt in het kader van de 2% stimuleringsmaatregel jaarlijks een bedrag van in totaal € 2,8 miljoen uitgekeerd aan de instellingen.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen?

Voortgangsbrief culturele diversiteit van 3 mei 2002.

14.3.1.3 Investeren in jeugd

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is de vitaliteit van de kunsten en de ontplooiing van de jeugd zelf te stimuleren. Dit gebeurt door investeringen in de culturele belangstelling van de jeugd via het programma Cultuur en school. Het doel van het programma Cultuur en school is om op meer structurele basis de samenwerking te organiseren tussen scholen en culturele instellingen, waarbij de scholen en scholieren meer invloed krijgen op de samenstelling van het op scholen gerichte cultuureducatief aanbod. De educatieve inspanningen van rijksgesubsidieerde culturele instellingen worden met behulp van een enquête gevolgd, die is ontwikkeld en uitgevoerd door de Erasmus Universiteit Rotterdam. De resultaten van de enquête betreffende het jaar 2001 en zijn in december 2002 gepubliceerd.

Bij vergelijking van de enquêteresultaten onder de instellingen die hebben meegewerkt blijkt, dat ze in 2001 iets positiever gestemd zijn over hun bereik onder jongeren dan in 2000. Daarentegen lijken in 2001 nog iets meer instellingen hun bereik onder allochtonen onvoldoende te vinden dan in 2001. Ruim 80 procent van de publieksgerichte instellingen die over 2000 én 2001 gegevens verstrekten, organiseerde in beide jaren educatieve activiteiten voor jongeren en scholieren of gaf daar geld vooruit. Tien procent van deze instellingen deed dat in beide jaren niet. Musea en orkesten zijn in beide jaren «typisch» publieksgerichte instellingen die aan educatie voor scholieren en jongeren doen, terwijl muziekensembles en presentatie-instellingen voor beeldende kunst dat veel minder doen.

De introductie van het voucherplan (in het jaar 2001) helpt voorts de financiële drempel bij scholieren te verlagen. Dit plan houdt in dat leerlingen van vmbo, havo en vwo ckv-vouchers ontvangen voor het bezoeken van culturele activiteiten. Dit voucherplan wordt gemonitord door de Stichting CJP. De rapportage over het schooljaar 2000/2001 leverde onder meer het volgende beeld op.

Tabel 14.2: Vouchers 2000–2001
 havovwovmbototaal
Aantal leerlingen48 16344 35571 966164 484
Leerlingenaantal gebruikt bonnen36 31032 91051 161120 381
Percentage gebruik bonnen75,4%74,2%71,1%73,2%

Werd in 2000 het grootste gedeelte van de vouchers nog besteed in bioscopen en filmhuizen, in 2001 is dat beeld veranderd ten gunste van de theaters en de centra voor de kunsten. Met name de grote daling in het gebruik van de vouchers voor filmbezoek en de grote stijging in de verzilvering ervan bij de centra voor de kunsten in 2001 ten opzichte van 2000 zijn opvallend. In het voorjaar van 2003 zal de Stichting CJP rapporteren over de resultaten over het schooljaar 2001/2002.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

OCenW heeft het project Cultuur en school conform de plannen uitgevoerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor het project Cultuur en school was in 2002 totaal € 12,8 miljoen begroot. De werkelijke uitgaven voor dit project bedroegen € 12,4 miljoen.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen?

Stand van zaken/resultaten van het project Cultuur en school (april 2002).

14.3.1.4 Cultureel vermogen beter zichtbaar maken

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doelstelling is een beter zichtbare collectie cultureel erfgoed Nederland (ook digitaal). Van de culturele ondernemers die het publieke culturele vermogen beheren wordt verwacht dat zij een optimale toegankelijkheid van de collectie cultureel erfgoed Nederland realiseren.

Ten aanzien van het tonen en verwerven van museumcollecties vervullen de musea een sleutelrol in de uitvoering. Daarbij krijgt de vraagkant bijzondere aandacht, onder andere door presentaties op verrassende locaties.

Met het Instituut Collectie Nederland, de Mondriaanstichting en het Bureau Erfgoed Actueel zijn inmiddels afspraken gemaakt om de verschillende activiteiten over de periode van de cultuurnota 2001–2004 te monitoren en te evalueren.

Deze doelstelling is geoperationaliseerd in de beleidsbrief «Vermogen om te laten zien» (april 2000).

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Meest opvallende resultaten waren:

• de opening van de permanente presentatie op Schiphol van het Rijksmuseum (met wisselende erfgoedpresentaties);

• de succesvolle tijdelijke presentatie van het Zuiderzeemuseum op de Floriade 2002;

• en de opening van de geheel nieuwe «zaal i» in het Teylers Museum (digitale poort van de collectie voor scholieren en bezoekers).

Ook werden voor de collectie Nederland met steun van OCenW enkele belangrijke aankopen gerealiseerd:

• de aankoop van het schilderij van Manet «De pier van Boulogne-sur-mer» door het van Gogh Museum;

• de verwerving van de glascollectie van de Leerdam-glasfabriek door het Instiutuut Collectie Nederland;

• en de «Visser wapencollectie» door het Rijksmuseum.

Daarnaast werd aan de gemaakte afspraken in het kader van «het cultureel vermogen beter zichtbaar maken» verder uitwerking gegeven. Het betrof hier voornamelijk de volgende activiteiten:

• verder uitvoering geven aan de Wet behoud cultuurbezit (WBC);

• beleidsontwikkeling met betrekking tot de historische interieurs;

• onderzoek/advies/collectiemakelaardij door het Instituut Collectie Nederland;

• vergroting van de mobiliteit en de digitale ontsluiting van de rijkscollectie;

• voorbereidingen werden getroffen voor het nieuwe museum voor grafische vormgeving De Beyerd te Breda;

• onderzoek en advisering over het collectiegebied erfgoed vormgeving;

• voortzetting van het project Collecties in de klas in de provincie Zeeland en in de gemeente Rotterdam;

• en tenslotte uitvoering en verbetering van de subsidieregelingen door de Mondriaan Stichting.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het dossier «Vermogen om te laten zien» heeft in de periode 2001–2004 jaarlijks een bedrag van circa € 8,5 miljoen gekost (waaronder jaarlijks € 4 miljoen ten behoeve van fondsvorming WBC, € 0,7 miljoen ten behoeve van het Instituut Collectie Nederland en € 2,5 miljoen ten behoeve van de Mondriaan Stichting). Het restant van € 1,3 miljoen werd gebruikt voor aankopen.

14.3.1.5 Culturele planologie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De beleidsdoelen richten zich op een actuele ontwikkeling van waardevolle cultuurhistorische elementen in Nederland, en op een brede betrokkenheid van het publiek bij belangrijke ontwerpopgaven. Daarnaast richten de beleidsdoelen zich op een goede inhoudelijke samenwerking tussen alle disciplines die van invloed zijn op de leefomgeving, zoals planologie, landschapsarchitectuur, natuurbehoud, weg- en waterbouw, stedenbouw (waar onder welstandstoezicht), architectuur, monumentenzorg, en archeologie.

Het thema culturele planologie is verankerd in de nota Belvedère en de nota Ontwerpen aan Nederland, en daarmee verbonden aan het beleid ten aanzien van het cultureel erfgoed en het architectuurbeleid.

Inmiddels is de nota Belvedère enkele jaren oud en al bij de verschijning in de zomer van 1999 was de weerklank groot, in zowel publieke als private sector. Met als spil het projectbureau Belvedère werd gestart met het werk.

Dat werk bestond in eerste instantie uit een reeks van acties om het gedachtegoed te hechten aan het gewone werkprogramma van de betrokken ministeries (LNV, VROM en OCenW). Daarnaast werd en wordt er zendingswerk verricht op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten tweede en meest in het oog springend onderdeel van de uitvoering van de nota Belvedère is de speciale subsidieregeling Belvedère enerzijds en de eigen Belvedère projecten anderzijds.

In de nota Ontwerpen aan Nederland zijn de taken vastgelegd die in dat kader door de architectuurinstellingen worden uitgevoerd. Subsidiëring van deze instellingen vindt tevens plaats in het kader van de cultuurnota 2001–2004. Beoordeling van deze instellingen vindt plaats in het kader van de cultuurnota 2005–2008, waarbij de Raad voor Cultuur een prominente rol vervult. Daarnaast worden de instellingen gevolgd door de Stuurgroep architectuurbeleid, waarin alle betrokken ministeries vertegenwoordigd zijn. Over de tien voorbeeldprojecten is in november 2001 een eerste voortgangsrapportage uitgebracht in opdracht van de Rijksbouwmeester. Dit document is ook ter kennisname aangeboden aan de Tweede Kamer.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Voorbeeld van een eigen Belvedère project is het aangewezen project «De nieuwe Hollandse waterlinie». De opgave om de waterlinie weer tot een herkenbare ruimtelijke eenheid te maken en de houdbaarheid te bevorderen door nieuwe ruimtelijke en maatschappelijke functies aan de linie toe te kennen, lijkt te gaan lukken. Het effect van dit Belvedère project tot dusver is een toenemend draagvlak bij burgers en bestuurders. Dit effect werd versterkt door de vele publieksacties die zijn geïnitieerd.

In 2002 is (conform de plannen) uitvoering gegeven aan de nota Ontwerpen aan Nederland respectievelijk de cultuurnota.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het totale jaarlijks budget Belvedère van € 8,2 miljoen wordt voor een groot deel direct beschikbaar gesteld in de vorm van projectsubsidies conform de subsidieregeling Belvedère. De regeling wordt sinds 2002 uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor de architectuur. Een fractie van het budget wordt vervolgens inzet voor het uitvoeren van het Werkprogramma van het projectbureau Belvedère. Hierbij dient voor de volledigheid te worden opgemerkt dat een deel van de projectmiddelen ad € 3 miljoen is overgeheveld naar 2003. De reden daarvan is dat de advisering over de ingediende subsidieaanvragen nog niet geheel is afgerond. Het betreft hier overigens de gezamenlijke middelen van de drie participerende ministeries VROM, LNV en OCenW.

De begroting ad € 10 miljoen zoals weergegeven in de nota Ontwerpen aan Nederland is niet overschreden, behoudens de gebruikelijke indexaties.

14.3.2 Sectorspecifieke doelstellingen

14.3.2.1. Kunsten

Podiumkunsten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Voor de podiumkunsten zijn het stimuleren van een hoogwaardig en gevarieerd aanbod en het scheppen van ruimte voor vernieuwing en doorstroming centrale doelstellingen. Het is evenzeer van belang dat dit groeiende aanbod zijn weg weet te vinden naar een groot en gevarieerd publiek. Bovendien worden de meeste podiumproducenten verplicht om een minimum aan publieksinkomsten (15%) te genereren om vermindering van de subsidieafhankelijkheid te stimuleren.

Wat betreft de vraag of OCenW erin geslaagd is om een hoogwaardig en gevarieerd aanbod te stimuleren en of OCenW voldoende ruimte schept voor vernieuwing en doorstroming, geldt voor de gehele sector kunsten, dat dit iedere vier jaar aan de orde komt bij de vaststelling van de nieuwe cultuurnota. Wat betreft de resultaten van de laatste cultuurnota (2001–2004) monitort de Raad voor Cultuur de gesubsidieerde instellingen. Die monitoring speelt een rol bij de advisering van de raad betreffende de nieuwe cultuurnota (2005–2008).

Over de verbreding van de publieksparticipatie is verantwoording afgelegd in paragraaf 14.3.1 (Actieplan cultuurbereik).

De geografische spreiding van voorstellingen wordt bevorderd door subsidieafspraken (spreidingseis) met de podiumkunstinstellingen die dit onderwerp aangaan. Deze spreidingseis houdt in dat maximaal 60% van de voorstellingen van een instelling in de standplaats gespeeld worden en minimaal 40% daarbuiten. Op grond van de jaarverslagen van deze instellingen over 2001 is geconstateerd dat het overgrote deel instellingen de opgelegde geografische spreidingstaak naar behoren hebben uitgevoerd. Dit geldt ook voor de subsidieafspraak over het aantal uitvoeringen dat de instelling moet realiseren (prestatie eis).

Wat betreft de subsidieafhankelijkheid is de zogenaamde 15% maatregel sinds 2001 verder aangescherpt. Deze maatregel houdt in dat de instellingen minimaal 15% van de exploitatie moeten financieren met zuivere publieksinkomsten (voorheen werden ook andere inkomsten meegeteld). In 2001 is de overgrote meerderheid van de podiumkunstbedrijven erin geslaagd om aan deze norm te voldoen. Alleen in de sector kleine dans bleken veel gezelschappen nog moeite te hebben met het behalen van voldoende publieksinkomsten. Dat komt waarschijnlijk door de sterke verbreding van het gesubsidieerde kleine dansaanbod sinds 2001.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

OCenW heeft ook in het jaar 2002 de cultuurnota 2001–2004 onverkort uitgevoerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In de begroting 2002 is voor podiumkunsten een bedrag van € 170 miljoen opgenomen. De werkelijk uitgave bedraagt € 174 miljoen. Het verschil wordt veroorzaakt door de gebruikelijke indexaties.

Beeldende kunst

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In het beeldende kunstbeleid wordt de doelstelling publieksbereik met name via de geldstroom beeldende kunst en vormgeving (bkv) geoperationaliseerd. Daarbij is met het oog op een betere maatschappelijke inbedding de geldstroom bkv met ingang van 2001 in het Actieplan cultuurbereik ondergebracht. Als onderdeel van de visitatiecommissie cultuurbereik (rapportage april 2003) wordt ook het effect van de geldstroom bkv beschreven.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Voor de geldstroom bkv gold een voorlopig beleidskader dat in 2002 in overleg met IPO en VNG een nadere uitwerking heeft gekregen. In dit uitgewerkte beleidskader zijn de doelstellingen gekwantificeerd. Tegelijkertijd is een begin gemaakt met een betere afstemming met fondsen en sectorinstituten. De implementatie van het nieuwe beleidskader is vergezeld gegaan van een uitgebreide informatiecampagne middels de website en een bijeenkomst met de betrokken gemeenten en provincies.

Kunst in de openbare ruimte is een beeldende kunstdiscipline met een eigen dynamiek die vanzelfsprekend veel mensen (al wandelend, fietsend, e.d.) in aanraking brengt met beeldende kunst. In 2001 heeft de Stichting Kunst en Openbare Ruimte (SKOR) in het kader van haar opdrachtenbeleid 80 projecten gerealiseerd. Hiervan waren er 12 onderwijsgericht, het eerste begin van een specifiek op het hoger onderwijs (hbo en universiteiten) gericht beleid.

Beoordeling van de effecten van het beleid van de SKOR vindt plaats in het kader van de cultuurnota 2005–2008. De Raad voor Cultuur speelt een prominente rol bij de beantwoording van deze vraag.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

In de begroting 2002 is voor de geldstroom beeldende kunsten en vormgeving een bedrag van € 18,5 miljoen opgenomen. In de begroting 2002 is voor de SKOR een bedrag van € 2,5 miljoen opgenomen. Behalve voor de gebruikelijke indexatie zijn de voorgenomen uitgaven niet overschreden.

Film

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In 1997 werd door het kabinet geconstateerd dat Nederland goede mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van een volwassen bedrijfstak film. Het interdepartementale filmbeleid dat hiervoor nodig is, wordt door de ministeries van Economische Zaken, Financiën en OCenW gevoerd.

Het doel van het interdepartementale filmbeleid is de financieel-economische structuur van de filmindustrie te versterken, door het aantrekken van durfkapitaal, verruiming van het productievolume en vergroting van het publieksbereik. Daarnaast wordt met het filmbeleid beoogd, creativiteit en talent te ontwikkelen. De spil in de interdepartementale maatregelen wordt gevormd door fiscale- en andere prikkels (de filminvesteringsaftrek en de regeling voor publieksfilms bij het Nederlands Fonds voor de Film). Dit instrumentarium loopt tot en met 2003. In de loop van 2003 wordt het beleid geëvalueerd. De beleidsresultaten worden naar verwachting dit najaar verantwoord.

Mede naar aanleiding van het gevoerde beleid zijn in de afgelopen jaren de particuliere investeringen in Nederlandse lange speelfilms beduidend toegenomen (van € 3,7 miljoen in 1999 tot € 28,7 miljoen in 2001)1. Ook is het productievolume aan Nederlandse lange speelfilms gegroeid (12 speelfilms gingen in 1999 in première. In 2001 gingen 17 lange speelfilms in première)2. Het aandeel van Nederlandse speelfilms in de kasopbrengsten van de bioscopen is in 2002 bijna verdubbeld ten opzichte van 1999 (5,5% naar 10,3%)3. De internationale waardering voor de kwaliteit van Nederlandse films lijkt toe te nemen; twee Nederlandse lange speelfilms die in 2002 in première gingen zijn in de selectie opgenomen van toonaangevende internationale filmfestivals: «Ja Zuster, Nee Zuster» is geselecteerd voor de competitie van het Internationaal Filmfestival Berlijn en de film «Zus en Zo» is genomineerd voor een Oscar voor de beste niet-Engelstalige inzending.

In de evaluatie later dit jaar zal onder meer worden ingegaan op de resultaten van de ingezette instrumenten.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Het Nederlands Fonds voor de Film heeft, conform de plannen, extra middelen ontvangen voor lange speelfilms, voor documentaire-, animatie- en jeugdfilms.

Daarnaast heeft dit fonds in verband met de nieuwe criteria voor de fiscale regeling in 2002 extra middelen ontvangen voor de productie van speelfilms voor de Benelux-markt. Het Fonds heeft voor de besteding van deze middelen een bijdrageregeling uitgewerkt.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De middelen ad € 6,8 miljoen die voor het Nederlands Fonds voor de Film extra zijn uitgegeven zijn conform de begroting 2002.

Amateurkunst

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het beleid op het gebied van de amateurkunst is gericht op het bevorderen van kwaliteit en diversiteit en vormt een aanvulling op het beleid van provincies en gemeenten. Dit speelt in op de behoeften op regionaal en lokaal niveau.

Het overheidsbeleid krijgt vorm door middel van drie soorten instrumenten.

Het eerste bestaat uit een zestal sectorinstituten, die ieder de ontwikkeling en ondersteuning van een kunstvorm tot taak hebben. De instituten op het gebied van de muziek hebben zich onlangs aaneengesloten.

Het tweede instrumentarium bestaat uit instellingen, die op hun eigen gebied, een impuls teweeg weten te brengen. Zij hebben in de meeste gevallen een belangrijke functie voor jongeren en voor allochtone bevolkingsgroepen. Voorbeelden zijn het Nationaal Jeugdorkest, het Prinses Christina Concours en het gezelschap Artisjok/Nultwintig.

Het derde instrument is het Fonds voor amateurkunst, dat sinds 1997 subsidies ter beschikking stelt voor projecten. Op deze voorziening wordt in toenemende mate een beroep gedaan.

Beoordeling van de effecten van dit beleid vindt plaats in het kader van de cultuurnota 2005–2008. De Raad voor Cultuur speelt een prominente rol bij de beantwoording van de vraag of deze drie instrumenten beantwoorden aan de gestelde doelen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 zijn het Fonds voor de amateurkunst en het Fonds voor de podiumkunsten gefuseerd. Hierdoor kan de samenhang in het beleid van beide stichtingen worden vergroot, met name op het gebied van de bevordering van de culturele diversiteit in de kunsten, de semi-professionele sector en de internationalisering. Tevens werd dit jaar het fusieproces tussen de Landelijke Organisatie Amateur Muziek (LOAM), de Samenwerkende Nederlandse Korenorganisaties (SNK) en het Nederlands Instituut voor Blaasmuziek (NIB) voltooid en werd Unisono daarmee een feit. Ook in 2002 is uitvoering gegeven aan de cultuurnota 2001–2004.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De begroting voor amateurkunst ad € 23,7 miljoen is niet overschreden, behalve met de gebruikelijke indexaties.

Architectuur

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het architectuurbeleid is weergegeven in de nota Ontwerpen aan Nederland die in nauwe samenwerking met de ministeries van VROM, LNV en VenW tot stand is gebracht. De voornaamste doelstelling van dit beleid is het bereiken van een grotere publieke betrokkenheid bij ontwerpopgaven, onder het motto «architectuur is een zaak van iedereen». Een tweede hoofddoelstelling is, om via concrete projecten (tien grote projecten) de ruimtelijke disciplines in het architectuurbeleid meer aandacht te geven, en de integrerende en onderzoekende kracht van het ontwerpen beter te benutten.

In de nota «Ontwerpen aan Nederland» zijn de taken vastgelegd die in dat kader door de architectuurinstellingen worden uitgevoerd. Subsidiëring van deze instellingen vindt tevens plaats in het kader van de cultuurnota 2001–2004. Beoordeling van deze instellingen vindt plaats in het kader van de cultuurnota 2005–2008, waarbij de Raad voor Cultuur een prominente rol vervult.

Bovendien worden de instellingen gevolgd door de Stuurgroep architectuurbeleid, waarin alle betrokken ministeries vertegenwoordigd zijn.

Wat betreft de tien voorbeeldprojecten is in november 2001 een eerste voortgangsrapportage uitgebracht in opdracht van de Rijksbouwmeester. In deze rapportage wordt de start en de wijze waarop de projecten lopen beschreven. Eind maart 2003 verschijnt de voortgangsrapportage over 2002.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 is (conform de plannen) uitvoering gegeven aan de nota «Ontwerpen aan Nederland», respectievelijk de cultuurnota.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De begroting voor architectuur ad € 7,8 miljoen is niet overschreden, behoudens de gebruikelijke indexaties.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

De voortgangsrapportage 2001 van de Rijksbouwmeester. De voortgangsrapportage 2002 zal na het verschijnen ervan eind maart 2003 ook verstuurd worden aan de kamer.

14.3.2.2 Cultureel erfgoed

Musea

De verantwoording van het beleid met betrekking tot de musea is opgenomen in paragraaf 14.3.1.4 «Cultureel vermogen beter zichtbaar maken».

Archieven

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In de archiefsector is de belangrijkste verantwoordelijkheid het beheer, de ontsluiting van de collectie en het voor het publiek toegankelijk maken van de collectie van de archieven van de rijksoverheid en onder andere de Hoge Colleges van Staat.

Om meer en een breder publiek te bereiken is de vorming van regionale cultuurhistorische centra (rhc) noodzakelijk. Met de vorming van een rhc kunnen tevens de diverse collecties beter toegankelijk worden gemaakt.

Door de fusie van de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden met de gemeentelijke archieven en/of andere cultuurhistorische centra in een rhc kan het publiek beter worden bereikt. Daarbij kan eerder gebruikt worden gemaakt van nieuwe informatie- en communicatietechnologie.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Inmiddels zijn de fusies tot rhc in de provincies Utrecht, Zeeland, Groningen, Friesland, Gelderland en Overijssel gerealiseerd. In de overige provincies is de intentie om in 2003 de fusies te hebben afgerond, met uitzondering van het rijksarchief in Drenthe en het Nationaal Archief.

Het Nationaal Archief en de rhc's hebben daarnaast inspanningen geleverd om de digitale toegang tot het bronnenmateriaal te vergroten met name door het verbeteren van op afstand raadplegen van persoonsgegevens (onder andere familiegeschiedenis) en de gegevens over de woonomgeving.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor het fusietraject van de rijksarchieven in de provinciehoofdsteden met de gemeentelijke archieven en/of andere cultuurhistorische centra in een rhc heeft de Rijksarchiefdienst in 2000 een bedrag van structureel € 2,2 miljoen beschikbaar gekregen. Met betrekking tot de totale specifieke financiële verantwoording van de Rijksarchiefdienst wordt verwezen naar de verantwoording van de baten-lasten diensten.

Tabel 14.3: Rijksmonumenten
 199619971998199920002001
Geregistreerde gebouwde Rijksmonumenten (x 1000)43,544,244,848,047,047,2

Bron: Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Tabel 14.4: Rijksarchieven
 199619971998199920002001
Aantal bezoeken Rijksarchieven via internet (x 1000)      
Bezoeken via internet «Geschiedenis Online»/«Nieuws uit het verleden»5351151 5009701 018
– waaronder zogenaamde «Genlias» bezoeken  125180300 
– waaronder zogenaamde «Genlias» bezoekers   60200 

Bron: Rijksarchiefdienst.

De site van de RAD «Nieuws uit het verleden» is vanaf 3 juni 1999 toegankelijk

Monumentenzorg

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De kern van de monumentenzorg is gelegen in de verantwoordelijkheid van de minister voor de instandhouding van rijksmonumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Het gaat hier om een inspanningsverplichting van het Rijk. De uitvoering is opgedragen aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Het doel is terugbrengen van de achterstand tot een aanvaardbaar niveau van 10% in 2010. De restauratieachterstand lag in 2002 op een niveau van ongeveer 35%. Dit betekent dat de achterstand zal moeten dalen met 25% punt. Het bedrag om dit doel te bereiken is reeds 73% gerealiseerd. Met de huidige middelen kan er tot 2010 ingelopen worden tot een restauratieachterstand van 17%.

Van de vijf categorieën monumenten die thans worden onderscheiden: woonhuizen, boerderijen, kerken, molens en overige zijn er gegevens beschikbaar uit de behoefteraming 2001. Inmiddels wordt er een monitorprogramma ontwikkeld, zodat vanaf 2004 gemonitord kan worden.

Bij het halen van de streefwaarden is een aantal factoren van belang: subsidies, bereidheid tot investeren bij eigenaren, voortschrijdend verval bij het uitblijven van investeringen en de inflatiefactor.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 is verder uitvoering gegeven aan Kanjers: het Besluit rijkssubsidiering grootschalige restauraties, en het instandhoudingsbeleid. Het instandhoudingsbeleid is erop gericht dat langzamerhand de inspanningen in de monumentenzorg gaan verschuiven van restauratie naar onderhoud. Daartoe wordt de regelgeving – en dan met name de subsidieregelingen – aangepast en vereenvoudigd.

Voor wat betreft het inlopen van de restauratieachterstanden geeft de in 2001 gehouden vierjaarlijkse behoefteraming een duidelijk beeld van de resultaten sinds 1997. De restauratiebehoefte in de categorie woonhuizen/boerderijen is met 36% fors teruggelopen, van € 1,1 naar € 0,7 miljard. Bij de overige monumenten is de teruggang 4%, van € 938 naar € 900 miljoen. Daarnaast is er sprake van een restauratiebehoefte bij tienduizend jonge monumenten, die in het kader van het Monumenten Selectie Project (MSP) aan de lijst zijn toegevoegd. Bij woonhuizen/boerderijen blijkt de extra behoefte € 117 miljoen, bij de overige monumenten € 418 miljoen. Dit brengt de totale restauratiebehoefte op € 2,1 miljard, waarvan € 0,5 miljard is toe te schrijven aan jonge monumenten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De restauratiebehoefte van € 2,1 miljard komt neer op een subsidiebehoefte van € 0,7 miljard. Hiervan hebben de twee laatste kabinetten reeds € 545 miljoen beschikbaar gesteld. Via de reguliere bekostiging wordt € 70 miljoen uitgegeven aan monumentenzorg.

In de kabinetsperiode '98-'02 is een bedrag beschikbaar gesteld van € 236 miljoen extra voor de jaren 2001–2010. Bovendien heeft het kabinet € 45 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de zogenaamde «kanjers». Dat zijn monumenten die door achterstallig onderhoud snel hersteld moeten worden en waar grote bedragen mee zijn gemoeid. Speciaal voor deze grootschalige restauraties is een centrale subsidieregeling in het leven geroepen; het Besluit rijkssubsidiering grootschalige restauraties. Tenslotte is bij Najaarsnota 2001 nog eens € 34 miljoen gedoteerd om de restauratieachterstanden aan te pakken. Deze € 34 miljoen is zodanig ingezet, dat ook een begin gemaakt wordt met het zogenaamde instandhoudingsbeleid.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Op 18 december 2001 zijn de voorstellen omtrent het instandhoudingsbeleid naar de Tweede Kamer gezonden.

Archeologie

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Op het terrein van de archeologie is het uitgangspunt de archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem te bewaren. Als dit niet mogelijk is, ten gevolge van economische activiteiten, wordt ernaar gestreefd om de bodeminformatie door middel van onderzoek te bewaren. De bescherming van de archeologische monumenten is opgedragen aan de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB).

Zonder de bodem te verstoren onttrekken de meeste archeologische sporen zich aan onze waarneming. Wel is op het terrein van de archeologie, naar analogie met de milieu- en natuursector, in 2002 door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) voor het eerst een archeologiebalans opgesteld. Deze maakt het in de volgende jaren mogelijk het gevoerde archeologiebeleid te evalueren.

Het verdrag van Valletta (Malta) uit 1992 regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. In mei 2002 heeft de Raad van State over een wetsvoorstel ter implementatie van dit verdrag advies uitgebracht. Naar verwachting zal de Tweede Kamer in het voorjaar van 2003 dit wetsvoorstel ontvangen en daarover later in het jaar beraadslagen.

Vooruitlopend op het verdrag wordt op verschillende niveaus en op verschillende plaatsen al gehandeld in «de geest van Malta». Ter ondersteuning daarvan is uit het Actieplan cultuurbereik 2001–2004 structureel € 1,8 miljoen beschikbaar gesteld. Met die middelen zijn erin 2002 middelen ter beschikking gesteld voor het dekken van excessieve kosten van noodzakelijke opgravingen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De staatssecretaris van OCenW was voornemens het wetsvoorstel ter implementatie van het verdrag van Valletta voor het kerstreces 2002 aan de Tweede Kamer te sturen. Als gevolg van de demissionaire status van dit kabinet laat de staatssecretaris van OCenW indiening van het wetsvoorstel over aan de nieuwe bewindspersoon verantwoordelijk voor het cultuurbeleid.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Door een wetswijziging van onder andere de Monumentenwet wordt het verdrag van Valletta ingevoerd. Voor deze invoering en de daarbij geldende randvoorwaarden zijn middelen vrijgemaakt. Via de reguliere bekostiging wordt € 4,2 miljoen uitgegeven aan archeologie.

14.3.2.3 Letteren en bibliotheken

Letteren

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De specifieke beleidsdoelstellingen op het vlak van de letteren zijn het bevorderen van de kwaliteit en pluriformiteit van de Nederlandstalige en Friestalige literatuur en de stimulering van de literaire participatie. Daarbij krijgt ook de literaire buitenlandpromotie de nodige aandacht. Verder wordt gestreefd naar het behoud, beheer en ontsluiting van het literair erfgoed, alsmede de bevordering van de (literaire) leescultuur. In het kader van de Nederlandse Taalunie wordt door Nederland en Vlaanderen – voor zover wenselijk – gestreefd naar integratie van het beleid op het terrein van de Nederlandse taal en letteren.

Een groot deel van de lettereninstellingen wordt gesubsidieerd in het kader van de cultuurnota. Ongeveer de helft van het beschikbare budget (circa € 7,7 miljoen) gaat naar de twee letterenfondsen die een belangrijk deel van de beleidsuitvoering voor hun rekening nemen. Met deze fondsen bestaat een zeer geregeld contact over de uitvoering van hun beleid. In 2002 hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan.

Op basis van het reguliere instellingenbeheer kan geconcludeerd worden dat de meeste instellingen er in zijn geslaagd hun activiteitenplan 2002 adequaat uit te voeren.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Aan het instellingenbeheer is veel aandacht geschonken. Met diverse instellingen is een meer formeel jaargesprek gevoerd over uitvoering van hun meerjarenbeleidsplan 2001–2004. In het algemeen hebben de lettereninstelling hun verantwoording over 2001 binnen de gestelde termijn ingediend.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

De uitvoering van de letterenbegroting is binnen de begroting ad € 8 miljoen gebleven.

Bibliotheken

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De rijksoverheid is verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel van openbare bibliotheken als geheel en bekostigt hiervoor de landelijke vereniging van openbare bibliotheken NBLC (Nederlands Bibliotheek en Lectuur Centrum).

Daarnaast is de Rijksoverheid verantwoordelijk voor een tweetal bijzondere bibliotheekvoorzieningen: de blindenbibliotheken en de bibliotheek voor varenden.

In december 2001 hebben Rijk, IPO en VNG het koepelconvenant «Herstructurering openbaar bibliotheekwerk» gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over de realisering van de doelstellingen uit het onderzoeksrapport «Open poort tot kennis». Vervolgens is de Stuurgroep bibliotheken, met vertegenwoordigers van de convenantspartners en koepelorganisatie van openbare bibliotheken, ingesteld die deze afspraken nader uitwerkt. Het door het Rijk gesubsidieerde procesbureau voor de begeleiding van dit vierjarig herstructurerings- en moderniseringstraject is in 2002 gestart met de opzet van een monitor voor de levering van de gewenste kerngegevens.

Met de ondertekening van het convenant door Rijk, IPO en VNG heeft het proces van herstructurering en modernisering van het openbaar bibliotheekwerk een start kunnen maken in 2002. In 2002 zijn de beleidsbrief «Bibliotheken in beweging» en een latere aanvullende beleidsbrief met de Kamer besproken. Tijdens het wetgevingsoverleg cultuurbegroting van 25 november 2002 is een motie van ondersteuning ingediend om de afspraken van het convenant na te komen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Met de instelling van de Stuurgroep bibliotheken en het procesbureau voor de herstructurering en modernisering van het openbaar bibliotheekwerk is een aanvang gemaakt met de uitwerking op provinciaal en gemeentelijk niveau van de in het rapport Open poort tot kennis aangegeven acties.

Het jaar 2002 is gebruikt om de vorming van zogenoemde basisbibliotheken in kleine gemeenten tussen provincies en gemeenten planmatig aan te pakken.

Voor de vernieuwing en instandhouding van de stelseltaken is het NBLC verzocht dit op te zetten.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Binnen de huidige budgetten is voor de periode 2001 – 2004 een jaarlijks bedrag van € 5,5 miljoen beschikbaar voor de vorming van de basisbibliotheken in kleine gemeenten.

Voor de instandhouding en vernieuwing van de stelseltaken wordt in het kader van de cultuurnota jaarlijks € 5 miljoen beschikbaar gesteld voor het NBLC.

Met incidentele middelen is voor ict-ontwikkeling, via het Nationaal actieplan digitale snelwegen (NAP) en het EU-Equal programma, projectmatig subsidie verleend.

14.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 14.5: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen  1 854 386493 583374 477498 262– 123 785
– waarvan garanties  68 2703 177111 507263 395– 151 888
Uitgaven  592 318657 166654 014647 3996 615
        
Kunsten  254 418336 666296 995294 5182 477
Podiumkunsten  147 901180 774174 467  
Film  11 50619 47410 489  
Beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving  54 45473 40845 604  
Amateurkunst en kunsteducatie  19 95123 26023 759  
Overige subsidies kunsten  20 60639 75042 676  
        
Letteren en Bibliotheken  43 90043 30039 08925 13613 953
Bibliotheken  26 00027 00029 754  
Letteren  11 50015 0007 854  
Overig  6 4001 3001 481  
        
Fondsen  74 35579 185– 4 830
        
Cultureel erfgoed  285 200271 000237 984239 712– 1 728
Musea  183 500138 400140 159  
Monumentenzorg  94 800113 40077 735  
Archeologie  3 6005 1004 256  
Archieven  2 7003 2003 595  
Erfgoed algemeen  60010 90012 241  
        
Overig  8 8006 2005 5918 848– 3 257
Ontvangsten  2 8004 8004 9702504 720

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

14.5 Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf 2002

Wat betreft het programma vbtb (van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording) bevindt de cultuursector zich in een ontwikkelingsfase. Beleidsresultaten zijn, waar mogelijk, gekwantificeerd in relatie tot de uitgangspunten van het cultuurbeleid. In 2002 is vorm gegeven aan streefwaarden en nulmetingen. Deze actie zal in dit jaar voortgezet worden. Door de grote diversiteit binnen cultuur blijft het opnemen van uniforme kwantitatieve streefwaarden, waarmee achteraf het beleid kan worden geëvalueerd, problematisch. Daarnaast zullen enkele streefwaarden kwalitatief van aard zijn. Voorafgaand aan een nieuwe cultuurnota voor de periode 2005–2008 zullen doelstellingen en voorwaarden, waaronder subsidies kunnen worden verstrekt, duidelijk worden gedefinieerd.

Tevens heeft in 2002 een evaluatie van de jaarrekeningen van cultuurnota-instellingen over het jaar 2001, het eerste jaar van de cultuurnota 2001–2004, plaatsgevonden. De resultaten van deze evaluatie zijn weergegeven in de vorm van signaallijsten in een evaluatierapport op detailniveau van instellingen. Deze signalen hoeven niet noodzakelijk een negatief oordeel in te houden. De evaluatie van de jaarrekeningen van cultuurnotainstellingen over 2001 wordt als nulmeting gehanteerd. Onderzocht wordt of de normen die in de evaluatie van de jaarrekeningen gehanteerd worden nog gedifferentieerd kunnen worden naar sectoren.

15. MEDIA

15.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het mediabeleid van OCenW is gebaseerd op een breed georiënteerde visie op de informatiesamenleving, vanuit maatschappelijke, cultuurpolitieke en democratische waarden en verantwoordelijkheden. Hierbij komt de zorgplicht van de overheid aan de orde, waar het gaat om pluriformiteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van informatie.

15.2 Stelsel

Het regeringsbeleid betreft in de eerste plaats de publieke omroep. Daarnaast strekt het beleid zich uit tot aanbieders die op de commerciële markt opereren. Het beleid houdt zich eveneens bezig met vraagstukken over onder andere marktordening en technische ontwikkelingen.

In dit kader past de samenwerking met het ministerie van Economische Zaken, die het terrein bekijkt vanuit algemene economische overwegingen, toegespitst op liberalisering en mededinging (mededingingswet en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma)). De scheidslijn bij de telecommunicatie is als volgt: OCenW is verantwoordelijk voor de inhoudelijke bepalingen over het beleidsterrein, en het ministerie van Economische Zaken (voorheen ministerie van Verkeer en Waterstaat tot 1 juli 2002) voor de aanwezigheid en efficiëntie van de telecom(omroep)infrastructuur (in het bijzonder frequenties).

15.2.1 Toegankelijkheid

Sinds de liberalisering van de Mediawet in 1997 is een aantal garanties neergelegd voor de doorgifte van omroepprogramma's via de kabel. Het betreft het vastleggen van een must-carry pakket (verplichte opname van een aantal zenders), de instelling van programmaraden en de mogelijkheid van een prijsmaatregel. Het Commissariaat voor de Media ziet erop toe dat de in de Mediawet opgenomen bepalingen door de omroepen en kabelexploitanten worden nageleefd.

15.2.2 Variëteit

Verschillende wettelijke programmavoorschriften waarborgen diversiteit van de publieke radio en televisieprogrammering. Daarnaast is de toegang van zendgemachtigden tot het publieke bestel gebaseerd op hun representativiteit voor bepaalde culturele, levensbeschouwelijke en politieke stromingen binnen de Nederlandse bevolking.

Het beleid van de rijksoverheid is er verder op gericht om de pluriformiteit van de pers (met name de dag- en nieuwsbladen en opinietijdschriften) zoveel mogelijk in stand te houden. Dat is van groot belang voor de informatievoorziening van de burger en daarmee voor het democratisch functioneren van de samenleving.

De overheidsbemoeienis met de pers is afstandelijker dan met de omroep. Het Bedrijfsfonds voor de pers vormt het voornaamste instrument.

15.2.3 Kwaliteit en bereik

De kerntaak van de publieke omroep bestaat uit het aanbieden op open netten van een gevarieerd, kwalitatief hoogstaand radio- en televisie-aanbod, voor alle leeftijds- en bevolkingsgroepen.

Tabel 15.1: Uitgaven media 2002 (x € 1 000)
Dotaties en bijdragen (w.o. CvdM, COBO, Stifo)27 618
Subsidies mediabeleid4 828
Beheertaken (MCO, Ned. Inst. Beeld en Geluid, NOB)59 346
Vergoeding omroepinstellingen768 931
Dotatie algemene omroepreserve20 621
Totaal uitgaven media 2002881 344

15.2.4 Continuïteit

In de Mediawet staan de verantwoordelijkheden en taken van de overheid op het terrein van de publieke omroep, de commerciële omroep en de pers beschreven. De taakopdracht van de publieke omroep strekt zich uit over de gehele publieke omroep in Nederland, dus zowel op landelijk, als op regionaal en lokaal niveau.

Financiering Nederlands publieke omroepbestel

Op grond van de Mediawet stelt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen jaarlijks vast welke bedragen beschikbaar zijn voor de publieke omroepen en de andere media-instellingen. In de mediabegroting worden de geraamde inkomsten en uitgaven zichtbaar gemaakt. De inkomsten op de mediabegroting bestaan uit de Rijksomroepbijdrage, de reclameontvangsten (Ster) en de rente op de algemene omroepreserve. De uitgaven gaan naar de publieke omroep (landelijk en regionaal) en naar andere media-instellingen.

Onderstaand is schematisch weergegeven hoe de financiële stromen lopen in het Nederlandse publieke omroepbestel.

kst-28880-16-22.gif

15.2.5 Overige

Voor de commerciële omroepen gelden slechts enkele programmatische voorschriften. Deze vloeien grotendeels voort uit Europese richtlijnen. De voorschriften betreffen in hoofdzaak regels voor reclame en sponsoring en de bescherming van minderjarigen (seks en geweld). Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de naleving van deze voorschriften.

De minister is systeemverantwoordelijk voor de landelijke publieke omroep, regionale en lokale publieke omroep en pers. De resultaatverantwoordelijkheid is in het geval van de landelijke publieke omroep overgedragen aan de NOS, in het geval van regionale publieke omroep aan de provincies, in het geval van lokale publieke omroep aan de gemeenten en in het geval van de pers aan het Bedrijfsfonds voor de Pers.

15.3 Operationele doelstellingen

15.3.1 Landelijke publieke omroep

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstelling van de publieke omroep is het aanbieden op open netten van een gevarieerd en kwalitatief hoogstaand radio- en televisieaanbod dat bij alle leeftijds- en bevolkingsgroepen op belangstelling en draagvlak kan rekenen.

Voor de publieke omroep geldt de wettelijke opdracht om de gehele bevolking te bedienen en programma's te maken voor zowel grote als kleine publieksgroepen.

Bij de concessieverlening in 2000 is deze opdracht vertaald in meetbare resultaatafspraken tussen overheid en omroep.

Uit onderstaande tabel blijkt dat de praktijk iets achterblijft bij de verwachtingen. De publieke zenders hebben een gemiddeld aandeel van 39 procent in de kijktijd van de Nederlandse bevolking. Het aandeel in de luistertijd is 31 procent. Deze cijfers brengen tot uiting welke positie de publieke omroep inneemt op de kijk- en luistermarkt, dus hoeveel mensen bij het kiezen tussen zenders hun keuze op een publiek programma laten vallen. De doelstelling van het kijktijdaandeel van 40% staat de laatste jaren sterk onder druk. Vanaf 1997 t/m 2000 heeft het percentage van het kijktijdaandeel geschommeld tussen de 37,6% en 39,8%.

Een andere indicator is het weekbereik. Deze maatstaf geeft aan of de publieke omroep erin slaagt om uiteindelijk iedereen een keer voor zijn programma's te interesseren. Het bereik wordt uitgedrukt als het percentage van de bevolking dat tenminste een kwartier per week afstemt op de publieke omroep: in het seizoen 2001/2002 was het weekbereik 89 procent.

Tabel 15.2: Bereiksdoelstellingen publieke omroep
 Doelstelling concessie-beleidsplan (2000)Programmering 2001/02
Aandeel in kijktijd40%39%
– Nederland 113%13%
– Nederland 217%18%
– Nederland 310%8%
Aandeel in luistertijd33%31%
Weekbereik bij Nederlandse bevolking85%89%

Bron: MJB 2003.

Op het terrein van de jeugdprogrammering voor kinderen tot 12 jaar werpt de samenwerking in Z@ppelin vruchten af. Lastiger is het voor de publieke omroep om jongeren en jongvolwassenen te bedienen: bij de doelgroep van 13 tot 24 jaar is het weekbereik 69%.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Om een gevarieerd en kwalitatief hoogstaand radio- en televisieaanbod te realiseren bevat de Mediawet voorschriften voor programmacategorieën die in de programmering aan bod moeten komen (programmavoorschriften). Deze wettelijke voorschriften bewegen zich op het terrein van informatie, educatie, verstrooiing, kunst, cultuur, Europese en onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige programma's, programma's gericht op minderheden en programma's die ondertiteld zijn voor doven en slechthorenden. Voor de meeste onderdelen gelden minimumpercentages. Op basis van voortdurende registratie en categorisering van programma's (door de NOS) toetst het Commissariaat voor de Media of de publieke omroep aan de voorschriften voldoet.

Onderstaande tabel laat zien dat de publieke omroep in het seizoen 2001/2002 (het programmaseizoen start in september) ruimschoots voldoet aan de wettelijke programmavoorschriften. In de opgave om informatie en cultuur te verzorgen toont hij zich onderscheidend. Aan de bepaling die een plafond stelt aan de hoeveelheid verstrooiing wordt ook meer dan voldaan. Voor dit nieuwe programmavoorschrift tellen alleen de grote spelshows mee – een kleine categorie in de publieke programmering. Deze indeling is in overeenstemming met de memorie van toelichting bij de concessiewet en de afspraken met het Commissariaat. Tegelijkertijd is deze interpretatie van het begrip verstrooiing voor de argeloze buitenstaander moeilijk te begrijpen. Het Commissariaat kondigt daarom in zijn reactie op de meerjarenbegroting 2003 aan om met de NOS te overleggen over een alternatieve definitie van verstrooiing, die bijvoorbeeld ook licht buitenlands drama en educatieve quizzen omvat. Overigens zou de publieke omroep met deze invulling ook ruim onder het maximum van 25% blijven.

Tabel 15.3: Percentage van de televisiezendtijd (tijdvak 16–24 uur)
 WettelijkProgrammering 2001
Cultuur/kunst: omroepverenigingenMinimaal 25%35%
Informatie/educatie: omroepverenigingenMinimaal 35%54%
Cultuur/kunst: NPSMinimaal 40%78%
Minderheden: NPSMinimaal 20%27%
Europees onafhankelijk product: totaalMinimaal 25%29%
Verstrooiing: alle zendgemachtigdenMaximaal 25%2%
Europese producties: Nederland 1Minimaal 50%88%
Europese producties: Nederland 2Minimaal 50%82%

De percentages hebben betrekking op de totale zendtijd van de publieke omroep en betreffen minimale percentages, tenzij anders vermeld. Het betreft hier gedifferentieerde percentages die niet bij elkaar kunnen worden opgeteld, omdat de categorieën/voorschriften elkaar niet uitsluiten. Ook gelden voor de NPS specifieke voorschriften. Bijvoorbeeld: een Nederlandse documentaire over Frans Hals telt mee voor het programmavoorschrift informatie- en cultuurkunst en voor Europees product.

Bron: Rapport over het functioneren van de landelijke publieke omroep in 2001 van het Commissariaat voor de Media

Los van de wettelijke programmavoorschriften heeft de publieke omroep nog een aantal doelstellingen geformuleerd. Met betrekking tot de verwachtingen rond de prestatieafspraken van het drama en specifiek «Nederlands drama» blijven de percentages iets onder de doelstelling. Echter in vergelijking met de jaren 1999 en 2000 is er een stijging te constateren. Één van de oorzaken voor het achterblijven van de doelstellingen betreft de lange productietijden en het feit dat er sprake is van golfbewegingen in het aanbod van deze programmasoort. Last but not least zijn deze programma's vrij kostbaar in vergelijking tot andere programmasoorten. De uitkomsten zijn kort samengevat in de onderstaande tabel weergegeven:

Tabel 15.4: Vrijwillige prestatieafspraken o.b.v. concessiebeleidsplan en meerjarenbegroting (% zendtijd)
 Doelstelling publieke omroepProgrammering 2001/02 publieke omroep
Sport (in jaren zonder grote evenementen; in overige jaren geldt maximum 11%)Maximaal 9%9%
Totaal drama (tijdvak 16–24 uur)25%24%
Nederlands drama9%8%

Bron: Meerjarenbegroting 2003.

In 2001/2002 zijn negen nieuwe Telefilms uitgezonden, met een gemiddeld bereik van 305 000 Nederlanders. Verder heeft de publieke omroep bijgedragen aan de productie van twintig Nederlandse bioscoopfilms. De documentaire, goed voor 5% van de zendtijd in 2001/2002, heeft een vastere plek verworven in de programmaschema's.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Ja, het budget van de landelijke publieke omroep is voor het jaar 2001 vastgesteld op € 652,2 miljoen. Uit de exploitatie van de landelijkeomroep blijkt dat aan uitgaven in 2001 een bedrag van € 765,9 miljoen is verantwoord. De exploitatie van de landelijke publieke omroep is echter sluitend, mede als gevolg van de overige baten. Over het jaar 2002 zijn nog geen cijfers beschikbaar.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Naast de Rijksbegroting op hoofdlijnen wordt er ieder jaar een aparte Mediabegrotingsbrief aan de Tweede kamer verzonden. In deze brief wordt uitgebreider op de onderdelen van de uitgaven ingegaan, waarbij tevens een uitgebreide beleidsmatige onderbouwing aan de orde is. Deze brief is op 21 november 2001 aan de Tweede kamer aangeboden.

15.3.2 Stimuleringsfonds

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het Stimuleringsfonds Nederlandse culturele omroepproducties (Stifo) levert een belangrijke bijdrage aan de realisering van het kwalitatief hoogstaande cultureel programma-aanbod. Deze stichting draagt in belangrijke mate bij aan de kosten van de relatief dure televisie- en radioproducties. De cijfers over het jaar 2002 waren nog niet beschikbaar. Voor een groot deel zijn de voornemens uit het beleidsplan 2001 van het fonds gerealiseerd en wel op succesvolle wijze.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De extra stimulans die het fonds aan het genre van de kinderprogramma's heeft willen geven is volledig tot zijn recht gekomen. Daarnaast is een behoorlijke impuls gegeven aan het genre van de jeugddocumentaire. De financiële steun is verleend aan meer dan 21 uur hoogwaardige kinderprogramma's voor de publieke omroep.

Het beleidsplan van het fonds 2001–2004 en de implementatie van de voornemens daarin zijn in 2001 voor het grootste deel gerealiseerd. Het stimuleren van de kwaliteitsrijke maatschappelijke documentaire is boven verwachting in 2001 gerealiseerd.

De bijzondere steun die het fonds had willen geven aan de ontwikkeling van lang lopende televiesiedramaseries voor een jong publiek is nauwelijks gerealiseerd.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het totaal beschikbare bedrag ad € 15,6 miljoen in 2001 is volledig aangewend in de exploitatie van het fonds. De totale lasten bedroegen zelfs € 18,2 miljoen en zijn deels via overige baten gedekt.

15.3.3 Media en migranten

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De overheid investeert in de versterking van op minderheden gerichte televisieprogrammering in de vier grote steden via de regionale en lokale zendgemachtigden. Een nieuwe organisatie maakt in samenwerking met de regionale en lokale omroepen doelgroepprogramma's volgens een modern West-europees format. De programma's dienen eveneens voor een breed publiek toegankelijk te zijn en zijn tevens integratiebevorderend.

Eind 2003 worden kwaliteit en bereik van deze programma's en de samenwerking geëvalueerd.

In 2001 is door OCenW en de vier grote steden de productiemaatschappij MTNL (Multiculturele Televisie Nederland) opgericht. Deze organisatie is gevestigd in Amsterdam en produceert voor de vier grote doelgroepen (Surinamers, Antillianen, Marokkanen en Turken) wekelijks per groep drie kwartier tweetalig actueel nieuws en informatie in een modern programmaformat. Per stad wordt een kwartier lokaal nieuws geproduceerd door de vaste samenwerkingspartners van MTNL, te weten zowel regionale omroep en ook lokale producenten ter plaatse. De programma's worden uitgezonden door de publieke lokale en regionale omroepen. In Amsterdam en Rotterdam wordt de MTNL-programmering gedurende de week nog herhaald, waardoor het bereik toeneemt.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In de nota Media en minderheden van juni 1999 (Kamerstukken II, vergaderjaar 1998–1999, 26 597 nr. 1) is dit voornemen en de geplande uitwerking opgenomen. De uitvoer van het project heeft in de loop van 2001 echter wat vertraging opgelopen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

MTNL beschikt over een budget dat door de grote steden en OCenW beschikbaar is gesteld.

In totaal was in de mediabegroting 2001 € 2,1 miljoen opgenomen als bijdrage voor lokale migrantentelevisie. De bijdrage van OCenW voor MTNL in 2001 kwam uit op € 1,1 miljoen. Dit is lager dan de begrootte € 2,1 miljoen. Van het verschil van ruim € 1 miljoen kwam € 0,3 miljoen ten goede aan SOM-media, een producent die in de loop van 2001 is opgegaan in MTNL. Een bedrag van € 0,7 miljoen resteerde op de begroting doordat MTNL later begon te produceren dan voorzien: pas in november 2001 in plaats van begin 2001 zoals oorspronkelijk het plan was. In 2002 is een totaalbedrag van ruim € 2,4 miljoen aan deze organisatie toegekend. Dit is inclusief 1/3 deel van het overschot uit 2001. In totaal blijft de organisatie binnen de overeengekomen meerjarenbegroting.

15.3.4 Technologische ontwikkelingen

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Ontwikkeling van nieuwe diensten voor internet en digitale televisie door de landelijke publieke omroep.

Met ingang van de concessiewet in september 2000 mag de publieke omroep nieuwe diensten die aansluiten bij de hoofdtaak (neventaken) bekostigen uit de omroepmiddelen. Om te stimuleren dat de publieke omroep ook daadwerkelijk investeert in innovatie, is vanaf 2001 cumulatief 1,5% van het budget van de landelijke publieke omroep gereserveerd voor nieuwe diensten.

Aan deze financiering is de eis verbonden van een gezamenlijke strategie en een verantwoord bestedingsplan van de publieke omroep.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Begin 2001 heeft daartoe eerst het bureau McKinsey & Company (in opdracht van het ministerie van OCenW, de NOS en de STER) de digitale toekomst verkend en advies uitgebracht. In vervolg hierop heeft de publieke omroep in de meerjarenbegroting 2002–2006 een hoofdstuk opgenomen over de nieuwe media en heeft de publieke omroep een gezamenlijk plan internet geschreven.

Hiermee wordt de samenwerking op internet tussen de zendgemachtigden versterkt.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Op basis van het gezamenlijk plan internet heeft de staatssecretaris van OCenW in juni 2002 besloten tot het beschikbaar stellen van budget voor nieuwe diensten voor zowel 2001 (€ 10 miljoen), als 2002 (€ 20 miljoen).

In de meerjarenbegroting 2003 is de voortgang in de samenwerking tussen de zendgemachtigden beschreven.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

Op 24 juni 2002 is een brief aan de Tweede kamer gezonden inzake het bestedingsplan «Nieuwe diensten» van de publieke omroep, waarin een nadere onderverdeling van het budget naar typen samenwerking is gegeven.

15.3.5 Pers

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het zoveel mogelijk in stand houden en stimuleren van de pluriformiteit van de pers (met name de dag- en nieuwsbladen en opinietijdschriften). De mate van pluriformiteit wordt uitgedrukt in het aantal redactioneel zelfstandige bladen dat op de markt verschijnt. Tevens worden de bestaande en nieuwe bladen, die zich richten op minderheden alsmede de nieuwe journalistieke internetproducten, tijdelijk gestimuleerd.

Voor het volgen van ontwikkelingen in de pers wordt gebruik gemaakt van de persmediamonitor van het Bedrijfsfonds voor de pers (www.persmediamonitor.nl). Deze monitor bevat onder andere informatie over dag-, nieuws-, huis-aan-huis-bladen en tijdschriften.

De monitor laat zien dat het aantal redactioneel zelfstandige dagbladen de laatste jaren is teruggelopen. De oplagen van de dagbladen vertonen eveneens een dalende tendens.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Ja, conform de voornemens is het instrumentarium van het Bedrijfsfonds voor de pers in juli 2002 uitgebreid met twee nieuwe regelingen: een stimuleringsregeling voor bladen die zich speciaal richten op minderheden in ons land en een regeling voor journalistieke informatieproducten via het internet. De eerste regeling heeft een looptijd van vier jaar, met een evaluatie in het derde jaar. De tweede regeling heeft een looptijd van drie jaar, met een evaluatie na twee jaar.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het jaarverslag 2002 moet nog door het Bedrijfsfonds voor de pers worden opgesteld. Uit voorlopige gegevens komt het volgende beeld naar voren.

In 2002 werd in het kader van «individuele steunverlening» een bedrag van € 1,6 miljoen uitgekeerd aan totaal negen persorganen. Het Bedrijfsfonds verstrekte € 0,9 miljoen steun aan zeven onderzoeksprojecten.

Uit de (tijdelijke) steunverlening voor minderhedenbladen kende het Fonds € 0,3 miljoen toe aan twee projecten. Bij de (tijdelijke) steunregeling voor internet informatieproducten werden in 2002 twee aanvragen in behandeling genomen.

Alle steunverlening vindt plaats ten laste van de middelen waarover het Bedrijfsfonds reeds beschikte. Er heeft géén dotatie aan het Fonds plaatsgevonden.

Overzicht van informatie die de Kamer heeft ontvangen

In de Persbrief van 10 december 2001 (28 161, nr.1) zijn nieuwe en tijdelijke instrumenten aangekondigd. Op 29 maart 2002 is een rapport mediaconcentraties aan de Tweede Kamer gezonden waarbij een aantal aanbevelingen zijn gedaan ter stimulering van de sector dagbladen.

15.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 15.5: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen  832 972834 425882 964877 6785 286
– waarvan garanties       
Uitgaven  830 642836 127881 344878 1673 177
Ontvangsten  243 245231 335222 155307 935– 85 780
De rijksomroepbijdrage bedraagt   601 786654 404639 09315 311

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

15.5 Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf 2002

In de begroting van 2002 is gemeld dat het bestaande instrumentarium, in overleg met de NOS en het Commissariaat voor de Media, wordt gemonitord en waar mogelijk en wenselijk wordt geoptimaliseerd.

Deze uitgesproken ambitie heeft vorm gekregen in het feit dat het jaarlijkse bedrijfstakonderzoek bij de omroepen is verbeterd. De beschikbare grafieken/cijferstaatjes zijn op relevantie getoetst, en alle overbodige informatie is weggelaten. De onderverdeling van de cijfers naar Nederland 1-, 2 en 3 is prominenter in beeld gebracht. In de voorliggende jaren werden de gegevens meer per omroep gepresenteerd.

Al jaren heeft de NPS de wettelijke taak om programma's te maken voor, door en/of over etnische minderheden. Sinds de concessiewetgeving moet de publieke omroep als geheel rapporteren over zijn inspanningen op dit gebied.

In het afgelopen jaar zijn de zendgemachtigden een gedeelde definitie van het begrip multiculturele programmering overeen gekomen. In dit kader is het noemenswaardig dat de publieke omroep het rapport Multiculturele programmering heeft uitgebracht.

16. ONDERZOEK EN WETENSCHAPPEN

16.1 Algemene beleidsdoelstelling

De minister heeft de zorg voor het scheppen van een onderzoeksklimaat dat uitdaagt tot optimale prestaties: wetenschap van hoog niveau voor welvaart en welzijn.

Vanuit deze algemene beleidsdoelstelling is de minister verantwoordelijk voor het goed en doelmatig laten functioneren van het onderzoeksbestel binnen de maatschappij. Dat wil zeggen dat de omvang, het vernieuwend vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek op peil zijn, en dat de middelen efficiënt worden ingezet.

16.2 Het stelsel: de staat van de sector

16.2.1 Variëteit

Het stelsel van onderzoek en wetenschappen beslaat een groot aantal instellingen, grotere en kleinere. Het gaat zowel om uitvoerende als ondersteunende instellingen elk met een eigen missie en takenpakket op het gebied van onderzoek. Ze kunnen als volgt worden ingedeeld:

• de onderzoeksorganisaties: Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO), Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en de Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO);

• de wetenschappelijke bibliotheken, waaronder de Koninklijke Bibliotheek (KB);

• instellingen voor alfa- en gamma-onderzoek;

• de grote technologische instituten (gti's);

• internationale onderzoekinstellingen;

• instellingen voor publieksvoorlichting en technologisch aspectenonderzoek, en

• adviesraden.

Paragraaf 16.4 bevat het budgettaire overzicht van deze instellingen.

16.2.2 Kwaliteit en internationale positie

Internationale wetenschappelijke onderzoekssamenwerking is essentieel voor een kwalitatief goed onderzoeksstelsel. De internationale positie van Nederland op onderzoeksgebied is een maat voor de kwaliteit van ons stelsel.

De internationale positie van het stelsel van onderzoek en wetenschappen kan beschreven worden op basis van een aantal indicatoren, die door de Europese Commissie in samenwerking met de EU-lidstaten gebruikt worden om de doelstellingen van de Europese Raad (Lissabon, maart 2000) te toetsen aan de hand van concrete gegevens. In dat kader heeft Nederland de ambitie uitgesproken tot de kopgroep van Europa te behoren.

Tabel 16.1: De positie van Nederland binnen de EU op basis van 15 indicatoren
 Score 2002Verschil met 2001
Thema 1: menselijk kapitaal voor R&D  
Het aandeel onderzoekers ten opzichte van het totaal aantal arbeidskrachten8+ 1
Het aandeel nieuwe promovendi t.o.v. de populatie in de betreffende leeftijdsgroep11=
Thema 2: publieke en private investeringen in R&D  
Totale R&D-uitgaven als percentage van het BBP6+ 1
Private R&D-uitgaven ten opzichte van de industriële output7+ 1
Het aandeel van de overheidsuitgaven voor R&D als percentage van het BBP4=
In het MKB uitgevoerd onderzoek gefinancierd door de overheid7+ 1
De omvang van in vroege stadia geïnvesteerd risicodragend kapitaal als % van het BBP6– 4
Thema 3: wetenschappelijke en technologische productiviteit  
Het aantal octrooien per hoofd van de bevolking5– 1
• bij EPO (European Patent Office)6=
• bij USPTO (United States Patent and Trademark Office)5– 
Het aantal wetenschappelijke publicaties per hoofd van de bevolking1+ 1
Het aantal meest geciteerde publicaties als % van het totaal aantal wetenschappelijke publicaties  
Thema 4: de invloed van R&D op het concurrentievermogen en werkgelegenheid  
Het groeitempo van de arbeidsproductiviteit3=
Het aandeel van hoog en middelhoog technologische bedrijven  
• in de totale werkgelegenheid12=
• in de industriële output9– 1*
Het aandeel van kennisintensieve diensten  
• in de totale werkgelegenheid5– 2*
• in de industriële output4– 1*
De technologische betalingsbalans als percentage van het BBP3– 1
Het wereldmarktaandeel van een land in de uitvoer van hoog technologische producten4=

Bron: EU (Key Figures 2002).

Noot 1: de score geeft de plaats weer van Nederland binnen de EU, waarbij «1» de hoogste positie is; een plusscore ten opzichte van 2001 betekent een verbetering, een min-score een verslechtering.

Noot 2: de scores voor 2002 (scores met een *) zijn in een enkel geval niet geheel vergelijkbaar met die van 2001, omdat het aantal landen niet identiek is. Dit betekent dat bij drie scores de Nederlandse positie feitelijk één hoger zou moeten zijn in 2001 en het verschil één kleiner.

Noot 3: in vergelijking met dezelfde tabel in de begroting is de indicator «het percentage innovatieve bedrijven dat samenwerkt met andere bedrijven of publieke kennisinstellingen» weggelaten, omdat er geen score voor 2002 beschikbaar was.

Noot 4: in vergelijking met de tabel uit de begroting 2002 is de indicator met betrekking tot de overheidsuitgaven door de EU aangepast. De noemer is gewijzigd van «totale overheidsuitgaven» in «BBP». Bij de verschilscore is daarmee rekening gehouden.

De vergelijking van cijfers voor 2001 en 2002 laat zien dat bij het thema «menselijk kapitaal» de positie van Nederland nauwelijks is gewijzigd, en dat een carrière in het onderzoek een punt van zorg blijft. Niet alleen is het aandeel nieuwe promovendi relatief laag, ook doet de situatie zich voor dat er een toenemend beroep moet worden gedaan op buitenlandsearbeidskrachten. Wanneer de problematiek van een loopbaan in het onderzoek wordt gezien als een ontwikkeling van opeenvolgende besluitvormingsprocessen die al vroeg in het onderwijs start, is aandacht nodig voor de wijze waarop stappen in dit proces worden gezet en de knelpunten die zich daarbij voordoen.

Bij het thema «investeringen in R&D» is een lichte vooruitgang te zien op drie van de vijf indicatoren. Daarnaast laat de indicator voor risicodragend kapitaal een stevige teruggang zien, maar de vraag is of dit structureel is. De vooruitgang is echter niet voldoende in het licht van de tijdens de top van Barcelona (maart 2002) afgesproken doelstelling ernaar te streven om de totale EU-uitgaven voor R&D in 2010 3% van het BBP te laten benaderen.

Het beeld bij het thema «wetenschappelijke en technologische productiviteit» is enigszins wisselend: zowel gelijkblijvend, als licht achteruitgaand en vooruitgaand.

Bij het 4de thema is het beeld echter licht negatief: op geen van de indicatoren is vooruitgang te zien.

Tegen de achtergrond van de Nederlandse ambitie blijkt uit de tabel dat Nederland bij drie indicatoren tot de top-3 behoort, en bij negen indicatoren tot de top-5. Daardoor behoort Nederland soms tot de kopgroep van Europa, soms tot de middengroep, maar soms ook tot de achterhoede. Om de Nederlandse positie te versterken zijn blijvende inspanningen nodig, zowel in de publieke als de private sector.

Een beeld op basis van meer en gedetailleerde gegevens over prestaties in relatie tot de kosten laat zien, dat Nederland in internationaal opzicht goed tot zeer goed scoort.

Nederland is slechts een kleine speler op het wereldtoneel. Uit het rapport Wetenschaps- en technologie-indicatoren 2000 (NOWT, 2001) blijkt dat 2,5% van de totale kennisproductie van de wereld afkomstig is van Nederlandse onderzoekers. Desondanks wordt onderzoek waarbij Nederlandse onderzoekers zijn betrokken, relatief veel geciteerd op een veelheid aan gebieden.

Na de VS scoort Nederland ook het hoogste van de EU-landen wat betreft het aandeel veel geciteerde wetenschappelijke publicaties.

Om dat kwaliteitsniveau te handhaven is een voldoende aanwas van nieuwe, jonge talentvolle onderzoekers nodig. Hoewel Nederland goed scoort wat betreft het potentieel, zijn er ook indicaties dat het moeilijk is om voldoende gekwalificeerde Nederlandse onderzoekers aan te trekken en blijkt uit tabel 16.1 dat Nederland relatief weinig nieuwe promovendi opleidt.

Op basis van internationale verdragen draagt Nederland al geruime tijd bij aan een aantal grote intergouvernementele (Europese) onderzoeksorganisaties. Hierdoor worden Nederlandse wetenschappelijke onderzoekers in de gelegenheid gesteld internationaal samen te werken in zeer vernieuwend en hoogstaand onderzoek. Dit is van grote betekenis voor de kwaliteit van ons onderzoeksbestel en biedt toegang tot kennis die elders wordt geproduceerd. OCenW droeg daarom ook in 2002 bij aan de programma's van respectievelijk CERN, ESO, ESA, EMBL en EMBC. Voor meer informatie over activiteiten in 2002 en de inzet van middelen wordt verwezen naar paragraaf 3.7.

16.2.3 Toegankelijkheid

Nederland scoort goed als het gaat om het aandeel bij publieke kennisinstellingen uitgevoerd onderzoek dat privaat wordt gefinancierd.

In de loop van de jaren is een toename in dit aandeel te zien (tot 11,5%), mede als gevolg van gericht beleid (zie verder Kerncijfers 1998–2002). Die financiering komt vooral ten goede van de semi-publieke instellingen als TNO en de grote technologische instituten (22,9% in 2000), en minder van de universiteiten (6,5% in 2000), al neemt het aandeel ook daar toe.

Er kan ook naar de privaat-publieke financieringsstroom gekeken worden op basis van de relatieve omvang van de uitbesteding van bedrijven naar publieke kennisinstellingen.

OESO-cijfers laten zien dat wat betreft de uitbesteding van bedrijven bij universiteiten als aandeel van de totale private middelen Nederland ten opzichte van andere landen beter scoort, dan op de indicator «universitair onderzoek dat privaat wordt gefinancierd». Dit nuanceert het eerder geschetste beeld van de Nederlandse universiteiten. De wisselwerking tussen het publieke onderzoek en bedrijven moet gezien de Lissabon-ambities van Nederland nog versterkt worden. In een gezamenlijk werkdocument van de ministeries van OCenW en EZ is geïnventariseerd hoe dat zou kunnen worden bevorderd (zie hiervoor paragraaf 16.3.6).

Voorts is een belangrijk instrument om de toegankelijkheid van publieke kennisinstellingen en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek te vergroten communicatie over wetenschap en techniek. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbieden van informatie via internet. Diverse initiatieven zijn gestart ter verbetering van de elektronische toerusting van het wetenschapsbestel (zie paragraaf 16.3.2).

16.2.4 Rendement

Zicht op de rendementen van de binnen het stelsel aanwezige organisaties is vooralsnog beperkt. Voor de ter hand genomen en reeds gerealiseerde activiteiten ter verbetering van deze situatie wordt verwezen naar de aanpak die beschreven staat in de terugblik op de acties uit de groeiparagraaf (paragraaf 16.5).

16.2.5 Continuïteit, de financiële positie van de vier grote instellingen

Een substantieel deel van de begroting is bestemd voor het onderzoeksbestel. De vier belangrijkste instellingen NWO, TNO, KNAW en KB zijn samen goed voor circa 80% van de totale uitgaven onderzoek en wetenschapsbeleid. De financiële positie van deze instellingen garandeert hun continuïteit (zie ook Verantwoording in kerncijfers). Hun financiële positie komt hieronder aan de orde.

Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO)

De rijksbijdrage inclusief de specifieke subsidies van OCenW over 2001 bedroeg in totaal € 347 miljoen (in 2000 € 294 miljoen), ofwel circa 80% van de inkomsten (2000: circa 81%). De toename is veroorzaakt door de bijzondere toevoegingen voor Genomics en de Vernieuwingsimpuls, terwijl de lichte afname van het procentuele aandeel samenhangt met het toegenomen aandeel van bijdragen door andere departementen. Het resultaat van de normale bedrijfsuitvoering (d.w.z. het resultaat exclusief de buitengewone baten en lasten) bedraagt over 2001 € 43 miljoen. Hiervan was een bedrag van € 47 miljoen bedoeld voor geoormerkte doelen (Genomics, Vernieuwingsimpuls), waardoor aan de algemene reserve een bedrag van € 4 miljoen moest worden onttrokken. De vermogensverhoudingen en de liquiditeit van NWO zijn goed: het eigen vermogen bedroeg per ultimo 2000 circa 50% van het totale vermogen (in 2000 circa 44%).

Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)

De rijksbijdrage aan TNO bedroeg in 2001 € 186 miljoen (2000: € 173 miljoen), oftewel circa 34% van haar omzet. De overige omzet haalt TNO uit opdrachten voor overheden en bedrijven. Het jaar 2001 is afgesloten met een positief resultaat van € 3 miljoen (2000: € 7 miljoen). Het resultaat over 2001 is daarmee op het eerste gezicht voldoende, hoewel slechter dan in de twee voorgaande jaren. Als we de buitengewone transacties buiten beschouwing laten is daarachter echter een aanzienlijk verlies genomen. Mede met het oog op de liquiditeitspositie en de beheersing van toekomstige exploitatielasten heeft TNO vastgoed verkocht, waarbij afwaardering van activa, en daarmee van vermogen noodzakelijk was. Per ultimo 2001 bedroeg het (vooral voor de financiering van de vaste activa dienende) eigen vermogen van € 215 miljoen overigens nog steeds 56% van het totaal. TNO heeft in een aantal sectoren ook kostenverlagende maatregelen getroffen. Met dat handelen lijkt de hier een jaar geleden beschreven financiële dreiging onder controle te zijn, met dien verstande dat de zwakke resultaten van een aantal TNO-instituten onverminderde aandacht vragen van TNO.

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)

De rijksbijdrage aan KNAW bedroeg in 2001 € 75 miljoen (2000: € 69 miljoen), ofwel ruim 77% van de inkomsten. Het netto resultaat van de KNAW bedroeg € 3 miljoen (in 2000 nog € 9 miljoen). Daarbij valt aan te tekenen dat het eerdere resultaat voor een belangrijk deel het effect is geweest van een technische stelselaanpassing. Het een jaar eerder al opgemerkte betere financieel beheer speelt nog steeds een rol en dat komt zeker ook tot uitdrukking in de vermogensverhoudingen en de liquiditeit: de financiële positie van de KNAW is goed. Het aandeel van het eigen vermogen lag per ultimo 2001 op 64% (inclusief de geoormerkte fondsen).

Koninklijke Bibliotheek (KB)

De rijksbijdrage voor de KB exclusief de bijzondere bijdrage ten behoeve van het programma Metamorfoze (€1,4 miljoen) bedroeg in 2001 circa € 27 miljoen (2000: € 18 miljoen). Dit komt overeen met 87% van de totale baten (2000: 81%). De toename is grotendeels het boekhoudkundige effect van de stelselwijziging rond de huisvesting. Na een verwaarloosbaar resultaat in 1999, volgde in 2000 een negatief resultaat van € 0,7 miljoen en in 2001 een positief resultaat van € 2,5 miljoen. Ook hierin schuilt een boekhoudkundig effect door de voornoemde stelselwijziging. Het resultaat over 2001 is in zijn geheel bestemd voor een toevoeging aan het nieuw gecreëerde fonds huisvesting, welk fonds volledig geoormerkt is voor de stijgende huurlasten. De in 2000 verzwakte vermogensverhoudingen zijn in feite dus niet verbeterd. Het aandeel van het eigen vermogen ad € 9,6 miljoen bedraagt nu 36%. De liquiditeit van de KB is overigens goed.

16.3 Operationele doelstellingen

16.3.1 Vermindering plan- en beheerslast

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Doel van de maatregelen ter vermindering van de plan- en beheerslast is het scheppen van heldere bestuurlijke verhoudingen tussen overheid en onderzoeksorganisaties die bijdragen aan vermindering van de administratieve ballast en aan een meer transparante planning en verantwoording. In 2002 is op deze punten een aanzienlijke vooruitgang geboekt. De genomen maatregelen zullen de komende jaren hun vruchten moeten gaan afwerpen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 zijn de volgende maatregelen doorgevoerd:

• Er is een goed begin gemaakt met de aanpak ter vermindering van de administratieve last bij individuele wetenschappelijke onderzoekers. Op dit moment ligt er een grote administratieve last bij de individuele wetenschappelijk onderzoeker. Die last komt voort uit het indienen van onderzoeksvoorstellen en het afleggen van verantwoording. Het deel van de last dat rechtstreeks door OCenW werd veroorzaakt, is inmiddels aanzienlijk gereduceerd.

• De project- en exploitatiesubsidies zijn gesystematiseerd en opgenomen in twee kaderregelingen. In de regelgeving voor de bekostiging ontbrak tot voor kort een voldoende helder en consistent kader voor de onderzoeksorganisaties die OCenW bekostigt. Zowel bij de projectals de exploitatiesubsidies hadden zij nogal eens te maken met diverse combinaties van overheidsinstrumenten en regels. Het een en ander vereiste een uniformering en samenvatting van de toe te passen regels en voorschriften. Op dit moment wordt gewerkt aan toepassing van de kaderregelingen in de richting van de kleinere instellingen in het domein van onderzoek- en wetenschapsbeleid.

• In het toezicht en de verantwoording zijn tussen de minister en het onderzoek- en wetenschapsstelsel veel instrumenten en gebruiken gegroeid. Daarbij wordt nogal eens informatie uitgewisseld die voor de minister en de Tweede Kamer niet direct bruikbaar is. Tussen de minister en de vier grote organisaties zijn nu dan ook indicatorenovereenkomsten voorbereid en uitgewerkt. Inmiddels zijn die overeenkomsten afgesloten met TNO, KB en KNAW (en overigens ook met het Biomedical Primate Research Centre). De feitelijke indicatoren komen na het eerste kwartaal van 2003 beschikbaar. Zij vormen een kapstok voor het bestuurlijk gesprek tussen minister en organisaties. Op dit moment wordt er nog gewerkt aan de overeenkomst met NWO. Hoewel dat nog niet in de begroting voor 2002 was vermeld, wordt er inmiddels eveneens gewerkt aan verruiming van het toepassingsgebied in de richting van de kleinere instellingen in het domein van onderzoek- en wetenschapsbeleid (2003–2004).

• Naar aanleiding van het regeerakkoord voor het tweede kabinet Kok en de nota wetenschapsbudget van 2000, is voor NWO, KB en KNAW een vierjarige strategische plancyclus geïnitieerd. Een wetsvoorstel voor de benodigde aanpassing van de NWO-wet en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) ligt inmiddels in de Tweede Kamer (zie ook Tweede Kamerstukken 2001–2002 28 466). Gelet op de huidige plancycli zal de nieuwe cyclus in 2006 zijn beslag hebben gekregen. Met ingang van dat jaar zullen de plancycli van de vier grote organisaties in het wetenschapsbestel synchroon lopen. De KB en NWO draaien inmiddels proef met de nieuwe cyclus. Voor TNO gold al een vierjarige cyclus.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Deze veranderingen hebben geen directe financiële gevolgen.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

• Het wetsvoorstel houdende de Wijziging van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ter uitvoering van de in het Wetenschapsbudget 2000 opgenomen voornemens en tot het aanbrengen van een aantal technische wijzigingen (Kamerstukken II, 2001–2002, 28 466, nrs. 1–2).

• De bij het voornoemde wetsvoorstel horende Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2002/02, 28 466, nr. 3).

• Het bij het voornoemde wetsvoorstel horende Advies Raad van State en Nader Rapport (Kamerstukken II, 2002/02, 28 466, nr. A).

• De brief van de minister van OCenW aan de Tweede Kamer van 19 december 2002 inzake de Voortgangsrapportage autonomie en deregulering (Kamerstukken 2002–2003 28 600 VIII nr. 109).

16.3.2 Elektronische toerusting

16.3.2.1 Digitale wetenschap

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is bij te dragen aan de verbetering van de efficiëntie en productiviteit en vernieuwing van het wetenschappelijk onderzoek, alsmede aan een snellere overdracht van resultaten van dat onderzoek. Hiervoor is het nodig te komen tot versterking en verbetering van de benutting van de elektronische toerusting van het onderzoeksbestel. Met de lange termijn inspanning die hiermee gemoeid is, is in 2002 langs de drie beoogde wegen belangrijke voortgang geboekt.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De voorgenomen drie actielijnen hebben tot de volgende resultaten geleid:

• Het project GigaPort en daarmee de innovatie van SURF-net is zo ver gevorderd dat het project binnenkort als zeer succesvol kan worden afgesloten. Het heeft er onder andere toe geleid dat het wetenschappelijk onderzoek nu beschikt over een SURFnet5 netwerk met een binnen Europa niet of nauwelijks geëvenaarde kwaliteit en capaciteit en met zeer snelle internationale en intercontinentale verbindingen. Daarnaast is de eind 2000 aangekochte nieuwe supercomputer TERAS nu volop in bedrijf en onder andere al van grote betekenis voor het genomics onderzoek.

• Op het terrein van de toegankelijkheid van wetenschappelijk informatie en de communicatie tussen wetenschappers is het najaar het project DARE (Digital Academic Repositories) gestart. Dit is een gezamenlijk initiatief van Nederlandse universiteiten, verenigd in de stichting SURF, NWO, KB en KNAW. Het project richt zich op de totstandkoming van een digitaal platform waarmee alle wetenschappelijk output van de instellingen wordt opgeslagen en bereikbaar gemaakt. In dit verband is ook het project I-research uitgebouwd zowel nationaal als internationaal. Dit initiatief is gericht op het traceerbaar maken van onderzoekers, onderzoeksprojecten en wetenschappelijke expertise.

• De versterking van het ict-onderzoek rond e-science heeft het afgelopen jaar verder inhoud gekregen met het ICES-KIS project Wetenschap en Technologie Centrum Watergraafsmeer (WTCW), waarbinnen onder andere het zogenaamde virtuele laboratorium voor wetenschappelijk onderzoek wordt ontwikkeld. Mede mogelijk gemaakt door de ICES-KIS impuls heeft de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met het Centrum voor Wiskunde en Informatica (CWI) en het NIKHEF zich in 2002 verder ontwikkeld tot een internationaal erkend centrum voor zogenaamde grid-technologie. Met een groot internationaal congres over grid-technologie, afgelopen najaar in Amsterdam, wist Nederland zijn in belang toenemende rol op dit gebied te bevestigen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.2: SURF (x € 1 000)
 Begroting 2002Realisatie 2002
Ombouw GigaPort naar SURFnet52 2692 269

De projecten «DARE» en «I-research» zijn gedeeltelijk gefinancierd uit de middelen voor het Nationaal Actie Programma voor de stimulering van de elektronische snelweg (NAP-gelden), die worden beheerd door het ministerie van Economische Zaken, en gedeeltelijk door de instellingen zelf. De versterking van het onderzoek rond e-science gebeurt uit de reguliere instellingsfinanciering en uit de ICES-KIS-2 middelen.

16.3.2.2 Toegankelijkheid Koninklijke Bibliotheek – «Het geheugen van Nederland»

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van het project is het opbouwen van een nationale digitale collectie op het terrein van de Nederlandse cultuur en geschiedenis in de breedste zin van het woord. De inhoud van het geheugen wordt gevormd door culturele collecties van en over Nederland, afkomstig uit verschillende typen erfgoedinstellingen, zoals archieven, bibliotheken en musea. De collectie is bestemd voor een breed publiek – van wetenschapper tot geïnteresseerde -, met speciale nadruk op het voortgezet onderwijs. Het beoogde resultaat is een website die toegang biedt tot minimaal zestien collecties. De eerste fase loopt tot en met 2003. In 2002 is er goede vooruitgang geboekt.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 zijn de eerste tien projecten opgeleverd en zes onderwijsapplicaties kwamen gereed.

De landelijke digitaliseringvoorziening is met instemming van OCenW ondergebracht in de joint venture van KB en OCLC «Strata Preservation NV». Deze acties zijn conform de voornemens in de begroting 2002. Het programma wordt uitgevoerd door de KB in samenwerking met de deelnemende erfgoedinstellingen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) is uit de interim impuls voor ict en onderwijs € 6,8 miljoen beschikbaar gesteld voor de periode 2000 tot en met 2003. De voor 2002 op grond van het activiteitenplan uit de FES middelen gereserveerde € 0,9 miljoen is beschikbaar gesteld.

16.3.3 Kennisopbouw toekomst

16.3.3.1 Investeringen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Om te zorgen dat het onderzoeksbestel beter in staat is (funderend) onderzoek te verrichten, investeert de overheid naast bestaande geldstromen in een aantal gebieden via de ICES/KIS kennisprojecten. Het doel is met deze projecten de kennisinfrastructuur te versterken als onderdeel van de economische structuur. De nadruk ligt daarbij op onderzoek en kennisoverdracht.

Uit het monitoren van de voortgang van de drie ICES/KIS kennisprojecten door een onafhankelijke commissie is gebleken, dat de beoogde intensivering van de relatie tussen kennisinfrastructuur en de markt en de upgrading van de kennisinfrastructuur goed op gang zijn gebracht. Binnen de projecten wordt gewerkt aan zaken waar het bedrijfsleven belangstelling voor heeft. De resultaten ter versterking van de economische structuur worden op wat langere termijn zichtbaar.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Drie kennisprojecten worden in het kader van ICES/KIS beheerd door OCenW: BioMaDe, Delft Cluster en Watergraafsmeer. De realisatie van de plannen voor de drie projecten loopt volgens planning.

BioMaDe beoogt een kenniscentrum te ontwikkelen op het gebied van de moleculaire nanotechnologie. Er wordt nauw samengewerkt met de Rijksuniversiteit Groningen. In 2002 is de private bijdrage significant gestegen. Inhoudelijk is bij de diverse deelprojecten goede voortgang geboekt. De projecten zijn primair gericht op intelligente drug delivery.

Delft Cluster is een samenwerkingsverband van vijf Delftse onderzoeksorganisaties die actief zijn in de GWW-sector (grond-, weg-, en waterbouw). Het project beoogt samen met andere belangrijke Nederlandse kennisinstellingen te komen tot een samenhangende onderzoeksprogrammering op GWW-gebied. De samenwerking met andere disciplines en organisaties is in 2002 versterkt via de beleidszwaartepunten «water en ruimte», «klimaat en ruimte», «duurzaam gebruik ondergrond» en «systeeminnovatie bouwprocessen». Uit de monitoring van ICES-KIS projecten waarover de Tweede Kamer in maart is geïnformeerd, blijken de goede resultaten die met het project zijn geboekt.

Met als doel bij te dragen aan de versterking van de kennisinfrastructuur en de economische structuur en de bevordering van publiekprivate samenwerking beoogt het Wetenschap en Technologie Centrum Watergraafsmeer (WTCW) in de Watergraafsmeer een kennis- en bedrijvencentrum van internationale allure tot stand te helpen brengen. Er zijn daarvoor met behulp van ICES-KIS-2 middelen een viertal zwaartepunten goed tot ontwikkeling gebracht in vier aparte projecten: informatica en multimedia, virtueel laboratorium, biodiversiteit en biotechnologie en bio-informatica. Het Watergraafsmeer project nadert zijn afronding. Er is sprake van een halfjaar vertraging. Dit heeft een praktische oorzaak, namelijk om de continuïteit van het project te waarborgen door de periode tussen de afloop van het ICES-KIS-2 traject en de vertraagde besluitvorming over het ICES-KIS-3 te kunnen overbruggen. Het zwaartepunt biodiversiteit heeft o.a. vorm gekregen in inrichting van een Nederlands knooppunt van de Global Biodiversity Information Facility (GBIF) en het penvoerderschap van een Europees project op dit terrein. Het zwaartepunt biotechnologie en bio-informatica heeft geleid tot regionale samenwerking met het Amsterdams Medisch Centrum, het Centraal Laboratorium voor de Bloedtransfusie (CLB), de Vrije Universiteit en anderen op het terrein van genomics.

Daarnaast heeft het ook geleid tot de ontwikkeling van een onderzoeksgroep bio-informatica en de ontwikkeling van infrastructurele voorzieningen (DNA micro-array faciliteit en BIO-ASP) voor kennisinstellingen en private sector.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Ook in 2002 kwam de financiering voor deze projecten uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES).

Tabel 16.3: Kennisprojecten FES (x € 1 000)
 Begroting 2002Realisatie 2002
BioMaDe2 3602 087
Delft Cluster6 8077 442
Watergraafsmeer4 5384 538

Toelichting: verhogingen en verlagingen zijn veroorzaakt door een kasschuif a.g.v. bijgestelde kasprognoses

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Een voortgangsrapportage van de ICES-KIS-2 projecten is op 11 maart 2002 door de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer gestuurd.

16.3.3.2 Genomics

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van de extra stimulering van het genomics-onderzoek is om een inhaalslag te maken zodat het Nederlandse onderzoek binnen vijf jaar (in 2006) bij de top kan horen.

De geplande resultaten zijn grotendeels bereikt. Hiermee is een goede stap gezet om de beoogde inhaalslag tot stand te brengen. Wel is er sprake van enige vertraging omdat de plannen voor de onderzoekszwaartepunten waaraan partijen uit het bedrijfsleven participeren in Brussel moesten worden aangemeld voor toetsing aan het onderzoek- en ontwikkelingssteunkader. Het is nog te vroeg om te kunnen beoordelen of dit consequenties voor het bereiken van de doelstelling zal opleveren.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 is voortgang geboekt met het verder ontwikkelen van het strategische en organisatorische kader voor deze lange termijn gerichte onderzoeksstimulering. Om de nationale strategie te coördineren is bij NWO het Nationaal regieorgaan Genomics opgericht. Het regieorgaan heeft op grond van de aanbevelingen, die door de Commissie Wijffels zijn opgesteld, een strategisch plan opgesteld dat door de vijf betrokken ministeries (OCenW, EZ, VWS, LNV en VROM) is goedgekeurd. Een kabinetsreactie hierop is in juli gegeven. De eerste inhoudelijke jaarrapportage van het regieorgaan verschijnt medio april 2003. De financiële verantwoording is onderdeel van het reguliere financiële jaarverslag van NWO dat begin juli verschijnt.

Om het effect te meten van de Genomics inspanning is eind 2002 een nulmeting verricht door TNO-STB in samenwerking met CWTS. Dit zal een basis vormen voor een mid-term (tweede helft 2004) en een eind-term review (eind 2006). Een inhoudelijke evaluatie wordt door een internationale jury verricht, waarna een beslissing over verlenging van het programma met vijf jaar wordt genomen. Ter voorbereiding op een adequate verantwoording werkt het regieorgaan op dit moment voor een aantal prestatie-indicatoren aan een zogenoemde nulmeting. Tussen het regieorgaan en het ministerie van OCenW zal vervolgens een werkafspraak over de leverantie van een beperkt aantal direct relevante indicatoren worden gemaakt (convenant).

Over de beoogde resultaten valt het volgende te melden:

• Er zijn vier zwaartepunten geselecteerd:

– het Cancer Genomics Consortium (NKI);

– het Centre for Biosystems Genomics (Wageningen);

– het Kluyver Centre for Industrial Fermentation (Delft);

– het Center for Biomedical Systems Biology (Leiden).

• Er zijn vijf voorstellen voor innovatieve clusters goedgekeurd, die een nauwe samenwerking bieden tussen onderzoek en bedrijfsleven;

• De Bio-ASP, een grootschalige faciliteit voor bio-informatica, is opgericht om zowel service te verlenen aan het landelijke genomics onderzoek, als onderzoek te doen enonderzoekers op te leiden in de bio-informatica. Via bestaande programma's draagt NWO ook financieel bij aan Bio-ASP.

• Er is door het regieorgaan nauwe programmatische en financiële samenwerking met het NWO-programma Functional Genomics gestart. Hierdoor konden in 2002 negen programma's en acht projecten starten.

• Om een samenhangende benadering van maatschappelijke en ethische aspecten met betrekking tot het Genomics onderzoek te bewerkstelligen wordt gewerkt aan de oprichting van een Centre for Society and Genomics.

• In samenwerking met het IOP Genomics is aan het Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI) opdracht gegeven lesprogramma's te ontwikkelen voor het primair en voortgezet onderwijs. Opdracht is gegeven aan de zogenaamde N5 Alliantie (tussen Naturalis, Nemo, Natuur en Techniek, Noorderlicht en NWO) voor voorlichtings- en communicatieactiviteiten voor de jeugd.

• Binnen het budget van het regieorgaan is € 0,9 miljoen vrijgehouden in verband met de motie Terpstra uit 2001 voor alternatieven voor dierproeven. Het regieorgaan heeft om tot invulling te komen een wetenschappelijk advies laten opstellen. Op basis van dit advies wordt gepoogd Nederlandse participatie in een groot Europees onderzoeksprogramma te bewerkstelligen. Plannen hiervoor zullen het voorjaar 2003 ter toetsing worden voorgelegd aan het Platform alternatieven voor dierproeven en de Programmacommissie alternatieven voor dierproeven.

• In het najaar is een valorisatie eenheid opgericht in samenwerking met Dreamstart, BioPartner, Bureau Industrieel Eigendom, Senter en STW om activiteiten te coördineren en te stimuleren op het gebied van octrooien, licensering en ondernemerschap.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.4: Genomics (x € 1 000)
 Begroting 2002Realisatie 2002
Totaal56 72363 868

Toelichting: Uit artikel 16.2 vrijvallende middelen zijn gebruikt om uitgestelde betalingen voor Genomics in één keer te voldoen. Zie paragraaf 16.4.

Overzicht van de informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

Op 18 juli 2002 is mede namens de ministers van EZ, LNV, VWS en VROM het kabinetsstandpunt over het Strategisch plan genomics 2002–2006 naar de Tweede Kamer gestuurd (kenmerk: OWB/DIR/2002/27029). Hiermee heeft het Kabinet zijn instemming betuigd met het strategisch plan.

16.3.3.3 Ict-onderzoek

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het nieuwe kabinet heeft het beleid van het vorige kabinet inzake het ict-onderzoek overgenomen. Doel is versterking en strategische bundeling van het ict-onderzoek en een betere doorstroming van ict-kennis naar de markt. Met de uitvoering van de voorgenomen activiteiten is goede voortgang geboekt. Het bereiken van het doel zal nog jaren aandacht vergen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

De uitvoering van een aantal actielijnen uit de kabinetsnota Concurreren met ict-competenties (2000) heeft er toe geleid dat:

• het voorjaar 2002 het bij NWO ondergebrachte ict-forum van start is gegaan. Het forum, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van private en publieke aanbieders en afnemers van ict-kennis, adviseert over de strategische inzet en bundeling van het ict-onderzoek;

• in september 2002 het tweede nationale ict-kenniscongres is gehouden samen met een grote ict-kennismarkt;

• diverse (NWO) ict-onderzoeksprogramma's tot stand zijn gekomen (o.a. software engineering, taal- en spraaktechnologie, computational science, breedbandtechnologie);

• ict-onderzoek een erkend zwaartepunt is binnen ICES-KIS-3. De ICES-KIS-2 projecten op voor het ict-onderzoek belangrijke terreinen worden binnenkort succesvol afgerond;

• de in 2001 gehouden scan van de ict-kennistransfer van universiteiten naar bedrijfsleven uitdrukkelijk onder de aandacht van de kennisinstellingen en bedrijfsleven is gebracht (de scan wordt in 2003 herhaald).

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Het ict-forum en het ict-kenniscongres zijn/worden door OCenW en EZ gezamenlijk gefinancierd overeenkomstig de daartoe opgestelde begrotingen. Van de totale bijdrage van € 1,0 miljoen heeft OCenW € 0,4 miljoen betaald uit de middelen voor coördinatie en samenwerking wetenschapsbeleid. De NWO-programma's worden uit de NWO-middelen gefinancierd.

Een aantal ervan wordt meegefinancierd uit de door EZ beheerde middelen.

16.3.3.4 Conservering (Metamorfoze)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van het nationaal programma Metamorfoze is het inlopen van de grote achterstanden in het behouden van het nationale papieren erfgoed. Op basis van een selectiemodel en het beschikbare budget is gekozen voor een gefaseerde aanpak. De eerste fase (1997–2000) is volgens planning verlopen. In 2001 is begonnen met de tweede fase. De doelstelling hiervan is om aan de hand van streefwaarden een beperkt deel van de grote achterstanden in te lopen. In 2002 is de voortgang van de tweede fase volgens planning. De doelstelling zal naar verwachting zijn gerealiseerd in 2005. Zoals uit de overzichtstabel blijkt zal hiermee echter slechts een beperkt deel van de totale problematiek zijn opgelost.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Voor de periode 2001–2004 is de tweede fase van het programma Metamorfoze in werking getreden.

De coördinatie van het programma is in handen van de Koninklijke Bibliotheek. Samengevat komt de aanpak voor deze fase er op neer dat de achterstand in het behoud van het papieren erfgoed gedeeltelijk wordt weggewerkt door:

• voortzetting van het microverfilmen en gedeeltelijk ontzuren van gedrukte publicaties (de Nederlandse boekproductie van 1900–1909);

• het microverfilmen en digitaliseren van literaire collecties;

• het microverfilmen van cultuurhistorische en internationaal waardevolle collecties, en van een aantal geïllustreerde tijdschriften.

In het boekentraject verloopt de conservering voorspoedig. Bij de collecties is minder geconserveerd dan gepland, door een cumulatie en concentratie van projecten in een beperkt aantal grote instellingen (universiteitsbibliotheken), die bovendien zijn geconfronteerd met bezuinigingsvoorstellen.

De onderstaande tabel geeft een indruk van de omvang van de totale problematiek, van de nagestreefde doelen voor de conservering tegen het eind van de tweede fase van het programma, het aandeel daarvan op de totale problematiek, de in 2002 gerealiseerde aantallen en wat de omvang van de achterstand ultimo 2002, respectievelijk na afloop van de tweede fase in 2005 is.

Tabel 16.5: Metamorfoze (1997–2004)
 BoekenTijdschriftenLiteraire collectiesCultuur-historische collectiesInternationale collecties
Omvang totale problematiek580 00026200020025723
Streefwaarden conservering tot 2005 (fase 1+2)65 0001 7501525015
% van totale problematiek120,7761965
Reeds gerealiseerd t/m 200145 000374113104
Gerealiseerd in 20027 800573532
% van totale problematiek1,30,23,519
Nog te realiseren tot 200512 20080334379
% van totale problematiek20,4171439
Nog te conserveren na afloop fase 2515 000260 250482078
% van totale problematiek8899,3248135

Bron: tussentijdse rapportage door de KB inzake activiteitenplan 2002, februari 2003.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.6: Metamorfoze (x € 1 000)
 Begroting 2002Realisatie 2002
Wetenschapsbeleid*230230
Cultuurbeleid700700

*Toelichting: onderdeel van artikel 16.3 coördinatie en samenwerking wetenschapsbeleid

16.3.4 Wetenschap- en techniekcommunicatie (Stichting WeTeN)

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel is het intensiveren van de wetenschap- en techniekcommunicatie middels het interesseren van de burger voor de wetenschappen en het stimuleren van het maatschappelijk debat over wetenschapstoepassingen door de Stichting WeTeN. Een nadere beoordeling van de resultaten zal plaatsvinden op basis van de uitkomst van de evaluatie in 2003.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Met de inzet van wetenschapsredacteuren is bereikt wat was beoogd. De inzet van een wetenschapsredacteur bij de tv-programma's heeft geleid tot de verdieping van die programma's door wetenschappelijke informatie en achtergronden te gebruiken.

Uit een speciaal vooronderzoek door de Stichting WeTeN is gebleken dat er vele vormen van samenwerking bestaan op het snijvlak van onderwijs, wetenschap en bedrijfsleven. Een adoptierelatie tussen universiteit c.q. bedrijf en school kan slechts bijdragen aan een positief beeld van wetenschappelijk onderzoek bij jongeren in het wetenschappelijk onderwijs tussen de 16 en 18 jaar als aan een heleboel voorwaarden wordt voldaan. Er zijn onder meer een aantal adoptie-initiatieven gesubsidieerd, en er is gewerkt aan de verkleining van de afstand tussen schooljeugd en kennisinstellingen via internet (Kennislink);

Ten aanzien van de beoogde aanpak van focus, bundeling en systematiek in de talrijke verspreide activiteiten zijn in 2002 onder anderen de initiatieven Jet-net en N5 gestart.

Toch lijkt er door Stichting WeTeN op dit punt nog onvoldoende resultaat te zijn bereikt. De minister heeft daarom de Stichting WeTeN verzocht in 2003 samen met NWO een workshop te organiseren om meer inzicht te verkrijgen in de manier waarop in de toekomst het beleid beter kan worden georganiseerd.

Om de voortgang te kunnen meten zijn in samenwerking met WeTeN outputindicatoren, nulmetingen en streefwaarden ontwikkeld. Daarbij zijn er ook kwalitatieve indicatoren ontwikkeld, waarbij gemeten wordt of het veld tevreden is over de kwaliteit van de werkzaamheden van de stichting.

Tussen de stichting en het ministerie van OCenW zal een werkafspraak over de leverantie van een beperkt aantal direct relevante indicatoren worden gemaakt (convenant).

De minister heeft de Stichting WeTeN medegedeeld dat de in december 2003 geplande evaluatie vervroegd zal worden en in het voorjaar van 2003 zal plaatsvinden. Als belangrijke redenen daarvoor zijn aan te wijzen: de al dan niet terechte kritiek van het veld op het functioneren van WeTeN en het voornemen van het ministerie van Economische Zaken om, als gevolg van de bezuinigingen, met ingang van 2005 de subsidie aan WeTeN te stoppen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.7: Stichting WeTeN (x € 1 000)
Begroting 2002Realisatie 2002
2 4942 747

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

In een brief van de minister van OCenW van 8 maart 2002 (Kamerstukken vergaderjaar 2001–2002, 26 658, nr. 20), is de Tweede Kamer naar aanleiding van vragen van de Tweede Kamerleden Cherribi, van der Hoeven en Lambrechts geïnformeerd over de activiteiten van WeTeN.

16.3.5 Doelgroepenbeleid onderzoekspersoneel: creëren van een loopbaan voor jonge onderzoekers en vrouwen

Doel van het beleid is het behoud van een kwalitatief hoogwaardig onderzoeksbestel door de instroom en loopbaanperspectieven van talentvolle jonge onderzoekers en vrouwen in stafposities te bevorderen. Daarvoor zijn vanuit het onderzoek- en wetenschapsbeleid twee instrumenten ingezet: de vernieuwingsimpuls en Aspasia.

16.3.5.1 Vernieuwingsimpuls

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het oorspronkelijke doel van de in 2000 bij NWO ondergebrachte vernieuwingsimpuls is vernieuwing van onderzoek te bewerkstelligen door jonge talentvolle onderzoekers, met een nadrukkelijke aandacht voor vrouwen, kansen te bieden en tevens te behouden voor het onderzoek.

De implementatie is volgens plan verlopen. NWO heeft haar resultaatverplichting in 2002 ruimschoots waargemaakt.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In de eerste twee tranches van de eerste ronde zijn in 2000 en 2001 respectievelijk 43 en 53 initiatieven gehonoreerd. Vanuit onderkenning van de noodzaak aan deze onderzoekers ook een loopbaanperspectief te kunnen bieden is besloten met ingang van 2002 het subsidie-instrument zodanig aan te passen dat talentvolle onderzoekers in verschillende fasen van hun carrière in aanmerking komen. De vernieuwingsimpuls nieuwe stijl is gesplitst in drie steunvormen: VENI, VIDI en VICI. Deze zijn respectievelijk voor de pas gepromoveerde veelbelovende onderzoeker, de post-doc die heeft aangetoond zelfstandig nieuwe ideeën te genereren en tot ontwikkeling te brengen, en de meer ervaren onderzoeker die in staat wordt geacht een vernieuwende onderzoeksgroep op te kunnen zetten. Het totaal aantal posities dat wordt beoogd over de hele looptijd van het programma tot en met 2010 te realiseren is daarom bijgesteld tot circa 1600.

Als gevolg van de aanpassing van het beleidsinstrument wordt met ingang van 2002 gestreefd naar een totaal van 215 aanstellingen per jaar. Voor 2003 zal worden gestreefd naar een onderverdeling in 115 jong gepromoveerden, 75 senior post-docs en 25 ervaren onderzoekers.

Gesommeerd over de jaren 2000–2003 komt dat overeen met de financiering van naar verwachting circa 520 onderzoekers.

Uit de in de OCenW-begroting 2002 aangekondigde jaarrapportage van NWO blijken over 2002 de volgende resultaten te zijn geboekt:

Tabel 16.8: Vernieuwingsimpuls
 Streefwaarde 2002Realisatie 2002Aandeel vrouwen
VENI-toekenningenn.b.6146%
VIDI-toekenningenn.b.7520%
VICI-toekenningenn.b. 2413%
Totaal aantal benoemingen215220* 

* Toelichting: De tweede VENI-ronde die in 2002 plaatsvond zal naar verwachting in februari/maart 2003 resulteren in circa 60 toekenningen.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.9: Vernieuwingsimpuls (x € 1 miljoen)
 Begroting 2002Realisatie 2002
(tussen haakjes OCenW-bijdrage)64 (20)64 (21,6)

Toelichting: bedragen inclusief het aandeel uit de voor de periode 2001 t/m 2010 in totaal €118 miljoen aan ICES-Vernieuwingsimpulsmiddelen. Het verschil is het gevolg van prijscompensatie uit het FES-fonds.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

In de brief van 8 maart 2002 (OWB/DIR/02/6672) informeerde minister Hermans de Tweede Kamer naar aanleiding van het Algemeen overleg wetenschapsbeleid over onder meer de Vernieuwingsimpuls en Aspasia.

16.3.5.2 Aspasia

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

Het doel van het van 1999 tot en met 2004 lopende en door NWO uitgevoerde Aspasia-programma is het aantal vrouwen in de positie van universitair hoofddocent (uhd) met tenminste 100 te verhogen. Alhoewel het nog niet 2005 is, kan wel gesteld worden dat Aspasia nu al een doorslaand succes is.

Het aantal vrouwelijke uhd's is in het totaal inmiddels verhoogd met 68, d.w.z. een verhoging van het landelijke percentage vrouwelijke hoofddocenten in de periode 1999–2002 van 8.5% naar 11%.

In 2002 heeft NWO 40 aanvragen gehonoreerd. NWO heeft de universiteiten verzocht zelf weer extra vrouwen te bevorderen. Het lijkt er op dat het percentage vrouwelijke uhd's nu naar 14% is gestegen. Dit betekent een verdubbeling van het aantal vrouwen in twee jaar. Bovendien is een aantal vrouwen uit deze groep inmiddels tot hoogleraar benoemd en ook heeft een aantal vrouwen een PIONEER subsidie ontvangen.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

Het programma wordt gefinancierd door NWO, de universiteiten en OCenW. Het totale budget is € 7,7 miljoen, waarvan OCenW € 1,6 miljoen bijdraagt (€ 0,4 miljoen per jaar).

Het programma verloopt zeer succesvol. Veel vrouwen met uitmuntende projectvoorstellen zijn door de instellingen zèlf uit eigen budget uhd gemaakt, toen de jaarlijkse toewijzing vervuld was.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.10: Aspasia (x € 1 000)
Begroting 2002Realisatie 2002
431431

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

In de brief van 8 maart 2002 (OWB/DIR/02/6672) informeerde minister Hermans de Tweede Kamer naar aanleiding van het AO Wetenschapsbeleid over onder meer de Vernieuwingsimpuls en Aspasia.

16.3.6 Wisselwerking onderzoek – bedrijfsleven

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

In de begroting 2002 is verwijzend naar het OESO rapport The New Economy beyond the Hype gesteld, dat innovatie en toepassing van nieuwe technologieën voorwaarden zijn om de economische groei op de lange termijn te bevorderen. Als vitaal hiervoor onderkent de overheid het belang de wisselwerking tussen onderzoekswereld en bedrijfsleven te bevorderen. Voor 2002 waren geen concrete maatregelen aangekondigd. Er zijn stappen genomen om meer inzicht te verkrijgen in de complexe materie van de wisselwerking.

Hebben we gedaan wat we zouden gaan doen?

In 2002 hebben de ministeries OCenW en Economische Zaken in een werkdocument gezamenlijk geïnventariseerd langs welke wegen deze wisselwerking zou kunnen worden bevorderd. Deze aanpak heeft opgeleverd dat beide ministeries hebben vastgesteld dat op een viertal punten aanvullende actie nodig is, alvorens in de komende jaren hier adequaat beleid op te kunnen voeren:

• Nagaan waar kansen liggen het aantal opgeleiden in bèta en techniek in Nederland structureel te verruimen.

• Aanvullend onderzoek ter vergroting van het inzicht over de feitelijke situatie met betrekking tot de wisselwerking.

• Via een evaluatie meer inzicht verkrijgen hoe de brugfunctie tussen fundamenteel onderzoek en toepassing bij TNO en de grote technologische instituten wordt vervuld.

Dit is als voornemen neergelegd in het standpunt van het kabinet op het interdepartementaal beleidsonderzoek technologiebeleid, als ook in de reactie van het kabinet op het strategieplan 2003–2007 van TNO. In oktober 2002 heeft de overheid over de opzet van deze evaluatie advies gevraagd aan de Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid. Het in december uitgebrachte advies zal als basis dienen voor een brief over de opzet van de evaluatie, die in het voorjaar van 2003 aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

• Nagaan in overleg met universiteiten hoe bij de beoordeling van kwaliteit van onderzoek de toepasbaarheid van dit onderzoek als een van de aspecten van kwaliteit kan worden meegenomen, althans voor die wetenschapsgebieden die dicht tegen de innovatieketen in bedrijven of maatschappelijke sectoren opereren, zoals sommige technische wetenschappen. De kwaliteit van het onderzoek zal op zijn beurt in de toekomst invloed moeten hebben op de bekostiging van universiteiten.

Daarnaast is met de tekening van een samenwerkingsconvenant tussen NWO en het EZ-agentschap Senter in 2002 een basis gelegd voor verbetering van de wisselwerking tussen de onderzoekswereld en het bedrijfsleven.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Voor dit onderwerp was geen budget voorzien in de begroting 2002. Er zijn ook geen uitgaven gedaan.

16.3.7 Internationale wetenschappelijke samenwerking

Hebben we bereikt wat we wilden bereiken?

De doelstelling voor internationale samenwerking in wetenschappelijk onderzoek is drieledig:

• verhoging van de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek door aan te sluiten bij het beste onderzoek in andere landen;

• verschaffen van toegang tot kennis die elders wordt geproduceerd;

• bundeling van middelen om toegang te verkrijgen tot dure onderzoeksfaciliteiten, waarvoor wij niet zelf de middelen hebben.

Door ons verdragslidmaatschap en de daaraan verbonden contributieverplichting was ook in 2002 deelname van veelbelovende en reeds gearriveerde Nederlandse onderzoekers aan de onderzoeksfaciliteiten van de vijf grote internationale toponderzoeksorganisaties (CERN, ESO, ESA, EMBL en EMBC) mogelijk. De bilaterale samenwerking met de vier prioriteitslanden (China, Indonesië, Rusland en Hongarije) werd tot tevredenheid en volgens planning gerealiseerd.

Hebben wij gedaan wat we zouden gaan doen?

Met betrekking tot de vijf internationale onderzoeksorganisaties is het volgende bereikt:

• Vanaf 2002 heeft de Europese organisatie voor kernen hoge energiefysica CERN als hoofdtaak de bouw van de LHC-versneller die in de periode 1996 tot en met 2007 gebouwd moet worden. Begin 2002 is na een diepgaande analyse een nieuw projectplan en kostenraming gemaakt. De totale investering beloopt circa € 4 miljard. Ter vergelijk de jaarlijkse Nederlandse bijdrage aan CERN bedraagt circa € 30 miljoen.

Jaarlijks wordt door circa 80 Nederlandse gastonderzoekers gebruik gemaakt van de CERN-faciliteiten;

• De Europese Sterrenwacht op het Zuidelijk Halfrond (de European Southern Observatory ESO in Chili) boekt grote successen met de Very Large Telescope, die beter werkt dan de modernste Amerikaanse telescoop. Het Nederlandse gebruik in 2002 was evenals in voorgaande jaren heel bevredigend. De toetreding van Engeland tot het verdrag in 2002 zal de komende jaren leiden tot een stijging van bijna 20% van het budget van de Europese organisatie voor astronomisch onderzoek (ESO);

• In vervolg op de ministersconferentie eind 2001 van het Europese ruimtevaartagentschap ESA is vooral gewerkt aan de implementatie van besluiten over nieuwe programma's. Belangrijke mijlpalen en een stimulans voor onze wetenschappelijke onderzoekers zijn de succesvolle lancering van de milieusatelliet Envisat en de herstructurering van het Science programma. Verder heeft Nederland met ESA overeenstemming bereikt over een ruimtevlucht van de Nederlandse ESA-astronaut André Kuipers naar het ruimtestation ISS, met als doel onder meer een reeks wetenschappelijke experimenten uit te voeren.

• Volgend op een besluit van de Raad voor het European Molecular Biology Laboratory (EMBL) heeft de samenwerking met de European Synchrotron Radiation Facility (ESRF) en het Institut Laue-Langevin (ILL), beide in Grenoble, verder vorm gekregen. Daarmee is een eerste zet gegeven aan de totstandkoming van een sterk European Centre for Structural Biology. In 2002 is besloten over verlenging van het verdrag van de European Molecular Biology Conference (EMBC). Bij het EMBC is het facultatieve Young Investigators Award Programma verder uitgewerkt. Nederland heeft besloten aan dit programma niet financieel deel te nemen.

Met betrekking tot de bilaterale samenwerking met de 4 prioriteitslanden is het volgende bereikt:

• Met China is, naast het reeds bestaande reguliere programma, waarin via co-financiering onderzoeksprojecten op een breed scala aan gebieden worden gerealiseerd, in 2002 het Programma strategische wetenschappelijke allianties van start gegaan. Dit programma concentreert zich op samenwerking tussen toponderzoekinstituten op de gebieden materiaalonderzoek, biotechnologie/drug research en milieuonderzoek. Uitvoerende organisatie voor beide programma's is de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

• Met Indonesië is, naar aanleiding van een evaluatie in 2000, een projectmatige en meer formele aanpak van het samenwerkingsverband samen met de KNAW als uitvoeringsorganisatie in gang gezet. Daartoe heeft de KNAW, conform planning, een verbeteringsplan ingediend en een informatiestatuut ondertekend. Een voor 2001 gepland werkbezoek van de minister aan Indonesië heeft in februari 2002 plaatsgevonden.

• De samenwerking met Rusland uit zich per jaar in calls, die zowel in Nederland als Rusland worden gepubliceerd. Als prioriteitsgebieden werden dit jaar «computational sciences» en «plasma fysica» gekozen. Uitvoerende organisatie in Nederland is de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO). Bij het werkbezoek van minister Hermans begin juni 2002 is de intentie uitgesproken ook na 2003 de goede samenwerking voort te zetten.

• De samenwerking met Hongarije verloopt via drie uitvoeringsorganisaties op fundamenteel en toegepast onderzoek: NWO, TNO en het NIAS (Netherlands Institute for Advanced Studies in the Humanities and the Social Sciences). In het programma van NWO zijn in samenwerking met de Hongaarse partnerorganisatie twee onderzoeksgebieden geselecteerd. Het pre-accessieprogramma van TNO was gericht op het stimuleren van projecten op het gebied van voedselveiligheid en grondreiniging. Het NIAS richt zich op uitwisseling van fellowships. Het aantal inschrijvingen op de uitgezette calls van NWO viel in 2002 tegen ten opzichte van eerdere jaren.

Heeft het gekost wat het mocht kosten?

Tabel 16.11 Internationale onderzoeksorganisaties (x € 1 000)
 Begroting 2002Realisatie 2002
CERN28 14330 129*
ESO5 4915 486
ESA/Ruimtevaart30 91030 214
EMBL2 5412 471
EMBC454436
Totaal67 53968 736

* Toelichting: het verschil is voornamelijk het gevolg van wijzigingen in het relatieve BNP-aandeel van Nederland t.o.v. de overige lidstaten.

Tabel 16.12: Bilaterale onderzoekssamenwerking (x € 1 000)
Begroting 2002Realisatie 2002
5 4353 970

Toelichting: De realisatie is conform de op grond van bestedingsplannen tussentijds bijgestelde begroting.

Overzicht van informatie die de Tweede Kamer heeft ontvangen

In een brief van de minister van Economische Zaken mede namens de ministers van OCenW en Verkeer en Waterstaat van 19 december 2002 is, volgend op een verzoek van de Vaste Commissie voor Economische Zaken van eind 2001, de Statusrapportage Ruimtevaartbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd.

In een brief van 5 april 2001 (OWB/AI/01-38966) is de Tweede Kamer door de minister van OCenW geïnformeerd over de evaluaties van de bilaterale samenwerking met Indonesië, China, Rusland en Hongarije.

Per brief van 14 maart 2002 (IB/2002/8801) is de Tweede Kamer een verslag gestuurd van het werkbezoek van minister Hermans aan Indonesië.

Per brief van 17 juni 2002 (IB/2002/22808) is de Tweede Kamer een verslag gestuurd van het werkbezoek van de minister in 2002 aan Moskou.

16.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 16.13: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen   1 110 122737 162751 683– 14 521
– waarvan garanties   0000
Uitgaven       
1. Onderzoekbestel       
NWO   286 728287 477282 0325 445
KNAW   74 85277 06371 3015 762
Koninklijke Bibliotheek   28 66429 87128 6931 178
KNAW Bibliotheek   2 1162 1892 11178
LF TUD Bibliotheek   6 3736 5546 361193
IISG   2622622620
SURF   2 2692 2692 2690
CPG   267428266162
NIDI   1 4661 4881 42860
TNO   186 245194 036181 70812 328
BPRC   3 3396 6092 3694 240
Nationaal Herbarium   9981 04101 041
NLR   762762796– 34
Waterloopkundig Laboratorium   1 1901 1901 231– 41
Grondmechanica Delft   713713757– 44
MARIN   803771885– 114
STT   1711771707
WeTeN   2 3842 7472 494253
EMBC   425436454– 18
EMBL   2 3762 4712 541– 70
ESA   32 27530 21430 910– 696
CERN   26 82130 12928 1341 995
ESO   5 4925 4865 491– 5
EG-Liaison   17317413539
NTU/INL   1 0271 6331 028605
EIB   1 0361 0701 02644
Stelselwijziging huisvesting   002 946– 2 946
Nader te verdelen   604142 385– 1 971
Subtotaal onderzoekbestel   669 772687 674660 18327 491
2. Specifieke beleidsthema's       
FES   12 07127 49925 9561 543
Genomics   34 03463 86856 7237 145
Vernieuwingsimpuls   11 3459 07609 076
Economie Ecologie Technologie   9 020010 664– 10 664
COS   46551944871
Verkenningen   10683495– 412
Aspasia   2744314310
Subtotaal specifieke beleidsthema's   67 315101 47694 7176 759
3. Coördinatie en samenwerking       
Coördinatie wetenschapsbeleid   12 7868 5307 1321 398
Nationaal Herbarium   00977– 977
Bilaterale samenwerking   7 2503 9705 435– 1 465
Subtotaal coördinatie/samenwerking   20 03612 50013 544– 1 044
Totaal uitgaven   757 123801 650768 44433 206
Totaal ontvangsten   101 108108 11499 0199 095

Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

16.5 Terugblik op de acties uit de groeiparagraaf 2002

Bij de voor 2002 onder het kopje «verantwoordingsproject» aangegeven activiteiten is flinke voortgang geboekt. Met TNO, KNAW, KB, NWO en het BPRC zijn afspraken gemaakt over de jaarlijkse leverantie van een beperkte set kwantitatieve indicatoren. Met TNO, KB, KNAW en BPRC zijn inmiddels convenanten afgesloten. De gegevens waar het hier om gaat komen beschikbaar na het eerste kwartaal van 2003 en krijgen onder meer ook een plaats in de begroting van OCenW. Het gaat om kwantificeringen die raken aan de missie van elk der betrokken instellingen en die moeten worden gezien als «kapstok voor bestuurlijk gesprek» en als de verantwoording op hoofdlijnen van beleid jegens minister en parlement (zie ook stukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 600 hoofdstuk VIII, nr. 2, p. 321–322).

Op grond van de ervaringen bij de prestatie-indicatoren en de daarbij ontwikkelde verantwoordingsfilosofie is er van afgezien om het project «monitor wetenschapsbeleid» te continueren. De kern van de overwegingen (bij die filosofie) ligt in de gewaarwording dat het beoogde instrument te gedetailleerd en daarmee voor alle partijen te bewerkelijk leek te worden (administratieve last). Daarbij lijkt een aanzienlijk deel van de doelstelling overigens ook te kunnen worden bereikt binnen het indicatorenproject zoals hierboven beschreven.

17. NOMINAAL EN ONVOORZIEN

Dit artikel dient als intermediair totdat de exacte verdeling over de betrokken artikelen bekend is. Op deze artikelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

Tabel 17.1: Budgettaire gevolgen artikel 17 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen0,00,00,00,00,0– 384 408384 408
Uitgaven0,00,00,00,00,0– 384 408384 408
• Loonbijstelling0,00,00,00,00,0– 364 971364 971
• Prijsbijstelling0,00,00,00,00,02 553– 2 553
• Nader te verdelen0,00,00,00,00,0– 21 99021 990
• Asielzoekers0,00,00,00,00,00,00,0
Ontvangsten0,00,00,00,00,02 555– 2 555

Algemeen

De negatieve stand van het artikelonderdeel «loonbijstelling» is veroorzaakt doordat er een meerjarige cao is afgesloten met het onderwijsveld (po, vo en bve). Deze beleidsterreinen worden dan verhoogd met de afgesproken cao-middelen ten laste van het artikelonderdeel «loonbijstelling». Het teveel uitgedeelde wordt derhalve negatief geparkeerd op het artikelonderdeel loonbijstelling. In het daaropvolgende jaar wordt deze negatieve stand vereffend door een deel van de volgende loonbijstellingstranche hiermee te verrekenen.

De negatieve stand van het artikelonderdeel «nader te verdelen» is veroorzaakt doordat het centrale tekort en een aantal nog te verdelen middelen naar beleidsterreinen op dit artikelonderdeel worden geparkeerd.

Tabel 17.2: Loonbijstelling (x € 1 000)
 ToegevoegdUitgedeeldVerschil
Arbeidsvoorwaarden OenW771 332 771 332
CAO-sector (po/vo/bve) – 166 209– 166 209
HO-sector (hbo/wo/owb) – 176 078– 176 078
Arbeidsvoorwaarden G&G – 44 119– 44 119
Arbeidsvoorwaarden Rijk – 12 894– 12 894
Arbeidsvoorwaarden OenW/overig – 105– 105
Maatwerk (lerarenbeleid) – 10 891– 10 891
Fonds voor opleiding en ontwikkeling – 9 076– 9 076
Diversen: arbeidsvoorwaarden13 011 13 011
Totaal784 343-419 372364 971

In 2002 hebben zich een aantal wijzigingen op dit artikelonderdeel voorgedaan. De ontvangen loonbijstelling bedroeg in totaal € 771,3 miljoen. Uitgedeeld is € 419,4 miljoen. Deze uitdeling is lager dan de ontvangen loonbijstelling omdat de cao-middelen (2001–2003) reeds vóóraf aan de beleidsterreinen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie is uitgekeerd.

Het tekort wat hierdoor is ontstaan is verrekend met de loonbijstellingstranche 2002.

De budgetten voor arbeidsvoorwaarden in het hoger onderwijs en het onderzoek- en wetenschapsbeleid zijn bijgesteld. Ook de budgetten van de beleidsonderdelen die vallen onder de sector Rijk en G&G zijn met de reguliere loonbijstelling 2002 bijgesteld. Daarnaast zijn er middelen uitgedeeld voor het fonds voor opleiding en ontwikkeling en voor «Maatwerk 3». Het betreffen reeds in gang gezette maatregelen in het kader van het lerarenbeleid:

• het bevorderen van functiedifferentiatie door middel van projecten;

• het stimuleren van het aannemen van onderwijsassistenten;

• het stimuleren van «opleiden in de school».

De post «arbeidsvoorwaarden» tenslotte betreft een saldering van verschillende mutaties op het terrein van arbeidsvoorwaarden. Het betreft enerzijds onder meer kosten voor uitvoering van het contract met USZO en extra uitgaven voor de gemiddelde personeelslasten in het primair onderwijs. Anderzijds gaat het hier om bijstelling in verband met hogere sociale lasten in het primair en voortgezet onderwijs alsmede het secundair beroepsonderwijs.

Tabel 17.3: Prijsbijstelling (x € 1 000)
 ToegevoegdUitgedeeldVerschil
Prijsbijstelling 2002 (toegevoegd uit de aanvullende post)25 143 25 143
Tekort prijsbijstelling 2002 (vrijgemaakt door reallocatie binnen de OCenW-begroting)43 903 43 903
Indexering omroepbijdrage (toegevoegd uit de aanvullende post)3 767 3 767
Tekort indexering omroepbijdrage (vrijgemaakt door reallocatie binnen de OCenW-begroting)12 274 12 274
    
Uitdeling:   
Basisonderwijs – 48 829– 48 829
Expertisecentra – 4 124– 4 124
Voortgezet onderwijs – 1 611– 1 611
Internationaal onderwijsbeleid – 400– 400
Studiefinanciering – 10 139– 10 139
Cultuur – 2 053– 2 053
Media (indexering omroepbijdrage) – 16 041– 16 041
Onderzoek en wetenschappen – 1 890– 1 890
    
FES-middelen van EZ443 443
    
Uitdeling:   
Technocentra – 166– 166
Informatie- en communicatietechnologie – 1 308– 1 308
Onderzoek en wetenschappen – 1 522– 1 522
Totaal85 530– 88 083– 2 553

Dit artikelonderdeel heeft dezelfde functie als het artikelonderdeel «loonbijstelling», maar dan voor de uitdeling van de prijscompensatie. In 2002 is 25% van de prijsbijstelling (€ 28,9 miljoen) ontvangen (incl. indexering omroepbijdrage). De juridisch verplichte prijsbijstelling van € 85,1 miljoen is uitgedeeld. Dit resulteerde in een tekort op de prijsbijstelling 2002 van € 56,2 miljoen.

Daarnaast is de prijsbijstelling 2002 over het FES (Fonds Economische Structuurversterking) (€ 0,4 miljoen) ontvangen en € 3,0 miljoen uitgedeeld naar de bovengenoemde beleidsterreinen.

Tabel 17.4: Nominaal en onvoorzien (x € 1 000)
 ToegevoegdUitgedeeldVerschil
Leraren in opleiding (lio's) – 7 166– 7 166
VBTB – 768– 768
Prestatiecontract IB-Groep – 200– 200
Inverdieneffecten arbeidsmarktbeleid LNV-aandeel125– 1250
Restitutie oorlogskunst2 000– 2 0000
Voordelig saldo van toevoegingen en onttrekkingen30 124 30 124
Totaal32 249– 10 25921 990

Het verschil van € 22,0 miljoen is als volgt te verklaren. Aan de begeleidingsvergoeding aan de scholen voor de leraren in opleiding (lio's) is € 7,2 miljoen besteed. In 2002 is voor € 0,8 miljoen aan de invoering van VBTB besteed. Dit bedrag is ingezet voor de regeling «prestatiegegevens en evaluatieonderzoek». Daarnaast is er € 0,2 miljoen overgemaakt voor het prestatiecontract van de IB-Groep. De volgende post betreft het LNV-aandeel in de ombuiging van de inverdieneffecten op het arbeidsmarktbeleid. Deze middelen zijn ontvangen van het ministerie van LNV en uitgedeeld aan de directies voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. De restitutie oorlogskunst betreft de nog uit te delen intensivering van € 2,0 miljoen uit de 2e suppletore begroting 2002. Bij de slotwet 2002 is deze intensivering uitgedeeld naar het beleidsterrein cultuur.

In de ontwerpbegroting 2002 is op het artikelonderdeel «nader te verdelen» het OCenW-tekort in 2002 van € 30,1 miljoen opgenomen. Daarnaast zijn de eerste drie bovengenoemde geparkeerde middelen van € 8,1 miljoen, die nog onverdeeld waren, in 2002 verdeeld over de beleidsterreinen. In 2001 eindigde OCenW met een tekort van € 104,3 miljoen. Dit tekort is via de eindejaarsmarge doorgeschoven naar 2002. Tezamen met het reeds eerder opgenomen tekort bij de ontwerpbegroting 2002 resulteerde dit in een tekort van ongeveer € 135,0 miljoen. Bij de 1e suppletore begroting 2002 is € 41,0 miljoen via een kasverschuiving uit latere jaren naar 2002 overgeheveld. In 2002 eindigde OCenW door diverse mee- en tegenvallers met een overschot van € 70,7 miljoen. Dit overschot zal conform de begrotingsregels over de eindejaarsmarge worden doorgeschoven naar de OCW-begroting 2003. In deze begrotingsregels is bepaald dat middelen die via de eindejaarsmarge worden overgeheveld, bij de Voorjaarsnota aan de begrotingen worden toegevoegd.

Tabel 17.5: Ontvangsten toegevoegd uit de aanvullende post miljoenennota (x € 1 000)
 ToegevoegdUitgedeeldVerschil
FES-middelen van EZ443 443
Afrondingsverschil– 2 – 2
    
Uitdeling:   
Technocentra – 166– 166
Informatie- en communicatietechnologie – 1 308– 1 308
Onderzoek en wetenschappen – 1 522– 1 522
Totaal441– 2 996– 2 555

In 2002 is de prijsbijstelling over de FES-middelen (Fonds Economische Structuurversterking) ad € 0,4 miljoen ontvangen en is € 3,0 miljoen uitgedeeld naar de bovenstaande beleidsterreinen.

18. T/M 23. APPARAATSKOSTEN

Algemeen

In dit onderdeel worden de apparaatsuitgaven van het ministerie verantwoord. Het betreft de apparaatsuitgaven van:

• het bestuursdepartement (artikel 18);

• de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Cultuurbezit (artikel 19);

• de drie adviesraden: Onderwijsraad, Raad voor Cultuur, en Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (artikel 20);

• de uitvoeringsorganisaties onderwijs: de Centrale Financiën Instellingen (CFI) en Informatie Beheer Groep (IB-Groep), KPMG voor de uitvoering van de ziektekostenregeling en de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO) (artikel 21);

• de uitvoeringsorganisaties cultuur: de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), het Instituut Collectie Nederland (ICN) en de Rijksarchiefdienst (RAD) (artikel 22);

• de uitvoeringsorganisaties wetenschappen: de uitvoeringsorganisatie Centrale Financiën Instellingen (CFI) zorgt voor een juiste en tijdige betaling van de bedragen waarop onderzoeksinstellingen recht hebben.

In de hierna volgende tabellen zijn voor de afgelopen jaren geen realisatiecijfers ingevuld. Oorzaken hiervan zijn dat in die jaren artikel 18 niet voor de apparaatskosten werd gebruikt en dat de verschillende organisatieonderdelen vanaf 2002 anders gegroepeerd zijn per artikel. Een toelichting op de verschillen is opgenomen in de jaarrekening.

Tabel 18.1: Budgettaire gevolgen artikel 18 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    170 072157 28212 790
Uitgaven    164 231157 2826 949
Bestuursdepartement    164 231157 2826 949
Ontvangsten    58156714
Tabel 19.1: Budgettaire gevolgen artikel 19 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    53 47542 28411 191
Uitgaven    52 39642 28410 112
Inspectie van het Onderwijs    50 59641 6858 911
Inspectie Cultuurbezit    1 8005991 201
Ontvangsten    1600160
Tabel 20.1: Budgettaire gevolgen artikel 20 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen4 2484 9985 5335 7927 2175 7791 438
Uitgaven4 2484 9985 5335 7927 2175 7791 438
Onderwijsraad    3 0352 650385
Raad voor Cultuur    3 1152 409706
Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid    1 067720347
Ontvangsten    000
Tabel 21.1: Budgettaire gevolgen artikel 21 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    202 576149 72352 853
Uitgaven    202 576149 72352 853
Centrale Financiën Instellingen (CFI)    48 53137 75810 773
Informatie Beheer Groep (IB-Groep),    122 40784 58337 824
CASO    000
Overige uitvoeringsorganisaties    31 63824 6506 988
Onverdeeld    02 732– 2 732
Ontvangsten    671408263
Tabel 22.1: Budgettaire gevolgen artikel 22 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    81 53069 59911 931
Uitgaven    81 53069 59911 931
Cultuurinstellingen    46 52534 15612 369
Rijksarchiefdienst    35 00535 443– 438
Ontvangsten    4 0942443 850
Tabel 23.1: Budgettaire gevolgen artikel 23 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    2 4502 36585
Uitgaven    2 4502 36585
Centrale Financiën Instellingen (CFI)    2 4502 36585
Ontvangsten    000

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

1. Inleiding

De verantwoording over 2002 is de eerste verantwoording die onder het vbtb-regime valt. In de verantwoording 2001 was al een eerste aanzet gegeven tot een meer beleidsmatiger verantwoording volgens het kader van vbtb (van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording). Deze verantwoording bouwt daarop voort. De opbouw van dit hoofdstuk volgt de bedrijfsvoeringsparagraaf in de begroting 2002. Verder wordt teruggeblikt op enkele belangrijke ontwikkelingen van de bedrijfsvoering in 2002. Tevens wordt ingegaan op de onderwerpen die de Rekenkamer heeft onderzocht in het kader van het rechtmatigheidsonderzoek 2001.

De bedrijfsvoeringsparagraaf is een onderdeel van het beleidsverslag. In de bedrijfsvoeringsparagraaf is dit jaar voor het eerst de Mededeling bedrijfsvoering 2002 (zie paragraaf 2) opgenomen. In deze mededeling legt de minister verantwoording af over de beheersing van de bedrijfsprocessen, de verbeteracties en de kwaliteitsverbeteringen in de bedrijfsvoering. De mededeling over de bedrijfsvoering 2002 heeft betrekking op het financieel en materieel beheer en de daarvoor bijgehouden administraties. De aandacht voor de bedrijfsvoering heeft in het jaar 2002 nadrukkelijk in het teken gestaan van:

• de verdere realisatie van vbtb;

• de kwaliteitsslag OCenW;

• rekenschap;

• de aan OCenW opgelegde taakstelling vanuit het kabinet.

2. De mededeling over de bedrijfsvoering 2002

In het verslagjaar 2002 is, uitgaande van onder meer de Baseline financieel en materieel beheer, op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het financieel beheer, het materieelbeheer en de daartoe bijgehouden administraties bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur, Wetenschappen.

Een en ander heeft in het verslagjaar 2002 geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen inzake het financieel en materieel beheer.

Daarbij is als belangrijkste punt van aandacht in 2002 naar voren gekomen de uitkomsten van het zelfreinigend onderzoek. Ten aanzien hiervan zijn de volgende verbeteracties gestart op het gebied van:

• wet- en regelgeving (bekostigingsmodellen) en de interpretatie daarvan;

• toezicht;

• handhaving;

• aanpassing van de richtlijn MenO-beleid (zie paragraaf 3.1).

Voorts is in 2002 een aantal punten in de bedrijfsvoering gesignaleerd waaraan in 2003 de nodige aandacht zal worden besteed. Dit betreft onder andere de aansturing van de zelfstandige uitvoeringsorganisaties en daarmee samenhangend de invulling van de eigenaars- en opdrachtgeversrol door het departement. Mede in het kader van de projecten Kwaliteitsslag en Rekenschap zijn de nodige verbeteringen in gang gezet.

3. De bedrijfsvoering in 2002

3.1 Toezicht op onderwijsinstellingen (Rekenschap)

De minister is verantwoordelijk voor het stelsel van onderwijs als geheel.

De stelselverantwoordelijkheid van de minister houdt in dat de minister niet verantwoordelijk is voor de prestaties en bedrijfsvoering van de afzonderlijke instellingen maar voor de prestaties van het stelsel als geheel. Het gaat daarbij met name om de aspecten kwaliteit, rechtmatigheid, doelmatigheid, toegankelijkheid en continuïteit. De minister heeft hiervoor een aantal instrumenten ter beschikking.

De Inspectie van het Onderwijs, die met name toeziet op de kwaliteit van het onderwijs, levert een belangrijke bijdrage aan het waarmaken van de stelselverantwoordelijkheid van de minister. Voorts wordt de informatie die beschikbaar komt via begrotingen en verantwoordingen van instellingen mede toegankelijk gemaakt met behulp van het instrumentarium uit het kwantitatief informatiebeleid. Het toezicht vanuit het ministerie heeft inmiddels een plaats gekregen in de interne planning en control cyclus van het departement. Ook de maatregelen die genoemd zijn over rekenschap zijn belangrijke instrumenten voor invulling van de stelselverantwoordelijkheid.

Tevens houdt het ministerie toezicht op de financiële positie van de instellingen aan de hand van de jaarrekeningen. De bevindingen van dit toezicht zijn bij de diverse beleidsartikelen terug te vinden.

In februari 2002 is door de Accountantsdienst van het ministerie van OCenW gerapporteerd over zes hbo-instellingen waarbij oneigenlijk gebruik van de bekostigingsregels en een vermoeden van fraude werd geconstateerd. De uitkomsten van dit rapport zijn neergelegd in het Rapport Ruimte voor Rekenschap.

Dit rapport is op 13 december 2002 door de staatssecretaris van OCenW aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer. In het rapport is een aantal maatregelen voor het ho- en bve-veld neergelegd die deels het afgelopen jaar en deels het komende jaar hun beslag zullen krijgen. Deze maatregelen zijn:

Wetsvoorstel «korte klap»

Het wetsvoorstel «korte klap» bevat aanbevelingen voor de korte termijn en wordt binnenkort bij de Tweede Kamer ingediend.

Modernisering bekostigingsstelsel

Voorts wordt er vanaf medio februari 2003 een interne studiecommissie «bekostiging» ingesteld die zorgt voor een adequate opdrachtformulering voor een externe commissie modernisering bekostigingsstelsel hoger onderwijs. Deze commissie gaat op 1 juli 2003 van start.

Klokkenluidersprocedure

De klokkenluidersprocedure is eind 2002 herzien en zodanig uitgebreid dat alle binnenkomende signalen worden beoordeeld op de noodzaak om tot aanpassing van de regelgeving over te gaan.

Authentieke interpretatie

Een ander thema in dit project is authentieke interpretatie. Hierbij wordt het proces dusdanig ingericht dat wet- en regelgeving door voldoende en heldere toelichtingen worden begeleid naar het onderwijsveld, waardoor de kans op onjuiste interpretatie minimaal is.

Aanscherping controleprotocollen

In december 2002 zijn de controleprotocollen voor 2003 aangepast. Hierin is vastgelegd dat de instellingsaccountant op basis van zijn controle melding maakt van onrechtmatige besteding van de rijksbijdrage en extreme gevallen van ondoelmatigheid en omissies in het financieel beheer van de instelling. Het sanctiebeleid wordt verder aangescherpt en in gevallen van onrechtmatige bekostiging wordt overgegaan tot terugvordering of administratieve afdoening.

Revitalisering Accountability, toezicht en controle (ATC)

Met het project «Revitalisering van het ATC-stelsel» wordt de toezichthoudende rol van het ministerie verder aangescherpt. De volgende mijlpalen zijn in het kader van ATC reeds behaald:

• Afspraken over verantwoordelijkheden en rollen van de betrokken actoren;

• Implementatie regieoverleg voor alle onderwijsvelden;

• Een pilot rond de ontwikkeling van de toezichtsketen is uitgevoerd.

Auditdienst

Ook de versterking van de rol van het audit committee en de omvorming van de Accountantsdienst tot een Audit-dienst, conform het Kwaliteitsplan audit-functie Rijksoverheid, dragen bij aan een verbetering van de toezichthoudende rol van het ministerie.

Good governance

Met de besturen van de instellingen in de ho- en bve-sector worden afspraken gemaakt over «good governance». Ook de taken en verantwoordelijkheden van de raden van toezicht bij de instellingen worden verhelderd.

Richtlijn MenO-beleid

In 2002 is een aangepaste richtlijn voor het MenO-beleid van OCenW ontwikkeld. Nieuw in deze richtlijn ten opzichte van de oude richtlijn (uit 1998) is dat expliciet de taken en verantwoordelijkheden van de relevante actoren worden beschreven. De regierol van de beleidsdirecties staat daarbij centraal.

Vooruitlopend op de definitieve vaststelling zijn de procedures uit de richtlijn al grotendeels verwerkt in de interne begrotingsvoorschriften die jaarlijks rond het begrotingsproces worden opgesteld. Na vaststelling van de richtlijn, die is voorzien in het voorjaar van 2003, wordt het MenO-beleid verder verankerd in de beleidsontwikkeling en de planning- en controlcyclus.

OCenW Verantwoordingswijzer

De OCenW-Verantwoordingswijzer, een praktische handleiding voor de directies bij het opstellen van subsidieregelingen, is juni 2002 binnen het departement geïntroduceerd. De Verantwoordingswijzer draagt onder meer bij tot een verdere verbetering van het verantwoordingsaspect bij subsidieregelingen en subsidiebeschikkingen, hetgeen het risico van MenO-gevoeligheid (misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen) reduceert. Dit wordt onder andere bereikt door het standaardiseren en uniformeren van teksten in subsidieregelingen over de verantwoording en accountantscontrole.

3.2 Kwantitatief Informatiebeleid

Door het Kwantitatief Informatiebeleid (KIB) is in 2002 gewerkt aan de totstandkoming van een flexibele geïntegreerde informatievoorziening. Daartoe is de lijn uitgezet om gegevens via enkelvoudige, zo veel mogelijk elektronische, bevragingen te verwerven en deze geconsolideerd op te slaan en vervolgens meervoudig beschikbaar te stellen. Deze andere inrichting van de informatievoorziening leidt bij de scholen tot minder bevragingslast en biedt OCenW de basis voor betere beleids- en verantwoordingsinformatie (vbtb). In dit kader is KIB door het Ministerie van Financiën aangewezen als vbtb-voorbeeldproject.

Met het oog op het streven naar een betere afstemming bij informatie-uitwisseling is een convenant afgesloten tussen IB-Groep, Inspectie van het Onderwijs en CFI teneinde samenwerking te bevorderen. In 2002 is kwalitatief hoogwaardige informatie voor scholen en instellingen in de sectoren voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie beschikbaar gekomen met de eerste twee versies van de site «Onderwijs in cijfers» op Kennisnet. Tevens draagt de totstandkoming van deze site bij aan de vermindering van de bevragingslast door meervoudig gebruik van gegevens.

Een audit door een extern bureau was kritisch op met name de aansturing van dit project. Na implementatie van de verbeteringen vindt een doorstart van het project plaats.

3.3 Planning en Control

In 2002 is als onderdeel van de kwaliteitsslag OCenW een start gemaakt met het invoeren van managementafspraken tussen directeuren-generaal en hun directeuren. De managementafspraken bevatten de belangrijkste beleidsdoelen en de centrale doelstellingen op het gebied van de bedrijfsvoering. Op basis van die afspraken hebben gedurende het jaar periodieke voortgangsgesprekken tussen directeur-generaal en directeur plaatsgevonden. In 2002 hebben directies deelmededelingen over hun bedrijfsvoering afgegeven. Deze deelmededelingen zijn vervolgens geconsolideerd tot mededelingen per directeur-generaal en voor het hele departement. Dit vormt de basis voor de mededeling over de bedrijfsvoering van de minister. De mededeling strekt zich tenminste uit tot de baseline financieel en materieel beheer en de onderliggende administraties.

Zijn de deelmededelingen over 2002 nog op zichzelf staand, voor 2003 worden deze deelmededelingen mede gebaseerd op de managementafspraken 2003 en de voortgangsgesprekken hierover. Hiermee wordt een adequate invulling gegeven aan een sluitende planning en controlcyclus.

Implementatie baseline financieel en materieel beheer

De implementatie van de baseline financieel en materieel beheer heeft verder gestalte gekregen door deze op te nemen in de reikwijdte van de mededeling over de bedrijfsvoering over 2002. Hiertoe zijn met vrijwel alle directies en diensten gesprekken gevoerd over de baseline financieel en materieel beheer. Daarmee is de baseline ook onderdeel van de risico-analyse en de beheersmaatregelen die aan de mededeling ten grondslag liggen en krijgt deze de structurele aandacht van het management.

Toezicht vanuit het ministerie van Financiën

In oktober 2002 heeft het ministerie van Financiën vanuit haar toezichthoudende rol de jaarlijkse «early signal» brief over de bedrijfsvoering van OCenW uitgebracht. Hierin geeft Financiën aan dat er bij OCenW op voortvarende wijze invulling is gegeven aan de belangrijke aspecten van bedrijfsvoering. Wel tekent Financiën daarbij aan dat nadere aandacht dient te worden besteed aan enkele aspecten van toezicht op de onderwijsinstellingen. Hieraan is inmiddels de nodige aandacht besteed (zie paragraaf 3.1).

3.4 Geautomatiseerde informatievoorziening

In januari 2002 is de «Begroting en Budget» module in SAP in productie gegaan. Deze module ondersteunt het interne begrotingsproces en is met name gericht op de verwerking van begrotingsmutaties en de in- en externe informatievoorziening. In 2002 is het onderzoek gestart naar de mogelijkheid om de programmakostenadministratie Cultuur in SAP op te nemen. Het voornaamste doel hiervan is een betere informatievoorziening met behulp van geïntegreerde rapportages. Per 1 januari 2003 hebben de cultuurdirecties het SAP-systeem in productie genomen voor de programmakosten. De implementatie van het Cultuurnota proces in SAP ligt op schema; de datum van in gebruikname staat gepland voor 1 juni 2003.

In 2002 is bij Cfi (Centrale Financiën Instellingen) een vooronderzoek gestart naar de mogelijkheid om voor het begrotingsuitvoeringsproces van het onderwijsveld het financiële systeem GEFIS te vervangen door SAP.

In 2002 is bij de directie Personeel en Organisatie een project van start gegaan om de personeelsadministratie vanaf 2004 met de HR-module van SAP te ondersteunen. Het is de bedoeling dat deze module ook wordt ingezet voor een betere informatievoorziening ter ondersteuning van de bedrijfsvoering van de directies. Hierbij is in belangrijke mate gebruik gemaakt van de ervaringen van het ministerie van Financiën op het vlak van de salarisbetalingen in SAP en van de ervaringen van het Ministerie van Economische Zaken met de HR-module van SAP.

Medio 2002 is een pilot opgestart om managementinformatie op een toegankelijke wijze te ontsluiten uit de personele en financiële bedrijfsvoeringssystemen van OCenW. Op deze wijze krijgen de managers inzicht in zaken als ziekteverzuim, budgetuitputting en andere relevante sturingsinformatie uit de bedrijfsvoeringssystemen.

Eveneens is in 2002 een start gemaakt met het inrichten van een centrale SAP beheersorganisatie.

3.5 Professioneel inkopen

OCenW heeft in 2002 zowel een inkoopbeleid vastgesteld als een inkoopactieplan geformuleerd. Verder zijn in 2002 12 Europese aanbestedingen gestart en aangemeld in Brussel. Ook heeft het ministerie in 2002 actief deelgenomen in het project «Professioneel Inkopen en Aanbesteden» (PIA).

OCenW werkt hierbij met de andere departementen, apart of gezamenlijk, aan de invulling van de visie van PIA. OCenW heeft, behalve aan diverse ad hoc activiteiten, deelgenomen aan de deelprojecten «Elektronisch bestellen en factureren», «Gezamenlijk inkopen en aanbesteden» en heeft met de kwantitatieve en kwalitatieve resultaten uit de inkoopdiagnose 2000 een bijdrage geleverd aan het deelproject «Inkoopdiagnoses», met als eerste resultaat een interdepartementale definiëring van de inkooppakketten.

Ook in het project «Efficiencyslag inkoop» heeft OCenW zijn inbreng gehad. De uitkomsten zullen leidend zijn bij de verdere professionalisering van de inkoop door OCenW.

3.6 Personeel en organisatie

Als eerste in een meerjarig traject is in 2002 een start gemaakt met de herinrichting van de P-functie (personeelsfunctie) binnen OCenW. Duidelijk is geworden welke eindsituatie wordt nagestreefd voor de P-functie.

Ook is in 2002 duidelijk geworden welke taakstelling het ministerie krijgt opgelegd. De leiding van het departement heeft er voor gekozen die taakstelling aan te laten sluiten op de reeds ingezette kwaliteitsslag.

In- en uitstroom en werving van personeel

De instroom van personeel in het bestuursdepartement in fte's (fulltime equivalent) is in de eerste helft van 2002 hoger geweest dan de uitstroom. Het departement heeft een lichte groei doorgemaakt. Opvallend daarbij is dat het percentage fte's instroom op basis van een tijdelijk dienstverband 71% van de totale instroom is. De verdeling over tijdelijk en vast in de uitstroom laat een percentage vast dienstverband zien van 78%. Per saldo is het aandeel vervulde fte's op basis van een tijdelijk dienstverband dus gestegen. De instroom is vanaf september 2002 flink teruggelopen als gevolg van het selectieve matchingsbeleid.

Het medio 2002 ingezette selectieve matchingsbeleid zal naar verwachting de komende periode tot verdere resultaten leiden. Hiermee is een belangrijke koppeling gelegd naar de realisatie van de taakstelling.

Het beeld van de vervulling van vacatures laat zien dat in het algemeen die vervulling geen problemen oplevert. Voor de 129 opengestelde vacatures heeft het bestuursdepartement 36 keer extern geworven op de arbeidsmarkt. De respons op deze vacatures was 1271. De respons op opengestelde vacatures biedt kwantitatief voldoende ruimte voor selectie en keuze. Het ministerie van OCenW blijkt in de praktijk een aantrekkelijke werkgever.

Tabel 1: Personeelsopbouw
LeeftijdTotaal< 2121–2526–3031–3536–4041–4546–5051–5556–60> 60
Vrouw758113713011910410411482525
Man79711043528013316617111526
Totaal1 555124717317118423728025316731

Peildatum: 31-12-2002

Vergeleken met vorig jaar heeft de vergrijzing van het personeelsbestand verder doorgezet. Het aantal personeelsleden in de categorie 56–60 is gestegen van 130 eind 2001 tot 167 per ultimo 2002. De verdeling over mannen en vrouwen laat een nagenoeg stabiel beeld zien van rond de 50/50: 51,3% mannen en 48,7% vrouwen.

Het aantal vrouwen in functies vanaf schaal 13 geeft in 2002 een kleine stijging te zien: van 85 eind 2001 tot 86 per ultimo 2002. Het aantal vrouwen in ABD-functies (managementfuncties schaal 16) is gestegen tot 26%.

Wachtgelders

Het aantal wachtgelders van het bestuursdepartement bedroeg in 2002: 113. De daling van de afgelopen jaren is in 2002 tot staan gekomen en zelfs omgebogen in een hele lichte stijging: van 111 naar 113. De taakstelling en de kwaliteitslag zijn hier debat aan. De uitwerking van de taakstelling en een mogelijke aanvullende aanscherping daarvan zal naar verwachting de instroom in uitkeringsregelingen verder doen toenemen. Overigens worden in 2003 vanuit oude wachtgeldregelingen 23 uitkeringen en in 2004 11 uitkeringen beëindigd.

Ziekteverzuim

Voor het eerst sinds jaren is het percentage ziekteverzuim (exclusief zwangerschaps-/bevallingsverlof en inclusief verzuim langer dan 1 jaar) voor het gehele bestuursdepartement gedaald: van 8,2% naar 7,6%. De spreiding van dit percentage per directie is daarbij nog steeds opvallend: van 1,6% tot 14,1%.

Inzet externe menscapaciteit

In 2002 is het bedrag dat OCenW aan inhuur van externe menscapaciteit heeft besteed fors gegroeid. In 2001 ging het om bijna € 14 miljoen. In 2002 is in totaal ruim € 26 miljoen ten behoeve van het bestuursdepartement aan externen uitgegeven. Deze toename valt met name te verklaren uit de externe ondersteuning voor de kwaliteitsslag OCenW en het daarbij behorende verandertraject. Belangrijke producten hiervan zijn onder andere het invoeren van competentiemanagement, het opstarten van het leiderschapstraject, de inrichting van de OCenW-Academy en het gebruik van ict-toepassingen in HRM-beleid (Human Rescources Management). Andere projecten waarop de inzet van externen noodzakelijk is geweest, zijn het project Rekenschap en de verhuizing naar de Hoftoren.

3.7 Voorlichting

De directie Voorlichting van OCenW heeft een groot deel van haar activiteiten in 2002 gericht op het openbaar maken en toelichten van het beleid. Voor de externe voorlichting zijn 100 persberichten uitgegeven, bijna 500 werkbezoeken van bewindslieden georganiseerd en circa 450 speeches geschreven. Daarnaast is de website «OCenW-Plein» geactualiseerd en uitgebouwd en is het blad «Uitleg» 17 keer uitgebracht. De afdeling publieksvoorlichting heeft telefonisch 26 000 publieksvragen beantwoord. Via de e-mail zijn bijna 7 000 antwoorden gegeven: een toename met circa 8% ten opzichte van 2001. Verder zijn voorlichtingsplannen opgesteld en uitgevoerd voor alle beleidsveranderingen waar het algemene publiek en professionele doelgroepen mee zijn geconfronteerd (zoals leerlinggebonden subsidies).

In het kader van de tekorten op de onderwijsarbeidsmarkt, is in 2002 de imagocampagne «Je groeit in het onderwijs» vervolgd. Deze meerjarencampagne is gestart in het najaar van 2001 en is erop gericht het imago van het beroep leraar te verbeteren. Zowel in het voorjaar als in het najaar zijn televisie- en radiocommercials uitgezonden en waren op NS-stations posters te zien. In het najaar is daarnaast een deelcampagne gevoerd speciaal gericht op potentiële zij-instromers en de wervingsverantwoordelijkheden op scholen (over het onderwerp zij-instroom).

3.8 Invoering euro

Dankzij een gedegen voorbereiding en de inzet van velen binnen de organisatie is de overgang op de euro zonder noemenswaardige problemen verlopen. De nog bestaande losse eindjes zijn overgedragen van de projectorganisatie naar de lijnorganisatie, waarmee afhechting ervan gewaarborgd wordt.

3.9 Overstap Inspectie van het Onderwijs naar agentschap

In de begroting 2002 is aangegeven dat de Inspectie van het onderwijs bezig is met de voorbereidingen voor de overstap naar een status van agentschap (baten-lastendienst) en dat de besluitvorming hierover begin 2002 zou plaatsvinden.

De inspectie heeft in 2002 echter geen formele aanvraag voor een status van baten-lastendienst ingediend omdat de volgende ontwikkelingen de nodige aandacht vergden:

• het van kracht worden van de Wet op het onderwijstoezicht;

• de reorganisatie van de inspectie;

• investeringen in de bedrijfsvoering van de inspectie.

Omdat deze investeringen in 2002 nog niet voldoende resultaat hebben opgeleverd, staat het jaar 2003 in het teken van de verdere verbetering van de bedrijfsvoering. De inspectie geeft in 2003 verder invulling aan de nieuwe besturingsfilosofie van integraal management. Er is voor 2003 een kostprijsmodel ontwikkeld en er is een managementovereenkomst opgesteld tussen het Ministerie van OCenW en de inspectie. De inspectie houdt vast aan de ambitie van de status van baten-lastendienst en streeft er naar om deze vanaf 2005 te verwerven.

3.10 Verhuizing Hoftoren

Het jaar 2002 heeft vooral in het teken gestaan van de voorbereiding. De meeste Europese aanbestedingen voor leveringen en diensten zijn in 2002 afgerond.

De totale verhuizing van het bestuursdepartement van Zoetermeer naar Den Haag is gepland in september 2003.

4. Bevindingen van de Algemene Rekenkamer over de financiële verantwoording 2001

In haar Rapport financiële verantwoording 2001 van het Ministerie van OCenW geeft de Rekenkamer aan dat deze voldoet aan de wettelijke eisen, met uitzondering van een aantal fouten en onzekerheden bij de specifieke uitkeringen en een onzekerheid bij de studieleningen. De toelichting bij de rekening voldoet volgens de Rekenkamer eveneens aan de eisen met uitzondering van een onvolkomenheid ten aanzien van de kengetallen in de toelichting. De Rekenkamer concludeert dat terugkijkend op de afgelopen vier jaar het financieel beheer van OCenW op onderdelen een positieve ontwikkeling laat zien. Daarnaast zijn er aandachtspunten uit het verleden die nog steeds actueel zijn. Deze zijn verwoord als aanbevelingen in de zogeheten «audit action list» die de Rekenkamer in haar rapport heeft opgenomen. Onderstaand wordt nader op de belangrijkste aanbevelingen ingegaan.

4.1 Specifieke uitkeringen

De onzekerheid die de Rekenkamer had ten aanzien van de rechtmatigheid van een deel van de specifieke uitkeringen, is in belangrijke mate veroorzaakt door het ontbreken van de definitieve vaststelling van de verantwoording en doordat een deel van de gemeenten nog geen deugdelijke verantwoording over het voorafgaande jaar had ingediend op het moment waarop de Rekenkamer haar onderzoek afsloot.

Naar verwachting speelt het probleem van de tijdige indiening voor 2002 niet of in mindere mate omdat de meeste verantwoordingen over 2001 rond november 2002 zijn ontvangen.

Verder heeft de Rekenkamer aangegeven dat het financieel beheer bij specifieke uitkeringen in 2001 duidelijk is verbeterd. Wel geeft zij aan dat het ontbreken van een deugdelijk sanctiebeleid als een onvolkomenheid wordt aangemerkt. Aan het sanctiebeleid is inmiddels een verdere uitwerking gegeven. Bij onvolkomenheden in de verantwoording wordt door Cfi naar de gemeenten gerappelleerd en zo nodig wordt (een deel van) de specifieke uitkering teruggevorderd. Het sanctiebeleid voor specifieke uitkeringen wordt verder meegenomen in de uitwerking van het sanctiebeleid ten aanzien van onrechtmatige bekostiging van onderwijsinstellingen. Het integrale verantwoordingsmodel voor specifieke uitkeringen wordt inmiddels door vrijwel alle gemeenten gebruikt. In het voorjaar van 2003 wordt besloten of dit verantwoordingsmodel verplicht moet worden gesteld. Daarbij moet ook gekeken worden naar de afspraken die in het kader van het grotestedenbeleid hierover zijn gemaakt.

4.2 Beleidsinformatie

De Rekenkamer geeft aan dat het vbtb-gehalte van begroting en verantwoording nog verdere verbetering behoeft. Dit is in de begroting ook onderkend door de minister en in de groeiparagraaf is aangegeven welke verbeteracties op dat punt zijn gepland. Niet vergeten moet worden dat de verantwoording 2002 de eerste verantwoording is die onder het regime van vbtb valt. In deze verantwoording zijn dan ook de nodige verbeteringen in de kwaliteit van de beleidsinformatie te constateren. Zo is bijvoorbeeld dit jaar voor het eerst gebruik gemaakt van de informatie uit het onderwijsverslag van de Inspectie van het Onderwijs om de beleidsinformatie in de verantwoording zinvoller te maken. De ingezette verbeteringen worden in de loop van 2003 verder doorgevoerd. Ook is op verzoek van de Tweede Kamer het boekje «Kerncijfers 1998–2002 Onderwijs Cultuur en Wetenschappen» dat altijd tegelijkertijd met de begroting werd uitgebracht, nu tegelijkertijd met de verantwoording uitgebracht. Dit verhoogt de kwaliteit van de informatie van de verantwoording nog aanzienlijk.

4.3 Afwikkeling Cultuurnota

In reactie op de aanbevelingen van de Rekenkamer is toegezegd om het beleid vast te leggen hoe om te gaan met subsidievaststellingen waarbij de prestatieafspraken niet zijn gerealiseerd en het overschrijden van de maximale reservering van niet-bestede subsidies. Hiertoe is als pilot een interne gedragslijn opgesteld waarin het beleid rond subsidievaststellingen en reservevorming wordt beschreven. Na evaluatie van het gebruik van deze gedragslijn wordt de toepasbaarheid voor het gehele cultuurveld bezien.

4.4 Europese geldstromen

Projecten gesubsidieerd door het Europees Sociaal Fonds

Het ministerie heeft zowel over het tijdvak 1994–1999 als over het tijdvak 2000–2006 subsidie aangevraagd en verkregen van het Europees Sociaal Fonds (ESF) voor de projecten gericht op de het voorkomen van voortijdig schoolverlaten, het versterken van de beroepsbegeleidende leerweg en het praktijkonderwijs in het voortgezet onderwijs. Onderwijsinstellingen in de sectoren vo en bve voeren deze projecten uit. Het agentschap van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (agentschap SZW) treedt op als betalings- en beheersautoriteit voor het ESF.

In 2002 heeft het ministerie zich zowel beziggehouden met de afwikkeling van subsidieaanvragen over het tijdvak 1994–1999 als met de voorbereiding, opstelling en toekenning van aanvragen en eindrapportages over het tijdvak 2000–2006.

Tijdvak 1994–1999

In 2001 heeft het agentschap SZW de projecten bbl (beroepsbegeleidende leerweg) over de periode 1997–1999 gecontroleerd. Naar aanleiding van deze controles heeft SZW de bbl-projecten (circa 100 stuks) fors gekort of zelfs op nihil gesteld. Het ministerie heeft tegen alle beschikkingen van het agentschap bezwaar aangetekend. In 2002 is bestuurlijk overleg gevoerd met het ministerie van SZW om de kosten van de geleden schade te delen. De schade is geraamd op € 9,5 miljoen, waarvan beide ministeries 50% voor hun rekening nemen. De besprekingen over dit bestuurlijke arrangement zijn ultimo 2002 nog niet afgerond. Nadat overeenstemming is bereikt wordt richting instellingen afgerekend.

Tijdvak 2000–2006

Bij de continuering van ESF-projecten over 2000 en 2001 moest worden geanticipeerd op nieuwe regelgeving van het agentschap SZW. Hierdoor is een zeker risico gelopen waar niet conform de uiteindelijke subsidievoorwaarden is gehandeld. In het najaar van 2001 hebben de uitvoerende instellingen eindverantwoordingen ingediend over de kalenderjaren 2000 en 2001 (praktijkonderwijs voortgezet onderwijs) en over de periode 1 januari 2000 t/m 31 juli 2001 (bbl en vsv). Om het risico te beperken, zijn bij de afwikkeling van de subsidies door het ministerie de onderdelen die niet in overeenstemming zouden kunnen zijn met de regelgeving uit de declaraties geschrapt. Uit onderzoek van de AD bleek bovendien dat onvoldoende kon worden gesteund op het werk van de instellingsaccountants. Aanvullende controles door het ministerie hebben geleid tot een groot aantal correcties. De desbetreffende clusterrapportages en de clusterrapportage vsv zijn begin augustus 2002 bij het agentschap SZW ingediend. Het agentschap SZW moet de eindbeschikkingen voor deze projecten nog afgeven.

Vooruitlopend op het indienen van de einddeclaraties van de volgende tranche ESF-projecten heeft het ministerie een aantal maatregelen genomen, onder andere:

• het houden van voorlichtingsbijeenkomsten voor instellingen en instellingsaccountants;

• het verbeteren van de voorlichting over de interpretatie van ESF-regelgeving;

• het publiceren van een standaard werkprogramma voor de instellingsaccountants.

Deze maatregelen hebben inmiddels geleid tot een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit van de door de instellingen ingezonden einddeclaraties bbl en vsv 2001/2002.

Wet toezicht Europese subsidies (Wet TES)

Verschillende departementen zijn bij de implementatie van de Wet TES tegen uitvoeringsproblemen aan gelopen. Onder leiding van Financiën wordt daarom bezien welke mogelijkheden tot vereenvoudiging en voorkomen van onnodige lastenverzwaring haalbaar zijn. Voorts is afgesproken dat de rapportage over het toezicht op EU-gelden niet in de verantwoording 2002 wordt opgenomen maar eerst in het najaar wordt uitgebracht, tegelijk met de rapportage over de ESF-gelden. Voor de instellingen op OCenW-terrein wordt overwogen om de richtlijnen voor de jaarverslaggeving zodanig aan te passen dat instellingen eventuele EU-subsidies in hun jaarverslag opnemen en zich daarover verantwoorden.

4.5 Rijksarchiefdienst

De Rekenkamer bepleit ten aanzien van de Rijksarchiefdienst (RAD) dat er een plan van aanpak moet komen voor het actueel houden van de kritische processen.

Inmiddels is in het kabinet afgesproken dat de instellingsvoorwaarden en regels voor de agentschappen worden aangescherpt. Om te kunnen beoordelen of alle bestaande agentschappen eind 2004 aan deze scherpere regels kunnen voldoen, dient er dit voorjaar een uitgewerkt plan van aanpak van ieder agentschap bij Financiën te worden ingediend. Hieraan voorafgaand vindt er een self-assessment plaats waarin het agentschap voor zichzelf nagaat waar de eventuele knelpunten zitten. Ook de RAD loopt momenteel mee in dit traject van self-assessment. In het voorjaar wordt het plan van aanpak aan Financiën opgeleverd. Inmiddels heeft de RAD de actualisatie van de kritische processen afgerond en is ook de administratieve organisatie van het Nationaal Archief gereed.

4.6 Informatie Beheer Groep (IB-Groep)

De problemen die hebben geleid tot de geconstateerde fouten in de saldibalans in verband met studieleningen zijn in 2002 grotendeels opgelost. In de saldibalans 2002 komen deze fouten niet meer voor.

Op het gebied van de informatiebeveiliging zijn enkele van de meest kritische processen geanalyseerd. Op basis hiervan wordt een baseline beveiliging opgesteld. Via interne communicatie en opleidingen wordt het aspect van informatiebeveiliging verder versterkt. Desondanks blijft het informatie-technologiebeheer een kwetsbaar punt dat ook in 2003 de nodige aandacht vergt.

Omdat de IB-Groep als zelfstandig bestuursorgaan geen onderdeel uitmaakt van het ministerie valt de interne bedrijfsvoering niet onder de verantwoordelijkheid van de minister van OCenW. Toch moet de minister zich een oordeel kunnen vormen over de kwaliteit en betrouwbaarheid van de bedrijfsvoering, mede vanwege de omvang van de programma-uitgaven studiefinanciering die door de IB-Groep wordt verzorgd. Hierin wordt voorzien doordat het programmadeel van de begroting van de IB-Groep onder de reguliere accountantscontrole van het ministerie valt. Voor het apparaatskostendeel wordt hierin voorzien via het indienen van de jaarrekening met een oordeel van de accountant van de IB-Groep.

MenO-beleid studiefinanciering

Het MenO-beleid studiefinanciering is in 2002 geactualiseerd. Samen met de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) is een nieuw jaarplan 2002 opgesteld en inmiddels ligt er ook een jaarplan voor 2003. Belangrijk onderdeel van het MenO-beleid is de controle op uitwonendheid. Door de koppeling van het WSF-bestand met de Gemeenschappelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) wordt het MenO-risico bij de toekenning van een uitwonendheidstoeslag terug gedrongen. Deze koppeling wordt met ingang van het studiejaar 2002/2003 uitgevoerd voor studenten die voor het eerst onder de WSF (Wet studiefinanciering) vallen.

4.7 Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksoverheid (VIR)

OCenW is in 2002 gestart met een nieuwe aanpak VIR. Deze aanpak houdt in dat een gedeelte van de verantwoordelijkheid van de lijnmanagers door de directie Facilitair Bedrijf wordt overgenomen. FacB schrijft en onderhoudt een centraal beveiligingsplan. De directies blijven verantwoordelijk voor de decentrale uitvoering van het plan.

De organisatieonderdelen die ultimo 2001 nog niet (volledig) voldeden aan het VIR hebben inmiddels de noodzakelijke maatregelen genomen om deze achterstand in te lopen.

4.8 Europees aanbesteden

Ondanks inspanningen op het gebied van regelgeving en voorlichting, is in 2002 toch een bedrag van € 8,2 miljoen ten onrechte niet Europees aanbesteed. Dit betrof de contracten in het kader van de 58+ regelingen. In de komende periode wordt nadrukkelijk op naleving van de regels toegezien.

Verantwoordingsstaat 2002 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII)

Bedragen x € 1 000
  (1)(2)(3)=(2)–(1)
 OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  verplich-tingenuitgavenontvang-stenverplich-tingenuitgavenontvang-stenverplich-tingenuitgavenontvang-sten
 TOTAAL22 956 53523 143 0881 243 75024 478 26124 190 5701 201 4431 521 7261 047 482– 42 307
           
 Beleidsartikelen22 913 91123 100 4641 239 97623 960 94123 680 1701 195 9371 047 030579 706– 44 039
01Basisonderwijs6 014 1946 019 43417 8766 165 2286 168 29446 670151 034148 86028 794
02Expertisecentra676 158676 1582 723709 403708 6972 92033 24532 539197
03Voortgezet onderwijs4 938 2074 911 7481 3615 165 2494 932 0213 221227 04220 2731 860
04Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie2 581 4102 557 25127 2272 631 0642 545 64317 78149 654– 11 608– 9 446
05Technocentra05 4455 44505 4465 445010
06Hoger beroepsonderwijs1 478 1121 500 507171 727 5351 603 569358249 423103 062341
07Wetenschappelijk onderwijs2 918 0002 915 7971 1983 192 2863 045 2441 390274 286129 447192
08Internationaal onderwijsbeleid16 88217 8569920 99818 0395254 116183426
09Onderwijspersoneel69 40069 400074 85584 935685 45515 53568
10Informatie- en communicatietechnologie40 09079 02445 378127 71579 26947 91887 6252452 540
11Studiefinanciering1 719 9461 719 946344 3291 804 2541 804 254332 61384 30884 308– 11 716
12Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten333 888333 88811 934347 751347 75113 02513 86313 8631 091
13Lesgelden00375 18500388 7640013 579
14Cultuur498 262647 399250374 477654 0144 970– 123 7856 6154 720
15Media877 678878 167307 935882 964881 344222 1555 2863 177– 85 780
16Onderzoek en wetenschappen751 684768 44499 019737 162801 650108 114– 14 52233 2069 095
           
 Niet-beleidsartikelen42 62442 6243 774517 320510 4005 506474 696467 7761 732
17Nominaal en onvoorzien– 384 408– 384 4082 555000384 408384 408– 2 555
18Bestuursdepartement157 282157 282567170 072164 23158112 7906 94914
19Inspecties42 28442 284053 47552 39616011 19110 112160
20Adviesraden5 7795 77907 2177 21701 4381 4380
21Uitvoeringsorganisaties onderwijs149 723149 723408202 576202 57667152 85352 853263
22Uitvoeringsorganisaties cultuur69 59969 59924481 53081 5304 09411 93111 9313 850
23Uitvoeringsorganisaties wetenschappen2 3652 36502 4502 450085850

Mij bekend,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Samenvattende verantwoordingsstaat 2002 inzake baten-lastendiensten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII)

Bedragen x € 1 000
 (1)(2)(3)
 Oorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Naam baten-lastendienstTotaal batenTotaal lastenSaldo baten en lastenTotaal batenTotaal lastenSaldo baten en lastenTotaal batenTotaal lastenSaldo baten en lasten
Centrale Financiën Instellingen (CFI)39 13539 135056 28561 169– 4 88417 15022 034– 4 884
Rijksarchiefdienst (RAD)32 85232 852041 25840 9243348 4068 072334
Totaal71 98771 987097 543102 093– 4 55025 55630 106– 4 550
Naam baten-lastendienstTotaal kapitaaluitgavenTotaal kapitaalontvangstenTotaal kapitaaluitgavenTotaal kapitaalontvangstenTotaal kapitaaluitgavenTotaal kapitaalontvangsten
Centrale Financiën Instellingen (CFI)7 6013 6479 9465 8002 3452 153
Rijksarchiefdienst (RAD)51502 7822 0182 2672 018
Totaal8 1163 64712 7287 8184 6124 171

Mij bekend,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTAAT OCENW

1. Budgettaire gevolgen van beleid

Onderstaand zijn per begrotingsartikel de tabellen budgettaire gevolgen van beleid plus toelichting opgenomen.

Tabel 1: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen  5 108 5165 672 2666 165 2286 014 194151 034
– waarvan garanties  00000
Uitgaven  5 117 9755 671 3146 168 2946 019 434148 860
Personeel basisonderwijs  3 932 6654 468 2014 914 6044 841 11973 485
Personeel speciaal basisonderwijs  302 373334 936358 268357 477791
Materieel basisonderwijs  785 843757 865779 389710 59968 790
Materieel speciaal basisonderwijs  31 86441 79844 10838 2775 831
Overig  65 23068 51471 92571 961– 36
– waarvan schoolbegeleidingsdiensten  52 18054 72957 21254 7362 476
– waarvan stimuleringsuitgaven  13 05013 78514 71317 225– 2 512
Ontvangsten  22 57519 83546 67017 87628 794
– waarvan basisonderwijs  21 90118 45144 86017 39927 461
– waarvan speciaal basisonderwijs  6741 3841 8104761 334

Als gevolg van een stijging van de gemiddelde personele lasten in het basisonderwijs, is er sprake van een overschrijding op de personele budgetten. Dit wordt onder meer gecompenseerd door een verhoging van het budget, ingevolge de algemene loonstijging. Het verschil tussen het budget voor materieel in de vastgestelde begroting en de realisatie in 2002 wordt verklaard door het afschaffen van de rentekorting in 2002 en door de uitbetaling van de toegedeelde gelden voor prijsbijstelling.

De ontvangsten in 2002 zijn hoger uitgevallen dan geraamd in de begroting 2002. Dit is het gevolg van een tweetal terugvorderingen. In het kader van de operatie Onderwijs onder Werknemersverzekeringen (OOW) betalen de scholen premie ten behoeve van de kosten van zwangerschapsverlof. Deze premie wordt door het Rijk integraal aan de scholen vergoed. Daartegenover staat dat de uitkeringen aan de scholen op basis van deze verzekering in mindering moeten komen op de door het Rijk aan de scholen betaalde integrale loonkosten.

Om technische redenen is het niet gelukt de in 2001 betaalde uitkeringen nog in 2001 te verrekenen met de loonkosten. Dit heeft in 2001 geleid tot meeruitgaven. Omdat de verrekening van deze meeruitgaven met de scholen in 2002 heeft plaatsgevonden, heeft dit geleid tot een extra ontvangst op de OCenW-begroting.

Daarnaast is in het kalenderjaar 2001 abusievelijk teveel uitbetaald aan een aantal centrale diensten van Weer Samen Naar School-verbanden. Deze middelen zijn in 2002 teruggevorderd. Een overzicht met de kosten van het primair onderwijs per leerling is opgenomen in OCenW in kerncijfers.

Tabel 2: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen  525 853618 867709 403676 15833 245
– waarvan garanties  00000
Uitgaven  525 888618 761708 697676 15832 539
Personeel  473 196550 081638 894609 68029 214
Materieel  50 56867 14867 66564 1633 502
Overig  2 1251 5322 1382 315– 177
Ontvangsten  5 2003 2292 9202 723197

Als gevolg van een stijging van de gemiddelde personeelslasten en een toename van het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs, is er sprake van een overschrijding van het personele budget ten opzichte van de vastgestelde begroting 2002. Dit wordt onder meer gecompenseerd door een verhoging van het budget ingevolgde de algemene loonstijging. Het verschil tussen raming en realisatie op het budget voor materieel wordt verklaard door het afschaffen van de rentekorting, een toename van het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs en de uitbetaling van de toegedeelde gelden voor prijsbijstelling.

Tabel 3: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    5 165 2494 938 207227 042
– waarvan garanties    000
Uitgaven    4 932 0214 911 74820 273
Basisvorming    2 348 7402 340 7118 029
VMBO-leerwegen    1 402 9021 398 4064 496
Tweede fase havo/vwo    820 055817 4272 628
Onderwijsverzorging en projecten    71 92867 0994 829
Overige voorzieningen    288 396288 105291
Ontvangsten    3 2211 3611 860

De totale uitgaven op het beleidsartikel zijn € 20,3 miljoen hoger uitgevallen dan geraamd in de oorspronkelijke begroting. De belangrijkste mutaties zijn hieronder weergegeven.

De loon- en prijsbijstellingen (met name premies en cao-afspraken) hebben gesommeerd tot een verhoging geleid van € 47,3 miljoen. Voorts is per saldo € 9,5 miljoen aan het budget toegevoegd voor asielzoekers en is € 0,9 miljoen ontvangen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten behoeve van ondersteuning van schoolinternaten.

Voor de uitvoering van het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid is het aandeel van beleidsartikel 3 van € 21,2 miljoen overgeboekt naar beleidsartikel 1. Daarnaast is door de latere invoering van de wetswijziging «voortgezet onderwijs uit het vervangingsfonds» het overgangsbudget terzake van € 5,9 miljoen in 2002 vrijgevallen en verschoven naar de jaren 2003 tot en met 2005.

Tenslotte is de begroting neerwaarts bijgesteld in verband met kaseffecten op de gemiddelde personeelslast (€ 4,0 miljoen), gingen een aantal kleine projecten in 2002 niet door (€ 4,0 miljoen) en waren op diverse onderdelen de uitgaven lager dan geraamd (€ 2,8 miljoen).

Tabel 4: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    2 631 0642 581 41049 654
– waarvan garanties    000
Uitgaven    2 545 6432 557 251– 11 608
Mbo    2 148 1782 179 837– 31 659
Educatie en inburgering    350 839323 76527 074
Specifieke stimulering    46 62653 649– 7 023
Ontvangsten    17 78127 227– 9 446

De verplichtingen die in 2002 zijn aangegaan hebben voornamelijk betrekking op de toegekende rijksbijdragen 2003 aan de instellingen. Deze verplichtingen zijn gebaseerd op de telgegevens van 1 oktober 2001.

In februari 2002 heeft de accountantsdienst een rapport uitgebracht naar aanleiding van onregelmatigheden in de bekostiging bij 6 hogescholen. Naar aanleiding van dit rapport is het zogenaamde «zelfreinigend onderzoek» uitgevoerd onder alle instellingen in het bve-, hbo- en wo-veld. De resultaten van dit onderzoek zijn in december 2002 aan de Tweede Kamer gezonden. Uit het onderzoek bleek dat een aantal instellingen onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien van de bekostigingsregels. De in de afgelopen jaren aan de individuele instellingen toegekende reguliere bekostiging is hierdoor voor een deel onzeker. Inmiddels is besloten tot een vervolgonderzoek bij alle instellingen in het bve-, hbo- en wo-veld naar het voorkomen van handelwijzen die in strijd zijn met de wet. Een onafhankelijke commissie zal dit onderzoek uitvoeren.

De commissie bepaalt op welke periode het onderzoek betrekking zal hebben, waarbij in ieder geval wordt uitgegaan van de inschrijfgegevens vanaf 1 oktober 1998, en zo mogelijk teruggegaan wordt tot 1 oktober 1996. Uit dit onderzoek moet blijken in hoeverre de reguliere bekostiging die aan de individuele instellingen is of nog wordt toegekend, gebaseerd is op gegevens, die als onjuist moeten worden gekwalificeerd. Onjuist, omdat bekostigingsregelgeving niet goed is toegepast of omdat gesproken moet worden van oneigenlijk gebruik van regelgeving. In die gevallen zal het deel dat onrechtmatig is toegekend worden teruggevorderd op basis van de criteria uit het rapport Ruimte voor Rekenschap. Een goede schatting van de omvang van het terug te vorderen bedrag is nog niet te maken. De exacte omvang hiervan kan pas na afronding van het onderzoek worden vastgesteld. Het onderzoek moet 1 januari 2004 zijn afgerond.

De totale uitgaven op het beleidsartikel zijn ruim € 11,0 miljoen lager uitgevallen dan in de oorspronkelijke begroting geraamd. De belangrijkste mutaties zijn hieronder weergegeven.

• Het budget voor mbo is verhoogd vanwege loonbijstelling. Daarnaast hebben enkele overboekingen met andere beleidsterreinen en andere departementen plaatsgevonden. Dat er per saldo een verlaging resteert komt voornamelijk doordat ESF uitgaven zijn doorgeschoven naar 2003.

• Het artikel educatie en inburgering is verhoogd vanwege loonbijstelling.

• Het artikel specifieke stimulering is verlaagd met name vanwege de korting van € 6,1 miljoen op projecten die bij Najaarsnota heeft plaatsgevonden vanwege de ombuiging uit het strategisch akkoord.

Tabel 5: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    000
– waarvan garanties    000
Uitgaven    5 4465 4451
Ontvangsten    5 4455 4450

Er hebben zich geen significante afwijkingen voorgedaan.

Tabel 6: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen – waarvan garanties1 209 18601 319 43801 466 41901 708 77201 727 53501 478 1120249 4230
Uitgaven1 215 0051 286 2031 331 9491 491 3941 603 5691 500 507103 062
Reguliere bekost. (6.1)  1 284 1001 426 1211 545 8081 438 096107 712
Specifieke bekost. (6.2)  47 84965 27357 76162 411– 4 650
Ontvangsten7 6664 7111 10512135817341

De programma-uitgaven 2002 reguliere bekostiging (€ 1,6 miljard) en verplichtingen 2002 (€ 1,7 miljard) verantwoord onder artikel 6 betreffen hoofdzakelijk de toegekende rijksbijdragen (lumpsumvergoedingen) aan de instellingen over respectievelijk 2002 en 2003.

In februari 2002 heeft de accountantsdienst een rapport uitgebracht naar aanleiding van onregelmatigheden in de bekostiging bij 6 hogescholen. Naar aanleiding van dit rapport is het zogenaamde «zelfreinigend onderzoek» uitgevoerd onder alle instellingen in het bve-, hbo- en wo-veld. De resultaten van dit onderzoek zijn in december 2002 aan de Tweede Kamer gezonden. Uit het onderzoek bleek dat een aantal instellingen onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien van de bekostigingsregels. De in de afgelopen jaren aan de individuele instellingen toegekende reguliere bekostiging is hierdoor voor een deel onzeker. Inmiddels is besloten tot een vervolgonderzoek bij alle instellingen in het bve-, hbo- en wo-veld naar het voorkomen van handelwijzen die in strijd zijn met de wet. Een onafhankelijke commissie zal dit onderzoek uitvoeren.

De commissie bepaalt op welke periode het onderzoek betrekking zal hebben, waarbij in ieder geval wordt uitgegaan van de inschrijfgegevens vanaf 1 oktober 1998, en zo mogelijk teruggegaan wordt tot 1 oktober 1996. Uit dit onderzoek moet blijken in hoeverre de reguliere bekostiging die aan de individuele instellingen is of nog wordt toegekend, gebaseerd is op gegevens, die als onjuist moeten worden gekwalificeerd. Onjuist, omdat bekostigingsregelgeving niet goed is toegepast of omdat gesproken moet worden van oneigenlijk gebruik van regelgeving. In die gevallen zal het deel dat onrechtmatig is toegekend worden teruggevorderd op basis van de criteria uit het rapport Ruimte voor Rekenschap. Een goede schatting van de omvang van het terug te vorderen bedrag is nog niet te maken. De exacte omvang hiervan kan pas na afronding van het onderzoek worden vastgesteld. Het onderzoek moet 1 januari 2004 zijn afgerond.

De realisatie op de programma-uitgaven ligt circa € 103 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begrotingsstand. Deze toename wordt met name verklaard door de loonbijstelling 2002 (€ 65,7 miljoen) en de bijstelling van het exploitatiebudget voor de stijging van het aantal studenten in het hoger beroepsonderwijs (€ 50 miljoen). Naast deze twee verhogingen wordt als belangrijkste verlaging genoemd de bijdrage van de sector hbo aan de ombuigingen uit het strategisch akkoord. In 2002 bedroeg deze bijdrage € 7,8 miljoen.

De verplichtingenmutatie ligt ruim € 146 miljoen hoger dan de uitgavenmutatie. Dit verschil is het gevolg van kasmutaties in 2003 die in 2002 zijn verplicht. Op grond van de geldende bekostigingssystematiek worden in jaar t de uitgaven voor jaar t+1 verplicht. In dit verband worden – wederom – als belangrijkste mutaties genoemd de doorwerking in 2003 van de loonbijstelling 2002 en de compensatie in 2003 voor de stijging van het aantal studenten in het hbo.

Tabel 7: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen  2 908 5463 108 9783 192 2862 918 000274 286
– waarvan garanties  480 870464 865449 011449 0110
Programma-uitgaven  2 713 2392 901 9083 045 2442 915 797129 447
Bekostigde instellingen (7.1)  2 577 1672 757 9722 906 2532 787 546118 707
Gesubsidieerde instellingen (7.2)  118 431120 320124 678117 1457 533
Stimuleringsuitgaven (7.3)  16 67122 10612 54610 9331 613
Overige uitgaven (7.4)  9701 5101 7671731 594
Ontvangsten  1 2041 0981 3901 198192

De programma-uitgaven 2002 bekostigde instellingen (€ 2 906 253) en de verplichtingen 2002 (€ 2 918 000) betreffen hoofdzakelijk de toegekende rijksbijdragen (lumpsumvergoedingen) aan de instellingen over 2002 en 2003.

In februari 2002 heeft de accountantsdienst een rapport uitgebracht naar aanleiding van onregelmatigheden in de bekostiging bij 6 hogescholen. Naar aanleiding van dit rapport is het zogenaamde «zelfreinigend onderzoek» uitgevoerd onder alle instellingen in het bve-, hbo- en wo-veld. De resultaten van dit onderzoek zijn in december 2002 aan de Tweede Kamer gezonden. Uit het onderzoek bleek dat een aantal instellingen onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien van de bekostigingsregels. De in de afgelopen jaren aan de individuele instellingen toegekende reguliere bekostiging is hierdoor voor een deel onzeker. Inmiddels is besloten tot een vervolgonderzoek bij alle instellingen in het bve-, hbo- en wo-veld naar het voorkomen van handelwijzen die in strijd zijn met de wet. Een onafhankelijke commissie zal dit onderzoek uitvoeren.

De commissie bepaalt op welke periode het onderzoek betrekking zal hebben, waarbij in ieder geval wordt uitgegaan van de inschrijfgegevens vanaf 1 oktober 1998, en zo mogelijk teruggegaan wordt tot 1 oktober 1996. Uit dit onderzoek moet blijken in hoeverre de reguliere bekostiging die aan de individuele instellingen is of nog wordt toegekend, gebaseerd is op gegevens, die als onjuist moeten worden gekwalificeerd. Onjuist, omdat bekostigingsregelgeving niet goed is toegepast of omdat gesproken moet worden van oneigenlijk gebruik van regelgeving. In die gevallen zal het deel dat onrechtmatig is toegekend worden teruggevorderd op basis van de criteria uit het rapport Ruimte voor Rekenschap. Een goede schatting van de omvang van het terug te vorderen bedrag is nog niet te maken. De exacte omvang hiervan kan pas na afronding van het onderzoek worden vastgesteld. Het onderzoek moet 1 januari 2004 zijn afgerond.

Tabel 8a: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschilHGIS realisatie
 1998199920002001200220022002 
Verplichtingen9 7486 7037 05215 22420 99816 8824 116 
Waarvan garantieverplichtingen        
Uitgaven7 5007 2957 33912 60418 03917 8561832 179
Mobiliteit   4 2449 2384 9124 3261 781
Samenwerkingsverbanden   4 2263 2173 552– 335 
Institutionele subsidies Nederland   3 2774 4567 946– 3 490398
Instellingen buitenland   546711812– 101 
Overig   311417634– 217 
Ontvangsten66857291 01252599426 

Over de jaren de jaren 1998 tot en met 2000 is geen onderverdeling te geven. Tot 2002 gold een andere artikelindeling (artikel 26.05) met andere artikelonderdelen.

Bij de omzetting van de oude artikelindeling (26.05) naar de nieuwe artikelindeling (08.01 tot en met 08.05) zijn per abuis programma's en activiteiten op een ander artikelonderdeel ondergebracht, dan waar zij thuishoorden. Deze omissie is bij eerste suppletore wet gecorrigeerd. De onderstaande tabel geeft de correctie weer.

Tabel 8b: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (gecorrigeerde begroting 2002) (x € 1 000)
 Vastgestelde begrotingVastgestelde begroting (gecorrigeerd)Verschil HGIS begroting
 2002200220022002
Verplichtingen16 88216 882  
Waarvan garantieverplichtingen    
Uitgaven17 85617 856 2 179
Mobiliteit4 9129 2214 3091 781
Samenwerkingsverbanden3 5523 218– 334 
Institutionele subsidies Nederland7 9464 386– 3 560398
Instellingen buitenland812778– 34 
Overig634253– 381 
Ontvangsten9999  

Programma's en activiteiten die onder «mobiliteit» dienden te vallen, waren onder het artikelonderdeel «overig» opgenomen. De belangrijkste hiervan zijn de mobiliteitsprogramma's van het Europees Platform, samen totaal € 4,6 miljoen. Daarnaast waren de uitvoeringskosten Huygens en Delta bij «mobiliteit» opgenomen (€ 0,5 miljoen), terwijl deze thuishoorden op het artikelonderdeel «institutionele subsidies Nederland». Tot slot zijn er nog kleine verschuivingen van de verschillende artikelonderdelen samen totaal € 0,2 miljoen naar «mobiliteit».

Op het totale artikel Internationaal Beleid is in het jaar 2002 € 0,2 miljoen meer uitgegeven ten opzichte van de oorspronkelijke begroting.

In het jaar 2002 is € 0,4 miljoen meer ontvangen op het artikel. Het betreft extra ontvangsten in verband met de definitieve vaststelling van subsidies en bijdragen uit voorgaande jaren. Waar bij de verantwoording een onderuitputting van de subsidies en bijdragen is vastgesteld, is het teveel aan voorschot teruggevorderd.

Tabel 9: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen  0074 85569 4005 455
– waarvan garanties  00000
Uitgaven  0084 93569 40015 535
Arbeidsmarkt  009 5759 720– 145
Vakbondsfaciliteiten en Voorzieningen  0031 30218 40012 902
Zvoo  0044 05841 2802 778
Ontvangsten  0068068

De overschrijding op deelbudget «vakbondsfaciliteiten en voorzieningen» van circa € 12,9 miljoen komt geheel voor rekening van de projecten in het kader van Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid genoemd in tabel 9.1 op bladzijde 153.

Financiering van die projecten heeft plaatsgevonden door de overheveling van enkele budgetten die daarvoor nog centraal waren geparkeerd (de Maatwerk 2 en 3 middelen) € 10,9 miljoen, O&O-fonds € 9,1 miljoen en lio- en stagiairsbegeleiding € 7,2 miljoen.

Het totaal van middelen op dit deelbudget is daarmee opgelopen naar ruim € 45,0 miljoen. De realisatie is € 14,0 miljoen lager. Dit is voornamelijk het gevolg van het feit dat diverse projecten zijn «afgerekend» door budgetoverboekingen (en daarmee budgetverlagingen) voor subsidieregelingen in het kader van Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid. De overschrijding op deelbudget «zvoo» van € 2,7 miljoen is het gevolg van het amendement Cornielje inzake de OU (€ 2,1 miljoen, gedekt uit artikel 9) en hogere ziektekostenuitkeringen dan geraam (€ 0,6 miljoen).

Tabel 10: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen 15 88058 991102 026127 71540 09087 625
– waarvan garanties 000000
Uitgaven 15 58058 537102 02679 26979 024245
Nader te verdelen over scholen/instellingen (10.1)  00000
Generiek beleid (10.2) 15 88021 78149 91635 32033 0242 296
Overige uitgaven (10.3)  36 75652 11043 94946 000– 2 051
Ontvangsten  58 99158 99147 91845 3782 540

Het verplichtingenbedrag 2002 is inclusief de extracomptabele verplichtingen van artikel 10.3 € 63,2 miljoen en artikel 10.2 € 21,3 miljoen.

Tabel 11: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen   1 987 4901 804 2541 719 94684 308
– waarvan garanties   0045– 45
Totaal uitgaven   1 987 4901 804 2541 719 94684 308
        
Waarvan relevante uitgaven:   1 173 700920 5031 010 273– 89 770
Basis- en aanvullende beurs (11.1)   854 077840 501937 893– 97 392
Reisvoorziening (11.2)   251 21229 88713829 749
Overige uitgaven (11.3)   68 41150 11572 242– 22 127
        
Waarvan niet-relevante uitgaven:   813 790883 751709 673174 078
Prestatiebeurs (11.4)   415 089405 823343 00262 821
Reguliere rentedragende lening (11.5)   398 701477 928366 671111 257
Totaal ontvangsten   331 928332 613344 329– 11 716
        
Waarvan:       
Relevante studiefinanciering (11.1)   254 541245 571246 9021 331
Niet-relevante studiefinanciering (11.2)   77 38787 04297 42710 385

Relevante uitgaven

Het verschil van – € 97,4 miljoen bij artikel 11.1 bestaat voor € 70,6 miljoen uit minder basis- en voor € 26,8 miljoen uit minder aanvullende beursuitgaven.

Bij de basisbeursuitgaven ontstaat het verschil voor het grootste deel omdat er minder aan prestatiebeursuitgaven van studenten in het wo en hbo is omgezet van lening naar gift (– € 63,9 miljoen).

De lagere aanvullende beursuitgaven van – € 26,8 miljoen betreffen voornamelijk minder bol-uitgaven, omdat er minder deelnemers in de bol recht hebben op een aanvullende beurs.

De reisvoorziening 2002 geeft een verschil van € 29,7 miljoen. Dit betreft hogere uitgaven voor de ov-studentenkaart als gevolg van de prijsbijstelling en een hogere afrekening over 2001.

Het verschil bij de overige uitgaven van – € 22,1 miljoen bestaat vooral uit minder uitgaven op het gebied van achterstallige lagere rechten.

Niet-relevante uitgaven

Bij de prestatiebeursuitgaven wordt het verschil van € 62,8 miljoen tussen begroting en realisatie 2002 voornamelijk veroorzaakt door de hiervoor al aangegeven verschillen bij de omzettingen van lening in een gift. Ook treden verschillen op bij de normale betalingen voor studenten in het hoger onderwijs, als gevolg van lagere uitgaven aan aanvullende beurs.

Bij de rentedragende leningen wordt het verschil tussen begroting en realisatie 2002 verklaard omdat er meer wordt geleend (zie ook paragraaf 11.2). Alleen al hierdoor zijn de uitgaven ten opzichte van de begroting 2002 € 86,3 miljoen hoger. Op de overige posten van dit artikelonderdeel (studievoortgangscontrole, achterstallig recht, afboekingen op rentedragende leningen en technische bijstelling) is een hogere uitgave van € 25,0 miljoen gerealiseerd.

Ontvangsten

Er is € 1,3 miljoen minder aan relevante ontvangsten (renteloze voorschotten, rente) gerealiseerd.

Het verschil tussen begrote en gerealiseerde niet-relevante ontvangsten in 2002 bedraagt – € 10,4 miljoen, met name doordat de extra aflossingen lager uitvallen.

Tabel 12: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen   330 651347 751333 88813 863
– waarvan garanties   0000
Uitgaven   330 651347 751333 88813 863
Ontvangsten   14 79213 02511 9341 091

De gerealiseerde relevante WTOS-uitgaven 2002 zijn € 13,9 miljoen hoger dan begroot. Tabel 12.6 geeft een uitsplitsing van de meer- of minderuitgaven in 2002 per WTOS-onderdeel. De meeruitgaven zijn vooral het gevolg van prijsbijstelling.

De WTOS-ontvangsten betreffen terugontvangen van teveel of onterecht uitgekeerde tegemoetkoming studiekosten. Deze ontvangsten zijn moeilijk in te schatten. Voor TS17- waren de ontvangsten € 2,8 miljoen meer, voor VO18+ waren de ontvangsten € 1,7 miljoen minder dan voor 2002 begroot.

Tabel 13: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Ontvangsten   370 931388 764375 18513 579

In 2002 is € 13,6 miljoen meer aan lesgeldontvangsten gerealiseerd dan begroot. De realisatie voor het schooljaar 2001–2002 (439 406) laat een stijging van het aantal lesgeldplichtigen zien van 8 744 ten opzichte van het begrote aantal voor dat schooljaar (430 662). Het verschil tussen begroting en realisatie voor het schooljaar 2002–2003 bedraagt + 9 131 (zie ook tabel 13.2).

Het verschil van € 13,6 miljoen meer-ontvangsten aan lesgelden is voor € 8,0 miljoen het gevolg van de hogere aantallen lesgeldplichtigen. Voor € 5,6 miljoen is dit het gevolg van een stijging van het lesgeldbedrag.

Tabel 14: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen  1 854 386493 583374 477498 262– 123 785
– waarvan garanties  68 2703 177111 507263 395– 151 888
Uitgaven  592 318657 166654 014647 3996 615
        
Kunsten  254 418336 666296 995294 5182 477
Podiumkunsten  147 901180 774174 467  
Film  11 50619 47410 489  
Beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving  54 45473 40845 604  
Amateurkunst en kunsteducatie  19 95123 26023 759  
Overige subsidies kunsten  20 60639 75042 676  
        
Letteren en Bibliotheken  43 90043 30039 08925 13613 953
Bibliotheken  26 00027 00029 754  
Letteren  11 50015 0007 854  
Overig  6 4001 3001 481  
        
Fondsen  74 35579 185– 4 830
        
Cultureel erfgoed  285 200271 000237 984239 712– 1 728
Musea  183 500138 400140 159  
Monumentenzorg  94 800113 40077 735  
Archeologie  3 6005 1004 256  
Archieven  2 7003 2003 595  
Erfgoed algemeen  60010 90012 241  
        
Overig  8 8006 2005 5918 848– 3 257
Ontvangsten  2 8004 8004 9702504 720

In bovenstaande tabel zijn de uitgaven van het artikel cultuur weergegeven. De uitgaven zijn naar de sectoren van cultuur ingedeeld. In de begroting 2002 is deze verdeling echter niet gemaakt. Daarom is het verschil alleen op het niveau van artikelonderdeel weer te geven. Een verdeling van de realisaties per operationele doelstelling is niet mogelijk.

In de begroting van 2002 is een andere artikelindeling ingevoerd ten opzichte van de voorgaande jaren. Dit heeft als gevolg gehad dat de cultuurfondsen in een apart artikelonderdeel zijn opgenomen. De uitgaven in de jaren voor 2002 van de fondsen zijn versleuteld in de overige artikelonderdelen.

De realisatie op het beleidsterrein cultuur is € 6,6 miljoen hoger dan de oorspronkelijke begroting. Naast een aantal mutaties, dat tot deze hogere realisatie heeft geleid, hebben er tussen de verschillende artikelonderdelen verschuivingen plaatsgevonden als gevolg van enerzijds het opheffen van het Fonds bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden en anderzijds het oprichten van het Fonds voor podiumprogrammering.

De belangrijkste verhogingen van het budget zijn het gevolg van de jaarlijkse loon- en prijsbijstellingen (€ 22 miljoen). Daarnaast is het budget verhoogd met € 2,2 miljoen als gevolg van hogere renteontvangsten op het ontvangstenartikel musea, met € 2 miljoen als gevolg van bijdragen van andere ministeries in projecten Belvedère, met € 2 miljoen voor de huisvesting van musea en tenslotte met € 1,2 als gevolg van bijdragen van andere directies aan projecten Cultuur en school.

Anderzijds is het budget verlaagd met € 2 miljoen als gevolg van overboekingen op grond van het verdrag van Valetta naar het Provinciefonds (€ 1 miljoen) en het Gemeentefonds (€ 1 miljoen), het terugdraaien van de rondpompoperatie musea van € 7,6 miljoen, het terugboeken van € 1,3 miljoen inzake flankerend beleid Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) en het overboeken binnen het departement van € 5,1 miljoen voor uitvoeringsorganisaties cultuur en inspecties.

Tenslotte heeft er in het kader van de verplichtingenstop een korting op het budget plaatsgevonden van € 3,5 miljoen en is als gevolg van de verplichtingenstop een aantal projecten niet uitgevoerd. Dit heeft geleid tot € 3,9 miljoen minder uitgaven dan geraamd.

Tabel 15: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen  832 972834 425882 964877 6785 286
– waarvan garanties       
Uitgaven  830 642836 127881 344878 1673 177
Ontvangsten  243 245231 335222 155307 935– 85 780
De rijksomroepbijdrage bedraagt   601 786654 404639 09315 311

Het verschil tussen begroting en realisatie van de omroepbijdrage is met name het gevolg van de loon- en prijsbijstelling 2002.

Het verschil van de ontvangsten van € 85,8 miljoen is voornamelijk het gevolg van de uitstel van de verkoop van het NOB van € 70,3 miljoen en lagere gerealiseerde STER- en renteontvangsten van € 15,0 miljoen.

Het verschil van de verplichtingen van € 5,2 miljoen wordt veroorzaakt door:

• lagere STER- en renteontvangsten van € 15,0 miljoen;

• toevoeging van loon- en prijsbijsteling van € 17,4 miljoen;

• uitgaven ter voorkoming van interferentie als gevolg van invoering digitale televisie van € 2,7 miljoen.

Tabel 16: Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen   1 110 122737 162751 683– 14 521
– waarvan garanties   0000
Uitgaven       
1. Onderzoekbestel       
NWO   286 728287 477282 0325 445
KNAW   74 85277 06371 3015 762
Koninklijke Bibliotheek   28 66429 87128 6931 178 
KNAW Bibliotheek   2 1162 1892 11178
LF TUD Bibliotheek   6 3736 5546 361193
IISG   2622622620
SURF   2 2692 2692 2690
CPG   267428266162
NIDI   1 4661 4881 42860
TNO   186 245194 036181 70812 328
BPRC   3 3396 6092 3694 240
Nationaal Herbarium   9981 04101 041
NLR   762762796– 34
Waterloopkundig Laboratorium   1 1901 1901 231– 41
Grondmechanica Delft   713713757– 44
MARIN   803771885– 114
STT   1711771707
WeTeN   2 3842 7472 494253
EMBC   425436454– 18
EMBL   2 3762 4712 541– 70
ESA   32 27530 21430 910– 696
CERN   26 82130 12928 1341 995
ESO   5 4925 4865 491– 5
EG-Liaison   17317413539
NTU/INL   1 0271 6331 028605
EIB   1 0361 0701 02644
Stelselwijziging huisvesting   002 946– 2 946
Nader te verdelen   604142 385– 1 971
Subtotaal onderzoekbestel   669 772687 674660 18327 491
2. Specifieke beleidsthema's       
FES   12 07127 49925 9561 543
Genomics   34 03463 86856 7237 145
Vernieuwingsimpuls   11 3459 07609 076
Economie Ecologie Technologie   9 020010 664– 10 664
COS   46551944871
Verkenningen   10683495– 412
Aspasia   2744314310
Subtotaal specifieke beleidsthema's   67 315101 47694 7176 759
3. Coördinatie en samenwerking       
Coördinatie wetenschapsbeleid   12 7868 5307 1321 398
Nationaal Herbarium   00977– 977
Bilaterale samenwerking   7 2503 9705 435– 1 465
Subtotaal coördinatie/samenwerking   20 03612 50013 544– 1 044
Totaal uitgaven   757 123801 650768 44433 206
Totaal ontvangsten   101 108108 11499 0199 095

De stand ontwerpbegroting 2002 is verhoogd met € 33,2 miljoen. Dit is voor € 32,3 miljoen veroorzaakt door technische begrotingsmutaties, zoals bijstellingen uit de aanvullende posten en desalderingen in het kader van de loonbijstelling 2002. De belangrijkste wijzigingen, anders dan bovengenoemde redenen, zijn:

• verhoging van het budget voor het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) als gevolg van het realiseren van aanpassingen in de voorzieningen voor het primatenonderzoek. De Tweede Kamer is hierover door de minister geïnformeerd per brief van 15 maart 2002 (kenmerk: OWB/NTM/2002/4637);

• overheveling van het huisvestingsbudget naar de Koninklijke Nederlandse Academie vanWetenschappen (KNAW) en de Koninklijke Bibliotheek (KB);

• overboeking van de gelden van de vernieuwingsimpuls vanuit NWO naar het specifieke beleidsthema «vernieuwingsimpuls» op artikel 16.2;

• het niet door het ministerie van Economische Zaken opvragen van het gereserveerde budget voor Economie Ecologie Technologie (EET). Het daarmee vrijvallende budget is mede gebruikt om de uitgestelde betaling aan NWO in het kader van Genomics in één keer te voldoen.

De ontvangsten zijn met € 9,1 miljoen verhoogd door budgetneutrale desalderingen in het kader van de loonbijstelling 2002 voor TNO en projecten van het Fonds Economische Structuurversterking.

Tabel 17: Budgettaire gevolgen artikel 17 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen0,00,00,00,00,0– 384 408384 408
Uitgaven0,00,00,00,00,0– 384 408384 408
– Loonbijstelling0,00,00,00,00,0– 364 971364 971
– Prijsbijstelling0,00,00,00,00,02 553– 2 553
– Nader te verdelen0,00,00,00,00,0– 21 99021 990
– Asielzoekers0,00,00,00,00,00,00,0
Ontvangsten0,00,00,00,00,02 555– 2 555

Dit artikel (17) dient als intermediair totdat de exacte verdeling over de betrokken artikelen bekend is. Op deze artikelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

Tabel 18: Budgettaire gevolgen artikel 18 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    170 072157 28212 790
Uitgaven    164 231157 2826 949
Bestuursdepartement    164 231157 2826 949
Ontvangsten    58156714

Het verschil tussen realisatie en begroting van de verplichtingen op dit artikel bedraagt € 12,8 miljoen. Voor € 6,9 miljoen loopt dat synchroon aan de uitgaven. Daarnaast is er een extra verschil van € 5,8 miljoen dat wordt veroorzaakt door in 2002 aangegane verplichtingen voor:

• € 4,5 miljoen voor kantoorinrichting van de nieuwbouw van OCenW;

• € 1,0 miljoen voor initiële dienstverlening ICT ten behoeve van de nieuwbouw OCenW;

• € 1,4 miljoen voor diverse investeringen voor de nieuwbouw OCenW.

Het verschil tussen realisatie en begroting van de uitgaven op dit artikel bedraagt € 6,9 miljoen. Dit wordt vooral veroorzaakt door:

• een verlaging van € 1,5 miljoen voor de splitsing huisvesting Cfi en bestuursdepartement (zie ook artikel 21);

• een verlaging van € 2,6 miljoen door het onderbrengen van de onderzoeksbudgetten bij de beleidsbudgetten;

• een verhoging van € 2,6 miljoen voor financiering van de lerarencampagne;

• een verhoging van € 4,5 voor de loonbijstelling 2002;

• een aantal mutaties van en naar artikel 17 (Nominaal en onvoorzien) per saldo een verlaging van € 0,7 miljoen;

• een verlaging van € 3,5 miljoen door een kasschuif naar 2003 als gevolg van de vertraging van de verhuizing naar de Hoftoren;

• een verhoging van € 3,6 miljoen door overboeking vanuit de beleidsbudgetten voor de apparaatskosten van de projectdirectie ICT, PION, CEVO, RIA, implementatie vmbo, Belvedère en BEA;

• een verhoging van € 0,4 miljoen ten gunste van het huisvestingsbudget ten gevolge van de aanpassing van de boekwaarde van de kantoorpanden;

• een verhoging van € 0,5 miljoen door terugboeking in de uitsplitsing van de kosten van het bestuursdepartement en Cfi;

• een verhoging van € 0,8 miljoen door de beschikbare VBTB-gelden;

• een verhoging van € 0,3 miljoen als gevolg van de verdeling van de extra middelen voor hoger opgeleiden vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tabel 19: Budgettaire gevolgen artikel 19 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    53 47542 28411 191
Uitgaven    52 39642 28410 112
Inspectie van het Onderwijs    50 59641 6858 911
Inspectie Cultuurbezit    1 8005991 201
Ontvangsten    1600160

De realisatie van de onderwijsinspectie is in 2002 uitgekomen op € 8,9 miljoen. Het betreft de onderstaande aanvullingen:

• € 1,5 miljoen loonbijstelling;

• € 3,2 miljoen voor investeringen in gebouwen/meubilair en de aanpassing van het automatiseringssysteem op de nieuwe werkwijze van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) per 1 januari 2003;

• € 2,2 miljoen voor de uitvoering van het sociaal beleidskader in verband met de reorganisatie van de inspectie;

• € 0,9 miljoen hogere salariskosten waaronder mede de extra kosten voor de afronding van de bestandsopname per 1 januari 2003. De bestandsopname was nodig als nulmeting om de nieuwe toezichtarrangementen onder de WOT te bepalen;

• € 0,9 miljoen voor incidenteel extra werk.

Het verschil tussen realisatie en begroting voor de Inspectie Cultuurbezit is in 2002 € 1,2 miljoen. Dit is veroorzaakt door

• een verhoging van € 0,5 miljoen als gevolg van de ontvlechting van de Rijksarchiefinspectie van de Rijksarchiefdienst;

• een verhoging van € 0,8 miljoen voor het project «Herkomst gezocht».

Tabel 20: Budgettaire gevolgen artikel 20 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen4 2484 9985 5335 7927 2175 7791 438
Uitgaven4 2484 9985 5335 7927 2175 7791 438
Onderwijsraad    3 0352 650385
Raad voor Cultuur    3 1152 409706
Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid    1 067720347
Ontvangsten    000

1998: betreft Onderwijsraad en Raad voor Cultuur

1999 e.v.: betreft Onderwijsraad, Raad voor Cultuur en AWT.

Het totaal aan realisatie voor de drie adviesraden over 2002 is € 1,4 miljoen hoger dan begroot. Belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

• een (structurele) verhoging van € 0,6 miljoen voor de Raad voor Cultuur in verband met een uitbreiding van taken ten gevolge van de evaluatie van de Cultuurnota 2001–2004;

• ten onrechte uitgevoerde dubbele betalingen door de AWT van € 0,2 miljoen aan het eind van 2002 die in 2003 worden gecorrigeerd (maatregelen zijn getroffen om dit voortaan te voorkomen);

• loonbijstelling van € 0,2 miljoen;

• € 0,1 miljoen voor aanpassing vergoeding leden AWT;

• € 0,2 miljoen voor extra werkzaamheden Onderwijsraad voor de Adviescommissie Onderwijs (ACO).

Tabel 21: Budgettaire gevolgen artikel 21 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    202 576149 72352 853
Uitgaven    202 576149 72352 853
Centrale Financiën Instellingen (Cfi)    48 53137 75810 773
Informatie Beheer Groep (IB-Groep),    122 40784 58337 824
CASO    000
Overige uitvoeringsorganisaties    31 63824 6506 988
Onverdeeld    02 732– 2 732
Ontvangsten    671408263

De realisatie over 2002 van de uitvoeringsorganisaties onderwijs is € 52,9 miljoen hoger dan begroot. Het betreft de onderstaande aanvullingen:

• € 4,8 miljoen loonbijstelling;

• € 4,5 miljoen vergoeding van het ministerie van Financiën voor de invoeringskosten van de Wet inkomsten belasting (WIK) bij de IB-Groep;

• € 0,7 miljoen van Domeinen voor het doorberekenen van de huur bij de IB-Groep;

• € 21,1 miljoen van diverse beleidsdirecties voor incidenteel extra werk;

• € 1,5 miljoen van het bestuursdepartement voor huisvesting Cfi;

• € 9,2 miljoen voor de invoeringskosten van het onderwijsnummer;

• € 2,3 miljoen voor kwantitatief informatiebeleid bij Cfi;

• € 3,6 miljoen budgetverhoging van de IB-Groep in verband met het prestatiecontract 2002;

• € 5,9 miljoen voor de hogere uitvoeringskosten sociale zekerheid door de UWV-USZO;

• – € 1,1 miljoen voor tekorten elders op de OCenW-begroting.

Tabel 22: Budgettaire gevolgen artikel 22 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    81 53069 59911 931
Uitgaven    81 53069 59911 931
Cultuurinstellingen    46 52534 15612 369
Rijksarchiefdienst    35 00535 443– 438
Ontvangsten    4 0942443 850

Voor de cultuurinstellingen is de realisatie in 2002 € 12,4 miljoen hoger uitgekomen dan begroot was. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn

• € 0,9 miljoen loonbijstelling;

• € 0,3 miljoen naar de RDMZ voor het Monumentenregister;

• € 1,5 miljoen extra programmakosten als gevolg van het verdrag van Malta;

• € 0,4 miljoen voor apparaatskosten van de uitvoering van de regelingen restauratiesubsidies in de monumentenzorg;

• € 0,7 miljoen voor de reorganisatie ROB;

• € 2,0 miljoen voor financiering van de Gutmann-collectie;

• € 1,1 miljoen voor kosten van de reorganisatie bij ICN en ROB;

• € 3,5 miljoen desaldering van de, door uitgevoerd werk voor derden, hogere ontvangsten onder gelijktijdige verhoging van de uitgaven van de cultuurinstellingen en de RAD.

De realisatie van de Rijksarchiefdienst is in 2002 € 0,4 miljoen lager geweest dan begroot, waarvan € 0,7 miljoen het gevolg is van de ontvlechting van de Rijksarchiefinspectie van de Rijksarchiefdienst (zie ook artikel 19).

Tabel 23: Budgettaire gevolgen artikel 23 (x € 1 000)
 RealisatieVastgestelde begrotingVerschil
 199819992000200120022002 
Verplichtingen    2 4502 36585
Uitgaven    2 4502 36585
Centrale Financiën Instellingen (Cfi)    2 4502 36585
Ontvangsten    000

Het artikel uitvoeringsorganisaties wetenschappen is verhoogd met de loonbijstelling 2002.

2. Misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en regelgeving

De wet- en regelgeving is voor een belangrijk gedeelte van de uitgaven en ontvangsten gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (MenO) door derden. Dit is onvermijdelijk omdat het ministerie gegevens van belanghebbenden moet gebruiken voor het bekostigen van instellingen en het verstrekken van beurzen en dergelijke. Een goed voorlichtings-, controle-, en sanctiebeleid kan de hiermee verbonden risico's sterk verminderen. De MenO-gevoeligheid in alle regelingen is geïnventariseerd en wordt jaarlijks geactualiseerd.

Toch kan in een beperkt deel van de regelingen de MenO-gevoeligheid niet of niet geheel worden weggenomen door een goed voorlichtings-, controle-, en sanctiebeleid. Dit vormt het restant MenO. Hierna zijn deze regelingen weergegeven.

Primair onderwijs

Leerlinggewichten

Het grootste deel van de uitgaven voor het basisonderwijs is MenO-gevoelig. Het belangrijkste, niet afgedekte risico betreft het toekennen van formatie aan basisscholen op grond van leerlinggewichten. Het financiële effect hiervan is ongeveer € 267 miljoen per jaar. Het leerlinggewicht is afhankelijk van de opleiding van de ouders, hun beroep, de gezinsomstandigheden en het land van herkomst. Ook het inkomen kan van invloed zijn. De directeur van de basisschool kent de gewichten toe op basis van de gegevens die de ouders verstrekken. Deze gegevens worden tot nu toe bij de ouders niet geverifieerd. Redenen daarvoor liggen op het vlak van privacy- en doelmatigheidsaspecten. Het niet hebben van een opleiding is bovendien niet controleerbaar.

Cumi-leerlingen

Onder het primair onderwijs vallen ook de speciale scholen voor basisonderwijs. Deze scholen kennen geen leerlinggewichten maar maken wel aanspraak op extra formatie voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond. De hiermee gemoeide uitgave van € 15 miljoen is MenO-gevoelig. Het MenO-risico betreft het toekennen van extra formatie op basis van gegevens van leerlingen en hun ouders zonder dat nog aangetoond hoeft te worden dat deze juist zijn.

Expertisecentra

Scholen die onder de Wet op de expertisecentra vallen maken aanspraak op extra formatie voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond. In 2002 is hiervoor aan extra formatie € 15 miljoen uitgegeven. Het MenO-risico bij deze scholen is voor verreweg het grootste deel weggenomen doordat voorgeschreven is dat de leerlingenadministratie een of meerdere documenten moet bevatten waarmee de juistheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders kan worden aangetoond.

Voortgezet onderwijs

In 2002 kent het voortgezet onderwijs naast scholen voor voortgezet onderwijs (vo) ook scholen voor speciaal voortgezet onderwijs (svo). Dit zijn de vroegere vso-lom en mlk-scholen of afdelingen. Zowel de vo- als de svo-scholen en afdelingen hebben aanspraak op extra formatie om onderwijsachterstanden te bestrijden van leerlingen uit culturele minderheidsgroepen. Voor vo-scholen is hiervoor in 2002 circa € 65 miljoen uitgegeven en voor svo-scholen circa € 7 miljoen. Het MenO-risico wordt bij de scholen voor voortgezet onderwijs aanzienlijk beperkt, doordat de leerlingenadministratie een of meerdere documenten moet bevatten waarmee de juistheid van de gegevens van de leerlingen en hun ouders kan worden aangetoond.

Voor svo-scholen geldt dit voorschrift niet. Zij dienen minimaal te voldoen aan de regelgeving zoals die tot 31 juli 1998 krachtens de interimwet op het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs gold. Op grond van die regelgeving hoeft de school de juistheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders niet aan te tonen. Door de overgang van declaratiebekostiging op lumpsumfinanciering vervalt deze problematiek op termijn.

Tegemoetkoming ziektekosten

In diverse begrotingsartikelen is in totaal circa € 201 miljoen voor de tegemoetkoming van ziektekosten opgenomen. Dit bedrag betreft het departementale personeel en het personeel in het primair onderwijs en een gedeelte van het voortgezet onderwijs. De tegemoetkoming is van diverse factoren afhankelijk, zoals de aanspraken op gelijksoortige regelingen, de aard van de verzekering, de ontvangen uitkering van de partner en de gezinssamenstelling. De aanvrager van de tegemoetkoming verstrekt deze gegevens. Sinds enige jaren is een intensief controle- en sanctiebeleid voorgeschreven. Daarmee is het risico van het betalen van te hoge tegemoetkomingen aanzienlijk beperkt. Het restantrisico bestaat nog voornamelijk bij de tegemoetkoming voor medebelanghebbenden en kinderen.

Hiervoor is in 2002 in totaal circa € 56 miljoen betaald.

Studiefinanciering

Woonsituatie

In het boekjaar 2002 is € 355 miljoen aan uitwonende toelagen verstrekt op grond van de Wet studiefinanciering en voor € 4 miljoen op grond van het onderdeel VO18+ van de Wet tegemoetkoming studiekosten (per 1 augustus 2001 vervangen door de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten). Het is onder beide regelingen voor studerende voordelig om zich als uitwonende op te geven.

De mogelijkheden om de woonomstandigheden van studenten te controleren is beperkt. Het percentage misbruik en oneigenlijk gebruik is hierdoor niet precies te berekenen. De minimale omvang is via steekproefcontroles in eerdere jaren bepaald op ongeveer 0,8%.

Met ingang van het studiejaar 2002/2003 worden de adresgegevens van studenten die voor het eerst vallen onder de Wet studiefinanciering gekoppeld aan de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Deze studenten komen dan alleen nog in aanmerking voor een uitwonendenbeurs als de uitwonendheid kan worden geverifieerd met de GBA. Dit kan het MenO-risico verder terugdringen.

Voor studenten die vallen onder de Wet tegemoetkoming studiekosten onderdeel VO18+ is de GBA-status reeds bepalend voor de woonsituatie. Het restant-MenO wordt voor laatstgenoemde regeling dan ook lager ingeschat.

Inkomen

De hoogte van de toelagen op grond van de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) is vrijwel volledig afhankelijk van het inkomen. Het totaal van de uitgaven voor de verschillende onderdelen bedraagt € 331 miljoen, waarvan € 293 miljoen inkomensafhankelijk is.

Voor de toelage onderdelen WTS18- en Tegemoetkoming lerarenopleiding (TLO) is het inkomen van zowel de aanvrager als diens eventuele partner relevant. Het is moeilijk vast te stellen dat een aanvrager geen partner heeft.

Voor de toelage onderdeel VO18+ is het inkomen van zowel de geregistreerde verzorgende ouder als diens eventuele partner relevant. Het is moeilijk vast te stellen dat een ouder geen partner heeft.

Voor de toelage onderdeel WTS18+ is de hoogte van het inkomen van de aanvrager in de drie maanden voorafgaande aan het studiejaar relevant voor de toekenning. De belastingdienst registreert alleen jaarinkomens. Hierdoor is uitwisseling van inkomens met de belastingdienst niet mogelijk.

In de Wet studiefinanciering doet zich de afhankelijkheid van het inkomen van een eventuele partner ook voor bij studenten die verzoeken om draagkrachtmeting bij het terugbetalen van hun studieschulden.

FINANCIËLE TOELICHTING BIJ DE VERANTWOORDINGSSTAAT VAN DE BATEN-LASTENDIENSTEN

CENTRALE FINANCIËN INSTELLINGEN (CFI)

1. Algemeen

Tabel 1: Balans per 31 december 2002 (voor verwerking resultaat)
 31-12-2002 Balans31-12-2001 Balans
Activa  
Materiële vaste activa  
* Grond en gebouwen73145
* Installaties en inventaris11 0318 440
Voorraden00
Debiteuren3 7081 973
Vooruitbetaalde kosten261210
Liquide middelen3 3099 408
Totaal activa18 38220 176
Passiva  
Eigen vermogen  
* Exploitatiereserve2 5412 306
* Onverdeeld resultaat– 4 884829
Leningen bij het Ministerie van Financiën10 9588 077
Voorzieningen1 9092 795
Crediteuren3 8952 077
Betalingen onderweg150
Vooruit ontvangen bedragen1 5642 467
Nog te betalen2 3841 625
Totaal passiva18 38220 176

2. Toelichting op de individuele balansposten

2.1 Activa

Tabel 2: Gebouwen, installaties en inventaris (x € 1 000)
 Bedrijfsproces-ondersteunende systemen HardwareMeubilairKA en bedrijfssoftwareGebouwTotaal
Historische aanschaf waarde16 4494 2181 7301 33221823 947
Cumulatieve afschrijving10 6892 3399481 3137315 362
Boekwaarde 1/1/025 7601 879782191458 585
Mutaties 2002     
Investeringen3 0763 283561716 433
Afschrijvingen2 3271 32117122733 914
Totaal mutaties 20027491 962– 115– 5– 722 519
Aanschafprijs19 5257 5011 7861 34921930 380
Cumulatieve afschrijvingen13 0163 6601 1191 33514619 276
Boekwaarde 31/12/026 5093 841667147311 104
Afschrijvingstermijn5 jaar3 jaar10 jaar3 jaar3 jaar 

De investeringen in het gebouw zullen overeenkomstig het huurcontract worden afgeschreven in drie jaar.

Tabel 3: Debiteuren (x € 1 000)
Kortlopend 
Kaskorting 99454
Vakantiegeld personeel906
Vorderingen bestuursdepartement1 706
Overige vorderingen642
Totaal3 708

In 1999 is Cfi gevraagd om voor de tekorten in de apparaatskostenbudgetten van het bestuursdepartement een bijdrage te leveren ter grootte van € 1,8 miljoen in de vorm van een kaskorting. Dit bedrag wordt in termijnen van € 0,5 miljoen per jaar terugbetaald door het bestuursdepartement.

De stijging ten opzichte van 2001 wordt veroorzaakt door een vordering op het bestuursdepartement voor het project Service Gericht uitvoeren ad € 1,7 miljoen.

Vooruitbetaalde kosten

Betreft voornamelijk een vooruitbetaling voor kosten voor cursussen en opleidingen personeel.

Liquide middelen

Dit is het saldo van de rekening-courant ad € 3,3 miljoen bij de Rijkshoofdboekhouding en het saldo van de kas (inclusief waardebonnen). De mutatie in liquide middelen ten opzichte van 2001 wordt onder andere veroorzaakt door de openstaande vordering op het bestuursdepartement.

2.2 Passiva

Tabel 4: Exploitatiebuffer (x € 1 000)
Stand 01-01-20022 306
Onverdeeld resultaat 2001829
Afdracht bestuursdepartement– 594
Stand 31-12-20022 541

Exploitatiereserve

Aan de exploitatiereserve is het onverdeelde resultaat 2001 toegevoegd, onder aftrek van de voorgeschreven afdracht aan het bestuursdepartement.

Tabel 5: Vreemd vermogen
Stand 31-12-20018 077
Beroep op de leenfaciliteit5 800
Aflossing op vreemd vermogen– 2 919
Totaal10 958

De aflossingen op de leningen zijn lineair.

Tabel 6: Specificatie vreemd vermogen (x € 1 000)
Saldo overzicht per 31-12-2002
BegindatumEinddatumResterende looptijdHoofdsom Openstaand begin jaarOpenstaand einde jaar
31-12-199931-12-20042,006 4862 2691 134
15-12-200017-11-20030,881 089726363
15-12-200015-11-20041,882 5411 9061 271
03-12-200103-12-20041,921 1351 134756
03-12-200104-12-20063,932 0422 0421 634
01-08-200201-08-20052,583 00003 000
01-08-200201-08-20074,588000800
16-12-200217-12-20074,96200002000
Totaal  19 0938 07710 958

Tabel 7: Voorzieningen (x € 1 000)
 1-1-2002OnttrekkingenDotaties31-12-2002
Flankerend beleid/wachtgeld2 235– 1 2038771 909
Voorziening reorganisatie560– 560 
Stand 31-12-20022 795– 1 7638771 909

De voorzieningen flankerend beleid en wachtgelden zijn overeenkomstig de richtlijnen een nominale vertegenwoordiging van het wachtgeldrisico. De kortlopende voorziening voor reorganisatiekosten uit 2001 is aangewend voor bijhorende kosten in het boekjaar.

Tabel 8: Crediteuren (x € 1 000)
Personeel1 151
Overige crediteuren2 744
Totaal 20023 895

Het betreft voornamelijk externe dienstverleners. Hiernaast is een technische post opgenomen van € 1,2 miljoen voor vakantiegeld en IRZK (personele kosten).

Tabel 9: Vooruit ontvangen bedragen (x € 1 000)
Wachtgelden voortgezet onderwijs187
Project invoering onderwijsnummer 200268
Leerlinggebonden financiering 20021 309
Totaal 20021 564

Het betreft hier middelen, die zijn ontvangen in het boekjaar 2002, maar waarvoor nog geen prestatie is verricht. Op het moment dat de prestatie is verricht worden de ontvangsten geboekt als baten.

Nog te betalen

Het betreft kosten waarvoor nog geen factuur is ontvangen.

Tabel 10: Rekening van baten lasten 2002 (x € 1 000)
 (1)(2)(3) = (2)-(1)
 Vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
Baten   
Opbrengst moederdepartement37 64554 15916 514
Opbrengst overige departementen 
Opbrengst derden1 3541 40248
Bijzondere baten 600600
Rente136124– 12
Totaal baten39 13556 28517 150
Lasten   
Apparaatskosten   
* personele kosten26 90035 4868 586
* materiële kosten7 51519 36611 851
Afschrijvingen3 6473 914267
Rentekosten619454– 165
Dotaties voorzieningen454877423
Bijzondere lasten1 0721 072
Totaal lasten39 13561 16922 034
Saldo van baten en lasten0– 4 884– 4 884

De afwijking tussen de stand in de oorspronkelijke begroting 2001 en de gerealiseerde baten wordt veroorzaakt door drie categorieën mutaties:

• technische mutaties;

• mutaties in de orderportefeuille van Cfi;

• bijdragen in de kosten van majeure implementatie projecten.

De stijging van baten ten opzichte van de begroting komt overeen met de gegroeide orderportefeuille van Cfi. Additioneel werk als onderwijsnummer, kwantitatief informatie beleid, service gericht uitvoeren en diverse kleinere trajecten verklaren de afwijking van 44% van de begrote baten.

3. Toelichting op de individuele posten uit de rekening van baten en lasten

3.1 Baten

Tabel 11: Opbrengst bestuursdepartement (x € 1 000)
Oorspronkelijke begroting boekjaar37 645
– technische mutaties5 096
– mutaties in orderportefeuille32
– bijdrage in majeure implementatie projecten8 756
– vordering op bestuursdepartement1 706
– extra ontvangst bestuursdepartement91
Vooruitontvangen 20012 397
Vooruitontvangen 2002– 1 564
Realisatie 200254 159

Het agentschap Cfi voert een financiële administratie op basis van het baten en lastenstelsel, het bestuursdepartement daarentegen voert een administratie op basis van het kasstelsel. Door deze andere uitgangspositie verschilt het totaal van de baten in 2001 van de uitgaven aan Cfi in de apparaatskostenbegroting van het ministerie OCenW. Het verschil tussen de baten van Cfi en de uitgaven van het bestuursdepartement is te herleiden tot technische mutaties, ontvangsten die voor Cfi geen baten zijn, de kaskorting en baten waarvoor geldt dat het realisatiemoment van onderliggende kosten niet overeenkomt met de periode waarin de baten zijn/worden ontvangen.

Tabel 12: Aansluiting OCenW – Cfi (x € 1 000)
Baten bestuursdepartement54 159
– kaskorting454
– ontvangsten bestuursdepartement direct geboekt– 91
– afdracht bestuursdepartement– 1 002
– vordering bestuursdepartement– 1 706
– mutaties matching kosten met baten– 833
Kasstroom OCenW50 981
Tabel 13: Bijzondere baten (x € 1 000)
Bestuursdepartement109
Saldo nog te betalen 2001127
Overige bijzondere baten364
Totaal bijzondere baten600

3.2 Lasten

Personele lasten

De personele lasten zijn fors hoger dan de begroting. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door benodigde inhuur van ICT-capaciteit voor systeemaanpassingen als gevolg van veranderde wet en regelgeving.

Materiële lasten

Tabel 14: Materiële lasten (x € 1 000)
Externen7 475
Automatisering7 720
Overige materiële lasten4 171
Totaal materiële lasten19 366

De materiële lasten zijn fors hoger dan de begroting (€ 11,8 miljoen). Deze afwijking wordt veroorzaakt door benodigde inhuur van externen samenhangend met additionele projectopdrachten en de gevolgen van een migratietraject van de infrastructuur en het overgehevelde huurkosten-budget met bijhorende kosten.

Bijzondere lasten

Tabel 15: Bijzondere lasten (x € 1 000)
Navordering dienstverlening infrastructuur 2001267
CASO149
Overige bijzondere lasten656
Totaal bijzondere lasten1 072

Het hoge saldo overige bijzondere lasten moet worden gezien in samenhang met het hoge saldo overige bijzonder baten. Deze posten geven inzicht in de problemen die uit de afwikkeling van de post nog te betalen 2001 zijn voortgekomen.

Dotaties voorzieningen

Tabel 16: Dotaties voorzieningen (x € 1 000)
Flankerend beleid/wachtgeld877
Voorziening reorganisatie 
Overige voorzieningen 
Totaal dotatie voorzieningen877

Verklaring negatief exploitatiesaldo

Het negatieve exploitatiesaldo ad € 4,9 miljoen wordt grotendeels verklaard door drie posten:

• Eind 2001 is besloten tot een project met als doel de migratie van Windows 95 naar Windows XP. Hiernaast is gestart met de fysieke ontkoppeling van het netwerk van het bestuursdepartement. Dit project heeft aanzienlijke investeringen en verhoogde uitgaven tot gevolg gehad. In het managementcontract dat Cfi heeft gesloten met de eigenaar, werd rekening gehouden met een negatief resultaat van € 1,5 miljoen als gevolg van dit project.

• Kosten ten behoeve van kwantitatief informatiebeleid.

• Projectkosten voor de voorbereiding van de aanstaande verhuizing van het bestuursdepartement naar de Hoftoren.

Afwikkeling negatief exploitatieresultaat 2002

Conform afspraken met de opdrachtgever zal het negatieve exploitatiesaldo worden gedekt uit de exploitatiebuffer.

Het tekort (€ 4,9 miljoen) wordt in mindering gebracht van de exploitatiereserve. Na aftrek resteert een exploitatiereserve van – € 2,3 miljoen Conform de geldende bepalingen zal OCenW zorgdragen voor een dotatie ter grootte van het negatieve eigen vermogen.

Tabel 17: Afwikkeling negatief exploitatieresultaat (x € 1 000)
Omzet 200046 725 
Omzet 200157 261 
Omzet 200255 561 
Gemiddelde omzet 53 182
Maximale exploitatiebuffer (5%) 2 659
Exploitatiereserve2 541 
Negatief exploitatiesaldo– 4 884 
Saldo – 2 343
Tabel 18: Rekening van kapitaalsontvangsten en kapitaalsuitgaven (x € 1 000)
 (1)(2)(3) = (2)–(1)
 Vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
Totale baten39 13556 28517 150
Totale lasten39 13561 16922 034
Saldo van baten en lasten– 4 884– 4 884
Totaal kapitaalsontvangsten3 6475 8002 153
Totaal kapitaalsuitgaven7 6009 9462 346

Kapitaalontvangsten

Tabel 19: Kasstroomoverzicht 2002 (x € 1 000)
  (1)(2)(3) = (2)-(1)
  Vastgestelde begrotingRealisatieVerschil
1.Rekening courant RHB 1-1-20026 7949 4082 614
2a.Saldo van baten en lasten – 1 934 
2b.Gecorrigeerd voor afschrijvingen 3 914 
2c.Gecorrigeerd voor mutaties voorzieningen – 886 
2d.Gecorrigeerd voor mutaties in werkkapitaal – 3 047 
2.Totale operationele kasstroom3 194– 1 953– 5 271
3a. -/-Totaal investeringen– 3 630– 6 433– 2 803
3b. +/+Totaal boekwaarde desinvesteringen   
3.Totaal investeringskasstroom– 3 630– 6 433– 2 803
4a. -/-Eenmalige uitkering aan bestuursdepartement – 594– 594
4b. +/+Eenmalige storting aan bestuursdepartement   
4c. -/-Aflossingen op leningen– 4 129– 2 9191 210
4d. +/+Beroep op leenfaciliteit3 6305 8002 170
4.Totaal financieringskasstroom– 4992 2872 786
5.Rekening courant RHB 31–12–20025 8593 309– 2 674

Toelichting kasstroomoverzicht

De mutatie in de liquide middelen wordt voornamelijk veroorzaakt door de mutatie in het werkkapitaal. De mutatie wordt veroorzaakt door de forse stijging van de post debiteuren (vordering op het bestuursdepartement) en het negatieve exploitatiesaldo.

Tabel 20: Overzicht meerjarige vermogensontwikkeling over de jaren van een baten-lastendienst (x € 1 000)
 t-4t-3t-2t-1t (begroting)t (realisatie)
1. Eigen vermogen per 1–1-200210 6227 4627 3442 3062 3003 135
2. Saldo van baten en lasten– 3 039– 6331 936829 – 4 884
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen– 122– 530– 6 974– 594  
3a. Uitkering aan moederdepartement– 122 – 6 974  – 594
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen 523    
3c. Overige mutaties in eigen vermogen – 7    
4. Eigen vermogen per 31-12-2002 (1+2+3)7 4627 3442 3062 5412 300– 2 343

Kwaliteit van productcategorieën

Toelichting op indicatoren

Tabel 21: Kengetallen over volumes agentschapproducten
AgentschapproductenPrognose 2001Realisatie 2001Prognose 2002Realisatie 2002
Uitvoeringstoetsen302033019
Implementatie majeure wetgevingsprojecten3334
Onderwijsvoorzieningen aanbod1 6001 4831 6001 702
Bekostigingsaanvragen120 000201 848120 000120 327
Verantwoordingsdocumenten10 50011 62010 5009 506
Instroomtoetsen2 7002 1422 7002008
Verweerschriften1 6006311 600357
Telefoongesprekken75 00058 82575 00059 031
Correspondentie9 0006 1019 0005 494
Informatieleveringen600873600470

Toelichting

Bovenstaande indicatoren zijn voor het eerst in 2000 opgenomen in de begroting. De daarbij behorende output per product was gebaseerd op ervaringscijfers en metingen van soortgelijke productcategorieën.

Uitvoeringstoetsen

Het aanzienlijke verschil met 2001 wordt veroorzaakt door een zuiverder registratie (exclusief parafen).

Instroomtoetsen

De realisatie wijkt af van de prognose maar komt overeen met de realisatie 2001. De daling wordt verklaard door de krapte op de arbeidsmarkt, het betreft ontslagaanvragen.

Verweerschriften

Het volume verweerschriften is minder dan gepland. Het lage aantal verweerschriften wordt veroorzaakt door procesverbeteringen binnen CFI.

Telefoongesprekken

Het aantal telefoongesprekken is na jaren van daling door het gebruik van e-mail, en het verkrijgen van informatie van de vernieuwde internetsite «Cfi online» gestabiliseerd.

Correspondentie

Het aantal stuks correspondentie is afgenomen, maar daar staat tegenover dat Cfi steeds vaker benaderd wordt via de e-mail (3529 e-mails in 2001, 2976 e-mails in 2000).

Informatieleveringen

Het betreft thans alleen de leveringen die Cfi conform vooraf vastgestelde protocollen levert aan de afzonderlijke beleidsdirecties van OCenW en derden als inspectie en het CBS.

RIJKSARCHIEFDIENST (RAD)

1. Inleiding

1.1 Organisatorische veranderingen binnen de Rijksarchiefdienst

De Rijksarchiefdienst (RAD) is fundamenteel aan het veranderen. In 1999 is er gestart met een traject van bestuurlijke vernieuwing. De 12 rijksarchieven in de provincie fuseren met gemeentearchieven en andere erfgoedinstellingen tot Regionale Historische Centra (RHC's). Ze gaan zelfstandig, in het kader van de Wet gemeenschappelijke regelingen, verder als openbaar lichaam. In 2002 zijn het rijksarchief Gelderland en Friesland gefuseerd, waardoor het totaal aantal RHC's op 6 uitkomt. In 2003/begin 2004 zal naar verwachting de verzelfstandiging van 4 rijksarchieven plaatsvinden. Binnenkort start er een onderzoek naar de positie en rechtsvorm van de twee niet fuserende archiefinstellingen binnen de RAD, namelijk het Nationaal Archief en het rijksarchief in Drenthe.

De Rijksarchiefdienst functioneert als een «holding». Alle inhoudelijke activiteiten vinden plaats binnen de rijksarchieven in de provincie, het Nationaal Archief en de RHC's. Het beleidsbureau van de RAD zal in 2003 integreren met het Nationaal Archief. Vandaar uit worden vooralsnog de «landelijke» taken verricht, zijnde: het begeleiden van de fusietrajecten, onderlinge coördinatie en de financiële en beleidsmatige planning- en control van de rijksarchieven en de RHC's.

Naar verwachting zal de volledige transformatie van de RAD doorlopen tot 2003/2004. In 2002 hebben de navolgende veranderingen plaatsgevonden:

• Fusies van 2 rijksarchieven, voorbereiding voor 4 andere;

• De start van het Nationaal Archief;

• De sluiting van het hulpdepot in Schaarsbergen als depot voor de RAD;

• Implementatie financiële sturing op basis van VBTB.

1.1.1 Fusies archieven

Door de rijksarchieven in de provincie te laten fuseren met andere culturele erfgoed instellingen ontstaan Regionale Historische Centra. Vanuit een bredere collectie, en door hun grotere schaal, kunnen zij meer slagkracht ontwikkelen om een breder publiek van dienst zijn. Begin september 2002 zijn zowel het vijfde en zesde RHC van start gegaan: na het Utrechts en Zeeuws archief (resp. in 1998 en 2000), het Historisch Centrum Overijssel (2000) en de Groninger Archieven (2001) is op 1 september Tresoar van start gegaan. Tresoar is ontstaan uit een fusie van het rijksarchief Friesland met de provinciale bibliotheek en het FLMD (Fries Letterkundig Museum en Documentatie Centrum). Op 6 september is het Gelders Archief gestart. Het rijksarchief Gelderland is gefuseerd met de gemeente archieven in Arnhem, Renkum, Rozendaal en Rheden.

In 2003 worden de volgende fusies verwacht: Flevoland (fusie met 12 andere erfgoed instellingen in die provincie), Noord-Brabant (samenwerking met streekarchieven) en Limburg (fusie met gemeente archief Maastricht en het Sociaal Historisch Centrum). In Noord-Holland (fusie met de archiefdienst voor Kennemerland) is forse vertraging opgetreden. Verwacht wordt dat de fusie in het 1e halfjaar van 2004 kan plaatsvinden.

1.1.2 Start van het Nationaal Archief

Op 4 juni 2002 is het Nationaal Archief van start gegaan. Het Nationaal Archief (ontstaan uit het Algemeen Rijksarchief) wordt een centrum van historische informatie en ontwikkelt zich onder meer tot een kenniscentrum op het gebied van conservering en restauratie (van archieven) en digitale duurzaamheid. De start van het Nationaal Archief liep parallel met de viering van het 200 jarig jubileum van het archiefwezen. Door de lancering van een nieuwe website, vele publieksactiviteiten en symposia heeft het Nationaal Archief zich aan het publiek en het archiefveld gepresenteerd.

1.1.3 Hulpdepot in Schaarsbergen

Per 1 januari 2003 is het hulpdepot in Schaarsbergen gesloten voor eigen gebruik. De afgelopen jaren is er voldoende kwalitatieve depotruimte gebouwd bij rijksarchieven en RHC's. Er is geen noodzaak meer om de opslagcapaciteit te behouden. Daarnaast voldoet het hulpdepot niet aan de klimatologische eisen die in de archiefwet worden gesteld aan archiefbewaarplaatsen. Investeren daarin is niet rendabel gebleken.

De RAD blijft wel hoofdhuurder van het hulpdepot. De afgelopen jaren is in samenwerking met de Rgd (Rijksgebouwendienst) intensief gezocht naar een organisatie/bedrijf die geheel of grotendeels het huurcontract dat de RAD met de Rgd heeft wilde overnemen. Dit is niet gelukt. Potentiële huurders zijn afgehaakt door de hoge huur- en exploitatiekosten van het gebouw. De RAD heeft besloten om het gebouw in onderhuur te geven aan een commercieel bedrijf, zodat totale leegstand wordt voorkomen en enige baten binnenkomen. Helaas is het niet gelukt om een kostprijsdekkend contract af te sluiten.

1.1.4 Financiering RHC's, Rijksarchieven – vormgeving planning- en control cyclus

De financieringswijze en de hoogte van de rijksbijdragen aan een RHC zijn vastgelegd in de gemeenschappelijke regeling die voor elk RHC afzonderlijk is opgesteld. De rijksbijdragen werden in 2002 uit het RAD-budget gefinancierd.

De gemeenschappelijke regelingen bevatten tevens richtlijnen voor de planning- en control cyclus en het financieel beheer binnen RHC's. Aan de hand van resultaatafspraken (die voor 4 jaar worden gemaakt, parallel aan de cultuurnotaperiode) worden outputgerichte begrotingen en verantwoordingen opgesteld. Vanuit het Rijk zijn hiervoor modellen aangereikt die zoveel mogelijk in lijn zijn gebracht met de VBTB uitgangspunten.

Voor de resterende rijksarchieven en het Nationaal Archief geldt een gelijke systematiek. Financiering van Rijksarchieven en het Nationaal Archief vindt plaats via een lumpsum. Deze financieringssystematiek, welke begin 2000 is ingevoerd, is een uitstekend instrument gebleken om de financiën in de Rijksarchieven te kunnen beheersen, en om het resultaatgericht werken te bevorderen. De systematiek is in 2002 verder doorontwikkeld; bij het Nationaal archief en een aantal rijksarchieven is de VBTB-systematiek geheel ingevoerd

In 2002 is, ter ondersteuning van het financiële beheer, de administratieve organisatie van het Nationaal Archief geheel opnieuw beschreven. Door de omvorming van het Algemeen Rijksarchief in Nationaal Archief, en door de implementatie van de VBTB-systematiek zijn vrijwel alle personele en financiële processen aangepast. De beschrijvingen zijn in januari 2003 gereed gekomen.

Financieel resultaat

De RAD heeft 2002 afgesloten met een positief resultaat van € 334 000. Dit resultaat is voornamelijk het gevolg van de verplichte vrijval van het overbruggingsfonds taakstelling 1998 per 31-12-2002 van € 625 000. Zonder deze vrijval zou er sprake zijn van een exploitatietekort van € 291 000. Dit resultaat past op zichzelf binnen de financiële kaders die de RAD zich voor 2002 had gesteld.

Het tekort van het Nationaal Archief is uitgekomen op € 310 000. Door scherpe prioritering, in een aantal gevallen door temporisering, en door aanwending van incidentele middelen, zoals bestemmingsreserves en voorzieningen, is voorkomen dat het tekort verder is opgelopen. Dat het Nationaal archief meer heeft uitgegeven dan beschikbaar is heeft voornamelijk te maken met de opbouw van het Nationaal Archief die in 2002 is gestart.

De besteding van subsidie- en programmagelden is in 2002 beter gelopen dan in 2001. Hoewel op een enkel gebied bij het Nationaal Archief (Pivot/Opbouw kenniscentrum conservering) de activiteiten nog achterblijven bij de planning, zijn de meeste fondsen binnen de RAD conform planning uitgeput. Zo is de realisering van het behoudsplan 2000–2004 in vrijwel alle rijksarchieven halverwege, en zijn de programmagelden uit 2000 en 2001 inzake digitalisering besteed aan de realisatie van de «virtuele studiezaal».

Het project «Woonomgeving» zal in het eerste halfjaar van 2003 worden afgerond. Via internet zijn dan de kadastrale en andere informatie voor elk adres in Nederland in te zien. Ook het Tanap project (internationaal project inzake de Verenigde Oostindische Compagnie-archieven) is in 2002 in een afrondende fase gekomen. Om het een vervolg te kunnen geven is inmiddels een subsidieverzoek ingediend bij de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)/Homogene groep internationale samenwerking (HGIS).

Tabel 1: Rekening RAD (bedrag x € 1 000)
 Begroting 2002Realisatie 2002Verschil
Baten32 85241 2588 406
Lasten32 85240 9248 072
Saldo0334334
    
Kapitaal ontvangsten02 0182 018
Kapitaal uitgaven5152 7822 267

Hieronder volgt een nadere analyse van het resultaat:

• Het Nationaal Archief heeft een negatief resultaat geboekt van ongeveer € 310 000. Dit bedrag wordt gedekt door bestemmingsreserves die in 2001 zijn gevormd voor de website, het project digitale toegangen en de festiviteiten voor het 200 jarig archiefwezen. (Zie paragraaf 4.1).

• De bestedingen van het Nationaal Archief in 2002 richtten zich vooral op de volgende speerpunten: het realiseren van producten op digitaal gebied, digitale toegangen, een nieuwe website, archievenoverzicht op internet en onderzoek met betrekking tot digitale duurzaamheid. Verder is er fors geïnvesteerd in presentatie en communicatie, met name rond de lancering van het Nationaal Archief en de viering 200 jaar openbaar archiefwezen. De (langdurig) openstaande vacatures op managementniveau zijn ingevuld en de afdeling bedrijfsvoering is met behulp van een aantal interim managers verder gestructureerd en geprofessionaliseerd.

• De acht rijksarchieven (excl. NA) die in 2002 geheel of gedeeltelijk onderdeel waren van de RAD, hebben gezamenlijk een positief resultaat behaald van € 22 000.

• Op concernniveau zijn de meevallers in evenwicht met de tegenvallers: de meevallende rentebaten (worden altijd behoedzaam begroot) dekken de tegenvallende kosten bij het hulpdepot Schaarsbergen. In verband met de sluiting is daar, ten laste van de exploitatie, een voorziening voor reorganisatiekosten getroffen. Per 31-12-2002 is, zoals reeds vermeld, het overbruggingsfonds taakstelling 1998 ad € 625 000 vrijgevallen.

1.3 Financiële positie RAD

De Rijksarchiefdienst is 2002 gestart met een eigen vermogen van € 1,1 miljoen, waarvan € 455 000 in bestemmingsreserves. Door het resultaat zal het eigen vermogen toenemen tot ongeveer € 1 421 000.

De richtlijnen van het ministerie van Financiën inzake het eigen vermogen geven aan dat het eigen vermogen maximaal 5% mag bedragen van de omzet. De RAD heeft een eigen vermogen van 4,1% ten opzichte van de structurele bijdrage van OCenW, en 3,4% ten opzichte van de omzet.

Er is sprake van druk op de RAD begroting, onder andere door: de 2e tranche van de taakstelling uit het regeerakkoord 1998 (die nog niet geheel is ingevuld), de nieuwe taakstelling uit het strategisch akkoord 2002, de verdere opbouw van het Nationaal Archief, de afronding van het fusie traject en de beheerskosten van de digitale producten en achterblijvende prijscompensatie.

1.4 Verantwoording 2002

De rijksarchieven in de provincie en de RHC's stellen jaarlijks elk afzonderlijk een jaarrekening op, waarin specifiek wordt ingegaan op de behaalde resultaten, bestede middelen in relatie met hun prestatie indicatoren en kengetallen. In deze jaarrekening worden deze afzonderlijke verantwoordingen niet (in geconsolideerde vorm) weergegeven. De reden hiervoor is tweeledig:

• Enerzijds zijn de resultaten en kengetallen slecht vergelijkbaar. De rijksarchieven en RHC's hebben een grote mate van eigen identiteit en verschillen sterk in omvang en organisatie en collectie. Er zijn en ontstaan RHC's met een bredere collectie dan alleen archieven. Bibliotheken, letterkundige instituten, historische musea en documentatiecentra zijn in een aantal regio's de fusiepartners.

• Een RHC legt primair verantwoording af aan het bestuur. In de gemeenschappelijke regeling zijn hiervoor tijdspaden vastgelegd, ongelijk aan de jaarcyclus van het rijk. Bovendien heeft de verantwoording betrekking op het totaal van de bijdragen. Bij de meeste RHC's betreft de rijksbijdrage ongeveer de helft van de totale bijdragen van alle partners.

In 2004 zal het fusietraject zijn afgerond. Het Nationaal Archief zal dan als enige instelling geheel gefinancierd worden met rijksbijdragen (behoudens de eigen inkomsten en subsidies), en organisatorisch in het agentschap zitten. Om die reden is er voor gekozen om reeds in deze verantwoording specifieker in te gaan op de resultaten, bestedingen en prestatiegegevens van het Nationaal Archief.

2. Bestedingen RAD 2002

2.1 Budgetten van de rijksarchieven en RHC's

In 2002 is aan de rijksarchieven in de provincie en de RHC's een budget beschikbaar gesteld van € 21,0 miljoen. Dit bedrag kan gesplitst worden in de bijdragen aan de RHC's (€ 9,3 miljoen) en de rijksarchieven (€ 11,7 miljoen). In deze budgetten zijn de geoormerkte huurbudgetten en de programmagelden verwerkt.

Tabel 2: Budgetten (bedrag x € 1 000)
 Begroting 2002Beschikbaar budget 2002Realisatie 2002Budget resultaatBeschikbaar budget 2001
Baten     
Bijdrage moederdepartement OCenW31 94534 51134 511023 114
Bijzondere baten (vrijval voorzieningen) 18535– 1501 898
Rente006565140
Baten (excl. baten archieven)31 94534 69634 611– 8525 152
Aansluiting met tabel 5:     
Eigen baten in archieven908 1 417  
Bijz.baten/vrijval/subsidies/rente  5 231  
 32 85334 69641 2576 561 
Exploitatie saldi begrotingsonderdelen Uitgedeeld budget 2002Besteed budget 2002Budget resultaat Saldo 2002Besteding budget 2001
Kredieten Rijksarchieven (incl. programmageld)     
Friesland (tot 1 september 2002)1 1001 0301 058– 281 198
Drenthe9571 2651 268– 31 081
Gelderland (Gelders Archief per 6 sept.)1 1591 8281 829– 11 335
Flevoland24637435519248
Noord-Holland1 1341 8961 923– 271 213
Noord-Brabant1 1502 2862 27791 271
Limburg1 1933 0833 031521 388
Gezamenlijk huurbudget RA's4 253    
Totaal budget11 19211 76211 741217 734
      
Rijksbijdragen aan RHC's     
Groninger Archieven1 3022 4532 45301 494
Tresoar (RHC Friesland), vanaf 1 sept. 514514  
Utrechts Archief1 1091 7871 78701 177
Zeeuws Archief1 1782 8932 89301 279
Historisch Centrum Overijssel1 0921 6041 60401 191
Gezamenlijk huurbudget RHC's34 850    
totaal8 1669 2519 25105 141
      
Budget NA en overige RAD     
Nationaal Archief (incl. huurbudget)9 4979 92510 236– 3117 514
Programmageld NA 7487480 
Beleidsbureau95390590321 663
Schaarsbergen385450453– 3 
Totaal budget10 83512 02812 340– 3129 177
      
Besteding baten/subsidies archieven908 6 021– 5 936 
      
Landelijke projecten    1 963
Fusietraject771687690– 3 
Mobiliteitsfonds/P-kosten 113136– 23 
Concern; onderzoeken, trainingen enz46538629294 
Overig (w.o. ICT)2531304189183
Overbruggingsfonds taakstelling 98263339411– 72 
Geoormerkte gelden1 7521 6551 570852 146
Totaal lasten(excl. cursief)32 85334 69634 902– 20624 198
Saldo van baten en lasten00334334954

De budgetten verschillen per archief sterk. In een aantal gevallen heeft dit te maken met de omvang (bijvoorbeeld: Nationaal Archief en Flevoland). Bij de meeste archiefinstellingen komt het verschil door de wijze van huisvesting.

Op het uitgedeelde budget hebben de rijksarchieven € 21 000 resultaat geboekt. Het resultaat wordt afgeboekt of bijgeboekt bij het eigen vermogen van de afzonderlijke rijksarchieven. Op de rijksbijdragen van de regionale historische centra (RHC's) vindt geen verrekening plaats; exploitatie saldi worden toegevoegd aan de algemene en bestemmingsreserves.

Programmagelden

Er wordt een bedrag van € 33,0 miljoen aan budget uitgekeerd aan de archieven en RHC's. Daarin is opgenomen een bedrag van bijna € 1,1 miljoen als geoormerkt programmageld.

Dit bestaat uit:

• Behoudsgelden: Voor de cultuurperiode 2001-2004 is jaarlijks € 1,0 miljoen beschikbaar voor behoudsactiviteiten. Het budget is verdeeld over de rijksarchieven in de provincie (€ 170 000), de RHC's (€ 290 000) en het Nationaal Archief (€ 355 000) op basis van de omvang van hun collectie. De besteding vindt plaats aan de hand van vooraf geformuleerde doelen, beschreven in behoudsplannen. Het Nationaal Archief ontvangt uit de miljoen tevens een bedrag van € 182 000 voor de opbouw van een kenniscentrum voor behoud en conservering.

• Referentiedepot: Hiervoor is een bedrag van € 83 000 beschikbaar. Het betreft een 10 jarig onderzoek, waarin de effecten van luchtzuivering worden gemeten op het behoud van archiefbescheiden. Het onderzoek is in het 8e jaar.

• Pivot (project verkorting overbrengingstermijn): Binnen Pivot wordt de overdracht van de moderne archieven van de rijksoverheid naar de Rijksarchiefdienst geregeld. In 2001 is het vervolg traject Pivot opgestart. Er moeten nog overdrachten van archieven tot 1975 worden voorbereid van een 10-tal departementen en tientallen ZBO's. Voor de financiering is eind 2001 eenmalig € 1,2 miljoen beschikbaar gekomen, hetgeen ultimo 2002 voor € 350 000 is uitgeput. Met het nog beschikbare budget kunnen in 2003 alle RIO's en BSD's worden afgerond, in 2002 zijn alle voorbereidingen daarvoor getroffen.

• Tsjechië: Het Nationaal Archief heeft noodhulp geboden aan Tjechië inzake de watersnoodramp die daar in het najaar 2002 heeft plaatsgevonden. Er is € 80 000 beschikbaar gesteld en besteed aan (diepvries) apparatuur om de verdronken archieven voor verder verval te behoeden.

• Kleur van Nederland/woonomgeving: In 2000 is een bedrag van ruim € 1,6 miljoen beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van een systeem (toegankelijk via internet) waarin de kadastrale kaarten in zijn gedigitaliseerd. Uit het projectbudget zijn tevens pilots gefinancierd, die zich richten op het presenteren van informatie over de woonomgeving. Medio 2003 zal het project zijn afgerond. Voor de afronding en voor 3 jaar beheer is nog totaal € 630 000 beschikbaar.

2.2 Budget Nationaal Archief

Nationaal Archief

Het Nationaal Archief heeft een budget van € 11,0 miljoen ontvangen (ongeveer 30% van het totale RAD budget). Op dit budget heeft het Nationaal Archief een tekort van € 311 000 gerealiseerd. Het Nationaal Archief heeft haar begroting op basis van VBTB- en kostprijs systematiek gestructureerd en toegerekend naar output categorieën. Alle afzonderlijke activiteiten en projecten zijn gegroepeerd in 7 output gebieden. Dit is in tabel 3 vormgegeven.

Tabel 3: Output/Resultaatgebieden NA (bedrag x € 1 000)
 Kosten 2001Subsidies en prog. geldenGefinancierd uit lumpsum Kosten 2002Subsidies en prog. geldenGefinancierd uit lumpsum 
De collectie blijft in goede staat        
Bewaren collectie7231725518,6%2 87172 86427,0%
Behoud6911795118,0%5993712282,1%
Digitale duurzaamheid  00,0%221821391,3%
         
De collectie is op orde5305308,3%53635325,0%
         
De collectie is volledig1 05413691814,3%958718878,3%
         
Voldoen aan publieksvraag        
Studiezaal1 322671 25519,6%2 0561131 94318,3%
Inlichtingen39513946,1%1 069231 0459,8%
Educatie570575138,0%22842252,1%
         
Virtuele studiezaal3951072884,5%1 5631291 43413,5%
         
Kenniscentrum        
Advisering & onderzoek197131661,0%4992702292,2%
Internationale samenwerking835982612,9%1 3756327447,0%
         
Overige activiteiten9994385618,7%7614103513,3%
Totaal7 7101 2966 414100%12 7362 11410 622100%
Indirecte baten        
– Lumpsum (excl. programmagelden)  – 6 764   – 9 925 
– Overige indirecte baten (rente en div. vrijval balans)      – 386 
Exploitatiesaldo  350   – 311 

Toelichting bij de output categorieën/prestatie indicatoren.

Collectie blijft in goede staat: Betreft activiteiten in het kader van het behoudsplan en digitale duurzaamheid. De grootste kostenpost in deze categorie betreft echter de «bewaarkosten van de archieven». 70% van de huisvestingslasten zijn toe te rekenen aan de depots van het Nationaal Archief. Ten opzichte van 2001 is in de kosten een grote toename te zien. Dit wordt veroorzaakt doordat in 2001 de huurbudgetten nog niet aan het RAD-budget waren toegevoegd.

Prestatie indicatoren: De omvang van de collectie is met ongeveer 2 km gegroeid naar 95 km. Daarnaast bevat de collectie één miljoen negatieven en 300 000 kaarten.

De kostprijs van een m2 opslag is ongeveer € 150,– (uitgaande van 5 meter op 1 m2)

Collectie is toegankelijk: Betreft activiteiten in het kader van beheer en het toegankelijk maken en houden van de collectie. De kosten zijn voornamelijk personele kosten. Ten opzichte van 2001 zijn de kosten vrijwel gelijk; de personele inzet op deze output is gedaald.

Collectie is volledig: Betreft activiteiten in het kader van normering, verwerving en Pivot. De kosten zijn voornamelijk personele kosten. Ten opzichte van 2001 zijn de kosten gedaald door geringere personele inzet.

Archief voldoet aan publieksvraag: Hieronder vallen de studiezaal, informatieverstrekking en educatie. In 2002 is vooral de informatieverstrekking in het kader van het CABR (Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging) een belangrijk punt geweest. De kosten bestaan voornamelijk uit personele kosten en huisvestingslasten.

De publieksruimtes beslaan in oppervlakte ongeveer 15% van het totale Nationaal Archief gebouw. Ten opzichte van 2001 zijn de absolute kosten fors gestegen, de oorzaak is eveneens de toerekening van de huisvestingslasten. Het relatieve aandeel in de kosten is met 30% iets minder dan in 2001 (was 33%).

Prestatie indicatoren: Het aantal bezoeken in de studiezaal is uitgekomen op 28 800. Ten opzichte van 2001 (29 650) een lichte daling.

Virtuele studiezaal: In 2002 is dit een belangrijk speerpunt geweest. In de resultaatafspraken die met het Nationaal Archief voor deze cultuurperiode zijn gemaakt nemen resultaten op het gebied van de virtuele studiezaal een prominente plaats in.

In juni is de nieuwe website gelanceerd, met daarin de tijdbalk van de Nederlandse geschiedenis en tal van databases over specifieke onderwerpen (bv. Molukse- en Surinaamse databases, bewindslieden, soldijboeken VOC). Daarnaast is er een start gemaakt met het digitaliseren van toegangen en zijn projecten gestart om de dienstverlening op afstand te gaan vormgeven. De kosten van de virtuele studiezaal nemen in ras tempo toe. Ten opzichte van 2001 is ruim € 1,1 miljoen meer uitgegeven. Het relatieve aandeel in de totale kosten is gestegen van 4,5% tot 13,5%. Deze verschuiving was mogelijk doordat het huidige personeel hierop is ingezet.

Prestatie indicatoren: Het belangrijkste meetpunt zijn de website bezoekers. De cijfers van 2002 zijn moeilijk te vergelijken met die van 2001 vanwege de lancering van een nieuwe website halverwege 2002, en de ontkoppeling van de genealogische database genlias. De bezoekers aantallen betreffen: website (vanaf juni 2002) 180 000; aantal pageviews gemiddeld 6 per bezoeker (dus ruim 1 miljoen). Genlias heeft aan het begin van 2002 te kampen gehad met technische problemen. Vanaf april zijn die opgelost en heeft de database 322 000 verschillende bezoekers getrokken, die 4 014 000 zoekopdrachten hebben losgelaten op de database.

Kenniscentrum/internationaal: Hieronder vallen alle activiteiten met betrekking tot het kenniscentrum behoud dat activiteiten verricht c.q. adviezen geeft aan het gehele archiefveld in binnen- en buitenland. Met betrekking tot het laatste: in 2002 is het Nationaal Archief actief geweest in tal van landen. Enkele voorbeelden: Rusland (recuperatie Joodse archieven & Neerlandica Rossica), Tanap (VOC -archieven), Tjechië (hulp bij watersnood) en Suriname (hulp bij het opbouwen van het archiefwezen). Veel van de internationale projecten worden uitgevoerd met behulp van (HGIS) subsidies. De helft van de kosten wordt gedekt met externe geldstromen. Ten opzichte van 2001 zijn de bestedingen fors gestegen van € 1,1 miljoen naar totaal € 1,8 miljoen.

Overig: Betreft vooral zakelijke en facilitaire dienstverlening. Het streven is gericht op kostendekkendheid van deze categorie; in 2002 is dat nog niet gelukt.

2.3 Beleidsbureau/Schaarsbergen/Landelijke fondsen

De budgetten van het beleidsbureau (€ 905 000), het hulpdepot in Schaarsbergen (€ 450 000) en de landelijke fondsen (€ 1,65 miljoen) nemen samen (totaal € 3,0 miljoen) ongeveer 10% van de begroting in. In de exploitatie is een budgetresultaat behaald van € 85 000 bij de landelijke fondsen.

Schaarsbergen

In de exploitatie van Schaarsbergen is een voorziening getroffen voor de reorganisatiekosten in verband met de sluiting. De kosten van Schaarsbergen bedroegen in 2002 totaal € 591 000. Dit is het vermelde budgetresultaat van € 453 000 plus € 138 000 behaalde baten. Helaas is de RAD door de hoge huur die aan de Rijksgebouwendienst (RGD) betaald moet worden niet in staat om het hulpdepot rendabel te exploiteren of geheel af te stoten. Het huurcontract loopt in 2014 af. In 2003 zal de RAD door de reorganisatie minder kosten hebben. Het saldo van kosten en baten valt echter nog ongeveer € 200 000 negatief uit.

Landelijke fondsen

De RAD heeft afgelopen jaren de centrale budgetten grotendeels gedecentraliseerd. Op landelijk niveau zijn nog een paar fondsen beschikbaar. De belangrijkste budgetten waren: het fusieproject (€ 687 000), personeel gerelateerde fondsen (€ 113 000), ICT-kosten (€ 91 000) en fondsen voor voorlichting, contributies, ondersteuning aan de Diva en algemene onderzoeken (€ 386 000).

Bij de landelijke fondsen is een resultaat geboekt van € 85 000, vrijwel gelijk aan de rente meevaller in het budget.

Fusieproject

Het budget voor de incidentele kosten van het fusietraject (organisatie- en projectkosten) is als landelijk fonds binnen de begroting van de Rijksarchiefdienst opgenomen. In 2002 is de besteding uitgekomen op € 690 000. De besteding betrof: incidentele bijdrage voor digitalisering en investeringen in gebouw bij de fusie in Friesland (€ 345 000), Gelderland (€ 195 000; idem Friesland), de voorbereiding in Limburg, Flevoland en Noord-Brabant (samen € 150 000).

Voor de financiering van het proces «bestuurlijke vernieuwing» is het budget van de Rijksarchiefdienst vanaf 2000 structureel met € 2,2 miljoen opgehoogd. Tabel 4 geeft de besteding hiervan aan. Een groot deel van de beschikbaar gekomen middelen is bestemd voor het wegwerken van financiële achterstanden en knelpunten binnen de archieven. Er is bijna € 1,2 miljoen structureel aan de budgetten van de archieven toegevoegd. Voor een ander deel worden de middelen aangewend voor ver- en nieuwbouw activiteiten die nodig zijn om de publieksfunctie van de RHC's naar behoren te kunnen invullen. Ook deze middelen worden op termijn aan de rijksbijdragen toegevoegd.

Tabel 4: Bestedingen fusies (bedrag x € 1 000)
 Realisatie 2000Realisatie 2001Begroting 2002 Realisatie 2002Begroting 2003Begroting 2004Begroting 2005Totaal
Beleidsintensivering2 2242 2242 2242 2242 2242 2242 224 
Eigen middelen RAD182182182182182182182 
         
Besteding        
– Toegevoegd aan lumpsums (structureel)1 1771 1771 1771 1771 1771 1771 177 
– Incidenteel achterstanden351  68686868 
– Versterking RHC's227117288 6651 0111 443 
– Incidenteel; projectkosten5095817716904401250 
– Mobiliteitsfonds 181      
– Reservering259       
Saldo– 1173491694715625– 282 
Egalisatie (restant budget) – 349– 169– 471– 56– 25 – 784
Structureel tekort 05–07      282846

NB: getallen begroting 2003 t/m 2005 zijn overgenomen uit begroting 2003

Concernfondsen

Afgelopen jaar is ten behoeve van het veld een aantal trajecten uitgezet. Er zijn trainingen georganiseerd voor de staven van RHC's en rijksarchieven voor resultaatgericht begroten en verantwoorden (VBTB), workshops in het kader van publieksbereik en doelgroepbenadering, en er is een onderzoek verricht naar de structurele kosten van de virtuele studiezaal. Met dit onderzoek wordt in kaart gebracht welke structurele lasten de archieven kunnen gaan verwachten op het gebied van de virtuele studiezaal. De uitkomsten van dit onderzoek worden medio 2003 verwacht.

Ook is er een onderzoek gedaan naar de deskundigheid binnen het archiefveld. Er is in kaart gebracht welke competenties en vaardigheden nodig zijn en hoe deze aansluiten bij het huidige opleidingsniveau in de archieven. Ook dit onderzoek wordt in 2003 afgerond.

Verder zijn er bestedingen gedaan ten behoeve van ICT (afschrijvingen van oude centrale systemen) en mobiliteitsbevordering.

Overbruggingsfonds taakstelling 1998

Ter overbrugging van de taakstelling uit het regeerakkoord 1998 heeft de RAD tot en met 2003 jaarlijks een bedrag van € 546 000 beschikbaar. Vanaf 2004 wordt dit bedrag terugbetaald middels een korting op het budget.

3. Financiële verantwoording/exploitatierekening

Tabel 5: Baten en lasten (bedrag x € 1 000)
OmschrijvingBegroting 2002Realisatie 2002Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting 2002Realisatie 2001
Baten    
Opbrengst moederdepartement OCenW:31 94434 5112 56723 114
– bijdrage departement OCenW30 94633 431  
– programma- en projectgelden9981 078  
     
Opbrengst derden:9081 4175091 568
     
Rentebaten: 170170184
– concern 65  
– archieven 105  
     
Buitengewone baten: 5 1605 1602 018
– vrijval voorzieningen 1 032  
– vrijval projectsubsidies + bijzondere baten 4 128  
     
Totaal baten32 85241 2588 40626 884
     
Lasten    
Apparaatskosten:22 42930 0067 57719 822
– personeel8 14513 323  
– materieel2 2196 908  
– huren10 5657 521  
– projectkosten1 5002 254  
     
Rentelasten213121– 92161
     
Afschrijvingskosten:687879192980
– materieel687879  
– immaterieel  
     
Dotaties voorzieningen:253567314901
     
Buitengewone lasten110099356
     
Bijdrage RHC's9 2699 251– 183 710
     
Totaal lasten32 85240 9248 07225 930
Saldo van baten en lasten0334334954

3.1 Exploitatierekening op hoofdlijnen

De oorspronkelijk vastgestelde begroting van de Rijksarchiefdienst bedroeg € 32,9 miljoen. Ten opzichte van 2001 een forse stijging, veroorzaakt door de overheveling van de huurbudgetten. Dit betreft een bedrag van ruim € 10,7 miljoen, oftewel 1/3 van het budget.

3.2 Toelichting op de baten

De baten van de Rijksarchiefdienst bestaan uit de volgende componenten: de bijdrage van OCenW voor de apparaatskosten, geoormerkte programmagelden, baten uit dienstverlening, rente en overige baten.

Bijdrage moederdepartement (totaal € 34,5 miljoen)

Het structurele deel van de bijdrage is uiteindelijk uitgekomen op € 32,9 miljoen. Het verschil met de begroting wordt voornamelijk verklaard door de loon- en prijsbijstellingen. Aan incidentele programma- en projectgelden ontving de Rijksarchiefdienst € 1,1 miljoen. Dit bestaat voor € 998 000 uit behoudsgelden en € 80 000 subsidie voor de hulp aan Tjechië.

Daarnaast is er € 546 000 beschikbaar als overbrugging voor de taakstelling uit het regeerakkoord 1998. Ook voor 2003 is hiervoor nog hetzelfde bedrag beschikbaar. De RAD is hierdoor in staat om maatregelen te formuleren om deze bezuiniging structureel te kunnen opvangen.

Bijzondere baten

Onder de bijzondere baten zijn voornamelijk eenmalige bijdragen en verrekeningen uit voorgaande jaren verantwoord. Naast de vrijval uit centrale voorzieningen en andere balansposten is als bijzondere baten ook de vrijval van het overbruggingsfonds taakstelling 1998 verwerkt.

Baten in de archieven

De eigen baten bestaan uit inkomsten uit de reguliere dienstverlening van archieven en het werken voor tweeden (en in beperkte mate voor derden). Het totaal aan inkomsten bedroeg € 1,4 miljoen. Dit is hoger dan in voorgaande jaren.

• Reguliere baten (€ 400 000): ten opzichte van 2001 stabiel.

• Opdrachten faciliteiten en zakelijke dienstverlening (€ 487 000): eveneens stabiel ten opzichte van vorig jaar.

• Depot verhuur: de totale opbrengst van ongeveer € 530 000 ligt € 180 000 hoger dan in 2001. Het aantal strekkende meters verhuur is toegenomen; bovendien zijn bij de nieuwe contracten huurprijzen meer in de lijn van de kostprijs gebracht.

Rente

De totale rente baten bedroeg € 170 000; voor ruim € 105 000 zijn deze toe te rekenen aan de rijksarchieven, voor € 65 000 aan de centrale fondsen, zoals «Kleur van Nederland». Hoewel de besteding van subsidie- en programmageld in 2002 goed op gang is gekomen, heeft de RAD nog een fors bedrag in fondsen gereserveerd staan. Het rendement ontstaat doordat deze middelen zo veel mogelijk op deposito zijn geplaatst.

Subsidies

Veel projecten worden mede gefinancierd met subsidies. In 2002 is een ruime € 2,8 miljoen aan subsidiegeld besteed. Het betreft onder meer Tanap, Kleur van Nederland en Suriname.

3.3 Toelichting op de kosten

Apparaatskosten rijksarchieven en Nationaal Archief

Personele lasten in archieven (totaal € 13,3 miljoen)

De salarislasten van de RAD bedroegen totaal € 12,9 miljoen; € 5,4 miljoen bij de archieven in de provincie en € 7,5 miljoen bij het Nationaal Archief en concernonderdelen. De € 13,3 miljoen bestaat uit bruto salarislasten voor vaste en tijdelijke medewerkers (€ 12,7 miljoen), plus € 237 000 aan wachtgelden, € 130 000 baten uit WAO-uitkeringen en € 620 000 doorbelaste salariskosten aan projecten en subsidies. Aan salarislasten voor medewerkers die niet formeel in dienst zijn bij de RAD (WSW, banenpoolers, IF-contracten, interims en uitzendkrachten) is € 585 000 uitgegeven, aan overige personeelskosten (scholing, kinderopvang, arbo, enz) is € 465 000 uitgegeven.

De gemiddelde bezetting van de Rijksarchieven is uitgekomen op 291 formatie-eenheden (fte); 241,6 fte in vast dienstverband, 49,2 fte op tijdelijke basis. (In 2001: 299,5 fte, waarvan 274 vast en 25,5 tijdelijk.) De gemiddelde salarislasten bedragen € 43 749. Ten opzichte van 2001 (€ 43 484) een stijging van 0,6%. De vaste formatie van de RAD is in absolute zin afgenomen. De uitstroom is veroorzaakt door de verzelfstandiging van het Rijksarchief Groningen (per 1 januari 2002) en Friesland (per 1 september). Daarentegen is de tijdelijke bezetting toegenomen. Het betreft vooral projectmedewerkers bij het Nationaal Archief. De medewerkers van het rijksarchief Gelderland verdwijnen per 1 januari 2003 uit de formatie, evenals een aantal medewerkers van het hulpdepot in Schaarsbergen.

In de personeelscijfers is niet meegenomen de inzet van de diverse vrijwilligersorganisaties. In de meeste archieven zijn dagelijks tientallen vrijwilligers bezig met het toegankelijk maken van data, veelal op genealogisch gebied.

Materiële lasten

In de materiële kosten van de archieven (totaal € 16,6 miljoen) zijn de volgende componenten opgenomen:

• Huur (€ 7,5 miljoen);

• Exploitatie kosten huisvesting (€ 1,6 miljoen);

• Organisatiekosten (€ 4,1 miljoen);

• De direct materiële kosten: dit zijn kosten die direct aan de activiteiten worden toegeschreven. Totaal betreft het € 3,4 miljoen, besteed aan projecten in het kader van behoud en beheer, publieksbereik en digitalisering. Hierin zijn de bestedingen met betrekking tot de ontvangen subsidies meegenomen.

Kapitaallasten

De kapitaallasten (€ 1,0 miljoen), bestaande uit € 880 000 afschrijvingen en € 120 000 rentekosten.

Dotaties voorzieningen

In 2002 is een bedrag van € 567 000 toegevoegd aan de voorzieningen voor dubieuze debiteuren, personeel en een reorganisatie ten behoeve van Schaarsbergen.

Bijdrage aan regionaal historische centra (RHC's)

De Rijksarchiefdienst financiert uit haar budget de reeds gevormde regionale historische centra middels een rijksbijdrage (totaal € 9,2 miljoen).

In 2002 zijn op deze post geboekt de bijdragen aan Utrecht (€ 1,8 miljoen), Zeeuws Archief (€ 2,9 miljoen), het Historisch Centrum Overijssel (€ 1,6 miljoen), De Groninger Archieven (€ 2,4 miljoen) en Tresoar (€ 514 000). Voor Tresoar geldt dat dit de bijdrage is vanaf 1 september 2002. Het Gelders Archief, eveneens gestart in september 2002, is het gehele jaar als «rijksarchief» in de financiën van de RAD opgenomen.

Buitengewone lasten

De buitengewone lasten bestaan uit kosten (€ 100 000) die voortkomen uit afrekeningen uit het vorig boekjaar.

3.4 Kapitaallasten: investeringen/afschrijvingen en rente

Tabel 6: Kapitaal overzicht: Afschrijvingen investeringen (bedrag x € 1 000)
 Balans per 31-12-2001DesinvesteringInvesteringen 2002Afschrijvingen 2002Balans per 31-12-2002
Inventaris studiezaal/dienstverlening91025636125565
Inventaris depots/mat. beheer1 8074331 0042002 177
Inventaris kantoor/overhead1 5423416925541 340
Totaal4 2591 0301 7328794 082

De kapitaaluitgaven bestaan uit kosten voor de vervanging en vernieuwing van de aanwezige activa. Er is voor € 1,7 miljoen geïnvesteerd. De belangrijkste investeringen hadden betrekking op automatisering (€ 460 000), diverse apparatuur (€ 130 000), het plaatsen van compactus berging in het rijksarchief Noord-Holland (€ 410 000), en bij het Nationaal Archief: meubilair (€ 100 000), bekabeling (€ 200 000), website (€ 250 000) en verbouwing van het auditorium (€ 180 000).

Door de vorming van regionale historische centra (RHC's) in Groningen, Friesland en Gelderland heeft er een afrekening plaatsgevonden van de vermogensbestanddelen. Bij de oprichting van een RHC wordt de lening ineens afgelost voor een bedrag gelijk aan de waarde van de activa. De activa gaan mee naar het RHC. De afrekening is in de jaarrekening opgenomen als desinvestering en direct (in de balans) afgeboekt van de activa waarde.

4. De vermogenspositie van de Rijksarchiefdienst

4.1 Vermogensontwikkeling

De vermogenspositie van de Rijksarchiefdienst is door het positieve resultaat van € 334 000 iets versterkt. Het eigen vermogen (inclusief bestemmingsreserves) bedraagt per 1 januari 2003 € 1 421 000. De verwachting is dat in komende jaren weer op het eigen vermogen wordt ingeteerd. Per 1 januari 2003 resteert alleen in de bestemmingsreserve voor digitale toegangen nog € 21 000 (bij Nationaal Archief) en een reserve voor mobiliteit van € 115 000 op concernniveau.

Tabel 7: Vermogensontwikkeling RAD (bedrag x € 1 000)
 19981999200020012002 begroting2002 realisatie
Eigen vermogen per 1 januari8 3566 6105 8271331341 087
       
Saldo van baten en lasten – 1 055– 437 663954 334
       
Uitkering aan moederdepartement      
Bijdrage moederdepartement ter versterking eigen vermogen      
Overige mutaties in eigen vermogen– 691– 346 – 454 318
Leenfaciliteit  – 6 357   
Bestemmingsreserves   454 – 318
       
Totaal directe mutaties in eigen vermogen– 691– 346– 6 3570 0
       
Eigen vermogen per 31 december6 6105 8271331 0871341 421

Het eigen vermogen is verspreid over de verschillende rijksarchieven. De afzonderlijke exploitatiesaldi worden met dit vermogen verrekend. Het modale archief heeft enkele tienduizenden guldens aan eigen vermogen; op zichzelf een relatief kleine buffer om toekomstige negatieve exploitatie gevolgen te kunnen opvangen. De toegestane 5% eigen vermogen (ten opzichte van de omzet) wordt bij de afzonderlijke archieven nergens bereikt. Geconsolideerd is het eigen vermogen € 1 421 000 euro; dit is 4,1% van de rijksbijdrage.

4.2 Balans

Tabel 8: Balans (bedragen x € 1 000)
 Balans 2002Balans 2001
Activa  
Immateriële activanihilnihil
Materiële vaste activa4 0824 259
Voorraden13090
Debiteuren846279
Nog te ontvangen956896
Liquide middelen4 1187 661
Totaal activa10 13213 185
Passiva  
Eigen vermogen  
* exploitatiereserves1 087133
* verplichte reservesnihilnihil
* onverdeeld resultaat334954
Leningen bij het MvF2 5832 645
Voorzieningen407872
Vooruitontvangen3 0963 836
Crediteuren + nog te betalen2 6254 745
Totaal passiva10 13213 185
Kengetallen  
Quick ratio liq. (vorderingen + liq + ohw/schuld.)103%103%
Liquiditeit (vorderingen + liq/schulden & voorz.)96%93%
Marge quick ratio199558
   
Perc. eigen vermogen op structurele bijdrage OCW4,1%4,0%
Perc. eigen vermogen excl. bestemmingsres. op structurele bijdrage OCW3,6%2,4%
Percentage eigen vermogen + voorzieningen op omzet5,2%7,3%
   
Dekkingsgraag leningen MvF op activa62%62%

Toelichting op de balans

In de toelichting zijn de voorgeschreven verloopoverzichten niet opgenomen; dit zal in de verantwoording 2003 wel gebeuren.

Activa

Materiële activa (€ 4,1 miljoen) betreft de waarde van de aanwezige inventaris. De grondslagen van waardering zijn niet veranderd. De materiële activa wordt tegen historische kostprijs geactiveerd. Afschrijvingen vinden lineair en evenredig over het jaar plaats, startend op de factuurdatum of de datum in gebruik name. De afschrijftermijnen zijn: depotstellingen 15 tot 25 jaar, meubilair 10 jaar, computerapparatuur en software 3 jaar, overige inventaris 5 tot 10 jaar.

Voorraden (€ 130 000): deze betreffen vooral voorraden bij de archiefwinkels (aanschafwaarde van boeken en publicaties) en voorraden in het kader van Pivot.

Vorderingen (debiteuren en overigen, totaal € 1,8 miljoen): grotere posten zijn de post lopende debiteuren van € 846 000 en de overige vorderingen van € 956 000. Hierin zitten vooral afrekeningen van project en subsidies die nog moeten plaatsvinden.

Liquide middelen (totaal € 4,1 miljoen)

Aan kasgeld was er € 8 000 aanwezig op 31 december 2002. Op deposito staat € 3,1 miljoen. Dit zijn vooral de vooruit ontvangen subsidiebedragen van onder meer Pivot, CABR, Kleur van Nederland, Tanap, enz.

De rekening courant met de rijkshoofdboekhouding is afgesloten met een saldo van iets meer dan € 1,0 miljoen. Hierop is in de eerste week van januari 2003 een bedrag van € 430 000 afgeboekt voor «betalingen onderweg».

De liquiditeitspositie van de Rijksarchiefdienst is ten opzichte van 2001 gelijk gebleven. De quick ratio bedraagt nog steeds 103%; de kortlopende schulden kunnen voldoende gedekt worden. Indien echter de voorzieningen op korte termijn aangesproken moeten worden daalt de liquiditeit tot 96% (vorig jaar 93%). Een oorzaak ligt in de dekkingsgraad van de leningen ten opzichte van de activa waarde; door rente optimalisatie is maar 62% van de activa waarde beleend met langlopende leningen.

Passiva

Leningen: hierop staat het saldo van de conversielening. Per 1 januari 2000 is in verband met de leenfaciliteit het eigen vermogen geconverteerd. De conversielening bedroeg in aanvang € 6,4 miljoen. In 2000 heeft de Rijksarchiefdienst reeds € 3,5 miljoen afgelost, in 2002 bedroeg de aflossing € 1,05 miljoen. De Rijksarchiefdienst heeft in 2002 een aantal deelleningen afgesloten ten bedrage van totaal € 988 000. Het geïnvesteerde bedrag ligt iets hoger. Een aantal kleine investeringen is gefinancierd met het normale werkkapitaal.

Voorzieningen: er is een bedrag van ruim € 407 000 aan voorzieningen aanwezig. Dit zijn voorzieningen voor: de reorganisatie in Schaarsbergen (€ 180 000), een FPU+ fonds in het kader van de fusies (€ 60 000), en diverse kleinere voorzieningen bij archieven voor onder andere dubieuze debiteuren en wachtgelden en ict-voorzieningen.

Vooruit ontvangen programmagelden/fondsen (€ 3,1 miljoen): hierin zijn onder meer opgenomen de vooruit ontvangen c.q. nog niet bestede subsidiebedragen voor tal van projecten. Een aantal grote zijn: «Kleur van Nederland» (€ 630 000 beschikbaar) en de Pivot-gelden (€ 1,2 miljoen).

Schulden en crediteuren (€ 2,2 miljoen): betreft voornamelijk de reeds ingeboekte crediteuren en de nog te betalen kosten die reeds in de exploitatie zijn verwerkt, maar nog niet zijn betaald.

4.3 Kasstroom

De bovengenoemde mutaties in het werkkapitaal, de afschrijvingen en de investeringen zijn verwerkt in het onderstaande kasstroomoverzicht.

Tabel 9: Kasstroomoverzicht (bedragen x € 1 000)
OmschrijvingBegroting 2002Realisatie 2002Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting 2002Realisatie 2001
1Rekening-courant RHB per 1 januari1 5257 6416 1165 261
 Saldo baten -/- lasten 334 954
 Afschrijvingen 879 980
 Voorzieningen – 465 216
 Mutaties werkkapitaal – 3 449 2 108
      
2Totaal operationele activiteiten687– 2 701– 3 3884 258
 Totaal investeringen in activa (-/-)5151 732 1 390
 Totaal boekwaarde desinvesteringen (afrekening vermogen RHC's) (+)1 2711 030 205
      
3Totaal investeringskasstroom756– 702– 1 4581 185
 Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)    
 Eenmalige storting door moederdepartement (+)    
 Aflossing op langlopende leningen (-/-)1 770873 948
 Aflossing door RHC-vorming (-/-) 177 782
 Aflossing vermogensbestanddelen    
 Beroep op leenfaciliteit (+)515988 1 037
      
4Totaal financieringskasstroom– 1 255– 621 193– 693
      
5Rekening courant RHB per 31 december1 7134 1762 4637 641

4.4 Niet uit de balans blijkende verplichtingen

In 2001 is de RAD er toe overgegaan om de resterende verlofuren van de medewerkers van de rijksarchieven in de provincie te waarderen en op te nemen in de jaarrekening. De verlofuren leiden tot een mogelijke financiële verplichting als de medewerkers overgaan naar een RHC. Voorheen werd deze verplichting niet gewaardeerd, omdat het beleid van de RAD erop gericht was verlofuren op te maken.

Bij de fusie van rijksarchieven vindt ook afrekening van de vakantiegelden plaats. Deze verplichting is echter niet opgenomen in de jaarrekening. De financiële consequenties hiervan worden via de rijksbijdragen RHC's verrekend.

BIJLAGE 1 VERDIEPINGSBIJLAGE

Artikel 1: basisonderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)6 014 1446 019 38417 876
Amendement (28 000 VIII, nr. 43)– 450– 4500
Amendement (28 000 VIII, nr. 84)5005000
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)6 014 1946 019 43417 876
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)1 1561 15640 698
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)1 1561 15640 698
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)171 285171 285– 6 251
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)171 285171 285– 6 251
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 21 407– 23 581– 5 653
Vast te stellen mutatie slotwet– 21 407– 23 581– 5 653
Totaal geraamd tevens realisatie 20026 165 2286 168 29446 670

Artikel 2: expertisecentra

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)676 158676 1582 723
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)676 158676 1582 723
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)24 35024 3503 289
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)24 35024 3503 289
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)6 9926 992– 853
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)6 9926 992– 853
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet1 9031 197– 2 239
Vast te stellen mutatie slotwet1 9031 197– 2 239
Totaal geraamd tevens realisatie 2002709 403708 6972 920

Artikel 3: voortgezet onderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)4 938 7074 912 2481 361
Amendement (28 000 VIII, nr. 84)– 500– 5000
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)4 938 2074 911 7481 361
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)12 86512 8650
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)12 86512 8650
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)15 89315 5410
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)15 89315 5410
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet198 284– 8 1331 860
Vast te stellen mutatie slotwet198 284– 8 1331 860
Totaal geraamd tevens realisatie 20025 165 2494 932 0213 221

Artikel 4: beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)2 581 4102 557 25127 227
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)2 581 4102 557 25127 227
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)– 2 749– 2 49125 256
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)– 2 749– 2 49125 256
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)– 45 95422 8250
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)– 45 95422 8250
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet98 357– 31 942– 34 702
Vast te stellen mutatie slotwet98 357– 31 942– 34 702
Totaal geraamd tevens realisatie 20022 631 0642 545 64317 781

Artikel 5: technocentra

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)05 4455 445
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)05 4455 445
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)2721360
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)2721360
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)3030166
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)3030166
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 302– 165– 166
Vast te stellen mutatie slotwet– 302– 165– 166
Totaal geraamd tevens realisatie 200205 4465 445

Artikel 6: hoger beroepsonderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)1 477 6621 500 05717
Amendement (28 000 VIII, nr. 43)4504500
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)1 478 1121 500 50717
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)35 2951 9711 902
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)35 2951 9711 902
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)225 654105 8400
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)225 654105 8400
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 11 526– 4 749– 1 561
Vast te stellen mutatie slotwet– 11 526– 4 749– 1 561
Totaal geraamd tevens realisatie 20021 727 5351 603 569358

Artikel 7: wetenschappelijk onderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)2 915 8502 913 6471 198
Amendement (28 000 VIII, nr. 40)50500
Amendement (28 000 VIII, nr. 50)2 1002 1000
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)2 918 0002 915 7971 198
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)38 89718 7520
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)38 89718 7520
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2))204 049107 9810
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)204 049107 9810
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet31 3402 714192
Vast te stellen mutatie slotwet31 3402 714192
Totaal geraamd tevens realisatie 20023 192 2863 045 2441 390

Artikel 8: internationaal onderwijsbeleid

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)16 88217 85699
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)16 88217 85699
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)5905900
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)5905900
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2))1 4541610
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. nr. 67)1 4541610
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet2 072– 568426
Vast te stellen mutatie slotwet2 072– 568426
Totaal geraamd tevens realisatie 200220 99818 039525

Artikel 9: onderwijspersoneel

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)71 50071 5000
Amendement (28 000 VIII, nr. 50)– 2 100– 2 1000
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)69 40069 4000
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)000
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)000
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)19 97119 9710
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)19 97119 9710
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 14 516– 4 43668
Vast te stellen mutatie slotwet– 14 516– 4 43668
Totaal geraamd tevens realisatie 200274 85584 93568

Artikel 10: informatie- en communicatietechnologie

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)40 09079 02445 378
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)40 09079 02445 378
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)1 1621 162123
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)1 1621 162123
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)– 4 831– 4 8311 308
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)– 4 831– 4 8311 308
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet91 2943 9141 109
Vast te stellen mutatie slotwet91 2943 9141 109
Totaal geraamd tevens realisatie 2002127 71579 26947 918

Artikel 11: studiefinanciering

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)1 719 9461 719 946344 329
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)1 719 9461 719 946344 329
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)– 3 001– 3 0010
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)– 3 001– 3 0010
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)50 95950 959– 20 100
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)50 95950 959– 20 100
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet36 35036 3508 384
Vast te stellen mutatie slotwet36 35036 3508 384
Totaal geraamd tevens realisatie 20021 804 2541 804 254332 613

Artikel 12: tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)333 888333 88811 934
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)333 888333 88811 934
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)– 501– 5010
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)– 501– 5010
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)15 31115 3112 600
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)15 31115 3112 600
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 947– 947– 1 509
Vast te stellen mutatie slotwet– 947– 947– 1 509
Totaal geraamd tevens realisatie 2002347 751347 75113 025

Artikel 13: lesgelden

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)00375 185
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)00375 185
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)00– 3 400
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)00– 3 400
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)0016 700
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)0016 700
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet00279
Vast te stellen mutatie slotwet00279
Totaal geraamd tevens realisatie 200200388 764

Artikel 14: cultuur

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)498 262647 399250
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)498 262647 399250
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)3 0713 0710
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)3 0713 0710
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)– 31 95011 652303
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)– 31 95011 652303
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 94 906– 8 1084 417
Vast te stellen mutatie slotwet– 94 906– 8 1084 417
Totaal geraamd tevens realisatie 2002374 477654 0144 970

Artikel 15: media

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)845 678846 167307 935
Amendement (28 000 VIII, nr. 88)32 00032 0000
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)877 678878 167307 935
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)– 44 197– 44 197– 15 024
Amendement (28 315 VIII, nr. 5)32 00032 0000
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)–-12 197– 12 197– 15 024
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)17 42917 429– 70 336
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)17 42917 429– 70 336
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet54– 2 055– 420
Vast te stellen mutatie slotwet54– 2 055– 420
Totaal geraamd tevens realisatie 2002882 964881 344222 155

Artikel 16: onderzoek en wetenschapsbeleid

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)751 683768 44499 019
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)751 683768 44499 019
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)– 74 0829 2756 846
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)– 74 0829 2756 846
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)45 98725 564669
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)45 98725 564669
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet13 573– 1 6331 580
Vast te stellen mutatie slotwet13 573– 1 6331 580
Totaal geraamd tevens realisatie 2002737 162801 650108 114

Artikel 17: nominaal en onvoorzien

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)– 384 358– 384 3582 555
Amendement (28 000 VIII, nr. 40)– 50– 500
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)– 384 408– 384 4082 555
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)763 786763 7860
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)763 786763 7860
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)– 377 509– 377 509– 2 555
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)– 377 509– 377 509– 2 555
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet– 1 869– 1 8690
Vast te stellen mutatie slotwet– 1 869– 1 8690
Totaal geraamd tevens realisatie 2002000

Artikel 18: bestuursdepartement

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)157 282157 282567
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)157 282157 282567
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)1 6291 6290
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)1 6291 6290
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)10 46210 4620
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)10 46210 4620
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet699– 5 14214
Vast te stellen mutatie slotwet699– 5 14214
Totaal geraamd tevens realisatie 2002170 072164 231581

Artikel 19: inspecties

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)42 28442 2840
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)42 28442 2840
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)3 4643 4640
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)3 4643 4640
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)3 6403 6400
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)3 6403 6400
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet4 0873 008160
Vast te stellen mutatie slotwet4 0873 008160
Totaal geraamd tevens realisatie 200253 47552 396160

Artikel 20: adviesraden

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)5 7795 7790
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)5 7795 7790
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)41410
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)41410
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)1 0321 0320
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)1 0321 0320
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet3653650
Vast te stellen mutatie slotwet3653650
Totaal geraamd tevens realisatie 20027 2177 2170

Artikel 21: uitvoeringsorganisaties onderwijs

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)149 723149 723408
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)149 723149 723408
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)20 13320 1330
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)20 13320 1330
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)28 43728 437672
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)28 43728 437672
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet4 2834 283– 409
Vast te stellen mutatie slotwet4 2834 283– 409
Totaal geraamd tevens realisatie 2002202 576202 576671

Artikel 22: uitvoeringsorganisaties cultuur

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)69 59969 599244
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)69 59969 599244
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)– 345– 3450
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)– 345– 3450
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)2 6712 6710
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)2 6712 6710
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet9 6059 6053 850
Vast te stellen mutatie slotwet9 6059 6053 850
Totaal geraamd tevens realisatie 200281 53081 5304 094

Artikel 23: uitvoeringsorganisaties wetenschappen

 VerplichtingenUitgavenOntvangsten
Ontwerpbegroting 2002 (28 000 VIII, nr. 1 en 2)2 3652 3650
Vastgestelde begroting (Stb. 2002, nr. 76)2 3652 3650
    
Mutaties 1e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 315, nr. 1 en 2)000
Vastgestelde mutatie 1e suppletore begroting (Stb. 2002, nr. 267)000
    
Mutaties 2e suppletore begroting   
Ontwerp suppletore begroting (28 702, nr. 1 en 2)85850
Vastgestelde mutatie 2e suppletore begroting (Stb. 2003, nr. 67)85850
    
Mutaties slotwet   
Ontwerp slotwet000
Vast te stellen mutatie slotwet000
Totaal geraamd tevens realisatie 20022 4502 4500

BIJLAGE 2 SALDIBALANS

Saldibalans per 31 december 2002 van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

(x € 1000)
Uitgaven ten laste van de begroting24 190 541 Ontvangsten ten gunste van de begroting1 201 443
     
Liquide middelen– 1 667   
     
Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding22 982 488
     
Te verrekenen extern Museaal Aankoopfonds56 887 Begrotingsreserve Museaal Aankoopfonds56 887
     
Uitgaven buiten begrotingsverband (intra- comptabele vordering)152 Ontvangsten buiten begrotingsverband (intra- comptabele schulden)5 095
     
Extra comptabele vorderingen5 605 026 Tegenrekening extra comptabele vorderingen5 605 026
     
Voorschotten6 826 223 Tegenrekening voorschotten6 826 223
     
Tegenrekening garantieverplichtingen608 378 Garantieverplichtingen608 378
     
Tegenrekening openstaande verplichtingen12 692 572 Openstaande verplichtingen12 692 572
     
Deelnemingen Tegenrekening deelnemingen
Totaal49 978 112 Totaal49 978 112

Toelichting bij de saldibalans

Uitgaven/ontvangsten 2002

De uitgaven over 2002 zijn uitgekomen op € 24 190 541 017,44 en de ontvangsten op € 1 201 442 559,18. In de departementale rekening komen de uitgaven uit op € 24 190 570 000,– en de ontvangsten op € 1 201 443 000.–.

Het verschil tussen de werkelijke uitgaven en de realisatie volgens de departementale rekening 2002, wordt veroorzaakt door de in deze rekening gehanteerde afrondingsregels.

Liquide middelen

Deze balansrekening geeft de saldi van de bank- en girotegoeden weer. De samenstelling is als volgt:

(x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2002Openstaand per 31-12-2001
Informatie Beheer Groep– 1 7151 258
Cultuurinstellingen45941
Overige kasbeheerders3– 1
Totaal– 1 6672 198

Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding

Op de rekening-courant wordt de financiële verhouding met het Ministerie van Financiën geadministreerd. Tevens worden door middel van deze administratie de begrotingsuitgaven en ontvangsten met het Ministerie van Financiën afgewikkeld.

Begrotingsreserve Museaal Aankoopfonds

In 1998 is het Museaal Aankoopfonds opgericht. Dit is een intra-comptabel fonds met het karakter van een interne reserverekening. Op deze rekening wordt bijgehouden hoeveel geld er voor kunstaankopen voor latere jaren beschikbaar is. In december 1998 is er € 45 378 022 ten laste van artikel 14 in dit fonds gestort.

In 2002 zijn er geen aankopen verricht.

Rekening courant Museaal Aankoopfonds (x € 1000)
Saldo 1 januari 200245 920
Rentebijschrijving2 267
Toevoeging8 700
Saldo per 31 december 200256 887

Uitgaven buiten begrotingsverband (intra-comptabele vordering)

(x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2002Openstaand per 31-12-2001
Te verrekenen personeel en voormalig personeel2482
Overig1280
Totaal15282

Ontvangsten buiten begrotingsverband (extra-comptabele vordering)

(x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2002Openstaand per 31-12-2001
Loonheffing en inhouding USZO5 0284 633
Diversen67179
Totaal5 0954 812

De af te dragen loonheffing en inhoudingen ABP/USZO (departementaal personeel) heeft betrekking op de maand december 2002. In januari 2003 is dit verschuldigd bedrag betaald.

Extra comptabele vorderingen

De stand van de debiteuren per 31-12-2002 wordt als volgt gespecificeerd:

(x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2002Openstaand per 31-12-2001
01 Basisonderwijs3714 567
03 Voortgezet onderwijs414731
04 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie6 6849 531
06 Hoger beroepsonderwijs1 6451 602
07 Wetenschappelijk onderwijs38
08 Internationaal onderwijsbeleid71
09 Onderwijspersoneel3
10 Informatie- en communicatietechnologie2479
11 Studiefinanciering5 443 4954 754 415
12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten15 53613 777
13 Lesgelden117 376110 057
14 Cultuur1 2131 282
15 Media
16 Onderzoek en wetenschappen923
18 Bestuursdepartement72897
19 Inspecties142
   
Wachtgelden onderwijspersoneel6 68012 754
Solvabiliteitsbuffer Participatiefonds11 03711 037
Totaal5 605 0264 929 851

De openstaande vorderingen studiefinanciering (beleidsartikel 11) betreffen de door de produktgroep Studiefinanciering van de Informatie Beheer Groep Groningen verstrekte leningen en voorschotten aan studenten ingevolge de oude regeling studiefinanciering en de nieuwe Wet studiefinanciering.

De verstrekte leningen en voorschotten aan studenten kunnen als volgt worden gespecificeerd:

(x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2002Openstaand per 31-12-2001
Rentedragende leningen5 277 4254 564 447
Renteloze voorschotten112 623146 053
Overige vorderingen53 44743 915
Totaal5 443 4954 754 415

De specificatie van het verloop van de posten rentedragende leningen en renteloze voorschotten is als volgt:

(x € 1000)
 Rentedragende leningenOpenstaande voorschotten
Openstaande bedragen per 01–01–20024 564 447146 053
Nieuw verstrekt934 5242 835
Afgelost– 208 399– 21 047
Correcties en omzettingen– 11 075– 537
Kwijtschelding– 2 072– 14 681
Totaal5 277 425112 623

Voor de bedragen voor rentedragende leningen en renteloze voorschotten geldt de nominale waarde. De werkelijke waarde (uiteindelijk inbaar) hiervan wordt grotendeels beïnvloed door:

• de mate waarin de als voorlopige rentedragende leningen uitgekeerde studiefinanciering (prestatiebeurs) zullen worden omgezet in beurzen, vanwege het voldoen aan de eerstejaars prestatienorm en /of diploma norm;

• het sociaal risico bij de (aflosbaar gestelde) langlopende leningen en renteloze voorschotten in verband met de wettelijk beperkte aflossingstermijnen.

• De mate waarin de achterstallige vorderingen studiefinanciering (achterstallig lager recht en aflosbaar gestelde leningen en voorschotten) uit het deurwaarderstraject geïnd kunnen worden.

Het bedrag aan (niet aflosbaar gestelde) rentedragende leningen in het toekenningstraject bedraagt ultimo 2002 € 3 621 miljoen. Naar verwachting zal hiervan in de toekomst € 1 557 miljoen worden omgezet van voorlopig rentedragende leningen naar beurzen. Verder moet een bedrag van € 151 miljoen op grond van garantiebepalingen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

Het bedrag aan aflosbaar gestelde leningen en voorschotten (exclusief deurwaarderstraject) bedraagt ultimo 2002 € 1 709 miljoen. Daarvan moet een bedrag van € 187 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

Het bedrag aan achterstallige vorderingen studiefinanciering in het deurwaarderstraject bedraagt ultimo 2002 € 87 miljoen. Daarvan moet een bedrag van € 41 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

Het bedrag aan vorderingen lesgelden (beleidsartikel 13) in het deurwaarderstraject ultimo 2002 bedraagt circa € 30 miljoen. Daarvan moet een bedrag van € 13 miljoen als mogelijk oninbaar worden beschouwd.

De openstaande vorderingen op de onderwijs beleidsartikelen hebben onder meer betrekking op de afrekeningen van voorschotten.

Een bedrag van € 6,7 miljoen aan openstaande vorderingen wachtgelden onderwijspersoneel betreft vorderingen op het participatiefonds als gevolg van door OCenW teveel betaalde wachtgelduitkeringen in het verleden voor invoering van het participatiefonds. De afname van de wachtgelden onderwijspersoneel wordt veroorzaakt door een correctie op het beginsaldo 1995 (€ 408) en de afrekening 2002 (€ 5 486).

De langlopende vordering in verband met de solvabiliteitsbuffer participatiefonds heeft betrekking op een betaling in 1996 ter optimalisering van de liquiditeitspositie van het fonds. Bij beëindiging van het fonds wordt deze vordering direct opeisbaar.

Voorschotten

De stand van de voorschotten inclusief studieleningen per 31–12–2002 wordt als volgt gespecificeerd naar beleidsartikel:

(x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2002Openstaand per 31-12-2001
01 Basisonderwijs5 922 6024 907 972
03 Voortgezet Onderwijs313 299302 214
04 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie121 49069 482
06 Hoger beroepsonderwijs58 721120 896
07 Wetenschappelijk onderwijs1 88083
08 Internationaal onderwijsbeleid20 53013 542
09 Onderwijspersoneel130 60986 364
10 Informatie- en communicatietechnologie37 87013 244
14 Cultuur154 838153 505
15 Media56 55944 884
16 Onderzoek en wetenschappen 977
18 Bestuursdepartement7 21613 584
19 Inspecties5535
   
Permanente voorschotten554554
Totaal6 826 2235 727 336

Het overgrote deel van de voorschotten van OCenW heeft betrekking op de personele uitgaven van scholen in het primair onderwijs.

Tussen het uitbetalen van het voorschot in het primair onderwijs en het vaststellen van de definitieve vergoeding bestaat een tijdsverloop. Dit tijdsverloop is afhankelijk van de wettelijk vastgestelde data van indiening van de declaraties. Voor het primair onderwijs geldt dan een aanvaardbaar tijdsverloop van 2 jaar.

De stand van de voorschotten per 31-12-2002 wordt als volgt gespecificeerd naar vergoedingsjaar:

(x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2002Openstaand per 31-12-2001
1992035
1993106108
19945964 908
1995937 152
19963 91314 841
19976 36226 076
199817 06927 476
199927 08479 373
2000143 177282 246
20011 051 7255 284 567
Subtotaal scholen en instellingen 20021 250 1255 575 5445 726 782
Totaal scholen en instellingen6 825 6695 726 782
Permanente voorschotten554554
Totaal-Generaal6 826 2235 727 336

Van een achterstand in de afrekening van de oude jaargangen voorschotten is geen sprake, omdat deze vooral betrekking hebben op langlopende projecten op de verschillende beleidsterreinen.

Garantieverplichtingen

In het verleden zijn instellingen zelfstandig op de kapitaalmarkt leningen aangegaan ter financiering van bouwinvesteringen, onder garantiestelling van het Rijk jegens de geldverschaffers voor de rente en aflossingsverplichtingen. De destijds vigerende garantieregelingen zijn inmiddels niet meer van kracht. Het bedrag van de garantie verplichtingen (nog openstaande rente en aflossingsverplichtingen op lopende leningen) is het theoretisch maximale risico dat het ministerie ultimo 2002 nog loopt in verband met garantiestellingen op bouwleningen en overige garantieleningen.

In onderstaand overzicht zijn de openstaande garanties gespecificeerd opgenomen in vergelijking met ultimo 2001:

(x € 1000)
 Openstaand per 31-12-2002Openstaand per 31-12-2001
– Bouwleningen aan academische ziekenhuizen449 011464 865
– Bouwleningen aan scholen en instellingen vo33 77142 214
– Bouwleningen aan scholen en instellingen bve10 15612 755
– Bouwleningen aan scholen en instellingen hbo3 7444 467
– Leningen studiefinanciering188188
– Garanties cultuur111 508102 787
Totaal608 378627 276

Voor de academische ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

In het hoger beroepsonderwijs (hbo) zijn sinds 1985 geen garanties op bouwleningen meer verstrekt.

In het voortgezet onderwijs (vo) en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) worden eveneens geen garanties op bouwleningen meer verstrekt. Dit in verband met de decentralisatie van de huisvesting vo en de OKF-operatie bve. De meeste van deze leningen hebben een looptijd van gemiddeld 25 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2013 volledig hebben plaatsgevonden. Het feitelijk risico op deze garanties wordt als beperkt ingeschat.

De post leningen studiefinanciering is gebaseerd op de waardering van de uitstaande schuld inclusief de rente volgens de opgave van de desbetreffende bankinstellingen naar de stand ultimo 2001.

De uitstaande garanties bij Cultuur bedragen ruim € 111 miljoen. Hiervan is € 73 miljoen aan garanties verstrekt door het Nationaal Restauratiefonds en € 5 miljoen betreft een garantie onder de indemniteitsregeling.

Voorts heeft OCenW zich garant gesteld voor eventuele toekomstige tekorten bij de Kunstfondsen voor een bedrag van € 31 miljoen. Dit is het gevolg van de in 2000, 2001 en 2002 gerealiseerde afroming van de liquiditeiten bij de fondsen.

Openstaande verplichtingen

De opbouw van de stand van de aangegane verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:

(x € 1000)
Stand 1 januari 200212 479 456
Bij: correcties op de beginstand910
Gecorrigeerde stand januari 200212 480 366
  
Bij: aangegaan24 402 747
  
Af: tot betaling gekomen in 200224 190 541
Stand 31 december 200212 692 572

De specificatie van de openstaande verplichtingen per beleidsartikel ultimo 2002 is hierna opgenomen.

(x € 1000)
01 Basisonderwijs72 769
02 Expertisecentra1 302
03 Voortgezet onderwijs3 313 780
04 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie2 309 921
06 Hoger beroepsonderwijs1 636 830
07 Wetenschappelijk onderwijs3 025 057
08 Internationaal onderwijsbeleid8 132
09 Onderwijspersoneel36 040
10 Informatie- en communicatietechnologie101 119
14 Cultuur1 292 115
15 Media4 048
16 Onderzoek en wetenschappen879 953
18 Bestuursdepartement10 426
19 Inspecties1 080
Totaal12 692 572

BIJLAGE 3 AFKORTINGEN

abaanvullende beurs
ABPAlgemeen Burgerlijk Pensioenfonds
ASCStichting Afrika Studiecentrum
ACOAdviescommissie Onderwijsaanbod
ADAccountantsdienst
advarbeidsduurverkorting
ahrachterstallig hoger recht
aioassistent in opleiding
alrachterstallig lager recht
AMCAcademisch Medisch Centrum
AMvBAlgemene maatregel van bestuur
AOAlgemeen overleg met de Tweede Kamer
aocagrarisch opleidingencentrum
APSalgemeen pedagogisch studiecentrum
arboarbeidsomstandigheden
ATCAccountability, toezicht en controle
avoalgemeen voortgezet onderwijs
AVSAlgemene Vereniging Schoolleiders
AWTAdviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid
AZVUacademisch ziekenhuis bij de Vrije Universiteit
baobasisonderwijs
bapobevordering arbeidsparticipatie ouderen
BBCUBekostigingsbesluit cultuuruitingen
bblberoepsbegeleidende leerweg
bboberoepsbegeleidend onderwijs
bbpbruto binnenlands product
BISONBeraad Internationale Samenwerking Onderwijs (samenwerkingsverband van de intermediaire organisaties CINOP, Nuffic en EP)
bkbbestuurlijke krachtenbundeling
bolberoepsopleidende leerweg
bol-tdberoepsopleidende leerweg in deeltijd
BPRCBiomedical Primate Research Centre
bpvberoepspraktijkvorming
BrgrBesluit rijkssubsidiering grootschalige restauraties
BRINBasisregistratie voor instellingen
BRPbasisregistratie personeel
BSMBekostigingssysteem materieel
bveberoepsonderwijs en volwasseneneducatie
BWOOBesluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekpersoneel
BZABesluit Ziekte en Arbeidsongeschiktheid
BZKministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
caocollectieve arbeidsovereenkomst
CASOCommissie Automatisering Salarisadministratie Onderwijs
CBSCentraal Bureau voor de Statistiek
CCOCareer Center Onderwijs
CenesaCooperation in education between the Netherlands and South Africa
CernEuropese organisatie voor kern- en hoger energiefysica
CFICentrale Financiën Instellingen
CinopCentrum voor Innovatie van Opleidingen
cjpcultureel jongeren paspoort
ckvculturele en kunstzinnige vorming
ColoVereniging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven
COSCommissie van overleg sectorraden
CPBCultureel Planbureau
CPGCentrum voor Parlementaire Geschiedenis
CPSchristelijk pedagogisch studiecentrum
CrihoCentraal register instellingen hoger onderwijs
CrohoCentraal register opleidingen hoger onderwijs
CSTPCommittee for Scientific and Technological Policy van de OESO
cwlcontactgroep werkend leren
CWTSCentrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies
DeltaDutch education: learning at top level abroad
DIADuitsland Instituut Amsterdam
drodigitaal rijbewijs onderwijs
dudigitale universiteit
ECHOExpertisecentrum voor allochtonen in het hoger onderwijs
ECNEnergie Centrum Nederland
ECTSEuropean Credit Transfer System
eerEuropese economische ruimte
eeteconomie, ecologie, technologie
EIBEuropees Instituut voor Bestuurskunde
EIMEconomisch instituut voor midden- en kleinbedrijf
EMBCEuropese Moleculaire Biologische Conferentie
EMBLEuropees Moleculair Biologische Laboratorium
EPEuropees platform voor het Nederlandse onderwijs
ESAEuropees ruimte agentschap
ESOEuropese organisatie voor astronomisch onderzoek
ESFEuropees Sociaal Fonds
EUEuropese Unie
evcelders verworven competenties
EZministerie van Economische Zaken
FBBSFederatie Bibliotheekwerk voor Blinden en Slechtzienden
FESFonds Economische Structuurversterking
freformatie rekeneenheden
ftefulltime equivalent (formatie-eenheid)
fpuflexibele pensioen uittreden
GBAGemeenschappelijke Basisadministratie Persoonsgegevens
GBIFGlobal Biodiversity Information Facility
GDGrondmechanica Delft
gentgehele Europese Nederlandse taalgebied
goagemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid
GOAWet gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid
gsbgrote stedenbeleid
gti'sgrote technologische instituten
havohoger algemeen voortgezet onderwijs
hbohoger beroepsonderwijs
HGISHomogene groep internationale samenwerking
hohoger onderwijs
HOOPhoger onderwijs en onderzoek plan
ibinternationaal beleid
IB-GroepInformatie Beheer Groep
ibointerdepartementaal beleidsonderzoek
ICBInspectie cultuurbezit
ICNInstituut Collectie Nederland
ICESInterdepartementale Commissie Economische Structuurversterking
ICES/KISInterdepartementale Commissie Economische Structuurversterking / werkgroep kennisinfrastructuur
ictinformatie communicatietechnologie
idinstitutional development
ifinterim functievervulling
igbointernationaal georiënteerd basisonderwijs
igvointernationaal georiënteerd voortgezet onderwijs
IHEInternational institute for infrastructural, hydraulic and environmental engineering
IHSInstitute for housing and urban development studies
IISGInternationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
iivoin instellingstijd verzorgd onderwijs
ilrindividuele leerrekening
iointernationaal onderwijs
iobkin hun ontwikkeling bedreigde kleuters
IPBintegraal personeelsbeleid
ipointerprovinciaal overleg
ISIOInterdepartementale stuurgroep internationaal onderwijs
ISOInterstedelijk Studentenoverleg
ISSInstitute of Social Studies
ITCInternational Institute for Aerospace Survey and Earth Sciences
ITSInstituut voor toegepaste sociale wetenschap
IVAInstituut voor arbeidsvraagstukken
JOBJongerenorganisatie Beroepsonderwijs
KansKoninkrijk der Nederlanden, algemeen programma voor nauwe samenwerking tussen scholen
KBKoninklijke bibliotheek
KCEKwaliteitscentrum examens mbo
kdc-zmlkinderdagcentrum zeer moeilijke kinderen
keakleinschalig experiment achterstandsbestrijding
KeBBKennisuitwisseling beroepsonderwijs bedrijfsleven
KNAWKoninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen
KPCKatholiek Pedagogisch Centrum
ksekwalificatiestructuur educatie
LAOLesgeven Anders Organiseren
lbklandelijk beleidskader (onderwijsachterstanden)
LCTILandelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
LCWLes- en cursusgeldwet
lglichamelijk gehandicapte leerlingen
lgfleerlinggebonden financiering
LICALandelijk Informatie Centrum Aansluiting vo-hbo
lioleraar in opleiding
LNVministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
loblandelijk orgaan beroepsonderwijs
LOKVLandelijke Organisatie Kunstzinnige Vorming
lomleer- en opvoedingsmoeilijkheden
looklandelijk overleg onderwijskansen
LSVbLandelijke studentenvakbond
lwooleerwegondersteunend onderwijs
MARINMaritiem Research Instituut Nederland
mavomiddelbaar algemeen voortgezet onderwijs
mbomiddelbaar beroepsonderwijs
MenOmisbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen
MEVMacro Economische Verkenningen
mlkmoeilijk lerende kinderen
momaatschappij oriëntatie
moamanagement, ondersteuning, arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden
moumemorandum of understanding
mpvmeervoudige publieke verantwoording
MSMMaastricht School of Management
mspmonumenten selectie project
NAANederlands Audiovisueel Archief
NACEENetherlands America commission for educational exchange
NAONederlandse Accreditatie Organisatie
nbiniet bekostigde instelling
NBLCNederlands Bibliotheek en Lectuurcentrum
NCWNederlanse Christelijke Werkgeversbond
NESONetherlands Education Support Office
NIBUDNationaal Instituut voor Budgetvoorlichting
NICLNationaal informatiecentrum leermiddelen
NIPONederlands Instituut voor de Publieke Opiniepeiling
NIZWNederlands Instituut voor Zorg en Welzijn
NLRNationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium
noatNederlandstalig onderwijs aan anderstaligen
NOBNederlandse Omroepproductie Bedrijf
NOSNederlandse Omroep Stichting
NPSNederlandse Programma Stichting
NRFNationaal Restauratie Fonds
NT2Nederlands als tweede taal
NTUNederlandse Taalunie
NUCNationale Unesco Commissie
NufficNederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs
NWONederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
oaltonderwijs in allochtone levende talen
OCenWministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
OCTOOnderwijscentrum Toegepaste Onderwijskunde
ODAOfficial Development Association
OESOOrganisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling
oioonderzoeker in opleiding
okonderwijskansen
OUOpen Universiteit
OUNLOpen Universiteit Nederland
ovopenbaar vervoer
ovskopenbaar vervoer studentenkaart
owbonderzoek en wetenschapsbeleid
O&Ionderwijs en informatie samenleving
pabopedagogische academie basisonderwijs
PaeponPlatform van aangewezen / erkende particuliere onderwijsinstellingen in Nederland
p-beursprestatiebeurs
pclpermanente commissie leerlingenzorg
pisaprogramme for international student assessment
pmpoprocesmanagement primair onderwijs
pmvoprocesmanagement voortgezet onderwijs
poprimair onderwijs
pokprojectgroep onderwijskansen
ppspubliek private samenwerking
propraktijkonderwijs
R&DResearch and Development
RADRijksarchiefdienst
RDMZRijksdienst voor de Monumentenzorg
recregionale expertise centra
RgdRijksgebouwendienst
rhcregionale historische centra
rmcregionale meld- en coördinatiefunctie
ROAResearchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
ROBRijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek
rocregionaal opleidingscentrum
rubsregistratie uitstroom en bestemming schoolverlaters
rocregionaal opleidingscentrum
rtiregionale taskforce inburgering
sbaospeciaal basisonderwijs
sbdschoolbegeleidingsdienst
SBOSectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt
sbosecundair beroepsonderwijs
SCPSociaal en Cultureel Planbureau
SERSociaal Economische Raad
SEOStichting voor Economisch Onderzoek
sfstudiefinanciering
sfbstudiefinancieringsbeleid
SICIstanding international conference of central en general inspectorates of education
siloregeling stimulans innovatieve leeromgevingen bve
SIRSubsidie Individuele Reïntegratie
SKOHBOStichting Kennisontwikkeling hbo
SKORStichting Kunst en Openbare Ruimte
SLOInstituut voor leerplanontwikkeling
SLOAsubsidiering landelijke onderwijsondersteunende activiteiten
SNOBStichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland
sospeciaal onderwijs
SPSSchoolbudgetten, Personeelsbeleid en Schoolontwikkeling
StoebStudent op eigen benen
SurfSamenwerkingsorganisatie voor netwerkdienstverlening en informatie- en communicatietechnologie in het hoger onderwijs en onderzoek
SUWIStructuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen
svcstudievoortgangscontrole
svospeciaal voortgezet onderwijs
svuosubsidie voorkoming uitval onderwijspersoneel
SZWministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
TCAITijdelijke Commissie Advisering Indicatiestelling
TKTweede Kamer
TLOTegemoetkoming Lerarenopleiding
TNONederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
toatechnisch onderwijsassistent
TOMTeamonderwijs op Maat
TS17-tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor leerlingen tot 18 jaar in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg (volgens hoofdstuk 3 van de WTOS)
TS18+tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor leerlingen ouder dan 18 jaar in (deeltijd) voortgezet onderwijs die geen recht meer hebben op VO18+ en studerenden in het hoger onderwijs van 18 jaar en ouder aan lerarenopleidingen die geen recht meer hebben op WSF (volgens hoofdstuk 5 van de WTOS)
uduniversitair docent
uhduniversitair hoofddocent
ulouniversitaire lerarenopleiding
UnescoUnited Nations educational scientific and cultural organisation
UNUUnited Nations University
USZOUitvoeringinstelling sociale zekerheid overheid en onderwijs
UvAUniversiteit van Amsterdam
UWVUitvoering werknemersverzekeringen
vavovoortgezet algemeen volwassenenonderwijs
vbovoorbereidend beroepsonderwijs
VBTBVan beleidsbegroting tot beleidsverantwoording
VeLoVereenvoudigd Londostelsel
VfVervaningsfonds
VIRVoorschrift Informatiebeveiliging Rijksoverheid
vmbovoorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
VNGVereniging van Nederlandse Gemeenten
VNOVerbond van Nederlandse Ondernemingen
vovoortgezet onderwijs
VO18+Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor leerlingen van 18 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs (volgens hoofdstuk 4 van de WTOS)
voavoorbereidende en ondersteunende activiteiten
VROMministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu
VSNUVereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
vsovoortgezet speciaal onderwijs
vsvvoortijdig schoolverlaten
VSWOVereniging van Samenwerkende Werkgeversorganisaties in het Onderwijs
VUVrije Universiteit
vvevoor- en vroegschoolse educatie
VVOVereniging voor het management in het voortgezet onderwijs
vwovoorbereidend wetenschappelijk onderwijs
VWSministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WAOWet arbeidsongeschiktheid
WEBWet educatie en beroepsonderwijs
WECWet op de expertise centra
WINWet inburgering nieuwkomers
WIOWerken in het onderwijs
WISWachtgeld Informatiesysteem
WHWWet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
WLWaterloopkundig Laboratorium
WMOWet medezeggenschap onderwijs
wowetenschappelijk onderwijs
WORWet op de ondernemingsraden
wpwetenschappelijk personeel
wopiwetenschappelijk onderwijs personeels informatie
WOTWet onderwijstoezicht
WPOWet op het primair onderwijs
WSCWet op het specifiek cultuurbeleid
WSFWet studiefinanciering
WSLOAWet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten
wsnsweer samen naar school
WSWWet sociale werkvoorziening
w&tcWetenschap- en techniekcommunicatie
WTOSWet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
WTOS18+tegemoetkoming studiekosten voor leerlingen en studenten die minimaal 18 jaar zijn en geen recht hebben op SF of VO18+ (volgens hoofdstuk 4 van de WTS)
WTSWet tegemoetkoming studiekosten
WTS18+Tegemoetkoming studiekosten voor leerlingen en studenten die minimaal 18 jaar zijn en geen recht heeft op studiefinanciering of VO18+ (volgens hoofdstuk 4 van de WTS)
WVOWet op het voortgezet onderwijs
WVOIWerkgeversvereniging onderzoekinstellingen
WWWerkloosheidswet
zbozelfstandig bestuursorgaan
zkooziektekostenvoorziening voor onderwijs- en onderzoekspersoneel
zmlzeer moeilijk lerend
zvooziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekspersoneel

BIJLAGE 4 TREFWOORDEN

Aankoopfonds 363, 364

Aanvullende beurs 211, 212, 213, 214, 218, 310, 372

Achterstallig recht 311, 380

Achterstandenbeleid 16, 18, 38, 39, 40, 43, 51, 73, 97, 304, 373

Actieplan cultuurbereik 228, 231, 232, 238, 244

Allochtonen 95, 116, 117, 122, 234, 373

Arbeidsmarktknelpunten 173, 192

Arbeidsvoorwaarden 13, 14, 15, 17, 19, 20, 156, 157, 172, 174, 175, 182, 191, 282, 283

Archeologie 228, 229, 236, 244, 247, 312

Archiefwet 333

Archieven 228, 229, 242, 247, 266, 312, 332, 333, 334, 335, 336, 337, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 347, 349, 350

Aspasia 184, 273, 275, 280, 314, 380

Bachelor-master 14, 109, 123, 124, 129, 130, 216, 217

Basisbeurs 211, 212, 213, 310

Basisonderwijs 13, 16, 18, 21, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 31, 32, 33, 36, 38, 40, 41, 43, 49, 50, 110, 147, 153, 186, 194, 206, 302, 319, 351, 372, 374, 375, 376, 380, 381, 383, 385, 386, 388, 389, 390, 391

Basisvorming 53, 54, 55, 58, 59, 60, 75, 78, 303, 381, 388

Beeldende kunst 21, 228, 229, 230, 234, 238, 239, 247, 312

Bekostiging 24, 28, 29, 35, 43, 44, 45, 46, 47, 54, 57, 58, 63, 74, 77, 81, 82, 83, 90, 100, 110, 120, 124, 125, 132, 136, 146, 147, 157, 174, 183, 207, 231, 243, 244, 264, 288, 289, 290, 295, 305, 306, 320, 331, 372

Bekostigingsbesluit cultuuruitingen 372

Beroepskolom 10, 11, 13, 19, 66, 83, 85, 86, 99, 100, 101, 102, 103, 104, 118, 386

Beroepsonderwijs 5, 13, 17, 19, 20, 71, 75, 80, 81, 82, 86, 88, 89, 90, 98, 100, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 142, 143, 144, 150, 152, 154, 160, 171, 182, 183, 184, 192, 194, 195, 196, 203, 205, 207, 209, 282, 283, 284, 291, 300, 352, 366, 368, 370, 371, 372, 374, 376, 377, 380, 381, 382, 383, 384, 385, 386, 387, 388, 389, 390, 391

Beroepsopleidende leerweg 211, 214, 219, 221, 226, 372, 376, 382

Beroepspraktijkvorming 82, 88, 89, 107, 372, 382, 387

Bestuurlijke krachtenbundeling 46, 47, 372

Beurzenprogramma 134, 141, 142, 148

Bibliotheken 201, 202, 228, 229, 230, 231, 245, 246, 247, 259, 266, 271, 312, 335

Bilaterale samenwerking 277, 279, 280, 314

Bouwkunst en vormgeving 229, 247, 312

BPRC 280, 281, 314, 315, 372

Bve Raad 82, 86, 88, 89, 90, 92, 93, 102, 103

Bve-sector 18, 80, 82, 83, 84, 87, 162, 163, 169, 170, 172, 178, 179, 180, 185, 189, 190, 197, 200, 207, 290

Collegegeld 110, 125, 219, 227, 382

Conservering 271, 272, 333, 334, 338

Convenant 15, 41, 86, 87, 88, 90, 91, 113, 114, 116, 132, 156, 161, 165, 166, 171, 172, 175, 176, 184, 186, 187, 188, 191, 245, 246, 269, 273, 276, 281, 291

Cultureel erfgoed 150, 152, 228, 229, 230, 231, 235, 236, 241, 247, 312

Culturele diversiteit 232, 233, 234, 240

Culturele planologie 232, 236

Cultuur en school 234, 235, 313

Cultuuruitingen 16, 19, 228, 231

Decentralisatie arbeidsvoorwaarden 161, 174

Deelname 15, 32, 41, 69, 80, 116, 117, 122, 123, 141, 148, 150, 191, 228, 277

Deregulering 35, 54, 58, 85, 87, 265

Differentiatie 15, 18, 108, 157, 161, 164, 174, 180, 182, 188, 189, 192, 283

Doelgroepenbeleid 38, 73, 116, 273

Doorstroom 14, 19, 41, 55, 59, 61, 64, 66, 80, 82, 83, 100, 101, 102, 103, 116, 117, 122, 162, 172, 380, 386

Educatie 5, 16, 18, 39, 44, 45, 71, 75, 80, 81, 82, 88, 95, 96, 98, 102, 103, 142, 143, 150, 152, 160, 181, 182, 183, 192, 194, 195, 196, 197, 200, 201, 206, 207, 208, 209, 229, 234, 247, 252, 253, 282, 284, 291, 300, 304, 305, 312, 339, 340, 352, 366, 368, 370, 371, 372, 374, 377, 382, 383, 384, 385, 386, 388, 391

Educatieve software 194, 201, 206, 207

Enveloppebrief 127

ESF 97, 296, 297, 305, 373

FES 16, 105, 266, 267, 268, 274, 280, 283, 284, 285, 314, 373

Film 228, 229, 230, 234, 239, 240, 247, 253, 271, 312

Fondsen 156, 229, 230, 231, 233, 238, 245, 247, 263, 312, 334, 341, 342, 344, 349, 370

Fundamenteel onderzoek 276

Genomics 14, 16, 262, 265, 268, 269, 270, 280, 314, 315, 384

Gewichtenregeling 39, 42, 43

Gigaport 384

GOA 39, 40, 41, 42, 44, 51, 73, 373

Groepsgrootte en kwaliteit 30, 168

Havo/vwo 59, 61, 64, 70, 72, 75, 78, 303

Hoger beroepsonderwijs 5, 108, 110, 111, 113, 123, 124, 143, 146, 152, 160, 184, 186, 189, 190, 211, 214, 284, 300, 306, 353, 366, 368, 370, 371, 373, 384, 385, 386, 387, 389, 392

Hoger onderwijs 14, 55, 61, 69, 70, 108, 109, 110, 116, 117, 120, 122, 123, 124, 127, 129, 130, 134, 135, 136, 137, 140, 141, 142, 143, 145, 146, 147, 148, 149, 154, 160, 175, 195, 204, 205, 207, 208, 209, 215, 216, 239, 264, 283, 289, 310, 373, 375, 376, 377, 384, 385, 392

Huisvesting 28, 29, 31, 35, 47, 48, 49, 51, 54, 76, 85, 110, 125, 127, 130, 263, 280, 313, 314, 315, 316, 318, 338, 339, 340, 345, 370, 377, 380

Inburgering 81, 82, 92, 93, 94, 95, 96, 98, 99, 304, 305, 377, 385

Individuele leerrekening 374, 385

Informatie- en communicatietechnologie 5, 242, 283, 285, 300, 355, 366, 368, 371, 376

Instroom 32, 44, 62, 69, 73, 80, 94, 106, 108, 115, 116, 117, 118, 122, 123, 126, 132, 134, 141, 142, 157, 161, 162, 163, 165, 166, 169, 170, 171, 172, 184, 187, 273, 293, 294, 331

Internationale samenwerking 140, 141, 146, 276, 334, 339, 373, 375

Inventaris 13, 18, 19, 32, 64, 75, 76, 85, 86, 102, 107, 118, 322, 323, 346, 348

Jeugdbeleid 71

KCE 91, 92, 374

KeBB 98, 207, 374

Kennisnet 14, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 200, 201, 202, 204, 205, 206, 207, 209, 210, 291

Koers 12, 68, 96

Kwalificatiestructuur 89, 90, 374

Kwalificatiewinst 14, 19, 83, 99, 100, 104, 386

Kwaliteit 12, 13, 14, 17, 18, 19, 21, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 33, 34, 36, 40, 41, 42, 45, 47, 52, 54, 55, 58, 59, 63, 66, 67, 68, 70, 73, 75, 80, 81, 82, 86, 87, 88, 89, 91, 92, 94, 96, 100, 102, 103, 108, 109, 110, 113, 121, 122, 123, 124, 130, 133, 140, 141, 144, 149, 151, 160, 161, 174, 177, 182, 184, 203, 204, 205, 207, 229, 239, 240, 245, 249, 254, 255, 259, 261, 265, 273, 276, 288, 289, 290, 291, 293, 294, 296, 297, 298, 331

Kwaliteitsbeleid 63

Kwaliteitscentrum examens 92, 374

Landelijke organen beroepsonderwijs 89

Leerlingenzorg 24, 26, 27, 30, 31, 32, 375

Leerlinggebonden financiering 21, 36, 37, 374

Leermiddelen 13, 27, 48, 51, 81, 98, 201, 202, 211, 375

Leerplicht 23, 34, 35, 43, 53, 72, 73, 97, 226

Leerwerktrajecten 64, 65, 101, 102

Lerarenbeleid 164, 282, 283

Les- en cursusgeldwet (LCW) 226

Lesgeld 5, 54, 219, 220, 222, 226, 227, 300, 311, 357, 366, 367

Letteren 228, 229, 230, 231, 245, 247, 312

Leven lang leren 12

Liquiditeit 56, 83, 84, 111, 127, 128, 230, 262, 263, 348, 349, 368, 370, 387

Loopbaanperspectief 134, 174, 182, 184, 274

Materiële bekostiging 17, 22, 57, 58, 76, 77

Metamorfoze 263, 271, 272

Middelbaar beroepsonderwijs 82, 215, 216, 374, 377, 382, 386, 387, 391

Mondhygiëne 20, 112, 113, 131

Monumenten 242, 243, 244, 318, 375, 385

Monumentenwet 244

Monumentenzorg 228, 229, 236, 242, 243, 247, 286, 312, 318, 376

Musea 228, 229, 230, 234, 235, 241, 247, 266, 312, 313, 335, 363, 364

Nascholing 54, 182

Numerus fixus 16, 132, 133

Oalt 44, 45

Onderwijskansen 15, 16, 18, 39, 41, 42, 73, 374, 375

Onderwijsprogrammering 90, 91

Onderzoekspersoneel 155, 157, 177, 273, 378

Ontwikkelingssamenwerking 149

Ov-studentenkaart 211, 213, 215, 310

Podiumkunsten 228, 229, 230, 237, 238, 240, 247, 312

Prestatiebeurs 212, 213, 214, 216, 218, 310, 367, 375

Primair onderwijs 13, 18, 22, 23, 24, 25, 28, 29, 30, 32, 33, 34, 36, 38, 45, 46, 47, 48, 51, 74, 118, 157, 160, 162, 163, 167, 168, 169, 170, 172, 176, 177, 178, 179, 180, 182, 183, 184, 185, 189, 190, 192, 195, 196, 205, 209, 282, 283, 302, 319, 320, 368, 375, 378, 381, 382, 389, 390

Raad voor Cultuur 228, 229, 230, 236, 237, 239, 240, 241, 286, 287, 317

Regeerakkoord 13, 90, 182, 264, 335, 342, 344

Reisvoorziening 211, 215, 218, 310

Rendement 29, 55, 80, 82, 83, 101, 109, 111, 118, 125, 126, 165, 262, 344

Rentabiliteit 56, 83, 84, 85, 111, 127, 129, 389

Rentedragende lening 211, 212, 213, 214, 218, 310, 311, 366, 367

Renteloze voorschotten 311, 366, 367

Rijksbijdrage 17, 21, 22, 57, 82, 87, 88, 89, 90, 91, 94, 96, 103, 110, 124, 136, 137, 229, 262, 263, 289, 304, 305, 307, 333, 336, 337, 338, 341, 345, 347, 350

Schoolontwikkeling 18, 42, 60, 63, 73, 182, 183, 376

Silo 207, 209

Simulatie vraagfinanciering 136

Solvabiliteit 56, 83, 84, 111, 127, 128, 129, 230, 366, 368, 390

Speciaal onderwijs 17, 21, 23, 24, 28, 33, 37, 49, 53, 186, 206, 303, 320, 376, 377, 383, 390, 391

Stagebeleid 115

Studentenmonitor 108, 123, 218

Studiefinanciering 5, 16, 90, 108, 122, 126, 142, 143, 211, 212, 214, 215, 216, 217, 283, 298, 300, 310, 320, 321, 356, 366, 367, 370, 376, 378, 380

Studielening 218, 295, 298, 368

Studieschuld 321

Studievoortgang 218, 311, 376

Taskforce inburgering 376

Technische studies 117

Technocentra 5, 105, 106, 107, 283, 285, 300, 353

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 5, 219, 300, 320, 356, 366, 376, 377, 378

Tempobeurs 212

Toegankelijkheid 12, 16, 23, 26, 29, 31, 53, 80, 86, 96, 108, 121, 122, 201, 203, 212, 219, 227, 228, 235, 249, 261, 262, 265, 266, 289, 391

Universitaire lerarenopleiding 132, 165, 166, 377

Variëteit 12, 14, 15, 24, 53, 81, 101, 108, 109, 121, 123, 127, 228, 249, 259

Vernieuwingsimpuls 19, 184, 262, 273, 274, 275, 280, 314, 315, 391

Vervangingsfonds 304

Vmbo 16, 19, 53, 56, 60, 64, 65, 66, 67, 69, 70, 75, 76, 77, 78, 80, 81, 100, 101, 102, 103, 106, 118, 157, 171, 234, 316, 377

Voor- en vroegschoolse educatie 41, 42, 43, 51, 377

(voortgezet) speciaal onderwijs 24, 27, 49

Voortijdig schoolverlaten 22, 64, 71, 83, 96, 97, 296, 377

Vouchers 119, 136, 234

Vraagfinanciering 109, 119, 136

Wachtgeld 85, 189, 190, 293, 325, 328, 344, 349, 366, 367, 377

WEC 23, 29, 37, 377

Weer samen naar school 378

Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) 16, 223

Wetenschappelijk onderwijs 5, 20, 53, 61, 62, 109, 110, 118, 119, 121, 122, 123, 124, 134, 136, 143, 150, 152, 153, 160, 186, 189, 190, 211, 214, 216, 272, 284, 300, 354, 366, 368, 371, 377, 378, 380, 381, 382, 383, 384, 385, 387, 388, 389, 390, 391, 392

Wetenschapsbudget 264

WPO 23, 29, 37, 378

Ziekteverzuim 13, 161, 186, 187, 191, 292, 293

Zij-instromers 13, 16, 18, 21, 30, 156, 164, 170, 172, 174, 182, 223, 294

Zorgbudget 66, 78

BIJLAGE 5 BEGRIPPEN

Achterstallig recht

Achterstallig recht, te verdelen in achterstallig lager recht en achterstallig hoger recht betreft een correctie voor onterecht (niet) verstrekte studiefinanciering. Oorzaken van deze achterstallige rechten zijn onder meer (onbewuste) fouten in de gegevens die studenten moeten aanleveren, fouten van de IB-Groep bij verwerking van die gegevens en fraude.

Algemeen voortgezet onderwijs

Het algemeen voortgezet onderwijs (avo) omvat middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo). Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs duurt 4 jaar en is voor leerlingen van 12–16 jaar. Hoger algemeen voortgezet onderwijs duurt 5 jaar, voor leerlingen van 12–17 jaar.

Apparaatskosten

Het totaal van de personele en materiële uitgaven (voor huisvesting, energie, apparatuur, schoonmaken etc.) van het ministerie.

Artikel

Eenheid voor het boeken van uitgaven of ontvangsten op de begroting. Onderling samenhangende begrotingsartikelen worden samengevoegd op één hoofdbeleidsterrein. Begrotingsartikelen hebben een uniek nummer op de begroting en zijn veelal op te splitsen in meerdere artikelonderdelen.

Artikelonderdeel

Onderdeel van een begrotingsartikel. Artikelonderdelen maken geen deel uit van de begrotingsstaat.

Aspasia

Stimuleringsprogramma dat beoogt een initiërende bijdrage te leveren aan de vergroting van de doorstroom van vrouwen van universitair docent naar universitair hoofddocent.

Assistent opleiding

De assistent opleiding duurt een half tot één jaar en leidt op tot niveau één van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, niveau één is het laagste niveau. Er zijn geen vooropleidingseisen. Leerlingen zijn meestal vanaf ca. 16 jaar oud.

Atheneum

Het atheneum is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Er wordt op het atheneum geen Grieks en Latijn gegeven. Andere schooltypen in het vwo zijn het gymnasium en het lyceum. Zie beroepsonderwijs.

Basisberoepsopleiding

De basisberoepsopleiding duurt twee tot drie jaar en leidt op tot niveau twee van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, het vierde niveau is het hoogste niveau. Er zijn geen vooropleidingseisen. Leerlingen die naar een basisberoepsopleiding gaan zijn ca. 16 jaar oud.

Basisonderwijs

Basisonderwijs wordt gegeven aan scholen voor basisonderwijs en is bestemd voor leerlingen van 4 tot ongeveer 12 jaar. Het onderwijs omvat in principe acht aaneensluitende jaren. De overkoepelende term voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs is primair onderwijs.

Basisvorming

Voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) beginnen met een periode van basisvorming van drie jaar. Het doel is een brede vorming te geven aan leerlingen tussen 12 en 15 jaar. Er is geen strikte scheiding tussen algemene en technische vakken. Basisvorming is geen schooltype, maar een inhoudelijke vernieuwing die geldt voor alle schooltypen binnen het voortgezet onderwijs die aanvangen na het basisonderwijs.

Baten-lastendiensten

Een baten-lastendienst is één van de modellen voor verzelfstandiging, namelijk een interne verzelfstandiging met een beheersmatig karakter. De ministeriële verantwoordelijkheid en het budgetrecht van de Kamer worden door deze verzelfstandiging niet ingeperkt. Een baten-lastendienst past een baten-lastenstelsel toe, heeft een afzonderlijke plaats in de begroting en voert een administratie los van de begrotingsadministratie van het moederministerie.

Baten-lastenstelsel

In een baten-lastenstelsel worden de uitgaven en ontvangsten toegerekend aan het tijdvak waarin het verbruik van goederen en diensten plaatsvindt en de baten ontstaan. Dit stelsel maakt het mogelijk om de integrale kosten en opbrengsten af te leiden uit de administratie en leidt daarmee tot een doelmatiger beheer.

Bedrijfsvoering

Het geheel van activiteiten inzake de aanwending van financiële, materiële en informatiemiddelen in het kader van de beleids- en begrotingsprocessen waarvoor de minister verantwoordelijkheid draagt.

Begrotingswet

Wet waarbij de financiële vastlegging van het te voeren beleid met betrekking tot een begrotingsjaar is geautoriseerd. De wet bevat ramingen van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten.

Beleidsevaluatie

Onderzoek naar de effectiviteit en doelmatigheid van het te voeren (ex ante) en/of gevoerde (ex post) beleid.

Beleidsintensivering

Verhoging van uitgaven en/of verlaging van ontvangsten ten opzichte van de begroting en/of de meerjarencijfers, waaraan een beleidsbeslissing ten grondslag ligt.

Beleidsterrein

Het beleidsterrein is de afbakening van een aandachtsgebied binnen de taakopdracht van het departement. Per begroting worden de begrotingsartikelen zodanig afgebakend en gegroepeerd dat deze gezamenlijk een helder beeld geven van de onderwerpen van beleid.

Beroepsonderwijs

Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en het algemeen voortgezet onderwijs (avo), en is voor leerlingen vanaf ca. 16 jaar. Vanaf augustus 1997 omvat het beroepsonderwijs vier opleidingsniveaus: de assistent opleiding, de basisberoepsopleiding, de vakopleiding en de middenkader- of specialistenopleiding. Alle opleidingen bevatten een beroepsopleidende leerweg (beroepspraktijkvorming 20–60%) en een beroepsbegeleidende leerweg (meer dan 60% beroepspraktijkvorming).

Beroepspraktijkvorming

Het onderricht in de praktijk van het beroep.

Budgettair neutraal

Zonder effect op het saldo van uitgaven en ontvangsten van de begroting.

Centraal examen

Het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Het maakt samen met het schoolexamen deel uit van het eindexamen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs. Zie eindexamen.

Certificaat

Voor een met succes afgerond vak of deelkwalificatie kan een certificaat worden verkregen. Meerdere certificaten kunnen leiden tot een diploma, ter afsluiting van een volledige opleiding. Certificaten zijn te behalen in het algemeen vormend onderwijs, het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs, educatie en beroepsonderwijs (vanaf 1-8-97) en de Open Universiteit. Bij voldoende afsluiten van de opleiding schoolleiders primair onderwijs wordt ook een certificaat behaald.

Certificaateenheid

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van de eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenstemmen met certificaateenheden. Certificaateenheden hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs. In het nieuwe mbo dat in augustus 1997 van start is gegaan worden de certificaateenheden vervangen door deelkwalificaties.

Collegegeld

Collegegeld is de verplichte eigen bijdrage van de student. Collegegeld is verschuldigd door de inschrijving als student voor een voltijdse, deeltijdse of duale opleiding aan een universiteit of hogeschool.

Deelkwalificatie

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van de eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenstemmen met deelkwalificaties. Deelkwalificaties hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs. In het oude mbo (tot augustus 1997) heetten de deelkwalificaties certificaateenheden.

Diploma

Bij het met succes afronden van een bepaalde opleiding wordt een diploma verkregen. Dit geldt voor het algemeen vormend onderwijs (avo), het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), educatie en beroepsonderwijs (na 1-8-97) en voor de deeltijd opleiding tot leraar speciaal onderwijs.

Doelmatigheidskengetal

Een doelmatigheidskengetal geeft de kostprijs per activiteit of prestatie aan.

Doeltreffendheidskengetal

Een doeltreffendheidskengetal geeft de mate aan waarin zich beoogde en niet beoogde effecten van beleid voordoen.

Dossierverklaring

Op de Open Universiteit kan voor het met succes behalen van een samenhangende combinatie van vakken van 500–600 uur een dossierverklaring worden verkregen.

Educatie

Educatie is gericht op het leren functioneren in de samenleving. Het omvat opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren, opleidingen Nederlands als tweede taal en opleidingen gericht op sociale redzaamheid. Educatie is uitsluitend voor volwassenen.

Eindejaarsmarge

De eindejaarsmarge is het bedrag dat moet worden gecompenseerd in, respectievelijk mag worden meegenomen naar het volgende begrotingsjaar. Het gaat daarbij om een tekort of overschot (als saldo van de uitgaven en ontvangsten) in het betreffende begrotingsjaar. De eindejaarsmarge bedraagt maximaal 1% van het begrotingstotaal. Op deze wijze kan het ondoelmatig besteden van begrotingsgelden worden beperkt.

Eindexamen

Het eindexamen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) bestaat uit twee delen: het schoolexamen en het centraal examen. Het schoolexamen wordt door de school georganiseerd en afgenomen; het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Zie ook centraal examen, schoolexamen.

Eindtermen

Definitie van de kennis, vaardigheden en competenties die van deelnemers op elk van de kwalificatieniveaus worden verwacht

Eindtoets basisonderwijs

Eindtoets voor het basisonderwijs, die scholen kunnen gebruiken om hun resultaten te meten en te kunnen vergelijken met andere scholen. Ongeveer 75% van de scholen gebruikt de eindtoets basisonderwijs van het Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito).

Examen

Een examen is een afsluiting van een opleiding of een deel van een opleiding. Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) zijn voltooid na het examen. De meeste opleidingen in beroepsonderwijs en educatie kunnen worden afgesloten met een examen of een staatsexamen. In het hoger onderwijs kan er aan het eind van het eerste studiejaar een propedeutisch examen zijn. Na vier jaar is er een afsluitend examen. Zie ook centraal examen.

Financieel beheer

Het geheel van maatregelen, voorzieningen en regels voor het opstellen, verwerken, vastleggen en controleren van de uitgaven, de verplichtingen, de ontvangsten en de voorschotten van het ministerie.

Financieel beheerbrief

In de financieel beheerbrief geeft het ministerie van Financiën (DAR) op basis van de rapporten van de OCenW-accountantsdienst en eigen onderzoeken haar opmerkingen bij het financieel beheer over een bepaald jaar en de ontwikkelingen naar het hierop volgend jaar. Deze brief verschijnt uiterlijk 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar waarop de brief betrekking heeft.

Genomics

Het door grootschalige DNA sequentieanalyse in kaart brengen van mensen, dieren, planten en micro-organismen en het grootschalig onderzoek naar de functie van genen en de manier waarop erfelijke eigenschappen zoals vastgelegd in de genen, worden vertaald naar het functioneren van een cel en uiteindelijk het gehele organisme. Ook «high throughput» technologieën zoals proteomics en metabolomics en de bioinformatica, die informatieverwerking en analyse van de zeer grote hoeveelheden complexe data mogelijk maken, vallen onder genomics.

Getuigschrift

De afgestudeerden van een hoger beroepsopleiding (hbo) of een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs (wo) ontvangen een getuigschrift. Hierop staat vermeld de studierichting en het vak. Indien een lerarenopleiding is gedaan wordt ook de bevoegdheidsgraad vermeld. Bij het hoger beroepsonderwijs worden ook vermeld: voltijd- of deeltijdopleiding, de duur van de opleiding en de titel.

Gigaport

Project waarmee wordt beoogd Nederland een voorsprong te geven in de ontwikkeling en het gebruik van een geavanceerde en innovatieve internettechnologie.

Grote technologische instituten

Hieronder vallen de volgende instellingen: Stichting Waterloopkundig Laboratorium, Stichting Grondmechanica Delft, Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, Stichting Maritiem Research Instituut Nederland en Energiecentrum Nederland (het ECN ontvangt sinds 1983 geen bijdrage meer van OCenW).

Gymnasium

Het gymnasium is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Op het gymnasium zijn Grieks en Latijn verplicht. Andere schooltypen in het vwo zijn het atheneum en het lyceum.

Hoger algemeen voortgezet onderwijs

Hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Hoger algemeen voorgezet onderwijs duurt vijf jaar, voor leerlingen van 12–17 jaar. Het bereidt leerlingen hoofdzakelijk voor op het hoger beroepsonderwijs (hbo).

Hoger beroepsonderwijs

De bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs (hbo) duren vier jaar en zijn bestemd voor studenten met een diploma havo, vwo of mbo 4-jarig. Het hbo is georganiseerd in zeven sectoren (Chroho-onderdelen) en wordt gegeven aan 50 hogescholen. Het maakt samen met het wetenschappelijk onderwijs deel uit van het hoger onderwijs.

Hoger onderwijs

Het hoger onderwijs omvat het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo).

Inburgering

Inburgering is de eerste fase van integratie van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. Hierbij wordt gestreefd nieuwkomers door een vlot en intensief programma zo snel mogelijk een vorm van zelfredzaamheid te laten bereiken. Het inburgeringstraject heeft een welzijns- en educatieve component. De educatieve component is een programma dat kan bestaan uit onderwijs in Nederlands als tweede taal, maatschappelijke oriëntatie en beroepenoriëntatie.

Individuele leerrekening

Spaarrekening bestemd voor scholing en opleiding.

In hun ontwikkeling bedreigde kleuters

Onderwijs voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is er afgestemd op de specifieke moeilijkheden die jonge kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Iobk-onderwijs wordt gegeven aan afdelingen, verbonden aan scholen voor speciaal basisonderwijs en is voor kinderen van 3–7 jaar met ontwikkelingsproblemen.

Individueel voorbereidend beroepsonderwijs

Het individueel voorbereidend beroepsonderwijs (ivbo) maakt deel uit van het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en is bedoeld voor leerlingen die veel hulp en individuele aandacht nodig hebben. Het ivbo is onderwijs in de eerste fase van het voortgezet onderwijs en duurt vier jaar, voor leerlingen van 12–16 jaar. Met ingang van 1 augustus 1998 is het ivbo veranderd in afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs. Zie ook leerwegondersteunend onderwijs.

Intensivering

Zie beleidsintensivering.

Kanjers

Een nationale keurcollectie van bijzondere gebouwen en complexen uit verschillende tijden. Rijksmonumenten die om verschillende redenen grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en waarvan de instandhouding van groot belang is.

Kas-/verplichtingenadministratie

Een administratie waarin de aangegane verplichtingen worden geregistreerd, tezamen met de hieruit voortvloeiende betalingen in het jaar van aangaan en eventuele volgende jaren. Gedane betalingen worden geregistreerd in relatie tot de aangegane verplichtingen, zodat de nog openstaande verplichtingenbedragen kunnen worden vastgesteld.

Kasverschuiving/kasschuif

Een vervroeging of vertraging van de uitgaven over de jaargrens heen.

Kengetal

Een kengetal is een getal dat inzicht geeft in de situatie en/of de ontwikkeling van een beleids- of productieproces.

Kwalificatieniveau beroepsonderwijs

Binnen het middelbaar beroepsonderwijs bestaan 4 kwalificatieniveaus. Aan elk niveau is een opleiding verbonden. De niveaus zijn:

NiveauOpleidingDuur
1 Eenvoudige uitvoerende werkzaamhedenAssistent opleiding0,5–1 jaar
2 Uitvoerende werkzaamhedenBasisberoepsopleiding2–3 jaar
3 Volledige zelfstandige uitvoering van werkzaamhedenVakopleiding2–4 jaar
4 Volledige zelfstandige uitvoering van werkzaamheden met brede inzetbaarheid dan wel specialisatieMiddenkaderopleidingSpecialistenopleiding3–4 jaar1–2 jaar

Kwalificatieniveau educatie

Binnen de educatie zijn zes kwalificatieniveaus, die worden aangeboden via 4 soorten opleidingen: de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), de opleidingen Nederlands als tweede taal (NT2) I en II, en de opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren en gericht op sociale redzaamheid (basiseducatie).

Kwalificatiewinst

Toename van het aantal gediplomeerden in de beroepskolom (vo, mbo, hbo) als gevolg van vermindering van de ongediplomeerde uitval en verbetering van de doorstroom naar de hogere opleidingsniveaus in het beroepsonderwijs.

Lectoraten/kenniskringen

Het in het hoger beroepsonderwijs aanstellen van lectoren/instellen van kenniskringen ter versterking van de kenniseconomie.

Leer- en opvoedingsmoeilijkheden

Onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Speciaal basisonderwijs wordt gegeven aan aparte scholen.

Leerwegen: beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg

Binnen het middelbaar beroepsonderwijs zijn twee leerwegen: de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). In de bol vindt de opleiding hoofdzakelijk op de school plaats, minimaal 20% en maximaal 60% van de studieduur is een praktijkdeel. In de bbl opleiding omvat de beroepspraktijkvorming minimaal 60% of meer van de studieduur.

Leerwegondersteunend onderwijs

Afdeling binnen het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) voor leerlingen die moeite hebben om het gewone lesprogramma te volgen, en meer individuele begeleiding nodig hebben dan in het gewone vbo (gericht op het verwerven van een diploma).

Liquiditeit (current ratio)

Liquiditeit is een maatstaf voor de mate waarin de instelling op korte termijn aan zijn schulden kan voldoen, en wordt uitgedrukt in een verhoudingsgetal als resultaat van de verhouding tussen vlottende activa en kortlopende schulden. Voor de beoordeling van de liquiditeitspositie van een instelling worden de volgende normering en kwalificatie gehanteerd: een liquiditeitsratio van meer dan 1,2 is goed, tussen 0,6 en/of gelijk aan 1,2 is matig/voldoende en 0,6 of lager is slecht.

Loonbijstelling

Middelen die nodig zijn om de extra uitgaven van het ministerie ten gevolge van loonstijgingen te financieren.

Lyceum

Het lyceum is één van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12–18 jaar. Op het lyceum zijn Grieks en Latijn keuzevakken. Andere schooltypen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs zijn het atheneum en het gymnasium.

Meevaller

Lagere begrotingsuitgaven of hogere begrotingsontvangsten dan geraamd zonder dat het onderliggende beleid is gewijzigd.

Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs

Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs, naast het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Mavo-onderwijs duurt vier jaar, voor leerlingen van 12–16 jaar. De mavo bereidt leerlingen voor op het beroepsonderwijs of de laatste twee jaar van het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo).

Middelbaar beroepsonderwijs

Middelbaar beroepsonderwijs (mbo) behoort tot de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Onderwijs in het mbo duurt vier jaar en is voor leerlingen van 16–20 jaar. Er worden zowel algemene als beroepsgerichte vakken gegeven. In het mbo stromen leerlingen door naar een baan of naar het hoger beroepsonderwijs (hbo). In augustus 1997 is het mbo opgegaan in de opleidingsniveaus van het nieuwe beroepsonderwijs.

Middenkaderopleiding

De middenkaderopleiding duurt drie tot vier jaar en leidt op tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Als toelatingseis gelden een diploma voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) of drie jaar hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan circa 15/16 jaar.

Moeilijk lerende kinderen

Onderwijs voor moeilijk lerende kinderen is een vorm van speciaal basisonderwijs: het onderwijs is afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Speciaal basisonderwijs wordt gegeven aan aparte scholen.

Nota van wijziging

Een door het ministerie ingediende verandering op een wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer in behandeling is.

Ombuiging

Beleidsmatige verlaging van de begroting.

Onderwijskundig rapport

Aan het einde van de basisschool krijgen de leerlingen geen getuigschrift of diploma, maar een onderwijskundig rapport over de schoolvorderingen en leermogelijkheden. Dit rapport wordt opgesteld door de directeur, na overleg met het onderwijzend personeel, ten behoeve van de ontvangende school voor voortgezet onderwijs. Een afschrift van het rapport wordt aan de ouders van de leerlingen verstrekt. De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen kan nadere voorschriften over dit rapport geven.

Ontwerpbegroting

Begrotingswetsvoorstel dat (ter autorisatie) bij de Staten-Generaal wordt ingediend op de derde dinsdag van september van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.

Open Universiteit

De Open Universiteit is een instelling voor afstandsonderwijs, die opleidingen biedt op het niveau van het wetenschappelijk onderwijs, voor personen van 18 jaar en ouder. De Open Universiteit is vooral gericht op personen die geen studie op de gebruikelijke manier kunnen of willen volgen.

Opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren

Opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren maken deel uit van de educatie en zijn gericht op het eindniveau van de eerste fase van het voorgezet onderwijs (basisvorming). De opleidingen zijn bedoeld als voorbereiding op een voortgezette opleiding, bijvoorbeeld in het beroepsonderwijs. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.

Opleidingen gericht op sociale redzaamheid

Opleidingen gericht op sociale redzaamheid maken deel uit van de educatie, en richten zich op een niveau van minimale redzaamheid op het gebied van taal, rekenen en sociale vaardigheden. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.

Opleidingen Nederlands als tweede taal

Opleidingen Nederlands als tweede taal maken deel uit van de educatie, en zijn bedoeld voor niet-Nederlanders om hun taalvaardigheid op een aanvaardbaar niveau te brengen. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen. Zie ook educatie.

Overboeking

Een verschuiving van begrotingsuitgaven tussen de artikelen van het ministerie of een verschuiving van begrotingsuitgaven naar of van een ander departement.

Pedagogische academie basisonderwijs

Een pedagogische academie basisonderwijs verzorgt de lerarenopleiding voor het basisonderwijs en valt onder het hoger beroepsonderwijs (hbo). Zowel de voltijdopleidingen als de deeltijdopleidingen duren vier jaar. De praktische studieduur bij de deeltijdopleiding verschilt, afhankelijk van de vooropleiding. Het getuigschrift geeft een volledige bevoegdheid om les te geven aan de basisschool in alle vakken en alle leeftijdsgroepen (4 tot 12 jaar).

Praktijkonderwijs

Afdeling binnen het vbo voor leerlingen die veel moeite hebben om het gewone lesprogramma te volgen, extra individuele begeleiding nodig hebben, maar niet in staat worden geacht een diploma voor vervolgonderwijs te behalen.

Primair onderwijs

Dit is de overkoepelende term voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs. Deze term wordt gebruikt sinds de invoering van de Wet op het primair onderwijs in augustus 1998. Zie ook basisonderwijs en speciaal basisonderwijs.

Prijsbijstelling

Tegemoetkoming voor de extra uitgaven van het ministerie ten gevolge van de prijsstijgingen.

Realisatie

Resultaten van de begrotingsuitvoering in termen van uitgaven, verplichtingen en ontvangsten. Ook de prestatiegegevens die in een bepaald begrotingsjaar zijn geleverd, worden aangeduid als realisaties.

Rentabiliteit

Rentabiliteit geeft de mate van winstgevendheid aan, en wordt uitgedrukt in een verhoudingsgetal door het resultaat te delen op baten uit gewone bedrijfsvoering. Het bedrijfsresultaat is lastiger te normeren. Idealiter en gemeten over een lange periode zou dit nul moeten zijn. Het is immers niet direct de bedoeling dat instellingen structureel winst of verlies boeken. Voor de beoordeling van dit kengetal worden de volgende normering en kwalificatie gehanteerd: een ratio van meer dan 1% is goed, tussen – 1% en/of gelijk aan 1% is matig/voldoende en – 1% of lager is slecht.

Scholengemeenschap

Een scholengemeenschap bevat meerdere schooltypen voor voortgezet onderwijs die samenwerken: middelbaar voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen onderwijs (vwo) en/of voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). De overheid bevordert het creëren van scholengemeenschappen.

Schoolonderzoek

Het eindexamen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), middelbaar algemeen voorgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) bestaat uit twee delen: het schoolonderzoek en het centraal examen. het schoolonderzoek wordt door de school georganiseerd en afgenomen; het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Vanaf augustus 1998 is de term schoolonderzoek vervangen door de term schoolexamen. Zie ook centraal examen, eindexamen.

Solvabiliteit (exclusief voorzieningen)

Solvabiliteit is een maatstaf die aangeeft of de instelling op langere termijn (bij liquidatie) in staat zal zijn haar schulden te voldoen. Dit verhoudingsgetal wordt verkregen door het eigen vermogen te delen op het totaal vermogen, waarbij voor de analyse de volgende normering en kwalificatie worden gehanteerd. Een solvabiliteit van meer dan 30% is goed, tussen 10 en/of gelijk aan 30% is matig/voldoende en 10% of lager wordt als slecht gekwalificeerd.

Speciaal basisonderwijs

Dit is sinds augustus 1998 de verzamelterm voor bepaalde vormen van speciaal onderwijs, namelijk scholen voor lom, mlk en iobk. Het speciaal basisonderwijs vormt samen met het basisonderwijs het primair onderwijs.

Speciaal onderwijs

Het speciaal onderwijs (so) is voor leerlingen vanaf 3 à 4 jaar tot circa 12 jaar. Het voortgezet speciaal onderwijs (vso) is voor leerlingen van 12 tot maximaal 20 jaar. Speciaal onderwijs wordt gegeven aan aparte scholen. Scholen voor speciaal onderwijs zijn afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen kunnen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Zie ook speciaal basisonderwijs.

Specialistenopleiding

De specialistenopleiding duurt één tot twee jaar en leidt tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Om een specialistenopleiding te kunnen volgen is een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep op beroepencategorie vereist. Zie ook beroepsonderwijs.

Studiehuis

De tweede fase van scholen voor voortgezet onderwijs (leerjaren 4–5 van het hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) en leerjaren 4–6 van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo)) zullen zich tot een studiehuis ontwikkelen. Dit houdt in dat leerlingen in toenemende mate hun eigen studie plannen en meer zelfstandig en in groepjes opdrachten uitvoeren. De rol van de docent zal verschuiven van lesgeven naar begeleiden.

Tegenvaller

Hogere begrotingsuitgaven of lagere begrotingsontvangsten dan geraamd zonder dat het onderliggende beleid is gewijzigd.

Vakopleiding

De vakopleiding duurt twee tot vier jaar en leidt op tot niveau drie van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, het vierde niveau is het hoogste niveau. Als toelatingseis gelden een diploma voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) of drie jaar hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan circa 15/16 jaar. Zie ook beroepsonderwijs.

VBTB

Een proces om te komen tot een duidelijke koppeling tussen beleid, prestaties en geld, met als belangrijkste doel vergroting van de informatiewaarde en toegankelijkheid van de begroting en het jaarverslag.

Vernieuwingsimpuls

Impuls binnen het onderzoek en wetenschapsbeleid, die erop gericht is creatieve en kwalitatief goede jonge onderzoekers ruimte te bieden en daarmee voor een carrière in de wetenschap te behouden.

Volwasseneneducatie

De volwasseneneducatie richt zich op het opleiden van cursisten voor een zelfstandige positie in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Tot de volwasseneneducatie worden gerekend: het vormings- en ontwikkelingswerk, de basiseducatie, het onderwijs aan de erkende onderwijsinstellingen en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo).

Voorbereidend beroepsonderwijs

Het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) bestaat sinds 1992, en is in de plaats gekomen van het lager beroepsonderwijs (lbo). Het voorbereidend beroepsonderwijs duurt vier jaar en biedt algemene en op het beroep gerichte vakken, voor de eerste fase van het voortgezet onderwijs. Het voorbereidend beroepsonderwijs is voor leerlingen van 12–16 jaar.

Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) is op 1 augustus 1999 ingevoerd, en bestaat uit de schoolsoorten vbo en mavo met vier leerwegen.

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) is één van de drie typen voortgezet onderwijs, naast het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo). De opleiding duurt zes jaar, voor leerlingen van 12–18 jaar, en bereidt leerlingen voor op de universiteit.

Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) is één vorm van voortgezet onderwijs voor volwassenen. Het wordt gegeven aan avondscholen of dag-/avondscholen. Dag-/avondscholen is onderwijs dat volgens de wet avondonderwijs is, maar dat overdag gegeven wordt. In augustus 1997 is het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs opgegaan in de opleidingsniveaus van het nieuwe beroepsonderwijs.

Voortgezet onderwijs

Het voorgezet onderwijs omvat het onderwijs dat wordt gegeven na het basisonderwijs en het speciaal onderwijs, voor leerlingen vanaf 12 jaar. Het bestaat uit het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo), het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Vbo en mavo duren vier jaar, havo vijf jaar en vwo zes jaar.

Voortijdig schoolverlater

Jongeren tot 23 jaar die geen onderwijs volgen en die geen startkwalificatie hebben. Een startkwalificatie is ten minste het diploma niveau 2 van het middelbaar beroepsonderwijs of het diploma havo.

Wetenschappelijk onderwijs

Het wetenschappelijk onderwijs omvat zowel diepgaande theoretische studies als specialistische training voor beroepen. De meeste opleidingen duren vier jaar, er zijn echter beroepen waarvoor een langere opleiding noodzakelijk is. Het wetenschappelijk onderwijs is voor studenten vanaf ongeveer 18 jaar, en wordt gegeven aan 13 universiteiten. Toelating tot het wetenschappelijk onderwijs is mogelijk na het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) en het hoger beroepsonderwijs (hbo). Het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs vormen samen het hoger onderwijs.


XNoot
1

Met beperkingen door het beroepsonderwijs, ITS, november 2002

XNoot
1

Onderwijsmeter 2002, ITS, november 2002

XNoot
2

Onderwijsverslag over het jaar 2002, Inspectie voor het onderwijs, 2003

XNoot
1

Bve Monitor, Bve Raad, 2001

XNoot
1

In 2001 zijn de impulsmiddelen via een aantal regelingen aan het veld beschikbaar gesteld: een Regeling impuls beroepsonderwijs voor de bve-instellingen; een regeling voor de landelijke organen; een regeling voor de AOC's (via LNV) en diverse regelingen voor het vmbo. Vanaf 2002 zijn de regelingen voor het vmbo en mbo inclusief de kenniscentra en het groene onderwijs gebundeld in de Impuls Beroepskolom, een regeling met een lumpsumkarakter. Voor het hbo zijn de middelen zowel in 2001 als in 2002 toegevoegd aan de lumpsum, met dien verstande dat in 2002 expliciet is aangegeven dat ook voor het hbo de komende vier jaar impulsgelden beschikbaar worden gesteld voor de ontwikkeling van de beroepskolom

XNoot
2

Van Esch en Neuvel, Monitor Impulsregeling Beroepsonderwijskolom 2001. Eindrapportage, Cinop 2003.

XNoot
3

Eerste Monitorbrief beroepskolom 2002, OCenW, brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer, december 2002.

XNoot
1

Van der Aa e.a., VMBO in de lift; een audit naar het Impulsprogramma vmbo, ECORYS-NEI, 2002.

XNoot
1

Van der Aa e.a., VMBO in de lift; een audit naar het Impulsprogramma vmbo, ECORYS-NEI, 2002.

XNoot
2

Versterking van het beroepsonderwijs, Bve Raad, Colo, VNO/NCW; FNV; MKB Nederland, CNV, Unie mph, VVO, VSWO, HBO-raad, Bve Raad, Colo, brief aan de Tweede Kamer, 4 februari 2003.

XNoot
1

Gegevens, arbeidsmarktmonitor 2001, gepubliceerd oktober 2002

XNoot
1

Voor het onderzoek is de definitie voor «allochtoon» van het CBS gehanteerd: «iemand is allochtoon als tenminste één van de ouders in het buitenland geboren is».

XNoot
1

Georganiseerd overleg

XNoot
1

Dat zijn de pabo's en de opleidingen voor leraar voortgezet onderwijs, voorheen initiële lerarenopleidingen geheten.

XNoot
1

Onder instroom wordt verstaan het aantal studenten dat zich voor het eerst aan een hbo bacheloropleiding heeft ingeschreven. Bij de universitaire lerarenopleiding gaat het om het aantal studenten dat zich in de loop van het studiejaar heeft ingeschreven. Voor 2002 is dit een voorlopig aantal (aan het begin van 2003).

XNoot
1

Met ingang van 1 januari 2000 worden de uitkeringen van de VU en het AZVU door USZO geadministreerd. De enige «zelfdoeners» zijn vanaf dat moment de UvA en het AMC.

XNoot
1

Bron: jaarverslag 2001 Stichting Nederlands Fonds voor de Film. Het betreft hier films die mede door het Fonds zijn gefinancierd.

XNoot
2

Bron: jaarverslag 2001 Stichting Nederlands Fonds voor de Film.

XNoot
3

Bron: jaarcijfers Nederlandse Federatie voor de Cinematografie.

Naar boven