Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201228867 nr. 28

28 867 Wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen)

Nr. 28 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 februari 2012

Tijdens het algemeen overleg huwelijksvermogensrecht van 29 september 2011 (Kamerstuk 28 867, nr. 24) heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie toegezegd een drietal verzoeken die de fiscaliteit raken aan mij door te geleiden. In reactie daarop informeer ik u als volgt.

Allereerst is er gevraagd naar een overzicht van de fiscale consequenties van echtscheiding. Echtscheiding heeft gevolgen voor een aantal regelingen in de inkomstenbelasting. Hoe de fiscale gevolgen van echtscheiding uitpakken in een specifiek geval, hangt sterk af van de feiten en omstandigheden. Om die reden zijn in deze brief de fiscale gevolgen van echtscheiding op hoofdlijnen geschetst en is dit overzicht in die zin geen uitputtend overzicht.

Partnerregeling

Bij echtscheiding (feitelijk al nadat een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend en de echtgenoten niet meer op hetzelfde woonadres staan ingeschreven bij de gemeente) eindigt het fiscaal partnerschap. Het al dan niet zijn van fiscaal partner heeft gevolgen voor een groot aantal regelingen in de inkomstenbelasting. Hierna worden de meest ingrijpende veranderingen in deze regelingen besproken. Daarnaast is het al dan niet zijn van fiscaal partner van belang voor de toeslagen, met name voor de vraag of toeslagen individueel en op basis van alleen het eigen inkomen worden toegekend of dat zij worden toegekend op «huishoudniveau» en gebaseerd op het gezamenlijke inkomen.

Individueel of gezamenlijk inkomen in de IB

Hoewel de inkomstenbelasting individueel wordt geheven, kent de Wet inkomstenbelasting 2001 de mogelijkheid om gezamenlijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag voor box 3 vrijelijk toe te rekenen aan de partners. Ook de vrijstellingen in box 3 van beide partners worden dan over de gezamenlijke grondslag toegepast. Deze mogelijkheid eindigt door echtscheiding, al kan zij in het jaar van scheiding zelf desgewenst nog wel worden toegepast in de periode na de scheiding.

Winst uit onderneming

Indien het vermogen van een onderneming deel uitmaakt van de door de echtscheiding te ontbinden huwelijksgemeenschap en een deel van het ondernemingsvermogen krachtens huwelijksvermogensrecht toekomt aan de echtgenoot van de ondernemer, wordt dat deel van het ondernemingsvermogen geacht te zijn overgedragen tegen de waarde in het economische verkeer aan degene aan wie het krachtens huwelijksvermogensrecht toekomt.

Dit betekent dat de ondernemer in beginsel dient af te rekenen over de meerwaarden (stille reserves en goodwill) die begrepen zijn in dit deel van het ondernemingsvermogen. Afrekening vindt, onder voorwaarden, niet plaats als degene die dat ondernemingsvermogen krachtens huwelijksvermogensrecht verkrijgt (bij ontbinding van de gemeenschap) de onderneming voortzet. In dat geval schuift de latente belastingclaim over die meerwaarden door naar degene die de onderneming voortzet.

Resultaat uit overige werkzaamheden

De partner van de belastingplichtige wordt voor de terbeschikkingstellingsregeling beschouwd als «verbonden persoon». Het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan de onderneming, aanmerkelijk belang-vennootschap of werkzaamheid van de echtgenoot is een terbeschikkingstellingswerkzaamheid waarvan de opbrengst leidt tot belastbaar resultaat. Door de echtscheiding komt er een einde aan deze vorm van terbeschikkingstelling met als gevolg dat er moet worden afgerekend over het resultaat tenzij gebruik wordt gemaakt van de doorschuifregeling.

Ook bij de regeling voor met een werkzaamheid verband houdende lucratieve belangen geldt dat na de scheiding de ex-echtgenoot niet langer een verbonden persoon als bedoeld in deze regeling is. Aanverwanten van de belastingplichtige in de rechte lijn, die ook als verbonden persoon kunnen worden aangemerkt, verliezen die hoedanigheid als het huwelijk waardoor die aanverwantschap is ontstaan, wordt ontbonden.

Aanmerkelijk belang

De beëindiging van een huwelijk kan ertoe leiden dat niet langer een aanmerkelijk belang positie aanwezig is. Doordat de ex-echtgenoot niet meer fiscaal partner van de belastingplichtige is, zal een aandelenbezit van de ex-echtgenoot niet langer meetellen voor de bepaling of sprake is van een aanmerkelijk belang.

Ook bij de aanmerkelijk belang-regeling wordt een persoon niet langer als aanverwant beschouwd indien het huwelijk waardoor de aanverwantschap is ontstaan door echtscheiding is ontbonden. Dat betekent dat de meetrekregeling voor deze persoon niet langer van toepassing is, waardoor minder snel van een «meegetrokken» aanmerkelijk belang sprake is.

Door echtscheiding kan sprake zijn van een fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang met als gevolg dat er moet worden afgerekend tenzij gebruik wordt gemaakt van een doorschuifregeling waarna sprake zal zijn van een fictief aanmerkelijk belang.

Periodieke uitkeringen en verstrekkingen

De rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting om de echtgenoot «het nodige te verschaffen» krijgt fiscaal betekenis na de echtscheiding; de periodieke uitkeringen op grond van deze verplichting (alimentatie ten behoeve van de gewezen echtgenoot) zijn dan aftrekbaar bij de betalende ex-echtgenoot en belast bij degene die ze ontvangt. Periodieke uitkeringen die overeengekomen zijn ter verrekening van pensioenrechten of lijfrenten kennen hetzelfde systeem. Vindt de alimentatiebetaling of de verrekening van pensioenrechten of lijfrenten plaats ineens (afkoop), dan is het betaalde bedrag aftrekbaar respectievelijk belast. De betaling kan ook bestaan uit een overbedeling bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap of uit de toedeling van een vermogensbestanddeel. Heeft de gemeente bijstand aan iemand betaald en verhaalt zij deze op de ex-echtgenoot, dan zijn deze betalingen bij die ex-echtgenoot aftrekbaar. Alimentatie kan ook worden betaald in de vorm van een storting van aftrekbare premie voor een direct ingaande lijfrente bij een verzekeringsmaatschappij ten behoeve van de ex-echtgenoot. Bij de ontvangende ex-echtgenoot zijn dan de toekomstige uitkeringen belast.

Eigenwoningregeling

Na het definitief verlaten van de woning door een van de echtgenoten vormt de woning niet langer diens hoofdverblijf. Dat is wel een van de vereisten voor de toepassing van de eigenwoningregeling. De vertrokken echtgenoot kan echter nog twee jaar van de regeling gebruikmaken op voorwaarde dat de ex-echtgenoot er nog woont. Na die twee jaar «verhuist» de woning bij de vertrokken echtgenoot naar box 3. Voor de achtergebleven echtgenoot valt de woning voor diens eigendomsdeel nog wel in de eigenwoningregeling. Betaalt deze echtgenoot geen huur voor het andere gedeelte, en vormt dit een voordeel dat voortvloeit uit de onderhoudsverplichting van de ex-echtgenoot, dan wordt dit voordeel als alimentatie in aanmerking genomen. Het wordt gesteld op een evenredig deel van het eigenwoningforfait. In de praktijk geeft deze echtgenoot dan dus het hele eigenwoningforfait aan.

Echtgenoten die over meer dan een hoofdverblijf beschikten, konden de eigenwoningregeling slechts op een van die woningen toepassen. Na de scheiding geldt die restrictie niet meer.

Voor de eigenwoningregeling treden deze gevolgen al in zodra de echtgenoten duurzaam gescheiden zijn gaan leven.

Lijfrenten

Na echtscheiding kan een ex-echtgenoot bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap lijfrenten (of andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen die tot box 1 worden gerekend) zonder fiscale sancties aan de ander vervreemden, de begunstiging ten gunste van de ander wijzigen, of deze rechten omzetten in een soortgelijk recht voor de ander. Dit is ook mogelijk als lijfrenten worden gebruikt voor afkoop van de alimentatieverplichting of ter verrekening van pensioenrechten.

Kapitaalverzekeringen en kapitaalverzekeringen eigen woning

Kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten vóór 2001 kunnen in het kader van de verdeling van een gemeenschap fiscaal geruisloos worden verdeeld, toegescheiden of verrekend tussen ex-echtgenoten. Ook kapitaalverzekeringen eigen woning (deze zijn met ingang van 2001 mogelijk) kunnen bij echtscheiding fiscaal geruisloos worden verdeeld of toegescheiden tussen ex-echtgenoten. Eventuele wijzigingen die in dat kader nodig zijn (bijvoorbeeld wijziging van verzekeringnemer of verzekerd persoon) leiden bij beide producten niet tot verlies van fiscale faciliteiten.

Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen

Na de echtscheiding wordt het recht op kinderbijslag aan één van de ouders toegewezen. De andere ouder heeft geen recht op kinderbijslag of kan dat recht op grond van samenloopregels niet geldend maken. Deze ouder kan in aanmerking komen voor aftrek van kosten voor levensonderhoud die hij voor zijn kinderen betaalt («kinderalimentatie»). De voorwaarden voor deze aftrek zijn: het kind is jonger dan 21 jaar; het kind kan niet zelf in zijn onderhoud voorzien; de betrokkene heeft voor het kind geen recht op kinderbijslag (of kan dit recht niet geldend maken omdat de andere ouder zijn recht op kinderbijslag geldend maakt) of een vergelijkbare buitenlandse uitkering; er is geen recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de studiekosten en de uitgaven voor het kind bedragen in het betreffende kwartaal minimaal € 408. De aftrek levensonderhoud kinderen is genormeerd. Tegenover de aftrek staat geen belastbaarheid bij de kinderen of bij de verzorgende ouder.

Aftrek voor specifieke zorgkosten en giften

De voor deze uitgaven geldende aftrekdrempels en maxima zijn gerelateerd aan het gezamenlijke inkomen van beide echtgenoten. Ook worden de uitgaven van beide echtgenoten samengeteld. Na de echtscheiding wordt de aftrek individueel bepaald.

Heffingskortingen

De echtscheiding kan ook gevolgen hebben voor de heffingskortingen. Een aantal kortingen is afhankelijk van partnerschap of het ontbreken daarvan. Te noemen zijn de uitbetaling van de heffingskorting aan de minstverdienende partner, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de alleenstaande-ouderkorting en de kortingen voor vrijgestelde beleggingen in box 3.

Ten tweede is gevraagd naar de gevolgen van het tijdens het huwelijk veranderen van de huwelijkse voorwaarden. Zo is het geval genoemd dat partners tijdens het huwelijk het gekozen huwelijksgoederenregime van koude uitsluiting (geen goederengemeenschap) om willen zetten in een huwelijksgoederengemeenschap met (bij beëindiging) een verdeling van bijvoorbeeld 70–30. Het is staand beleid dat een omzetting van de huwelijkse voorwaarden («koude uitsluiting») in een algehele huwelijksgoederengemeenschap geen schenking inhoudt1. Als men omzet in een algehele huwelijksgoederengemeenschap waarbij bij het einde afgerekend wordt volgens een andere verdeelsleutel dan 50–50 (bijvoorbeeld de genoemde 70–30) blijft dat een huwelijksgoederengemeenschap. Het enkele feit dat de verdeelsleutel afwijkt van de 50–50 brengt daarin geen verandering. Ook als staande het huwelijk een wijziging plaatsvindt van geen huwelijksgoederengemeenschap («koude uitsluiting») naar een wederkerig finaal verrekenbeding alsof de echtgenoten in wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd of wanneer bij de overgang naar een huwelijksgoederengemeenschap een deel van het vermogen van één of van beide partners buiten de gemeenschap wordt gehouden (bijvoorbeeld vermogen dat één van hen krachtens erfrecht of schenking heeft verkregen), is geen sprake van een schenking omdat er geen definitieve vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden. Op het moment van wijziging van de huwelijkse voorwaarden kan in de meeste gevallen geen schenking geconstateerd worden, omdat niet is vast te stellen wie wordt verrijkt. Bij het aangaan van een beperkte gemeenschap van goederen of een overgang naar een beperkt finaal verrekenbeding, kan dit anders liggen en kan wel sprake zijn van een schenking. Of dit het geval is, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van een individueel geval. Bepalend hierbij is of op het moment van wijziging eenvoltooide en bepaalbare vermogensverschuiving van de ene naar de andere partner wordt waargenomen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als er geen huwelijksgoederengemeenschap is, en vervolgens een beperkte gemeenschap van goederen wordt aangegaan doordat één van de partners een pand inbrengt en de andere partner niets. In dat geval schenkt de inbrengende partner bij inbreng in de goederengemeenschap de helft van de waarde van het pand aan zijn partner.

De vraag of in een concreet geval sprake is van een schenking, kan vooraf aan de belastinginspecteur worden voorgelegd om zekerheid te verkrijgen over de gevolgen voor de schenkbelasting.

Als laatste is gevraagd naar de mogelijkheden van defiscalisering van partneralimentatie. In de Fiscale agenda2 heb ik aangekondigd de mogelijkheden van defiscalisering van partneralimentatie nader te onderzoeken. Dit onderzoek loopt nog. Ik zal op deze kwestie terugkomen wanneer de gevolgen van defiscalisering en de daarmee samenhangende aspecten nader in kaart zijn gebracht.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.

Mede namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de staatssecretaris van Financiën, F. H. H. Weekers


X Noot
1

Zie ook in deze zin de Hoge Raad arresten van 28 januari 1959 (BNB 1959/122) en 17 maart 1971 (BNB 1971/95).

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 32 740 nr. 1.