nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Met het voorliggende voorstel van wet wordt beoogd de formele rechtskracht
te herstellen van de planologische kernbeslissing (verder: pkb) Structuurschema
groene ruimte. Aanleiding voor dit voorstel is een tweetal uitspraken van
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2002,
waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de rechtskracht van het Structuurschema
groene ruimte (verder: SGR) is vervallen. Tot dit oordeel komt de Afdeling
nu het SGR blijkens zijn paragraaf 2.1 een geldigheidsduur heeft van
vijf jaar, te rekenen vanaf het moment van goedkeuring door de Eerste Kamer,
nl. 3 oktober 1995, en het SGR niet tijdig overeenkomstig de daarvoor te hanteren
procedures van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel door de Wet rechtskracht
diverse planologische kernbeslissingen is verlengd.
Beide uitspraken van de Raad van State handelen over dezelfde casus, namelijk
de vergroting en uitbreiding van een hotel en enige daarmee verbonden bouwplannen,
die door de Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening in strijd werden geacht
met het beleid voor de ecologische hoofdstructuur, zoals neergelegd in het
SGR.
De eerste uitspraak betreft het hoger beroep van de Inspecteur tegen eerdere
ongegrondverklaringen van door hem ingediende bezwaren en beroepen tegen de
verlening van vrijstelling van het vigerend bestemmingsplan en verlening van
bouwvergunning. De tweede uitspraak betreft het beroep van onder meer de gemeente
in kwestie tegen de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, inzake een door genoemde minister genomen zogenoemd vervangingsbesluit,
waarbij deze minister een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde bestemmingsplanwijziging
ten dele heeft vervangen door een eigen besluit.
Het procesverloop in deze zaken toont wat ondergetekende betreft aan dat
het ontbreken van een rechtsgeldige verlenging van het SGR na de oorspronkelijke
expiratiedatum van 3 oktober 2000 een omissie is met zodanige potentiële
consequenties voor de in het SGR uiteengezette beleidslijnen, dat het ongewenst
is een dergelijk rechtsvacuüm te laten voortbestaan.
Dat inmiddels is komen vast te staan dat het beleid dat in het SGR is
vastgelegd voor de bescherming van de ecologische hoofdstructuur, dat in meergenoemde uitspraken centraal staat, goeddeels zijn doorwerking
heeft gehad naar provinciale streekplannen doet daar niet aan af.
Met deze doorwerking in streekplannen, die voor ruim 90% van de ecologische
hoofdstructuur is gerealiseerd, waaronder mede voor bijna 100% van de daartoe
behorende bestaande natuurgebieden, is het risico op de totstandkoming van
door gedeputeerde staten goed te keuren bestemmingsplannen, dan wel verlening
door gedeputeerde staten van verklaringen van geen bezwaar ter zake van vrijstellingen
van vigerende bestemmingsplannen, in strijd met het SGR-beleid niet erg groot.
Het in de meergenoemde uitspraken centraal staande geval maakt echter duidelijk
dat dit risico niet nul is.
Met het voorliggende wetsvoorstel wordt ervoor zorggedragen dat het SGR
met terugwerkende kracht tot de oorspronkelijke expiratiedatum, dat wil zeggen
3 oktober 2000, opnieuw de formele status van pkb verkrijgt. De omstandigheid
dat het in het SGR opgenomen beleid als rijksbeleid moet worden aangemerkt
ondanks het vervallen van de geldingsduur van het SGR1, doet niets af aan de noodzaak van terugwerkende kracht. Immers uit
bovengenoemde jurisprudentie kan worden afgeleid dat over de doorwerking van
het SGR in de bestuurspraktijk verwarring bestaat door het vervallen van de
rechtskracht van het SGR. Ik acht dat met het oog op de goede ruimtelijke
ontwikkeling van het landelijk gebied niet wenselijk. In dit verband wijs
ik op de grote druk op het landelijk gebied en derhalve op de noodzaak te
komen tot een uiterst zorgvuldige afweging van de ruimtelijke inrichting ervan.
In afwachting van de nota Ruimte dient daarom het in het SGR neergelegde rijksbeleid
ten algemene richtsnoer voor deze afweging te zijn.
Vanaf 3 oktober 2000 wordt volgens het wetsvoorstel de pkb SGR aangemerkt
als een geldende pkb, waarmee het SGR juridisch gelijkgesteld wordt met een
plan, totstandgekomen volgens de daarvoor geldende procedures van artikel
2a van de Wet op de Ruimtelijke ordening. Daarmee is het gehele systeem van
die wet op dit plan van toepassing, met inbegrip van artikel 2b, waardoor
de pkb SGR op de daarin voorgeschreven wijze kan worden herzien of ingetrokken.
Verder herleeft, met terugwerkende kracht, de rechtskracht van het SGR en
wordt het hierboven geschetste rechtsvacuüm weggenomen.
Deze terugwerkende kracht heeft geen directe gevolgen voor belanghebbende
burgers. Immers, bij wet van 1 juli 1999, Stb 302, welke wet in werking is
getreden met ingang van 3 april 2000, is de Wet op de Ruimtelijke Ordening
gewijzigd. Onder andere betreft dit de regeling inzake concrete beleidsbeslissingen
die in planologische kernbeslissingen kunnen worden opgenomen en de wijze
waarop belanghebbenden daartegen beroep kunnen aantekenen.
Het SGR bevat geen zodanige concrete beleidsbeslissingen. Dit brengt met
zich dat de procedures geldend voor de totstandkoming van bestemmingsplannen
thans ten volle ter beschikking staan. Een bijzondere voorziening terzake
als opgenomen in de Wet rechtskracht diverse planologische kernbeslissingen
ten aanzien van artikel 24 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is thans
daarom niet nodig.
Voor zover eerder reeds bestemmingsplannen zijn aangepast op basis van
de verlopen oorspronkelijke pkb, heeft daartegen reeds beroep opengestaan
Tenslotte acht ondergetekende het wenselijk toepassing te geven aan artikel
16 van de Tijdelijke referendumwet. Dit betekent dat het onderhavige voorstel
van wet, nadat het kracht van wet heeft verkregen, zo snel mogelijk inwerking
kan treden en niet behoeft te worden gewacht op het tijdstip waarop
komt vast te staan dat er geen referendum wordt gehouden. De terugwerkende
kracht wordt hierdoor zoveel mogelijk in de tijd beperkt. De wet blijft overigens
referendabel maar indien van toepassing vindt het referendum plaats na de
inwerkingtreding.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
C. P. Veerman