Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200428863 nr. 6

28 863
Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 24 februari 2004

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel V komt als volgt te luiden:

ARTIKEL V

Artikel 23, zesde lid, Wet politieregisters komt te luiden:

6. Indiening van een verzoekschrift als bedoeld in het tweede en derde lid behoeft niet door een procureur te geschieden.

B

In artikel VII wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

Aan artikel 46, derde lid, wordt na de zin die begint met «Voorts laat de deurwaarder» en eindigt met «een afschrift per post», een zin ingevoegd, luidende:

Zijn achterlating aan de woonplaats en verzending per post redelijkerwijs niet zinvol of niet mogelijk, dan kan de deurwaarder het afschrift in een gesloten envelop achterlaten in de macht van degene voor wie het exploot is bestemd.

C

Artikel VII, onderdeel D, komt te luiden:

D

In artikel 56, derde lid, tweede volzin, wordt na «mits de deurwaarder» ingevoegd «binnen veertien dagen daarna» en wordt de zinsnede beginnend met «aan een ontvangende instantie» en eindigend met «aan de betrokkene» vervangen door: aan een ontvangende instantie zendt als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de verordening, ter betekening aan de betrokkene dan wel bij aangetekende post rechtstreeks aan de betrokkene verzendt.

D

Artikel VII, onderdeel G, komt te luiden:

G

Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

1. Hebben partijen bij overeenkomst een rechter aangewezen voor de kennisneming van geschillen die zijn ontstaan of zullen ontstaan naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, dan is die rechter bij uitsluiting bevoegd van de zaak kennis te nemen, voorzover niet uit de overeenkomst anders voortvloeit.

b. In het tweede lid wordt de zinsnede «minder dan € 5 000» vervangen door: ten hoogste € 5 000.

E

In artikel VII, onderdeel H, wordt de zinsnede «de vordering minder beloopt dan € 5 000» vervangen door: de vordering ten hoogste € 5 000 beloopt.

F

Artikel VII, onderdeel I, wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder verlettering van de letters a tot en met d tot b tot en met e, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

a. In onderdeel a wordt «in de gemeente waar de rechter zitting houdt» vervangen door: de door eiser gekozen woonplaats in Nederland.

b. Onderdeel b komt als volgt te luiden:

b. In onderdeel g vervalt onder vervanging van de komma achter gemachtigde door het woord «en» de zinsnede «, en de rechtsgevolgen, door artikel 139 aan het achterwege blijven van een antwoord verbonden».

G

Artikel VII, onderdeel N, komt te luiden:

N

In artikel 143, tweede lid, vervalt de laatste volzin.

H

Na artikel VII, onderdeel N, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Na

Artikel 146 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

1. Op het exploot van verzet is artikel 111, tweede lid, onder a tot en met c en e tot en met h van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat niet vermeld hoeft te worden de wijze waarop de oorspronkelijk eiser kan antwoorden,.

b. Het derde lid vervalt.

I

Na artikel VII, onderdeel R, wordt twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ra

In artikel 255, derde lid, wordt «is ook de eiser niet verplicht bij procureur te procederen» vervangen door: kunnen partijen behalve bij procureur ook in persoon procederen, maar niet vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen procureur is.

Rb

Artikel 259, tweede volzin, komt te luiden:

Artikel 255, eerste lid, is niet van toepassing.

J

Na onderdeel EE worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

EEa

Artikel 440, eerste lid, onder c, komt te luiden:

c. indien het beslag niet wordt gelegd door een deurwaarder ten kantore van wie woonplaats is gekozen overeenkomstig artikel 439, derde lid, een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt.

EEb

In artikel 474g, eerste lid, Rv wordt de zinsnede «aan de rechtbank van het arrondissement waarin hij bij het beslagexploit woonplaats heeft gekozen» vervangen door: aan de rechtbank van de plaats van vestiging van de vennootschap,

EEc

Artikel 504, eerste lid, onder c, komt te luiden:

c. indien het beslag niet wordt gelegd door een deurwaarder ten kantore van wie woonplaats is gekozen overeenkomstig artikel 439, derde lid, een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt.

K

In artikel VIII, onderdeel A, wordt «In artikel 70» vervangen door: In artikel 70, eerste lid,.

L

In artikel XII, onderdelen C en D, wordt telkens «artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door «artikel 15a, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek» en wordt telkens «artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Toelichting

A

Zonder dat een inhoudelijke wijziging ten opzichte van de oude tekst was beoogd, is in het wetsvoorstel per abuis de mogelijkheid tot hoger beroep tegen beslissingen uitgesloten. Met het vervallen van de slotzin van de voorgestelde bepaling wordt dit hersteld.

B

Met de leden van de VVD-fractie ben ik van mening dat de verplichting in artikel 46 Rv,dat een door de betrokkene geweigerd exploot steeds moet worden achtergelaten of per post moet worden verzonden, niet steeds een extra waarborg biedt. Dit geldt bijvoorbeeld als met het geweigerde exploot tegen een tijdelijk in Nederland verblijvende persoon een spoedprocedure aanhangig wordt gemaakt, terwijl deze persoon pas na die spoedprocedure naar zijn buitenlandse woonplaats zal terugkeren. Het geldt ook als persoonlijke betekening is geweigerd door iemand die noch in Nederland noch in het buitenland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. In dat geval is onmogelijk het afschrift aan de woonplaats achter te laten of per post te verzenden. Onderdeel B biedt voor deze gevallen een alternatief. Voorzover achterlating aan de woonplaats en verzending per post niet zinvol of niet mogelijk zijn, mag de deurwaarder volstaan met achterlating van het exploot in de macht van de wederpartij. De deurwaarder moet bij het achterlaten vanzelfsprekend de nodige zorgvuldigheid in acht nemen. Dit betekent dat hij in elk geval niet kan volstaan met achterlating op een plek waar degene voor wie het exploot bestemd is, zich inmiddels niet meer bevindt. De woorden «in de macht» impliceren voorts dat het exploot zoveel mogelijk in de directe nabijheid van de betrokkene wordt achtergelaten. Ook zal de betrokkene zich van die achterlating bewust moeten zijn.

C

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003 (NJ 2003, 113) was in het wetsvoorstel al voorzien in een wijziging van het derde lid van artikel 56 Rv. Die wijziging houdt in dat de deurwaarder zijn exploot op grond van de verordening moet doen binnen 14 dagen na betekening van de dagvaarding in hoger beroep aan de gemachtigde in de vorige instantie. Om deze betekening overeenkomstig de verordening te vergemakkelijken wordt thans voorgesteld dat hierbij ook de vorm van rechtstreekse betekening per aangetekende post overeenkomstig artikel 14 EG-betekeningsverordening kan worden gekozen. Bij verzending per aangetekende post is achteraf steeds controleerbaar of en aan wie het stuk is uitgereikt. Betekening aan de gemachtigde in de vorige instantie biedt naar mijn mening al zodanige waarborgen dat aan de daarop volgende betekening in het buitenland geen verdergaande eisen hoeven te worden gesteld. Wel moet bij verzending per aangetekende post in het kader van de EG-betekeningsverordening rekening worden gehouden met de eventuele eisen die het aangezochte land aan betekening per post stelt (artikel 14, tweede lid, EG-betekeningsverordening). Een dergelijk regeling is in de literatuur bepleit door Mevrouw mr. M. Freudenthal . Zij betoogt dat betekening in dit specifieke geval per gewone, niet-aangetekende, post mogelijk zou moeten zijn. Ik meen dat hieraan dusdanige bezwaren kleven op het punt van de betrouwbaarheid dat ik de voorkeur geef aan aangetekende post.

D

De onder a voorgestelde wijziging van artikel 108, eerste lid Rv, stond reeds in het wetsvoorstel. De onder b voorgestelde wijziging betreft een technische aanpassing. De tekst van artikel 108, tweede lid, Rv wordt hierdoor in overeenstemming gebracht met de tekst van artikel 93 Rv.

E

Met de wijziging wordt ook de voorgestelde wijziging in artikel 110 Rv in overeenstemming gebracht met de tekst van artikel 93 Rv.

F

Naar huidig recht moet de eiser steeds woonplaats kiezen in de gemeente waar de rechter zitting houdt. De ratio van deze regeling is dat de rechter en de gedaagde op een vaste en gemakkelijk bereikbare plaats stukken moeten kunnen doen toekomen aan de eiser. Bij de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer van de herziening van het procesrecht (wetsvoorstel 26 855) heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat het belang van deze woonplaatskeuze niet groot is, vooral wanneer ook woonplaats is gekozen bij een procureur of gemachtigde. Hij zag toen onvoldoende aanleiding voor een aanpassing. Naar aanleiding van vragen van de VVD-fractie in het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel (Kamerstukken TK 28 863, nr. 4) over de verplichte woonplaatskeuze in de gemeente waarin de rechter zitting houdt, ben ik tot de slotsom gekomen dat deze woonplaatskeuze inderdaad achterhaald is. In de praktijk bieden de woonplaatskeuze bij de procureur of gemachtigde de rechter en de gedaagde een voldoende eenvoudige plaats om stukken naartoe te zenden of betekeningen aan te doen. Ook als de eiser in persoon procedeert, zal met de huidige communicatiemogelijkheden het ontbreken van de gekozen woonplaats in de gemeente waar de rechter zitting houdt, niet op grote problemen stuiten. Ik zie dan ook onvoldoende reden om de regeling van artikel 111, tweede lid, onder a, in haar huidige vorm te handhaven. Wel acht ik van belang dat de eiser in elk geval een (gekozen) woonplaats binnen Nederland heeft. De voorgestelde redactie drukt dit uit. Procedeert de eiser met een procureur, dan zal hij steeds woonplaats moeten kiezen bij de procureur (artikel 79, tweede lid). Dit zal steeds een woonplaats in Nederland zijn, nu een procureur slechts als procureur wordt ingeschreven bij de rechtbank van het arrondissement waar zijn kantoor is gevestigd. Hij mag zijn bevoegdheden slechts uitoefenen voor de rechterlijke colleges die zijn gevestigd in het arrondissement waar hij kantoor houdt (artikel 61 Advocatenwet). Heeft de eiser een gemachtigde, dan kiest hij in beginsel woonplaats bij de gemachtigde, tenzij hij een andere woonplaats heeft gekozen (artikel 80, vierde lid, Rv). Is de gemachtigde gevestigd in Nederland, of heeft de eiser woonplaats in Nederland, dan is een woonplaatskeuze op grond van de voorgestelde bepaling daarnaast niet nodig. Alleen als zowel de eiser als de gemachtigde woonplaats buiten Nederland heeft, is een woonplaatskeuze in Nederland op grond van de voorgestelde bepaling vereist. Hetzelfde geldt voor de in persoon procederende eiser zonder woonplaats in Nederland.

G

De voorgestelde wijziging in artikel 143, tweede lid, Rv hangt samen met de wijziging van artikel 146 Rv (onderdeel H nota van wijziging). Artikel 143, tweede lid, Rv bepaalt dat een verzetexploot bij dagvaarding wordt gedaan en welke termijnen daarvoor gelden. Alleen de laatste volzin van het tweede lid betreft de inhoud van het verzetexploot. Een dergelijke inhoudelijke bepaling is meer op zijn plaats in artikel 146, eerste lid, Rv dat geheel gewijd is aan de inhoud van het verzetexploot. Om de verhouding tussen de in artikel 111 Rv aan de dagvaarding gestelde eisen en de aan het verzetexploot te stellen eisen te verduidelijken, wordt voorgesteld artikel 146, eerste lid, Rv aan te passen. Daartoe is onderdeel H in de nota van wijziging opgenomen.

H

De wijziging onder a maakt duidelijk dat de eisen die artikel 111 Rv aan de dagvaarding in eerste aanleg stelt, van overeenkomstige toepassing zijn op het verzetexploot, behalve voorzover de aard van de verzetprocedure zich niet met die eisen verdraagt. Dit laatste geldt voor het in artikel 111, tweede lid, onder d, Rv opgenomen vereiste dat de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermeldt. De verzetprocedure is immers naar haar aard een voortgezette instantie. Het verzet van de oorspronkelijk gedaagde is in feite een verweer tegen de bij verstek toegewezen eis van de oorspronkelijk eiser. Om die reden bepaalt artikel 147 Rv dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord geldt. Ook het onder g opgenomen vereiste dat in kantonzaken in het exploot vermeld moet worden hoe de gedaagde moet antwoorden, verdraagt zich niet goed met de verzetprocedure als voortgezette instantie. Onderdeel i van artikel 111, tweede lid, Rv is ook naar huidig recht niet van toepassing in de verzetprocedure. Het wetsvoorstel splitst onderdeel i op in twee onderdelen i en j, zodat ook onderdeel j buiten toepassing moet blijven in de verzetprocedure.

I

Onderdeel Ra

Artikel 255, derde lid, Rv geeft een regeling voor het uitzonderlijke geval dat een kort geding voor de voorzieningenrechter niet met een dagvaarding wordt ingeleid. In de praktijk speelt de bepaling met name bij een zogeheten deurwaarders kort geding (artikel 438, vierde lid, Rv). De door de deurwaarder opgeroepen geëxecuteerde en executant zijn in dat geval niet als eiser en gedaagde aan te merken. De huidige redactie sloot daar niet helemaal op aan. De voorgestelde wijziging beoogt duidelijker te maken dat alle betrokken partijen in een dergelijk kort geding ook in persoon mogen procederen. Overeenkomstig het eerste lid van artikel 255 Rv wordt ook voor deze gevallen duidelijk gemaakt dat vertegenwoordiging door een gemachtigde die geen procureur is, niet is toegestaan.

Onderdeel Rb

In artikel artikel 259 Rv is de overbodige verwijzing naar artikel 79 Rv geschrapt. Verder is buiten twijfel gesteld dat in de verzetprocedure zowel de oorspronkelijk eiser als de oorspronkelijk gedaagde vertegenwoordigd moeten worden door een procureur, door artikel 255, eerste lid, Rv buiten toepassing te verklaren.

J

Onderdeel EEa

Artikel 440, eerste lid, onder c, Rv hield nog geen rekening met de situatie dat de deurwaarder onder de nieuwe Gerechtsdeurwaarderswet (Stb. 70, 2001) landelijk beslag mag leggen en niet meer alleen in zijneigen arrondissement. Ik deel de mening van de leden van de VVD-fractie dat met deze landelijke bevoegdheid niet langer zinvol is om in artikel 440 te verwijzen naar de situatie dat beslag wordt gelegd buiten het arrondissement van de deurwaarder waar de executant reeds op grond van 439, derde lid, Rv woonplaats heeft gekozen. Ik acht in de praktijk wel mogelijk dat de beslagleggende deurwaarder een andere is dan die waar reeds woonplaats is gekozen op grond van artikel 439, derde lid, Rv. Daarom handhaaf ik het vereiste dat in het beslagexploot vermeld moet worden een woonplaatskeuze ten kantore van de beslagleggende deurwaarder, indien het beslag niet wordt gelegd door een deurwaarder ten kantore van wie reeds woonplaats is gekozen. Als het beslag wordt gelegd door een andere deurwaarder dan bij wie reeds woonplaats is gekozen, maar die gevestigd is ten kantore van de deurwaarder bij wie reeds woonplaats is gekozen, hoeft het beslagexploot geen gekozen woonplaats bij de beslagleggende deurwaarder te vermelden. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door in artikel 440, eerste lid, onder c, Rv te spreken van «een deurwaarder» in plaats van «de deurwaarder»

Onderdeel EEb

Artikel 474g, eerste lid, Rv regelt bepaalde aspecten van een executoriaal beslag op aandelen op naam. Het bepaalt thans dat een verzoek tot bepaling van een termijn voor verkoop en overdracht moet worden ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waarin de beslaglegger bij het beslagexploit woonplaats heeft gekozen. Voor de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet op 15 juli 2001 was dit ook het arrondissement waarbinnen het kantoor van de vennootschap waaraan het het exploot was gedaan, was gelegen. Een deurwaarder kon toen immers uitsluitend in zijn eigen arrondissement beslag leggen. Met de invoering van de Gerechtsdeurwaarderswet is deze automatische band komen te vervallen. De bepaling van de bevoegde rechtbank is in zoverre van belang dat deze alvorens te beslissen de beslaglegger, de geëxecuteerde, de vennootschap en zonodig andere belanghebbenden oproept. Bij dit laatste zal het met name gaan om medeaandeelhouders van de aandeelhouder ten laste van wie beslag is gelegd. Vooral als sprake is van meer dan een beslaglegger en verschillende belanghebbenden is overzichtelijk om slechts een rechtbank bevoegd te maken. De rechtbank van de plaats van vestiging van de vennootschap ligt dan het meest voor de hand. Uit oogpunt van ordelijkheid en continuïteit bevat onderdeel EEb een aanpassing van artikel 474g, eerste lid, Rv in deze zin.

Onderdeel EEc

Voor artikel 504, eerste lid, onder b, Rv geldt hetzelfde als hiervoor bij onderdeel EEa over de voorgestelde wijziging van artikel 440 Rv is opgemerkt.

K

Artikel 70 van de Wet toezicht Kredietwezen kent twee leden. Alleen in het eerste lid wordt een wijziging wordt voorgesteld. Om die reden had in artikel VIII, onderdeel A, van het wetsvoorstel verwezen moeten worden naar artikel 70, eerste lid, in plaats van naar het artikel als geheel.

L

Abusievelijk werd in artikel XII, onderdeel C en D, van het wetsvoorstel verwezen naar artikel 3:15a BW in plaats van naar het eerste lid van dat artikel. Met de voorgestelde aanpassing wordt dit hersteld.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner