Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200428863 nr. 5

28 863
Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 24 februari 2004

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie en de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Het heeft de leden van de CDA-fractie verwonderd dat de indiening van het wetsvoorstel tot 1 mei 2003 op zich heeft laten wachten. Een voorontwerp van het wetsvoorstel is reeds in juni 2002 besproken in de vergadering van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht. Vanuit de praktijk zijn ook in de periode nadien suggesties gedaan voor verbeteringen van het op 1 januari 2002 in werking getreden herziene procesrecht. Met deze suggesties is zoveel mogelijk rekening gehouden. Bovendien is besloten de aanpassing van de rechtsmachtbepalingen van Verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG l 12)(de EG-executieverordening) mee te nemen in het onderhavige wetvoorstel. Om die reden heeft indiening enige tijd op zich laten wachten.

Het is verheugend te vernemen dat de leden van de VVD-fractie met mij menen dat het voorstel de procesvoering in reconventie verduidelijkt en dat de leden van de CDA-fractie de overwegingen van de regering thans onderschrijven om niet expliciet in de wet te regelen dat de gedaagde in reconventie het recht heeft om een conclusie van antwoord te nemen. Inderdaad komt ook zonder expliciete bepaling het zelfstandige karakter van de reconventionele vordering voldoende tot zijn recht.

Daarnaast merken de leden van de VVD-fractie op dat ook de overdracht van een vordering door eiser hangende de procedure nader is besproken. Ook de leden van de CDA-fractie hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een regeling ter bescherming van de gedaagde als de vordering hangende de procedure door de eiser wordt overgedragen. Zij constateren terecht dat in dat geval de verweermiddelen van de gedaagde in stand blijven, dat onder omstandigheden een beroep op verrekening van de gecedeerde vordering met een vordering op de oorspronkelijk eiser kan worden gedaan en dat de gedaagde zonodig een afzonderlijke procedure tegen de oorspronkelijke eiser in kan stellen. De toezegging van de toenmalige Minister van Justitie aan de Eerste Kamer bij de behandeling van het herziene procesrecht (Handelingen I, 2001–2002, p. 10–525) dat wordt teruggekomen op de gevolgen van een overdracht van een vordering door de eisende partij hangende de procedure, is daarmee nagekomen.

De leden van de VVD-fractie merken voorts terecht op dat het wetsvoorstel er vooral een is van technische aanpassingen.

Deze nota naar aanleiding van het verslag gaat vergezeld van een nota van wijziging. Daarin is een aantal in het veslag genoemde punten verwerkt. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om nog diverse andere wijzigingen aan te brengen.

Algemeen

De leden van de CDA-fractie onderkennen het belang van het aanpassen van het burgerlijk procesrecht aan verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG l 12) (de EG-executieverordening). Zij vragen zich af welke onderdelen van de EG-executieverordening in het wetsvoorstel niet zijn overgenomen en waarom dat niet is gebeurd. De rechtsmachtbepalingen van de eerste titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn waar nodig aangepast aan de EG-executieverordening. Er zijn geen plannen om op een later tijdstip nadere aanpassingen van de rechtsmachtbepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de EG-executieverordening voor te stellen.

Bij de aanpassing van de rechtsmachtbepalingen aan de EG-executieverordening was niet nodig alle wijzigingen die in de EG-executieverordening zijn doorgevoerd ten opzichte van het EEX-Verdrag (Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Pb. EG L 299/32 van 31 december 1972, geconsolideerde versie in PB C 27/28 van 26 januari 1998), ook door te voeren in de rechtsmachtbepalingen in de eerste titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zo bevat artikel 19, onderdeel 2, onder b, EG-executieverordening een regel voor het geval een werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt. In dat geval kan de werkgever ook worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. Het EEX-verdrag kende geen regel voor het geval in meer dan een land gewoonlijk wordt gewerkt. Het gewijzigde artikel 19 van de EG-executieverordening noopt echter niet tot een aanpassing van artikel 6, onderdeel b, Rv. Artikel 6 Rv formuleert slechts in welke gevallen de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, namelijk, als de arbeid (mede) gewoonlijk in Nederland wordt verricht. Op voorwaarde dat de arbeid (mede) gewoonlijk in Nederland wordt verricht, heeft de Nederlandse rechter dus rechtsmacht. Dat daarnaast mogelijk een andere rechter van een ander land waar de werknemer eveneens gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, rechtsmacht heeft, doet daar niet aan af. Er bestond op dit punt geen behoefte om de Nederlandse rechtsmachtbepaling te beperken, in die zin dat in een dergelijk geval de Nederlandse rechter alleen rechtsmacht heeft als de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen in Nederland is gevestigd.

Artikel 20, eerste lid, EG-executieverordening, is evenmin overgenomen. Volgens deze bepaling kan de vordering van de werkgever alleen worden gebracht voor het gerecht van de lidstaat waar de werknemer woonplaats heeft. Dit betekent dat de werkgever bijvoorbeeld een ontbindingsverzoek tegen een in het buitenland wonende maar in Nederland werkende werknemer niet in Nederland voor het gerecht van de plaats waar de werknemer zijn arbeid verricht, aanhangig kan maken. De werkgever moet met dat verzoek dan naar het buitenlandse gerecht. Nederland acht de bepaling van artikel 20 van de verordening te beperkt. Er is geen noodzaak om deze beperking ook te laten gelden voor gevallen waarin de EG-executieverordening niet van toepassing is. Ik acht wenselijk om voor die gevallen de ruimere rechtsmacht regel die geënt is op het EEX-verdrag te handhaven.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd naar het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel over de mogelijkheid om vonnissen van de civiele rechter te herroepen op basis van een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Een voorontwerp van het wetsvoorstel heb ik voorgelegd aan de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht, de NOvA, de NVvR, de Raad voor de rechtspraak en de President van en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Naar aanleiding van de inmiddels ontvangen adviezen beraad ik mij thans over de verdere gang van zaken.

De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen over de redactie van de artikelen 46 en 47 Rv. Zo vragen zij zich af of de regering bereid is om in het geval van een weigering door de gedaagde om het exploot in ontvangst te nemen, de verplichting tot toezending van een exploot bij gedaagden zonder bekende woon- of verblijfplaats of bij in het buitenland wonende gedaagden, te schrappen. Deze leden lezen in artikel 46, derde lid, Rv een verplichting voor de deurwaarder om in een dergelijk geval, overeenkomstig artikel 47, eerste lid, tweede zin, Rv eerst te proberen het afschrift aan de woonplaats te laten en pas als dit niet lukt het afschrift per post te verzenden. Met name bij gedaagden in het buitenland achten zij dit vereiste problematisch.

Anders dan deze leden veronderstellen, bevat artikel 46 derde lid, derde volzin, Rv wel degelijk twee alternatieve mogelijkheden voor de deurwaarder om het afschrift óf aan de woonplaats achter te laten óf per post te verzenden. De woorden «dan wel» zijn wat dit betreft duidelijk (vergelijk Van Mierlo in T&C, aantekening 4 bij artikel 46, die dezelfde mening is toegedaan). Het voorschrift in artikel 46, derde lid, Rv wijkt in zoverre af van artikel 47, eerste lid, eerste en tweede zin Rv. Voor gedaagden met een woonplaats in het buitenland die tijdelijk in Nederland verblijven en betekening in persoon weigeren, volstaat dus het afschrift per post aan de buitenlandse woonplaats te verzenden. Niet nodig is daarbij de EG-betekeningsverordening of het Haags Betekeningsverdrag van 1965 in acht te nemen. Deze zijn immers niet van toepassing, nu de betekening reeds in Nederland in persoon geacht wordt te zijn gedaan. De verzending per post dient in een dergelijk geval slechts als sluitstuk van de betekening in persoon waarbij degene voor wie het exploot bestemd is, heeft geweigerd het afschrift in ontvangst te nemen.

Dit neemt niet weg dat ik onderken dat zich situaties kunnen voordoen waarin achterlating aan de woonplaats of verzending per post niet mogelijk of niet zinvol is. Ik denk daarbij met name aan de situatie dat met het exploot tegen de tijdelijk in Nederland verblijvende persoon een spoedprocedure aanhangig wordt gemaakt terwijl deze persoon pas na die spoedprocedure naar zijn buitenlandse woonplaats zal terugkeren. Het versturen van een afschrift aan die woonplaats heeft dan weinig zin en biedt die persoon dan geen extra waarborg. Een tweede voorbeeld betreft de situatie dat persoonlijke betekening is geweigerd door iemand die noch in Nederland noch in het buitenland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. In dat geval is onmogelijk het afschrift aan de woonplaats achter te laten of per post te verzenden. De leden van de VVD-fractie geven aan dat de deurwaarder in dat geval de weg van de openbare betekening volgt (artikel 54, tweede lid). Met de leden van de VVD-fractie meen ik dat openbare betekening in dit geval niet steeds zinvol is. Ik ben dan ook bereid voor bovengenoemde gevallen een regeling te treffen. Onderdeel B van de nota van wijziging voorziet daarin. Ik verwijs voorts naar de toelichting op die bepaling.

De vraag van de leden van de VVD-fractie over de weigering door een huisgenoot een exploot in ontvangst te nemen, hoeft naar mijn mening niet te leiden tot een aanpassing van de wettekst. Bij een dergelijke weigering is in het algemeen niet aannemelijk dat deze persoon zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot bestemd is, tijdig bereikt. In dat geval is artikel 47 Rv van toepassing. De deurwaarder dient het afschrift in een gesloten envelop aan de woonplaats achter te laten. Pas als dit onmogelijk is, gaat hij over op verzending per post.

De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast vragen over artikel 56 Rv. Zij achten de zinsnede «geschiedt de betekening (...)» in artikel 56, eerste lid, Rv niet in overeenstemming met de uitgangspunten van de EG-betekeningsverordening (1348/2000) omdat betekening volgens die verordening geschiedt in de aangezochte lidstaat door de ontvangende instantie. Deze leden vragen zich af of het niet beter is om in het eerste lid van artikel 56 Rv geschiedt de betekening te vervangen door «geschiedt het exploot». Op zichzelf is juist dat de EG-betekeningsverordening uitgaat van betekening in de aangezochte lidstaat. Artikel 56 Rv geeft slechts een aanvullende regeling voor het «Nederlandse gedeelte» van de betekening. Artikel 56 Rv maakt echter deel uit van een geheel aan bepalingen over de wijze waarop in specifieke gevallen en aan specifieke personen exploten moeten worden gedaan. Behalve voor het verzet- en appelexploot, gebruikt de wet in deze bepalingen steeds de uitdrukking «geschiedt de betekening» om aan te geven hoe het exploot moet worden gedaan (bijvoorbeeld in de artikelen 48 tot en met 55 en 57 tot en met 62 Rv). Ik geef er daarom de voorkeur aan om ook in artikel 56, eerste lid, Rv de zinsnede «geschiedt de betekening» te handhaven, ook al regelt die bepaling de wijze waarop exploot moet worden gedaan ter betekening aan de betrokkene. Extra argument hiervoor is dat artikel 56, derde lid, Rv overeenkomstig artikel 9 van de EG-betekeningsverordening, ook regelt hoe betekening geschiedt in Nederland als de grensoverschrijdende betekening binnen een bepaalde termijn moet plaatsvinden. In die gevallen wordt immers het verzenden van het exploot door de verzendende instantie aangemerkt als de betekening.

De leden van de VVD-fractie merken verder op dat de invoering van de uitvoeringswet van de EG-betekeningsverordening in de praktijk een vraag op heeft geleverd voor de toepassing van artikel 721 Rv. Als de eis in de hoofdzaak wordt ingesteld na het leggen van derdebeslag, moet binnen acht dagen na het instellen daarvan het stuk waarmee de eis is ingesteld, aan de derde worden overbetekend. Deze leden vragen zich af welk stuk – het door de deurwaarder gedane verzendingsexploot of het aan de wederpartij betekende stuk- aan de derde moet worden overbetekend als de dagvaarding overeenkomstig de EG-betekeningsverordening in het buitenland moet worden uitgebracht. Naar mijn oordeel moet deze vraag beantwoord worden aan de hand van artikel 719, eerste lid, jo 125, eerste lid, jo 56, derde lid, Rv. Uit artikel 719, eerste lid, Rv volgt dat de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld binnen de door de rechter in het verlof tot beslaglegging bepaalde termijn. Artikel 125 Rv bepaalt dat het geding in de hoofdzaak aanhangig is (en de eis in de hoofdzaak dus is ingesteld) vanaf de dag van dagvaarding. Om te voldoen aan de door de rechter op grond van artikel 719, eerste lid, Rv gestelde eis, moet de dagvaarding dus binnen de door de rechter gestelde termijn zijn uitgebracht. Dat betekent dat zich een situatie als bedoeld in artikel 56, derde lid, Rv voordoet. De datum van verzending van de dagvaarding aan de ontvangende instantie geldt dan als datum van dagvaarding en dus als datum van het instellen van de eis in de hoofdzaak. Naar mijn mening brengt een en ander mee dat die verzonden dagvaarding binnen acht dagen aan de derdebeslagene moet worden overbetekend en niet het in het buitenland uitgebrachte betekeningsexploot. De derdebeslagene wordt daarmee in kennis gesteld dat de beslaglegger de nodige handelingen voor het vervolgen van zijn beslag heeft verricht. Mocht later blijken dat het betekeningsexploot in het buitenland niet of niet correct aan de wederpartij is uitgebracht, dan hangt het af van de gevolgen die de rechter daaraan op grond van de EG-betekeningsverordening verbindt, of het derdebeslag alsnog vervalt. Een nadere wijziging van artikel 56 Rv is hiervoor niet nodig.

Voorts refereren de leden van de VVD-fractie aan een toezegging bij de behandeling van wetsvoorstel 27 748 (Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening), om de tekst van de door Nederland af te leggen verklaring ex artikel 9 van de EG-betekeningsverordening aan de Tweede Kamer voor te leggen. Hier is kennelijk sprake van een misverstand. Bij de behandeling van genoemd wetsvoorstel is er door mijn ambtsvoorganger op gewezen dat aan de Europese Commissie kort voor inwerkingtreding van de EG-betekeningsverordening is meegedeeld dat Nederland voornemens was op het punt van de datum van betekening een nadere afwijking te maken van artikel 9 van de verordening. Deze mededeling is door de Commissie gepubliceerd in het Publicatieblad EG van 18 juli 2001. Bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer heeft mijn ambtsvoorganger over deze nadere afwijking opgemerkt dat deze wel fatsoenlijk in de nationale wetgeving moet worden geregeld, alvorens deze kon worden meegedeeld (Handelingen Tweede Kamer 10 oktober 2001, blz. 11–539, rechter kolom). Gedoeld werd daarop op de ingevolge artikel 23, eerste lid, van de EG-betekeningsverordening benodigde mededeling aan de Europese Commissie. Met de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening is de desbetreffende afwijking wet geworden (artikel 56, derde lid, eerste zin, Rv). Vervolgens heeft de aangekondigde mededeling aan de Europese Commissie plaatsgevonden bij brief van 27 maart 2002. Naar aanleiding van de vraag van de genoemde leden is aan de Europese Commissie verzocht de door Nederland gemaakte afwijking alsnog overeenkomstig artikel 23, tweede lid, van de EG-betekeningsverordening bekend te maken. In het Publicatieblad van 11 februari 2004 (C 37/12) is de definitieve Nederlandse mededeling alsnog afgedrukt als Vijfde bijwerking van de mededelingen van de lidstaten overeenkomstig artikel 23 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken.

De leden van de VVD fractie vragen voorts of de regering van mening is dat er nog een reden is om in artikel 103 Rv de rechter van de woonplaats van de gedaagde mede bevoegd te laten en niet net als in artikel 264 Rv de rechter van de plaats van de onroerende zaak exclusief bevoegd te verklaren. In artikel 103, tweede volzin, Rv is reeds sprake van een exclusieve bevoegdheid voor zaken over huur van woonruimte en huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 van Boek 7. Bevoegd is de rechter in wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. Buiten deze categorieën zijn er geen huurzaken die met een dagvaarding worden ingeleid. De bepaling komt dus wel degelijk overeen met artikel 264 Rv voor de verzoekschriftprocedure. De eerste volzin van artikel 103 Rv heeft niet betrekking op huurzaken maar bijvoorbeeld op een geschil over de eigendom van een onroerende zaak. In dat geval is zowel de rechter van de woonplaats van de gedaagde als de rechter van de plaats waar de onroerende zaak gelegen is, bevoegd. Ik acht wenselijk voor deze gevallen beide bevoegdheden te handhaven.

De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of in artikel 111, tweede lid, Rv niet kan worden volstaan met een bepaling dat enkel een woonplaatskeuze in Nederland is vereist als er nog geen gemachtigde is aangewezen met domicilie in Nederland. Zij achten de woonplaatskeuze ter griffie van het gerecht niet meer van deze tijd en geen enkel doel dienen. Met deze leden ben ik van mening dat de woonplaatskeuze in de gemeente waar het gerecht is gevestigd achterhaald is. Onderdeel F, onder a, van de nota van wijziging voorziet in een aanpassing van artikel 111, tweede lid, onder a, Rv op dit punt. De eiser hoeft in de dagvaarding alleen zijn in Nederland gekozen woonplaats te vermelden. Dit kan zijn zijn eigen woonplaats of de plaats waar zijn gemachtigde gevestigd is, mits deze in Nederland gelegen zijn. Gaat het om woonplaatskeuze bij een procureur, dan zal steeds sprake zijn van een woonplaats in Nederland. Alleen als zowel de eiser als zijn eventuele gemachtigde geen woonplaats in Nederland hebben, is nodig een afzonderlijke woonplaats in Nederland te kiezen overeenkomstig het voorgestelde onderdeel F, onder a van de nota van wijziging. Ik verwijs daarnaar en naar de bijbehorende toelichting. De aanpassing raakt overigens niet aan het thans gebruikelijke systeem van advocatenpostbussen ter griffie. Dit door de praktijk in het algemeen als nuttig ervaren systeem staat los van de verplichting om in de gemeente waar het gerecht is gevestigd, woonplaats te kiezen, getuige de vele advocatenkantoren die, hoewel gevestigd in die gemeente, toch over een dergelijke postbus ter griffie beschikken.

Voorts menen de leden van de VVD-fractie dat artikel 111, derde lid, laatste volzin, Rv in de praktijk ten onrechte wordt toegepast als een gedaagde voor de zitting geen verweer heeft gevoerd maar na de dagvaarding wel procureur stelt. In de praktijk blijkt een zaak dan te worden aangehouden om de eiser in de gelegenheid te stellen het onbekende verweer te verwoorden en bewijsmiddelen daartegen aan te voeren. Deze leden menen dat deze praktijk op gespannen voet staat met de wet, nu de bewijsaandraagplicht enkel geldt voor de betwiste gronden van de eis en niet voor alle door de eiser aangevoerde stellingen. De leden van de VVD-fractie gaan er terecht vanuit dat artikel 111, derde lid, laatste volzin, Rv de eiser verplicht melding te maken van de bewijsmiddelen ter staving van de door de gedaagde betwiste gronden van zijn eis. Deze verplichting van de eiser geldt voor alle gronden van zijn eis waarvan hij weet dat de gedaagde deze reeds heeft betwist. Voor de (vooralsnog) niet door de gedaagde betwiste gronden hoeft de eiser geen melding te maken van bewijsmiddelen. Zijn de weren van de gedaagde onbekend, dan kan de eiser dit melden en met die melding aan zijn substantiëringsplicht voldoen. Als de eiser geen melding heeft gemaakt van eventuele weren van de gedaagde en evenmin heeft gemeld dat deze weren hem onbekend zijn, biedt artikel 120, vierde lid, Rv de rechter de mogelijkheid om de eiser te bevelen alsnog te voldoen aan zijn substantiëringsplicht. De informatie uit de praktijk waarvan de leden van de VVD-fractie melding maken, is mij overigens niet bekend. Voorzover deze praktijk iets anders inhoudt dan hierboven beschreven, staat zij op gespannen voet met artikel 111, derde lid, laatste volzin, Rv.

Het is verheugend dat de leden van de VVD-fractie met instemming hebben kennisgenomen van de voorgestelde wijziging van artikel 111, tweede lid, onder g, Rv. Zij vragen echter of de regering nog tot verdere aanpassing van artikel 111, tweede lid, onder g, Rv bereid is. Deze leden menen dat de voorgestelde redactie, waarbij nog steeds moet worden vermeld hoe de gedaagde moet antwoorden, zich niet verdraagt met de aard van de verzetprocedure, nu het zeer goed mogelijk is dat de gedaagde (feitelijke oorspronkelijke eiser) helemaal geen mogelijkheid krijgt voor een antwoord. Het is juist dat de verzetprocedure een iets ander karakter heeft dan de normale procedure. Uit artikel 147 volgt dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord geldt. Dit heeft gevolgen voor de mate waarin artikel 111 van toepassing is op de verzetdagvaarding. In de nota van wijziging, onderdelen G en H, heb ik ter verduidelijking enige wijzigingen voorgesteld in de artikelen 143 en 146 Rv. Naar mijn mening ondervangt een aanpassing van die bepalingen inzake de verzetprocedure de door de leden van de VVD-fractie genoemde bezwaren tegen artikel 111, tweede lid, onderdeel g, Rv. In de voorgestelde bepalingen wordt duidelijk gemaakt dat de eisen die artikel 111 Rv aan de dagvaarding in eerste aanleg stelt, van overeenkomstige toepassing zijn op het verzetexploot, behalve voorzover de aard van de verzetprocedure zich niet met die eisen verdraagt. Ik deel de mening van de leden van de VVD-fractie dat onder meer het in artikel 111, tweede lid, onder g, Rv opgenomen vereiste dat in kantonzaken in het exploot vermeld moet worden hoe de gedaagde moet antwoorden, zich niet goed verdraagt met de verzetprocedure als voortgezette instantie. Ook de onderdelen d en i en het voorgestelde onderdeel j passen niet goed in de verzetprocedure. Om die reden wordt voorgesteld deze onderdelen buiten toepassing te laten in de verzetprocedure.

Artikelen

Artikel I

C

De leden van de CDA-fractie hebben aangeven dat zij met mij hechten aan de oorspronkelijke eisen van relatieve bevoegdheid bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst. Daarbij zal de werkgever zich in beginsel moeten wenden tot de kantonrechter van de rechtbank van de woonplaats van werknemer dan wel van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht. Deze leden vragen om een toelichting op de verhouding tussen deze bepaling tot de EG-executieverordening. Ook willen zij weten op welke onderdelen de regering een aanpassing van de EG-executieverordening nastreeft en wat de gevolgen zijn voor de eisen van relatieve bevoegdheid als deze aanpassingen niet worden doorgevoerd. In het algemene deel van deze nota ben ik reeds ingegaan op de verhouding tussen de Nederlandse rechtsmachtregeling en de EG-executieverordening op het punt van de individuele arbeidsovereenkomst. In aanvulling daarop merk ik het volgende op. In de EG-executieverordening is in artikel 20, eerste lid, een regeling opgenomen voor de mogelijkheden van de werkgever om een vordering tegen de werknemer in te stellen. Uitsluitend de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft, zijn bevoegd van een dergelijke vordering kennis te nemen. Een vordering tegen de werkgever kan de werknemer echter instellen bij een gerecht in de lidstaat waar de werkgever woonplaats heeft of een gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of laatstelijk gewoonlijk heeft gewerkt (artikel 19 onder 1 en 2 EG-executieverordening). Nederland heeft in Brussel voorgesteld om ook voor vorderingen tegen de werknemer de plaats waar deze gewoonlijk werkt of laatstelijk gewoonlijk heeft gewerkt mede bevoegd te maken. Besluitvorming over dit voorsteI is door geschoven naar 2007, als de EG-executieverordening geëvalueerd wordt op grond van artikel 73 EG-executieverordening. In de praktijk heeft het ontbreken van een bevoegdheid van het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of laatstelijk gewoonlijk heeft gewerkt, vooral gevolgen voor werkgevers in de grensstreek. Als deze werkgevers bijvoorbeeld in Duitsland wonende werknemers in dienst hebben, is alleen de Duitse rechter bevoegd van vorderingen van de werkgever tegen de werknemer kennis te nemen. Dit geldt voor alle vorderingen, inclusief een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:658 BW. De Duitse rechter zal in een dergelijk geval met toepassing van het Nederlandse recht moeten oordelen of hij de arbeidsovereenkomst moet ontbinden.

Artikel VII

A

De leden van de CDA-fractie vragen zich af wanneer in artikel 6, onderdeel d, Rv sprake is van een activiteit die zich op Nederland richt, vooral als het gaat om e-commerceactiviteiten. Zij vragen zich af of daarbij sprake moet zijn van gebruik van de Nederlandse taal of dat voldoende is dat de activiteit in Nederland via enig middel kenbaar is. Tevens vragen zij zich af waarom niet is aangesloten bij de beschrijving van de middelen genoemd in artikel 3:15d BW uit het inmiddels bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel ter uitvoering van de e-commercerichtlijn (Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel, Kamerstukken I, 2003–2004, 28 197, nr. A).

Artikel 6, onderdeel d, is een aanpassing aan artikel 15, eerste lid, onder c, van de EG-executieverordening. De uitleg van artikel 15 van de EG-executieverordening is voorbehouden aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het ligt voor de hand dat de Nederlandse rechter zich bij zijn uitleg van artikel 6, onderdeel d, zal laten inspireren door een eventueel door het Hof van Justitie te geven uitleg van artikel 15, eerste lid, onder c, van de EG-executieverordening. Evenmin als in laatstgenoemd artikel van de verordening, is in artikel 6, onderdeel b, Rv een beschrijving van de middelen opgenomen waarmee de commerciële of beroepsactiviteiten op Nederland worden gericht. Ik memoreer dat de bedoeling van de formulering «ongeacht welke middelen» in artikel 15 van de EG-executieverordening is geweest om ook e-commerceactiviteiten onder het bereik van dat artikel te brengen. Aannemelijk is echter dat niet elke e-commerceactiviteit die in Nederland kenbaar is, zich op Nederland richt. Zo zal het enkele feit dat een consument in Nederland informatie over een product kan krijgen via internet, niet automatisch betekenen dat die informatie ook op Nederland is gericht. Is informatie over de buitenlandse leverancier en zijn product of dienst rechtstreeks in het Nederlands beschikbaar en kan men daarover desgewenst in het Nederlands rechtstreeks nadere informatie verkrijgen, dan levert dat naar mijn mening een veel sterkere aanwijzing op dat de leverancier consumenten in Nederland beoogt te benaderen.

Overigens bevat het wetsvoorstel ter uitvoering van de e-commercerichtlijn in artikel 3:15d BW vooral een opsomming van gegevens die een in Nederland gevestigde verlener van een dienst van de informatiemaatschappij gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk moet maken. Het betreft een vereist minimum aan gegevens met betrekking tot de dienstverlener. Weliswaar is in artikel 15d, derde lid, BW zoals voorgesteld, een opsomming opgenomen van diensten die langs de elektronische snelweg worden verricht. Deze omschrijving dient slechts om te bepalen of sprake is van een dienst van de informatiemaatschappij waarvoor de de in lid 1 van het voorgestelde artikel 15d BW opgenomen verplichtingen gelden. Dit is dus veel beperkter dan het begrip «middelen» in het voorgestelde artikel 6, onderdeel b, Rv. Daaronder vallen immers alle middelen, zowel de elektronische als de niet-elektronische. Of omroepactiviteiten hieronder vallen, hangt meer af van de aard van die activiteiten dan van het feit dat deze activiteiten via de radio of televisie aan het publiek bekend worden gemaakt. Artikel 6, onderdeel b, Rv beperkt zich immers – net als artikel 15 van de EG-executieverordening – tot gevallen waarin een overeenkomst wordt gesloten voor een niet bedrijfs- of beroepsmatig gebruik tussen een consument en een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in of richt op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft. Er zal dus al sprake moeten zijn van een dergelijke overeenkomst tussen een Nederlandse consument en een commerciële omroeporganisatie gevestigd in een land waarvoor de EG-executieverordening niet geldt, wil artikel 6, onderdeel d, Rv van toepassing kunnen zijn.

Verder hebben de leden van de CDA-fractie gevraagd waarom voor het bepalen van de rechterlijke bevoegdheid van deze e-commerceactiviteiten niet het oorspronglandbeginsel van toepassing is. Zij vragen of de regering de verhouding kan aangeven van het onderhavige wetsvoorstel en de bijbehorende EG-executieverordening tot het wetsvoorstel ter uitvoering van de e-commercerichtlijn. In de bevoegdheidsregels in artikel 15 van de EG-executieverordening is het oorspronglandbeginsel niet aan de orde. In artikel 6, onderdeel b, Rv dat beoogt de nationale rechtsmachtregels waar mogelijk in overeenstemming te brengen met de EG-executieverordening, is hiervan dus evenmin sprake. De e-commercerichtlijn (en het wetsvoorstel ter implementatie daarvan) bevat slechts regels inzake toepasselijk recht en kent in het geheel geen bevoegdheidsbepalingen. Die Richtlijn bestrijkt dus een ander gebied dan de bevoegdheidsregels in de EG-executieverordening.

Ten slotte vragen deze leden of het begrip schade die zich kan voordoen in artikel 6, onderdeel e, Rv wel hetzelfde is als dreigende schade waarover in de memorie van toelichting wordt gesproken. Al onder artikel 5 sub 3 van het EEX-verdrag, dat sprak van een schadebrengend feit dat zich «heeft voorgedaan» werd algemeen aanvaard dat ook dreigend onrechtmatig handelen hieronder zou moeten vallen. Vergelijk bijvoorbeeld P.A. Vlas in Losbl. Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen en verordeningen, I, aant. 7 bij artikel 5 EEX-verdrag, en nr. 134 in het Toelichtend Rapport van Schlosser (opgenomen in Losbl. Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen en verordeningen, I). Met de uitdrukking «schade die zich kan voordoen» in artikel 5 sub 3 van de EG-executieverordening, dat woordelijk is overgenomen in artikel 6, onder d, Rv is nu juist beoogd om buiten twijfel te stellen dat ook een dreigende onrechtmatige daad onder de bepaling valt.

S

De leden van de CDA fractie hebben voorts vragen gesteld over de formulering van de ambtshalve toetsing in verzoekschriftzaken. Zij veronderstellen dat de voorgestelde formulering de rechter de ruimte laat om niet ambtshalve te toetsen. Met de voorgestelde formulering is tot uitdrukking gebracht dat de rechter hetzij op verzoek van een belanghebbende, hetzij ambtshalve zijn bevoegdheid toetst. De zinsnede «zonodig ambtshalve» maakt naar mijn mening voldoende duidelijk dat de rechter zijn bevoegdheid steeds ambtshalve zal moeten toetsen als geen van de belanghebbenden zich op diens onbevoegdheid heeft beroepen en de bevoegdheid van de rechter niet al op andere wijze vaststaat. De rechter zal daarbij in beginsel uitgaan van de gestelde feiten.

JJ

De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere toelichting op de voorgestelde wijziging in artikel 700 Rv. Bij de voorgestelde wijziging staat het maatschappelijk belang bij een goede werking van het betalings- en effectenverkeer en de stabiliteit van het financiële stelsel voorop. Financiële instellingen houden zowel bij elkaar over en weer geld- en effectentegoeden aan als bij interprofessionele betalings- en effectenafwikkelsystemen. Conservatoir beslag op tegoeden van één van deze financiële instellingen kan ertoe leiden dat deze instelling haar verplichtingen tegenover andere financiële instellingen niet kan nakomen, met het risico dat deze financiële instellingen op hun beurt hun verplichtingen niet kunnen nakomen. Door deze mogelijke reeks niet-nakomingen door financiële instellingen kan een domino-effect ontstaan dat de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel schaadt, met alle gevolgen voor burgers en bedrijven van dien. Dit wordt systeemrisico genoemd. Het is een maatschappelijk belang dat dit risico zich niet verwezenlijkt. Het vierde lid van artikel 700 Rv strekt dan ook niet in de eerste plaats tot het beschermen van genoemde instellingen, maar tot het beschermen van de stabiliteit van het financiële stelsel.

De leden van de CDA-fractie hebben in dit verband gevraagd of het niet zo is dat de voorzieningenrechter van de rechtbank al onder de huidige wetgeving altijd een nader onderzoek kan instellen en de debiteur kan horen. Ook zal de voorzieningenrechter volgens hen oordelen of de vordering al opeisbaar is of dit binnen afzienbare tijd zal worden. Zij vragen zich af of dit, in samenhang met het feit dat de voorzieningenrechter ook het bedrag van de hoofdsom vaststelt, niet voldoende waarborgen zijn. Verder hebben zij geconstateerd dat bij instellingen als bedoeld in artikel 212a, onder a, Faillissementswet, op verzoek van derden niet tegelijkertijd alle tegoeden zullen worden uitbetaald. Zij vragen zich in dat verband af of een conservatoir beslag op (veelal) een deel van de tegoeden de betalingsplicht van de instelling wel zal aantasten. Indien dit wel zo zou zijn, zou dan niet al eerder het toezicht op de instelling tekort hebben geschoten waardoor vooral derden de dupe zijn, vragen zij zich verder af. Verder hebben de leden van de CDA-fractie gevraagd of het voorafgaand horen van de instelling niet strijdig is met de doelstelling van conservatoir beslag. Ik beantwoord deze vragen als volgt.

De voorzieningenrechter van de rechtbank is bevoegd, maar niet verplicht nader onderzoek in te stellen of een debiteur-financiële instelling te horen. In de praktijk komt het regelmatig voor dat de voorzieningenrechter van de rechtbank het horen van de debiteur achterwege laat. Hierdoor kan het voorkomen dat beslag wordt gelegd voor een al dan niet opeisbare vordering op een voor de betrokken financiële instelling onverwacht moment. Een gevolg daarvan kan zijn dat al geplande betalingen geen doorgang kunnen vinden. Dit kan vooral problematisch zijn wanneer het beslag een aanzienlijk deel van de tegoeden van een financiële instelling raakt of een deel dat bestemd is voor een aanstaande betaling. Juist dan bestaat het hiervoor beschreven systeemrisico. Om deze situatie te voorkomen wordt voorgesteld dat de voorzieningenrechter bij een verzoek tot het leggen van conservatoir beslag op tegoeden van een financiële instelling deze instelling in alle gevallen voorafgaand hoort. Zo is gewaarborgd dat de voorzieningenrechter steeds beslist met inachtneming van hetgeen de financiële instelling hierover naar voren heeft te brengen.

In het algemeen dient een beslag ter voorkoming van onttrekking van bezittingen aan het verhaal door schuldeisers. Het risico dat een onder toezicht staande debiteur-financiële instelling, zoals de instellingen bedoeld in artikel 212a Faillissementswet, haar tegoeden buiten het bereik van het beslag brengt, is gering. Het toezicht beoogt juist de liquiditeit en solvabiliteit van de onder toezicht staande instelling te waarborgen voor haar crediteuren. Ik acht het voorafgaand horen van de financiële instelling daarom niet in strijd met het doel van een conservatoir beslag.

Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie zich af waarom het voorafgaand horen zich beperkt tot conservatoir beslag op de tegoeden. Ook een beslag op de zaken van de instelling kan er toch toe leiden dat de instelling niet in staat is te voldoen aan opeisbare verplichtingen tegenover derden, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Het voorafgaand horen beperkt zich tot beslag op tegoeden, omdat de onderlinge afhankelijkheden tussen financiële instellingen vooral bestaan uit over en weer aangehouden tegoeden. De risico's die zich bij een beslag op deze tegoeden kunnen voordoen (het systeemrisico), doen zich niet voor bij een conservatoir beslag op zaken.

Overig

De leden van de VVD-fractie hebben mij verzocht een wettelijke faciliteit te scheppen overeenkomstig het vervallen artikel 19 van het per 15 juli 2001 vervallen deurwaardersreglement, waarmee iemand die na een uitspraak on- of minvermogend is geworden, de president van de rechtbank kon vragen om kosteloze tenuitvoerlegging. Op grond van artikel 434a Rv komen de kosten van tenuitvoerlegging als executiekosten ten laste van de geëxecuteerde wederpartij van de rechtzoekende. Dit geldt ongeacht de vraag of de rechtzoekende (na de uitspraak) min- of onvermogend is (geworden). De rechtzoekende die na de uitspraak min- of onvermogend is geworden, hoeft deze kosten dus uiteindelijk niet zelf te dragen. Mij is ook niet gebleken dat zich in de praktijk zodanige problemen voordoen op dit punt dat ingrijpen door de wetgever nodig is. Overigens voorziet de Wet op de rechtsbijstand in door de overheid gefinancierde rechtsbijstand voor de rechtzoekende wiens financiële draagkracht een bepaald bedrag niet te boven gaat. Artikel 40 van de Wrb voorziet in kostenloze tenuitvoerlegging van de uitspraak in een zaak waarin op grond van die wet rechtsbijstand is verleend. Bij een eerdere vraag hierover heeft mijn ambtsvoorganger hiernaar verwezen en gewezen op het belang van artikel 13 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders, dat bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder die goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, hem daarop wijst. Ten slotte heeft hij aangegeven dat, indien zich in de praktijk knelpunten blijken voor te doen, zal worden onderzocht welke oplossing daarvoor, gelet de aard en omvang daarvan, de meest geëigende is. Kortheidshalve verwijs ik naar Kamerstukken II, 2001–2002, 27 824, nr. 6, p. 9 (Herziening rechterlijke organisatie).

Voorts hebben deze leden vragen gesteld over artikel 440, eerste lid, onder c, Rv en artikel 504, eerste lid, onder d, Rv in verband met de invoering van de nieuwe Gerechtsdeurwaarderswet op 15 juli 2001. De bevoegdheden van deurwaarders tot onder meer beslaglegging zijn sindsdien niet beperkt tot het arrondissement waar zij kantoor houden (artikel 3 Gerechtsdeurwaarderswet). Bij nota van wijziging heb ik voorgesteld genoemde bepalingen in het Wetboek van Rechtsvordering aan te passen, in die zin dat daaruit de verwijzing naar een beslaglegging buiten het arrondissement van de deurwaarder wordt geschrapt (onderdeel J, subonderdelen EEa en EEc, nota van wijziging).

Ten slotte hebben de leden van de VVD-fractie een vraag gesteld over artikel 474g, eerste lid, Rv. Is niet beter om de rechtbank van de vestigingsplaats of het kantoor van de vennootschap waar het beslagexploot is gedaan, bevoegd te maken, zo vragen de leden. Artikel 474g, eerste lid, Rv voorziet thans in een verplichting voor de beslaglegger om bij de rechtbank van het arrondissement waarin hij bij het beslagexploit woonplaats heeft gekozen, een verzoek in te dienen om te bepalen binnen welke termijn tot verkoop en overdracht van de beslagen aandelen kan worden overgegaan. Tot inwerkingtreding van de Gerechtdeurwaarderswet op 15 juli 2001 was dit tevens het arrondissement waarin het kantoor van de vennootschap waar het beslagexploot was gedaan, was gelegen. Met name bij meer beslagleggers en verschillende belanghebbende aandeelhouders kan overzichtelijk zijn om de verzoeken ex artikel 474g, eerste lid, Rv te concentreren bij de rechtbank in het arrondissement waarin de vennootschap haar vestigingsplaats heeft. Uit oogpunt van ordelijkheid en continuïteit bevat onderdeel J, subonderdeel EEb, van de nota van wijziging daartoe een aanpassing van artikel 474g, eerste lid, Rv in deze zin.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner