Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328863 nr. 4

28 863
Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 1 juli 2003

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het verwondert deze leden dat een voorstel tot aanpassing van het op 1 januari 2002 in werking getreden herziene burgerlijk procesrecht zo lang op zich heeft laten wachten.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Het voorstel verduidelijkt de procesvoering in reconventie. De Eerste Kamer had daar terecht om gevraagd. Bovendien worden de gevolgen van een overdracht van een vordering door de eisende partij in de loop van de procedure nader besproken. Voorts worden enige kleinere wijzigingen in de terminologie voorgesteld. De onbedoelde bevoegdheidsuitbreiding van de kantonrechter in ontbindingszaken wordt weer teruggedraaid. Kortom: het wetsvoorstel is er vooral één van technische aanpassingen. De aan het woord zijnde leden hebben enkele vragen over deze aanpassingen.

Algemeen

De leden van de CDA-fractie onderkennen het belang van het aanpassen van het burgerlijke procesrecht aan de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-verordening). Zij constateren echter, dat dit maar deels gebeurt en vragen of het de kwaliteit van wetgeving dient wanneer op een later moment opnieuw een voorstel tot aanpassing aan de EEX-verordening wordt ingediend. Kan de regering uiteen zetten welke onderdelen van de EEX-verordening in het onderhavige wetsvoorstel niet zijn overgenomen en waarom dat niet is gebeurd, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie hebben uit de Staatscourant van 26 mei 2003 begrepen dat de regering een wetsvoorstel in voorbereiding heeft dat voorziet in de mogelijkheid om vonnissen van de civiele rechter te herroepen op basis van een uitspraak van het Europese Hof. Op welke gronden is dit wetsvoorstel gebaseerd en wanneer verwacht de regering dit wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te kunnen aanbieden, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Deze leden willen waken voor versnippering van wetgeving en hechten aan rechtszekerheid ten aanzien van het nog maar recent in werking getreden herziene burgerlijke procesrecht.

De leden van de CDA-fractie onderschrijven de overwegingen van de regering om in de wet niet uitdrukkelijk te regelen dat de gedaagde in reconventie het recht heeft om een conclusie van antwoord te nemen. Voor deze leden is een procedure in reconventie eigenlijk een zelfstandige hoofdprocedure, die om doelmatigheidsredenen wordt gevoegd met de procedure in conventie. Het procesverloop in reconventie wijkt daarom niet af van het verloop in conventie, zo stellen deze leden.

De leden van de CDA-fractie hebben ook geen behoefte aan een regeling ter bescherming van de gedaagde voor het geval een vordering door de eisende partij is overgedragen aan een derde. Deze leden constateren dat de verweermiddelen van de gedaagde in stand blijven, in sommige gevallen een beroep op verrekening met de oorspronkelijke eiser kan worden gedaan en de gedaagde altijd nog een afzonderlijke procedure tegen deze oorspronkelijke eiser kan instellen.

De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen over de artikelen 46 en 47 Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Zij merken op dat deze bepalingen na overleg met de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (thans Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders) zijn gewijzigd om een werkbare oplossing te geven voor de weigering van een exploot door de betekende zelf. In de praktijk, zo hebben deze leden vernomen, levert de huidige redactie toch problemen op. Dit omdat – gezien de redactie van artikel 47 lid 1, tweede volzin – de deurwaarder bij weigering verplicht is eerst een poging te doen het exploot ter plaatse achter te laten en als dat om welke reden dan ook niet mogelijk is het exploot per post toe te zenden (dit overigens in afwijking van het commentaar op dit artikel van professor Van Mierlo in T&C die bij aantekening 4 bij artikel 46 Rv een keuze lijkt te suggereren). De gekozen redactie dwingt de deurwaarder hoe dan ook tot het achterlaten of tot toezending maar dat is niet mogelijk als de gedaagde geen bekende woon- of verblijfplaats heeft en zich gedurende (veelal) korte tijd op één plaats in Nederland ophoudt zodat betekening in persoon mogelijk zou zijn. De gedaagde kan de betekening dan frustreren door een weigering en dit is in de praktijk al herhaaldelijk gebeurd op aangeven van raadslieden. Weliswaar geldt dan de fictie van betekening in persoon, maar de deurwaarder kan het afschrift dan niet simpelweg ter plaatse in de macht van de betekende achterlaten; de deurwaarder moet toch nog een vaak nutteloze en kostbare openbare betekening of verzending via het parket of langs de weg van EG-Betekeningsverordening verzorgen. Is de regering bereid de verplichting tot toezending bij gedaagden zonder bekende woon- of verblijfplaats of buitenslands wonende gedaagden te schrappen?

In de praktijk is ook de vraag gerezen hoe de deurwaarder heeft te handelen bij weigering door een huisgenoot. De fictie van betekening in persoon geldt dan niet, maar moet de deurwaarder dan in gesloten envelop een afschrift achterlaten, dan wel dit toezenden? De leden van de VVD-fractie vragen of de regering bereid is tot een wijziging van de redactie van de artikelen 46 en 47 Rv.

De leden van de VVD-fractie hebben voorts een aantal vragen en opmerkingen betreffende artikel 56 Rv. Is de regering het eens met de conclusie dat het gebruik van de zinsnede «geschiedt de betekening (...)» in artikel 56 Rv lid 1 Rv ietwat ongelukkig is en in tegenspraak is met de uitgangspunten van de EG-Betekeningsverordening, zo vragen deze leden. In deze verordening wordt immers uitgegaan van de reële betekening. Dit houdt in dat de betekening niet in Nederland door de Nederlandse gerechtsdeurwaarder geschiedt, maar in de aangezochte lidstaat door een aldaar tot betekening bevoegde ambtenaar, zulks met inachtneming van de daar geldende wetgeving. Dit laatste komt ook tot uiting in het tweede lid waarin wordt bepaald: «de gerechtsdeurwaarder die is aangewezen als verzendende instantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de verordening, verzendt een afschrift van het te betekenen stuk aan een ontvangende instantie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de verordening ter betekening aan degene voor wie het stuk bestemd is». Het eerste lid lijkt, zo menen de leden van de VVD-fractie, het tweede lid tegen te spreken. Zij vragen of het niet beter is om de zinsnede «geschiedt de betekening» in het eerste lid te vervangen door de zinsnede «geschiedt het exploot». De gerechtsdeurwaarder in Nederland doet dan zijn exploot door verzending ter betekening in plaats van door het zelf te betekenen.

De leden van de VVD-fractie merken voorts op dat de invoering van de uitvoeringswet van de EG-betekeningsverordening in de praktijk een vraag heeft opgeleverd voor de toepassing van artikel 721 Rv. Moet onder het stuk, dat aan de derde betekend moet worden, de door de deurwaarder gedane dagvaarding (verzendingsexploot) worden verstaan of de feitelijke betekening in het buitenland? Deze leden wijzen er daarbij op dat toezending vanuit het buitenland soms zeer wordt vertraagd zodat de termijn van artikel 721 Rv onder omstandigheden moeilijk na te leven zal zijn al was het maar omdat wetenschap van betekening ontbreekt. Deze leden vragen de regering of deze conclusies over artikel 56 Rv een verdere wijziging dan in het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld, rechtvaardigen.

Verder willen de leden van de VVD-fractie gaarne van de regering vernemen of zij voornemens is invulling te geven aan de toezegging, die is gedaan bij de behandeling van wetsvoorstel 27 748 (Uitvoeringswet EG-betekenisverordening), om de tekst van de door Nederland af te leggen verklaring ex artikel 9 van de EG-betekeningsverordening aan de Tweede Kamer voor te leggen.

Tevens hebben de leden van de VVD-fractie vragen over artikel 103 Rv. Deze leden merken op dat dit artikel de huidige redactie heeft gekregen na kritiek vanuit de vakpers maar dat er nu wel een redactioneel verschil is met het binnenkort in te voeren artikel 264 Rv dat altijd de rechter van de plaats van de onroerende zaak exclusief bevoegd verklaart. Is de regering van mening dat er nog een reden is om bij artikel 103 Rv ook de woonplaats van de gedaagde bevoegd te laten en niet net als in artikel 264 Rv de rechter van de plaats van de onroerende zaak exclusief bevoegd te verklaren?

Inzake artikel 111 jo 143 Rv hebben de leden van de VVD-fractie de navolgende vragen en opmerkingen. Bij de behandeling van ontwerp 26 855 (Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken) is door de leden van de VVD-fractie aan de regering de suggestie gedaan het vereiste van artikel 111 lid 2 onder a te schrappen. In de praktijk zal deze bepaling niet snel tot nietig verklaarde exploten leiden maar bij een fout tegen deze bepaling wordt wel kostbare tijd verloren, gezien het herstel dat de rechter zal gelasten. Deze leden vragen of niet kan worden volstaan met een bepaling dat enkel een woonplaatskeuze in Nederland vereist is als er al geen gemachtigde is aangewezen met domicilie in Nederland. Een procureur zal immers altijd zijn domicilie in een arrondissement hebben. Het komt deze leden voor dat de meest gekozen oplossing – domiciliekeuze ter griffie van een gerecht – niet meer van deze tijd is en ook geen enkel doel dient.

Voorts bereiken deze leden geluiden, dat artikel 111, lid 3, laatste volzin Rv niet alleen wordt toegepast indien er verweer wordt gevoerd, maar in alle gevallen waarin de wederpartij zich in de procedure doet stellen. Dit leidt tot de praktijk dat een gedaagde voor de zitting geen verweer voert, maar na dagvaarding wel procureur stelt. De zaak wordt dan aangehouden om de eiser in de gelegenheid te stellen het onbekende verweer te verwoorden en bewijsmiddelen daartegen aan te voeren. De eiser moet dan raden naar het verweer en de gedaagde mag daar bij akte weer op reageren. Het komt de leden van de VVD-fractie voor dat dit haaks staat op de beoogde versnelling van de procedure. Is de regering het er mee eens dat deze praktijk op gespannen voet staat met de wet en dat de bewijsaandraagplicht enkel geldt voor de betwiste gronden van de eis en niet voor alle door de eiser aangevoerde stellingen?

De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de voorgestelde wijziging van artikel 111 lid 2 onder g. Naar de mening van deze leden verdraagt de nieuwe redactie zich nog niet geheel met de tekst van artikel 143 lid 2 laatste zin. In een verzetdagvaarding voor de kantonrechter zal ook bij de gewijzigde redactie nog steeds in de dagvaarding moeten worden vermeld «hoe de gedaagde moet antwoorden» maar die redactie verdraagt zich niet met de aard van een verzetprocedure, temeer omdat het zeer goed mogelijk is dat de gedaagde (feitelijk de oorspronkelijke eiser) helemaal geen mogelijkheid krijgt voor een antwoord omdat de kantonrechter meteen een comparitie bepaalt. Is de regering bereid op dit punt artikel 143 lid 2 aan te passen?

Artikelsgewijs

Artikel I

C

De leden van de CDA-fractie hechten met de regering in een procedure tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst aan de oorspronkelijke relatieve bevoegdheidseisen, waarbij de werkgever zich in beginsel zal moeten wenden tot de kantonrechter van de rechtbank van de woonplaats van de werknemer dan wel van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht. Kan de regering nog eens toelichten wat de verhouding is van deze bepaling tot de EEX-verordening en op welk onderdeel de regering een aanpassing van de EEX-verordening nastreeft? Wat zijn de gevolgen voor de relatieve bevoegdheidseisen wanneer deze aanpassingen niet worden doorgevoerd, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Artikel VII

A

De leden van de CDA-fractie constateren dat in artikel 6 onderdeel d rekening wordt gehouden met e-commerce activiteiten. Deze leden vragen wanneer een activiteit zich op Nederland richt. Moet daarbij sprake zijn van het gebruik van de Nederlandse taal of is het voldoende wanneer de activiteit in Nederland via enig middel kenbaar is. Als dit laatste het geval is, vragen deze leden of daarmee niet iedere e-commerce activiteit (bijvoorbeeld via Internet) zich ook op Nederland richt.

De leden van de CDA-fractie constateren voorts dat in het onderhavige artikel wordt gesproken van «activiteiten met ongeacht welke middelen». Waarom is niet aangesloten bij de beschrijving van de middelen zoals genoemd in het voorgestelde artikel 15d BW uit het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel (28 197), zo vragen deze leden. Vallen bijvoorbeeld omroepactiviteiten onder de reikwijdte van het onderhavige artikel, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie waarom voor het bepalen van de rechterlijke bevoegdheid van deze e-commerce activiteiten niet het oorsprongslandbeginsel van toepassing is. Kan de regering de verhouding van het onderhavige wetsvoorstel en de bijbehorende EEX-verordening tot het genoemde wetsvoorstel Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel (28 197) nader toelichten?

Kan de regering tevens verduidelijken wat onder «schade die zich kan voordoen» als bedoeld in onderdeel e moet worden verstaan, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zij vragen of dit wel hetzelfde is als «dreigende schade», waarover in de memorie van toelichting wordt gesproken.

S

De leden van de CDA-fractie onderkennen het belang van een ambtshalve toetsing van de relatieve bevoegdheid in verzoekschriftzaken. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat met de onderhavige bepaling beoogd wordt de ambtshalve toetsing voorop te stellen. Waarom is dan niet gekozen voor een meer actieve formulering waarbij tot uitdrukking komt dat de rechter altijd ambtshalve toetst in plaats van te spreken van «indien de rechter, zonodig ambtshalve, beslist dat », zo vragen de leden van de CDA-fractie. Deze leden veronderstellen dat de voorgestelde bepaling de rechter de ruimte laat om niet ambtshalve te toetsen.

JJ

De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarom in het onderhavige artikel aan instellingen als bedoeld in artikel 212a, onder a, Faillissementswet, een extra bescherming wordt geboden. Is het niet zo dat de president van de rechtbank reeds onder de huidige wetgeving altijd een nader onderzoek kan instellen en de debiteur kan horen, zo vragen deze leden. De president zal toch ook oordelen of de vordering reeds opeisbaar is of binnen afzienbare tijd opeisbaar zal worden? Deze leden wijzen er daarnaast op dat de president ook het bedrag van de hoofdsom vaststelt. Zijn dit niet voldoende waarborgen? Verder constateren zij dat bij instellingen als bedoeld in artikel 212a, onder a, Faillissementswet, op verzoek van derden niet tegelijkertijd alle tegoeden zullen worden uitbetaald. Is het dan niet zo dat een conservatoir beslag op (veelal) een deel van de tegoeden de betalingsplicht van de instelling niet zal aantasten, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Als dat wel het geval is, heeft dan niet al eerder het toezicht op de instelling tekort geschoten waardoor vooral derden de dupe zijn? Zijn overigens niet altijd (en dus ook bij andere typen ondernemingen) derden de dupe van het leggen van conservatoir beslag, zo vragen deze leden.

Kan in het licht van het bovenstaande de regering nog eens toelichten waarom zij stelt dat door het conservatoir beslag de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel kan worden bedreigd?

Verder vragen de leden van de CDA-fractie of het voorafgaand horen van de instelling niet strijdig is met de doelstelling van conservatoir beslag, namelijk het behouden van de beslagen goederen als verhaalsobject om zo te voorkomen dat deze aan het verhaal worden onttrokken.

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast waarom het voorafgaand horen zich beperkt tot conservatoir beslag op de tegoeden. Een beslag op de zaken van de instelling kan er toch ook toe leiden dat de instelling niet in staat is te voldoen aan opeisbare verplichtingen jegens derden, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

Overig

Aangezien deze wet niet een veegwet maar een aanpassingswet is, willen de leden van de VVD-fractie de aandacht van de regering vragen voor enkele kleine technische kwesties op rechtsvorderlijk gebied.

Bij de invoering van de Gerechtsdeurwaarderswet is het deurwaardersreglement vervallen. Artikel 19 van het deurwaardersreglement gaf iemand die na een uitspraak on- of minvermogend was geworden de mogelijkheid zich tot de president van de rechtbank te wenden en om een kostenloze tenuitvoerlegging te vragen. Sinds 15 juli 2001 is deze situatie wettelijk niet meer geregeld en daarom verzoeken deze leden de regering terzake een wettelijke faciliteit te scheppen, indien mogelijk gelijk aan de vervallen bepaling. Tevens constateren de leden van de VVD-fractie dat door de invoering van de Gerechtsdeurwaarderswet en de daarmee samenhangende landelijke bevoegdheid, de bepalingen van de artikelen 440, lid 1, onder c en 504, lid 1, onder d Rv hun feitelijk nut verloren. Zou het niet logischer zijn woonplaatskeuze bij de beslagleggende deurwaarder altijd verplicht te stellen? Verder heeft artikel 474 g lid 1 Rv haar ankerpunt verloren omdat dit beslag gelegd kan worden door iedere deurwaarder en niet enkel meer door een deurwaarder in het arrondissement van de vestigingplaats of kantoor van de vennootschap. Is het niet gewenst de rechtbank van de vestigingplaats of het kantoor van de vennootschap waar het beslagexploot is gedaan bevoegd te verklaren, zo vragen deze leden.

De voorzitter van de commissie,

Van de Camp

De griffier van dit verslag,

Van Bemmel


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), voorzitter, De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Vos (GL), Rouvoet (CU), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Van Fessem (CDA), Luchtenveld (VVD), Wilders (VVD), Weekers (VVD), Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA), Tonkens (GL), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), Straub (PvdA), Griffith (VVD), Visser (VVD) en De Pater-van der Meer (CDA).

Plv. leden: Vacature (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Van der Laan (D66), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Ormel (CDA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Vergeer-Mudde (SP), Arib (PvdA), Karimi (GL), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Nawijn (LPF), Joldersma (CDA), Hermans (LPF), Van Dijken (PvdA), Örgü (VVD), Rijpstra (VVD) en Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA).