Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328863 nr. 3

28 863
Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

Op 1 januari 2002 is het herziene burgerlijk procesrecht in werking getreden. Hiermee werd een wetgevingsproces naar een moderner, toegankelijker, minder formeel en efficiënter civiel procesrecht voltooid. Bij de behandeling in de Eerste Kamer is onder ogen gezien dat nadere aanpassingen in de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wenselijk zijn. Ook in enige andere wetten bleken nadere aanpassingen nodig.

Hierin voorziet dit wetsvoorstel. Het gaat om merendeels technische wijzingen, zoals herstel van verschrijvingen en verbetering van onjuiste verwijzingen. Ook worden onduidelijkheden opgelost. Zo bleek in de praktijk niet duidelijk in hoeverre enkele van de dagvaardingseisen van artikel 111 Rv ook gelden voor dagvaardingen in hoger beroep. Rekening is gehouden met de inmiddels verschenen literatuur over het nieuwe procesrecht en met suggesties en vragen vanuit de praktijk. Ook vanuit de Adviescommissie burgerlijk procesrecht zijn waardevolle suggesties gedaan voor verbeteringen. Voorts is rekening gehouden met hetgeen aan de orde is gekomen in de voorjaarsvergadering 2002 van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht, gewijd aan het herziene procesrecht. In het wetsvoorstel zijn daarnaast de rechtsmachtbepalingen in de eerste titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangepast aan de op 1 maart 2002 in werking getreden Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-verordening). Er is vanaf gezien om de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in arbeidszaken (artikel 6, onderdeel b, Rv) aan te passen aan de artikelen 19 en 20 EEX-verordening. Met name voor verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:685 BW) is wenselijk het forum van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht ook voor verzoeken van de werkgever te behouden in niet door de EEX-verordening beheerste gevallen. Bovendien loopt nog een discussie in Brussel over een Nederlands verzoek tot aanpassing van de EEX-verordening op dit punt. Wel heb ik dit onderdeel aangepast overeenkomstig de voorgestelde wijziging in artikel 100 Rv. Het wetsvoorstel is in concept voor advies voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak. De Raad heeft op 28 oktober 2002 laten weten dat hij, na consultatie van de gerechten, geen aanleiding ziet tot het maken van opmerkingen.

Bij de behandeling in de Eerste Kamer van de herziening van het burgerlijk procesrecht is door de toenmalige Minister van Justitie toegezegd dat in het kader van het onderhavige wetsvoorstel wordt teruggekomen op twee onderwerpen (Handelingen I 2001–2002, blz. 10–525). In de eerste plaats betrof dit de vraag of niet in de wet tot uitdrukking dient te komen dat de gedaagde in reconventie het recht heeft om een conclusie van antwoord te nemen. Over deze vraag kan ik thans het volgende opmerken. De gedaagde in reconventie heeft zonder meer het recht om een conclusie van antwoord te nemen. Dit volgt reeds uit het feit dat ook bij de procedure in reconventie – uiteraard – de regel van hoor en wederhoor (artikel 19 Rv) van toepassing is. Voorts ligt het besloten in artikel 138 Rv, eerste lid, dat een regel geeft over het «voldingen» van de zaken in conventie en reconventie, waarbij ook voor de reconventie de in de vijfde afdeling van de tweede titel van het Eerste Boek Rv gegeven voorschriften betreffende het verloop van het geding zoveel mogelijk van toepassing zijn. Ook onder het oude recht gold zonder uitdrukkelijke wetsbepaling dat het procesverloop in reconventie in beginsel op dezelfde wijze verloopt als in conventie. Met het voorgaande is niet gegeven op welk moment de gedaagde in reconventie zijn conclusie van antwoord zal mogen nemen en in hoeverre dat voorafgaand aan de comparitie na antwoord zal zijn. Daaromtrent bevat de wet geen regeling. Wel heeft de toenmalige minister van Justitie er bij de behandeling op 4 december 2001 op gewezen dat het landelijk rolreglement terzake wel een regeling inhoudt (artikel 5.8). Daarmee heeft de rechter een richtsnoer voor de invulling van zijn instructierol op dit punt. Naar ik meen bestaat er thans geen wenselijkheid om in de wet een nadere regeling terzake op te nemen. Een wettelijke regeling zou immers zeker een vergelijkbare ruimte aan de rechter moeten bieden als artikel 5.8 van het landelijk rolreglement thans doet. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal het immers aan de rechter moeten zijn om uit te maken wat voor de desbetreffende procedure de meest aangewezen gang van zaken zal zijn.

De tweede kwestie waarop ik naar aanleiding van de behandeling op 4 december 2001 terugkom, betreft de gevolgen van een overdracht van een vordering door de eisende partij in de loop van het geding. Een zodanige overdracht van de vordering levert een grond op voor schorsing van het geding op de voet van artikel 225, eerste lid, onder c, Rv (Kamerstukken II 1999–2000, 26 855, nr. 3, blz. 130). Dienaangaande is onder meer aan de orde gesteld dat de gedaagde partij hierdoor belemmerd kan worden om een reconventionele vordering in te stellen tegen de oorspronkelijke eiser, waardoor hij gedwongen kan worden zelf die oorspronkelijke eiser te dagvaarden (Handelingen Eerste Kamer 4 december 2001, blz. 10–489). Met betrekking daartoe heeft de toenmalige Minister van Justitie erop gewezen (blz. 10–511) dat wanneer de zaak na een schorsing is voortgezet op naam van de cessionaris, er geen eis in reconventie meer kan worden ingesteld tegen de oorspronkelijke eiser. Dat zou de procedure compliceren, omdat er dan drie partijen in het geding zijn in plaats van twee. Wel zal de gedaagde op grond van artikel 145 van Boek 6 BW een verweermiddel tegen de eerste eiser ook kunnen tegenwerpen aan de opvolgende eiser. De gedaagde kan daardoor derhalve nimmer worden veroordeeld tot betaling van een hoger bedrag dan waartoe hij zonder de schorsing had kunnen worden veroordeeld. Dit geldt ook als de tegenvordering van de gedaagde slechts geldend kan worden gemaakt tegen de oorspronkelijke eiser, mits de tegenvordering voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de vordering in conventie dan wel – als het gaat om een tegenvordering uit anderen hoofde – reeds voor de cessie opeisbaar was geworden. In die gevallen laat de cessie immers op grond van artikel 130, eerste lid, van Boek 6 BW onverlet dat een beroep op verrekening kan worden gedaan, aan welk beroep op grond van artikel 129, eerste lid, van Boek 6 BW terugwerkende kracht toekomt. Kortom: de gedaagde wordt bij cessie beschermd tegen het gevaar dat hij door het ontbreken van de mogelijkheid van een eis in reconventie aan de eiser meer zou moeten betalen dan zonder cessie het geval zou zijn. Wel kan het zo zijn dat de gedaagde tegen de oorspronkelijke eiser niet een geldvordering zou willen instellen, maar een vordering tot het verrichten van een bepaalde prestatie, zoals het voortzetten of hervatten van bepaalde leveranties. Een zodanige vordering zal na een cessie niet altijd kunnen worden ingesteld tegen de cessionaris. Dit kan voor de gedaagde betekenen dat hij voor die vordering een afzonderlijke procedure moet instellen. Naar ik meen is dit nu eenmaal een gevolg van de omstandigheid dat vorderingen in beginsel door de schuldeiser overgedragen kunnen worden. Er is onvoldoende grond om de schuldenaar in zo'n geval – anders dan wanneer de vordering reeds vóór de procedure was overgedragen – wèl de mogelijkheid te geven om een reconventionele vordering tegen de oorspronkelijke eiser in te stellen, met alle processuele complicaties van een meerpartijenprocedure vandien. Voor een nadere regeling terzake zie ik onvoldoende aanleiding.

ARTIKELEN

Artikel I

A

In de artikelen 20, eerste lid, 20e, eerste lid, 24, tweede lid, en 25f, eerste lid, van Boek 1 is sprake van termijnen van twee maanden na dagtekening van een rechterlijke beschikking, welke in overeenstemming dienen te worden gebracht met de in artikel 806, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde termijn van drie maanden voor het instellen van hoger beroep tegen rechterlijke beschikkingen in familiezaken.

B

De wijziging van artikel 204 van Boek 4 op grond van artikel III, onder f, van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tweede gedeelte, kon niet worden doorgevoerd, aangezien per abuis artikel 204, eerste lid, onder b, was aangehaald in plaats van artikel 204, eerste lid, onder a. Met de voorgestelde bepaling wordt de wijziging alsnog doorgevoerd.

C

Bij de herziening van het burgerlijk procesrecht zijn voor de procedure tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst de bepalingen van relatieve bevoegdheid van de verzoekschriftprocedure van toepassing verklaard, terwijl voorts is overgenomen de voor het oude recht uit artikel 98, tweede lid, Rv voortvloeiende bevoegdheid van de kantonrechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht. Voorheen werd in artikel 7:685 BW verwezen naar de ingevolge de artikelen 97 tot en met 99 Rv bevoegde kantonrechter en werd deze bevoegdheid in artikel 97, tweede lid, bepaald overeenkomstig de bepalingen voor de dagvaardingsprocedure. Met de van toepassing verklaring van de bepalingen betreffende relatieve bevoegdheid voor de verzoekschriftprocedure is, onbedoeld, een wijziging in de bevoegdheidsregels aangebracht. Door deze regels uit de verzoekschriftprocedure is bijvoorbeeld bij een door een werkgever gedaan ontbindingsverzoek de kantonrechter van de rechtbank van de woonplaats van de verzoeker, de werkgever derhalve, (mede) bevoegd geworden. Met de voorgestelde wijziging wordt voor ontbindingszaken wederom aangeknoopt bij de bevoegdheidsregels voor dagvaardingsprocedures, waardoor een werkgever zich in beginsel zal moeten wenden tot de kantonrechter van de rechtbank van de woonplaats van de werknemer, dan wel tot de kantonrechter van de rechtbank van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht (zie de artikelen 99, eerste lid, en 100 Rv).

Artikel II

De wijzigingen brengen de terminologie in overeenstemming met andere wetten waar het openbaar ministerie in een verzoekschriftprocedure als partij optreedt. Bij de Wet van 6 december 2001 tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 2001, 581) is overal waar in de wet sprake was van een vordering van het openbaar ministerie ten aanzien van een procedure die eindigt met een beschikking of die door anderen bij verzoek moet worden ingeleid, «vordering» vervangen door «verzoek» (Kamerstukken II 2000–2001, 27 824, nr. 3, p. 3). Met de wijzigingen in de artikelen 1, 3, 3a, 3b en 15b worden ook de bepalingen in de Faillissementswet aangepast aan de nieuwe terminologie.

Artikel III

Bij de Wet van 6 december 2001 tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 2001, 581) is artikel 56c, tweede lid, Kadasterwet vervallen en zijn het derde en vierde lid vernummerd tot tweede en derde lid. Met de voorgestelde wijziging wordt de verwijzing in artikel 56d, eerste lid, naar artikel 56c, vierde lid, aan de nieuwe nummering aangepast.

Artikel IV

De wijziging verduidelijkt dat tegen een beschikking waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld, slechts cassatie mogelijk is op de gronden genoemd in artikel 80, eerste lid, onder a tot en met d, Wet op de rechterlijke organisatie. Voorzover hierover nog twijfel kon bestaan op basis van de huidige tekst van artikel 426a Rv, wordt deze twijfel met de voorgestelde wijziging weggenomen.

Artikel V

Artikel 23, zesde lid, Wet politieregisters verwees nog naar de per 1 januari 2002 vervallen regeling in de twaalfde titel van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en naar het eveneens op die datum vervallen artikel 345 Rv. Met de voorgestelde wijziging wordt de bepaling aangepast aan de herziene regeling van artikel 261 e.v. Rv.

Artikel VI

De wijziging vloeit voort uit het vervallen van de procedure betreffende rechtsweigering (artikelen 844 tot en met 852 (oud) Rv), waarover in de memorie van toelichting op het nieuwe artikel 26 Rv is opgemerkt dat aan een aparte procedure geen behoefte is naast het toenmalige artikel 14a Wet RO en de algemene mogelijkheid om de Staat aan te spreken (Kamerstukken II 1999–2000, 26 855, nr. 3, blz. 56). In lijn daarmee dient de slotzinsnede van artikel 42, derde lid, te vervallen.

Artikel VII

A

De aanvulling in onderdeel b verduidelijkt dat de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft ten aanzien van geschillen inzake een reeds beëindigde arbeidsovereenkomst, mits de arbeid voorafgaand aan beëindiging laatstelijk gewoonlijk in Nederland werd verricht. Een soortgelijke wijziging is opgenomen bij artikel 100 Rv (artikel VII, onder F, van het wetsvoorstel).

Het nieuwe onderdeel c is ontleend aan artikel 98, derde lid, van het oude Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat mede op rechtsmacht betrekking had. Die bepaling was in 1999 ingevoerd ter implementatie van EG-Richtlijn 96/71 inzake arbeidsvoorwaarden bij grensoverschrijdende arbeid (Stb. 1999, 554, art. 4). Bij de herziening van het burgerlijk procesrecht is het nieuw ingevoerde derde lid van artikel 98 over het hoofd gezien. Met de voorgestelde bepaling en met de wijziging van artikel 100 wordt de geïmplementeerde regeling ook in het nieuwe procesrecht opgenomen.

Met de wijziging van onderdeel d wordt beoogd dit onderdeel aan te passen aan artikel 15 van de op 1 maart 2002 in werking getreden EEX-verordening (Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). De bepaling in de EEX-verordening is verruimd ten opzichte van artikel 13 EEX-Verdrag. Niet langer is vereist dat de sluiting van de overeenkomst vooraf moet zijn gegaan door een bijzondere aanbod of reclame in het land van de consument en dat de voor de sluiting van de overeenkomst noodzakelijke handelingen in Nederland zijn verricht. Met de eis dat de onderneming commerciële of beroepsactiviteiten met ongeacht welke middelen richt op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, is expliciet rekening gehouden met e-commerce activiteiten.

De toevoeging in onderdeel e (nieuw) beoogt de rechtsmachtbepalingen bij verbintenissen uit onrechtmatige daad (thans artikel 6, eerste lid, onderdeel d) aan te passen aan de – ten opzichte van artikel 5 sub 3 EEX-Verdrag – verruimde formulering van artikel 5 sub 3 EEX-verordening. Artikel 5 sub 3 EEX-verordening verduidelijkt dat ook dreigende schade rechtsmacht creëert. Algemeen werd overigens aangenomen dat dit ook onder artikel 5 sub 3 EEX-Verdrag het geval was (vgl. Losbladige Rechtsvordering, aant. 7 op artikel 5 EEX-Verdrag). Er is zo dicht mogelijk aangesloten bij de bewoordingen van de EEX-verordening.

B

De toevoeging van artikel 6a Rv beoogt de rechtsmachtbepalingen bij verbintenissen uit overeenkomst (thans artikel 6 onderdeel a) aan te passen aan artikel 5 sub 1 van de EEX-verordening. Artikel 5 sub 1 EEX-verordening geeft voor de koop en verkoop van roerende zaken een invulling aan het reeds onder het EEX-Verdrag bestaande criterium van de plaats van uitvoering (artikel 5 sub 1 EEX-Verdrag). Het woord «lichamelijke» voor «zaken» is in artikel 6a niet overgenomen. Het woord «zaken» heeft in het Nederlandse vermogensrecht dezelfde betekenis als het begrip «lichamelijke zaken» in de EEX-verordening. Ook onderdeel c van artikel 5 sub 1 EEX-verordening is niet in artikel 6a overgenomen. Het bepaalde in onderdeel c ligt reeds in artikel 6, onderdeel a, jo artikel 6a besloten.

C

Met de wijziging onder a wordt beoogd artikel 8, derde lid, aan te passen aan artikel 23 EEX-verordening. Daarin is het criterium dat een forumkeuzebeding slechts ten behoeve van een van partijen is overeengekomen, anders dan in artikel 17, vierde lid, EEX-Verdrag, niet opgenomen. Daarnaast is nodig de verwijzing naar artikel 6 in overeenstemming te brengen met de gewijzigde belettering van die bepaling en om in het vierde lid de verwijzing naar het derde lid in overeenstemming te brengen met de aangepaste redactie hiervan.

D

Artikel 56, derde lid, is een uitwerking van artikel 9, tweede lid, EG-betekeningsverordening (nr. 1348/2000, PbEG L 160/37). Artikel 9, tweede lid, Betekeningsverordening laat het aan het nationale recht over om een regeling te treffen voor het bepalen van de datum die een aanvrager in aanmerking moet nemen bij een betekening of kennisgeving die binnen een bepaalde termijn moet worden verricht. Artikel 56, derde lid, bepaalt dat betekening volgens artikel 63, eerste lid (betekening aan het kantoor van de advocaat, procureur of deurwaarder bij wie laatstelijk woonplaats is gekozen), beslissend is voor de vraag of tijdig een rechtsmiddel is ingesteld. Wel moet de deurwaarder tevens een afschrift van de dagvaarding verzenden ter betekening overeenkomstig de Betekeningsverordening. Voor deze laatste verzending heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 17 januari 2003 (NJ 2003, 113, Oerlemans) geoordeeld dat deze binnen een termijn van veertien dagen na de betekening overeenkomstig artikel 63, eerste lid, moet plaatsvinden. Deze door de Hoge Raad bepaalde termijn wordt in de voorgestelde wijziging gecodificeerd.

E

De toevoeging strekt louter ter verduidelijking. Zonder de toevoeging zou onduidelijk kunnen zijn hoe de bepaling zich verhoudt tot artikel 75, tweede lid, waar het gaat om gevallen waar de rechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar een hogere rechter. In artikel 76 gaat het om gevallen van onbevoegdheid wegens ontbreken van rechtsmacht of wegens het feit dat de zaak door arbiters moet worden behandeld.

F

De wijziging onder a is van terminologische aard. Door de toevoeging van het woord «individuele» wordt de terminologie in overeenstemming gebracht met de aanduiding in de artikelen 8, 108 en 110 Rv.

De wijziging onder b verduidelijkt dat ook in een procedure over een reeds geëindigde arbeidsovereenkomst mede bevoegd is de kantonrechter die tijdens het bestaan van de arbeidsovereenkomst bevoegd was als rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk werd verricht. In de rechtspraak wordt hier door kantonrechters verschillend over geoordeeld, zodat de praktijk behoefte heeft aan een verduidelijking op dit punt.

De wijziging onder c is ontleend aan artikel 98, derde lid, (oud) Rv. De wijziging hangt samen met de voorgestelde wijziging van artikel 6 Rv. Verwezen wordt naar de toelichting op die bepaling.

G

De wijzigingen in artikel 108, eerste lid, houden verband met de wijziging van artikel 110, dat de materie regelt van het beroep op relatieve onbevoegdheid. In verband met het feit dat in artikel 110, eerste lid, wordt geregeld dat in bepaalde zaken ook zonder een daartoe strekkend verweer de rechter zich relatief onbevoegd zal moeten verklaren, zijn in artikel 108, eerste lid, twee wijzigingen nodig. In de eerste plaats wordt de tweede volzin van artikel 108, eerste lid, geschrapt. Daardoor wordt de kwestie in hoeverre een rechter die volgens de regels van relatieve competentie niet bevoegd is, zich ook daadwerkelijk onbevoegd dient te verklaren, volledig door artikel 110 beheerst. De aangezochte rechter zal, ook in geval van een forumkeuzebeding, in de in artikel 110 geregelde gevallen (vorderingen tot € 5000, alsmede arbeids-, huur- en consumentenzaken) ambtshalve zijn relatieve bevoegdheid onderzoeken en zich zo nodig onbevoegd verklaren. In de tweede plaats dient tot uitdrukking te worden gebracht dat een forumkeuzebeding in beginsel leidt tot onbevoegdheid van de rechter die zonder forumkeuzebeding relatief bevoegd zou zijn. Opmerking verdient dat het mogelijk blijft dat een forumkeuze slechts aanvullende werking heeft, in de zin dat naast de aangewezen rechter ook de overigens volgens de wet bevoegde rechter relatief bevoegd zal zijn. Zulks komt in de nieuwe redactie tot uitdrukking.

H

Als sequeel van de door artikel 108 beperkte mogelijkheid van een geldige forumkeuze in zaken betreffende kleine vorderingen, arbeids-, huur- en consumentenovereenkomsten dient de rechter in deze zaken zijn relatieve bevoegdheid ook ambtshalve te beoordelen. Vergelijk artikel 100, derde lid, (oud) Rv, alsmede voor consumentenovereenkomsten HvJEG 27 juni 2000, NJ 2000, 730. De bepaling is ook van toepassing als partijen geen forumkeuze hebben gemaakt. Uiteraard kunnen partijen de aangezochte rechter altijd alsnog bevoegd maken door een daartoe strekkende overeenkomst, eventueel mondeling gesloten ter zitting (artikel 108, tweede lid, onder a).

I

De wijziging onder a is louter van redactionele aard.

De wijziging onder b is nodig tot opheffing van een doublure: de in artikel 139 Rv genoemde rechtsgevolgen dienen immers reeds op grond van artikel 111, tweede lid, onder i, in de dagvaarding vermeld te worden. Met de wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat in een verzetdagvaarding van deze rechtsgevolgen geen melding behoeft te worden gemaakt (zie artikel 143, tweede lid, derde volzin, Rv).

De wijzigingen onder c en d houden verband met de wijziging van de artikelen 343 en 407, waar artikel 111, tweede lid, onder i, buiten toepassing wordt verklaard. Met de wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat de dagvaarding in hoger beroep en cassatie de in artikel 139 genoemde rechtsgevolgen niet hoeft te vermelden. Wel dient het rechtsgevolg van artikel 140, tweede lid, in de dagvaarding te worden vermeld (zie daarover ook de toelichting op de wijziging van artikel 343).

J

Verduidelijkt is dat in een dagvaarding voor een kort geding ten overstaan van de kantonrechter vermeld dient te worden dat van de gedaagde geen vast recht zal worden geheven.

K

Hetgeen in artikel 113 is geregeld, het aanbrengen van de dagvaarding bij het gerecht en de inschrijving daarvan ter rolle, behoort niet tot de voorschriften met betrekking tot de inhoud van de dagvaarding en de gevolgen van het niet in acht nemen daarvan. De bepaling is daarom minder op zijn plaats in de vierde afdeling van de tweede titel van heteerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ook al omdat daarmee uit artikel 120, eerste lid, lijkt voort te vloeien dat het hier gaat om een voorschrift dat op straffe van nietigheid moet worden gevolgd, hetgeen uiteraard niet de bedoeling is. Veeleer hoort de bepaling thuis in de vijfde afdeling van de genoemde titel betreffende het verloop van het geding, meer in het bijzonder bij artikel 125, dat de aanhangigheid van de zaak regelt, alsmede het vervallen van de aanhangigheid indien het exploot van dagvaarding niet tijdig wordt ingediend ter griffie. Om die reden vervalt artikel 113 en keert het daar bepaalde terug als artikel 125, tweede en derde lid.

L

In artikel 117 kunnen de woorden «van de rechtbank» als overbodig worden geschrapt, terwijl de leesbaarheid bevorderd wordt door het schrappen van de komma na «voorzieningenrechter».

M

Zoals hiervoor is toegelicht bij het vervallen van artikel 113, keert hetgeen daar geregeld is terug in artikel 125, tweede en derde lid. Duidelijkheidshalve is in het tweede lid ten opzichte van de redactie van artikel 113, eerste lid, na «exploot» toegevoegd: «van dagvaarding». Eenzelfde toevoeging is gemaakt in het vierde lid, dat voor het overige – afgezien van de verduidelijking «van het geding» na «aanhangigheid» – overeenkomt met het huidige tweede lid.

N

De wijziging houdt verband met de wijziging van artikel 111. Door splitsing van de bepaling van artikel 111, tweede lid, onder i, in twee onderdelen i en j is het nodig in artikel 143 ook onderdeel j buiten toepassing te verklaren.

O

De voorgestelde wijziging stelt buiten twijfel dat door het verzet de instantie heropend wordt. In de memorie van toelichting op artikel 148 (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 855, nr. 3, blz. 119) is al opgemerkt dat dit uitgangspunt is voor de nieuwe regeling van verzet, anders dan voor de oude regeling is geoordeeld het arrest Campina/Royal (HR 21 april 1995, NJ 1995, 682). Daarbij is erop gewezen dat afstand van instantie tijdens de verzetprocedure door de nieuwe regeling voor afbreking van instantie niet meer mogelijk is. Doorhaling op de rol met de eventueel door partijen overeengekomen gevolgen voor het verstekvonnis blijft wel mogelijk.

P

Voor het ontbreken van een verplichtingen voor partijen om ook van schriftelijke verzoeken een afschrift aan de wederpartij te verstrekken, bestond geen goede grond. Om die reden is die verplichting in de voorgestelde bepaling alsnog opgenomen.

Q

Met het vervallen van het aanvankelijk voorgestelde artikel 248, eerste lid, (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 855, nr. 6, blz. 4) is per abuis de verwijzing in artikel 252, tweede lid, niet aangepast.

R

a. In de Wet van 6 december 2001 tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 2001, 581) is voor artikel 254 bepaald dat in het eerste, tweede en derde lid «de president van de rechtbank» telkens vervangen werd door: de voorzieningenrechter (Stb. 2001, 581, blz. 39). Voor het tweede en derde lid kon aan deze wijziging geen gevolg worden gegeven, omdat daar de woorden «van de rechtbank» niet voorkwamen. In de tekstplaatsing in Stb. 2001, 623 is vervolgens een fout geslopen. De wijzigingen met betrekking tot artikel 254 Rv, zoals opgenomen in de Aanpassingswet (Stb. 2001, 581), zijn namelijk bij alledrie de artikelleden verwerkt, terwijl dit strikt genomen alleen voor het eerste lid mogelijk was en niet voor het tweede en het derde. Derhalve dient in deze leden «president» alsnog te worden vervangen door: voorzieningenrechter.

b. De bevoegdheid van de kantonrechter tot het geven van een voorlopige voorziening, is in artikel 254 te beperkt omschreven. In de eerste plaats kan door de verwijzing naar artikel 93 de vraag rijzen of de kantonrechter ook bevoegd is tot het geven van een voorlopige voorziening als de bodemprocedure op grond van de artikelen 94 en volgende door de kantonrechter moet worden behandeld. In de tweede plaats dient een kort geding voor de kantonrechter ook mogelijk te zijn in zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid. Met de voorgestelde formulering «in kantonzaken» wordt tot uitdrukking gebracht dat in alle zaken die door de kantonrechter moeten worden behandeld, een kort geding ook ten overstaan van de kantonrechter kan worden gevoerd.

S

Met de wijziging wordt beoogd ambtshalve toetsing van de relatieve bevoegdheid in verzoekschriftzaken voorop te stellen. Ambtshalve toetsing vindt al plaats in gevallen waarin een of meer opgeroepen belanghebbenden niet in de procedure zijn verschenen. Gebleken is dat ook als alle belanghebbenden verschenen zijn, ambtshalve toetsing wenselijk kan zijn. Zo is wenselijk ook voor de verzoekschriftprocedure vast te leggen dat de rechter in arbeids-, huur- en consumentenzaken zijn relatieve bevoegdheid zonodig ambtshalve bewaakt. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld in de gevallen bestreken door de artikelen 262 tot de met 268. Aan de exclusiviteit van de in die artikelen opgenomen relatieve bevoegdheden wordt meer recht gedaan als de rechter deze ook toetst zonder dat een verschenen belanghebbende de bevoegdheid betwist. Voorzover deze vraag zich onder het huidige recht voordoet, verwijs ik naar de toelichting op artikel 265 e.v. (Kamerstukken II 26 855, nr. 3). Hetzelfde geldt voor specifieke relatieve bevoegdheden die in andere wetten zijn opgenomen. Al met al betekent dit een groot aantal uitzonderingen op het bestaande uitgangspunt dat de rechter de relatieve bevoegdheid pas toetst als een belanghebbende deze betwist. De regeling van artikel 270 zou hiermee onnodig ingewikkeld worden. De relatieve bevoegdheid is in artikel 262 ruim geformuleerd. Partijen worden door de invoering van een ambtshalve toetsing niet bekneld in hun mogelijkheden om een bevoegde rechter te vinden.

Het tot hoofdregel maken van ambtshalve toetsing in artikel 270 brengt mee dat de rechter ook in andere gevallen dan de hier genoemde ambtshalve zijn relatieve bevoegdheid moet toetsen. De slotzin van het voorgestelde eerste lid van artikel 270 geeft partijen echter de mogelijkheid om alsnog bij de relatief onbevoegde rechter te blijven. De uitzondering genoemd in het tweede lid van artikel 270 blijft bestaan. Ook het derde lid kan ongewijzigd blijven. De verplichting om ambtshalve te toetsen sluit een betwisting van de bevoegdheid door een belanghebbende niet uit. Een ambtshalve bevoegdverklaring betekent dan tegelijkertijd een verwerping van de betwisting van de bevoegdheid; een ambtshalve onbevoegdverklaring zal meestal tevens inhouden dat de betwisting gehonoreerd wordt.

T

De verwijzing in artikel 337, tweede lid, naar artikel 75, eerste lid, dient te vervallen, aangezien zij is achterhaald door de bestuurlijke onderbrenging van de kantonrechtspraak in de rechtbanken. De verwijzing strekte ertoe dat tegen vonnissen van de rechtbank waarbij deze zich absoluut onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de kantonrechter ook vóór het eindvonnis hoger beroep kon worden ingesteld. Met de bestuurlijke onderbrenging van de kantonrechtspraak in de rechtbanken is deze materie anders komen te liggen. Het aanbrengen van een kantonzaak bij een andere sector dan de sector kanton leidt niet tot onbevoegdverklaring van de rechtbank, doch tot een verwijzing naar de kantonrechter op de voet van artikel 71, waartegen ingevolge het vierde lid van die bepaling geen hoger beroep openstaat.

Eenzelfde verwijzing in artikel 358, vierde lid, met betrekking tot de verzoekschriftprocedure dient om dezelfde reden te worden aangepast.

U

De oude tekst van artikel 339, vierde lid, dient te vervallen, omdat de daarin genoemde situatie zich onder het nieuwe procesrecht niet voor kan doen. Incidenteel beroep moet volgens het derde lid immers tegelijk met de conclusie van antwoord worden ingesteld, terwijl afstand van instantie na antwoord niet meer mogelijk is (artikel 249). Artikel 249 is volgens artikel 353, eerste lid, in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. In de nieuwe tekst wordt de regel gecodificeerd die reeds was af te leiden uit HR 18 februari 1994, NJ 1994, 606 (zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 140). Bij nader inzien is het wenselijk de mogelijkheid van een zelfstandig incidenteel beroep en de wijze waarop dit kan worden ingesteld, in de wet vast te leggen.

V

Verduidelijkt wordt dat de dagvaarding in hoger beroep de in artikel 139 genoemde rechtsgevolgen verbonden aan het niet verschijnen door de gedaagde niet hoeft te vermelden. Toewijzing van de vordering tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt, doet zich in hoger beroep immers niet voor (zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 99). Wel dient de dagvaarding in hoger beroep het in artikel 140, tweede lid, genoemde rechtsgevolg te vermelden, dat intreedt als bij meer gedaagden niet alle gedaagden verschijnen. In dat geval geldt ook in hoger beroep dat de uitspraak mede ten aanzien van de niet verschenen gedaagden als een uitspraak op tegenspraak wordt beschouwd.

Door artikel 111, derde lid, buiten toepassing te verklaren wordt buiten twijfel gesteld dat de substantiëringsplicht en de bewijsaandraagplicht niet gelden voor de dagvaarding in hoger beroep.

W

De wijziging heeft dezelfde grond als die van artikel 337, tweede lid, welke hiervoor is toegelicht. Tot 1 januari 2003 was de verwijzing naar artikel 75 Rv opgenomen in artikel 358, derde lid, Rv. Dit derde lid is op genoemd tijdstip hernummerd tot vierde lid in verband met de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht en schenkingsrecht.

X

De wijziging komt overeen met de wijziging in artikel 343 voor het hoger beroep, die hiervoor is toegelicht.

Y

Deze wijziging komt overeen met de wijziging in artikel 339 voor het hoger beroep, die hiervoor is toegelicht.

Z

Met de wijziging wordt een verwijzing hersteld. Voor de invoering van het nieuwe procesrecht verwees artikel 411, derde lid, naar artikel 141, derde lid (oud), de exceptie van beraad. Die bepaling is bij de herziening van het burgerlijk procesrecht in artikel 128, vierde lid, terecht gekomen.

AA

Nu de artikelleden in de elfde titel van het Eerste Boek ook overigens niet genummerd zijn, behoort de aanduiding «1.» voor de tekst van artikel 418, eerste lid, te vervallen (zie Aanwijzingen voor de regelgeving nr. 237).

BB

Doordat de artikelen 121 en 122 van overeenkomstige toepassing in cassatie zijn uitgesloten, is ten onrechte niet geregeld dat ook in cassatie herstelexploten kunnen worden uitgebracht. De voorgestelde wijziging regelt dat ook in cassatie bij een nietige dagvaarding, behoudens artikel 121, derde lid, Rv, een herstelexploot kan worden uitgebracht.

CC

De verwijzing in artikel 422a naar het tweede lid van artikel 76 dient te worden aangepast. Artikel 76 telde op grond van wetsvoorstel 26 855 aanvankelijk twee leden. Het eerste lid is geschrapt in verband met de bestuurlijke onderbrenging van de kantonrechtspraak in de rechtbanken. Met de voorgestelde wijziging wordt de verwijzing naar de bepaling in artikel 422a hieraan aangepast.

DD

De verwijzing in artikel 438 naar artikel 145 Rv (oud) is achterhaald. Artikel 145 Rv (oud) is bij de herziening van het procesrecht komen te vervallen. Met de voorgestelde wijziging wordt ook de verwijzing geschrapt.

EE

De verwijzing naar artikel 432 stond reeds in artikel 479g vóór de herziening van het procesrecht per 1 januari 2002. In wetsvoorstel 26 855 werd aanvankelijk voorgesteld om de artikelen 432 en 433 te schrappen. Daarom werd voorgesteld ook de verwijzing naar artikel 432 te schrappen in artikel 479g. Bij de derde nota van wijziging (Kamerstukken II, 26 855, 1999–2000, nr. 8, artikel II, onderdeel A, zijn de artikelen 432 en 433 alsnog gehandhaafd. Daarbij is verzuimd om de verwijzing naar artikel 432 in artikel 479g weer op te nemen. Met de voorgestelde wijziging wordt deze verwijzing alsnog hersteld.

FF

Artikel 624 Rv trad op 1 april 1991 in werking in verband met de invoering van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 1991, 379). Bij zijn inwerkingtreding bevatte het artikel de bepaling dat voor verzoeken tot goedkeuring van de teboekstelling van zeeschepen ex artikel 194 (oud) van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek de tussenkomst van een procureur niet vereist was. Een soortgelijke bepaling gold tot die datum volgens artikel 315 (oud) van het Wetboek van Koophandel. Voor verzoeken tot het verkrijgen van een machtiging van de rechter voor het doorhalen van een teboekstelling van een zeeschip (artikel 195 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, voorheen artikel 316 (oud) Wetboek van Koophandel) of binnenschip (artikel 786 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboekartikel, voorheen artikel 753 (oud) Wetboek van Koophandel) bevatten de artikelen 37, zevende lid, en 39, tweede lid, van de Maatregel teboekgestelde schepen 1990 (Stb. 500) eenzelfde bepaling. Bij de Maatregel teboekgestelde schepen 1992 (Stb. 1991, 572, inwerkingtreding 1 januari 1992) is de bepaling dat tussenkomst van een procureur niet vereist is voor verzoeken tot een machtiging tot doorhaling, geschrapt met het oog op de invoering van artikel 624 Rv. Artikel 624 Rv is echter nooit in die zin aangepast, dat daarin ook voor verzoeken tot een machtiging tot doorhaling de tussenkomst van een procureur niet vereist is. Met de voorgestelde wijziging wordt hierin alsnog voorzien.

GG

In artikel 642f wordt nog verwezen naar bepalingen uit het oude Wetboek van Rechtsvordering. Met de voorgestelde wijzigingen wordt dit rechtgetrokken.

HH

De wijziging is van technische aard. De procedure van artikel 642a en volgende is een verzoekschriftprocedure. De verwijzing in artikel 642z naar de paragraaf over de kosten van de dagvaardingsprocedure past daarin minder goed. Voorgesteld wordt daarom om te verwijzen naar artikel 289 betreffende de proceskostenveroordeling in de verzoekschriftprocedure.

II

De wijziging in artikel 660 betreft het herstel van een redactionele onvolkomenheid.

JJ

De toevoeging van een vierde lid aan artikel 700 regelt het voorafgaand horen van instellingen als bedoeld in artikel 212a, onder a, Faillissementswet, bij een conservatoir beslag ten laste van hen. Met de bepaling wordt beoogd te voorkomen dat een beslag op de tegoeden van een zodanige instelling leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de goede werking van het betalings- en effectenverkeer en de stabiliteit van het financiële stelsel. Dit kan het geval zijn als een instelling door het beslag niet in staat is te voldoen aan opeisbare verplichtingen jegens derden tot betaling van geldsommen of levering van effecten. Gevolg hiervan kan zijn dat deze derden vervolgens hun verplichtingen niet kunnen nakomen, waardoor de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel wordt bedreigd. Het is wenselijk dat de voorzieningenrechter deze risico's steeds meeweegt in zijn beslissing tot het al dan niet verlenen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag. Om dit zoveel mogelijk te waarborgen dient de schuldenaar-instelling steeds de mogelijkheid te hebben om de rechter haar standpunt kenbaar te maken omtrent het beslag en de vordering en om op deze risico's te wijzen wanneer het een beslag niet op zaken betreft. Met de voorgestelde bepaling wordt hierin voorzien. In die gevallen waar de instelling onder toezicht staat, wordt de solvabiliteit van de instelling gewaarborgd door de toezichtbepalingen die voor dergelijke instellingen gelden. De bepaling geldt overigens niet voor derdenbeslagen onder de instelling. Dergelijke beslagen hebben geen invloed op de financiële positie van de instelling zelf.

KK

Met het verplaatsen van de voorschriften voor het inschrijven ter rolle van artikel 113 naar artikel 125 (onderdeel 11 en 13 van artikel VI van het wetsvoorstel) moet ook de verwijzing naar artikel 113 worden aangepast. Daartoe dient de voorgestelde wijziging.

LL

In artikel 1022, derde lid, ontbreekt een verwijzing naar artikel 203, eerste lid, voor het voorlopig deskundigenbericht en de voorlopige plaatsopneming of bezichtiging.

MM

Zoals reeds het geval is met het eerste lid, dienen ook het tweede en derde lid van de algemene slotbepaling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van een nummer te worden voorzien.

Artikelen VIII, IX en X

De wijzigingen hebben dezelfde achtergrond als de voorgestelde wijzigingen in de Faillissementswet.

Artikel XI

Artikel 93, onderdeel c, Rv is op grond van artikel 14 van de Tijdelijke Wet huurkoop onroerende zaken niet van toepassing op vorderingen voortvloeiend uit deze wet. In het wetsvoorstel houdende vaststelling en invoering van afdeling 7.1.12 (huurkoop onroerende zaken) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken I 1995/96, 24 212, nr. 220), dat strekt tot vervanging van de Tijdelijke wet door een definitieve regeling, is, teneinde vast te leggen dat deze niet tot het takenpakket van de kantonrechter behoren, ten aanzien van zaken betreffende de huurkoop van onroerende zaken in artikel VI een wijziging opgenomen van artikel 39 van de Wet op de rechterlijke organisatie, waarin tot 1 januari 2002 de materie van artikel 93 Rv was geregeld. De voorwaardelijke wijziging in verband met wetsvoorstel 24 212 strekt ertoe, alsnog te voorzien in de noodzakelijke aanpassing van artikel 93, onderdeel c, Rv door de bevoegdheid van de kantonrechter ten aanzien van huurkoopzaken te beperken tot de huurkoop van roerende zaken of van vermogensrechten, niet zijnde registergoederen. Tegelijkertijd vervalt dan de – overigens toch niet uitvoerbare – opdracht tot wijziging van artikel 39 RO in genoemd artikel VI.

Artikel XII

De wijzigingen zijn van redactionele aard en hangen samen met de voorgestelde vernummering van artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek tot 15i bij het bij koninklijke boodschap van 18 mei 2001 ingediende voorstel van wet tot Aanpassing van Boek 3 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Telecommunicatiewet en de Wet op de economische delicten inzake elektronische handtekeningen ter uitvoering van richtlijn nr. 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PbEG L 13) (Wet elektronische hantekeningen) (27 743).

Artikel XIII

De overgangsbepaling sluit inhoudelijk geheel aan bij artikel VII van de Wet van 6 december 2001, Stb. 580. Het eerste lid brengt mee dat alle zaken die aanhangig zijn op het moment van inwerkingtreding van de wet, voor de instantie waar zij aanhangig zijn, worden behandeld volgens het oude recht. De zinsnede «bij dat gerecht» is opgenomen om elk misverstand op dit punt te vermijden. Wordt vervolgens een rechtsmiddel ingesteld tegen een beslissing van na de datum van inwerkingtreding, dan is daarop, behoudens het derde lid, het nieuwe recht van toepassing.

Het tweede lid betreft de mogelijkheid van en de termijnen voor hoger beroep en cassatie. Deze bepaling is nodig in verband met de wijziging van de termijn voor hoger beroep voor bepaalde beschikkingen (artikelen I, onderdeel 1) en de wijzigingen in de artikelen 339 en 410 Rv (artikel VI, onderdelen 22 en 26). Staat tegen een tussenvonnis een rechtsmiddel open voordat het eindvonnis is gewezen, maar hebben partijen van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt, dan geldt het eindvonnis als de beslissing, bedoeld in het tweede lid van artikel XII. De datum van dat vonnis bepaalt in dat geval of en hoe tegen beide vonnissen een rechtsmiddel kan worden aangewend.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner